The Project Gutenberg eBook of Titus Andronicus

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Titus Andronicus

Author: William Shakespeare

Translator: L. A. J. Burgersdijk

Release date: December 2, 2007 [eBook #23676]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TITUS ANDRONICUS ***


[89]

Titus Andronicus.

Het tooneel is in Rome en in de omstreken.

[Inhoud]

Eerste Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Rome. Voor het Kapitool.

Trompetgeschal. De Tribunen en Senatoren verschijnen boven, op het Kapitool; beneden komen op, van de eene zijde, Saturninus en zijn Aanhangers, van de andere, Bassianus en zijn Aanhangers, beiden met trommen en vaandels.

Saturninus.

Eedʼle Patriciërs, hoeders van mijn recht,

Verdedigt met de waapʼnen mijne zaak;

En medeburgers, volgers, echt en trouw,

Bepleit mijn erflijke aanspraak met uw zwaarden.

ʼk Ben de eerstgeboren zoon van hem, die ʼt laatst

Den Keizersdiadeem van Rome droeg;

Laat dus mijns vaders eer in mij herleven,

En krenkt mijn voorrang niet door dezen hoon.

Bassianus.

Romeinen, volgers, vrienden van mijn recht, 9

Vond ooit uw Bassianus, Cæsars zoon,

Genade in de oogen van het vorstʼlijk Rome,

Zoo houdt den weg naar ʼt Kapitool bezet;

En duldt niet, dat onwaardigheid den zetel

Des keizers naderʼ, die aan kloekheid, recht,

Gematigdheid en adel is gewijd;

Maar laat verdienste schittʼren door uw oordeel,

En vecht, Romeinen, voor uw vrije keus.

(Marcus Andronicus verschijnt, boven, op het Kapitool, met de kroon in handen.)

Marcus.

Gij prinsen, die door vrienden en partijen

Eerzuchtig kampt om troon en heerschappij,

Weet, dat het volk van Rome, hier door ons

Als stand vertegenwoordigd, voor ʼt bezetten[90]

Van Romeʼs keizerszetel, Andronicus,

Pius genaamd, eenstemmig heeft verkoren,

Ter wille van zijn vele en groote diensten;

Een eedʼler man, een kloeker krijgsheld leeft

In deʼ omtrek van Oud-Romeʼs wallen niet.

Van ʼt krijgen tegen de barbaarsche Gothen

Werd hij door den senaat terugontboden,

Die, met zijn zoons des vijands schrik, een volk

Sterk, in den strijd gehard, heeft onderworpen.

Tien jaren zijn het, sinds hij Romeʼs zaak

Gediend en onzer tegenstanders trots

Gestraft heeft met het zwaard, en vijfmaal keerde

Hij bloedend weer en droeg zijn dappʼre zoons

Op baren van het veld;

Nu eindʼlijk keert, met eerebuit beladen,

De wakkere Andronicus weer naar Rome,

Titus, befaamd, met wapenroem gekroond.

Wij vragen dus,—bij de eer des naams van hem,

Dien gij recht waardig opgevolgd wilt hebben,

En krachtens ʼt Kapitool en den Senaat,

Door u, naar gij betuigt, vereerd, aanbeden,—

Dat gij teruggaat met uw macht, uw volgers

Ontslaat, en, als verzoekers past, in vrede

En needʼrig uw verdiensten spreken laat.

Saturninus.

Hoe fraai maant die tribuun mijn geest tot kalmte! 46

Bassianus.

ʼk Voed, Marcus Andronicus, zulk vertrouwen

Op uw rechtschapenheid en goede trouw,

En zoo bemin en eer ik u en de uwen,

En haar, voogdesse van mijn gansche ziel,

Lavinia, ʼt schoonst en rijkst juweel van Rome,

Dat ik mijn lieve vrienden hier ontsla,

En aan de gunst van ʼt volk en van ʼt geluk

Mijn zaak ter juiste weging overlaat.

(De Volgelingen van Bassianus af.)

Saturninus.

Mijn vrienden, die mijn recht zoo ijvʼrig voorstondt,

Ik dank u allen en ontsla u hier,

En laat mij en mijn zaak dus aan de gunst

En liefde van mijn vaderland thans over.

(De Volgelingen van Saturninus af.)

Wees, Rome, zoo gerecht en goed voor mij,

Als ik op u vertrouw en u bemin.—

Ontsluit de poort en laat mij binnen.

Bassianus.

Mij armen mededinger, ook, tribunen.

(Saturninus en Bassianus bestijgen het Kapitool.)

(Een Hopman komt op, met eenige Anderen.)

Hopman.

Romeinen, plaats! De wakkere Andronicus,

Patroon der deugd, en Romeʼs beste strijder,

Voorspoedig in de slagen, die hij levert,

Is in geluk en eer gekeerd van daar,

Waar hij de fierste vijanden van Rome

Tot wijken dwong en onder ʼt juk hen bracht.

(Tromgeroffel en trompetgeschal. Twee van Titusʼ Zoons komen op, daarna twee Mannen, die een zwart overdekte lijkbaar dragen; vervolgens twee andere Zoons; hen volgt Titus Andronicus; achter dezen komen Tamora, alsmede Alerbus, Chiron, Demetrius, Aaron en andere Gothen, als gevangenen; gevolgd van Krijgslieden en Volk. De Dragers zetten de lijkbaar neder, en Titus spreekt.)

Titus.

Heil, Rome, zeegʼrijk in uw treurgewaad!

Zooals de bark, na wel ontladen vracht,

Met kostbʼre lading weêrkeert tot de baai,

Waar ze in den aanvang ʼt anker heeft gelicht,

Komt Andronicus, met laurier gekroond,

Het vaderland weer groeten met zijn tranen,

Met vreugdetranen om zijn wederkomst.

Gij, groote schutsheer van dit kapitool,

Blik gunstig op deezʼ plechtige uitvaart neer!

Aan vijf en twintig dappʼre zoons, Romeinen,

Van half zooveel als Priamus bezat,

Ziet hier, al wat mij dood of levend bleef.

Dat Rome hen, die leven, loonʼ met liefde,

En hen, die ʼk naar hun laatste woning breng,

Met eeuwʼge ruste bij hun voorgeslacht.

De Goth vergunt mij ʼt zwaard hier op te steken.

Gij wreevʼle Titus, die uw stam vergeet,

Wat laat ge uw zoons nog onbegraven waren

Aan ʼt schrikkʼlijk strand, aan deʼ oever van den Styx? 88

Maakt plaats, dat ik hen bij hun broeders leggʼ.

(Het grafgewelf wordt geopend.)

Groet daar elkander stil, als dooden doen,

En slaapt in vreê, gij voor uw land gevallʼnen!

O heilige bewaarplaats mijner vreugd,

Gij stil verblijf van adeldom en deugd,

Met hoeveel zoons van mij zijt gij gelaân,

Om nimmer één er van weer af te staan!

Lucius.

Geef ons der Gothen hoogsten krijgsgevangʼne,

Opdat wij stuk hem houwen en zijn vleesch

Ad manes fratrum op een houtmijt offʼren,

Hier voor den aardschen kerker hunner beendʼren,

Opdat hun schimmen zijn verzoend en ons

Op aard door geen verschijningen verschrikken.

Titus.

Ik geef hem u, den edelsten, die leeft,

Den oudsten zoon der droeve koningin hier.

Tamora.

Laat af, Romeinsche broeders!—Eedʼle Titus,

Grootmoedig overwinnaar, zie mijn tranen,

De tranen eener moeder voor haar zoon;

En waren uwe zonen u ooit dierbaar,

Zoo dierbaar is, bedenk dit, mij mijn zoon.

Is ʼt niet genoeg, dat men naar Rome ons voerde

Tot siering van uw weêrkomst en triumf,

U en ʼt Romeinsche dwangjuk onderworpen;[91]

Wordt in uw straten nu mijn kroost geslacht,

Omdat het voor zijn land zich dapper kweet?

O, was de kloeke strijd voor staat en koning

Voor de uwen plicht, hij is ʼt voor dezen ook.

Rein, Andronicus, blijve uw graf van bloed;

Wilt gij in aard den goden nader komen,

Zoo kom hun nader in barmhartigheid;

Want deernis is des adels echtste merk;

Hoogeedʼle Titus, spaar mijn eerstgeboorʼne!

Titus.

Word kalm, vorstin, en schenk mij uw vergiffʼnis.

Zij zijn van hen de broeders, die gij, Gothen,

In leven zaagt en dood; zij eischen vroom

Zoenoffers voor hun pas verslagen broeders:

Daarom wordt deze uw zoon bestemd ter dood,

Om der gevallʼnen schimmen te verzoenen.

Lucius.

Weg met hem! steekt terstond een vuur aan; laat ons

Met onze zwaarden op de houtmijt hem

Stuk houwen, en tot asch zij hij verteerd!

(Lucius, Quintus, Marcius en Mucius met Alerbus af.)

Tamora.

O wreede, onheilʼge vroomheid!

Chiron.

Was ooit ons Scythië half slechts zoo barbaarsch?

Demetrius.

Noem Scythië bij ʼt eerzuchtig Rome niet. 132

Alerbus gaat ter rust; wij leven voort

Om onder Titusʼ norschen blik te siddʼren.

Blijf kalm, vorstin, en voed de hoop, dat later

Dezelfde goden, die aan Hecuba

Den Thracischen tyran eens overgaven,

Dat in zijn tent haar scherpe wraak hem trof,

Ook Tamora, de koningin der Gothen,—

Toen Gothen Gothen waren, zij vorstin,—

Wraak gunnen voor des vijands dorst naar bloed.

(Lucius, Quintus, Marcius en Mucius komen weder op, met bebloede zwaarden.)

Lucius.

Zie, heer en vader, Romeʼs plechtigheden

Naar eisch volvoerd. Alerbus is geslacht;

Zijn ingewanden voeden ʼt offervuur;

De rook doortrekt, als wierook, reeds de lucht.

ʼt Begraven onzer broeders bleef slechts over,

Die luide in Rome een strijdroep welkom heetʼ!

Titus.

Zoo zij het, en dat Andronicus dan

Zijn laatst vaarwel aan hunne zielen richte!

(Trompetgeschal; de baar wordt in het grafgewelf geplaatst.)

Rust hier in eer en vrede, mijne zonen;

Gij Romeʼs kloekste kampers, rust hier zacht,

Voor ʼs werelds wisseling en rampen veilig;

Hier loert geen vuig verraad, hier zwelt geen nijd;

Hier groeit geen boos vergif; hier zijn geen stormen,

Geen luid geraas, slechts stilte en eeuwʼge slaap,

Rust hier in eer en vrede, dierbʼre zoons!

(Lavinia komt op.)

Lavinia.

In eer en vrede leve Titus lang;

Mijn eedʼle heer en vader, leef in roem!

Zie, op dit graf kom ik mijn tol van tranen

Ter plechtige uitvaart mijner broeders brengen;

En pleng op de aarde, knielend aan uw voet,

Mijn vreugdetranen om uw wederkomst.

O zegen mij met uw zeeghafte hand,

Gij, toegejuicht door Romeʼs beste burgers!

Titus.

Dank, Rome, gij hebt liefdrijk mij den troost

Mijns ouderdoms behoed, mijn hart verblijd!—

Lavinia, leef; en overleve uw deugd

Uw vader, al zijn roem, in eeuwʼge jeugd!

(Marcus Andronicus, Saturninus, Bassianus en Anderen komen beneden op.)

Marcus.

Lang leve Titus, mijn geliefde broeder,

Wiens zegepraal nu Romeʼs oogen streelt!

Titus.

Heb dank, tribuun; dank, eedʼle broeder Marcus!

Marcus.

En welkom, neven, na zeeghaften strijd,

Zoo gij, die leeft, als gij, die slaapt in roem.

Gij, eedʼle jongʼren, die voor ʼt vaderland

Het zwaard toogt,—zij u aller heil gelijk!

Toch is deze uitvaart zekerder triumf,

Daar zij ʼt geluk van Solon heeft erlangd

En over alle wissʼling triumfeert 178

In ʼt bed der eere.—Titus Andronicus,

ʼt Romeinsche volk, welks echte en rechte vriend

Gij steeds geweest zijt, zendt u hier door mij,

Die als tribuun uit aller naam u toespreek,

Dit opperkleed van vlekkʼloos witte kleur,

En kiest u, dat gij dingt naar ʼt keizerschap,

Met dezen, zoons van de overleden keizer.

Wees alzoo candidatus, sla dit om,

En schenk aan ʼt hoofdloos Rome weer een hoofd.

Titus.

Een beter hoofd past Romeʼs roemrijk lijf

Dan dit, dat trilt van ouderdom en zwakte.

Zou ik dien mantel omslaan en u kwellen?

Vandaag gekozen, uitgeroepen worden,

Om morgen staf en leven neer te leggen

En u op nieuw met moeite te beladen?—

ʼk Was, Rome, veertig jaren lang uw krijger,

ʼk Heb met geluk ʼs lands krachten aangevoerd,

En een en twintig dappʼre zoons begraven,

In ʼt veld geridderd, in den strijd gesneefd

Voor ʼt recht en ʼt welzijn van hun edel land.

Reik aan mijn ouderdom een eerestaf,

Geen scepter om de wereld te regeeren;

Die ʼt laatst hem voerde, mannen, hield hem hoog.

Marcus.

Titus, het rijk is u, zoodra gij ʼt vraagt.

Saturninus.

Eerzuchtige tribuun, kunt gij dit zeggen?

[92]

Titus.

Kalm, Saturninus!

Saturninus.

Doet mij recht, Romeinen!—

Patriciërs, ʼt zwaard ontbloot en niet geborgen,

Eer Saturninus Romeʼs keizer is.—

O, voert gij, Andronicus, eer ter helle,

Dan dat ge mij de harten steelt van ʼt volk!

Lucius.

Gij, trotsche Saturninus, stremt het heil,

Dat Titusʼ edelaardigheid u toedenkt.

Titus.

Wees kalm, mijn prins; de harten van het volk

Geef ik u weer en speen die van hun lust.

Bassianus.

Ik, Andronicus, vlei u niet, maar eer u,

En zal dit doen, zoolang ik leven heb.

Versterkt gij mijnen aanhang met uw vrienden,

Ik zal recht dankbaar zijn; en dank is mannen

Van eedʼle denkwijs steeds een eervol loon.

Titus.

Gij volk van Rome en eedʼle volkstribunen,

Ik vraag uw stemmen voor de keizerskeus;

Wilt gij die vriendlijk Andronicus schenken?

Tribunen.

Om deʼ eedʼlen Andronicus te verheugen 220

En zijn behouden wederkomst te vieren,

Neemt Romeʼs volk hem aan, dien hij verkiest.

Titus.

Heb dank, tribunen; dit is mijn verzoek,

Dat gij uws keizers oudsten zoon benoemt,

Prins Saturninus; want ik hoop, zijn deugden

Verlichten Rome, als Titans stralen de aard,

En doen in dezen staat het recht gedijen.

Dus, wilt ge kiezen zooals ik u raad,

Kroont hem, en roept nu: “Lang leve onze keizer!”

Marcus.

Met aller standen bijvalsroep en stem

Benoemen wij, Patriciërs en Plebejers,

Prins Saturninus hier tot Romeʼs keizer;

Dus: “Lang leve onze keizer Saturninus!”

(Langdurig trompetgeschal.)

Saturninus.

Voor al uw gunsten, Titus Andronicus,

Ons heden bij de keizerskeus betoond,

Wijd ik naar uw verdienste u dank, en wil

Met daden uwe vriendʼlijkheid beloonen;

En, Titus, om, als eerste gunst, uw naam

En hoogvereerd geslacht nu te verhoogen,

Worde uw Lavinia mijne keizerin,

Beheerscheres van Rome en van mijn hart,

En huwe ik haar in ʼt heilig Pantheon.

Behaagt u, Andronicus, deze voorslag?

Titus.

Ja, waardig vorst; en met dit echtverbond

Acht ik mij hoog vereerd door uw genade,

En wijd hier—Rome ziet het—Saturninus,

Den koning en gebieder onzes staats,

Der wijde wereld keizer, toe, wat mijn is,

Mijn zwaard, mijn zegewagen, mijn gevangʼnen;

Geschenken, Romeʼs hoogen heer volwaardig;

Aanvaard ze, als schatting, die ik schuldig ben,

Mijn eereteekʼnen, aan uw voet gevlijd!

Saturninus.

Dank, eedʼle Titus, vader van mijn leven!

Hoe trotsch ik ben op u en op uw gaven,

Zal Rome tuigen; en vergeet ik ooit

Den minsten dezer nooit volprezen diensten,

Vergeet dan, Rome, uw eed van trouw aan mij!

Titus

(tot Tamora). Gevangʼne zijt gij thans, vorstin, eens keizers,

Eens mans, die om uw rang en waardigheid

U en al de uwen edel zal behandʼlen.

Saturninus.

Een schoone vrouw, en van de kleur, die mij

Haar kiezen deed, stond weer de keus mij vrij!—

Verdrijf, vorstin, die wolk van uw gelaat;

Wat wissʼling u het lot des oorlogs bracht,

Uw komst in Rome brengt u hoon noch spot;

Neen, als vorstin zult ge u bejegend zien.

Vertrouw mijn woord, en geen mismoedigheid

Verschrikke uw hoop; die thans u troost, kan grooter

U maken, dan gij bij de Gothen waart.—

Lavinia, u mishaagt niet, wat ik zeg? 270

Lavinia.

Neen, zeker niet; uw edel, groot gemoed

IJkt, wat gij vorstlijk gunstig uit, als goed.

Saturninus.

Lavinia, dank!—Romeinen, laat ons gaan.

Vrij zijn de krijgsgevangʼnen, zonder losgeld.

Verkondigt plechtig onze waardigheid.

Bassianus

(Lavinia aangrijpend). Titus, vergun mij,—deze maagd is mijn.

Titus.

Wat, is dit inderdaad u ernst, mijn prins?

Bassianus.

Ja, eedʼle Titus; vast ben ik besloten,

Mijn aanspraak en mijn recht met kracht te staven.

Marcus.

Het suum cuique geldt in Rome als recht;

De prins neemt niets, dan wat naar recht het zijne is.

Lucius.

En wil en zal dit, zoolang Lucius leeft.

Titus.

Verraders, weg! Waar is des keizers wacht?

Verraad, mijn vorst! Lavinia wordt geroofd!

Saturninus.

Geroofd! door wien?

Bassianus.

Door hem, die stout en luid

Haar opeischt, neemt, als zijn verloofde bruid.

(Marcus en Bassianus met Lavinia af.)

[93]

Mucius.

Mijn broeders, helpt om haar van hier te voeren,

En ik bewaak de deur hier met mijn zwaard.

(Lucius, Quintus en Marcius af.)

Titus.

Volg mij, mijn vorst, ik breng welras haar weer.

Mucius.

Neen, ʼk laat niet door.

Titus.

Wat, drieste knaap! verspert gij

In Rome mij den weg?

Mucius.

Help, Lucius, help!

(Titus doodt Mucius.)

(Lucius komt weder op.)

Lucius.

Heer, onrechtvaardig zijt ge en meer dan dat;

In blinden, boozen strijd versloegt ge uw zoon.

Titus.

Noch hem, noch u erken ik als mijn zoon;

Geen zoon van mij hadde ooit mij zoo onteerd.

Schurk, geef den keizer fluks Lavinia weer.

Lucius.

Dood, zoo gij wilt; niet om zijn vrouw te zijn;

Zij is verloofd, echt, wettig, met een ander.

(Lucius af.)

Saturninus.

De keizer, Titus, neen! behoeft haar niet, 299

Noch haar, noch u, noch iemand van uw stam;

Die eens mij hoont, hem zal ik soms vertrouwen,

U nimmer, noch uw valsche trotsche zoons,

Verbonden allen tot mijn schande en oneer.

Kon niemand hier in Rome een speelbal zijn

Dan Saturninus? Waarlijk, Andronicus,

Goed strookt dit doen met uw gepoch, dat ik

Het keizerschap aan u heb afgebedeld.

Titus.

Ontzettend! welk een grof verwijt is dit?

Saturninus.

Maar ga vrij voort; geef ʼt wankelmoedig ding

Aan hem, die daar zijn zwaard voor haar gezwaaid heeft.

Een dappʼre schoonzoon valt u zoo ten deel,

Juist goed, om, met uw drieste zoons verbonden,

Beroerders van ʼt Romeinsch gebied te zijn.

Titus.

Elk woord vlijmt als een dolk mijn bloedend hart.

Saturninus.

Dies, schoone Tamora, vorstin der Gothen,

Die, als de kuische Phoebe hare nymfen,

Al Romeʼs schoonste vrouwen overstraalt,—

Zie, als mijn rasse keus u kan behagen,

Verkies ik, Tamora, u tot mijn bruid,

En maak terstond u keizerin van Rome.

Spreek, juicht gij, koningin der Gothen, toe?

Bij alle goden zweer ik hier van Rome,—

Ziet, priesters zijn nabij, ʼt gewijde water,

De toortsen, die hel vlammen; alles staat

Bereid ter viering van den hymenæus,—

ʼk Zweer, dat ik Romeʼs straten niet weer groet,

Niet opklim naar mijn keizerlijk paleis,

Eer ik mijn bruid, gehuwd, van hier geleid.

Tamora.

En hier voor ʼs hemels aanschijn, zweer ik Rome:

Kiest Saturninus de vorstin der Gothen,

Een dienstmaagd zal zij voor zijn wenschen zijn,

Een teedʼre voedster, moeder zijner jeugd.

Saturninus.

Bestijg het Pantheon, vorstin!—Romeinen,

Verzelt uw keizer en zijn lieve bruid,

Een gave aan Saturninus van den hemel,

Wiens wijs bestuur het noodlot heeft verkeerd.

Dáár zij het huwʼlijk plechtig ingezegend.

(Saturninus met zijn Gevolg, Tamora en haar Zoons, Aaron en de Gothen af.)

Titus.

Mij noodt men niet om deze bruid te volgen.

Titus, wanneer placht gij alleen te gaan,

Aldus onteerd, met krenkingen getergd?

(Marcus, Lucius, Quintus en Marcius komen weder op.)

Marcus.

O Titus, zie! zie, wat gij hebt gedaan!

Een braven zoon gedood in boozen waan! 341

Titus.

Neen, dwaas tribuun; neen, hij was niet van mij,

Noch gij, noch dezen, tot een daad verbonden,

Waar ons geheel geslacht door is onteerd;

Onwaardig broeder, en onwaardig kroost!

Lucius.

Doch laat ons hem begraven zooals past

Zij bij zijn broeders Mucius nu begraven.

Titus.

Verraders, weg! hij komt niet in dit graf.

Vijf eeuwen heeft dit monument gestaan,

Dat ik met groote kosten heb herbouwd;

Hier rusten eervol krijgers, Romeʼs dienaars,

Maar niemand, die in booze twisten viel.

Begraaft hem waar gij wilt, hier komt hij niet.

Marcus.

Dit, broeder, strijdt met wat de vroomheid eischt,

Want Muciusʼ daden pleiten luid voor hem.

Hij moet begraven worden bij zijn broeders.

Quintus, Marcius.

En zal het ook, of wij, wij volgen hem.

Titus.

En zal het! welke booswicht sprak dit woord?

Quintus.

Hij, die het overal, slechts hier niet, staaft.

Titus.

Wat! zoudt gij hem begraven en mij trotsen?

Marcus.

Neen, eedʼle Titus, slechts u bidden, dat

Gij Mucius wilt vergeven, hem begraven.

[94]

Titus.

Marcus, gij hebt mij op den helm geslagen

En met die knapen in mijn eer gewond;

En elk van u acht ik mijn vijand thans.

Zoo kwelt mij dus niet langer, maar gaat heen.

Marcus.

Hij is zichzelf thans niet, komt, laat ons gaan.

Quintus.

Ik niet, eer Muciusʼ lijk begraven is.

(Marcus en Titusʼ zonen knielen neder.)

Marcus.

Broeder, want in dien naam pleit de natuur,—

Quintus.

Vader, want in dien naam spreekt de natuur,—

Titus.

Spreek gij niet meer; dit kan al de andʼren helpen.

Marcus.

Titus, gij meer dan mijner ziele helft,—

Lucius.

Mijn vader, gij, ons aller ziel en wezen,—

Marcus.

O, gun uw broeder Marcus, dat hij hier

In ʼt nest der deugd zijn eedʼlen neef begraavʼ,

Die eervol voor Lavinia is gevallen.

Romein zijt gij, zoo wees dan geen barbaar;

De Grieken pleegden raad en schonken Ajax,

Schoon hij zichzelf versloeg, een graf, waarvoor

Laërtesʼ wijze zoon met aandrang pleitte.

Zoo zij den jongen Mucius, eens uw vreugd,

Hier de ingang niet geweerd.

Titus.

Rijs, Marcus, op!

Dit is de onzaalʼgste dag, dien ik aanschouwde;

In Rome werd ik door mijn zoons onteerd!—

Het zij, begraaf hem thans, en mij weldra!

(Mucius wordt in het graf gelegd.)

Lucius.

Ruste uw gebeente, Mucius, bij uw vrienden, 387

Tot wij uw graf met eereteekʼnen sieren.

Allen.

Dat niemand om den eedʼlen Mucius weenʼ;

Hij leeft in roem, die stierf ter willʼ der deugd.

Marcus.

Mijn broeder,—om dien rouw ter zij te stellen,—

Hoe komt der Gothen sluwe koningin

Eensklaps in Rome zoo in eer verhoogd?

Titus.

Ik weet niet, Marcus, maar ik weet, zij is ʼt,

Door list of hoe, dit moogʼ de hemel weten.

Moet zij den man niet dankbaar zijn, die haar

Zoo verre bracht naar hier tot zulk een heil?

