The Project Gutenberg eBook of Een Kerstlied in Proza

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Een Kerstlied in Proza

Author: Charles Dickens

Translator: J. Kuylman

Release date: April 11, 2009 [eBook #28560]

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KERSTLIED IN PROZA ***



[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

Een Kerstlied in Proza [2]

[Inhoud]

Druk N. V. voorheen Nonhebel & Co. – Hilversum

Oorspronkelijke titelpagina.

[3]

Wereld Bibliotheek

Een Kerstlied in Proza

Elk ’t Beste

Uitgegeven voor De Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door G. Schreuders Amsterdam

[4]
[Inhoud]

De vertaler wenscht openlijk te erkennen, dat hij hier en daar een dankbaar gebruik heeft gemaakt van de aanteekeningen van den heer Ten Bruggencate in diens bekende uitgaaf van het origineel.

J. K. [5]

[Inhoud]
Ornament

Iets over Charles Dickens

(1812–1870).

Er is geen werk en er zijn geen schrijvers, waarover het zoo moeilijk valt in later leven te oordeelen als die, waarmee men geleefd heeft in zijn jonge jaren, waarvan men genoten heeft toen lezen nog een wonderbaarlijk opgaan was in vreemde werelden van volkomen echtheid, zonder andere toets dan “boeiend” of “vervelend”.—Dickens is er zoo éen voor mij geweest. En ik zou niet graag geroepen worden een oordeel te schrijven over Pickwick, Barnaby Rudge, Olivier Twist en de Kerstvertellingen, want ik kom er niet los genoeg van mijn jonge ervaringen.

Doch oordeelen over deze Kerstvertelling moet de lezer maar zelf. Een kort woord is alleen noodig over den schrijver.

Toen hij deze Kerstvertelling schreef was hij dertig jaar en al een der populairste vertellers van zijn tijd door zijn Samuel Pickwick. Hij had achter den rug een nogal moeilijk leven van den kleinen burgerjongen, die van buiten naar Londen was gekomen om er zijn [6]weg te zoeken. Zijn eerste rustpunt dáár was een advocaten-kantoor; zijn tweede was het verslaggeversambt van terechtzittingen. Zoo leerde hij veel kennen van den ondergrond van het groote stadsleven; van de praktijken der rechtsgeleerden; de kronkelpaden van het gerecht; de hardheid van het armelijke leven in de groote stad. En hij oefende zich in schrijven; werd novellistisch reporter; schetsenmaker; later: romancier, die in wekelijksche afleveringen lange verhalen pende vol avontuur, realisme, humor, satire, pathos en zedeles,—alles door elkander.

Door zijn eigen tijdgenooten is Dickens nogal eens geschuwd om zijn realisme; en tegelijkertijd is hem de kritiek niet gespaard om zijn tot in de karikatuur-vervallende òver-typeering en zijn effectbejag. Wat tegenstrijdig klinkt, doch het in zijn geval niet is. Want zijn realisme was zuiver zedekundig-maatschappelijk en humanitair, stond geheel onder den invloed van zijn behoefte tot aanwijzen van misbruiken en opwekken tot verbeteren. Niet om de koel- en verstandelijk waargenomen werkelijkheid weer te geven, was het hem te doen. Maar om zijn lezers te doordringen van de vele ellende, die om hen heen groeide, en waar zij onverschillig voorbijgingen; en ze de misbruiken te doen kennen, die om verbetering riepen. Zelf zoo sterk gevoelsmensch, dat hij onder het neerschrijven zijner eigen verbeeldingen soms half ziek werd, liet hij zich al schrijvend door dat gevoel beheerschen tot overdrijvingen en sentimentaliteiten, welke in dien éersten tijd der 19e eeuw nog uit de 18e eeuw in heel de romantische letterkunde voortleefden. En zijn humor was onder den invloed van de echt Engelsche clowneries en de gezochte aardigheden, die nog tot vandaag [7]den dag het tooneel er beheerschen, in éen rechte lijn van Shakespeare tot Bernard Shaw. Het is de humor van een volk van lijn-kunst, dat gauw overslaat tot de charge en de caricatuur der overdreven vormen en òver-typeering. En Dickens, geboren acteur en voordrager, is wel in alle opzichten de sterke openbaring van al zijn volks-eigenaardigheden gebleken. Maar hij bezat daarnaast de onontbeerlijke eigenschappen om zijn fouten te doen vergeten in de sterke wegsleependheid van zijn aard; de kracht van zijn verbeelding; de fleur van zijn grappigheid; de uitbundigheid van zijn vinders-vernuft, en de meegevoeligheid van zijn hart.

Tijdens de jaren van zijn leven (1812–1870) heeft Engeland een geleidelijke evolutie doorgemaakt, waarin versteend industrialisme en verrotte politiekerij door de zelf-ontwaking van de onderdrukten en het edelmoedig verzet van idealisten uit de andere klassen, werden omgewerkt tot bescherming van de arbeiders en zuiverder democratie. Tot die edelmoedige idealisten heeft ook Dickens behoord en zijn strijd tegen misbruiken in de rechtspraak, misbruik in de kostscholen, tyrannie van den gehuwden man, kinderverwaarloozing, heeft de hervormingsbeweging niet weinig geholpen. Hij had een macht over duizenden van lezers, in wier gemoed hij soms wel wat òverforsch kwam roeren, maar die zóo in hem en zijn scheppingen geloofden, dat zij, naarmate zijn werk in wekelijksche afleveringen vorderde, hem overstelpten met smeekbrieven om een kleine heldin toch niet te laten sterven; of dìè toch met dìèn te laten trouwen—.

Aan een populariteit als deze zit altijd gevaar. Men wordt geen schrijver voor de menigte, als men niet [8]in sterke mate eigenaardigheden heeft die tot velen spreken en velen gemeenzaam zijn, en wat vele menschen met elkaar gemeen hebben, kan alleen het àlgemeene zijn. Het fijnere, bizondere, in zich zelf verlorene is uit den aard der zaak maar voor weinigen. Doch dit algemeene behoeft niet noodzakelijk het grove, alledaagsche, oppervlakkige, sentimenteele te wezen. Er zijn kunstenaars door wie de sterke en groote levensstroom beweegt; menschen met breed gebaar, gansche levensruimten vullend, en die aldus op dien breeden, gullen en warmen levensstroom velen met zich nemen. Victor Hugo is zulk een mensch geweest, Peter Benoit was er een. Ook Björnson en Zola. En Dickens, hoewel zijn gebaar niet zóo breed, en zijn verbeeldingsleven niet zoo gul-echt was, behoorde toch wel tot hen, die hun populariteit dankten aan het sterke dat in hen was, en niet aan hun levensvervalschingen en niets-ontziende doordravende oppervlakkigheden, als nu Marie Corelli haar voorbijgaande populariteit bezorgen.—

Zijn Kerstvertelling, in 1842 geschreven, is een heel karakteristiek staal van zijn eigenaardige kunst. Er is de echt-Engelsche, op het ijzingwekkende gerichte, verbeelding; de bizarre humor; de sterke gevoeligheid en de humanitaire strekking in, die de vier grond-elementen van zijn werk vormen. In zijn soort is het compleet en ook door hem zelf niet overtroffen. Werk van langer adem van hem—en dat is wel het meeste—was zoo spoedig niet te vertalen. Maar het staat op onze lijst voor de toekomst. Want het behoort gemeengoed van allen te blijven of te worden.

L. S.

[9]
[Inhoud]
Ornament

Een Kerstlied in Proza
Zijnde een Spook-Kerstvertelling door Charles Dickens

Eerste Zang.

Marley’s Geest.

Om ’t dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge’s naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen.1 Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er bijzonder [10]doods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of ’t is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.

Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur, zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf, en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van Marley’s begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.—Er bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley’s dood.—Dit moet goed verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat Hamlet’s vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht, bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den avond gaat wandelen op een winderige plaats—bijvoorbeeld St. Pauls Churchyard—met geen ander opzet, dan om den [11]zwakken geest van zijn zoon in verbazing te zetten.

Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles hetzelfde.

Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw, en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.

Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen nog [12]wel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: “m’n waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?” Geen bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken, en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: “géén oog is beter dan een boos oog, blinde meester!”

Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte, en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden, dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge’s hand noemden.

Op een keer—en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den avond vóór Kerstmis—was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen, hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel donker—het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest—en kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar binnen door iedere reet en elk [13]sleutelgat, en was buiten zóó dicht, dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.

