The Project Gutenberg eBook of De lelie van 's-Gravenhage

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De lelie van 's-Gravenhage

Author: Jacobus Jan Cremer

Release date: February 24, 2009 [eBook #28175]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE ***



[Inhoud]

De Lelie van ’s-Gravenhage.

De Lelie van ’s-Gravenhage

Zevende druk.
Leiden.—A. W. Sijthoff’s Uitg.-Mij.

[1]

De Lelie van ’s-Gravenhage.

[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

Het was een koude, gure November-nacht in den jare 1595; donkere wolken bedekten den hemel, en ontlastten zich in vreeselijke plasregens. Aan de anders zoo liefelijke maan was het niet vergund door dat dichte floers heen te dringen, en al vertoonde zij zich ook somwijlen, een zwarte massa wolken beroofde het aardrijk toch spoedig weder van haren glans, en het was slechts licht geweest, om den nacht nog nachtelijker te maken.

Hooge populieren, reeds geheel van bladeren ontdaan, verhieven zich aan weerskanten van den breeden zandweg, die tusschen de steden Leiden en ’s-Gravenhage was gelegen, en vertoonden zich als reusachtige spooksels, die zich onstuimig heen en weer bewogen.

Het was in dien nacht en op dezen weg, dat eene kar, langzaam uit de richting van Leiden komende, een kruisweg naderde. De duisternis liet niet toe het zich daarin bevindende gezelschap te onderscheiden; bovendien werd het door een linnen huif bedekt, en eenigermate tegen wind en regen beschut. Na eenig stilzwijgen echter, sprak een vrouwenstem, ongetwijfeld het woord tot den vooropzittenden voerman richtende: “Let wel op, Casper! Gij weet dat wij bij het Steenen kruis, den weg ter rechterzijde moeten inslaan!—Het is nu geen tijd van slapen,” duwde zij den man, hem hevig op den schouder slaande, toe, daar zij bemerkte dat hij hare woorden niet gehoord had: “Wij moeten rechts, verstaat gij?”

De aangesprokene, zoo onzacht uit zijne dommeling gewekt, wreef zich geeuwende de oogen en keek in het rond.—”’t Is helsch donker,” riep hij eindelijk met een forsche stem: “ik zie weg noch steg.”—“Dan zult gij wél doen af te stappen en de plaats nader op te nemen,” hernam de eerste.

Nadat Casper het paard had doen stilstaan, en het de teugels over den kop geworpen had, voldeed hij nogmaals geeuwende en schier onwillig aan het verzoek, dat meer nog naar een bevel geleek.

Behalve de twee sprekende ingevoerde personen moest er zich [2]nog een derde in het voertuig bevinden, die, wellicht door het luid gevoerde gesprek, of wel door het plotseling stilhouden der kar, was ontwaakt. Althans, nauwelijks had Casper den wagen verlaten, of men hoorde een zacht gekreun, hetwelk door een kind moest worden voortgebracht. De vrouw maakte een snelle achterwaartsche beweging en het scheen alsof zij een kleed over den kermende geworpen had, want, doffer en nauwelijks hoorbaar werd thans het klagend gekreun, dat trouwens telkens meer en meer door het akelig gefluit van den feller opstekenden stormwind verdoofd werd.

“De d..... mag weten waar wij zijn!” riep Casper, terugkomende: “ik zie den zijweg niet. Dat die vervl.... maan er ook niet doorkomt!” ging hij brommende voort: “men kan geen hand voor oogen zien.”—De vrouw, welke meer met de plaatselijke gesteldheid scheen bekend te zijn, en met onbenevelde oogen had rond getuurd, stak nu het hoofd uit de kar, en gebood den nog half slapenden Casper weder op te klimmen: “Ik zie duidelijk,” zeide zij, “dat wij de sloot nog op zijde hebben; zij stuit tegen den kruisweg; rijd dus voort, en let wél op!”—Casper gehoorzaamde, zonder te antwoorden, doch noodzaakte het trage paard, door een: “Kovort, Bles!” hetwelk hij met een duchtigen zweepslag deed vergezeld gaan, zijn langzamen tred weder aan te nemem.

Ruim tweehonderd schreden verder gekomen, ontdekte hij, zooals de vrouw gezegd had, dat de sloot werkelijk stuitte. Hier moest hij dus den gewonen rijweg verlaten en rechts inslaan. De kar verliet het spoor, het wiel kraste tegen een steen, het voertuig helde naar de linkerzijde en ware zeker omvergestort, zoo Casper niet een zwaren slag op het stijve beest had doen nederkomen, dat, daardoor verschrikt, eenen sprong voorwaarts deed. Door deze snelle beweging had het wiel den steen verlaten, zoodat het evenwicht hersteld was.

“Bij alle heiligen! dat kruis had ons daar bijna den hals doen breken!” zeide de vrouw, schijnbaar ontsteld: “Gij moet wat voorzichtiger zijn,” vervolgde zij: “nu, echter, kunnen wij niet meer dwalen; houd slechts het spoor; binnen een goed half uur zijn wij aan de Blankert.”

Casper antwoordde niet, maar prevelde iets binnensmonds, dat veel naar eene verwensching geleek. Zeker kon men echter overtuigd zijn dat hem deze nachtelijke tocht, in zulk een weder, niet beviel.

Niemand sprak verder. De regen viel gestadig bij stroomen neder en had den weg schier in een modderpoel veranderd. De kar schokte geweldig, en het arme paard, telkens voortgezweept, scheen bijna niet meer in staat, zijn vreemde vracht voort te sleepen. Eindelijk werd de stilte weder afgebroken door het meer dan te voren hoorbare gekreun van het kind, dat zich nu scheen te bewegen. De vrouw sprak fluisterend eenige woorden, die alleen door het wezen tot hetwelk ze gericht waren, konden verstaan worden, en vervolgde toen luid tot Casper: “Mij dunkt, dat ik in de verte een schijnsel van licht ontdek?” [3]

“Dit zal zeker de Blankert wezen,” zeide Casper, die insgelijks het licht ontwaarde: “Wij worden opgewacht. ’t Is goed dat wij naderen, want Bles zou ’t geen tien minuten meer kroppen.—Vort, Bles!” en het regende weer zweepslagen.

Inderdaad naderde het voertuig de Blankert, en duidelijk ontwaarden de reizigers nu een persoon, die met een lantaarn op- en nederging. Nog eenige stappen, nog eenige schokken, en het voertuig bevond zich voor een opgehaalde brug, welke spoedig, door den persoon, die zich met de lantaarn aan gene zijde bevond, werd neergelaten. Laatstgenoemde trad nabij den wagen en lichtte er in.

“’t Bevel!” riep de vrouw uit de kar den onderzoekende toe. Dit scheen het wachtwoord te zijn; althans eene toestemming tot voortrijden, dat Casper gold, doch welker uitvoering hem niettemin veel moeite kostte, volgde op dit gezegde.

Dof dreunende, rolde nu het voorgelichte voertuig over de breede ophaalbrug, waarna de geleider het paard bij den kop vatte, het eerst door een holle poort, vervolgens over een breede met steenen geplaveide ruimte en eindelijk in een donkeren stal of schuur binnen voerde.

“Voor den duivel, dat heet boos weer!” zeide Casper, die bij het binnenrijden was afgestapt: “geen kat of hond zou men er uitjagen; doch grof geld weegt zwaar,” ging hij in zich zelven voort, terwijl hij den doorweekten ronden hoed met slappen rand, door heen en weerslaan, van het water zocht te ontdoen.

De nieuwaangekomene, die hen zoo even ontvangen had, scheen zich echter niet met hem in een gesprek te willen begeven, maar trad, nadat hij de lantaarn in het midden van den stal aan een haak had gehangen, op de kar toe. Wat daar gesproken werd kon men niet duidelijk onderscheiden, dewijl het gesprek zeer zacht gevoerd werd.

De lantaarn verspreidde een schemerachtig licht door de ruimte of stalling, doch evenwel helder genoeg, om meer nauwkeurig de personen, die zich aan deze plaats bevonden, op te nemen, en hunne bewegingen gade te slaan.

Het gelaat van Casper vertoonde die ruwheid van karakter, welke men reeds eenigszins uit de weinige door hem gesprokene woorden heeft kunnen opmaken. Zijne oogen waren klein, zijn neus die alle kenmerken van ’s mans neiging tot sterken drank droeg, was middelmatig, zijn mond was groot en met breede lippen voorzien, terwijl rosachtig haar zijn schedel bedekte ’t welk thans, doornat van den regen, in pieken nederhing. Zijne kleeding bestond uit een blauw linnen kiel, een korte grijze broek, een paar wollen kousen en groote beslijkte holsblokken. Nadat het gesprek bij de kar eenige oogenblikken geduurd had, werd door de vrouw aan den vermoedelijken portier, een groot pak overhandigd dat zeer zwaar scheen. Wat dit pak bevatte liet zich weldra gissen. Dat klagend geluid, hetwelk wij reeds in den wagen gehoord hebben, deed zich ook nu weder hooren. De portier nam het hem toegereikte met beide handen vrij voorzichtig aan, en verdween er mede door een tot dus verre onopgemerkte zijdeur. [4]

De vrouw had hare plaats hernomen, en hoewel men haar door de schemering niet duidelijk kon opnemen, zoo zag men toch een paar glinsterende oogen, in de diepe kassen verscholen, van onder een paar donkere wenkbrauwen uitkomen. Zij scheen van middelbaren leeftijd, en was geheel in een bruinen mantel gehuld, waaraan eene kap was bevestigd, die mede voor het grootste gedeelte haar hoofd en aangezicht verborgen hield.

Een aanhoudend geprevel, dat na verloop van ongeveer acht seconden, door een snelle beweging met de handen werd afgewisseld, gaf duidelijk te kennen dat zij een hoogst plechtig werk verrichtte, en zou voorzeker nog langer hebben voortgeduurd, zoo niet de portier ware teruggekomen en Casper, die het hongerige paard inmiddels den voederzak aan den kop had gebonden, een kelk met brandewijn had aangeboden, welke eerst door dezen tot op een vierde geledigd, en vervolgens met een hoofdschuddend: “Bah!” aan de prevelende werd toegereikt.

De portier, die den kelk weder aangenomen had, sprak opnieuw eenige onverstaanbare woorden met de vrouw; overhandigde haar iets hetwelk men niet onderscheiden kon, en Casper vervolgens vier kronen in de hand stoppende, opende hij de groote dubbele deur, die hij bij het binnenrijden achter het voertuig had dichtgeslagen.

“Gij zult spoed dienen te maken, om vóór het aanbreken van den dag weder te huis te zijn,” sprak hij eindelijk: “Voor zulk een tocht en met zulke wegen hadt gij voor dien armzaligen knol wel wat beters kunnen nemen!”

Om der vier kronen wille, vond Casper het geraden deze laatste aanmerking des portiers niet te beantwoorden. “Vóór zessen zijn wij reeds aan de Roemer,” zeide hij; maakte toen den voederzak los; deed het paard het bit in den bek, en dwong, met een: “Terug, Bles!” het reeds zoozeer vermoeide beest eenige stappen achteruit te doen.

Buiten den stal gekomen, wendde hij den wagen naar de andere zijde: nam de touwen leidsels in de hand, en beklom weder het voertuig.

De portier nam de lantaarn uit den haak; vatte het paard bij den kop, en leidde alzoo het voertuig opnieuw over de ruimte, door de holle poort, wier gewelven het geluid van den rollenden wagen weerkaatsten, tot vóór de gemelde ophaalbrug.

Dof dreunde het voertuig over de eikenhouten planken; een wederzijdsch: “Vaarwel,” werd gewisseld, de portier haalde de klep der brug naar boven, en de hand voor het schijnsel der lantaarn houdende, zag hij de witte huif der kar langzaam in het nachtelijk duister verdwijnen. [5]

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,—dertien jaren dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur, dat het vorstelijk ’s-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte zich uitstrekte.

Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt.

Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen?

Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige personen voegen, die in een groep bij elkander stonden.

“Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een kop grooter is dan onze Prins,” sprak een klein, schraal en slecht gekleed man.

“Drie pinten tegen eene!” herhaalde hij, uitdagende blikken om zich heen werpende, terwijl hij eindelijk meer bepaald een jonkman bleef aanzien, die even te voren het tegendeel beweerd had.

De jonkman die, naar het uitwendige te oordeelen, insgelijks niet veel te verliezen had, scheen de uitdaging niet zeer gretig aan te nemen, doch hetzij om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel om zijne bekendheid met den bedoelden persoon te kennen te geven, sprak hij na eenig stilzwijgen:

“Ongetwijfeld echter weet ik dat de markgraaf gezetter is dan Maurits, ik heb....”

“Gelogen!” viel de eerste spreker hem driftig in de rede: “Gelogen vriend! Spinola is lang en mager, lang als Gerrit Aal uit de Wijnstok, en mager....”

“En mager, als Sebastiaan Bril, baardschraper uit het Scheerbekken,” viel een forsche stem den spreker in de rede, welke laatste, op het hooren noemen van zijn naam, zich verschrikt omwendde en achter zich de forsche gestalte en het blozende gelaat van den waard uit de Wijnstok ontdekte.

“Gerrit! Gerrit!” hernam de ontstelde baardschraper, zich herstellende: “Gij deedt beter, mij in het vervolg niet meer met uw [6]barbaarsche stem te verschrikken, geloof mij, de Wijnstok zou mij voor ’t laatst gezien hebben.”

“Bedaar, maat!” hervatte de dikke waard, die huiverde bij het denkbeeld, door eigen toedoen een der beste kalanten uit zijn kroeg te verjagen: “Bedaar! ’t was niet kwaad gemeend.—Maar drommels!” ging hij lachende voort: “Gij bediendet u zoo vrijpostig van mijne lengte, om mij bij dien Spanjaard te vergelijken, dat mij evenzeer uw dunne beenen het recht gaven, om de door u aangevangene vergelijking te voltooien.”

Op deze aanmerking van Gerrit Aal, richtten zich verscheidene oogen naar de dunne eenigszins kromme beenen des baardschrapers, welke in uiterst versleten hozen staken, zoodat zij hier en daar hun natuurlijke kleur vertoonden.

Een luid gelach was de uitwerking door deze opneming teweeggebracht, en zeker had Gerrit zijn vertoornden klant voor altoos verloren, had deze hem niet vertrouwelijk op den schouder geklopt en iets in het oor gefluisterd, ’t welk den kleinen man geheel scheen te bevredigen. Met een luid: “Fiat, Gerrit!” scheen hij alle beleedigingen vergeten te hebben, of ten minste geneigd te zijn, er zich niet verder over te bekommeren.

“’t Zal mij dan eens wonder benieuwen, of die twee malkaar den dolk niet in de ribben zullen stooten!” sprak een oud wijf met een taankleurig gelaat, hetwelk in allerlei richtingen met plooien en rimpels doorploegd was: “’t Was,” ging zij krijschende voort: “de eenige manier, om aan alle ruzie een einde te maken, want razen en blazen zullen de kemphanen zoolang zij lucht in de longen hebben. Vrede, ja! bij mijne ziel, vrede zouden ze maken! ’t Heeft wat in, een Spaansch varken schoon te krabben! Kokend water moet er op! Kokend water, zeg ik, en dan krabben met man en macht!—Bah!” reutelde zij in zich zelve voort, terwijl zij onze groep eensklaps verliet: “Bah! ze zullen met zijden lappen een varken schrapen!”

Ondertusschen was de jonkman, dien wij het eerst met Sebastiaan Bril in eene woordenwisseling hebben aangetroffen, door een voorbijdringend maagdeke vriendelijk toegeknikt. “De trein is in aantocht!” had zij hem toegeroepen, en hem tegelijkertijd bij zijn wambuis grijpende, met zich voortgetrokken, waaraan hij, geenszins onwillig, niet den minsten weerstand geboden had.

Werkelijk kondigde een dichte drom van menschen, die allen van de boschzijde kwamen aanstormen, duidelijk aan dat de zoolang verwachte personen weldra zouden voorbijkomen.

De jonkman, aan wien in het vervolg door het meisje den naam van Maarten gegeven werd, had met haar, weinige schreden van de plaats waar wij hem het eerst aantroffen, op een steenen trap van een fraai gebouw aan het einde van den Kneuterdijk gelegen, post gevat, en zag nu, den arm om haar middel geslagen, dartel koutende, met het grootste geduld de komst van den trein te gemoet.

Wij zullen de jonge lieden voor een oogenblik verlaten, om met onze Lezers, die uit het op straat verhandelde slechts gedeeltelijk de ware toedracht der zaak zullen begrepen hebben, zeer beknopt [7]bij de geschiedenis van dien dag stil te staan, en hun de oorzaak dier feestelijkheden duidelijk te maken.

Filips III, Koning van Spanje, neigde tot vrede; verscheidene beweegredenen drongen hem hiertoe, en voorzeker wel het meest de aanzienlijke geldsommen die het krijgvoeren in de Vereenigde Nederlandsche Gewesten aan den Spaanschen Staat kostten. Drie millioen, zesmaal honderdduizend kronen toch werden er minstens jaarlijks vereischt, om in de behoeften van dezen krijg te blijven voorzien.

Door de ongeloofelijke dapperheid en het kloek beleid van Prins Maurits, was het den Spaanschen bevelhebber markgraaf Ambrosio Spinola bijna onmogelijk geweest, over de stroomen tot in het hart der Vereenigde Gewesten door te dringen, en zeker was het te voorzien, dat de weinige sterke plaatsen, welke hij genomen had, niet te houden zouden zijn, wanneer de Staten van Holland, door Frankrijk ondersteund, opnieuw tot een aanvallenden krijg, die hun vroeger zoo wel gelukt was, mochten besluiten.

De geschillen van den Staat van Venetië met den Paus, in welke Filips zich gemengd had, dreigden hem nog bovendien met een krijg in Italië, welke onmogelijk kon gevoerd worden, zoolang hij niet met de Nederlanden bevredigd was.

Voorts morden de Portugeezen dat hunne schepen door de Staatschen genomen, en hunne volkplantingen in de Oost-Indiën vermeesterd werden zoodat én koophandel én zeevaart ten eenenmale bedorven werden.

Al deze krachtige redenen deden den jongen, in het oorlogen onbedreven Filips vurig naar vrede verlangen. Reeds in het vorige jaar, 1607, hadden de onderhandelingen een aanvang genomen, en had de aartshertog Albertus, daartoe door zijn gemalin Isabella gemachtigd, den Staten aangeboden, met hen, als met vrije volken, te onderhandelen, waarna, op den 12den van Grasmaand, een binnenlandsche wapenschorsing gesloten werd, met eenige bepalingen, en wel voornamelijk: dat de Koning van Spanje binnen drie maanden de Vereenigde Gewesten insgelijks voor vrije Landen zou erkennen.

Prins Maurits, hoewel aanvankelijk onwillig om met den vijand tot vredesonderhandelingen over te gaan, had zich echter door den schranderen advocaat Johan van Oldenbarneveld, die op goede gronden voor den vrede ijverde, tot de ontvangst der vreemde gezanten laten overhalen. Oorlogzuchtig van aard, koesterde de Prins echter den heimelijken wensch, dat de onderhandelingen weldra door onoverkomelijke hinderpalen mochten verijdeld en afgebroken worden. Zijn juiste staatkunde deed hem echter duidelijk inzien, dat hij zich den haat van vele edelen en burgers op den hals zou halen, indien hij zich openlijk en met kracht tegen een aangebodene vredesonderhandeling op billijke voorwaarden verzette.

En nu,—de Spaansche gezanten werden verwacht. Prins Maurits was reeds een uur geleden, door zijne edelen omringd, de ambassade te gemoet getogen. De algemeen beruchte markgraaf Ambrosio Spinola was het hoofd van het gezantschap. Trompetgeschal liet zich [8]in de verte hooren; de trein naderde, en geenszins was het dus te verwonderen dat aller oogen eensklaps naar ééne zijde gericht werden en dat alle gesprekken, van welken aard ook, werden gestaakt, om door een zacht gemompel te worden vervangen.

“Gij zult wél doen, Anne, een trap hooger te klimmen, als gij over al die hoofden wilt heen zien,” sprak Maarten halfluid tot het meisje, hetwelk, op zijn arm leunende en zich al meermalen op de teenen verheffende, getracht had haar hoofd boven de menigte te doen uitkomen. Deze raad werd opgevolgd, en Maarten, die nu ook zijne plaats verliet om weder achter haar post te vatten, sloeg den arm om haar blanken hals, en beiden aanschouwden nu duidelijk, wat wij onzen lezers zullen mededeelen.

Een korps hoornblazers en tamboers, door eenige hellebaardiers voorafgegaan, opende den trein; hierop volgde een heraut van wapenen te paard, en onmiddellijk daarna een prachtige staatsiewagen, met zes kloeke paarden bespannen, wier blinkende hoofdstellen vroolijk in de vriendelijke Februari-zon schitterden. De wagen, waarvan de wielen tot even boven de naven door sierlijk geschilderde raderkassen overdekt waren, bevatte op de hoeken vier vergulde ijzeren staven, die een bijna koepelvormigen hemel onderschraagden, welke uit vier paneelen bestaande, een punt formeerde, op welke eene grafelijke kroon bevestigd was. Gordijnen van hemelsblauwe zijde, met gouden borduursels omzoomd, omringden den hemel, en hingen, eenigszins op zijde geschoven, in sierlijk breede plooien naar beneden. Het inwendige der koets was geheel met rood fluweel bekleed, insgelijks met gouden boordsels afgezet, en op de portieren prijkten de wapens van het huis van Oranje.

Vier pages, op het smaakvolst uitgedost, bevonden zich achter op het rijtuig, hetwelk voorts omringd en gevolgd werd door een aantal edelen en ridders te paard.

Vóór dat wij echter met onze beschouwingen bij het vervolg van den trein stilstaan, werpen wij eerst een blik in het rijtuig zelf, en ontdekken weldra twee personen, die elkander met vele uitwendige hoffelijke gebaren levendig schijnen te onderhouden.

De een, ter linkerzijde gezeten, was middelmatig van gestalte en eenigszins zwaarlijvig. De ander, ter rechterzijde, was rijziger, doch niettemin van krachtigen lichaamsbouw. De eerste had lichtblauwe oogen, waarin moed en vastberadenheid te lezen waren; gulle openhartigheid zetelde op zijn eenigszins blozend gelaat, en niet zelden speelde een ongekunstelde lach om zijne lippen; zijn hoofdhaar was blond en een breede baard van dezelfde kleur, omgaf zijne kaken. De oogen des anderen waren donkerbruin, en werden door lange wenkbrauwen overschaduwd. De groote arendsneus gaf eene buitengewone fierheid aan het gelaat, dat een meer zuidelijke tint had. Zijn hoofdhaar was zwart, een kleine puntige baard omringde zijne spitse kin, en forsche opgestreken knevels bedekten gedeeltelijk een kleinen mond, die, wanneer hij zich tot een lach vertrok, twee rijen tanden als van het blankst ivoor vertoonde.

Het waren Prins Maurits en Spinola, de twee beroemdste veldheeren [9]hunner eeuw, welke elkander vroeger nooit anders dan met de wapenen in de vuist hadden ontmoet, en die thans, naast elkander gezeten, in heuschheden wedijverden. Zooals wij gezegd hebben, de staatsiekoets werd omringd en gevolgd door verscheidene Nederlandsche edelen, in wier midden zich het overige gedeelte des gezantschaps bevond, waaronder zich ook bevonden Don Juan De Mancicidor, geheimschrijver des Konings van Spanje, Joan Richardot, Raad van State onder den Aartshertog en President van den geheimen Raad, benevens de in ’s-Hage reeds bekende monniken Neijen en Verreijken.

Op deze schaar van edelen en ridders te paard volgden verscheidene koetsen met twee paarden bespannen. In de eerste dezer koetsen bemerkte men, behalve den Pensionaris en den Burgemeester der stad ’s-Gravenhage, ook ’s Lands Advocaat en ’s Prinsen eersten raadsman, Johan van Oldenbarneveld, Heer van Berkel en Rodenrijs. In de overige rijtuigen waren de leden van den Raad van State, volgens hun rang of ouderdom gezeten, terwijl de trein eindelijk gesloten werd door eenige hellebaardiers in volle wapenrusting.

“Zie, welk een heerlijk ros!” zeide Maarten, toen de edelen en gezanten te paard de jonge lieden voorbij reden. “Welk een trotsch dier!” vervolgde hij, terwijl hij met den vinger naar een schimmel wees, waarop een jong ruiter gezeten was: “Bij mijne ziel, zóó fier zag ik nooit een paardennek gekromd.”

Anne, die op deze aanwijzing het beest vluchtig had opgenomen, scheen evenwel meer geneigd haar geheele aandacht te wijden aan dengenen die er op was gezeten, en van het ros op den ruiter springende, zeide zij, Maartens opmerkingen vervolgende: “En wat golven die kastanje bruine haarlokken schoon! Welk een edele houding!—hoe jammer dat hij nu juist het hoofd naar de andere zijde heeft gewend.”

Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd, die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat; en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe.

Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval, ’t welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet, aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet; doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween door de openstaande balkondeur.

Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde, dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk [10]zorgvuldig in zijn wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken, arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook steeds grooter en grooter werd.

“Daar kan een slok op staan, Gerrit!” sprak de dunne baardschraper, die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden: “Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt, en ik ben zoo koud als een steen geworden.”

Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen, die allen—evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten of plechtigheden nog de gewoonte is,—voornemens waren de uitgestane vermoeienissen met een dronk weg te spoelen.

De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger werd.—Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben.

Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen.

“Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide zij meermalen, als ik ’s vaders klanten behendig stond in te zeepen: Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren; gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken” vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken: “zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en Vorst heb in de waagschaal gesteld.”

De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten; doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker, die dadelijk aldus vervolgde:

“Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons [11]reeds geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen, en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan; mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker neusvleugel weggemaaid!—Van Der Noot, die het bevelhebberschap der stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken, en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.—In eene monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.—Eenige Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten; de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden.”

Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden, spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes over elkander slaande, ging hij voort: “Met scherpe blikken werd ik ondervraagd, en ’t was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne ondervragers weten wilden.—Men prees mijn moed tot het aanvaarden van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen, en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar [12]ontdekte ik daar veel brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden uitgewisseld.—Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt, ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.—Lang leve Van Bergen! Ja lang, lang leve die waardige graaf!” besloot in verrukking de kleine barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide: “tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij leven!” en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer, doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn zetel op den steenen vloer.

De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen.

Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde.

De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk, vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede.

[Inhoud]

Derde Hoofdstuk.

De zalen van ’s Prinsen paleis op het Binnenhof waren prachtig verlicht. Vele pages en ontelbare bedienden liepen in snelle vaart op en neder, om alles te regelen of ten uitvoer te brengen.

Spaansche en Nederlandsche vlaggen waren smaakvol als tropeeën boven de openstaande vleugeldeuren bevestigd. Aan het einde der groote zaal bevond zich een voor die tijden uitmuntend orkest, hetwelk, eenigszins in de hoogte geplaatst, achter bloeiende heesters en rijk beladen oranjeboomen verscholen was. De zalen waren meest alle met goudlederen behangsels bekleed, en sierlijke rustbanken, [13]met fluweelen zittingen, waren langs de wanden geschikt. Zilveren drinkbekers en schenkkannen prijkten op groote bladen van hetzelfde metaal, en bokalen van fijn Venetiaansch glas, waarin de wapens der Prinsen van Oranje allerkeurigst gesneden waren, stonden in grooten getale en van onderscheidene grootte, op een marmeren aanrecht, waarachter in steenen kruiken of groene flesschen de edelste wijnen voor de komenden gereed stonden.

Het was Prins Maurits, die den Spaanschen gezanten, weinige dagen na hunne aankomst in ’s-Hage, een luisterrijk bal wenschte te geven. Te dien einde had hij de bloem der natie, voor zooverre zij daar kon tegenwoordig wezen, ten zijnent genoodigd, en niets gespaard om alles zoo prachtig mogelijk te maken.

Het uur voor de ontvangst naderde. De bedienden en hoflakeien begaven zich naar hunne posten. Twee rijen van hellebaardiers stonden, met lange hellebaarden, in het met marmeren steenen geplaveide voorportaal. De koetsen rolden. De genoodigden kwamen, en weldra waren de zalen van het Prinselijk paleis opgevuld met edelen, vrouwen, jongelingen en maagden, die allen in pracht van kleedertooi schenen te wedijveren. Zware damasten, zijden en satijnen kleedingstukken boeiden de oogen der edele vrouwen, niets ontging dienaangaande zelfs eenigermate hare aandacht. Bekoorlijke jonkvrouwen trokken als krachtige magneten, de blikken der jonkers, ja zelfs der meer bejaarden tot zich. Doch ook door háár bleef geen jong edelman onopgemerkt, en elk dezer jonkvrouwen koos zich reeds met vurig verlangen, den schoonsten en bevalligsten knaap, om door hem ten dans te worden geleid. De gesprekken werden aanvankelijk zeer zacht gevoerd, en allen wachtten op de komst der hooge personages, die de Spaansche gezanten zouden binnenvoeren.

Eensklaps werden door twee pages de tot dusverre geslotene vleugeldeuren eener aangrenzende zaal geopend.—Prins Maurits, in prachtig feestgewaad, trad met zijn jongeren broeder Frederik Hendrik de groote zaal binnen, vergezeld door de Spaansche gezanten met hun gevolg benevens den Raad van State, welke eersten hij op de hoffelijkste wijze aan de aanwezigen voorstelde. De edelen en vrouwen hadden zich, bij het binnenkomen der Vorsten, allen naar die zijde gekeerd, de mannen bogen hunne hoofden en de vrouwen neigden met de meeste bevalligheid. Na vele dergelijke ceremoniën, werd door den Prins zelf het teeken tot het aanvangnemen van den dans gegeven. Een liefelijke muziek ruischte door de schoone heesters den aanwezigen in de ooren. Edelen en vrouwen, jongelingen en jonkvrouwen, mengden zich nu spoedig dooreen, ieder der mannen koos zich zijne dame, en zij die door ouderdom of andere oorzaken zich den dans ontzegd zagen, plaatsten zich op de rustbanken en namen nauwkeurig de voorbijtrekkende paren in oogenschouw.

Het was een verrukkelijk tooneel die bloeiende paren te zien, en die tevredene aangezichten, waarop gepaste vroolijkheid te lezen stond. Wel werden niet al die jonkvrouwen door het voorwerp harer heimelijke keuze ten dans gevoerd, doch allen schenen voldaan, [14]aller kout was hartelijk en gul, en niets stoorde haar vreugde.—De paren werden en colonne gerangschikt: de menuet nam een aanvang.

Prins Maurits zelf opende het bal. De schoonste der schoonen was door hem tot dat einde uitverkoren: het was de lelieblanke Adelgonde Van Bergen, algemeen onder den naam van de Hagenlelie bekend, die in de sierlijkste lichaamswendingen, aan ’s Prinsen zijde haar gevestigden roem als de bevalligste der Hollandsche jonkvrouwen, op de schitterendste wijze handhaafde.

Aller oogen waren thans op haar gevestigd. Adelgonde was schoon, te schoon zelfs om haar naar waarde te schetsen, en toch wagen wij het van dat liefelijke gelaat te spreken, en te vermelden wat ieder zoozeer aan haar boeide.

Wie had ooit zulke hemelsche oogen gezien? Men vergeve ons deze uitdrukking, want hemelsch konden zij genoemd worden, de oogen, welke de spiegels der reinste ziel waren. Schier bovenaardsche zachtheid straalde uit die helderblauwe kijkers, welke niettemin vroolijk rondstaarden en voor alle bekenden een vriendelijken blik veil hadden. Haar neusje was datgene wat de Franschen ten huidigen dage petit mutin zouden noemen, en wanneer de twee rozeroode lipjes, die als voor de liefde geschapen schenen, zich tot een liefelijk lachje plooiden, vertoonde zich op de wangen der Hagenlelie een donzig kuiltje, hetwelk haar door vrouw Venus zelve zou zijn benijd geworden. Twee rijen tanden, helder als kristal en witter dan de sneeuw der Zwitsersche bergen, parelden in haar kleinen mond, en hare haren die, gedeeltelijk zichtbaar, in sierlijke lokken langs hare slapen nederhingen, waren van die satijnachtig blonde kleur, op welke de Hollandsche maagden zich met recht mogen verheffen. Hals en boezem die, volgens haar gelaat te oordeelen, het albast in schoonheid verre moesten overtreffen, waren, door de dracht dier tijden, aan het oog onttrokken. De breede fijn geplooide kraag omgaf den eerste, terwijl haar ranke leest in een wit satijn keursje gesloten was, ’t welk hare houding op het voordeeligst deed uitkomen. Haar kleed, van dezelfde stoffage, en dat in breede plooien nederhing, was geheel met een boordsel van wit donzig bont omzet, en liet, in het midden een weinig opgenomen, het wit zijden onderkleed aanschouwen, hetwelk echter niet te lang was om nog een paar der fijnste voetjes te laten zien, die ooit te voren een sterveling gedragen hadden, en welke insgelijks weder in wit satijnen schoentjes staken, wier rosetten vervangen werden door een paar flonkerende diamanten van het zuiverste water.

Nog rest ons te zeggen dat haar poezele armen in de eng geslotene mouwen van het onderkleed werden verborgen, en dat er drie rijen van de edelste paarlen door haar hoofdtooisel geslingerd waren.

Nooit droeg zij een andere dan een geheel witte kleeding: doch, blanker dan deze was haar liefelijk gelaat; terwijl weder de blankste, de reinste ziel in dat bevallige lichaam huisvestte.

Ziedaar de Hagenlelie geschetst; ziedaar de twintigjarige Adelgonde, [15]zooals wij haar met onze zwakke pen waagden te beschrijven. Geen ijdel beminnaar van bonte verven gispe hare liefde voor die kleur der onschuld. O wij smeeken hem, aanschouw haar nogmaals in dat glanzige gewaad, in die bevallige lichaamswendingen aan ’s Prinsen zijde, en gij zult verrukt zijn over ons ideaal van vrouwelijke schoonheid.

Was het te verwonderen dat ieder haar beschouwde? dat alle jongelingen zich deze bloem tot gade wenschten, en de jonge Alonzo Spinola, oudste zoon des markgraven, zijn eigen dame schier vergetende, met gloeiende wangen dien hemelschen kelk, op kouden bodem gekweekt, geen oogenblik uit het oog verloor?

De Prins had zijne dame naar eene rustbank gevoerd; twee of drie paren te gelijk voerden nu beurtelings de menuet uit, en wedijverden om Adelgonde Van Bergen in bevalligheid te evenaren.

Was het Alonzo geweest, die met zielsverrukking de schoone Adelgonde had gadegeslagen, thans, nu de edele Spanjaard, aan de zijde van een andere Hollandsche schoone, zijne gaven ten toon spreidde, bleven ook hare blikken aan zijn minste bewegingen hangen, en met recht verdiende de fiere jongeling deze onderscheiding.

Sierlijke bruine haarlokken omgolfden zijn schoon mannelijk gelaat; donkerbruin waren zijne oogen; zijn neus was, evenals die zijns vaders, eenigszins gewelfd; twee zwarte knevels zetelden boven den kleinen mond, en een puntige baard van dezelfde kleur omgaf zijne kin. Zijne kleeding was allerkeurigst, en behalve den breeden halskraag, welke in die dagen, helaas! voor sieraad gehouden werd, omsloot een prachtig wambuis, van lichtrood satijn met zilver doorstikt, zijn breede borst en bovenlijf tot op het midden. De mouwen waren boven de ellebogen opgedoft, en gevoerd met witte zijde, ’t welk door langwerpige openingen zichtbaar was. De wijde broek, die tot even boven de knieën reikte, was van dezelfde stoffage; zijn welgevormde beenen staken in fijne witte hozen, en zijn schoeisel bestond in kleine lederen laarsjes, die van binnen met rozerood fluweel waren gevoerd. Blinkende knoopjes versierden zijn wambuis. Een breede gordel, met robijnen en andere edele steenen bezaaid, omgaf zijne lenden, en bevatte nog bovendien een kostbaren staatsiedegen met prachtig gevest.