Ja, en zij zal wis vorstʼlijk hem beloonen.

(Trompetgeschal. Van de eene zijde komen weder op: Saturninus, met Gevolg, Tamora, Demetrius, Chiron en Aaron; van de andere zijde: Bassianus, Lavinia en Anderen.)

Saturninus.

Zoo, Bassianus, hebt ge uw prijs erlangd;

God geve u vreugd, man, met uw eedʼle bruid.

Bassianus.

En u met de uwe, vorst! Ik zeg niet meer,

En wensch niets minder; en zoo neem ik afscheid.

Saturninus.

Heeft Rome wetten, wij gezag, verrader,

U en uw aanhang rouwt dan deze roof.

Bassianus.

Roof noemt gij ʼt, vorst, als ik het mijne neem,

Mijn echte en rechte bruid en thans mijn gade?

Doch Romeʼs wetten mogen dit beslissen.

Hoe ʼt zij, ʼk heb wat het mijne is, in bezit.

Saturninus.

Genoeg, gij zijt zeer kort met ons, maar wij

Zijn, als wij leven, even scherp met u.

Bassianus.

Vorst, wat ik deed, zal ik zoo goed ik kan,

Verdedigen, en ʼk doe dit met mijn leven.

Slechts dit wil ik uw hoogheid nog doen kennen:

Bij al mijn heilʼge plichten jegens Rome,

De hooge en waardige eedʼle, Titus hier,

Is grievend in zijn eer en naam gekrenkt,

Hij, die, om mij Lavinia af te dwingen,

Met eigen hand zijn jongsten zoon versloeg,

Voor u volijvʼrig, en in toorn ontvlamd,

Dat hij weêrstreefd werd in zijn gave aan u.

Ontvang hem dus in gunste, Saturninus,

Daar hij in al zijn daden zich een vriend

En vader jegens u en Rome toonde. 423

Titus.

Prins Bassianus, laat mijn daden rusten;

Gij zijt het en die daar, die mij onteerd hebt.

Mij richte Rome en de gerechte hemel,

Wat liefde en eer ik Saturninus schonk.

Tamora.

Mijn eedʼle gade, indien ooit Tamora

Genade vond in deze uw vorstlijke oogen,

Zoo hoor mijn onpartijdig woord voor allen:

Vergeef wat is gebeurd, op mijn verzoek.

Saturninus.

Mijn gade, wat! in ʼt openbaar onteerd!

En laf zou ik dit dulden, zonder wraak?

Tamora.

Neen, neen, mijn vorst; verhoeden Romeʼs goden,

Dat oneer u ten deele viel door mij!

Doch met mijn eer durf ik er borg voor zijn,

Dat de eedʼle Titus schuldloos is in alles;

Zijn onverholen woede toont zijn leed.

Zie op mijn bede hem genadig aan;

Verlies door ijdʼlen waan geen vriend als hij,

En grief zijn vriendlijk hart niet door uw fronsblik.—

(Ter zijde tot Saturninus.) Neem raad aan, mijn gemaal, geef eindlijk toe;

Ontveins nu al uw grieven en verdriet,—

Te nauwernood zijt ge op uw troon gezeteld,—

Opdat het volk en de patriciërs niet

Na rijp beraad partij voor Titus kiezen[95]

En u ontzeetʼlen om ondankbaarheid,

In Rome steeds een zwaar vergrijp geacht.

Verhoor mijn bede, en laat mij dan begaan.

Ik vind een dag om allen te verdelgen;

Uitroeien wil ik hun geslacht en aanhang,

Den wreeden vader en zijn valsche zoons,

Tot wie ik smeekte om ʼt leven van mijn kind.

Zij voelen ʼt, wat het zegt, een koningin

In ʼt stof te laten knielen, vruchtloos smeeken.

(Luid.) Kom, kom, mijn keizer!—Andronicus, kom!—

Hef deʼ eedʼlen grijsaard op, verheug het hart,

Dat in den storm van uwe gramschap sterft.

Saturninus.

Rijs, Titus, op, mijn keizerin verwon.

Titus.

Ik dank uw majesteit, en haar, mijn vorst,

Dat woord, die blik stort mij nieuw leven in.

Tamora.

Titus, in Rome ben ik ingelijfd,

Door mijn geluk nu als Romeinsche erkend,

En ʼk moet den keizer raden tot zijn heil.

Sterve, Andronicus, heden elke twist,—

En dat het, edel man, mijn eere zij,

U en uw vrienden saam verzoend te hebben.—

Wat u betreft, prins Bassianus, ʼk heb

Den keizer mijn belofte en woord verpand,

Dat gij u zachter, buigzamer zult toonen.—

Hebt, mannen,—ook Lavinia,—goeden moed,—

En neemt gij raad aan, buigt dan nu de knie,

En vraagt vergiffʼnis aan zijn majesteit.

Lucius.

Wij doen ʼt; en hoorʼ de hemel en uw hoogheid:

Al wat wij deden, was niet boos gemeend;

ʼt Gold onzer zuster en onze eigene eer.

Marcus.

Ja, dit betuig ik op mijn eer; zoo is ʼt.

Saturninus.

Van hier; geen woorden meer, stoort ons niet langer.

Tamora.

Neen, heer, wij moeten allen vrienden zijn;

Zie den tribuun daar knielen met zijn neven;

Sla ʼt mij niet af; mijn beste, zie op hen!

Saturninus.

Marcus, om uwent- en uws broeders wil,

En deʼ aandrang van mijn lieve Tamora,

Vergeef ik dezer jonge lieden gruwʼlen.

Rijst op!

Lavinia, schoon gij smaadʼlijk mij verliet,

Ik vond een bruid, en zwoer bij dood en graf,

Niet dan gehuwd te keeren van den priester.

Komt; zoo ons hof twee bruidjes kan onthalen,

Zijt gij mijn gast, Lavinia, met uw vrienden.—

Een dag zij ʼt van verzoening, Tamora.

Titus.

En morgen, zoo ʼt uw majesteit behaagt

Den panther en het hert met mij te jagen,

Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid.

Saturninus.

Zoo zij het, Titus, en in dank aanvaard.

(Trompetgeschal. Allen af.)

[Inhoud]

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Rome. Voor het paleis.

Aaron komt op.

Aaron.

Zoo klimt nu Tamora deʼ Olympus op,

Voor ʼs noodlots pijl beschut; verheven zit zij,

Door donderslag noch bliksemschicht te deren,

Den dreigendeʼ arm des bleeken nijds te hoog.

Zooals de gouden zon den morgen groet

En met haar stralen deʼ oceaan verguldt,

Daarna op vuurʼge kar haar baan doorrent

En neerblikt op de hoogste heuveltoppen,—

Zoo Tamora.

Aan haren geest is de eer der aarde dienstbaar,

En bij haar fronsblik knielt en beeft de deugd.

Dus, Aaron, maak uw hart en zin bereid,

Om met uw vorstlijk lief omhoog te stijgen,

Zoo hoog als zij, die ge in triumf zoo lang

Gevangen hieldt, geboeid in liefdekeetʼnen,

En vastgesmeed aan Aarons tooverblik,

Meer dan Prometheus aan den Kaukasus.

Weg, slaafsche dracht en needʼrige gedachten

In goud en paarlen wil ik schittʼrend stralen,

Der nieuwe keizerin ten dienste staan.

Ten dienste, zeide ik? dartʼlen met deezʼ nymf,

Met deezʼ godin, Semiramis, sirene,

Die Romeʼs Saturninus zal betoovʼren,

Hem en zijn rijk tot schipbreuk drijven zal.

Ho! welk een storm is dit? 25

(Demetrius en Chiron komen op, in heftigen twist.)

Demetrius.

Chiron, gij zijt te jong, uw geest te stomp,

Te plomp, dan dat gij daar u in kunt dringen,

Waar ik wellicht reeds gunst en liefde vond.

Chiron.

Demetrius, steeds blijkt gij overmoedig,

En wilt ook thans met pochen mij verslaan.

Die afstand van een jaar of twee maakt mij

Niet min begaafd en u niet meer geliefd.

Ik ben zoo goed als gij in staat, geschikt

Om mijner schoone gunst door dienst te winnen;—

En stave op u terstond mijn zwaard den gloed

Der liefde, die ik voor Lavinia voed.

[96]

Aaron

(ter zijde). Nu kalm wat, kalm! verliefde vredestoorders!

Demetrius.

Wat, knaap! schoon onze moeder, onbedacht,

Een dansrapier u om de heupen gespte,

Zijt gij zoo driest, dat gij uw vrienden dreigt?

Kom, laat uw lat maar in de scheede lijmen,

Tot gij er beter mee weet om te gaan.

Chiron.

Nu, hoe gering mijn vechtkunst dan ook zij,

Ontwaren zult gij thans, hoeveel ik waag.

Demetrius.

Wat! zoo vermetel, knaap?

(Zij trekken het zwaard.)

Aaron

(vooruittredend). Wat is dat, prinsen?

Gij waagt het, zoo nabij des keizers slot

Het zwaard te trekken en zoo luid te twisten?

Ik weet zeer wel den grond van dit krakeel;

Maar wenschte zelfs voor geen miljoen, dat de oorzaak

Aan hen bekend waarʼ, die zij ʼt naast betreft;

En voor veel meer nog wilde uw eedʼle moeder

Niet zoo onteerd zich zien aan Romeʼs hof.

Schaamt u, steekt op! 53

Demetrius.

Neen, niet, voor ik mijn zwaard

In zijne borst geborgen heb en zoo

Zijn gorgel weer de smaadtaal deed verzwelgen,

Die hij daar tot mijn oneer heeft geuit.

Chiron.

Daartoe ben ik bereid en vast besloten,

Gij laffe smaler, die uw tong laat dondʼren,

Maar met uw zwaard niets uit te voeren waagt.

Aaron.

Van hier, zeg ik!

Nu, bij de goden der krijgshafte Gothen,

Ons allen zal die kindertwist verderven.

Wat, heeren! spreekt, acht gij het niet gevaarlijk,

Zich aan eens prinsen rechten te vergrijpen?

Wat! is Lavinia zulk een losse deerne,

Of Bassianus plotsʼling zoo ontaard,

Dat zulke twisten om haar min ontstaan,

Zelfs zonder weêrstand, straf of wraak te duchten?

O prinsen, wacht u!—zoo de keizerin

Dien wanklank hoort, zij vindt dien snerpend valsch.

Chiron.

Nu, zij en heel de wereld mag het weten:

Lavinia geldt mij meer dan heel de wereld.

Demetrius.

Knaap, zijt gij wijs, doe dan een lager keus,

Lavinia is uws oudʼren broeders wensch.

Aaron.

Wat! zijt gij dol en weet gij niet, hoe vinnig

En ijverzuchtig zij in Rome zijn,

En nooit in liefde mededingers dulden?

Ik zeg u, ʼt is uw dood, dien gij beraamt

Met zulk een aanslag.

Chiron.

Aaron, duizend dooden

Trotseer ik, om te erlangen, die ik min.

Aaron.

Te erlangen? wat!

Demetrius.

Kan dit u zoo bevreemden?

Zij is een vrouw, en daarom wel te vragen;

Zij is een vrouw, en daarom wel te winnen;

Zij is Lavinia, dus beminnenswaard.

Kom, man, meer water loopt den molen langs,

Dan ooit de moolʼnaar weet; en ʼt is gemakkʼlijk

Van aangesneden brood een brok te stelen.

Zij Bassianus ook des keizers broeder,

Vulcanusʼ tooi heeft beetʼren zelfs gesierd.

Aaron

(ter zijde). Ja, even goed als Saturninus zelf.

Demetrius.

Waarom zou hij wanhopig zijn, die weet,

Hoe woorden, blikken en geschenken werken?

Kom, hebt ook gij niet vaak een ree geveld,

En weggehaald voor ʼs koddebeiers neus?

Aaron.

Nu, ʼt schijnt dan, dat een schaking of zoo iets

U dienstig waar?

Chiron.

Ja, zoo ʼt geluk ons diende.

Demetrius.

Getroffen, Aaron!

Aaron.

Nu, tref ook uw wit!

Dan zijn wij af van zulk rumoer als dit.

Maar hoort nu, hoort!—zijt gij nog zulke dwazen,

Dat gij om zoo iets twist?—Zegt, zou ʼt u krenken,

Indien gij beiden slaagdet? 101

Chiron.

Mij niet, neen.

Demetrius.

Mij evenmin, zoo ik er een van ben.

Aaron.

Foei! eendracht winne u ʼt voorwerp van uw strijd.

Door overleg en list moet gij verwerven,

Wat gij beoogt; en dit sta bij u vast,

Dat, kunt gij ʼt niet, zooals gij wilt, bekomen,

Gij ʼt met geweld, zooals gij ʼt kunt, erlangt.

Geloof van mij: Lucretia was niet kuischer,

Dan deezʼ Lavinia, Bassianusʼ liefde.

Een korter weg dan talmend liefdesmachten

Zij dus gevolgd, en ik vond u het pad.

Bedenkt, er is een groote jacht aanstaande;

Die lokt een tal Romeinsche schoonen aan;

De wandʼling van het woud is uitgestrekt,

En biedt u menig onbetreden plek,

Voor misdaad en verkrachting als geschapen.

Lokt daar dit malsche reetje eenzaam heen,

En velt het met geweld zoo niet met woorden.

Zoo hebt gij hoop te slagen, anders niet.

Komt, onze keizerin, wier helsche geest

Aan boosheid en aan wraak is toegewijd,

Moet dit geheele plan van ons vernemen,

Dan steunt zij onze ontwerpen met haar raad,

En zal, uw onderlingen twist niet duldend,

U beiden voeren tot uw hoogsten wensch.

Des keizers hof is als het huis der Faam,

ʼt Paleis vervuld van tongen, oogen, ooren,[97]

Het woud is wreed en schrikkʼlijk, doof en stom;

Spreekt, velt daar beurtlings, wakkʼre jongens, ʼt wild;

Boet daar uw lust, beschut voor ʼs hemels oog,

En doet u aan Laviniaʼs schat te goed.

Chiron.

Uw raad, mijn jongen, zweemt naar lafheid niet.

Demetrius.

Sit fas aut nefas; tot ik nu een stroom

Gevonden heb, die deze hitte koelt,

En de betoovʼring, die mijn koortsen stilt,

Per Styga, per manes vehor.

(Allen af.)

Tweede Tooneel.

Een woud. Horengeschal en hondengeblaf.

Titus Andronicus komt op, met Jagers, enz.; verder Marcus, Lucius, Quintus en Marcius.

Titus.

De jacht is reê, de morgen licht en klaar,

De velden geurig en de wouden groen.

De honden los! laat hen recht luide blaffen;

Wekt zoo den keizer en zijn schoon jong vrouwtje,

Alsook den prins; en laat den jachtgroet schallen,

Zoodat geheel het hof den roep weerkaatsʼ!

Mijn zoons, het zij uw taak, gelijk de mijne,

Voor den persoon des keizers goed te zorgen,

ʼk Werd in mijn slaap van nacht gestoord, ontrust,

Maar ʼt naadʼren van den dag gaf frisschen moed.

(Horengeschal en hondengeblaf.)

(Saturninus, Tamora, Bassianus, Lavinia, Demetrius en Chiron komen op, met Gevolg.)

Titus.

Veel goede morgens, uwe majesteit;

Vorstin, ook u recht vele en even goede:—

Ik zeide een jachtgroet aan uw hoogheid toe.

Saturninus.

En lustig hebt gij dien geblazen, heer, 14

Voor jonggehuwde vrouwtjes zelfs wat vroeg.

Bassianus.

Lavinia, wat zegt gij?

Lavinia.

Ik zeg van neen;

Klaar wakker was ik reeds twee uur en meer.

Saturninus.

Komaan dan, paarden, wagens voorgebracht;

En fluks naar ʼt woud. (Tot Tamora.) Vorstin, nu zult gij eens

ʼt Romeinsche jagen zien.

Marcus.

Heer, honden heb ik,

Die zelfs den fiersten panter op doen rijzen,

En klautʼren op het steilste voorgebergtʼ.

Titus.

Ik paarden, die het wild alomme volgen,

En als een zwaluw scheren over ʼt veld.

Demetrius

(tot Chiron). Wij, Chiron, jagen niet met paard en hond,

Maar grijpen ʼt reetje en rukken ʼt op den grond.

(Allen af.)

Derde Tooneel.

Een eenzaam gedeelte van het woud.

Aaron komt op met een buidel vol goud.

Aaron.

Wie zijn verstand heeft, denkt dat ik het mis,

Omdat ik zooveel goud bij dezen boom

Begraaf om ʼt nooit weer in bezit te nemen.

Nu, wie zoo min van mij mocht denken, wete,

Dat mij dit goud een aanslag munten moet,

Die, als hij met beleid wordt uitgevoerd,

Een allerprachtig boevenstuk verwekt;

Rust dus, lief goud, opdat gij onrust brengt

Aan wie de kist der keizerin u schenkt.

(Hij verbergt het goud.)

(Tamora komt op.)

Tamora.

Mijn lieflijke Aaron, waarom ziet gij ernstig,

Terwijl wedijvʼrend alles blijde kijkt?

Uit iedʼren struik klinkt voogʼlenmelodie;

De slang ligt in den zonnʼschijn saâmgerold;

De blaadʼren trillen in den koelen wind,

En teekʼnen schaduwplekken op den grond.

Kom, gaan wij, Aaron, onder ʼt loofdak zitten,

En luistʼren wij,—terwijl de bauwende echo

ʼt Welluidend horenschallen schril bespot,

En, daar een dubbʼle jacht vernomen wordt,

De honden fopt en tergt,—naar ʼt luid geblaf,

Om na een strijd,—zooals vermoed wordt, dat

De vorst, die zwierf, en Dido eens genoten,

Toen heilaanbrengend hen een storm verraste

En met een grot, die zwijgen kon, omsloot,

Dan, door elkanders armen dicht omstrengeld,

Na ʼt spel der minne een gouden slaap te doen,

Waarbij het hondgeblaf, het hoorngeschal,

ʼt Zoet vogellied de wiegezang ons zijn 28

Der voedster, die haar lievʼling in doet sluimʼren.

Aaron.

Vorstin, besture Venus uw begeerten,

Saturnusʼ invloed is ʼt, die mij beheerscht.

Of wat beduidt mijn doodʼlijk starend oog,

Mijn zwijgen en mijn diep zwaarmoedig voorhoofd,

Mijn wollig hoofdhaar, dat zich nu ontkroest,

Gelijk een adder, als hij zich ontrolt

Om fel een onontwijkbʼren dood te brengen?

Neen, neen, vorstin, dit zijn geen Venusteekens;

Wraak is er in mijn hart, dood in mijn hand;

Bloed zijn ʼt en wraak, die haamʼren in mijn hoofd.

Hoor, Tamora, vorstinne mijner ziele,

Die op geen hemel hoopt dan dien in u,

ʼt Is heden Bassianusʼ oordeelsdag,

Waarop zijn Philomela tongloos wordt,

Uw zoons haar kuischheid rooven tot een buit,

En in het bloed haars mans hun handen wasschen.

Gij ziet hier dezen brief? hier, neem hem, bid ik,

En geef den koning dit verderflijk schrift.—[98]

Vraag thans niet meer, wij worden reeds bespied;

Daar komt een deel des buits, waarop wij hopen,

Die van het nakend doodsuur nog niet droomt.

Tamora.

O lieve Moor, mij liever dan het leven!

Aaron.

Vorstin, geen woord meer; Bassianus komt;

Zoek twist met hem; uw zoons haal ik er bij,

Om, wààr ook uw krakeel om zij, te helpen.

(Aaron af.)

(Bassianus en Lavinia komen op.)

Bassianus.

Wie zien wij hier? is ʼt Romeʼs keizerin,

Verstoken van ʼt gevolg, dat haar betaamt?

Of is ʼt misschien, in haar gewaad, Diana,

Die haar gewijde dreven eens verlaat,

Om hier in ʼt woud de groote jacht te zien?

Tamora.

Gij driest bespieder van mijn stille gangen,

Hadde ik de macht, Diana, zegt men, eigen,

Dan plantte ik oogenblikkʼlijk op de slapen

U horens, als Actæon had, opdat

Uw honden uw veranderd lijf besprongen;

Indringende onbeschaamde, die gij zijt!

Lavinia.

Vergeef mij, lieve keizerin, men schrijft u 66

Een groot talent van hoornopzetten toe;

En ʼt wordt vermoed, dat zich uw Moor en gij

Afzonderden tot oefʼning in die kunst.

De hemel hoede uw man thans voor zijn honden,

ʼt Waarʼ boos, als zij hem hielden voor een hert.

Bassianus.

Geloof me, uw donkere Kimmeriër doet

Vorstin, uw eer gelijk zijn huid, bevlekt,

Zwart en verfoeilijk, afschuwwekkend zijn.

Waartoe zijt gij van uw gevolg gescheiden,

En afgestegen van uw sneeuwwit ros,

En afgedwaald naar deze duistʼre plek,

Van een barbaarschen Moor alleen verzeld,

Zoo booze lust u hier niet heeft gebracht?

Lavinia.

En nu gij wordt gestoord in uw vermaak,

Moet gij,—dit spreekt van zelf,—mijn eedʼlen gade

Om driestheid gispen!—Lieve, gaan wij heen;

Laat haar ʼt genot van haar raafkleurʼgen boel;

Dit donkʼre dal voldoet aan haar bedoeling.

Bassianus.

Den koning, mijnen broeder, doe ik ʼt kennen.

Lavinia.

Juist; lang reeds was hij kennʼlijk door hun doen;

Een vorst, zoo goed en toch zoo boos bedrogen!

Tamora.

Waarom heb ik ʼt geduld om dit te dragen?

(Demetrius en Chiron komen op.)

Demetrius.

Wat, waarde keizerin, doorluchte moeder,

Hoe ziet uw hoogheid zoo ontdaan en bleek?

Tamora.

Heb ik geen reden, denkt ge, om bleek te zien?

Die twee daar hebben mij hierheen gelokt;

Gij ziet, het is een woest, afschuwlijk dal,

De boomen, trots den zomer, schraal, ontblaard,

Geheel met mos bedekt en boozen mistel.

Nooit schijnt de zon hier en geen vogel broedt er,

Dan dagschuwe uilen en onzaalʼge raven.

Zij toonden mij dit schrikverwekkend dal,

En zeiden, dat in ʼt holste van de nacht

Een duizend booze geesten, duizend slangen,

Tien duizend egels en gezwollen padden,

Dooreen, er zulke gruwbʼre kreten slaakten,

Dat ieder sterflijk wezen, dat ze hoort,

Terstond waanzinnig wordt of plotsʼling sterft.

En nauwlijks was dit helsch verhaal verteld,

Of zij bedreigden mij, dat ze aan den tronk

Mij binden zouden van een giftigeʼ ief,

Ter prooi aan zulk een jammerrijken dood.

Toen noemden zij mij schaamtʼlooze overspeelster

En wulpsche Gothenvrouw, kortom, al wat

Het oor van bittʼre smaadtaal ooit vernam;

En had geen wonder u hierheen gevoerd,

Dan hadden zij hun dreiging waar gemaakt.

Wreekt dit, is u uw moeders leven lief,

Of ik erken niet langer u als zoons. 115

Demetrius.

Dat ik uw zoon ben, moge dit getuigen.

(Hij doorsteekt Bassianus.)

Chiron.

Ook dit is raak en tuige voor mijn kracht.

(Hij doorsteekt hem eveneens. Bassianus sterft.)

Lavinia.

O kom, Semiramis,—

Of neen, barbaarsche Tamora, kom gij,—

Geen naam dan de uwe past bij uw natuur.

Tamora.

Geef mij uw dolk, en gij zult zien, mijn knapen,

Uw moeders hand wreekt uwer moeder smaad.

Demetrius.

Neen, toef, vorstin, meer komt haar toe dan dit;

Dorsch eerst het graan, en dan, verbrand het stroo.

Dit popje droeg op hare kuischheid roem,

Haar huwlijkseed, haar trouw, en zij braveerde

Met dien schijnschoonen waan zelfs uwe macht;

En zal zij dien met zich ten grave nemen?

Chiron.

ʼk Moge een gesneedʼne zijn, eer zij dit doet.

Neen, sleep haar gade naar een heimlijk hol;

Tot peluw strekkʼ dat lijk bij onzen lust.

Tamora.

Maar als gij den begeerden honig hebt,

Laat dan die wesp niet leven, dat ze ons steekʼ.

[99]

Chiron.

Nu ʼk zweer, vorstin, wees hieromtrent gerust.

Kom, liefje, wij genieten met geweld

Thans uwe preutsch beveiligde eerbaarheid.

Lavinia.

O Tamora, ʼt gelaat hebt ge eener vrouw,—

Tamora.

ʼk Wil haar niet hooren spreken; weg met haar!

Lavinia.

Smeekt, lieve prinsen, haar, één woord te hooren!

Demetrius.

Hoor haar, vorstin; het zij uw roem, haar tranen

Te aanschouwen; doch voor deze zij uw hart,

Wat harde keien zijn voor regendroppels.

Lavinia

(tot Demetrius). Gaf ooit een tijgerwelp zijn moeder les?

Leer haar niet boos te zijn, zij leerde ʼt u;

De melk, waarmee ze u zoogde, werd tot marmer;

Aan haren tepel dronkt ge uw wreedheid reeds.

Maar alle moederzoons zijn niet gelijk;

(Tot Chiron.) Smeek gij haar, deernis met een vrouw te toonen.

Chiron.

Wat! wilt gij, dat ik mij een basterd toon? 148

Lavinia.

ʼt Is waar, geen raaf broedt ooit een leeuwrik uit;

Maar toch, ik hoorde,—o vond ik ʼt nu gestaafd!—

Hoe zelfs de leeuw uit deernis heeft geduld,

Dat men zijn koningsklauwen kortte en wegnam.