De deur van Scrooge’s kantoor stond open, opdat hij een oogje kon houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort hok, brieven copiëerde. Scróóge had al een klein vuurtje, doch het vuur van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer; en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.

“Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!” riep een vroolijke stem. Het was de stem van Scrooge’s neef, die hem zoo plotseling overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.

“Bah!” zei Scrooge, “nonsens!”

Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.

“Kerstmis nónsens, oom!” zei Scrooge’s neef, “dat meent u niet.”

“Waarachtig wel,” zei Scrooge. “Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen.” [14]

“Kom nu,” antwoordde de neef vroolijk, “welk recht hebt ù om knorrig te zijn? ù is rijk genoeg.”

Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij nogmaals “bah” en liet er op volgen: “Nonsens.”

“Wees nu niet knorrig, oom,” zei de neef.

“Wat kan ik anders zijn,” antwoordde de oom, “als ik in zoo’n wereld vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou,” zeide Scrooge verontwaardigd, “zou iedere idioot die rondloopt met “vroolijke Kerstmis” op zijn lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met een hulsttak door zijn hart.—Dàt zou ie!”

“Oom!” pleitte de neef.

“Neef!” antwoordde de oom streng, “vier Kerstmis zooals je verkiest en laat mij het doen zooals ik het wil.”

“Vieren!” hernam Scrooge’s neef. “Maar u viert het heelemaal niet.”

“Laat me het dan laten voor wat het is,” zeide Scrooge. “Veel goed moge het je doen! ’t Heeft je altijd veel geluk gebracht!”

“Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen nut getrokken heb waarschijnlijk,” antwoordde de neef, “en van deze dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd als hij weder dáár was—nog afgezien van [15]den eerbied, verschuldigd aan zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past er van afgescheiden kan worden)—gedacht heb als aan een goeden tijd: een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen, en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem.”

De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.

“Laat ik joù nog es hooren,” zeide Scrooge, “en jij zult je Kerstmis vieren met het verlies van je betrekking.—Ge zijt bepaald een groot redenaar, meneer,” voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. “’t Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit.”

“Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten.”

Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han—, ja, waarachtig, dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.

“Maar waarom?” riep Scrooge’s neef uit. “Waarom?”

“Waarom trouwde je?” zeide Scrooge. [16]

“Omdat ik verliefd werd.”

“Omdat je verliefd werd!” gromde Scrooge, alsof dit het eenige ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke Kerstmis. “Goeien middag!”

“Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen.”

“Goeien middag,” zei Scrooge.

“Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen wij geen goede vrienden zijn?”

“Goeien middag!” zei Scrooge.

“Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch mijn Kerststemming bewaren tot ’t laatste. En daarom, een gelukkig Kerstfeest, oom!”

“Goeien middag!” zei Scrooge.

“En een gelukkig Nieuw Jaar!”

“Goeien middag!” zei Scrooge.

En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.

“Daar heb je nòg zoo’n idioot,” mompelde Scrooge, die hem hoorde: “mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen, en dat praat over ’n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar Bedlam2 zal verhuizen.”

Deze idioot had, toen hij Scrooge’s neef uitliet, twee [17]andere menschen binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge’s kantoor stonden. Zij hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.

“De firma Scrooge en Marley, geloof ik,” zei een der heeren, zijn lijst inziend. “Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer Marley te zien?”

“Mijnheer Marley is al zeven jaren dood,” antwoordde Scrooge. “Vanavond voor zeven jaren is hij gestorven.”

“Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij zijn overlevenden compagnon,” zeide de heer, zijne geloofsbrieven overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante zielen geweest. Bij het onheilspellende woord “mildheid,” fronste Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven terug.

“In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge,” zei de heer, een pen opnemend, “is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen; honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!”

“Zijn er geen gevangenissen?” vroeg Scrooge.

“O ja, gevangenissen in overvloed,” zei de heer, zijn pen weder neêrleggend.

“En de werkhuizen?” vroeg Scrooge. “Zijn die nog in werking?”

“Zeker. En toch,” antwoordde de heer, “wenschte ik dat ik zeggen kon dat ze ’t niet meer waren.”

“De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?” zeide Scrooge. [18]

“Beide nog op volle kracht, meneer.”

“Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,” zeide Scrooge. “’t Doet me genoegen dàt te hooren.”

“In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen,” antwoordde de heer, “trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?”

“Voor niets!” antwoordde Scrooge.

“Wenscht u anoniem te blijven?”

“Ik wensch met rust gelaten te worden,” zeide Scrooge. “Daar u mij vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen feest op Kerstmis en ’t kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven noemde—en die kosten genoeg—en zij die ’t arm hebben kunnen dáárheen gaan.”

“Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven.”

“Als zij liever willen sterven,” zeide Scrooge, “dan moeten ze dat maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien—neem me niet kwalijk—maar daar weet ik niet van.”

“Maar u kòn het toch weten,” merkte de heer op.

“’t Zijn mijn zaken niet,” antwoordde Scrooge. “Het is voldoende als een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van anderen. De mijne [19]houden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!”

Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden, gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.

Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk, wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna, alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje, waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels, waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages, kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers- en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.

De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtige [20]Stadhuis, gaf zijnen vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze, zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest, roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch te koopen.

Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen (smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus, afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge’s sleutelgat om hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:

“Heil en zegen op deez’ dag,

Dat geen leed u treffen mag!”

greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist en de nog meer met Scrooge’s aard overeenkomende vorst.

Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok, die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.

“Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?” zeide Scrooge. [21]

“Als ’t gelegen komt, meneer.”

“’t Komt nièt gelegen,” zeide Scrooge, “en ’t is bovendien niet billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker dat je je al heel verongelijkt zou achten.”

De klerk glimlachte flauwtjes.

“En toch,” zeide Scrooge, “vind je niet dat ìk benadeeld word, als ik jou een dag salaris betaal voor geen werk.”

De klerk merkte op, dat ’t maar eens in ’t jaar was.

“Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten December te rollen!” zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin toeknoopend. “Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te vroeger bent.”

De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend, (want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde toen huiswaarts naar Camden Town,3 zoo hard zijne beenen slechts draven wilden, om blindemannetje te spelen.

Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers [22]die voortijds behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder begrijpend—wat een stout woord is—den raad, de schepenen en de gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, doch Marley’s gezicht.

Marley’s gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, [23]in ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit verschijnsel keek was het weder een klopper.

Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.

Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half en half verwachtte verschrikt te worden door Marley’s staartpruikje, uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: poe, poe! en sloot de deur met een slag.

Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een eigen naklank [24]van echo’s te hebben. Doch Scrooge was er de man niet naar zich door echo’s uit het veld te laten slaan. Hij grendelde de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, onder het gaan zijn kaars snuitend.

Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.

Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals ’t behoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.

Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot [25]zichzelf in; draaide den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley’s gezicht te zien zijn geweest.

“Malligheid!” zei Scrooge en liep de kamer op en neer.

Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten [26]doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, en al de schellen in het huis deden eveneens.

Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend gerommel laag beneden in ’t huis, alsof iemand een zwaren ketting sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht op zijn deur aan.

“’k Hou toch vol dat het malligheid is!” zei Scrooge. “Ik wil er niet in gelooven.”

Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur helder op, alsof het zeggen wilde: “die ken ik! Marley’s Geest!” en toen doofde het weder.

Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, en zijn jaspanden [27]en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.

Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.

Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.

Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. “Wat heeft dat nu te beteekenen!” zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. “Wat wilt ge van mij?”

“Heel veel!”—Marley’s stem, daar viel niet aan te twijfelen.

“Wie zijt ge?”

“Vraag me wie ik geweest ben.”

“Wie ben je dan geweest?” zeide Scrooge, zijn stem verheffend. “Je bent nog al kieskeurig—voor een schim.” Hij had willen zeggen “kieskeurig tot op een haar,” maar stelde het eerste ervoor in de plaats, als meer passend.

“Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley.” [28]

“Kunt ge—kunt ge gaan zitten?” vroeg Scrooge, hem twijfelachtig aanziend.

“Jawel.”

“Doe dat dan.”

Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.

“Ge gelooft niet aan mij,” merkte de Geest op.

“Nee, dat doe ik ook niet,” zeide Scrooge.

“Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat uwer zintuigen?”

“Dat weet ik niet,” zeide Scrooge.

“Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?”