De menuet liep ten einde, en geurige mokka benevens kostelijke thee werden den gasten in het fijnste porselein aangeboden. Prins Maurits had zich met den markgraaf Spinola in een druk gesprek gewikkeld. Aan het tegenovergestelde einde der zaal stonden verscheidene edelen bijeen en voerden een geheimzinnig gesprek.

“Het kost mij niet weinig,” sprak een kloek edelman die den herfst zijns levens reeds zeer nabij scheen; “het kost mij waarachtig niet weinig moeite, die Spaansche bloedhonden van zoo nabij te zien en hen niet met het blanke zwaard tegemoet te snellen.”

“In het bosch moet men met de wolven huilen,” zeide een jonkman, op wiens valsch gelaat men duidelijk de geschiktheid tot het ten uitvoer brengen van dit door hem aangevoerde argument kon lezen. [16]

“Wat moet je het geven!” vervolgde de eerste spreker, zonder op des jonkmans woorden acht te slaan: “Zij hebben de schapenvacht gehuisvest, zonder te bedenken dat er een levende wolf in steekt. Wie anders dan de Advocaat kan de Staten en Prins Maurits tot dit gevaarlijk spel hebben overgehaald?” Hij wierp een somberen blik op de veldheeren, die zich nog steeds druk met elkander onderhielden, en verliet, met een gelaat waar angstige bezorgdheid op te lezen stond, de edelen tot wie hij gesproken had.

“De edele Van Bergen heeft gelijk: wij spelen een gewaagd spel,” zeide de baron Van Doorn tot den Zandheuvel, zoodra Van Bergen hen verlaten had: “zij willen tijd winnen en slaan daartoe een schijnbare vredesonderhandeling voor, die nooit tot stand zal komen. Wij vieren feesten, leggen gastmalen aan, terwijl de vijand zich versterkt, om ons spoedig uit dien dommeligen slaap wreedaardig te doen ontwaken.”

“Zoudt gij dan waarlijk van meening zijn dat Spanjes Koning niet werkelijk den vrede wenscht?” sprak de jonker Van Wolkensteijn, den laatsten spreker vragend aanziende.

“’t Kan zijn,” hervatte deze, de schouders ophalende: “doch nimmer zal ik gelooven, dat Spanje vrede zou sluiten met een gewest, ’t welk hem de vaart op de Oost-Indiën zoo duchtig betwist.”

Gedurende dit gesprek, hetwelk in dier voege nog eenigen tijd werd voortgezet, viel er in een belendende zaal, een ander tooneel voor, hetwelk aan onze Lezeressen wellicht meer belang zal inboezemen.

Alonzo Spinola, die de schoone Adelgonde, nadat de dans geëindigd was, geen oogenblik uit het oog had verloren, naderde met een hoogen blos doch ongedwongen houding, de beminnelijke jonkvrouw, en sprak haar, in vrij goed Nederlandsch, met een sierlijke buiging, in dezer voege aan: “Schoone jonkvrouw! voor weinige dagen deed het geluk mij een wezen ontmoeten, hetwelk men, eenmaal gezien hebbende, nimmer kan vergeten. Neen, ik bedroog mij niet toen ik, voor weinige oogenblikken, in het gelaat der bekoorlijke danseres aan ’s Vorsten Maurits zijde, dezelfde hemelsche oogen zag schitteren die reeds eenmaal, door een driewerf gezegend toeval, op mij gericht waren.—Zeker zou ik u niet onaangemeld hebben genaderd,” vervolgde hij met een bevallig glimlachen: “doch dat zelfde gezegende toeval scheen mij daartoe het recht te geven.—Deze fijne doek toch,” ging hij voort, terwijl hij den ons reeds bekenden zakdoek uit zijn wambuis te voorschijn trok: “behoort aan niemand anders dan aan de bevallige jonkvrouw Van Bergen.”

Adelgonde, die bij het naderen van den Spanjaard, insgelijks met een sterken blos zijne komst had te gemoet gezien, had zich echter weldra hersteld en, even opgestaan zijnde, met een lichte neiging des jonkmans eerste woorden beantwoord.

“O!” sprak zij eindelijk, nadat zij den doek uit zijne hand had aangenomen, met eene stem die Alonzo onbeschrijfelijk zoet en welluidend in de ooren klonk: “O waarlijk, edele heer, gij zijt al te verplichtend; een kleine onoplettendheid deed den doek aan mijne vingeren ontglippen toen ik mijn vader, die zich in uw midden [17]bevond, van het balkon toewuifde.—Ik dank u zeer voor uwe behendigheid,” vervolgde zij, niet zonder eenige verwarring, ziende dat de jongeling haar zonder te antwoorden, met een vreemdsoortige uitdrukking, waarin bijna aanbidding te lezen was, bleef aanstaren: “en ik reken mij insgelijks gelukkig,” voer zij, geheel in verwarring gerakende, voort: “door dit toeval.... u... mij.... in de gelegenheid te zien gesteld, eene kennismaking aan te knoopen, die....”

“Die slechts door den dood zal worden afgebroken!” sprak de jongeling in vervoering; doch zich eensklaps bezinnende en heimelijk een rondheid verwenschende, die hem schier altijd de gedachten op de tong legde, ging hij langzamer en met verschuldigden eerbied voort: “Verschooning edele jonkvrouw, verschooning voor het uiten van een wensch, welke, zoo onstuimig ontboezemd, uw kiesch gevoel wellicht kwetst, en mij voor altoos zou verstoken laten van een vriendschap, die zoo vurig door mij wordt begeerd.”

Adelgonde sprak niet, maar sloeg hare oogen naar beneden; de stem des jonkmans had, wel verre van haar te kwetsen, de fijnste snaar harer ziel doen trillen; een ongekend gevoel doortintelde hare aderen, en toen zij, den blik weder opslaande, den jongeling zwijgend in de oogen zag, scheen deze door haar vriendelijk lachje geheel gerustgesteld: hij plaatste zich aan hare zijde, en vervolgde nu, door dat zelfde lachje aangemoedigd, terwijl zijne rechterhand met de fraaie halsketen die op zijne borst hing, doelloos speelde: “O Adelgonde!—verschoon mij, dat ik u zoo ongevraagd bij dien schoonen naam durf noemen?—uw eerste aanblik vervulde mij met duizend zoete droomen. Hoe dikwijls brandde ik in die weinige dagen niet reeds van verlangen om háár weder te zien die, van dat gezegende oogenblik af aan, mijn geheele ziel beheerschte.—Rusteloos hield mijn geest zich met u bezig; gestadig hield ik mijne oogen op den doek gevestigd, die mij door een goeden geest, uit uwe handen was tegemoet gevoerd. Hoe brandde ik van verlangen naar dit oogenblik, om u te zeggen, dat gij uit al de oorden door mij bezocht, van al de maagden door mij aanschouwd, de schoonste, de edelste en reinste zijt bevonden: dat gij alleen....”

“Houd op edele graaf,” viel Adelgonde den vurigen jongeling schielijk in de rede, die, zich zelven in zijne vervoering geheel vergetende, haar bij de fraaie hand had willen vatten: “Matig uwe opgewondenheid,” ging zij weder blozende voort: “gij kent mij niet; slechts weinige oogenblikken hebt gij u in mijne nabijheid bevonden; slechts weinige woorden nog heb ik u toegesproken, en reeds spreekt gij van mijne deugden, van....”

“Alsof uw gelaat, uw oog bovenal, niet het toonbeeld, den spiegel uwer reine ziel ware,” voerde Alonzo, op Adelgondes laatste woorden, haar overredend tegemoet: “Geloof mij edele jonkvrouw, waarachtige liefde woont in mijne borst. O, geef mij slechts eenige hoop; laat slechts één zoet woordeke uw rozemond ontglippen. O, zeg mij bovenal, dat geen voorwerp nog uwe keuze heeft bepaald; dat ik u niet geheel onverschillig, niet geheel....” [18]

Hier hield Alonzo op met spreken; pijnlijk vragend staarde hij op het blanke gelaat van de Hagenlelie; en Adelgonde, verrast en op zulk een tooneel niet voorbereid, zag zwijgend voor zich neder; een traan, aan het overrompeld vrouwelijk gemoed ontweld, parelde in haar hemelsblauw oog. Doch zich als ’t ware eensklaps bezinnende, stond zij schielijk op: “Wij zullen elkander wederzien, edele graaf!” sprak zij halfluid, maakte toen een bevallige neiging, en zich daarna snel verwijderende, liet zij den jongen Spinola aan zich zelven over, die, alsof hij uit een droom ontwaakte, haar met teedere oogen nastaarde. Het ontging echter zijner aandacht niet, dat weinige schreden van die plaats, een jong edelman haar tegemoet trad, die, na eene korte toespraak haar den arm bood; hem een vluchtigen blik toewierp, en zich eindelijk met de schoone Adelgonde onder de overige gasten mengde.

—Zou het inderdaad slechts een schoone droom zijn geweest, dacht Alonzo bij zich zelven; zou dat bekoorlijk schepsel slechts een baatzuchtige coquette zijn, die eerst met schijnbare belangstelling mijn waarachtige liefdesontboezemingen aanhoorde, om dat voorwerp, hetwelk haar meer dan zich zelven bemint, te zekerder aan haar triomfwagen te hechten, alleen met het doel om het getal harer aanbidders te vergrooten?—Maar neen! ging hij in zich zelven voort, terwijl hij een hem aangeboden roemer met kostbaren Rijnwijn van een zilveren schenkblad nam: neen! dat is niet mogelijk; dat engelengelaat kan zóó niet huichelen. Neen: Wij zullen elkander wederzien, heeft zij gezegd; ja, dat heeft zij duidelijk gezegd; en ’t was toch niet geveinsd, dat in haar oog, den azuren hemel gelijk, die traan opwelde.—Maar toch.... zij verliet mij eensklaps.... eensklaps.... juist in dat zoozeer gewenschte oogenblik, toen ik een woord van liefde uit haren mond dacht te vernemen; en, zich verwijderende, ijlt zij een ander tegemoet, dien zij wellicht meer hare liefde waardig keurt, doch die haar nooit kan beminnen zooals ik haar bemin!

Zeker zou Alonzo zijne bespiegelingen hebben voortgezet, en door zijn driftig gestel nog langer tusschen hoop en vrees zijn geslingerd geworden, ware de jonge edelman, die Adelgonde even te voren was tegemoet gaan, en in wien wij de trekken van hem herkennen, die in het vroeger met Van Bergen gevoerde gesprek, ons reeds zijn huichelachtigen aard ontdekte, hem niet met een schijnbaar vriendelijk gelaat ware genaderd, en, hem in zijne overpeinzingen storende, vragend had aangesproken.

“Is het den edelen Alonzo Spinola vergund, met somberen blik een luisterrijk bal bij te wonen, ’t welk Maurits mede ter zijner eere heeft aangelegd? Mag de edele graaf, wellicht treurende om eene in zuidelijker streken verlaten geliefde, de ook niet te verwerpen Hollandsche schoonen naar zich laten smachten, terwijl de muziek der liefelijke fandango hem in de ooren klinkt?—Kom,” vervolgde hij, terwijl hij een zijdelings loerenden blik op Alonzo wierp: “kom! zij zal u niet vergeten. Spoedig keert gij tot haar terug, en het zal haar goed zijn te vernemen, dat gij, te midden der Nederlandsche [19]maagden, alleen aan háár dacht, die uw geheele hart schijnt te beheerschen.”

Alonzo, die den onbescheiden vrager met eene buiging had begroet, scheen niet geneigd zijne geheimen voor hem bloot te leggen. “’t Is waar,” sprak hij: “de fandango is een schoone dans, en zeer geliefd in mijn vaderland, ik dacht niet dat die hier reeds bekend was.”

Jonker Walter Van Rodenberg scheen niet voldaan met dit antwoord. Gemeenzaam, als waren zij oude bekenden, nam hij Alonzo onder den arm, en met hem de groote zaal binnenstappende, ging hij fluisterende voort: “Gij zult mij toch moeten bekennen, dat zich hier lieve schepseltjes in overvloed bevinden.—Zie,” zeide hij, even met den vinger wijzende: “ziet gij die lieve brunette, in rood satijnen kleeding? zij is waarachtig niet slecht; of dat kleine zwarte ding daar, wier levenslust haar uit de oogen straalt? Of misschien staat u die lieve blondine daar beter aan?” vervolgde hij, op Adelgonde wijzende, die juist aan de overzijde der zaal, aan den arm van Van Wolkensteijn op en neder wandelde: “Nu, waarachtig, dan zou uwe keus niet slecht te noemen zijn, het is de freule Van Bergen; de kwade tongen betwisten haar wel is waar dien oud-adellijken naam, doch,” ging hij voort, terwijl hij ter sluiks een blik wierp op Alonzo, die bij deze laatste woorden zoo bleek als een doode geworden was: “doch wat raakt der liefde naam of geboorte; eene vrouw blijft eene vrouw; het genot van haar bezit blijft hetzelfde. De schoone zal mij reeds verwachten,” zeide hij, zien eensklaps verwijderende, en naar Adelgonde toetredende, nam hij haar van den jonker Van Wolkensteijn over, en voegde zich met haar bij de dansende paren.

Alonzo stond als aan den grond genageld. Wel had hij de vuile tong des jonkers willen bestraffen, doch de macht had hem daartoe ten eenenmale ontbroken. Roerloos stond hij daar; honderden gewaarwordingen doorwoelden zijne borst, en—dankbaar zegende hij den volgenden morgen de liefelijke droomen, die aan zijn overspannen geest, rust en kalmte hadden teruggegeven.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteel den Oldenburgh, hetwelk ongeveer op een uur afstands van ’s-Gravenhage was gelegen. Met strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig waren opeengestapeld. Vroolijk knappend [20]spatten de vonken en stegen in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine stofjes weder neer te komen.

Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk ’s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat—insgelijks in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.

Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.

Eensklaps werd de deur geopend en de gravin de douairière Van Bergen aangediend.

Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar linkerschouder, gedeeltelijk over haar rug [21]tot aan de knieën hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere afkomst deed denken.

Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich naar hare kamer.

“Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?” begon de dame, zoodra zij zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche afkomst verried.

“Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord.”

“De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch....”

“Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?” hernam Van Bergen, hare rede aanvullende.

“Over zaken had ik u insgelijks te spreken,” hervatte de dame: “Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven.”

“Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik ten twee uren in Den Haag word verwacht,” zeide Van Bergen, terwijl hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, met den voet terugstiet.

“Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat,” hernam de andere: “De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.—Mon Dieu! hoe is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die aan de douairière van uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige kasteel [22]nu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?—Impossible, zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen.”

Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.

Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: “Gij schijnt te vergeten mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, dat een andere vrouw,” en hier sloeg de graaf een paar fonkelende oogen op zijne bezoekster: “in hare rechten tredende, dien zoon bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed had recht verkregen.—Het grieft mij tevens diep,” vervolgde hij, terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield nedergeslagen: “door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke redenen, had verstooten.—Laat mij uitspreken, bid ik u,” ging hij voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: “Herinnert gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteel den Blankert met al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste onrecht?—Neen, spaar uwe woorden mevrouw!” vervolgde hij, terwijl hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: “Ik weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, dat gij uw zondigen aard niet verloochenende, [23]hem spoedig daarna ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden verloren hebben.—Gij ziet,” zoo eindigde hij: “dat, hoewel ik u in verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds spoedig zult verlaten—verlaten, om rekenschap uwer daden af te leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden.”

Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.

Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon vuur schitterden, naar hem op. “Gij valt mij hard graaf,” sprak zij op diep verongelijkten toon: “Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik....”

“Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet sneldet!” viel Van Bergen haar met een donderende stem in de rede.—“Vertrek mevrouw,” ging hij voort: “verlaat mijne woning! Wat ik u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit tot u spreken zal.”

De graaf floot driemalen. “Is de koets der gravin in gereedheid?” vroeg hij een binnenkomenden bediende.

“Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort.”

“Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden.”

Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het in [24]haar voordeel te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.

Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.

De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.

—Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, ’t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?

Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.

—Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is fierder en kloeker gebouwd? Wie toch, van al die jonkers, spreekt zóó bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van Alonzo’s welluidende en zoetklinkende taal.

Zoo droomde Adelgonde voort,—aan Alonzo gelijk, geslingerd door vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.

Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in het kleeden behulpzaam te zijn.

Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en vriendschap van hare gebiedster [25]ten volle waardig was. Hare gestalte was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in helderheid verre overtrof.

“De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten.” begon zij eenigszins spotachtig: “Gisteren, ja, toen moest er meer haast gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd.”

“Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!” zeide Adelgonde: “De graaf is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een bezoek op den Oldenburgh komen afleggen?”

“O!” hervatte Anne met een glimlachje: “er zijn zoovele vreemdelingen in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!”

“Waar zijn uwe gedachten Anne?” hervatte Adelgonde, die, hoewel heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier wilde bekennen: “Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel andere bezigheden.”

“Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het guurste weder iederen Zaterdag-avond naar den Oldenburgh. Maar al sta ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd alsof hij in een oven stond.”

“Dan denkt gij dat die heeren voor den Oldenburgh zouden gloeien, als uw Maarten voor zijn Anne?” vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel scheen te bevallen.

“Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eens den Oldenburgh als zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen,” hernam het meisje: “maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen, zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen.”

“Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest....”

“Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens vertellen,” viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: “Gij moet dan weten dat ik u, toen die gezanten—of hoe men die menschen noemt—in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman, met haren, veel mooier dan de uwe of de [26]mijne; juist tusschen onze kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.—Neen waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde, ja bloosde—nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule.”

Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze liet zich niet afschrikken.

“Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen,” vervolgde zij: “dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te behouden, het mooie stel zou schenden.”

“Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster,” zei Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok: “hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden.”

“Ha ha!” zeide het meisje lachende: “er heeft dus gisteren op het bal reeds een tête à tête plaats gehad, zooals de Franschen het noemen; nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest wel volgen.”

“Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,” hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.

“Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde,” ging Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen: “Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed, en kan u zeer veel van dienst zijn.—Daar is Maarten, die is volmaakt voor een “poltron d’amour” geschikt, zooals de Franschen zeggen; hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook wel zoo’n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen moest ik op een klein stukje perkament zetten: “ik bemin u!” en dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart, tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet, want hij moet—evenals Maarten van mij—ook een vlokje van uw haar hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.—O, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,” vervolgde zij, ziende dat Adelgonde glimlachte: “Gij moet elkander een suikeren hartje geven, en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken; [27]u des nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen, en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft ook veel ruwer handen dan ik.—Maar als hij mij zoent, zie, liefste freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen, zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!”

Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.

“Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!” sprak Adelgonde, wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en al was geweken. “Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten eenenmale afgedaan.”

“Toch niet! toch niet!” riep Anne: “hij heeft het suikeren hartje geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd, niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?”

“Gij meent het zeer goed met mij,” zei de jonkvrouw vriendelijk: “Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs,” en te gelijk verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen, zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij zelve die van hare kamenier.

[Inhoud]

Vijfde hoofdstuk.

Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herberg de Wijnstok binnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk, na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken, was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur, waaraan eene klink [28]was bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in het anders zoo armoedige vertrek.

Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben, wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.

De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en kopieën naar Raphaël d’Urbino’s prachtige schilderijen. Portefeuilles en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim opgevulde vertrek.

Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.

Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.

Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling in de armen, in eenvoudige witte kleeding, [29]door den kunstenaar op het zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des kunstenaars moest wezen.

“Zoo! Geen penseelstreek meer!” riep hij, eensklaps eenige schreden achteruitgaande: “Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat hemelsche lachje!—Getroffen!—Getroffen zonder wederga!—Ja, zoo zag zij mij aan!—Ja, juist zoo!—Met dat engelengelaat, met dat reine, tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon moet hebben aangezien! O heilige kunst!” vervolgde hij in dwepende verrukking: “Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven, wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden, doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,—hemelsch! ja, hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!—Zoo mag ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,—wederzien, na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu, nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen: mijn graf zal ook het uwe zijn!”

In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner verbeelding uit, doch—liet ze plotseling weder als machteloos zinken:—“Dwaas! dwaas!” sprak hij langzaam en met een diepen zucht: “Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer wenschen?—Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene herschapen?—Dwaas!” ging hij voort: “Dwaas! het zijn slechts verven—verven, door u zelven gemengd—door u zelven daarop gebracht.—En gij bemint uw eigen maaksel?—Dit onvolkomen afdruksel van dat prachtige origineel?”

“Slechts verven!” riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.

Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen; zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan zijn geprangd gemoed.—Eenige minuten bleef hij in dezen toestand; toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand; sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende, doch klagende stem, de volgende woorden;

“Dáár, waar de Maas haar zilvren stroom

Langs hooge rotsen voert,

Daar droomde ik aan haar kabblend boord

In ’t statig en toch lachend oord,

Een schoonen zoeten droom.

[30]

Ik droomde, dat in snelle vaart

Een jonkvrouw, fier en schoon,

Kwam rennen van der bergen top,

Haar arm geslagen om den kop

Van ’t ongezadeld paard.

Haar angstkreet klonk van berg tot dal,

Door de echo weergekaatst;

Zij werd door vriend noch maag gehoord;

De klepper holde rustloos voort

En dreigde haar ten val.

Het ros, met schuim en stof bedekt,

Stoof pijlsnel langs mij heen;

Ik hoorde een klagend angstgeschrei;

Zij zag mij aan, en hield naar mij

Den blanken arm gestrekt.

Die blik, en ’t kermend angstgeween

Ontvlamden mijn gemoed;

Met bliksemsnelheid vloog ik op

En greep den klepper bij den kop,

Die eensklaps roerloos scheen.

Eén schrede nog, en ’t hollend beest,

Waar’, met zijn schoonen last,

Gestort in ’t zilverglanzend nat;

Eén schrede nog op ’t aklig pad,

En ’t waar’ te laat geweest!

Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,

Zoo rein, vol melodie,

Toen was het of ik in dien stond

Mij bij het Godenheir bevond

En zuivren nectar dronk.

“O,” klonk dat lieflijk rein geluid:

“Ik dank u, edle knaap!

Mijn redder, en mijn goede Geest!

’t Waar’ zonder u te laat geweest:

Gij hebt mijn val gestuit.”

Ik droomde voort: Ik leidde haar

Den bergtop weder op,

Langs bloem en struik, langs mos en steen,

En voerde haar naar ’t lustslot heen

Des graven Aduaar.

[31]

Ik droomde voort: Zij zag mij aan,

En nogmaals klonk haar stem,

Ten afscheid nu, een zacht: “Vaarwel!”

Zij drukte mij de hand, en snel

Was zij van dáár gegaan!

’k Ontwaakte. Hemel! was ’t een droom?

Slechts ijdle hersenschim?

Had ’k dan die engel niet gezien?

Had ’k niet getracht haar hulp te biên

Aan d’ oever van dien stroom?—

Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,

Reeds maanden, droef en lang.

Was ’t werklijkheid of ideaal?

Slechts zinsbedrog?—Heb ’k dan haar taal

Niet hem hemelsch rein gehoord?”

Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk herkende.

Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit de Wijnstok, het onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.

Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel; boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken: “Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen, ’t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.—Droom niet, Jakob,” vervolgde zij: “ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen uw deel zijn. Leef voor....”

Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag haar niet, hij hoorde haar niet.

“Vaarwel heeft zij gezegd!” sprak hij eindelijk: “Vaarwel!.... doch tot welken tijd?—Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen omdolen in die streken waar ik droomde....—Droomde....? [32]

Ontferming, hemel! was ’t een droom?

Slechts ijdle hersenschim’?

Heb ’k dan die engel niet gezien?—

Ja! ’k heb getracht haar hulp te biên

Aan d’ oever van den stroom!”

Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:

“Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, ’t welk gij reeds zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na te jagen?—Gij droomt Jakob,” vervolgde zij, terwijl zij met hare hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde streek. “Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!” De jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping aangehoord. “Gij zijt een goed meisje!” sprak hij, als ontwakende: “gij hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik gevoel mij zeer afgemat.”

Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar, door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling, en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het vertrek binnentrad.

De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.

“Waarachtig, een allerliefst tooneel!” sprak de jonker Van Rodenberg, op spotachtigen toon: “een schoone die haar slapenden minnaar bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!” ging hij, haar aansprekende, eenigszins harder voort: “dat gij niet, evenals Potifars huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt.”

Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerende [33]vergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam te zuiveren.

“Uw scherts is bitter en ongepast,” sprak zij zachtjes: “De schilder is ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken; kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten.”

“Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!” zeide Van Rodenberg: “Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog, toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel, ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later voort.—Kom, wakkere kunstenaar!” riep hij, op het bed toetredende: “kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!”

“Om ’s hemels wil, spreekt zacht,” smeekte Klaartje. “De ongelukkige is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie weet of hij niet stervende is?—Ik bid u edele heer, ik bid u dringend: ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn einde nabij is.”

“Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!” sprak Van Rodenberg. “Een overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom kom!” vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: “die comedie heeft al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat later terug, doch laat ons nu alleen.”

Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.

De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd, en staarde in het rond.

“Waar ben ik?” zeide hij: “Zij is er dus niet?—Alweder een droom!—Doch ’t is voorbij!”

“Het doet mij werkelijk leed,” sprak Van Rodenberg die, in weerwil van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet willig scheen de waarheid te gelooven: “Het doet mij werkelijk leed u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen; het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn.”

Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog steeds de Madonna stond. “Bij mijne ziel!” riep hij na eenig zwijgen: “wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar het leven gemaald?” [34]

Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.

“Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!—En gij.... gij bemint haar?” riep hij, terwijl een lichte blos zijn doodsbleek gelaat kleurde: “Waar is zij?—Spreek!—Ik zal haar dan zien.... eindelijk wederzien!”

“Gij zijt dronken, knaap!” bromde Van Rodenberg: “Wilt gij op alle mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!”

De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst; wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.

[Inhoud]

Zesde hoofdstuk.

Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.

—Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?

Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel te zadelen.

“Moet ik uw genade vergezellen?” vroeg deze.

“Dat is niet noodig Ferdinand.” antwoordde Alonzo: “Ik zal....”

Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.

“Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?” vroeg deze, met de hem zoo eigen vrijpostige gemeenzaamheid: “Het was mij recht aangenaam kennis met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier, voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn, [35]edele Spinola! Ik kom u de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen.”

“Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!” zeide Alonzo, nadat hij de verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.

Ferdinand boog en vertrok.

“Gij zijt een vreemdeling in onze streken,” vervolgde Van Rodenberg: “en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat, zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan veraangenamen.”—Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene hand en schudde die trouwhartig.

“Gij maakt mij inderdaad verlegen,” zeide hij: “Het is ongetwijfeld veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren.”

De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling, toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter begon te spreken.

“Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den kop gejaagd,” zeide hij: “Reeds menig wakker edelman heeft den steven naar den Oldenburgh gewend, doch werd door fellen stormwind teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen.” Bij deze woorden sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker, waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd, en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.

“Leve de vrijheid!” riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer zwaaiende: “Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn.”

Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij, om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht—al gevoelde hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,—kon in zaken van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt. [36]

“Uw bedoelingen zijn wellicht goed,” zeide hij: “en zoo ik hoop, wilt gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der losbandigheid zijn.”

“Wel wel!” zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam van losbandige begiftigd.—Wij spreken in Holland ronde woorden: wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat mijne bedoelingen....”

“Ik ben te voorbarig geweest,” viel Alonzo hem in de rede, daar hij berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: “Mijne oordeelvellingen waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd beoordeeld,” en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.

“Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen, aan mijne losbandigheid overgegeven!” zeide Van Rodenberg: “Wij spreken in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!”

Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?

“Welaan!” zeide Alonzo: “gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen van dienst willen zijn?—Welnu dan:” en thans verhaalde hij met een vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard, en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden, voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist, of wat de wereld daarvan zeide.

De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen neus wijder opengespalkt waren.

Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen nu Alonzo geëindigd had, was het weder—hoewel meer dan [37]te voren gekunsteld—in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo’s laatste vraag, vrij natuurlijk lachende: “Booze roover! kwaamt gij daarom herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch wat de ent aanbelangt” vervolgde hij, zich even bezinnende: “ja, die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld.”

“Wat bedoelt gij?”

“Wat ieder weet,” hervatte Van Rodenberg: “Zij is de natuurlijke dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch,” liet hij er onmiddellijk op volgen: “gij hebt mij rondborstig uw geheimen geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u, dat gij mijne woorden zult geheim houden.”

“Gij liegt!” riep Alonzo, opspringende: “Gij zegt iedereen weet de zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding.”

“En gij beleedigt mij!” hernam Van Rodenberg, mede opstaande; doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: “Neen, ik begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat uur zal verwachten.”

Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk aannam.—“Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!” en hiermede verliet de jonker haastig de kamer.

Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.

Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op Den Haag aanreed.

De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween ijlings in eene zijlaan.

—Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in te slaan?”

Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan zijne woning terugkwam.

Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem aan de deur verbeidde.

Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?

Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niet [38]te breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.

Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde, doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een nauwe steeg in.

“Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!” zeide Alonzo: “hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn.”

“Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te brengen,” antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen, opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap trad op eene—zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend, en, door het sterke licht dat Alonzo—in tegenstelling van de buiten heerschende duisternis—op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.

De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen een: “Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!” uit Van Rodenbergs mond hem in de ooren klonk.

Verrast zag hij om: “Is het hier?” vroeg hij dadelijk op fluisterenden toon: “dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo teedere zaak wilt geven?”

“Bah!” zeide Van Rodenberg: “denkt gij daar nog aan! ’t Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar thans niet om.—Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen.” Deze laatste woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo, niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker. [39]

“Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen wijn gedronken,” ging Van Rodenberg voort: “en hoewel er op onze naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken zal.—Gij zult mij eene welkomstteug,” vervolgde hij tot Alonzo: “voorzeker niet weigeren?”

De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld, en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou ter hand stellen.

“Nu,” zeide hij, tegen zijn wil toegevende: “wij zullen uw wijn eens proeven.” De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze in de bekers.

Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker bescheid.

“De derde flesch!” riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel slaande: “Doch voor den duivel!” vervolgde hij, een triomfanten blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: “wij kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of goederen!” En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.

Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen van nabij gezien had.

“Gij kunt uw gang gaan,” zeide hij: “hoewel ik het u afraad; maar ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad beschouw.”

“Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!” riep Van Rodenberg: “welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!—Leve het spel!”

“De gierigaard alleen,” zeide Arends, Van Rodenbergs woorden vervolgende: “schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil niets wagen, maar altijd zeker winnen.”

“Maar gij!” ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: “Gij! door wiens aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edel [40]en vermogend, zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!”

De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig, hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren: Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde, en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. “Gij hebt gewonnen!” zeide Van Rodenberg zeer koel: “Laat ons nogmaals drinken; de fortuin is mij niet gunstig.”

“Niettemin zullen wij nog één worp doen,” sprak Alonzo, wien het hinderde gewonnen te hebben.

“Welaan dan!” hernam Van Rodenberg: “doch dan zullen wij den inzet verdubbelen: zeshonderd kronen!” Weder klonken de steenen in den kroes, en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.

Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende, vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening aannemen.—Door een onafgebroken quitte ou double werd de schuld van Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds door hem verloren.

“Het geluk zit in uw kroes!” zeide hij eindelijk met een, door het gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: “Geef mij uw steenen, ik zet tweemaal double tegen quitte.”

De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.

“Waartoe zou dit dienen?” vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen, geveinsd lachende: “Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes steekt, welnu hier is hij.”

“Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!” riep Alonzo, eensklaps verwoed opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: “Gij zijt een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!—Mijne heeren!” ging hij overluid voort, de zaal rondziende: “duldt gij een edelman in uw midden die tevens een valsche speler is?”’

Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: “Gij zijt mijn gast,” zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: “Gij zijt een vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid geworpen hebben!”

Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard. [41]Alonzo, door drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig echter sprong Van Rodenberg weder overeind; trok zijn degen, en zou Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen hem hadden tegengehouden.

De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.

“Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!” zeide Alonzo eindelijk: “doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig bestaan.”

“Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!” berstte Van Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.

“Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden ons leven zullen laten!”

Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het andere gedreven.

“Den degen!” zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de gewelfde ruimte.

Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte, niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.

“Wie daar?” riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken: “Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!” en tevens het nedervallen van een lichaam.—“Zijt gij de graaf Spinola?” vroeg nogmaals dezelfde stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde, en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra in de open lucht. “Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere knaap!” zeide Alonzo: “doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?”

“Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!” zei de jongeling: “en daar ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad, was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen.” [42]

“Gij hebt braaf gehandeld,” hernam Alonzo: “Doch gij hadt eene boodschap aan mij?”

“Dit briefje moest ik u ter hand stellen,” sprak de jonkman, die niemand anders dan Maarten was: “Het komt van den Oldenburgh.”

Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand, begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:

“Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt.”

Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.

[Inhoud]

Zevende hoofdstuk.

Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe Oosteinde insloegen.—De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg was besteed, zou hebben toegebracht.

Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen, diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze willen mededeelen.

“Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als mijn paard,” zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpooten [43]in de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in bedwang was te houden: “Zij zullen op de achterpooten gaan staan, en ons wellicht uit den zadel werpen.”

“Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja, dan zou ik dit voorzeker gelooven,” antwoordde de markgraaf Ambrosio Spinola: “doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem moeten wij vooral te vriend houden.”

“Wij spelen een vermakelijk spel,” zeide Don Juan De Mancicidor, die den sprekenden ter zijde was gereden: “Waarachtig! wij handelen over een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden, die onze vijanden zijn.”

“Dit is niets vreemds,” hernam Spinola: “en was ook hier te berekenen; doch zoo het al geen vrede zal zijn, bestand moet het toch worden.”

“Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden,” zeide Richardot: “Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit verwenschte kikkerland!”

“Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen,” merkte Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld: “Ik ken hun aard,” vervolgde hij: “dewijl mijn vader, Maarten Neijen, een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden godsdienst zullen zij nimmer toestaan.”

“Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven,” antwoordde de toegesprokene. “Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden opdoen.”

“De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen,” had Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: “doch dit punt moet met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende, den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden.”

“Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan,” zeide Richardot: “De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken.”

“Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!” riep nu eensklaps de kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden, die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees: “dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve, en vervolgens kan u de laan, die op het kasteel den Oldenburgh uitloopt, niet ontgaan.”

“Dus kunnen wij onzen “Memento Mori” zijn afscheid, en onzen paarden de sporen geven,” zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp, hetwelk deze met een tevreden: “Dank mijne heeren!” opraapte, waarna hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen, om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal in den Wijnstok. [44]

De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners van den Oldenburgh, de aankomst der Spaansche gasten.

De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen, en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar dagen lang de grootste drukte op den Oldenburgh geheerscht had. Bij zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven, en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd, de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende zaal bevonden, zouden gezeten zijn.

Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan, om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd, die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijd oprechte hartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer, den beroemdsten van zijn tijd.

Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeer [45]goed dien somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt, hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.

Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok, was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.

Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten, en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin, met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken zocht bezig te houden.

Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten; des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij den kruisweg, het Steenen kruis genaamd, met den degen te ontmoeten.

Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander, in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan, zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.

Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te wreedaardiger voort.

En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden, was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken, hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie hunner zielen duidelijk begrepen werd.

“Maar om ’s hemels wil, dierbare jonkvrouw!” zeide Alonzo, toen het middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige woorden met Adelgonde kon wisselen: “wie toch heeft mij veroordeeld in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken, [46]zonder u te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,—dat ik u bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste zal zijn ...!”’ doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand en vervolgde; “Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen, hem, die u....” doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij van toon en vervolgde zacht smeekend: “Ik bid u! schenk mij in dezen stond het antwoord op de vraag: “Kunt gij mij waarlijk beminnen?”

Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden; zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en fluisterde zacht: “Alonzo, ik bemin u!” Dadelijk verwijderde zij zich, en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.


Het was vrij donker toen de gasten van den Oldenburgh huiswaarts keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan, en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.

Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar ’s-Hage insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaalde Steenen kruis aan.

De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken; meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden, dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje, het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken; hij zou niet op het veld [47]van eer zijn gestorven, en nimmer zou hij de zachte woorden: “Alonzo, ik bemin u!” meer hooren. Hij staarde in de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.

Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig, en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren, dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.

“Wie daar?” riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.

—Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig uitziende naar den zijweg waar zich het Steenen kruis bevinden moest.

Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte hij niets.

—Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad, of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen, of ten minste opmerkzaam maken.—“Ik ben Alonzo Spinola!” riep hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was dat grinnikend lachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde zeer aandachtig; doch—niet het minste geluid trof nu zijne ooren.

Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield, want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen, en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.

Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden, of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende, bond Alonzo het met den teugel aan den tak van een [48]boom, die op den hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden, en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne ooren trof.

“Gij zijt Alonzo Spinola!” riep eene stem, die den lach opvolgde, welke Alonzo door merg en been had gedrongen; “Zie hier dan—de groete van Van Rodenberg!” en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich, verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt, zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht; niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.

Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.

Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en bewaard had.

Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren, om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinige [49]minuten slechts had hij doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich, die hem den toegang belette.

Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde helling op; maar—vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.

Verscheiden malen deed hij van een: “Doe open!” de lucht weergalmen; doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen, hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.

“Wie daar?” riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo, geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk, in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: “Ik ben Alonzo Spinola, zoon van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een nacht te willen huisvesten.”

“Zijt gij alleen?” vroeg de stem van binnen.

“Geheel alleen!” was Alonzo’s antwoord: “zelfs mijn paard heb ik door een samenloop van omstandigheden verloren.” De deur werd nu van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude gure nachtlucht prijsgegeven.

Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier, in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden, ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven. [50]

Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug, benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.

[Inhoud]

Achtste hoofdstuk.

De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: “van hun buik,” zooals zijn Verlosser gezegd had: “hun afgod maakten.”—Het waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen, een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen besluit, en toch, toch kon en mocht hij niet anders handelen.

Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken, het raam openstiet.

Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn gloeiende wangen aangenaam verfrischte.

“God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!” riep de graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder de zon uit de kimmen zag verrijzen. “Ja, groot en goedertieren waart Gij, o God! toen op uw machtig woord: “Daar zij licht!” de prachtige hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch, waart Gij toen reeds een goedertieren [51]en zorgend Vader, hoeveel te meer zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden, nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....—Ja, genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!—Aan Uw gevallen zondig schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten bloed eeuwig zalig zou worden.—O, dank daarvoor, oneindig groot en barmhartig Opperwezen!” ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: “Maar dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken, ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden, dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O, geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, ’t welk ons bezield heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin, naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven, gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben.”

Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig geledigd had.—Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen, toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.

Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar Burgman binnen.

“Goeden morgen uwe genade!” zeide deze: “dat heet ik vroeg opstaan. Om halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht is gesloten en de vijand is uit het veld.”

“Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben,” zeide Van Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden: “Het ontbijt moet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer wensch te spreken.”

“Zeer wel uwe genade!” antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen zoo stug en afgetrokken was.

Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen. [52]

“Hebt gij wel geslapen, lieve vader?” vroeg zij, terwijl zij den graaf een hartelijken zoen gaf: “Ik heb mij gehaast aan uw verzoek te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?” en tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.

“Ja lieve Gonne,” antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen blik beschouwende: “ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne raadgevingen naar vermogen te ondersteunen.”

“Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!” zeide Adelgonde, die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen: “Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief, altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans, in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken.”

“Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!” hervatte Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek te vervolgen: “Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm aanhooren.” Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne, en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: “Achttien jaren reeds mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen; ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins waardig echtgenoot voor u zijn.”

Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat denkbeeld, en de vraag: “Hoe is zijn naam?” bestierf haar op de lippen.

“Ruim drie en twintig jaren geleden,” ging Van Bergen voort; “stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikken [53]stond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam Van Rodenberg?”

Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.

De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging toen voort: “Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is.”

Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden, om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden, dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.

Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche, doch thans natbekretene oogen aanzag: “Is het dan zonde lieve vader, een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel mij niet.”

Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom thans verzwegen, ’t geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand gebood hem te spreken.

“En zoo het voor uwe eer,” ging Van Bergen voort: “voor uwe en mijne rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwe [54]wenschen liet varen, en Van Rodenberg zocht te beminnen....?”

“Voor uw geluk, voor uwe rust!” viel Adelgonde hem snel in de rede: “dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?”

“Luister dan, goede Gonne!” hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: “Luister aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis mededeelen.—Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des huwelijks lief en leed....” Van Bergen hield eenige oogenblikken stil en staarde strak voor zich neder.

“Ga voort lieve vader!” zei Adelgonde: “Gij hebt mij nog nooit van mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit heb mogen kennen.”

Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: “Drie jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde, van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken, en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken, aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken keerde ik op den Oldenburgh terug. De luiken waren gesloten. Sidderend vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.—Waar is mijn kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde, die met rouwfloers was bekleed: “Helaas, uwe genade! zeide zij: het lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!” [55]

Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen: “Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats; drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees geslingerd op den Oldenburgh aan; doch, gerechte hemel! ook nu weder waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij, en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.—Wat is hier voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken....”

Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem vertroostend aanziende, zeide zij zacht:

“Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ...”

“Houd op! houd op!” riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: “O mijn God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!”—riep hij nogmaals, en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.

“Gonne, liefste Gonne!” smeekte Van Bergen, door dit toeval tot zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel plaatste: “Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan, wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit, eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg—door wien weet de hemel—achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds een liefderijk vader! [56]

Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:

Een vreeselijke storm had over de teedere Hagenlelie gewoed!

[Inhoud]

Negende hoofdstuk.

“Ik bid om verschooning, edele vrouw!” sprak Alonzo, toen hij het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een sierlijke buiging naderde: “Ik vraag u zeer om verschooning, dat een ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en, onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt.”

“Maak geen complimenten mijnheer!” zeide de dame, met een Fransch accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette: “Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn vriend en trouwen rentmeester Rosio!” vervolgde zij, Alonzo een man voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek gelezen had.

“De vermoeiden zijn ons steeds welkom,” zeide Ambrosio, mede opstaande en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene, van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.

Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur, zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.

Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal op den Oldenburgh mede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald; verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners, in deze veilige haven had binnengevoerd.

“Het is onbegrijpelijk!” sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had, terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: “onbegrijpelijk! dat er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt gewaakt. Den hemel zij echter gedankt,” en zij maakte het teeken des kruises: “dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom wezen?” vervolgde zij; “Rosio zal mij wel den dienst willen doen, een goede flesch te gaan halen.”

Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonken [57]gadesloeg, bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk knipoogen beantwoordde.

“Gij kent dus den graaf Van Bergen?” vroeg de dame toen Rosio vertrokken was.

“Zooals ik u zeide, edele vrouw!” antwoordde Alonzo: “dezen middag was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij te leeren kennen.”

“Dan is het al zeer toevallig,” hernam de gravin: “dat gij uw middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de moeder komt zoeken.”

“De graaf Van Bergen is uw zoon?” zeide Alonzo verrast, terwijl hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde: “Voorwaar mevrouw,” ging hij voort: “het geleden ongeval wordt mij thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen graaf Van Bergen.”

De douairière glimlachte. “Met recht verdient mijn zoon de eer die ieder hem toekent,” hernam zij: “ook ben ik niet weinig trotsch op hem: hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne dochter Adelgonde?” en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.

Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: “De freule is inderdaad zeer schoon,” antwoordde hij, zich herstellende: “nooit te voren, mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe kleindochter.”

“Het is de algemeene opinie,” hervatte de gravin: “men kan zeggen, dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte haar doet missen....”

“Een onwettige geboorte?” riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: “Is het dan waarheid mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht kon hebben uitgestrooid?”

“Gij hebt het niet geloofd mijnheer?” zeide de gravin, terwijl zij haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene kostbare ringen staken: “Inderdaad, het is zonderling,” vervolgde zij: “dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade.”

Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden toon voort: “Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteel den Oldenburgh het zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon van mijn onvergetelijken [58]echtgenoot in zijn rang en stand staande te houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen; ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig, hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!” en bij deze laatste woorden drukte zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen over hare wangen.

“Die schoone bloem!” zeide Alonzo met een diepen zucht: “Zoo hemelsch schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!....”

“Het eenige middel om haar te redden,” hernam de gravin Van Bergen, “is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen; doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht; de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden, de grootste verplichting heeft.—De jonker Van Rodenberg,” vervolgde zij, Alonzo even aanziende, “heeft hem reeds jaren lang op de edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen, of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden, ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook, als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk schuldeischer worden.”

Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug, gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn en bekers op de tafel plaatste.

“Nu Mechteld dood is,” ving de rentmeester aan, “kan men ternauwernood de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als alle vrouwen Maria’s waren, dan zouden wij mannen, wel Martha’s moeten worden.—Zie hier jonkman!” en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.

“Ik dank u mijnheer,” zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende, en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.

“Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten nemen, edele gast!” zeide de gravin weder op minzamen toon: “Het zou ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald.” Een spotachtige glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: “maar,” vervolgde zij: “toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken.”

“Het spijt mij inderdaad,” zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeen [59]hij gehoord had, ten eenenmale was geweken, “dat deze moeite voor mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik.”

“Het is te wenschen,” hernam de gravin, “dat deze Bourgogne meer genade in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!” en terwijl zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met haar leeftijd zonderling in weerspraak was.

Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.

Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.

“Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan,” zeide Alonzo opstaande: “Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!”

Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.

“De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven,” zeide de rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: “Van Rodenberg zit reeds gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.—Treed binnen jonker!” riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.

“Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!” zeide hij, zich in een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. “De onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet paste den ezel bij [60]adem te laten, mij later in opspraak te brengen, gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak zal voorzeker niet uitlekken.”

“Met dat al hebt gij niets gewonnen,” zeide de gravin: “Uw medeminnaar leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den aanslag hebt gesmeed.”

“Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak op den Oldenburgh heeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom.”

“En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben,” hernam de gravin toen Van Rodenberg geëindigd had. “Doch wat vangen wij thans met Spinola aan?”

“Hij slaapt voorzeker reeds als een roos,” zeide Rosio: “Het ware verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt....”

“Hij moet ongedeerd van hier vertrekken,” viel Van Rodenberg hem in de rede: “Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; of.... des noods heeft hij een moord begaan!”

Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich toen op het groote ledikant.

Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te zamen in allerlei vreemde sprongen [61]en met luid misbaar hand aan hand om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In ’t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend geraamte rees uit de groeve omhoog. “Edele heer! edele heer!” riep het kind angstig smeekend: “edele heer!” riep het nogmaals luider, Alonzo bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne legerstede stond. “Edele heer!” zeide zij nogmaals, en schudde den arm van den jongeling met haar kleine hand: “Ontwaak! In ’s hemels naam, wil mij een oogenblik aanhooren.”

“Wat verlangt gij van mij?” vroeg hij, zonderling te moede, en sprong nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.

“O verschoon mij,” bad het meisje: “verschoon mij dat ik uw slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt immers een edel en braaf heer?”

“Welnu,” zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het lieve kind aandachtig beschouwde, “spreek, wat verlangt gij van mij, of wat hebt gij mij te zeggen?”

“Gij zult het straks vernemen,” zeide het meisje: “doch volg mij zonder gedruisch;” en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te loopen, eerst later zullen mededeelen.

[Inhoud]

Tiende hoofdstuk.

De natuur was heerlijk uit haar doodschen winterslaap ontwaakt. De aarde lachte als een blijde, sierlijk getooide bruid, en heuvelen en bosschen verkondigden de grootheid des Scheppers.

Wie zal het wagen den indruk te schetsen, het gevoel te malen, dat een heerlijke lentedag op den sterveling uitoefent? Welke pen vermag den zuiveren wellust te beschrijven, dien de mensch moet smaken, als hij de verjongde natuur en haar verrukkelijk schoon gadeslaat? De verven zijn te gevoelloos; het penseel is te slap; de gloeiende verbeelding des dichters is te koud, om datgene uit te drukken, wat men slechts gevoelen maar niet meedeelen kan. Die [62]zoete balsemgeuren van het pas ontloken groen; dat liefelijk gekweel der vogelen; die koesterende stralen der vriendelijke zon: alles kan men genieten, al dat schoon met onverzadelijke graagte genieten; stom van verrukking in aanbidding vertoeven; nogmaals die lucht inademen; nogmaals de handen dankend ten hemel heffen, maar spreken.... neen spreken kan de sterveling in zulke oogenblikken niet.

Ook het kasteel den Oldenburgh lag te midden van dien prachtigen lentedos. Geheel anders vertoonde het zich thans dan toen wij het vroeger bezochten. Over het nog jeugdige groen der eikenboomen en akkermaals-bosschages lag een fijne roodachtige tint verspreid. De bladeren der beuken- en kastanje-boomen hadden een zacht groene kleur. De grasperken waren als met madeliefjes en boterbloempjes bezaaid, en in de weilanden, die zich rondom doch op verderen afstand van het kasteel uitstrekten, graasden en loeiden de runderen, en blaatten de schapen, terwijl zij den dorst hunner lammeren leschten. De ooievaar stapte met statigen tred in hun midden rond, en begaf zich behoedzaam naar de waterachtige plaatsen, ten einde zich den kwakkenden kikvorsch ten buit te maken. De muggen gonsden door de lucht, en het fijne, zilverachtige groen der wilgen was treffend in harmonie met de warme kleur van den azuurblauwen hemel.

Twee jonge vrouwen wandelden op zulk een schoonen en verkwikkenden lentedag door de paden en lanen, die het voornoemd kasteel omgaven. De eene was doodsbleek, en leunde op den arm der andere die hare dienstbare scheen. Zij was in het wit gekleed, en hield in hare hand een korfje met voorjaarsbloemen.

“Wij moesten hier even rusten,” ving zij met een zwakke stem aan: “Dit priëel Anne, geeft zulk een mooi uitzicht over de weilanden.”

“Dat zou ik u niet raden lieve freule!” antwoordde Adelgondes kamenier: “de lucht is wel zacht, doch een klein tochtje zou u wellicht zeer nadeelig zijn.”

“O neen!” hernam Adelgonde: “Ik ben immers weer geheel hersteld; de zoete meilucht zal mij niet schaden. Laat ons hier even gaan zitten, want ik ben een weinig vermoeid.”

“Sla dan ten minste dezen doek om uw hals,” zei de bezorgde Anne: “het is voor de eerste maal dat gij uwe kamer verlaat, en ik zou om niets ter wereld willen, dat gij door mijne onvoorzichtigheid weder ziek werdt.”

“Dat heeft geen nood,” zeide Adelgonde, den doek met een dankend knikje aannemende: “niets kan mij eer herstellen dan Gods vrije natuur. Dit is het eerste uur, na dien schrikke.... na den dag dat ik zoo ziek ben geworden, waarin ik weer verlang te leven. Ja in dezen stond zelfs ben ik dankbaar dat God mij heeft bewaard, en dat ik zijn schoone aarde nog eens mag betreden.”

“Maar waarom zoudt ge daar ook niet recht blijde om zijn, lieve freule?” vroeg Anne: “Kijk, het kleine muschje, dat daar zoo tjilpend van den eenen tak op den anderen springt, toont zijne blijdschap [63]wel, en zoudt gij dan op uw leeftijd—zooverre boven velen bevoorrecht—niet heel dankbaar zijn dat gij gespaard werdt, om, zoo wij hopen, nog vele jaren recht gelukkig en in vreugde te leven?”

“Gelukkig!” zeide Adelgonde zuchtend: “het vogeltje mag zich gelukkig gevoelen en vrij rondfladderen; maar ik, helaas!” en weder slaakte zij een diepen zucht.

“Wanneer uwe krachten geheel zijn teruggekomen, dan zult gij wel anders spreken,” hernam de kamenier: “Zulke zenuwkoortsen ondermijnen het gestel, en mijnheer Bril, de barbier van den genadigen graaf, heeft mij voor een paar dagen nog gezegd, dat als het lichaam van streek is, de ziel ook van streek is, en dat ook de ziel weder in haar oude doen komt als het lichaam sterker wordt. Wij zullen den tijd eens afwachten freuletje-lief! De tijd baart rozen, zegt Maarten altijd; en hoewel ik dat in vele dingen, en ook voor ú wel geloof, zoo kan ik toch niet zeggen, dat hij voor Maarten heel veel mooie roosjes baart, want de goede jongen werkt wel altijd ijverig en trouw, maar heel veel verdienen doet hij niet.”

“Is het reeds lang geleden dat uw minnaar hier was?” vroeg Adelgonde, door de woorden van Anne op andere gedachten gebracht.

“Nog gisteravond,” antwoordde het meisje: “maar drommels en drommels! wat ben ik toch schrikkelijk dom en stoffelachtig!” vervolgde zij, zich eensklaps bezinnende: “Nu hebt gij reden om mij dapper te beknorren. Hij heeft mij iets voor u meegebracht!” Dit zeggende haalde zij een briefje van onder haar rozerood jakje te voorschijn: “Kijk freule, neem het mij toch niet kwalijk.... Wat ben ik toch schrikkelijk vergeetachtig!”

Adelgonde zag dadelijk dat het opschrift aan haar gericht en door Alonzo Spinola geschreven was; een licht blosje verspreidde zich over haar gelaat, en terwijl zij, niet zonder eenige verwarring, de dierbare letteren uit de hand van Anne overnam, om die met gretige aandacht te doorlezen, sprong de bescheidene kamenier vlug van hare zitplaats op, en ging een schoonen gelen vlinder najagen, die van bloem tot bloem, nu eens her- en dan weder derwaarts in verschillende richtingen rondfladderde.

Het briefje, dat Adelgonde geheel bezig hield, luidde als volgt:

“Dierbare jonkvrouw!

“Hoe dikwijls ziet men, helaas! dat er zich voor onze dierbaarste wenschen onoverkomelijke hinderpalen in den weg plaatsen; hoe dikwerf worden wij in onze schoonste vooruitzichten droevig teleurgesteld, en zien wij den straks nog helderen horizont onzes levens zich weldra in donkere nevelen hullen. Zoo is het ook mij gegaan, schoone Adelgonde! Met verrukking herdenk ik gedurig den dag toen ik dacht uwe liefde te bezitten; toen ik besloot mij die liefde waardig te maken; toen ik mij den grootsten monarch te rijk waande, en geen sterveling mij zoo gelukkig en zoo zalig toescheen. Maar [64]nogmaals, helaas! ik heb mij niet lang met dat zoete denkbeeld mogen verkwikken. Reeds spoedig wierpen zich ook voor mijne wenschen groote hinderpalen in den weg. Ik mag en kan er niet meer aan denken, dat gij eenmaal nog de mijne zoudt kunnen worden. Vele redenen bestaan er voor de gegrondheid van deze vernietigde hoop. En de voornaamste dier oorzaken is: dat de hand der schoone Hagenlelie reeds aan een ander is toegezegd. En zult gij met hem gelukkig zijn? Zal die echtgenoot u liefhebben zooals ik u zou hebben liefgehad? O Adelgonde! mijn horizont staat beneveld, maar ook het verschiet van uw huwelijksleven dreigt door zwarte wolken verduisterd te worden. Luister naar den raad van hem, die het oogenblik nooit zal vergeten toen hij voor de eerste en wellicht ook voor de laatste maal de woorden: “Ik min u!” van uwe lippen hoorde vloeien. Dierbare Adelgonde, beproef hem die uw echtgenoot zal worden. Sla hem gade, overweeg nauwkeurig eer gij den onherroepelijken stap doet, die voor uw geheele leven beslist. Onderzoek of hij uwe liefde en achting waardig is. Beter ware het dat gij op jeugdigen leeftijd als maagd moest sterven, dan dat gij te laat u een ongelukkigen stap zoudt beklagen. Nogmaals, onvergetelijke Adelgonde! nogmaals: onderzoek en beproef uw aanstaanden echtgenoot. Ik ken hem, ik ken het karakter van Van Rodenberg, hij is uwer onwaardig. Geen laster, door vuige jaloezie opgewekt, doet mij dit ternederschrijven. Beproef hem, en stort u niet in het ongeluk.

“Behalve dezen raad, dien ik mij verplicht rekende u te geven, drong mij nog een andere reden u te schrijven. Reeds vroeger had ik dit gedaan, doch de treurige mare van uwe ernstige ongesteldheid hield mij tot heden daarvan terug. Goddank! ik heb vernomen dat gij zoogoed als hersteld zijt. Mijne gebeden voor uw herstel werden iederen dag hemelwaarts gezonden. Doch nu, schoone Adelgonde! er is nóg iets, ’t welk ik verplicht ben u mede te deelen. Ik ben de deelgenoot geworden van een belangrijk geheim. Het zou mij niet mogelijk zijn dit in zijn geheel ter neder te schrijven, en, wellicht vertrekken wij reeds spoedig uit deze streken. Adelgonde! ik moet u kenbaar maken wat mij is ter oore gekomen. Wil mij mijne bede niet weigeren! Ik wensch u alleen te spreken. Gij zelve kunt bepalen waar ons onderhoud zal plaats hebben, en dan—dan zal ik u voor het laatst zien, voor het laatst spreken, en u tevens voor altijd vaarwel zeggen!

“O schenk slechts eenige regelen ten antwoord aan hem, die u dringend smeekt zijn verzoek niet te weigeren, en die zich noemt:

Uw heilzoekende en heilwenschende vriend,

Alonzo.

Nog staarden de vochtige oogen van Adelgonde op het papier, nog herlas zij de woorden, die zoozeer van des Spanjaards innige deelneming in haar lot getuigden, toen Anne weder kwam aanhuppelen en tusschen hare vingeren den gevangen vlinder omhoog [65]hield: “Kijk eens freule!” riep zij Adelgonde reeds uit de verte toe: “Kijk eens, welk een fraai diertje, geel als citroen, en zoo vlug als een ree!”

“Foei, Anne!” zeide Adelgonde op bestraffenden toon: “moet gij dat onschuldige vlindertje zijn vrijheid benemen? Gij weet niet wat het zegt die te moeten missen. Geef het beestje zijn vrijheid terug!”

“Welnu, trek dan in vrede!” zeide Anne, en het diertje loslatende, zag zij het vroolijk en snel henenvliegen.

“Geef mij nu uw arm en laat ons huiswaarts keeren!” zeide de freule. De kleine kamerjuffer gehoorzaamde terstond, en beiden wandelden nu weder door de lange zijlaan, stapten de brug, die aan de achterzijde van het park uitkwam, over, en traden vervolgens het kasteel door de kleine achterpoort binnen.

“Wel foei Gonne! gij zijt recht ondeugend,” zeide de graaf Van Bergen lachende, die juist de breede trappen afkwam toen de vrouwen de gang inkwamen: “zoo te ontsnappen, zonder verlof te vragen! Ik had gehoopt u de eerste maal dat gij de buitenlucht zoudt genieten, te vergezellen, doch ik zal u daarvoor straffen, en kom mij daarom dezen middag bij u als gast opdringen.”

“Gij zult mij hartelijk welkom zijn,” antwoordde Adelgonde: “Wat de wandeling betreft, het liefste had ik die in uw gezelschap gedaan, doch ik was bevreesd dat uwe bezigheden u met zouden toelaten....”

“Nu nu, spaar die verontschuldigingen maar,” viel haar de graaf in de rede: “Gij ziet er zeer goed uit, lieve kind! de lucht heeft u, dunkt mij, veel goed gedaan. Over een uur ben ik bij u.” Hij gaf haar bij deze woorden een kus op het voorhoofd, en ging, terwijl zij zich naar hare kamer begaf, zijne paarden en honden in de stallen opzoeken.

Nauwelijks was Gonne in haar grooten ziekenstoel gezeten of zij haalde Alonzo’s letteren weder te voorschijn, las deze nogmaals, en besloot, daar zij, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, vrij goed schrijven kon, onmiddellijk aan het verlangen van den edelen jongeling te voldoen. Zij beantwoordde zijn brief met deze woorden:

“Geachte vriend!

Zoo toch mag en durf ik u noemen, daar gij toont een waar belang in mijn lot te stellen. Uwe letteren heb ik in een vrij goeden welstand ontvangen, en las die, toen ik voor de eerste maal na mijne ziekte weder onder Gods vrijen hemel mocht ademhalen.—Gij hebt gelijk, wij worden van elkander gescheiden. Gij hebt hinderpalen zien verrijzen, die uwe wenschen in den weg traden, en voor mij, gij weet het, is de droom onzer liefde eveneens in rook verdwenen.—Wat er ook van Van Rodenberg zijn moge, hij zij dan edel of slecht, reeds zijn aanblik hindert mij. Verdenk echter den liefderijksten en achtenswaardigsten der vaders niet van hardheid; geloof niet dat hij mij dwingen zal mijne keuze naar zijn wil te bepalen. [66]Alles wat hij doet, beschouwt hij in mijn belang.—Doch een treurige waarheid doet mij met groote zelfopoffering besluiten zooveel mogelijk naar zijn begeerte te handelen. Mijn geheele leven zal ik u dankbaar zijn voor uw warme deelneming; doch, edele vriend! met de grootste moeielijkheid zal ik uw laatste verzoek kunnen inwilligen. Mijne gezondheid laat mij niet toe u des avonds ergens te ontmoeten. In mijne woning is dit onmogelijk, en waar zou ik u dan kunnen zien?—Vertrouw aan het papier uw geheim, doch zoo u dit niet doenlijk is, welnu, dan zal er wellicht in het aangevangen warme seizoen nog wel een gelegenheid voor mij komen om u aan te hooren en u vaarwel te zeggen.”—Hier liet Adelgonde een traan op het papier vallen, dien zij echter zorgvuldig zocht weg te wisschen.—“Gods beste zegen vergezelle u op al uwe paden. Vergeet, als gij in uw vaderland zult zijn teruggekeerd, dat er in deze streken een hart voor u klopte. Vergeet den droom der moerassen, en haar die zich noemt:

A. V. B.”

Zorgvuldig verzegelde zij nu den brief en schreef het adres erop.

“Gij zult de bezorging van deze letteren op u nemen,” zeide zij tot haar kamermeisje, die zich met eenig vrouwelijk handwerk had onledig gehouden.

“Volgaarne lieve freule!” antwoordde deze: “Maarten komt niet voor Zaterdag, dus moet mijnheer Bril er zich mede belasten. Nu, hij is ook in mijn dienst, en brengt mij schier iederen morgen de groete van Maarten over. De brief moet in het logement van Gooswijn Meurkens bezorgd worden, nietwaar?”

“Ja!” zeide Adelgonde, licht blozende: “hij moet dien persoonlijk aan den jongen graaf Spinola overhandigen.”

Anne nam den brief aan, verborg dien in haar keursje, en weldra verscheen Burgman, om op de ziekenkamer de tafel voor het middagmaal in gereedheid te brengen.

Het maal was spoedig ten einde geloopen, en de graaf, die heden bijzonder opgeruimd was, schikte zijn stoel wel voldaan naast dien zijner pleegdochter.

“Na lijden komt verblijden, lieve Gonne!” ving hij aan: “na regen komt zonneschijn; na een strengen winter een verkwikkende lente. Ik heb God om uitkomst gebeden; ik heb Hem gesmeekt u te bewaren, te bewaren voor mij, uw teederminnenden vader.”

Adelgonde zag haar pleegvader dankend aan, doch zuchtte diep.

“Maar ik wenschte uw beterschap niet,” vervolgde hij, zeer wel de oorzaak van dien zucht kennende: “ik wenschte die niet om u neerslachtig en ongelukkig te zien; neen, dat zij verre, maar om u evenals voorheen, vroolijk en opgeruimd te ontmoeten; om, evenals vroeger, door uw aanhoudend en vriendelijk gesnap mij dat treurige gedeelte uit mijn levensgeschiedenis te doen vergeten; om daardoor mijn voorhoofd effen te houden, waarop zich anders maar al [67]te dikwerf, bij de sombere herinneringen, diepe groeven vertoonen....”

“En zal dat mogelijk zijn?” vroeg Adelgonde.

“Deze dag moet en zal voor u in alle deelen schoon zijn, dierbaar kind!” hervatte de graaf, haar met innige liefde aanziende: “Geen zwaar en moeielijk juk zal u drukken. Gij hebt uwe gezondheid en tevens uwe vrijheid terug.”

“Wat bedoelt gij?” vroeg Adelgonde verrast.

“Luister!” hernam Van Bergen: “Ik heb den aard en het karakter van Walter leeren kennen. Zijn eerste bedreiging had mij reeds een slechten indruk gegeven. Geldzucht is de drijfveer zijner keuze. Van Rodenberg zal uw echtgenoot niet worden.”

Niet!” riep Adelgonde met een gemengd gevoel van dankbaarheid en verrukking tevens. “Maar,” vervolgde zij langzaam: “maar zijne bedreiging? Zal hij mij niet aan de minachting der hardvochtige wereld prijs geven, indien hij bekend maakt dat mijn brave gestorvene ouders slechts arme geringe lieden waren? Zal zijne boosheid niet, uit teleurgestelde winzucht, vlekken op uw naam werpen, mij wellicht voor een kind.... der.... schande.” zij zeide deze woorden schier onhoorbaar: “laten doorgaan; en zal de booze wereld daar geen geloof aan hechten?”

“Geen vrees!” antwoordde de graaf: “Zijn geldzucht is bevredigd; hij zwijgt, en niemand ter wereld zal buiten ons weten, dat de schoone Hagenlelie niet volgens de wetten van het bloed mijne dochter is. Luister: Toen de crisis uwer ziekte gekomen was, en allen voor uw behoud vreesden, toen kwam Van Rodenberg naar uw welstand vernemen. Zijne teleurstelling was zichtbaar, doch ik rekende het oogenblik gekomen dat ik hem moest mededeelen, dat gij gedurig reeds, zoo wel in ijlende droomen als in helderder oogenblikken, uw tegenzin in een huwelijk met hem hadt te kennen gegeven, en dat, zoo gij hersteldet, gij toch nimmer zijne gemalin zoudt kunnen worden. Zijn gelaat nam een wreedaardige plooi aan. Het kind van lage geboorte versmaadt mijn naam? sprak hij scherp. O lieve Gonne! vergeef mij, dat ik u zijne woorden herhaal, maar immers gij moet hem kennen, nietwaar? Welnu, ging hij voort: dan zal de wereld ook weten wie de dochter van den graaf Van Bergen is.”

“Ik vreesde dit!” zeide Adelgonde met nedergeslagene oogen.

“Gij kunt begrijpen dat ik moeite had mijne bedaardheid te bewaren,” hernam Van Bergen: “vooral daar hij het was, dien ik van zijne jeugd af aan, steeds met weldaden heb overladen. Doch, het was de zoon van mijn besten vriend Robbert! Ik hield mij in, en deed mij voor als doorgrondde ik de laagheid zijner woorden niet. Dit zou u weinig baten, antwoordde ik hem: Oneer is het niet. Ik zag hem glimlachen. Maar, vervolgde ik: Gij weet Walter, wat ik steeds voor u geweest ben. Ik gevoel dat gij een teleurstelling ondervindt. Van jongs af aan dacht gij Adelgonde tot vrouw, en met haar mijne nalatenschap te bekomen. Dit is een bittere teleurstelling; doch welk heil zou u een huwelijk aanbrengen met eene vrouw, die u niet genegen is? Laat Adelgonde in het bezit van haar naam: [68]doe afstand van uw wensch, en zij schenkt u de helft van het vermogen, dat zij na mijn dood zal bezitten.”

“Gij zoudt....?” riep Adelgonde.

“Heb ik niet wél gedaan, lieve Gonne?” hernam Van Bergen. “Voorzeker heb ik wat ruim over het uwe beschikt, doch thans blijft en zijt gij mijne lieve dochter.”

“Uwe liefde, uwe goedheid!” riep Adelgonde, hem om den hals vallende: “o! die kan u alleen hiernamaals vergolden worden.”

“Zoo is het mij goed,” sprak de graaf: “gij zijt tevreden. Welnu Gonne, zult gij nu weder gelukkig zijn?”

Adelgonde zweeg een oogenblik; zij beschouwde het vriendelijk goedhartig gelaat van haar pleegvader, en zeide op vastberaden toon: “Ja, ik zal, voor u levende, door uw wil te doen, door u in alles te gehoorzamen, recht tevreden en ook gelukkig zijn.”

“Amen!” zeide Van Bergen; ledigde toen zijn roemer, drukte het schoone meisje een kus op de lippen, en verwijderde zich.

[Inhoud]

Elfde hoofdstuk.

“Ik vind het heel niet aardig van u Pieter, dat gij mij de bloempjes niet geven wilt; ik heb ze toch voor ’t meest geplukt,” sprak een aardig meisje van ongeveer zes jaren tot haar broertje, dat ruim een jaar ouder scheen en thans met een mandje bloemen op eenige passen af stands van haar had postgevat.

“Foei, Neeltje!” antwoordde de goudgelokte jongen: “ik vind het van ú niet aardig; waarom moet gij ze dan hebben? Ik heb vrij wat meer moeite gehad! Hoe hoog heb ik dan niet moeten klimmen om bij dien gouden regen te komen?”

“En hoe dikwijls heb ik dan niet moeten opspringen om dien tros seringen beet te krijgen?” zeide Neeltje.

“Ja, maar ik heb mijn vingers bijna allen opengekrabd aan de pieken van de acasia’s,” hernam Pieter.

“Och toe Pieterlief! geef mij nu maar het mandje?” smeekte het aardige meisje.

“Nu dan Neeltje! hoor: als je met mij wilt gaan varen.”

“Op de gracht?” vroeg het meisje: “Neen, dat durf ik niet.”

“Bah! wat een bangert; en waarom niet?”

“Wel, omdat het niet mag.”

“Maar, dat heeft ons vandaag toch niemand verboden.”

Vandaag, neen, dat is waar, maar gisteren zei Aafke toch, dat wij volstrekt niet in de boot mochten gaan.”

“Hoe kinderachtig!” zeide Pieter lachende: “Is het dan vandaag dezelfde dag als gisteren. Kom, ga maar even mee; de boot ligt [69]daar, en als gij het doet, geloof ik wel dat ik u de bloemen zal geven.”

“Zoudt gij dan niet denken dat Aafke ons beknorren zal?” vroeg Neeltje.

“Wel neen, toch niet, en als gij haar de bloemen geeft, dan is het immers dadelijk weer over. Wij zullen heel prettig varen.”

“Maar kunt gij wel roeien, Piet?”

“Ja, of ik!” antwoordde het knaapje, terwijl hij, bij de schuit gekomen, haar van den paal, waaraan zij was vastgebonden, losmaakte: “Kom maar hier Neeltje! Ziezoo, wees voorzichtig, val niet.... Ga daar nu maar achter op de bank zitten.”

“Hé Piet! als we nu maar geen knorren krijgen. Denkt gij niet? want anders ga ik er nog liever weer uit.”

“Neen, volstrekt niet! Als ge nu maar heel stil blijft zitten.”

“Geef mij dan nu de bloemen; ge kunt ze nu toch niet vasthouden.”

“Tralala!” lachte de kleine plaaggeest: “Ik heb u in de schuit, en nu kan ik nog doen wat ik wil.”

“Neen, maar dat vind ik nu al heel leelijk en stout,” zeide het kleine meisje, terwijl haar het huilen nader stond dan het lachen.

“Nu, wees maar stil,” hernam de jongen, die bang was dat zijn zusje zou huilen of roepen: “Ik heb er wat op gevonden; wij zullen het mandje samen geven.”

“Hoe kan dat?” vroeg Neeltje.

“Wel, dan houden wij het beiden vast als wij het geven.”

“Ieder aan een kant?”

“Ja, vindt gij dat niet goed?”

“Ja, dat gaat nog al; maar dan mag ik toch zeggen, dat wij deze bloemen voor Aafke hebben geplukt?”

“Nu, dat kan mij niet schelen; of gij dit zegt of ik, dat is mij hetzelfde. Maar,” vervolgde hij, terwijl hij al zijn krachten inspande om de boot van het droge vlot te krijgen: “maar Neel! wat zit die schuit vast, help mij eens even tegen de roeispaan drukken.”

