The Project Gutenberg EBook of Nederlandsche Volkskunde, by Jos Schrijnen

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Nederlandsche Volkskunde

Author: Jos Schrijnen

Release Date: October 12, 2007 [EBook #22968]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






Nederlandsche Volkskunde

Zutphen—W. J. Thieme & Cie

[Inhoud]

Aan de bevolking
van Groot-Nederland
hereenigd in dagen
van beproeving [VII]

[Inhoud]

Ter Inleiding.

Unsere Zeit ist klug, aber arm” zegt Paul Keller in een zijner aantrekkelijkste romans, die als titel voert: Das letzte Märchen. Daarin wil hij alles redden, wat nog jong, wat nog kind in hem is, daarin wil hij meetroonen naar het sprookjesland allen, wien de kinderziel nog uit de oogen lacht, wien het oude kinderhart nog enkele malen klopt in den boezem, die vaak nog een onbepaald heimwee voelen en met zachten weemoed herdenken de oorden van kinderspel en kinderlust; die niet te trotsch zijn, en ook niet te arm, om een onbezorgden sprookjestocht te ondernemen, en in rijpere dagen gaarne nog eens willen aanschouwen hun prille wonderlanden, thans met een anderen lichtglans overgoten.

Inderdaad—arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend, waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze, cynisch-onverschillige tijdgeest.

De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,—de zoeklichten der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich terugtrekken naar de eenzame hoogplateauʼs, waar het Edelweiss nog bloeit in ongerepte pracht,—de berglokomotieven hebben haar spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar afgelegen oorden,—snorrende autoʼs volgen weldra verdelgend haar spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van ontelbare schoorsteenen van mijnen en [VIII]fabrieken, monotoon oplijnend tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur en landerigheid.

Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven, de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden.

Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring, vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering, en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang.

Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard [IX]weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren, het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen; en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel, dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde.

Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt, en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, “der Parvenu ist dem Volke immer am fernsten”.

Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een tocht te ondernemen naar het land der Folklore.—

Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt, als A. de Cock,—aan hem mijn eeresaluut!


De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van 1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij, omvat “the traditional beliefs, legends [X]and customs, current among the common people.” Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht, die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt.

Intusschen wordt de uitdrukking “Folklore” nog slechts een enkele maal gebezigd, terwijl “Volkskunde”, en met recht, hare plaats heeft ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan, dat men het Engelsche woord door “Volkskunde” meende te vertalen, en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven: “Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte, geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu erforschen.” Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze opvatting wel gedreven in het werkplan van den “Sächsischen Verein für Volkskunde.” Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering, bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde; en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar.

Welke is dan de specifieke beteekenis van “volk” in “Volkskunde”? “Volk” is niet het plebs, het “vulgus in populo”, de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het volkskarakter komt veel [XI]meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de hoogere standen, maar het “Volkstümliche” leeft en werkt toch óok in de hoogere lagen der maatschappij. “Volk” is evenmin synoniem van “natuurvolk”, waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen, vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het, dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen.

Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant: immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken; niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur.

Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift “Volkskunde” XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde [XII]is: de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen, dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg 1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg.

Wat wij doorgaans “kultuur” noemen, het resultaat van de werking der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den vorm van zede en gewoonte. De religie van het “volk” is vaak een ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef, ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels, men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof, volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen, maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen, spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden; en “ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines Verstandes”, zegt Karl Knortz, “ist bis jetzt noch nicht entdeckt worden”. Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het [XIII]privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer.

In aansluiting met deze beschouwingen en uiteenzettingen volge nu de verdeeling van dit boek. Op volledigheid wil en kan ik zelfs bij benadering geen aanspraak maken. Wat ik bedoeld heb, is een systematische omlijsting te geven, waarbinnen ieder zonder moeite de hem bekende gegevens kan invoegen en rangschikken, en tevens den sleutel ter verklaring der belangrijkste groepen van verschijnselen aan de hand te doen. Bij het tweede deel wordt een ethno-geografische kaart gevoegd, waarop het verbreidingsgebied van enkele folkloristische kriteriën (dialekten, plaatsnamen, boerenwoningen enz.) door bepaalde lijnen wordt aangeduid, om te zien, tot welke resultaten men hierdoor voor de nadere kennis der stamverdeeling over den Nederlandschen bodem geraken kan. Over deze methode zie b.v. Willi Pressler, Ethno-geographische Wellen des Sachsentums, in het tijdschrift Wörter und Sachen I, i, bl. 47 vlg.; en Richtlinien zu einem Volkstums-Atlas von Niedersachsen (Hannover 1909).

Maar vooraf nog een woord van dank aan al degenen, die mij bij het schrijven van dit boek behulpzaam zijn geweest. Tot bijzondere erkentelijkheid voel ik mij verplicht jegens mijn vriend Dr. H. van der Velden, die mij bij het doorzien der drukproeven, maar ook anderszins met oordeelkundig dienstbetoon steeds gaarne ter zijde stond. Mijn dank ook aan de Heeren Onderwijzers van Limburg, Noord-Brabant en Gelderland voor de waardevolle gegevens in de volijverig ingevulde lijsten mij verstrekt; aan den Heer A. Brom, amanuensis aan de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, die mij den moeizamen literatuurarbeid in niet geringe mate verlichtte, en aan den Heer Jan Beudeker, litt. stud., die mij behulpzaam was bij het samenstellen van het algemeen register.

Aan U, hooggeachte De Cock, hulde en dank, maar ook een woord van bemoediging in deze zware tijden. Rotsvast staat bij ons de overtuiging: een volk, dat een volksaard bezit en zijn volkswaarde beseft, als het Vlaamsche, kan niet te gronde gaan. [XIV]

[Inhoud]

Verdeeling der Nederlandsche Volkskunde.

Eerste Hoofdstuk. Algemeene beginselen en maatschappelijke instellingen.

I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.

II. Dorp en dorpsgebied.

III. De boerenwoningen.

IV. Volkstypen en kleederdrachten.

Tweede Hoofdstuk. De Volksreligie.

I. Volksreligie en geestenwereld.

II. De volksfeesten.

Derde Hoofdstuk. Het Privaatleven.

I. Geboorte en kindsheid.

II. Liefde en huwelijk.

III. Het huiselijk verkeer.

IV. Akkerbouw en veeteelt.

V. Ziekte, dood en begrafenis.

Vierde Hoofdstuk. De Volkstaal.

I. Het taaleigen.

II. Onze plaatsnamen. [XV]

Vijfde Hoofdstuk. De Volkskunst.

I. Raadsels en spreekwoorden.

II. Sprookjes, sagen en legenden.

III. Het volkslied.

IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.

Zesde Hoofdstuk. De Volkswetenschap.

I. Volksetymologie.

II. Volksgeneeskunde.

III. Natuurverklaring en weêrkunde.

IV. Plantlore.

[Inhoud]

Inhoud.

Ter Inleiding

Eerste Hoofdstuk. Algemeene beginselen en maatschappelijke instellingen

I. Lagen en gebied onzer volkskultuur

Praehistorie. Kelten. Germanen. Romeinen. Christendom.

II. Dorp en dorpsgebied

Allmende. Nederzettingen in dorpen. Eschdorpen. Terpdorpen. Streekdorpen of rijdorpen. Straatdorpen. Dijkdorpen. Duindorpen. Groepdorpen. Afzonderlijke hoeven. Steden.

III. De boerenwoningen

Het huis. Het Saksische type. Hooibergen. Het Friesche type. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type. Het Frankisch-Romeinsche type.

IV. Volkstypen en kleederdrachten

Het somatische volkstype. Het psychische volkstype. Kleederdracht en versierselen. Oorijzer. Naald. Zeeuwsche knoop. Huifmuts.

Tweede Hoofdstuk. De Volksreligie

I. Volksreligie en geestenwereld

Natuurlijke en historische laag. Animisme. Germaansche Mythologie. Elfen. Witte Vrouwen. Dwergen of aardmannetjes. Kaboutermannetjes. Meerminnen. Boschnimfen. Wilde Jacht. Weerwolf. Mare. Heksen. Hoefijzer. Zout. Dwaallicht. Vuurman. Spook en spookdier. Reuzen. Romeinsche Mythologie. Keltische Mythologie. Christendom. Kerstputten. Duivel. Klokken.

II. De volksfeesten

Joelfeest. Bevruchtingstijdperk. Sint Maartensdag. Sint Maartensvuur. Noodvuur. Sint Maartensliedjes. Varkensslachten. Sint Maartensgans. Gaarde. Sint Katharina. Sint Andries. Sint Elooi. Sint Barbara. Sint Nikolaas. Schoenzet-liedjes. Sint Lucia. Guldenmis. Sint Thomasdag. Kerstmis. Roos van Jericho. Kerstblok. Kerstboom. Gebaksvormen. Sint Stefanusdag. Sint Jan Evangelist. Allerkinderen. Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsliedjes. Driekoningendag. Driekoningenliedjes. Kaarsjespringen. Boonenkoeken koningsbrieven. Sint Pontianus- en Sint Agnesdag. Vrouwkesavond. Koppermaandag. Antonius-abt. Sint Sebastianus. Pauli Bekeering. Maria Lichtmis. Klootschieten. Sint Blasius. Vastenavond. Maskerade. Vastenavondkoeken. Vastenavondliedjes. Haanslaan en gansrijden. Vastenavondvuur. Strarijden. Asch woensdag. Fakkelzondag. Kwenezondag. Laetare. Sint Pieter-in-den-Winter. 1 Maart. Gregoriusdag. Sint Geertrui. Lentefeest. Meiboom. Palmzondag. Palmpaasch. Palmpaaschrijmpjes. Kalfdag. Witte Donderdag. Goede Vrijdag. Goede Zaterdag. Paaschdag. Paaschei. Paaschvuur. Paaschbrood. Vlöggelen. Paaschmaandag. Beloken Paschen. Natte Paschen. 1 April. Meidag. Meitaksteken. Meiliedjes. Meifluitjes. Meigilden. Meileeste. Hemelvaartsdag. Luilak. Pinksteren. Pinksterbloem. Nustekook. Pinksterkroon. Tweede Pinksterdag. Pinkstergilden. Sint Jan de Dooper. Sint Janstak. Sint Jansvuur. Petrus- en Paulusdag. Rozenhoed. Sint Marten-in-den-Zomer. Maria-Hemelvaart. Bedevaarten. Maria-Geboorte. Michielsdag. Allerheiligen. Allerzielen. Sint Hubertusdag.

Derde Hoofdstuk. Het Privaatleven

I. Geboorte, doop, kindsheid

De geboorte. Ooievaar. Bronnen en boomen. Zwangerschap. Levensboom. Scheidings- en opnamegebruiken. Doopsel. Kerkgang. Kinderziekten. Wiegeliedjes. Loopen en spreken. Schootliedjes. Knieliedjes. Kinderspel. Hoorspel, gezichtspel, gevoelspel. Speeldrift. Loopspelen. Springspelen. Dansspelen. Werpspelen. Balspelen. Bolspelen. Ambachtspelen. Schommelspelen. Knikkerspelen. Tolspelen. Hoepel- en vliegerspelen. Sneeuw- en ijsspelen. Lutje leeft nog. Vindings- en schenkingsrecht. Eerste schooldag. Eerste Kommuniedag.

II. Liefde en huwelijk

Minnen en werven. Liefde-orakels. Vrijstemarkten. Kweesten en strunen. Dorhoed. Ketelmuziek. Volksrechtspraak. Verloving. Huwelijksdag. Ontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. Noodigen ter bruiloft. Huwelijksmei. Heemgeleide. Het opeischen en schutten der bruid. Haalleiden. Het zich verbergen der bruid. Bruiloftsmaal. Huilbier.

III. Het huiselijk verkeer

Introuwen. Gebed. Voedsel. Het familiefeest. Kermis. Schuttersgilden. Vogelschieten. Draaksteken. Spinning.

IV. Landbouw en veeteelt

De buurtschap. Verhuizen. Vuurbeuten. Schildverteren. Bier(maal). Zaaien. Koorndaemon. Graanoogst. Oogstlied. Laatste schoof. Oogstkrans. Hanenslaan. Martelgans. Arenlezen. Dorschen. Dorschlied. Laatste slag. Hooi-oogst. Zwaluwliedjes. Vlasoogst, hopoogst, zaadoogst. De fooi. Veeteelt.

V. Ziekte, dood, begrafenis

Ziekte. Dood. Scheidingsgebruiken. Uitlichten. Laatste snik. Lijkstroo. Lijkplank. Doodskleed. Openen en luiken der vensters. Stroowisschen. Doodenwake. Overluiden. Het kisten. Lijkdeur. Begrafenis. Lijkstoet. Lijkweg. Doodenmei. Op het kerkhof. Lijkmaal. Uitvaartbrood. Levenslicht. Rouwtijd. Graftooi.

Vierde Hoofdstuk. De Volkstaal

Inleiding

I. Het taaleigen

Het Friesche taaleigen. Het Saksische taaleigen. Het Frankische taaleigen. Woordenschat en syntaxis. Analytische richting. Woordvorming. Woordvoorraad en semantiek. Zinsbouw. Emphatisch karakter.

II. Onze plaatsnamen

Inleidend overzicht over persoons- en geslachtsnamen. Keltische plaatsnamen. Romeinsche plaatsnamen. Germaansche plaatsnamen. Huisnamen. Landerijen. Dorpen en steden. Stambepalende waarde der plaatsnamen. Straatnamen. Klemtoon. Spotnamen van steden en dorpen.

Vijfde Hoofdstuk. De Volkskunst

Inleiding

I. Raadsels en spreekwoorden

Raadsels. Beschrijvende raadsels. Verhalende raadsels. Kwelraadsels. Letterraadsels. Raadselsprookjes. Spreekwoorden. Stafrijmen. Eindrijmen. Halve rijmen. Rijmlooze wederwoorden. Saksische spreekwoorden. Friesche spreekwoorden. Frankische spreekwoorden. Christelijke spreekwijzen. Apologische spreuk. Apologisch dierenspreekwoord. Psychologie der spreekwoorden. Volksluim. Volksluim bij plaatsnamen miet of zonder woordspeling. Spotrijmpjes op steden en dorpen. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen. Spotrijmpjes op standen en ambachten. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden. Wat de klokken vertellen. Uien.

II. Sprookjes, sagen en legenden

Sprookje, sage, legende. Het sprookje. De bakermat der sprookjes. Grimm, Benfey, Cosquin, Bédier, Bastian, Aarne. Sprookjesmotieven. De dierenwereld in het sprookje. Het draakmotief. De dankbare visch. De drie wenschen. Het dierensprookje. Het verzamelmotief. Ethnologische motieven. Het Polyfemusmotief. Het Klein-Duimpjesmotief. Het verhaal van de Twee Broeders. Mythische motieven. Verlossingsmotief. Vormveranderingen. Tooverij en onwondbaarheid. Droommotieven. Wensch-, vergeet- en raadselmotief. Karaktermotieven. Asschepoester. Karakteristiek van het Nederlandsche sprookje. Kwelsprookjes. De sage. Mythische sagen. Spook- en tooversagen. Vogeltjes-, tekst- en Matthusalemmotief. Volkssage en kultuursage. Maresagen. Heksensagen. Natuursagen. Christelijke sagen. Duivelssagen. Historische sagen Heldensagen. Abasverus. Gewestelijke sagen. De legenden. Marialegenden. Andere heiligenlegenden.

III. Het Volkslied

Psychologie van het volkslied. Volkslied en rythme. Liederenmotieven. Volkslied en kultuurlied. Muziek. Arbeidslied. Oogstlied. Dorschlied. Andere arbeidsliederen. Bruiloftslied. Danslied. Kinderlied. Bij het touwtjespringen. Rondedansen. Reuzenlied. Klein Anna. Reidansen. Andere speelliedjes. Loopspelliedjes. Aftelliedjes. Balspelliedjes. Schommelliedjes. Wiegeliedjes. Minnelied. Cecilialied. Afscheidsliederen. Wachterliederen. Spotlied en gezelschapslied. Verhalend lied. De Twee Koningskinderen. Sprookjeslied. Het dierensprookje. Historisch lied. Feestlied. Geestelijk lied. Bedevaartliedjes. Het lied van den Boom. Het lot van het volkslied.

IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst

De volksbouwkunst. Stad en stadswoning. De privaatwoning. Het moderne stadsbeeld. De landelijke woning. De dekoratieve volkskunst. Vloer en haard. Spinnewiel en bedsteden. Verdere meubileering. Spreuken. Gevelspreuken. Uithangborden. Bidprentjes. Huiszegen. Processievaantjes. Volksprenten. Jan de Wasscher. Klein Duimpje. De volksprenten en het feestelijke jaar. Het volkstooneel. Het poppenspel.

Zesde Hoofdstuk. De Volkswetenschap

Inleiding

I. Volksetymologie

De term volksetymologie. Klank- en begripsassociaties. Etymologische natuurverklaring. Volksetymologie in plaatsnamen.

II. Volksgeneeskunde

Volksgeneeskunde en kultuurgeneeskunde. Het beginsel der sympathie. Bezwering. Bannen en overdragen. Sympathetische geneesmiddelen. Offersurrival? Geneeskrachtige kruiden.

III. Natuurverklaring en weerkunde

Natuurverklaring. Natuurverklarende sprookjes. In de dierenwereld. In de plantenwereld. De volksweerkunde. Dichterlijke uitdrukking. Faktor der sympathie. Planten en dieren in de volksweerkunde. Het beginsel der periodiciteit. Kritische dagen. De volksweerkalender.

IV. Plantlore

De bloem als zinnebeeld. Volksbenamingen der planten. Tooverkracht. Invloed van het Christendom. Volksheiligen in de plantlore. Onze flora het beeld van den Nederlandschen volksaard. Het volkswezen van Groot-Nederland. De volkskultuur de ziel der natie.

Bij de isethnen-kaart

[1]
[Inhoud]

Algemeene Beginselen en Maatschappelijke Instellingen.

I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.

Hoe geheel ons land in den diluvialen tijd door ijs en water was overdekt; hoe het opdook uit de golven in het alluviale tijdperk, door steeds zwakker-stroomende rivieren doorploegd; hoe de bodem zich allengs vormde uit kompakte zand- en leemmassaʼs en meer regelmatige steen- en klei- en zandlagen,—dit alles is zonder twijfel van belang voor de verklaring van bewoonbaarheid, uitoefening van bedrijven, bronnen van bestaan, plaatselijke verordeningen en gebruiken enz., maar ligt toch te ver van ons onderwerp. Meer van belang zijn de verschillende kultuurlagen, die zich ten gevolge der stroomingen van volkeren en rassen en ideeën hebben afgezet en waarneembaar zijn ook in den ondergrond der hedendaagsche kuituur: het zijn de lagen onzer volkskultuur.

1. Praehistorie. Aangaande de oudste bewoners van ons land, de volksstammen, die in praehistorische tijden of ook in den schemerschijn der geschiedenis huisden op Nederlandschen bodem, moeten wij ons grootendeels tot gissingen bepalen. Waarschijnlijk dan woonde eertijds in Noord- en Zuid-Nederland, met name op de boorden van Maas en Lesse, een kortschedelig ras, dat Europa bevolkte vóor de komst, althans vóor de definitieve uitbreiding der Indogermanen. “Wanneer de verschijnselen in Zuid-Limburg niet bedriegelijk blijken”, schrijft Dr. J. H. Holwerda Jr., in Nederlandʼs vroegste Beschaving (Leiden 1907), “moet daar al zeer vroeg, mogelijk reeds 3000 voor Chr., een onbeschaafde stam hebben gewoond, maar zeker zien we in den maker van het hunnebedvaatwerk, den [2]bouwer dier grafmonumenten, een verwante van dien voorhistorischen stam, die eenmaal een groot deel van Europa, ook van de klassieke wereld, bewoonde” (bl. 49).

Naar men weet, verstaat men door hunnebedden (of hunebedden) steenen grafkamers van verschillende afmetingen, gevormd door een kring van erratische gesteenten, die in het diluviale tijdperk rechtstreeks door landijs waren aangebracht. Enkele dier zwerfsteenen dienden als dekking dezer sober-majestueuze grafsteden—wij noemen de minder ingewikkelde vormen ook wel “grafkelders”—waarin de oerbewoners van ons land hunne lijken neerlegden; de urnen dagteekenen uit lateren tijd, want in Nederland evenals elders is de lijkverbranding jonger dan het begraven. Naast de lijken legde men wapenen of andere voorwerpen, welke den doode dierbaar geweest waren, of die hij, naar men meende, noodig kon hebben in zijn laatste woonstede. Op dit geloof aan het voortbestaan der ziel na den dood in zijn menigvuldige vormen en uitingen zullen wij nog verder in de gelegenheid zijn de aandacht der lezers te vestigen. Ook op de hunnebedden komen wij naderhand terug. Hier zij slechts opgemerkt, dat het voorkomen van brandurnen in hunnebedden niet pleit tegen de stelling der prioriteit van het begraven. Want vooreerst is het waarschijnlijk, dat ook de Kelten en Germanen, zij het dan ook in navolging hunner voorgangers, die zich met hen—vooral met de Kelten—vermengd en wier kultuur zij ten deele hebben overgenomen, dergelijke grafkamers hebben gemaakt. Verder kan men gereedelijk aannemen, dat wederom door later-levende menschen brandurnen in de ommanteling van reeds bestaande hunnebedden zijn neergezet, zoodat het daarin gevondene: steenen, bronzen, zelfs ijzeren voorwerpen, uit verschillende tijden en van verschillende volksstammen afkomstig kan wezen.

Tuschen 1500 en 1000 vinden wij deze kultuur in Drente, zuidelijk Friesland, Overijssel en het Gooi. De beschaving is een zuivere steenkultuur. Het bruinachtig vaatwerk, zonder draaischijf gevormd, vertoont typische gedaanten en versieringen. Wat de geestelijke [3]kultuur betreft met betrekking tot het hedendaagsche folklore, hieromtrent is weinig met voldoende zekerheid vast te stellen. Menig Nederlandsch begrafenisgebruik stoelt zeer zeker op animistischen grondslag, maar ook het volksgeloof onzer Germaansche voorvaderen vertoont sterk-animistische trekken. Insgelijks is de matriarchale familie-inrichting—waarbij de vrouw alleszins de meerdere is, de afstammingslijn aangeeft, den naam verleent en het erfrecht bepaalt—, die bij de oorbewoners van ons land de heerschende zou geweest zijn, bij de oude Germanen in een zeer vroege periode bekend geweest: zie hierover mijne Essays en Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en folklore (Venloo, 1910), bl. 176 vlg. Trouwens hier behoeft niet alleen sprake te zijn van “overleefsels” of “bezinksel”, zooals wij te gelegener plaatse zullen aantoonen.

2. Over begrip en omvang van den term “Kelten” verkeert men in het onzekere. Zeker is aan sommige stammen ten onrechte die naam geschonken. Of wij met name den volksstam, die kort na 1000 v. Chr. van uit het zuiden ons land binnendrong, tot de Kelten kunnen rekenen, is hoogst onzeker. In alle geval behoort hij tot het Alpine ras. Hij vertegenwoordigt de zoogen. “Klokkebeker-kultuur”, die over een groot deel van Europa is verspreid geweest: men ontmoet deze Alpinen in een gedeelte van de provincie Utrecht, in Drente, Twente en op de Veluwe. Den naam ontleent deze kultuur aan een eigenaardig vaatwerk, geelbruin van tint en uit de hand gevormd, terwijl het vaasprofiel klokkevormig gebogen en eigenaardig versierd is. Naast steenen vindt men ook bronzen werktuigen en voorwerpen ter versiering, b.v. bronzen ringen.

Deze urnen zijn slechts ten deele brandurnen. Want de dragers der klokkebekerkultuur hebben ook hun dooden begraven en wel onder vrij hooge opgeworpen heuvels. Bij het onderzoeken van zulke grafheuvels op de Veluwe bleek het, dat wat een aardheuvel leek, niets anders was dan een ineengestorte massa vergaan hout en zand, afkomstig van een koepelvormigen bouw uit houten balken, met zand of heideplaggen overdekt. Nu is het de verdienste van [4]Dr. Holwerda, gewezen te hebben op de analogie van deze grafheuvels met de prachtige koepelgraven van Mykene; hiervoor verwijzen wij naar een Gids-artikel van zijn hand (1912 Jan.), waar hij o.m. deze overeenkomst op populaire en overzichtelijke wijze behandelt.

Een ander volk, ook behoorende tot het rondhoofdige Alpine ras, waren de Galliërs, die omstreeks 300 v. Chr. in onze zuidelijke provinciën de zoogen. “Hallstatt-kultuur” brachten. Op hen is de naam “Kelten” zeker meer toepasselijk. De eigenaardige urn dezer beschavingsperiode vertoont een min of meer bollen buik, terwijl de rand daarin zeer geleidelijk overgaat òf er scherp op staat en uitbuigt. De ornamentlijnen zijn meestal zigzagvormig. Zulke urnen vond men in Noord-België, in het zuiden van Brabant en in Noord-Limburg (b.v. te Wellerlooi, Oyen en Afferden). Enkele exemplaren vond men ook op de Veluwe. Zoo vormt dan b.v. Hoog Soeren de noordelijkste schakel van een keten, die wij door Nederland, België, Duitschland (Rijnland en Würtemberg) tot in Italië kunnen volgen. Naar men aanneemt heeft de vroeg-Italische bevolking omstreeks de VIIIe eeuw v. Chr. deze beschaving geformeerd; de vormen der Hallstatt-urn in gebakken aarde, zoo sterk herinnerend aan de metaaltechniek, hebben zij inderdaad van een metalen urnvorm afgeleid.

Nu blijkt echter uit de opgravingen, dat deze beschaving in ons land eerst in de laatste eeuwen vóór en in de eerste eeuwen na Christus valt te dateeren. Hieruit mag men het besluit trekken, dat de Hallstatt-kultuur, die in het Zuiden van Midden-Europa en in Frankrijk betrekkelijk spoedig door de zoogen. “La Tène-kultuur” is vervangen, in onze streken, hoewel in armelijker vorm, is blijven voortbestaan. Wij hebben hier te doen met late afstammelingen van het Alpine ras.

De vindplaatsen der urnen stemmen overeen met de geschiedkundige gegevens. De Grieksche geschiedschrijver Dio Cassius, die Romeʼs historie heeft te boek gesteld, verhaalt, dat de Kelten oudtijds de beide oevers van den Rijn bewoond hebben en zelfs ook daar gevestigd waren, waar de stroom, Gallië ter linker zijde [5]latend, in den Oceaan valt; terwijl Julius Caesar meedeelt, dat de Keltische Menapiërs kort vóór zijn komst in deze streken den rechter Rijnoever bewoonden.

Ook de plaatsnamen kunnen ons eenigermate van dienst zijn, om het verbreidingsgebied der Kelten in ons land te bepalen. Te geschikter plaatse zal ik de Nederlandsche plaatsnamen uitvoeriger bespreken; hier volgen dus slechts enkele namen als criteria.

Evenals de Duitsche plaatsjes Remagen, Dormagen e.a. verraadt Noviomagus zijn Keltische herkomst. Misschien is deze plaats identiek met Batavodurion: “fort der Bataven”, terwijl anderen deze plaats voor Wijk-bij-Duurstede, weer anderen voor Batenburg houden. Arenacum is vermoedelijk Arnhem. De Bataafsche burcht van den Keltischen handelsgod Lug, n.l. Lugdunum Batavorum, draagt een Keltischen naam, die misschien nog in Loosduinen voortleeft. Zuidelijk hebben wij verder Coriovallum, op de heirbaan van Maastricht naar Keulen, thans de stad Heerlen; en wat veel zegt, de namen onzer drie groote rivieren: Rijn, Maas en Schelde zijn beslist Keltisch. Ten onrechte heeft men ook de Waal voor Keltisch willen verslijten; deze benaming vertoont Germaansch karakter, verwant als zij is met het Angelsaksische wôh “krom” en het Gotische wâhs in unwâhs “onberispelijk”. Zie de verhandeling van Prof. H. Kern in het Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap, 2de serie XXI, bl. 773 vlg.

Verder heeft onze taal, of liever het Germaansch, een niet onbelangrijke hoeveelheid taalgoed van de Kelten overgenomen, die ik in het Vierde Hoofdstuk bij de behandeling van het taaleigen zal bespreken. Laat ik hier slechts wijzen op zeer gebruikelijke woorden als volk, duin, rijk, ambacht, misschien havik. Deze leenwoorden zijn daarom zoo van belang, dewijl zij min of meer als maatstaf kunnen gelden voor het overnemen van algemeene kultuur. Wij mogen dus besluiten, dat ook heel wat kultuurgoed of althans elementaire beschavingsbestanddeelen zijn overgenomen en uitgewisseld, waarvan de bouwtrant der boerenwoningen in bepaalde [6]streken o.m. getuigt. Maar verder blijkt hieruit, dat de Keltische beschaving niet minderwaardig was vergeleken bij de Germaansche; integendeel! Waar een groote kultuurkloof gaapte, zijn de verhoudingen anders geweest. Zoo is het een feit, dat het Keltisch op Keltischen bodem door het Vulgairlatijn als het ware is opgezogen, en dat het slechts een niet noemenswaardig aantal woorden in het Fransch heeft achtergelaten. Teekenend is het ook, dat de Slaven, die in den loop der eeuwen in zoo grooten getale zich in Griekenland gevestigd, en vooral in den Peloponnesus zich zoo sterk met de Grieken vermengd hebben, wèl een grooten somatischen invloed op de Grieksche natie vermochten uit te oefenen, maar in het Nieuw-Grieksch nauwelijks enkele sporen van hun aanwezigheid konden achterlaten.

3. De volkeren, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, steeds door weer andere stamgenooten gevolgd, waren de Germanen, vertegenwoordigers van het Teutonische ras. Wij kunnen hun sporen volgen links van den Rijn in de zuidelijke gewesten, en verder in Gelderland, Overijssel, Drente, het Gooi, wanneer wij letten op de grove Germaansche cylinderurnen, die onder Romeinschen invloed steeds meer verwantschap beginnen te vertoonen met de La Tène-kultuur.

Wij kunnen hier drie stammen onderscheiden: de Friezen, Saksers (of Sassen) en Franken.

De Friezen wonen thans vrij onvermengd hoofdzakelijk nog slechts in Friesland met uitzondering van het Bilt, een bedijking in den mond der vroegere Middelzee, door Hollandsche kolonisten bevolkt, en verder van Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook Schiermonnikoog en Terschelling wordt nog door Friezen bewoond. Maar eertijds reikte hun gebied van de Dollard tot het Zwin, een voormaligen zeeboezem in Zeeuwsch-Vlaanderen. Hun gebied vormde een lang uitgerekte, smalle kleistreek, een kustzoom, zonder geografisch middelpunt: en zoo verklaart men hunne spoedige vermenging en staatkundige versnippering. Friesch leven en Friesche volksaard heerschte dus in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijssel en Utrecht, in Holland met uitzondering [7]van Kennemerland, waar de Kannenefaten woonden, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Sporen van Friesche zeden en taal vindt men nog in ruime mate in Holland, met name bij de landbouwers op de geestgronden. Vgl. Dr. H. Blink, Nederland en zijn bewoners (Amsterdam 1892) III, bl. 143 vlg.

Het begin van den inval der Saksers in ons land kan op grond van archaeologische gegevens gesteld worden op korten tijd na het begin onzer jaartelling: tal van resten van vaatwerk, die een Saksisch karakter vertoonen, zijn gevonden in Twente en Drente, en ook sporadisch verder westwaarts. Deze stammen nu, die na Caesarʼs tijd ons land van uit het Oosten zijn binnengedrongen, blond en kortschedelig, mogen wellicht niet als zuivere Teutonen (Germanen) worden beschouwd; maar door de Romeinen werden zij steeds bij de Germanen gerekend. Aan hun verwantschap met den beslist-Saksischen stam, die omstreeks de IVe of Ve eeuw binnendrong, is wel niet te twijfelen. Maar Dr. Holwerda noemt ze terecht “proto-Saksers”. Zij vestigden zich in de oostelijke streken van Nederland, begrensd door den IJssel, doch drongen verder op.

Hoe sterk de Saksers—in hun geheel genomen—zich over Nederland verspreid hebben, toont o.a. het Saksische vaatwerk, dat men in Drente, Friesland, Overijssel, Gelderland en Limburg vindt. Het zuiverst wordt wel het Saksisch gesproken in de Graafschap, in Salland en Twente. In Twente vindt men ook het sterkst-uitgesproken Saksische karaktertype; en ook daar juist heeft de weefkunst, een Saksische huisindustrie, zich tot grootindustrie ontwikkeld. Saksische mengbevolking, mengkultuur en mengdialekten vindt men in Limburg, Gelderland, Holland, Overijssel en elders.

Overheerschte aan den IJssel het Saksische element, aan den Rijn had het Frankische de bovenhand. Raadselachtig is deze stam, in zoover wèl het bestaan van een Frankisch volk vaststaat, dat zich over een groot deel van West-Europa heeft uitgebreid; maar zijn herkomst ligt in het duister. Omstreeks 300 na Christus vielen zij in het land der Batavers, het eiland tusschen Maas en Rijn. [8]Deze, de vertegenwoordigers van een ouderen Frankischen stam, immers volgens Tacitus verwant met de Chatten, waren het eerst met de Romeinen in aanraking gekomen: reden, waarom zij, hoezeer ook ten onrechte, als de oorspronkelijke bewoners van Nederland werden beschouwd.

De Franken woonden in het begin hoofdzakelijk in Salland. In de IVe eeuw nestelden zij zich in Toxandrië om naderhand verder door te dringen naar het zuiden. De Frankische grens in België vormt ook de zuidelijke grens van het Nederlandsche taalgebied. Zij is nauwkeurig vastgesteld door Prof. G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le Nord de la France (Bruxelles 1898). Ongeveer volgt zij de groote Romeinsche heirbaan van Boulogne over Castellum Menapiorum (Cassel, in Fransch-Vlaanderen), Tornacum (Doornik) en Aduatica Tungrorum (Tongeren) naar Keulen.

Nakomelingen van den Frankischen stam vindt men heden ten dage hoofdzakelijk in Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Zuid- en Noord- Brabant, Belgisch en Nederlandsch Limburg, in het zuidelijk gedeelte van Gelderland, Lijmers, Betuwe, Land van Maas en Waal, Tielerwaard, Bommelerwaard en het Rijk van Nijmegen, in de Alblasserwaard en de Vijf Heerenlanden (prov. Zuid-Holland) en in het grootste gedeelte van Utrecht. In Zuid-Limburg wonen de afstammelingen der Ripuarische Franken: de Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Sunucers en Eburonen, die vanaf de IVe eeuw hun woonplaatsen aan de boorden van den Rijn (van waar hun naam) verlaten hadden, om zich op beide Maasoevers te vestigen.

Van de Noord-Nederlandsche steden zijn volgens Blink Deventer en Zutfen wel de meest Saksische, ʼs-Hertogenbosch de meest Frankische, Leeuwarden de meest Friesche.

Op de Veluwe stooten de drie stammen: Friezen, Saksers en Franken aan elkaar. In het Westen van het land heeft meestal vermenging van het Friesch met het Frankisch, in het Oosten van het Friesch met het Saksisch, en van het Saksisch met het Frankisch plaats gehad. [9]

4. Machtige invloed op volkswezen en volkskultuur is uitgeoefend door de Romeinen. Toen deze veroverend ons land binnenrukten, vonden zij daar Germaansche, Kelto-Germaansche en Keltische volksgroepen. Ten noorden van den Rijn en op de eilanden aan de monding woonden de Bataven en Kannenefaten, noordelijker de Friezen, aan den Beneden-Rijn de Kelto-Germanen en Kelten. De groote stam der Menapiërs in Noord-Brabant en een gedeelte van Limburg, Antwerpen en Oost-Vlaanderen was wel overwegend Keltisch, maar toch met Germaansch bloed en Germaansche kultuur vermengd. Hetzelfde geldt voor de Toxandriërs in Noord-Brabant, de Moriners in West-Vlaanderen, de Nerviërs in Zuid-Brabant, Henegouwen en Vlaanderen, de Atrebaten om Atrecht, de Aduatikers in Luik en Belgisch Limburg. Daarentegen mag men de Eburonen bij het latere Maastricht als vrij zuiver Germaansch beschouwen. Zie hierover P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk (Leiden 1912) I, bl. 14 vlg.

Nog dient te worden opgemerkt, dat ten gevolge van den inval der Romeinen het nationale gevoel meer werd opgewekt, zoodat in de IIe en IIIe eeuw na Chr. de kleinere stammen zich tot groote volksgroepen aaneensloten.

De Romeinsche overheersching heeft tallooze offers gevergd en harden strijd. Vooral in het tegenwoordige België werden geheele stammen uitgemoord en de bodem gedrenkt met stroomen bloeds. Tevergeefs poogden ook de Friezen en Bataven het Romeinsche juk af te werpen. Maar toch moet men erkennen, dat in vele opzichten Romeʼs heerschappij onze landen ten zegen gestrekt heeft. Bij de komst der Romeinen waren onze voorvaderen nog zoo goed als natuurvolken, in schamele kleeding van ruw-bewerkte dierenhuiden gehuld. Spoedig zou dit anders worden. Overal vertoont de bodem, bij opgravingen, sporen van Romeinsche beschaving, al bepalen zich de kultuurvoorwerpen tot import: schalen, borden, kommetjes, potjes, urnen, flesschen enz. Het meest vermaard is wel de zoogen, terra sigillata, rood, met het fabrieksmerk gestempeld vaatwerk. [10]Hiernaast wapenen, munten enz. Vooral de linker Rijnoever werd geromaniseerd. Weldra doorsneden tallooze grachten den bodem; dijken werden opgeworpen en bruggen geslagen, vaste kasteelen verrezen, heirbanen werden aangelegd. Dit waren hoofdzakelijk de volgende:

1. Van Lugdunum Batavorum over Traiectum en Fectio (Vechten) naar Noviomagus. Uit dit Traiectum met het voorzetsel ût (uit) ontstond Utrecht. J. W. Muller vergelijkt Ut-bremen en het Westvlaamsche Uutkerke. De naam Ultraiectum voor Ultratraiectum is een verlatijnsching, eerst na de renaissance opgekomen.

2. Van Lugdunum Batavorum over Forum Hadriani langs den linker Waaloever naar Noviomagus. Dit Forum Hadriani, het tegenwoordige Voorburg, werd door keizer Hadrianus gesticht niet ver van den Rijnmond. Voor- heeft hier dus met onze partikel voor niets te maken en kan slechts volksetymologisch er mee verbonden worden.

3. Van Noviomagus over Cevelum (Kuik?) en Blaricum (Blerik) naar Pons Mosae (Maastricht), ook wel Traiectum (Mosae of ad Mosam) geheeten.

4. Van Noviomagus over Castra Vetera (Fürstenberg, bij Xanten) naar Colonia Agrippina (Keulen).

5. De reeds genoemde weg van Boulogne naar Keulen.

Uit de vaste kasteelen aan deze heirbanen, van zoo reusachtige beteekenis voor het handelsverkeer, ontwikkelden zich belangrijke plaatsen. Onnoodig te zeggen, in welke mate ook de ontwikkeling van landbouw, veeteelt en nijverheid hiermee gebaat was, men denke slechts aan de tegelbakkerij. Ook de zeevaart bleef niet achter. Aken en Spa waren bekende badplaatsen. Overblijfselen van Romeinsche villaʼs worden telkens weer opgedolven; en een merkwaardige getuige van den invloed der Romeinsche kultuur is wellicht de nader te bespreken villabouw der boerenwoningen.

Sterker dan eenige andere taal heeft het Latijn op onze taal ingewerkt, ik noem slechts de leenwoorden: keizer, kerker, wijn, pauw, venster, zegel, poort, tegel, kelk, brief enz.

Na enkele eeuwen ging de Romeinsche beschaving hier te niet. [11]Maar van blijvenden aard zou wezen het door Romeʼs invloed hier verspreide en gevestigde Christendom.

6. Het Christendom bracht inwendige beschaving en vernieuwing, en het heeft den drang der tijden doorstaan. Wellicht dagteekent het Christendom in onze landen sporadisch reeds van vóor het jaar 400: Christelijke oudheden te Nijmegen, Wijk bij Duurstede en elders gevonden wettigen eenigermate dit vermoeden. Maar in de Ve eeuw deed het in alle geval voor goed zijn intrede in deze gewesten. Het vestigde zich eerst in het Zuiden en heeft zich dan snel noordwaarts uitgebreid. Te Tongeren werd het Evangelie gepredikt door den heiligen Servatius, die zijn bisschopszetel verplaatste naar Maastricht. Daar zetelde in de VIe eeuw de h. bisschop Monulfus, in de VIIe eeuw Amandus, die het geloof predikte aan de Friezen. Terzelfder tijd predikten Eligius en Weranfridus onder de Franken en Friezen. Maar ook Vlaanderen werd door den h. Eligius bezocht, waar reeds door Victricius van Rouaan met vrucht aan de kerstening der bevolking was gearbeid. De hh. Lambertus en Hubertus waren de apostelen van Taxandrië en van de Ardennen.

Een kenmerkend feit voor de kerstening van Nederland is de stichting van het bisdom Utrecht door den h. Willebrordus in de VIIIe eeuw; onder hem was werkzaam de h. Bonifacius, aartsbisschop der Friezen. Blijvend vestigde zich het Christendom in deze streken onder de Karolingers.

II. Dorp en dorpsgebied.

De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten, vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele folkloristische verschijnselen.

Ten tijde van Caesar leefden de Germanen nog grootendeels van jacht en visscherij; ook met de veeteelt waren zij eenigermate [12]vertrouwd. Zij vormden nog een echt nomadenvolk, dat in groepen van een zeker aantal families of geslachten rondzwierf van de eene plaats naar de andere. Met privaatbezit waren zij ten eenenmale onbekend. Gemeenschappelijk werd een ongedeeld stuk grond in bezit genomen, een marke, d.i. grensland, een binnen bepaalde grenzen omsloten gebied, dat in Saksische streken nog voortleeft als “onverdeelde gronden, aan een markgenootschap behoorende” en verwant is met het Oudsaksische marka, het Oudhoogduitsche marcha en het Latijnsche margo “rand”. Het verouderde Nederlandsche mark, marke leeft voort in markgraaf en markies. Zoodra dit stuk grond was uitgeput, werd het met een ander verwisseld.

Tacitus kent echter ook zulke nederzettingen, waarbij elk familiehoofd een bepaalde hoeveelheid land ter ontginning en bebouwing kreeg. Wij vinden hier een overgangsvorm tot het privaatbezit, waarop wij nader zullen terugkomen.

Toen eindelijk het akkerland in privaatbezit was overgegaan, bleef toch weideland, heide, veen en bosschen in het bezit der gemeenschap: de allmende. Ten slotte werd het recht hierop georganiseerd en alleen toegewezen aan de nakomelingen der oude bewoners, die daarop recht bezaten. Zoo ontstonden de markvereenigingen of markgenootschappen, die meestal in de oorspronkelijk Saksische gedeelten van ons land: Drente, Overijssel en Gelderland voorkwamen en eerst door de wet van 10 Mei 1886 grootendeels zijn verdwenen. Deze wet toch machtigde ieder markgenoot de verdeeling der onverdeelde eigendommen te vorderen. In 1886 bestonden in Noord-Nederland nog ± 36000 H.A. onverdeelde markegronden. Zie hierover en tevens voor de verdere behandeling van dit onderwerp Dr. H. Blink, Nederland en zijne bewoners (Amsterdam 1889–1892) III, blz. 248; Ontwikkeling van den grondeigendom in Nederland, in Vragen van den Dag IV, bl. 98 vlg.; Studiën over nederzettingen in Nederland, in het Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, XVIII, bl. 754 vlg.

Natuurlijk bleven de marken op de schrale gronden van het zand- [13]en grintdiluvium langer bestaan, dan b.v. in de eertijds Frankische provincies. Daar verdwenen zij onder den invloed van het leenstelsel, wat natuurlijk met de gesteldheid van den bodem samenhangt. In het Gooi, op de Veluwe, en nog elders, met name in het Oosten van het land is het gemeenschappelijk grondbezit nog blijven voortbestaan. Soms in rudimentairen vorm; zoo b.v. in den stoppelgang.

Wanneer n.l. het land na den oogst in de stoppels lag, keerde het gemeenschappelijk grondgebruik weer. Dan ontstond de stoppelweide of de stoppelgang, het recht om vee op den akker te drijven na afloop van den oogst. Men noemde dit ook overal, vanwaar het spreekwoord: “Na St. Gal loopen de schapen overal”.

Dit recht blijkt ook uit vele verboden en bepalingen. In een keure van het Land van Cuijk uit het jaar 1538 leest men: “En als de half oogst voorbij is, mag men de schapen en beesten laten gaan, als van ouds gewoon is, ongeschut”; en in de landrechten van Roermond; “Alle erfschap van akkerland, dat onbezaaid ligt, is den kerspelluiden met schapen en varkens te bedrijven gemeen, tenzij dat het ware besloten, want geenen scheper of zwijn geoorloofd is, besloten kamp te openen en te bedrijven”.

Een eigenaardige uitzondering vinden wij in het landrecht van Drente: “Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen, zoolang in de groote buurtschappen en in de kleine twee verscheidene lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit”. Immers boekweit, al was het reeds door de Kruisvaarders ingevoerd, werd als een nieuw gewas beschouwd. Ook bij plakaat van Utrecht werd tijdens prins Maurits het drijven van vee en paarden op het stoppelland verboden.

In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland, dus in landen met betere gronden en levendiger verkeer, kwam het privaatbezit reeds vóor Karel den Grooten tot stand.—

Bij de landelijke nederzetting onzer bevolking dient men twee hoofdgroepen te onderscheiden, n.l. de nederzettingen in dorpen, en in afzonderlijke hoeven. [14]

I. Nederzettingen in dorpen. Hierin heerscht bonte verscheidenheid. Een voorname afdeeling vormen de planloos geconcentreerde nederzettingen, die wij komdorpen noemen en voor welke men in het Duitsch de benaming Haufendorf heeft. Elk huis heeft zijn eigen richting en ligt op zich zelf: het raakt de naburige huizen niet en rijgt zich met hen niet tot éen reeks aaneen. Het wegennet van een komdorp is dan ook planloos, krom en hoekig. In Duitschland komt dit type oorspronkelijk in Sleeswijk-Holstein, Oost-Hanover, Brunswijk, Hessen en Thüringen voor, om zich naderhand over het grootst gedeelte van Middel- en Opper-Duitschland uit te breiden.

Tot de oudste Germaansche nederzettingen in Nederland kunnen gerekend worden de komdorpen op de Drentsche hoogvlakte, die den naam van Hondsrug draagt. Zij vertoonen het tijpe der

1. Eschdorpen en liggen op hooge, droge gronden, waar het water aan het bouwen geen beletsel bood en waar men niet zuinig behoefde te zijn met de ruimte. De Hondsrug was eertijds de natuurlijke brug, die de noordelijke kuststreken met de landstreken van het Bentheimsche en Overijssel verbond. De Keltische bewoners, die zich daar hadden gevestigd, werden verdrongen door een Germaanschen stam, die later wel met Franksische en Saksische stammen in aanraking kwam, maar toch zijn eigen aard wist te handhaven. Welke die eigen aard was, is moeilijk te bepalen; in alle geval stond hij de Saksers nader dan de Franken. Wij denken met name aan de dorpen Emmen, Borger, Rolde, Gieten, Grolloo, Zwinderen en Weerdinge.

Men vestigde zich steeds in de nabijheid van zachtoploopende heuvels, die goeden grond voor bouwland boden, zoodat in den regel de dorpen gebouwd zijn op den rand der bouwlanden: esschen of engen. De grondverdeeling kan men zich ongeveer volgenderwijs voorstellen:

Elk der dorpelingen kreeg op dezen esch door ʼt lot—waaraan niet zelden hoogere beschikking werd toegekend—een strook gronds ter bewerking, zooals b.v. bij het aardappelen rooien aan [15]elk der arbeiders een strook wordt toegewezen. Later moest men weer andere stukken in bewerking nemen, en ook daar werkten de dorpsgenooten in dezelfde volgorde en op gelijken afstand van elkaar. Heide, bosch, veen en weideland werd gemeenschappelijk benut.

Het bouwland werd verdeeld in drie slagen, en wel om de vruchtbaarheid te bevorderen volgens het drieslagstelsel: éen gedeelte werd bestemd voor wintergraan, het tweede voor zomergraan, het derde bleef braak liggen. Elk dezer drie hoofddeelen werd dan in gelijke rechthoeken verdeeld, en in elk der slagen kreeg de dorpsgerechtigde een aandeel naar zijn recht. De scheiding dezer rechthoeken was door voren, met den ploeg getrokken, en door zware grenskeien aangeduid. Van daar de naam voorgenoten, Nederduitsch Vorgenaten.