Ook raven, zegt men, voedʼren vondelingen,

Al hongʼren dan hun jongen in het nest;

O wees voor mij, al zegge uw hard hart neen,

Zoo al niet vriendlijk, toch niet deernisloos.

Tamora.

ʼk Weet niet, wat deernis is; thans weg met haar!

Lavinia.

Laat mij ʼt u leeren. Om mijns vaders wil,

Die u liet leven, toen hij u kon dooden,

Wees thans niet doof, maar leen mijn beden ʼt oor.

Tamora.

Al hadt gij in persoon mij nooit gekrenkt,

Om zijnentwille ben ik deernisloos.

Denkt, knapen, hoe ʼk vergeefs mijn tranen plengde,

Opdat uw broeder niet geofferd wierd;

Maar Andronicus bleef toen onbewogen.

Dies weg met haar, en doet met haar uw wil;

Wie ʼt meest haar deert, zal mij het liefste zijn.

Lavinia.

O Tamora, verwerf den naam van goed,

En geef mij hier den dood met uwe hand.

Om ʼt leven heb ik niet zoo lang gesmeekt,

Ik arme stierf, toen Bassianus viel.

Tamora.

En waarom smeekt gij dan? dwaas schepsel, laat mij.

Lavinia.

Ik smeek een onverwijlden dood, en ook

Nog iets, dat schaamte mij belet te noemen.

O hoed mij voor hun lust, die meer dan dood

Mij dreigt, en werp mij in een vuilen poel,

Waar nimmer menschenoog mijn lijk aanschouwe;

Doe dit en wees een zachte moordnares.

Tamora.

Dan roofde ik aan mijn lieve zoons hun loon;

Neen, dat zij vrij hun lusten met u boeten.

Demetrius.

Kom, weg! gij hieldt ons veel te lang hier op.

Lavinia.

Geen hart? geen vrouwlijkheid? Beestachtig wezen!

Gij vlek en vijandin van ons geslacht!

Moge u ʼt verderf—

Chiron.

Thans stop ik u den mond.—Neem gij haar man;

In dien kuil zeide ons Aaron hem te bergen.

(Demetrius werpt het lijk van Bassianus in den kuil; daarop gaan Demetrius en Chiron heen, Lavinia medesleurend.)

Tamora.

Vaartwel, mijn zoons; weest zeker, dat zij zwijgt.— 187

Geen echte vroolijkheid verheugt mijn hart,

Eer al die Andronici zijn verdelgd.

Thans, lieve Moor, kan ik tot u mij wenden,

En laat mijn zoons die deerne lustig schenden.

(Tamora af.)

(Aaron komt weder op, met Quintus en Marcius.)

Aaron.

Treedt, heeren, voort, den besten voet vooruit!

Terstond wijs ik den vuilen kuil u aan,

Waar ik den panter zag in diepen slaap.

Quintus.

Mijn oog wordt plotsling dof; wat duidt dit aan?

Marcius.

Voorwaar, ook ʼt mijne. Zoo ik mij niet schaamde,

ʼk Verliet de jacht en zou een slaapje doen.

(Hij valt in den kuil.)

Quintus.

Wat! vielt gij daar?—Wat valsche kuil is dit,

Zoo overgroeid met wilde dorenstruiken?

En op hun blaadʼren droppels bloed, zoo frisch,

Als morgendauw, die bloemen overparelt?

Dit schijnt mij inderdaad een onheilsplek.

Spreek, broeder, zijt gij bij uw val verwond?

Marcius.

Ach, broeder, ja, door ʼt zien van iets zoo gruwlijks,

Als ooit het oog door ʼt hart bejammʼren deed.

[100]

Aaron

(ter zijde). Nu zorg ik, dat de koning hen hier vindt,

Opdat hij met waarschijnlijkheid vermoede,

Dat zij het waren, die zijn broeder doodden.

(Aaron af.)

Marcius.

Wat draalt gij met vertroostend mij te helpen

Uit dit vervloekt, met bloed bezoedeld hol?

Quintus.

Een vreemde schrik beving mij; ʼt kille zweet

Loopt tappʼlings langs mijn rillende gewrichten;

Mijn hart vermoedt meer dan mijn oog kan zien.

Marcius.

Uw voorgevoel is juist; wilt gij dit zien,

Zoo blik met Aaron in dit hol eens neer,

En zie een gruwʼlijk beeld van bloed en dood.

Quintus.

Aaron is weg en mijn bewogen hart

Vergunt mijn oogen niet om dat te zien,

Waarvan ʼt vermoeden reeds mij rillen doet.

O zeg mij, wat het is; want nooit voor nu

Was ik een kind en vreesde ʼk weet niet wat.

Marcius.

Prins Bassianus, in zijn bloed gewenteld,

Ligt als een klomp, als een verslagen lam,

In dit vervloekt en donker, bloedig hol. 224

Quintus.

Is ʼt donker daar, hoe weet gij, dat hij ʼt is?

Marcius.

Aan zijn bebloeden vinger steekt een ring

Met kostbʼren steen, die heel het hol verlicht,

En, als een fakkel in een grafgewelf,

Des dooden vale wangen hel beschijnt,

En ʼt bloedig ingewand der grot onthult;

Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan,

Toen hij bij nacht in ʼt bloed der maagd gebaad lag.

O broeder, help mij met uw zwakke hand,—

Want licht heeft angst, als mij, ù zwak gemaakt—

Uit dit verslindend, vratig lijkenhuis,

Zoo schrikkʼlijk als Cocytusʼ duistʼren mond.

Quintus.

Reik mij uw hand, dan help ik u er uit;

En schiet mijn kracht te kort om u te helpen,

Dan storte ook ik in den begeerʼgen schoot

Van ʼt diepe hol, het graf van deʼ armen prins.—

Ik heb geen kracht om u tot hier te trekken.

Marcius.

En ik niet, om alleen omhoog te klautʼren.

Quintus.

Nog eens uw hand: ik laat die niet meer los,

Eer gij hierboven zijt, of ik beneden.—

Gij komt niet op tot mij; ik kom tot u.

(Hij valt mede in den kuil.)

(Saturninus en Aaron komen op).

Saturninus.

Volg mij; zelf wil ik zien, wat kuil hier is,

En wie het was, die er zoo even insprong.

Spreek, wie zijt gij, die daar zijt afgedaald

In deze gapende oopʼning van den grond?

Marcius.

De onzaalʼge zoon van deʼ ouden Andronicus,

Te boozer uur er heen gevoerd, om hier

Uw broeder Bassianus dood te vinden.

Saturninus.

Mijn broeder dood! Nu zie ik, dat gij schertst;

Hij en zijn gade zijn in ʼt jagershuis,

Aan ʼt noordereind van ʼt schoone jachtgebied;

ʼt Is nog geen uur, sinds ik hen daar verliet.

Marcius.

Ik weet niet, waar gij ʼt laatst hem levend zaagt,

Maar, o helaas! hier vonden wij hem dood.

(Tamora komt weder op, met Gevolg; verder Titus Andronicus en Lucius.)

Tamora.

Waar is de koning, mijn gemaal?

Saturninus.

Hier, Tamora, door doodʼlijk leed bedroefd.

Tamora.

Waar is uw broeder Bassianus?

Saturninus.

Nu peilt gij juist den bodem van mijn wond;

Vermoord ligt hier mijn arme Bassianus. 263

Tamora

(aan Saturninus een brief overreikend).

Zoo breng ik dezen onheilsbrief te laat,

Die deʼ aanslag inhoudt van dit gruwʼlijk treurspel,

En sta verstomd, dat eenig menschlijk aanzicht

Bloeddorst in lieve lachjes hullen kan.

Saturninus

(leest). “Zoo wij hem niet geschikt ontmoeten kunnen,—

Wij meenen Bassianus, beste jager,—

Doe gij ʼt voor ons en delf hem dan zijn graf;

Gij weet thans wat wij wenschen. Zoek uw loon:

ʼt Ligt onder netels aan den voet des vlierbooms,

Die deʼ ingang overschaduwt van den kuil,

Door ons tot Bassianusʼ graf bestemd.

Doe dit en maak ons eeuwig tot uw vrienden.”

O Tamora! werd ooit zoo iets gehoord?

Hier is de kuil, en dit, dit is de vlierboom.

Zoekt, heeren, of gij ook den jager vindt,

Die Bassianus hier vermoorden moest.

Aaron.

En, beste vorst, hier is de zak met goud.

Saturninus

(tot Titus). Twee van uw welpen, honden, heet op bloed,

Beroofden hier mijn broeder van het leven.—

Sleept, mannen, uit den kuil hen naar den kerker;

Sluit daar hen op, tot wij voor hen een martling,

Nog nooit vernomen, hebben uitgedacht.

[101]

Tamora.

Wat! zijn zij daar, in dezen kuil? O wonder!

Hoe ras wordt toch een moord aan ʼt licht gebracht!

Titus.

Mijn keizer, op mijn zwakke knieën smeek ik,

Met tranen, die ik moeilijk stort, de gunst,

Dat deze schuld van mijn vervloekte zoons,—

Vervloekt, indien hun schuld bewezen wordt,—

Saturninus.

Bewezen wordt? gij ziet, zij is klaarblijkʼlijk;—

Wie vond den brief? waart gij het, Tamora?

Tamora.

Neen, Andronicus zelf was ʼt, die hem opnam.

Titus.

Zoo is het, heer; doch laat voor hen mij borg zijn.

Ik zweer bij mijner vaadʼren heilig graf:

Op uwer hoogheid wenk staan zij bereid,

Al moogʼ het onderzoek hun leven gelden.

Saturninus.

Geen borgtocht, neen; maar zorg, dat gij mij volgt.—

Gij, brengt den doode, gij de moordʼnaars na;

Laat hen niet spreken; duidʼlijk is hun schuld;

En bij mijn ziel, bestond er boozer eind

Dan dood, dat erger eind viel hun te beurt.

Tamora.

Ik wil den keizer smeeken, Andronicus;

Wees zonder zorg om hen, het gaat wel goed.

Titus.

Kom, Lucius, kom; tracht niet met hen te spreken.

(Allen af.)

Vierde Tooneel.

Een ander gedeelte van het woud.

Demetrius en Chiron komen op, met de geschonden Lavinia; de handen zijn haar af gehouwen, de tong uitgesneden.

Demetrius.

Indien uw tong kan spreken, ga dan nu,

Zeg, wie de tong u uitsneed en u schond.

Chiron.

Schrijf neder wat gij weet, onthul het zoo;

Speel, laten dit uw stompen toe, voor schrijver.

Demetrius.

Zie, hoe zij schrappen, teekens krabbʼlen kan.

Chiron.

Ga huiswaarts, roep om water, wasch uw handen.

Demetrius.

Voor ʼt roepen mist ze een tong, voor ʼt wasschen handen,

Dus laat haar nu haar stille wegen gaan.

Chiron.

Waar ʼt mijn geval, ik ging en hing mij op.

Demetrius.

Ja, als gij handen hadt om ʼt koord te knoopen.

(Demetrius en Chiron af.)

(Horengeschal achter het tooneel. Marcus komt op, van de jacht.)

Marcus.

Wie is dat daar?—mijn nicht, die ijlings vlucht?

Geef antwoord, nichtje; zeg, waar is uw man?

Zoo ʼk droom, ʼk geef al mijn have, om weer te ontwaken!

Zoo ʼk waak, bestraalʼ terstond me een booze ster

En vellʼ mij om den eeuwʼgen slaap te sluimren!—

Spreek, lieve nicht, wat ruwe wreede hand

Verminkte uw lijf en hieuw dat zoet sieraad

U af, de beide takken, in wier schaduw

Zich vorsten gaarne hadden neergevlijd,

Die toch het hooge heil niet mochten smaken

Van uwe liefde? Waarom spreekt gij niet?—

Helaas, een purpʼren stroom, warm bloed,—een bron,

Die opwelt en door stormen trilt, gelijk,

Rijst, daalt daar tusschen uwe rozenlippen,

Komt, gaat met elken zoeten ademtocht.

Ach, zeker heeft een Tereus u geschonden,

En, straffe duchtend, u de tong ontrukt!

Ach! thans wendt gij ʼt gelaat af, diep beschaamd!

En schoon u al dit kostlijk bloed ontstroomt,

Als uit een drietal spruiten wellend water, 30

Zien toch uw wangen rood als Titans aanschijn,

Die bloost, als hem een wolk te tarten waagt.

Zal ik voor u het woord doen? zeggen, “ʼt is zoo?”

O kende ik thans uw hart! kende ik het beest,

Dat ik het smaadde om mijn gemoed te koelen!

Verholen leed,—als een gesloten oven,—

Verbrandt het hart, waarin het woont, tot asch.

Slechts tongloos werd de schoone Philomela;

Zij stikte in ʼt droevig weefsel haar gemoed;

U, lieve nicht, sneed men dit middel af;

Een sluwer Tereus was ʼt, die u belaagde;

En die sneed u die fijne vingers af,

Wier arbeid Philomela haddʼ beschaamd.

O, had het monster ooit die leliehanden

Als espenblad zien trillen op een luit,

Zoodat de zijden snaren teêr die kusten,

Zelfs niet voor ʼt leven had hij ze aangeroerd;

Had hij de hemelmelodie gehoord,

Die stroomde van die zoete tong, zijn mes

Waarʼ hem ontvallen, hij in slaap verzonken,

Gelijk voor Orpheusʼ voeten Cerberus.

Kom, gaan wij om uw vader blind te maken;

Want zulk een aanblik blindt eens vaders oog;

Eén uur van storm verdrinkt een geurʼge beemd;

Kan ʼt vaderoog dan maanden weenens lijden?

Wijk niet terug; wij willen met u klagen;

O, hielp u onze kracht de ellende dragen!

(Beiden af.)

[102]
[Inhoud]

Derde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Rome. Een straat.

Senatoren, Tribunen en Rechters komen op, met Marcius en Quintus, die geboeid ter terechtstelling gevoerd worden; Titus gaat als smeekeling voor hen uit.

Titus.

Hoort, achtbʼre vaders! gij tribunen, staat!

Denkt, ik ben oud nu, en ik sleet mijn jeugd

In woesten krijg, terwijl gij zorgloos sliept;

Denkt aan al ʼt bloed, dat ik voor Rome stortte,

Aan meenʼge winternacht, die ik doorwaakte,

Aan deze bittʼre tranen, die gij nu

De rimpels van mijn wangen vullen ziet,

En schenkt mijn zoons, veroordeeld thans, genade;

Hun hart is niet zoo slecht, als ʼt wordt gewaand.

Om twee-en-twintig zonen weende ik nooit,

Wijl zij op ʼt edel bed der eere stierven;

(Hij werpt zich op den grond.)

Om dezen schrijf ik thans in ʼt stof, tribunen,

Mijn harteleed en mijner ziele tranen.

Laat mij der aarde dorst met tranen lesschen;

Zij wierd schaamrood van mijner zonen bloed.

(De Senatoren, Tribunen enz. gaan met de Gevangenen door.)

O aarde, ik wil u meer met vocht verkwikken,

Dat uit deezʼ twee verweerde kruiken vliet,

Dan jonge April ʼt vermag met al zijn buien;

In zomerdroogte drenk ik u; des winters 19

Smelt ik met heete tranen u de sneeuw;

Ik wek een eeuwʼge lente op uw gelaat,

Indien gij ʼt bloed wilt weigʼren van mijn zoons.

(Lucius komt op, met uitgetogen zwaard.)

Eedʼle tribunen! zacht gestemde grijsaards!

Ontboeit mijn zonen en herroept uw vonnis,

Dat ik, die nooit voordezen weende, zeggʼ:

Mijn tranen zijn een onafwijsbʼre voorspraak.

Lucius.

Uw weeklacht, eedʼle vader, is vergeefsch;

Hier hoort u geen tribuun; geen mensch is hier;

ʼt Is aan een steen, dat gij uw kommer klaagt.

Titus.

O Lucius, laat mij pleiten voor uw broeders.—

Eedʼle tribunen, nogmaals smeek ik u,—

Lucius.

Mijn vader, geen tribuun verneemt uw woorden.

Titus.

ʼt Is eender, knaap; al hoorden ze ook, zij zouden

Er niet op letten; letten zij er op,

Er niet geroerd door zijn; toch moet ik spreken,

Hoe nuttʼloos ook. 36

Daarom meld ik mijn kommer aan de steenen,

Die, ja, geen antwoord geven op mijn klacht,

Maar hierin beter dan tribunen zijn,

Dat zij mij zonder stoornis laten spreken.

Zie, als ik ween, dan nemen zij mijn tranen

Deemoedig op en weenen schier met mij;

En waren zij slechts statig aangekleed,

Tribunen, hun gelijk, had Rome niet.

Zacht is een steen als was, steenhard tribunen;

Stom is een steen en krenkt niet, doch tribunen,

Zij hebben tongen, die ten doode doemen.

(Hij rijst op.)

Doch waarom staat gij met getrokken zwaard?

Lucius.

Om van den dood mijn broeders te bevrijden;

En voor die poging hebben mij de rechters

Veroordeeld tot een eeuwʼge ballingschap.

Titus.

Gelukkig man! wat deden zij u goed!

Wat, dwaze Lucius, hebt gij niet bespeurd,

Dat Rome een wildernis vol tijgers is?

Wat tijger is, wil buit, en Rome biedt

Geen buit dan mij, de mijnen. Dus, heil ù,

Die ver van die verslinders wordt verbannen!

Doch wie komt met mijn broeder Marcus daar?

(Marcus en Lavinia komen op.)

Marcus.

Titus, bereid uw edel oog tot weenen,

Of kunt gij ʼt niet, uw edel hart tot breken;

ʼk Voeg bij uw ouderdom verterend wee. 61

Titus.

Zal ʼt mij verteren? laat het mij dan zien.

Marcus.

Dit was uw dochter.

Titus.

Marcus, zij is ʼt nog.

Lucius.

Wee mij, die aanblik doodt mij.

Titus.

Zwakhartig jongʼling, rijs, en zie haar aan.—

Lavinia, spreek! wat vloekbʼre hand heeft u

Handloos gemaakt voor de oogen van uw vader?

Wat zotskap goot ooit water bij de zee,

Of wierp in Trojaʼs laaien brand een mutsaard?

Hoog was mijn leed gestegen, eer gij kwaamt,

Thans spot het als de zee met elken dam.—

Geef mij een zwaard, dan kappe ook ik mijn handen,

Wijl zij voor Rome streden, en vergeefs,

En, ʼt lijf verzorgend, dezen jammer voedden;

Tot ijdʼle beden hief ik haar omhoog,

Zij dienden mij tot nutteloos gebruik;[103]

Geen dienst meer eisch ik thans van haar dan deze,

Dat de eene helpe om de andere af te kappen.—

Goed is ʼt, dat gij geen handen hebt, Lavinia;

In dienst van Rome helpen handen niets.

Lucius.

Spreek, lieve zuster, wie heeft u gemarteld?

Marcus.

Helaas! dat lieflijk werktuig der gedachten,

Dat die zoo zoet en zoo welsprekend uitte,

Is weggereten uit de schoone kooi,

Waar ʼt als een vogel melodieën zong,

Toonrijk, welluidend, ieder oor betoovʼrend!

Lucius.

Zeg gij voor haar dan, wie dit stuk bedreef.

Marcus.

O, ʼk vond haar zoo, omdwalend in het woud

En pogend weg te schuilen, als een ree,

Die een onheelbʼre wond ontvangen heeft.

Titus.

Zij was mijn ree; wie haar verwondde, heeft

Mij erger dan een doodwond toegebracht.

Nu sta ik hier, als iemand op een klip,

Omgordeld door een woestenij van zee,

Die ʼt wassend tij met golf op golf ziet stijgen,

En immer wacht, dat fluks de felle branding

Hem zal verzwelgen in haar zilten schoot.

Ginds zijn mijn arme zoons ter dood gegaan;

Hier staat mijn andʼre zoon als banneling, 99

En hier mijn broeder, weenend om mijn wee;

Maar wat het felst mijn ziele grieft, mijn dierbʼre

Lavinia is ʼt, mij dierbʼrer dan mijn ziel;—

Hadde ik uw beeltʼnis zoo verminkt gezien,

Het had mij dol gemaakt; wat word ik thans,

Nu ik uw levend wezen zoo aanschouw?

Geen handen hebt ge om tranen af te wisschen,

Geen tong om wie u martelde ooit te noemen;

Uw gade is dood, en om zijn dood uw broeders

Veroordeeld en voorzeker nu reeds dood.

Zie, Marcus; ach, zoon Lucius, zie haar aan;

Nu ik haar broeders noem, staan op haar wangen

Weer versche tranen, als een zoete dauw

Op een geplukte en schier verlepte lelie.

Marcus.

Zij weent wellicht, wijl zij haar gade doodden,

Wellicht ook, wijl zij hen onschuldig weet.

Titus.

Zoo zij uw gade doodden, wees dan blijde,

Dat nu de wet zich met de wraak belast.—

Neen, neen, zij deden zulk een wandaad niet;

ʼt Leeddragen van hun zuster tuigt voor hen.—

Lavinia-lief, laat mij uw lippen kussen,

Of zeg door teekens, hoe ik troosten kan.

Of zullen wij, uw oom, uw broeder Lucius,

Gij, ik, te zamen aan een beek gaan zitten,

Er in zien ter beschouwing onzer wangen,

Hoe die ontkleurd zijn, als nog vochte weiden,

Waar pas een stroom zijn slib op achterliet?

En staren wij dan zoo lang in de beek,

Totdat zijn helder nat niet zoet meer smaakt,

En ziltig werd van onze bittʼre tranen?

Of kappen we onze handen af als de uwe?

Of bijten we ons de tong af en doorleven

In stom gebaar des levens droeve rest?

Wat doen wij? Spreekt! laat ons, die tongen rijk zijn,

Een schrander plan van verdʼre ellend ontwerpen,

Opdat we een wonder zijn voor laatʼren tijd.

Lucius.

Mijn vader, stuit uw tranen; bij ons wee,

Zie, hoe mijn arme zuster snikt en schreit.

Marcus.

Stil, lieve nicht;—gij, Titus, droog uw oogen.

Titus.

Ach, Marcus, Marcus! broeder, ʼk weet te goed,

Uw zakdoek kan geen traan van mij meer drinken,

Want gij hebt zelf met de uwe hem gedrenkt.

Lucius.

Lavinia, kom, ik wisch uw wangen af.

Titus.

Zie, Marcus, zie! Haar teekens zijn mij duidʼlijk;

Had zij een tong, zij zeide tot haar broeder

Hetzelfde, wat ik u pas heb gezegd;

Zijn zakdoek, nat van echte tranen, kan

Niet dienen voor haar kommervolle wangen.

Wat meegevoel! elks kommer is gelijk;

Doch troost zoo ver, als heil van ʼt schimmenrijk!

(Aaron komt weder op.)

Aaron.

Mijn heer, de keizer—Titus Andronicus— 150

Meldt u door mij, dat, zoo ge uw zoons bemint,

Gij, oude Titus, Lucius, of gij, Marcus,

Wie uwer ook, de hand zich af moogʼ houwen

En aan den keizer zenden; daarvoor zendt

Hij beide uw zoons u levend hier terug,

En dit zal ʼt losgeld zijn voor hunne schuld.

Titus.

O beste, goede keizer! vriendlijke Aaron!

Zong ooit een raaf zoo zoet, gelijk een leeuwrik,

Die ʼt heilnieuws meldt van de opkomst van de zon?

Van ganscher hart zend ik mijn hand den keizer.

Vriend Aaron, helpt gij mij om ze af te houwen?

Lucius.

Neen, vader! neen, die eedʼle hand van u,

Die zoo, zoo meenʼgen vijand velde, mag

Geen losprijs zijn; de mijne is goed genoeg.

Mijn jeugd ontbeert veel lichter ʼt bloed; daarom

Moogʼ mijne hand der broeders leven redden.

Marcus.

Welke uwer handen, spreek, heeft Rome niet

Behoed, de felle krijgsakst niet gezwaaid,

Op ʼs vijands helm verdelging niet geschreven?

O, geen van beide, die niet roemrijk was.

Mijn hand heeft niets verricht; sta toe, dat zij

Mijn beide neven vrijkoopʼ van den dood,

Dan heb ik haar gespaard tot edel doel.

[104]

Aaron.

Komt, wordt het eens, wiens hand ik medeneem;

Zij sterven anders vóór ʼt genadewoord.

Marcus.

Mijn hand zij losprijs.

Lucius.

Bij den hemel, neen!

Titus.

Geen strijd meer; kruiden, zoo verwelkt als deze,

Zijn rijp voor ʼt wieden; daarom zij ʼt mijn hand.

Lucius.

Gun, lieve vader, zoo ʼk uw zoon zal heeten,

Dat ik mijn broeders van den dood bevrijd.

Marcus.

Om onzes vaders, onzer moeder wil,

Moge ik mijn broederliefde u thans betoonen!

Titus.

Zoo wordt het samen eens; ik spaar mijn hand.

Lucius.

Nu, dan haal ik een bijl.

Marcus.

Maar ik gebruik die bijl.

(Lucius en Marcus af.)

Titus.

Kom, Aaron, kom; die twee wil ik bedriegen;

Leen mij uw hand, dan geef ik u de mijne.

Aaron

(ter zijde). Heet dit bedrog, dan word ik eerlijk man, 189

En nimmer zal ik zoo een mensch bedriegen;—

Doch u bedrieg ik op een andʼre wijs;

En geen half uur zal om zijn, eer gij ʼt zegt.

(Hij houwt Titusʼ hand af.)

(Lucius en Marcus komen terug.)

Titus.

Uit hebbe uw twist; gedaan is, wat te doen was.—

Vriend Aaron, geef zijn majesteit mijn hand,

Zeg hem, dit was een hand, die hem voor duizend

Gevaren hoedde; dat hij haar begraavʼ;

Haar loon moest grooter zijn, maar dit erlangʼ zij.