Neeltje gehoorzaamde en kwam zeer voorzichtig naar voren om den kleinen jongen te helpen. Beiden hielden nu de roeispaan vast en vereenigden hunne krachten om het vaartuig vlot te krijgen; doch tevergeefs. “Ik zal de spaan eens tegen dien steen zetten,” zeide de knaap: “die is harder.” Hij deed dit en de twee kinderen drukten en persten met vereende krachten, totdat hunne aangezichtjes zoo rood als scharlaken werden.

“Nog eens: één, twee, drie!” zeide de knaap; de roeispaan gleed langs den steen af; de kinderen verloren hun evenwicht en beiden vielen voorover in de schuit neder.

Een luid geween en geklaag was het begin en het besluit van dit roeitochtje. Het schreien der kleinen werd ras vernomen, en het reeds dikwerf genoemde Aafke kwam haastig aanloopen om de twee ongehoorzame kinderen de behulpzame hand te bieden.

Spoedig waren zij uit de schuit op den vasten wal overgebracht. Pieter bloedde uit den mond, dewijl hem twee tandjes waren losgevallen. [70]Maar Neeltje, hoewel van het hoofd tot de voeten beslijkt, had volstrekt geen letsel bekomen.

“Foei! ik had het u zoo verboden,” sprak de oudste zuster der nog steeds weenende kinderen: “Ziedaar nu, Piet, de gevolgen van uw ongehoorzaamheid.”

“Maar,” zeide Neeltje nog steeds snikkende: “maar.... Aaf.... Piet heeft.... gezegd.... dat wel gisteren.... maar niet.... vandaag.”

“Kom, dat weet hij wel beter,” antwoordde Aafke: “eenmaal verboden blijft verboden.—Maar zie, daar staat nog een mandje met bloemen in de schuit.—Wacht,” en meteen wipte zij weder in de boot en bracht de bloemen mede terug.

“En die hadden.... wij nog wel.... voor u geplukt,” zeide Pieter op verongelijkten toon.

“Ja.... wij waren den ge....heelen morgen, voor u aan.... het zoeken geweest....” hernam Neeltje weder, voortdurend hikkende.

“Welnu, ik beknor u immers niet meer,” zeide Aafke: “Ik ben recht blijde met de bloemen; maar wees nu nooit weer ongehoorzaam.” Zij nam vervolgens op iederen arm een der kleinen, nam het mandje insgelijks mede, en liep toen zoo snel als de tamelijk zware vracht haar dit toeliet, naar de woning van haar vader, die tuinman op het kasteel den Blankert was. Hier waschte zij haar broer en zusje de aangezichten en handjes schoon; bezorgde Pieter een glas water om zijn mond te spoelen; gaf hun eenige schoone roode kersen; liet het toezicht over de kleinen aan hare twaalfjarige zuster over, en snelde toen vlug met de ruimgevulde bloemenmand ter deure uit.

Weldra was zij in het kasteel gekomen. Dadelijk verborg zij de bloemen in een van de vertrekken der dienstboden; sneed toen eenige sneden van een zeer groot grijsachtig brood; vulde eene kruik met helder water, en stak zeer behendig een groot stuk kaas in den zak.

“Mijnheer Rosio, wilt gij mij den sleutel van den kelder geven?” vroeg Aafke aan den rentmeester van de gravin Van Bergen, die in vroegere jaren zijne gebiedster uit Frankrijk naar Holland was gevolgd en in alle opzichten haar zeer bijzonder vertrouwen genoot.

“Gaat gij den boeteling nu reeds weder bezoeken?” vroeg Rosio.

“Ik zal hem zijn maal brengen,” antwoordde het meisje: “het wordt hoog tijd: En ik moet dan nog wel alles in het werk stellen om hem tot het gebruiken der spijzen over te halen.”

“Weigert hij te eten?”

“De twee laatste malen wilde hij volstrekt niets nuttigen. Gij hebt mij bevolen te wachten totdat hij gedaan heeft.”

“Eertijds verslond hij alles in een oogenblik,” hernam Rosio; “en thans....”

“Zooals ik u zeg,” zeide Aafke: “ik moet hem schier bidden en smeeken om te eten.”

“De godsdienstijver kan overdreven worden,” hernam Rosio. “Boetedoen is goed en noodzakelijk, doch men moet niet verder gaan dan de Heilige Kerk het beveelt. Hier is de sleutel; maar breng [71]hem aan het verstand, dat zijne zonden eeuwig gestraft zullen worden indien hij zijn geweten nog bovendien met een zelfmoord zou bezwaren.”

“Zeer goed!” zeide het meisje, en snelde met den grooten sleutel naar het dienstbodenvertrek terug. Zij haalde de bloemen weder te voorschijn en plaatste het daarmede gevulde mandje op het grijze brood, dat zij onder in een spijskorf gelegd had; nam den korf in de eene en de waterkruik in de andere hand, en ging, alzoo voorzien, den zoogenaamden boeteling opzoeken.

Een smalle steenen wenteltrap voerde haar ongeveer twaalf voeten onder de oppervlakte der aarde. Nog eenige schreden ging zij door een nauwe en vochtige gang waarin het volkomen nacht was, en bevond zich toen voor een zware met ijzer beslagene deur; lang zocht zij met den sleutel naar het sleutelgat, doch eindelijk gelukte het haar de deur te openen. Een zwavelachtige lucht drong haar tegemoet, en een weifelachtige schemering, die de plaats waar zij binnengetreden was aan een volstrekte duisternis onttrok, stelde haar in staat den ongelukkigen bewoner van dit sombere verblijf te ontdekken.

Het hol, want dezen naam verdiende het ellendige verblijf ten volle, was een regelmatig vierkant, waarvan elke zijde ter nauwernood zes voeten lengte had. Op de hooge steenen wanden parelde een salpeterachtig vocht. Verscheidene slakken en andere kelderinsecten kropen er in verschillende richtingen dooreen, en een kleine van dikke ijzeren staven voorziene opening, welke zich op ruim tien voeten hoogte bevond, gaf alleen het schaarsche licht en slechts luttel versche lucht aan dit somber gewelf.

Maar treuriger en akeliger dan de indruk van dit onderaardsche verblijf was nog de indruk, dien het eenige redelijke wezen moest teweegbrengen, ’t welk er zijne dagen in jammer en ellende doorbracht.

De ongelukkige was een jongeling van ruim een en twintig jaren. Zijn leeftijd zou, indien men dien niet geweten had, moeilijk te bepalen zijn geweest, want zonderling dooreen vertoonde zijn gelaat de sporen van jeugd en ouderdom.

Dof en gevoelloos staarden zijne oogen, zijn gelaatskleur was geel of hetgeen men perkamentachtig zou kunnen noemen. Zijn voorhoofd was gerimpeld: De zwarte haren vielen lang en sluik langs zijne slapen neder. Zijne kleeding was van een grijze wolachtige stoffage, en slechts weinige vlasachtige haartjes omgaven zijne kin.

Met de beenen kruiselings onder zich, zat hij daar ginds in een hoek op een reeds grauw geworden bos stroo en toen het meisje binnentrad, wendde hij zijn hoofd even naar de deur, en trok den mond tot een pijnlijk lachen.

“Daar ben ik al vroeg Adel!” sprak Aafke hem aan: “Zeker zult gij wel naar mij verlangd hebben. Hebt gij honger?”

“Ja,” antwoordde de ongelukkige, terwijl hij zijn antwoord met een toestemmend knikken vergezelde.

“Welnu,” vervolgde het meisje, terwijl zij eerst de bloemen in [72]een hoek van den kerker plaatste: “hier is brood en water, doch ik heb nog wat anders voor u meegebracht: zie hier een stuk kaas.”

“Kaas!” zeide Adel, met een vrij welluidende stem, en nam gretig het aangeboden stuk in zijn magere handen.

“Hoe nu!” hernam Aafke, terwijl ze hem verhinderde het dadelijk te verslinden: “hebt gij reeds weder vergeten dat gij God om Zijn zegen daarover bidden moet?”

De ongelukkige voelde zich wel is waar teleurgesteld, doch legde het stuk niettemin dadelijk naast zich neder, vouwde de handen, deed de oogen dicht en bad luid: “Goede God! geef Uw zegen over dit voedsel.”

“Eet nu eerst dit stuk brood,” zeide het meisje weder. De gevangene voldeed hieraan, en weldra had hij het karige, doch voor hem uitmuntende maal, met ongeloofelijke graagte verslonden. Toen hij de laatste bete genuttigd had, vouwde hij uit eigene beweging nogmaals de handen, sloot de oogen weder, en dankte op dezelfde wijze als hij gebeden had.

“Zoo is het goed!” zeide het meisje: “En nu, daar gij zoo wél onthouden hebt wat ik u leerde, zal ik u ook eens wat moois laten zien dat die goede God gemaakt heeft.” Zij nam het mandje met bloemen, plaatste zich naast den bewoner van dit sombere verblijf op het strooleger, nam toen een fraaien tros seringen, en hield hem dien voor de oogen..... Adels gelaat verkreeg, op het zien der schoone bloemen, eene uitdrukking van kinderlijke blijdschap. “Mooi!” zeide hij, en vervolgde, telkens zijne woorden afbrekende: “Mooi.... Adel hebben,.... moois van goeden God,.... Aafke gekregen!”

“God schenkt dit aan al zijne schepselen,” hernam het meisje: “en Hij wil het ook aan u geven, daarom heeft Hij u, nu Mechteld dood is, mij tot verzorgster geschonken.”

“Mechteld!” riep Adel met een akelige stem, terwijl hij over zijn geheele lichaam rilde.

“Neen, wij zullen niet meer aan haar denken,’” hernam Aafke medelijdend: “Zij is dood, en God zal haar het kwade vergelden, dat zij u gedaan heeft.”

Intusschen had de ongelukkige Adel de bloemen reeds alle met verrukking beschouwd en om zich heen geschikt. De liefderijke verzorgster ging voort met hem op de schoonheid er van opmerkzaam te maken, verhaalde hem voortdurend van de wonderen Gods, en vroeg hem eindelijk: “En zoudt gij ook niet gaarne die aarde zien, waar al dat schoone op groeit?”

Adel begreep niet recht wat het meisje daarmede wilde zeggen, en zag haar vragende in de oogen.

“Ziet gij dien blauwen hemel wel?” ging zij voort, naar het getraliede venster wijzende: “Daarboven is God, en Hij kan u ook dáár brengen als Hij dat goed vindt.”

“Gaan! dáárheen gaan!” zeide de jonkman terwijl hij den hals uitrekte.

“Luister!” vervolgde Aafke: “die God wil u daar ontvangen, [73]doch dan moet gij ook Zijn heiligen Zoon bidden, dat Hij u komt verlossen.”

“Verlossen!” zeide Adel weder en strekte zijne armen naar de opening uit.

“Zoo moet gij dikwerf bidden,” zeide het meisje: “en dan zal God u van den booze bevrijden,” doch eensklaps sprong zij verschrikt op, want duidelijk hoorde zij een zwaren tred van de trappen naar beneden komen.

In haastige drift gaarde zij terstond de verspreide bloemen bijeen, wierp die in den spijskorf, en was juist daarmede gereed, toen Rosio zich aan den ingang vertoonde.

“Geloof vrij, Adel!” zeide het meisje nu luide: “dat ik u ditmaal voor het laatst tot het gebruiken der spijzen heb aangemaand. Ik doe het niet meer, en dan kunt gij ondervinden wat het zegt den hongerdood te sterven!” Vervolgens keerde zij zich naar de deur, en hield zich alsof zij verschrikte, toen zij den rentmeester ontmoette.

Adel verstond de laatste snel gesprokene woorden van zijne weldadige verzorgster niet, maar hield steeds het hoofd en de handen naar het venster uitgestrekt; doch zoodra hij bemerkte, dat Aafke vertrokken en Rosio den kerker was binnengetreden, kromp hij in een, en verborg het hoofd tusschen de knieën.

“Ik beveel u te eten!” sprak Rosio: “of ik zal u een kost geven, die u minder smaken zal. Op deze wijze, verstaat gij?” en hij toonde het ongelukkige wezen een stuk touw, in welks einde een dikke knoop was gelegd.

Adels angstig gekerm klonk door het hol; en nadat Rosio nog een bespiedenden blik door den kerker had geworpen, verwijderde hij zich, sloot de deur zeer zorgvuldig dicht, en trad weinige minuten daarna het vertrek der gravin Van Bergen binnen.

“De hemel mag weten,” ving hij aan, terwijl hij zich verstoord op een stoel wierp: “wat sedert Mechtelds dood, zulk eene verandering bij dien Adel heeft teweeggebracht. Sinds Aafke hem verzorgt is hij dezelfde niet meer.”

“Wellicht is dit toe te schrijven aan den indruk, dien een jonge vrouw op hem maakt,” zeide de gravin.

“Hetgeen gij vooronderstelt Mathilde, kan er geenszins de oorzaak van zijn,” hernam de gunsteling: “Van liefde kan hij in zijn kindschen staat onmogelijk eenig gevoel hebben. Neen, de veranderingen, die ik bij hem bespeur, zijn ook van een anderen aard. Bij kastijding biedt hij geen den minsten wederstand meer. Hij is gedwee, en hoewel het meisje verzekert dat hij meermalen weigert spijze te nemen—hetgeen hij vroeger nimmer deed—ziet hij er toch bijzonder goed uit; doch wat mij het meest verwondert, is, dat zijne vroeger onverstaanbare klanken, thans in goed verstaanbare woorden herschapen zijn. Zeer toevallig heb ik hem eenige woorden hooren zeggen, en indien ik mij niet bedrieg, dan heeft hij zelfs het woord verlossing geuit.”

“Dan zijn wij op weg om door die ellendige huichelaarster verraden en verkocht te worden,” borst de gravin los: “Heeft uw [74]sluwe blik dit niet eerder bespeurd? Heeft die eenvoudige deerne u dan reeds bijna twee maanden om den tuin geleid? Tegen mijn wil, hebt gij dat kind voor een vertrouwde in de plaats gesteld! Ik heb het u afgeraden, doch gij waart verzekerd, dat uw ellendig sprookje, van een gevallen zondaar die de kerk ter loutering, onder ’t zegel der diepste geheimhouding, aan ons ter bewaking zou hebben toevertrouwd, ten volle door haar geloofd werd. Kleeft haar vader niet de kettersche gevoelens aan, en is misschien de dochter daar ook niet mede besmet? Gij hebt dwaas, ellendig dwaas gehandeld Rosio! De knaap sprak nu reeds van verlossing; wie anders dan het meisje kan hem die denkbeelden hebben ingegeven? Is dát uwe waakzaamheid? Oogenblikkelijk moet gij voor andere oppassing zorgen, of anders zal ik zelve die taak op mij nemen. Wat het meisje aanbelangt, gij zult met haar spreken; gij zult haar uw sprookje waarschijnlijker maken, haar uwe vermoedens mededeelen, en haar onder het oog houden, dat zij de grootste zonde begaat, met een, door God veroordeelde, liefderijk te behandelen. Neen! het voorwerp mijner wraak zal geen verzachting in zijn lot ondervinden,” ging zij met gloeiende wangen voort: “maar dit zeg ik u: verzeker u van de stilzwijgendheid der ontslagene verzorgster, eer zij ons heeft verraden!”

“Gij hebt gelijk!” antwoordde de rentmeester, door den woordenvloed der boosaardige vrouw van zijn stuk geraakt: “Nog dezen avond zal ik voor Aafkes stilzwijgendheid en voor hare plaatsvervanging zorgen. Verontrust u niet; tot hiertoe weet ik dat zij nog niemand deelgenoot heeft gemaakt van hetgeen zij gezien en vernomen heeft; de betrekking van haar vader hing van hare stilzwijgendheid af. Ik zweer u Mathilde, zij zal niet spreken, en nog dezen avond rijd ik naar de Roemer, om u spoedig eene goede plaatsvervangster te bezorgen.”

Het was de dochter van den hovenier niet mogelijk den slaap te vatten. Verscheidene malen wendde zij zich op hare legerstede om, doch tevergeefs; telken reize hoorde zij nog de schrikkelijke bedreigingen, die de rentmeester der gravin haar dezen middag had toegesproken. Zij mocht den ongelukkigen Adel niet meer bezoeken! Goede God, en alles wat zij met zooveel moeite had opgebouwd, en die gevoelens, welke zij met zooveel inspanning bij hem had zoeken aan te kweeken, dat alles zou nu op eenmaal weder afgebroken en verwoest worden!—En waarvoor versmachtte dat ongelukkige wezen daar dan zoo wreedaardig in dien schrikkelijken kerker? Neen, het kwam haar nu duidelijk als ongerijmde logentaal voor, dat dit goede zwakke schepsel een kind des duivels zou zijn; dat dit zachte lijdzame wezen, reeds bij zijne geboorte zijne moeder zou hebben gevloekt en om het leven gebracht. Waarom dan de vrees van den rentmeester, dat zij die eenvoudige waarheid aan anderen zou mededeelen? Waarom moest zij voor iedereen, zelfs voor haar vader verbergen, dat zij een schepsel verzorgde, die voor zware zonden boete deed? En gesteld dit ware zoo, vervolgde het meisje bij zich zelve, nog niet geheel ontdaan van de wanbegrippen [75]der bijgeloovigheid. Gesteld het ware werkelijk een verworpen wezen, een gevallen engel, dien God op de wereld teruggezonden had om smarten en pijn te lijden, zou het dan niet des Hemels doel zijn geweest, om hem hier weder op te voeden en geschikt te maken voor den gelukstaat waarvan hij helaas, vervallen is? Moet men hem dan maar aan zijn rampzalig lot overlaten?—“O goede hemelsche Vader!” bad zij in stilte: “doe mij naar Uw wil handelen, en leer mij mijn plicht kennen!”

Doch eensklaps werd het meisje weder angstig bevreesd; nogmaals herinnerde zij zich de vreeselijke bedreiging, die Rosio over haar had uitgesproken, indien zij verried wat, volgens zijn zeggen, voor de wereld geheim moest blijven. En reeds had zij dat bevel overtreden. Reeds weken geleden had zij de geschiedenis, zooals Rosio die verhaalde, en het lot van den rampzaligen Adel, aan een vreemdeling medegedeeld, en had zij voor hem om redding en bescherming gesmeekt. Wat stond haar te doen? Hevig woedde in haar binnenste de strijd tusschen waarheid en bijgeloof, tusschen medelijden en bezorgdheid voor het lot harer naaste betrekkingen, tusschen een natuurlijk gevoel van plicht en de ontzaglijke bedreiging van den man, dien men op de Blankert reeds gewoon was als heer en meester te beschouwen. Wat in haar overwonnen had, wist zij zelve niet, want het strijdvoeren werd hoe langer hoe flauwer, het strijdperk werd met een dichten zwarten sluier bedekt. Een vaste slaap had de oogleden van het meisje dichtgedrukt.


Het begon reeds schemeravond te worden, toen Rosio, op een kloek paard gezeten, de Blankert verliet. Een ronde hoed, waarvan de breede rand zijn gelaat schier geheel verborgen hield, bedekte zijn hoofd, en een groote bruine mantel hing van zijne schouders, over het paard, tot op zijne voeten neder.

De avondlucht was vrij koel, en zoodra Rosio op den zandweg gekomen was, gaf hij zijn ros de sporen, en vervolgde in een gestadigen draf zijn weg.

Bij het Steenen kruis sloeg hij links de populierlaan in, en berekende, dat hij, alzoo doorrijdende, binnen een uur aan de Roemer kon zijn. Deze herberg, welke op een kwartier uurs afstand van Leiden was gelegen, onderscheidde zich luttel van andere herbergen uit dien tijd. De vermoeide reiziger kon, bij een uitwendige beschouwing, weinig hoop voeden, in dien Roemer een zacht nachtleger te zullen aantreffen, want het perceel zag er deerlijk verwaarloosd en vervallen uit. De voorheen gepleisterde geval was thans geheel ontpleisterd. De vensters en luiken waren, evenals de kleine deur, geheel verveloos. De in lood gevatte glasruiten hadden voor ’t meeren deel barsten, en waar het glas geheel ontbrak, was het door papier of invulsels van oude lompen vervangen, terwijl het meergemelde uithangbord nog slechts aan ééne kram heen en weder bungelde.

Bij het binnentreden ontwaarde men een vrij sterke evenredigheid van het inwendige met het uitwendige. Het voorhuis, of de [76]zoogenaamde gelagkamer, was slechts schaars van meubelen voorzien. Een groote bruingeverfde tafel stond midden in het vertrek. De zitplaatsen waren houten banken, benevens weinige stoelen met versleten biezen zittingen, en het eenige pronkmeubel was een geelgeverfde kast, waarop eenig blauw aardewerk prijkte. De vloer, van roode steenen eindelijk, was met fijn wit zand bestrooid, en achter de zitplaats der waardin stonden, op houten schappen, de schenkkannen, die met bier, jenever en brandewijn gevuld, op de komst van vermoeide reizigers wachtten, om hen met hun inhoud te laven.

De beheerscheres van dit verblijf was eene vrouw van ongeveer zes en vijftig jaren. Aan haar gelaat kon men vrij duidelijk bespeuren, dat zij reeds lang gewoon was met lieden van den minsten slag om te gaan, en haar hoogroode kleur bewees dat het geenszins hare gewoonte was, om het gebruikelijke toebrengen van een roemer geestrijk vocht achterwege te laten.

Op het oogenblik waarvan wij spreken, was er slechts één gast aanwezig, die, in een hoek gezeten, onder het genot van eene kan bier, zijne tabakswolken zat uit te blazen, terwijl de waardin zich juist knikkebollend eenige rust gunde, toen er vrij sterk aan de deur werd geklopt. De vrouw wreef zich de oogen; nam de lamp, die vóór haar op het aanrecht had staan branden, en vroeg met een schelle stem: wie binnengelaten wenschte te worden?

“Een reiziger,” was het antwoord.

“Zeer goed,” sprak zij; schoof toen spoedig de grendels der dubbele deur op zijde, en een vreemdeling trad de herberg binnen.

“Kunt gij mij een nachtleger bezorgen?” vroeg de nieuw aangekomene.

“Een kostelijk nachtleger zelfs, uw edelheid!” antwoordde de waardin, terwijl zij, na de deur te hebben gesloten, een stoel bij de tafel plaatste: “Ik zal u het opkamertje geven, daar heeft Casper voorheen altijd geslapen, doch nu is het onbezet daar hij,—de Hemel weet door welk toeval, levenloos in eene sloot is gevonden. Maar neem plaats!” vervolgde zij: “Uw edelheid schijnt zeer vermoeid. Zijt gij reeds ver gekomen? Doch wacht, ik zal u van die pakkage ontlasten; geef mij dat kistje maar in bewaring, edele heer!”

De vreemdeling zag de vrouw met een angstigen blik aan. “Volstrekt niet,” zeide hij, haar afwerende: “Neen, ik zal het zelf bewaren. Niemand ter wereld vertrouw ik dezen schat toe. Het éénige, wat ik bezit.... het éénige, wat mij nog is overgebleven, bevindt zich dáárin; nooit geef ik het uit mijne handen.”

De waardin nam den vreemdeling steelsgewijze van het hoofd tot de voeten op; sloeg een bespiedenden blik naar het voorwerp, waaraan de reiziger zooveel waarde hechtte, en ging toen vertrouwelijk voort: “Zooals gij wilt, edele heer! doch geloof mij, wat ik bewaar, is zeker en veilig; ik bewaak alles, wat mijn gasten toebehoort, steeds als ware het mijn eigendom.”

De vreemdeling evenwel, was geenszins geneigd zijn schat aan de bewaking der waardin over te geven, maar plaatste het kistje—dat tamelijk groot en vierkant, doch zeer plat en slechts uit ruw [77]hout vervaardigd was—vóór zich op de tafel. “Geef mij wat brood en een glas bier,” zeide hij: “doch maak spoed, want ik heb den geheelen dag nog niets gebruikt, en verlang zeer naar rust.”

“Ik zal er uw edelheid een goed stuk gerookte ham bij geven,” sprak de waardin, en spoedde zich om het gevraagde in gereedheid te brengen.

De reiziger, die door de kasteleines gedurig met den titel van “uw edelheid” was vereerd, onderscheidde zich wel door een meer beschaafd voorkomen van de gewone bezoekers dezer herberg, doch had evenwel het voorrecht niet een edelman te zijn; zelfs gaven zijne gelapte kleederen en versletene schoenen hem zeer weinig het aanzien tot een stand te behooren dien de waardin hem toekende. Zijne oogen waren klein, en schitterden nu eens van een levendig vuur, en staarden dan weder somber en dof op zijn schat.

“Komt gij reeds ver vriendschap?” vroeg de man, die tot dusverre door den vreemdeling niet was opgemerkt.

De aangesprokene wendde zich tot den vrager, en antwoordde, terwijl hij de handen op het vóór hem staande kistje legde: “Dezen morgen ben ik van Utrecht gegaan, en hoewel ik gedacht had nog van avond Den Haag te zullen bereiken, gevoelde ik mij, tot hier gekomen, te vermoeid om mijn weg te vervolgen.”

“Gij kondt ook niet beter doen dan bij vrouw Barbara uw intrek te nemen,” hernam de man: “zij heeft goeden brandewijn en geeft volle maat.”

De vreemdeling antwoordde niet.

“Komt gij reeds verder dan ’t Sticht?” ging de vrager voort.

“Uit het Luiksche!” was het bescheid.

“Ha! zoo!” hervatte de man weder: “Dat moet een goed land zijn. De bieren zijn daar kostelijk en niet duur; ik heb dikwijls van de Brabantsche bieren hooren spreken. Ons brouwsel is ellendig bitter of zuur; ik kan het er niet bij houden. Wat den brandewijn betreft, die is redelijk. Hé kameraad, gij moest mij eens op een slok onthalen?—Gij hebt....” hier werd de spreker eensklaps gestoord door een krachtig: “Doe open!” van buiten, en vrouw Barbara, die juist met het door den vreemdeling bestelde kwam aandragen, plaatste dit spoedig op de tafel, en, na een kort bescheid op de gebruikelijke vraag: “Wie is daar?” opende zij de deur, en ontwaarde iemand te paard, die, in een langen mantel gehuld, voor de herberg had stil gehouden.

“Heer in den Hemel!” riep de waardin, toen zij den ruiter bij het schijnsel der lamp herkende: “Wie had gedacht dat....”

“Stil!” fluisterde de man te paard, die de rentmeester Rosio was: “Stil! Is er volk in de gelagkamer?”

“Er zijn slechts twee manspersonen,” hernam vrouw Barbara insgelijks zacht: “doch zij zullen zich spoedig ter rust begeven. Blijft mijnheer de rentmeester dezen nacht in mijn herberg?”

“Neen,” antwoordde Rosio: “ik kom u slechts over eene zaak van belang spreken. Houd u alsof gij mij niet kent en breng het paard in het schuurtje.” “Zeer wel!” zeide de waardin. Rosio stapte af,en [78]terwijl de vrouw het doornatte beest naar het schuurtje bracht, trad de eerstgenoemde de gelagkamer binnen.

De jonge vreemdeling—want ouder dan hoogstens acht en twintig jaren was hij niet—had intusschen de spijzen naar zich toegetrokken, en was bezig ze met eene hoogst natuurlijke graagte te nuttigen. De man, die hem even te voren om een dronk gevraagd had, sloeg hem met een wangunstig oog gade, en beiden beantwoordden slechts vluchtig den groet, dien Rosio hun bij het binnentreden had toegeworpen.

“Welnu!” hervatte de man, toen Rosio gezeten en Barbara teruggekomen was: “Welnu kameraad! wat dunkt u van den slok brandewijn? ’t Zal uwe gezondheid zijn. Ik ben maar een arme duivel, een ellendige platzak, en gij kunt het zeker wel missen, want naar het schijnt hebt gij nog al kostbare zaken in uw bezit.”

“Ik heb ternauwernood genoeg om morgen de waardin te betalen,” antwoordde de jonge reiziger.

“Dan zal ze dat vrachtje wel in betaling willen nemen,” bromde de man, en sloeg een begeerigen blik naar het bedoelde kistje.

De tegenwoordigheid der beide mannen beviel Rosio niet, en hoewel het te vermoeden was dat de jonkman spoedig zijn nachtleger zou opzoeken, zoo vreesde hij toch, dat de ander met zijn ongeleschten dorst nog lang hunkerend naar een dronk zou blijven uitzien. Hij wenkte daarom de waardin: fluisterde haar iets in het oor, en deze zeide daarop tot haar eersten gast:

“Welnu, Aaij (Arie), deze heer kan niet zien dat iemand dorst lijdt; hij zal u een glas brandewijn geven, onder beding, dat gij zijnedele niet meer lastig valt, maar spoedig naar bed zult gaan, want het is hem onmogelijk in uw tabakswalm te blijven zitten. Uw mond is, bij mijne ziel! ook niets anders dan een eeuwig rookende schoorsteen.”

“Tap op dan, oude tooverkol!” zeide Aaij, zeer tevreden met de aanbieding der waardin, en nadat hij zich nog eenmaal in een zwarte rookwolk had gehuld, stak hij het dikke aarden pijpje in een pijpendoosje en vervolgens in den zak van zijn wambuis.

De jonge vreemdeling had inmiddels, na zijn maal geëindigd te hebben, het houten kistje geopend, en beschouwde door een nauwe opening van het deksel, den inhoud met een paar oogen, als waarmee de vrek zijn stapels goud schijnt te verslinden. Rosio kon, schuins achter hem gezeten, den inhoud gedeeltelijk ontwaren; doch Aaij,die tegen het deksel zag, had gaarne zijn slok gegeven als hij mede eens even dien kostbaren schat had mogen beschouwen.

“Dat schijnt een zeer fraai kunststuk te zijn,” ving Rosio aan, die, zijne plaats verlaten hebbende, achter den jonkman had post gevat. Deze, niet vermoedende dat men hem gadesloeg, zag verschrikt om, en den man met den ronden hoed achter zich bemerkende, riep hij met vonkelende oogen: “Schoon! Schoon! O! niemand dan ik alleen doorgrond de schoonheid van dit stuk, het is meer dan een aardsch wezen, het is een engel! Zie,” vervolgde hij, en lichtte het deksel wat hooger op: “zie, hebt gij op aarde ooit [79]zulk een wezen aanschouwd? Nooit, nietwaar? O neen! dat is het goddelijk vermogen der kunst, de kracht der verbeelding! Hebt gij ooit zooveel schoonheid, zooveel lieftalligheid en hemelsche reinheid tevens, in één menschelijk wezen vereenigd aangetroffen?”

Rosio, die het schilderstuk, dat een madonna met het kind voorstelde, nauwkeurig beschouwde, meende echter voor zichzelven die trekken te herkennen, en antwoordde op de ontboezeming des jonkmans:

“Voorzeker moet ik bekennen dat het wezen der Heilige Maagd zeer schoon en bevallig mag genoemd worden, doch bovenaardsch is het niet, ik, ten minste, meen mij deze trekken zeer duidelijk te herinneren.”

“Gij meent,” hernam de vreemdeling met een sombere melancholieke stem: “Ik meende ook, doch helaas! het was een droom, niets dan een droom! Gij bedriegt u, het is een ideaal, eene fantasie, het uitvloeisel eener opgewonden verbeelding. Nooit heeft de groote Raphaël voorheen zulk een oogenblik gehad.” De jonkman beschouwde nogmaals het bekoorlijke beeld, en deed toen het deksel van het kistje behoedzaam weder dicht.

—Een Raphaël d’Urbino! dacht Rosio. “Voorzeker,” zeide hij overluid: “deze Madonna moet dan wel zeer kostbaar zijn; die stukken hebben, naar ik vermeen, een groote waarde?”’

“Met geen schatten ware mij dit te betalen!” hernam de vreemdeling: “eer zal ik van ellende en gebrek omkomen, dan deze beeltenis, tot welken prijs ook afstaan.”

Spoedig na dit gesprek gaf de jonge vreemdeling te kennen dat hij zijne slaapplaats wenschte op te zoeken; de waardin draalde niet aan zijn verlangen te voldoen, maar opende de deur van het opkamertje, en wenschte den edelen heer een goeden nacht.

Aaij was bij het laatst gesprokene een aandachtig toehoorder geweest, en toen hij den vreemdeling zijn slaapvertrek zag binnentreden, nam hij het edelaardig besluit, om den zwakken reiziger zijn verderen tocht te verlichten, door hem van dat kostbare vrachtje te ontlasten.

Ook hij begaf zich weldra naar zijn slaapplaats. Vrouw Barbara wees hem daartoe den kleinen zolder aan, die slechts met een verganen plankenvloer van de gelagkamer gescheiden was. Toen de waardin zich verwijderd, en Aaij de lamp had uitgeblazen, ontwaardde de laatste een breede spleet in den vloer, waardoor hij alles kon zien wat er beneden hem voorviel, en zag nu al spoedig zeer duidelijk dat de man met den bruinen mantel in een geheimzinnig onderhoud met de waardin was getreden.

“Neen! Neen mijnheer!” hoorde Aaij de vrouw zeggen: “ik dankte voor dertien jaren de Heilige Maagd dat ik dat postje kon overdoen, ik heb toen zes jaren achtereen reeds angst genoeg uitgestaan, en het heeft mij in dien tijd menigen droppel zweet gekost, maar nu... Ik heb er het mijne van!”

“Gij zijt een zot wijf, Barbara!” antwoordde Rosio zeer zacht: “Wie is er beter voor berekend dan gij? Werd u die angst niet [80]ruimschoots betaald, en kunt gij niet op een nog ruimere belooning rekenen, wanneer gij thans uw vroegere voogdijschap herneemt?”

“Ja wat die belooning aangaat,” bromde de waardin: “die was, bij mijne ziel! karig genoeg. Wat zeggen die weinige kronen! Het grootste gedeelte heb ik aan aflaten verknoeid om der ziele wil; maar nu, om mij nogmaals te verbinden! neen, zie, daar kan ik tot mijn leedwezen niet toe overgaan.”

“Gij vergeet, Barbara,” hernam Rosio: “dat gij u een goeden ouden dag bezorgt. Op de Blankert hebt gij alles wat uw hart kan begeeren, terwijl hier....”

“Ik ben aan de Roemer gehecht,” viel de waardin hem in de rede: “Ik ben hier geboren, en wil ook, dat mijn zondige ziel van hier zal verhuizen.”

“En zoo u dan eens in ’t vervolg de jaarlijksche toelage ontnomen werd?” hervatte Rosio: “Zoo de gravin u eens zonder ondersteuning liet? Geloof vrij, Barbara, gij zoudt weldra in uw bijna altijd ledigen Roemer van gebrek en ellende moeten omkomen.”

“Omkomen? omkomen?” riep de waardin met een vrij sterke stem: “Ja, dat geloof ik, maar dan,” en zij grinnikte kwaadaardig: “dan, bij mijn zondige ziel! zou de duivel u vooraf aan het rad of aan de galg gebracht hebben. Neen, brave heer Rosio,” ging zij zachter voort: “daarvoor is Barbara te oud en verstandig geworden. Uw geheugen schijnt u ontrouw te zijn, want dáár,” en zij wees op de geel geverfde kast: “dáár zijn de stukken die tegen U zouden kunnen getuigen. Als ik hier van gebrek omkom, zal úw lichaam reeds tusschen lucht en aarde gedwarreld hebben, en mogelijk zou dit voor mijn zondige ziel in het loutervuur van een groote waarde zijn.”

“Bedaar! bedaar!” zeide Rosio op vriendelijker toon: “Welk een zotte taal voert gij nu! Gij spreekt als ware u reeds het grootste onrecht geschied. Zoo gij zelve niet wilt, welnu, de gravin Van Bergen zal uwe diensten daarom niet vergeten. Geef ons slechts goeden raad. Zend ons een vertrouwd persoon; gij hebt toch wel kennissen van dat soort; en wat die papieren aanbelangt....

Hier kon Aaij niet verder onderscheiden wat er gesproken werd, doch steeds met zijn oog door de reet van den vloer glurende, zag hij Rosio kort daarop zijn afscheid nemen, en hoorde hij weder eenige oogenblikken later het hinniken van een paard, hetwelk den rentmeester naar het kasteel de Blankert terugvoerde.

Hoewel het gevoerde gesprek voor Aaij weinig belangrijks had opgeleverd, zoo was toch zijne nieuwsgierigheid opgewekt, en gevoelde hij een sterke neiging, om de stukken te bezichtigen, die, volgens Barbara’s woorden, zoo krachtig tegen dien heer konden getuigen.