De oudste nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een bosch; en hieraan herinnert een groot aantal Nederlandsche dorpsnamen op—woud,—holt,—loo,—horst,—rode,—rade enz. Elke woning nam dan een open plek in het bosch in, en langzamerhand werd het bosch om en te midden van de woningen der nederzetting meer en meer uitgeroeid, en vormden de afzonderlijke huisplaatsen een aaneengesloten geheel.

Maar op de open plekken tusschen de huizen, de brinken1, bleef het geboomte in stand, al werd elders het bosch gerooid. Daar vergaderden de bewoners in de schaduw der oude eiken om naar de wijze der oude Germanen hun belangen te bespreken. Is ook menig oud gebruik verdwenen, nog heden zijn de brinken een sieraad onzer dorpen en uit dorpen gegroeide steden (b.v. Laren, Blarikum, Bussum, Hilversum), en wijzen op een nauw met het Saksisch element verwante herkomst. Ook vindt men bij vele boerenwoningen nog begroeide brinken, “een spoor”, zegt Dr. Blink, “van den oorspronkelijken toestand, toen het geboomte elke woning overschaduwde”.

Welke die gemeenschappelijke belangen ter bespreking op den brink [16]zijn konden, springt in het oog. Allen, die een zelfden slag bebouwden of bebouwd hadden, dienden een gemeenschappelijk overleg te plegen voor het ploegen en oogsten, voor het gebruik der wegen, die naar het eene stuk liepen over het land van den ander, en omgekeerd. Het gevolg dezer samenkomsten was het tot stand komen van gemeenschappelijke bepalingen, waaraan ieder zich had te onderwerpen, van een soort velddwang.

Tot het tot stand komen en in stand blijven van gemeenschapszin, gemeenschappelijk overleg, gemeenschappelijke bepalingen droeg ook in groote mate bij de gemeenschappelijke afkomst. Want doorgaans waren de leden eener zelfde nederzetting door familiebetrekkingen verbonden, zoodat men inderdaad van een “vermaagschapt” dorp zou kunnen spreken, waarvoor men in het Duitsch de uitdrukkingen Sippendorf kent. Ten gevolge der isoleering bleef de herinnering aan de gemeenschappelijke herkomst bestaan, ook toen de natuurlijke betrekkingen steeds losser en losser werden. Oorspronkelijke verwantschapsverhoudingen spreken ook uit plaatsnamen, die b.v. op—ingen en—ongen uitgaan, want hierdoor wordt meestal de afstamming van een bepaalden persoon uitgedrukt2. Breidde het gezin door het huwelijk der kinderen zich uit, dan werd hierdoor de eenheid niet verbroken; het gezin bleef zoo lang mogelijk op dezelfde hoeve, en de schoonzoon of schoondochter trad eenvoudig als nieuwe werkkracht naast de andere kinderen bij de familie in. Allen arbeidden voor de familie, de zoons gingen met den boer naar het land, de dochters bezorgden met de boerin de huishouding. Nog heden treft men in Drente 3 tot 4 generaties aan in één huis. Wie of in zulk een gezinskomplex den boventoon voert? Naar verluidt, wordt het beslissend woord gesproken door “het oude mensch”, d.i. de oude boerin.

Zoo vormden dan de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern. Vooral wanneer in bepaalde omstandigheden des levens de hulpzame hand viel te bieden, waagde het [17]niemand, zich aan enkele clan-bepalingen in den vorm van dienstbetoon te onttrekken: bij geboorte of overlijden, bij verhuizing, bij het bewerken van vlas, bij het scheren der schapen, bij het oogsten, bij het bouwen eener woning enz. Hier vinden wij ook de kiem van het soms op zoo eigenaardige wijze zich uitende dorpsindividualisme, hierin b.v. dat, wanneer een boerenzoon naar de hand dingt van een meisje uit een naburig dorp, hem door de jongelieden van dat dorp allerlei zwarigheden in den weg gelegd worden.

Nog lang riep de boerhoorn de Drentsche dorpsgenooten ter vergadering tot het gemeenschappelijk vaststellen van zaai- en oogsttijd en tot het bespreken van onderwerpen van algemeen belang. Na het laatste signaal op den boerhoorn waagde geen maaier het meer, de zeis te haren,—wie zich verzette, werd beboet. Den boer, die den dekstier hield, was dat jaar ook de boerhoorn toevertrouwd. Met trots sneed hij er zijn naam in; met een gevoel van zelfwaarde blies hij ter waarschuwing of verzameling bij brand, dreigend onweer en begrafenis.

Ook bij onze oostelijke naburen vertoont het volksleven van dezen oorspronkelijken toestand nog menig rudiment. In Anhalt worden op derden Pinksterdag des namiddags de paarden en koeien schoongemaakt en de geiten gemolken; en zoodra de koeherder op den boerhoorn blaast, verzamelen zich allen met hun vee vóor het dorp. In plechtigen stoet, de paarden voorop en de ganzen het laatst, gaat het dan naar de pinkstweide, door den “Dorfknecht” afgezet en ieder weidt zijn vee. Bekranst keert het vee huiswaarts en de koeherder krijgt van den boer, die dat jaar den bul houdt, het schoonste geschenk, een hals- of zakdoek en een stuk koek. Veelal wordt elders in Nederduitschland de hoorn vervangen door de klok.

2. Een anderen vorm van het komdorp vertegenwoordigen de terpdorpen in Groningen en Friesland, en elders.

Terpen zijn kunstmatige kleiheuvels met zacht-oploopende hellingen, slechts enkele meters lang, en dienende als vluchtheuvels. De hoogste dier terpen vond men te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, [18]Holwerda, Anjum. Enkele zijn weer geheel of gedeeltelijk afgegraven; “want thans wordt weder vernietigd”, schrijft Dr. Blink, “wat voor eeuwen met veel moeite tot stand werd gebracht”: Nederland en zijne bewoners II, bl. 306; vgl. III, bl. 259.

De naam terpen geldt meest voor Friesland en Groningen. Hier spreekt men ook van wierden, in Zeeland van killen en vliedbergen; de Zeeuwsche hillen zijn over het algemeen kleiner dan de Friesche en Groningsche terpen.

Welnu, deze terpen hebben in overoude tijden tot het vestigen van nederzettingen gediend, n.l. op zeekleilanden, reeds bewoond vóor er bedijking langs de zee had plaats gevonden. Deze nederzettingen zijn de kern onzer terpdorpen: Marsum, Kantens, Warfum, Bafloo, dan ook Dokkum, Franeker, Leeuwarden enz. De kringvormige ligging wijst op hun herkomst.

In de geschiedenis der nederzettingen op terpen kunnen wij vier fazen onderscheiden.3

In de eerste faze waren de bewoners nog arme visschers, die op de uiterste kust hun bedrijf uitoefenden. In het midden der eerste eeuw na Christus beschrijft de Romeinsche natuurvorscher Plinius de vluchtheuvels met haar schamele hutten gedurende dit tijdperk.4 Hij zelf heeft ze aanschouwd, in het Noorden, bij het volk der groote en kleine Cauchen, oprijzend te midden eener uitgestrekte vlakte, die tweemaal des daags en des nachts door den oceaan wordt overstroomd. “Het armzalige volkje woont daar op hooge heuvels of banken, met de hand opgeworpen tot op een hoogte, waar zij beschermd zijn tegen de hoogste vloeden en waarop zij hutten bouwen, gelijk zeevarenden omringd door de wateren, gelijk schipbreukelingen, die op het droge gered zijn en bij hun vlucht voor het water jagen op de visschen der zee”. Ook de terpen der tweede faze zijn nog niet hoog. Men vindt daarin lagen mest, stroo en [19]afval, afwisselend met kleilagen of daarmee aangevuld. Reeds zijn de bewoners veehouders geworden. De gevonden palen zijn afkomstig van schuttingen, drinkwaterputten, palen waaraan het vee gebonden werd, misschien van leem- en stroohutten. Vermoedelijk verbouwden zij ook zomervruchten, maar niet geregeld en slechts in geringe hoeveelheid.

Landbouwers in den engeren zin des woords worden zij eerst in de derde faze. In deze heeft een ophooging der terpen plaats gehad door het aanbrengen van klei, en in deze ophooging wordt veel minder mest gevonden. De landbouwers achtten het noodzakelijk een afzonderlijke kleilaag ten behoeve hunner behuizingen aan te brengen.

Gedurende de vierde faze verrijzen op de terpen dorpen met kerken en kloosters: men denke aan Warfum, Uskwerd, Rottum, Oldeklooster in de Marne, Oldeklooster bij Appingedam, Mariëngaard te Hallum, O.L. Vrouw ten Dale te Lidlum, Klaarkamp bij Dokkum enz.

In den regel werden de terpen in de oudste tijden slechts door éene familie bewoond. Bij al te groote uitbreiding der familie legde men dan in de nabijheid der oude hoeve een nieuwe aan. Later, onder de schutse der bedijking, waagde men het ook, nieuwe nederzettingen te vestigen in het vlakke land. Zoo ontstonden huizengroepen van een vijftal of ook meer woningen met een kleine gemeenschap, waaronder de eigenaar der oudste woning het familiehoofd en als het ware de landheer was5. Daar, waar zulke nederzettingen op een kruispunt van land- of waterwegen lagen, waar een kerk, klooster of herberg stond, ontwikkelde zich de nederzetting tot een dorp.

Toch waren op de grootere terpen reeds van meet af aan ook grootere nederzettingen gevestigd, die men terecht als oorspronkelijke terpdorpen mag beschouwen.—

Andere groepen van dorpen zijn niet komvormig, maar reeks- of rijvormig gebouwd; het zijn de [20]

3. Streekdorpen of rijdorpen, meestal twee rijen huizen langs wegen en kanalen; zijstraten zijn zoo goed als onbekend. Evenals in de komdorpen woont en leeft men naast elkaar, maar ieder bewerkt zijn grond naar eigen goeddunken. De verre lengtewegen en de talrijke kanalen en slooten—hoe noodzakelijk ook— verslinden veel terrein.

Natuurlijk ligt de reden van dezen bouwtrant in de gesteldheid van den bodem. Verlaat men het Drentsche diluviale hoog-plateau en nadert men de veenranden, dan stoot men vrij plotseling op streekdorpen. Wie opmerkzaam door de verschillende nederzettingen heentijgt, ziet de agrarische ontwikkeling van het land als een reuzenfilm voorbijtrekken. In elk dorp wandelen wij als het ware door de ruïnen van den voortijd, ouder en merkwaardiger dan zoovele befaamde gedenkteekenen uit de Middeleeuwen, en de staalkaart der bezittingen vertolkt ons de begrippen en bedoelingen der stichters.

Wij wijzen vooreerst op de veendorpen. Zij vertoonen alle een eigenaardig karakter en een systeem van grondverdeeling, dat in nauwe betrekking staat tot hun wording. Het landschap is geenszins rijk aan afwisseling, veeleer eentonig. “Het poetische, schilderachtige landschapsbeeld der oude zandgronden ontbreekt er geheel, ook al bieden enkele gedeelten door goede bebossching werkelijk natuurschoon aan. Stijf, afgemeten als het landschap, is het karakter van de bevolking der [veen]kolonie; geen dichterlijke sagen leven er voort in de volksverbeelding, en alleen de overleveringen van heksen en spoken, droog en dor als zij zijn, tendencieus als zij werken, zijn hier niet zelden blijvend en inwerkend”: Dr. H. Blink, Studiën enz. in het Tijdschrift v. h. Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, dl. XIX, bl. 66.

In sommige nederzettingen, als Ruinerwold, Giethoorn en Koekange, zijn de huizen als één vaste reeks gegroepeerd. Zij ontstonden als vaste dorpen aanvankelijk midden in het afgeveend land, niet aan een rijweg. Daarentegen zijn b.v. Hoogeveen en Smilde jonge [21]nederzettingen in de venen, die zich tot een dubbelrijig lengtedorp hebben geformeerd. Hier is dus het dorp in twee rijen gebouwd, aan weerszijde van den weg, welke de lange, smalle landerijen aan beide kanten rechthoekig snijdt. Zoo nog Wanneperveen, Koldeveen en Veendijk.

Staphorst en Rouveen zijn verschoven veenkolonies. Hier volgde de nederzetting de afgraving van het veen, om ten slotte stabiel te worden aan beide zijden van een geschikten verkeersweg. Beide dorpen hebben waarschijnlijk thans hun derde plaats. Terwijl de andere tweereeksige veenkolonies meestal door een mengelmoes van velerlei herkomst bevolkt worden, wijzen deze beide dorpen op een gemeenschappelijke, eenvormige afkomst. De bevolking heeft dan ook iets zeer typisch en oorspronkelijks. Zij houdt weinig voeling met de buurtschap, terwijl aloude zeden en gewoonten veelal in eere bleven.

Nog niet zoo heel lang geleden had te Staphorst bijna geen huis een schoorsteen. Gaat de boer een nieuw huis bouwen, dan verzekert hij zich eerst van de toestemming der buren, die dan weer ouder gewoonte de verplichting hebben, hem bij het transport van het bouwmateriaal en anderszins behulpzaam te zijn.

De greppels tusschen de verschillende akkers worden nooit in orde gebracht of in rechte lijn doorgetrokken, maar kronkelen zich in allerlei bochten en zigzaglijnen tusschen de akkers van twee buurlieden heen.

Elk Staphorster is boer. Een eigenlijke arbeidersbevolking ontbreekt. Wie op zijn land niet genoeg werk en verdienste vindt, helpt zijn beter gezeten nabuur.

Hoogst belangrijk is ook de ontwikkeling van den grondeigendom aldaar; zie hierover Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 143 vlg. Staphorst dankt zijn oorsprong aan een kleine nederzetting van Friesche monniken in de XIIIe eeuw.

Tot de tweereeksige dorpen behooren ook de nederzettingen der veengravende boeren, die eigenlijk van meet af aan van de boerderij [22]hun hoofdbedrijf maakten. Zij liggen aan de veenranden, b.v. de Meeden, Kropswolde, Beerta, en de nederzettingen ten Oosten der Hunze, als Wolfsbergen, Annerveen, Gieterveen enz. In de kern van het hoogveen verrezen mettertijd de veenkolonies Veendam en Wildervank; het eerste nam een stedelijk karakter aan, terwijl het tweede meer het cachet van een dubbel streekdorp behouden heeft.

Den vorm van een streekdorp vertoonen nog de veendorpen Helenaveen in Noord-Brabant en Griendtsveen (gemeente Horst) in Limburg.

Eenigermate het type der veendorpen vertoonen de Noord-Brabantsche straatdorpen, met name de dorpen in de Langstraat: Raamsdonk, Waspik, Kapelle, Besooien, Waalwijk, Baardwijk, Drunen en Nieuwkuik. Dit kan niet bevreemden, als men weet, dat in 1396 een turfvaart van Den Bosch naar ʼs Gravenmoer werd gegraven, en dat in het begin der XVIe eeuw de turfhandel van de Langstraat op Holland en Zeeland zeer aanzienlijk was. Toen het vervenen verliep, meent Blink, zochten de arbeiders naar werk. De kleibodem was niet geschikt voor bouwland; daarentegen gaf het vele goede water uitstekend gelegenheid tot leerlooierij, waartoe de veeteelt vele huiden, de bosschen op de zandgronden niet zeer verre de schors leverden. Zoo ontwikkelde zich in de Langstraat de schoenen- en leerindustrie.

Meer nog vertoonen het karakter van veenkolonies ʼs Gravenmoer, Vrijhoeve, Kapelle en Sprang. Tot de straatdorpen behooren ook de dorpen in de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen.

4. Veel overeenkomst met de streekdorpen vertoonen de dijkdorpen, nederzettingen gevestigd langs een dijk. Zij zijn veelvuldig op kleigronden en laagveenlanden, waar de bodem meestal door dijken tegen overstrooming moet beschermd worden. Zij liggen op den oever van groote rivieren, maar ook aan de kleinere waterwegen. Wij noemen de dorpen in de Haarlemmermeer en de Beemster; in Zuid-Holland: Kinderdijk, Alblasserdam, Ridderkerk, Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam.

5. De duindorpen en de dorpen op de geestgronden onderscheiden [23]zich door hun verstrooide, onregelmatige of centrale groepeering der huizen.

6. De groepdorpen zijn overheerschend in Noord-Brabant, Limburg en een gedeelte van Gelderland, maar ook in dat deel van België, waarover zich ons onderzoek uitstrekt; m.a.w. in geheel ons zuidelijk volksgebied. Zij vertoonen het Frankische type. “Groepdorpen” noemen wij deze, omdat zij doorgaans hun ontstaan danken aan den drang der bewoners, in grootere of kleinere groepen bij elkaar te wonen, zonder dat die groep op verwantschap berust. De levendige, sociaal-aangelegde aard, het Frankisch karakter met zijn Keltischen ondergrond, noopte hen zich te vereenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten. Gehuchtsgewijze hebben oorspronkelijk de talrijke verstrooide nederzettingen plaats gehad, die de Frankische gouwen overdekken. Op den voorgrond staat het begrip van de vrije deelbaarheid van den bodem, welke zich in die streken reeds vroeg moet hebben ontwikkeld. Op kleine schaal heeft het in bezit nemen van den bodem plaats gehad. De oudste nederzettingen vormden zich op smalle, groene strooken, vlak aan het water, soms aan weerszijden van een beek. Nergens is de grond zoo versnipperd: hoekjes, kampjes, akkertjes liggen verstrooid door elkaar; de verstrooide ligging van het grondbezit was nog willekeuriger en planloozer dan in de akkerdorpen.

Alles wijst op partikularisme, op ontginning van partikulieren, die onregelmatig en naar de omstandigheden hun kultuurland uitbreidden; zie Blink, Studiën enz., t.a.p., dl. XXI, bl. I vlg.; Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 129 vlg.

De bewoners waren buitenmate gehecht aan de plek hunner inwoning, en de landgewoonte wilde, dat de landbezittingen door de ouders onder de kinderen werden verdeeld. Dit leidde er toe, dat ieder boer moest trachten het kultuurland uit te breiden; maar dit gebeurde buiten de gemeenschap, het was overgelaten aan elks persoonlijk initiatief.

Versnippering van kultuurland en gemis aan aaneengesloten grondbezit [24]vindt men ook, en wel in hooge mate, in de Graafschap Zutfen, ofschoon daar toch slechts een klein gedeelte der bevolking in dorpskommen gevestigd is. De woningen staan er meestal over de velden verspreid. Zij vertoonen het type der:

II. Afzonderlijke hoeven. Geïsoleerd liggende te midden van de bijbehoorende landerijen dragen zij een Saksisch en Friesch karakter. Men vindt ze dan ook in het Zuid-Oosten van Groningen, het Westerwolder kwartier, in het Oosten van Overijsel en Gelderland, in Twente en den Gelderschen Achterhoek, in Friesland, Noorden Zuid-Holland en sporadisch op Frankischen bodem. Zoo treft men ze in België, Nederland en Duitschland aan benoorden een lijn, die loopt van Bergen langs de Dyle naar Leuven, en vandaar langs de Demer in de richting van Maastricht. Bij Maaseyk gaat zij volgens Meitzen, Siedelung und Agrarwesen I, bl. 517, over de Maas, en loopt dan de Swalm opwaarts over Wegberg, Dahlen, Odenkirchen, Grefrath en Neuss naar den Rijn, dien zij te Kaiserswerth kruist. Voor België zijn typeerende voorbeelden: Berghem bij Brussel, Meygem bij Gent en Ellicum bij Maaseyk. In Nederlandsch Limburg begint dus het gebied der afzonderlijke hoeven benoorden Roermond en valt min of meer samen met dat van het Frankisch-Keltische huis, waarover naderhand meer. Men treft echter weer afzonderlijke hoeven aan in de zuidlimburgsche zijdalen: Geuldal, Geleendal enz.

De meening van Meitzen, dat deze afzonderlijke hoeven niet van Germaanschen, maar van Keltischen oorsprong zouden zijn, vindt niet voldoende steun in den woontrant der Gallische, Britsche en Iersche Kelten, terwijl zijne hypothese, die hiermee verband houdt, dat het Keltische halle-huis als het type van het Nederlandsche woonhuis moet worden beschouwd, beslist onwaar blijkt. Afzonderlijke hoeven liggen in echt kern-Germaansche streken, die nimmer door Kelten zijn bewoond, als in Noorwegen, noordelijk Zweden en op de Westkust van Sleeswijk-Holstein.

Karakteristiek voor de nederzettingen in afzonderlijke hoeven is [25]minder de bouwtrant der huizen, dan wel de eigenaardigheid, dat elk huis door de bijbehoorende landerijen omgeven is, en dat deze bezittingen in kampen zijn verdeeld, d.i. kwadraatvormig begrensde stukken bouwgrond of weiland, door afzonderlijke heggen of greppels omgeven. Deze afgeslotenheid der afzonderlijke bezittingen heeft tot gevolg, dat zij geïsoleerd verspreid liggen over de geheele uitgestrektheid van het dorpsgebied. Het kultuurland ligt versnipperd en verstrooid, omgeven door hagen en singels van hakhout. Iedere boer woont op een afzonderlijk stuk gronds. Zóo is de gesteldheid van nederzetting en grondverdeeling b.v. te Terborg, Lichtenvoorde, Varsseveld, Groenloo, Beltrum enz. Waar men hier dorpen of gehuchtvormige huizengroepen vindt, die kerk of markt omzoomen, zijn deze hoofdzakelijk niet door landbouwers, maar door ambtenaren of neringdoenden bewoond.

Wat de verkeerswegen betreft: zij verbinden eigenlijk niet hoeve met hoeve, maar dorp met dorp en stad met stad. De hoeven bereikt de wandelaar slechts op zijpaden, en de bewoners trachten langs allerlei zijweggetjes en dwarspaadjes, kriskras getrokken over de kampen heen, kerk en markt te bereiken. Aan de hoofdstraat te wonen wordt heel niet als een voordeel beschouwd.

Deze vorm van nederzettingen, die ook in geheel West-Duitschland van Noord tot Zuid wordt aangetroffen, wortelt zeer zeker ten deele in het stamkarakter, ten deele ook in oorspronkelijke familieverhoudingen: had de landbouwer geen maagschap, stond hij met zijn familie geïsoleerd, dan zal hij vaak zelfstandige bodemkultuur verkozen hebben boven een zich-aaneensluiten met niet-verwante personen. Maar de machtigste faktor was toch de gesteldheid van den bodem. Zoo was het b.v. in de vette greidstreken van belang, het vee in de onmiddellijke nabijheid van het huis te laten weiden. Verder treffen wij de afzonderlijke hoeven daar aan, waar de betere grondgesteldheid en verscheidenheid van den bodem aan een algemeene bebouwing der landerijen geen hinderpalen in den weg stelde; terwijl de akkerdorpen bij al hun verruiming en [26]uitbreiding toch steeds oasen in het dorre heideland gebleven zijn. Anderzijds duldde echter het feit, dat de bodem door watertjes en rivier doorsneden was, geen inbezitneming van omvangrijke stukken.

Bij het erfrecht staat de ondeelbaarheid van hoeve en hoeveland op den voorgrond. Alles lag hier bij elkaar, en wel in voldoende mate om de familie te onderhouden. Waartoe zou men deelen, terwijl elders nog zooveel gelegenheid tot nederzetting geboden werd? Daarom werden jongere zoons en dochters, die de hoeve verlieten, met vee, huisraad enz. tevreden gesteld, terwijl de boer zijn wensch kon vervullen: de hoeve voor de familie te behouden. Zoo hoort men nog: “de hoeve moet bij het bloed blijven”, en “hoeve gaat boven kind”.

Het heden ten dage geldende erfrecht heeft deze in het kern-Saksische gedeelte van ons land ingewortelde rechtsbegrippen slechts onbelangrijk kunnen wijzigen: in Twente, in den Achterhoek en elders is het erfrecht Oudsaksich gebleven.

Elk boerenerf draagt zijn eigen naam en oorspronkelijk zijn eigen huismerk: een eenvoudige, uit enkele lijnen samengestelde figuur, later een monogram. De naam blijft aan het huis gehecht in weerwil van alle wisseling van bezitters. Het “heem” of “heim” gaat boven het geslacht. De hoevenamen zijn ouder dan de famielienamen.

III. Meerdere dezer dorpen zijn uitgegroeid tot steden van den echt Germaanschen stempel.

Verscheidene faktoren hebben tot den Nederlandschen stedenbouw meegewerkt. De Kelten hadden steden als handelscentra; ik noemde reeds Noviomagus, Batavodurum, Lugdunum Batavorum, Coriovallum. Om deze centra zelf zette zich een belangrijke laag Romeinsche beschaving, zoo b.v. Nijmegen, een bij uitstek belangrijk strategisch, staatkundig en ook ekonomisch middelpunt, door Tacitus de stad der Batavieren bij uitnemendheid genoemd: Oppidum Batavorum (Hist. V, 19). Andere steden van Romeinschen oorsprong vermeldde ik bl. 8. Tot de allervoornaamste behoort zonder twijfel het oude [27]Trecht, een plaats, door de natuurlijke ligging aangewezen als grensstation. Over het bestuur en burgerrecht dezer steden zijn wij slecht ingelicht.

De steden nu van beslist Germaanschen oorsprong, zooals gezegd uit dorpen gegroeid, zijn te danken aan een geleidelijke ekonomische ontwikkeling. De aanleiding, de stoot tot die ontwikkeling werd gegeven door het bouwen van een kerk, het stichten van een klooster, het optrekken van een burcht, welks heer ten slotte de heer werd over de stad. Maar zeer juist zegt Prof. Brugmans in zijn Oud Nederlandsche Steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling (Leiden 1912), dat deze oorzaken niet steeds afzonderlijk werkten, maar te zamen en in vereeniging: “Niet alleen omdat er een kasteel, kerk, klooster of marke was ontstaan, vormde zich daar een tot stad uitgegroeid dorp, maar omdat de plaats, waar dat kasteel, die kerk, dat klooster of die marke gelegen was, gunstig was voor het ontstaan van een handelscentrum. Dezelfde oorzaken, die eerst het kasteel hebben doen ontstaan, doen daarna de stad uitgroeien; beide zijn in hun soort, op eigene wijze, ekonomische middelpunten van den omtrek. Veelal is de stedenformatie de resultante van een parallelogram van krachten. Groningen b.v. is tegelijk een marke en een markt, een landbouwdorp en een handelscentrum” (bl. 4).

De ekonomische emancipatie ging de politieke vooraf. Het staatsgezag heeft hier niet scheppend, maar bevorderend en ten slotte sanktioneerend gewerkt. Maar de voornaamste aanleidende oorzaak houdt op de stad haar stempel gedrukt. Bisschop Balderik was de eigenlijke stichter van het Middeleeuwsche Utrecht: en zoo draagt deze stad in haar staatsrechtelijken en maatschappelijken bouw en ontwikkeling alle eigenaardigheden van een bisschopsstad. Groningen is een gildestad. De Friesche steden Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Leeuwarden blijven het karakter vertoonen van zuivere landsteden. Nijmegen is een keizersstad, Zutfen, met haar talrijke dochtersteden, een grafelijke hofstad. Brugge, Gent, Yperen, Antwerpen, [28]Amsterdam, Dordrecht, Vlaardingen en het jongere Rotterdam zijn op-ende-op handelssteden. Tot de min talrijke kategorie der gestichte steden behoort ʼs Hertogenbosch.

III. De Boerenwoningen.

Bij de beschouwingen over dorp en dorpsgebied zijn wij eigenlijk slechts aan de oppervlakte van het volksbestaan gebleven. De aard der verschillende nederzettingen vergunde ons geen diepen blik te slaan in het volksleven: het hart van dat leven, de intieme haard van dat bestaan is het huis.

Hoe heeft ons volk op Nederlandschen bodem zich zijn heemstede gebouwd, ter berging en ter schutse van zich en zijn gezin, ter berging van veestapel en moeizaam verworven hooi- en vruchtenoogst? Hoe hebben onze vaderen dit heem geformeerd, ten einde er hun welbehagen te vinden, zonder in strijd te komen met ekonomische vereischten?

“De landman die zijn huis bouwt”, aldus Stijn Streuvels in zijn bekoorlijk-frissche boekje over De Landsche Woning in Vlaanderen (Amsterdam), “heeft iets van de begaafdheden die eigen waren aan den middeleeuwschen bouwmeester. In alles gebruikt hij overleg en gezond verstand en hij streeft er naar om met ʼt minste middelen, het grootst mogelijk uitwerksel te bekomen. Hij bekommert zich niet om pracht of praal—een huis dient enkel om er in te wonen en alzoo ziet hij er niet naar of denkt er nooit aan dat zijn huis langs de straat moet staan... om gezien te worden, maar als ʼt zoo gelegen komt, bouwt hij het met den achterkant naar de straat om ʼt met den voorkant naar ʼt Oosten of ʼt Zuiden te keeren en alzoo licht en warmte op te vangen—twee dingen die hem van groote waarde zijn” (bl. 17, 18).

Ik spreek hier alweer over den bouwtrant der boerenwoningen, en niet der stadswoningen. Want in de boerenwoningen spreekt zich meer het volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht, is het oorspronkelijke het best bewaard. Daarom heeft tot [29]nog toe de wetenschappelijke volkskunde dan ook zoo goed als uitsluitend oog gehad voor de landsche woning,—al zou het zeker de moeite loonen na te gaan, hoe deze huistypen in de steden tot burgerwoningen werden vervormd. Vooral het Oudhollandsche en Oudvlaamsche koopmanshuis met zijn smalle straatfaçade, en evenzeer de visscherswoning, die zich stellig niet tot de eilanden beperkt, zijn nadere onderzoekingen in deze richting overwaard. Wat betreft de publikatie van Mr. S. Muller en Prof. Dr. W. Vogelsang: Het Oud-Hollandsche Huis (Utrecht 1909), deze ontwerpt een beeld van de Nederlandsche beschaving in de XVIIe en XVIIIe eeuw aan de hand der Nederlandsche poppenhuizen; zie aldaar over de indeeling en het gebruik van de Oudhollandsche patricische huizen, bl. 26, 27. Vrijwel uitsluitend op historisch-architektonisch gebied liggen de belangrijke bijdragen over onze Oudgeldersche gevels van C. L. van Balen, gepubliceerd onder de rubriek “Oud-Limburg” in Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43.

Dan ook,—de industrie blijkt hier opnieuw de gezworen vijandin van het typische in den volksaard, zelfs in de landsche woning. Dit kan weer niemand beter betoogen dan Stijn Streuvels: “Waar de nijverheid ergens een landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt, ziet men dien tooi en zorg aan de woningen gauw vergaan. Waar de landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen, zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij niet om de woning een lachend uitzicht te geven. Gevels worden niet meer gewit en de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen heeft men niet meer van doen en wat de huisbaas aan de woning niet wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die streek en het landschap een ander uitzicht—iets als de kleurlooze verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als een achterbuurt en ʼt geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid” (De Landsche Woning, bl. 30).

Buiten beschouwing blijft hier ook het dorpshuis, niet hoeve tevens, [30]dat meestal in zijn tegenwoordigen vorm van jongen datum is, afhankelijk van de gemeentelijke verordeningen. Wat de kleine arbeiderswoning betreft, somtijds volgt zij op kleinere schaal het type van het boerenhuis der streek. Maar de latere arbeiderswoning vertoont meestal denzelfden droevigen internationalen stijl, dien men ook in de kleine huizen der steden aantreft. Daarentegen gaat de mijnwerkerswoning in Limburg, dank zij vooral de goede zorgen der maatschappij “Ons Limburg”, een aesthetisch en architektonisch beslist beteren weg op.

De boer is in de wijze, waarop hij zijn woning bouwt, uitermate konservatief. Gelijk zijn vaderen voor eeuwen hun hoeve ingericht hadden, zoo doet hij het nog heden. Een treffend voorbeeld van dit konservatisme geeft Prof. Gallée: “In de laatste vijf en twintig jaren hebben groninger boeren aangevangen de heidevelden aan de Dedemsvaart te ontginnen. Zij hebben hunne huizen en schuren daar naast die van den overijsselschen landbouwer gevestigd. Men zou verwachten, dat zij hun bedrijf zoo inrichtten als de sinds eeuwen en eeuwen daar gezeten boer; maar neen. Terwijl deze op dezelfde wijze als zijn stamgenooten aan Regge of IJssel zijn huis en hof heeft ingericht, volgt de groninger boer daar aan de vaart geheel het friesche type, waaraan hij in zijn groningsche land gewoon was.” Zie het verslag van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap 1907, bl. 12.

De verschillende typen van de Germaansche woning—en hiertoe behooren de boerenwoningen van Groot-Nederland—zijn het voorwerp van nauwgezet en scherpzinning onderzoek geweest bij onze oostelijke naburen. Ik wensch hier slechts te wijzen op Rudolf Henning, Das Deutsche Haus in seiner historischen Entwicklung, Quellen und Forschungen XLVII; Die Deutschen Haustypen, Quellen und Forschungen LV, 2; Otto Lasius, Das Friesische Bauernhaus in seiner Entwicklung während der letzten vier Jahrhunderte, Quellen und Forschungen LV, I; vooral: August [31]Meitzen, Das Deutsche Haus in seinen volkstümlichen Formen (Berlin 1882) en: Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen enz. (Berlin 1895), waar hij den Germaanschen woningbouw in de breede omlijsting van het agrarische recht en de landbouwekonomie behandelt. Nu is op het werk van Meitzen wel eens scherpe kritiek uitgeoefend, met name door Karl Rhamm in Globus 1897, bl. 169 vlg., zóo scherp, dat hij zelfs “in den bezüglichen Ausführungen Meitzens, wenigstens was die Endergebnisse anbelangt, keinen Fortschritt gegen die Henningsche Ära erblicken kann.” Toch houdt het kloeke werk van Meitzen in deze materie groote waarde en gezag,—al moeten wij Rhamm toegeven, dat b.v. de theorie van den Keltischen oorsprong van het Saksische huis verre van steekhoudend is (zie Siedelung und Agrarwesen I, bl. 184, 620; II, bl. 91 vlg.; III, bl. 126 vlg.).

De Nederlandsche bouwtrant is hoofdzakelijk onderzocht door wijlen Prof. J. H. Gallée: Het Boerenhuis in Nederland en zijne bewoners (Utrecht 1908), waaraan ik in de volgende uiteenzettingen dankbaar meerdere gegevens en beschouwingen ontleen. Van de hand van denzelfden geleerde verscheen een verhandeling in Les Pays-Bas (Cercle des Journalistes étrangers), bl. 501 vlg., getiteld: Moeurs et Coutumes; zie ook zijn rede gehouden in het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, medegedeeld in het Verslag van 5 Juni 1907.

Wij onderscheiden in ons land vier hoofdtypen: het Saksische, het Friesche, het Frankisch-Keltische en het Frankisch-Romeinsche type. Gallée noemt het Saksische type liever het halle-huis, omdat het toch ook bij anderen dan Saksen gevonden wordt; en het Frankisch-Keltische huis noemt hij liever het langgevel-type, of het huis met den breeden, horizontalen voorgevel. Dit is ongetwijfeld juist. Maar ik verkies uit praktisch oogpunt de benamingen, die in verhouding staan tot de drie hoofdstammen, welke de bevolking van Groot-Nederland uitmaken.

I. Het Saksische type vertoont éen groote halle met hoog dak, waaronder mensch en vee zonder eenige afscheiding huizen. Nu [32]vertegenwoordigt deze huisvorm echter niet alleen het alleroudste Germaansche type, maar is in wezen met het oudste Indogermaansche type identiek. Dit toch had den vorm van een vierkante hut, uit balken en leem, rijshout en ruwe steenen, met of zonder mortel verbonden opgetrokken. Wij onderscheiden twee lange en twee smalle zijden met hoog en schuin dak. Driedeelig, met langwerpig grondvlak, vereenigt het onder deze hellende afdakking woning, schuur en stalling.

Wijd en zijd vinden wij dit type verspreid. “Ueber die Anlage und die Dimensionen des alt-europäischen viereckigen Hauses sind wir durch sorgfältig ausgeführte Untersuchungen der Ueberreste von Ansiedlungen im Erdboden an vielen Stellen Europas genau unterrichtet,” schrijft Sigmund Feist, Kultur, Ausbreitung und Herkunft der Indogermanen (Berlin 1913). “Demnach ist der Urtypus dieses germanischen, slavischen und griechischen Hauses ein Viereck, mit deutlich unterschiedener Giebel und Langseite, der Herd steht ungefähr in der Mitte und eine offene (oder spater geschlossene) Vorhalle von geringer Tiefe liegt vor dem Hauptgebäude. Dieser Haustypus erstreckt sich von Norwegen durch Norddeutschland, Polen und die Karpathenländer bis nach Griechenland und Kleinasien (bl. 128, 129).

Maar dit type is toch vooral Saksisch. Hoe treffend b.v. de grenzen van het Oudsaksische taaleigen en van “het huis met de lange deel” elkaar dekken—behoudens enkele goed-verklaarbare afwijkingen—blijkt wel het best uit Willi Pesslerʼs opstel over de “Ethno-geographische Wellen des Sachsentums” met bijgaande Is-ethnenkaart in het tijdschrift Wörter und Sachen I, bl. 49 vlg.6

In het Saksische boerenhuis in zijn meest oorspronkelijken vorm koncentreert zich alles om de deel. Aan de eene gevelzijde van het huis woont de boer, de andere omspant een reuzenpoort, die naar de deel leidt; aan weerszijde van het huis zijn de huisdieren ondergebracht; hierbij valt op te merken, dat de koeien op de mest [33]met de koppen naar de deel gekeerd staan, waar de voedergoot is.

In de oudste huizen ontbreekt hier zoo goed als elke scheidsmuur of schutting. Tegenover de groote schuurdeur, aan het andere eind van de deel, bevindt zich de haard, waar de boerin den maaltijd bereidt en waaromheen het gezin zich verzamelt. Deze open, vrij-liggende vuurstede behoort mèt het omsloten-zijn van woning, stalling en schuur in éen enkele ongescheiden ruimte tot de meest karakteristieke kenteekenen van het Oudsaksische type en getuigt tevens van hooge oudheid.

In de groote, ruime halle heeft de boer heel zijn have en goed, heel zijn bezittingen onder de oogen, in zijn onmiddellijke nabijheid. Zij wordt begrensd door twee rijen van zuilen of stijlen. Boven deel en stalling en woongedeelte verheft zich het hooge dak, dat als bergplaats dient, en welks nok van voren naar achteren in éene onafgebroken lijn doorloopt.

De ontwikkeling is tweeërlei richting gevolgd. Eenerzijds streefde en streeft men er naar, den haard uit het midden naar den zijkant te verdringen, uit de vrije, aloude woonruimte naar een engere keuken, en hem een soort van hulphaard toe te voegen ter verwarming van een meer moderne woonruimte, n.l. de kachel. Anderzijds tracht men woning, stalling en schuur te scheiden, aanvankelijk nog onder éen dak, dan over verschillende gebouwen verdeeld.

a. In Twente en in het Oosten der Graafschap vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Als ingang tot de deel dient de groote bansdeure en niendeure, die onder het eerste gebint staan, terwijl het dak oversteekt. Deze oversteek heet de oos of de onderschûr7.

Daarnaast vindt men niet zelden rechts en links afhangende dakvakken, waaronder veelal rechts de paardenstal is. De woonruimte is soms met tegeltjes geplaveid. Aan den wand bij de voordeur is de götte of ʼt waschhok; aan de andere zijde zijn de bedsteden. [34]In sommige huizen vindt men achter de bedsteden een kleine kamer voor “de deerns”.

De stijlen, waarop het dak rust, worden twee aan twee door bakke verbonden, die een gebint vormen; het meerendeel der huizen heeft vier gebinten. Op de stijlen worden de sporen gesteld, die zich boven de dakspar vereenigen en een eind onder de dakspar door de hanenbalken samengehouden worden. Onderling zijn de balken verbonden door de balkensleete, dunnere boomen, die de deel dekken; hierop wordt het koren of hooi gevlijd. De groote opening, waardoor het hooi wordt opgestoken, heet het balkenslob (Gallée, het Boerenhuis, bl. 45, 48).

Het Saksische boerenhuis munt uit door zijn ekonomische eenheid en overzichtelijkheid. Bij den haard is de zitplaats der boerin, die van daaruit haar oog laat gaan door de geheele ruimte, om het doen en laten, het komen en gaan, het rustelooze beweeglijke leven van mensch en vee gade te slaan. Als op een open schouwtooneel speelt het zich vóor den haard af. De arbeidsgemeenschap van daarbuiten wordt in het inwendige des huizes voortgezet: nergens grijpt het veelzijdige arbeidsleven zóo vastsluitend ineen, nergens is het samenleven van familie en gezin zóo innig als onder het ruime Oudsaksische dak, om den gezelligen Oudsaksischen haard.

Die haard, het middelpunt van dit oorkonservatieve familieleven, de aan alle zijden vrijliggende heerd, de raakkûle, is eigenlijk en oorspronkelijk niets dan een rond gat in den bodem, omgeven door steentjes. Hierop wordt het vuur van turf of schadden en hout ontstoken. Aan de eene zijde ligt het brandhout: dit is den stòkhôk.

Het vuur vlamt op en walmt op en hult somwijlen de heele ruimte in dikke rookwolken, opkronkelend langs de stijlen en binten, een uitweg zoekend langs het balkenslop, door de walmgaten, ja door de voegen en naden van het stroodak, alles beroetend en besmeurend. Op den haard wordt het vuur smeulende gehouden in de asch, en eerst wanneer gloed noodig is, word het tot nieuw leven opgewekt. Zoo wordt naar aloude zede bewaard het eeuwige haardvuur. [35]

Vóor den haard, op de deel, worden de feestgelagen gehouden; daar wordt het bruiloftsmaal gevierd; daar wordt lustig gedanst op het oogstfeest; ... daar, in de gemeenschap van mensch en vee, op het tooneel van het roerige, bonte alledaagsch-leven, wordt ook het lijk ter schouw gelegd. Maar de gewichtigste en schoonste handeling van het privaatleven, de blijde inkomst der bruid, het binnenleiden der jonge huisvrouw in haar nieuwe huisgenootschap en het tooneel harer huiselijke bezigheid,—die plechtigheid wordt bij den haard zelf gevierd. Zij is van groote kultuur-historische beteekenis er in haar bleef voortleven een der schoonste en zinrijkste handelingen van het Indogermaansche bruiloftsritueel. De bruid—naderhand de meid—wordt om den haard geleid ten teeken, dat zij daarvan bezit neemt; zij wordt gehaald. Op dit gebruik kom ik in het Derde hoofdstuk (Privaatleven) nader terug. Hierbij spelen ook de haal en de haalketting een voorname rol, die aan de wendezûle, een zware, rechtopstaande stijl met dwarsbalk, hangt. Aan de haal, die hooger en lager kan gesteld worden, hangt de ketelhaak met den grooten ketel.

Bij de groote, eigenlijke hoeve bevinden zich veelal binnen een omwalde of omheinde ruimte nog een hooischuur, meestal van hout, met riet gedekt, dan een wagenschuur, een korenschuur (het spîker), kalverstallen, bergplaatsen, varkenskotten, bijenschuur, waschhuis, bakhuis enz.

Over een reusachtige uitgestrektheid van de Germaansche laaglanden is dit type verspreid, omvattend de Saksische gouwen benoorden een lijn, die van af de Maas—naar het heet nabij Venloo—in oostelijke richting loopt en haar weg vervolgt over het Rothaargebergte. In Nederland—en op Nederland past het boven beschreven type in de eerste plaats—vindt men dezen huisvorm in het Oosten van Groningen, in Oost-Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, een groot deel van Zuid-Holland en Limburg. Het zuiverste en meest archaïeke type vindt men in Twente en den Achterhoek van Gelderland, Drente en Westerwolde; elders [36]komen verschillende varianten voor, ten deele onder te bespreken.

Een eigenaardig type treft men te Staphorst en Rouveen aan (bl. 21). Gallée beschrijft dit type (Het Boerenhuis bl. 39 vlg.), dat ook beoosten de Boorne, in een deel van Friesland gevonden wordt, als een gemengd-Friesch type, en geeft het den naam van “Zuiderzee-type”. Zeker vallen hier Friesche bestanddeelen waar te nemen. Maar op beslist Saksisch karakter wijst toch de vrijliggende haard, de lange, ruime deel en de banderdeur. Thans is de woning veelal van de schuur gescheiden door een middelschot met middeldeure of milldeure.

Men vindt dezen bouwtrant ook nog in het Gooi, bij Bussum, Hilversum, Laren, Blaricum, Soest, de Vuursche. Volgens J. Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 312 komt de Oudsaksische bouworde mede in de Kempen voor.

b. Voor Twente vormt de Regge de westgrens van het zuivere, onvermengde type. Westelijk van de Regge heeft men al vroeg een scheidsmuur tusschen dorschvloer en woning, tusschen den koestal en de bewoners opgericht. Op dezen scheidsmuur rust dan soms een zeer lage zoldering boven het woonvertrek. Het hooi wordt hier geborgen in afzonderlijke hooischuren of hooibergen. Deze bestaan uit vier of vijf zware palen, de bergroeden, welke door een vierkant of vijfkant dak steken, verplaatsbaar, van hout gemaakt en met riet gedekt.

De haard wordt verlegd naar den scheidsmuur of naar de keuken. De ingang tot de keuken is nu eens in een gang, die van de voordeur tot de deeldeur doorloopt, dan weer door een klein portaal. Aan de eene zijde van de keuken is de opkamer, aan de andere een slaapplaats voor de volwassen dochters.

Dit type komt met belangrijke wijzigingen hier en daar ook in Noord-Brabant voor, b.v. in het land van Heusden en in de Langstraat.

c. “Ook in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden van Tegelen, wordt een huistype gevonden, dat hiermede [37]overeenkomt ..., nergens echter met een hooiberg, noch met een dorschvloer in dezelfde schuur met de koeien. Schijnbaar is er volkomen overeenkomst, doch de langdeel ontbreekt en in de plaats daarvan heeft men een koestand met mestvaalt en een gang voor den koestand langs den zijmuur. De groote schuurdeur in den achtergrond geeft toegang tot de mestvaalt en geeft gelegenheid om in te rijden met hooiwagens ten einde het hooi boven de koeien te bergen. In een schuur achter het woonhuis is de dorschvloer en daarboven de bergplaats voor koren, hooi en andere gewassen ...” Aldus Gallée, Het Boerenhuis, bl. 57, 58.

De uitdrukking “in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden van Tegelen” kan ik niet beamen. Ik ontken niet het bestaan van enkele hoeven, die dezen vorm vertoonen, benoorden Tegelen b.v. te Well, Bergen, Gennep enz. Maar dit is een groote zeldzaamheid. Uit autopsie weet ik, dat de gewone huisvorm in de omstreken van Venloo, te Velden, Grubbenvorst, Horst, Arcen, Well, Wellerlooy, Bergen, Afferden, Heijen enz. de Keltisch-Frankische is, reden, waarom ik hierbij afzonderlijk een grondplan geef der boerenwoning van Venloo en omstreken. Gallée geeft ook slechts één voorbeeld, n.l. een huis te Gennep (pl. XIX, 3—5, pl. XXII, 8, 9).

Bij Willi Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner geographischen Verbreitung (Braunschweig 1906), vind ik overeenstemmend met mijne bevindingen bl. 137: “Jenseits der Maas in der holländischen Provinz Limburg bei Venloo und Roermond finden sich keinerlei Anklänge, sondern nur langgestreckte Wohnbauten, in denen Stuben, Viehstall, Diele von einem Giebel bis zum anderen aneinander gereiht sind”. Dan stelt hij zich de vraag, bij welk Duitsch dorp beoosten Venloo de huisgrens dan wel eigenlijk begint? Hij komt tot de slotsom, dat wij “Gladbach, Hinsbeck und Leuth (alle Kreis Geldern) getrost mit dem Zeichen des ausgestorbenen sächsischen Bauernhauses bezeichnen können”. Ik geloof, dat wij voor de dorpen benoorden Venloo tot een zelfde [38]konklusie kunnen komen. Wij bevinden ons hier in een Saksisch menggebied, zooals de taalgrenzen uitwijzen; hierop kom ik nader terug. Maar de Saksische bouwtrant mag men in deze streek grootendeels als uitgestorven beschouwen.

d. Een laatste type is het T-huis of dwarshuis, in Noord-Brabant krukhuis genoemd. Hier is de schuur, die wat inrichting der stijlen en van het dak, verdeeling der stalruimte en plaatsing van deur betreft, met het hallehuis groote overeenkomst vertoont, in een zijgevel ondergebracht, waarvan de dakspar met die van het woonhuis een hoek van 90 graden vormt. Men vindt deze huizen langs Rijn, IJssel en Vecht. In de Betuwe is het de meest voorkomende vorm; vrij veelvuldig is hij ook in het land van Maas en Waal en in de Langstraat.