En wat mijn zoons betreft, zeg, dat ik hen

Kleinodiën acht, tot kleinen prijs verworven,—

En toch wel duur; ʼt was ʼt mijne, wat ik kocht.

Aaron.

Ik spoed mij, Andronicus; en welras

Zult gij uw beide zoons weer bij u zien. (Ter zijde.) Hun hoofden, meen ik.—O, die schurkenstreek

Laaft, voedt mij reeds, nu ik er slechts aan denk!

Dat goeddoen narren, bidden blanken stichtʼ;

Doch Aarons ziel zij zwart als zijn gezicht!

(Aaron af.)

Titus.

O, hier hef ik deze eene hand ten hemel,

En deze zwakke stomp hangʼ neer,—ter aard.

Heeft eenʼge macht met arme tranen deernis,

Die roep ik aan.—(Tot Lavinia.) Wat! wilt gij met mij knielen?

Ja, goed; de hemel moet ons smeeken hooren,

Of wij ontglanzen ʼt hemelwelf met zuchten

En dooven ʼt licht der zon met damp als wolken,

Die soms haar hullen in haar vochten schoot.

Marcus.

O broeder, spreek toch van wat moogʼlijk is,

En barst niet uit in maatloos diepe klachten!

Titus.

Is dan mijn leed niet diep en bodemloos?

Zoo bodemloos moge ook mijn jammʼren zijn.

Marcus.

Maar dat de rede toch uw klacht beheerschʼ!

Titus.

Indien er reden waar voor deze ellenden,

Dan kerkerde ik in perken al mijn wee.

Stroomt de aard niet over, als de hemel weent?

En, raast de storm, wordt dan de zee niet dol,

Zwelt haar gelaat niet op, ʼt gewelf bedreigend?

En eischt gij reden nog voor dezen storm?

Ik ben de zee, hoor, hoe haar zuchten razen!

Zij is het weenend hemelwelf, ik de aard;

Zoo moet mijn zee wel van haar zuchten zwalpen;

Zoo moet mijn aarde van haar eindloos weenen

Een zondvloed worden, overstroomd, bedolven.

Mijn ingewand kan al dit wee niet bergen;

Ik spuw het uit, gelijk een dronkaard doet.

Vergunt mij dit; vergund wordt den verliezer,

Dat hij met bittʼre tong zich lucht verschaffʼ.

(Een Bode komt op, met twee hoofden en een hand.)

Bode.

Eedʼle Andronicus, slecht vergeldt men u

Die goede hand, die gij den keizer zondt. 236

Hier zijn de hoofden van uw eedʼle zoons,

En hier uw hand, met hoon u weergezonden;

Uw smart hun spel, uw kloeke moed hun spot.

Dit wee is mij, bij ʼt denken aan uw wee,

Meer leed dan ʼt denken aan mijns vaders dood.

(De Bode af.Titus bezwijmt.)

Marcus.

Siciliëʼs gloeiende Ætna moogʼ verkoelen,

Mijn hart zij nu een eeuwig laaie hel!

Dit leed is grooter dan te dragen is.

Meêschreien met die schreien brengt wel troost,

Maar leed, door hoon verscherpt, is dubbʼle dood.

Lucius.

Ach, dat deze aanblik zoo diepgrievend is,

En toch ʼt gehate leven niet ontvliedt!

Dat nu de dood het leven leven nog

Laat heeten, schoon het niets dan aadʼmen is.

(Lavinia kust Titus.)

Marcus.

Arm kind, die kus brengt heul noch troost, zoomin

Als ijskoud water een verkilde slang.

Titus.

O, wanneer neemt die schrikbʼre slaap een eind?

Marcus.

O zoet bedrog, vaar heen; sterf, Andronicus.

Dit is geen droom; zie uwer zonen hoofden,[105]

Uw dappʼre hand hier, uw verminkte dochter,

Uw andren zoon als balling, wien deze aanblik

Bleek, bloedʼloos maakt; en zie uw broeder, mij,

Hier als een steenen beeld, zoo koud en roerloos.

O, thans zal ik uw klachten niet meer stremmen.

Ruk uit uw zilvʼren haar; knaag de andʼre hand

Vrij met uw tanden; en dit schriktooneel

Sluite ons voor goed de onzalige oogen toe!

Kom, nu is ʼt razenstijd; wat zwijgt ge nu?

Titus.

Ha, ha, ha!

Marcus.

Wat lacht gij nu? dit past niet bij deze ure.

Titus.

Ik heb geen tranen meer te storten over;

En dan, die jammer is een vijand, die

Mijn vochtige oogen overmeestʼren wil,

Ze door een cijns van tranen blind wil maken;

Hoe vond ik dan den weg naar ʼt hol der wraak?

Ja, want mij is ʼt, als spraken die twee hoofden,

En dreigden, dat ik nimmer zalig wordt,

Eer al die gruwʼlen ruim vergolden zijn,

Diep in den strot van hen, die ze begingen.

Kom, laat mij zien, wat taak ik heb te doen.—

Gij zwaar bezochten, schaart u om mij heen,

Opdat ik mij tot ieder uwer keere 278

En aan mijn ziele zweerʼ, uw leed te wreken.—

Ik deed dien eed.—Kom, broeder, neem een hoofd;

In deze hand wil ik het ander dragen.

Ook gij, Lavinia, krijgt hier iets te doen,

Draag gij mijn hand, lief kind, met uwe tanden.

En gij, mijn jongen, spoed u uit mijn oog;

Gij zijt een balling; dralen moet gij niet.

IJl tot de Gothen, zamel daar een leger;

Hebt gij mij lief,—ik denk, dat gij het doet,—

Zoo kus me en ga, want deze zaak wil spoed.

(Titus, Marcus en Lavinia af.)

Lucius.

Vaar, Andronicus, eedʼle vader, wel,

Rampzaligst man, die ooit in Rome leefde!

Vaarwel, trotsch Rome; u laat, tot hij hier keert,

Thans Lucius panden, dierbʼrer dan zijn leven!

Vaar gij, Lavinia, eedʼle zuster, wel;

O waart gij als gij vroeger zijt geweest!

Doch thans leeft Lucius, leeft Lavinia niet,

Dan in vergetelheid en naamloos wee.

Zoo Lucius leeft, dan wreekt hij ras uw smaad;

De trotsche Saturninus en zijn gade,

Zij zullen door hem beedʼlen aan de poorten,

Als eens Tarquinius en zijn koningin.

Thans naar de Gothen; ʼk zamel daar een macht,

Die mij op Rome en Saturninus wreekʼ.

(Lucius af.)

Tweede Tooneel.

Een vertrek in Titusʼ huis. Een maal is aangericht. Titus, Marcus, Lavinia, en de jonge Lucius, een knaap, komen op.

Titus.

Kom, zet u thans, doch eet alleen zooveel,

Als ons voldoende kracht bewaren kan

Om wraak te nemen voor ons bitter wee.

Marcus, kruis niet in smart uw armen zoo;

Uw nicht en ik, wij armen, missen handen,

En kunnen ons tienvoudig leed niet klagen

Met armgekruis. Deze arme rechterhand

Bleef mij alleen om op mijn borst te woeden;

En als mijn hart, waanzinnig van ellend,

Bonst in den hollen kerker van mijn vleesch,

Dan sla ik zoo het neer.

(Tot Lavinia.) Gij kort begrip van leed, die spreekt in teekens,

Als uw arm hart zoo bonst met woeste slagen,

Kunt, gij het, ach! ter stilling niet zoo slaan.

Verwond het, kind, met zuchten, snik het dood

Of vat een vlijmend mes met uwe tanden

En boor ter plaatse van uw hart een wond,

Opdat der oogen gansche tranenstroom

In deze groeve vliete en, ingezogen,

ʼt Arm klagend hart verdrinke in zilten vloed.

Marcus.

Foei, broeder! leer haar niet zoo gewelddadig

Aan ʼt teeder leven de eigen hand te slaan.

Titus.

Wat, deed het leed u reeds een suffer zijn?

Geen mensch heeft recht om dol te zijn, dan ik.

Hoe kan zij aan zichzelf de handen slaan?

Wat rept gij weer van handen; vraagt gij niet

Æneas tweemaal zijn verhaal te doen, 27

Hoe Troje brandde en hij rampzalig werd?

O handel hiervan niet, spreek niet van handen,

Want dan herdenken we immer ons gemis.

Foei, foei! het is, of waanzin mij doet spreken,

Alsof wij ons gemis vergeten konden,

Zoo Marcus ons maar niet van handen sprak!—

Komt, vangen we aan; en gij, lief kind, eet dit.—

Hier is geen drinken. Marcus, hoor haar spreken,

Ik kan de tolk zijn voor haar martʼlaarsteekens.

Zij zegt: zij drinkt geen andren drank dan tranen,

Uit leed gebrouwen, op haar wang gemengd.

Gij stomme klaagster, ʼk wil uw taal verstaan.

Mij zullen uw gebaren zoo vertrouwd

Als bedelkluizʼnaars hun gebeden zijn.

Zoo gij slechts zucht, uw stompen heft ten hemel

Slechts wenkt of knikt of knielt, een teeken geeft,

Zal ik uit deze een alphabet mij vormen,

Door stadige oefʼning weten wat gij meent.

De jonge Lucius.

Grootvader, staak uw bittʼre jammerklachten,

En troost mijn moei eer met een fraai verhaal.

Marcus.

Ach, diepgeroerd betreurt de teedʼre knaap

Grootvaders wee, nu hij zijn wanhoop ziet.

Titus.

Stil, teêre spruit, gij zijt gemaakt uit tranen;

En tranen smelten ras uw leven weg.—

(Marcus stoot met zijn mes in den schotel.)

Waar stoot gij heftig met uw mes naar, Marcus?

[106]

Marcus.

Naar iets wat ik gedood heb,—naar een vlieg.

Titus.

Foei, schaam u, moordʼnaar! mij doodt gij het hart.

Mijn oogen zijn verzaad van ʼt zien van gruwʼlen;

Een moord, op een onschuldige volbracht,

Staat Titusʼ broeder slecht. Neen, ga van hier;

Ik zie, wij passen voor elkander niet.

Marcus.

Ach, Titus, ʼt was een vlieg slechts, die ik doodde.

Titus.

Maar stel, zij had een vader en een moeder,

Hoe lieten die de gouden wiekjes hangen

En gonsden in de lucht hun jammerklacht!

Die arme schuldelooze vlieg!

Zij kwam om ons een aardig lied te gonzen,

Ons te verheugen; en nu doodt gij haar!

Marcus.

Vergeef mij; ʼt was een zwart en leelijk dier,

De Moor der keizerin schier; daarom doodde ik ʼt.

Titus.

O, o, o!

Vergeef dan mij, dat ik u heb gegispt,

Want dan hebt gij een vrome daad gedaan.

Geef mij uw mes, opdat ik haar bespot,

Mijn geest misleidʼ, dat dit de Moor geweest is,

Die zelf hier kwam, om mij vergif te reiken.—

(Hij stoot met het mes.)

Hier, dit voor u, en dat voor Tamora!

Ja, knaap!

Zoo diep zijn wij nog niet gezonken, hoop ik,

Dat wij geen vlieg meer kunnen dooden, die

Hier komt, op een koolzwarten Moor gelijkend.

Marcus.

Die arme man, zijn leed beheerscht hem zoo,

Dat hij de schaduw voor het wezen neemt.

Titus.

Komt, ruimt hier weg.—Lavinia, ga met mij

In uw vertrek; daar leze ik met u treurʼge

Verhalen van ʼt gebeurde in deʼ ouden tijd.—

Kom, knaap, ga mede; uw oog is jong, en gij

Moogt lezen, als het mijne neevʼlig wordt.

(Allen af.)

[Inhoud]

Vierde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Rome. De tuin van Titusʼ huis.

Titus en Marcus komen op, daarna de jonge Lucius, gevolgd door Lavinia.

Jonge Lucius.

Grootvader, help! mijn moei Lavinia volgt

Mij overal en waarom weet ik niet.—

Oom Marcus, zie! o zie, hoe snel zij komt!—

Ach, lieve moei, ik weet niet wat gij meent.

Marcus.

Kom, Lucius, blijf! wees voor uw moei niet bang.

Titus.

Zij heeft u, knaap, te lief, om u te deren.

Jonge Lucius.

Toen vader nog in Rome was, ja zeker.

Marcus.

Wat wil Lavinia toch met die gebaren?

Titus.

Ducht, Lucius, niets; zij heeft een doel hiermeê.

Zie, Lucius, zie, hoe zij op u gesteld is;

Zij wil, dat ge ergens met haar medegaat.

O knaap, Cornelia las niet vlijtiger

Haar zonen voor, dan zij met u gedichten

En Ciceroʼs Orator heeft gelezen. 14

Marcus.

Kunt gij niet gissen, wat zij van u wil?

Jonge Lucius.

Voorwaar, ik weet het niet en kan ʼt niet gissen,

Tenzij een vlaag van waanzin haar beving;

Want overmaat van smart,—dit zeide mij

Grootvader,—kan een mensch waanzinnig maken;

En ʼk las ook wel, dat Hecuba van Troje

Van kommer dol werd, en dit bracht mij angst,

Hoewel ik weet, oom, dat mijn eedʼle moei

Mij even lief heeft als mijn moeder ooit,

En nimmer, dan in woede, zou doen schrikken.

In deʼ angst wierp ik mijn boeken weg, en vlood,

Recht dwaas misschien.—Vergeef mij, lieve moei;

ʼk Beloof u, zoo oom Marcus met mij gaat,

Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst.

Marcus.

Goed, Lucius, ʼk wil wel. 29

(Lavinia slaat de boeken om, die Lucius liet vallen.)

Titus.

Hoe is ʼt, Lavinia?—Marcus, spreek, wat wil zij?

Er moet een boek zijn, dat zij wenscht te zien.—

Is ʼt een van deze, kind?—Doe ze open, knaap.—

Maar gij zijt meer belezen, hebt meer oefʼning;

Dus, doe een keus uit heel mijn boekerij,

En leid uw kommer af, totdat de hemel

Den gruwbʼren euveldader openbaart.—

Welk boek?—

Wat heft zij bij herhaling de armen op?

[107]

Marcus.

Ik denk, zij meent, dat aan de wandaad meerdʼren

Meêplichtig waren;—ja zeker, meerdʼren waren ʼt;—

Of wel, zij heft ze hemelwaarts om wraak.

Titus.

Welk boek is ʼt, Lucius, dat zij daar zoo aanstoot?

Jonge Lucius.

Ovidius is ʼt, het boek Metamorphosen,

Dat mij mijn moeder schonk.

Marcus.

Uit de andre zoekt zij

Dit moogʼlijk uit, ter liefde van de doode.

Titus.

Stil, zie, wat bladert zij er haastig in!

Help haar!—Wat zoekt gij?—Moet ik ʼt lezen, kind?—

Dit is ʼt verhaal van Philomelaʼs jammer,

Van Tereusʼ boos verraad en vrouweschennis;

In schennis, vrees ik, wortelt uw ellendʼ.

Marcus.

Zie, broeder, zie, hoe ze op die bladen tuurt!

Titus.

Lavinia, heeft men u zoo overvallen,

Geschonden en gekrenkt als Philomela,

In ʼt onbarmhartig, groot en donker woud?—

Zie, zie!—

Ja, waar wij jaagden, was er zulk een plaats,—

O hadden wij er nooit, er nooit gejaagd!—

Geheel als die de dichter hier beschrijft,

Voor moord en schennis door natuur geschapen.

Marcus.

Hoe kan natuur zoo booze krochten scheppen, 59

Zoo gruwʼlen niet voor goden streelend zijn?

Titus.

Wijs aan, lief kind, want hier zijn niets dan vrienden,

Meld, welk Romein die daad bedrijven dorst;

Sloop Saturninus weg, zooals Tarquinius,

Ter schennis van Lucretia, ʼt kamp verliet?

Marcus.

Zit naast mij, lieve nicht, en gij ook, broeder.—

Apollo, Pallas, Jupiter, Mercurius,

Beziel mij, dat ik ʼt wanbedrijf ontdekkʼ!—

Zie hier, mijn broeder;—zie, Lavinia, zie;

De zandplek hier is vlak en effen; kunt gij,

Zoo doe dit na.

(Hij schrijft zijn naam in het zand met zijn stok, dien hij met den mond vasthoudt en met de voeten geleidt.)

Zoo heb ik hier mijn naam

Geschreven zonder eenʼge hulp der handen.

Gevloekt zij hij, die tot den vond ons dwong!—

Schrijf gij nu, lieve nicht; onthul ons eindʼlijk,

Wat God ter wrake wis onthuld wil zien.

De hemel leide uw pen tot duidelijk schrift,

Opdat wij ʼt schelmstuk en de daders kennen.

(Lavinia neemt den stok in haar mond, geleidt hem met haar stompen, en schrijft.)

Titus.

O lees, mijn broeder, lees, wat zij daar schreef!

Stuprum—Chiron—Demetrius”.

Marcus.

Wat, wat!—de wulpsche zoons van Tamora

Bedrijvers van dit snood en bloedig doen?

Titus.

Magni dominator poli,

Tam lentus audis scelera? tam lentus vides?

Marcus.

O kalm, mijn vriend, blijf kalm, al weet ook ik,

Dat hier op de aard genoeg geschreven staat

Om ʼt zachtst gemoed tot oproer aan te prikkʼlen,

En kindʼren luide kreten te doen slaken.

Kniel neder, vriend, met mij; Lavinia, kniel;

En knaap, kniel ook, gij hoop van Romeʼs Hector;

En zweert met mij,—zooals met deʼ armen gade

En vader der onteerde kuische vrouw

Eens na Lucretiaʼs schennis Brutus zwoer,—

Dat wij een doodʼlijke, overlegde wraak

Op deze snoode Gothen nemen zullen,

Hun bloed zien,—of zelf sterven, laf, onteerd.

Titus.

ʼt Waarʼ zeker, ja, wist gij te zeggen, hoe;— 95

Pas op, als gij die berenwelpen jaagt;

Want de oude ontwaakt, als zij uw naadʼring ruikt;

Ze is eng verbonden met den leeuw en maakt

Hem spelend, liggend op den rug, in slaap;

En als hij slaapt, dan doet zij wat zij wil.

Laat af, gij zijt een jonge jager, Marcus;

En kom, ik wil een koopʼren blad gaan halen,

Met stalen stift die woorden er op griffʼlen,

En ʼt zoo bewaren. Noorderstorm verwaait

Dit zand ras, als de bladen der Sibylle,

En waar is dan ʼt vermaan?—Knaap, wat zegt gij?

Jonge Lucius.

Ik zeg, dat, zoo ik man was, hunner moeder

Slaapkamer wis geen vrijplaats wezen zou

Voor deze aan Romeʼs juk ontglipte schurken.

Marcus.

Mijn jongen is hij! Knaap, uw vader heeft

Voor zijn ondankbaar land aldus gekampt.

Jonge Lucius.

Nu, oom, zoo doe ik, blijf ik leven, ook.

Titus.

Kom met mij in mijn wapenzaal, daar rust ik

U, Lucius, kostlijk toe, want gij, mijn knaap,

Moet fluks aan beide zoons der keizerin

Geschenken brengen, die ik zenden wil.

Kom! vlug! Niet waar, gij wilt die boodschap brengen?

Jonge Lucius.

Grootvader, ja, mijn dolk in hunne borst.

[108]

Titus.

Neen, knaap, niet zoo; ik leer u anders doen.

Lavinia, kom!—Marcus, let op mijn huis;

Lucius en ik, wij gaan ten hove pralen;

Wij willen ʼt, ja, en hulde brengt men ons.

(Titus, Lavinia en de jonge Lucius af.)

Marcus.

O Hemel! kunt ge een brave hooren jammʼren,

En geen erbarmen toonen met zijn lot?

Marcus, let bij zijn waanzin goed op hem,

Wiens hart meer wonden heeft van bitter leed,

Dan zijn gebutste beukʼlaar vijandsmerken;

En toch zoo vroom, dat hij geen wraak wil nemen!—

Neemt, heemʼlen, gij voor Andronicus wraak!

(Marcus af.)

Tweede Tooneel.

Aldaar. Een vertrek in het paleis.

Van de eene zijde komen op: Aaron, Demetrius en Chiron; van de andere zijde de jonge Lucius en een Dienaar, met een bundel wapens en daarop geschreven verzen.

Chiron.

Demetrius, daar is de zoon van Lucius;

Hij komt een boodschap aan ons overbrengen.

Aaron.

Een dolle boodschap van dien dollen oude!

Jonge Lucius.

Met allen mogelijken deemoed, heeren,

Breng ik u Andronicusʼ heuschen groet:—

(Ter zijde.) En bid, dat Romeʼs goden u verderven.

Demetrius.

Dank, goede Lucius, wat hebt gij voor nieuws?

Jonge Lucius

(ter zijde). Het nieuws is, dat gij beiden zijt ontmaskerd

Als schurken en verkrachters.—(Luid.) Het behage u:

Grootvader zendt na rijp beraad door mij

De beste klingen uit zijn wapenzaal 11

U hier, als hulde aan uw hoogeedʼle jeugd,

De hoop van Rome; dit toch moet ik zeggen,

En doe dit thans, en bied u, eedʼle heeren,

Zijn gaven aan, opdat gij steeds, zoodra

Gij dit behoeft, voortreffʼlijk zijt gewapend;

ʼk Zeg u vaarwel, (Ter zijde.) als bloedig schurkenpaar.

(De jonge Lucius en zijn Dienaar af.)

Demetrius.

Wat zit daar om? een reep rapier, beschreven?

Laat zien.

“Integer vitæ, scelerisque purus,

Non eget Mauri jaculis, nec arcu”.

Chiron.

Een vers is ʼt uit Horatius, ik ken het;

Ik las het in mijn spraakkunst, lang geleên.

Aaron.

Een vers is ʼt uit Horatius, ja juist.

(Ter zijde). Wat zijn er toch voor ezels in de wereld!

Dit is geen scherts; de grijsaard heeft hun schuld

Ontdekt en zendt hun wapens nu, met regels,

Die, zonder dat zij ʼt merken, diep verwonden;

Doch waarʼ de schrandʼre keizerin nu wèl,

Zij juichte ʼt plan van Andronicus toe;

Doch laten wij haar onrust nu in rust.

(Luid.) Was ʼt, jonge vrienden, niet een goed gesternte,

Dat ons naar Rome voerde, als vreemden, ja,

Als krijgsgevangʼnen, en ons zoo verhoogde?

Het deed mij goed, voor ʼt slot hier den tribuun,

En in zijns broeders bijzijn, fier te trotsen.

Demetrius.

Mij nog meer goed, dat zulk een machtig heer

Zoo laf ons vleit, ons zulke giften zendt.

Aaron.

Nu, had hij, prins Demetrius, geen reden?

Hebt gij zijn dochter niet recht lief behandeld?

Demetrius.

O hadden wij van Rome een duizend schoonen

In zulk een val, om onzen lust te boeten! 42

Chiron.

Een vrome, liefdevolle wensch voorwaar!

Aaron.

Ware uwe moeder hier, zij sprak het Amen.

Chiron.

Dan deed zij ʼt wis voor twintig duizend meer.

Demetrius.

Kom, gaan wij, bidden wij tot alle goden,

Dat ze onze moeder bijstaan in haar nood.

Aaron

(ter zijde). Roept duivels aan; de goden haten ons.

(Trompetgeschal.)

Demetrius.

Wat blazen de trompetten daar des keizers?

Chiron.

Waarschijnlijk heeft de keizer thans een zoon.

Demetrius.

Stil, wie komt daar?

(Een Voedster komt op met een Moorenkind.)

Voedster.

Gegroet, gij prinsen! ʼk bid u, mij te zeggen,

Waar Aaron is, de Moor, doch ras!

Aaron.

Komaan, wat is ʼt, wat roept gij moord en brand?

Aaron is hier; wat wilt gij nu van Aaron?

Voedster.

Ach, Aaronlief! verloren zijn wij allen!

Help ons, of wee op wee dale op uw hoofd!

[109]

Aaron.

Welnu, wat mauwt en schreeuwt gij zoo? wat houdt gij

Daar zoo omhuld, verborgen in uw armen?

Voedster.

Wat ik voor ʼs hemels oogen liefst verborg;

De schande der vorstin, de smaad van Rome.—

Zij is verlost, mijn heeren, ze is verlost.

Aaron.

Van wat?

Voedster.

Zij kwam in ʼt kinderbed, bedoel ik.

Aaron.

God geevʼ haar zoete rust! Wat zond Hij haar?

Voedster.

Een duivel.

Aaron.

Nu, dan is zij ʼs duivels moêr; Een vroolijk wicht!

Voedster.

Een vreugdʼloos, aakʼlig, zwart en droevig wicht.

Hier is het kind, zoo leelijk als een pad

Te midden van de blanken van ons land;

De moeder zendt het u, uw beeld en zegel,

En wil, dat gij het met uw dolkspits doopt.

Aaron.

Foei, slet! is zwart een zoo gehate kleur?—

Zoet bekjeʼ, een lieflijk bloempje zijt gij, ja.

Demetrius.

Schurk, wat hebt gij gedaan?

Aaron.

Wat gij niet ongedaan maakt. 74

Chiron.

Smaad deedt gij onze moeder aan.

Aaron.

Vreugd deed ik uwe moeder aan.

Demetrius.

En daardoor, helsche hond, deedt gij haar smaad aan.

Wee ʼt booze lot! vervloekt haar zwarte keus!

Vervloekt de spruit van zulk een boozen duivel!

Chiron.

ʼt Wicht zal niet leven.

Aaron.

Sterven zal het niet.

Voedster.