“Omdat,” zeide Scrooge, “er maar heel weinig noodig is om ze in de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan ook zijn moogt!” Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen. [29]

Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en weer als door de heete lucht uit een oven.

“Ziet ge dezen tandestoker?” zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.

“Zeker,” antwoordde het spook.

“En je kijkt er niet eens naar,” zei Scrooge.

“Maar ik zie hem tòch,” zei het spook.

“Nu,” antwoordde Scrooge, “ik heb dezen maar door te slikken, om voor de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je—allemaal nonsens.”

Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.

Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.

“Genade!” zeide hij. “Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij lastig?”

“Wereldschgezinde man,” antwoordde het spook, “gelooft ge in mij of niet?” [30]

“Ja,” zeide Scrooge, “ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over de aarde, en waarom komen zij tot mij?”

“Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen—oh, wee mij—en getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen.”

Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong zijne doorschijnende handen.

“Ge zijt geboeid,” zeide Scrooge bevend. “Zeg mij waarom.”

“Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde,” antwoordde de Geest. “Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is het model ervan ù vreemd?”

Scrooge beefde al meer en meer.

“Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!”

Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch hij zag niets.

“Jacob,” zeide hij smeekend. “Oude Jacob Marley, vertel mij nòg meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob.”

“Die heb ik niet voor u,” antwoordde de Geest. [31]“Die komen van andere regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren van ons kantoor—luister—gedurende mijn leven dwaalde mijn geest nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle lange reizen liggen vóór mij!

Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of zijne knielende houding te verlaten.

“Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob,” merkte Scrooge op, op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.

“Langzaam!” herhaalde de Geest.

“Zeven jaren dood!” zeide Scrooge peinzend. “En al dien tijd op reis?”

“Al dien tijd,” zei het spook. “Geen rust, geen vrede en voortdurende knaging van berouw.”

“Reist ge snel?” zei Scrooge.

“Op de vleugelen van den wind,” antwoordde de Geest.

“Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn,” zei Scrooge.

Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal van op te maken wegens burengerucht. [32]

“O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende,” riep het spook uit, “gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!”

“Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob,” stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.

“Zaken!” riep de Geest uit, zijne handen wringend. “De menschheid was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!”

Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag weder op den grond.

“In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd ’k het meest,” zei het spook. “Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?” [33]

Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde voortgaan, en begon erg te beven.

“Hoor mij aan,” riep de Geest. “Mijn tijd is bijna om.”

“Dat wil ik,” zeide Scrooge. “Maar wees niet hard tegen me en wees niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!”

“Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten.”

Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte zich het zweet van het voorhoofd.

“Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening,” ging de Geest voort. “Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, Ebenezer.”

“Je waart altijd een goed vriend voor mij,” zeide Scrooge. “Dank je wel.”

“Je zult bezocht worden,” hernam het spook, “door Drie Geesten.”

Scrooge’s gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.

“Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?”

“Ja.”

“Dan geloof ik, dat—dat ik ’t toch maar liever niet wou,” zeide Scrooge.

“Zonder hun bezoek,” zeide de Geest, “kunt ge niet hopen het pad te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, als de klok één slaat.”

“Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan hebben, Jacob?” stelde Scrooge voor. [34]

“Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden wat er tusschen ons is voorgevallen.”

Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley’s tanden maakten, toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley’s geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.

Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts zweefden. Elk van hen [35]torste ketenen zooals die van Marley’s geest; een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor altijd de macht verloren hadden.

Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.

Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde om weder “nonsens!” te zeggen, doch bleef bij de eerste lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel onmiddellijk in slaap. [36]


1 De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te vinden, neerkomt.

2 Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.

3 Kleinburgerlijke voorstad van Londen.

[Inhoud]
Ornament

Tweede Zang.

De Eerste der Drie Geesten.

Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij tot zij het volle uur zouden slaan.

Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!

Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg twaalf; en zweeg.

“Wel heb ik van m’n leven, ’t is toch niet mogelijk dat ik een heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,” zei Scrooge. “Er zal toch [37]niets met de zon wezen, zoodat dit twaalf uur ’s middags kan zijn?”

Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met den mouw van zijn chambercloak af te wrijven voor hij iets kon zien, en zag toen nòg maar heel weinig. ’t Eenige dat hij zien kon was, dat het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote verlichting, omdat “na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief” enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.

Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen, en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.

Marley’s Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: “Was het een droom of niet?”

Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat de Geest hem [38]een bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan, was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.

Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn luisterend oor:

“Bim-bam!”

“Kwartier over!” telde Scrooge.

“Bim-bam!”

“Half slag!” zei Scrooge.

“Bim-bam!”

“Kwartier vóór,” zei Scrooge.

“Bim-bam!”

“Volslag,” zeide Scrooge, triomfantelijk, “en er komt niks.”

Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde, evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge, die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte, zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof, zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan uwe elboog.

Het was een vreemde gedaante—gelijkend op een kind; en toch weer niet zoozeer op een kind, als wel [39]op een oud man, gezien door de een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat, en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter, was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.

En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van al deze verdwijnende ledematen was geen [40]omlijning zichtbaar door de dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk en helder als altijd.

“Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?” vroeg Scrooge.

“Die ben ik!”

De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.

“Wie, en wat ben je?” vroeg Scrooge.

“Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden.”

“Van làng verledene?” vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw opmerkte.

“Neen, van ùw verleden.”

Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.

“Wat!” riep de Geest uit, “wilt gij met wereldsche handen reeds zoo gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?”

Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.

“Uw welzijn!” zeide de Geest.

Scrooge betuigde zijn’ dank, doch kon niet nalaten te denken dat een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijk [41]voor dit doel geweest zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij zeide onmiddellijk:

“Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!”

Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.

“Sta op! en ga met mij mee!”

Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand, was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.

“Ik ben maar een sterveling,” zeide Scrooge, “en zou licht kunnen vallen.”

“Laat mijne hand u slechts dáár raken,” zeide de Geest, zijn hand op Scrooge’s hart leggend, “en gij zult gesteund worden in meer dan dit!”

Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.

“Goeie hemel!” zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij om zich heen keek. “Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik jong was.” [42]

De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden, elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en zorgen die lang, lang vergeten waren.

“Uw lip beeft,” zeide de Geest. “En wat is dat daar op uw wang?”

Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij maar wilde.

“Herinnert gij u den weg nog?” vroeg de Geest.

“Of ik!” riep Scrooge met vuur.—“Ik zou hem blindelings kunnen loopen.”—

“Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!” merkte de Geest op. “Laten we voortgaan.”

Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde, met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.

“Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn,” zeide de Geest. “Zij beseffen niet dat wij hier staan.”

De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onder [43]het aankomen herkende Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen, naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om “een vroolijke Kerstmis?” Weg met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?

“De school is nog niet geheel verlaten,” zei de Geest. “Een eenzaam kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven.”

Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had; want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen; en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.

Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht, een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen. [44]

De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren schoolbanken en lessenaars.

Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.

Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn verteederenden invloed op Scrooge’s hart en gaf vrijer loop aan zijne tranen.

De Geest raakte zijn’ arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.

“Wel heb ik van m’n leven, dat’s Ali Baba!” riep Scrooge verrukt uit. “’t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als nu. Arme jongen! En Valentijn,” zeide Scrooge, “en zijn wilde broeder Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet, [45]ziet ge hem niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik ben er tòch blij om, wat moest hij ook met de Prinses trouwen?”

Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge’s zakenkennissen uit de City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen, te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde kleur en opgewonden gezicht te zien.

“Daar heb je de Papegaai ook!” riep Scrooge. “Groen lijf en gele staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. “Arme Robinson Crusoë,” noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart om zijn eiland heen. “Arme Robinson Crusoë,” waar zijt ge geweest, Robinson Crusoë?” De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch niet zoo: Het was de papegaai die ’t zei, weet je. Daar gaat Vrijdag, loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te redden. “Hallo, hoep, hallo!”

En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, “arme jongen!” en weende weder.

“Ik wou,” mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord: “maar ’t is nu te laat.”

“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.

“Niets,” zeide Scrooge. “Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat’s al!”—

De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaide [46]met de hand, zeggend terwijl hij dit deed: “Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien.”

Bij deze woorden werd Scrooge’s vroeger eigen ik grooter, en de kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in, de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde, wist Scrooge evenmin als gij of ik.—Hij wist alleen dat het precies zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.

Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend angstig naar de deur.

Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk kussend, noemde zij hem haar “lieve, lieve broertje.”

“Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!” zei het kind, in hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen, “om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!”

“Naar huis, kleine Fan?” antwoordde de jongen.

“Ja!” zeide het kind, dol van vreugde. “Naar huis, en voor goed. Vader is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op ’n heerlijken avond toen ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!” zei het [47]kind, haar oogen openend, “en hier kom je nooit meer terug; maar eerst moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd hebben dien je je denken kunt.”

“Je bent al ’n heele meid, kleine Fan!” riep de jongen uit. Zij klapte in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken, ging met haar mede.

Een barsche stem in den gang riep: “Hei daar, breng de koffer van jongenheer Scrooge es naar beneden!” en in den gang verscheen de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het alleroudste gat van een kille “mooie kamer” dat ge ooit gezien hebt, waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht naar buiten sturend om den postrijder een glas van “’t een of ander” aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer’s aanbod dankbaar aannam, maar dat als het ’t zelfde was wat hij al meer gehad had, dan had hij ’t liever niet. Daar de koffer van jongenheer Scrooge nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; de [48]sneldraaiende raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen der coniferen.

“Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen blazen,” zei de Geest. “Maar ze had een ruim hart.”

“Dàt had ze,” riep Scrooge uit. “Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!”

“Ze stierf toen ze ’n vrouw was,” zei de Geest, “en had, geloof ik, kinderen.”

“Eén kind,” antwoordde Scrooge.

“’t Is waar ook,” zeide de Geest, “uw neef.”

Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: “Ja.”

Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden, bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar schimmige passagiers heen en weder liepen; waar schimmige karren en koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij het kende.

“Of ik!” zeide Scrooge. Ik was hier immers leerling!”

Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:

“Wel heb ik van m’n leven, ’t is de ouwe Fezziwig! God zegen hem; het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is.” [49]

De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette, joviale stem:

“Hallo daar! Ebenezer! Dick!”

Scrooge’s vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.

“Dick Wilkins, waarachtig!” zei Scrooge tegen den Geest. “Waarachtig ’t is ’em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!”

“Yo ho, jongens!” zeide Fezziwig. “Voor vandaag genoeg gewerkt, hoor. Avond vóór Kerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er vóór, hoor,” riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen, “vóór je tot tien kunt tellen!”

Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken—een, twee, drie—en ze zaten al op hun plaats—vier, vijf, zes—de boomen en pennen erop—zeven, acht, negen—en daar waren ze al weer terug voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.

“Hilli-ho!” riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met merkwaardige vlugheid. “Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant zetten!” Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen, als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werd [50]geveegd en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt kunnen wenschen.

Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend, den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist dat haar meesteres haar aan ’r ooren getrokken had. Binnen kwamen ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur, sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen, hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los, twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond in verschillende houdingen van verliefdheid, [51]het oude eerste paar dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: “Goed zoo!” en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier, die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht, die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.

Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst, en er was tulband en “negus,” en er was een groot stuk koud vleesch en een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch, rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt, toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen) Sir Roger de Coverley1 begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig aan om te [52]dansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners; allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.

Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel, dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is, doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den dans gegaan waren, “avancez en retirez,” “geef uw partner de hand,” “buig en curtsey,” “kurketrekker,” “doe een draad in de naald,” en “weer terug naar uw plaats,” sprong Fezziwig in de hoogte—sprong met de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.

Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na, wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne bedden [53]die zich onder een toonbank achter in den winkel bevonden.

Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles, en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik, dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het licht op zijn hoofd zeer helder brandde.

“Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze luidjes!” zeide de Geest.

“Gering iets!” echoëde Scrooge.

De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen, die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden, en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: “Nu, is het niet zooals ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven, drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar al dien lof voor verdient?”

“Dàt is het niet,” zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet zijn later Ik het zou gedaan hebben. “Dat is het niet, Geest. Hij heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidt [54]is precies even groot als wanneer het een vermogen kostte.”

Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.

“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.

“O, niks bijzonders,” zeide Scrooge.

“Toch wel ìets, geloof ik?” hield de Geest aan.

“Neen,” zeide Scrooge, “neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!” Zijn vroeger Ik draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest stonden weder naast elkaar in de open lucht.

“Mijn tijd spoedt ten einde,” merkte de Geest op. “Vlug!”

Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van den groeienden boom zou vallen.

Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad, in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk uit den Geest van Verleden Kersttijden.

“Het komt er niet erg op aan,” zeide ze zacht. “Voor jou al heel weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht hebben, dan heb ik geen reden om te treuren.” [55]

“Welke afgod heeft je verdrongen?” vroeg hij.

“Een gouden afgod, de mammon.”

“En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld,” zeide hij. “Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen van rijkdommen.”

“Je bent te bang voor de wereld,” antwoordde zij zacht. “Al je hoop is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de overheerschende hartstocht “winstbejag,” je geheel in beslag genomen heeft. Is het niet zoo?”

“Nu, wat zou dat?” antwoordde hij. “Wat zou het dan nog, al bèn ik veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?”

Zij schudde het hoofd.

“Ben ik wèl?”

“Onze overeenkomst is al ’n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je een heel ander man.”

“Toen was ik ’n jongen,” zeide hij ongeduldig.

“Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,” antwoordde zij. “Ik ben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende, nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en dat ik je nu je woord kan teruggeven.” [56]

“Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?”

“Met woorden? neen, nooit.”

“Waarmede dan?”

“Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in jouw oog. Zeg eens eerlijk,” zeide het meisje, hem vriendelijk, doch vast aanziend, “of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was, mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet zeker van niet”—

Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: “Jìj denkt van niet.”

“Ik zou er graag anders over denken als ik kón,” antwoordde zij. “God weet ’t! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart, terwille van hem die je eens was.”

Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:

“Misschien dat dit je pijn zal doen,—en de gedachtenis aan wat voorbij is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten tijd zal dit [57]zoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt.”

Zij ging heen, en aldus scheidden zij.

“Geest,” zeide Scrooge. “Laat me niet méér zien! Breng mij naar huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?”

“Nog één schim!” riep de Geest uit.

“Neen, neen, niet meer!” riep Scrooge. “Niet meer. Ik wil het niet zien. Laat dit genoeg zijn!”

Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag, nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.

Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon; en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen; integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot vermaak in, en de [58]laatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.

Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen! ik had dat gevlochten haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen; ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben, en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.

Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen, die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul en [59]het gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen, en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was, doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg, dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen, en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.

En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes, terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend, hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot een lente maken, werd zijn oog vochtig.

“Bella,” zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach, “ik zag een oud vriend van je van-middag.”

“En wie was dat?” [60]

“Raad ’es?”

“Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet ’t,” voegde zij er in denzelfden adem bij, evenals hij lachend, “meneer Scrooge.”

“Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor; en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde, moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt, en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik.”

“Geest!” zeide Scrooge met bevende stem, “voer mij weg van deze plaats.”

“Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden behooren,” zeide de Geest. “Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt zij zijn.”

“Breng mij hier vandaan!” riep Scrooge uit. “Ik kan het niet dragen!”

Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.

“Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!”

In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die onverwacht op zijn hoofd.

De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte bedekte; doch hoewel Scrooge uit [61]alle macht er op drukte, kon hij het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.

Ornament

[62]


1 Een oude danswijs. Over “Sir Roger de Coverley” vindt men een en ander in Prof. Knappert’s aanteekeningen bij Sara Burgerhart—1e deel, pag. 287.—

[Inhoud]
Ornament

Derde Zang.

De Tweede der Drie Geesten.

Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem door Jacob Marley’s tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig gemaakt worden.

Heeren die tot het genus “gladde, gewikste lui” behooren, die er zich op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen dat ze voor alles te vinden zijn, van [63]“kruis of munt,” tot manslag toe; tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.

Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven, toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang dat hij een interessant geval van “spontane verbranding” voorstelde, zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten laatste begon hij te bedenken—zooals gij of ik dit dadelijk zouden gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat, die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben ook—ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had, stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur. [64]

Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge’s hand den knop aanvatte, riep een vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit deed hij.

Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in Scrooge’s tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters, heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen, lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus, grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig om de deur stak.

“Kom binnen,” riep de Geest uit. “Kom binnen! en leer me wat beter kennen, menschenkind!”

Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen Geest hangen. [65]

Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun blik toch liever niet ontmoeten.

“Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden,” zei de Geest. “Bekijk me maar es goed!”

Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af; open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij was geheel doorvreten van den roest.

“Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!” riep de Geest uit.

“Nooit,” antwoordde Scrooge.

“Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel (want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de laatste jaren geboren werden?” vervolgde het spook.

“Ik geloof het niet,” zei Scrooge. “Ik vrees van niet. Hebt ge veel broeders, Geest?”

“Meer dan achttienhonderd,” zei de Geest.

“Een geweldig gezin om te onderhouden!” mompelde Scrooge. [66]

De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.

“Geest,” zeide Scrooge onderworpen, “leid mij waarheen ge wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt.”

“Raak mijn kleed aan!”

Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.

Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild, gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes, oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen, waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder, afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken, en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste straten stonden vol dikke vuile mist, [67]half ontdooid, half bevroren, welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes, alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem te overschaduwen.

Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een sneeuwbal—een goediger projectiel dan menige met woorden geuite grap—hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde, dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen, terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid, deden denken aan [68]oude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk, plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur van vruchten waren geplaatst, en voor ’t overige leden van een dom, koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was, en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend, hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.

Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen; doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren, als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk, de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker, zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en week [69]waren, of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak, vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen, en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken als ze wilden.

Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten, in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.

En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen, [70]een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!

Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen te koken.

“Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw’ toorts sprenkelt?” vroeg Scrooge.

“Zeker, mijn eigene.”

“Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?”

“Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van een’ arme.”

“Waarom op dat van een arme het meest?” vroeg Scrooge.

“Omdat die het ’t meest noodig heeft.”

“Geest,” zei Scrooge na eenig nadenken, “wat me verwondert is, dat juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen, de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken.”

“Ik!” riep de Geest uit.

“Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd kunnen worden te eten,” zeide Scrooge. “Is dit niet zoo?”

“Ik!” riep de Geest uit.

“Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?” zeide Scrooge. “En dat komt op ’t zelfde neer.” [71]

“Ik zou trachten...!” riep de Geest uit.

“Vergeef me als ik ’t mis heb. Het is toch in uw’ naam geschied of tenminste in dien van uw geslacht,” zeide Scrooge.

“Er leven op deze onze aarde,” antwoordde de Geest, “enkelen die beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots, haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn, alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste, en niet ons, geesten van het Kerstfeest.”

Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar, zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen, en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste de beste hooge ruime hal.

En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige, hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar het huis van Scrooge’s klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob had maar vijftien “bob” (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds slechts [72]vijftien exemplaren van zijn doopnaam in z’n zak; en tòch zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!

Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit’s vrouw, die slechts armelijk gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent; en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak, en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn’ zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, ’n jongen en een meisje, binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.

“Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven,” zeide juffrouw Cratchit. “En je broertje, kleine Tim; en je zuster Martha was op geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis.” [73]

“Daar is Martha al, moeder!” riepen de twee jonge Cratchits. “O, d’r is zoo’n groote gans, Martha!”

“Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!” zeide juffrouw Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar aannemend met behulpzamen ijver.

“Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken,” antwoordde het meisje, “en we moesten van morgen opruimen, moe!”

“Nou, ’t is niks, nu je er maar bent!” zeide juffrouw Cratchit. “Ga voor ’t vuur zitten, lieve, en warm je es.”

“Nee, nee! Daar komt vader,” riepen de twee jonge Cratchits, die overal tegelijk waren. “Verstop je, Martha, verstop je!”

En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim, hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door een ijzeren beugel!

“Wel, waar is Martha?” riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.

“Die komt niet,” zeide juffrouw Cratchit.

“Kòmt die niet?” zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn vroolijke stemming; want hij was Tim’s raspaard geweest heelemaal van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. “Komt ze nièt op Kèrstdag?”

Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits kleine [74]Tim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok, om de pudding te hooren zingen in den aker.

“En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?” vroeg juffrouw Cratchit, toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne dochter naar hartelust gepakt had.

“Als goud en nog beter,” zeide Bob. “Ik weet niet hoe het komt, maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen gezond en de blinden ziende maakte.”

Bob’s stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.

Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,—alsof ze nog kaler konden worden, arme duivel—in een kan een heet mengsel maakte van jenever en citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.

En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij een zwarte [75]zwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus (die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste; jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie; jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend, stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met het heft van zijn mes en riep zwakjes: “hoerah!”

Nooit had je zoo’n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat er ooit zoo’n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak, zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eens [76]allemaal opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer—te zenuwachtig om getuigen mede te nemen—om de pudding op te doen en binnen te brengen.

Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen werden er geopperd.

Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden, met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel, hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.

Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er geen bloem [77]genoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken, doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo iets te zinspelen.

Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit’s elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit: twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.

Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:

“Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!”

Wat de geheele familie hem na-zei.

“God zegene ons allemaal!” zei kleine Tim het laatst van allen.

Hij zat heel dicht naast zijn’ vader op zijn kleine kruk. Bob hield het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad, en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem ontnomen zou worden.

“Geest,” zei Scrooge, met eene belangstelling zooals [78]hij nooit te voren gevoeld had, “zeg of kleine Tim zal blijven leven.”

“Ik zie een ledige plaats,” hernam de Geest, “in het hoekje van den haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst, zal het kind sterven.”

“O, neen, neen,” zei Scrooge. “O neen, goede Geest! zeg dat hij gespaard zal blijven!”

“Als de Toekomst deze schimmen niet verandert,” ging de Geest voort, “zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert hij meteen de overbevolking.”

Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen, liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.

“Mensch”—vervolgde de Geest—“als je werkelijk in je hart een mensch en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!—te moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel “leven” is onder zijn hongerige broeders in het stof!”—

Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij zijn naam hoorde noemen.

“Meneer Scrooge!” zeide Bob. “Ik ga een toast [79]uitbrengen op meneer Scrooge, den stichter van het feest.”

“De stichter van het feest! ’t mocht wat!” riep juffrouw Cratchit uit, rood wordend van ergernis. “Ik wou dat ik ’em hier had. Dan zou ik hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik hoop dat hij er goeden trek in zou hebben.”

“Lieve,” zeide Bob, “denk om de kinderen; Kerstdag.”

“Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van zoo’n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!”

“Lieve,” was Bob’s zachte antwoord, “Kerstdag.”

“Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag,” zeide juffrouw Cratchit, “maar niet om ’mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!—hij zal beslist wel erg vroolijk en erg gelukkig zijn!”

De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.

Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op ’t oog had voor jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig per week zou [80]inbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door, alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha, die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte, en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren, en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje en zong zijn liedje heel goed.

In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig, dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge keek naar [81]hen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.

Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje, met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen des huizes om ’t hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet, en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen met kappen over ’t hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar—dat wisten die schalken wel,—met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge hadt willen oordeelen naar de massa’s menschen die allen op weg waren naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de Geest voorbijging. Maar—dat de Kerstgeest hem nabij, ja [82]in hem was, wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook Scrooge was voorbij geloopen!

En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa’s ongehouwen steen in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde—of liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had gehouden—en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten, die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.

“Wat is dit voor een plaats?” vroeg Scrooge.

“Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde werken,” antwoordde de Geest. “Doch zij kennen mij. Kijk maar!”

Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw, met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na, allen in feestdos.

Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied, van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne plotselinge energie weder.

De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijn [83]kleed vast te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar zéé. Tot Scrooge’s ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen aanwendde om de aarde te ondermijnen.

Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame vuurtoren. Groote massa’s zeewier hadden zich aan zijn voet vastgehecht, en stormvogels—door den wind gebaard, kon men denken, zooals het zeewier door het water—rezen en daalden er rondom, als de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.

Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht, zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.

En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee, voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naast [84]de officieren die de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen, goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen, en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.

Het was tot Scrooge’s groote verbazing dat hij, terwijl hij nog luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het was tot Scrooge’s groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog, prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.

“Ha, ha!” lachte Scrooge’s neef. “Ha, ha, ha!”

Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een vroolijker lach dan Scrooge’s neef, dan is het eenige wat ik zeggen kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor, en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.

Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo aanstekelijk is als lachen en [85]goedgehumeurdheid. Als Scrooge’s neef aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge’s aangetrouwde nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets bij hen achter en brulden lustig mede.

“Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!”

“Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef, dat zei hij!” riep Scrooge’s neef. “En hij geloofde ’t zelf!”

“Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!” zeide Scrooge’s nicht verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt scheen gekust te worden—wat het zonder twijfel dan ook werd; en het zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo’n klein schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk, en sympathiek!”

“Een grappige oude man,” zeide Scrooge’s neef, “dat is een feit; en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van hem spreken, hoor!”

“Hij zit er erg warmpjes in, Fred,” zeide Scrooge’s nicht. “Tenminste dat zeg jij altijd.”

“Nu, en wat zou dat, lieve!” zeide Scrooge’s neef. “Hij kan toch geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed mede. En ook zichzelf [86]maakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha, ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens goed mee zal doen.”

“Ik kan hem niet uitstaan,” merkte Scrooge’s nicht op.

De zusters van Scrooge’s nicht en al de andere dames waren van dezelfde meening.

“Och, ik wel!” zeide Scrooge’s neef. “Ik heb medelijden met hem; ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet, is toch niet veel zaaks.”

“Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet,” viel Scrooge’s nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp om den haard zaten.

“Nou, ’t doet me pleizier dat te hooren,” zeide Scrooge’s neef, “omdat ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat zeg jij er van, Topper?”

Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van Scrooge’s nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge’s nicht, de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.

“Ga nu door Fred,” zeide Scrooge’s nicht in hare [87]handen klappend, “Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo’n rare jongen!”

Scrooge’s neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.

“Ik wou maar zeggen,” zei Scrooge’s neef, “dat het gevolg van zijn hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: “Oom Scrooge, hoe gaat het?” Al bracht ’t hem alleen maar in de stemming van zijn armen klerk vijftig pond na te laten, dan zou ’t toch wàt gegeven hebben, en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb.”

Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de flesch door.

Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale familie en ze wisten wel wat ze [88]deden, toen ze een lied met een canon1 zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper, die met z’n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van werd. Scrooge’s nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind, dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had, hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd, en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.

Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge’s neef, [89]en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben alsof hij trachtte u te grijpen—wat een beleediging zou zijn geweest van uw inzicht—en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk achter de overgordijnen zaten. Scrooge’s nicht deed niet mee aan ’t blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de Geest en Scrooge vlak [90]achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, met al de letters van het alphabet.2 En zeer bedreven, en versloeg hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge’s neef; en toch waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.

Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien, en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.

“Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen,” zeide Scrooge. “Nog één klein half uurtje, Geest, nog maar één!”

Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge’s neef aan iets denken moest, en de overigen [91]moesten zien te vinden waaraan hij dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde, naar het geval vereischte.

Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel, of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken, of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd, barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken staat als hij geraakt was, uit:

“Ik heb ’t! Ik weet wat ’t is, Fred! Ik weet wat ’t is!”

“Nou wat is ’t dan?” riep Fred.

“’t Is je oom Scro-o-o-o-ge!”

En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen, hoewel sommigen opperden dat het antwoord op “is het een beer?” “ja” behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige neiging dien kant uit gehad hadden.

“Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft,” zei Fred, “en het zou ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink hier op hem met een [92]glas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat hij: Oom Scrooge!”

“Nu goed dan, oom Scrooge!” riepen allen.

“Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man toegewenscht, wat hij ook zijn moge!” zeide Scrooge’s neef. “Hij wilde mijn wensch niet aannemen, maar ’t is hem tòch gegund. Oom Scrooge; daar ga je!”

Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden, dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds weder op reis.

Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij, doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden, en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen, en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.

Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd, dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd, klaarblijkelijk ouder. Scrooge was [93]deze verandering niet ontgaan, doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het haar van den Geest grijs was.

“Is het leven van Geesten zóó kort?” vroeg Scrooge.

“Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort,” antwoordde de Geest. “Vanavond loopt het af.”

“Vanavond!” riep Scrooge.

“Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert.”

De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.

“Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag,” zeide Scrooge, aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, “maar ik zie iets vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed uitsteken. Is het een voet of een klauw?”

“Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch dat er opzit,” antwoordde de Geest pijnlijk. “Zie hier.”

Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige, vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.

“O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!” riep de Geest uit. Het waren een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des ouderdoms, hen [94]geknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje en meisje.

Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren, doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.

“Geest, zijn dit uwe kinderen?” was alles wat Scrooge kon uitbrengen.

“Zij zijn Menschen-kinderen,” zeide de Geest op hen neerziend. “En zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis, tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg,” riep de Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. “Beschimp hen die ’t u verzekeren. Geef ’t toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!”

“Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?” riep Scrooge uit.

“Zijn er geen gevangenissen?” zei de Geest, zich voor de laatste maal tot hem wendend met Scrooge’s eigen woorden. “Zijn er geen werkhuizen?” [95]

De klok sloeg twaalf.

Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend, op zich toe komen.

Ornament

[96]


1 Meerstemmig koraal.

2 Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem (haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, geeft een pand.

[Inhoud]
Ornament

Vierde Zang.

De Laatste der Geesten.

Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.

“Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?” zeide Scrooge.

De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit. [97]

“Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?”

De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het eenige antwoord dat hij ontving.

Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap, was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven zich te herstellen.

Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij, hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage onbestemde angst.

“Geest der Toekomst!” riep hij uit. “Ik vrees u meer dan eenig ander Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge niet tegen mij spreken?”

Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.

“Ga mij voor!” zeide Scrooge. “Ga voor! De nacht gaat snel voorbij en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!” [98]

Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende hij, hem staande hield en hem voortdroeg.

Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen, en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo dikwerf gezien had.

De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar wat zij zeiden.

“Neen,” zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. “Ik kan je d’er niet veel van vertellen, hoe dan ook. ’t Eenige wat ik wéét, is, dat hij dood is.

“En wanneer heeft hij ’t afgelegd?” vroeg een ander.

“Gisterenavond, geloof ik.”

“En wat heeft ’em gemankeerd?” vroeg een derde, een kolossale hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. “Ik moet je zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan.”

“God weet ’t,” zeide de eerste geeuwend.

“En wat heeft ie met zijn geld gedaan?” vroeg een heer met een erg rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.

“Dat heb ik niet gehoord,” zei de man met de groote onderkin, weder geeuwend. “Wellicht aan zijn [99]Gilde vermaakt. ’t Eenige wat ik weet, is, dat hij ’t niet aan mij heeft nagelaten.”

Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.

“’t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn,” zei dezelfde spreker; “want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden om mee te gaan?”

“O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen,” merkte de heer met den uitwas aan zijn neus op. “Maar ik moet goed te eten hebben, als ik meedoe.”

Weder gelach.

“Nou, ik ben bij slot van rekening de minst geïnteresseerde van jelui,” zeide de eerste spreker, “want ik draag nooit zwarte handschoenen1 en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog meer voor te vinden zijn. Als ik ’t wel beschouw, ben ik heelemaal zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een praatje te maken. Saluut heeren!”

Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om een uitlegging.

Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend dat de uitleg hier zou liggen.

Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het waren [100]mannen van zaken; heel rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.

“Hoe gaat ’t je?” zeide de een.

“Hoe gaat ’t jou?” antwoordde de ander.

“Dus,” zeide de eerste, “de oude Schraap heeft dan toch eindelijk gekregen wat hem toekomt, he?”

“Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?”

“Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!”

Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele gesprek.

Scrooge’s eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben, begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond, en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden, nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag, zorgvuldig te vergâren; en in ’t bijzonder zijn eigen schim, zoo hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim, doch een ander man stond [101]nu op de plaats waar hij vroeger placht te staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.

Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.

Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend, onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken en leelijk.

Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.

Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen, beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen, weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen, waarin slechts weinigen den moed zouden [102]hebben door te dringen, werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen, hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte met al de weelde van een rustig rentenierschap.

Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag, dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten zij alle drie in lachen uit.

“Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer één is!” riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. “Laat de waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje, ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder ’t te wille!”

“Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen,” zeide Oude Jan, zijn pijp uit den mond nemend. “Kom maar in de voorkamer. ’t Is al ’n heele tijd geleje dat je daar voor ’t éérst binnenkwam, en de twee andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D’r [103]is geen roestiger stuk ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik weet zeker dat d’r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha, ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen.”

De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe, en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed, wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. “Wat zou ’t! Wat zou ’t, juffrouw Dilber?” zei het mensch. “Iedereen heeft het recht voor z’n eige te zorge... Dat dee hìj ook!”

“Dat zeg uwes wel!” zei de waschvrouw. “Geen loer draaie, zou ’k denke?”

“Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou ’k denken?”

“Nee, dat geloof ’k ook niet!” zei juffrouw Dilber en de man tegelijk. “Dat denke we ook niet!”

“Nou, goed dan!” riep de vrouw. “Wie mist een paar dinge als die wij hier brenge? Zoo’n dooje man zéker niet.”

“Nee, daar kun je van op an!” lachte juffrouw Dilber.

“Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z’n lijf? Als ie dat gehad had, [104]dan zou d’r wel iemand geweest zijn om voor ’em te zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te ligge sterve heelemaal alleen.”

“Dat is ’t waarste woord dat je ooit gesproke hebt,” zeide juffrouw Dilber. “Nou heeft ie net wat ie verdiend heit.”

“Ik wou dat ’t wat zwaarder was,” antwoordde de vrouw, “en dat zou ’t, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d’r voor geeft. Zeg ’t maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te zijn, en ook niet dat zij ’t zien. Voor we mekaar hier ontmoetten, wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!”

Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder, een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.

“Dat is jouw rekening,” zei Jan, “en al werd ik levend gekookt, geen schelling doe ’k er bovenop. Wie volgt?”

Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op den muur geschreven. [105]

“Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is ’n zwak van me en ik weet dat ’k me zelf d’r mee ruweneer,” zei ouwe Jan. “Dat is jouw bedrag. Als je me d’r een stuiver meer voor vroeg, zou ’t me spijte zoo vrijgevig geweest te zijn en zou ’k er een daalder afdoen.”

“En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan,” zei de eerste vrouw.

Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere stof uit.

“Hoe noem je dit?” zei Jan. “Bed-gordijnen!”

“Ha, ha!” antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen vooroverbuigend, “bed-gordijnen!”

“Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb genome, terwijl hij d’r nog leit?” zei Jan.

“Jawel zeker,” antwoordde de vrouw. “Waarom zou ’k niet?”

“Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken,” zeide Jan, “en dat zul je zonder mankeere.”

“Ik zal vást m’n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan winne met ze uit te steke, naar ’t goed van ’n man als hij, dat kan ’k je wel vertelle, ouwe Jan,” antwoordde de vrouw bedaard. “Toe nou, laat die olie niet op de dekens valle.”

“Zijn dekens?” vroeg Jan.

“Van wie anders, denk je?” vroeg het wijf. “Hìj zal geen kou vatten, al heeft ie ze nou niet meer.”

“Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke ziekte, he?” zeide de oude Jan, even opkijkend.

“Daar hoef je niet bang voor te zijn,” antwoordde [106]het wijf. “Ik ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d’r pijn van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale steê. ’t Is het beste hemd dat ie had en ’t is fijn, hoor. Ze zouen ’t eenvoudig weggegooid hebbe als ik d’r niet tussche gekomme was.”

“Wat bedoel je met “weggooien?” vroeg de oude Jan.

“Nou, dat ze ’t hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde, natuurlijk,” antwoordde de vrouw lachend. “D’r was ’t er een gek genoeg om ’t te doen, maar ik heb ’t hem weer uitgetrokke. Als katoen niet goed genoeg is voor zoo iets, dan is ’t nergens goed genoeg voor. ’t Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan ie toch al deed.”

Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin, die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.

“Ha, ha!” lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen op den grond aftelde. “Zie je, zoo loopt ’t nou met hem af. Bij z’n leven schrikte hij iedereen af, om ons d’r van te late profiteeren nou dat ie dood is! ha ha!”

“Geest!” zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. “Ik begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou het mijne kunnen [107]worden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant uit. Genadige Hemel, wat is dit!”

Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd, en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen, waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was, zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.

Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend, lag het lichaam van een man.

Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen, en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.

“O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslag [108]die van een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien.”

Geen stem zei deze woorden aan Scrooge’s oor, en toch hoorde hij ze toen hij naar het bed keek.

Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid, geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde gebracht!

Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind bij zich, om van hem te getuigen: “hij was vriendelijk en goed jegens mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal ìk nù goed voor hem zijn.” Er krabde een kat aan de deur en Scrooge hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en waarom zij zoo rusteloos waren.

“Geest!” zeide hij, “dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal achterlaten.”

Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.

“Ik begrijp u,” antwoordde Scrooge, “en zoo ik kon, zou ik het doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet.”

Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.

“Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van dezen man, smeek ik u mij hem te toonen,” zeide Scrooge zeer ontroerd.

Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten. [109]

Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde, en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht (wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te weten hoe hij haar antwoorden zou.

“Is het goed of slecht nieuws?” vroeg zij, om hem op gang te helpen.

“Slecht!” antwoordde hij.

“Zijn we dan heelemaal geruïneerd?”

“Neen, er is nog hoop, Caroline.”

“Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt, dan is er nièts hopeloos.”

“Hij kàn niet meer vermurwd worden,” zeide haar echtgenoot. “Hij is dood.”

Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht, geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was dat wat haar hart haar ingaf.

“Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel ziek, maar al stervende.” [110]

“Aan wien zal je schuld overgaan?”

“Dat weet ik niet. Maar vóór ’t zoover is, zullen we ’t geld al hebben; en zelfs al hadden we ’t niet, dan zou ’t toch al heel erg zijn als wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan slapen, Caroline.”

Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.

“Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval,” zeide Scrooge; “of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen.”

De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had, en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.

Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook zij hielden zich wel heel stil!

“En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen.” [111]

Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben, toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?

De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.

“Die kleur doet mijn oogen pijn,” zei zij.

De kleur? Och, arme kleine Tim!

“Nu is ’t al weer over,” zei Cratchits vrouw. “Bij kaarslicht zijn ze een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld zwakke oogen willen laten zien. ’t Zal zoowat tijd zijn dat hij komt.”

“’t Is er al over,” antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. “Maar ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de laatste paar avonden, moeder!”

Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke stem, die slechts éénmaal haperde:

“Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog wel hard ook.”

“Ik ook,” riep Peter. “Zoo vaak!”

“En ik,” riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.

“Maar hij was ook erg licht om te dragen,” ging zij voort, ijverig doorwerkend, “en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte heelemaal niet voelde—heelemaal niet. En daar is je vader net aan de deur!”

Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante om—en hij had hem wèl noodig, arme drommel—kwam binnen. Zijn thee stond klaar [112]voor hem op de plaat en allen vochten om ’t hardst wie hem ’t eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof zij zeggen wilden: “Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees maar niet bedroefd.”

Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij bekeek het werk op tafel en prees den ijver en ’t vlugge werken van juffrouw Cratchit en de meisjes.

“De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn,” meende hij.

“Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?” vroeg zijne vrouw.

“Ja, beste,” antwoordde Bob. “Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!” zeide Bob. “Mijn kleine jongen!”

Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.

Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht was en met hulst behangen.

Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten, en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging weder gelukkig naar beneden.

Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten, [113]terwijl de meisjes en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone vriendelijkheid van meneer Scrooge’s neef, dien hij slechts eenmaal gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat tegenkomend en ziend dat hij er een beetje—“een heel klein beetje neerslachtig uitzag,” zei Bob,—hem gevraagd had wat er gebeurd was dat hem zoo hinderde. “Waarop,” zei Bob, “want hij is de minzaamste meneer die je ooit gezien hebt,—ik ’t hem vertelde. “Dat spijt me van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit,” zeide hij, en ook voor uw goede vrouw.” Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet ik nog niet.”

“Wàt wist, lieve?”

“Wel, dat jij een goede vrouw was,” antwoordde Bob.

“Maar dat weet iedereen!” zeide Pieter.

“Heel goed gezegd, m’n jongen!” riep Bob. “Ik hoop dat ze ’t allemaal weten. “’t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw,” zeide hij. “Als ik u met iets van dienst kan zijn,” zeide hij, mij zijn kaartje overhandigend, “dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even aan te komen.” Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen, dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen Tim gekend had en hij met ons meevoelde.

“Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!” zei juffrouw Cratchit.

“Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. ’t Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter een betere betrekking bezorgde.”

“Hoor nu eens aan, Pieter,” zei juffrouw Cratchit.

“En dan,” riep een van de meisjes, “gaat Pieter [114]verkeering houden met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen.”

“Och loop heen!” antwoordde Pieter grijnzend.

“O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren,” zei Bob, “hoewel dáár nog tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine Tim zullen vergeten—wel?—of deze eerste scheiding die er onder ons plaats vond?”

“Nooit, vader,” riepen allen.