Weldra werd het geheel stil in de kleine woning; de waardin had zich ter rust begeven, en niets liet zich hooren dan het afwisselend geblaf van eenige honden, die elkander van de naburige pachthoeven toespraken. Behoedzaam trok Aaij nu zijn dikke lederen schoenen uit, en sloop, met nauwelijks hoorbaren tred, de steile zoldertrap [81]af. Spoedig bevond hij zich in de gelagkamer, en zag bij het schijnsel der maan, dat door de luikgaten naar binnen drong, de aangeduide kast, waarin zich die belangrijke stukken moesten bevinden. De behendigheid, waarmede Aaij, met behulp van een ijzeren haakje, het slot deed openspringen, bewees genoegzaam, dat hij dit handwerk niet voor de eerste maal verrichtte.

De inhoud van het ontsloten meubel leverde echter, buiten hetgeen hij er voornamelijk ging zoeken, weinig belangrijks op. Een zilveren Christusbeeldje met wijwatersbakje van hetzelfde metaal, keurde hij het meest zijner aandacht waardig, en deed beide derhalve in zijn zak verdwijnen; de breekbare voorwerpen, waarmede de kast verder voor het grootste gedeelte was opgevuld, hadden voor hem weinig waarde en zouden ook moeielijk te vervoeren zijn. Zijne nasporingen bepaalden zich dus alleen tot de genoemde papieren. Het slot eener kleine lade week eveneens spoedig voor de macht zijner kunstbewerking. De inhoud van deze lade was meer naar zijn zin. Eenige goudstukken, door de spaarzame waardin bijeengegaard blonken hem vriendelijk tegen, en zonder bedenking deed hij die insgelijks naar zijn zak verhuizen. Zoo voortsnuffelende, ontdekte de sluwe dief nog een kleinere verborgene lade, en toen hij deze geopend had, vond hij tot zijne blijdschap eene rol papieren, die zonder eenigen twijfel de bedoelde bewijzen zouden bevatten.

Dat is één! zeide Aaij bij zich zelven, toen hij een en ander zorgvuldig bij zich had gestoken en de kast weder in het slot deed springen: Nu den anderen schat! en even behoedzaam ging hij de vier aan het kelderluik bevestigde trappen op, en trad met ingehouden adem het slaapvertrek des jongen vreemdelings binnen.

Een diepe slaap had zich van dezen meester gemaakt. Het houten kistje, dat Aaij tevergeefs op stoel en tafel zocht, ontwaarde hij eindelijk in de bedstee des jonkmans. Voorzeker had deze, toen hij zich ter ruste had nedergelegd, het in zijn arm gehouden, doch, ingeslapen zijnde, het weder losgelaten.

Met een ongeloofelijke voorzichtigheid maakte de nachtelijke dief zich van het kistje meester; opende het; nam het schilderstuk er uit, en legde toen het ledige voorwerp, ofschoon goed gesloten, weder even voorzichtig op den arm des slapenden neder.—Nauwelijks had hij echter den stoutmoedigen diefstal gepleegd, of de vrees bekroop hem, dat de vreemdeling zou ontwaken. Deze toch maakte een lichte beweging; greep met beide handen naar het ledige omhulsel van zijn dierbaren schat, en lispelde zacht, als zong hij een klaaglied:

“Haar afscheid was een zoet vaarwel,

Zij drukte mij de hand en snel

Was zij van mij gegaan.”

—Droom genoeglijk voort, dacht Aaij, wiens vrees van ontdekt te zullen worden, door het weer rustig nederliggen des jonkmans geheel was geweken: Droom genoeglijk voort, en de hemel beware [82]mij, dat die kostbare juffrouw ooit weder in uwe handen zal komen. Wel voldaan over den goeden uitslag van zijn nachtelijke huiszoeking, kwam Aaij op zijn zolderkamertje terug, en daar hij er geenszins op gesteld was de ontwaking der waardin af te wachten, stiet hij het zoldervenster open, sprong, met zijn buit beladen, naar beneden, en kwam, zonder eenig letsel, in het mulle duinzand neder.

De zon stond reeds vrij hoog aan den hemel, toen de jonge vreemdeling—wien onze Lezer reeds lang zal herkend hebben—uit zijn vasten slaap verkwikt ontwaakte.

Vrouw Barbara, die weinig vermoedde welk een jammerlijke ontdekking haar te wachten stond, was reeds eenige uren met huiselijken arbeid bezig geweest, en had zich juist verwonderd dat haar beide gasten zoolang sliepen, toen de vreemdeling haar uit zijn slaapvertrek te gemoet trad; zijn rekening met haar vereffende, en—steeds met zijn goed gesloten kistje onder den arm—al spoedig ook de Roemer verliet.

De dag was zeer drukkend; geen windje bewoog de bladeren, geen tochtje verfrischte het met zweet en stof overdekte gelaat van den jongen kunstschilder. Evenwel stapte hij onvermoeid voort. In zijn rampzaligen toestand was het zijn eenige streven om toch zoo spoedig mogelijk Den Haag te bereiken, ten einde er aanstonds aangifte van het gebeurde te doen. Reeds was hij tot aan de laan van het Nieuwe Oost-Einde, op omstreeks een kwartier afstands van Den Haag gekomen, toen hij uit zijn droeve mijmering werd opgewekt, door het zien van een dikke stofwolk die zich in de verte vertoonde. Een fraai rijtuig met twee paarden bespannen, naderde al meer en meer. Een postiljon reed voorop, en in den wagen zelf was een edelman van reeds meer dan middelbaren leeftijd gezeten, die aan zijn linkerzijde eene schoone jonge dame had.

“Welnu,” zeide de edelman, die niemand anders dan de graaf Van Bergen was: “Welnu Gonne! dit toertje moet u wel bevallen. Gij geniet, dunkt mij, zoo, op een gemakkelijke en aangename wijze de buitenlucht.”

“Voorzeker lieve vader!” was Adelgondes antwoord: “Eene wandeling zou te vermoeiend zijn.”

“Vooral bij zulk drukkend weer,” hernam Van Bergen: “het is waarlijk zoo warm alsof wij reeds in de hondsdagen waren.—Zie dien armen wandelaar dáár,” vervolgde hij, Adelgonde op den zooeven door ons verlaten jonkman wijzende: “Zie eens, de zweetdroppels parelen hem op het gelaat. De arme drommel neemt ons wel nauwkeurig in oogenschouw.”

“Zijn doordringende blik jaagt mij bijkans vrees aan,” zeide Adelgonde, en richtte hare oogen naar de andere zijde van den weg. Doch nauwelijks had zij opgehouden den reiziger aan te zien, of een kreet van: “Houdt op! Houdt op!” trof hare oogen.

“Mijn ideaal! mijn droom! houdt op!” riep de jonkman nogmaals, en hield de armen naar het rijtuig uitgestrekt. Doch de postiljon, onmeedoogend, en niet geneigd aan de bede van den landlooper gehoor te geven, deed zijne zweep door de lucht klinken; de kloeke [83]paarden renden rapper dan te voren, en weldra verdween het rijtuig weder in een dikke stofwolk.

[Inhoud]

Twaalfde hoofdstuk.

De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.

Vooral op het punt van godsdienst—die voorname oorzaak van den Spaanschen krijg—vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten van Herfstmaand mochten worden voortgezet.

Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.

In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.

Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch, dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mocht [84]aanschouwd hebben.—O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest ik hier voor het eerst beminnen! Waarom haar beminnen, haar, die nimmer de mijne kan worden!?—“Kan worden?” ging hij,—de laatste woorden overluid met nadruk herhalende, voort: “Kan worden? Zou het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat bekoorlijke wezen mij dan geheel onverschillig? Heeft zij een afkeer van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting op den Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden: “Ik min u!” heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als ik. O! dat zijn hare woorden: “Wij worden van elkander gescheiden. Ook voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen.”

Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar, dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was.

Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij, Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den markgraaf Ambrosio, kon, mocht hij die vrouw tot gade nemen? Nimmer zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig, zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven, en toch,—toch beminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren.

De loop van Alonzo’s gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen, en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken.

“Hoe is zijn naam?” vroeg de jongeling.

“Ik weet het niet uw genade!” antwoordde de bediende: “Dezen morgen heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam, mij verzocht heeft hem bij u aan melden.”

“Het is goed, laat hem hier komen!” zeide Alonzo. [85]

Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en nederigste strijkages Alonzo’s kamer binnen.

De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat, stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng; de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was, had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde, dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera uit den tegenwoordigen tijd.

Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan, moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede, begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had mee te deelen.

“Uw genade vergunt mij te spreken.” ving de man aan, terwijl hij in een gebogen houding voor Alonzo staan bleef: “Welnu, dan moet ik uw genade zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken.”

Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep, en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben: “De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend,” zeide Alonzo: “doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat gij verlangt.”

“Ik verlang iets en ik verlang niets,” hernam de vereerder der geesten: “Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw genade! dat ik uit Italië....” doch hier kon de man, zoo het scheen niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,—dat Alonzo niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,—brak zijne woorden af.

“Gij komt uit Italië?” vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat al te lang duurde. [86]

Met verlof van uw genade!” hervatte de man, die inmiddels het spraakvermogen had terugbekomen: “Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten, rijk aan vernuften! Italië is....” doch weer brak een hoestbui des redenaars woorden af.

“Het is onnoodig mij dat land te beschrijven,” hernam Alonzo: “ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren.”

“Uwe genade!? Gij?” zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: “Ik moet uw genade gelooven, en ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een zwarte gelaatskleur.”

Alonzo moest om ’s mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen; en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met een diep nadenkend knikken: “Voorzeker, uw genade heeft gelijk: de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon, dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de groote geesten, die....” doch een nieuwe aanval van hoesten belette den spreker weder voort te gaan.

“Het zal mij zeer aangenaam zijn,” zeide Alonzo eenigszins gramstorig: “dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?”

“Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen,” hernam de man: “Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden of niet aanbieden,” liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen: “maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd door den beroemden schilder Rachel d’Urbibo.”

“Een Raphaël d’Urbino!” zeide Alonzo verwonderd: “Is een stuk van die waarde uw eigendom?”

“Zooals uw genade zegt, een Raphaël d’Urbino,” antwoordde de man: “Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik het u ter bezichtiging aanbiede.”

Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte van den jongen Spanjaard te voldoen.

“Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard,” zeide hij, terwijl hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn haalde. “Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet verborgen houden. De Hollanders,” vervolgde hij: “waardeeren de geesten niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf, uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?” [87]

Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, ’t welk de man thans met zijn beide handen naar voren hield, doch—ter nauwernood had hij het gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel buiten zich zelven: “Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg niet: waar hebt gij dit portret bekomen?”

Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk te beantwoorden.

“Ik heb ... uw genade!....” ving hij aan, maar weder verhinderde zijn noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid.

“Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest,” zeide de jongeling eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden kunsthandelaar. “Ik gebied u te spreken!” vervolgde hij, den hoestenden roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: “Spreek zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?”

Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. “Gestolen!” zeide de man, zich herstellende: “Het is niet gestolen! Ik heb het, of liever ik heb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen.”

“Gij zijt een schurk!” riep Alonzo in woede: “Raphaël is reeds lang dood.”

“Met verlof uw genade,” hervatte de man: “hij is dood en hij is niet dood. Hij leeft....”

“Al leefde hij honderdmalen,” viel Alonzo hem in de rede: “gij zijt een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”

“Bedenk, uw genade,” zeide de man weder, na driemalen gekucht te hebben: “bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort, dat....”

“Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen,” hernam Alonzo: “Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt, dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!”

Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek, waar hij zijn Raphaël moest achterlaten.

Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had, was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde Van Bergen.

Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekken [88]der bekoorlijke Hagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke liefde op nederzag?....

Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder, hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven, kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest.

Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en edel gevormde vrouw,—was zij een dienstbare, eene vrouw uit den geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die reine ziel—want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat—had die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid opgeofferd!?—Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was dan laster, Godtergende laster!?—En ik, die daaraan geloof heb willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen gelooven,—ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden!

In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder, en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag.

Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar bij zijn overhaast vertrek ontvallen.

Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij aanschouwden. “O mijn God! is het mogelijk!” riep hij eindelijk uit, en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen gloeiend gelaat. [89]

[Inhoud]

Dertiende hoofdstuk.

Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst schouwspel op.

De reis—welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen—was door hem uit de gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs portret had ontvangen.

Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht, te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de nabijheid van het slot Aduaar zich ter ruste nedergelegd. Het schoone wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen, slechts met het portret der schoone, ’t welk hij op zijn tocht steeds had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw Barbara’s herberg zijn intrek nemen.

Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.

Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld, was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig zien henensnellen, ’t welk háár met zich voerde die hij, reeds sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik, waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen, en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.

Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende, en slechts een ledige ruimte ontwaarde.

Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijnd [90]zenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn, reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne legerstede weder.

Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van leven gaf.

Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een biddende bewaakster van den kranke maakte.—En hij? de kranke, die daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende, hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn lichaam met een spoedig uiteinde.—En zij? Ook zij beminde oprecht; ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van dien geliefde; en evenwel—hij begreep hare liefde niet; nog nimmer had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!

Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.

“Hoe bevindt gij u Jakob?” vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare stem: “Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt gij u ook iets beter. Is het niet zoo?”

De schilder knikte toestemmend. “Het is voorbij,” zeide hij na een kleine pauze, met zwakke stem: “De nevelen zijn opgeklaard.—Het is weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijn [91]geest. Het is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven....”

“Gij zult leven! Ja, dat zult gij!” zeide het meisje met innige verrukking.

“Leven...., ja, leven.... dáár....,” hervatte de jongeling, terwijl hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. “Hier op aarde was er voor mij geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone, kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U, die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld, dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel eeuwig bij U zou leven!” Deze lange ontboezeming had den zwakken spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar zijn lichaam—ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden der hartstochten daarbinnen—het lichaam gevoelde zich verlaten. Het was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.

Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en—die God zou hem vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij niet alleen beminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der stervelingen zijn.

Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan; hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming en een eeuwig zalig leven. [92]

De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn geneesmiddel—dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend—te zien, kwam hij nu—den volgenden dag—in zijn voornoemde betrekking van geneesheer, den patiënt bezoeken.

Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren, dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.

Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in, welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen—ten einde de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden—den pols, en zag daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden blik aan.

“De pols slaat geregeld,” zeide hij. “Uw bevinding is zeer juist. De lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen kan dit evenwel geheel voorkomen.—Morgen hoop ik u volkomen hersteld te vinden,” vervolgde hij tot den jongeling: “mijn geneesmiddel en de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp, de gezondheid wedergeven.”

Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.

Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van innige blijdschap schitterden: “Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?”

“Buiten twijfel!” hernam de kleine geneesheer: “Een trouw gebruik van den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien, morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder dan te voren!”

Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden gekluisterd; God zou hem doen leven, leven—om geluk en vrede te smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had. [93]

En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.—Doch Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien, die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar loopbaan beginnen;—maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven, maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden, en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt binnengevoerd.

De avond begon te vallen.

—De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?—Hij ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan dit geneesmiddel.—Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo kalm.—Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn mond, maar hoorde niets: “Jakob!” sprak zij met een angstige stem: “Jakob! ontwaak!”

De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder, en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.


Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween toen—om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.

[Inhoud]

Veertiende hoofdstuk.

De douairière Van Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg de vurige slangen gade, die door het weerlicht aan [94]den westelijken gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen, hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping, doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.

Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf. Het waren haat, nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!

Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen en verdelgen! Verdelgen? Neen—de wraak moest voortduren. Hare slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed blijven bestaan!

—Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin, omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen, dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!

De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.—Dat zal Van Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft hij mij iets belangrijks mee te deelen.

Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later het vertrek binnen.

De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan zijn tred volkomen herkend.

“Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?” voerde zij den jonker te gemoet: “Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert gij op den Blankert zijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs, en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender.”

“Inderdaad mevrouw,” gaf Van Rodenberg—die inmiddels had plaats genomen, ten antwoord: “het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eene [95]verandering in mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven.”

“Eene verandering in uwe omstandigheden?” hernam de gravin: “Gij bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen verijdeld worden. Uwe belangen....”

“Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende wijze behartigd,” viel de jonker haar in de rede. “Zij schenen echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw, voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot, dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb....”

Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen, dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden, haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.

Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden omvatsels.

“Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit zou vermogen,” hervatte Van Rodenberg: “Ik heb echter in mijn belang gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw, vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd vroolijk leven werpen.”

“Hoe!” riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: “Gij wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!” zeide zij akelig lachende: “Ik zeg u neen!—Hetgeen ik bepaald, hetgeen ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gij moet mijn wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!” ging zij in één adem voort: “Gij weet niet waarom [96]ik u tot mijn vertrouwde heb gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit, indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.—Gij zult mij gehoorzamen!” vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich in een dreigende houding voor den jonker plaatste. “Ik heb macht over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer, ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt.”

“Gij eischt van mij, mevrouw?” riep Van Rodenberg: “Waarachtig! mijne verwondering grenst aan verbazing. Wie—wát geeft u het recht om zóó tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gij mij de wet voorschrijven? wilt gij dit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den naam dien gij thans voert, eene.... Ha!” vervolgde hij lachende: “Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn.” Na dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen, dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten, en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.

“Blijf, ellendeling!” riep de nederliggende gravin: “toef, monster! en gij zult vernemen, wie gij....” doch het was haar onmogelijk voort te spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde het vertrek, en de kreet van “Brand! Brand!” weergalmde eensklaps door het kasteel.


Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden kant, een geheel ander tooneel plaats.

In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een tralievenster greep.

“Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen,” zeide de man met de roeispaan.

“Toch niet, edele heer,” antwoordde de andere: “die bouten zijn slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg.”

Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden. [97]

De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het opengebroken tralievenster naar omlaag.

Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.

“Goddank!” riep de eerste spreker in verrukking: “De gevaarlijke arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat de ondeugd nimmer zegevieren!” Na deze woorden wendde hij zich nog eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen. De schuit was daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje, waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.

Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.

Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog, en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden der rollende donderslagen, den kreet: “Brand! Brand!” door de lucht weergalmen.

Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.

“Om Gods wil, red mij!” riep de gravin Van Bergen met heesche stem: “Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen omkomen! Walter! waar zijt gij?” riep zij angstig: “Ik zie u niet. Ik zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!”

“Het is te laat!” zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende, met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: “Het portaal staat in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht door deze zijdeur,” vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht te banen, doch een brandende balk, [98]die met een geweldig gedruisch voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: “Aan ontkomen is niet te denken,” riep hij de kermende gravin toe: “Er is geen uitweg meer dan alleen door dit venster.” Met een krachtige hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: “De gracht is breed en diep,” vervolgde hij: “doch slechts langs dezen kant is nog redding mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!”

Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen, met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield: “Gij zult mij niet verlaten!” riep zij met bevende stem: “Gij zult mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet sterven!—Ik wil leven!—Ik moet leven! en zoo er voor mij geene redding is dan zult gij met mij vergaan!”

De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden; doch zijne pogingen waren vruchteloos.

“Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!” riep de gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden jonkman staande hield: “Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen, aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter, red mij!—want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij—om Gods wil, red mij!—Neen, gij zult uw moeder niet vermoorden!”

“Wijf! gij zijt razend!” riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet op zijn voorhoofd parelde: “Laat mij los zeg ik u!—Laat mij los!” riep hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde: “Gij liegt!—Ik uw zoon?—Bij God! neen, dat is gelogen!—Gij mijne moeder?—Ik een kind der schande?—Een basterd?—Wijf, gij hebt gelogen!” riep hij nogmaals: “Trek uwe woorden in; zeg dat gij onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik zal u redden!”

“Mijn zoon! Mijn zoon!” riep de gravin smeekend en schier buiten zich zelve: “Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!”

“Nogmaals dien naam!” brulde Van Rodenberg: “Weg van mij, verachte vrouw!” vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: “Weg van mij met uw ellendige logentaal!” en met een geweldigen ruk slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.—Zonder een oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam, en niets meer ontwaarde de jonker dan een [99]witte strook, die nog een paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook voorgoed verdween.

[Inhoud]

Vijftiende hoofdstuk.

De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig ter oore gekomen.

Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naar den Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.

Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.

Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats der vergankelijkheid.

—O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof, niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het nog weinige uren geleden stond.—Omstreeks twee eeuwen lang hebben stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan stof is het wat daarvan overblijft!

Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den dood was ontrukt.

—Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende: Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U, o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.

Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man, die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg te ruimen.

“Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?” kermde de ongelukkige hovenier: “Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onder [100]dat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?”

Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.

“Mist gij uwe dochter?” riep de graaf den vruchteloos zoekende toe: “Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn.”

De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn arbeid voor een oogenblik gestaakt.

“O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind te verliezen!” antwoordde hij met een tranenvloed: “Zij was zoo schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar kastijdt?”

Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook hij was dikwerf en bang beproefd.

“Gods wegen zijn onnaspeurlijk,” hernam hij op vertroostenden toon: “De Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!”

Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs, en kwam weldra weder aan den linkervleugel.

Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was, bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.

“Ellendig volk!” riep hij den roofzuchtigen toe: “Slechts op eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken, en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet langer. “Gij zult niet stelen,” zegt de Heer. Ga!—Rijnveld zoekt zijn kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar, uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier zoekt.”

De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.

“Is de gravin aan het gevaar ontkomen?” vroeg de graaf aan een knaap, die weinige schreden van hem stond.

“Zij is gered uw genade,” antwoordde deze: “doch één oogenblik later, en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den schrik te boven komt.” [101]

Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.

“Ha, zijt gij daar, verrader!” riep zij hem toe: “Gij zijt het, gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd voor mijn toorn.—Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar toeft gij, Rosio?” ging zij, strak voor zich uitziende, voort: “Waarom aarzelt gij: Dien toe;—uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij kwijnt, zijn einde is nabij.—Hij sterft!—Wraak Van Bergen!—Wraak over u!—Mijn zoon zal leven!—Mijn zoon, mijn Walter.—Ja, Walter, ik ben uwe moeder.—O God! gij gelooft het niet.—Gij verstoot mij omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?—Gij laat mij aan de vlammen ter prooi—O God! ik brand! Ik verga! Water, water!”

Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met water ledig.

Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden zonder samenhang aan.

“Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.—Wraak voor mijn zoon! Wraak voor de schande mij aangedaan!”

Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?

“Vrouw! wat zegt gij?” riep hij met een van aandoening verkropte stem: “Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van mijn zoon?”

“Ha! daar staat de fiere graaf!” riep de ijlende vrouw, akelig lachende: “Uw zoon?—Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, hij mag ons niet ontkomen!”

Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke boosheid niet.

Zijn zoon?—En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aan [102]zijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn binnenste op. “Hemel! zou het mogelijk zijn!?” riep hij uit: “Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!”

Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren met bloed bevlekt.

Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten aan een brandend graf was ontrukt.

De smart des vaders grensde aan wanhoop.

Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en zieltogend ter neder!

De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, om het spoedig voor altijd te verliezen.

Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.

Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch hare krachten schoten te kort.

“Wat wilt gij, lief kind?” vroeg Van Bergen, die haar in den arm genomen en een weinig overeind had gezet.

Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: “Hij is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in mijn keurslijf.”

Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan hij tot heden onbewust was gebleven.

Zou dat kleine stuk papier, ’t welk daar uit haar keursje steekt, inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?

Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:

“Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad, [103]en zoo gij hier beneden daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen hebt gedaan.

A. S......”

“Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden kan!” sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw edele daad ontvangen!”

“Laat af! laat af!” riep de gravin Van Bergen met stervende stem: “Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn Zoon! mijn Walter!—Mijn Walter!” herhaalde zij, nauwelijks hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was niet meer.

In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den rechterstoel des Allerhoogsten.

De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.

De eerste ging in ter rechterzijde.

De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is rechtvaardig—maar genadig.

[Inhoud]

Zestiende hoofdstuk.

De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstuk den Blankert zagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner bestemming.

Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.

Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.

“De Heilige Maagd zij geloofd!” sprak hij tot Maarten, nadat deze hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige woning binnen te dragen: “Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is voorzichtigheid noodzakelijk.

Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot—den jongen graaf Spinola—een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de macht van den slaap geketend, was [104]niets in staat geweest hem aan die banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug schonken.

De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd bewoond door Maartens grootvader.

Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.

—Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden om hals gebracht.

Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, een schandelijken dood zou moeten ondergaan.

—Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, begeef ik mij naar den Oldenburgh, ten einde den graaf van alles te onderrichten.

Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de wél volbrachte taak.

Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: “En gij, oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien.” Na deze woorden wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende bereikte hij weldra de stad.


Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van Bergen naar den Blankert zagen vertrekken, dat een [105]oud man, ademloos de binnenplaats van het kasteel den Oldenburgh betrad.

De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en kippen, met zijn: “Tuk tuk tuk!” tot hun ontbijt bijeen te roepen, terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste levensdagen in overdaad door te brengen.

“Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?” riep de fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: “Gij schijnt haast te hebben.—Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?—Wacht! jaag me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.—Kip ik heb je!” riep Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een overdekte mand plaatste: “Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen waart. Hoe gaat het in ’t duin?—Proe! proe! die grijze is een vlugge rakkert.—Houdt tegen! houdt tegen!—Mis baas! je dacht me te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, zwartje! daar heb je een kameraad!” en de tweede gevangene gleed bij de eerste in de overdekte mand.

“Maar Burgman,” ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te zijn: “ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen.”

“Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger moeten opstaan,” antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het haantjesvangen “zijn tijd te verbeuzelen” had genoemd: “De graaf is reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt mee te deelen,—daar komt de freule, die u misschien te woord zal willen staan.”

Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: “Kip!—kip!—kip!” zijn derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi te brengen.

“Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd,” zeide Adelgonde, die aandachtig naar den oude geluisterd had: “Ik ben niet bevoegd om u in dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?”

De oude man schudde het hoofd. “Hij is zoo gesloten als een pot, genadige freule!” hernam hij. “Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.—Grootvader, was steeds zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten dienst bewijst. Zie, genadige freule, “aan de handen zijner beulen ontrukt” dat klinkt verdacht. Waarom den [106]naam verzwegen? Wat mij betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt het daglicht niet.”

—Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk gemaakt, dacht Adelgonde. “Intusschen, oude man,” vervolgde zij tot Esser: “zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe hoeve terug.”

Esser schudde nogmaals het hoofd.—Zoo stapt de zorglooze jeugd met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: “De ondervinding leert ons voorzichtigheid,” zeide hij luid: “en al heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar ’t duin terug. In mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!”

Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht naar zijne woning aan te nemen.

Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten tijd, ook voor haar, veranderd!—O, dacht zij, terwijl een traan bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en hij—hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter niet. En thans—dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.—En gij Alonzo, o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?

Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme ouders nog!—Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die opoffering getroost.—Ach, niets kwam [107]Adelgonde nu wenschelijker voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.

—Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?”

Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.

“Alweer in tranen liefste Gonne?” riep Van Bergen zijne pleegdochter toe: “ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te zullen ontvangen.—Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif.”

Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van Bergen naast Adelgonde plaats.

Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden, man was het niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere wolken schuilgegaan.

Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.

Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.—Nauwelijks had Adelgonde geëindigd, of zij bespeurde op [108]het gelaat des graven eene voor haar onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid des eeuwigen levens had aangekondigd.

Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: “O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik u als een vader bemin.”

Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der waarheid.—Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten verzonken, naar hare kamer.

“Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve freule!” zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel te gemoet trad: “Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn.”

“Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen,” zeide Adelgonde, en de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo’s brief, wiens zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.

Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon terug erlangen: “O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal wederzien,” bad hij eindelijk: “Geef Gij mij kracht, want zóó—zóó heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden.”

Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser zou voeren.


Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin terugkeerde.

De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat Maarten hem uit zijn—nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. “Gij zijt een zorgvuldig wachter!” zeide hij vriendelijk: “Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats u voor den ingang uwer woning, [109]en zorg dat niemand er binnen treedt terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren en een voegzamer kleeding zullen aantrekken.”

Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen verzetten.—Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige hulp doen opdagen.


Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige schoonheid gadegeslagen.

De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.

Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen de oude pachter zijn heer ontdekte.

“Goddank, genadige graaf!” riep hij in verrukking uit: “Goddank dat gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer,” vervolgde hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: “O, uwe komst geeft mij waarlijk het leven terug!” en den graaf op die plaats achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in de achterwoning op stal te zetten.

Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.


Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.

Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid niet [110]eens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?

Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig leven bekend geworden.

En nu—uit een diepen slaap ontwaakt,—uit nacht en banden verlost, gereinigd,—in een schoone kleeding,—als met een nieuw lichaam begiftigd,—door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,—zóó die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen te gaan.

En Van Bergen—roerloos en als aan den grond genageld stond hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde gelaat! Ja!—ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: “Mijn zoon, mijn kind, hier is uw vader!”

Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door de leden.

“Gij—God!—mijn hemelsche Vader!?” zeide hij op doffen toon, terwijl hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde hij: “Wil mij verlossen goede God! Amen!”

Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles—wat het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.

[Inhoud]

Zeventiende hoofdstuk.

De klokken van het naburig ’s-Gravenhage verkondigden het negende uur na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteel den Oldenburgh langzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.

Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met langzamen doch lichten tred ging zij over de smalle [111]slotbrug, en was reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: “Ik wachtte u reeds, dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige wijze beloonen.”

Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.

“Laat af! laat af!” gilde zij, zich verwerende,—doch tevergeefs; een stevige arm hield haar omkneld. “Help! help!” riep zij nogmaals, doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.

In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.

—Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?

Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord prijkte.

Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette den nieuw aangekomene.

“Gij hebt goed doorgereden,” zeide zij: “minstens had ik u een half uur later gewacht.—Doch,” ging zij fluisterende voort: “wij zijn niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, die den Blankert gisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen naar Frankrijk op reis te begeven.

Des vreemdelings oogen schitterden:

“’t Is wel,” zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, ’t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht. [112]

De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren gekomen.

Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der schoone Hagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.

Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij bij haar vond.

Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter teleurgesteld.

Behalve een klein rolletje goud—Adelgondes bespaarde penningen—bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.—Is dit dan alles wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!

Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.

“Goedenavond, mijn brave heer,” zeide Van Rodenberg spottend, terwijl hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: “Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak om Godswil aanspreken!”

“Wij kennen elkander!” sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat Van Rodenberg den draak met hem stak: “Maar bij het heil mijner ziel!” vervolgde hij: “hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, dat de Blankert een prooi der vlammen is geworden?”

“Als ik mij niet vergis,” antwoordde Van Rodenberg, “dan was ik bij die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg daarvan. De edele gravin is....”

“Leeft de gravin nog?” viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige belangstelling zocht te verbergen.

“Stel u gerust,” hernam Van Rodenberg glimlachend: “ik heb dezen middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste liefde van u gesproken.

“De Heer hebbe hare ziel!” zuchtte Rosio.

“Of de duivel!” hernam Van Rodenberg: “Om ’t even. Gij weet [113]niet,” ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: “Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?”

“Uwer moeder?” riep Rosio in de grootste verwarring: “Wie—de gravin? wie heeft u gezegd....?”

“Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens opzoeken,” zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige oogenblikken de kamer was binnengekomen: “Ik geloof,” vervolgde hij: “dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest.”

Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, ’t welk hare belangstelling zoozeer had opgewekt.

—Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. “Kom hier mijn duifje! ruik eens,” sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: “dit zal u goed doen.”

Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. “Waar ben ik?” vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin bevreesd aanzag.

“Bij wie anders dan bij Barbara?” antwoordde de vrouw: “Nu, ik wil wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent,” vervolgde zij: “want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een nuchter wicht: ’t is heel wat tijd geleden!”

Adelgonde kon zich,—uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl herinnerde zij zich Alonzo’s brief, waarin deze haar had gemeld, dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren pleegvader haar aan den Oldenburgh had geboeid, maar kinderliefde en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen besluiten.—Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... dit [114]kon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend aanziende, zeide zij: “En Alonzo?”

“Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!” was het antwoord: “Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het is een mooi knap heer.”

Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. “Maar gij?” zeide zij, de waardin weder vragend beschouwende: “Wie zijt gij?”

“Wie ik ben?” hervatte vrouw Barbara: “Wel, wie ben ik anders dan uwe moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste voedsel aan mijne borst genoten hebt?—Maar zie, toen waart gij pas zóó groot,” vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om hetgeen zij hoorde te gelooven: “en op dien leeftijd zien de oogen nog niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend.”

Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.

—Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche dagen schier als een heilige had voorgesteld!

Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?

—O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van mij worden!

Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen twist met een ander was geraakt.

Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich te paard van de woning verwijderde.

Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten tafel stond.

Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met zoete melk gevuld.

“Zie zoo mijn duifje!” riep zij Adelgonde toe: “zoo is het goed, [115]nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens naar hartelust, het is u volkomen gegund.”

Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, zich ter rust te kunnen begeven.

“Allerbest mijn hartje!” zeide Barbara: “Gij zijt hier zoo vrij als op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, ik wensch u een goeden nacht,” en het onaangeroerde brood weder met zich nemende, verliet de waardin het vertrek.

Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had ontvreemd.

Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug te keeren.

Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te hebben begeven.

Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte zij gelukkig haar doel.

Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken grond verheven was.

—God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven, [116]gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen zal opnemen.

Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.

“Vrees niet!” sprak de man op fluisterenden toon: “Gij behoeft voor mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken.”

Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd onschuldig meisje.

“En waarvoor zou ik vreezen?” zeide Adelgonde, terwijl het haar was aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden in tegenspraak was. “Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig, hier, in de woning mijner ouders.”

“En evenwel hebt gij dat venster geopend?” hernam de vreemdeling: “Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op mij, schoone jonkvrouw,” vervolgde hij, haar langzaam naderende: “ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de netten welke u gespreid worden.”

“Mensch! wat wilt gij van mij?” riep Adelgonde met bevende stem, terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: “Wie geeft u het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, zoo gij het wél met mij meent.”

“Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen,” hernam de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: “Is mijn gelaat dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u,” ging hij voort, terwijl hij de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: “ik versta die angstige bezorgdheid: “Een Spaansch edelman wordt door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moet ik door dat vuur verkwijnen terwijl een ander....”

“Laat af,—laat af!” riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: “Heilige Vader! sta mij bij!” gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio’s ijzeren arm hield haar omkneld, en grinnikend lachte [117]het onmensch, toen hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.

Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, ’t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk als de gasten op een bruiloftsfeest.

God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.

Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, onverwachte hulp en redding.

De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.

Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.

Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.

“Ik ben vergeven! vergeven!” brulde Rosio, terwijl hij zich wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: “Is er dan geen tegengift? Melk! melk!” kermde hij: “Een monster verscheurt mij van binnen.”

“Doe uw vijand wél!” sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij de [118]nog schier gevulde kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne teug ledigde.

Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara’s komst vermoeden. Nog een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?—God zij mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.

Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den viersprong bij het meergemelde Steenen kruis voerde.

Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend vermaande om terug te keeren.

Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.

[Inhoud]

Achttiende hoofdstuk.

Op den Oldenburgh was alles in rep en roer.

Weinige minuten na Adelgondes ontvoering was de opgetogen graaf, aan de zijde van zijn wedergevonden zoon, door den jongen Spinola, Maarten en diens grootvader vergezeld, aan het kasteel teruggekeerd.

Met van blijdschap vonkelende oogen had hij zelf den zwakken Adel binnen de muren zijner woning gedragen, en zijne dienstbaren en huisgenooten doen bijeenroepen, ten einde hun de reden zijner grenzenlooze vreugde en dankbaarheid kenbaar te maken.

Met den ouden Burgman aan het hoofd, trad dan ook weldra de kleine schaar de ridderzaal binnen.

Slechts een flauwe schemering vervulde nog het ruime vertrek.

Weinige doch aandoenlijk waren de woorden welke Van Bergen sprak: “Gaat,” zoo eindigde hij: “en verheugt u met uwen heer; maar dankt ook den Heer der heeren, dat Hij uw meester zulk een groot geluk heeft doen deelachtig worden.”

“En waar toeft mijne Gonne?” zeide Van Bergen, toen de diep getroffen dienstbaren, heilwenschend de zaal hadden verlaten: “Moet [119]mijn in tranen zwemmend oog, haar, in dezen voor mij zoo zaligen stond, dan nog in een duisteren hoek opsporen?”