2. Het Friesche type.

a. De Friezen beschouwen als het voornaamste gedeelte hunner hoeve de bewaarplaats van het hooi. Daar veeteelt en zuivelbereiding het hoofdmiddel van hun bestaan uitmaken, is ruime hooiberging op de allereerste plaats noodzakelijk. De hooiberg vormt dus het middelpunt, waaromheen zich stalling, dorschvloer en melkerij groepeeren.

Hij verheft zich in het midden van een vrijwel kwadraatvormig grondplan. Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog rieten- of pannendak in den vorm eener pyramide wordt bekroond.

Dit viervakkig dak is het stelpdak, vanwaar de benaming: stelphoeve.

Waar de landbouw wordt uitgeoefend, die ruime berging van veldvruchten en ruime dorschvloeren vereischt, daar neemt de schuur zeer groote afmetingen aan. Aldus in Groningen en Friesland. Maar overal vindt men hetzelfde grondbeginsel: de stapel, hooi of veldvruchten, vormt het vierkant, waaromheen alles gelegen is.

De stijlen, stenders of zûlen, worden twee aan twee verbonden door balken en onderling door twee dwarsleggers. Elk samenstel [39]van twee stijlen met een balk wordt een bint genoemd. De ruimte binnen vier van zulke stijlen heet het vierkant of vak, in Friesland en oostelijk de golf, in Noord-Holland de tas. Is éen vierkant niet voldoende, dan worden de vakken vermeerderd en de schuur krijgt een langwerpig uiterlijk (Gallée, Het Boerenhuis, bl. 17, 18).

Men heeft wel eens beweerd, dat het Friesche type zich uit het Saksische heeft ontwikkeld, en wel door de deel met oogstgaven (hooi, vruchten) te vullen en van wege het grootere brandgevaar huis en schuur scherper te scheiden. Wat hiervan zij, dit eene staat vast, dat beide typen in vroegere tijden veel dichter bij elkaar stonden. Bij het Friesche type mist de boer het overzicht over het geheel, maar bij de hoogopgevoerde ekonomische eischen is althans schijnbaar de vorm van het éen-huis gered.

Dit type wordt aangetroffen in geheel Oost-Friesland, in Groningerland en Noord-Holland tot even ten zuiden van Amsterdam. Verder in het zuiden van Zuid-Holland (Alblasserwaard, IJselmonde, Beierland, Voorne, het Dortsche eiland) en in den Zevenbergschenhoek in Brabant. Enkele, en wel vrij oude vormen van dezen bouwtrant, vindt men in Zeeland.

Wat de stalling betreft dient te worden opgemerkt, dat het vee met den kop naar den muur staat—dus omgekeerd als op de Saksische hoeve—en met de achterzijde naar de stalgang. Elke koe, of elk paar koeien, heeft een door planken of balken gescheiden stand. Het licht valt door kleine venstertjes, veelal van gordijntjes voorzien. De zindelijkheid is overal bepaald voorbeeldig te noemen. De meeste boerderijen hebben een reusachtigen melkkelder, thans zoo goed als overbodig, daar de bewerking der melk meestal in de centrifuges plaats heeft.

De dorschvloer heet in Noord-Holland de darsch. Aan de keuken, waar de groote schouw is, geeft men in Friesland den naam van pîzel: eigenlijk was dit de naam van de groote hang of schouw zelf, Latijn pensile. Bij den Frieschen huisvorm in Duitschland beduidt pêsel de woonkamer of feestzaal. [40]

Voor België vind ik hieromtrent bij Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 313 na de beschrijving van het Friesche type het volgende: “Zulke Friesche hofsteden zijn er in Westvlaanderen niet te vinden, maar de Westvlaamsche bergschuur, hier en daar nog te zien, namelijk te Leffinghe, te Snaeskerke, te Steenkerke, te Heyst en te Ramskapelle en wellicht elders, moet ook door Friezen gebouwd zijn, want zij vertoont de gedaante eener Friesche hofstede; ʼt en is maar de woning van den boer die er in te kort is.” Een grondig onderzoek in deze is m.i. noodzakelijk en kan tot hoogst belangrijke resultaten leiden.

b. Terwijl het type der eigenlijke Stelphoeve vrij zuiver in Noord-Holland, met name in de Streek, wordt aangetroffen, vindt men in Friesland en Groningen meestal het gewijzigde type van “de hoeve met de lange schuur”. Hier is het vierkant tot een rechthoek verlengd, terwijl woning en schuur niet onder één dak zijn vereenigd. Het woonhuis is daar met de schuur door een smal dwarshuis verbonden, dat zich uit de verbindingsgang heeft ontwikkeld, of de woning is dwars vóor de schuur gebouwd.

Van de eilanden heeft Terschelling het Friesche type. Ameland is daarentegen geheel afwijkend; óok in taal en kleeding komen de bewoners het meest met die van Holland om Amsterdam overeen.

3. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type.

Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de voorstal, de koestal, de deel (veelal den geheeten), de schuur of bergplaats voor hooi en stroo, en de schop of bergplaats voor gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend, en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan.

Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis, veelal ook kortweg het huis of de heerd genoemd. [41]Hier is de stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (stort) enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden voorstal, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal, deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren, naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de zindelijkheid vaak te wenschen over.

Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk, Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée, Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen, Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats en varkenskotten.

b. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij groot. De schuurruimte bestaat uit eenige winkels of tassen voor de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij de koe- en paardenstallen.

Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook hier wordt de daknaald door de sporen gedragen. [42]

Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand, men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in Belgisch Limburg.

Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal vertoont hier Keltischen inslag.

4. Het Frankisch-Romeinsche type, of de “Zuidlimburgsche hoeve” begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo.

De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige, ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de luif (vgl. luifel), d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke luif bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis; dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt voor de oogstkar dwars over de mestvaalt.

Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft ramen aan de straat.

Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de zoogenaamde “pachthoeven”. De kleinere hoeven daarentegen behelpen zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door een schop.

Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen [43]in Oostvlaanderen, Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen, b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler, Oud Nederland (ʼs-Gravenhage 1888), bl. 112.

Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, “de binnenplaats daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint; overigens zijn de kleuren weinig sprekend” (bl. XXII).

Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het compluvium. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg verscheidene Romenische villaʼs zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870 door Habets op het plateau “op den Billich” ten Zuiden van Haasdal, gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht: “Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene breede achtergalerij [44]wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw” (bl. 34, 35). Zeer onlangs, van 1911–ʼ13, werden door dezelfde oudheidkundigen opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal, gemeente Bocholz.

Over het grondtype der Romeinsche villae vindt men een uitvoerige beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers Maandschrift 1907.

In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk, dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de konstruktie der Lombardische kloosters.

De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst.

IV. Volkstypen en Kleederdrachten.

1. Het somatische volkstype.

Het spreekt wel van zelf, dat men het type der oorspronkelijke bewoners het zuiverst ten platten lande aantreft. De vermenging met vreemd bloed is het sterkst geweest en is dit nog in de groote steden. Ook zijn historische momenten in deze van grooten invloed geweest; laat ik slechts wijzen op Spanje,—al is de bewering onjuist, dat de Zeeuwsche bevolking haar donker uiterlijk aan een [45]vermenging met Spaansch bloed te danken zou hebben—“mariage de la neige et du soleil”—en op de Fransche uitgeweken Protestanten. Somatisch en maatschappelijk nemen ook de Israëlieten, ofschoon sinds lang staatsrechtelijk en burgerrechtelijk met de overige ingezetenen van de Nederlanden volkomen gelijkgesteld, nog steeds een eenigszins afgezonderde positie in.

Zooals wij hebben aangetoond, behoort de bevolking van Nederland voor het meerendeel tot het Teutonische of Germaansche en tot het Alpine of Keltische ras.

Het Teutonische ras is langhoofdig (dolichocephaal), lichtblond van haar, grijs-blauw van oog en rijzig van gestalte. Het Alpine ras is korthoofdig of rondschedelig (brachycephaal), donkerblond tot zwart van haar, bruinoogig, en meer middelmatig van lichaamsbouw: over het algemeen is dit ras sterker gepigmenteerd. Daar nu juist de pigmentatie zich het best van de drie kenmerken tot een globaal overzicht bij een rassenonderzoek leent, heeft Prof. Bolk te dezen einde in de verschillende provincies van Nederland gegevens verzameld omtrent het voorkomen der onderscheiden oog- en haarkleuren. Zijne resultaten heeft hij neergelegd in de Verslagen der Koninkl. Akad. van Wetenschappen te Amsterdam, 5 Mei 1904, en in Galléeʼs meermalen aangehaald werk over het Boerenhuis in Nederland, Bijlage III, bl. 12 vlg. Wij ontleenen hieraan het volgende.

Het lichte oog is in het Noorden van ons land het talrijkst, en naar het Zuiden toe ziet men dit allengs minder talrijk worden, om in de beide meest zuidelijke provinciën—Limburg en Zeeland— het minimum te bereiken. Hand in hand daarmede neemt in zuidelijke richting de bruinoogigheid toe. Ten opzichte van dit verschijnsel kan men het land in drie zònen verdeelen. De vier noordelijkste provinciën hebben gezamenlijk 79.1 procent lichtoogigen, de vier provinciën, die de middelzône innemen, 69.9, en de drie zuidelijke provincies gezamenlijk gemiddeld 60.5. Vergelijkt men met deze cijfers de vermindering der blondharigen, dan blijkt het, dat deze beide verschijnselen vrijwel evenwijdig verloopende [46]reeksen vormen, n.l. de noordelijke zône staat bovenaan met 80 procent blondharigen, dan volgt de middelste met 72.2, dan de zuidelijke met 64.2. Duidelijkheidshalve zij nog vermeld, dat de noordelijke zône omvat de provincies Groningen, Friesland, Drente en Overijssel; de middelzône Gelderland, Utrecht en Holland; de zuidelijke Limburg, Brabant en Zeeland. De totale vermindering aan lichtoogigen bedraagt dus 18.6%, aan blondharigen 15.7%.

Ter vergelijking volge hier een staatje, waaruit blijkt, hoe ook in Duitschland het blonde type van het Noorden naar het Zuiden afneemt. De pigmentatie van haar, oog en huid is hier gezamenlijk genomen.

Noord-Duitschland 43–33% blondinen, 12–7% brunetten
Middel-Duitschland 32.5–30% blondinen, 18–13% brunetten
Zuid-Duitschland 24.5–18.4% blondinen, 12–7% brunetten

Uit het hooge percentage aan brunetten in de zuidelijke zone van ons land blijkt ook weer, dat de bewoners van Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland een eenheid vormen, welke geen andere is dan de eenheid van het Alpine ras. Deze bevolking zet zich ook in België voort tot op het plateau der Ardennen.

Nu zou men verwachten, dat met het brunettengehalte ook de brachycephalie in zuidelijke richting zou toenemen; immers het Teutonische ras is lang-, het Alpine rondhoofdig. Maar de verandering in den index cephalicus (die de verhouding aangeeft van de lengte tot de breedte van het hoofd) blijkt bijna geheel onafhankelijk van de veranderingen in het brunettenpercentage; terwijl het brunettengehalte in zuidelijke richting toeneemt, neemt de brachycephalie toe in oostelijke richting. Deze toestand is dus niet primair: de noordelijke, blonde bevolking is rondhoofdig, en de donkere rondhoofdige bevolking van de zuidelijke gewesten is meer langhoofdig geworden. Prof. Bolk, De Bevolking van Nederland t.a.p. bl. 182 vlg. verklaart dit zóo, “dat een uit het Oosten afkomstig volkstype, dat blond en rondhoofdig is, zich gemengd heeft met de oorspronkelijke langhoofdige bevolking onzer Noordelijke provinciën, en de geschiedenis leert ons, dat deze volksstam de zoogenaamde Saksen [47]waren.” Wat nu deze Saksen betreft, “een ding kan men wel als vaststaand beschouwen, dat zij anthropologisch niet als zuivere Teutonen of Germanen zijn te beschouwen. M.i. komt eene verwantschap met de Slavische bevolking van het westelijke en middelste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte veel meer in aanmerking” (bl. 185, 186).

Dat de tegenwoordige bevolking van Zeeland langhoofdig is geworden, is te danken aan de vermenging van het alpine type met het Teutonische, nl. met de Friezen. De fusie is echter eerst na 1500 tot stand gekomen. “Deze kruising mag vooral door de kombinatie van het bruine oog met het lang ovale aangezicht een zeer gelukkige genoemd worden. De Zeeuwsche bevolking geldt met recht als een der schoonste van Europa”.

Laat ik hier ten slotte nog aanstippen, dat volgens Prof. Bolk het Germaansche type het zuiverst bewaard is gebleven in de dorpen Katwijk en Noordwijk, misschien in ʼt algemeen in de visschersbevolking van onze Hollandsche Noordzeekust, en het Alpinetype in de omstreken van Venlo. Het wil mij echter voorkomen, dat de frekwentie van het brunette type in Zuid-Limburg veel grooter is. Wellicht komt hier echter de invloed der Romaniseering in het spel.

Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur lʼEthnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen.

Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg, Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid.

2. Het psychische volkstype.

De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard “lost zich op in de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het [48]handelen, koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand, niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot”: R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk (zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8.

Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot flauwheid en Jan-Salie-geest.

De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet vreemd—de geschiedenis getuigt het—maar hij gaat niet graag over ijs van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet zelden in bandeloosheid ontaardt.

Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid.

De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord [49]en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling, meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid, wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker, de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw—lokaal bedrijf bij uitstek—behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke Volendam jolig, opgewekt en vroolijk.

Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet, stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. [50]Weinig sprekend—het is waar—is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt, spreekwoordelijk werd.

De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid, die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.—In de plaatselijke nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller, goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging, waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje: Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg.

Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische [51]type toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige en godsdienstige overwicht van Holland—zij het ook maar officiëel—min of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest, terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens, wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden, denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidtʼs golf-theorie.

Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies, ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen.

Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden zielsparfum.—Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal [52]en in de Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie schets geeft: “De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker, veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier: Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen, en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen:

“Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang

Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang.”

Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken, die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg.

Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders, wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de kalme Hollanders afsteken”. [53]

3. Kleederdracht en versierselen.

Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878 te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland (ʼs Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan, Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes (Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude, nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen.

a. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok het onderst, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente de kroplap genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland, Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten.

Het Friesche oorijzer was oorspronkelijk een ring, zooals nog de Zeeuwsche benaming “beugel” of “hoepel” getuigt. Inderdaad leeft in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring [54]van Epe, Overijsselsche Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber, Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen, waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel.

Een hoofdring, gevonden bij een grooten cairn in de gemeente Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de ooren schuins naar beneden om: van hier de naam “oorijzer”. Deze wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men kon ook—en dit was de latere Hollandsche behandeling—den hoofdband, tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken heeten in Holland boeken of pooten, in haakvorm token. Men gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen, [55]bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van stiften, in Friesland van knoppen, in Zeeland van stikken. Daar, waar men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen: vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee.

De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men hoort ook “hoofdijzer”, of kortweg “ijzer”. Maar in werkelijkheid worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van koper, verguld koper, zilver of goud.

Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het grootste deel van West-Vlaanderen.

Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen.

Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. [56]Marken heeft een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82).

b. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die men broekstrikken noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt.

De Zeeuwsche knoop en gordel- of broekplaat gaan terug tot den primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden, getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied; de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de Zuiderzee; [57]de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk.

De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het “onderst” heet in Zeeland de beuk: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier de beugel of hoepel genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de krullen en zij hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker; aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men strikken noemt, ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet.

De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk de langet muts, ook in Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter met een lintje bij, reden waarom ze trekmuts heet. Daarover draagt men aldaar een geelstrooien kaphoed, aan de achterzijde met een smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde, rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant; bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg de kant. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor.

Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen, eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op [58]ontleening berusten. De min of meer kostbare kant, met het pasje er aan, daalt langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man, Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz.

In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder, zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen, tot Kortrijk en Poperinghe toe.

c. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg, Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel- en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als model gelden.

In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht, omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond.

Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die [59]nog de oude dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts.

d. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek verdwenen. Maar typisch is de pijjekker of lange jas, die over het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient.

Het meisje draagt in de eerste jaren de bonnet, een zwarte, zijden muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart, waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of knipmuts heeft van voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger was die “streppel” heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd verdrongen.

e. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan [60]de kleedij nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje, dat de vrouw om het hoofd draagt, heet het pläkske. De mannen dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden.

Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche “groote muts”, de zoogenaamde huifmuts. Over de gladgestreken haren gaat eerst de zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men de poffer noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom, Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875) III, bl. 755.

Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge, Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den neuzik of neusdoek, een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders gedragen wordt.

Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult, terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij [61]kerkgang in engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een soort cloak van vrij dikke stof, die men ʼs winters en ʼs zomers bij regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in het Land van Hulst.

Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet de schoef. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak, die uit verschillende stukken is samengesteld. [62]


1 Brink, Middelnederlandsch brinc, beteekent “begroeide zoom, begroeide ruimte, plein”. Wellicht is het woord etymologisch verwant met het besproken mark.

2 Elard Hugo Meyer, Deutsche Volkskunde (Strassburg 1898), bl. 6.

3 Zie Prof. J. M. van Bemmelen, Beschouwingen over het tegenwoordige standpunt onzer kennis van de Nederlandsche Terpen, in de Oudheidkundige Mededeelingen v.h. Rijksmuseum v. Oudheden te Leiden II (1908), bl. 51 vlg.

4 Historia naturalis XVI, 1 Vert. van Bemmelen.

5 Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft in den Niederlanden (Berlin 1906), bl. 137; vgl. P. J. de Boer, De friesche kleiboer, in het Tweemaandel. Tijdschrift 1897, afl. 1 en 2.

6 Is-ethnen zijn lijnen, die de uiterste geografische punten verbinden, waar gelijke volksaard tot uiting komt; vgl. iso-glossen, iso-psychen enz.

7 Ook Galléeʼs klanknoteering is voor de benaming der onderdeelen overgenomen.

[Inhoud]

De Volksreligie.

I. Volksreligie en Geestenwereld.

Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen moge: “religie des volks” en “volksreligie” zijn niet synoniem. Deze laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming, uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst.

In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg, dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring, [63]waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der volksreligie het meest treffend tot uiting komt.

Ik zeg: “waar het volksgeloof strikt-populair blijft”, en bedoel hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel, kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken, of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke animistische nuance verre blijft.

In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde een natuurlijke en een historische laag.

I. Op den bodem der menschelijke natuur liggen de begrippen van Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet alleen bij de kultuurvolken, maar—zij het ook in de grilligste vormen gehuld—insgelijks bij de minst beschaafde stammen.

Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd in zijn Baumkultus der Germanen [64]und ihrer Nachbarstämme (Berlin 1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen, neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing van het animisme: het toekennen van een ziel aan alle dingen, bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch, dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore (Venloo 1910), bl. 51, 52.

Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de Vegetationsdämon, die in de Germaansche boomvereering zulk een gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats, dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers en dergelijke.

Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken volkskultus te spreken, wanneer geen [65]hooger bestanddeel aanwezig is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding, die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere mate een vaag begrip van “boomziel” gemoeid zijn,—een “boomdienst” is dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van dit volksgeloof in de vereering—zoo daarvan sprake kan zijn—van het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is.

II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de Germaansche Mythologie, die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin, d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken, weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden der Oude Germanen.

Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar, Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland, koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle, de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen [66]het dorp Elspeet en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder den naam van de hulde of het hul, verdeeld in een kleine en groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als verbastering van het Engelsche hill “heuvel”. Evenwel, “daar de legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud; daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken”: Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt.

Want Vrouw Holle is de koningin der elfen: deze toch, de lievelingen der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen, zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun eigen koning hebben ze, den Alfen-, Ellen- of Erlen-koning, in het Fransch roi des aunes. Het woord elf, Middelnederl. elf of alf, Angelsaks. aelf, is verwant met het Oudindische rbhu “geest, ziel van een afgestorvene”. In onze Middelnederlandsche letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in de Sotternije van Lippijn 105:

Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht

Met alven ende met elvinnen.

En aldaar 146:

Wat! ben ic dronken van den biere

Ochte vlieghen dalve achter straten?

Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29.

Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de [67]Witte Vrouwen met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze guede holden en belewitten, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten, later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast aan haar en spreekt het anathema uit over allen, “die door ignorantie van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven verhaalt wert.” Vooral in het Oosten van ons land zijn de Witte Wiêven bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn “in N.-Brabant, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus genoemde West-Friesland of N.-Holland”, en, naar hij, meent, ook in Zeeland. “In het eigenlijke Holland en Utrecht” heeft hij daarvan geen sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, wiêvenbelter geheeten, meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk; zoo wonen zij te Buurse (O.) in den Langenbelt, en daar worden nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te Vriezenveen (O.) huisden zij op de Jöst. Niet zelden klopten zij ʼs avonds aan en vroegen dan om een balkenhaze (kat); bij weigerend antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd, sprak haar toe:

Witte wiêven wit!

ʼk Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit;

En um daʼk neet hebbe en spit,

Roop ik moar: witte wiêven wit!

[68]

Hierop antwoordden de geesten: “Wacht tot daʼ we deene schoband to eknupt en doareʼ to erukt hebt”. Maar de boer was zoo verstandig, niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma, Overijss. Alman. 1837, bl. 242.

Elders worden zij Witte Juffers genoemd. Dr. L. Jansen heeft verhaald over “de witte Juffer van Monferland”, een berg, rond en begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar ʼs Heerenberg (G.), zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen, en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I, bl. 213 van de Witte Juffer van het “Gebroken Slot” bij Grubbenvorst; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven (Leeuwarden 1895) I, bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie, en van de Juffersbrug te Harlingen.

Tot de elfen behooren ook de dwergen of aardmannetjes, in Noord- en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel, die de bergen aan het oog onttrekt.

Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw, bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen, vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de zoogenaamde haagten, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op [69]den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten, zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek.

Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht, in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden: want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen, en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot, Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche bosch b.v. droeg een plaats den naam van Aardmanshegge.

De aardmannetjes heetten ook alvermannekes, auvermannekes, laplanders, klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes, heuvelmannetjes enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de ʼAimpies, in Vlaanderen ook de Alven. Vandaar de uitdrukking: “gij zult door dʼAlven geleid worden”, d.i. door de geesten, die iemand het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven aan den Dalf in het land van Aalst en aan den Als in de buurt van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes (Antwerpen 1898), bl. 136, moet den Alf, geest, die ʼs nachts de reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160; Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen, no. 3 474, 475, 476, 479.

Eigenlijk verschillen van deze groep de kaboutermannetjes, ook wel boezemannen en kobolden geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden [70]en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van de klabouters of nachtwerkertjes had. Veelal werd ter vergelding voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje; zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg.

Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.— Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206—211, 477, 478; V. D. Bergh, Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters, Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59.

De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men ʼs avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat der oude Sirenen.

Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. “de Meermin”; zie Volkskunde XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken, dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken:

Muden sal Muden bliven

Muden en sal noit bekliven.

Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren schild, vastgehouden door twee meerminnen.—In de groote [71]kerk te Edam op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde van het “groene wijf”, met dit bijschrift:

Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis

Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.

Anno 1403.

Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202.

Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de weiers (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent men de Grijze Meer. Kinderen maakt men bang met den waterwolf, om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de watergeesten den naam van nekkers. Ook in Overijssel worden of werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de watersnaak.

Wat betreft de in België niet onbekende boschnimfen, die in Duitschland de typische benamingen van Moosfräulein, Wald-weiblein, Selige Fräulein e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren, die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer “der Wald raucht”, dan pleegt men te zeggen: “Das Buschweibchen kocht”.

ʼs Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door ʼt geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de Wilde Jacht, die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend [72]Germaansch. In de hymnen van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra aan het hoofd van zijne Maruts. In de Germaansche landen voerde Wôdan op zijn schimmel Sleipnir het geestenheir aan. In den loop der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt.

Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd, met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam van Hackelberg, uit hackel bärend “mantel dragend”. Het Limburgsche folklore kent deze figuur onder de benaming van “Henske met de hond”; “Henske” wordt ook als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk van de Berndekesjacht, en wordt als voorrijder genoemd Dirk met den beer. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve “dʼn bòvenste neendure” ʼs avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender; vergel. Driem. Bladen III, bl. 3.

Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de Aasgaardsreia in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van Helsche Jacht of Helsche Wagel, ook wel van Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht (Hageland) en, evenals rond Leuven, Tilkesjacht: wonderschoone muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar [73]men weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen, oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde men aan een “vurigen” of “gloeienden” wagen, met vier of zes honden bespannen,; en insgelijks sprak men van een “ijzeren” wagen, onder vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante, rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men den Helwagen, te Zwartewaal in Zuid-Holland den Oogstwagen met overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9; ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191.

Een animistisch karakter vertoont ook de weerwolf, letterlijk “manwolf”, immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische wair en het Latijnsche vir, dat wij ook nog hebben in ons “weergeld” d.i. “man-geld.” De term “Lykanthropie” is van het overeenkomstige Grieksche woord afgeleid.

De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus, Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890), bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer; hij is niet de “man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt met een ketting.—Deze Kludde, die, naar het schijnt, benoorden Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van Lodder, de plaats van den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij Kledden, te Brecht Klodde [74]met zijn bellen. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men dat zij “Kledden-loopen.” Ook komt hij wel overeen met den grappigen Gelderschen Stoep, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909) I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142.

Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch, daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen van de wolfshuid of den wolfsgordel—men vergelijke het aanleggen van het zwanenhemd—, in de volkstaal kortweg “het vel” geheeten; vgl. de uitdrukking “uit zijn vel springen”, waarover Prof. Verdam, Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel, van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897—98, bl. 46.

Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland, in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep over den weg, zeggende: “Als ge van God komt, dan nader; als ge van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep.” Hij toont zich [75]ook dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II, bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken, Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2.

Nauwverwant is de mare of nachtmerrie. Het Middelnederl. mâre, nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche mara en beteekent “nachtspook, nachtbelemmering”; in Noord-Brabant spreekt men dan ook van nachtmaar. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel, die zoowel in ons meren “vastleggen, binden”, als in marren “talmen, dralen” steekt. Met ons woord alfdruk vergelijke men het Fransche cauchemar: cauche is afkomstig van het Latijnsche calcare “drukken”.

Wat bewoog het volk, de termen nachtmare en merrie in verband te brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard, een merrie, die den slapende berijdt, vandaar de uitdrukking: marenrit. Bij ons te lande hoort men de verwensching: “Ik wou, dat je de maar reed”. Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt mare met het niet vermaagschapte merrie; godsdiensthistorisch met den slaap en droom als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is.

Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de paarden ʼs nachts door de maar gereden, dan vindt men ze ʼs morgens nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan gebeuren, dat men de maar in den stal verrast; dan zit ze onder de krib, te Heerlen onder het paard [76]zelf, in de gedaante van een oud wijf, dat bezig is, met het haar te kammen.

Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw, bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond; dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52 verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan.

Ook marentakken (viscum album) houden de nachtmerrie uit den stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust—als op de korenhalmen of de hop,—of dewijl hij den boom drukt evenals de mare den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen der Plantlore.

Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever, vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje, een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van een krekel, zich op weg begeven naar een [77]sadagoristruik en weer den neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën, bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf, Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI, bl. 132; Biekorf V, bl. 301.

De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens, die men heksen heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag men—hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen is vermengd—als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist, die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip, kraai, maar het liefst in een pad verandert.

Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht bezitten, door de lucht te rijden—op ʼn bok, bezemsteel enz.—en aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het geloof aan de levende, menschelijke [78]heksen, dat door de bekende heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg.

Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de gedaante aannemen van hagedissen,—waarschijnlijk wortelverwant met het woord heks—van uilen, honden en vooral van padden, hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan duvekater en drommekater. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch, dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik (ʼs-Gravenhage 1827), bl. 1 vlg.—De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de parallelle der spreekwoorden: “Als het regent en de zon schijnt, bakt elke heks pannekoeken”;—“Als het regent en de zon schijnt, is het kermis in de hel”.

De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen, leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten, beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader), bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het Limb. heksenscheut, Hoogd. Hexenschuss. Grooten invloed hebben zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk “behekst”, dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet; terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren, om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want daarin verbergen zich de heksen. [79]

Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze betsjoend, zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een kruuske-kaai, d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met “ja” beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen, zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp, b.v. twee doodsbeenderen over elkaar.

Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld, en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer.

Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; [80]immers: “Tusschen twaalf en een zijn alle heksen op de been”. Zij rijden ook weg op een spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: “Over haag en over heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder.” De heksenvaart wordt niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de Hommelheide nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en de Haar bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als zoodanig b.v. genoemd de Kemmelberg bij Yperen en het Galgenveld bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans, dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer bijwonen (Hageland).

Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt; waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde; waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout bij zich heeft; enz.—Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen dienst, waarover nader in de Plantlore.

Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral [81]kinderen, die onder den invloed van heksen geraken, worden behekst, en dienen door een heksenmeester of heksenbanner belezen te worden. Staan de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7 vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70; Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201.

Een laatste animistische groep vormen de dwaallichten, eigenlijk de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten plaatselijk: divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels; stalkaarsen; valsche lantarens. De Friesche benaming wylde lanteernen geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse, waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men noemt ze dan ook wel blauwe vuurtjes. Tot deze groep kan nog gerekend worden het St. Elmsvuur, dat op de masten der schepen verschijnt.

Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de stalkeersen wil doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen: “Ik doop u allen” enz.

Nauw met hen verwant is de vuurman. In Drente zijn vuurmannen meestal landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland, Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman Lapöoge bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. Glende kerels zweven ook als vlammende stroobossen langs de [82]marke-scheidingen, b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In Belgisch Limburg heeten ze vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik (b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel brandende schoof. Men mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet, dan zijt ge verloren,—òf ge moest bij u hebben een knipmes met houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht van den bovensten Houtmolen ʼs avonds laat van de stad en zag op een hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij riep hem dus toe: “Dikke, geef me eens wat vuur”, doch daar kwam de vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot van dergelijke geschiedenissen.

Over den Brabantschen Kludde is gesproken. Zulk overgangstype tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het hêmanneken. Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en roept aldoor: “hêej, hêej.” Beantwoordt iemand dat geroep, dan springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met “gleunige ôogen” als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X, bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161.

Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar spookt het. “Spook” en “spoken” zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie [83]van het Germaansche spôka- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen (VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover, zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe.

Ook de doode, die “terugkeert”, komt spoken en geeft stof tot vele spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een gelofte—b.v. een bidweg—niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend, “verlost” worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft, moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is.

Maar het volksgeloof kent ook spookdieren. Wij zagen reeds herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in diervorm kan zij ook “terugkeeren” of blijven voortleven. Zielen, die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen morgen is zulke ontmoeting van belang, “het eerste gemoet”, zegt men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen, het janken van katten. “Krast er een uil, breekt er een glas. Dan [84]sterft de meesteresse ras”, zegt men in Gelderland. Ook het huilen van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd:

De eksters en de kraaien,

Die zwaaien al over mijn hoofd

En snakken al naar mijn dood;

Die dood begint te naken,

Ik zal het niet lang meer maken.

De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als: “De kraaien zullen het uitbrengen”;—“Alles komt uit, al moesten de kraaien (of raven) het uitbrengen”, en ook wellicht “Daar zal geen haan naar kraaien.”

Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun nest bouwen. “Zwaluwen in ʼt dak, guldens op zak;” en op de Veluwe: “Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren niet.” Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting; poëtischer is de Duitsche spreuk: “Wo die Schwalbe nistet im Haus, Zieht der Segen niemals aus”. Een zwaluwnest vernielen, brengt ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het de zwaluwen “de vogels van O.L. Vrouw” noemt, dewijl zij omtrent Mei (Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond den Heerd XXIV, bl. 115.

Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar [85]hij nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven geen kraamvrouwen. De kinderen zingen:

Ooievaar, lepelaar,

Met je lange bekke,

Wanneer zal je thuis kommen?

Als de muis piep zeit.

Piep zei de muis:

Ooievaar komt tʼ avond thuis.

Ooievaar brengt ook de kindertjes. “Als een stork over ʼt huis vliegt”, heet het te Almelo, “komt er gauw een kleine schreeuwer in de wieg”. Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje:

Uiver, uiver, pielepoot,

Breng een kindje in moeders schoot.

Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje, dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt:

Koekoek Steven (of even),

Hoelang mag ik leven?

en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland:

Kukuk vom häven,

Wo lange sall ik leven?

en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan:

Koekoek, bakkersknecht,

Zeg mij recht,

Zeg mij waar,

Hoeveel jaar

Ik dit kransje nog dragen zal?

Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.—Maar het wordt tijd, tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; [86]verder in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de spookhond den naam van stommelstaart, borries of helhond. Het is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende ketenen.—Het spookpaard heet in het Oldambt hommel-stommel; ook waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht.

Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros (Sleipnir) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (Hugin en Munin: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (Geri en Freki: de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis onzer zegswijzen: “Loop naar den koekoek” (d.i. naar den drommel); “hale u de koekoek”, vgl. “hol dich der Kukuk und sein Küster”, en “le diable tʼemporte”;—“Dat wete de koekoek” (d.i. dat mag Joost weten);—“Je bent een koekoekskind” (d.i. een satanskind).

Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden; en eindelijk, dat de begrippen “gewijd, heilig” en “gevaarlijk, te vermijden” in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken.

Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam Martius, daar hij den god Mars was gewijd. Maar uit Martis avis is Martini avis gegroeid, zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: “Sant Martisvogel, Mertissvogelin.” Ik kom naderhand op dezen vogel terug, maar [87]wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het Germaansche volksgeloof, passim; De Cock, Een en ander over de folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven XII, bl. 15; ʼt Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburgʼs Jaarboek V, 3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg.

Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten is het geslacht der reuzen. Nu eens vertegenwoordigen zij den winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd: uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf.

Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg, bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De rest niet meer dragenswaard achtend, had hij die langs Hellendoorn en verderop uitgeschud. Een analogen oorsprong hebben twee heuvels bij Heelsum, een heuvel bij Valburg, de Woldbergen op de Veluwe. Ook West-Friesland werd eertijds door reuzen en reuzinnen bewoond, van wie Lem, Dibbald, Walberich, Hillegond omstreeks Leiden, Haarlem en Rotterdam gelokaliseerd worden. Deze Hillegond had eens een schortekleed zand van het zeestrand gehaald. Maar gekomen ter plaatse, waar thans de kerk te Hillegersberg staat, brak de band van haar voorschoot, en het uitgestorte zand vormde een heuvel. Het is wel onnoodig te zeggen, dat wij hier met natuurverklarende volksverhalen te doen hebben. [88]

Dit is ook het geval met de sage der beide Rijn-gravende reuzen. Volle honderd jaren hadden zij dapper gedolven zonder een woord te wisselen, toen de éen het stilzwijgen brak. De ander wordt hierop toornig, antwoordt, dat hij niet langer met zulk een babbelaar wenscht samen te werken, en gaat de Waalbedding graven. In een Belgische sage van dezen aard, gelokaliseerd te Hekelghem, is de reus reeds een duivel geworden. Em. Seipgens verhaalt, dat het reuzengat te Echt (tusschen Echt, Montfort en Posterholt) eigenlijk een onvoltooid gebleven reuzenwoning is. De koning der reuzen zou gaan trouwen en volgens ʼs lands wijs moest hij met de aanstaande koningin zijn eigen woning in den grond delven; wegens het gepraat zijner aanstaande liet hij ten slotte het werk steken. “Daarom is de koning der reuzen nooit getrouwd en de woning onafgewerkt gebleven. De reuzen volgden het voorbeeld van hun koning, omdat zij alle vrouwen snapsters vonden, en zoo is het reuzengeslacht in Limburg uitgestorven.” (In Welters, Limb. Legenden I, bl. 219).

Volgens een overoude sage hebben de reuzen een gedeelte van Brussel gesticht; vandaar natuurlijk ook de naam van Reuzenberg. Eertijds gingen dan ook elf reuzen, met verschillende benamingen, in den vermaarden Brusselschen Ommegang, en wel achter de Gilden en Ambachten; thans nog twee: Janneken en Mieke. Ook te Venloo werden van oudsher twee reusachtige poppen rondgedragen, die de stichters van Venloo: “Valuas en zʼn vrouw” voorstelden, en wel door het akkermansgilde op Maandag vóor de zomerkermis. Sedert eenige jaren is dit gebruik weer ingevoerd. Luidens een Venloosch archiefstuk werden in het begin der XVIIIe eeuw deze beelden ook in de processie rondgedragen. Zooals te Brussel, worden ook te Geerardsbergen Janneken en Mieke rondgedragen; te Hasselt kent men den Langen Man, te Antwerpen Druon Antigoon, te Wetteren den Reus en de Reuzin.

De reuzen hebben niet alleen rivieren gegraven en bergen opgestapeld, zij hebben ook de terpen en de hunebedden gebouwd. Hier heeft verwisseling of liever vermenging der begrippen “reuzen” [89]en “hunen” plaats. Ook is het begrip van den term hunen zelf niet homogeen: immers het woord hûn, een echt-Germaansch woord, beteekent “reus”, maar ook “Hun, Hongaar”; waarschijnlijk is de naam Hûn op verschillende volkeren toegepast. Misschien vertegenwoordigen zij, hetgeen ook wel van de Elfen beweerd wordt, het een of ander uitgestorven Europeesch oorvolk. Wat hiervan zij: de Hunen vormden in het volksgeloof een met de reuzen nauw verwante, maar toch zelfstandige, meer historische groep. Hun naam leeft voort in de Hunenbedden niet alleen, maar ook in den Overijsselschen Hunerborg, in den Hunerberg en de Hunerpoort te Nijmegen en in den Hunsberg van Merchtem. (Z.B.)

De reuzen vormen als het ware den middelterm tusschen de lagere en de hoogere mythologie; van overgang geen sprake. Het reuzengeloof wortelt in de omringende natuur, in de elementen, maar vertoont geen spoor van zielengeloof. De hoogere mythologie, volstrekt zelfstandig ten overstaan der lagere, wordt vertegenwoordigd door de vereering van den machtigen god des hemels, den Indischen Dyâush, den Griekschen Zeus, den Romeinschen Jupiter, die bij de Oude Germanen den naam droeg van Ziu. Alle Indogermaansche talen wijzen hier op een vereering van den “Stralenden Hemel” als hoogste godheid. Maar op den duur veranderde het wezen van dezen hoogsten hemelsgod, óok van den Germaanschen Ziu; velerlei attributen zijn hem ontnomen, om aan afzonderlijke godheden te worden toevertrouwd. De weg loopt hier van de eenheid of betrekkelijke eenheid naar de veelheid. Zóo ontstonden de Westgermaansche godheden: Wódan, Donar, Frija enz.

Van deze hoogere mythologie is bezinksel in ons folklore achtergebleven, en niemand heeft dit beter aangetoond dan Jacob Grimm in zijn standaardwerk “Deutsche Mythologie”. Al blijkt het, dat hij veel te eenzijdig is te werk gegaan, met volle recht mag hij den titel dragen van “vader der Germaansche mythologie” als wetenschap; met behulp der kritiek wordt zijn werk de rijkst mogelijke vindplaats. Wij zullen in de volgende bladzijden dan ook herhaaldelijk stooten op survivals van Wôdan en zijn kring: [90]een sekondaire mythologische vorming dus. Laat ik slechts wijzen op enkele uitdrukkingen. Wij lezen in een Nederlandsch hs. van 1470: “Ende de poeten in heure fablen heetend ourse, dat is te segghene Woenswaghen”. Het sterrenbeeld van den Grooten Beer werd dus als Wôdanswagen beschouwd. In Zuid-Limburg spreekt men nog van een “zielewagen”, die door de lucht rijdt. De naam leeft ook voort in ons hedendaagsch Woensdag, dial. Goonsdaag, en in de plaatsnamen Woensdrecht = Wodani traiectum, Woensel, wellicht Woenum of Wenum. De herinnering aan Donar bewaart ons Donderkruid of Donderbaard, het Sempervivum tectorum, voorheen ook Barba Jovis genoemd, in Zwitserland nog Joubarbe. Bij de invoering van het Christendom droeg de volksfantasie vele attributen van goden en godinnen op Christus en de heiligen over; vandaar dat het Frigjargras tot Mariagras werd; de aan Frija als godin der geboorte heilige Asperula odorata, waarvan een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, ontving den naam van O.L. Vrouwenbedstroo, het Labrum Veneris dien van Mariadistel; enz. Ook behoort het hoogst waarschijnlijk tot de sekondaire laag in ons folklore, wanneer de kat, het heilige dier van Frija-Frigg, in zoo nauwe betrekking tot het huwelijk treedt. Wie op zijn trouwdag door goed weêr begunstigd wil worden, moet de kat goed voeren, of de kat streelen (kören), zooals men te Ubach-over-Worms zegt. Wie geen katten lijden mag, meent men ook, krijgt geen mooie bruid.

2. Romeinsche Mythologie.—Dat de betrekkingen tusschen Romeinen en Germanen niet spoorloos voor de religie onzer vaderen voorbij gingen, ligt voor de hand; met name met het oog op de hoogere Romeinsche kultuur. Laat ik terstond enkele voorbeelden geven. Romeinsch was het gebruik, namen te geven aan de dagen der week, gewijd aan de Zon; de Maan; Things, resp. Tius: Mars; Wôdan: Mercurius; Donar: Jupiter; Frija: Venus; en Saturnus, voor wien geen passende Germaansche interpretatie kon gevonden worden. Deze substitutie had vermoedelijk in de IIIe of IVe eeuw [91]n. Ch. plaats; zie Dr. Roesler, Ueber die Namen der Wochentage (Berlin 1865), bl. 20 vlg.—Volledige ontleening had plaats met de namen Venus en Diana, men denke aan de Venusbergen en het Venushaar. Verder hebben wij de votiefsteenen, door Germanen geplaatst, waarop men nu eens een Romeinschen god, dan weer een Romeinschen god met Germaanschen bijnaam vindt. Zoo was b.v. in den muur der oude Romaansche kerk te Horn bij Roermond een geloftesteen aan Mars en een aan Mercurius ingevoegd.

Trouwens het plaatsen van votiefsteenen op zich zelf is specifiek Romeinsch; zie hierover Karl Helm, Altgerman. Religionsgeschichte (Heidelberg 1913) I, 345 vlg. Op twee votiefïnskripties wordt Mars Thincsus gezamenlijk met twee Germaansche godinnen genoemd. De vindplaats van beide inschriften ligt in Engeland te Housesteads, nabij den Hadrianuswal; zij dagteekenen uit den tijd van Alexander Severus (222–235) en werden gesticht door een afdeeling Germaansche ruiterij, die den naam van Cuneus Frisorum: “Friesche afdeeling” droeg. Hiermee is echter niet gezegd, dat het Friezen waren; waarschijnlijk Bataven, in alle geval Twentenaren. Te vermelden valt nog de bijzonderheid, dat op een bij de altaren behoorend halfrond kapiteel in het midden een gewapend krijger (Mars) met een vogel is voorgesteld, en aan weerszijden twee zwevende geniën; zie verder W. Pleyte, Mededeel, d. Kon. Akad. van Wetensch. III, 2, bl. 110 vlg.—Van een onbekende godin Vagdavercustis spreekt een votiefsteen, gevonden in het riviertje de Linge bij Hemmen (G.).

Een vrij groote verspreiding had de vereering der godin Hludana, getuige o.a. een steen uit Beekgum (F.), verwant met de Noorsche godin Hlódyn en, wat meer zegt, met de besproken godin Holda. Buitengewoon rijk is de monumentale overleving van de godin Nehalennia. Zij wordt vermeld op niet minder dan 26 votiefsteenen, die alle—met uitzondering van 2 te Deutz gevonden—bij Domburg op Walcheren uit het duinzand zijn opgedolven. Tien ervan zijn geheel, acht ten deele door een brand der kerk te Domburg in [92]1848 vernietigd; maar zij bleven voor ons weten behouden door de publikatie van L. J. F. Janssen, De Romeinsche beelden en gedenksteenen van Zeeland (1845). Men noemt Nehalennia een Bataafsche godin, ofschoon voor haar vereering eigenlijk eerder de zuidwestelijke buren der Bataven, n.l. de Marsaci en Sturii in aanmerking komen. Maar het Germaansche karakter der godin is boven allen twijfel verheven. Zij schijnt beschermster van handel en scheepvaart te zijn en godin der zee, en wordt voorgesteld, gezeten op een troon, of ook staande; naast haar een hond, aan weerszijden hoorns van overvloed. Op drie steenen steunt zij met den linkervoet op den voorsteven van een schip. Wellicht behoort de hond bij het type der met haar vereenzelvigde Egyptische godin Isis thuis.

Sporen van den Nehalennia-kultus vinden wij wellicht in een Middeleeuwsch gebruik, van kracht in Zuid-Nederland en in de Rijnprovincie: een feestelijk opgetuigd en versierd schip op raderen werd van plaats tot plaats getrokken onder het feestgejubel der bevolking. Zulk een optocht uit het jaar 1133 wordt uitvoerig beschreven in een klooster-kroniek van St. Truiden. Het schip kwam het eerst naar Aken, dan naar Maastricht, waar het van mast en zeilen voorzien werd, dan naar Tongeren, Looz enz. Maar door toedoen der geestelijkheid werd deze stoet door den Graaf van Leuven met kracht onderbroken en belet, en hiermee schijnt het gebruik aldaar uitgeroeid te zijn. Waarschijnlijker echter dan met den Nehelennia-kultus bestaat samenhang met de karnavalsgebruiken van Romeinsche herkomst.

Over het algemeen mogen wij besluiten tot een Germaansch-Romeinsch synkretisme, welks sporen in het hedendaagsche folklore nog aanwezig zijn.

3. Keltische Mythologie.—Inwerking van den godsdienst der kultureel hoogstaande Kelten op de Germanen kon niet uitblijven. Op een bij Vechten (U.) gevonden votiefsteen wordt een zekere godin Viradecdis, voor wie in het Germaansche domein geen aanknoopingspunt te vinden is, vereerd door de Batavi en Tungri. [93]Maar verreweg het voornaamste verschijnsel is de Matronenvereering, die beslist aan de Kelten is ontleend. De Matronen zijn plaatselijke schutsgodinnen, wellicht ook beschermgodinnen eener familie met haar bezittingen, en wier vereering bij de Keltische volken inheemsch was. Wij ontmoeten ze hier te lande in een min of meer Kelto-Romaanschen vorm. Ik wijs b.v. op de inschriften, die voor het bestaan van zulk een Matronendienst pleiten, bij de Marsaci aan den Scheldemond en bij hun naburen de Frisaevonen (C. I. L. XIII 860, 8633). Meestal zijn de schutsgodinnen ten getale van drie.—Tot oudere Keltische lagen behoort de vereering van den handelsgod Lugus of Lug.

III. Volstrekt eenig is de invloed op de volksreligie uitgeoefend door het Christendom, een invloed, die grootendeels nieuw-scheppend, somwijlen sparend en hervormend was. Waar opvattingen en gebruiken lijnrecht in strijd waren met de nieuwe heilsleer, daar werd een onverzoenlijke strijd aangebonden en de oude volksreligie met kracht onderdrukt. Maar dit verhinderde niet, dat echte “survivals” of overleefsels den strijd met de Christelijke ideeën bleven voortzetten, verbod en prediking ten spijt; laat ik onmiddellijk wijzen op het taaie bijgeloof, dat zich in valsche heiligenvereering en ongemotiveerd wondergeloof uitbundig uit. Op bedevaartsplaatsen b.v. ziet men bij het volk thans nog vaak een zeker synkretisme van christendom en heidendom. Andermaal hooren wij in het huidige folklore onschuldige nagalmen uit den heidenschen voortijd zachtkens voorttrillen. Eindelijk vond de Kerk aanleiding onderscheid te maken tusschen vorm en stof, tusschen schors en kern, dan werd deze verworpen, maar gene niet zelden gered, dienstbaar gemaakt aan het Christelijk geloof en aldus gelouterd en “gekerstend.” Het zou vreemd geweest zijn, wanneer de Kerk, die zich wenschte te verspreiden te midden der Graeco-Romeinsche beschaving, een geheel nieuwe taal gebezigd had en systematisch alle vormen had versmaad, die tot dan toe dienst gedaan hadden om aan de begrippen en gevoelens van godsvereering uiting te geven. Dit geldt [94]natuurlijk ook voor de Germaansche beschaving. Laat ik nog slechts het psychologische dezer verkerstening in herinnering brengen. “Naast onwankelbare eenheid der groote en heilige beginselen”, schrijft Dr. Gisb. Brom, “een onuitputtelijke verscheidenheid en plooibaarheid van vormen. Zij [de Kerk] gebruikt niet een en denzelfden stijven vorm, om dien met despotisch gezag aan al haar bekeerlingen, van welke natie ook, op te dringen en te drukken. Een Procustus-bed bleef haar ten allen tijde vreemd. Maar zij voegt zich naar de natuurlijke geaardheid van ieder volk, zoowel als van elk individu.... Hoe dit ééne met het andere samengaat? Omdat al wat de Kerk rein natuurlijks aantreft in de samenleving of in den individueelen mensch, zij dat niet tracht te vernietigen, maar het onder den leuterenden, veredelenden en verheffenden invloed der genade laat voortbestaan.”