ʼt Moet sterven, Aaron; zoo beveelt de moeder.

Aaron.

Wat! moet het, voedster? dan zij ik ʼt alleen,

Die beulsplicht oefen aan mijn vleesch en bloed.

Demetrius.

Ik rijg de donderpad aan mijn rapier;

Hier, voedster, geef; mijn zwaard maakt fluks het af.

Aaron.

Eer tornt dit zwaard uw ingewanden op.

(Hij neemt aan de Voedster het kind af en trekt zijn zwaard.)

Stil, moordgeboefte, wilt ge uw broeder dooden?

Nu, bij des hemels kaarsen, die zoo helder

Licht gaven bij ʼt verwekken van dit jongsken,—

Wie hem, mijn oudsten zoon en erfgenaam,

Aanroert, sterft op mijn scherpe degenspits.

Ik zeg u, knapen, niet Enceladus,

Met heel zijn felle Typhonsbroedsel-bende,

Noch groote Alcides, noch de god des krijgs,

Rukt uit zijns vaders handen hem als prooi.

Wat, wat! gij roodgetinte, laffe knapen,

Gij witte wanden, bierhuisuithangteekens!

Koolzwart is beter dan elke andʼre kleur,

Omdat het weigert andʼre kleur te dragen;

Want al het water van de zee kan nimmer

Den zwarten voet des zwaans in wit verandʼren,

Al wascht hij uur op uur dien in den stroom.

Zeg aan de keizerin, ʼk ben mans genoeg

Om ʼt mijne te behoeden; dit gedoogʼ zij.

Demetrius.

Verraadt gij zoo uw eedʼle meesteres?

Aaron.

Zij is mijn meesteresse, dit ikzelf;

De kracht is ʼt en de beeltʼnis mijner jeugd;

Dit schat ik hooger dan de gansche wereld;

Kwam ook de wereld in verzet, dit hoede ik,

Of veler bloed in Rome dampt er voor.

Demetrius.

Dit werpt op onze moeder eeuwʼgen smaad.

Chiron.

Haar booze misstap maakt haar Romeʼs afschuw. 113

Voedster.

In woede doemt de keizer haar ter dood.

Chiron.

Ik bloos, wanneer ik aan haar schande denk.

Aaron.

Nu ja, dit is het voorrecht uwer schoonheid;

ʼt Is een verraderskleur, die,—foei!—door blozen

Des harten roersels, ieder plan onthult;

Dit is een jonge knaap van ander uitzicht;

Zie, hoe de zwarte schelm zijn vader toelacht,

Als was zijn zeggen: “Vader, ik ben de uwe.”

Hij is uw broeder, prinsen; blijkbaar voedde

Hem ʼt eigen bloed, dat u het leven schonk;

En uit dien schoot, die u in hechtnis hield,

Werd hij bevrijd en aan het licht gebracht;

Uw broeder is hij van den zeekʼren kant,

Ofschoon zijn aangezicht mijn stempel draagʼ.

Voedster.

Aaron, wat meld ik aan de keizerin?

Demetrius.

Schaf, Aaron, raad, wat er gedaan moet worden;

Wij geven allen aan uw raad gehoor;

Beveilig ʼt wicht, als wij slechts veilig zijn.

Aaron.

Nu, zetten wij ons dan, om raad te plegen.

Mijn zoon en ik slaan nauwgezet u ga;

Blijf daar, en spreek naar lust van veiligheid.

(Zij gaan zitten.)

[110]

Demetrius.

Hoevele vrouwen zagen dit zijn kind?

Aaron.

Ja, goed, mijn prinsen; zoo wij ons verbinden,

Ben ik een lam; maar—poog den Moor te trotsen,

En Aaron stormt, meer dan de woedende ever,

Dan de leeuwin der bergen, de oceaan.—

Maar spreek, hoe velen hebben ʼt kind gezien?

Voedster.

Cornelia slechts, de vroedvrouw, en ikzelf,

En ook de keizerin, maar niemand meer.

Aaron.

De keizerin, de vroedvrouw en gijzelf;

Twee zwijgen wel, wanneer de derde ontbreekt.

Ga naar de keizerin; ziehier uw boodschap;

(Hij doorsteekt de Voedster.)

Quèk, quèk!—zoo schreeuwt een big, voor ʼt spit gekeeld.

Demetrius.

Wat wilt gij, Aaron? waarom deedt gij dit?

Aaron.

Wel man, voorzichtigheid gebood die daad. 148

Wat! zou zij leven, deze schuld verraden?

Dat praatziek, dat langtongig wijf? Neen, neen!

En nu zult gij geheel mijn plan vernemen.

Hier dicht bij woont mijn landsman Muliteus,

Wiens vrouw de voorʼge nacht bevallen is;

Het kind gelijkt op haar, is blank als gij;

Gaat, praat met haar en geeft de moeder goud;

Vertelt dat paar ʼt beloop der gansche zaak,

En hoe hierdoor hun kind verhoogd zal worden

En als des keizers erfgenaam erkend,

En voor dit wicht van mij in plaats gesteld,

Om dezen storm ten hove te bezweren;

Dat wiege dan de keizer als zijn zoon.

Hoort nog, gij ziet, ik gaf haar artsenij.

(Op de Voedster wijzende.)

En nu moet gij voor de begraafʼnis zorgen;

ʼt Veld is nabij en gij zijt forsche knapen.

Is dit gedaan, zorg dan niet lang te dralen,

Maar zend terstond de vroedvrouw naar mij toe.

Is, als de min, de vroedvrouw uit den weg,

Dan mogen vrouwen praten wat zij willen.

Chiron.

ʼk Zie, Aaron, aan de lucht zelfs niet vertrouwt gij

Geheimen toe.

Demetrius.

Om deze zorg voor haar

Zijn Tamora en wij u zeer verplicht.

(Demetrius en Chiron af, het lijk der Voedster medesleepend.)

Aaron.

Nu naar de Gothen met een zwaluwvlucht,

Om daar den schat, dien ik hier houd, te bergen,

En stil de vrienden der vorstin te groeten.—

Kom hier, diklippig wicht, ik breng u weg;

Want gij doet al die vonden ons bedenken.

Van beziën en van wortels zult gij leven,

Van melk en wrongel, zuigen van een geit

En wonen in een grot; ik voed u op

Tot krijgsman en gebieder van een leger.

(Aaron af, met het Kind.)

Derde Tooneel.

Aldaar. Een openbaar plein.

Titus komt op, pijlen dragend met brieven aan de spitsen; verder Marcus en zijn zoon Publius, de jonge Lucius en andere Edellieden, met bogen.

Titus.

Kom, Marcus, kom.—Hier, neven, komt hierheen.

Nu, knaap, laat thans eens kijken, hoe gij schiet;

Trek stevig aan, dan treft de pijl haar doel.

Terras Astraea reliquit:

Ja, Marcus, denk: ze is weg, zij is gevloden.

Gij, heeren, neemt uw werktuig. Neven, gij,

Doorzoekt den oceaan en werpt uw netten,

Of gij in zee haar vangt, hoewel—daar is

Niet meer gerechtigheid dan op het land.—

Neen, Publius en Sempronius, tijgt aan ʼt werk;

Gij moet gaan zoeken met houweel en spade,

En dringen door der aarde middelpunt;

En komt gij zoo in Plutoʼs rijk, wilt dan,

Ik bid u, hem dit smeekschrift overreiken;

Zeg, dat het hem om recht en bijstand smeekt

En van den ouden Andronicus komt,

Wien leed diep schokt in dit ondankbaar Rome.—

O Rome!—Ach, Rome, ik maakte u diep rampzalig; 18

Ja toen, toen ik de stemmen wierf van ʼt volk

Voor hem, die zulk een woestling is voor mij.—

Gaat, spoedt u, doet met zorg uw plicht, en laat

Geen krijgsschip ondoorzocht; misschien heeft haar

De booze keizer weggescheept, en, neven,

Dan kunnen we om gerechtigheid gaan fluiten.

Marcus.

O Publius, is dit niet overtreurig,

Uw eedʼlen oom zoo zinneloos te zien?

Publius.

En daarom, heer, is ʼt onze dure plicht,

Hem dag en nacht zorgvuldig gâ te slaan

En staag zijn luim, zooveel het kan, te vieren,

Tot ons de tijd een heilzaam middel wijst.

Marcus.

Ach neven, voor zijn kommer is geen heeling.

IJlt tot de Gothen, en een krijg ter wrake

Doe Rome voor den snooden ondank boeten,

En straffʼ den valschen Saturninus streng.

Titus.

Publius, hoe is ʼt? en heeren, spreekt, hoe is ʼt?

Spreekt, hebt gij haar gevonden?

[111]

Publius.

Neen, oom, doch Pluto laat u zeggen, dat

De hel de Wraak u toezendt, als gij ʼt wilt,

Maar de Gerechtigheid zooveel te doen heeft,

Hetzij bij Jupiter omhoog, ʼt zij elders,

Dat gij op haar een poosje wachten moet.

Titus.

Hij krenkt mij, door met uitstel mij te paaien.

ʼk Wil duiken in den hellepoel omlaag;

ʼk Haal bij de hielen haar uit deʼ Acheron.—

Marcus, slechts struiken zijn wij, geene ceders,

Geen forsche mannen van Cyclopenstal;

Maar, Marcus, van metaal, staal door en door;

Toch door meer leed dan torsbaar is, gebogen;

Daar aard noch hel Gerechtigheid nu huisvest,

Zoo smeeken wij ten hemel, dat de goden

Haar nederzenden om ons wee te wreken.

Aan ʼt werk nu, komt! Gij, Marcus, goede schutter,

(Hij geeft hun de pijlen.)

Ad Jovem, die voor u;—hier ad Apollinem;—

Ad Martem, die voor mij;—

Hier, knaap, aan Pallas;—aan Mercurius deze;

Deze aan Saturnus, vriend,—niet Saturninus,

Want dat waarʼ zeker schieten in den wind.—

Vlug, knaap;—gij Marcus, schiet, zoodra ik ʼt zeg.

Nu, op mijn woord, ik schreef niet te vergeefs.

En liet geen enkʼlen god onaangeroepen.

Marcus.

Schiet, vrienden, al uw pijlen in het hof;

Dat zij den keizer krenken in zijn trots. 62

Titus.

Nu, vrienden, schiet! (Zij schieten.) O Lucius, goed geraakt!

Knaap, in den schoot der Virgo; dit geldt Pallas.

Marcus.

Ik mik een mijl nu hooger dan de maan;

Uw brief is nu alreeds bij Jupiter.

Titus.

O Publius, zie, wat hebt gij nu gedaan?

Gij schoot daar een van Taurusʼ horens af.

Marcus.

Zoo was de grap, heer: toen daar Publius schoot,

Stiet de vergramde Stier den ram zoo fel,

Dat ʼs Rams twee horens vielen in het hof.

Daar vond ze,—wie? de schurk der keizerin;

Zij lachte en zeide tot den Moor, dat hij

Die aan zijn heer moest geven als geschenk.

Titus.

Zoo gaat het goed! God schenkʼ zijn hoogheid vreugd!

(Een Boer komt op; hij draagt een mand met twee duiven.)

Nieuws! uit den hemel! Marcus, zie, een bode!—

Zoo, knaap, wat meldt gij? brengt gij brieven meê?

Krijg ik mijn recht? Nu, wat zegt Jupiter?

Boer.

Wie? mijn buurman, de galgenmaker? hij zegt, dat hij het dwarshout er afgenomen heeft, want de man wordt niet voor de volgende week gehangen.

Titus.

Maar wat zegt Jupiter? vraag ik nog eens.

Boer.

Ach, heer, ik ken dien Jupiter niet; ik heb nooit van mijn leven met hem gedronken.

Titus.

Wat, kerel, komt gij hier niet met een boodschap?

Boer.

Ja, met mijn duiven, heer; met anders niets.

Titus.

Wat, komt gij dan niet van den hemel?

Boer.

Van den hemel, heer? ach, daar ben ik nooit geweest. God beware, dat ik het gewaagd zou hebben, in mijn jonge jaren naar den hemel te dringen. Neen, ik ga met mijn duiven naar den Tribunal plebs, om een twist bij te leggen tusschen mijn oom en een van ʼs keizers dienaars. 94

Marcus.

Wel, broeder, dit komt zoo goed, als het kan, voor het indienen van uw geschrift, laat hem de duiven uit uw naam aan den keizer brengen.

Titus.

Zeg mij, kunt gij een geschrift met eenige gratie aan den keizer overreiken?

Boer.

Neen, zeker niet, heer, want ik heb van mijn leven nog geen gratie noodig gehad.

Titus.

Nu knaap, treed nader. Maak maar geen bezwaar,

En geef gerust uw duiven aan den keizer;

Door mij zult gij van hem uw recht verkrijgen.

Hier hebt ge intusschen voor uw moeite geld.—

Geef pen en inkt hier.—Knaap, hoe is ʼt? Kunt gij

Met gratie nu een smeekschrift overreiken?

Boer.

Ja, heer.

Titus.

Dan hebt gij hier een smeekschrift voor u. En als gij bij hem komt, moet gij beginnen met voor hem te knielen, dan zijn voet kussen, dan uw duiven overreiken, en dan op uw loon wachten. Ik zal in de buurt zijn, man; zorg, dat gij het er goed afbrengt.

Boer.

Daar sta ik voor in, heer, laat mij maar begaan.

Titus.

Knaap, hebt ge een mes? Kom, laat het mij eens zien.—

Hier, Marcus, vouw ʼt verzoekschrift er om heen;

Gij schreeft het als een needʼrig smeekeling;—

En klop, als gij ʼt den keizer hebt gegeven,

Bij mij eens aan, en meld mij, wat hij zegt.

[112]

Boer.

Nu, God zij met u, heer; ik zal het doen.

Titus.

Kom, Marcus, laat ons gaan.—Kom, Publius, volg mij.

(Allen af.)

Vierde Tooneel.

Aldaar. Voor het Paleis.

Saturninus, Tamora, Demetrius, Chiron, Edellieden en Anderen komen op, Saturninus met de pijlen in de hand, door Titus afgeschoten.

Saturninus.

Hoe vindt gij zulk een krenking? wie zag ooit

In Rome een keizer zoo met overmoed

En trots bejegend en om onpartijdig

Rechtoefʼnen op zoo grove wijs gehoond?

Gij, heeren, weet, gelijk de groote goden,

Dat,—wat ook vredestoorders mogen blazen

In ʼt oor des volks,—er met de drieste zoons

Van deʼ ouden Andronicus niets geschiedde,

Dan volgens wet en recht. En schoon nu ook

Zijn kommer zijn verstand hebbe overweldigd,

Is ʼt wel te dulden, dat zijn bitterheid,

Zijn wrok, zijn dolle waan ons zoo bedreigen?

Hij schrijft den hemel thans, dat die hem wreke;

Ziet, dit aan Jupiter, dit aan Mercurius,

Dit aan Apollo, dit aan deʼ oorlogsgod;

Fraai nieuws, om Romeʼs straten rond te fladdʼren!

Wat noemt gij dit, dan den senaat belastʼren,

Uitschreeuwen, dat wij onrechtvaardig zijn?

Een fraaie grap, vindt gij het ook niet, heeren?

Alsof men zeide, er is geen recht in Rome.

Doch zijn geveinsde waanzin zal voorwaar,

Leef ik, geen schuts hem zijn bij zulk een hoon.

Hij met zijn stam zal weten, dat het recht

Bij Saturninus leeft; en, mocht het slapen,

Hij zal ʼt zoo wekken, dat het, fel vergramd,

Den fiersten samenzweerder vellen zal. 26

Tamora.

Genadig vorst, geliefde Saturninus,

Mijns levens heer, gebieder van mijn geest,

Wees kalm, verdraag des ouden Titusʼ zonden,

Gevolg der droefʼnis om zijn dappʼre zoons,

Die hem in ʼt merg drong en zijn hart doorboorde;

Tracht liever hem zijn jammer te verzachten,

Dan dat gij hoog of laag voor dezen hoon

Vervolgt en straft.—(Ter zijde.) Zie, dit past Tamora,

Zich sluw bij iedereen schoon voor te doen;

Maar Titus, ʼk heb in ʼt leven u geraakt

En tapte uws harten bloed.—Is Aaron wijs,

Dan zijn wij veilig, ankʼren in de haven.—

(De Boer komt op.)

Wel, goede vriend, verlangt gij iets van ons?

Boer.

Ja, dat doe ik, zoo uwe edelheid keizerlijk is.

Tamora.

Ik ben de keizerin, daar zit de keizer.

Boer.

Hij is het.—God en Sint Steven

mogen u een goeden avond geven. Ik heb u

hier een brief en een koppel duiven gebracht.

(Saturninus leest den brief.)

Saturninus.

Gaat, neemt hem, hangt hem op, dit zij zijn loon.

Boer.

Hoeveel geld krijg ik wel?

Tamora.

Loop, knaap; gij moet gehangen worden.

Boer.

Gehangen! Bij onze lieve Vrouw, dan

heb ik een hals mooi aan zijn end gebracht!

(Hij wordt door een Wacht weggevoerd.)

Saturninus.

ʼt Is schandʼlijk, onverdraagʼlijk, al die hoon!

Zou ik die monsterschurkerij verdragen?

Ik weet, aan wien ik dit te danken heb.

Onduldbaar is ʼt!—Alsof zijn schelmsche zoons,

Door ʼt recht gevonnisd om den moord mijns broeders,

Door mij geslacht zijn, tegen wet en recht!—

Gaat, sleept den booswicht bij de haren hier;

Geen roem noch leeftijd geevʼ hem eenig voorrecht

Voor dezen trotschen hoon doe ik u slachten;

Sluw-dolle schurk, gij hielpt mij aan de kroon,

Maar hopend over Rome en mij te heerschen.

(Æmilius komt op.)

Wat nieuws brengt gij, Æmilius? 61

Æmilius.

Te wapen, heer! Nooit drong de nood zoozeer.

De Gothen zijn vereend, en met een macht

Van koene krijgers, fel belust op buit,

Naar Rome op marsch, nabij reeds; aan hun hoofd

Staat Lucius, zoon van deʼ ouden Andronicus;

Hij dreigt, in zijne wraak niet minder ver

Te willen gaan dan eens Coriolanus.

Saturninus.

De dappʼre Lucius veldheer van de Gothen?

Die tijding knakt mij; als bevroren bloemen,

Of gras, door storm geslagen, buig ik ʼt hoofd.

Ja, thans begint mijn kwade tijd te naadʼren.

Hij is het, dien het volk zoozeer bemint;

Meermalen heb ik, als ik onbekend

De stad doorkruiste, zelf hen hooren zeggen,

Dat Luciusʼ ballingschap een onrecht was,

En dat zij Lucius zich als keizer wenschten.

Tamora.

Waarom beangst? is onze stad niet sterk?

[113]

Saturninus.

Ja, maar de burgers achten Lucius hoog,

En vallen mij wis af, om hèm te helpen.

Tamora.

Wees keizer, heer, in denken als in naam.

Taant ooit de zon, wijl muggen in haar dansen?

Zie, de aadʼlaar laat de kleine vogels zingen,

En wat zij er mee meenen, deert hem niet;

Hij weet, dat reeds de schaduw van zijn wieken,

Zoodra hij ʼt wil, hun zang verstommen doet;

Dit doet ook gij het wuft Romeinsche volk.

Wees dus vol moed; want weet, mijn keizer: ik

Betoover u den ouden Andronicus

Met woorden, zoeter, doch gevaarlijker,

Dan aas voor visschen, klaver is voor schapen,

Schoon gene door den hoek verwond en deze

Een rotkwaal krijgen van het zoete voêr.

Saturninus.

Doch nimmer smeekt hij tot zijn zoon voor ons.

Tamora.

Hij doet het wel, als Tamora ʼt hem smeekt;

Zijn oud oor kan ik vleiend zoo met gulden

Beloften vullen, dat, ware ook zijn hart

Schier onbestormbaar en zijn oor stokdoof,

Mijn tong zijn oor en hart zou overmeestʼren.—

(Tot Æmilius). Ga gij vooruit en wees onze afgezant;

Zeg, dat de keizer met den dappʼren Lucius

Een onderhoud verlangt, en wensch als plaats

Het huis zijns vaders, deʼ ouden Andronicus.

Saturninus.

Æmilius, breng die boodschap waardig over;

Dringt hij ter veiligheid op gijzʼlaars aan,

Dan zeggʼ hijzelf, welk onderpand hij wenscht.

Æmilius.

Ik zal met alle zorg uw last volbrengen.

(Æmilius af.)

Tamora.

Nu spoed ik mij naar deʼ ouden Andronicus,

En tracht met al mijn kunst hem zoo te stemmen,

Dat hij van ʼt Gothenleger Lucius scheide.

En nu, mijn keizer, wees weer welgemoed;

Begraaf in mijne listen al uw angsten.

Saturninus.

Zoo ga met goed gevolg en spreek hem toe.

(Allen af.)

[Inhoud]

Vijfde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Een vlakte nabij Rome.

Lucius, Bevelhebbers en Krijgers der Gothen, met trommen en vaandels, komen op.

Lucius.

Beproefde krijgers en getrouwe vrienden,

Van ʼt groote Rome ontving ik brieven, die

Mij melden, hoe zij daar hun keizer haten

En vol verlangen zijn om ons te zien.

Weest daarom, heeren, als uw titels ʼt zeggen,

Grootmachtig, en geen krenking verder duldend;

En heeft u Rome schade toegevoegd,

Die moge ʼt nu drievoudig u vergoeden.

Eerste Goth.

Gij dappʼre spruit des grooten Andronicus,

Wiens naam, eens onze schrik, nu troost ons is,

Wiens groote diensten en roemruchte daden

ʼt Ondankbaar Rome thans met hoon vergeldt,

Vertrouw op ons; wij volgen waar ge ons leidt,

Als angelbijën, die op ʼt heetst des zomers

De koningin naar bloemenbeemden voert;

En wreek u op de vloekbʼre Tamora.

Alle Gothen.

Wat hij zegt, allen zeggen wij ʼt met hem.

Lucius.

Ik dank hem needʼrig en ik dank u allen.—

Doch wie is ʼt, dien een kloeke Goth daar brengt?

(Een Goth komt op, met Aaron, die zijn Kind op de armen draagt.)

Tweede Goth.

Doorluchte Lucius, ik zwierf af van ʼt leger, 20

Om een vervallen klooster te bezien;

En toen ik op het halfvernield gebouw

Mijn oog aandachtig vestte, hoorde ik eensklaps

Daar onder ʼt muurwerk ʼt schreeuwen van een kind.

ʼk Ging af op het geluid, maar hoorde dra

Het schreeuwend wicht bekijven met de woorden:

“Stil, donkʼre schelm, half mij en half uw moeder,

Verried niet fluks uw kleur, wiens welp gij zijt,

Had u natuur begaafd met moeders uitzicht,

Dan, schurk, hadt gij een keizer kunnen worden;

Maar bij spierwitte kleur van stier en koe,

Wordt nooit een kalf, dat koolzwart is, gefokt.

Stil, deugniet, stil!”—zoo keef hij op het wicht,—

Ik moet u brengen naar een trouwen Goth,

Die, kent hij u als ʼt kind der keizerin,

U om uw moeders wille lief zal hebben.”

Ik trok mijn zwaard en sprong fluks op hem toe,[114]

Verraste hem en breng hem thans tot u,

Opdat gij met hem doet naar welgevallen.

Lucius.

O wakkʼre Goth, dit is die bare duivel,

Die Andronicusʼ dappʼre hand hem stal,

De parel, die de keizerin bekoorde,

Dàt van zijn vuige min de lage vrucht.—

Waarheen, witoogig monster, gingt gij ʼt brengen,

Dien jeugdigeʼ afdruk van uw duivelstronie?

Kunt gij niet spreken? doof dus? wat! geen woord?

Een strik, mijn krijgers! hangt hem! daar! gezwind!

En aan zijn zij dat zwarte basterdkind!

Aaron.

Roer ʼt kind niet aan; het is van vorstlijk bloed.

Lucius.

ʼt Lijkt op zijn vader en wordt nimmer goed.

Hangt eerst het kind; hij moogʼ het spartʼlen zien;

ʼt Verhoogt de smarten zijner ziel misschien.

Vlug, brengt een ladder!

(Een ladder wordt gebracht en Aaron gedwongen die te bestijgen.)

Aaron.

Lucius, spaar het kind!

En zend het aan de keizerin van mij.

Als gij dit doet, meld ik u wondʼre zaken,

Waarvan het weten u veel voordeel brengt;

Wilt gij dit niet, ʼk laat alles mij gevallen,

En spreek niets meer; maar wraak verdelge u allen! 58

Lucius.

Zoo spreek dan; en behaagt mij wat gij zegt,

Dan blijft uw kind gespaard, ja, ʼk voed het op.

Aaron.

Zoo ʼt u behaagt! neen, Lucius, wees verzekerd,

Het zal uw ziele grieven, wat gij hoort;

Ik moet van doodslag spreken, moord en schennis,

Van daden, zwart gelijk de nacht, afschuwʼlijk,

Van samenspanning, schurkerij, verraad,

Voor ʼt hooren wreed, toch deerniswaard volvoerd;

Wat alles in mijn dood begraven wordt,

Tenzij, naar uwen eed, mijn kind blijft leven.

Lucius.

Spreek, wat gij weet; ik zeg, uw kind blijft leven.

Aaron.

Neen, zweer het eerst; terstond begin ik dan.

Lucius.

Waarbij? voor u, die aan geen god gelooft?

Is dit zoo, kunt gij dan een eed gelooven?

Aaron.