Een zacht geween was het eenig bescheid dat Van Bergen op zijne vraag bekwam.

“Is daar dan mijne Gonne niet?” vroeg Van Bergen nogmaals, terwijl hij op Adelgondes weenend kamermeisje toetrad.

“Ach, genadige graaf!” snikte Anne: “de lieve freule is er niet. O lieve God! wat of er van haar geworden is! Ik ben er wellicht de oorzaak van; had ik den brief van den boozen Spanjaard maar niet gegeven! Hij is het die haar dezen avond heeft ontvoerd.”

“Meisje, ik versta u niet,” hernam Van Bergen: “Spreek, verklaar u nader.”

“Ja, genadige graaf,” hernam de kamenier: “zooeven op de kamer der lieve freule gekomen, ten einde haar van uw komst te verwittigen, vond ik die door haar verlaten. Een open brief, aan u gericht, lag op de tafel. Ik heb er een blik in geslagen; lees genadige graaf, maar verstoot mij niet.”

Wie schetst de verslagenheid, welke aller gemoed vervulde, toen de lichten waren ontstoken en de treurige inhoud der letteren aan de omstanders bekend werd.

De brief luidde aldus:

“Edele graaf! Veelgeliefde pleegvader!

“Wanneer gij deze regelen zult lezen, zal ik wellicht reeds ver van de plaats zijn verwijderd, welke mij altijd zoo dierbaar was. Veroordeel mij niet dewijl ik een stap heb gedaan, dien gij, in uw groote liefde tot mij, zult laken en misprijzen. God is het bekend, geliefde tweede vader! hoezeer mijn hart heeft gestreden; hoezeer ik door liefde en dankbaarheid aan u als gekluisterd werd; hoe ik met mij zelve, met mijne plichten, met Gods heilig Woord te rade ben gegaan, en de overtuiging heb bekomen, dat ik zóó en niet anders handelen moest.

“Ja, ik zal u verlaten: de banden des bloeds eischen dit offer van mij! Uw stand, uw rang zijn de mijnen niet. “Hebt uwe ouders lief!” staat er geschreven, en ik zou die armen verachten, en mij, zelve op deze aarde een lot toeëigenen, dat mij niet is voorbeschikt? Ik zal u verlaten! De jonge Spanjaard, voor wien ik zuivere liefde in het hart heb gedragen, biedt mij aan mij in de woning mijner ouders terug te voeren. Hij is edel en braaf; aan hem durf ik mij veilig toevertrouwen. God helpe mij! Hij vergeve mij, zoo ik in eenig opzicht mocht gedwaald hebben. Hij doove de vlam der liefde in mijn binnenste, dewijl ik Alonzo nimmer zal kunnen toebehooren. Hij zegene u, dierbare lieve tweede vader! O hoe zwaar zal het mij zijn, mijn plicht te volbrengen. Dank, dank, duizendmaal dank voor uwe liefde en onverdiende goedheden! God vergelde u wat gij aan mij hebt gedaan; aan mij, de uw heil wenschende en voor uw heil biddende

Adelgonde.”

[120]

Wij zullen niet lang stilstaan bij de vele doch verschillende gemoedsaandoeningen die ieders borst deden kloppen.

Het treurige oogenblik vorderde den meest mogelijken spoed.

“En staat dan niet hier aan mijne zijde de wakkere redder van mijn zoon!” sprak Van Bergen: “Hoe ware het mogelijk dat hij mij een zoon in de armen zou voeren, om mij terzelfder tijd eene dochter te ontrooven!?”

“Het is gelogen!” riep Alonzo in woede, toen de graaf hem den hoofdzakelijken inhoud van den brief had meegedeeld: “Gevloekt zij de ellendeling, die met schendige hand de schoonste lelie van haren stengel dorst rukken! Op mannen, geen tijd verloren! De Moeder Gods zal haar beschermen! Met hare hulp, edele graaf, voeren wij uwe dochter rein in uwe armen terug. Vaarwel! De Heiligen zullen met ons zijn!”

“De Vader zelf geleide u!” riep Van Bergen den vurigen jongeling na, en weinige minuten later zag hij een aantal mannen te paard, en verscheidene te voet, met fakkels en lantaarns de slotpoort uitsnellen, ten einde in verschillende richtingen hunne nasporingen te beginnen.

Inmiddels verzuimde de graaf niet zijn zwakken, door de zonderlinge lotsverwisseling afgematten zoon, de noodige versterking en rust te doen genieten; dit gedaan zijnde, deed hij de luchters in de kleine achterzaal ontsteken, en, hoewel zelf rust en slaap behoevende, was het hem niet mogelijk zich aan die rust te wijden zoolang de teeder beminde pleegdochter niet in zijne woning was teruggekeerd.

Dáár, met ernstigen blik ternedergezeten, herdacht hij de vele en wondervolle oogenblikken, welke hem dien enkelen dag tot een reeks van dagen maakten.

Ondanks zich zelven sloten zich eindelijk zijne oogen, en in een half wakenden half droomenden toestand ontwaarde hij,—dat de deur openging en de schim zijner ontslapene stiefmoeder de zaal binnentrad. Op eenige schreden afstands bleef zij staan, en trok met baar ontvleesde handen een naakt, uitgeteerd en levenloos wezen van onder haar witte kleederen te voorschijn. Dat uitgeteerde lijk.... was de ongelukkige Adel!

Van Bergen ontstelde, en zich haastig met de hand over het voorhoofd strijkende, zag hij navorschend de zaal rond, doch bespeurde weldra dat de schim zijner stiefmoeder die plaats had verlaten, dat een droombeeld zijn geest had beangst.

Eenig gedruisch op het portaal boeide nu weder Van Bergens aandacht.

—Wellicht is hunne nasporing reeds met een goeden uitslag bekroond, dacht hij, en wilde juist den terugkeerenden te gemoet snellen, toen een jong edelman haastig de zaal binnentrad.

Het baarde den graaf geen geringe verwondering, toon hij in dit nachtelijk uur jonker Walter Van Rodenberg voor zich zag.

“Wat voert u herwaarts?” was Van Bergens eerste en hoogst natuurlijke vraag: “Ik had gedacht Walter, u nimmer weer in mijn [121]kasteel te zullen ontmoeten. Wat kunt gij van mij verlangen in dezen laten stond?”

“Vergeef mij waarde graaf,” ving Van Rodenberg aan: “dat mijn plicht mij gebood, voor ditmaal uw gebod te overtreden. Door een samenloop van omstandigheden ben ik den dader op het spoor gekomen, die den schandelijken roof aan uw beminnelijke pleegdochter heeft begaan.”

“Gij,” zeide Van Bergen, den jonker vragend aanziende.

“Van een wandelrit naar Delft huiswaarts keerende,” hervatte de schandelijke leugenaar: “zag ik nabij de herberg het Gouden Zwaantje een ruiter mij voorbijsnellen, die vóór zich op het paard eene in zwijm liggende schoone had. Door nieuwsgierigheid gedreven hield ik stand, en zag dat weinige schreden van de herberg iets wits, hetwelk ik echter niet onderscheiden kon, den vluchtenden ontviel. De ontvoerde schoone,—want daarvoor mocht ik haar gereedelijk houden, werd door haren schaker in de herberg gedragen. Ongezien naderde ik nu het kleine witte voorwerp, nam het op, en, bespeurende dat het een klein pakje was, werd ik zeer begeerig te weten wat daarvan de inhoud mocht zijn. Om dit te onderzoeken, besloot ik insgelijks in de kroeg te gaan. Na mijn paard aan het rasterwerk te hebben gebonden, trad ik binnen. Het was blijkbaar dat mijne komst eenige opschudding veroorzaakte. Ik hield mij als bespeurde ik dit niet, en eene kan bier eischende, nam ik eenige brieven en voorwerpen uit mijn zak, verdiepte mij schijnbaar in de lectuur en beschouwing er van, zoodat ik ongemerkt het pakje onder de tafel kon openen, en hetgeen er in was met het reeds vóór mij liggende vermengen. Het pakje bevatte niets dan eenige oude brieven, doch hoe zal ik u mijne verbazing schetsen, toen ik de opschriften, alle eensluidende, aan uw bekoorlijke pleegdochter gericht vond. Alleen om mij nader aangaande de waarheid mijner vermoedens te overtuigen, en den roover des te zekerder te vangen, doorliep ik vluchtig eenige brieven. Sommige waren van u, reeds verscheidene jaren geleden aan Adelgonde, van verschillende plaatsen, gezonden; één insgelijks van u, door haar, tijdens haar verblijf op het slot Aduaar in het Luiksche ontvangen; nog eenige van speelnooten of vriendinnen uit vroegeren of lateren leeftijd, en eindelijk verscheidene van den u bekenden paapschen Spanjaard Alonzo Spinola, de zoon, naar men zegt, van den markgraaf Ambrosio.”

“Welnu?” zeide Van Bergen, zeer wel wetende dat Alonzo met den roof zijner Adelgonde niets gemeens had.

“Welnu,” hernam Walter: “die brieven des Spanjaards vloeiden over van de teederste woorden en de zoetste namen. Hij sprak van eeuwige trouw, van vurige liefde, van een ijzeren doch verroeste keten, die de schoonste der schoonen in een doodsch kasteel gekluisterd hield—die keten waart gij, genadige graaf,—van een alleenzaligmakende kerk, en van de vreugde over hare toezegging dat zij aan zijne zijde de kettersche gevoelens zou afzweren.”

De graaf had moeite zijne bedaardheid en het stilzwijgen te bewaren. [122]

“Ja,” ging Van Rodenberg voort: “mijn vermoeden klom weldra tot zekerheid, ik had mij niet bedrogen: de laatste van des Spanjaards brieven behelsde een wel doordacht en fijn geslepen plan om Adelgonde te ontvoeren.”

Van Bergen stond op, trad op den jonker toe, sloeg de armen kruiselings over de borst, zag hem scherp in de oogen, en zeide bedaard doch met een diep doordringende stem: “Walter! gij spreekt onwaarheid!”

Onwillekeurig deed Van Rodenberg eenige schreden achterwaarts, zijn roode lippen verbleekten; doch zich weldra herstellende, zeide hij, als ware hij schandelijk miskend: “Denkt gij dat ik lieg, graaf Van Bergen? Meent gij dat ik mijne woorden niet zou kunnen bewijzen? Ziehier!” vervolgde hij met verheffing van stem, terwijl hij een pakket brieven op de tafel wierp: “Lees zelf: zijn dat uwe brieven niet? en deze....? overtuig u dan dat ik waarheid gesproken heb.”

“Wat gaan mij die brieven aan!” hernam Van Bergen, in dezelfde onwrikbare houding: “Ik zeg u, gij liegt! De jonge Spinola is onschuldig aan de daad, die gij hem ten laste legt. Den geheelen middag was ik in zijn gezelschap, en eerst sedert een paar uren heeft hij het kasteel verlaten, om mijn lieve dochter op te sporen.”

“En wie heeft u gezegd dat Adelgonde door Spinola zelven is ontvoerd?” hernam Van Rodenberg, heimelijk glimlachende, daar zijne zaak een gunstige wending scheen te nemen: “Heeft uw schrandere blik de fijnheid van het spel nog niet geraden? Geloof mij edele graaf. Ik ben veel aan u verschuldigd, en wat zou het mij baten een onschuldige te belasteren, terwijl de zaak dezelfde blijft. Luister nog een oogenblik, en gij zult zelf oordeelen of mijne woorden waarheid of logen behelsden.—Nadat ik,” zoo vervolgde hij: “zekerheid had bekomen, trad een man, dien ik vroeger meermalen meende gezien te hebben, uit eene zijdeur, in de gelagkamer, sloot de deur behoedzaam, en stak den sleutel zorgvuldig in den zak. Zijne over den vloer weidende oogen schenen iets te zoeken; ik vermoedde het door mij gevonden pakje. De man fluisterde eenige woorden met den hospes, bekwam van dezen eene lantaarn, en verliet daarop de kroeg. Spoedig verzamelde ik de vóór mij liggende papieren, vereffende mijne rekening met den waard, en volgde den zoekende buiten de herberg. Weldra was ik hem genaderd: Gij zijt een lage schurk! beet ik hem vrij krachtig in de ooren: Wie geeft u het recht de freule Van Bergen te ontvoeren?—Zonder de geringste ontsteltenis lichtte de man mij met zijne lantaarn in het aangezicht, en zeide met een schelle stem: Daar zal ik ú wel geen rekenschap van behoeven te geven, jonker Van Rodenberg! gij toch hebt reeds voor lang van uw rechten op het lieve duifje afstand gedaan.—Deze verregaande beleediging, gevoegd bij het schandelijke der daad, deed mijne aderen zwellen.—En evenwel vorder ik de freule uit uwe handen terug, riep ik met hevigheid.—Gij hebt volstrekt niets te vorderen, hernam de man, terwijl hij mij de tromp van een pistool onder [123]de oogen hield:—Verstaat gij, niets vordert gij van mij; maar ik vorder van u, mij die brieven terug te geven, welke ik zooeven verloren heb.—Doch waartoe, genadige graaf, zal ik u haarklein ieder woord herhalen ’t welk door ons gesproken werd,” vervolgde Van Rodenberg, ziende dat Van Bergen weinig of niet naar zijn langwijlig verhaal luisterde, maar ongeduldig de zaal op en neer ging: “Kortom, ik bad, ik smeekte, ik dreigde; niets mocht baten, de man bleef onverbiddelijk, en reeds begon de hoop mij te begeven uwe lieve dochter ongedeerd in uwe armen terug te voeren, toen de man mij eindelijk schamper toevoegde: Maar voor den drommel! denkt gij dan dat ik zulk een hapje voor mijn genoegen hierheen heb gesmokkeld. De eigenaar zou raar opkijken als ik hem een ledige kamer aanbood. Neen vriend, ik zou andere munt ontvangen dan die mij is toegezegd. Mijne zakken zijn ledig, en een goede belooning laat men zoo makkelijk niet in den steek.—Dus is het winzucht alleen, die u tot deze daad heeft aangespoord? hernam ik. Dat juist niet, zeide de man weder: Gehechtheid aan mijn meester is een hoofdtrek in mijn karakter; die gelden dienen slechts om de zaak wat aan te dringen. Maar zoo u dan eens van een andere zijde méér kronen toevloeiden, hernam ik: zou uw gehechtheid dan niet wat minder worden?—Dat zou er naar kunnen zijn! antwoordde de man. In ’t eind, edele graaf, zijn wij de zaak eens geworden. Nog een uur moest er verloopen eer Spinola aan het Zwaantje kwam. Indien ik binnen dien tijd aan de herberg terug was, kon ik de lieve Adelgonde tegen eene som van zeven duizend kronen lossen; doch kwam ik eenige oogenblikken later, dan zou de schoone Adelgonde voor u verloren, en door Spinola reeds naar een veiliger schuilplaats zijn overgebracht.”

Van Rodenberg hield op met spreken. Niet zonder eenigen schroom verwachtte hij Van Bergens antwoord. De graaf echter bewaarde een nadenkend stilzwijgen; eindelijk floot hij twee malen op zijn zilveren fluitje, en weldra verscheen de eenige mannelijke dienst bode, die nog op het kasteel was achtergebleven.

“Jozef, ga terstond naar den stal en zadel mijn paard,” zeide Van Bergen: “maak spoed, ik heb geen oogenblik te verliezen.”

Hoe listig de grove leugenaar zijn verhaal ook geweven, hoe kunstig hij iedere omstandigheid ook geplooid en geschikt had, deze natuurlijke wending, die de voorgedragen logen schier in ieder geval moest nemen, had hij niet berekend, of met achteloosheid over het hoofd gezien.

Zoo vermetel als hij even te voren was geweest, zoo verlegen en verward was hij thans.

“Er zijn geene paarden meer op stal, uw genade!” antwoordde Jozef, toen Van Bergen zijn bevel gegeven had: “Hoewel Wakker reeds doodaf was, zoo heeft Burgman hem toch nog meegenomen. Elbert heeft Pretty, en Ras wordt door Rudolf bereden.”

Van Rodenberg schepte weder adem.

“O,” hernam Van Bergen, zich tot den jonker wendende: “gij zult mij uw paard wel voor een uur willen afstaan! Spoedig Jozef, [124]houd het paard van den jonker Van Rodenberg in gereedheid.”

De dienaar boog en vertrok.

“Genadige graaf!” stotterde Walter: “Ik zal niet gedoogen.... Gij wilt toch niet in dit nachtelijk uur.... Waarom mij die eervolle taak niet opgedragen?—Gij zoudt u aan gevaren blootstellen! Overhandig mij spoedig de som, welke de snoodaard eischt, en ik vlieg, om u wellicht het laatste bewijs mijner dankbaarheid te geven.”

“Spaar uw overdreven dienstvaardigheid,” zeide Van Bergen, die den jonker—wiens karakter hem sedert eenigen tijd maar al te bekend was geworden—door het laatst gegeven bevel geheel in de val had gebracht: “Hier,” vervolgde hij, eene deur openende: “hier kunt gij voorloopig van uw vermoeienissen in mijn belang wat uitrusten. Ga binnen en wacht rustig mijne weerkomst af.”

“Gij; wilt mij in de torenkamer sluiten!” riep Van Rodenberg met hevigheid: “Is dat dewijl ik uw ellendig basterdkind wilde redden! Bij mijne ziel....!” doch het werd hem niet vergund zijn dreigende woorden te vervolgen; want Van Bergen, wiens kaken van de diepste verontwaardiging gloeiden, greep den verachtelijken knaap bij den arm, wierp hem in het geopende kamertje en deed de deur op het dubbele slot.

[Inhoud]

Negentiende hoofdstuk.

Zoodra Alonzo met zijne volgelingen buiten het kasteel was gekomen, verdeelde hij de manschappen in eenige groepen. Elk dezer groepen wees hij een verschillenden weg aan, met bevel om aan alle woningen, die zij voorbij zouden komen, een nauwkeurig onderzoek in het werk te stellen. Maarten werd, met nog twee andere knapen, stadwaarts gezonden. Burgman moest met de zijnen het zandspoor naar Delft volgen. Elbert met nog eenigen moest den zandweg houden, die van het kasteel rechtstreeks op Leiden aanliep, terwijl Alonzo zich voorbehield om met Rudolf de stadwaarts trekkenden, langs de laan van het Nieuw-Oosteinde tot aan den Bezuidenhoutschen weg te vergezellen, waarna hij, hen verlatende, het Bosch in alle richtingen wilde doorkruisen, om eindelijk op den zandweg tusschen Den Haag en Leiden zijne nasporingen voort te zetten.

Weldra verloren de optrekkenden elkander uit het oog. Geen woord werd er gesproken; de diepste stilte werd door allen in acht genomen, en ieder wenschte zich het voorrecht te mogen hebben, de veelgeliefde jonkvrouw binnen de muren van den Oldenburgh terug te voeren.

“God geve dat de anderen gelukkiger zijn!” zeide Rudolf, toen [125]hij, na een rit van bijkans twee uren, met Alonzo op den voornoemden zandweg kwam. “Wij kunnen nu de lantaarn wel uitdoen,” vervolgde hij: “het is hier veel lichter dan in het bosch, en de lucht begint in het Oosten al helder te worden.”

“Geen hoop verloren!” zeide Alonzo: “Wij zullen de paarden nu in een kleinen draf zetten. Liggen er geen woningen aan dezen weg?”

“Laat zien,” antwoordde Rudolf: “nog een goed kwartier rijdens en wij zijn aan den viersprong. Een half uurtje verder ligt een boerenhoeve, en nabij Leiden moeten wij rechts nog een kleine kroeg voorbij.”

“Ja, ik herinner mij dien viersprong zeer goed,” hernam Alonzo: “Indien ik mij niet bedrieg staat er een steenen kruis.”

“Daar zou ik u wonderlijke avonturen van kunnen verhalen,” zeide Rudolf: “menige goede ziel is van die plaats naar de eeuwigheid verhuisd! Men wil dat de duivel zelf dat kruis daar heeft gezet, om de geloovigen te lokken en ze daarna den nek te breken.”

“Malligheid!” bromde Alonzo, die eenmaal zelf met dien duivel had kennis gemaakt! “Niets dan oudewijven praatjes. Ik hoop niet dat gij dien zotteklap gelooft?”

“Ik niet,” hernam Rudolf: “en al ware het ook zoo, al krioelde het er ook, zooals men zegt, van duivels en spoken, ons protestanten durven ze toch niet aan; maar de geloovige papen, ja als ze die in hun midden kunnen krijgen, dan blijft er geen haar of been van over.”

“Dan dien ik op mijne hoede te zijn,” zeide Alonzo glimlachend.

“Gij, edele heer?” zeide Rudolf, terwijl hij zijn tochtgenoot bedenkelijk aanzag.

“Welzeker,” hervatte Alonzo: “ik behoor tot die geloovige papen, zooals gij ons katholieken gelieft te noemen. Uw gezelschap zal mij nú echter, zoo ik hoop, tegen een aanranding van die gevreesde personages vrijwaren.”

Rudolf antwoordde niet; hij gevoelde zich zeer onaangenaam te moede; maar dankte evenwel den hemel dat het spoedig dag zou worden, en de kwade geesten dan—bij het eerste morgenlicht voor goed naar hun donkere schuilplaats zouden terugkeeren.

Alonzo, met zijn belangrijk doel voor oogen, had verder geen lust zich met den eenvoudigen rijknecht bezig te houden, terwijl deze, met zijn katholieken metgezel, zich maar half op zijn gemak bevond, en het geraden oordeelde, tot voorbij het steenen kruis, de achterhoede uit te maken.

“Groote God, wees onzer genadig!” riep Rudolf eensklaps met angstige stem. Alonzo zag verschrikt om en ontwaarde den dienaar die, met de doodskleur op het gelaat, stokstijf voor zich uit staarde.

“Wat moet dat misbaar beteekenen?” vroeg Alonzo gramstorig.

“Dáár, dáár,” stotterde Rudolf, met den vinger voor zich uit wijzende: “ziet gij dáár, aan den kruisweg, dat witte spook niet fladderen? Bij het heil mijner zalige moeder, ik ga geen stap verder! Laat ons terugkeeren genadige heer! geloof mij, als wij in de handen dier wezens vallen, dan blijft er geen spoor van ons over.” [126]

Alonzo richtte zijn blik naar de aangeduide plaats, en werkelijk zag hij het voorwerp van Rudolfs vrees. Een kreet van verrukking ontglipte er aan zijn mond; zonder een oogenblik te toeven gaf hij zijn paard de sporen, en rende den ontstelden dienaar voorbij en op het steenen kruis aan.

“Het is met hem gedaan!” riep Rudolf, en zich niet sterk genoeg gevoelende, om het ijselijk schouwspel aan te zien, wendde hij zijn ros, en nam, met denzelfden spoed, den terugtocht naar den Oldenburgh aan.

Weldra was Alonzo de bedoelde plaats genaderd; snel sprong hij van zijn paard, en ijlings op het gewaande spook toegetreden, bespeurde hij tot zijn onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne hoop hem niet had bedrogen, dat de schoone Adelgonde in waarheid door hem was wedergevonden.

Daar lag de bekoorlijke Hagenlelie, van vermoeienis aan deze eenzame plaats in slaap gevallen. De nachtwind speelde kwistig met haar blonde lokken, en deed het witte kleedje om haar verkleumde leden fladderen. Daar lag zij, de bloem der schoonen! Maar hoe!—had de vorst der duisternis haar niet op een lage doch listige wijze, in zijn strik gelokt; had hij haar niet schandelijk haar eer ontroofd? of had de heilige Moeder Gods haar wellicht wonderbaarlijk beschermd?

“Ontwaak schoone Adelgonde!” riep Alonzo, terwijl hij zich over de bekoorlijke slaapster henenboog en met innige verrukking hare hemelsche trekken beschouwde.

“Wie roept mij?” lispte het nog sluimerende meisje, nadat een pijnlijk lachje zich over haar gelaat had verspreid; doch plotseling wreef zij de nog benevelde oogen, en zag Alonzo vol verbazing aan.

“Ga, ga!” zeide zij: “gij zijt immers Spinola, gij, de vijand die mij in het verderf hebt willen storten. Ga, vlucht, of mijn toorn blijft op u!”

“Adelgonde! dierbare Adelgonde!” sprak Alonzo smeekend: “Wat heb ik gedaan dat uw mond deze woorden tot mij spreekt? Bij God! ik ben onschuldig aan het onheil dat u is weervaren. Weer mij niet van u af; ik zal u aan uw vader teruggeven, Ach, dood mij niet met het ondraaglijk gevoel uwer verachting!”

“Ja, gij hebt mij in de woning mijner ware ouders laten terugvoeren, maar door wien!” hernam Adelgonde: “door een booswicht. En in die woning!.... De hemel weet hoe zwaar ik er beproefd ben geworden.”

Alonzo wist niet te antwoorden. Dat een ander haar onder zijn naam had ontvoerd, hij was er zeker van. Wie die ellendeling was, liet zich zeer wel gissen, doch, wat die terugvoering in de woning harer ouders, waarvan Adelgonde sprak, beteekende, dit kon hij zich niet verklaren. Wél had hij bij zijn toevallig bezoek op den Blankert, haar onwettige afkomst hooren bevestigen; doch het onder zijne handen berustende portret had hem,—naar zijne meening—, een sprekend tegenbewijs geleverd, en thans,—van die heuglijke waarheid overtuigd, hoorde hij nu Adelgonde zelve van haar ware ouders gewagen. [127]

Hoezeer Alonzo’s karakter in enkele opzichten twijfelmoedig kon genoemd worden, in dit oogenblik, met het werkelijke beeld eener idealische heilige vóór zich, kon hij niet langer wankelen. Liefde en trots worstelden niet meer in zijn binnenste, en wat Adelgonde ook mocht gevoelen, welke drijfveeren haar ook mochten hebben aangespoord tot het schrijven van de letteren welke hij, eenigen tijd geleden, ontvangen had—Alonzo verstond het duidelijk, dat, terwijl hare lippen de woorden: vijand en toorn hadden uitgesproken, de echo van haar hart de klanken: vriend en liefde hadden weerkaatst.

“En gij zoudt kunnen denken, dierbare Adelgonde,” hervatte Alonzo eindelijk: “dat ik haar, die mij eenmaal de woorden: “Ik bemin u,” heeft toegefluisterd, aan de misdaad en schande zou prijs geven? O! wat ons ook van elkander heeft gescheiden, niets is meer in staat om mijne liefde voor u te dooven. De hemel doet mij u ten tweedenmale op mijn weg ontmoeten; ik heb den waardigen graaf een zoon doen wedervinden: God zij dank dat ik hem ook eene dochter terugschenken mag!”

Afgemat en verkleumd, kon Adelgonde den geheelen samenloop der omstandigheden nog geenszins in haren geest verbinden, en ook de laatste woorden begreep zij niet, doch Alonzo’s edele blik boezemde haar een onbepaald vertrouwen in, en gewillig gaf zij zich aan zijn zorgvuldige leiding over.

“Ik ben zeer koud,” zeide zij, klappertandende: “mijne kleeren zijn nat van den dauw.”

De jongeling was het dierbare meisje nu in het opstaan behulpzaam; met de teederste bezorgdheid sloeg hij zijn mantel om hare schouders, tilde haar vervolgens op zijn paard, en terwijl hij haar met de eene hand ondersteunde, nam hij de teugels in de andere, en leidde alzoo den kostbaren weergevonden schat naar de woning, waar men in gespannen verwachting den uitslag der nasporingen te gemoet zag.

Reeds werden de toppen der boomen door de eerste stralen der morgenzon verguld, reeds weken de dampen om door kleuren vervangen te worden, en verliet de leeuwerik zijn nederig verblijf, ten einde het voedsel voor zijn gezin te zoeken, toen Van Bergen is voortdurende onrust, zijn kasteel op en neer liep.

In hetzelfde oogenblik dat Rudolf kwam aanrennen, bevond hij zich op de binnenplaats.

“Gij brengt mij geen goede tijding,” zeide Van Bergen, toen bij het bleeke gelaat van den rijknecht bespeurde.

“O, het is verschrikkelijk!” antwoordde de dienaar, terwijl hij van het schuimende ros stapte: “Hij is door een helsch wezen naar den afgrond gesleept.”

“Hebt ge uw hersens verloren Rudolf!” zei de graaf, terwijl bij hem scherp in de oogen zag: “Wat en van wien spreekt gij?”

Rudolf verhaalde nu hoe zijn paapsche metgezel door een bovennatuurlijk wezen in het verderf was gelokt, en hoe datzelfde wezen hem, weinige seconden later, als door een tooverslag had vernietigd. [128]

“Hebt gij dat met eigen oogen gezien?” vroeg de graaf, nadat Rudolf had uitgesproken.

“Gezien, genadige heer?” antwoordde de bijgeloovige man: “Ja zie, gezien heb ik het eigenlijk niet; de moed ontbrak mij om koelbloedig het einde der zaak af te wachten: maar zeker toch heb ik het spook zien fladderen, en nauwelijks had ik het dien paapschen heer doen opmerken, of hij werd door een bovennatuurlijke kracht naar die plaats getrokken, en....”

“En koost gij, door een ellendig bijgeloof gedreven, lafhartig het hazenpad? Ik versta dit,” vervolgde Van Bergen: “en toch vorder ik van u, ondanks alle spoken of helsche wezens, dat gij den jongen graaf Spinola gaat opzoeken, ten einde mij te berichten, wat er van hem geworden is.”

Rudolf zette een gezicht als ware hij tot den brandstapel verwezen; doch het karakter van zijn heer kennende, en zeer wel wetende dat alle tegenspraak vruchteloos zou zijn, zette hij den voet in den stijgbeugel en verliet weinige seconden later de binnenplaats.

“Indien gij het mocht vergeten hebben,” riep Van Bergen hem achterna: “zoo herinner ik u: dat hij die zich op God verlaat, in Zijn hand altijd veilig en wél bewaard is.”

Wel verre van in Rudolfs verhaal iets verontrustends te zien, koesterde Van Bergen integendeel de heimelijke en, zoo wij weten, gegronde hoop, dat Alonzo met een gelukkig gevolg zijne nasporingen zou hebben voortgezet, en dat het witte spook zijn geliefde Adelgonde zou geweest zijn.

Weder was er een uur verstreken.

De graaf had zich op eene bank onder den zwaren lindeboom nedergezet. Van deze plaats kon hij beurtelings den blik richten naar de drie verschillende wegen, langs welke zijne zendelingen moesten terugkomen.

Na lang turen zag hij eindelijk aan het einde der laan een dikke stofwolk opstuiven. Het was Rudolf, die nog sneller dan te voren kwam aanrennen, terwijl zijn gelaat heel anders stond dan bij zijn eerste te huiskomst.

“Zij is er! zij is er!” riep hij den graaf reeds van verre toe: Binnen een half uur zijn zij hier!” vervolgde hij, naderbij gekomen: “De freule is frisch en gezond; ik heb haar gezien; zij lachte van blijdschap, en de jonge Spaansche graaf gaat insgelijks ongedeerd aan hare zijde.”

Zooals Rudolf gezegd had, verliep er nog ruim een half uur, eer Van Bergen de terugkeerenden ontwaarde. Reeds had hij in zijn geest de woorden gekozen, welke hij het lieve meisje zou toespreken, om eensdeels haar gevoelig hart niet te kwetsen, doch om haar tevens op een zachte wijze het verkeerde van hare daad onder het oog te brengen.

Deze voorzorg echter was noodeloos geweest, want nauwelijks had het beproefde meisje haar pleegvader ontdekt, of zij snelde luid snikkende naar hem toe, en hij.... stom van blijdschap, drukte haar [129]vast in zijn armen, en kon niets uitbrengen dan de woorden: “Gonne! mijn lieve, mijn beste Gonne!”

Alonzo werd door dit schoon doch roerend tooneel diep getroffen. O hoe gaarne had hij in dit oogenblik dien edelen, dien waardigen man insgelijks vader, en die zachte schoone, zijn lieve Gonne genoemd; ja, in dezen stond kon slechts kieschheid hem beletten, om voor zijn dubbelen dienst een zoo gewenschte belooning af te smeeken.

Zoodra Van Bergen met zijne pleegdochter en Alonzo in de kleine zaal was gekomen, liet hij eenige ververschingen opdragen.

“Ik ben u oneindig veel verplicht, wakkere jongeling!” sprak hij tot Alonzo. “Ja, Gonne, gij weet het nog niet: van nu aan hebt gij een broeder. Spinola heeft mij een verloren zoon doen wedervinden, zooals ook gij, door zijn ijverige nasporingen, ongedeerd in mijne armen zijt teruggevoerd.”

Adelgonde zag den graaf vragend aan.

“Alles is mij zelven een raadsel,” ging Van Bergen voort: “God alleen is het bekend, waarom de boosheid tot heden zulke dichte netten om mijn levensgeluk heeft moeten werpen. Thans echter ben ik weer gelukkig, en hij, dien ik naast God den meesten dank ben verschuldigd, hij kan tot mijn laatsten snik op die dankbaarheid staat maken; hem zij de zegen van God en de eere der menschen, terwijl ik voor altijd zijn schuldenaar zal blijven.”

Het hart van den vurigen minnaar klopte hevig in zijne borst, Hij wilde spreken, doch aarzelde weder. Eenige oogenblikken nog bleven zijn donkerbruine oogen op Adelgonde gevestigd; toen wendde hij zich tot den graaf, en sprak langzaam doch met een vaste stem: “De goede daad, uit baatzucht volbracht, verliest hare waarde; daarom edele graaf, ben ik bevreesd door u veroordeeld te worden. Mijn woord als edelman echter zij u voldoende, om te gelooven dat ik onbaatzuchtig aan de stem der menschlievendheid het oor heb geleend.—Door de gunst der Heiligen mocht ik het voorrecht hebben tot uw geluk werkzaam te zijn; ik heb dien eervollen plicht vervuld, en wel verre van uwe dankbaarheid te vorderen, moet ik de Heiligen danken, dat ik hierdoor aan mijn eeuwig heil heb mogen arbeiden.—Maar nochtans, edele graaf!” ging Alonzo voort: “is het vreemd dat hij, die u een zoon en een dochter mocht terugschenken, u bidt: o maak een klaverblad van het getal uwer kinderen; neem hem tot zoon, die u zoo gaarne vader zou noemen: hij biedt u zijn kinderlijke liefde, en uw engelreine dochter: zijn hart, zijne trouw en zijn gansche leven aan.”

Van Bergen stond als door den bliksem getroffen. Hoe! was die redder van zijn lievelingen dan niet de zoon van den beruchten Spinola? was hij geen Spanjaard? geen vijand van het dierbare Nederland? geen vijand van het zoo duur gekocht geloof? Zou Adelgonde ooit in dat land van bij- en ongeloof met dien vreemdeling gelukkig kunnen zijn? En hij zelf, zou hij dat dierbare wezen verre—verre van zich laten gaan, en alzoo vrijwillig de hoop verijdelen, om haar aan de zijde van een waardigen echtgenoot in zijn laatste levensjaren gelukkig te zien? [130]

“Jongeling! gij eischt veel, gij eischt het onmogelijke van mij,” sprak de graaf: “Beseft gij dan niet, dat mijn geslacht evenmin met het uwe kan vereenigd worden, als Nederland, zoo lang er nog strijdbare mannen zijn, aan Spanje kan toebehooren?—Jongeling, zoo waar God leeft, ik acht u hoog,” vervolgde de graaf, terwijl hij Alonzo de hand reikte: “Beschuldig mij niet van ondankbaarheid. Ik weet het, gij zijt de man die mij mijne kinderen hebt teruggegeven, doch juist daarom zult gij mij die lievelingen laten behouden; eisch alles wat gij wilt, maar laat mij mijne dochter! Uw vaderland is het hare niet; en uwe kerk—zij is de hare evenmin.”