Aldus vinden wij wijding en veredeling van oorden, feestdagen, feestgebruiken, volksvoorstellingen enz. Kenschetsend en teekenend is b.v. de geschiedenis onzer Nederlandsche kerstputten of kerstpoelen. Het meerendeel is van heidenschen oorsprong d.w.z. stond met een heidenschen kultus in verband. Maar doordat in die bronnen gedoopt werd, zijn zij gekerstend en in dienst van Christus gesteld. Vandaar het groot aantal putten, die den naam der heilige geloofsverkondigers Bonifacius en Willebrordus dragen. Te Dokkum vindt men b.v. drie Bonifaciusbronnen; Willebrordusputten treft men aan te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venray, Stamproy, Wulpen en eertijds te Berchem bij Antwerpen. Natuurlijk werd ook een groot aantal bronnen aan Maria gewijd. Verder zijn om meermalen vermelde reden verscheiden bronnen met den satan in verband gebracht; vandaar de Duivelsput te Herdersen en te Hekelgem, het Heintjes-börreken te Meerbeke (men denke aan “Heintjepik”) en de Helleput te Dendermonde.

Wat deed intusschen de volksfantasie? Bij de intrede van het Christendom werd haar werkzaamheid niet gebroken; zij spon haar [95]draden en weefde haar weefsel voort, maar meestal met veranderd patroon. Wegens toevallige overeenkomst van hoedanigheid of het samenvallen van den tijd der feestviering werden heidensche mythen op menigen heilige overgebracht, werden mythologische trekken in hun legenden ingelascht; zoo trad Maria in meer dan één opzicht in de plaats van Frija, terwijl Sinterklaas de figuur van Wôdan uitbeeldde. Maar afgescheiden hiervan dient men in de Christelijk-geaarde volksreligie in ruime mate rekening te houden met de steeds levendige, steeds vruchtbare, dichterlijke, sagenscheppende aandrift des volks. Zoo is het b.v. gesteld met de attributen en legenden der HH. Katharina, Lucia en Clara: met voldoende zekerheid mag men beweren, dat deze attributen en legenden te danken zijn aan het feit, dat de drie heiligen etymologisch met het begrip “licht, reinheid, helderheid” in nauw verband staan. Zie hierover mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251.

Eindelijk, de goden werden vaak als duivels voorgesteld, en zoo is het gebeurd, dat menige heidensche overlevering op den satan is overgedragen. Eenzelfde godheid kan dus nu eens in de volkslegende van een heilige, dan weer in die van den satan opduiken. In plaats van “der goden minne” te drinken, d.i. een herinnerings- en offerdrank aan de goden te wijden, dronken de bekeerde heidenen, met vermijding van het offerbegrip, voortaan de “minne” van St. Jan, St. Maarten, St. Steven enz. Maar bij Luitprand in zijn De rebus gestis Ottonis vindt men ook: “des duivels minne drinken.”

Zoo komen wij er als vanzelf toe, een enkel woord te zeggen over de volksdaemonologie: over den duivel in het volksgeloof.

Het begrip “duivel” als zoodanig was aan de heidensche godenleer vreemd. Het meest nabij kwam nog de Oudnoorsche Loki, die bij het daemoniseeren dan ook het eerst zijn beurt kreeg. Slechts met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld; doch meer dan éene nadere bepaling ontleenden zij in de volksopvatting aan de heerschende heidensche ideeën. [96]

De Germaansche duivels vormen een soort van monarchie, maar de zinnelijke voorstelling van hun rijk komt geheel op rekening van fantasie en tradioneele voorstellingswijze des volks. Er zijn Germaansche duivels, die eenige attributen van de kobolden overnemen, evenals deze den mensch dienstbaar zijn. De duivel moet zich soms bepaald afsloven; hij bouwt molens, beploegt steengronden en graaft rivierbeddingen, maar komt hij om zijn loon, dan is men veelal “den duivel te slim af.” De “bedrogen duivel” of “domme duivel” is een geliefkoosde figuur van onze sagenwereld. Men laat den duivel wegen aanleggen, als te Ternath, schuren bouwen, als te Galmaarde, Hamelgem, Vilvoorde, Kessel-Loo, Bierbeek enz. Maar door het hanengekraai na te bootsen dwingt men hem, op de vlucht te slaan; het werk blijft dan, althans ten deele, onvoltooid. Immers de roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweêrswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft ook het nachtelijk duister, de bonte, veelkleurige tinten van zijn vederdos zijn de weerglans der morgenschemering. Bij het eerste hanengekraai is dan ook de hellemacht gebroken, de geesten slaan op de vlucht. “Men verhaalt”, zoo getuigde eertijds de Romeinsche dichter Prudentius, “dat de rondwarende duivels, die zich vermeien in het nachtelijk duister, bij het gekraai van den haan in verschillende richtingen heenvluchten.” Uit deze aanhaling blijkt de algemeenheid van dit volksgeloof.

Ook wanneer de duivel kloosters of kathedralen wilde verpletteren, werd hij niet zelden misleid; dit getuigt b.v. de duivelsberg bij Rolduc (L.).

Een enkele maal, wanneer de duivel de menschen wil plagen, bedriegt hij zich zelf; zoo b.v. toen hij het zaagblad kerfde en aldus de getande zaag uitvond.

Natuurlijk speelt de duivel een groote rol in de volksuitdrukkingen; zoo b.v.: “Hij is een duivelskind;—hij vloekt alle duivels uit de hel;—hij laat geen duivel op zijn hart barsten;—hij heeft den duivel in, of den duivel in den zak;—daar kan geen duivel [97]uit wijs worden;—hij is uit de hel gekropen, toen de duivel sliep;— ʼt is, of de duivel er in zit;—de duivel steekt zijn staart op;— de duivel steekt er zijn staart tusschen;—hij is er op uit, als de duivel op een ziel;—hij is te gek, om met den duivel te dansen;— den duivel een kaarsje aansteken;—dat dank je den duivel; enz. enz; zie b.v. J. A. Hoens in Limburgʼs Jaarboek VIII, bl. 239. Ik kom hier nader op terug. Laat ik voor het oogenblik slechts opmerken, dat onze uitdrukking de “de duivel is los” of “dan is de duivel los” niet specifiek Nederlandsch, zelfs niet specifiek Germaansch is. Het is waar, ook van den god Loki geldt het: Loki er or böndum: “Loki is ontbonden.” Maar de “gebonden duivel” is ook elders bekend, b.v. bij Lactantius, die beweert, dat de satan in boeien geklonken zal worden, wanneer het zoogenaamd millenarische rijk begint.—Verder is het eigenaardig, dat in de folklore zoo vaak van ʼs duivels vrouw, moeder of grootmoeder sprake is; ik herinner aan het Venloosche aftelrijmpje:

Ter duvel zien vrouw ging wortele schrabbe,

Ze wis neet woa ze ʼt mets meus pakke,

Ze pagde ʼt hii, ze pagde ʼt doa,

Ze pagde ter duvel bii de hoar.

Waarschijnlijk hebben we met werkelijk heidensch bezinksel te doen; maar de grootmoeder is het oorspronkelijke. Immers wij worden herinnerd aan het Noorsche verhaal, hoe Thórr en Týr bij den reus Hymir aan huis komen, en daar zijn negenhonderdhoofdige grootmoeder aantreffen. Op een mythische verklaring van een natuurverschijnsel wijst onze zegswijze “de duivel slaat zijn wijf”, als het regent en de zon schijnt.

Volksbenamingen zijn: blikskater, boeman, bokspoot, de booze, deksel, duker, donder, droes, drommel, duivekater, hänsken, heintje, heintjepek, hinkepoot, (men denke aan “kromme duivel”), joost, koekoek, nikker, dʼolle, pikheintje, de zivarte, zwarte piet. In Belgisch Limburg noemt men hem veelal kortweg “het kwaad.” [98]

De duivel is pikzwart en draagt bokshoorns, bokspooten of paardenhoeven; men denke aan de betrekking van den bok tot de heksen en aan de Zuidlimburgsche bokkenrijders. Ook vertoont hij zich als Italiaan, onberispelijk in het zwart gekleed, met zwarten baard. Hij bezit de gave, zich in dieren te veranderen, en verschijnt als kat, zwarte hond met gespleten pooten, draak, spin, vlieg. In een oude Brabantsche sage komt de duivel onder de gedaante eener reusachtige spin een kontrakt terugbrengen. Gaarne mengt hij zich ook ongekend onder de menschen, vorscht hen uit, speelt met hen kaart, ziet of er niets voor hem te halen is; hij is uitnemend musicus en voortreffelijk danser. Hij speelt valsch, drinkt en vloekt zwaar. Daar zijn menschen, die den duivel hun ziel verkoopen; menigeen, die plotseling, zonder kenbare reden, rijk werd, heeft aldus zijn vermogen verworven. Is de termijn afgeloopen, dan haalt hem de duivel en breekt hem den hals of draait hem den nek om.

Hij houdt er ook personeel op na. Te Utrecht werd eertijds een groote keisteen, scheiding tusschen twee buurten, steeds verplaatst. Het heette, dat de duivel en zijn zwarte knechts met dien steen kaatsten van de Volderbrug naar de Geertebrug.

Zijn idenditeit met den voorrijder der “Wilde Jacht” blijkt wel uit een trek in het Geldersche folklore, waar hij wordt voorgesteld, zich vertoonende in een windhoos. Hij huist veelal in de lucht; somwijlen langs den straatweg. Ook te Nederweert voert Hänske het joelende geestenheir aan. In Duitschland behoort deze voorstelling tot de meest gewone. Zie De Cock, Brabantsche Sagen I, bl. 225 vlg.; Geldersche Volksalm. 1853, bl. 98; Limburgʼs Jaarboek VI, bl. 183; Volkskunde XXI, bl. 5; XXII, bl. 10; V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 27.

De duivel is vooral bang voor het gelui der klokken. Het volk hecht iets specifiek-Christelijks aan het klokkengelui. En inderdaad: de klokken worden “gedoopt”, de klokken roepen ter kerke, de klokken vermelden den huwelijkszegen, zij begeleiden ter laatste rustplaats. Zoo vaak voelt het volk zich door het klokkengelui [99]verheven boven het saaie, alledaagsche proza-leven. In de Goede Week reizen de klokken naar Rome, en wel op Goeden Donderdag na het Gloria, om op Goeden Zaterdag terug te keeren; dan brengen zij de paascheieren mee.

Op ongedoopte, ongewijde klokken heeft de duivel natuurlijk vat. Zoo had men bij de stichting van het klooster Sint-Odolf te Staveren vergeten de klokken te wijden. Honderd jaar later vloog Joost in woeste vaart naar den toren, haalde de klokken er uit en slingerde ze weg. Sedert hooren de visschers op de Fluessen en de bewoners van Galamadammen (F.) soms des nachts een dof gebombam in de diepte: dan luidt de duivel de klokken van Sint-Odolf. Hetzelfde wordt verhaald van de klokken van Driel en van Lochem. Deze wierp de duivel in twee kolken niet ver van den Berkel, waar men ze nog in den Kerstnacht te twaalf ure kan hooren luiden. Vandaar dat deze twee plassen den naam van “duivelskolken” dragen. Zoo dompelde de satan nog een klok van Horst in het zwarte, diepe water der Peel, en begroef te Hoensbroek een ongedoopte klok in den waterplas tusschen de kerk en de Geleen-beek. Al deze klokken luiden op Kerstnacht; ook die van den klokkekuil te Swolgen: Welters, Limb. Legenden II, bl. 71; Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 31.

Wanneer dus het volk heden ten dage zegt, dat de duivel vlucht bij het hooren van het klokkegelui, en dat de alvermannetjens verdwenen zijn, omdat zij het klokkegelui niet konden verdragen, dan hecht het hieraan zonder den minsten twijfel een Christelijke beteekenis. Toch ligt hieraan ten deele een heidensch begrip ten grondslag, nl. de geestenwerende en geestenbannende kracht van het klokkengelui. Vandaar ook het klokkenluiden bij onweêr en sterfgeval,—niets dan een gekerstende volksopvatting.

II. De Volksfeesten.

Wanneer ik spreek van “volksfeesten”, dan bedoel ik hiermee het komplex van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk van [100]de viering van Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen, die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd, ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.

Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk een religieus, maar ook een huiselijk karakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd, onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins voltrokken. Ik spreek hier dus niet over de volksvermakelijkheden, als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenscht Ter Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321–397 en 563–694. Immers deze hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.

De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel feesttijden, hoogtijden, een benaming, die zich tot heden staande hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken de eene familie bij de andere nog “zalig hoogtijd” wenschen.

Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidag [101]zijn beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11den November, dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel op het Kerstfeest overgingen. Het Joelfeest immers, ontegenzeglijk het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der “Twaalf Nachten” genoemd; de Duitschers spreken van de Zwölften, Unternächte, Rauchnachte of Losstage. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te oordeelen, zeer waarschijnlijk “het tooverrijke”, dan “het vroolijke” beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt: 1o door het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en windgodheden werden gebracht; en 2o—reden van ekonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben, zooals Alex. Tille beweert in zijn boek over Die Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.

Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen, waren los; men dronk de minne, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen; men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.

Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan, in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat deze [102]geheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde —en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van deze voorstelling te geven—in den barren Joeltijd de aarde als sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen gedijen. Met goed recht zou men derhalve van een bevruchtingstijdperk kunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde: het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen, het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.

Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen, dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten: St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30 Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.), St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.), Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28 Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.

Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus, maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegt Ozanam, waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, die [103]hen voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.

Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland met Sint Maartensdag (11 November), gewijd aan de vereering van den grooten volksheilige, Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië, den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem, Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht eeuwen lang den naam droegen van Sint Maartens-mannen, evenals die van Egmond Sint Alberts-mannen en de Leuvenaren Sint Pieters-mannen genoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het krijgsgeroep “Holland! Holland!”, deze beantwoordden het met “Sint Martijn, Sint Martijn!” Zie o.a. Schotel, Tilburgsche Avondstonden, bl. 36 vlg.

Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis—Adventstijd in den ruimsten zin—den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus, bisschop van Tours, die in de Ve eeuw leefde, bepaalde nl., dat van af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden; naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag, Vrijdag en Zaterdag) reeds [104]uit het einde der IIe eeuw. Naderhand werd deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.

Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk, -gans, -gaard enz.

Vooreerst dan het Sint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren samen met de Oudgermaansche noodvuren, Oudsaksisch nôdfiur, waarin nôd- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoord nûan “stukwrijven”. Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide, tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.

Merkwaardig is hetgeen Sebast Frank in zijne Wahrhaftige Beschreibunge aller Teile der Welt (1567) over een dezer vuren meedeelt: “Zu Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut, mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist, als ob die Sonne vom Himmel liefe”. Dit noodvuur had het karakter van een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte vegetatie en vruchtbaarheidsgoden, [105]wellicht met name aan Wôdan als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar, dat de Indiculus superstitionum et paganiarum, een opsomming van capitularia uit de VIIe eeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik van vuur door het wrijven van hout: De igno fricato de ligno, id est nôd-fyr. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond- en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men met Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: “das reiben der heiligen Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz.” Voegen wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.

Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over het vuur heen. Daarentegen is het fakkelen veelal verdwenen, —in België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz., en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburgʼs Jaarboek I, bl. 72: “Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt, zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden.” Te Obbicht, Papenhoven enz. noemt men dit flakkeren. De toortsen zijn slechts in rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in de [106]steden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd, maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den gloed heenspringt.

Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:

Sintermertes veugelke

Hêt ein roeëd keugelke

En ein blauw stertje

Hoepsa Sintermerte!

Appingedam:

Sunte Meertens vogeltje

Met ziên kip kap kogeltje

Met ziên rooie rokje,

Met ziên vleddern stokje.

Ter vergelijking diene nog het door Halbertsma meegedeelde:

Sunte Maartens veugeltje

Zat al op een heuveltje

Met zijn rood rokje;

en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:

Märtiin Märtiins Vaegelken

Mett siin verguit Snaevelken!

Geft us watt un lat us gan,

Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.

In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in Frankrijk kent men den “oiseau St. Martin” en in Spanje den “pajaro St. Martin.”

Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie b.v. Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, bl. 102; Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in Limburgʼs [107]Jaarboek 1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, in Limburgʼs Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die “Sant Martisvogel, Mertissvogelin” geven, wekken het gegronde vermoeden, dat Martini avis uit Martis avis ontstaan is; in alle geval is de specht bedoeld, de bonte specht (picus maior), met zijn donkere, staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord “keugelke” is immers het Middelnederlandsche cogele “halskraag, mantelkap”, men denke aan de zegswijze: “kat en kogel verliezen”, ontstaan uit “kap en kogel verliezen”, elders “kap en keuvel”; vergel. ten overvloede het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:

Kip, kap, kogel,

Sint Maartinsvogel.

Zoo ook het Duinkerksche:

Sinte-Martens veugeltje

Kwam met zijn roo kapeugeltje

Gestoven

Gevlogen

Al over den Rijn,

Waar dat vette verkens zijn!

Goede vrouwe, geeft ons wat,

Alle hennen leggen wat!—

Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens. [108]Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die in Christusʼ naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking “met zijn bloote armen”. Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, zeggende: “Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij met dit kleed gedekt.” De bedelaar heet in het lied “Sinterkrukken”.

Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral in de zoogen. kettingrijmpjes, en zoo wijkt men soms mijlen ver van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zie De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.

Vandaag is ʼt Sinter Marten

En morgen Sinter Krukken,

Wij komen uit goeder harte

En hadden zoo gaarn een stuksken:

Een houtjen of een turfjen

In Sinter Martens kurfjen,

En wij zullen van hier niet gaan,

Of wij hebben wat opgedaan.

[109]

Sinter Marten is zoo koud,

Geef ʼm een turfjen of een hout,

Om zich bij te warmen

Met zijn bloote armen.

Geef wat, houd wat,

Tegen ʼt jaar al weer wat.

Of wel:

Geef vuur, geef vuur,

Sinter Marten is zoo duur.

In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal lettergrepen; zie hierover G. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden 1893), bl. 32.

Híer wóont een ríjk mán,

Díe véel géven kán.

Véel wíl hij gévén,

Láng zál hij lévén,

Zálig zál hij stérvén,

Den hémel zál hij érvén;

Gód zál hem lóonén

Met hónderddúizend krónén,

Met hónderddúizend rókjes an,

Dáar komt Sínter Márten áan.

Of wel:

Met hónderd dúizend líchtjes áan,

Dáar komt Sínt Martínus weer áan.

Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:

Honderd joar en einen daag

Zit det mêdje op die bank,

Loat det mêdje valle,

Tröl, tröl

Loat det mèdje valle (?).

[110]

Ruim verspreid is verder:

Sint Martinus bisschop,

Roem van onze landen,

Dat wij hier met lichtjes loopen

Is voor ons geen schande.

————————-

Martijn,

Turf in den murf [mond] in den maneschijn.

Gooi in den most,

Gooi in den wijn,

Hier woont Sinte Martijn.

Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,

Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,

Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,

Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.

Alkmaar, Hoorn:

Dʼr is brand al in de lantaren,

En de vonken, die vliegen dʼr uit,

De meisjes loopen om garen

En de jongens om beschuit.

—————————

Sinte, Sinte Marten,

De kalveren dragen starten,

De koeien dragen horens,

De kerken dragen torens,

De torens dragen klokken,

De meisjes dragen rokken,

De jongens dragen broeken,

De wijven schorteldoeken.

West-Vlaanderen:

Sinte Martens avond,

De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,

En als mijn moeder wafels bakt,

Dan ben ik daar geern omtrent.

[111]

Stook vier, maak vier,

Sinte Maarten komt hier,

We zetten hem in een hoekje,

We geven hem daar een koekje,

En we zetten hem onder de tafele,

En we geven hem daar een wafele.

Land van Waas:

De jongens van de dorpen,

Die waren hier al bijeen,

Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,

Dat is hier al verteerd.

Wij zullen gaan leeren hout rapen,

Turf rapen,

Al op Sint Jans manieren!

Vrolijk zullen wij vieren,

Gelijk wij ʼs jaren plachten.

Een stuk van zijnen mantel

Al met zijn billekens bloot!

En wilde gij dat niet geven,

Dan zijde gij een groote jood!

Een houtje of een turf ken

In Sinte Maartens kurfken.

Krijgt men niets, dan wordt gezongen:

Hier hangt een baksken met zemelen uit,

En daar vliegt de gierige duivel uit.

Of wel:

Een bosje met zwavel,

Een bosje met kruit,

Hier hangt de gierige duivel uit.

Reeds in de XIIIe eeuw wordt de Sint-Maartensdag Scuddecorfsdag genoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschud [112]werd, d.i. een algemeene uitdeeling onder de armen plaats had1 maar een korf met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:

O Marten, Marten,

Der Korb muss verbrennet sein;

Das Geld aus den Taschen,

Der Wein in die Flaschen,

Die Gans vom Spiess,

Da sauf und friss,

Wer sich vollsaufen kann,

Wird ein rechter Martensmann.—

In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje deelt zich mee aan ʼn kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,—en de buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.

Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje en “Sinter Mertes veugelke” zingend, zien verlangend naar den schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst, [113]te Sint Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men legt voor het paard van den heilige, die ʼs nachts rondrijdt, hooi en wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders op, in de hoop deze ʼs morgens met geschenken gevuld te vinden. Te Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en beloont of tuchtigt naar verdienste.

Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid en van den oogstzegen,—en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door de godheid verleend,—naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint Maarten rijdt deze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op Palmzondag; rijden is gelijkwaardig met “geschenken geven”, door welke synonimie het verband tusschen “wind” (rijden door de lucht) en “vruchtbaarheid” in een helder daglicht treedt. “Veel wind, veel ooft”, zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfs [114]Sint Maarten in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van het geestenheir, begeleid door zijn knecht.

Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten gebakken en Sint Maartenshoorntjes genoemd. Ook in het Freudental (Oostenr. Silezië) mogen de Martinshörndl niet ontbreken. Hiermee hangt samen het varkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, zoodat men in Duitschland schertsend van Speckmärten spreekt. Vooral de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:

Op Sint Martijn

Slacht de arme het zwijn.

Te Hoogstade (België) zingt men:

Sinte Maarten,

Koeken en taarten,

Brood en wijn,

Al voor Sinte Maartens zwijn!

Niet minder past bij de opening van dit tijdperk de Sint Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries (d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) omslag in het weer verwachtte enz., enz.—Slechts in Engeland is de gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. de Michaelmass-goose, terwijl den 11en November het Martinmass-beef, gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk. [115]

Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak der Sint Maartenskerk teWorms (XIIe eeuw) is mede een gans geplaatst.

In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en Zwolle. Sommigen pilden de beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd aan “Meester” een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland bleef na de Reformatie de “papistische grouwel” van het gans-eten voortbestaan.—Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIe eeuw, Martinus Schoockiius verhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, er geen bezwaar in te zien; zie Eelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, bl. 151 vlg.

Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit Westerwolde wijst:

Er kwam een gans uit Sassen,

Uit Sassen kwam die gans,

Hij was zoo wel gewassen,

Gewassen was die gans.—

[116]

Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook de Sint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:

Sint Martijn, Sint Martijn,

Tʼ avond most en morgen wijn.

Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon der wijnbouwers en hotelhouders geldt.—Uiteraard ontaardde dan ook het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit b.v. op de bekende schilderij van den Boeren-Breughel in het Museum van Antwerpen is voorgesteld.

De historische Martini-dronk, die den naam van Sint Maartens minne draagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.

Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede of gaarde. Deze staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: “Der Schlag mit der Lebensrute” een meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10en November wordt de Martinsgerte door den Beierschen herder aan zijn meester ter hand gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk: [117]

Kommt der heilig St. Märten

Mit seiner Gerten;

Soviel Krawitbeeren,

Soviel Ochsen und Stiere!

Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!

Steekt sie hinter den Kühbarn,

So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,

Und steckt sie hinter der Stalltür,

Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.

Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk de Luperci zich te Rome op het feest der Lupercalia veroorloofden, slechts in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgens Juvenalis, den Lupercis den weg, om zich in de vlakke hand te doen treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: “En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden” (Sat. II, 14).

Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: den waren volkskalender.

Sint Katharina (25 Nov.), van Alexandrië, maagd en martelares. Door hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar de Catharinisten nog heden bestaan. De Romeinsche keizer Maximinus veroordeelde haar na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers en spinsters als patroonheilige. [118]Evenals de namen der HH. Lucia en Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip “licht, reinheid, helderheid” in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag tot dies criticus werd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: “St. Katharina komt in het wit gekleed”. In Westfalen zegt men: “Katharina hett den winter innen Schraine”. Ook kent men bij ons het rijmpje:

Met Sint Katrijn

Moeten de koeien aan de lijn.

Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen rijmpje:

Sinte-Katerijne (of Katelijne),

Laat het zonneke schijnen,

Laat den regen overgaan,

Dat de kinderkens naar school toe gaan!

Wie zal hun leeren?

Onze lieven Heere.

Wie zal ze trouwen?

Onze lieve Vrouwe.

Wie zal hun te eten geven?

Sinte-Pieter, die goede man,

Die alle kinderen geeselen kan.

Of:

Wie zal de misse doen?

Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.

Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: “Geeft aan de jongens van St. Katrien!” Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen ze nog eens: “Goê Sinte-Katrien!” Krijgen ze niets, dan schreeuwen ze heel hard: “Kwâ Sinte-Katrien!” Eenige jaren geleden zong men nog: [119]

Wij komen al rond op Sinte-Katriene,

Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.

Wij zullen ze luisterlijk vieren

Al op een zalige maniere.

Of:

Al op onze oude manieren.—

Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,

Huis voor huis al afgegaan,

Ter eere van Sinte-Katriene.

Geeft wat

Houdt wat

Tegen ʼt jaar nog wat.

Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, bl. 174, 175; De Cock, Volkskunde, 259; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 68, 251.

Sint Andries (30 Nov.) is insgelijks een kritische dag: “Sint Andries brengt de vries”, ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.

Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te St. Marie-Laathem de jongens rond om een snik (appel). Zij staan bij elk huis stil en roepen:

ʼk Kom om mijnen snik!

Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;

Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,

Maar ʼet zalder u wel berouwen!

Die niet en geeft, die es en beest,

Dat es N.N. om te meest!

Sint Andriesnacht speelt ook een voorname rol in de tooverwereld, al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12. [120]

Sint Elooi (l Dec.). De H. Eligius werd in 588 in het Westen van Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningen Clotarius en Dagobert lieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.

De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben thans meestal den 29sten Juni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.

Te Mechelen hadden volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde rijmpjes.

Sint Barbara (4 Dec.) werd door haar heidenschen vader in een toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamde Barbara-takken: kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, op Kerstmis zullen bloeien,—treffende kerstening en symboliseering van het vruchtbaarheidsidee.

Sint Nikolaas (6 Dec.).. Een groote, krachtige gestalte te paard, [121]den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.

Na de overwinning van het Christendom in de IXe en Xe eeuw, toen het werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die schimmel een onbeheerde zaak, een res derelicta primi occupantis, slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook sage—heiligen, koningen, legerhoofden en anderen—een eereplaats gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de vereering van Sint Nikolaas.

Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van Karel Quinte, als deze uit den Gudinsberg (Wuodenesberg) komt. Sinterklaas komt van verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, dan ook Condé:

Drie appelkens van Condé,

Breng mijn broerkens ook wat mee.

(West-Vlaanderen).

Om appelkens van Condé,

Breng er mij een gʼheel schootjen mee!

(Oost-Vlaanderen). [122]

Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:

Gank oet rieje

Noa ʼt lendje van Picardië.

Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:

Sinter Klaas zen peerdje,

Dat häd een kranke poot,

Laten we doa voor bejen,

Dat het beter weurdt.

(Hasselt.—ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 121).

Beter lijkt me de Venloosche lezing:

En Sinterklaos zie(n) pêrd,

Det hêt ʼn kwoaje voot,

En as me doa veur bêjt,

Dan wuurdt dê ouk weer good.

In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hij rijdt geschenken, met name voor kinderen. De pakjesavond onzer noordelijke provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te goed doet. Men vergelijke hiermee de Klausenmannle in Hohenzollern, de Nicolaus-Lebkuchen in Hessen-Nassau enz.

Evenals de Wilde Jager en Sint Maarten rijdt Sinterklaas door den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den huiselijken haard af. Bij [123]het plaatsen van vulkachels en het aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.

Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking “een schoen zetten bij iemand” synoniem is van “iemand iets afbedelen.” Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten “voor Sinterklaas zijn paard.” Plaatselijk in heel ons land, maar met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, “voor Wode en zijn paard,” dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk een schamel, overigens onschuldig survival te zien hebben van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Oudnoorsche Edda Sleipnis verdr, “Sleipnirʼs spijs” genoemd werd.

Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:

Sinte Niklaas,

Nobele baas,

Breng iets in mijn schoentje,

Een appeltje of een citroentje (limoentje).

[124]

Sinte Niklaas kapoentje,

Rijd wat in mijn schoentje,

Een appeltje of een citroentje,

Een nootje om te kraken,

Het zal zoo lekker smaken!

Sinterklaas bisschop,

Zet uw hooge muts op,

Trek uw besten tabbaard aan,

Rijd er mee naar Amsterdam,

Van Amsterdam naar Spanje,

Appeltjes van Oranje!

Sinterklaas, goed heilig man,

Trek uw besten tabbaard aan,

Geef de kleine kinderen wat,

Geef de grooten een schop voor het gat,

Laat ze daarmee loopen,

Kousen en schoenen verkoopen.

Sint Niklaas, mijn goede man,

Wilt ge me wel wat geven,

Dan dien ik u al mijn leven;

Geef je me niet,

Dan dien ik je niet,

Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.

Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman geheeten, in de Rijnprovincie Hans Muff, in den Elzas Hans Trapp, elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ik [125]hier nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en plak hervormd.

Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:

Wij sullen ons scheepken wel stieren

Al over die wilde see,

Al op Sinterklaes manieren,

Soo gaet er ons soetlief meê.

Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.

Zie Eelco Verwijs, Sinterklaas (ʼs Gravenhage 1863); Schrijnen, De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898); Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 252 vlg.

Sint Lucia (13 Dec.) is een echte volksheilige. Zij heeft tal van attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie van haar naam (van lux “licht”). Vandaar, meent De Smedt, de gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251, 244.—

Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria een plechtige mis gezongen, die den naam draagt van Guldenmis: [126]niet omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar “gulden” beteekent hier “voortreffelijk”, “krachtig”. Zij wordt ook de Rorate-mis genoemd, omdat zij begint met de woorden Rorate cocli. In de noordelijke provinciën heet zij ook wel de Schippersmis. De Westvlaamsche naam is Duvekedaals-messe, omdat in het mysteriespel der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, bij de woorden: “De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des Allerhoogsten zal u overschaduwen”, uit de hoogte een duif, door licht omgeven, over Maria werd neergelaten.

Volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, welke de boodschap bracht, te zingen:

Ave Maria, gratia plena!

(Wees gegroet Maria, vol van genade),

en het volk valt in en zingt verder:

Benedicta tu in mulieribus!

(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).

St. Thomasdag (21 Dec.) wordt beschouwd als de inleiding tot het tijdperk der Twaalf Nachten. De geesten drijven hun spel, tooverij en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas op een vurigen wagen door de lucht rijdt,—een bijzonder aspekt van het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.

Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijds [127]degene, die ʼs morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderen Domesesel (Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch Limburg nog thans den langslaper Thomas; analoog is het gebruik, waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school kwam, Paus Silvester geheeten werd. En K. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: “Die op dezen dag [St. Silvester] in ʼt een of ander de laatste bevonden wordt, heet Silvester en moet beschenken.” Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, die eveneens den Luilak treft, die den eersten meidag verslaapt. Ook de Pinksterbruid is een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal van den H. Thomas, die “te laat kwam”, toen de anderen reeds vergaderd waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: “De Maandag na Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd.” Op Palmzondag begint het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.

Het begrip “ʼs morgens te laat komen” trad meer en meer op den voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te Brugge iemand thomassen. Het feest heet “Sluiterkensavond”, “Sluiterkensdag”, “Buitensluit”, enz. Het te laat komen wordt op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: ʼt is Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: ʼt is Mannetjeszondag; den derden de dochters: ʼt is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: ʼt is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te Velthoven wordt de meester op den feestdag [128]der Onnoozele Kinderen buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, en nog minder met het feest heeft uitstaan. Zie De Bo, West-Vlaamsch Idioticon; zie ook De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111; V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 319 vlg.

Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook nog hieruit, dat men te Venloo den 21sten December kinderen naar den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar “het wijfje, dat daar peperkoek spint”. De overeenkomst is hier sprekend met den 1en April: “Verzendekensdag,” waarover nader.

Kerstmis (25 Dec.). Den 25sten December begon het groote Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk der Twaalf Nachten opende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en groeiende zonnelicht—hetgeen door Mogk e.a. wordt betwist—laat ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij bevinden ons in waarheid in het bevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middel [129]om de geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.

Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte van Christus op 25 December in de IVe eeuw door de Kerk werd ingevoerd, aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest bergt menig Oudgermaansch overleefsel.

Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op kerstavond een plant in water te zetten, die den naam van Roos van Jericho draagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid-Zwitsersche Val di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland is de Roos van Jericho geen onbekende. De berichten over dit gebruik klimmen op tot het begin der XVIIe eeuw.

De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreidden [130]zich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam: Anastatica. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden male bij ʼs Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.

Op de vraag: “Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water gezet?” dient m.i. een drieledig antwoord. De Roos van Jericho is het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het treffende Oudduitsche kerklied: “Es ist ein ros entsprungen—aus einer wurzel zart” enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij de geboorte des Heeren doortintelt: “DʼErd grünet und bringet rössle,—der Heyland kompt von Himmel” enz. Dan, op kerstavond bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: Christus is de boom des levens. “Hij staat in het midden der Kerk”, zegt Hugo van St. Viktor, “zooals de levensboom stond in het midden van het paradijs”. Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en het Allräunchen; in Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.

Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan ʼt gonzen en zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; te Moelingen (B.-L.) roept de haan: “ʼt Kindeke Jezus is [131]geboren,” waarop de duif vraagt: “Moe, moe?” (waar, waar?), en het lammetje antwoordt: “Te Bêthlehêm”. In Brabant richten de schapen hun oogen naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders beschadigd wordt door Derk met den Beer—een soort voorrijder van de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de diepte van vijvers en bronnen.

De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Het kerstblok of de kersttobbe, Duitsch Julblock, Weihnachtsblock enz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor wordt bepaald: “dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden.” Heden nog worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt men van kerststokjes. Ook in de oostelijke provincies wordt hier of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat den kerstboom betreft, deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan Sinterklaas.—In sommige [132]deelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom bekend is, “rijden” de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden ʼs morgens den engeltjeskoek op hun peluw.

In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:

Engeltjen, engeltjen Gabrieël,

Woont zooverre van mijn kasteel,

Op mijn kasteel alleene!

Bak mij een koekjen kleene

En een koekjen groot,

Om te leggen

Op Moeder Mariaatjes schoot!

Te Gent noemt men dezen koek engelbewaarderskoek. Gaan de Belgische kinderen op kerstdag “Zalig Hoogtij” wenschen, dan zingen zij:

Heerderkens van buiten,

Spoedt u op de been,

Met trommelkens en met fluiten

Recht naar Bethleëm;

Want daar is geboren

Den God van al,

Die ons het leven

Heeft gegeven

In den stal.

Ik heb hier nog drie eieren,

Warm uit den nest;

Ik heb hier nog een kalfken,

Dat is vet gemest;

Ik heb hier nog wat vlaaikens

In mijn korfken staan,

Om te vereeren

Het kindeken teere,

Laat ons gaan!

[133]

Als zij nog heel klein zijn:

Met den tikkenhaan in de hand

Komen wij den herder groeten;

Met den tikkenhaan in de hand

Groeten den herder van het land.

Tik, tik, tik, tikkeliere,

Groeten den herder van het land.

Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in vele gebaksvormen, ik noem slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reeds Kiliaan vele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De Noordhollandsche benaming is deuvekater; in Delft en Schieland kersttimp. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en uitriep: “Kerstbrood, mijn brood”, en den titel van “broodjeskoning” ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zie Jos. Russel, De heerlijkheid Geleen, bl. 73.

Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:

Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,

Dan hebben we volop,

Dan slacht miên vader ʼn verksken,

En dan krieg ik de kop.

Zie A. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht, passim: Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161; Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragen [134]van den Dag XI, bl. 52; Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge, bl. 319; De Cock, Volkskunde, 229.

St. Stefanusdag (26 Dec.) heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond en roepen “heio”, waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.

Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, men denke slechts aan het Romeinsche pro frugibus lustrare agros: de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,—zonder daarom een “verkapte god” te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus (Baldr?); zie Grimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.

Het rondrijden met de paarden, den Stephanusrit, vindt men in Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten van ons land noemen de boerenjongens het “Sint-Steffen rieën” of “Sinte-Steffen jagen.”—

Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan de koeien en zeggen tegen de boeren: “Ik steffen jôe kôe”, en bij arbeiders, die geen koe hebben,: “Ik steffen jôe.” Te Borger (D.) ziet men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met een [135]bosje hooi onder den arm. Zij gaan van ʼt eene huis naar het andere, het eerst naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:

Hum, kôe, hum.

Sint Steffen is gekomen

Hard geloopen; duur verkoopen,

Honderd gulden veur dieë kôe,

En een dikke stoetbruggʼ toe.

Te Oosterhesselen komt hier nog bij:

Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,

Dan gef de kôe ook botter en melk.

Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken en zegt: “Ik heb jôe kôenen steft”; waarop hij door de boerin wordt onthaald.

Sint Jan Evangelist (27 Dec.). Een eigenaardig gebruik op dezen dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder de formule: “bibe amorem sancti Johannis, in nomine patris etc.”: “drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz.” Hetzelfde gebruik leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.

Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, het woord “minne” heeft met “genegenheid, liefde” niets gemeen, maar wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het Duitsche St.-Johannisliebe, vandaar de term amor in de Limburgsche formule: bibe amorem sancti Johannis enz. Het woord is afkomstig van den Indogermaanschen wortel men, met de beteekenis [136]“denken, overdenken, zich herinneren”; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de beteekenis van “beminnen.”

Men dronk eertijds de “minne” der goden, vooral van Wôdan-Odhin; hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten wij, dat zij althans sedert de XVe eeuw, toen de christelijke tint de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken drempel overschreed.

Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.

Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, dat hij—evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël—een zeer geliefde volksheilige is. Den 29sten December dronk men eertijds in Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de term minne zelf. Was het niet natuurlijk, dat der goden minna, door het Latijnsche amor weergegeven, bij voorkeur op den apostel der liefde overging? Ook vindt men dilectio en potus caritatis. Zoo verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhand [137]ook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.

Allerkinderen (28 Dec.) vertoont een beslist christelijk karakter en herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, in het pak hunner ouders gestoken, als “vader en moeder” over straat loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, waar men zingt:

ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,

Geeft de moerkens en de vaarkens wat!

Geeft wat, houdt wat,

ʼt Naaste jaar nog wat!

Ik weet daar nog een goede vrouw.

Die mij zoo geern wat geven zou.

Zij zal mij wel wat geven;

Hoelang mag zij leven?

Honderd jaar en éenen dag,

Zoolang als ze kaas en brookes mag.

Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.

Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den “Kinderbisschop”, ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste Vespers bij de woorden van het Magnificat: “Hij heeft heerschers van tronen neergehaald en geringen verheven”, en behield hem tot de tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een post voor: Item den biscop van [138]den scoelkinderen van Sint Donaas ... XVIJ schellinghen”; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor de Dordsche “scoelnaars ende horen biscop”. Hij draagt dan ook den naam van “Bisschop van de scholieren”, “Bisschop van de koorknapen”, enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.

Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd als St. Gregoriusdag, waarover nader.

Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.).

Ik wensch U al te gaar

Een zalig Nieuwe Jaar;

In voorspoed en verdriet

Vergeet den Schepper niet!

klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog het nachtelijk uur aankondigde.

Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde “onnutte superstitiën” of “ongeregelheden”, te velde trokken, zijn er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar nog “aan datzelfde euvel mank ging”. Het is heden ten dage vooral nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van nieuwjaarsliedjes bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen. [139]

Herdersem:

Op eenen nieuwjaarsavond,

Dan zullen wij vroolijk zijn,

Met een geboren maged

En een klein kindeken klein.

Wie zal dat kindeken dragen?

De dochter al van Jeroen!

De klokken zullen luien,

Den kerkweg zullen wij doen.

Als wij op ʼt kerkhof kwamen,

Wie zagen wij daar staan?

Jezus van Nazarenen

Aan ʼt kruis genageld staan.

Met eenen doornenkroone

Op Jezus hoofd gedaan,

Vol rozen en roo nelen (leeljen)

Om naar den hemel te gaan.

Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.

Maria was gezeten

Met ʼt kindjen op den schoot,

Om pappeken te laten eten,

Gekookt met wittebrood.

Daar zat een ratteke

Aan Jezus pappeke!

Maria maak het klaar,

Met deze zalige nieuwjaar.

Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:

Op eenen nieuwe jare

Sloeg een bakker zijn wijf,

Met eenen eiken kluppel

Zoo deerlijk op haar lijf!

[140]

De vrouw begon te kermen,

“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”

De bakker zonder ontfermen

Sloeg nog wel tienmaal meer.

De vrouw kroop onder den oven,

De bakker van achternaar!

Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],

Met dezen nieuwe jaar.

Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderen lukken, liefkoeken, in Oost-Vlaanderen nieuwjaarkes geheeten: kleine wafeltjes, in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding verdienen de nijjaorskôken en kniêpertiês, de spekkendikken, spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben en juffertiês uit den Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond of täofeltiêsaovend (Raalte, Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele gezin uitgaat hen kôken of hen taofelen. Op een ijzeren plaat brandt er vuur, en in het front prijkt de kôokstomp, tot dit doel reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten het kôokiêzer of nijjaorsiêzer. Elders begint de smulpartij met een poddik (pudding), dan volgt rijst en daarna ʼt beestenvleesch, de hoofdschotel.

De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; zoo b.v.: “Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden Is U Friend Sal morgen U verachten” (Twente). Ook elders bakt men vollaards, prauwels en ijzerkoekjes, te Groningen olde wieven, te Velthoven (N.-B.) towten.

Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun “heio” roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem, [141]Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het eeuwenoude liedje:

Ich kwaam al aangeloupe,

Ich sêg ʼt see rouke,

Ich sêg wal aan den oave wis,

Dat er get gebakken is.

Isser niks gebakke,

Dan gèft ene korf vol appele,

Is de korf te klein of te groot,

Dan gèft mig ene volle schoot.

Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:

Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,

Ge zult verdienen het eeuwig leven.

Het eeuwig leven is bitter gewonnen,

Voor een gulden een draad gesponnen.

Kijk eens in je korfje,

Daar liggen drie appeltjes in,

Even groot, kralo, vrouwke lo,

Geef wat, houd wat,

Volgend jaar weer wat.

Men noemt dit b.v. te Buggenum ringzingen (ring=soort krakeling); na het zingen volgt het grabbelen, Maasbree: griebelen. Meestal krijgen de kinderen ringen, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk (N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, “de gouden [goede?] engel” rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.

Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook elders, te Deventer b.v., schiet men nog “van het olde in ʼt nije”, of men “schieët het olde uut”. Dit schieten wordt thans nog slechts als vreugdeteeken beschouwd. [142]

Het “nieuwjaar afwinnen” is nog steeds in zwang. Bij het nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ook nieuwjaarsmoppen heeten.

Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het Westvlaamsche strijne of strene (rondom Veurne), dat door het Fransche étrennes op het Latijnsche strenae teruggaat: zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, bl. 13; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.

Driekoningendag (6 Jan.). De kinderschaar, die langs de huizen trekt en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den ouden rommelpot of foekepot, neemt op Driekoningendag een geheel bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk element: ik bedoel het bekende sterzingen, op het oogenblik tot België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie jongens, als koningen verkleed—en éen hunner is met roet zwart gemaakt—, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.

Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatische [143]voorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, dat op Driekoningenavond drie misdienaars in hun koorgewaad met ster, lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.

Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:

Wij komen getreden met onze sterre,

Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.

(wij hadden Hem gaerne).

Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,

Herodes, de koning, kwam zelvers veur.

Herodes, die sprak met valscher hart:

“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—

“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,

“Het is er de Koning van Oriënt.”

Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,

Daar zag men de starre stille staan,

Ja stille staan.

(Pauze.)

Och starre, jij moet er niet stille staan,

Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.

Tot Bethlehem, in die schoone stad,

Daar Maria met haar klein kindeke zat.

Hoe kleiner kind, hoe grooter God:

Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.

Noordwijk:

Daar al de Joden mee hebben gespot.

[144]

Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat in Het Hofken der geestelijcker Liedekens (Loven 1577), bl. 28; het begint:

Het quamen drij Coninghen uut verre landen,

Nu wiegen, nu wieghen wij,

om Gode te doen een offerande.

Des waren sij vro.

Alle mijnen troost, mijn toeverlaet

is Maria soon.

Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,

Nu wiegen, nu wieghen wij,

Al bijt verlichten van eender sterre.

Des waren sij vro.

Alle mijnen troost, enz.

Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,

Nu wiegen, nu wieghen wij,

Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.

Des waren zij droef.

Alle mijnen troost, enz.

Zie Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042. Dr. Boekenoogen wijst er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nog Knuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.

De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria Magdalena (eveneens met talrijke varianten):

Op eenen Driekoningenavond,

Op eenen Driekoningendag,

Toen zat Maria Magdalena

Al op Heer Jezusʼ graf.

[145]

Sta op, Maria Magdalena,

Sta op van den bitteren dood!

Uw zondekens zijn u vergeven,

Al waren zij nog zoo groot.

Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het herhaaldelijk geparodieerd.

Aan de nieuwjaarsvuren herinnert het kaarsjespringen; immers de engere Joeltijdperiode, die den 6den Januari eindigt, is het eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijk Dertiendag of Dertiennacht genoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij nog aangehaald als Dertiendagh. Te Zwolle was het kaarsjespringen dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was het algemeen in het Noorden van ons land. De koningskaarsjes waren, volgens Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, waarvan de middelste zwart geverfd was en “het Moorken” of Melckert (d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs de gebenedijde of heylighe keerskens. Bij het dansen zong men:

Kaarsies, kaarsies, drie aan een,

Springen wij er over heen heen.

Al wie daar niet over kan,

Die en weet er nou niemendal van.

In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden zong men:

Keerske, keerske over het keersbeenke,

En al wie daar niet over en kan,

Die weet er niet van!

[146]

En al wie daar niet over en kan,

Die blijft er van,

Die blijft er van!

Keerske, keerske over het keersbeenke!

Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 115.

In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent men ten slotte nog het volgende rijmpje:

Drie koningen, drie koningen,

Geef mij een nieuwen hoed.

Mijn oude is versleten,

Mijn moeder mag ʼt niet weten,

Mijn vader heeft het geld

Op den rooster geteld.

Of wel (Noord-Brabant):

Vader mag het niet weten,

Moeder is niet thuis,

Piep zegt de muis

In ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).

Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot “hun Coninxfeeste”. Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde den ouden Walich Sieuwertsz zeer, en hij beklaagde zich dan ook, dat nog in ʼt begin der XVIIe eeuw voorname en officiëele personen zich niet schaamden, “op Derthienden avent Coningsken te spelen, en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen ende te onderhouden.”

“ʼt Was wel de moeite waard”, schrijft Ter Gouw, “zich over [147]zooʼn onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon verborgen was; bij de boeren heette ʼt “de bonekoek”, in de steden “ʼt coninxbrood”; en de boon was het, die “het lot van conig te sijn” besliste.” (Volksvermaken, bl. 175). Het Driekoningenbrood is nog niet in onbruik.

Boonenkoek en koningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat gevent; dan hoort men aanhoudend:

Koningsbrieven en kroon en kroon!

Koningsbrieven en kroon!

De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: “Op slechts enkele plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de “keuningsprentjes of -briefkens”, reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,—elk voorzien van een passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjes [148]doorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik dienden de hovelingen te roepen: ““De koning drinkt.”” De zot zag toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een koolstreep in ʼt aangezicht gemerkt.” Zie verder zijne Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden2 (Gent 1908), bl. 171. Men denke ook aan de doeken van Jordaens: “De koning drinkt.”

De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit van het Vruchtbaarheidstijdperk.

Het “koninkje spelen” is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, een overblijfsel van de heidensche Saturnalia, dat door den Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens het koningsspel was te Rome overoud; Suetonius noemt dit “het spel om gezag en heerschappij”. Het verloten geschiedde meestal door middel van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.