Stel, ik doe ʼt niet;—en zeker, ʼk doe het niet,—

Doch wijl ik weet, dat gij geloovig zijt,

In u een ding hebt, dat geweten heet,

Met twintig papenfratsen en gebruiken,

Die ik u nauwgezet volbrengen zag,

Daarom eisch ik uw eed;—(Ter zijde.) dewijl ik weet,

Dat menig nar zijn zotskolf voor een god acht,

En de eeden houdt, gezworen aan dien god,

Eisch ik zijn eed;—(Overluid.) daarom zult gij beloven

Bij uwen god,—wat god het dan ook zij,—

Dien gij aanbidt en diep vereert, dat gij

Mijn knaap zult sparen, voeden, groot zult brengen,

Zoo niet, weet dan, dat ik u niets ontdek.

Lucius.

Ik zweer u bij mijn god, dat ik dit doe.

Aaron.

Weet eerst, ik won hem bij de keizerin.

Lucius.

O onverzaadʼlijk geil, wellustig wijf!

Aaron.

O Lucius, stil! dit was een liefdedaad,

Bij wat gij aanstonds van mij hooren zult.

Haar twee zoons waren Bassianusʼ moordʼnaars;

Zij kapten uwer zuster tong en handen,

Zij schonden haar en tooiden haar zoo op.

Lucius.

Onzaalʼge schurk! noemt gij dat opgetooid?

Aaron.

ʼt Was wasschen, kappen, tooien dus, en ʼt was

Een tooipret voor de twee, die ʼt stuk volvoerden.

Lucius.

Beestachtig ruwe schurken, als gijzelf!

Aaron.

Nu ja, ik was de meester, die hen leerde.

Hun geilheid was een gave van hun moeder,

Zoo zeker, als de hoogste kaart in ʼt spel;

Hun lust in bloed, ja, leerden zij van mij,

Zoo zeker als een bloedhond weet te pakken.

Nu, geevʼ mijn doen getuigʼnis van mijn waarde.

Ik lokte uw broeders naar ʼt bedrieglijk hol,

Waarin het lijk van Bassianus lag; 105

Ik schreef den brief, dien toen uw vader vond;

Verborg, met Tamora en haar twee zoons

Verbonden, ʼt goud, dat in den brief vermeld was.

Ja, was er iets, dat gij bejammʼren moet,

Waar ik de hand niet in had, u tot onheil?

ʼk Heb door bedrog uws vaders hand erlangd,

En toen ik die eens had, ging ik ter zij,

En kreeg een lachbui, dat mij ʼt hart schier berstte.

Ik tuurde door een muurspleet, toen hij voor

Zijn hand de hoofden kreeg van zijn twee zoons;

Ik zag zijn smart en moest zoo hartlijk lachen,

Dat mìjn oog even nat was als het zijn;

En toen ik Tamora de grap beschreef,

Viel zij van louter pret bijna in zwijm,

En gaf mij voor ʼt verhaal wel twintig kussen.

Eerste Goth.

Kunt gij dit alles zeggen zonder blozen?

Aaron.

Ja, als een zwarte hond, naar ʼt spreekwoord zegt.

Lucius.

En doen die gruweldaden u geen leed?

Aaron.

Ja, dat ik er niet duizend meer bedreef.

Zelfs nu vloek ik den dag,—maar toch ik meen,[115]

Niet vele zijn er door mijn vloek te treffen,—

Waarop ik geen opmerkʼlijk kwaad bedreef;

Geen man versloeg of niet zijn dood beraamde;

Geen maagd verkrachtte of ʼt plan er niet toe smeedde;

Geen eerlijk man betichtte en meineed zwoer;

Geen haat ten doode bij twee vrienden zaaide;

Het vee van armen niet den nek liet breken,

In schuur en schelf bij nacht den brand niet stak,

En deʼ eigʼnaars toeriep: “Bluscht hem met uw tranen!”

Vaak groef ik dooden uit hunne graven op,

En zette ze aan de deuren van hun vrienden

Rechtop, juist als het leed schier was vergeten,

En sneed, gelijk in boomschors, in hun huid

Dan in Romeinsche letters met mijn dolk:

“Uw droefʼnis sterve niet, al ben ik dood.”

O meer dan duizend gruweldaden deed ik,

Zoo lucht van hart als iemand vliegen doodt;

En niets doet mij zoo innig leed, dan dat

Ik niet er nog tien duizend meer kan doen.

Lucius.

Omlaag weer met dien duivel, want hem wacht

Een erger dood; het hangen is te zacht.

Aaron.

ʼk Wilde, als er duivels zijn, een duivel wezen,

En leven, branden in ʼt onbluschlijk vuur,

Had ik slechts uw gezelschap in de hel

Om u te martʼlen met mijn bittʼre tong. 150

Lucius.

Stopt hem den mond en laat hem niet meer spreken.

(Een Goth komt op.)

Goth.

Daar is een afgezant uit Rome, heer;

Hij wenscht bij u te worden toegelaten.

Lucius.

Hij trede voor ons.

(Æmilius komt op.)

Welkom, Æmilius, wat is ʼt nieuws uit Rome?

Æmilius.

U, Lucius, en u, oversten der Gothen,

Groet de Romeinsche keizer door mijn mond;

Hij, hoorend, dat gij in de wapens staat,

Vraagt in uws vaders huis een mondgesprek;

En zoo gij vordert, dat hij gijzʼlaars stelt,

Dan worden zij terstond u toegezonden.

Eerste Goth.

Wat zegt ons legerhoofd?

Lucius.

Æmilius, zoo de keizer aan mijn vader

En mijn oom Marcus goede borgen zendt,

Dan komen wij.—Trekt voort!

(Allen af.)

Tweede Tooneel.

Rome. Het voorplein van Titusʼ huis.

Tamora, Demetrius en Chiron komen op, vermomd.

Tamora.

Aldus, in deze vreemde, sombʼre dracht,

Bezoek ik Andronicus nu, en zeg,

Dat ik de Wraak ben, uit de hel gezonden,

Om voor zijn jammer met hem recht te doen.

Klopt aan zijn boekvertrek; daar toeft hij, zegt men,

En broedt op plannen, vreemd en woest, van wraak;

Zegt hem, de Wraak kwam hier, om saâm met hem

Verderf op al zijn haters uit te storten.

(Zij kloppen aan.)

(Titus komt op, boven.)

Titus.

Wie stoort mij in mijn overdenking? Is dit

Een kunstgreep om mijn deur mij te doen oopʼnen,

Opdat mijn wraakbesluiten zoo vervliegen,

En al mijn peinzen zonder werking blijvʼ?

Gij dwaalt, want wat ik voorgenomen heb,—

Zie hier,—ik schreef het neer met bloedig schrift;

En wat ik schreef, zal worden uitgevoerd.

Tamora.

Titus, om u te spreken kwam ik hier.

Titus.

Neen, neen, geen woord! hoe kan ik sierlijk spreken,

Nu ik een hand voor mijn gebaren mis?

Gij zijt te zeer in ʼt voordeel, dus niets meer.

Tamora.

Zoo gij mij kendet, zoudt gij met mij spreken. 20

Titus.

Ik ben niet dol; ik ken u al te goed;

Dit tuigʼ deze arme stomp, dit roode schrift,

De voren hier, die leed en zorg mij groeven,

Dit tuigʼ de moede dag, de lange nacht,

En al mijn jammer, dat ik goed u ken

Als Tamora, de trotsche keizerin.

Is ʼt om mijn andʼre hand, dat gij hier komt?

Tamora.

Neen, weet, bedroefde, Tamora ben ʼk niet;

Zij is uw vijandin, ik uw vriendin.

Ik ben de Wraak, die, uit de hel gezonden,

Den gier, die aan uw harte knaagt, zal stillen,

Uw haters straffen zal met strenge wraak.

Kom af, en heet mij welkom aan het daglicht;

Pleeg over moord en doodslag met mij raad.

Geen schuilplaats is er en geen diepe grot,

Geen tastbaar duister en geen dompig dal,

Waar vloekʼbre moord of vrouwenkracht, vol angst,

Zich bergen kunnen, of ik vind hen daar;

En galm mijn schrikbʼren naam hun in het oor:

Wraak, die den boozen zondaar siddʼren doet.

Titus.

Zijt gij de Wraak? en hier tot mij gezonden

Ter martelstraf voor wie mijn vijand is?

Tamora.

Ik ben het; kom dus af en heet mij welkom.

Titus.

Doe mij een dienst dan, eer ik tot u kom.

ʼk Zie Moord en Vrouwenkracht daar aan uw zijde;

Zoo toon mij nu, dat gij de Wrake zijt:

Doorsteek hen of verplet hen met de raadʼren[116]

Uws wagens, en ik kom en word uw waagʼnaar,

En jaag met u onstuimig door ʼt heelal.

Schaf u twee schoone rossen aan, gitzwart,

Om uw wraakgierʼgen wagen vaart te geven

En moordʼnaars in hun holen op te sporen;

Is dan uw wagen van hun hoofden vol,

Dan stijg ik af en draaf ter zij van ʼt wiel,

Gelijk een lage knecht, den ganschen dag,

Van Hyperions opkomst in het oosten,

Tot hij verzinkt, verdwenen is in zee;

En dag op dag doe ik dit zware werk,

Verdelgt gij hen daar, Vrouwenkracht en Moord.

Tamora.

Zij zijn mijn dienaars, volgen mij alom.

Titus.

Uw dienaars? zij? en hoe is dan hun naam?

Tamora.

Zij heeten Vrouwenkracht en Moord, want weet:

Zij nemen wraak op zondaars van dien aard.

Titus.

Ach, ik dacht hen de zoons der keizerin,

En u hun moeder; doch wij aardsche wezens

Zien met armzaalʼge, dwaas bedriegende oogen.

O, lieve Wraak, thans kom ik tot u af;

En zoo ééns arms omhelzing u volstaat,

Dan wil ik u terstond er mee omarmen. 69

(Titus boven af.)

Tamora.

Zóó met hem om te gaan past bij zijn waanzin.

Wat ik nu uitdenk voor zijn dolle vlagen,

Steunt gij dat, zet het voort door wat gij zegt;

Want hij gelooft nu vast, dat ik de Wraak ben;

En daar die waan hem lichtgeloovig maakt,

Doe ik hem Lucius, zijnen zoon, ontbieden;

Is bij een feestmaal die in mijn bereik,

Dan vind ik wel een sluwe list om fluks

De licht verdwaasde Gothen te verstrooien,

Of wel, hen tot zijn vijanden te maken,

Daar komt hij, ziet; nu speel ik weer mijn rol.

(Titus komt weder op, beneden.)

Titus.

Lang was ik raadʼloos en alleen om u.

Wees welkom, Furie, aan mijn weevol huis!—

Gij, Vrouwenkracht en Moord, weest ook recht welkom!—

O, wat gelijkt gij op de keizerin,

Gij op haar zoons! Een Moor alleen ontbreekt;—

Kon heel de hel zooʼn duivel u niet leevʼren?

Want als de keizerin een voet verzet,

Dan heeft zij,—ʼk weet het goed,—een Moor steeds bij zich;

En zoo gij haar naar waarheid voor wilt stellen,

Dan moet er zulk een duivel bij u zijn.

Maar toch ook welkom zoo! Wat valt te doen?

Tamora.

Wat, Andronicus, wilt gij, dat wij doen?

Demetrius.

Wijs mij een moordʼnaar; ʼk reken met hem af.

Chiron.

Wijs mij een schurk, die vrouwenkracht bedreef,

En ik ben hier, opdat de wraak hem treffʼ.

Tamora.

Wijs mij een duizendtal, dat u gekrenkt heeft,

En ik neem op hen allen felle wraak.

Titus.

Zie dan in Romeʼs booze straten rond,

En vindt ge een man daar, die op u gelijkt,

Doorsteek hem, lieve Moord; hij is een moordʼnaar.—

Ga gij met hem;—en hebt gij het geluk,

Dat gij een ander vindt, die u gelijkt,

Doorsteek hem, Vrouwenkracht; ʼt is een verkrachter.—

Ga gij met hen; gij vindt aan ʼs keizers hof

Een keizerin, verzelschapt van een Moor;

Aan uw gedaante kunt gij licht haar kennen,

Want zij gelijkt van top tot teen op u;

Ik bid u, breng hen gewelddadig om;

Zij deden mij geweld aan en de mijnen.

Tamora.

Uw voorschrift was recht goed; wij zullen ʼt doen. 110

Maar thans behage ʼt u, goede Andronicus,

Naar Lucius, uwen dappʼren zoon, te zenden,

Die tegen Rome een Gothenleger aanvoert,

En hem ten feestmaal in uw huis te nooden;

Dan wil ik, als hij neerzit aan uw disch,

De keizerin er brengen met haar zoons,

Den keizer zelf, elk, die uw vijand is;

Zij zullen knielend u genade vragen,

En dan stilt gij aan hen uw toornig hart.

Wat antwoordt Andronicus op dit voorstel?

Titus.

Marcus, mijn broeder!—de arme Titus roept.

(Marcus komt op.)

Ga, lieve Marcus, naar uw neef, naar Lucius;

Vraag bij de Gothen, waar hij is, en zeg hem,

Dat ik hem spoedig bij mij wensch te zien,

Verzeld van enkʼlen der voornaamste Gothen;

Hij leegʼre zijne krijgers waar zij zijn.

Meld, dat de keizer, met de keizerin,

Eet in mijn huis, en hij met hen moet spijzen.

Doe dit om mijnentwil; zoo doe ook hij,

Als hem zijns ouden vaders leven lief is.

Marcus.

Ik zal het doen en spoedig ben ik weer.

(Marcus af.)

Tamora.

Nu ga ik weg van hier, maar tijg terstond

Voor u aan ʼt werk, en neem mijn dienaars mede.

Titus.

Neen, neen, laat Vrouwenkracht en Moord bij mij;

Of anders roep ik nog mijn broeder weer,

En houd mij voor mijn wraak alleen aan Lucius.

Tamora

(ter zijde tot haar zoons). Wat zegt gij, knapen? wilt gij bij hem blijven,

Terwijl ik aan den keizer melden ga,

Hoe ik in onze ontworpen scherts geslaagd ben?[117]

Viert gij zijn luimen, vleit hem, houdt hem bezig,

En toeft bij hem, totdat ik wederkeer.

Titus

(ter zijde). ʼk Heb hen herkend, al wanen zij mij dol,

En ik verstrik hen in hun eigen plannen,

Die vloekbʼre twee helhonden en hun moêr.

Demetrius.

Het zij zoo, moeder; ga en laat ons hier.

Tamora.

Vaar, Andronicus, wel; de Wrake tracht,

Wat vijand is, te leevʼren in uw macht.

Titus.

Ik weet, dit doet gij; lieve Wraak, vaarwel!

(Tamora af.)

Chiron.

Spreek, oude man, welk werk hebt gij voor ons?

Titus.

Geduld maar! ik heb werks genoeg voor u.—

Publius, kom hier! komt, Cajus, Valentinus!

(Publius en Anderen komen op.)

Publius.

Wat is uw wensch?

Titus.

Spreek, kent gij deze twee?

Publius.

Ik meen, het zijn de zoons der keizerin,

Demetrius en Chiron. 155

Titus.

Wat, Publius! o foei, foei! nu dwaalt gij zeer;

Deze een heet Moord, die ander Vrouwenkracht;

En daarom, boeit hen, beste Publius, boeit hen;

Gij Cajus, Valentinus, grijpt hen aan;

Dit uur, hoe vaak hebt gij ʼt mij hooren wenschen!

Nu is het daar; dus boeit hen stevig; stopt

Den mond hun, als zij schreeuwen willen.

(Titus af.Publius en de Overigen grijpen Chiron en Demetrius en boeien hen.)

Chiron.

Schurken,

Laat af, wij zijn de zoons der keizerin.

Publius.

Juist daarom doen wij, wat bevolen werd.—

Stopt hun den mond, dat zij geen woord meer spreken.

Is hij geboeid? Zorgt, dat gij stijf hem knevelt!

(Titus komt terug, met Lavinia, hij met een mes, zij met een bekken.)

Titus.

Lavinia, zie, geboeid zijn uw belagers.—

Stopt hun den mond, dat zij geen woord mij zeggen,

Maar zelve luistʼren naar mijn schrikbʼre taal.—

Gij schurken, Chiron en Demetrius,

Dit is de bron, door u met vuil besmet,

De lieve zomer, door uw vorst bedorven.

Gij dooddet haar gemaal, en voor die wandaad

Verloren twee van hare broeders ʼt hoofd,

En ik de hand; een scherts, waarom gij lachtet.

De tong en beide handen, en,—wat kostbʼrer

Dan tong of hand is,—de onbevlekte reinheid,

Ontmenschte schurken, hebt gij haar ontroofd.

Wat zoudt gij zeggen, als ik u liet spreken?

Gij kondt uit schaamte geen genade vragen.

Hoort, schurken, hoe ik u te martʼlen denk.

ʼk Hield één hand om uw kelen af te steken,

Terwijl Lavinia met haar stompen ʼt bekken

Zal houden, dat uw schuldig bloed ontvangt.

Gij weet, uw moeder wenscht bij mij te spijzen;

Zij noemt zich Wraak en mij houdt zij voor dol.—

Hoort, schurken! uw gebeentʼ maal ik tot stof,

En ʼk meng daarvan en van uw bloed een deeg,

En uit dit deeg maak ik pasteienkorsten,

En bak van uwe hoofden twee pasteien;

Dan zal die slet, uw eervergeten moeder,

Als de aarde doen, verslindend wat zij voortbracht.

Dit is het feestmaal, waar ik haar op noodde,

Dit het gerecht, waaraan zij smullen zal.

Mijn kind leed erger smaad dan Philomela,

En erger zij mijn wraak dan Procneʼs wraak.

En nu, hier met uw kelen!—

(Hij snijdt hun kelen af.)

Kom, Lavinia;

Vang gij dit bloed nu op, en als zij dood zijn,

Wil ik hun beendʼren malen tot fijn stof,

Het mengen met dit walgʼlijk nat, en dan

Laat ik hun hoofden bakken in dat deeg.—

Komt, komt, dat nu een elk volijvʼrig zij

Voor dit onthaal, dat gruwʼlijker moogʼ blijken

En bloediger dan der Centauren feest.

Vlug, draagt hen binnen; ik speel nu voor kok,

Opdat zij klaar zijn, als hun moeder komt.

Derde Tooneel.

Aldaar. Een open gebouw in Titusʼ tuin.

Lucius, Marcus en Gothen komen op, met Aaron als gevangene. Er staat een tafel gereed voor een feestmaal.

Lucius.

Oom Marcus, daar mijn vader het verlangt,

Dat ik naar Rome kom, vind ik dit goed.

Eerste Goth.

En wij met u; geschiede wat er wil.

Lucius.

Goede oom, bewaar dien woesten Moor hier binnen,

Dien fellen tijger, dien gevloekten duivel.

Laat hem geen voedsel reiken; kluister hem,

Tot hij voor ʼt oog der keizerin gevoerd wordt,

Om van haar booze daden te getuigen.

Draag zorg, dat de verholen vrienden sterk zijn;

De keizer heeft niets goeds voor, naar ik vrees.

Aaron.

Een duivel fluistʼre vloeken mij in ʼt oor,

En helpʼ mijn tong, dat zij met kracht het gif

Van mijn door wrok gezwollen hart moogʼ uiten!

[118]

Lucius.

Van hier, bloedgierʼge hond, vervloekte schurk!—

Gij mannen, helpt onzeʼ oom; voert hem naar binnen!—

(De Gothen met Aaron af.—Trompetgeschal.)

Dat schallen meldt, dat daar de keizer is.

(Saturninus en Tamora komen op, met Tribunen, Senatoren en Anderen.)

Saturninus.

Wat! heeft de hemel meer dan ééne zon?

Lucius.

Waar dient het toe, dat gij uzelf de zon noemt?

Marcus.

Gij Romeʼs keizer, en gij neef, laat af;

Wat u verdeelt, moet kalm besproken worden.

Het gastmaal is gereed, dat zorgvol Titus

Heeft aangericht tot goed en eervol einde,

Voor Romeʼs eendracht, vrede, vriendschap, heil;

Treedt, bid ik, nader, neemt uw plaatsen in.

Saturninus.

Dat zij zoo, Marcus.

(Muziek van hoboʼs. De Gasten nemen plaats.)

(Titus komt op, als kok gekleed, verder Lavinia, gesluierd, de jonge Lucius, en Anderen. Titus plaatst de schotels op tafel.)

Titus.

Wees welkom, vorst; wees welkom, keizerin; 26

Welkom, krijgshafte Gothen; welkom, Lucius;

En welkom, allen! Zij ʼt onthaal eenvoudig,

ʼt Zal voedzaam zijn; ik bid u dus, tast toe.

Saturninus.

Waarom in zulk een kleeding, Andronicus?

Titus.

Ik wilde zeker zijn, dat mijn onthaal

U en uw keizerin zou waardig zijn.

Tamora.

Wij zijn, goede Andronicus, u recht dankbaar.

Titus.

Dit waart gij wis, vorstin, zaagt ge in mijn hart.

Mijn heer en keizer, zeg mij eens uw oordeel:

Was ʼt wèl gedaan, dat eens Virginius heftig

Met eigen rechterhand zijn dochter doodde,

Wijl zij verkracht, onteerd was en bezoedeld?

Saturninus.

Ja, Andronicus.

Titus.

En uw reedʼnen, heer?

Saturninus.

Zoo overleefde zij haar schande niet,

Vernieuwde door haar leed niet steeds zijn jammer.

Titus.

Een sterke, machtige en voldoende grond;

Een voorbeeld, een vermaan, een ware volmacht

Voor mij, onzaalʼge, om evenzoo te doen.—

Sterf, sterf, Lavinia, en uw smaad meteen;

Vaarʼ met uw smaad uws vaders kommer heen!

(Hij doodt Lavinia.)

Saturninus.

Wat doet gij daar, gij onmensch, meer dan wreed?

Titus.

Haar doodde ik, om wier lot ik blind mij kreet.

ʼk Ben even weevol als Virginius was,

En heb wel duizendmaal meer grond dan hij

Tot zulk een wandaad;—en ze is nu gedaan.

Saturninus.

Wat! werd ze onteerd? O meld mij, wie dit deed!

Titus.

(tot Saturninus). Neem nog wat spijs!—

(Tot Tamora.) Ga voort, uw hoogheid, eet!

Tamora.

Waarom versloegt ge uw eenʼge dochter dus?

Titus.

Niet ik, ʼt was Chiron met Demetrius;

Die hebben haar onteerd, de tong ontrukt;

Door hen ging ze onder naamloos wee gebukt.

Saturninus.

Ga, haal hen, stel hen voor ons, en terstond.

Titus.

Zij zijn daar beideʼ in die pastei; hen vond

Hun moeder pas een lekkʼre spijs; zij at,

Wat ze in haar schoot eens droeg, heeft liefgehad.

ʼt Is waar, ʼt is waar, dit tuigʼ mijn scherpe dolk.

(Hij doodt Tamora.)

Saturninus.

Sterf, dolle schurk; die vloekdaad krijgʼ haar loon! 64

(Hij doodt Titus.)

Lucius.

Daar vloeit mijns vaders bloed; dat duldt geen zoon!

Hier hebt gij dood voor dood en loon voor loon!

(Hij doodt Saturninus. Groote opschudding. Marcus, Lucius en Anderen bestijgen de trappen voor Titusʼ huis.)

Marcus.

Ontstelde mannen, Romeʼs volk en zonen,

Verstrooid door ʼt oproer als een vogelzwerm,

Dien wind en stormgeloei uiteen doen spatten,

Laat mij u leeren, die verspreide halmen

Op nieuw tot ééne garve saam te voegen,

Die stukgereten leden tot één lijf,

Opdat niet Rome een vloek zij voor zichzelf,

En zij, voor wie zoo groote rijken buigen,

Niet, als een arm verstootʼling, zonder hoop,

Tot eeuwʼgen smaad de hand sla aan zichzelf.

Doch zoo mijns winters sneeuw, mijn diepe groeven,

Eerwaarde borgen voor mijn rijpe ervaring,

U niet bewegen naar mijn woord te luistʼren,—

(Tot Lucius.) Spreek, Romeʼs vriend, als onze stamheer eens,

Toen hij met plechtigeʼ ernst aan ʼt luistʼrend oor

Der ademlooze, liefdekranke Dido

ʼt Verhaal deed van die gruwelnacht des brands,

Waarin der Grieken sluwheid Troje nam;

Meld, welke Sinon ʼt oor ons heeft betooverd,

En wie ʼt noodlottig werktuig hier bracht, dat[119]

Ons Troje, ons Rome burgerwonden sloeg.

Mijn hart is niet uit staal of steen gevormd,

En al ons bitter wee kan ik niet uiten;

Een tranenvloed zou mijne taal verdrinken,

En mijne stem zou breken, ja, juist dan,

Als zij u smeeken moest goed toe te luistʼren

En uwe zachte deernis ons te schenken.

Hier staat een veldheer, die ʼt verhaal moogʼ doen;

Uw hart zal snikken, weenen als gij ʼt hoort.

Lucius.

Dan, eedʼle hoorders, zij u thans bericht:

Die vloekbʼre Chiron en Demetrius,

Zij waren ʼt, die des keizers broeder moordden,

Zij waren ʼt ook, die onze zuster schonden.

Voor hunne gruwʼlen stierven onze broeders,

Werd onzes vaders diepe smart gehoond,

Hem door bedrog die brave hand ontfutseld,

Die staâg voor Romeʼs roem gestreden had,

Haar vijanden ten grave had gezonden,

En eindʼlijk ik, ikzelf, met smaad verbannen,

En Romeʼs poorten weenend uitgedreven,

Om hulp bij Romeʼs vijanden te zoeken,

Die hunnen haat verdronken in mijn tranen,

Met open armen mij als vriend omhelsden.