Alonzo was op dit antwoord geenszins voorbereid. De woorden van den graaf waren hem als kokend lood op het hart gevallen. Een oogenblik stond hij als versteend; doch weldra zijne tegenwoordigheid van geest terugbekomende, trad hij op Van Bergen toe; nam de hem toegereikte hand aan, en beurtelings zijne oogen naar Adelgonde en haren pleegvader wendende, sprak hij met een stem bevende van aandoening: “Graaf Van Bergen, het is u gebleken dat ik wél uw geluk, maar geenszins uw ongeluk heb bedoeld. Mijn geluk derhalve begeer ik niet ten koste van het uwe. Adelgonde zal, evenals ik, gelaten haar kinderplicht vervullen. Welaan dan, mijne taak in uwe woning is afgedaan; ik vertrek, en de tijd zal, zoo ik hoop, mijne smart verzachten. Geloof echter, edele graaf, dat mijn vaderland dáár is waarheen mijn hart trekt, en dat mijne kerk die kerk is, waar God en zijn groote Zoon verheerlijkt worden.”

Alonzo zweeg,—Adelgonde zag strak voor zich neer, en Van Bergen, in wiens oogen een paar dikke tranen waren opgeweld, wilde den jongeling nog eenige woorden toespreken, toen hij daarin eensklaps verhinderd werd door een hevig rumoer, ’t welk zich op het portaal liet hooren.

“Laat mij door! laat mij door, zeg ik u!” riep eene vrouwenstem buiten de zaal: “Ik moet, ik wil den graaf spreken. Waar is hij? O ik bid u, laat mij bij hem!”

Van Bergen, niet begrijpende wat dit moest beteekenen, deed de deur open, en onmiddellijk stoof vrouw Barbara in havelooze kleeren en met loshangende haren de zaal binnen.

“Wij hebben dit wijf nabij Leiden ontmoet,” zeide Elbert, die met zijne knapen op het portaal was blijven staan: “Wij hebben haar ondervraagd om de genadige freule op het spoor te komen, doch zij antwoordde niet, en zeide alleen naar den Oldenburgh te gaan, om uw genade onverwijld te kunnen spreken; wij zijn toen dadelijk teruggekeerd en wilden haar beneden houden om u van de zaak kennis te geven, doch zij stelde zich zoodanig te weer, dat wij haar onmogelijk konden beletten onaangediend tot uw genade door te dringen.”

Zoodra Barbara de haar ontvluchte Adelgonde gewaar werd, ontstelde zij zichtbaar.

“Vrouw, wat wilt gij?” zeide Van Bergen, nadat hij Elbert een wenk had gegeven om zich te verwijderen.

“Genade! vergeving! ontferming!” riep Barbara, terwijl zij aan [131]des graven voeten neerviel: “Genade voor mij en voor een stervende, die onder hevige smarten zijn einde te gemoet gaat.”

“Sta op, vrouw,” zeide Van Bergen: “voor God alleen moogt gij knielen. Welke misdaad hebt gij bedreven? Waarvoor komt gij mijn genade inroepen? Spreek zonder dralen, doch maak het kort!”

Vrouw Barbara stond op; wischte zich het zweet van het voorhoofd, en begon eindelijk met een eenigszins bevende stem: “Mijn gelaat zult gij u wellicht niet meer herinneren, genadige graaf; ook is het reeds meer dan twintig jaren geleden, dat wij elkander voor het laatst gezien hebben. Ik ben Barbara Leendertz, de vrouw die baker bij uwe gemalin was, toen hare genade voor de eerste maal moeder werd. De man die thans zieltogend in mijne woning ligt, was de vreemde arts, die bij hare moederwording tegenwoordig was. Gij waart in den strijd, genadige graaf, en toen gij terugkwaamt....”

“Werd mij door u een dood wicht als de pasgeboren zoon aangewezen,” viel Van Bergen haar schielijk in de rede.

“Het is zoo,” hernam Barbara: “doch de duivel had mij verleid om u die leugen te verkondigen. Zekere Rosio, een geneesheer, zooals hij zich noemde, uit Frankrijk afkomstig, wist mij door schoone woorden en een ruime belooning tot een schandelijk bedrog over te halen. Gij bewijst der kerk van Rome een onschatbaren dienst, zeide hij: indien gij dat kind aan het kettersche geloof ontrukt en voor de Heilige Moederkerk bewaart.—Den vorigen nacht was eene mijner kennissen van een dooden zoon bevallen; dat lijkje werd,—tegen een kleine belooning, weldra ons eigendom; en terwijl de geneesheer uw levenden zoon naar mijne woning bracht, legde ik het doode kind in een kistje, en bleef tot uwe tehuiskomst uw zwakke vrouw bewaken.”

“Groote God!” riep Van Bergen uit, “moest zóó dat ongelukkige kind aan onze zorgen worden ontrukt!—Ga voort,” vervolgde hij tot Barbara: “en de Heer schenke mij kracht om even bedaard te vernemen wat gij met mijn zoon hebt aangevangen, als Hij langmoedig de zonden zijner menschenkinderen gadeslaat.”

“Nadat uw kind verscheidene jaren door mij was bewaard,” hervatte Barbara: “kwam op zekeren avond een man in mijne woning, dien ik weldra voor dien geneesmeester Rosio herkende. Zes jaren was hij uitlandig geweest, en had bij de oude gravin Van Bergen God hebbe hare ziel!—de plaats van rentmeester bekomen; hij vernam naar uw zoon, dien ik gedurende al dien tijd voor de wereld had verborgen gehouden, en gaf mij den wensch der gravin te kennen, om het kind ten harent te ontvangen, ten einde het verder, op een meer gepaste wijze, in het ware geloof te laten opvoeden. Op een stormarchtigen nacht bracht ik het kind, met mijn nu zaligen zoon Casper, naar den Blankert, waar die rentmeester verder voor de opvoeding heeft zorg gedragen, doch waar het arme schaap nu zeker met dien schrikkelijken brand onder het puin is omgekomen.”

Van Bergen sprak niet, maar greep Alonzo’s hand, en terwijl hij die aan zijn hart drukte, scheen hij nu eerst recht te beseffen, welk [132]een onschatbare weldaad de edele Spanjaard hem had bewezen.

“En hebt gij bewijzen van hetgeen gij zegt?” zei de graaf eindelijk, terwijl hij, hoewel innerlijk van de waarheid overtuigd, reikhalzend naar schriftelijke bewijzen uitzag.

“Denkt gij dan dat ik mij zelve zou komen beliegen?” hernam Barbara: “De man smeekt en kermt om uwe vergiffenis; zonder die is hij verdoemd, en bedreigt hij ook mij met het eeuwige vuur. Doch bewijzen? ja ik heb ze gehad,” ging zij voort: “maar ze zijn mij ontstolen. Een aflaat om mijn geweten te stillen mij door dien rentmeester bezorgd, benevens een bewijs van ontvangst door de gravin Van Bergen onderteekend, dit zouden waarborgen voor de waarheid mijner woorden zijn geweest.”

Alonzo bracht de hand aan het voorhoofd om zich te bezinnen waar hij de papieren, aan den ronselaar ontsnapt, had gelaten.

“Die stukken zullen u geworden,” zeide hij eensklaps tot Van Bergen: “ze zijn door bijzondere omstandigheden mijn eigendom geworden. Morgen of heden nog, zullen ze in uwe handen zijn.”

“Zijt gij de dief?” riep Barbara, terwijl zij zich geheel vergetende, met de armen in de zij voor Alonzo plaatste: “Spreek, schurk, met uw fijn geslepen tronie, waar is mijn geld? Ha! ik begrijp al wie gij zijt,” vervolgde zij, nadat de gebiedende stem van den graaf haar vruchteloos tot zwijgen had aangemaand: “gij zijt de bondgenoot van dien ellendigen vadermoorder, van dien Van Rodenberg, die, voor een goede som dat arme bloedje dáár, dezen nacht in mijne woning heeft gebracht.—Ja, genadige graaf,” ging zij in één adem tot Van Bergen voort: “ja, dat mensch heeft het lieve duifje in het ongeluk willen storten, maar hij kwam te laat, en toen Rosio de schoone vrucht vóór de komst van dien ander wilde plukken, bleef zij evenwel ongedeerd, want hij zonk plotseling ineen, dewijl een hevig vergif zijne ingewanden verscheurde. Zijn bastaardkind had hem vergiftigd. Die Van Rodenberg, het monster, ’t welk Rosio bij uwe stiefmoeder verwekt en als vondeling had neergelegd, was door den tijd tot vadermoorder opgewassen. God verdelge hem! maar vergeve ons dat wij hem behulpzaam zijn geweest om u zoo vele jaren van ongeluk te berokkenen. Ja graaf, gij weet nog niet alles: Gij weet niet dat de haat, de nijd en de afgunst van uw stiefmoeder, u ongeluk en rouw hadden gezworen; gij weet niet dat uw grijze vader, kort nadat hij zijn onwaardige gemalin had verstooten, aan een langzaam werkend vergif is weggekwijnd; Rosio mengde die drank; ook daarvoor smeekt hij u genade.”

Om ’s graven antwoord af te wachten zweeg Barbara een oogenblik. Deze echter sprak niet maar was in diepe gedachten verzonken.

“Nog slechts weinige woorden heb ik tot u te spreken, genadige graaf,” hervatte de vrouw: “maar bij de Heilige Maagd! zeg mij dan eerst of gij het ons vergeven wilt? Zie, ik biecht voor u, dewijl Rosio het mij bevolen heeft. Gij behoort wel is waar tot de ket.... de hervormden, maar Rosio zeide mij dat uw vrijspraak, de genade uit den hemel was. Wilt gij echter geen genade schenken, zoo moet ik bidden voor het heil der gezonkene ziel, die al [133]stervende bekent, het verderf van uw geslacht te hebben bewerkt.”

“Wat God over ulieden besloten heeft is mij niet bekend,” zeide Van Bergen: “Geen sterfelijk wezen is de raadsman naar wiens uitspraken de Onzienlijke zich richten zal. Wij allen hebben vergeving noodig. “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren,” dit is de bede welke ik dagelijks ten hemel opzend. Welnu, toon uw berouw, en God zal u genadig zijn zooals ik ulieden insgelijks wil vergeven.”

“Die woorden gaven u de Heiligen te spreken!” riep vrouw Barbara, nadat zij door den graaf was verhinderd nogmaals aan zijne voeten neer te knielen. “O ik zie het,” ging zij voort: “gij zijt vergevensgezind, en ik durf dus hopen, goedgunstig door u te worden aangehoord wanneer ik u nog een geheim meedeel, ’t welk mijn geweten sinds vele jaren bezwaarde.”

Van Bergen hield zijne oogen doordringend op Barbara gevestigd.

Alonzo, gerust in de overtuiging zijn plicht te hebben vervuld, had zich wijselijk van een woordenstrijd met de vreemde vrouw onthouden; hij vertrouwde, en met recht, dat men te zeer van zijn welgemeende gevoelens zou doordrongen zijn, dan dat men hem een oogenblik van de aangetijgde wandaad zou kunnen verdenken. Integendeel voelde hij zich gelukkig, eenige duistere wolken te zien wegdrijven, en zich ongezocht nog eenige oogenblikken in de beschouwing der bekoorlijke Adelgonde te kunnen verlustigen.

“De dag zal u gewis nog heugen,” ving Barbara weder aan: “toen gij, drie jaren na de eerste bevalling uwer zalige gemalin, nogmaals te velde trekkende, haar in gezegenden toestand moest achterlaten. Gij kwaamt terug, en terwijl gij de hoop voeddet twee dierbare wezens aan het hart te drukken, vondt gij bij uw tehuiskomst een woning van rouw, want moeder en kind lagen reeds verscheidene dagen in het donkere graf.—Ja, ik weet nog zeer goed hoe gij jammerdet en kermdet,” vervolgde Barbara: “hoe gij het graf wildet ontsluiten, om de lijken van moeder en kind met uw tranen te bevochtigen; hoe de raad van uw vrienden, en bovenal van den geneesheer Rosio—want deze was ook nu weder bij de bevalling tegenwoordig geweest—u met moeite van dat akelige voornemen deed afzien, en hoe gij dagen en nachten vruchteloos ronddooldet om uw rust en kalmte terug te vinden.—Graaf Van Bergen, herinnert gij u nog hoe eenige dagen later, een kind, een meisje, in lompen gewikkeld, bij de poort van dit kasteel door u zelf werd gevonden? hoe tusschen die lompen een stukje papier was gestoken, waarop met onduidelijke letters geschreven stond: dat een paar arme doch brave ouders, u dit kind ter verpleging aanboden; dat zij niet bekend wilden zijn, doch den volgenden avond aan die zelfde plaats zouden terugkomen om uw antwoord daar te vinden, hetzij de kleine, zoo gij u harer niet wildet aantrekken, hetzij een geldelijke ondersteuning ten einde hun andere kinderen voor broodsgebrek te bewaren?—Gij hebt toen het wurmpje liefderijk opgenomen,” vervolgde Barbara: “gij hebt het tot eene maagd zien opgroeien, die, om haar uitnemende schoonheid, [134]in de vorstenstad en hare omstreken de Hagenlelie wordt genoemd.—Welnu, dat kind—dat meisje, ’t welk gij thans zoo onuitsprekelijk lief hebt, weet gij graaf Van Bergen, wie de moeder van dat wurmpje was?—Zij is het kind van uw gade—zij is uw eigen dochter.—Jezus! Maria! weest ons genadig! Wij hadden het u, evenals uw zoon ontstolen, en het stoffelijk overschot uwer zalige gemalin,—wier spoedig uiteinde door Rosio was bewerkt,—is slechts alleen naar het graf gedragen.”


Het zou voorzeker een wanhopige poging zijn om de diep ontroerde gemoederen op de onstuimige baren hunner aandoeningen te volgen.

Neen; wij wagen ons niet op het fel bewogen element; de winden zijn te hevig, de golven schuimen te hoog, en de krachten des schippers zijn te zwak om het roer naar eisch te wenden.

Genoeg,—bij zooveel misdaad en toch nog zooveel zegen in ’t eind, kampten verontwaardiging en jammer met dankbaarheid en verrukking.

Van Bergen had de spreekster ternauwernood tot het einde kunnen aanhooren. Bij de woorden: “Zij is het kind van uw gade,” was hij eensklaps van zijne zitplaats opgesprongen, en had de vrouw bij haar beide armen gevat, als om zich te overtuigen dat een levend wezen hem deze woorden had toegesproken.

“Adelgonde! Adelgonde!” riep hij eindelijk; “God! Zij is mijn kind!—Gerechte hemelsche Vader! is het waarheid? Adelgonde!—mijne—mijne lieve dochter! kom—o kom—in de armen van uw vader....” Nu was het den graaf onmogelijk verder te spreken. Een luid geween verlamde zijne tong, en nadat Alonzo hem het dierbare meisje in de armen had gevoerd, overlaadde Van Bergen haar met tallooze kussen, en klemde haar vast aan zijn hart, als vreesde hij dat nieuwe aardsche machten hem zijn schat zouden ontrooven.

Zoo liefelijk als het veelal is eene vrouw in vreugde of droefheid te zien weenen, zoo akelig is het steeds wanneer een man zijne aandoeningen op deze wijze moet lucht geven: Van Bergen was schier niet tot bedaren te brengen, en Alonzo die over deze uitkomst minder verrast dan de graaf, met afgrijzen het schrikkelijk aantal misdaden had hooren opsommen, beschouwde met fonkelende oogen de ontaarde vrouw die, met saamgevouwen handen, nogmaals voor den graaf op de knieën was neergevallen.

“Monster! ga van hier!” sprak Alonzo op gebiedenden toon: “Wat baat u en uw medeplichtige de vergeving der menschen, daar alreeds het helsche vuur voor ulieden brandt. Wat baat u de genade der wereld, zoo het tal van uw zonden zelfs door de verdiensten der Heiligen niet kan worden uitgewischt.”

Vrouw Barbara wierp een blik van minachting op den vertoornden spreker. Biddende bleef zij de armen naar den graaf uitstrekken, en zelve ontsteld door de uitwerking, die haar verhaal had teweeggebracht, riep zij op smeekenden toon:

“Neen, ik zal, ik kan niet van hier gaan aleer de edele graaf [135]ons genade heeft toegezegd.—O! de Heiligen weten het, hoe dikwerf mijn geweten mij tot spreken aanspoorde; hoe dikwerf ik wenschte van die ijselijke eeden ontslagen te zijn, doch dan zweefde de dreigende vloek van Rosio mij weder met vurige letters voor den geest; dan zag ik mij weer aan den haat en de vervolging van uw stiefmoeder prijsgegeven. Ja, zij was het die de ellende en den rouw over uw huis heeft gebracht. Zij, door haar echtgenoot verstooten, wenschte haar bastaardkind in die rechten te zien treden, waarop zij zelve in de eerste plaats meende aanspraak te hebben. Daarom moest uw zoon gedood, of voor de wereld verdonkerd worden; daarom moest uw gade zoo vroegtijdig sterven, en gij uw eigen dochter grootbrengen, in den waan dat zij een kind van lage afkomst was. Ja, zij had besloten dat niemand anders dan haar verachtelijke zoon uw dochter tot echtgenoot zou erlangen; bij eene weigering van uw zijde, was hij gewapend; hem was de leugen van Adelgondes geboorte voor waarheid verhaald; hij zou u bedreigen met de wereld daarvan te onderrichten. Uw antwoord was dan niet langer twijfelachtig, en als Adelgondes gemaal, zou hij na uw dood,—die dan spoedig volgen moest, in uwe rechten treden, zoodat de zoon uwer stiefmoeder een geslacht zou vervangen, dat kort te voren nog zoo fier den nek tegen haar had gekromd.”

Nauwelijks had vrouw Barbara deze woorden geëindigd, of een vreeselijke knal drong den aanwezigen in de ooren. Zij zelve stortte, met een rauwen gil, bewusteloos op den grond, en terwijl de dienstboden, door den slag ontsteld, ijlings naar de zaal stormden, opende Alonzo het torenkamertje, waaruit een pistoolschot was gelost, doch ontwaarde niets dan een tamelijk lang koord, ’t welk uit het venster hing. Voorzeker moest het de ontkoming van Van Rodenberg hebben bevorderd, die eerst over de slotgracht was gezwommen en zich daarna in allerijl uit de voeten had gemaakt.

[Inhoud]

Twintigste hoofdstuk.

In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten Augustus 1608, de krijg feller dan te [136]voren zou hervat worden. Openlijk hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.

Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.

De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, zeer voor deze zaak.

Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor Nederland—wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen—liever een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.

Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men eindelijk—nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.

De Algemeene Staten evenwel—Zeeland uitgezonderd—besloten, door geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden van den vijand aan te hooren.

De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, te bezinnen.

Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden verstaan. [137]

Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal genoodigd.

Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. “Deze dronk,” zoo eindigde hij: “zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij onthaal hier te lande genoten.”

Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.

“Mijne heeren!” zeide hij: “Wij zijn als vrienden, niet als vijanden te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn wij in den strijd,—laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, mijne heeren!” aldus besloot de prins: “zal ons samenzijn iets goeds gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!”

Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:

“God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met ’er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet.”1

Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.

Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, bevond zijn geest zich op den Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem gevonden schat voor altijd moest achterlaten.

De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.

Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.

Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.

De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegen [138]Maurits en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig heeft samengewerkt.

Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend.2


Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk ’s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De bode des vredes had gesproken,—het gesloten bestand was met de meeste plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,—de vreugdeschoten knalden door de Maliebaan—’t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:

“Rust Neerland!”—was de kreet:

“Rust van Uw heldendaen.”

“Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast in de boutjes,” zei een man uit de menigte tot iemand die zich, in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den had gemengd.

“Het ding was malsch en niet malsch,” antwoordde de aangesprokene: “haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in mijn zak overgegaan.”

“Geef hier!” hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het halssieraad bij zich stak: “Gij zijt een slimme vogel; een dief die zijn handwerk verstaat.”

“Ik ben een dief en geen dief,” hernam de tweede: “ik neem,—evenals de rijken—wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne kronen in den zak houd.”

Uwe kronen! dat geloof ik,” zei de eerste glimlachend, en dan: “Hebt gij Aaij ook gesproken?”

“Gesproken en niet gesproken,” hernam de hansworst: “Ik ontmoette hem, of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer.”

Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewonden [139]publiek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te beter zijne kansen te kunnen waarnemen.

“Leve de rust! leve de vreugd!

Leve de rust die ’t hart verheugt!

Weg met den nijd, weg met den strijd!

Leve de vree en de vroolijkheid!”

Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.

“Nietwaar seigneur!” riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende massa’s te veroorzaken: “Nietwaar seigneur?” riep de hansworst nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, de omstanders deed schateren van lachen.

Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds in het aangezicht.

“Wij zijn elkander niet vreemd,” zeide de vreemdeling: “Mij dunkt dat ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.—Voorzichtig, maat!” vervolgde hij zachter: “steek den buidel even behendig weer in mijn zak als gij er dien uit hebt genomen, of anders....” en hij liet dit woord door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.

De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter werd verlaagd.

Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.

“Mijn jachtmes!”—“Mijn buidel!”—“Mijn zakboek!” riepen eenige mannen.

“Zie, mijn zilveren beugel!”—“Mijn gouden doekspeld!”—“Mijn reukdoosje!” riepen eenige vrouwen.

“Houdt den dief!”—“Houdt den schurk!”—“Houdt den afzetter!” riepen allen.

De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwende [140]stedelingen hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.

Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, voor de geopende poort van den Oldenburgh.

Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.

Maar Alonzo?—In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.

—Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij in dit kasteel vertoonen?—Ja! het is de heilige engel des Heeren die mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.

Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, hare wedergade niet vond.

Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.

Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.

“Alonzo!” zeide het meisje: “hebt gij wel gehandeld? Is het uit een zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt gij Zijns niet waardig.”

“Gij miskent mij, dierbaar meisje!” riep Alonzo, haar aan zijn hart drukkende: “Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hem [141]sloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans—evenals Saulus werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd gebracht—evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, waren deze: “Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van Mij getuigen.” Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, waartoe ik behoorde, verbiedt ’t geen God heeft bevolen. Alles werd mij duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer.”

Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige liefde. “En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor u neder,” zeide zij op zacht smeekenden toon: “Zijt gij dan toch nog bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?”

“Ons geluk!” riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart drukte: “Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. “Ga van hier ontaarde zoon!” waren de woorden mijns vaders: “Ga van hier, door God verdoemde ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben.”

Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te troosten en op te beuren.

“Lang leve onze waardige graaf!” was de kreet, die eensklaps den jongen lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.

Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne armen. [142]


1 Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.

2 O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.

[Inhoud]

Een en twintigste hoofdstuk.

Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.

De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.

In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.

Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.

Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, een bewoner terugbekomen.

De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet gekend had.

“Ben ik vandaag zoet geweest?” zeide een allerliefst driejarig meisje, dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken van Beaufort zat te spelen: “Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens bij [143]u op schootje zitten?”—en zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.

“Gij zijt een kleine plaagster!” zeide Klaartje, terwijl zij het lieve kind op haar schoot nam: “Met u kan men nauwelijks de helft van zijn werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders....”

“Ja, heel stil!” hernam het lieve kind: “en Klaartje zal mij dan vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het zal koud worden.”

De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: “Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Want ziet gij,” vervolgde zij, zich met Clarisje op den arm voor het portret plaatsende: “dat is een geschilderd kindje; het kan niet praten, niet zien, niet....”

“Ja maar het lacht toch,” zeide het lieve meisje, haar in de rede vallende: “en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat kindje, of is het een ander kindje van mama?”

“Hoor lieve,” antwoordde Klaartje: “ik zal u dat later wel eens vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens het leven gered.”

“Dat moet een goede man zijn geweest,” zeide Clarisje: “Ik zal dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, nietwaar lieve Klaartje?”

Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe wond in haar binnenste opengereten: “Ja, voorzeker!” zeide zij eindelijk: “doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed onthouden hebt.”

Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster had toegehaald.

Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. “Is Spanje met Nederland in vrede,” had hij gezegd: “en hebt gij de leer van Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kunt [144]gij mijn kleinood naar het altaar geleiden.—Ga! God zij met u!”

En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn zoon had uitgesproken. “Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig.” Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.

Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en trouw gezworen.

Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, en het huwelijksfeest, ’t welk juist tot het jaarfeest des graven was uitgesteld, werd met ongemeenen luister op den Oldenburgh gevierd.

Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toen Adelgonde eindelijk, na den dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.

“Mijn Gonne is altijd even toegevend,” zeide Alonzo eens tot zijn bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. “Ik wilde wel,” vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn voet over den vloer heen en weer rolde: “ik wilde wel, Gonne, dat gij mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf zulk een liefde niet te verdienen.”

“Beste Alonzo,” zeide Adelgonde: “waarom zoudt gij die liefde niet verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder u was er voor mij toch geen geluk op aarde.”

“Gij zijt een engel!” hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.

“Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,” hernam hij: “Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een zoen. Zie zoo!—gij moogt uw lieve oogen niet bederven.”

“’t Is waar,” zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: “Het licht [145]is al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, nietwaar beste vriend?”

Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: “Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!” en het aardige meisje kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.

“O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!” zeide Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: “maar,” vervolgde hij vleiend: “gij zult mij ook een zoon schenken, is het niet zoo?” en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand.”

Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld doch verrast deed opspringen.

“Lieve vader!” riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: “Lieve beste vader!” riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven hals bleef hangen: “hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!”

Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne kinderen naast zijnen zetel plaats namen: “Het is mij goed weer bij u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en....”

“Een gevaar!?” riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: “Wat is u overkomen?”

“Ik zal het u verhalen,” hernam Van Bergen: “doch vooraf verzoek ik u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn.”

Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was neergevallen. [146]

Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.

Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo’s knechten het kasteel Beaufort binnengedragen.

De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.

Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, waar de ongelukkige terneer lag.

Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich vroeger Walter Van Rodenberg noemde.

“God, Walter! zijt gij het?” riep de graaf, terwijl hij verbleekte, en bevend den nederliggende beschouwde: “Walter, Walter! waartoe zijt gij gekomen!”

Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich heen.

“Ha!—eindelijk vernietigd!” riep hij met schorre stem: “Het is reeds lang genoeg.—Waar is de dood?—Kom spoedig!”—en met een ontzettende krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend den geest gaf.

Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was “het opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid afgegleden,” en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar zijn laatste rustplaats.

Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.

Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift van zijn doorluchtigen beschermer.

Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de oogen. “Dáár, dáár,” riep hij in vervoering uit: “lees.... zie.... [147]ik kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft zich mijner ontfermd!”

Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was de voorspraak van den echtgenoot der schoone Hagenlelie geweest, en de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.


Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.

Het vroolijke kamermeisje van de schoone Hagenlelie was, twee maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, gelijk zijn goede huisplaag,—zooals hij Anne meermalen schertsend noemde—steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene trouwe moeder voor hare kinderen bleef.

Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes plaats bij haar te komen innemen.

Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant van een wissen dood had gered.

Het schilderstuk, ’t welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.

Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.

Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomen [148]vergiffenis geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster als berouwhebbend Katholiek gestorven.

Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel van den goeden graaf gegeven.

Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf op den Oldenburgh, en door hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden Burgman is verloren gegaan.

Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig gevonden heeft. [149]

Gelegenheidsstukken.

[Inhoud]

De Reus van Antwerpen.

Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade was een reuzin.

En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot en hoog.

En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners er boven uitspringen, en glanzen in ’t zonnelicht; maar ook, als de wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan de Schelde was!

En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderend halt door de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er kraakte en schokte.

En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.

En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of anders—anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!

Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want—deden zij ’t niet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van ’t lijf, en wierp ze, och arme! ten aas voor de visschen in ’t diep van den stroom. [150]

En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef rustig zijn tol en schatting heffen—of wel, hij greep de schepen bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en—het kappen van der weerspannigen handen, en het Handwerpen in de Schelde bleef zijn geliefkoosd vermaak.

Maar Brabo nadert.

Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.

En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo zal ze houwen in eeuwentartend graniet.

En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de oogleen des geweldigen toe,—en de schippers varen ongehinderd voorbij.

En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de sterke in ’t einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen van een tweede als hij—het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus zelf—gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit gehoorde zilveren tonen van Brabo’s stemme en lier, rukt hij zich, bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.

Maar ziet, Brabo’s stalen beitel snort door de lucht, en treft er den kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; en die beiden—zijn de laatsten van hun geslacht.

Leve de Verwinnaar!

En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, een schoone stad op den oever der Schelde—waarvan de reuzenburg de hoeksteen bleef—en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:

Antwerpen.


En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!

Maar toch—toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds rondwaart door Antwerpens straten; dat hij—ofschoon de [151]held der beschaving hem versloeg—nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon nog immer meewerkt tot den roem van Brabo’s nakroost.


Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, en er de achtkante tafel—Antigoons steenen disch—ter zwaarte van tweemaal zesduizend kilo’s, nog hooger dan viermaal honderd voeten optillen dorst....?

Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op ’t midden der “groene plaetse”?

En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte1 van Noord en van Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom griffelen deed in ’t eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester—door verspreiding van licht en beschaving, in beeld en in schrift?

Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, zij lacht vroolijk.

Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van ’t genie te zaam aan uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders van éénen stam met warmte aan ’t harte drukten; dat de zonen van ’t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle zonen der Kunst....?


En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u van [152]de gevels der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....


Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.


Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?

Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd opnieuw miskenden en heiligen God.

Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige waarheid is:

Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich zelven!


Liefde voor God en de menschen!

Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel der Kunst.

En in dien tempel—Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij gebrekkige vormen in beeld of in schrift.

En ziet—nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van ’t genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij ’t aanschouwen van dien slavenroof aan Afrika’s kuste. Uw harte bloedt bij het angstig bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt.2

Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook, hoe zij haar God zocht te dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks haar ten vure zal doemen?3 Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf der Kunst—zij wekt ons tot liefde. [153]

Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen.4

Arme vrouwe, wij weten ’t wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd op het doek, doch—aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft gefluisterd van broederliefde, en,—broederliefde en christenzin, zijn die beide niet één.

En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, woelende zeeën, tintelende luchten! En—als gij dan den maker prijst van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!

Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij ’t ook hoe gij daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;—hoe gij daar vrijheid eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- den broedermoord;—hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat en voor godsdienstkrijg;—hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen zooveel;—hoe ge daar leeraart en predikt: ’t is er zoo goed aan den huiselijken haard, ’t is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?

O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!

Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau’s lied in den Feërieken lusthof ook allen het harte getroffen.

O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in heur diep diepe blauw. [154]

SOLO.

Salut, o phalange sacrée,

Dont l’aspect nous fait tressailler;

Gloire aux soldats de la pensée.

Aux pionniers de l’avenir.

RÉCITATIF.

Fréres en vous comptant, une ivresse profonde

S’empare de mon cœur, oui, nous pourrons un jour,

Peintres, poétes, penseurs, régénérer le monde

Par la foi, le travail, le génie et l’amour.

STROPHES.

Oui, je voudrais, dans un élan sublime,

Vous presser tous sur mon cœur palpitant:

Enfants de Dieu qu’un meme zéle anime,

Courrez au but, la palme vous attends.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Si le trépas, Fréres venus de France,

A parmi vous fait des vides nombreux;

Serrez vos rangs, espoir et confiance!

Suivez les pas de vos morts glorieux.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,

Fils d’Albion, vous qu’entourent les mers,

Unissez vous, pour les arts plus d’entraves,

Par vos travaux étonnez l’univers!

Et vous enfants de la rive bénie,

Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,

Puissent vos maux fimir, l’Italie

Produire encor un nouveau Raphaël.5

Et toi, sois fier, o mon pays que j’aime!

Qui donc encor t’ose appeler petit?

N’es-tu pas grand par eet éclat suprême,

Qui de tes fils jusqu’à toi rejaillit?

Ce jour t’acquiert une gloire nouvelle,

Pays des arts et de la liberté,

Tu vas fonder la paix universelle,

Sur le talent et la fraternité.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

[155]

En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:

Retentissez, chants de victoire,

Éveille-toi, noble cité,

Fêtons les élus de la gloire,

Les fils de l’immortalité....

dan—dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,—straks ook dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft de Kunst hier getooverd!

Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, en ziet: Een reine vuurstraal ZUCHT krachtig naar boven, en schoone duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt zachtkens vanbinnen:

Bloemen en gaven zij dalen van Boven:

Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!


En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens kathedrale.

Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan in stilte:

Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,

U, eeuwig Vader, U verheft al ’t schepsel saam.

Zingt Serafs, Eng’len zingt; heft Machten aan en Tronen;

Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,

Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,

Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren.6

En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg meer te duchten, dan is het:

La paix universelle

Par la foi, le travail, le génie et l’amour.

Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!


[156]

En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid. Kunst! dochter der WIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!

En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving der gedachten in ’t leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn er geslagen, en koude harten—ze hebben gegloeid! Stad van den reus, dank, dank voor uwe zegepraal.

En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen—den omgang der reuzen en wagens.

En ziet, de walvisch—de reus der zeeën—opent den trein. Uit zijne neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:

Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën en Schelde zijn één!

Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, de ranke dolfijnen.

En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:

Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt aan de oevers der Schelde.

Ziet gij ’t wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook de VROUWE mag GROOT zijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der heiligste Liefde.

Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, ’t is zijn afbeeldsel wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in ’t ronde omdat hij nog kleinheid bespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: kleinheid, die snel voor hem heengaat. “Weest groot zooals ik!” klonk eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ook [157]rondwaart, hij kan er niet achter zich zien en aanschouwen wat hem volgt op den voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch—werd grooter dan hij.

Brabo’s triumf:

Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te luider een driewerf: Houzee!

Houzee!

En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de nakomelingschap, en wijst op de schatten van ’t genie, die zijne wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling met zich voert.

En—wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht heeft?

Ziet, daar nadert Flora’s zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.

Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.

En—als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in ’t klokkengelui van den toren alweder den nagalm van ’t lied, het lied dat ook dié omdracht u zong:

Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, door U zij er vrede op aarde!


En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.

Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige vertooning zocht te schetsen—de naklank, de naklank er van is zuiver. [158]

Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden van het verheffende psalmlied zong:

“I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.”

Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter beheerscht, die er te zamen herhaalden:

I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.

Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer—ook Hollands grootste toonzetters in vervoering bracht.

Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.

En—zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van Antwerpens Kunstfeest:

Vrede! vrede op aarde!


En—toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een traan in het oog; maar ook—toen was het hem een heerlijk symbool, dat zich daarginds, in ’t lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon van Mars ter ruste ging nedervlijen,7 en—zijn afscheid was: Vrede!

En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en—Antwerpens wapen boeide zijn geest.

Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.

Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring;8 van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter van het reusachtige Kunst-Congres. [159]Ziet, en ze wuiven nogmaals: Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van ’t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens met verrukking die handen—ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen ’t zich niet.—Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en—zij er een grens tusschen ’t Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, blijve de leuze; en thans voor het laatst: Uw kunst werke mee tot den vrede op aarde! [160]


1 “Soldats de la pensée.” Le triomphe des arts. Feest-Cantate van G. Demarteau.

2 Schilderij van Biard.

3 Schilderij van Cermak.

4 Schilderij van De Bruycker.

5 De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau’s Cantate, die oorspronkelijk luidden: Produire encor des Nouveaux Raphaël.

6 Het Te Deum—3de der Nederd. Evang. gezangen.

7 Naar het leven.

8 Cercle Artistique.

[Inhoud]

Te Wolfhezen.

Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder P. L. L. Oerder gewijd.

Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij den jongsten snik.

Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch—toch kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar—wanneer ik in vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn vriend—hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden—ook gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige schepping, en mij, in u zelven den reinen mensch doen waardeeren, ongeacht den vorm—den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering op aarde.


Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den drieëenigen God ter eere!

En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en spoedden zich voort naar het schoone woud. [161]

Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.

Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker—die zulk een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.

Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad en ’t klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.

En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel der vogels in ’t ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, ’t geritsel door ’t loof van den vallenden eikel, en ’t vluchtig gekrak van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in ’t eikenhout; zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.

En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der klokjes hem trof, als Harm “de scheper” aan gene zijde der beek zijn kudde voorbijdreef, en de schapen—in deze landstreek zoo goed met schilders als schepers bekend—niet aarzelden om ter lessching van hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, er parels deden opspatten van vloeiend kristal.

Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en schoon!—Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den vroegen morgen:

Als bij ’t lieflijk voog’len kweelen

’t Luchtig morgenkoeltje suist,

En bij ’t pooplen van de abeelen,

’t Vaarkruid boven ’t beekje ruischt.