Wellicht berust op de gebruiken gedurende de Saturnalia-feesten ook nog het geven van geschenken op St. Pontianus en St. Agnesdag (14 en 21 Jan.), het “Ponsen en Angen” of “Ponsen en Nieten”, vroeger in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van de H.H. Pontianus en [149]Agnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde vrouwen.

Vrouwkensavond (19 Jan.), te Brussel gevierd, naar verluidt ter herinnering aan den 19den Januari 1101, toen de Brusselaren, aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na ʼt avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.

Koppermaandag heet de Maandag na Driekoningen: kopperkensdagh, kopperkensmaendagh. Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oude kopperen “smullen, drinken, pret maken” uit te gaan, dat van kop “beker” kan komen. Een volksetymologische vervorming is koppeltjesmaandag, wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenals koperen maandag, naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn: gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag (Groningen), verloren-, verzworen-, verkoren-, ja Flora-maandag. Te Diest zegt men nog blijde maandag. “Verloren” Maandag werd verklaard door het daags te voren gelezen evangelie van het “verloren” kind Jezus, of omdat deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat “verloren” weer volksetymologisch verbasterd is uit “versworen”, de benaming, die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen zegt men: Egyptische Maandag, omdat men daar een omgang hield, en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde. [150]

Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:

Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],

Noch in dei,

Dan is kopermoandei wei [weg].

Zie Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 167.

Antonius-abt (17 Jan.) behoort in België tot de meest populaire heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit Antoniuszwijn ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7en Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.

Sint-Sebastianus (20 Jan.), de met pijlen doorschoten martelaar, wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke gewesten [151]van Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen op. Hun “koning” is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: “Hij heeft den vogel af.” Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.

Pauli Bekeering (25 Jan.). Ook deze dag is een dies criticus. een beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De Tirolers verzekeren van den 25sten Januari:

Paul bekehrʼ,

Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.

V. Reinsberg-Düringsfeld verhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: “ils sont contents sʼil est clair, mais très tristes si le contraire a lieu (Calendrier belge I, bl. 76).

De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, onvervalscht fetissisme. Immers Schotel vermeldt in zijn Tilburgsche Avondstonden, bl. 12, dat men “elders een strooien Paulus aan den haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij hem in het vuur”. Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin der XVIe eeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten rond te dragen. Geschiedde [152]zulks bij helder weêr, dan begoten zij het met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.

Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen een Paulus of Paulusje in huis te brengen, “binnen te brengen”. Dit was een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, dan moest de vrouw des huizes ʼs avonds koeken bakken, enz.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche folkloristen Regenzauber noemen, waarover nader. Zie over Pauli Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.

Maria Lichtmis (2 Febr.). Dat dit feest voor een heidensch in de plaats trad, waarom en hoe, leert Paus Innocentius III in een preek op Maria-Zuivering: “De heidenen hadden de maand Februari aan de goden der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd dit feest Amburbale genoemd. Maar wijl onze heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria.”

Naar De Cock vermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik, [153]de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.

Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg het woord “lichtmis” de beteekenis van “losbol”. Hierop wijst ook de Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-Schud-de-panne.

Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. “Wanneer op O.L. Vrouw Lichtmis de zon op het misboek schijnt”, zegt men in Limburg, “dan kruipt de vos nog zes weken in zijn hol.” En verder: “Op Lichtmisdag ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon”.—“Lichtmis donker, maakt den boer tot jonker”; enz. enz. Wij komen hierop terug in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.—

Een Duitsch rijmpje zegt:

Wenn die Tage langen.

Kommt der Winter gegangen,

en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen Nieuwjaar en Vrouwendag het klootschieten plaats. Elk speler krijgt een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, wordt de prijs toegekend.

Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers waren [154]eveneens groote minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpen schietklooten genoemd; zie vooral Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.

Sint Blasius (3 Febr.). De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren of huidontstekingen, die “blazen”, d.i. blaren, genoemd worden. In Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband door de Vlaamsche spreekwijze: “Blasius blaast”, als het omstreeks 3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa tegen de roos. Henri Estienne geeft over dit verschijnsel de voor zijn tijd merkwaardige opmerking: “A quelques saincts on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait un nom approchant du sien.” Zie vooral Gittéeʼs belangrijk artikel: “Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen”, in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.

Vastenavond bestaat uit de drie “vette” dagen (Zondag, Maandag en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde de Spurcalia in Februario, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de term spurcalia het aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vorm sprokkelmaand, Middelnederl. sporkelmaent, is niet geloofwaardig. Men vindt ook reeds vroeg Vastelavond, met de bekende variatie van n en l, die ook in vasteldag en schrikkeljaar, en in het Middelnederl. werkeldach worden aangetroffen.

Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, dat Julius Lippert, Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598 [155]het ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering een Romeinsch lentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en offermaaltijden kenmerkte. Mogk houdt deze periode voor een feest der wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden van Sebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren heb aangehaald.

Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: “ʼt Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.— De kinderen zetten in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts zijne ronde doet en iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen achterlaat”; aldus De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 71.—Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woord Carnaval, dit is afkomstig van het Toskaansche carnevale. dat waarschijnlijk eenigszins haplologisch voor carnelevale staat; en deze vorm zelf is door progressieve assimilatie uit carnelevare ontstaan: “het opruimen van het vleesch.” Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als “vleesch, vaarwel!”: carne + vale. Zij zien hierin een volkshumoristische uitdrukking der kloostertaal. —De Romaansche benamingen van den Vastenavond werden voortreffelijk behandeld door Merlo in Wörter und Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.

In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt. [156]Ik herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk door Pieter Breughel den Ouden gepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.

1. Iets zeer eigenaardigs is de maskerade, het vermomd over straat loopen. “Zot loopen” was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog heden van “Vastenavondgekken”.Maar “de tegenwoordige maskeraden zijn slechts de schaduw van de vroegere”, zegt De Cock, Volkskunde, bl. 239; “de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen confettiʼs in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heeten”. Dit vermommings-gebruik is stellig uit Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan “den goeden ouden tijd” herinnerde, misschien wel een overblijfsel van de Saturnalia (bl. 148) of van het Romeinsche “Narrenfeest” (feriae stultorum) op den 17den Februari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de “Vette Donderdagen”, omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.

2. Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen op Vetten Dinsdag ten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering. [157]Befaamd zijn de vastenavondkoeken, verschillend van naam en van vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: “Zij vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond”; in Limburg heeft men het somwijlen “zoo druk als de pan op Vastenavond”. Ook in Engeland is Vastenavond-Dinsdag de groote Pancake-dag. Die dagen gaan in Brabant en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes aan de deuren pannekoek bedelen: “Spek en eier en braadworst is goeie vastenavondkost”, meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.

3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit blijkt ook uit de vastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot (bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijk foekedag wordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:

Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,

Ik heb geen geld om brood te koopen.

Rommelpotterij, rommelpotterij,

Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.

De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, Rolde en Norg (D.) hotfot of hottefot, te Diever fortelpot, te [158]Zoutkamp pooverpot, in Noord-Holland veelal rompot. Men bezigt hem ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, bl. 115.

De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden gekenmerkt door het refrein: “ho, man, ho!” Zoo b.v.:

De Schout van Leiden heeft een bult,

Ho, man, ho!

Die is met ouwe lappen gevuld,

Ho, man, ho! enz.

En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:

Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!

ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!

ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,

Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!

Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist algemeen-Nederlandsch is:

Vrouw, ʼt is Vastenavond,

Ik kom niet thuis voor te avond,

Te avond in den maneschijn,

Als vader en moeder naar bed toe zijn.

Gekke Griet, vertel het niet,

Want onze Jan is dronken.

Dronken Piet is onze gebuur,

Schriks tegen ons over.

Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,

De prutselpot hangt over.

Boven in de schouwe, [159]

Daar hangen de worsten aan touwen,

Vrouw geef mij een lange,

En laat de korte maar hangen.

Snij maar diep, snij maar diep,

Snij maar in mijn vinger niet.

ʼk Heb gezongen en niets gehad,

Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,

Koekebakkerij, koekebakkerij,

Geef me een cent, dan ga ik voorbij.

Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, (N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt regel 3—7:

Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,

Is dat nieët vrŏg genŏg?

Vrouw, geef mien dit,

Vrouw, geef mien dat,

Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.

Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig ander kalenderliedje aantreft, het besluit:

Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,

Det jer riek en zalig werdj.

Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de laatste regel wel eens:

Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.

Verder kent men nog:

Foeke, foeke, langesjtaaf,

Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;

Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,

Ich höb gei gellj òm brood te koupe,

Dei, dei, dikje dikje dei,

Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—

[160]

Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:

Vastenavond, die komt aan,

Als de meisjes vroeg op staan,

Dan staan zij in den spiegel:

Moeder, staat mijn mutsken knap?

Mijn lief zal tʼavond komen.

Komt hij dezen avond niet,

Dan komt hij den halven vastenavond niet.

Zet het mesken al langs de bank,

Snijd het spek drie ellen lank,

Laat het mesken zinken

Tot op de witte schinken; enz.

(Bree).

Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:

Jobbik, Jobbik Janssen,

De gek, die moet dansen,

Ik en de gek

En een goed stuk spek.

Snij maar diep, snij maar diep,

Snij maar in uwe vinger niet!

Boven in die horste,

Daar hangen die lange worsten,

Als de lange gegeten zijn,

Dan zullen de korte wel beter zijn.

Vergelijk hiermee het Zutfensche:

Vastelavond, die komt aan,

Als de meisjes vroeg opstaan,

Dan gaan ze voor den spiegel staan:

Moeder, zit mijn kapje wel? [161]

Daar komt Floris Janssen,

Die zal op den foekepot spelen,

En de gek zal dansen.

Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander bekend rommelpotliedje.

Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:

Foeke, foeke, rommelpot

En hestoe nog gein man,

Ik heb ʼn broaden houndertien,

Dat zal der tʼoavend an.

Als ik mien houndertien broaden zal,

Dan wordt mien potje voel,

Als ik mien potje schrabben zal,

Dan kittelt (kippert) mie de doem.

Dan goan wie noar de smid,

Dei moakt ons potje wit;

Dan goan wie noar de heeren,

En loaten ons poddien smeren.—

Zet hier een stoul, zet doar een stoul,

Op ieder stoul een kussen,

En doar een mooi meissien tusschen.

Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te Groningen:

Schippien van drei weken

Loat heur zailtien streken.

Boven in de hangeltop

Doar hangt ʼn dikke metworst.

Snie wat braid, snie wat snel,

Snie joe den moar nijt in ʼt vel.

Snie wat braid, snie wat roem,

Snie joe den moar nijt in doem.

De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en in [162]een groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor het meerendeel gelijkluidend:

Vastenavond, goede gebuur,

Ik heb nog geenen man,

Ik heb nog een klein hoentje,

Dat moet er tʼ avond an.

En als ik mijn hoentje braden wil,

Dan is mijn panneken vuil,

En als ik mijn panneken schuren wil,

Dan tintelt mijnen duim.

Dan loop ik naar de geburen,

Daar laat ik mijn panneken schuren,

Dan loop ik naar de Franschen,

Daar laat ik mijn potteken dansen.

De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit een ander vastenavondliedje:

Vastenavond, die komt aan

Klinken op de bussen,

Hier eene stoel en daar eene stoel,

Op iedere stoel een kussen,

Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,

Of ik sla er een pannekoek tusschen.

Te Barneveld vervolgt men:

Tusschen de neus en de kin,

Daar kan nog wel een pannekoek in.

Ho, man, ho!

“Klinken op de bussen” is wel synoniem van “in de bus blazen, geld uit geven”: Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking komt ook voor in het Zwolsche: [163]

ʼt Is van oavend Vastenoavend,

Klink moar op de bussen!

Alle mooie meissies kriegt een man,

Behalve ik en mien zusse.

4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak het haanslaan (of haansmijten) en het gansrijden (gansjagen, -sabelen, -trekken, -slaan, -knuppelen), ook wel gent of voejagen genoemd. Een opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens van 12—17 jaar jagen “de voe”; zij zijn gezeten op stokpaarden, dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.

Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om spek, eieren en worst:

Vasteloavend,

Sjtokvastoavend,

Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,

Op jede sjtool ei kösse,

En doa ein broadwoosj tössche;

Op jede sjtool ene pannekook,

Det deit de jong meitjes good.

Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden, [164]Buggenum, Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruik fooien-jagen, een (volksetymologische?) vervorming van voejagen. Bij dezen rondgang zongen vroeger de jongens in Twente:

Boven in de hörste

Doar hange de spiele mit wörste:

Doo mi eenen langen,

Moar loat dee kleine mer hangen.

Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.

5. Voor de vastenavondvuren wordt natuurlijk inzameling van brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij het“schuddekorfslied” noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:

Een kluitjen en een kooltjen

Een vonkelhoutjen, een!

Hier woont een rijk man,

Die ons nog iets geven kan.

Geeft ons iets en laat ons gaan,

Laat ons niet zoo lang hier staan,

Wij moeten nog zoo wijd gaan!

Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond plaats onder het zingen van:

Heije, meije klötsje,

Zoe dik es ên hötsje,

Zoe dik es ên boen,

Dat us God loent!

Hei woent nog êne rieke maan,

Dee us nog get geve kaan,

Kaan heer us niks geve,

Dan zalleveer neet lang mie leve.

[165]

Den hoegen hiemel is opgedoon,

Gef us get en loat us goon,

Loat us neet lang stèlstoan,

Gef get, spaart get,

ʼt Ander joar alweer get.

Dit joar êne sjèlling

ʼt Ander joar êne pèling,

Eeder sjèlling woag ê poond,

Maar de vrouw blijf hei gezoond.

Snijt oan de lange,

Loat de korte hange,

Gef get!

Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.

Met den negenden regel: “Den hoegen hiemel is opgedoon” vergelijke men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):

De hemel, de hemel wordt opengedoan,

Daar komen wie arme zondoartjes an

Mit ain strooband, mit twei strooband;

en uit Winschoten:

De hemel wordt opengedaan.

Daar zullen wij arme zondaars ingaan

Met een stroobant,

Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.

In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint Silvester:

Ik heb er den hemel al opengedaan,

Daar zag ik twee arme zondaars staan;

Met oogen als vuur en een strooband,

Zoo rijden zij naar dat andere land.

De beteekenis van den strooband is mij niet helder.

6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eiland [166]Schouwen bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden (“de stra”). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.—Blijkbaar moet dit gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; zie C. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes en -gebruiken vergel. Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187; G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518; Welters, Feesten enz., bl. 24; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; v. Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127; Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; Volk en Taal II, bl. 154; ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, bl. 190 enz.

Aschwoensdag stelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag den doodendans, d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig rondgesprongen; dàn eerst was het “Vasten”. Men noemt hem ook kruiskensdag, omdat de katholieken dien dag ter kerke een asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot boetvaardigheid. “Wie zijn kruisje houdt tot Paschen”, zegt het volk, “krijgt een nieuw kleed.” Na den dienst wordt niet zelden “het kruisken verdronken”, door den voormiddag in de herberg te slijten.

Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst de haring gebeten of gereden, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette het haringspringen. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.

Fakkelzondag (Invocabit) is de eerste Zondag in de Vasten. “Als men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal veel fruit groeien”, zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip. [167]Het branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de boomgaarden zingt:

Vink vonk fakkel.

Zoo menge vonk,

Zoo menge appel.

Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt, de burk genaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:

Bötje, bötje, burkstreuë

Annemerjan, sjottelepan,

Haste niks veur de burk te breeënne.

Te Ieperen heet deze Zondag Borelle-Zondag; ook te Denderwindeke, Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is het walmen of fakkels branden bekend; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ook brood- en kaaszondag, omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent men den naam Brot-und Kässontag. In Voralberg, Tirol, Beieren en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de bergen, de zoogenaamde Fackellauf, die gesymboliseerd wordt als de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benaming Funkentag, fr. dimanche des brandons. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel der vastenavondvuren te worden beschouwd.

Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, voor zoover mij bekend, beschreven door P. van Duyse in het Belgisch Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek “de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht” naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweede [168]belegering van Geeraardsbergen door Walther van Edinghen in 1381 in verband gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIe eeuw, toen Geeraard van Hunneghem zijn kasteel aan Boudewijn VI, den stichter der stad, verkocht. V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; naar de opvatting van Dr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: ʼt verorberen van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?—

Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echte blauwe Maandag, welke benaming later op alle andere Maandagen is overgegaan. Vandaar dat “blauwe Maandag houden” de beteekenis gekregen heeft van “leegloopen en feestdag houden”. “Blauw” beduidt hier “onbeduidend” (men denke aan blauwe boodschap), zoodat de oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; vgl. Stoett, Spreekwoorden, no 212.

Kwenezondag (Oculi), den derden Zondag in de Vasten, liepen te Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, terwijl zij zongen:

Oude kwene, babbelboone!

Is se oud, sʼen is niet schoone!

Gheeft se doch een ey,

Daer me looptse wey!

Volgens De Bo heet men echter kwenen de kinderen, die op Passiezondag van deur tot deur gaan.

Op dezen Zondag verbrandt men den winter (Pier Vrieze), den dood, den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt “de winter” wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk is hier het begraven ouder dan het verbranden, [169]en is “de winter” de vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden meestal plaats op

Laetare of Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den lentezegen: op Laetare de Greef van Halfvasten, en op Palmzondag de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts de rondte doet op zijn schimmel, de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel plechtig door de straten van Antwerpen. “De arme huisvader uit de Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een massepeinen scheepje,” schrijft De Cock, Volkskunde, bl. 240; “soms enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever geen Grèèf dan zooʼn tikkenhaantje.”

Te Turnhout zingt men:

Kinderkens, hangt uw korfkens uit,

Ik heb wat nieuws vernomen:

Dat de Greef,

Uwe neef,

Die zal morgen komen.

[170]

Wat heeft de Greef al meegebracht?

Vijgen en rozijnen,

Koek en tes,

Scheer en mes,

Haantjens op een steksken!

Maar als gij dan niet wijzer zijt,

Dan zal ik mʼer niet mee moeien;

Dan zal de Greef,

Uwe neef,

Brengen een dikke roeie!

Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)

Vink, vonk, fakkel.

Zoo menge vonk,

Zoo menge appel.

Sint Pieter-in-den-Winter (Cathedra Petri, 22 Februari) is een lotsdag, een dies criticus, eertijds als het begin van de lente beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.

Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter. [171]Te Grouw (F.) viert mee dan een kinderfeest; en evenals men den 5den December Sinterklaas-avond noemt, zoo noemt men te Grouw den 21sten Februari Sint Pieter-avond.

Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van “bal uitslaan”, eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hierover Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 168.

Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het dorp en brengt een ovatie aan wie in ʼt afgeloopen jaar zijn getrouwd:

Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,

Al om Sint Pieter den bal te slaan.

Waren wij niet in de gilde gegaan,

Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.

Slaan, slaan, slaan,

Het liedje, dat is gedaan.

Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de kinderen grabbelen; vgl. J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.

l Maart treden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt men te Esch (N.-B.):

Op den eersten Mert

Moeten de booien zijn op den herd,

Anders zijn ze de kost niet werd.

Elders is de datum half Maart, weer elders de 1e Mei. De boer [172]zelf haalt de nieuwe meid of knecht op den kistenwagen af. Bij het verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme “om Godswille” gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.

Gregoriusdag (12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, en naderhand het Gregoria-zingen, een rondgang van de jeugd langs de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.

Sint Geertrui (17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik der Sint Geerten Minne of Schaal van Nivelles: want even als de Sint Jans Minne was dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.—

Wij komen nu tot de eigenlijke periode van het Lentefeest (of begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in het midden der feestviering staat het symbool van den genius der groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den 1sten Mei, met Pinksteren of op den avond van den 23sten Juni heeft in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in ʼt begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheel [173]verdwenen. De eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bij J. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).

De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen bladerdos. Maar steeds was—en is dit nog, waar in het buitenland het gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm—de mei met linten, kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral met eieren—symbool der vruchtbaarheid—behangen. En dat wij hier werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den Mei het dorp binnenkomt (vgl. Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):

Wij droegen de pest uit het dorp,

Wij brengen de spruit (of zomer) in het dorp.

Ons boompje is groen,

Schoon opgesierd,

Op ons Meiboompje

Zijn geverfde eieren, enz.—

Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.

Deze meiboom is het oortype van den oogstmei, die de laatste voer hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van den richtmei, die op het dak gezet wordt, als men “gericht” d.i. het huis onder de kap gebracht heeft,—in het Noorden van ons land is dit dichterlijk en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering met de vlag; van den liefdemei vóor het huis of op het dak van de aangebedene, waarover nader; van den bruidsmei, [174]den levensboom, op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar geplant; van den schutsmei: jonge berken- of dennenboompjes, door de dorpsjeugd op den 1sten Mei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,—hiermee gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; eindelijk van den palmpaasch, zooals door Mannhardt, Baumkultus, bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: “De palmpaasch is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten” (Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op

Palmzondag, reeds in de IVde eeuw door de Kerk gevierd ter gedachtenis van Jezusʼ intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in de IVe eeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: de Peregrinatio Aetheriae: “Tegen vijf uur in den namiddag wordt de plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd” (c. XXXI, 2, 3). [175]

Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op Palmzondag; vanaf de VIIe eeuw werd deze ook in de Westersche Kerk gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk uit de VIIIe of IXe eeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het “Ezelsfeest” werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe Zijde om ʼt andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.

Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIe eeuw; maar de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker op, of liever de Zaligmaker [176]met behulp der Engeltjes (b.v. te ʼs Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, en “rijden” den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo voor de grooteren op een bord. Maar behalve de “rijdende” engeltjes heeft het Christendom de palmen aan den palmpaasch afgestaan.—In België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met het palmhoutje ter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes en palmbundels (buxus sempervirens) laten zegenen. Ook te Basel laat ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met een schat van steekpalmen—liefst met roode bessen—prijkt. En dat de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze betrekking te Stockholm, volgens getuigenis van Mannhardt, telken jare den 22sten juni een formeele markt “mit Laubzweigen und kleinen Maistangen für Kinder” gehouden wordt, voor welke de heele omtrek de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering aan de palmprocessie is wellicht ook het Hei, koerei of Eikoerei van het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk de verbastering van Kyrie eleison: “Heer ontferm U onzer” uit het litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met den palmpaasch, luidt:

Palm, palmpaschen!

Hei, koerei!

Over eenen Zondag,

Dan krijgen wij een ei.

Eén ei is geen ei,

Twee ei is een half ei,

Drie ei is een paaschei!

[177]

Of ook:

Palm palmpaschen!

De koetjes die gaan grazen,

De schaapjes in de wei,

Als het Paasch is krijgen wij een ei!

Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:

Haentien op ʼn stokkien,

Biet moar van mien brokkien,

Biet moar van mien stukkien brood,

Morgen is mien haentien dood.

Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalve palmpaasch en palmpaschen, vindt men de benamingen palmstok, palmpaascheistok, palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, eendje, kukelehaantje enz. Dr. C. V. D. Graft onderscheidt twee hoofdtypen: 1e De lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, het Friesche type; en 2e De vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk “krakeling”, maar ook wel “rad” of “wiel” genoemd: het Saksische type. Wat hiervan zij,—indien het waar is, dat men de palmpaasch als een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond hebben, te weten: stam (stok), krans en haan. De krans is nagebootst in koekdeeg—ten onrechte spreekt Höfler van “haaroffer in deegvorm”,—terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom troont ook een haan op den nok van vele Westfaalsche [178]huizen en doet daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, als stormdier, weert onheil af.— Aldus verklaart men de gewoonte, den top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.

Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamde aeremstokjes, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:

Aerem stokje

Turf in je rokje,

Turf in je staart,

Aerem stokje is geen oortje meer waard.

Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het lezen van ʼt Sint Jans evangelie.

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook Volkskunde XII, bl. 229, waar Dr. A. Beets een oproep richtte tot de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend; Beets gaf ook den stoot tot de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: Volkskunde [179]XIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40; De Cock, Volkskunde, bl. 241; V. D. Graft, Palmpaasch; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 202.

Over Kalfdag, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, geplaagd en uitgelachen werd; hij werd “kalf” genoemd. Men vergelijke verder de gebruiken op den 1sten Meidag.—

Met dezen dag is de Goede Week begonnen, ook wel de Heilige-, Pilatus-, Judas-, Duivelsweek, in protestantsche streken de Stille Week genoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.

Witte of Groene Donderdag dankt zijn naam waarschijnlijk aan de witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei groenten. Men noemt ze discipelen- of apostelensoep. Hij, die het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In Vlaanderen at men dien dag weitene weggen of wittebrood met mede; dit heette soppen, vanwaar Soppendonderdag.

Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld het apostelbrokken-rapen te Rupelmonde, vlak onder de vensters van ʼt stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.

Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden gezegend.

Op Witte Donderdag

Gaan de klokken naar Roomen,

Al over hagen en boomen,

En Paaschavond komen ze thuis.

Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen: [180]

Den Donderdag is ʼt soppedoppe,

Den Vrijdag zoo kruipt men,

Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.

Dit “kruipt men” heeft betrekking op de kruisvereeniging van

Goeden Vrijdag. Dan rust het werk, met name de timmerlieden en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze een voorbehoedmiddel tegen het “zwart.”

Goeden of Stillen Zaterdag keeren vóor de Gloria de klokken uit Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.

Paaschdag worden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun “paaschbest” pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag “danst het zonneke van blijdschap.” Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het water, op heilige tijden geput, het heilawâc, voor zoo bijzonder geneeskrachtig gold?

Om middernacht is alle water wijn,

Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,

luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgen zwijgend geput, kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de gezondheid. [181]

Het gebruik der paascheieren was vroeger algemeen en is thans nog in het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eieren tikken of kippen in de gezinnen, plaatselijk ook in ʼt openbaar, b.v. te Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, —maar meestal toch op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds het eiergaren een geliefkoosdspel; ook den eierdans kende men.

Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant—spits of bot—onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen behoort eigenlijk het rijmpje:

1. Eén ei is geen ei

2. Twee ei is een half ei

3. Drie ei is een paaschei.

Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:

Borkeloo, Almen enz.:

2. Twee ei paaschei.

[182]

Venloo:

3. Drie ei is een ei

4. Vier ei is een paaschei.

In vele streken heerscht nog het gebruik—in België, Limburg en Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen—eieren in te zamelen voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:

Bimbambeieren,

De koster lust geen eieren,

Wat lust hij dan?

Spek in de pan,

Met een roggen boterham.

Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:

Antwerpen:

Vrouw, vrouw geeft ons een ei,

Die de zwarte hinne lei!

Zijn ze zwart of zijn ze rood,

Daarom leggen zij te nood; enz.

Haaren (N.-B.):

Vrouwke, vrouwke, doe uw best,

Haal de eikes uit het nest

Van die witte hennen,

God zal ze kennen.

Een ei is geen ei,

De tweede is een half ei,

De driede is een paaschei.

Van die wit en van die zwart,

Geef van elk henneke wat.

[183]

Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds voor de IVe eeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.

Te vermelden vallen nog de paaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het “doornenkroon verbranden”. Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:

Heb ie ook ʼen olde mande,

Die wie tot Paeschen brande?

Heb ie ook ʼen bossien riet?

Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.

Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:

Hei in de Mei,

En de muts op zij!

Van linksum

Van rechtsum,

En keer oe weer um.

[184]

Op Texel:

Hooi, heb-je geen strooi,

Heb-je geen oude manden?

Die zullen in de meierblits branden,

Hekken en stekken, joten en palen,

Als je niet komt, dan zullen we je halen.

Boer, wil-je het laten staan,

Hekken en stekken an enden slaan.

Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeft Prof. Gallée ons in de Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:

Hei Koerei, hei Koerei,

Eén ei is geen ei,

Twee ei is ʼn halfei,

Drie ei is ʼn paaschei.

Dan:

Lange, lange riêge,

Twintig is en stiège,

Dartig is en rozenkrans,

Veertig is de poppendans; enz.

Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen. [185]Was alles verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.

Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een reinigend springen over het vuur, vgl. bl. 105. Het brandend rad, dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men met Mogk als een zonnesymbool kunnen beschouwen; het Hei Koerei of Eikoerei herinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud Amsterdamsch paaschavonddeuntje:

De dommele metten [donkere metten]

De Vaste is uyt!

Kyrie eleison!

Te Paschen zullen wij eieren eten,

Soo is de Vaste al vergeten.

Kyrie eleison!

Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude offermaaltijden samen de paaschbrooden, paaschmikken (Den Bosch), paaschlammetjes enz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:

ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!

Elk ʼne zalige Paaschen!

Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:

Christus is opgestanden

Al van de Joden hun handen,

Dus willen we allen vroolijk zijn,

Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.

[186]

Over dit lied meer bij Dr. J. G. R. Acquoy in het Archief van Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., en Dr. C. V. D. Graft in Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, dat vlöggelen (vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks den paaschtijd.

Zie nog De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 131; J. F. Willems, in het Belgisch Museum 1843, VII; Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H. Maronier, Het Paaschfeest (Arnhem 1894), passim; J. Lippert, Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch, bl. 602; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, 340; Driem. Bladen XIII, bl. 43; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 173.

Paaschmaandag. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende plaatsen, herinner ik aan de begankenis van Hakendover, door Frans van Leemputte op doek gebracht. De processie wordt door honderden ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, want deze ommegang [187]schenkt hem akkerzegen. Deze processie is een overleefsel van den lente-intocht.—n Drente heeft bij het paaschvuur en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog is het notenschieten; zie H. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.

Op Beloken Paschen (Dominica in albis, sc. depositis) worden de laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijk Broake-Poaschen.

Natte Paschen, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk is dit geen Regenzauber—een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, vergel. bl. 152—maar slechts een overgangsgebruik; zie Paul Sartori, Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.

l April.

Op den eersten April

Stuurt men de gekken waar men wil

luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien dag in Engeland (all fools day), Duitschland, Denemarken, Frankrijk (poissons dʼavril) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in verband te brengen. De Vlaamsche benaming is verzendekensdag.

Ik sprak bl. 128 reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de gekken (stulti) de langslapers en telaatkomers zijn, dan wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het lentefeest—evenals op de laatste dagen van het jaar—met de sukkelaars in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhooping [188]van grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); bij het hooien om een heuischarm (Assen); bij het stoelmatten om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, plafondschaar (België) enz.; zie vooral De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in ʼt jaar zijn.

Meidag. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het lentetijdperk, als het begin van den voorzomer. Bl. 172 sprak ik reeds van den meiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.

Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt (hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: “Daar wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren en slingers rijdt men hem rond het dorp”: Volkskunde, XXIII, bl. 122; zie nog vooral De Cockʼs Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg. [189]

Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken of meien. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende tonen der “Fanfare”, naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij het terugkeeren met groenende twijgen. “Straks keeren de muzikanten opgetogen huiswaarts”; schrijft Dr. Knippenberg, “de hoeden omkranst met het jonge loof van den heerlijken Mei” (Limburgʼs Jaarboek XVIII, bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied den liefdemei voor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking “den coelen mey planten” ten minste reeds in de XVe eeuw voorkomt in eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zie G. Kalff, Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.

Het verbreidingsgebied van het meitaksteken is zeer groot; vertrouwbare berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.—De meisjes staan op den 1sten Mei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.

Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochten [190]met madeliefjes, die op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit “den Mei gaan zingen”; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:

Mei, Mei,

Ik plante mijne mei,

En ʼk krake mijn ei,

En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;

Bazinneke, wilde mij een eitje geven,

ʼk En zal uw dochterken niet halen!

In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk meiliedje aldus:

De koude winter is nu verdwenen,

Den zoeten zomer die komt er al aan;

Dan ziet gij al de bottekens en boomen

Te bloeien staan.

Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,

Zij liet haar vallen al op het kruid,

Alle de bloemekens, die sproten daar uit:

De dobbele pioene,

Die staat er al zoo groene!

Ai! wie heeft er de mei van doene?

De vischkens in het watere,

De vogelkens in de wei,

Al die zingen te zamen de groene mei.

Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben behouden: [191]

Daar ging een patertje langs den kant,

met het refrein:

Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,

Hei ʼt was in de Mei.

Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel en Drente—ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten—snijden de jongens een wilgentak af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat van liedjes als dit:

Sap, sap, siêpe

Wanneer zinst doe riêpe?

In Mei, in Mei

As alle veugelkens ʼen eiken legt.

Woar legt ze dan?

In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vinden

As doe dan nich of wis

Dan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêën

Aldus te Geesteren; en te Barneveld:

Sieppe, sappe, sieppe,

Wanneer zuj-je pieppe?

Te Mei, te Mei,

Dan leggen alle voegeltjes een ei,

Behalve de kwartel en de griet,

Die leggen in de meimaand niet.

Heel of, hallef of,

Sniêt ten boer de kop mer of.

Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam van maien: [192]

Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,

Oder ich zerschneide dich.

Vele rijmpjes gewagen ook van “de booze hesse (hekse)”, die met een scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):

Rieke, tieke, taken,

Ik wil een fluitje maken,

Van wilgen of van esschen,

Welke zijn de beste?

Heel af, half af,

Snijdt de koe den staart af,

Maakt er zeven jongen van,

Zeven jongen in eenen nest.

Zie Limburgʼs Jaarboek I, bl. 68; Dr. Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, 92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.

Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In Oldemarkt drijft men ʼs nachts de schapen door het water:

Meimaand trekt men de schapen door de vaart,

Dan blijven ze van de schurft bewaard.

De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: “Meiregen, Meizegen”. Op Texel ontsteekt men den vooravond een lentevuur, de zoogenaamde meierblits; vergel. bl. 184 en Volkskunde XIX, bl. 123.

In Oost-Vlaanderen—vooral rond Aalst en Dendermonde—bestaan nog meigilden met hun graven of dekens, oorspronkelijk om den meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen, [193]Wylre, Gulpen, Slenaken, Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt—of werd nog zeer kort geleden—de meileeste (Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den kapitein van de “jonkheid”. Op den 1sten Mei, of wel op den eersten Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit gebruik is vooral bekend door de novelle van Ecrivisse: Het Meilief van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van het Mailehen (= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar van Valentines.

De Meigraaf is in wezen identiek met den Laubkönig, Graskönig, Pfingstlümmel enz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.

Te Genemuiden (O.) gaan op den 1sten of 2den Mei de kinderen met een versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje in de hand zit, al zingende:

Luie motte, luie zotte,

Op gaan staan!

Die moet naar bed toe gaan.

Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.

Hemelvaartsdag. ʼs Morgens vroeg ging men voorheen in Holland hemelvaren, d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels van dit gebruik, dat ook dauwtrappen of dauwtreden wordt genoemd en [194]ook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak van 1844, bl. 54.

Luilak is de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die ʼt laatst in de werkplaats, de groenteboer, die ʼt laatst aan de markt, de schooljongen, die ʼt laatst op school kwam. Thans nog zijn de Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan de kinderen voor dag en dauw met de korrie, een laag wagentje aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze—ook luilak of looielak genoemd—worden rondgedragen, zingt men:

De looie lak, de slaperige zak,

Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,

Je ken wel weer naar bed toe gaan.

Elders:

Luilak,

Slaapzak,

Beddejak,

Kermispop,

Staat om negen uren op.

Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder het zingen van:

Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,

Gooi dien looielak maar te drijven.

Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf, Laubkönig enz., zie bl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeer [195]merkwaardig is het te water gooien; ook de groene George wordt bij de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij de groene man of ook, zooals te Haarlem, klisseboer, omdat hij geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid den Regenzauber: een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te erlangen. Zie hierover Mannhardt, Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; over het Luilakvieren Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 221.—Deze dag brengt ook de luilakbollen.

Pinksteren. Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het Meilief beantwoordt de Pinksterbloem of Pinksterbruid. Ook zij is een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.

Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2en Pinksterdag de kleinste meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIe eeuw nog te Amsterdam, Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog kort geleden drie [196]meisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hierover Mr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185

In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij insgelijks in een “huisje” met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.

Cuyk (N.-B.):

Vierge, vierge Pinksterbloem,

Daar komt zij aangegangen,

Met een krans al om haar hoofd

En twee gebloemde wangen.

Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,

Dan zullen wij u gaan verkoopen.

Dan gaan wij naar het groene woud,

Daar zingen de vogeltjes jong en oud,

Keert u es om,

Draait u es om,

Vierge, vierge Pinksterblom.

Einighausen (L.):

Pinksterbroed,

De wien is oet,

Wie lengen weer de dagen,

Eine mei, eine mei, eine liebesmei,

Eine mei van groene blaren.

Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?

Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.): [197]

Pinksterbloem, slechte roem,

Gij hebt zoolang geslapen;

Hadt gij vroeger opgestaan,

Dan waart ge mijn kameraadje!

De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus de langslaper; want de taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken meimorgen versliep. Mannhardt daarentegen meent de verklaring van het feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl. bl. 102), men drijft hem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:

Pinksterblome,

fûle sûge (Sau)!

harstu êr uppestaun,

harr et di kîn leid edaun.

Van daar ook de benamingen Pfingstlümmel, Pfingstschläfer, Wasservogel (dewijl men hem in het water werpt) enz.

Zeer nauw hiermee verwant is het Drentsche nustekook-gebruik. “Nustkoek” hangt met “nusselen”, d.i. talmen, samen.

Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling van Dr. Bergsma in den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor dag en dauw met de koeien naar de weiden. [198]Die ʼt laatst met zijn koeien “op den diek” verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die naar de verschillende weiden voert, heet nustekook. Zijn terugkomst wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het gebruik afgeschaft.—Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt de nustekook geslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, wordt als Pinksterbroed het middelpunt van den optocht. Waar een Pinksterbroed is, is ook een broedsleider. Te Gees heet hij broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.

De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de weide binnentreedt. Die koe is dan ʼt voorwerp van het feest der kinderen, ʼs Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich de stad binnen, al zingende:

Pinksterbloed (of Pinksterbroed)

Oranjezoet,

Hoe zit je zoo diep in de veeren?

Had je wat eerder opgestaan,

Dan had je geen nood gekregen.

In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en bekroond wordt: Pingstkaue, Pingstosse. Vandaar het spreekwoord: “opgedirkt als een pingstos.” Men vergelijke met bovenstaand rijmpje het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van den nustkoek of langslaper: [199]

Nustkoek, nustkoek,

Zits dou zoo diep in de vaerren,

Kanst het geroup niet heurren,

Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,

Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.

Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heet vroegrijp, het tweede dauwworm, het derde midden-in-de-ton.

En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn overeenkomst. Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school komt, Sinksenbruid noemt en dat haar wordt toegezongen:

Sinksenbruid,

De loegaard uit!

Hadt je eerder opgestaan,

Gij hadt ook eerder naar school gegaan!

Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem zingende. Ik sprak reeds bl. 194 over de overeenkomst met de gebruiken op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint Thomasdag papieren kronen op te zetten.—

Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, leest men: “Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis brengen. De hoogstgeschatte zijn de ““Cinxebruids”” (beuterblomme, butterflower, jaunet). ʼs Avonds, met moeders [200]hulpe, maken de kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe “Cinxenbruids.” Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd hierbij gezongen:

Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.

Alles geld is alles goed;

Kies, wie gij wilt,

En de schoonste, die gij vindt; enz.

Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, II: Liefde en Huwelijk.

Tweede Pinksterdag is ten deele reeds besproken. Te Anderlecht (Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men vergelijke dit gebruik met Sunte Steffenjagen (bl. 134). In Duitschland spreekt men van den meirit, das Maireiten, hetwelk Mannhardt behandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, d.i. de Pfingstl met zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij het Königsreiten in Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden ter afwering van onweêr en hagelslag.

Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, een aloud gebruik, dat den naam van Pinxtergilden voor sommige schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reeds bl. 192 gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen, [201]evenals de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woord gilde (vgl. geld), Middelnederl. ghilde, met het Oudnoorsche gildi samen, dat de beteekenissen van “inleg” en “gelag” in zich vereenigt; zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.

De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIe eeuw de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en België.

Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen zie Ter Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; Volkskunde XVII, bl. 121; over de Pinksterviering J. H. Maronier, Het Pinksterfeest (Arnhem 1894), passim; De Cock, Volkskunde, bl. 247; Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Das Festliche Jahr, bl. 191; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.

Sint Jan de Dooper (24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen waarnemen. Zoo schrijft de H. Augustinus (Sermo 289): “Opdat [202]de mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien.” Zoo werd dan ook b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl. bl. 192), aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van ʼs Heeren doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote tooverkracht. Maar vooral de Sint Janstak pleit voor de overeenkomst tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid (sedum purpureum), ook Jaag den duivel genoemd, heeft het vermogen, booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- en rozentwijgen versierd.

Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.—Vóor Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.—Regent het na Sint Jan, dan kort (korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.

Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren, survivals van het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen (O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende: [203]

Hout, hout, timmerhout,

Wij komen om Sint Janshout;

Geeft een beetjen en houdt een beetjen,

Tot op Sint Peetersavond.

Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: “op Sint Jans manieren”, bl. 111.

De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:

Petrus en Paulusdag (29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:

Sinte Peeter, komt alhier,

In ons ronde van plezier.

Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, bl. 10.

Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:

Sinte Pieter mee zijn bloote armen,

Die zou hem gêren komen warmen.

Men vergelijke het Sint Maartenslied, bl. 109.

In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik van den rozenhoed. Het is een meigebruik, dat wij bl. 200 te Zutfen en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat gespannen koord op. ʼs Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; zoo b.v. te Lokeren:

Sinte Pieter, die is goed

Al voor onzen (bis)

[204]

Sinte Pieter, die is goed

Al voor onzen rozenhoed.

Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:

St. Pieter is onze Patroon!

Wij zullen hem gaan vieren;

Wij maken hem een kroon,

Te midden van onzʼ plezieren!

Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!

En daar heeft niemand iets aan,

Troe la la, troe la la!

En daar heeft niemand iets aan,

Troe la la sa sa.

Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren geworpen; vgl. bl. 202 en de steeds fundamentale behandeling van het Sint Jansvuur bij Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:

Stokvier, maakt stokvier!

Sinte Pieter is alhier,

Om zijn bloote armen

Nog wat te warmen; enz.

Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe (W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.

Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met de [205]pauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie te Rumpst.

Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli), ook de “Warme Marten” genoemd, draagt in West-Vlaanderen den naam van Schuddekorfdag, ofschoon van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.

Maria Hemelvaart (15 Aug.), ook genoemd Maria-Kruidwisch, of O.L. Vrouw Kruidwijn (=wijding), wordt vooral in Limburg gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde bloemen dienen—ongeveer als de palm—als behoedmiddel tegen onweßr, ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van den huiszegen verbrand.

Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch verband met “donder”?) bij zonsopgang met de hand geplukt worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk karakter.—

De zomermaanden zijn ook het tijdperk der bedevaarten of processies naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel (kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie te Hasselt (Virga Jesse) te worden vermeld. [206]De straten der plaats, waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert “het zwart” uit de tarwe.

Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te Venloo, dat de bramen rijpen, “als de processie naar Kevelaer gaat”, en dat “als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje aan het spinnewiel blijft”. Zijn de straten doodsch en verlaten, dan “lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is”; enz.

Te Blitterswijk zingt men:

Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,

Wen er mar gene grune wolf zaat,

Joa, joa, do zit er ene,

Nie der zit er gene.

Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap onder feestelijk beiaardspel. Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.; De Cock, Volkskunde, bl. 253; V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.

Maria-Geboorte (8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest op 15 Aug. de “Kleine Lieve Vrouw” genoemd. In sommige streken van Vlaanderen was het bekend onder den naam van zwaluwen-afscheidsdag. In den avond van den 7den September liet men in zekere Westvlaamsche dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in een arme vrouw verkleed, eens een voerman [207]te drinken en reikte hem, om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte “tikken” en drinken uit zulke bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:

Aan Ons Lieve Vrouwen geboort

Gaan de lieve zwaluwen voort.

Michielsdag (29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamsche vollerte, een bijzonder soort wittebrood, dat men ʼs nachts ter sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag de Michaëls-minne, zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.

Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend is ook de Sint Michielszomer, waarop wel betrekking heeft het Vlaamsche paailiedje:

Draaie, draaie, wielke,

tʼ Avond komt Machielke,

Komt Machielke tʼ avond niet,

Hij en komt van gʼheel de weke niet.

En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:

Sinte-Michiel

Draait zijn wiel

Mee zijnen blooten erremen.

De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook nog uit de Drentsche Sint Michielsjacht.

Allerheiligen (1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer, [208]ook wel door het volk “Oudewijven-zomer” genoemd.—Reeds in den namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, immers het is de vooravond van

Allerzielen (2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het geloof aan de “gemeenschap der heiligen”, terwijl ook de min of meer animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt men thans nog van den zielewagen, en rond Scherpenheuvel heet het: “dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden”. Op meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de “geloovige zielen” gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd de 2de November aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het eerst door Odilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschop Notker het in het begin der XIe eeuw invoerde. Zie H. Kellner, Heortologie³ (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.

Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt men zielebroodjes of zieltjeskoeken, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men ʼs nachts “voor de arme zielen” staan; hieruit spreekt duidelijk de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: “hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost.” Ik herinner [209]hier aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden der spijzen “voor de arme zielen”, iets in het vuur wordt geworpen, terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat staan met de woorden: “Das gehört den armen Seelen.” Vgl. De Cock, Volkskunde XIV, bl. 140; H. Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.

Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, op Sint Hubertusdag (3 Nov.) zoogenaamde Hubertusbroodjes te laten wijden, zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was de H. Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:

Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,

Zonder stok of zonder staf;

Kwaden hond, sta stille:

Het is Sint-Huibrechts wille.

[210]

1 Te Utrecht werd jaarlijks met klokgeklep aangekondigd, “dattet die arme luden weten moegen”, dat van stadswege elk “arme mensche, die daer coemt, enen Hollandsen penninc of een Hollantsch penninckbrood” kon ontvangen.

2

[Inhoud]

Het Privaatleven.

I. Geboorte, doop, kindsheid.

De geboorte van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De ooievaar brengt ze, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf “met geluk komt”, de heil-över, zooals hij in den Achterhoek heet. Hij haalt ze met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de spartelende kikkertjes uit de slooten:

Eibert, eibert, langebeen,

Waarom is je poot zoo kleen?

Waarom is je bek zoo lang?—

Omdat ʼk altied kikkers vang.

Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het jonge menschenleven:

Ooievaar,

Lepelaar,

Takkedief,

Ooievaar heeft de kindertjes lief.

Te Kuilenburg zingt men:

Ooievare klep,

Met je langen bek,

Met je lange pooten

Ga je over slooten,

Ga je over ʼt huis:

Breng me een broertje of een zusje thuis.

[211]

De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij brengt voor broertjes en zusjes de “muisjes” mee. Vergel, bl. 85.

Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting, dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus, zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput, in de stad Groningen uit de Woalpudde, de pomp in ʼt wijde van de Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den rietschoot gehaald. Te Hekelgem (Z.B.) gaan de kinderen kijken in het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren.

Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en [212]vooral ook in Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan:

Pluk mijn! pluk mijn!

ʼk Zal alle dagen zoet zijn.

De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat “de slag met de levensroede”, die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met rozemarijnstengels wordt toegediend.—Wellicht moeten de holle boomen echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld.

Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht, b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII, bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vlg.; Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vlg.

Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en roodharigen vermijden. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt, zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat het zeer verkeerd is gedurende [213]de zwangerschap waschgoed op te hangen, onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral M. A. van Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vlg.

De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd, naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan: “Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten”, ineenen de buurvrouwen.

Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren, met “den helm”, dan is het beeldwit (blijkbaar een verbastering van het Middelnederl. belewitte, zie bl. 67): zoo iemand kan voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten ʼs nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vlg.; en R. Meringer in Wörter und Sachen, V, bl. 43 vlg. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen; Vrijdagskinderen sterven spoedig. Kinderen met een dubbele kruin worden knap of koppig. De roodharigen zijn “van God geteekend” en staan aan plagerij en bespotting bloot: “Rood haar en elzenhout groeien op slechten grond”, meent het volk. Zie Prof. J. W. Muller, Volkskunde XIX, bl. 8; Prof. Verdam, Handel. en Mededeel. v. d. Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden 1897—98; H. Heuvel, Driem. Bladen II, bl. 8.

Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een [214]opvatting, die stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890), bl. 32 vlg. zoo treffend geschetst. Ook bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt: dit boompje zal mèt het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze: “zijn levensboom verdort.” Zie Is. Teirlinck, De Plant—een levend, bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare 1886). De vroedvrouw (wiezemoêr, wiesvrouiv), die den geneesheer vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van den pas geborene. De baker laat het kind kijken en strijkt daarvoor de gebruikelijke fooien op.—En nu, voorzichtig! De kleine mag niet op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch; men mag niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, òf het kind sterft. Het mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men in Limburg; “hij is overkops gewiegd”. Ook moet de moeder de nagels van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de zoogenaamde scheidingsgebruiken, [215]die ten doel hebben, ook een inwendige scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. Van Gennep, Les rites de passage (Paris 1909), passim; Paul Sartori, Sitte und Brauch 1 (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen mèt de opname-gebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken, die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld.

Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de allereerste plaats het doopsel en de naamgeving behooren, bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te ontdekken. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze, maar in het magico-religieuze,—het lagere, zonder dat hierdoor iets ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste meisje de vrouwsmoeder meter.

Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaaltochten rond boven de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die, gedoopt zijnde, sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men den Engelgarten, de begraafplaats van gedoopte kinderen.

Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende Boheemsche spreekwoord onbekend: “Zooveel kinderen de vrouw heeft, zooveel sporten komt zij den hemel nader”.

Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan kanten doopkleeden van groote waarde in sommige families, waarin vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter [216]plachten eertijds aan hun petekind een pillegift te schenken, een woord, dat nog voortleeft in het Westvlaamsche villegift: een gouden penning, zilveren lepel, of iets dergelijks.

Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden gepaard, “ʼt Kind verdrinken”, noemde men voorheen het feest voor de buurvrouwen. Ook het doopmaal was vast gebruik. In België wordt na den doop de noodige kindersuiker gekocht, om deze aan de buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren, vrienden, magen, die “het kindje komen kijken”, plaatselijk nog op suikerdebol onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen, lommerten genaamd. “Het kindje gaan zien” is op menig Limburgsch dorp synomien geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en beschuit, bestrooid met suikerkorrels: sòkerkörkes of muisjes, wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De Friesche term is poppebak, en men vertelt, dat de lytse pop (het kraamkind) zulke bakken heeft meegebracht. Of wij hierin een overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken.

Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevalling volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in Limburg: met den eierschoot gaan, in Noord-Brabant: met den krommen arm of de kromme slip gaan. Ook in het noordelijk gebied kent men kraamschudden; het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit gebruik prijken, elders paanderen, ook te paanderinge of te pronkinge gaan.

Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam, waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon, zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt [217]op dezen gang door de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete, en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van kindjeskermis of kindjeskoffie draagt, en beantwoordt aan het Drentsche wievemoal en de Friesche wievedei. De Westvlamingen heeten dit de koffiebale. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel kinderbier genoemd; hierin heeft bier natuurlijk een algemeene beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontmoeten.

De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man (rachitis) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten, b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoortje (rood katoenen koordje), een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van Sint Jan den Grijzer of Krijter (Sint Jan in den Olie) en van O.L. Vrouwe ter Ruste tegen het schreien en woelen der kinderen (sympathie).

Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij:

Zuid-Holland:

Onze Lieve Heertje,

Daar hebt U een oude tand,

Geef me weer een nieuwe tand,

Die er vaster in staat,

En er niet meer uit gaat.

[218]

Sluis:

Vleremuis

Kom ʼt avond tʼhuis,

Breng mijn nieuwen tand tʼhuis.

Mijn oude is versleten,

Mijn moeder mag ʼt niet weten,

Mijn vader heeft geen geld,

Heeft het al op hoopen gesteld.

Tiel:

Muis, muis, gimme een tand,

Die der noot meer uit kan.

Vlaanderen:

Muize—muize—manneken,

Geef mij een ander tanneken,

Liever ʼnen tand van been,

Als eenen van steen.

Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt, is duidelijk. Als merkwaardigheid zij vermeld, dat soortgelijke formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen, Bohemen, Galicië, Bukowina en Rusland. Zie Van Andel, Volksgeneeskunst, bl. 142 vlg.

Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar, geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje, welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet tintelen,—het is de kleine dwingeland in het hagelwitte [219]linnen, waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig, hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naïeve wiegeliedjes, met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte, waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken:

Slaap, kindje, slaap!

Daar buiten loopt een schaap,

Het heeft vier witte voetjes,

Het drinkt zijn melk zoo zoetjes,

Slaap, kindje slaap!

Of:

Het heeft zooʼn witte wol

En ʼt drinkt zijn buikje vol.

Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch:

Sloap, kieneke, sloap!

Die vader heuit et schoap,

Dien moder heuit de bonte koe,

Kieneke, maak dien eugskes toe,

Sloap, kieneke, sloap!

Een enkel maal behelst het een ontboezeming:

Suja, poppedeine,

ʼt Kindje is nog kleine,

ʼk Wou, dat ʼt kindje grooter was,

Dat kwam moeder wel te pas.

Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt:

Suja, suja, kindje,

ʼt Papje steet in ʼt spintjen, [220]

Melkje van de bonte koe,

Kindje, doe je oogjes toe.

Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in ʼt Twentsche:

Suja, suja, lutke wicht,

Sloape zeute, eugskes dicht.

Hunnewiêve, ʼk zal diê sloan,

Kumst du biê de huja stoan.

Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel:

Do, do, kinneken, do,

Slaap en doet uw oogskes toe,

Hebde geen vaak, ge moet nie slapen,

Hebde geen honger, ge moet nie gapen,

Do, do, kinneken, do.

Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende beschaving ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over geheel West-Europa verspreide, kindergebed?

ʼs Avonds als ik slapen ga,

Volgen mij veertien engeltjes na:

Twee aan mijn hoofdeind,

Twee aan mijn voeteneind,

Twee aan mijn linkerzij,

Twee aan mijn rechterzij,

Twee die mij dekken,

Twee die mij wekken,

Twee die mij wijzen

Naar ʼs hemels paradijzen.

In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72. [221]

De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is, evenals de loopwagen of loopkorf, in de laatste jaren in onbruik geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden, het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal, al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving een beteekenis wordt gehecht, als ada, tata, toetoe enz., meestal geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal, die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: opoe, botam, (boterham), mek (melk). Buitenmate rijk is deze periode tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijke aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede over de Sociale klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek ik afzonderlijk in het Vijfde Hoofdstuk.

Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje:

Hop, Marianneke

Pop, Marianneke

[of: Stroop in het kanneke]

Laat de poppekes dansen, [222]

Een goeie man,

Een brave man,

Een man van complaisance.

Hij roert de pap, hij wiegt het kind

En laat zijn vrouwke [hondje] dansen.

En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren van het paard:

Húp páardje óp een dráf

Mórgen ís het Zóndág.

Dán kómen de héerén,

Mét de bónte kléerén,

Dán kómen de vróuwén,

Mét de bónte móuwén,

Dán kómt de ákkermán

Mét zijn páardje áchterán.

Elders luidt het:

Hup, paardje, meulen,

De koster zit op ʼt veulen,

Pastoor zit op de bonte koe,

Die rijden naar de meulen toe,

Om een zakje haver,

Wat zal dat paardje draven,

Om een zakje mikken,

Wat zal dat paardje slikken,

Ja, ja, paardje, draf,

Morgen is het Zondag.

Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette op de afwisseling van drie en vier heffingen:

Jóe, jóe, jóe,

Naar Hóorn óm een kóe, [223]

Naar Álkmaar óm een várkén.

Zoo ríjden wíj naar Márkén,

Naar Márken óm een wágén.

Zoo ríjden wíj naar Schágén,

Naar Schágen óm een sjées.

Zoo ríjden wij náar de Bée(t)s,

Ván de Bée(t)s naar Ákkerslóot,

Óm een schóotje wíttebróod.

Nu vergelijke hiermee het Vlaamsche:

Juite, ko, mijn peerdje,

Naar Iper om e steertje,

Wilt da peerdje nie zeeʼder loopen,

ʼk Zal ʼt e vatje met haver koopen;

Is er tʼ Iper geene,

ʼk Ga van da na Meene;

Is ze te Meene goeie koop,

ʼk Koope der tien of twaalf stoop.

Rupelmonde:

Juttekave ronde!

Van Gent noar Derremonde,

Van Derremonde noar Bevere,

Om e vat jenevere;

Van Bevere noar Kalloo,

Doar eten de pêrekens hoo(i).

Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229 (Wiegeliedjes), 250 (Paai- en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes); Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vlg., Dr. J. Van Vloten, Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vlg.

Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving, personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt, en schertsend heet het: [224]

Kinnetje knap,

Mondje hap,

Neusje snuit.

Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het onderscheid der verschillende vingers:

Duimeling heeft een koe gekocht,

Fikflak heeft hem thuis gebracht,

Langeman heeft hem geslacht,

Ringeling heeft de worst gemaakt,

En Klein Schelmpje [met tallooze varianten]

heeft alles opgegeten!

Te Ieperen kent men den korteren vorm:

Dumeloot,

Kattepoot,

Langerake,

Korteknape,

Klein petietje.

Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche:

Pinkie,

Goûrinkie,

Langeliereboom,

Potteschrapper,

Ketellapper.

Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vlg.

Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt voortgezet,—machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal [225]is in hooge mate aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, zij worden tweetalig, terwijl hun kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele volheid tot uiting in kinderspel en kinderlust.

Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes, scheepjes en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische ontwikkeling, met dit gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed van vroeger door steeds duurder—maar niet duurzamer!—en ingewikkelder speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit, vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen, dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, autoʼs, luchtschepen enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De 183 nummers speelgoed in het Museum van Folklore te Antwerpen (Catalogus, bl. 23 vlg.) zijn in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam.

Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist: het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol, maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat een periode van het hoorspel, waarin de kleine in de wieg luistergraag let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten, zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit [226]pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid, voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het gezichtspel. Behalve het “licht”—en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de “lichtjes” zien?—neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige arm- en beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve spel in een aktief omgezet. Eindelijk het gevoelspel, dat men ook bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi, rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen, glijden enz.

Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame, zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen, van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen—waarbij dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats vindt—ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de geliefkoosde themaʼs (zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens, òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der beide geslachten wordt met het jaar scherper.

De grootste tijdsruimte der jeugd wordt ingenomen door het [227]spel. Het is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het handelen van den man: het is een voorschool van het leven.

Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het kiskassen,—waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een watervlakte vliegen—wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in het Onomasticon van Julius Pollux en in den Octavius van Minucius Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van “Engelland”, “naar Engelland varen”: hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het Oudgermaansche hemelsche lichtland.

Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toewijding de kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirtinck in hun standaardwerk: Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902–1908); zie verder Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 28 vlg.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 412 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 225 vlg. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in het Vijfde Hoofdstuk.

Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met [228]de auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen, springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen, schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen, sneeuw- en ijsspelen.

Loopspelen. Het steltloopen was reeds bij de Grieken en Romeinen bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatjespelen met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van schaatsen en krikken.—Zeer algemeen is het krijgertje-spelen, op de eilanden van Zuid-Holland ook wel Jaagje-spelen, elders haarvaartje-spelen, Limb. naloopertje-spelen, België meestal katje-jagen geheeten.—Overoud is het boompje-verwisselen of stuivertje-wisselen, in België meestal vierhoeken genoemd. Van de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet, terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander van plaats wil verwisselen: “Wip hem, soldaatje.” In Limburg: “Eeder van zien alt-alt iêzer aaf.” Vergelijk hiermee het Brunswijksche: “Isermänneken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen.” Laat ik verder noemen het haasje- en blindemannetje-spelen, wat dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt jongensspel is het baarspel; de speelplaats is door twee lijnen of baren in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in, verdeeld. Wie geraakt (getakt) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het verstoppertje-spelen heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts het Limburgsch bergermuuske-speulen, het Zaansche honk-uit, het Geldersche piepverstoppen. De honk is de vrijplaats, die bij deze spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vlg.) te kunnen waarnemen bij het spel van den wolf en liet schaaf, in Friesland de zwarte leider of de [229]ruige wolven genoemd. Aan de Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt:

Wolf.—Herder, laat je schaapjes gaan!

Herder.—Ik durf niet.

Wolf.—Waarom niet?

Herder.—Van den ruigen wolf niet.

Wolf.—De ruige wolf is gevangen

Tusschen twee ijzeren tangen,

Tusschen zon en maan,

Herder laat je schaapjes gaan!

De dikke, ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit sprookje zelf geen mythologischen grondslag?

Springspelen. Bij het haasje-over springen tracht elk speler op beurt over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie, heen te springen; bij het bok-sta-vast staat een jongen met den rug tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend, tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij kan, dan volgen de anderen. Het hinkspel wordt meer door meisjes dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet in België meestal helle of halve hemel, het laatste hemel; in Baden heet het voorlaatste Ruhe, het laatste Himmel.

Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het ronde-dansen, het reidansen en het touwtjespringen wordt een groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in het Vijfde Hoofdstuk.

Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere [230]benamingen zijn: stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen, kietelen, schiffelen (schievelen) enz. Insgelijk zeer oud schijnt het boeren (boer-pas-op), waarbij een kleine steen, de boer, volgens bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche tipelen geschiedt niet een kort stokje, dat aldus op een steen wordt gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langer stok op te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX, bl. 63. Aan de Zaan heet het puntelen of priegelen, in Hollandsch en Belgisch Limburg pinkelen, terwijl de algemeene Belgische benaming anjelus-spelen is. Veel varianten biedt ook het op-de-streep-gooien met centen of knoopen, van de meet af naar een andere lijn, de schreef; België: overschieten, Limburg: steken, Zaan: botten, Friesland: opsmijten, Gelderland: pleien. Maar merkwaardiger is het overal bekende kruis-of-munt-spelen, vooral wegens de verschillende benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg: haan of plaat; Antwerpen en Vlaanderen: kop of letter; Leeuwarden: kop of luw; Gelderland: menneken of letterken; Vriezenveen: meunte of misse; enz. Het Vlaamsche teppeke-schieten heet in Limburg stöpke-schieten, en aan de Zaan tukkelen.

Balspelen. De kaatsbal is in Noord-Brabant onder den naam van kwatsbal, in Hollandsch Limburg onder dien van prikkebal, in de Kempen als pakkebal bekend. Bij het gewone kaatsspel staan gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de tegenpartij tracht hem te keeren.—Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje, en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van kuiltjes bezigt men dikwijls een [231]hoed of pet, hetgeen invloed heeft op de benaming. De gewone straf is, dat men door de roffel (de brits, de spitsroe, de kordons, de stommeling) loopen moet.—Een zeer aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld wordt, is het beerhoeden, waarbij een der spelers een grooten bal in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers, die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In Noord-Brabant noemt men dit balspel killen, in België doorgaans zogdrijven of zogspelen, zoo ook plaatselijk in het Oosten van ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de zogput bekend is. Raket- en kolfspel zijn voldoende bekend.

In het bikkel- of pikkelspel kan men twee spelen onderscheiden: een meisjesspel, het eigenlijke bikkelen, en een jongensspel, ook wel kooten geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen, en wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden, wordt bij het kooten—een specifiek Noord-Hollandsch spel—door de spelers met een koot (of klauw) naar een rij knikkers gegooid; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, sub verbo; Terwey, Taal en Letteren III, bl. 47.

Al deze spelen dreigen verdrongen te worden door het uitheemsche voetbal-, korfbal-, lawn-tennis-, cricket- en croquetspel.

Balspelen. Het bekende kegelen noemt Ter Gouw “den aanval op een bataillon carré, met den bevelhebber in ʼt midden, wien men voorkeur poogt te treffen.” Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen; thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en Zuid-Limburg gespeeld. De koning heet te Brussel de dame, elders de paap, de pee, de zot enz. Het beugelspel is in Noord-Brabant en Noord-Limburg inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede spelers heel wat vaardigheid [232]en kombinatiegave vereischt. Soms dagen enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de slagers der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de verliezers revanche zullen nemen.

De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-, kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en koetsierspelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand; tuintjes-aanleggen; zage-zage-menneke, met bijbehoorend speelliedje; botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaarprocessie- en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit handeling en dialoog heel wat dramatische kracht. Meisjes spelen graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie ʼt Daghet in den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen.

Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen of meer knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit steekt en laat raden: paar of onpaar? Raadt men juist, dan zijn knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: effen of ontjes (oneffentjes); in Friesland: even of on; Amstelland: onkes of evekes; Zaanstreek: onk of eef; Limburg: paar of omp; Gelderland en Overijssel: paar of ompert. Als algemeen Nederlandsch geldt: even of oneven. Het omsteken is meer algemeen, n.l. door het vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen, wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz.

Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel, b.v. van Hansje-mijn-knecht (Groningen, Deventer, Friesland), dat vrijwel met het Vlaamsche goud-verkoopen en koleuren-geven overeenkomt. [233]Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als: gouden halsband, zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen zich twee kampen, en het spel eindigt met lijntrekken, dat ook bij andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch; het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het Laatste Oordeel.

Van de zoekspelen is het slofje-onder wel het meest bekend. Hierbij wordt een slof onder de kniëen van de spelers doorgeschoven, die in een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die “er aan” is) te waarschuwen:

Herrie, herrie, herrie!

Slof-slof-slof.

Elders heet het schoentje-schuiven, te Antwerpen schoentje-lap; in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (jeu de la savate. Pantoffel sunchen).

Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld: edelman—bedelman—dokter—burgemeester—koning—generaal enz.—Hoe ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de knoopen afgeteld: geholen—gestolen—gevonden— gekocht (Limburg); gekocht—gevonden—gestolen—gʼhad (Vlaanderen); enz.—Waar zal ik na den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel—hel—vagevuur.

Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een andere natuurlijke schommel is de wipplank; [234]het spel heet in de Kempen kwikkwakken, in het Geldersch-Overijsselsche wibbelen, op de Veluwe wipperwappen, algemeen wippen. Het eigenlijke schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en Brabant geldt, is sturen; in Limburg heet het spel schokken, schokkelen, sjokkelen, joekelen (Kessel), varen (Venloo); elders bijzen (Geeraardsbergen enz.), rennen (Brugge), rijtakken (Kempen), roesjen (Ninove enz.), ruilen (Deventer), talteren en tiltalteren (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij de speelliedjes.

Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde, grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: knikker, marbel (België), estrik (Overijssel), huuf (Zuid-Limburg), kuls (Noord-Limburg), knar (Zaanstreek). 2. De “knikker” (in Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming knikker, verder: klits (Zuid-Limburg), gepotsiemelde (Venloo enz.), pottebakker (Noord-Nederland). 3. De grootere, schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de stuiter of stuitknikker; met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. bolket, bonket (Vlaanderen), kalebas, alikas (Westzaan, Assendelft, Waterland, Vlaardingen), lavoor (Aalst) enz.

Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes, in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen kan; zie R. Andree, Ethnographische Paralellen und Vergleiche (N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vlg.

Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin geschoten wordt. Het schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim, terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker [235]wil loslaten: een goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee knikkers kan overspannen of overpalmen. Het schieten gebeurt of wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of er wordt kuiltje-geschoten (putje, poet).—In een andere groep van spelen wordt geworpen: de speler werpt met éen knikker, meestal een stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold.—In een derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, gebot of gebotst: de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms gerold: het bekende kuiltje-rollen. Rolt de speler een paar getal in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het kuiltje gestuikt. Voor het overgroot aantal benamingen en alle verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen in het Venloosche knikkerspel, zie Limburgʼs Jaarboekje XX, bl. 161.

Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is tol, België top, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden wordt. Hiernaast komt voor: priktol in Nederland, pindop in België, dop in Nederland en België. Het woord drieftol vindt men in Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche benaming voor den drijftol is kokerel, met talrijke varianten. De gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as; men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De [236]drijftol wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de verschillende samengestelde tol-spelen vermeld ik het potje-tollen, Friesch: top-dikeljen, Belgisch: oken-kappen. Men trekt op de speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol binnen den kring ronddraaien. Nu tracht een ander dezen tol met den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit, en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 234.

Hoepel- en vliegerspelen. De hoepel is van hout of van ijzer en wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet bandel van af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel, bendel in Noord-Brabant, reep in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Oost-Vlaanderen, reip in Hollandsch en Belgisch Limburg, band in Oost- en West-Vlaanderen.

De vlieger moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de vlieger omhoog, als een vogel, zegt men in Hollandsch en Belgisch Limburg, als een draak, meent men in Friesland en Vlaanderen, als een ballon, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen, door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden dan door den wind omhoog gevoerd.

Sneeuw- en ijsspelen. Het glijden is een geliefkoosd winterspel: baantje-slieren, zegt men in het Land van Waas, rijzen in Brabant, slabrikken, slidderen, slibberen in Hollandsch en Belgisch [237]Limburg en in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten, of beiden naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het schaatsenrijden is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats is schaverdijne, het Brabantsche (en ten deele Belgisch Limburgsche) schrikschoen, d.i. loopschoen, vlg. het Middelnederl. scricken “met groote passen loopen”, schrikkeljaar “springjaar”. Zooals bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en ʼt lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet de buitensnee trekken of buitenbeens rijden; beurtelings de beenen overeen leggen, noemt men overleggen. Het voornaamste voertuig op het ijs is de slede. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de prikslee met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan den Belgischen ijsstoel. Tot de groep der baksleeën behoort de Venloosche boonebak.—Van de sneeuwspelen noem ik nog het met sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend.

Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de natuur. Hiertoe behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid als ons Lutje (Jutje) leeft nog: een glimmende lucifer of spaan gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft, verliest, en moet pand geven of “op Lutjes welvaart drinken”. In België heet het spel: Djilleke leeft nog, of Gilleke leeft nog, te Denderbelle Zielke leeft langst, in Limburg Vonkje leeft nog, vgl. het Duitsche Der kleine lebt noch of Stirbt der Fuchs, so gilt der Balg. Het Brunswijksche Lütche funke lêwet noch herinnert aan de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk: Petit bonhomme vit encore, in het Provençaalsch Monnet-viou: zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een [238]brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete voor de anderen een dans uitvoeren.

2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit: “le folklore juridique des enfants”. Het vindingsrecht is bij hen nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder:

Wie is er iets verloren

Van achter op den toren?

Wie is er iets kwijt

Van achter op den dijk?

En antwoordt een der kinderen “ik”, dan dient hij het voorwerp wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht op de spreuk:

Die vindt, die houdt.

Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht te erlangen; ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken.—

Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: “eens gegeven, blijft gegeven”. Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel bedreigd, als hij zijn woord breekt:

Kuutje-buutje [ruilen] snel,

Dreimoal deur de hel;

Op trap, trap neer,

Elk zien ijgen goud [goed] weer.

Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder [239]De Cock, Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed besproken wordt: “Mijn kop af”; enz.

De eerste schooldag is een gewichtig moment in het leven van het kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag en het feest der Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen, en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van “Mijnheer”; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot het verleden.

Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer saai-officieele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling, maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in plechtgewaad heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief wordt veelal nog op school opgesteld.

Aan het slot dezer periode (van 6–12) stond nog kort geleden de plechtige eerste-Kommuniedag voor de katholieken; in het noordelijk volksgebied spreekt men meestal van het aannemen, overeenkomstig de uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het aangenomen worden, lidmaat worden of belijdenis doen bij de protestanten, een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de “eerste-kommunikant” aan peter en meter een “kruisken vragen”; en algemeen was de [240]gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg, b.v. te Venloo, droegen de kommuniekinderen pelmkes, d.i. oleander-, laurier- of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de sekse. Meestal had ieder zijn paar. Een familiemaal, afzonderlijk of “paarsgewijze” gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de meesten een blijde herinneringsdag.

Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers “zij hebben de kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan”.

II. Liefde en huwelijk.

Minnen en werven. Het woord minnen is niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (be)minnen, noch een stamverwant, woord van het Hoogduitsche lieben, maar slechts slappe omschrijvingen als: goed mogen lijden, liefhebben of hebben, gaarne sien enz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip “vrijen”, of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.

Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het schoenwerpen is reeds gesproken (bl. 123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: “een minnedrankje ingenomen hebben”. Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het [241]leggen van nestelknoopen, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben.—Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.

Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene “droomverklaring door omkeering” uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor, die bij de Zoeloeʼs zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloeʼs hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.

Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; “dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren,” meent het volk, en trouwens “wie dochters heeft, is altijd herder,” en “een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier.” Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij “op Sint-Annaʼs schapraai” (Limburg: schaap), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog “het schipken van Sint-Annuit”, wat waarschijnlijk op een verwarring berust. Dan zegt men, dat “Hein-van-pas maar niet wil komen,” of “dat haar vent te Wachtebeke woont.” Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers “daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op,” en ook is “geen schip zoo oud, of ʼt doet nog wel eens een reisje.” Algemeen wordt het gelaakt, [242]wanneer slechts “het geld getrouwd wordt”; niet zelden trouwt men echter in de familie, “opdat het geld bij elkaar blijve.”

Oudtijds kende men vrijstermarkten, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden “koopdag” in De Valk, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor ʼt kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de Maartekeur te Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooral J. H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en Mr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.

De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers “de beste koeien worden op stal verkocht”. Hierbij is het verstandig, zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want “wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren”. Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, soms heiligmaker, in West-Vlaanderen handknecht genoemd. Dit heiligmaker is een volksetymologische vervorming van heilikmaker, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. hîlijc. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heet hijlikmaker. De verouderde Zaansche benaming [243]is zelschappen; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten lande uit meiden gaan. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar “Zaterdagavondloopers zijn koopers”, zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:

Vrijers, die ʼt meenen,

Komen vóor tienen

En gaan niet voor eenen.

Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: “Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan.”

Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: “mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken”, bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst een voois krijgen. Wordt de vrijer afgewezen, dan loopt hij een blauwe scheen, of loopt hij een blauwtje. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: “zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen.” Een andere uitdrukking is: een korf krijgen, door de mand vallen. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als eene herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).—M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Ter [244]vergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de ontrouw bij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de onvruchtbaarheid bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van den dorhoed.

Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: het kweesten of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog vermelden het strunen, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 196 vlg.; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911), passim; Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.

Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. “Lange vrijage is zelden mariage”.

Dorhoed is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. ʼs Nachts krijgen de meisjes, “die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen”, dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. [245]Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.

In Drente is de zoogenaamde zoore paal (dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.

Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:

Wilt dit beeltenis aanschouwen,

Want het zal uw wel berouwen,

Dat zij nu zal trouwen gaan,

En gij moet nu agter staan.

Evenals men nu een pinkstkroon kent (bl. 199), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benaming dorhoed, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. Ook [246]Berkhey spreekt van een “kroon van gekapt stroo”. Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.

Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.

Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij de ketelmuziek, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.

In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: scherminkelen, de beest jagen en den hond branden. Hier beteekenen scherminkel, beest en hond de stroopop. In Noord-Brabant spreekt men van tafelen, in Noord-Limburg van varen, in Zuid-Limburg van varen, toeten, rammelen of huulen, in Midden-Limburg en verder plaatselijk van den ezel (aan)drijven. Deze laatste uitdrukking heeft misschien betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het huulbeer, waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für [247]Volkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der volksrechtspraak, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen: de buurt oefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook het voor den ploeg spannen van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van de buurt, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende. Het is dus meer recent, dan door V. D. Poll in den Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.

Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 189, 245). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgen Greefs van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 169).

Met verloving wordt bedoeld “vaste verkeering”, daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen een der partijen beelt, d.i. het gegeven woord breekt, [248]dan heet het ontworpen huwelijk uitgebrand, in ʼt Westvlaamsch een beel.—Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.; Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland de knottedoek, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.

Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamde bruidstukken, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg—en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.—de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl. 241.

Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin [249]1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.

Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of roepen plaats, de verloofden “rollen van den preekstoel”, zooals het in katholieke streken heet, of ook “zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen”; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.

Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds de heug gevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader. Heug, verg. heugelijk, komt van het Middelnederl. hôghe, hö̂ghe en beteekent “vroolijkheid”.

Huwelijksdag. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.

De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van Hochzeit, het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: “der brûdloufte hochgezît”. Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar men weet, was hoogtijd eertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namen huwelijk en bruiloft drukken een bepaald deel der plechtigheid uit: huwelijk, vergel. het Gotische laiks “dans”, wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd; bruiloft, d.i. “bruidloop”, beteekende oorspronkelijk den optocht, [250]waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14; Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, sub verbo.

Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.

Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het “zwakkere geslacht” den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.

Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eener ontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbare [251]opvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat, is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.

Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde tot zijn kroost, zijne kinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.

Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen.

De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was,—een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest [252]zijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van de theorie van het menschelijk huwelijk. Ik zeg “ten deele”; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.

Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm zijn voorafgegaan? “Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen”, zegt Paul de Lagarde, “und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet.

Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der coemptio naar een tijd, waarin de manus, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was, voor de geschaakte bruid betaald? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof.—Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het roofsymbool, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke [253]gebruiken herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, vooral in het reeds aangehaalde boek van A. Van Gennep, Les rites de passage, bl. 165 vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.

Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke betrekking, evenals de gast tot den gastheer—en omgekeerd—door het geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes door het wisselen hunner wapenen.

Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan (sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: “Wat in de meimaand trouwt, daar is geen goed haar aan”; zie De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich niet vóor den bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd een blijde bruid een droeve vrouw; want “een bruidsgewaad is wel eens met rouwgoed gevoerd”. Weent de bruid op den trouwdag niet, dan vloeien de tranen in het huwelijk.

Het noodigen ter bruiloft vindt men nog slechts op enkele plaatsen in het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in Drente hebben de wasschupsneugers veel van hun vertoon en beteekenis verloren. Wasschup is identiek met waardschap en beteekent “gastmaal, feestmaal”; over deze neugers zie H. Tiesing, in de Vragen van den Dag XVIII, bl. 155; vgl. [254]Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen gaat van de buurt uit en wordt als noaberplicht beschouwd. Te Borkulo doen twee jongezellen uit de buurt als broedlachtneugers dienst; zij trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:

Goen dag!

Hier stoa ik op mienen staf,

En weet niet, wat ik zeggen mag ...

Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.

Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft gehouden, in het Friesch gearjift, vergel. de Noord-Brabantsche heug (bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te bestrijden van het sieren, schieten enz.

Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben den neuzik vastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog een huwelijksmei geplant vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge paar verbonden is, vergel. den levensboom op bl. 214. Van alle huizen wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te voren plaats gehad.

Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij de [255]bruidswagen een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen het heemgeleide, dat nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.

De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komt opeischen, waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen (bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt (?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.

Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruid geschut. Een rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaal de schoenen vegen, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst, afspannen, en westwaarts stroppen. In Nederland vindt het paar den weg door een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt men [256]het koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. Volgens Samter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.

Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere versnaperingen.

De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende huizen, waar hij voorbij trekt, beschonken, d.i. op brandewijn met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den oorspronkelijken bruidloop naar de echtelijke woning.

Op enkele plaatsen moet de bruid over den drempel worden gedragen (Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met een rood doek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd en het paar springt naar binnen. Dat wij hier met [257]een overleefsel van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode doek—rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche folklore geestenwerende kracht—heeft dan ten doel, kwaadwillige geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen en te vertoornen.

Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, het haalleiden of halen, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak of haal gevoerd (zie bl. 35), vanwaar de benamingen haalleiden, hieëlen, hölen, heelen enz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; vandaar de spreekwijze: “Op den haal na, is alles gepoetst.”

Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werd [258]door de kachel, of aan beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij verhuizing toegepast: uit den gedachtengang “de bruid betreedt de nieuwe woning” heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig ontwikkeld.

In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruid hielt, haalt of helt. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant—natuurlijk ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid—van de omwonende Saksen hebben overgenomen. Waar Siebs echter meent, dat het overreiken van den kooklepel of sleef een specifiek Saterlandsch gebruik is, vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, b.v. te Grubbenvorst.

Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet uitsluitend in ʼt Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegsche hoalleien staat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een nieuwen buurman te installeeren.

Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat het halen nog in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm, [259]optreedt of kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen zijn hier hö̂len, hoalen, hoalleien.— Verder rond Roermond, Sittard en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel: heelen, hieëlen. Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).

Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:

Ik haal u in den naam des Heeren,

Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.

of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]

Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.

Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.

Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],

dat is voor de gansche kompanij [derde maal],

Voor een liter foezel zijt ge vrij.

Of:

Ik haal u als meid en niet als knecht,

Een liter foezel is uw recht.

[260]

Of ook:

Ik haal u in den naam des Heeren,

In dit huis zult ge verkeeren

Niet als meid, maar als vrouw,

En wees uw man getrouw.

Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. “dit is het bed”;—“dit is de kast”;—“dit is de klok”; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te Mill worden emmer, bezem enz. in den hêrd gelegd, de meid gaat er bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.

Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.—Dit gebruik doet mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooals [261]dit met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was (bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruid over het blok moet heen springen: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, dat de bruid moest springen over een kooltje vuur, dat in een vooraf geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig in het blok zitten, dan beduidt dit een krolköpke; anders blijft het huwelijk onvruchtbaar.

Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit door het aanraken van den ketelhaak.

Een belangrijk survival vindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk huis der getrouwde bruid en vroeg: “Is hier soms een vrouwspersoon aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?” Dan kwam de bruid aangeloopen en antwoordde: “Hier ben ik al”, en nu ging zij voorgoed mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.

Wij hebben hier een vorm van het zich verbergen der bruid, [262]zij laat zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen. R. Reichhardt, Geburt, Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit “heute wohl nirgends mehr nachweisbar” is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het echter slechts een overoud scheidingsgebruik.

Van het oude Groningsche brüdegamslahen, het slaan van den bruidegom ter bevordering der vruchtbaarheid (zie Dr. Knappert, Groningsche Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het was een “slag met de levensroede”, vgl. bl. 116. Bij de Slavische volken vindt men het nog herhaaldelijk.

Het bruiloftsmaal heeft weinig karakteristieks meer behouden: eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis laat rondleiden, onder het geroep van: “de broed mot droet”. Glazen worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: “Die zullen hem wat glazen kosten!”

ʼs Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, antwoordt de persoon, die Aartje voorstelt, dat [263]zijn talrijk kroost toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.

Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, evenals het huilbier (huulbeer), Hoogduitsch Heulbier. De gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en komt dus vrij wel overeen met het Achterhoeksche boksenbier, waarop de bruid haar bruidstranen (brandewijn met suiker) schenkt. Komt deze naam van het schieten met de bokse? Of van de gewoonte, dat de bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bij Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.

Volgens Reichhardt is de naam eigenlijk heilbier, en hij vergelijkt het Middelhoogduitsche heilwîn. Ik meen echter, zooals gezegd (bl. 246), aan de benaming van huilbier te moeten vasthouden, en vind het gebruik in zijn oorspronkelijken toestand in die plaatsen (b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van het huulen afkoopen door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.

In Drente kende men eertijds het hanenbier. Door de buren werd aan de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, bl. 125.

Na de bruiloft beginnen voor het paar de wittebroodsweken, of [264]ook de zoetemelksweken. Dan komt het jonge paar nog pas “van Zoetendaal”; het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; “de korstjes kraken nog.”

III. Huiselijk Verkeer.

Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig aan het spreekwoord: “Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat.” Dat dit introuwen niet altijd in peis en vree verloopt, getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat “de bliksem en de introuw nog niet beschreven zijn.”

Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur—meestal van de slaapkamer—hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als “God ziet mij” en “Hier vloekt men niet”; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is veelal een gekleurde plaat bevestigd, de Huiszegen, waarop een gebed bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift en een psalm- of gezangvers, dat ʼs morgens of ʼs avonds gelezen kan worden. Aan de achterzijde vindt men [265]meestal korte verhaaltjes, aan het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens der heiligen voorkomen.

Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met gebed; en hier wordt “gezin” genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de “geloovige zielen”, met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers bij gezongen.

Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn Bénédicité. In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan nog een klein gebed, b.v. “Heere, zegen deze spijs en drank, Amen”, of “Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen”.— [266] Van zulk een hoofdmaaltijd—tegen het middaguur—vormt de brij of pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met pap en aardappels zelfs het eenige voedsel. Verdere gerechten zijn appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd tot stamp of potage, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande onbekend.—Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit “brood” genoemd wordt, terwijl het wittebrood “mik” heet. Het brood wordt door het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.

Na het middagmaal of de noon volgt in den zomer de rusttijd, de ungere (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de achterungere. Maar worden de dagen korter, dan vervallen beide: “Sint Mecheel (Michiel) verbuut den ungere en den achterungere”.—Nog dient opgemerkt, dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan huis heeft, vooral de kleermaker of snieder. Vroeger vooral was het ambacht op de dorpen niet in tel. “De snieder is ene mins,” zegt een Limburgsche spreekwijze, “as hê mit de andere minse oet [267]de kerk kump.” Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, dan luidde de verontwaardigde vraag: “Ben ik soms een wever?” Het laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.

Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door het familiefeest. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen der kinderen. Nu doet de mei weer dienst, en steekt men een groene twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende vereert; vandaar de uitdrukking: “iemand besteken.” Zoo noemde men het eertijds nog “een meisje besteken,” wanneer men ring of klopper van haar huisdeur met groen versierde.

Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken aangeboden onder het zingen van:

Van avond is ʼt den avond

En morgen is ʼt den dag,

Dat men Sint-N. besteken mag.

Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term mei de benaming is van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.

De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar plaatselijk is het besteken veranderd in het bestrikken der jarige kinderen, d.i. “kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met linten op den arm vastbinden” (Molema, Wörterb. d. Groningschen Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje:

Ik kom u versieren

Met kransen en laurieren;

Ik bind u met hemelsch lof; enz.

[268]

In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, is ook de kermis. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers het Middelnederlandsche keremisse beteekent “mis bij ʼt feest van de kerkwijding”, dan ook “viering van dit feest”, en verder “jaarmarkt”, men denke aan de Leipziger Messe. Deze dag toch wordt tot aandenken aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de groote H. Sakraments-processie of bronk gehouden; meien worden geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.

Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den 7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus (11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde Hollandsche kermis, nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.

De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.

Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het verflauwen van den [269]familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, “dat zij bij elkaar op de kermis komen.” Hierbij komt, dat in een groot aantal gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche flaai (vla). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, geschuurd, geboend, en wat al niet meer.—

Vandaag is ʼt kermisavond

Morgen is ʼt kermisdag, dag, dag,

Da bierken, da gebrouwen es,

Da ich wel drinken mag, mag, mag,

zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen—tegenwoordig veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur vervangen—mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen naar hun molens van plezier. Maar laat ik ook Jan Klaassen niet vergeten, en evenmin het bekende koekslaan, o.a. te Venloo met een stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: koekhakken.

Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus [270]werd “kermis” synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van “kermis” kreeg. Zoo b.v. de Geldersche öskeskermis in November, ten huize, waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, bl. 45; de Veluwsche schaapskermis, beschreven in den Gelderschen Volksalm. 1862, bl. 151; de Mulderskermis; de Haagsche Boschkermis; ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen komen helpen bij het scheren, door “een pootje vast te houden.”

Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, met hun Antigoon, Janneken en Mieken, GrandʼPapa, Op-Sinjoorken, de Groote Turk enz. Nòg verschijnt te Hasselt de Lange Man (Don Christoffel) en te Venloo Valuas en zijn vrouw. Deze trekken op met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de kermis is het groote gilde-feest.

Met name de schuttersgilden (vgl. bl. 200) trekken dan uit, zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche en Brabantsche jonkheden met hun kapitein en andere gezagvoerders, zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de cramignon, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij de hand vast en vormen, met den kapitein [271]aan de spits, een lange rij, die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der afgestorven leden en eereleden geweersalvoʼs worden gelost.

Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de dorpsmeisjes gepeeld (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter plaatse op de wip, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, het zilver, het hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, keert hij triomfeerend huiswaarts, ʼs Avonds wordt gedanst; vooral de carré-dans staat in eere.

Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid vereischt van den vaandrig bij het vaandel- of vendeldraaien, dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking “kwalijk het vendel met iemand kunnen draaien”, d.i. het met iemand niet goed kunnen vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid ingevendeld, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een onwaardig lid uit het gild (of guld) “getrommeld”: een geldstukje wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, tot het er van afspringt. [272]

Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde vreisjpeel gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de meisjes van ʼt kerkplein naar een herberg, waar gedanst en gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, te britsen, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel (L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, de eenige overblijfselen,—afgezien van de spreekwijze “met iemand den draak steken”.

Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier in triomf weg.

Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, Machielke begraven: een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het kermiskiendje begraven. Men vergelijke “den winter begraven” enz., en den Blitterswijkschen doodendans (bl. 166). In Vlaanderen “begraaft” men den laatsten kermisdag, kermis-kaluit geheeten, “het hespebeen”; [273]ook houdt men wel een verkoop van ledige beurzen.

Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding gaf, is ook de spinning, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende de lange wintermaanden—die in huiselijke gezinnen meestal door gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel worden gekort—kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen—want het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,—maar des te meer gezongen en—gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 407 vlg.

Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de bovengenoemde; het is pandverbeuren, bezemjagen in den Achterhoek, buurt of slage in Drente, zökskes liggen of den rooden hoan jagen in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij buurt of slage moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven slofje onder. [274]

IV. Landbouw en veeteelt.

De buurtschap is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, “den Heer van de buurt”, zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: “Een goede buur is beter dan een verre vriend”.

De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de put—zoo heet daar de buurtgemeenschap—een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.

Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. De noodnoabers zijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, “uitgedaan” worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet; [275]bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,—steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als ʼt varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant “het varken prijzen”.

Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:

Te N. willen wij niet wonen,

Daar zijn de wijven te kwaad,

Maar te N. willen wij wonen,

Daar zijn ze beter van aard.

Of wel:

Te N. willen wij niet wonen,

Daar is ʼt een arrem land,

Maar te N. willen wij wonen,

Daar zijn rozen geplant.

Of wel:

Dat gaat naar Den Bosch toe,

Zoete lieve Gerritje,

Dat gaat naar Den Bosch toe,

Zoete lieve meid.

[276]

Wat zullen wij daar drinken enz.

Brandewijn met suiker enz.

Wie zal dat betalen enz.

De boer, dien wij gaan halen enz.

Waar zal hij dat halen enz.

Al uit zijn linnen beursje enz.

Wat zullen wij daar eten enz.

Rijstepap met suiker enz.

Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt “kjoeuw”.

Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,—trouwens elke nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: “den bezem uitsteken.” Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land het intrekkingsmoal genoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt “en andere”; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.

Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijke vuurbeuten, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk—maar jonger—ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt ʼs avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren [277]inbranden. Het onthaal draagt den naam van de overhaalfeeste; zie Loquela XII, bl. 69.

Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet dan schildverteren.

Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.

De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van buurting of buuravond; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heet bier of maal, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Dit bier is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men het geboorte- of kinderbier, Friesch bernebjiar, het meibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier, bij begrafenissen het doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier, Friesch leedbjiar en treastelbjiar, ook wel loofbier genoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving het verlovingsbier. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men het pannenbjiar, vergel. de Zeeuwsche uitdrukking te biere gaeë, zie ook De Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche huulbeer is gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van een intrekkingsmaal [278](bij verhuizen), een steendermaal (bij het aanbrengen van bouwmateriaal), een richtemaal (als de gebinten gericht zijn), een mestmaal enz.

Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.—

Reeds is voor het zaaien gezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is de springweek, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd “bij twee lichten” te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).

Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder [279]een spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).

Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk ʼt Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...

Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat de litania maior, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamste ambarvale plaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van Robigo, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de litania maior niets gemeen.

Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed: [280]

“zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim”, zegt een Limburgsch spreekwoord.

Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. “De roggehonde loopt er deur”, zegt men dan in de Graafschap, of “de roggemeuje het de varkens oet.” Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (korenmoeder, roggemeisje), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt, Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868), passim; Die Korndämonen (Berlin 1867), passim.

Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de graanoogst, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:

De wumpel de strumpel de kanne met bier,

Die hebben we hier op ons pleizier!

Zoetemelk met roome,

Jan Dirksen is mijn oome,

Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,

Zoo gaane we mee op het leste voer.

(Noord-Holland). [281]

Het laatste voer is op de baan,

Dat in den boer zijn schuur moet gaan.

De luie boeren alleen hebben nog staan.

(Oost-Vlaanderen).

En nog komt met Sint Joapik de boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als ʼt heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: “ʼt Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik”, en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: “Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik”.

Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als: korenmoeder, roggewolf, roggehaan enz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden Harkelmai, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte [282]van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest—in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!—en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest: stoppelhanen.

De laatste schoof wordt ook de geluksgarve genoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn: de Olle, ʼt Olde Wief enz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.

Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam van ʼt Olde Wief. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door ʼt lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.

Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met een mei, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich op Zichtezondag aan bier en zoete melk. Elders wordt [283]alleen de laatste kar gemeid. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.

In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:

Moer, moer, de pan over ʼt vuur!

Hier hê wij de leste gerven

Boven in de bergen,

Boven in de toppe.

Wanneer selle wij soppe?

Soppe wij van avond niet,

Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.

In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van martelgaus (of -gans], klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam van oogstfooie, elders dien van oogstkermis.

Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het Vergôdendêl, dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: “Frau Godens Anteil”, een hooioffer dus aan Wôdanʼs gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).

Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na het pungelen (aren lezen) huiswaarts keeren: [284]

Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,

Der was neet meer te kriêgen,

Want as der nog meer te kriêgen was,

Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.

Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het dorschen: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:

It klitst, it klatst,

ʼt Giet juwn toa gest,

Op tzies in brea

Mey ʼt heale gea.

(Friesland)

[Het klitst en klatst,

Het gaat van avond te gast,

Op kaas en brood

Met het halve dorp].

Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremerʼs Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:

Lange vlegel, wonderklop,

Sloa dʼr helder lochtig op

Vief en twintig duuzend slag,

Ielken korten wienterdag,

Met verdrag.

Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,

Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.

Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van [285]Karl Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.

Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit de drobbelslag. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.

De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen den hooi-oogst. Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.

Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd—en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,—het zwaluwgetjilp nabootsend:

Verleden jaar, toen ik hier was,

Was dit vak vol en dat vak vol,

En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.

Of wel:

Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,

Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,

verslierd, verslierd.

[286]

Men vergelijke het Brunswijksche:

As ik weggung, as ik weggung,

Was dit fak vull, was dat fak vull,

As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,

Was alles verslickert, verslüert.

Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, een mei werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.

In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de aardappelfooi, vroeger in de omstreken van Breda de boekweitfooi, vergel. de Antwerpsche pataatfooi, naast de Vlaamsche oogst- vlas- en zaadfooi (bl. 283). Het woord fooi heeft hier de beteekenis van “afscheidsmaal”, die ook het Middelnederl. foy, voy bezat. Een nog oudere beteekenis is “reis, weg”; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Fransche voie: “reis, reispenning, teerpenning.”

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen, in Limburgʼs Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.; bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 261.

De veeteelt is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.

Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. [287]Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: “Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo”. Dit “Alio, alleli” dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.

Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.

Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.

V. Ziekte, dood, begrafenis.

Na de genoegens van het leven komen ziekte en de dood. Menige zwakte en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor zich zelf of voor de leden van zijn gezin. En [288]nog gaat hij dan bij voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk zal besproken worden.—

Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert de dood. Reeds heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder den naam van veurbuken, (veurbukes, veurbuksel enz.) bekend zijn, althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl. 241), of den priester aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal de zieke “het gewaagd hebben”. “Hij gaat de gard af”, fluisteren de vrienden en magen, “hij riekt naar de schup”. Bij kinderen klinkt de volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, zijn “kerkhofbloemen”.

Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de volksverklaring van een ontijdigen bloei:

Een bloem buiten den tijd

Is een bruid of een lijk.

Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens wederkeerend refrein.

De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als een einde: vandaar een heele reeks van scheidingsgebruiken uit de wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven, [289]als na den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl. 214, 215); hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.

Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars—in Vlaanderen wordt dit uitlichten genoemd—en roept de familie om het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer “op zich heeft”, een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor de deur zijner woning [290]zetten en zeggen: “In den naam van God, ga voor, ik zal u volgen.” Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.

In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; immers dan “verzet” de tijd.

Heeft de stervende den laatsten snik gegeven, heeft de ziel het lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, in geheel België reeuwstroo, in Hollandsch Limburg schoofstroo genoemd; reeuw- beteeken “lijk”, vergel. het Gothische hraiw- in hraiwadûbô “tortelduif, lijkduif.” Het feit, dat de uitdrukking “op zijn reeuwstroo liggen” in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; ook in Westfalen (Revestroh) en Rijnland is het gebruik veel verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: “Wanneer het gewasschen en in het doodshemd gekleed is,” schrijft Th. Dorren in Limburgʼs Jaarboek XVI, bl. 13, “wordt het lijk—gewoonlijk op twee aan elkaar geschoven tafels—in de beste kamer op schouf, d.i. op stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het “euver eerd liggen.” Vandaar de uitdrukking: “Hij komt van het bed op het stroo,” d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, en deze, in Beieren het Rebrett genoemd, dient in ons land nog op tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt het liêkbreed naast de deur van het sterfhuis geplaatst. [291]

Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt het verhennekleen aan, d.i. het doodskleed of hennekleed wordt den doode aangedaan of liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming is hinnekleed; in Oost-Groningen zegt men ook reekleed, en met volksetymologische vervorming regenkleed. Dit kleed is het eerste, wat de jonge vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is “heilig” en “gevaarlijk” tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds brengt zij geluk bij het loten.

In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).

Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan pfluderen (fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in ʼt algemeen in ʼt Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar [292]niet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.

Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, “omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen”, meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.

Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: “Hij komt al haast terug.” Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.

Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.

1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:

2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden [293]van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.

3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist “den doode verloren spelen”; zie H. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de “geloovige zielen”.

Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.

Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te [294]Weerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:

Imme, Imme, din Heer is dood,

Nu bliw bi mi in mine Nood.

Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: “Bietjes waakt, want de meester slaapt”, of “de meester vertrekt.”

Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral de noodwakers, komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.

Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk luibier behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking: das Heimläuten; bij ons is behalve de term overluiden ook wel uitluiden gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.

ʼs Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode [295]ʼs Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand “mooi” in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: “hij is mooi bestoorn”, zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,—in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, “gevaarlijk” geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.

Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de lijkdeur, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: “Geest, ga voor, ik zal u volgen”; en als de deuren ʼs avonds gesloten worden: “Geest, blijf buiten, en ik binnen.”

Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter begrafenis. [296]In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in ʼt sterfhuis gepeeld, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek “met de krange kante buiten”, zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamde treurhoed ontstaat.

Buiten ʼs huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan de lijkstoet in beweging, reeds door velen als begangel, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.

Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen de lijkweg, noodweg of reeweg; hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis (bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet [297]op bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. “Opmerkelijk”, zegt De Cock, “is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ““boever”” oplegt, ʼs avonds te voren reeds in ʼt oor der paarden te gaan fluisteren: ““Morgen moet ge ʼnen doôn voeren””, anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei.

Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, [298]in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.—Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.

Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.

Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts als survival blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van Worms er tegen in een zijner dekreten.— Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.

In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam van groevemaal, lijkmaal, grafmaal, alsook van lijkbier, troostelbier, leedbier enz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in de Trijwâlden (F.) een “begrafenis zonder leed”. Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.

In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm [299]terug in de zoogenaamde eten-uitvaart, waarbij het uitvaartbrood aan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal of agape, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.

In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd molleprooi, en aan dat maal deelnemen noemt men “naar de molleprooi gaan.” Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de mollejacht gaan, waarin het Bargoensche mol “dood” beteekent.

Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.

Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.

De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der [300]verwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.

Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.

Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburgʼs Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154. [1]

[Inhoud]

De Volkstaal.

De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van ʼt staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch de algemeene taal of Koine.

Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde—in de beteekenis van hooger beschaafde—taal of kultuurtaal. “Algemeen” wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; “beschaafd” wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en kultuurtaal.

Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het “algemeen beschaafd”, wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede families [2]gebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.

De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,—al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.

De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.

Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.

Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,—overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier [3]kant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. “De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn”, schreef Guido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze: “Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde een particularist, en de nachtehaal de grootste van allen”. Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg “vrij wel”, want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle, Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.— [4]

Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde “Sondersprachen”, waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.

Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. Van Ginneken.

Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.

Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn volkswijsheid [5]en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. “Jede Provinz”, zegt Goethe, “liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft”. In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.

I. Het Taaleigen.

Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.

Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen1: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende z (zr, rz, rs), [6]die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone r, b.v. rooster: rzeuster; berispen: berzispen; kar: karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche ř. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.

1. Het Friesche taaleigen. Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.

De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon (ʼs Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer de [7]overige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?

Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee. Theod. Siebs verklaart den naam Fresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitsche freisôn “in gevaar zweven”, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch—met name het Northumbrisch—bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap: skieëp; jaar: jieër; rijk: riek; voet: foeët; huis: hoes; deel: deel; steen: stieën; oog: eeag; sturen: stjoere; hand: haan; oud: aald; vogel: foegel; hond: hoen enz.2 De drie persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze e. De n wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonlooze e weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep sk blijft in ʼt begin, midden en einde der woorden: skieëp, woskje, fisk; ch wordt ks: okse, en niet ss als elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,—zegt men niet: “Frisia non cantat”?

Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier de namen vermelden van Gysbert Japicx, “den frieschen Vondel”; [8]Tjeerd Ritskeʼs Velstra, “den frieschen Poot”; Waling Dijkstra, “den frieschen Fritz Reuter”. Verder de gebroeders Halbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, en Tiete Roelofʼs Dijkstra, oprichter van het Selskip for frîske tael- end skriftekinnisse.

Friesch.

(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven door F. U. Lourensz).

De klokken fen Sint-Odolf.

It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—

Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.

Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.

Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen. [9]

Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.

Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.

Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.

Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.

Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: sk voor sch; de scherpe uitspraak van v en z als f en s in het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: “Dou hât dat wel laten kunnen” (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraak bien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.

Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, [10]Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelsche w als beginletter. Dan volgt het Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.

Zaansch.

(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).

Oitje met een Jachie.

ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.

Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.

Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.

Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen [11]gelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.

Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.

ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.

Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.

Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.

Maar wie zou ʼet jachie oitreste?

Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.” [12]

“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.

De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.

De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.

“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”

De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.

Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.

Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.

“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”

“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt, [13]“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”

“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”

“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”

“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”

Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van het bedrijf op de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheiden [14]tongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen, [15]aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie, duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch jargon prevelden”: Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.

Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. Zie Gittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.

2. Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang -ien, en door lief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte a in het Oostdrentsch den oa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in het [16]Twentsch den helderen a-klank bewaard heeft. Dus: Twentsch dage, hane, Drentsch doage, hoane. Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.

Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e persoon gaan uit op t. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonlooze e: estoan (gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang en tot een sonantische n: dus hooren wordt heurn. Verder zijn î en û niet gediphthongeerd en zegt men derhalve mien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van al en ol voor een volgende d en t, b.v. old (oud) en talter (schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).

Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud. [17]

Achterhoeksch I.

(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).

Ho ze knikkert in Eibarge.

ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, [18]verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,

H. P. t. B.

[19]

Achterhoeksch II.

(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)

Hanenèfken en Hennenichjen.

(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).

Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.

Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.

En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.

En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.

Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.

ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.

Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.

Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”

“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.

Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen. [20]

Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.

Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”

“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”

“Zaʼk moar met gaon?”

“Jao, sprink maor achter op de kaore.”

Veerder kump um en hane integen, die zei:

“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”

“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”

“Zaʼk maor mee goan?”

“Jao, sprink maor achter op de kaore.”

En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.

Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.

“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.

“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.

Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.

“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.

“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.

ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.

De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure. [21]

ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”

Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”

Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.

En too wasse ha(r)dstikke dood.

G. J. Klokman.

Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.

Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang -en van den 1sten en 3en persoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de e vóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor den ai-klank, tegenover de Saksische ee en ei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2den persoon meervoud jimme, en door voet, boek tegenover voot en book. [22]

Westerwoldsch.

(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).

Op Aovondproot.

ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.

Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.

Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.

“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”

Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”

“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee, [23]ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef, [24]dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!” [25]

“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”

“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.

Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterd [26]har.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”

“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”

“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”

A. H. Smith.

3. Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltische [27]plaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,—hier: de schrale, sombere heidevelden—zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. “De bodem der N.-W.-Veluwe”, schrijft W. van Schothorst, “is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!” (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).

Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de schoef genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.

Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt [28]men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen der h, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.

Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.

1. Het voorvoegsel ge bij het deelwoord.

2. Het wegvallen der n van den uitgang -en, behalve vóor klinkers, h, b en d. Vergelijk: de groeëten boum, den dȯmme mins, de groeëte minse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?—Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit op e of en, t, e of en.

3. De d tusschen twee medeklinkers wordt j (i) of verdwijnt: moede, moeje, moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aan bloeden: bloejen, zelfs woedend: woejend.

4. De groepen al en ol worden tot au en ou vóor d of t. Dus: ald en gold worden in zuiver Frankisch oud en goud of nauwverwante klanken.

5. Lange î en û zijn meestal tweeklanken geworden, dus: mijn huis, tegenover Saksisch mien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zie Te Winkel, Inleiding II. bl. 304 en N. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.

6. De tweeklank au wordt oo, b.v. dood, oog, tegenover Friesch deead, eeag.

7. De groep ft gaat over in cht. Dus: koopen: gekocht; verder lucht, gracht, hecht enz. Slechts hier en daar bleef een sporadische f [29]behouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant: zoft (zacht); Sliedrecht: zoft, gekoft (gekocht); Veluwsch koften voor kochten. Ook wordt de chs geassimileerd tot ss, vgl. Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zie Te Winkel, Inleiding II, bl. 304; Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.

8. De Westgermaansche â wordt vertegenwoordigd door â en oa, b.v. schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort men schaep.

Nu meent Van Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat deze ae een ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: de Hollandsch-Frankische dialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormen jij en jou.

Te Winkel noemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.

Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstige [30]versierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met de ae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van de h en den Urker-Gooischen ae-klank in schaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigen i- en u-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling van Winkler lijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?

Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hierover Van Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.

Veluwsch.

(Uit Leopold, van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 519).

Minnebrief van en sniierknecht.

Miekelief! ʼt Hef noe gans en gaor gin fatsoen, da je miin liefde zoa kold en zoa verwierd handelen bliift. Hoe ʼk et oak mit oe zuuk te riigen en te plooien, ik kriig er maor nie zoa ak et gaerne ha. Altiids bliift oew hart nog rechtevoort tägen mii as stiif linnen. Mennig kamezaol, boks en wammes van de goeje luuj [31]heb ik bekant stik verknipt en versniien, daor ʼk zat, en miin heufd oaver oe tornde en pluusde. Da ʼk er oak heftig oaver epruust heb, en er vinnig ziek af ewest bin, daʼs oe bekend; en nao de leste krupsie bin ʼk nog nie zoa ʼk heur, want hoe ʼk et wend of drääi, ʼk weet oan oe gin mouwen te passen.

Zeg et toch glad uut, wa je tägen mii het, dat je mii as en olde lappe op ziiʼ smiit. Bin ʼk nie zoa goed bii de pinken as de beste veur miin brood? De heele wäke, van ʼs maondags tot zaoterdags, zit ik jummers stik staovast van ʼs märgens tot ʼs aovens bii baos Nol op ʼe taofel: en veur miin jannever-centen laot de wäärd =u=ut de Golden Ploege gin neie schuur bii ʼt huus zetten. Zondag, da mis nie, zie je me altiids in de predekaotie en ʼs aovens, nao koffitiid, bii oew vaoder op den haerd, om te höören naor ʼt neis =u=ut de krant. Dan doe ʼk jummers puur alles veur oe, en ʼk maok et oe zoa handzaom, as in minn krank vermeugen is: en da naodje zol zoa deurloapen as i ens miin vrouw waort gin enkele steeke zal er aon losgaon.

Maor ʼk leuve, daor zit um de kneupe nie. ʼt Is nog die ägenste smalle heerschop, die klarke van onzen notaoris, die ʼt um duut. Daorum gao je, oak deur den dag altiids zoa mooi aonʼedaon, ʼegold en ʼezilverd, bekant of i nao de karke gaot. Miekelief! Miekelief! waor dwaolen ouw zinnen; hoe kan i zoa bot ziin? ʼk Heb oe al zoa mennigmaol oaver dissen gepokkeneerden snoeshaon onder ʼt parsiizer ʼehad en zint er nog de olde knepen niet uut? Hoe kan oe et hart toch zoa hooge staon, da je um dien kwibus en goeien wärkman onder stelt?

Meinde mit um te zullen äten uut de kurf zonder zörge? Nemaor, daʼs vlak de lappe neffen ʼt gat. Da klarken lait um maor wiendaiers: en zolt i de maot holden veur de juffer van en notaoris al is ʼt oak op en plat dörpke? Nemaor, daerne! daor zii i nie toe ʼesnejen: da zol oe vugen as en neie lap op en old wammes; da stao nie en da holdt nie.—Da mot dissen verwierden heerschop oak nie vremd ziin, hoe zunig hi kiiken kan, maor hi teutelt [32]mit oe, um oew rooie wängkes en oew blaouwe eugkes, en as i oe in dʼellene hef ebrocht, zal i oe handelen as en lapzalver; waor veinde dan heul veur oew hartepiin? Daorum, Miekelief! stel dissen springer uut oew zin en hold oe lääg bii ʼe grond, dan val i nie hoog. Denk aon ʼt spreukske: “Ongeliiken aord, dient niet ʼepaord”. Wij passen mekaor, waor je et beziet, um saomen genuuglik te läven en onzen staot te bliiven vuren. Kwik er ens mit oew olders, daor doe je braof aon; die zullen et oe wel veurmäten; en as ik zondag bii oe kom en i mii beduudt, da je met mii houwen wilt, zal miin martelen en armoeien tʼende ziin, en van klinklaor plezier za ʼk oe en heftig mooi loddereinsdeuske kaopen veur en pressent, al kost et oak en golden dekaot.

Hadee, Mieke! tot zondag. S.

Ostendsch.

(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven door den Eerw. Heer Frank Baur, docts, litt.)

De gelijkenis van den Verloren Zoon zooals zij te Ostende in het Schipperskwartier wordt verteld3.

Eer wos e kér e våder, è jâ twé zuns.

Den årme man wos wéewåre! È de joengsten va de twei hâde goesten om e vojåžetsje te doene. Mo de kwèsje wos va dʼortsjes! De joenge brakke goeng no ze vådere èn i zej: “Våder, gée mʼ osjeblief ʼt chelt da me toekomt, ʼt part va moeder zåliger!” De våder schuddege zen hôofd èn zej: “Joengen, joengen, je lop no jen oengeluk!”—“Ba ʼk en doe, antwordege de kwåpèrte: lat et min mo riskieren!”

È je kréég ze part! È je goenk nor en vèrre stréke, olover ʼt [33]zeitsje! È je wos nog mo fine ʼt gat üt, of je begoste va ze gèld te léven, lik God üpt Sas! Olie dågen schinken è drinken, smeiren en teiren mè de schonste nichtsjes, è ze traktéren mè tartsjes è spekken è gŏedewèrk.

È ja, è dat en kostege azo ni lange deuren: ze portekadee gerocht olichte léég, ze kleiren vielen in slunsen, je zach ter üt lik ne schooier! Mè véle rooi kwaamp i te lange laste bi nen beistekŏpman in de kost: mor in platse van olle dågen ze bükstje goe vul te krigen, wos ʼt årmoe va god za mʼ zégen! En os zen dèrmen grolden, je mochte nog üt den trog va de zwins ni mêe éten! Mèd ol ze werken è vroeten ât en, os ʼt ol te fin effekte kwam, nog gén någel om ze gat te krauwen! ʼt Wåter liep va zen èrte, os ʼt en an ʼt üs pejsde, wo dat de knechten åten è droenken è tafeltje-dèk-je spéélden! Wo dat de stüten zo vèt gebutterd waren, è ʼt Roesselaersch bier zo lèkker!

Tŏe tat en up ne schônen dag ol zen koeråže in zen ʼanden paktege, è no ze våder goenk è zej: “Våder, ʼk èn ol me geld vertsjoekt; ʼk zin te vül dan ʼk nog je zeune zoen kunnen zin: mo lat me bi joen blüven voe knècht!...”

“Wei, joengen toch!” riep ze våder: ”è je zoe tog ni willen zéker! Gée me zeire en tóóte: ʼk èn tog zo lange no je gewacht!” È je kréeg nieuwe kleirs en nieuwe sluffers an: è je wos wéer de zeune va ze våder!

Het Brabantsch vormt den middelterm tusschen het Hollandsch en het Limburgsen; en onder Brabantsch verstaan wij hier het Westbrabantsch, het Antwerpsch, het Aalstersch, het Leuvensch, het Oostvlaamsch. Wij wezen op de overeenkomst met het Oost- en Strandhollandsch. Maar slapheid van artikulatie verbindt de taal van de afstammelingen der Salische Franken toch ook met de Zeeuwen, die zij immers ook zeer nabij staan in volkstype en in innigheid van temperament. Op gemeenschappelijk Keltisch substraat wijst, behalve de eigenaardigheid van de behandeling der finale n, [34]de herhaling van het persoonlijk voornaamwoord vóor en na den werkwoordsvorm: ik-ekik enz. En anderzijds verbindt hen de Keltische toon, de lossere volksaard, het sanguïnisch temperament weer met Limburg. De bonte staalkaart der Brabantsche dialekten—mag ik even wijzen op de voortreffelijke behandeling van het Aalstersch door Prof. Colinet en van het Leuvensch door L. Goemans?—is het reflex van hun sterk-uitgesproken gemeenschapszin, van hun aanhankelijkheid aan stad en dorp, van de versnippering van hun grondgebied.

Leuvensch.

(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven door den Heer Frans Smeesters, stud. litt.)

De Koeisjieters.

(Leuvensch Verhaal).

In dânen tâd (tijd) waz et spel nogal dikkels de woegel oep4: den iene kie woere de Sponjoede mister, dan wee dʼ Oestenrâkers, ofwel probeede de Vloinderiers den boes te speele. Et was altâd e wa fes: vechten en battere zonder oepaave. Te Leeve woere zʼ oek noet ni grist. Moe ze woere der doevee oek oep verzien, zelle: dʼ iel stad was oemringd mee vestinge mee dikke mieren oep. Doe kost niemand in och uit de stad nit, as dee de poote on de groete stieweege en dâ woere bewokt dee saldoete.

Oep ene kie aa ʼt er wee lilek gespanne en wit er van iene pas gebrand en gemoet: ʼt was tege den oevend, oep den Eksentoore, woe da naa de luibank stoet oep den boelvar Remie. Da was doe de verstêreking van de Brisselse poot; ʼt kloester van de Sellebries stont doe toen nog nit achter en doemee kost de schilwacht van doe den ielen Brisselse stieweg overzien tot on den Azeren bereg, mee klier wier. Zoe tisse licht en doenker ziet dâne woeker iet van den Azeren bereg af kome gelak en troep saldoete, [35]mee witte broeke en doenker jasse: “Da moette dʼOestenrâkers zân!”

Rietepakie loept em den tooren af en goet de wacht verwittege. De poot wed toegedon en nen troemelier loept de Brisselse stroet af vee de garsevik bojien te troemele: al et folk kwam boete gebetteld en dʼiel stad stond oep en ing. ʼt Was er e lieve van den elsen dievel: de joengelen on ʼt blête, de vraalie on ʼt jenken en de manne roepen en tieren onderie.

Twie boemkeetels woeren oep den Eksentoore geplaceet en de saldoete mee donderbissen en gewiere doeneffe. Tisse de boeme zoege ze dâ witgeplekte troep oep eer zeevetien gemakken afkome, jist ofda zʼ oep wandel woere. Na was doe iene van dâ manne, die janfatoet wilde speelen achter ze sjietgat. Zonder noe de kapetaan te wachte sjit em ze gewier af flak in den troep oep de stieweg. Zoe gaa as dʼ ander dad oede begoste zʼ oek te sjiete: tot iene van de boemkeetels toe goenk mee ne lileke slag af!

Dʼ Oestenrâkers stoven oetien last alle kante: e stik of twie kwoempen in volle charge oep de stad afgeloope, woe dat de verschrikte Leeveniers zoege daddet koeie woeren in ploits van saldoete.

Seedert toen widde de Leeveniers Koeisjieters geiete!

Bredasch.

(Uit Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 328).

Breeë wiele.

(ʼt Zuiden van de Baronie van Breda).

A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart?5

B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?

A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze dʼn earste van dʼaander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.

B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: dʼaambachte [36]kunne ʼt ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?

A. Van mʼn éán kèr wel; die heʼk mee breeë wiele laote maoke, al vur ʼn jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee dʼaandere möt ik er nog aon.

B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur dur ʼt zand te rije, jonge, davvur zen mʼer mee vernukt.

A. Da sa ʼk nie zegge: mee de breeë wiele zulde zoʼn groate gaote nie in ʼt spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.

B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane vast zit, as ʼt nat is.

A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne dörsvloer.

B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen.

A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want dʼn weg zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan gʼn gaote en kuile mar zulle gemakt worre.

B. Mar in dʼn baomus dan, as ʼt nat is, dan zulle ze toch wel blijve steke.

A. Da sa ʼk nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus den healen dag mis gereeë mee twea kère dur ʼn heal nat straotje, en ʼs aovus waor dʼn weg nog net zoo goed as ʼs maregus mar we haaie ʼt spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde gʼn gaote rije, en dan zulde ʼt mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze gʼn smalle raoje mar verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas zʼ aomaol der wiele mötte laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze ʼn paor wiele vur niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur ʼn goei ding, die breeë wiele.

B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee nun os rije? Die kunne, as ʼt nat is, toch ginnen weg. [37]

A. Jao, jao, genog; mar ʼt is vur hullie èrig, omdas zʼ in de zak zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel over kontent zen.

B. ʼt Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik ʼet geloaf.

Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van Benrather linie, omdat zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens; westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg, en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.

Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch) eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde Uerdinger linie, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving breken: ik bedoel de verschuiving van k tot ch in de woordjes ik en ook. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus ik en ook hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende, Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem, Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men ich en auch zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen, Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel, Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, [38]westelijk en oostelijk eindpunt der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le nord de la France (Bruxelles 1895—98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.

Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt, onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie, evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich, is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd, en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. ald (aald) en kiend, en doorgaans bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët (of bleiëk, doeëd enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van î en û, dus: mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes. In dit dialektgebied vertoont een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree, Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.

De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het Mich-kwartier, een benaming, die uit België schijnt afkomstig te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven mich en dich zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier ich en meestal auch (ook). Te Winkel [39]spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche sk, die in het Friesch haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier gepalataliseerd tot sj, dus Friesch: skaap, Hollandsch: schaap, Roermondsch: sjoap. Deze palataliseering vindt men ook op de Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze spirant s in de klankverbindingen sp, st, sl, sm, sn en sw tot sj geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie noemde ik de Panninger linie. Het ruimere gebied der palataliseering van sk tot sj wordt begrensd door de Panninger zijlinie. Zie hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgsʼs Jaarboek XIII, bl. 229; Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905); L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh (Utrecht 1901).

Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsen af en de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie—tabaksbewerkers, leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers [40]tuiniers6—talrijke sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere psycho-ethnische verwantschap zich handhaven.

Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met die van het enkelvoud; b.v. bal: bel; kop: köp; knoak: knök; enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs, wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal spreekt: men zegt dan “dat hij zingt”. Er is natuurlijk verschil tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en simpele bewering,—een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie bij het zwakke praeteritum—veelal van palataliseering begeleid—, waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende assimilatie vertoont; b.v. pakte: pagde en pagdʼe7; danste: danzde. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel, dat allicht met het accent in betrekking staat.

Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op -têre: loupentêre, lachentêre enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen, Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid vindt. [41]Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum 1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder de isethnenkaart.

Venloosch.

(Fragment uit “De Sage uit het Ven”, Limburgschʼs Jaarboek VIII, bl. 63, eenigszins gewijzigd).

Jan en Helmus oêt ʼt Ven.

Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf, en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis, dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë raagde, hoarklein kinde. Bij de Venlu stȯnte veur gelierd, want hê kȯs in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij ʼt vogelschete in ʼt Kraneveld, en eine kier bij ʼt rieje van de gaas aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,—des neet in de weeg, wie?

Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp, dêje veur zes vette kukes ʼs joars, aan ʼt hoês Caan in Stroale te levere, gepach had. ʼt Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke zoeë laat azzet gong. Veur de lȯchtigheit zote eeder eine lichte vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje, en daobij twieë tuite bȯtermelk, die ze op de gebroekelike meneer mit reemkes aan de heizigs gebȯnde euver den rök hȯnge.

Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein [42]ind meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge wiedluipige zȯmpe en peul, dich begreuid mit luus en reet en umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as ʼt gekwaak van de kikvors en ʼt gesnater van de ênde, woavan der soms ʼn klȯch oêt de zȯmp opvloog.

Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure knapzak tösse einen berke stroêk en begȯste te hakke. Jonk en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze ʼt struitsel in huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome de heizigs weer op de schouwers en gȯngen noa den hoaf truuk.

Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van ʼt brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opsprȯnge. Maar klam hadde ze den Arenborg en Genroai achter den rök, of doa, aan einen tȯmp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus en gejuister in de lȯch te hure. De mood zagden—um in de hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: “baas, kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin, dê lammenteert!”

“Jȯng”, zag Jan, “zêgen dich en bêj eine Vaderȯns, det ȯs gei kwaod euverkump. Ik weit wê ʼt is.”

Doe magde ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus, woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van Besjes hoeëg linde in ʼt verscheet krege, veel eur de de schrik van et hert en doe vroog de knech: “baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de man mit ziene wage zien, dê nȯw en dan door de lȯch riet en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?”

—“Precies jȯng”, zag den ander, “hê was et. Hazepoeët de Schelm, dê de loeën van de werklu achterheel.

“Zien straf is nog neet oet; zoolang mȯtte mit ziene gleujende [43]wage door de lȯch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.

“Nȯw is ʼt te laat, maar ezȯndaag zal ik dich zien hieël historie waal ens van nödje tot zö̂kske vertelle, ik kin ze”.

Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch zijn ook woordenschat en syntaxis van het grootste belang, vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans, op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche tongvallen; enz.

Hier liggen inderdaad “schatten van de volkstaal” opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook weer koen-vooruitstrevende [44]in het leven der taal. Archaïsmen, ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche “met bed en bult vertrekken”, waar bult nog de beteekenis heeft van het Middelnederlandsche bulte, bult “stroozak”; de uitdrukking “van het bed op het stroo komen” herinnert aan een overoud lijkgebruik (I, bl. 290). In het Sallandsche: “hi kan lêzen en broodsnieën”, d.i. hij kan twee dingen tegelijk doen, heeft lêzen de oude beteekenis van “bidden”. De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als “van den hak op den tak”, waar hak nog de oude beteekenis bezit van “krommen tak”;—“hij heeft kind noch kraai”, waar kraai “den kraaier” beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch samenhangt met het Latijnsche canere “zingen”;—in “kap en kogel verliezen” is kogel de halskraag;—in de zegswijze “wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus” is het lid de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen, vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.

De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men zegt dus niet: “vaders jas”, maar “de jas van vader”, of “vader zijn jas”. In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: “het is droevig en droevig”; en zoo vervangt men ook het bijwoord: “het gaat beter en beter”, d.w.z. steeds beter. Het woord beter wordt echter ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen komparatief beterder. Het meervoud, of liever het begrip “enkele”, vindt men niet zelden omschreven door “een of twee”, of door “een gas”, “een koppel”. Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een bijwoord als “misschien” of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden tijd gaat in de volksvertelling [45]hard achteruit. Meestal bezigt men het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor het plusquamperfectum: “wij waren geweest, wij hadden gezien”, voor: “wij zijn geweest, wij hebben gezien”. Deze meer dan voltooid voltooide tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord (zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen dan in de kultuurtaal.—Daarentegen beweegt zich een tot indirekt reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting: “zich een pijp rooken, zich een glas drinken.”

Het terrein der werkwoorden doen en laten strekt zich in de volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie (natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord gaan in de Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar goan: gaan; sjoksen: loopen en in de knieeën zakken; snoksen: de voeten bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten; gèspelen: draven; flearen: het vlug en driftig loopen eener vrouw; zobben: op een draf loopen met zwaren gang; bizzen: vlug loopen; bozzeken en foddeken: vlug met kleine passen loopen; sabelen: vlug met groote stappen loopen; schriêden: stappen; loopen; kuiern; hompelen: gebrekkig loopen; strompelen; geiselen: zoo vlug mogelijk loopen; drapsen: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; striéken: flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; steigern: met den neus in den wind loopen; tippeln: licht loopen met vluggen tred; krummeln: langzaam met kleine passen loopen; pladdeken: met bloote voeten loopen.

Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming [46]vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt, behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor drinken aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher, XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): Bekeren; pimpelen; borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen; gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen; sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften; kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen; swijnswansen; swijnswollen; slampampen; enz. enz.—Typisch is ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal; het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De jonge ganzekuikens met wiede-wiede-wiede-wiede (of wiele enz.); de eenden met piele-piele-piele-piele; de jonge kippetjes met tik-tik-tik-tik-tikketikketik. Het roepwoord wordt, naar men ziet, meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen: tuut; op de jonge katjes: pie; (het roepwoord voor oudere katten is poes); op de geit: sik; op de jonge schaapjes: suuk; op jonge kalveren: kies; op het veulen: siesken; op de koei: hooi. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt, die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.

Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen, die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven, als: ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads! jóngesjóngens! dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning op te heffen; men denke aan “niets niemendal”. De Maastrichtenaar kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke met het is samengesteld, dus joa en joat.

De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen [47]uit het gemoeds- en geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover, dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het begrip “loopen”. Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.

Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het volk elken kleinen vogel een musch, evenals de Amsterdammer over een finkie spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord musch, hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het “vlieg” beteekende (musca), heeft een groote uitbreiding, een verwijding van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen als synoniem van “kleine vogel”. Of liever, het heeft “vogel” in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel koarerakker, te Lottum koarevrêter, te Blitterswijk koarepikker of koarejietser (Limburgsch jietsen is synoniem van biesen, d.i. “vlug loopen, vliegen, schieten”), te Swolgen korepikker, te Swalmen en Neer guut (guit), te Niftrik huiskrits, te Groesbeek huusklets, te Grubbenvorst floets, te Maasbree schroep, te Helden hoeskets. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke, vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche Spatz, een komische kortnaam voor Sperling. Hoe rijk [48]vertoont zich hier de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend beeld zullen kunnen geven.

Een ander voorbeeld. Voor “kikvorsch” kent het volk de benamingen kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak (Panningen), maar ook kikbil (Wanroy) en peddemoeëk(Weert). “Êrst kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj”, meent men te Beegden, en te Lottum gaat men hiermee akkoord: “Hê mint enne kwekvôrsch te zien, en hên is nog genne pannestart.”

De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde moederkoren (secale cornutum), dat bij bevalling medische toepassing vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk bekend. Maar het heet ook wolfskoare (Maashees), wolvepitten (Reusel), wolfstand (Nifkrik, Wanroy), doevekoare (Weert), mössekoare (Panningen), pèrdentaand (St. Anthonis, Deurne), krog (Berghem), duvelsköre (Swolgen), brantj-in-ʼt koare (Beegden, en met fonetische wijziging te Mheer).

Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer behooren wel de benamingen van den vlinder in de volkstaal. Men treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen met -vogel aan; zoo b.v. zomervogel, roevogel, pannevogel, pennevogel, kapelvogel (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot kapel, fenienvogel (rupsvogel) enz.; elders komen namen als kog, en snuffelter voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit het Romaansche taalgebied drong het woord pepel binnen, zooals onze isethnenkaart aanwijst.

In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting, die zich hier uit in de parataxe of nevenschikking, waar wij in de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van: “Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven”, konstrueert de man-uit-het-volk: “Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven”, of: “Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek”. Opvallend is ook de voorliefde [49]voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt: “Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik”. Hier speelt het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking, zoo b.v. in het boven aangehaalde: “wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus; —die eerst komt, die eerst maalt”. Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is, b.v. in de spreekwijze “hê geit heim” (Zuidlimb), voor “noa heim,” d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als “jaar” en “dag.”

Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden alsdat, alswanneer, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten, resumeerenden vorm: “Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen, dàt is het stellig niet”. Of ook: “Piet moet maar blij zijn; dàt moet-ie.” Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.

Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt hij—nog afgezien van gebarenspel en mimiek—krachtige, ja pikante uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid en vrijheid.

Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in de straatroepen: “Haal Zeeuwsche mossʼle, ze benne zoo fijn”, —“leest burgers, leest”;—“kom nou, juffrouw, kom nou”;—[50]“elft as zalm”;—“rapen as kinderhoofies.” De term “haal” is van ouds typisch in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: “En vier cent het pond, riep en rond.” De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te St. Joos-ten-Oode roept: “Mosselen, álderschoónste mosselen!”

Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen, omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de hartslag zijn van elk levend taalorganisme.

II. Onze plaatsnamen.

(Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen).

De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken, van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van Klein-Azië, en van het Zuiden [51]van het Balkan-schiereiland en de eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.

Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van de Nederlandsche volkskunde.

1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. Gerhard “de sterke met de speer”, Adelbrecht, “de schitterende door adeldom”, Everhard “sterk als het everzwijn”, Wigburga “steun in den slag” enz. Van Gerhard (of Hardger) is dan Gero de verkleinnaam, de vleinaam (epicoristicon), streelnaam of kortnaam die, wat de funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch gemeengoed is.

Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie (Heribrand, Hildebrand en Hadubrand: grootvader, vader en zoon in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.

Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch, b.v. “hij moge sterk zijn als een beer”: Berinhard; maar later werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig verandering. De Christelijke doopnamen [52]drukken het heuglijk feit der wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk—afgezien van de namen, die een heidensche godheid aanduidden—ook hier een Oudgermaansch gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde keeren. Slechts enkele malen vinden wij een Stephanus, Nicolaas, Johannes of Christianus, tusschen de Germaansche benamingen als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone verkorting, vanwaar de namen Otte, Huig en Koen ontstonden.

Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de namen vermeld van Jacob, Katerine, Pieter, Clare enz. naast Garbrant, Dideric en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen gevoelen. Zoo krijgen wij dan:

a. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde Dieuwer in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm Thiadewara; Guurtje is waarschijnlijk uit Gundrada ontstaan; Ermpje is kortnaam van Ermengaarde. Men denke nog aan Wendert (Windhard), Jelbout (Ethelbold), Nanning enz. Over het groot aantal voornamen in Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859, bl. 49.

b. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche [53]namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus Wilbert, Willebrord, Wille, Wilfried, Huibert, Huib, Hille (Hildebert en Hildegundis), Siegfried enz.

c. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn o.m. Pieter, Maarten, Trijne, Klaas, Aagje, Teunis, Nijs (Dijs, Denys, van Dionysius), Tijs. Ook Arie en Adriaan, verkort tot Janus. In België vindt men o.a. Janus, Baaf, Albrecht, Bert, Geertje (Geertrui) en Roelke (Rolendis), die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke Vlaamsche Akademie (Gent 1902).

Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum 1915): “Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn” (bl. 16).

Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem 1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids, Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 124 vlg. [54]

2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam; maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.

Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep, van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken, vooral ten platte lande. Men noemt iemand: “Jan van Piet”, of “van Pieten”; “Klaas van Trijn”, of “van Trijntjes”; men spreekt van “Dirk den Schilder”, “Jan den Mulder”, “Willem den Slager”; men heet iemand “Klaas van den Molen”, “Jan van de Brug”; en vooral in het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door den naam der hoeve, waar hij geboren is: “Zandhof Willem”. “Kees van den Krom” is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in “Mottige Willem” dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg naar den geslachtsnaam.

Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het Germaansche achtervoegsel -ing, dat de beteekenis aannam van “behoorende tot het geslacht van.” Zoo ontstonden [55]de namen der bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merovingen, de Carolingen, de Capetingen. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische geslachtsnamen Benning (zoon van Benno), Nolting, Budding; de Saksische Geerdink, Abbink, Eggink; de Friesche Stallinga, Idsinga, Hattinga.

De patronymica gaan uit op -zoon (-sone, -soen), -son, -sen, -se, -s: Jansen, Harmsen, Japikse, Bartels; maar ook op -en, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op -ens, een jongere vorming; deze -en wordt als tweede naamval nog gehoord in het Strand-hollandsch, waar men spreekt van “Dirken waegen”, “Krijnen dochter.” Zóó ontstonden de namen Huijgens en Huijgen. In namen als Smaassen (Maas ontstond uit Thomas) gaat de s aan den genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak het voorvoegsel ser- (des heren) en ver- (der vrouwen): Serclaes, Vertruyen.

Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft van als voorvoegsel, gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus of: Van Deventer, Van Vlijmen, Van Wamel, Van Schijndel of: Van Dijk, Van den Heuvel, Van den Berg, Van der Molen, Van der Heide. In plaats van de praepositie van vindt men niet zelden aan en in, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de Limburgsche geslachtsnamen Aangevoort, Aengenent, Ingendael ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als Van den Eerenbeemt, Van de Cleemputte, Van de Crommenacker enz. vindt men meestal in ons zuidelijk volksgebied.

Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen De Lange, De Vette, De Jong, Mooi, Blauw, De Wit, De Bruin enz., maar ook: Langbeen, Spillebeen, Crombeen e.a. Vele dezer familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: In de Swaen (De Swaen, Swaen), Van der Ploeg, Van de Wijnperse, Spillemaeckers, Brouwers, Smids enz.

Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer [56]vaste geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.

Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede naamvals-suffixen -inga en -a; maar ook op -ma, d.i. man, met de beteekenis van “zoon, afstammeling, hoorige”; terwijl -stra dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te vormen, b.v. Dijkstra. Verder vertoonen sommige op algemeene wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen, als Sikkes en Doedes, andere zijn met typisch Friesche woorden samengesteld. Zoo beteekent Soepboer: karnemelkboer; Bouwfeint: knecht van een landbouwer; Skriemer: iemand die weent of schreit.

De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de geslachtsnamen op -sema: Geertsema, Ilpsema. Eigenaardig zijn de—trouwens ook Friesche—namen met den uitgang -ker, -tjer, die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden: Veenker, Woltjer (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal namen, dat uitgaat op -huis; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en niet aan personen eigen: Bolhuis, Dijksterhuis. Drente sluit zich bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt door de patronymica op -ink en de voorzetsels ten, ter, te, antwoordend op de vraag: “Waar woont gij?” B.v. Ten Bruggencate. In Overijssel ontmoet men de namen op -belt, kleine hoogten in het veen, b.v. Knottenbelt. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen, en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het monosyllabisme: Top, Pot, Pan, Pont, meestal wel teruggaande op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland, Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op -mans: Heuvelmans, Mosmans. De Westvlaamsche gaan vaak uit op -inck, -ynck, -incx, b.v. Teirlinck, Hebbelynck, Warblinckx. Op [57]Frieschen inslag wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland weervinden.

Natuurlijk wijzen ook namen als De Smed (smid) en Temmerman (timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer Zulver (zilver) op Noord-Holland, Groenewolt, Saverkoul, Eekholt op het Oosten van het land, DʼHaese, DʼHont op België. Zie vooral het boven aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen; verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen, Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII, bl. 122.

3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5 van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem, Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude Coriovallum, en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: Edana, Adanhe (Först. 510); Edesthorpa (Först. 509); Adingamore (Först. 137), Antwerpen; verder Carambunt, Adrichem (Först. 138). Van Holland wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische volksplantingen vertoonen, b.v. Pitelinghem, Addingahem. Zie ook K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover—Berlin 1909), maar met omzichtigheid te gebruiken. [58]In Holderʼs Altkeltischer Sprachschatz vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897), bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897, 2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen Gennep, Epe en Velp, die op het wellicht Keltische apa “water” berusten; en verder op Thuine bij Lingen, dat in ʼt jaar 1000 Dune heette.

Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij Santpoort: Sancta Porta; Kestre: Castra; en Kemenade: Caminata. Maar het overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen, vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit persoons- en familienamen ontstonden: Stevenshuis, Hendriken, den Egberink, Wesselshuis; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf: de Karsman, de Kistenmaker, de Roodververij, ter Meulen, Timmerije, Smitterije. Het Limburgsche dorp Reuver, eigenlijk Den Reuver, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk toebehoorende aan Johan de Rover. De Enkevoort, een hoeve onder Baarloo, is naar de Enckevoorts genoemd; zie Limburgʼs Jaarboek II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar, van wien men ze in pacht heeft, b.v. Sandershof.

Een huis bij de oude landweren heette Landweer, en nabij de slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam Runneboom. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als Nachtegaal, Koekoek, Snip, Pedde; maar zij kunnen ook op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als Oelenhorst en Kraaienbelt. Zoo ook Valkenborg, Bijenhof, Voskamp. Van omgeving en ligging vertellen ook Lindeboom, Eikenhof, Sparrendaal, Hageveld, Muggebroek, [59]Hulshof, Veenendaal, Lovendaal, Leemkuil, Stuivezand; aan bepaalde gebeurtenissen herinnert wellicht een naam als Jammerdaal.

Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming uitgedrukt, vanwaar namen als Vaarzenweide, Schapenkamp, Schaapsdijk, Ossenland, Bulven d.i. het stukje land, waarop de stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd tot Bultenven. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar, waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet altijd ook van naam verwisselt: Heintjesven, Louwesakker; weer andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: Steenkamp, Muizenven, Vlietsven, Ilpakker, of worden bepaald door hun vorm: Lange Stuk, Tweebeen, Splitkamp; enkele namen zijn ook historisch, als Galgeland, Schinderskuil, Paaschweide, en eveneens Spaarpot, Koekepan, Kibbelaar of Twistgrond. Zie vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. Achterklapspolder, Boerenverdriet (waar de boeren met hun groenteschuiten lang moeten wachten), Kijfhoek, Kostverloren (als de aanleg onnoodig blijkt), Pannekoek, Schuddebeurs (die veel geld kostte), enz.; zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901), bl. 270.

Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner slechts aan Barneveld, Meerveld, Pijnakker, Franeker, d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als ʼs Heerenhoek, Zandkoek, Zuidhorn, Plorn, Uithoorn, waar horn de beteekenis heeft van “hoek”.

a. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en [60]rampspoed, van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen in de plaatsnamen.

-Dam: Amsterdam, Zaandam (uit Zaanredam), Appingedam; -dijk: Odijk, Langendijk, Dijken; -sluis: Maassluis, Nieuwersluis; -rak (strook lands langs het water gelegen): Langerak, Gouderak; -beek: Oosterbeek, Bierbeek (Zuid-Brabant), Hilvarenbeek (Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk; -meer: Diemermeer, Meerkerk, Boxmeer; -monde (Frankische vorm): IJsselmonde, Rupelmonde, Roermond, Helmond; -muiden (Saksisch-Friesche vorm): IJsselmuiden, Cellemuiden, Genemuiden, merkwaardig in het Zeeuwsche Arnemuiden en in het Westvlaamsche Dixmuiden; -broek: Lutjebroek, Oldebroek, Bennebroek, Broekhuizen; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met “ouwe” in Rijnouwe en landouw): Renooi, Wadenooien, Genooi; -waard, weerd, voord (ingedijkt land): Zandvoort, Bekevoort (Brabant), Lichtevoorde, Amersfoort, Bolsward, Valkenswaard, Weert, Stevensweert, Bredevoort, Westervoort. De namen op -voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als Heerewaarden; -vliet: Poortvliet; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat “water” beteekent): Breda; -veen: Rouveen, Venloo, Loven, Zutfen; -zijl (sluis): Delfzijl, Blokzijl; -veer: Wormerveer; -polder: Willemspolder; -brug: Brugge, Diemerbrug enz. Onnoodig hier te gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover de rivier de plaatsnamen karakteriseert.

b. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): Woudenberg, Berkenwoude, Katwoude; -wolde (Saksische vorm) Ruinerwolde, Finsterwolde; -bosch: ʼs Hertogenbosch, Oudenbosch, Neerbosch; -haag: ʼs Gravenhage, Prinsenhage; -hout: (Frankische vorm): [61]Voorhout, Aardenhout, Oosterhout, Turnhout; -holt (Saksische vorm): Posterholt, Engelanderholt; -horst (dicht kreupelhout, struikgewas): Horst, Nederhorst, Staphorst; -veld: Meerveld, Barneveld; -akker: Pijnakker, Franeker (Vroonakker), Oostakker.

c. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats de namen op -kerk: Oudekerk, Lekkerkerk, Grijpskerke;—maar ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel (van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van “kerkgebied”): Bovenkarspel, Weesperkarspel; -parochie: Sint Annaparochie, Jacobiparochie. Groot is het aantal plaatsnamen, die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: Sint Nicolaas, Sint Truiden, Sint Anne ter Muiden, Sint Joris Winge (Z.-Brabant), Sint Odiliënberg.

d. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid: ʼs Hertogenbosch, ʼs-Gravenhage, Zierikzee (waarschijnlijk verkort uit Zierikseport, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik), Stevensweerd, ʼs Heerenberg, Hillegom, Doetinchem: huis van den zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen op -burg: Middelburg, Doesburg, Valkenburg en, met behoud van het oude, vrouwelijke woordgeslacht, Terborg.

e. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad: Katwijk, Nieuwpoort, Beek en Donk, Raamsdonk (deze soort vooral in Brabant), Noorddorp, Willemstad; -heem, heim, veelal verkort tot -hem, -em, -um, -om: Heemstede, Herdershem, Reckhem, Hattem, Woudrichem, Sassenheim, Haarlem (Heslehem), Heukelum, Heelsum, Hillegom, Bennekom (Benninchem).

f. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I, bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.

g. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen, maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige eenheidsfiguur. [62]Over den aard der nederzetting en vestiging vertellen ons: Ureterp; Poppingawier, Oosterwierum, Engwier; Holwerd, Rauwerd; Gaasterland; Grootegast, Lutjegast, waar gast evenwaardig is met het Hollandsche geest, b.v. in Endegeest, Oestgeest. Ik vermeld nog: Tietjerkseradeel (tjerk beteekent kerk); Oostergo (gouw); Weststellingwerf (stelling beteekent rechterstoel); Abbega, Oudega (ga, gea is dorp); Munnekezijl, Pieterzijl; Koningsdiep (diep is een kanaal of gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.

h. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt, die met den datief is samengevallen; b.v. Venendaal, d.i. -dale, Bloemendaal, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook Nieuwersluis, Ouderkerk; en verder Den Haag, Den Helder, Den Bosch; eindelijk de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen enz., b.v. Groningen, Voorschoten, Vollenhoven, Veenhuizen, Kloosterburen, Steenbergen. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel te, de proklitsche vorm van toe (mag ik belangstellenden even wijzen op het verwante Oudlatijnsche en-do?), b.v. in Terborg, Terneuzen; ook op komt herhaaldelijk voor: Opbroek, Opmeer.

Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken, plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest, die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere plaatsnamen,—even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp, de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische, folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.

Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht, -rode: rade.

Loo is de oude vorm voor “akkermaalshout, eikenbosch”. Wij vinden het in plaatsnamen als Venloo (Veenbosch), Corbeek-Loo, [63]Tremeloo, Baarloo; maar ook in Grolle (naast Groenloo), Wamel (uit Wameloo), Gorsel (uit Gerstloo), Pamel, Steenhuffel enz. Den uitgang -drecht vindt men in Woensdrecht = Wodani Trajectum (I, bl. 90), Papendrecht, Zwijndrecht. Somtijds beteekent het “veer, overvaart”, andermaal “drift”, d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische cht uit ft, zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche traiectum, als in Woensdrecht en eveneens in Utrecht en Maastricht, wordt beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.

Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt zijn wel de plaatsnamen samengesteld met -rode en -rade. Zij herinneren, evenals die op -woud, -holt, -loo, -horst, aan het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk land heette rode of rade. Zie over dit onderwerp vooral Gallée, Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352; Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.

Wij weten, dat de marke een grensland was, een binnen bepaalde grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit overgingen. Rode en rade drukken dus den aard der werkzaamheid uit èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer, daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen met -rade bezuiden de Uerdinger linie, dus in Ripuarisch Limburg, het meest voorkomen: Asenraai, Bingelrade, Doenrade, Vaasrade, terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den vorm -rode vertoont: Brederode, Berkenrode, Sint Oedenrode. In België vindt men, met uitzondering van Rade bij Lembeek en Rath bij Antwerpen, uitsluitend rode: [64]Sint Pietersrode, Nieuwrode, Waanrode enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis, vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op -rade eigenlijk slechts in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant, Holland, Zeeland en Utrecht vindt men -rade zoo goed als niet (merkwaardig is echter de groep Venray, Tienray, Castenray). Ook in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op -rode en -roth verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke richting heerscht pariteit tusschen -rode en -rade, tot in Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke rode-groep.

Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat, terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.

Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent 1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek der Middelnederlandsche Geographie2, passim; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 59, [65]vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman. 1897, bl. 48.

4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de onbewuste benamingen—wat betreft het doel der naamgeving—ook de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren Langstraat, Hoogstraat, Houtstraat, Beekstraat, Nieuwstraat, Breestraat, Varkensmarkt; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit kende: Utrechtschestraat, Naamschestraat, Mechelschestraat, Haarlemmerstraat. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo b.v. Bemuurde Weerd (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden de stad. Historische namen zijn niet b.v. Waterlooplein of Plein 1813, maar wèl de Venloosche Keisersgats (steeg, vlg. Gasse), waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe behooren ook—of zullen behooren—de straatnamen, die wijzen op kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: Mariastraat, Jansstraat, Minrebroederstraat, Agnietenstraat,—ik behoef hier slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan historie! De Utrechtsche Keistraat schijnt haar naam te danken aan het huis De Krakeling, door Jonker Meyster gebouwd Achter Sint Pieter, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht; zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger Kijk-in-ʼt Jatstraat schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een zonderlingen kop, waaronder de woorden: “ick kick nog int”, dat moet worden aangevuld door: “in ʼt jat”, d.i. ik kan nog in de straat zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden wij in de straatnamen ook tal van verouderde [66]vormen, b.v. rak in Damrak, met de beteekenis “strook land langs het water”, en in het Venloosche Schriksel, immers het werkwoord schrikken, Middelnederl. scricken, beteekende oorspronkelijk “met groote passen loopen”, ook “springen”, men denke aan schrikkeljaar. Het Hasseltsche schrikschoen beteekent “schaats.”