En ik ben ʼt, de uitgestootʼne,—weet dit, vrienden,— 109

Die Romeʼs welzijn redde met mijn bloed,

En ʼs vijands zwaard afkeerde van haar borst,

Zijn staal een scheê gaf in mijn waagziek lijf.

Gij allen weet, dat ik geen pocher ben;

Litteekens mogen stom zijn, toch getuigen

De mijne, dat ik zuivʼre waarheid spreek.

Doch stil! mij dunkt, te verre dwaal ik af,

Mijn luttel doen zoo roemend;—o, vergeeft,

Elk prijst, is hem geen vriend nabij, zichzelf.

Marcus.

Nu is ʼt aan mij, te spreken. Ziet dit kind;

Aan dezen knaap schonk Tamora het leven;

De telg is ʼt van een godvergeten Moor,

Den hoofdontwerper, smeder dezer jammʼren.

De booswicht is in Titusʼ huis nog levend,

En moet getuigen, dat dit waarheid is.

Gij, oordeelt nu, wat reden Titus had

Om al dit onuitspreekʼlijk leed te wreken,

Dat meer is, dan een mensch ooit dragen kan.

En nu gij alles weet, spreekt nu, Romeinen:

Is iets door ons misdreven? Toont ons dit,

En van de plaats, waar gij ons hier ziet staan,

Zal ʼt luttel overschot der Andronici

Voorover, hand in hand zich nederstorten,

Op ʼt ruw gesteente zich het brein verplettʼren

En saam een einde maken aan hun stam.

Romeinen, spreekt! en is ʼt uw welgevallen,

Ziet mij en Lucius, hand in hand, hier vallen.

Æmilius.

Neen, kom! eerwaardige Romein, en stellʼ

Veeleer uw hand ons onzen keizer voor,

Den keizer Lucius; want ik weet, met mij

Roept elk, als ik: “Dat Lucius keizer zij!”

Allen.

Heil, Lucius, heil! heil, Romeʼs eedʼle keizer!

(Lucius, Marcus en de Overigen dalen af.)

Marcus

(tot eenige Dienaars). Gaat thans in ʼt rouwhuis van den ouden Titus,

En sleur dien godvergeten Moor hierheen,

Opdat een ongehoorde marteldood

Als straf bepaald zij voor zijn gruwʼlijk leven.

(Eenige Dienaars af.)

Allen.

Heil, Lucius, heil! heil, Romeʼs eedʼle keizer!

Lucius.

Romeinen, dank! en, goden, hoort mijn beê,

Dat ik genezing brenge en heil na wee!—

Doch lieve vrienden, gunt mij thans nog rust;

Eerst eischt natuur van mij een zwaren plicht.—

Wijkt gij terug;—maar, oom, treed nader, pleng

Meê vrome tranen dezen doode.—Ontvang

(Hij kust Titus.)

Mijn warmen kus op uw koudbleeke lippen,

Op uw bebloede wang mijn weemoedsdruppels,

Als laatste trouwe hulde van uw zoon.

Marcus.

O traan voor traan en liefdekus voor kus

Biedt hier uw broeder Marcus aan uw lippen;

O waarʼ hun som, die ik betalen moest,

Ontelbaar, eindloos, toch betaalde ik die! 159

Lucius.

Kom, knaap, kom hier, en leer van ons, hoe liefde

In tranen smelt. Grootvader had u lief,

En vaak liet hij u dansen op zijn knie,

Zong u in slaap, zijn trouwe borst als kussen;

En vele dingen heeft hij u verteld,

Geschikt en juist gekozen voor uw jonkheid;

Herdenk dit en vergiet, als minnend kind,

Dan eenʼge droppen uit uw teedʼre bron,

Want vriendlijk heeft natuur als wet gesteld,

Dat in het leed een vriend zijn vriend verzelt;

Zeg hem vaarwel, vertrouw hem aan zijn graf,

Bewijs dien liefdeplicht en neem dan afscheid.

De jonge Lucius.

Grootvader! ach, grootvader! o, hoe gaarne

Stierf ik, zoo gij dan weer herleven mocht!

O god! door ʼt weenen kan ik niets meer zeggen;

Ik stik in tranen, open ik den mond.

(De Dienaars komen terug, met Aaron.)

Een Romein.

Staakt, treurende Andronici, thans uw rouwklacht!

Maar spreekt het vonnis van den onverlaat,

Die al deezʼ gruweldaden heeft verwekt.

Lucius.

Begraaft hem tot de borst om te verhongʼren;[120]

Zoo sta hij vast, en woede, en schreeuwe om spijs;

Zoo iemand hem verkwikt, hem deernis toont,

Die sterft voor deze schuld. Dit is ons vonnis;

Zorgt, dat hij goed in de aard bevestigd wordt.

Aaron.

O, waarom zouden wrok en woede zwijgen?

Ik ben geen kind, dat ik met laf gebed

De gruwʼlen zou betreuren, die ik deed.

Tien duizend ergʼre dan ik ooit bedreef,

Zou ik begaan, zoo ik naar lust kon handʼlen;

En deed ik één goed werk in heel mijn leven,

Dan is het dit, wat mij van harte rouwt.

Lucius.

Den keizer mogen trouwe vrienden halen

En in zijns vaders graf ter aard bestellen.

Mijn vader en Lavinia voeren wij

Terstond naar ʼt grafgewelf van ons geslacht.

Aan Tamora, de felle tijgerin,

Wordt uitvaart, noch gevolg in rouwgewaad,

Noch klokgebrom gegund; werpt haar in ʼt veld

Aan ʼt wild gedierte en ʼt roofgevogeltʼ voor.

Beestachtig was haar leven, zonder deernis;

Zij vinde na den dood bij niemand deernis.

Voert Aaron nu ter straf, den vloekʼbren Moor,

Die de oorsprong was van al ons naamloos wee;

Dan reegʼlen wij den staat, zoodat voor goed

Een ramp en nood als deze zijn verhoed.

(Allen af.)

[Inhoud]

Aanteekeningen.

De oudste uitgave van Titus Andronicus, die tot ons gekomen is, dagteekent van het jaar 1600. De titel dezer quarto-uitgave luidt als volgt: The most lamentable Romaine Tragedie of Titus Andronicus. As it hath Sundry times beene playde by the Right Honourable the Earle of Pembrooke, the Earle of Darbie, the Earle of Sussex, and the Lorde Chamberlaine theyr Seruants. At London, Printed by J. R. for Edward White, 1600. Van de vier genoemde tooneelgezelschappen is het laatste dat, waar Shakespeare zelf deel van uitmaakte. De tekst is vrij nauwkeurig te noemen.

Een tweede uitgave in quarto verscheen in 1611; zij noemt op den titel alleen het tooneelgezelschap van Shakespeare: As it hath sundrie times beene playde by the Kings Maiesties Seruants, en wijkt overigens niet noemenswaard van de vorige af. Deze uitgave schijnt ten grondslag gelegd te zijn aan den druk, toen het stuk in de folio-uitgave der gezamenlijke tooneelwerken van Shakespeare, van 1623, werd opgenomen. Bij laatstgenoemden afdruk vindt men echter afwijkingen, waarschijnlijk door vergelijking met het handschrift, dat bij het tooneelgezelschap berustte, en zelfs een geheel tooneel, het tweede van het derde bedrijf, dat in geen der beide quarto-uitgaven voorkomt. Dit tooneel, dat de handeling niet vooruitbrengt, werd waarschijnlijk bij de vertooning weggelaten en daarom niet in de quarto-uitgaven opgenomen; dat het niet later bijgevoegd werd, maar reeds dadelijk een deel uitmaakte van het stuk, is onbetwijfelbaar.

Op den titel der quarto-uitgaven wordt de naam des dichters niet genoemd, maar dit is niets vreemds in dien tijd; in de eerste uitgaven van den Richard II, Richard III, Hendrik IV (eerste deel), Hendrik V, Romeo en Julia is evenzoo de naam van Shakespeare weggelaten. Dat de vrienden en kunstgenooten des dichters, Heminge en Condell, die de folio-uitgave van 1623 bezorgden, dit stuk, onder den titel van The lamentable Tragedie of Titus Andronicus, onder de treurspelen van Shakespeare opnamen, mag een bewijs gerekend worden, dat Sh. en geen ander de schrijver is.

Hier is ondertusschen nog een ander en opmerkelijk bewijs voor aan te halen. Een tijdgenoot, en waarschijnlijk een goede bekende van Shakespeare, een man, met de letterkunde van zijn tijd welvertrouwd, Francis Meres, schreef,—en niet in een later tijdperk van Sh.ʼs leven, maar reeds in 1598,—dat Sh. uitblonk in het schrijven van tragedies en haalde als bewijzen daarvan aan: “zijn Richard II, Richard III, Hendrik IV, Koning Jan, Titus Andronicus, en zijn Romeo en Julia”. Francis Meres noemt dus zeer bepaald Shakespeare als schrijver van den Titus Andronicus.

Daar de woorden van Meres van veel belang zijn voor de dagteekening van eenige der oudste stukken van Sh., moge hier, in de aanteekeningen van Sh.ʼs oudste stuk, zijn getuigenis woordelijk aangehaald worden. Het is te vinden in zijn: Palladis Tamia, Wits Treasury: being the Second Part of Wits Commonwealth. London 1598.

As the soule of Euphorbus was thought to live in Pythagoras, so the sweet worthie soule of Ovid lives in mellifluous and honey tongued Shakespeare; witnes his Venus and Adonis, his Lucrece, his sugred sonnets among his private friends.

As Plautus and Seneca are accounted the best for comedy and tragedy among the Latines, so Shakespeare among the English is the most excellent [121]in both kinds for the stage; for comedy witnes his Gentlemen of Verona, his Errors, his Loue Labours Lost, his Loue Labours Wonne,—waarmee “Eind goed, Al goed” moet bedoeld zijn,—his Midsummer Night Dreame, and his Merchant of Venice; for tragedy, his Richard the 2, Richard the 3, Henry the 4, King John, Titus Andronicus, and his Romeo and Juliet.

As Epius Stolo said that the muses would speake with Plautus tongue, if they would speake Latin, so I say that the muses would speake with Shakespeare fine filed phrase, if they would speake English.

Hieruit blijkt tevens, dat de Titus Andronicus reeds in 1598 geschreven en ten tooneele gebracht was. Maar het stuk is zeker ouder. In 1691 werd door zekeren Gerald Langbaine uitgegeven een Account of the English Dramatick Poets; daarin wordt gewag gemaakt van een uitgave van Titus Andronicus in quarto, van 1594, waarvan thans geen exemplaar meer bekend is. Dat zijn mededeeling juist kan zijn, en hij zulk een exemplaar kan gezien hebben, blijkt uit het register van het boekhandelaarsgilde, waarin, op den datum van 6 Februari 1593, ten behoeve van John Danter is ingeschreven: “A booke entitled a noble Roman Historye of Titus Andronicus.” Op deze inschrijving volgt: “Entered also unto him, by warrant from Mr. Woodcock, the ballad thereof.” De ballade, die, volgens deze inschrijving, van het tooneelstuk of de geschiedenis gedrukt werd, is hoogstwaarschijnlijk dezelfde, die door Percy in zijn Reliques of Ancient English Poetry onder den titel van “The Lamentable and Tragical History of Titus Andronicus” is medegedeeld en ontleend is uit een oude gedichtenverzameling zonder datum. (Ook in Delius Sh.-uitgaaf is zij afgedrukt.) Dat zij na het tooneelstuk gedicht is, kan uit de eenvoudige lezing blijken; er wordt bij voorbeeld in gesproken van het pijlen-schieten door Titus Andronicus, wat zonder de kennis van het populaire tooneelstuk geheel onverstaanbaar zou zijn.

De Titus Andronicus moet dus vóór Febr. 1593 geschreven zijn. Een opmerking van Ben Jonson noopt ons verder, het stuk voor nog eenige jaren ouder te houden. Deze zegt in het voorspel van zijn blijspel “de Bartholomeüs-mis”, Bartholomew Fair, dat in 1614 werd opgevoerd: “He that will swear Jeronimo and Andronicus are the best plays yet, shall pass unexcepted at here, as a man, whose judgment shows it is constant, and hath stood still these five-and-twenty or thirty years.” Hier wordt dus Titus Andronicus in één adem genoemd met Thomas Kydʼs Jeronimo,—waarmede de Spaansche tragedie, the Spanish tragedy or Hieronymo is mad again, bedoeld is,—en gezegd, dat hij, die deze twee stukken nog voor de beste houdt, vijf en twintig of dertig jaren in smaak ten achteren is. Zijn die 25 jaar letterlijk op te vatten, dan is Titus Andronicus van het jaar 1589, misschien nog enkele jaren vroeger. Bedenken wij nu, dat Shakespeare in April 1564 geboren werd te Stratford aan den Avon, er in zijn 20ste jaar (Nov. 1582) trouwde, er in 1583 een dochter kreeg en in 1585 tweelingen, dan zal hij op zijn vroegst in laatstgenoemd jaar naar Londen gekomen zijn en zich aan het tooneel verbonden hebben. Dat hij het handschrift niet van Stratford heeft medegebracht, maar dat het stuk geschreven is, nadat Sh. met de tooneelwereld bekend was geworden, is buiten allen twijfel. Op zijn allervroegst kan het stuk dus in 1586 geschreven zijn, doch waarschijnlijk is het eerst twee of drie jaar later gereed gekomen. Met het oog op andere stukken zal het echter niet veel later dan 1589 voltooid zijn, toen Shakespeare 25 jaar telde; veel vroeger kan men het ook niet stellen, daar de dichter zich tooneelkennis heeft moeten eigen maken. Men mag onderstellen, dat hij zich in het landstadje Stratford door opmerkzaamheid de uitgebreide en nauwkeurige kennis van dieren, planten en natuurverschijnselen heeft verworven, waarvan zijn werken blijk geven, en verder slechts uit enkele boeken, den bijbel b.v., Holinshedʼs kroniek, Ovidiusʼ Metamorphosen1, zijn kennis verrijkt heeft, maar dat hij zijn bedrevenheid in de letterkunde en in allerlei vakken van wetenschap, [122]zijn inzicht in maatschappelijke toestanden, zijn diepe menschenkennis vooral in Londen heeft opgedaan. Daar, in de tooneelwereld verkeerende, kon hij eerst tot het schrijven van een tooneelwerk komen, en geen wonder, dat de jeugdige dichter een stof koos, die in overeenstemming was met den smaak van het publiek en van zijn tijd. De fabelachtige geschiedenis van Titus Andronicus was ongetwijfeld niet nieuw en waarschijnlijk uit een novelle aan het publiek welbekend, want zulke verhalen, in verzamelingen vereenigd, werden toen ter tijd vlijtig gelezen. Er is ons geen novelle van Titus Andronicus bewaard gebleven, maar dat zij bestaan moet hebben, blijkt uit de novellen-verzameling van Painter, The Palace of Pleasure geheeten; in het tweede deel er van, dat in 1567 het licht zag, wordt in het voorbijgaan van Titus en meer bepaald van Tamoraʼs wreedheid gewag gemaakt. Meer dan één voorbeeld kon aan Shakespeare de overtuiging geven, dat deze stof hem een dankbaar onderwerp zou wezen; met dergelijke toneelstukken was het publiek hooglijk ingenomen. Een voorbeeld leveren ons twee stukken van den boven reeds genoemden Thomas Kyd: deze trad in 1588 op met een stuk Hieronymo of Jeronimo, en eenigen tijd later met zijn Spaansche Tragedie, ook genaamd Hieronymo is mad again, waarin Hieronymo dol wordt om het verlies van zijn zoon. Dit laatste stuk vond toen ter tijd een buitengewonen bijval en bleef, evenals de Titus Andronicus, wel vijf en twintig of dertig jaar bij het publiek zeer geliefd, zooals onder andere uit de ergernis van Ben Jonson blijkt.—Er is een groote overeenkomst tusschen den Titus Andronicus en den Jeronimo; in beide is de held een eerbiedwaardig grijsaard, die voor de groote diensten, door hem bewezen, met de mishandeling en den moord der zijnen beloond wordt, en die, om wraak te nemen op zijn belagers, genoodzaakt is zich als een waanzinnige voor te doen. De slachting, die in beide stukken aangericht wordt, is even groot; in beide blijven er van de hoofdpersonen slechts weinigen in leven.—Wil men hier nader van overtuigd worden, dan leze men slechts het slot van den Jeronimo, een epiloog, die door een geest wordt uitgesproken:

“Ay, now my hopes have end in their effects,

When blood and sorrow finish my desires.

Horatio murdered in his fatherʼs bower;

Vile Serberine by Pedringano slain;

False Pedringano hangʼd by quaint device;

Fair Isabella by herself misdone;

Prince Balthasar by Belimperia stabbʼd;

The duke of Castille, and his wicked son,

Both done to death by old Hieronymo;

Then Belimperia fallen, as Dido fell;

And good Hieronymo slain by himself:

Ay, these were spectacles to please my soul.”

Zulk een stuk geeft den Titus Andronicus niets toe in bloederigheid. Het wordt bovendien nog opgeluisterd door een stomme vertooning, een pantomime, dumb show, een vreemde toevoeging aan een tooneelwerk, die toen zeer in zwang was; men vindt er gebruik van gemaakt in den Pericles, en in het tooneelstuk, dat Hamlet ten hove vertoonen laat.

Met de zoo even genoemde Spaansche tragedie van Kyd hadden vele toenmalige stukken overeenkomst, en Shakespeare schikte zich, bij het schrijven van zijn eersteling, naar den geest van zijn tijd; en niet alleen in de keuze van het onderwerp, maar ook in meerdere opzichten treedt hij in de voetstappen zijner voorgangers. Reeds hieruit zou kunnen blijken, dat de Titus Andronicus zijn eersteling was, doch men wordt hier nader van overtuigd, als men opmerkt, dat de dichter in den loop van het stuk vorderingen maakt, en dat het eerste bedrijf verreweg het zwakste van alle is. Na den Titus Andronicus begaf zich de dichter aan het schrijven van zijn Koning Hendrik VI, van welks drie deelen ook weder het eerste zwakker is dan de beide volgende. Wel volgde hij meer en meer zijn eigen weg en overtreffen zijn stukken die zijner tijdgenooten verre, maar bij alle verschil is er toch genoeg overeenkomst met de laatste op te merken, dat de in ellende wegstervende dichter Robert Greene, die zijn eigen tooneelwerken en die zijner vrienden reeds zag tanen voor Shakespeareʼs luister, hem in 1592 niet geheel en al ten onrechte een “opkomeling” noemde, “gesierd met onze vederen.” Een nieuweling, die geen academische opleiding genoten had, stond in kennis niet bij hen ten achteren, behandelde dergelijke stoffen als zij, wist die met mythologische bloempjes op te sieren, schreef verzen, die niet minder goed klonken dan de hunne! Men zie hierover de aanteekeningen in het derde deel op Koning Hendrik VI. Met Koning Richard III kan men rekenen, dat deze eerste periode van Shakespeareʼs leven gesloten wordt, die, behalve de genoemde stukken, nog enkele blijspelen, verscheidene sonnetten en Venus en Adonis heeft opgeleverd.

De overeenkomst, die zoo even werd toegegeven, is echter meer schijnbaar dan wezenlijk, en bij nauwkeuriger toezien blijken de verschillen zeer belangrijk te zijn. Dit gezegde vereischt een nadere toelichting. Wanneer men den statigen gang der verzen, waarmede het eerste bedrijf begint, nagaat, dan zou men meenen, dat de [123]versbouw van Marlowe wordt nagebootst, maar lezen wij verder, dan bemerken wij weldra, dat de dichter zich geen boeien laat aanleggen, dat het hem niet te doen is om de ooren zijner toehoorders met prachtig rollende verzen te vullen, maar dat hij verscheidenheid brengt in de rusten, het slepende einde der regels en zelfs afwijkingen van den gewonen versbouw niet schuwt, kortom zijn stijl naar omstandigheden wijzigt. In dit opzicht gaat hij niet alleen verder dan Marlowe, maar ook verder dan Kyd, die wel is waar het majestueuze van Marlowe niet bereikt, maar meer verscheidenheid in zijn regels wist te brengen. Er moge nog aanmerkelijk verschil bestaan tusschen den versbouw van den Titus Andronicus en van Shakespeareʼs latere stukken, wij kunnen toch reeds hier het streven naar eenvoudigheid en natuurlijkheid in de verzen ontdekken.

Dit zelfde geldt, wanneer men op de geheele uiting der gedachten let. Bij een stuk met een inhoud als Titus Andronicus moet de verleiding voor een jong dichter, om de personen in matelooze jammerklachten, in afgrijselijke wraakkreten te doen uitbarsten, zeer sterk geweest zijn, vooral in een tijd, dat zulk een taal door anderen gebezigd werd en blijkbaar in den smaak van het publiek viel. En toch, de jeugdige Shakespeare nam een zekere matiging in acht. Men oordeele: in een stuk, Lustʼs dominion geheeten, dat wel eens, schoon ten onrechte, aan Marlowe is toegeschreven, komt ook een Moor voor, daar Eleazar geheeten; van dezen kan men zeggen, dat hij spreekt op de manier van Koning Cambyses (I K. Hendrik IV, II. 4. 425). Eleazar zegt:

“Now, Tragedy, thou minion of the night,

Rhamnusia, play-fellow, to thee Iʼll sing

Upon a harp made of dead Spanish bones,—

The proudest instrument the world affords—

When thou in crimson jollity shall bathe

Thy limbs as black as mine, in springs of blood

Still gushing from the conduit-head of Spain.

To thee that never blushest, though thy cheeks

Are full of blood, O Saint Revenge, to thee

I consecrate my murders, all my stabs,

My bloody labours, tortures, stratagems,

The volume of all wounds that wound from me,—

Mine is the stage, thine the tragedy.”

Men vergelijke hiermede de uitingen van den Moor Aaron en men zal Sh.ʼs streven naar eenvoud en natuurlijkheid erkennen.

De matiging, waarvan Shakespeare blijk geeft, mag inderdaad op prijs gesteld worden. Als Tamoraʼs zoon Alerbus ter slachting wordt weggeleid, hooren wij slechts een enkelen uitroep van Tamora (I. 1. 130); als Titus zijn zoon Mucius in drift doorstoken heeft, zijn de woorden van Lucius (I. 1. 292) zeer eenvoudig en gematigd; hetzelfde moet gezegd worden van Laviniaʼs woorden tot Tamora (II. 3. 136), van Marcusʼ klacht bij het ontmoeten van de geschonden Lavinia (II. 4. 11. en volgg.). Als Titusʼ zoons ter dood geleid zijn en zijn verminkte dochter Lavinia tot hem gebracht wordt, barst hij uit in roerende jammerklachten, maar geen stroom van vloeken en verwenschingen komt er uit zijn mond (III. 1. 91); ja dit gebeurt zelfs niet, als hij zijn hand heeft opgeofferd om zijn zonen te redden; dan roept hij uit (III. 1. 207): “O, hier hef ik deze eene hand ten hemel” en zijn klacht is niet eens bovenmatig, maar wordt toch, als te overdreven, door zijn broeder gegispt. Als dan zijn zonen toch geslacht zijn en zijn jammer ten top is gevoerd, zegt hij (III. 1. 267) eenvoudig: “Ik heb geen tranen meer te storten over” en denkt eerst daarna aan wraak. Als Titus aan Tamora heeft medegedeeld, aan welk een gruwelijk maal zij zich te goed heeft gedaan (V. 3. 60), spaart de dichter ons de jammerkreten der rampzalige moeder; haar dood volgt oogenblikkelijk, evenals die van Titus en van Saturninus; een matiging, die men bij weinige dichters van zijn tijd zal aantreffen.

Dat wij in Titus Andronicus het werk bezitten van een echten dichter, blijkt bij het aandachtig lezen van het stuk telkens meer. De personen, die er in optreden, zijn geen tooneelpoppen, aan welke woorden in den mond worden gelegd, maar menschen van vleesch en bloed. Tamora is door de vereeniging van een doordringend en vlug verstand, door zelfbeheersching, heftige hartstochten en zedelijke verdorvenheid, een opmerkelijke schepping; haar levendige verbeelding leent haar bekoorlijkheid en uit haar mond vernemen wij echt dichterlijke taal; men zie slechts II. 3. 10–29, en in hetzelfde tooneel reg. 93–104; IV. 4. 81 en vlgg.; V. 1. 30 enz. Men ga verder het karakter en de handelingen van den ouden Titus na; men overwege, hoe de dichter den onmenschelijken duivel Aaron door een enkelen trek, de liefde voor zijn basterdkind (zie IV. 2. 175), tot een mensch gemaakt heeft, zoodat zijn straf er des te rechtvaardiger door wordt en belang stelling inboezemt; men herleze de woorden, waarmede Lucius zijn zoon aanmaant, om de nagedachtenis van den ouden Titus, van den beminnenden grootvader, in eere te houden, V. 3. 160 enz.;—en men zal tot de overtuiging komen, dat er geen redenen bestaan, om de meening te verdedigen, dat dit stuk al te onvolkomen is om een werk van den jeugdigen Shakespeare te kunnen wezen. Integendeel, een nauwkeurig onderzoek bevestigt veeleer de juistheid [124]der verklaring van Francis Meres. Het blijkt dan tevens, dat dit treurspel een werk is uit één stuk, dat er geen enkele grond bestaat om er twee handen in aan te nemen; het is niet een ouder arbeid van een ander, waar Shakespeare eenige veranderingen in gemaakt heeft, maar wel degelijk zijn eigen stuk, dat door geen ander dichter zoo zou gemaakt zijn en waarin men den jeugdigen leeuw reeds aan zijn klauw herkent; de onvolkomenheden, die men er in opmerkt, zijn geen andere, dan men verwachten kan in het eerste werk van een jongen dichter, die, hoezeer hij later alle andere moge overschaduwd hebben, toch ook een kind van zijn tijd geweest is.