“En ik weet ook zeker,” zei Bob, “ik weet ook zeker, dat als we er aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en terwijl we het doen kleine Tim vergeten.”

“Nee, nooit, vader!” riepen allen weder uit.

“Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig,” zei kleine Bob.

Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.

Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!

“Spook!” zei Scrooge, “iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de man was, dien ik dood zag liggen?”

De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te voren—hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen—naar plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken, [115]doch toonde hem niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan, doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te blijven staan.

“Deze plaats,” zeide Scrooge, “waarover wij nu zoo snel loopen, is mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat mij zien wat ik in komende dagen zijn zal.”

De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.

“Het huis is ginds,” riep Scrooge uit. “Waarom wijst gij een anderen kant uit?”

De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.

Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was hij ook niet.

Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.

Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken vóór hij binnentrad.

Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een waardige plaats. [116]

De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.

Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige gestalte te zullen zien.

“Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader,” zeide Scrooge, “verzoek ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen van dingen die kùnnen worden?”

Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.

“De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,” zei Scrooge. “Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!”

De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.

Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen naam, “Ebenezer Scrooge.”

“Ben ik dan die man, die op dat bed lag?” riep hij op de knieën vallend uit.

De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.

“Neen, Geest, o, neen, dàt niet!”

Doch de vinger bleef wijzen.

“Geest,” riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen geleider, “hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles mij niet [117]getoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn geval hopeloos was?”

Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.

“Goede Geest,” vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den grond wierp. “Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven.”

De vriendelijke hand beefde.

“Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het ’t geheele jaar door trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O, zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan uitwisschen.”

In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.

Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar, en werd... een beddepost.

Ornament

[118]


1 Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan het hof nog het geval.

[Inhoud]
Ornament

Vijfde Zang.

Het Einde.

Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien tijd tekort geschoten was!

“Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!” herhaalde Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. “En de Geesten, al deze drie, zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!” Hij was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.

“Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!” riep Scrooge uit, een zijner bedgordijnen in zijn arm nemend, “ze zijn dus toch nog niet neergehaald met [119]ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!”

Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.

“Ik weet niet wat ik beginnen moet!” zei Scrooge tegelijkertijd lachend en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij volkomen op Laokoön geleek. “Ik voel me zoo licht als een veêr en ben zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, hallo!”

Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten adem.

“Daar staat de sauskom, waar de pap in was!” riep Scrooge, opnieuw beginnend en om den haard dansend. “Daar is de deur waardoor de Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en ’t is allemaal zoo gebeurd. Ha, ha, ha!”

Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!

“Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!” zeide Scrooge. “Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!” [120]

Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.

Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende koude; ’n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke klokken. O, heerlijk, heerlijk!

“Wat voor ’n dag is ’t vandaag?” riep Scrooge een jongen, die op zijn Zondags gekleed was, toe.

“Hè?” antwoordde de jongen, “wel Kerstdag natuurlijk!”

“Kerstdag zegt ie!” zeide Scrooge bij zichzelven. “Dan heb ik ’t tòch niet gemist. De Geesten hebben ’t alles in één nacht gedaan. Zij kunnen alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen.”

“Hallo!” antwoordde de jongen.

“Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den hoek?” vroeg Scrooge.

“Dat zou ’k gelooven,” antwoordde de jongen.

“Knappe jongen!” zei Scrooge. “’n Merkwaardig gladde jongen! Weet je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, maar de groote die bekroond is?”

“Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?” antwoordde de jongen.

“Wat een engel van een jongen!” zei Scrooge. “’t Is een genot op zichzelf met dièn jongen te praten.—Jawel, kerel, die bedoel ik.”

“Nee, die hangt d’r nog,” antwoordde de jongen. [121]

“Is ’t waar?” zei Scrooge. “Ga hem dan dadelijk halen.”

“Mot je mèìn hebbe?” antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem voor den gek hield.

“Nee, nee,” zei Scrooge. “Ik meen ’t. Ga ’em dadelijk voor me koopen, en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, krijg je een daalder.”

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. ’t Moest al een flinke schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had kunnen krijgen.

“Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!” fluisterde Scrooge, zich in de handen wrijvend en innerlijk lachend. “Hij zal niet weten wie hem stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!”

De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.

“Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!” riep Scrooge uit, den klopper met zijn hand aaiend. “Vóór vandaag keek ik er nauwelijks naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een wonderbare klopper!—Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe gaat het? ’n Goeie Kerstmis, hoor!”

Wat een kalkoen was dat! ’t Was niet mogelijk dat die vogel ooit fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak. [122]

“Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen,” zeide Scrooge. “Daarvoor moet je een bakje hebben.”

De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en lachte tot hij begon te huilen.

Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z’n Zondagsch en eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden “Goeie morgen, meneer, een prettige Kerstmis!” tegen hem zeiden. En Scrooge placht nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn ooren klonken.

Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: “Het kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?” Het gaf hem een steek in ’t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als zij elkaar ontmoetten, doch hij wist [123]nu welken weg voor hem lag en dien volgde hij.

“M’n waarde heer,” zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den ouden heer bij beide handen vattend. “Hoe gaat het? Ik hoop dat u gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een blijde Kerstmis, mijnheer!”

“Meneer Scrooge?”

“Juist,” zeide Scrooge. “Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus vraag. En als u zoo goed wilt zijn”—hier fluisterde Scrooge iets aan zijn oor.

“God beware me!” riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. “M’n waarde heer Scrooge, meent u dat?”

“Zeker,” zeide Scrooge. “Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u mij het genoegen doen?”

“M’n waarde heer,” zeide de ander, hem de hand schuddend, “ik kan u niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......”

“Kom, het is de moeite niet waard,” hernam Scrooge. “Kom mij eens opzoeken. Wilt u?”

“Zeker, dat zal ik beslist doen,” riep de oude heer uit. En het was duidelijk dat hij dit meende te doen ook.

“Heel graag,” zei Scrooge. “Zeer verplicht. Duizendmaal dank.”

Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. [124]Nooit had hij gedacht, dat een wandeling—of iets anders,—hem zoo gelukkig kon maken.

Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn’ neef.

Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.

“Is meneer thuis, kind?” zeide Scrooge tot het dienstmeisje, ’n knap meisje.

“Jawel meneer.”

“Waar is hij, kind?” zeide Scrooge.

“Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan naar boven.”

“Goed hoor, hij kent me wel,” zei Scrooge, met zijn hand reeds op het slot der eetkamer. “Ik zal hier maar binnengaan, meisje.”

Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke punten, en zien graag dat alles in orde is.

“Fred!” zeide Scrooge.

Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben doen ontstellen.

“Wel, heere m’n tijd!” riep Fred. “Wie hebben we hier?”

“Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is ’t goed, Fred?”

Of ’t goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets kon hartelijker zijn. [125]

Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.

Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.

En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.

Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:

“Hallo!” gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij kon. “Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft aankomen?”

“’t Spijt me erg, mijnheer,” zei Bob. “Ik bèn werkelijk over mijn tijd.”

“Zoo?” herhaalde Scrooge. “Ja, dat zou ’k ook gelooven. Kom es even hierheen, alsjeblieft.”

“Het is maar eens in ’t jaar, meneer,” pleitte Bob, uit het hokje komend. “Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te veel pret gemaakt, meneer.”

“Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje,” zei Scrooge. “Ik wil iets dergelijks niet langer dulden. En daarom,” ging hij voort, van zijn kruk springend en [126]Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij in het hokje terugwankelde, “en daarom ben ik van plan je salaris te verhoogen.”

Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en een dwangbuis te roepen.

“Vroolijke Kerstmis, Bob!” zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. “Een vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit.”

Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.

Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, [127]en men zei altijd van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: “God zegene ons allen!”

Einde

Einde

Inhoudsopgave

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

Oorspronkelijke achterkant.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Gerelateerde WorldCat catalogus pagina: 63840677.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Documentgeschiedenis

  1. 2009-04-10 Begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
13 copieerde copiëerde
20 [Niet in bron] .
21 vindt vind
24 [Niet in bron] .
29 banddoek binddoek
31
37 chambercloack chambercloak
43 [Verwijderd]
47 [Verwijderd]
48 pasagiers passagiers
48 [Niet in bron]
49 vóor vóór
72 klein kleine
99 geinteresseerde geïnteresseerde
105 Bed-gordijnen bed-gordijnen
106 [Niet in bron]
113 [Niet in bron]
113 [Niet in bron]
118 [Verwijderd]
121 [Verwijderd]