5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de Einheitsdruck genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort, en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is nu eens initiaal, dan weer finaal. Rust de klemtoon op het eerste lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over het eerste lid als ʼt ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel, dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is, dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan “in éen adem.” Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik (Leipzig 1904), bl. 175, 212.

Bij woorden als bloémkrans, áchterdeur, uítpakken, in tegenstelling met burgemeéster, volvoéren, misbruíken, verpákken is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door Prof. Niermeijer over “De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen” in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld. [67]

Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt; zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf, òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op voldoende wijze bepaalt.

Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal duiden. Men zegt: Kérkstraat, Maásstraat, Vleéschstraat enz.; maar Maaspoórt, Keulschepoórt, Gelderschepoórt, Roermondschepoórt, en eveneens Oude-márkt, Ariënsplaáts, Hakkesplaáts. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: “die of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats”, welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg onmogelijk te zeggen: “hij woont in de straat”. Zoo kan men ook best zeggen: “hij woont op het Schriksel”, en daarom draagt bij samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling niet het initiale accent: Maasschríksel, Helschríksel. Slechts als antwoord op de vraag: “Op wèlk Schriksel?” zal het antwoord luiden: “Op het Maásschriksel” of “op het Hélschriksel”. Maar waarom dan Moésmarkt (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het eerste lid tot het voornaamste maakt.

Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd: Heerengrácht, Prinsengrácht, Martelaarsgrácht;—Torensluís, Weteringscháns, Nieuwendíjk, Zeedíjk, Muiderpoórt, Weesperpoórt, Waterloopleín, Marinierspleín, Nieuwmárt. Het meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het accent. Maar: Heérenstraat, Prínsenstraat, Kálverstraat, waar straat ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel geworden is; en eveneens: Bótermarkt, Áppelenmarkt. Schijnbare uitzonderingen zijn Utrechtschestraát, [68]Leidschestraát (evenals te Leiden Haarlemmerstraát), omdat straat daar oorspronkelijk de beteekenis had van “straatweg”. Ook het initiale accent op Káttenburg en Wíttenburg is goed verklaarbaar, omdat -burg alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het accent op de samenstellingen met steeg betreft, dat hangt af van een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt men het met gracht, plein op éene lijn te stellen, en zoo spreekt de Amsterdammer dan ook van Halvemaansteég, Torensteég, Balkinhetoogsteég, Heintjeshoeksteég; te Rotterdam daarentegen schijnt men te accentueeren: Mólsteeg, Hoófdsteeg.

Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: “Hij woont op den Dam, in de Meer”, vandaar: Amsterdám, Watergraafsmeér, Enkhuízen, Blokzíjl; maar: Voórburg, Veénendaal, en eveneens Vénloo, Óploo, Héngeloo, Zwíjndrecht, Dórdrecht, Sássenheim, Núnhem, Aúdergem (Brabant), Sint Oédenrode.

Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent, veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest, afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen hun woonplaats b.v. Genemuíden, omdat de naam voor hen tot simpele aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden, om de plaats van andere op -muiden te onderscheiden, en dus zeggen: Génemuiden.

6. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks- en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw [69]besloten-zijn binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen aanleiding gaf.

Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als Leeuwarder Galgelappers en als Dokkumer Garnaten hoort uitschelden, en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de namen van Koeketers en Muggen toevoegden,—men moet ook open oog hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen, dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.

De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winklerʼs Studiën in Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de Friesche en Vlaamsche gewesten.

Friesland. Leeuwarden: Speknekken en Galgelappers. “De Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale [70]waden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van Leeuwarder Galgelappers tot ʼe dag fan fandaag toe.”

Harlingen: Tobbedounsers, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger stoffenverwer als ʼt ware te dansen stond in de tobbe.

Sneek: Dúmkefretters. Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak in vorm en groote als een mansduim.

Bolsward: Oaljekoeken (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).

Hallum: Koekefretters.

Dokkum: Garnaten (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.

Franeker: Klokkedieven, omdat het wapenschild hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater, Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen dezen naam.

Ameland: Balkedieven, immers hun wapenschild vertoont op de eene helft drie balken; verder Schalken en Guiten.

Workum: Brijbekken, hetzij van brij, hetzij van het eigenaardig rollen der r, dat de Hollander brouwen heet. Men zegt dit ook van de Zwollenaars.

Hindeloopen: Tjeunken, oorsprong onbekend; ook wel Uilen.

Staveren: Ribbekliuwers, van het eigenaardige, snel-vorderende schaatsenrijden (ribben wijst op een overoud gebruik van te rijden op koeribben), dat men “klauwen” noemt.

Berlikum: Hounefretters (Hondevreters), wellicht naar aanleiding van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.

Peasum: Hountsjes (Hondjes).

Wierum: Katsjes (Katjes).

Winaldum en Baard: Katten.

Midlum: Rotten.

Warga: Brêgebidlers (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.

Ureterp: Oanbreide Hoasen (Aangebreide Kousen).

Eernewoude: Luzeknippers. [71]

Warns: Skiepeloarten (Schapekeutels).

Winsum: Spinsekken (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.

Irnsum: Kattekneppelders (Kattenknuppelaars), een naam, die met het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).

Rinsumageest: Hounewippers (Hondewippers), van een soortgelijk kermisvermaak.

Sint-Anna-Parochie: Raapkoppen.

Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: Wortelkoppen.

Oldeboorn: Toermjitters (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van

Tzum: Lyntjesniders (Lijntjesnijders).

Grouw: Tsjiisfordounsers (Kaasverdansers). Een groepje lustige Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.

Akkrum: Skytstoelen. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het rijmpje, dat er op geschilderd staat:

In ʼt jaer 1710

Werd ick voor het eerst gesien,

Ick was versierd al nae behooren

Als kackstoel voor den eerstgeboren

Uyt de houwlickstrou

Van Geert Ackrum en syn vrouw.

Makkum: Strânjutten (Strandroovers). Daarentegen is Miigen een eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche [72]woord, dat “magen, bloedverwanten”, in ʼt bijzonder “neven, kleinzonen” beteekent, nog in eere houden.

Lollum: Stippers. Door stip wordt een mager sausje aangeduid.

Molkwerum: Tsjoensters (Heksen) heeten de vrouwen.

Birdaard: Skiepekoppen (Schapekoppen).

Wirdum: Toerkefretters (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak verkochten.

IJlst (Drylst): Kjipmantsjes (Koopmannetjes), een soort moppen.

Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra t.a.p. I. bl. 288–294.

Groningen. Groningen: Molboonen (Kindersnoeperij), Kluunkoppen (Kluun is een bijzonder soort bier), Klaereproevers.

Delfzijl: Klokkedieven, Krabben. Men beweert, dat de bewoners een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een Delfsylster in den hemel. Maar een Damster (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen: “Een schip in nood!” Aldus geschiedt, en ziedaar, bij ʼt hooren van dien kreet snelt de Delfsylster naar buiten, zoo hard hij loopen kan.

Wagenborgen: Aardappeldoggen.

Ter Munten: Koedieven.

Zuidlaren: Witmakers.

Uskwerd: Metworsten.

Meeden: Ketelschijters.

Grijpskerk: Smalruggen.

Garnwerd: Gortvreters.

Bafloo: Koarschoevers (Kaarschuivers).

Winsum: Gladhakken.

Bedum: Geutslikkers.

Holwierde: Doofpotten. [73]

Ezinge en Sauwert: Koevreters.

Onderdendam en Niehove: Poepen.

Den Andel: Turken.

Drente. Meppel: Muggespuiters of Muggen. Een groote muggenzwerm omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en Middelburg. Een anderen naam, de Kloeten, danken zij aan de groote kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht.

Grolloo: Knollen.

Anderen: Moeshappers,

Elp: Koekoeken.

Annen: Oelen.

Assen: Straatslipers, Tellerlikkers en Biggen.

Borger: Schöttellikkers.

Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): Stalpoalen.

Buinen: Poepen.

Duurse: Geldbeurzen en Boksen.

Dwingeloo: Doeven.

Eelde: Hekkenspringers en Geelgatten.

Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.

Overijssel. Zwolle: Blauwvingers. In 1682 viel te Zwolle de toren van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden, waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.

Kampen: Steuren. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal, dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade, hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met [74]een belletje om den hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug gaat, nog heden altijd in ʼt water tuurt, of de steur er soms nog is, want: “Je kunt het toch maar nooit weten.”—Ik maak hier de opmerking, dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid, bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over het hoofd ziet.

Blankenham: Brijhappers.

Blokzijl: Katten.

Genemuiden: Rudekikkers en Ruusvorens.

De Kuinder: Kroggen.

Zwartsluis: Bleien of Bleisteerten.

Hengeloo: Windmakers.

Delden: Kwekkeschudders.

Oldenzaal: Gruppendrieters, d.i. die hun behoefte doen in een greppel.

Deventer: Stokvisschen, Poepen en Geutendrieters.

Borne: Meelvreters.

Over de benaming Tukker voor Twentenaar is veel geredetwist. De waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van tukker, een vogeltje, dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders draagt het den naam van heikneutje of robijntje. Naar dezen vogel zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak Heettukkers: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII, bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: “Ij kommt oet ʼt land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr “Doe” neumt.”

Gelderland. Nijmegen: Knotsendragers.

Zutfen: Metworsten.

Lochem: Koolhazen.

Doesburg: Mosterdpotten. [75]

Enspijk: Hanenknippers. Deze benaming zou het gevolg zijn van een artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als “Enspiksche Hanenknippers” werden begroet. Men zou daar nl. hebben voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874 tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan, tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De Navorscher XXVI, bl. 264.

Nunspeet: Knutten en Huibasten. Hieronder verstaat men personen, die veel wei of hui in hun “bast” drinken.

Driel: Vleescheters. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk Archief I, bl. 176, III, bl. 469.

Elburg: Pepernoten.

Harderwijk: Bokkingkoppen.

Uddel: Heugters.

Haaften: Kraaien.

Ek en Ingen: Kladden.

Zoelen: Kozakken. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd, die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.

Utrecht. Amersfoort: Keisleepers of Keitrekkers. De bewoners vonden nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt (1661).

IJsselstein: Apenluiders, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.

Limburg. Weert: Rogstekers. Men verhaalt, dat er oudtijds een vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt [76]naar de stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend naar het stadje mee.

Nederweert: Pinstekers.

Venloo: Wannevliegers. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook van Venloosche Moppen. Door de Blerikschen worden de Venlonaars Reubeslikkers (Raapslikkers) genoemd.

Blerik: Wortelepinnen, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.

Venraay, Horst enz.: Peelhazen.

Helden: Kuzen.

Sittard: Laammekers. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen vermaken.

Noord-Brabant. Heusden: Wieldraaiers. Het stadje voert een wiel in zijn wapen.

Os: Dubbeltjessnijders.

Werkendam: Brijbroeken.

Woudrichem: Mosterdpotten.

Schijndel: Hopbellen.

Uden: Kaaieschijters.

Sint-Oedenrode: Papbuiken.

Zeeland. Cadzand: Peren. Dit pere is het Fransche père en wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in de vertrouwlijke omgangstaal.

Middelburg: Maanblusschers. Het schijnen van de maan op den toren werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook Schavotbranders. [77]

Vlissingen: Flesschedieven, van de flesch op het wapenschild.

Goes: Ganzekoppen, van de gans in het wapen.

Zierikzee: Koedieven, Steenkoopers, Torenkruiers.

Axel: Aardappelkapers.

Zaamslag: Strooplikkers.

Sluis: Windmakers.

Noord-Holland. Schagen: Roodjes. Naar men beweert hebben vele Schagenaars rossig haar.

Alkmaar: Gortzakken, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook Ketelkruipers.

Schermerhorn: Mollen, naar den mol in het wapen.

Langendijk: Koolstruiken, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk vormen, kool de hoofdteelt is.

Egmond aan Zee: Vischteven, men denke aan de Tsjoensters van Molkwerum.

Groot Schermer: Wildjes, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.

Oostzaan: Kooleters.—Men noemt ze ook het Volk van Klaas Kompaan, een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, bl. 488.

Zaandam: Galgezagers. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen: Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.

Amsterdam: Koeketers, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp heeten Moppen.

Texel: Kwallen.

Den Helder: Traanbokken.

Enkhuizen: Vijgen.

Hoorn: Krentebollen.

Lutjebroek: Uilen. [78]

Heiloo: Rapenplukkers.

Ursem: Langslapers.

Monnikendam: Monnikentroeters.

Purmerland: Platpooten.

Zaandijk: Krentekakkers.

Westzaan: Kroosduikers.

Wormer: Boonpeulen, Steenegooiers, Uilen.

Wormerveer: Gladooren.

Broek-in-Waterland: Vinken.

Beverwijk: Klapbessen.

Assendelft: Kiplanders, Spanjaarden.

Haarlem: Muggen.

Naarden: Kalven.

Zuid-Holland. Leiden: Peueraars, Blauwmutsen, Hondendooders en Sleuteldragers, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.

Delft: Kalfschieters. In ʼt jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun, toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III, bl. 373.

Gouderak: Rakkers, berustend op volksetymologie.

Schiedam: Toovenaars. Men zegt: “Twintig van Schiedam, negentien kunnen tooveren.”

Hillegom: Hangkousen.

Den Haag: Ooievaars (naar het wapen), Waterkijkers, Bluffers.

Gouda: Gapers.

Oudewater: Klokkedieven, vgl. Franeker, Delfzijl enz.

Rotterdam: Kielschieters, omdat zij een bootje, dat met de kiel naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij hun geweren afvuurden.

Dordrecht: Schapedieven.

Den Briel: Zeelepers en Puiers.

Gorichem: Blieken. [79]

De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.

West-Vlaanderen. Brugge: Zotten.

Kortrijk: Pastei-eters.

Diksmuiden: Boterkoppen.

Meenen: Taartenbakkers en Wagenwielvangers.

Poperingen: Keikoppen en Gekken.

Heist-op-Zee: Keuns (Konijnen).

Blankenberge: Geernaarts, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam der Dokkumers.

Nieuwkerke: Schapen.

Yperen: Kinders. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is, volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. “Het zijn onze kinders van Yperen”, zou Margaretha gezegd hebben, “die ons dit bewijs van liefde hebben gegeven.” Zie Belgisch Museum I, bl. 270.

Oost-Vlaanderen. Gent: Heeren en Stroppedragers; zie Volkskunde XXIII, bl. 242.

Dendermonde: Knaptanden.

Baasroode: Kalefaters.

Opdorp: Platte Keesboeren.

Ninove: Wortels.

Ronse: Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers.

Oudenaarde: Boonenknoopers. Men noemt ze ook Kiekefreters. [80]

Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens, om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze hen dit te beletten en voegden hun toe: “Wij kunnen zelf onze kiekens wel opvreten”; zie Belgisch Museum V, bl. 440.

Geeraartsbergen: Bergkruipers.

Onkerzele: Tooverheksen, vgl. de Toovenaars van Schiedam.

Mendonk: Palingstroopers.

Wachttebeke: Zotten.

Moerbeke: Smeerkoeketers.

Exaarde: Blauwbuiken.

Aalst: Witvoeten, Draaiers en Ajuinen.

Akkergem: Koolkappers.

Limburg. Neerpelt: Torenblusschers.

Peer: Muggeblusschers, vgl. de Muggespuiters van Meppel.

Hasselt: Beekrotten (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek wonen, vgl. bl. 15).

Antwerpen. Antwerpen: Sinjoren. In dezen naam schuilt een herinnering aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den Spaanschen titel van Señor droegen.

Mechelen: Maneblusschers, zie Volkskunde XXI, bl. 236.

Turnhout: Muggeblusschers, vgl. Peer en Meppel.

Lier: Schapekoppen.

Rethy: Kortooren.

Ramsel: Poteerddabbers.

Huigene: Eters.

Meerhout: Katten en Knikkers.

Arendonk: Gorteters, Tjokkers en Pinnekenmakers.

Poppel: Janhagelmannen.

Liezele: Pieren.

Breendonk: Meutes (nuchtere kalven).

Hoboken: Mestblusschers. [81]

Wilrijk: Geitekoppen.

Bornhem: Boschkrabbers.

Gierle: Schijters.

Hove: Keeskoppen.

Loenhout: Pezerikken en Moeszakken.

Oost-Halle: Joden.

West-Halle: Smousen.

Willebroek: Vaartkapoenen.

Hoogstraten: Speelzakken.

Brecht: Struiven, Halfhouten en Mastendoppen.

St. Amands: Gipsheeren.

Zoersel: Drijvers en Kluppelaars.

Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden ontleend.

Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen; voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197–241 en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles, 1904), passim.

Beersel: Keesboeren en Boterdieven.

Bertem: Tuischers (paardenkooplui).

Boschvoorde: Bessembinders.

Brussel: Kiekefretters. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.

Zij heeten verder: Apendrillers. Eens betrokken twee bejaarde burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat) [82]de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht—voor een aap, zooals naderhand bleek.

Diest: Mostaardschijters; zie Ons Volksleven IX, bl. 102.

Dormaal: Weerwolven en Vuurmannen.

Elsene: Hondenknagers; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden van hongersnood.

Esschene: Patattenboeren.

Gooik: Telloorlekkers.

Hal: Vaantjesboeren, van wege de processievaantjes.

Leuven: Peetermannen. Sint Pieter is de patroonheilige van de stad. Men noemt ze ook de Koeischieters, omdat naar verluidt, de Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V, bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.

Linkebeek: Moeliedauwers. Zij duwden eens iemand uit scherts in een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.

Messelbroek: Kalotten.

Molenbeek: Vaartkapoenen; vgl. Willebroek.

Schaarbeek: Ezels. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars, die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel was een ezelkarretje.

Scherpenheuvel: Keerskatten, naar de processiekaarsjes, die zij aan de pelgrims verkoopen.

Sichem: Heeren. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten van Brabant, dat aldus aanhief: “Wij, Heeren van Sichem, vragen aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten.” Waarop geantwoord werd:

“Als gij sijt Heeren en wij lieden,

Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden.”

Den spotnaam van Heeren draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.

St. Gillis: Koolkappers.

Tienen: Kwêkers. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de [83]Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.

Men noemt ze ook Maneblusschers en Boterpotten, omdat ze in 1830 hun veste met boterpotten verdedigden.

Ukkel: Kersenkrakers.

Vilvoorde: Peerdefretters.

Vorst-bij-Brussel: Hondenfretters.

Wambeek: Klaverboeren.

Zout-Leeuw: Waterheeren. [84]


1 Ik schrijf, afwijkend van de gebruikelijke schijfwijze, Ooreuropeesch enz. en niet Oereuropeesch, omdat ik niet kan inzien, dat oor- hier een specifiek andere beteekenis zou hebben dan in oorsprong, oorkonde, oorzaak enz. Terecht schrijft Prof. Van Helten in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde XXV (1906), bl. 63: “Oorgermaansch, niet, zooals men vaak hoort of leest, Oergermaansch, dat een monster is met een hd. voor- en een nl. achterstuk”.

2 Ik volg hier en elders doorgaans de lijsten van Jan te Winkel, de Noord-Nederlandsche tongvallen (Leiden 1809); voor het Zuidoostelijk gebied heb ik nut getrokken uit mijn persoonlijke onderzoekingen. Een goede, beknopte samenvatting geeft ook Te Winkelʼs Kurze Charasteristik der Nordniederländischen Dialekte (Gallée, Das niederländische Bauernhaus und seine Bewohner, Utrecht 1909).

3 De klanknoteering van den Heer Baur heb ik behouden. Zijn å beantwoordt ongeveer aan den oa-klank, de ž aan de g van het Fransche gendre.

4 De woegel op: den wagen op, d.i. aan den gang.

5 Sedert 1 Mei 1872 moeten in Noord-Brabant de vellingen en banden van de wielen der boerenkarren een breedte hebben van tenminste 9½ c.M.

6 Zoo bestaat b.v. te Venloo een gardeneerstaal, d.i. tuiniers-, Gärtnertaal, die ten gevolge van het levendige handelsverkeer sterk onder Duitschen invloed staat; getuigen de woorden slaat (Salade), gemeus (Gemüse), baan (Bahnhof), kappes (Kappeskohl) e.a.

7 De g is hier explosief.

[Inhoud]

De Volkskunst.

Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen, deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch gebied;—bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode, volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.

Kunst is: zelf-openbaring van den geest door belichaming van het ideale in de stof. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen; maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen, en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals [85]het kind, in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift, en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen, te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.

Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst1, zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en tastend deze laatste dan ook zijn mogen.

Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid, in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het ruwe omhulsel,—kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om, ja zijn er vaak te veiliger om beschut.

Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De volkenkunde kent dan ook geen kultuurlooze, wel kultuurarme volken; en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid van het volkswezen groeit. “Een volk zonder kunst is geestelijk dood”, schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft, kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: dat de mensch van brood alleen niet leven kan.

Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk [86]verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst behoort tot de “sociale feiten”, wier substraat de gemeenschap is, en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed op het individuëele leven uitoefenen.

Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring, en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft, daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke welbehagen.

Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal—welk een schat van naïeve frischheid en oorspronkelijkheid!

Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden, behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen tot het volkslied. [87]

I. Raadsels en Spreekwoorden.

De raadsels behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken—ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden—zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.

Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.

Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:

Daar vloog een vogel Vederloos

Op een boom Bladerloos,

Toen kwam een juffrouw Mondeloos,

Die at den vogel Vederloos

Van den boom Bladerloos.

Ik schrijf “Vederloos” enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers Roodrok, het varken Knorrepot, de appel Gladkop, de ooievaar Hap-op, de donder Holderdebolder, de wieg Wikkeldewakkel, de kikvorsch Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaan Mijnheer De Wit, het water Juffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankende [88]benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.

Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:

Daar was een man, en ʼt was geen man,

Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,

Hij droeg water zonder vat;

Rà, rà, wat is dat?

(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).

Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:

Die het maakt behoeft het niet,

Die het vraagt behoudt het niet,

Die het koopt begeert het niet,

Die het heeft die weet het niet.

(Een doodkist).

In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.

1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. “Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen”, schrijft Amaat Joos, “de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulen [89]dat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en ʼt niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;—den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;—de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken ʼt onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];—de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.”

Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar [90]de geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.

1.

Holderdebolder

Liep over den zolder;

En zeven mansheeren

Die konden Holderdebolder niet keeren.

(De donder).

2.

Verre boven de drieschen

Hoorde ik een peerdeken brieschen;

Daar is noch wijf noch man,

Die dat peerdeken breidelen kan.

(De donder.—België).

3.

Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,

Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,

Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.

(Hemel, maan, sterren).

Belgische vorm:

Laken, dat ge niet vouwen kunt,

Een appel, dien ge niet schellen kunt,

En geld, dat ge niet tellen kunt.

4.

Tusschen hier en Romen

Staan zeven hooge boomen;

ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,

Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.

(Het zevengesternte).

5.

Achter in mijn vaders tuin,

Daar staat een boom met kralen,

En die die kralen tellen kan,

Die is de baas van allen.

(De sterren). [91]

6.

Lapken, lapken,

Duizend lapken,

ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,

ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.

(Een wolk.—Dendermonde).

7.

Tusschen hemel en aard

Staat een lange groene gaard.

ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,

Je zult het niet raden, al waart je met zessen.

(De regenboog.—Limburg).

8.

Ons Lieve Vrouwken van Laken

Spreidt een wit laken

Op land en zand,

Maar niet op den waterkant.

(De sneeuw.—Antwerpen).

9.

Daar staat een juffrouw in de deur,

Met een witte schorldoek veur.

Hoe meer dat ze staat,

Hoe meer dat ze vergaat.

(De sneeuw).

10.

Eene planke

Van Godes danke;

Het en is noch hout noch eeke,

Noch eeke noch hout.

Als gij het kunt raden,

Geef ik u eene ton met goud.

(Het ijs.—België).

11.

Daar gaat een ding om het huis,

Dat kijkt door alle gaatjes.

(De zon). [92]

12.

Rondom de meulen

Liepen twee pèretjes speulen.

Der is geen eenen ouwen man,

Die déé twee pèëren keeren kan.

(De zon en de maan.—Zeeland).

13.

Toen ik was jóng en schóon,

Droeg ík een bláuwe króon.

Toen ík was óud en stíjf,

Slóegen ze me óp het líjf.

Tóen ik wás genóeg gedrágen,

Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.

(Het vlas).

14.

Eerst zoo wit als vlas,

Dan zoo groen als gras,

Dan zoo rood als bloed,

En dan zoo zwart als roet.

(De braambes).

15.

Van binnen wit, van buiten zwart,

Drie ruggen en geen start.

(De boekweitkorrel).

16.

Der sit in jifferke yn ʼt grien,

Mei in mooi read rokje oan.

Als men ze knypt den skriemt se,

En dôch het se in stiennen hert.

(De kers.—Friesland).

17.

Daar staat een boom in ʼt Westen,

Met twee en vijftig nesten,

Ieder nest met zeven jongen,

Râ, wat namen zij ontvongen?

(Het jaar). [93]

Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.

Ons bekend rijmpje:

18.

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,

Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,

Daar is geen eene timmerman,

Die Hummeltje Tummeltje maken kan,

waarvan een Vlaamsche lezing luidt:

19.

Hippekentippeken op de bank,

Hippekentippeken onder de bank;

Daar is geen smid in Ingeland,

Die Hippekentippeken maken kan,

vertoont in Brunswijk den vorm:

Hummelke Trummelke lag upʼr bank,

Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;

Et was kein doktor inʼn gansen land,

De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.

In Engeland luidt het raadsel aldus:

Humpty Dumpty sate on a wall,

Humpty Dumpty had a great fall,

Three score men and three score more

Cannot place Humpty Dumpty as he was before.

Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:

20.

Ik klopte al op een witte deur,

Daar kwam een bruine pater veur.

Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten: [94]

21.

Achter in mijn vaders tuin

Daar staat een boom met groente;

Hier een boom, daar een boom,

Ieder boom een tak;

Hier een tak, daar een tak,

Ieder tak een nest;

Hier een nest, daar een nest,

Ieder nest een ei;

Hier een ei, daar een ei,

Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;

Râ, râ, wat is dat?

Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:

22.

Oude, grijze, grauwe,

Staat alle nachten in de dauwe,

Heeft vleesch noch bloed

En is voor alle menschen goed.

(De molen).

23.

Er vloog een vogel snel

Al over de diepe del (de zee);

Hij droeg botten en beenen

En had er zelve geene.

(Het schip).

24.

Achter molens duun

Dèr leit in oud peerd bruun,

Zonder kop en zonder steert,

Al syn ribben leggen verkeerd.

(Een omgeploegd stuk land.—Ameland). [95]

25.

Daar waren eens vier zustertjes,

Die klommen op hooge mutstertjes;

Daar waren eens vier broertjes,

Die klommen op hooge stoeltjes;

Ze naaiden zijden kapjes

Van honderd duizend lapjes,

Zonder naald en zonder twijn:

Je zult het niet raden, al ben je fijn.

(De spin, die haar net maakt).

26.

Er ging een mannetje door den dam

Met een fluweelen wammesje an.

(De mol).

Of ook:

27.

Jan De Bruin

Zat in den tuin,

Hij had geen paard of ploeg,

En toch bouwde hij land genoeg.

(De mol).

28.

Daar is een ding

Dat pinkt

Dat knipt en winkt

En lacht en vinkt ...

ʼk Zou alzoo wel willen pinken,

Knippen en winken

Lonken en vinken,

Gelijk dat ding

Dat pinkt

En knipt en winkt

En lonkt en vinkt.

(Een Ster—Vlaanderen). [96]

29.

Daar gíng een mánnetje óver den díjk

Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,

Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;

Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.

(Het schaap).

30.

Het is, waarin het water vloeit,

Het is, waarop de bloeme bloeit,

Het is, waarop bij dag en nacht

De moede mensch de rust verwacht,

Het is, gelijk men dikwijls zegt,

Van dat, waarin men dooden legt.

(Het hout.—Land van Waas).

Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:

31.

Dribbel drabbel dribbelgat,

Hwêr komst dou fen dinne?

—Ut de ierde,

Swart forbarnde tsjettelkop.

(Friesland).

Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:

32.

—Du kromme, du lange,

Van waar komde gegangen?

—Ei du met dijn geschoren gat,

Waarom vraagde mij dat?

De Zeeuwsche vorm luidt:

33.

—Joe kromme, joe slomme,

Wèr kom je van dèn gezwomme?

—Joe afgeschoren schietgat,

Wèrom verwiet je me dat?

[97]

Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:

—Lanke krummumme, wo wutte hen?

—Korte vorschorne, wo frägste nâ,

Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.

34.

De kist, die leefde,

Die er in zat, beefde;

De kist, die at,

Die er in zat,

Bad.

(Jonas in den visch.—België).

Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.

35.

In ʼt Land van Cadsant

Ging een man over zijn land

Met ʼnen ginger,

Met ʼnen springer,

Met ʼnen hoepsasa;

Hij hield iets in zijn handen;

Hij ging al zoo zeere

Om zijn land te keeren.

(Hij ging met een paard en een riek).

36.

Hoop en vrees zat op den wagen:

Hij zag tweebeen vierbeen dragen.

Heeren raadt en zegt het mij,

Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.

[98]

Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels den detritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,—antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).

Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.

Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij [99]het ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:

37.

Ik ging en ik kwam

Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;

Die vijf maakten mijn drij vrij;

Weet ge ʼt, zegt het mij.

Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:

38.

Toen ik henenging en wederkwam,

Vijf levenden uit den doode nam,

De zesde maakte den zevende vrij,

Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:

39.

Gezogen, gezogen,

Landsheeren bedrogen,

Kind geweest

En moeder geworden.

Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:

40.

Heeren bedrogen,

Muren doorzogen,

Wiens kind ik ben,

Wiens moeder ik wierd.

[100]

“Muren doorzogen”, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.

Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pooten tweebeen, driebeen enz. genoemd worden. Zoo b.v.:

41.

Tweebeen zit op driebeen

En trekt aan vierbeen.

(Het melkmeisje).

42.

Tweebeen zat op driebeen,

Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,

Toen nam tweebeen driebeen,

Om er vierbeen mee te smijten.

(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).

3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle kwelvragen genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.

Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:

43.

Keízer Kárel hád een hónd,

Hóe héet Keízer Karels hond?

De naam van den hond was Hoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: “Ik leg het woord al in uw mond”, of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum. [101]

Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:

44.

Krom omgebogen,

Vlecht door getogen (getrokken),

Wan ik jou ʼt zekg,

Zul ei ʼt niet roan.

(De wan).

Zeer bekend is nog het kattenraadsel:

45.

Daar ging een mannetje over de brug,

Met zeven katten op zijn rug,

En ieder kat had zeven jongen,

Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?

(Twee).

Op de tweeduidigheid van het woord heeten spekuleert het raadsel:

46.

Koolwarmoes, die koud is

En drie dagen oud is,

Hoe heeten ze dat in Brabant?

(Boven het vuur).

Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:

47.

Aʼmsterdám, die gróote stád,

Met hóeveel létters spélt men dát?

(Met drie: d a t).

Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).—49. Wat voor haar had Mozesʼ hond? (Hondenhaar).—50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).—51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).—52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).—53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De [102]spijkers in de schoenen).—54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).—55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).

Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).—57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).—58. Wie steekt er ʼs morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).—59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).—60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).

Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letter m). Zoo ook:

62.

ʼt Is in de vrouw en niet in den man,

ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,

ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,

ʼt Is in Karel en niet in Jan;

Zeg mij wie dit raden kan.

(De letter r).

4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: “Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:

Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi [103]groot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:

Het maantje dat schijnt er zoo helder,

Het paardje dat loopt er zoo snelder,

Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.

Raad eens, wat is dat?—

Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.

Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,—in geen zeven jaar,—al ben je fijn,—al werdt je dol,—tot Baafmis,—tot Sinter Merten,—tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.

Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900–1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.

Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de spreekwoorden van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid [104]en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.

De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn “gevleugelde woorden”, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.

Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord is een [105]kunstvorm van de taal van den gemeenen man—, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.

Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinmanʼs, noch Harreboméʼs spreekwoordenboek, noch Stoettʼs magistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.

Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: “beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht” vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in “kap en kogel (kat en kogel) verliezen”, “met bed en bult vertrekken” enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnsche cras credo, of sanus salvus, dat in het Fransch sain et sauf werd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking “zooals het reilt en zeilt” (of “treilt en zeilt”, Zuidnederl. “reist en zeilt”) op een rijmloos: “zooals het rijdt en zeilt”, d.i. zooals het schip voor anker ligt (“rijdt”) en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: “wat niet weet, wat niet deert”,—“komt tijd, komt raad”, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.

Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen [106]in onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de “Gepaarde woorden of wederwoorden” bevat, ontleen ik het volgende.

Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).—Biezen en bijzen.—Hij is begraven zonder bimmen of bommen.—Blikken noch blozen.—Boe noch ba zeggen.—Buigen of bersten.—Vóor dag en dauw.—Door dik en dun.—Ditjeʼs en datjeʼs.—Van alles dubbel en dik hebben.—Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).—Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). —Groen en geel.—Daar zal hen noch haan over kraaien.—Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).—Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).—Kant en klaar.—Hij gaat naar kerk noch kluis.—Kijven en krakeelen.—Kind noch kraai hebben.—Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.—Klitsen en kletsen (met de zweep).—Klodderen en kladderen.—Spreken over koetjes en kalfjes.—Kort en klein slaan.—Voor kost en kleeren zorgen.—Kris en kras.—Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).—Lief en leed.—Listen en lagen.—Lonken en liefoogen.—Lui en lekker.—Vergaan met man en muis.—Perk en paal stellen.—Van Pontius naar Pilatus sturen.—Met potten en pannen.—In rep en roer.—Rijden en rotsen.—Schade en schande.—Schobben en schooien.—Slag om slinger vechten (hevig).—Dat gaat zonder slag of stoot.—Sloffen en sleffen (al slepende gaan).—Stijf en stom staan.—Taal noch teeken geven.—Vast en veilig.—Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).—Visch noch vleesch zijn.—Het is altijd vuur en vlam.—Vrij en vrank.—Wankelen en weifelen.—Hij gaat door weêr en wind.—Hij weet van wijken noch wankelen.—In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).—Wisjes en wasjes.—Zuur en zoet.—Zuchten en zagen (ontevreden zijn).—Zwieren en zwaaien.—Zwoegen en zweeten. [107]

Eindrijmen. Blikken en flikkeren.—Bobbels en knobbels.—Brassen en plassen.—Dringen en wringen.—Drinken en klinken.—Hij kan gaan noch staan.—Garen en sparen.—Gedrang en geprang.—Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).—Met geld en geweld.—In geur en fleur staan.—God noch gebod ontzien.—Goed en bloed geven.—Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).—In handel en wandel.—Zich verdedigen met hand en tand.—Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).—Tegen heug en meug.—Van hoeten noch toeten weten.—Hoog en droog zitten.—Hotst het niet, dan botst het.—Hou en trouw.—Huis noch kluis hebben.— Jan en alleman.—Kikken noch mikken.—Zich kunnen kleeden en reeden.—Knotteren en stotteren (lastig zijn).—Krinkelen en winkelen (bochten maken).—Land en zand koopen (rijk worden).—ʼt Is alles krank en mank.—Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).—Iets van naadje tot draadje uitleggen.—Naam en faam verliezen.—Met pak en zak vertrekken.—Met raad en daad iemand bijstaan.—Rapen en schrapen (gierig zijn).—Rooken en smoken.—Wij hoorden ruit noch muit (niets).—Schot noch lot betalen (niets).—Schrijven en wrijven.—Smeren en teren (smullen).—Stank voor dank.—ʼt Vriest steen en been.—Steen en been klagen.—Loopen langs stegen en wegen.—Met tijd en vlijt.—Vrij en blij.—De zaak zooals zij waait en draait.—Wasschen en plassen.—Wroegen en zwoegen (hard werken).—Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.—Altijd zot of bot zijn.—Zwieren en tieren.

Halve rijmen. Dag en nacht werken.—ʼt Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).—Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.—ʼt Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).—Iets volhouden bij hoog en bij laag.—Jokken en gekken.—Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende “met huid en haar”).—Met stukken en brokken.—Tusschen waken en slapen. [108]

Rijmlooze weder woorden. ʼt Is uit en amen.—Iets voor een appel en een ei verkoopen.—Baas en meester zijn.—Iets achter banken en stoelen steken.—Begekken en bespotten.—Over berg en dal.—Op dag en uur.—Door deur en venster slaat de rook naar buiten.—Na lang dingen en bieden.—Iemands doen en laten kennen.—Hij is al lang dood en begraven.—Eenzaam en verlaten.—Eer en faam verliezen.—Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).—Door eksters en kraaien uitgescholden worden.—Eten en smullen.—ʼt Is gedurig gaan en komen.—Iemand bedreigen met galg en rad.—Gelaarsd en gespoord.—ʼt Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).—Bij leven en welzijn.—Iemand kennen van haar tot pluim.—Vol haat en nijd zijn.—Daar zijn haken en oogen aan.—Hals over kop.—Met handen en voeten.—Have en goed.—Hij geeft om hel noch duivel.—Een leven, dat hooren en zien vergaat.—Een man van ijzer en staal.—Als kat en hond zijn.—Men moet kiezen of deelen.—Met koets en paard.—Het heeft kop noch staart.—Met kousen en schoenen in den hemel komen.—Lachen en boerten.—Iets wagen op leven en dood.—Mager en gezond.—Iemand man en paard noemen.—Bedorven in merg en been.—Moord en brand roepen.—Bij nacht en ontij.—Oud en wijs genoeg zijn.—Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.—Proper en net.—Rust noch duur hebben.—Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).—Slaven en wroeten.—Stellig en vast.—Vergaan tot stof en asch.—Loopen langs straten en wegen.—Op tijd en uur.—Verhuizen met tafel en bed.—Van toeten noch blazen weten.—Vast en zeker.—Met vedel en fluit.—Van iemands vleesch en bloed zijn.—Vloeken en zweren.—Vrede en peis (peis en vree).—Bij weêr en ontij.—Iets doen uit wrok en nijd.—Zang en dans, zang en spel.—Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). —Zonde en jammer. [109]

Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: “waar het hart van vol is, loopt de mond van over”;—“die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in” enz., zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.

Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:

ʼt Mot nen grooten sprekkert wezen, diê ʼt nen zwiêgert verbettert.

In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.

Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.

Aj ʼn ekster uutstuurt, krie ʼj ʼn bonte vogel weer in huus.

Aj ʼt gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).

Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!

Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.

Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet [110]bij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor “als het wintert”: “as de witte bijen vleegt?” Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.

Het dak: Doar is te völ dak op ʼt hoes (er zijn te veel luisteraars).

De onderschuur: Wisse bis doe baas—in ʼt onderschoer as de hond er nig is (Denekamp).

De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.

De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.—Den ʼt vuur schelt (mankeert), zoch ʼt in de assche.—An de pan sloan, dat ʼn kettel der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).

De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: “met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.” Het gelag betalen is “het haal schoeren.

Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:

Wat hes door? “Niks.” Door kans de kat met doodvoeren.

Der um hen drêjen as de kat um ʼn gleuinigen pap.

Ai-j de kat op ʼt spek bindt, dan wil het ʼt nich vretten.

Alles moêst, wat van katten komp.

Van ʼt hondengeleuve wezzen.

ʼt Geet um as ʼt hondebiêten (op beurt).

Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.

Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.

Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, “eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen”, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I, passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolking [111]der Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: “hij heeft het achterhek mede gekregen”;—iemand in gevaar brengen: “iemand het vuur op de hilde beuten”;—wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: “hij wil poesten en houden het meel in den mond”; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: “poesten en houden het meel in den zak”. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uit poesten of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.—De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: “huis is karnemelks borge” (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begrip sterven: “de vork neerleggen”.

Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: “hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen”;—hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: “hoe meer werk, hoe meer honig”;—wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: “die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken”.

Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. “As-te Grönnegers ʼt lief vol (h)ebbʼn, goan ze vot”, klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: “ʼt is nou oart, moar ʼt zal wel voart worʼn”, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: “frisch weer zeggʼn ze nog, al klappertannʼn ze van koalle”. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.

Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit [112]zich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.

Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).

Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).

It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.

Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).

It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).

Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.

Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die “topzwaar” is).

Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.

Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).

Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.

Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:

Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).

Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).

It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).

Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).

Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).

Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche [113]zeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat “men moet zeilen, terwijl de wind dient.” Maakt iemand veel verteringen, dan “haalt hij zijn zeil in top”; versukkelt hij zijn tijd, dan “gaat hij met de laatste schepen onder zeil”; inslapen is “onder zeil gaan”; toornig opstuiven “met opgestoken zeilen komen aanzetten”; bedaren is “het zeil inbinden”; en verder:“stijf onder zeil zijn”;—“achteruit zeilen”;—“klein zeil voeren”;—“zeil op iets maken”;— “een oog in ʼt zeil houden”;—“alle zeilen bijzetten”;—“iemand in de zijde zeilen”;—“met een nat zeil loopen”;—“langs den wal zeilen”;—“met zeilen voor den mast liggen”;—“bakzeil halen”;—“in iemands zeilen waaien.” Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. “Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil,” meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: “dat is geen zeil voor dat schip.”

Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. “Iemand aanklampen”;—“iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden”;—“iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in ʼt vaarwater zitten, een steek onder water geven”;—“het anker lichten, laten vallen”;—“roeien met de riemen, die men heeft”;—“tegen den stroom oproeien”; —“in het riet sturen”;—“met de nachtschuit komen”;—“leelijke streken op zijn kompas hebben”;—“aan het roer zitten”;—“de vlag strijken”;—“bijdraaien”;—“de huik naar den wind hangen”;—“voor [114]de haaien zijn”;—“naar wal sturen”;—“kant noch wal raken”;—“aan lager wal zijn”;—“de beste stuurlui staan aan wal”;—“oude schepen blijven aan land”;—“uitkaaien”; —“iemand aan den dijk zetten”;—“op ʼt droge zitten.”

Luide spreekt ook het visschersbedrijf. “Visschen, terwijl het water blond is”;—“een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen”; —“een visch (snoek) vangen”;—“visch moet zwemmen”; —“geen vin verroeren”;—“in troebel water is het goed visschen”; —“glad als een aal”;—“iemand aan zijn angel krijgen”;— “geld (boter) bij de visch”;—“aan den haak slaan”;—“achter het net visschen”—“het neusje van den zalm.”

Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.

Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: “het ijs breken”;—“zich op glad ijs wagen”;— “op oud ijs vriest het licht”;—“over ijs van éen nacht gaan”;— “beslagen ten ijs komen”;—“een scheeve (rare) schaats rijden”. Betrekking op den veestapel hebben: “de koe bij de horens vatten”;— “de koetjes loopen in mijn weiden”;—“zijn koetjes op het droge hebben”;—“over koetjes en kalfjes praten”;—“als de kalveren op het ijs dansen”;—“oude koeien uit den sloot halen”. Belangrijk is vooral de zegswijze “veel koeien, veel moeien”, niet slechts, omdat hier moeien bewaard is gebleven, het meervoud van moeie “moeite”, vergelijk het Hoogduitsche Mühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.

Holland is ook het land van de windmolens: “dat is wind op zijn molen”;—“de molen is door den vang” (de zaken loopen verkeerd);—“hij heeft een slag van den molen weg (beet)”;— “hij loopt met molentjes”. Maar Holland is vooral het waterland, “door den mensch ontwoekerd aan de zee”, schrijft bewonderend Edmondo de Amicis, “een kunstland, door de Hollanders gewrocht, [115]in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven”. Bevat het spreekwoord “die ʼt water deert, die ʼt water keert” niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.—Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord “Gods water over Gods land (akker) laten loopen”? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.

Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek: Rust Roest.—En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: “goed rond, goed Zeeuwsch?” [116]

Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.

Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:

Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.2

Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.

Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).

Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).

Beer van Paters vêtje.

Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).

Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).

Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).

Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).

Det geit door ʼt getuug hêr (gaat te ver).

Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.

Bȯtermelk is boere-medesien. [117]

Van eine kale kermis toês kome.

Achterum is ʼt kermis.

Achter mienen rök is ʼt kermis.

Lache wie (as) ʼne kermishȯnd.

Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.

Gein schutterie zonder keuning.

Drij moal keuning is keizers rech.

Koeël is good ête, maar dan mȯt ʼt verke der door loupe.

Land bemiste lieët zich neet foppe.

Lekker is gouw de kêl aaf.

Eine lintworm in ʼt liêf hebbe.

Melk is beer veur de jȯnge, beer is melk veur de alde.

Ik bin ʼt meug (moe) wie kalde pap.

Moos is geine spekkóok.

ʼt Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.

Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.

De ploogestert stik (steekt) um door de bȯks oêt.

ʼt Geit um zoeë dun as pȯmpwater.

Hê lieët reube good moos zien.

Hê hêt ʼt spek hoeëg hange.

Det is zoovuël as ʼn vleeg in ʼnen brouwkêtel.

Eine mnd hebbe as ʼn woafelpan.

Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.

Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mȯte noeëts stil stoan.

Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).

Van ei joar mȯt me de ploog neet aan de wand hange (als ʼt een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).

Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).

Waat mʼn aan ʼt verke voort, krieg mʼn aan ʼt spek truuk.

Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.

Geliêk vieë lek zich gêr.

Nȯw is de bȯk vet! [118]

Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).

Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.

Eine vildershȯnd, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,—zien veur ʼnen boer niks wêrd.

Kald beer zit werm blood.

Hê is ʼnen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.

Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).

Hê hink mier aan de vaan as de ganse brȯnk wêrd is (bronk is hier de gilde-optocht).

Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).

Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.

De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).

Hê hêt de vogel aaf.

Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: “Groeëter is ʼt leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd”? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: “Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm”?

Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:

Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.

Me mȯt de kerk in ʼt midde loate.

Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.

Pastoeër zêgent zich zelf ʼt iers (eerst).

Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.

Rêgent ʼt op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.

Hê steit doa wie ʼn Poaskers (stijf-deftig). [119]

Me mȯt eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).

Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.

Waat ʼn kruuts—geí (geen) kruuts!

Hê hêt den ȯferstok gevêg.

Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.

Zich eine stoal in den hemel verdeene.

Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.

Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).

Me mȯt O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.

Hê zuuter oêt as ʼt ieëwig lêve.

Hê zuuter oêt as ʼn bedrökte Magdalena.

Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.

Waat God wilt behalde

Zal verheite (verheeten) noch verkalde

klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: “In Gods naam”. Soms klinkt dat: “In Godsnaam: des neet gevlook”. Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: “As God bleefʼ (als ʼt God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat “ter iere Goads” of “om Goads wil.” Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij “Ik bêj dich um Goads wil.” Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient “eine Godsloeën.” En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk “Goddank.”

“God loeënt ȯch”, zei vroeger de kerkmeester voor elk centje, [120]dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. “God loeënt ȯch”, zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: “God wil ȯs helpe.” Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?

Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: “Gank, det dich God bewaar!” En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging “zaliger gedachtenis”, of: “God gêf um den hemel”, of “God truës zien zieël.”

Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: “Vree is God mee”;—“God beschikt over nacht”;—“geef God geen beschimmeld brood”;—“God geeft de koe, maar niet bij de hoornen”, d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;—“ʼt is alles goed wat God wil”;—“men moet God naar de oogen zien”;—“ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;—“als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel.” Zie Pr. Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI—XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX—XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX—(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.

Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. “Anspan kriigen” heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen. [121]

Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: “met den plaggenwagen komen”, d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze “met den plaggenwagen weergekomen”, en dan moet ze “den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken”: Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.

Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de apologische spreuk of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: “Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok”, een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.— “Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen”.—“Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken”.—“Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht”.—“Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af”.

Twente: Dat is ʼn ander keurn, zèj de muller, en hê beet in ʼnen moezenköttel.

Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met zʼn gat de lampe uut.

Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vraddʼe en slakk op en mainde, dat ʼn proeme was.

Limburg: Waat nȯw gezȯnge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.

Getroffe, zach de jȯng, doe smeet hê zie vader en oug oêt.

Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.—

Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jȯng wat in de bȯtermelk vond.—Aangebrand, [122]hêt det ouk bein? zach de jȯng, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.

Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.

De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.

Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.

Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.

Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.

Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.

Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.

Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.

Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.

De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.

Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.

Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.

Zuinig, zei besje, de boter is duur.

De Vrouw. Het overleggen is ʼt al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.

Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.

Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier. [123]

De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.

Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.

De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.

De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.

Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.

De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.

Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.

Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.

De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.

Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.

Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.

ʼt Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.

Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.—

Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische dieren-spreekwoord.

Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.

Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.

Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.

Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.

Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok. [124]

Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.

Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.

Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.

De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.

Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den “waren” of “eigenlijken” vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.

Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking “op zijn eigen houtje”, aan de zeemanstaal ontleend, waar “zijn eigen hout” inderdaad in de beteekenis van “schip” gebruikt werd; zie Eymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.

Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken Huet: “Gods water over Gods akker laten kabbelen”; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: “dat loopt [125]de spuitgaten uit,” voor “de spuigaten”;—“over éen kant scheren”, voor “over een kam scheren”; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel “Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen” in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: “Voor een heet vuur staan zal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het “hete vuur” kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste— desnoods het “oorspronkelike”—beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het “echte” of “eigenlike” tegenover de later