Het behoeft ons, Nederlanders, niet moeilijk te vallen, de goede eigenschappen van den Titus Andronicus te waardeeren. “In November 1641 werd in den schouwburg [te Amsterdam] een treurspel vertoond, dat algemeen opzien wekte. Het stuk was getiteld: Aran en Titus, of Wraak en Weerwraak. De dichter was een burgerjongen, een glazenmaker, zonder eenige kennis der Grieksche of Latijnsche taal; zijn naam, toen nog geheel onbekend, luidde Jan Vos. Professor Barlæus was zoo met zijn werk ingenomen, dat hij hem gelijk stelde met Sofokles. Op zijn aansporen gingen zijn vrienden het stuk zien: Hooft en Van der Burgh stonden verbaasd, en Vondel verklaarde, dat de dichter een genie was. Van Baerle zelf kon zich aan de tragedie niet zat zien: hij ging zevenmaal achtereen zich daaraan vergasten. Hij was er zoo vol van, dat hij er brieven over schreef aan zijn vrienden en Huygens uitnoodigde over te komen om haar te bewonderen. De geheele oudheid had volgens hem geen zoodanig treurspel aan te wijzen: het wekte echt tragische aandoeningen op en was geschreven in de taal van Hooft en Vondel. Eindelijk wijdde hij er een Hollandsch gedicht aan, dat aldus eindigt:

Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest,

De Schouwburg wort verzet, en schoeit op hooger leest.

Rijst Sophocles weer op? stampt Æschylus weer hier?

Of maekt Euripides dit ongewoon getier?

Neen, ʼt is een Ambachtsman, een ongelettert gast,

Die nu de gantsche rey van Helicon verrast,

Die noyt gezeten heeft aan Grieks of Roomsche disch,

Wijst nu de weerelt aan, wat dat een Treurspel is.

Athenen las het spel, en sprak: ik schrijf niet meer;

Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer.”2

Wanneer men in het eerste deel der gedichten van Jan Vos (Amsterdam 1862) den vrij uitvoerigen inhoud van den Aran en Titus leest, ziet men onmiddellijk, dat het geheele beloop van het stuk, op enkele kleinigheden na, evenzoo is als bij Sh.ʼs Titus Andronicus. Men zou hieruit vermoeden, dat het stuk een eenigszins omgewerkte vertaling is van het Engelsch origineel. Wanneer wij dan tot de lezing van den Aran en Titus overgaan, blijkt ons echter, dat er veel grooter verschil is, dan men naar de inhoudsopgave zou verwachten. Het stuk is geen vertaling van Shakespeareʼs treurspel, maar toch heeft Jan Vos dit gekend en nagevolgd, zoodat er hier en daar overeenstemmende passages in voorkomen, niettegenstaande men er zeker van kan zijn, dat Jan Vos geen enkele vreemde taal machtig was. De verklaring hiervan is zeer eenvoudig. Tegen het einde der zestiende eeuw had de tooneelkunst in Engeland een groote hoogte bereikt en was in westelijk Europa, waar zij nog op een lagen trap stond, zeer goed aangeschreven. Vandaar, dat Engelsche tooneelgezelschappen meermalen ondernamen Nederland, Duitschland en Denemarken te bezoeken. Dat bij deze reizende troepen zich juist de uitstekendste acteurs bevonden, valt wel niet te denken; toch hadden zij veel toeloop. Telkens vindt men van zulke gezelschappen gewag gemaakt; reeds in 1591 verschenen zij in ons land, verder in 1597, 1604, 1605, 1607; tot 1629 kwamen zij vrij geregeld en ook later nog, tot 1644 of 1645. Evenzoo werd Duitschland bezocht, en daar is omstreeks 1600 de Titus Andronicus door Engelsche komedianten opgevoerd. Een vrije proza-bewerking er van bevindt zich in een bundel: “Englischen Komödien und Tragödien” (die in 1620 het licht zag) en draagt den titel: “Eine sehr klägliche Tragoedie von Tito Andronico und der hoffertigen Keyserin, darinnen denkwürdige actiones zu befinden”; zij is in TieckʼsDeutsches Theater” (1817) en in Albert Cohnʼs “Shakspeare in Germany” (1865) overgedrukt.—Daar Titus Andronicus onder de stukken behoorde, die door reizende Engelsche tooneelgezelschappen vertoond werden, zal ongetwijfeld door zulke voorstellingen Jan Vos er bekend mee geworden zijn. Men wordt daarin bevestigd, als men opmerkt, dat de Duitsche vrije bewerking in menig opzicht met den Aran en Titus overeenkomst heeft, zoowel in wat uit Shakespeare is weggelaten als in wat breeder is uitgewerkt, en dat beide als het ware wedijveren [125]om al wat naar karakterteekening zweemt, al wat fijn bedacht, liefelijk, echt dichterlijk is bij Shakespeare, er uit te werken; in dit opzicht steekt de Duitscher den Hollander de loef nog af.

Als men in den Aran en Titus de verwijten van Titusʼ dochter aan de overspelige Tamora, of liever het gekijf der twee wijven, leest, als men Aran hoort stoffen op zijn misdaden, Tamora hoort weeklagen, dat zij haar eigen zoons “zoo gierig” heeft “ingeslokt”, als men Titus hoort wenschen, dat hij Tamoraʼs “darmen” mocht “ophaspʼlen op zijn armen”, als men de koren leest, die van Baerle nog wel als een proefje aan Huygens zond om hem te doen watertanden, dan staat men niet alleen verbaasd, dat een man als van Baerle dit kon bewonderen, maar zal meer dan ooit gestemd zijn, om aan de dichterlijke waarde van Shakespeareʼs Titus Andronicus volle recht te doen wedervaren3, al moet men toegeven, dat het in een geheel anderen geest dan zijn overige stukken, in een vroegeren stijl geschreven is.


I. 1. 8.4 Mijn voorrang. In het Engelsch staat age, waarmede Saturninus bedoelt, dat hij ouder is dan Bassianus en naar het recht van eerstgeboorte den voorrang moet hebben.—Als Bassianus zich, twee regels verder, Cæsars zoon noemt, bedenke men, dat alle keizers den naam van Cæsar droegen; hij wil den weg naar het kapitool bezet houden, opdat de Romeinen zich niet aan het eerstgeboorterecht behoefden te onderwerpen, maar vrij konden kiezen; Bassianus meent door zijn verdiensten meer aanspraak te hebben op den troon.

I. 1. 77. Gij groote schutsheer van dit kapitool. Jupiter.

I. 1. 88. Aan den oever van den Styx. Zoolang de lijken onbegraven zijn, moeten de schimmen omdwalen bij den Styx zonder rust te vinden; zie Homerusʼ Odyssea XI. 51. Het Latijn, dat volgt, ad manes fratrum, aan de schimmen hunner broeders, is niet van het beste.

I. 1. 136. Die aan Hecuba. In het Engelsch staat: de Koningin van Troje, waarmede Hecuba gemeend is. Volgens den Griekschen treurspeldichter Euripides had Priamus, Trojeʼs val voorziende, zijn jongen zoon Polydorus aan zijn gastvriend Polymestor, koning op de Thracische Chersonesus (thans het schiereiland van Gallipoli of der Dardanellen) met vele schatten toevertrouwd. Polymestor echter doodde na Trojeʼs val den jongeling en het lijk werd door Priamusʼ weduwe, die als gevangene door de Grieken werd medegevoerd, op het strand gevonden. De rampzalige moeder wist door list den moordenaar tot zich te lokken en zij krabde hem, door de andere gevangen Trojaansche vrouwen bijgestaan, de oogen uit. Ovidius verhaalt de geschiedenis in zijn Gedaanteverwisselingen (XIII, 432 vgg.) en uit dezen dichter zal zij aan Sh. bekend zijn geworden.

I. 1. 177. Daar zij ʼt geluk van Solon heeft erlangd. Solon zeide tot koning Crœsus van Lydië, dat niemand voor zijn dood gelukkig te noemen was.

I. 1. 185. Wees alzoo candidatus, d. i. met de witte toga bekleed, waarin zij zich wikkelden, die bij de overheid en het volk naar openbare ambten dongen; het Latijnsche woord beteekent hier dus kroonpretendent. De voorgangers van Sh. spreidden gaarne hun geleerdheid ten toon en bezigden Latijnsche en zelfs Grieksche woorden.5 Sh. treedt hier in hun voetstappen en brengt later (I. 1. 280) het zeggen “Suum cuique”, “Aan ieder het zijne”, te pas: zoo wordt ook (I. 1. 325) het huwelijksfeest “Hymenæus” genoemd; met die klassieke herinnering [126]is weinig in overeenstemming, dat het huwelijk in het Pantheon met gebruik van wijwater en waskaarsen (in het oorspronkelijke staat tapers, de vertaling heeft toortsen) gesloten wordt.

I. 1. 380. Laërtesʼ wijze zoon. Ulysses.

I. 1. 494. Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid. In ʼt Engelsch: With horn and hound weʼll give your grace bonjour. Het bonjour is de morgengroet en opwekking ter jacht, veelal hunts-up geheeten. De jachthoorn is niet bijzonder antiek.—Een dag van verzoening, wat voorafgaat, is in ʼt Engelsch a loveday, waarmee een dag wordt aangeduid, voor het bijleggen van oneenigheden bepaald; geestelijken waren dikwijls bemiddelaars; Chaucer zegt van een monnik: “In lovedays there coude he mochel help.”

II. 1. 7. Haar baan doorrent. In het Engelsch wordt als baan de Dierenriem, Zodiak, genoemd.

II. 1. 37. Nu kalm wat, kalm! In het Engelsch staat “Clubs, clubs!” de gewone uitroep, om bij straatgevechten de handhavers der orde er bij te roepen. Een paar regels later staat dansrapier; in Sh.ʼs tijd werd er met een degen op zijde gedanst, vergelijk Eind goed, Al goed, II. 1. 32.

II. 1. 47. Nabij des keizers slot. Het was in de middeleeuwen streng verboden, in of nabij het paleis van den vorst het zwaard te trekken.

II. 1. 67. Zoo de keizerin dien wanklank hoort. In ʼt Engelsch: An should the empress know This discordʼs ground; een woordspeling, die ook in K. Richard III, III. 7. 49. voorkomt; ground beteekent zoowel “grond”, “oorzaak”, als “muzikaal thema”; bovendien beteekent discord zoowel “dissonant” als “tweedracht.” Evenals hier vindt men de beide beteekenissen te gelijk bedoeld in Troilus en Cressida, I. 3. 110 en in Lucretia 1124.

II. 1. 89. Vulcanusʼ tooi. Shakespeare maakt ook elders van Venus en Mars gewag; men zie Antonius en Cleopatra, I. 5. 18 en Venus en Adonis, 97.

II. 1. 133. Sit fas aut nefas, “Zij het recht of onrecht”, hij wil en zal zijn doel bereiken, “al moest hij over den Styx en door de schimmen heen.” Het schijnt dat de Latijnsche uitdrukkingen aan de treurspelen van Seneca ontleend zijn.

II. 3. 22. De vorst, die zwierf. Natuurlijk wordt Æneas bedoeld, die hier als een dolend ridder wordt voorgesteld.

II. 3. 30. Besture Venus uw begeerten enz. Aan de planeet Venus werd een verhittende, aan Saturnus een bekoelende invloed toegeschreven op wie onder haar gesternte geboren waren.

II. 3. 43. Waarop zijn Philomela tongloos wordt. Lavinia wordt om de verminking, die haar wacht, met Philomela vergeleken. Philomela was de dochter van den Atheenschen koning Pandion, de zuster van Procne. De laatstgenoemde was door haar vader uitgehuwlijkt aan Tereus, een Thracischen koning in Daulis (Phocis) en had dezen een zoon geschonken. Na eenigen tijd verlangde zij zeer, haar zuster Philomela weer te zien; Tereus begaf zich naar Athene en wist Pandion te overreden, dat zijn dochter Philomela een korte poos bij haar zuster zou mogen vertoeven en daartoe met haar schoonbroeder Tereus zou medegaan. Deze, reeds dadelijk voor Philomela ontvlamd, bracht, in zijn land aangekomen, haar naar een eenzaam gelegen huis in een dicht bosch, deed haar geweld aan en sneed, toen zij in haar wanhoop hem dreigde zijn schendige daad te zullen openbaar maken, haar de tong uit, opdat zij niets zou verraden; aan zijn vrouw, Procne, bracht hij het valsche bericht van Philomelaʼs dood. Na een jaar ongeveer gelukte het Philomela, aan Procne haar lot te berichten; zij deed haar namelijk een gewaad toekomen, waarin zij woorden geweven had, die het gebeurde meldden. Procne maakte van een Bacchusfeest gebruik, om in het bosch te zwerven, tot haar zuster door te dringen en deze mede te nemen naar haar paleis. Om op Tereus wraak te nemen, doodde Procne, door Philomela bijgestaan, haar zoon Itys, en zette dezen aan haar echtgenoot als spijze voor. Onder het maal verlangde hij zijn zoon Itys te zien; hierop meldde hem Procne, wat hij gegeten had; en onmiddellijk daarna sprong Philomela te voorschijn, die hem Itysʼ bloedig hoofd toonde. Toen hij nu de wegijlende zusters vervolgde, werden zij in vogels veranderd, de eene in een nachtegaal, de ander in een zwaluw; Tereus zelf werd een hop.—Zoo verhaalt Ovidius in het zesde boek zijner Metamorphosen (reg. 484 en vgg.) de geschiedenis.—Shakespeare gewaagt ook in zijn Cymbeline II. 2. 45 van Tereus en Philomela.

II. 3. 62. Actæon. Deze was een kleinzoon van Cadmus, een beroemde Thebaansche held en een bedreven jager; hij werd op de jacht in het gebergte Cithæron door Diana in een hert veranderd en door zijn vijftig honden verscheurd. Ovidiusʼ Metamorph. III. 131 en vgg.

II. 3. 72. Uw donkere Kimmeriër. De Kimmeriërs der fabel bewoonden een land, waar duisternis heerschte, de historische Kimmeriërs de Krim. De Moor Aaron heet hier Kimmeriër om zijn donkere kleur, niet om zijn afkomst.

II. 3. 107. Een giftige ief. De Ief of Taxisboom, [127]vaak op kerkhoven geplant, wordt meermalen als verderflijk en onheilbrengend aangehaald; men zie: Koning Richard II, III. 2. 17. en Macbeth, IV. 1. 27.

II. 3. 118. Semiramis. Semiramis, de koningin van het oude Assyrische rijk, wordt als een monster van wellust en wreedheid hier aangehaald.

II. 3. 231. Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan. De geschiedenis van Pyramus en Thisbe is mede in Ovidiusʼ Metamorphosen, IV. 55 vgg. te vinden; zij speelt in Babylon. De ouders, die buren en vijanden waren, wilden van een huwelijk niets weten. De gelieven spraken door een spleet in den gemeenschappelijken muur af, dat zij ʼs nachts onder een moerbezieboom zouden samenkomen. Thisbe was het eerst op de afgesproken plaats, maar ontwaarde bij het maanlicht een leeuwin, die juist een rund verslonden had en aan een naburig beekje haar dorst kwam lesschen, nam de vlucht in een grot, maar verloor daarbij haar mantel, die door de leeuwin stukgereten en met bloed bezoedeld werd, waarna het dier weder in het bosch terugkeerde. Een oogenblik later komt Pyramus, ziet met schrik de sporen van het roofdier, vindt daarna den bebloeden mantel en steekt zich dood; Thisbe keert weldra terug, om haar geliefde niet teleur te stellen, vindt zijn lijk en drijft zich zijn zwaard in de borst, mede onder den moerbezieboom, welks vruchten, overeenkomstig Thisbeʼs wensch, voortaan een donkere bloedkleur hebben, ter herinnering aan dit treurig voorval. Shakespeare heeft in den Midzomernachtdroom van deze geschiedenis een treffend gebruik gemaakt en ook den Maneschijn niet vergeten.

II. 4. 51. Gelijk voor Orpheusʼ voeten Cerberus. In ʼt Engelsch As Cerberus at the Thracian poetʼs feet. Ook in den Midzomernachtdroom, V. 1. 49. wordt Orpheus eenvoudig als the Thracian singer aangeduid. Toen zijn geliefde vrouw, Eurydice, door den beet van een vergiftige slang gestorven was, daalde hij in de onderwereld af en wist door zijn zang en snarenspel de Godin der Schimmen zoo te betooveren, dat hij zijn vrouw weder naar boven mocht medenemen; zij waren reeds de bovenwereld nabij, toen hij, tegen het verbod in, naar haar omzag, zoodat hij haar weder, en nu voor goed, verloor. Ovidiusʼ Metamorph. X. 1. vgg.

III. 1. 212. Of wij ontglansen ʼt hemelwelf met zuchten. De gedachte, dat uit zuchten wolken gevormd worden, vindt men meermalen bij Shakespeare uitgedrukt, b.v. Romeo en Julia, I. 1. 139.

III. 1. 241. De tooneelaanwijzing “Titus bezwijmt” is door mij ingevoegd, vgl. reg. 253.

IV. 1. 12. Cornelia las niet vlijtiger. Cornelia, de moeder der Gracchen, die als voortreffelijke opvoedster harer zonen bekend staat (zie Cicero in zijn Brutus, 58. 211). Verder wordt hier Ciceroʼs boek over de welsprekendheid, De oratore, bedoeld.

IV. 1. 20. Dat Hecuba van Troje van kommer dol werd. Zoo wordt Hecuba ook in den Hamlet II. 2. 527. door een tooneelspeler voorgesteld; zie ook Cymbeline, IV. 2. 313.

IV. 1. 28. Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst. Om zijn vroeger wegloopen weer goed te maken, is de knaap vleiend beleefd jegens Lavinia. In ʼt Engelsch: I will most willingly attend your ladyship.

IV. 1. 81. Magni enz. Deze Latijnsche klacht, dat de beheerscher des hemels zoo traag is in het hooren en zien van misdaden, is, eenigszins gewijzigd, uit Senecaʼs treurspel Hippolytus ontleend.

IV. 1. 88. Romeʼs Hector. De Romeinsche Hector is de verbannen Lucius, wiens hoop de jonge Lucius was, evenals Astyanax het was van den Trojaanschen Hector.—De gade der onteerde kuische vrouw was Lucretiaʼs echtgenoot Collatinus; haar vader was Lucretius.

IV. 2. 20. Integer vitae enz. Daar de regels uit Horatius (Od. I. 22. 1.) zeggen, dat de reine en schuldelooze geen “Mauretaanschen” pijl en boog, met andere woorden, geen wapenen behoeft, is door de toezending van wapenen uitgedrukt, dat Tamoraʼs zonen niet rein en schuldeloos zijn. Als de slimme Tamora niet juist door de zwangerschap onwel was, zou haar de schranderheid van den vond toelachen. Men merke op, dat het adjectivische Mauris van Horatius hier in Mauri, “van den Moor”, veranderd is.

IV. 2. 52. Waar Aaron is, de Moor, doch ras! Men kan ʼt laatste ook lezen: “Moord! och ras!” waarop dan Aarons zeggen: “moord en brand” slaat. In ʼt Engelsch is de woordspeling tusschen Moor en more.

IV. 2. 93. Niet Enceladus. Een der Giganten, die met rotsblokken den hemel bestormden; ook Typhon was een monster, dat bij den strijd tegen den oppergod zich geducht maakte. Alcides is Hercules.

IV. 2. 126. Van den zeekʼren kant. Van moeders zij.

IV. 3. 4. Terras Astræa reliquit. Aanhaling uit Ovidiusʼ Metamorphosen I. 150. De Godin der Gerechtigheid, als hemelbewoonster Astrœa genoemd, woonde in de gouden eeuw op aarde, maar “verliet de aarde” in de koperen eeuw, het laatst van alle hemellingen.—Men denke zich het plein, waar dit derde tooneel speelt, in de nabijheid van het keizerlijk paleis.

IV. 3. 80. De galgemaker? In het Engelsch [128]verstaat de Boer den naam van Jupiter “Gibbeter”, en vraagt daarom, of de “Gibbetmaker” bedoeld is; een natuurlijk niet terug te geven woordspeling.

IV. 3. 90. Met eenige gratie. In het Engelsch is hier een woordspeling tusschen grace, “gratie”, en grace, “gebed bij ʼt eten”. De boer zegt, dat hij ʼt laatste nooit heeft kunnen leeren.

V. 1. 122. Naar ʼt spreekwoord zegt. Het spreekwoord is: to blush like a black dog.

V. 1. 145. Omlaag weer met dien duivel. Aaron heeft dus gesproken van de ladder af, die hij reeds bestegen had om gehangen te worden.

V. 2. 56. Hyperion. Helios, de Zonnegod.

V. 2. 204. En bloediger dan der Centauren feest. In Ovidius Metamorph. XII. 210 kon Shakespeare de beschrijving vinden van den gruwelijken strijd, die, op de bruiloft van Pirithous tusschen de Lapithen, tot wier volk de bruid behoorde, en de mede-uitgenoodigde Centauren ontstond, en met de nederlaag der laatsten eindigde.

V. 3. 36. Virginius. De vergelijking gaat eigenlijk niet door, want Virginius doodde zijn dochter om haar onteering te voorkomen.

V. 3. 80. Als onze stamheer eens. Ook in Julius Cæsar noemt Shakespeare Æneas den stamheer der Romeinen.—In de Æneis van Vergilius (IIde Boek) verhaalt Æneas aan Dido de overrompeling van Troje door de Grieken, en vermeldt, hoe de Griek Sinon (Ald. reg. 79) de Trojanen overhaalde het verderfelijke paard binnen hun muren te halen. Ook in 3 Hendrik VI, III. 2. 190. en in Cymbeline III. 4. 61 wordt Sinon vermeld; evenzoo in Lucretia 1521.


1 Blijkbaar waren Ovidiusʼ Metamorphosen aan Sh. goed bekend; niet alleen de Titus Andronicus, maar verscheiden stukken van hem kunnen het getuigen. Ook andere gedichten van Ovidius, de Amores (zie het Motto van Venus en Adonis) en de Heroides, (zie 3 Hendrik VI, I. 3. 48) waren hem niet vreemd. De Metamorphosen (Gedaanteverwisselingen of Herscheppingen) waren reeds in Sh.ʼs tijd door Golding in het Engelsch vertaald. Dat Sh. deze vertaling kende, is wel aan te nemen; maar hij kan Ovidius zeer wel in het oorspronkelijke gelezen hebben; hij had op de school te Stratford Latijn geleerd en naar allen schijn met vrucht.—In de Bodleyʼsche bibliotheek te Oxford berust een kleine uitgave der Metamorphosen: “Ovidii Metamorphoseon Libri quindecim”, gedrukt bij Aldus in Venetië, in October 1502; op den titel staat geschreven: Wm. Shr. en op het schutblad de vermelding, geschreven in 1682 door T. N. (Nash?), dat hij dit kleine boek gekregen had van “W. Hall, die zeide, dat het eens aan Will. Shakspere had toebehoord.” Er is geen beslissende reden om de echtheid der schrifturen te betwisten of te betwijfelen; de verkorte naamteekening op den titel kan zeer wel van onzen dichter zelf zijn.

2 Met deze woorden begint Dr. W. J. A. Jonckbloet in zijne Geschiedenis der Nederl. Letterkunde (Tweede druk, II. blz. 165) zijn hoofdstuk over Jan Vos.

3 Wie, zonder het stuk van Jan Vos geheel te doorworstelen, er een goed denkbeeld van wil krijgen, leze de voorlezing: “Shakespeareʼs invloed op het Nederlandsen tooneel der zeventiende eeuw”, van Prof. Moltzer (1874), die ook duidelijk in het licht gesteld heeft, dat Vos den Titus Andronicus door de vertooningen der Engelsche komedianten heeft leeren kennen.

4 De cijfers aan het hoofd der bladzijden zijn dezelfde, waarmede in de uitmuntende, door de uitgevers van den “Cambridge Shakespeare” bezorgde, en weinig kostbare Globe Edition: The works of William Shakespeare (London, Macmillan and Co.), de eerste regel der bladzijde is aangewezen. Genoemde uitgave wordt tegenwoordig vrij algemeen bij aanhalingen gebezigd. Daar niet dan uiterst zelden de Nederlandsche vertaling een versregel meer bevat dan het oorspronkelijke, kon de nommering overgenomen worden, waardoor zoowel vergelijking met het oorspronkelijke, als het doen van aanhalingen of verwijzingen gemakkelijker worden.

5 Een merkwaardig staaltje levert Marlowe in de eerste alleenspraak van Faustus in “The tragical History of Doctor Faustus.” Er komen verscheiden Latijnsche gezegden in voor en de Philosophie wordt in de eerste uitgave er (I. 1. 12) aangeduid met Oncœmion, dat door de latere uitgevers, die ʼt woord niet verstonden, veranderd is in Economy; het woord is gebleken gemaakt te zijn uit de Grieksche woorden “on kai mè on”, “zijnde en niet zijnde”, zoodat Faustus zegt: “Vaarwel, zijn-en-niet-zijn”!

Inhoudsopgave

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Het Engelse orgineel van dit eBoek is Titus Andronicus, eBoek nummer 1106. Een Finse vertaling is beschikbaar als eBoek 21100.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.

This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Documentgeschiedenis

  1. 2007-11-24 begonnen.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Verbetering
Bladzijde zonen Zonen
Bladzijde zonen Zonen
Bladzijde 91 [Niet in bron] .
Bladzijde 95 n En
Bladzijde 96 [Niet in bron] .
Bladzijde 105 , .
Bladzijde 117 ) [Verwijderd]
Bladzijde 121 [Niet in bron] .
Bladzijde 122 verscheiden verscheidene
Bladzijde 123 [Niet in bron] .
Bladzijde 123 Shʼs Sh.ʼs
Bladzijde 125 1. 77. I. 1. 77.