Als er blauwe nevels dwalen,

Ginds waar ’t woud zijn toppen beurt,

En de zon met de eerste stralen

’t Zilvren web der heide kleurt.

Als de boekweit geurt vol zoetheid,

En het bijtje u gonst in ’t oor:

De aard is vol van ’s Heeren goedheid

Looft zijn naam alle eeuwen door!

[162]

En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....

Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook niet. Maar—wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die—daarbuiten—niet las in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was—de menschen weten niet wat daarmee te worstelen valt—misschien zelfs worsteldet met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dien toorn.... ik zou er u gaarne de hand nog voor drukken.


En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt door geestverwantschap, en in gloed voor het doel—al zou hij wel gaarne het rijk der liefde prediken “beginnende van Jeruzalem” en al vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte zich op en voor ’t grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest—naar sommiger meening—de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.

En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende licht der zon: bij stilte of storm, ’t zij grooter of kleiner, ’t zij helder of troebel,—zij alle van denzelfden [163]oorsprong—vlietende naar dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....

En het werd een schoone—al werd het geen heldere dag.


De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een vroolijk “vaarwel” toe.

En ik—in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar hoorde ik weer in ’t gestoot van den wagen die droevige profetie: “Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!”

Maar neen—in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, en op mijn “Donker luchtje mijnheer,” meende hij: “Dat het nog op kon klaren,” och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En “de lange gezichten”, ik zag ze niet: en de “smachtende blikken ten Hoogen”, neen waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.

En eensklaps—daar was voorzeker een wenk gegeven—kwam een ernstiger plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:

Looft den Heer want Hij is goed,

Looft Hem met een blij gemoed.

Want Zijn gunst alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.

Dat was vreemd nietwaar in den wagen?

Pieter, wat zoudt GIJ genoten en helder hebben meegezongen; en gij mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechts spotten zal waar door stervelingen, [164]den Formeerder van millioenen werelden, den Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.

En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming bleef ongestoord in dien wagen heerschen.

Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet onaardige—ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en—of ook een wenk voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.

En na het genot, en wat kout over ’t weer en de heerlijke landstreek, waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied den trillenden wagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere vermoeienis een....

Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel verzwakt zoude zijn indien....?

Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en—hij zou maar eens een sigaartje opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden ze dit—dit lied eens aanheffen: “Het betere vaderland” dat was zoo schoon, en de wijs: bijzonder!

En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde het toch den vreemde wel toegeven: ja—dat het vaderland voor de ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds de aarde moest zijn, en, dat het hijgen en zuchten naar een beter vaderland inderdaad ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, dat de hemel der ziele is: DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.

Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven “de stad voor Gods bruid met de straten van goud” toch eigenlijk geen ruste zou zijn in den zin van aardsche ruste.

Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de bepaling: Hemelsche rust!

Maar—zoo meende ik weder—of het dan toch niet beter zou zijn, den zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van tot die hemelsche rust—tot een hemelsche WERKZAAMHEID? [165]

Ja—ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat “betere vaderland” en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens aanheffen, doch—niet te hoog.

En het gezang klonk—ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden er de tranen van in de oogen.

Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, te HOOG was, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er ook geen twist, ’t was er harmonie tot den einde toe.

De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk door Wolfhezens dreven.


Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar nu.... Zie mij die schare eens aan!

Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.

Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe feestelingen aan, die—evenals wij nog kort geleden—er vrienden ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren morgentocht.

En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in ’t midden dier bonte menigte en mijn oog....

Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met de schaapskooi op den top, en ’t geboomte van verre, waardoor de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich al [166]slingrend verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te geven in ’t eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware te vinden geweest, en dat, waar vele menschen bij elkaar zijn gekomen, zelfs in de schoone natuur, al licht een wanklank geboren wordt.


Voor u wien Wolfhezens schoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er met de pen een flauwen omtrek van schetsen:

Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde beekje.

Door dat sparrenbosch heen—welke plek gij niet zult vergeten—kronkelt het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn linkeroever—dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek en ook het feestterrein bepaalt—dan treden wij op den heuvelrug langs zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.

Reeds hier is het schoon; doch verder.

Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den groenen oeverzoom.

En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud—ofschoon niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.

Zie—het fijne, grauw-blanke zand, het breekt en het schertst er al meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende langs den oever, ’t zij hooger of lager, naar boven of onder, vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in ’t eind waar de hel-witte berk zoo slank zich verheft en met de zilveren blaadjes victorie kleppert, hoog—hoog in de blauwe lucht. [167]

En—als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam ontwaart, die door den storm, ’t zij met de kruin in den vliet, ’t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig—niet ver van een kleine ruimte in het bosch—de zware, nu schier vermolmde abeel, die er reeds vele jaren nederligt.

Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in ’t rond, en de schoonste en krachtigste zoon scheen van ’t gansche woud. Gij weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, en—toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar—het was een schoone studie.

Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.

Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde ruimte door—waaraan ik vluchtig herinneren zal—en naderen ongemerkt Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.

Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als ’t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds—aan de overzij, ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier—de heuvel waarop gij treedt—dartel in het volle licht der stralende zon, de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al glanzende buigen.... over donkere diepten.

En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde naar den hoogeren heuvel wendt—den heuvel dien wij een berg willen noemen—dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte golving naar dien bergrug omhoog, en—gij weet niet wáár gij u ’t allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, op de helling van den ros-groenen berg, in ’t lommer van eik en van beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, ten hoogen hemel.

En—schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, een zonderling tafreel.


Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en de [168]voeten ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar in wijden kring geschaard.

Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo’s weerkaatst.

En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige barden.

En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat er en deinst op de helling terug. “Mijn kind! mijn kind!” krijt ze op zielverscheurenden toon: “Op Franken, wraak! Jezus Christus wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak voor mijn kind!” En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik zie haar niet meer.


Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.

Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde punt gericht.

Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.

Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de fulpen baret met golvende pluimen.

En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en—luisterende steeds, haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.

Een zoete vrucht in scherpe dorens!!

Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus en hellebaard gewapend—op verren afstand ginds en her verspreid, zij houden de wacht, want hoor, die man daar in ’t zwart, hij spreekt er op diep doordringenden toon—van de ure die gekomen is waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, hij roept steeds met luider stemme: [169]

Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt langs Jericho’s muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, maar dán ook: strijdt, strijdt....

Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van ’t woud: musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!


Ha! ’t is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer prachtige natuur.

Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu—en in volle werkelijkheid—met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.

En—evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den bergrug—de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt—evenals dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, die aanstonds het woord zal voeren.

En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijns [170]Heeren, den stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!—Daar verheft hij zijn stem.

Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.

De bonte schare luistert.

Het welkom! wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen van een blijden psalm, den “Rotssteen van ons heil”, den “Koning aller koningen” ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.

O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen aangeheven er misplaatst zij geweest, neen niemand, niemand zal van Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een loflied werd toegebracht—in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.

En onder welke omstandigheden?

Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel—de eerste misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de zege dezer eeuw; maar toch—toch lagen in ver verwijderde oorden nog millioenen menschen geketend in de banden van het “barbarisme”. En dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van den strijd des Christendoms tégen dat “barbarisme”. Een heerlijk, een heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. [171]

Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, hij kon er niet hooren alleen, hij moest er ook zien.

’t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende in een wijden—wijden kring naar den bergrug heen.

Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand en de matte oogen naar boven gericht.

Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan—met zich zelve. Men zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo hoog en hoe hooger men staat....!

En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden en predikten in dien heerlijken tempel?

O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting en leering heeft kunnen zijn, maar toch—met een smartelijk gevoel heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: “een reuke des doods ten doode”! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.

Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: Verdoemenis! verdoemenis!!


Wilt ge nog even den blik slaan in ’t ronde en menschen zien—al zijn het er weinigen—in Wolfhezens woud? [172]

Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij neder in ’t groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, “die hier maar zóó in ’t wilde groeien”. Weet ge, zij zal ze meenemen voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.

En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, in de stilte, verboden drank....!

Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met zijn vrienden een statigen psalm.

Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu onder den arm.

Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens den blik in ’t ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders komen voegen bij de weinige vrouwen die hem—’t zij met bevreemding of ook met diepe verrukking beschouwen—smakt hij op zalvenden toon het begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn zalige vrouw, op haar, die hij “bekeerd had fijn—om eeuwig leevent te zijn—Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt—Door hem en Christie bloed tot de verreizenis gebragd.”

’t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.

En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.

Doch—waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen boezem!


Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffen [173]moet, het heeft zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van ’t gerecht, die ik er zag, aan ’t geeuwen bracht.

Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.

Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons dierbaar Nederland—dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch eerst aan zijn vruchten leert kennen—terwijl ik u voor het laatst in gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud—dan—dan tuur ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.

En dan—dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar zelfs—als het zoo wezen moet—om er ook weder vele menschen bijeen te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde. [174]

[Inhoud]

Gedachte op den laatsten avond van een droevig jaar.

De Bestuurder van den Spoortrein, waarmede wij allen reizen, schijnt jaarlijks al meer en meer snelheid en vooruitgang te beoogen.

Wat halen de Engelsche en Duitsche Spoorweg-Maatschappijen bij de onverpoosde snelheid, waarmee de Tijd ons met zich voert.

’t Was een droeve landstreek, die wij voorbijgingen sedert het vorige Station; ja, ’t was wel het droevigste en somberste gedeelte der geheele reize.

De lucht was zwart; ’t verschiet lag in een donkeren nevel; het liefelijk gekweel der vogelen deed zich niet hooren, hunne reine zangen waren door den stormwind weggeloeid.

Maar bovenal zagen wij droevig voor ons neer, toen een lieve reisgenoot ons had verlaten; toen hij de plaats zijner bestemming had bereikt, en wij voorwaarts moesten—voorwaarts zonder ophouden.

Ja, het valt hard den beminden reisgezel te moeten achterlaten. Nog zit men gezellig bijeen; nog verlustigt men zich in zijn opbeurende gesprekken; nog beschouwt men dat vriendelijk gelaat, en drukt hem met teederheid de hand;—hij verlaat ons, en voordat wij nog recht kunnen beseffen, dat hij niet meer bij ons is, staat hij reeds zoo heel heel ver van ons verwijderd. Wij zien nog eens om; en ja—wij ontdekken hem, maar het is slechts flauw—dat telkens omzien valt ook moeielijk—nog eens—doch nu worden zijne trekken al onduidelijker; zijne stem kunnen wij niet meer hooren—de groote krachtige sleepmachine vliegt steeds voorwaarts, en—wij zien.... niets dan den zwarten nevel, die hem aan onze oogen onttrekt.

En nu: de bengel van een volgend station klinkt ons weder in de ooren. Wij zullen met een ander nommer doorstoomen—alweder sneller. Schijnbaar gaat het een oogenblik langzamer, doch neen, wij houden niet stil: Voorwaarts gaat het, voorwaarts zonder ophouden!

Heeft men het kwade gehad, dan volgt meestal het goede. [175]

Na zware schokken en groote vermoeienis volgt eene zoete rust.

Wanneer de donkere wolken zijn weggedreven, dan zal het zacht azuur ons weer vriendelijk in de oogen stralen, en zullen wij met een helder zonnetje vroolijk mogen doorstoomen.

Tevredenheid moet bovenal onze onafscheidelijke reisgenoote zijn; de groote sleepmachine toch schenkt ons geen oogenblik tot verademing.

Of gij de reize moede wordt of niet, daar stoort zij zich niet aan. Voordat gij aan de plaats uwer bestemming zijt, kunt gij niet rusten; al hebt ge ’t nog zoo hard op die houten banken der derde klasse,—al vermoeit gij u nog zoo in die stootende wagons der middelklasse,—al glijdt gij nog zoo dikwijls van die roodlederen zittingen,—ja! al geeuwt gij ook en al verveelt gij u ook in die mollige kussens der eerste klasse—’t baat u niet of gij klaagt,—gij moet mede.

Doch, mort niet, gij, die met weinige stuivers uwe reize moet vervolgen.

Wordt niet moedeloos, brave reizigers van den middelrang.

En gij—gij vooral—geeuwt niet, die daar makkelijk in het dons wordt gewiegd. Ziet—gij hebt niets dat u hindert; ziet, ú juist valt het zooveel lichter uw geest te verheffen. Waarom verveelt gij u? Hebben de reisgenooten op de harde banken en roede zittingen niet denzelfden droeven tocht te maken, dien gij te volgen hebt?

Maar nog ééne bedenking: Wij zijn vreemdelingen in deze streken; wij weten niet hoe lang de sterke machine ons nog zal medevoeren; wij kennen de plaats niet, waar wij moeten afstappen, en kunnen evenmin den juisten tijd bepalen, waarin wij met een ander voertuig naar ons eeuwig verblijf zullen worden overgebracht.

Daarom is de Waakzaamheid nuttig en noodzakelijk.

Laat ons niet insluimeren op de donzige kussens; indien wij sliepen zouden wij het doel onzer reis, onze ware bestemming lichtelijk missen. Hoe nuttig zijn de schokken,—hoe goed is het, dat nu en dan zelfs een lieve tochtgenoot ons verlaat!

Ziet, dáárdoor blijven wij wakker; dáárdoor worden wij tot waakzaamheid gewekt.

Moet men niet met verlangen het onbekende Land te gemoet gaan? Wilt gij liever slapen dan het schoone aanschouwen?

Zijt dan te vreden, en waakt!

Verlaat den wagen niet voordat gij geroepen wordt.

Vrij vermoeie u de reize.—Na uwe aankomst vindt gij rust—rust en vrede! [176]

[Inhoud]

Kenteekenen van fatsoen,

getrokken uit de brieven van een commis-voyageur aan zijn vriend Janus.

Waardste Janus!

Al tamelijk wel, kom ik tegenwoordig op de hoogte om mij als een zeer voornaam en hoogst fatsoenlijk persoon voor te doen.

Ja jongenlief, ’t is een groot voorrecht, indien men kan opmerken, en het talent bezit om in praktijk te brengen, hetgeen men in de hooge wereld gebeuren ziet.

Janus, wij hebben ’t altijd zoo best met elkander kunnen vinden, en daar je nu den patroon hebt verlaten om als reiziger van het huis Jeeger & Comp. de wereld in te treden, zoo wil ik je, gedachtig aan onze vriendschap, de juiste middelen aan de hand doen om, evenals ik, wanneer de bezigheden, vooral op den Zondag, het veroorloven, u en vrai gentilhomme te kunnen vertoonen.

Wij hebben veel vóór, Janus, dat wij drie jaren in het gezelschap van Leneuf, den maître tailleur van onzen patroon verkeerden. Al aardig hebben wij door dien omgang den Franschen slag beet gekregen, want je weet wel, hoe Leneuf, nog kort voor je vertrek, toen we met de winkeldames en heeren de potpartij hadden, verklaarde, dat er aan ’t hof niet beter Fransch kon gesproken worden dan in onzen kring.

Fransch, Janus, dat is toch altijd een hoofdvereischte. ’t Is verschriklijk onfatsoenlijk ons gemeen en plat Neerlandsch te spreken. Engelsch! Ja, ze zeggen wel dat de Engelsche taal thans meer in de mode is, maar ik bemerkte er weinig van, en, ’t laat zich hooren dat zij niet algemeen wordt, want de hooge fatsoenlijke stand is behoudend, en nieuws aan te leeren of in praktijk te brengen, kost al te veel inspanning.

Vooreerst dan, Janus, spreek Fransch, spreek altijd Fransch, denk zelfs, wanneer je over straat gaat, hardop in ’t Fransch; maar, dit [177]zeg ik je, nooit over mantilles of guipures, maar altijd over graven en freules of wat met die hooglieden in verband staat.

Wat je toilet betreft, de tailleur van Jeeger zal, evenals Leneuf, wel het juiste snit aan je rok en pantalon geven, maar vooral, jongenlief, verlakte laarsjes, en op je kaken hamvormige bakkebaarden.

Zorg steeds, Janus, althans in de plaatsen waar je gezien wilt wezen, dat je nooit je stalendoos in persoon draagt; neem altijd een jongen, en laat hem minstens twintig passen achter je aankomen, want zaken hebben, is erg onfatsoenlijk. Verder, mijn vriend, is de wijze, waarop je loopt, gansch niet onverschillig; ’t hoofd op zij, den neus in de lucht, maar vooral, al braden de musschen op de daken, een tween onder den arm. Groeten op straat is in ’t geheel niet voegzaam, den hoed afnemen staat bijster commun. Zie je personen, die je wel dient te groeten, knijp dan je oogen half dicht, glimlach, buig je hoofd even naar je rechterschouder, en wend het dan spoedig naar een andere zij, desnoods naar eene modiste, die voor haar raam zit, want, op mijn woord van eer, modistes en winkeldames, daar kun je zelfs op straat zoo vriendelijk tegen zijn als je maar wilt.

Wanneer je somtijds eens een coup hebt gemaakt, waar de patroon niets mee te maken heeft—je verstaat me—verknoei dan toch nooit je geld aan den zoogenaamden “kalen bluf”. ’t Is kale bluf waar je niets verder meekomt, indien je in een afgesleten huurrijtuig gaat toeren. Spaar je geld en loop liever; loop liever tienmalen met je tween over den arm en je lorgnet in ’t oog—want goed te kunnen zien, is ook bijzonder onfatsoenlijk—rondom de buiten-sociëteit, alsof je er je rijpaard wacht, dan dat je een glas advocatenborrel of zelfs malaga drinkt, in een tent of kroeg, waar iedereen binnenrukt, die geen lid van No. één kan worden.

Spaar je geld, Janus, en dineer liever eenmaal in een der eerste hotels goed, dan dat je tweemaal eet, zonder aan je fatsoen te werken.

Kom je de groote zaal binnen, waar table d’hôte gehouden wordt, zie dan volstrekt niet naar ’t geen op tafel staat, maar, valt je een persoon in ’t oog, die gedecoreerd is—’t metalen kruis niet meegerekend—knijp dan, weer glimlachend, hoofdbuigend je oogen dicht, en hoewel de gedecoreerde je niet kent, hij zal zijn geheugen ontrouw noemen, je wederkeerig groeten, en terwijl je, na de wijnkaart te hebben ingezien, een flesch wijn bestelt—maar vooral een fijn merk—zal hij aan zijn buurman zeggen dat hij je kent maar niet thuis kan brengen, en je voor den zoon van een zijner voorname kennissen houden.

Als je de soep eet, vooral slobberen of liever slurpen, jongenlief, en in ’t minst geen moeite doen om den garçon in ’t aangeven van borden of lepels en vorken behulpzaam te zijn. Aan tafel iets lekker noemen is allerijselijkst gemeen; nooit vragen wat het is dat men je voorzet. Je moet eten alsof je niet weet dat er zuurkool in de wereld is, en wanneer je spijzen worden voorgezet, waarin je zwarte stukken vindt, dan moet je die toch vooral niet ter zij leggen, in de meening dat het iets onzindelijks is; beste Janus, al vindt gij ’t niet, ’t is een erkende lekkernij, want die zwarte stukken [178]noemt men truffels en kosten razend veel geld. Ben je bij toeval naast een persoon geplaatst, die je wat bourgeois toeschijnt, geef hem op zijn vragen vooral geen antwoord; doe alsof je niet bemerkt dat hij je aansprak, maar geef te gelijkertijd een minzaam knikje aan eene wat ver van je afgeplaatste jonge dame, die je bij toeval de freule Van L. hebt hooren noemen. Let op, de dame zal blozen; eensklaps zal zij een gesprek met haar papa of mama aanknoopen, je rechter buurman, een vreemdeling van hoogen adel, die straks door zijn anderen buurman betreffende de schoone, werd ingelicht, zal je vragen of je haar kent, en terwijl je vreeselijk met je broodje gaat kruimelen, geef je ten antwoord—en ’t is geen leugen—eenmaal met de freule Van L. gedineerd te hebben. ’t Is mij gebeurd, Janus, dat zulk een coup mij een tour en calèche bezorgde. Met een baron en calèche, hoe vaar je!.... Je zoudt me niet gekend hebben Janus, en of ik Janus zou gekend hebben indien hij ons toevallig op den weg ware tegengekomen, daar zal ik het antwoord liefst op schuldig blijven, want om fatsoenlijk te handelen, moet men in sommige gevallen wel kort van geheugen zijn. Eén ding echter, wanneer je ooit in zoo’n rijtuig mocht komen, dan raad ik je aan vooral niet te zitten; neen, liggen moet je, al is het laken ook nog zoo wit en zoo zuiver, gerust het hoofd er tegen aan, liggen is een hoofdvereischte; alleen fatsoenlijke lieden begrijpen hun positie in zoo’n rijtuig; ’t is hun niets vreemds, en alleen door een nonchalante houding kan men toonen dat zulk rijden een alledaagsche zaak is.

Denk nooit, Janus, dat je voor een fatsoenlijk man zult gehouden worden wanneer je eenige avonden achtereen in het parterre van de opera verschijnt. ’t Woord parterre alleen klinkt den man van rang en fatsoen in de ooren alsof wij van den Engelenbak spraken. Neen vriend, nooit daar beneden, liever eens in ’t balcon, of wel in de stalles, dan avonden achtereen in dat verwenschte parterre.

Eene bijzondere studie wordt er toe vereischt om daar op een waardige wijze te verschijnen en b. v. voor een neef of vriend van den Franschen ambassadeur te worden aangezien.

Janus geef acht! Gesteld de Favorite wordt opgevoerd. Ten zeven uren neemt de voorstelling een aanvang. Om halfacht ga je er heen;—vergeet vooral niet een tooneelkijker te huren, let wel, omdat je den uwen vergeten hebt. Welnu, de deur der balconloge wordt je geopend, en, juist op het oogenblik dat Fernand uit het klooster is vertrokken, het sombere kloosterportaal in een lachende tuin wordt herschapen, en eene bevallige chanteuse van “Rayons dorés” begint te zingen, kom je binnen; buigt je hoofd eenmaal naar de rechter- en eenmaal naar de linkerzijde, waarna je je hoed op den grond en je lichaam in een fauteuil werpt; terstond daarop den kijker voor je oogen plaatst, om niet naar het tooneel, maar—zoo brutaal mogelijk—de zaal met toeschouwers rond te zien—vooral niet naar de bovenste galerij—lang, zóólang totdat de eerste acte geheel is afgespeeld. [179]

’t Gaat, Janus, met het mooi vinden als met het lekker vinden. Toon volstrekt door geen handgeklap, in ’t geheel niet door bravogeroep, dat de muziek of zang je gehoorzenuwen streelt. ’t Gebeurt somwijlen dat de Favorite werkelijk een Favorite is, dan, ja, dan maakt het een onderscheid, je kunt je dan spoedig overtuigen of het handgeklap fatsoenlijk wordt. Wanneer het parterre in een uitbundig gejuich losbarst over het “O! mon Fernand” etc. der Favorite, glimlach dan meelijdend, en debiteer aan een heer, die met een rood lint in zijn knoopsgat naast je zit, dat je te Milaan heel wat anders hebt gehoord; en, wanneer Fernand zijn: “Cette épée avilie, je la brise à vos pieds”, uitgalmt, zeg hem weder dat het “tu mens”! van Duprez in de Jérusalem,—die je te Parijs hebt gehoord, heel wat sterker was. ’t Geen je bijzonder te observeeren hebt zijn de balletten. Met alle gerustheid kun je dan met je kijker de bevallige en kiesche luchtsprongen volgen, die om het kunstige alleen je bewondering wekken; maar vooral, Janus, neem geen ijs in de entre-actes; men zou alras op het denkbeeld komen dat je geen ijs aan ’t dessert had gebruikt.

Janus, wil je je hoogst fatsoenlijk houden, verlaat dan je loge nog vóórdat de belangrijke scéne tusschen Leonore en Fernand in het vierde bedrijf plaats grijpt, of wel vertrek juist op het oogenblik dat het: “Fernand imite la clémence”, uit den mond van Leonore het plebs in vervoering brengt; en, ik ben verzekerd dat, zoo je na eenige dagen, of weken, of maanden weder in de balcon-loge komt, men je zal groeten als ware je een Don, of Lord, of Comte in eigen persoon. Jongenlief, ik heb hooge verwachtingen van de toekomst; wie weet hoe je vriend Gerrit—onuitstaanbaar onfatsoenlijke naam—je vriend Gérard, nog eens carriére zal maken. De goede manieren verschaffen in de hooge kringen den besten toegang; geld is een bijzaak, want jij, die jaren boekhouder bij den patroon bent geweest, jij weet het best, hoe onfatsoenlijk het—terstond betalen is.

Vaarwel, Janus, misschien later meer. Volg den raad van je vriend, die zich noemt:

Gérard.

P. S. Het is zeer fatsoenlijk tot de Waalsche religie te behooren; de Hollandsche kerken zijn in de beschaafde wereld geheel uit de mode. [180]

[Inhoud]

Iets uit het jaar 1870.

Medegedeeld aan de Leidsche Burgerij, bij den aanvang van het jaar 1871, door de Evangelisch Luthersche Weezen.

Wij willen U heden op den eersten dag van het nieuwe jaar niet zooals gewoonlijk een versje aanbieden. ’t Was wel heel vriendelijk van de Heeren, die het vroeger voor ons maakten, en wij hopen ook wel dat zij het later nog eens weer zullen doen, maar nu moeten wij U zelf iets vertellen. Wij hebben het van een Mijnheer gehoord, die het voor ons zal opschrijven.—U moet dan weten, lieve Mijnheeren en Dames, dat er dit jaar een oorlog is geweest tusschen de Pruisen en Franschen. Nu, dat zult U eigenlijk wel weten, want de Vader las er alle dagen van in de courant. Nu moeten de Franschen een keizer hebben, en de Pruisen een koning—een koning is minder—maar de keizer, die tegen den koning gezeid had, dat hij maar moest uitkomen als hij durfde, heeft er leelijk van langs gekregen. Een vreeselijke boel menschen zijn er door dien oorlog gewond en gedood en gevangen genomen, en de keizer zelf is ook gevangen, maar die keizer zit niet achter tralies; dat dachten we eerst.

Nu, dit alles zult U wel weten, maar wij gelooven niet dat U weet wat er te S. in een dorp niet ver van B. is voorgevallen. Daar was een vader en moeder, een echte vader en moeder—niet zooals van ons—en die hadden drie kinderen, een van vijf, een van bijna vier, en een van bijna één jaar. Die vader was een timmerman en een Franschman ook.

Op een goejen dag—of eigenlijk een heel leelijken dag—toen kwam er een bevel dat hij mee moest vechten, want hij was zooveel als bij ons een schutter, of in ’t vervolg een scherpschutter. De vrouw vond het wel verdrietig om het werk, maar zij zag er toch niet veel kwaad in, omdat de Pruisen, zooals ze allemaal zeiden, haast altijd verloren. Maar dat was niet waar, want in Frankrijk kunnen de groote menschen erg jokken. Nu, de vrouw was ten minste niet bang, en heel blij dat haar man in het stadje kon [181]blijven, al moest hij dan ook gaan exerceeren. Het oudste jongetje—och hoe was nu zijn naam ook weer—een mooi jongetje met zwart krulhaar, dat niks anders als Fransch kon, vond zijn papa—want timmermansjongetjes zeggen daar ook papa—hij vond zijn papa veel mooier als soldaat; en als die papa van het exerceeren thuis kwam, dan mocht hij wel eens met de sabel spelen, maar die niet uit de schee trekken, want dan zou ie zich snijen. Aan ’t geweer mocht hij in ’t geheel niet komen, want dat was een gevaarlijk geweer, waar die papa zelf heel voorzichtig mee omging. Zoo’n nieuwerwetsch.

Nu gebeurde het wel eens dat de timmerman in een paar dagen niet thuis kwam, want men moest alles goed in orde hebben als de vijanden—dat waren de Pruisen—zouden komen; en dat vond de vrouw heel naar, en dan huilde zij wel eens, en dan begon de kleine Henri—zoo heette het tweede jongetje—ook te huilen, en het jongste kindje van den weeromstuit; maar dat vond het oudste jongetje niet plezierig en begon dan met een hamer zoo hard op de tafel te slaan, dat de mama hem verbieden moest en zoodoende niet meer schreien kon.

Op een anderen dag was de timmerman heel vroeg de deur uitgegaan, en had zijn vrouw eerst wel driemaal gekust, en gezeid dat het een heete dag zou worden; en toen had hij het kleine meisje, dat Lotte heette, gezoend en Henrietje ook, en later Alphonsje—o ja, zoo heette dat oudste jongetje.—En toen, met een paar tranen in de oogen, had hij nog gezegd: dat zij altijd maar gehoorzaam moesten zijn, en dat de Pruisen allemaal verdoemd waren. Dat wist die timmerman toch niet—van dat verdoemd zijn—want dat zou toch niet mooi van onzen lieven Heer wezen; maar dat zei hij alleen omdat de Pruisen den vorigen dag ergens in de buurt een paar dorpen en een stadje hadden ingenomen, en dat vonden de Franschen naar.

Nu gebeurde eigenlijk wat het ergste is. Maar de vrouw en de kinderen wisten het niet, en kleine Alphonsje speelde zelfs met zijn broertje soldaatje met een paar latten in de werkplaats. Het kleine zusje kon nog niet meedoen. Natuurlijk, nog geen jaar oud. Die stond in een loopwagen.

Buiten het stadje was, eerst nogal veraf, een vreeselijk gevecht. Daar werden wel tienmaal zooveel menschen in een uur doodgemaakt als wij hier samen kinderen in het weeshuis zijn—dat zei de Mijnheer—dus wat een boel!

Zoo omstreeks vijf uren ’s middags waren al de menschen in het stadje vreeselijk bang, en hadden allen de deuren en ramen gesloten, want de kogels en verschrikkelijk groote bommen vielen op de huizen en overal.

De vrouw van den timmerman zat met de kinderen onder de woonkamer in een kleinen kelder, en zag niet eens dat het oudste jongetje met zijn vingertje uit een aarden potje boter zat te snoepen, en zijn broertje soms likken liet. Nu kwam het allerergste:

Een vreeselijk leven en gedreun en ijselijk schieten hoorde men [182]in de straat. De Pruisen hadden de Franschen achteruit in het stadje gejaagd, en schoten er net zooveel dood als ze maar raken konden. Dat was akelig, want ze kenden hen niet eens, en hadden eigenlijk nooit geen ruzie samen gehad. Nu dat kon niet, want de een spreekt Fransch en de andere Duitsch.—Alphonsje werd toen bang, want hij dacht dat het heel erg donderde, maar dat dee het niet, en hij riep dat hij weer uit den kelder naar boven wou, en dat wou Henrietje ook; maar de moeder hoorde er niet naar, en bad met de oogen open, wel zesmaal achter elkaar het Onze Vader.—De Mijnheer zei dat ze niet Luthersch maar Roomsch was, maar dat de Roomschen net zoowel het Onze Vader bidden.

Toen ze nog bezig was, hoorde zij opeens een vreeselijk geweld, vlak voor de deur. Hoe het alles gegaan was, dat weten we niet meer, maar een klein beetje later klonk er vlak boven haar hoofd in de woonkamer, een slag alsof er iemand op den grond viel, en een geluid, alsof er kermende haar naam werd geroepen.

Zonder aan de kinderen te denken, vloog de vrouw toen de trap op met het kleintje in den arm—dat had ze altijd in den arm gehad. Alphonsje en Henri kropen haar na. U kunt wel begrijpen hoe zij schrok. Toen zij in de kamer boven de kelder kwam, lee daar de timmerman—die soldaat was geweest—vol bloed en heel akelig bleek op den grond. Van iets dat boven op een geweer zit, had hij dicht bij zijn eigen huis een vreeselijken steek door de borst gekregen. Met heel veel moeite was hij nog tot bij de voordeur gekomen, maar die was gesloten. Gelukkig was de deur van de werkplaats opengebleven—die had de vrouw vergeten—en zóó kwam hij nog binnen.

Toen de vrouw zoo haar lieven man zag, gilde zij van schrik, en wou hem nog ophelpen en water laten drinken; maar water zag zij niet, en drinken kon hij ook niet meer, want hij riep in het Fransch: “Vaarwel” en was dood. Toen gilde de vrouw nog erger en greep een mes, dat op de tafel lag, en hoorde niet dat al de kinderen schreiden, maar lee kleine Lotte haastig in een houten wiegje, en vloog toen naar de deur, en zoo de straat op.

De vrouw riep nu ook: dat al de Pruisen verdoemd waren; en, zonder dat ze haast wist wat ze deed, stak ze een voornaam soldaat, die met een heele boel soldatenvolk juist voorbij kwam, het mes in eens achter in den rug. Toen werd het nog akeliger, want de voorname soldaat, die een officier was, riep in het Pruisisch: dat ze het wijf moesten doodslaan, en het huis in brand steken! Toen hij dat gezegd had, viel de officier in eens achterover, want het was erg raak geweest; en de soldaten—dat waren Pruisen—werden toen vreeselijk boos omdat die vrouw dat gedaan had; en, nog gauwer als men het vertellen kan, had een der soldaten de arme vrouw met een kolf van zijn geweer zoo op het hoofd geslagen, dat het allerakeligst was en zij in eens heelemaal dood bleef.

Het was toch eigenlijk iets vreemds dat de vrouw, die pas nog dacht: ik zal die mannen doodmaken omdat ze mijn lieven man doodmaakten, nu zelve al dood was. [183]

De Mijnheer zei dat het dien dag juist erg regende, en dat het water dat door de goot liep net zoo rood zag als bij den slachter als er geslacht is. Hoe vies! en het is toch al zoo naar van een beest!

Maar nu moet U hooren. U weet nog wel dat de officier dat mes achter in den rug kreeg en neerviel? Nu, en toen kon hij niet verder; en de aandrang van het volk was zoo groot—want het paardenvolk met de kanonnen kwam ook al achteraan—dat een sergeant en twee soldaten van de Pruisen, den officier maar gauw in het huis droegen waar ze juist voor stonden. Nu was dat eigenlijk hoognoodig, want de officier zou bijna door zijn eigen volk onder den voet zijn geraakt, zoo hard liepen ze van blijheid dat de Franschen op de vlucht waren en het weer hadden verloren. En ziet U, dat was nog gelukkig, want nu de officier er in was, nu werd het huis niet in brand gestoken, en het was juist het huis van den timmerman. Vindt U dat niet baldadig, dat in brand steken? Maar nu moet u verder hooren, want, daar was het om! Toen die vreemde soldaten dan in het huis kwamen, zagen ze de drie kinderen.—Alphonsje was bang geworden voor zijn vader, die daar zoo akelig op den grond lag, en was boven op een kastje geklauterd. Kleine Henri schreeuwde uit al zijn macht, en kleine Lotte ook, zeker omdat ze haar moeder niet zag. De sergeant zei aan een der soldaten dat hij die kinders maar in de achterstraat moest jagen, en dat hij het lijk van dien man in de werkplaats zou sleepen.

Alphonsje schreeuwde nu op die kast uit al zijn macht, en smeet den soldaat die hem pakken wou, met een mooi pronkkopje; maar het raakte gelukkig niet.

Toen de soldaat hem eindelijk beet had, en Henrietje ook, en hij Lotte met haar mooie zwarte oogjes uit de wieg wilde nemen, toen begon Alphonsje zoo hard om zijn vader en moeder te gillen, dat de mannen zelf er naar van werden.

“Afblijven! Zusje geen kwaad doen!” riep hij, allemaal in het Fransch: “anders zal ik je bijten!”—Dat verstonden die mannen niet, maar de officier, die op het bed van den vader en de moeder was gelegd, en juist door een soldatendokter geholpen werd, zei iets. En toen kwam de soldaat met het kindje bij den officier. En de officier zag toen naar de kleine Lotte, en kreeg de tranen in de oogen, en zei in het Duitsch: “Och, mijn kind!”—Weet U, toen dacht hij aan zijn eigen kindje, omdat hij ook zou doodgaan. De soldaat moest Lotte toen eens heel dicht bij hem houden. En toen zei hij nog eens: “Och mijn lieve kindje!” En het kindje lachte; zeker omdat hij zooveel mooi rood en gouden knoopen aanhad, en zei: dada, net als kleine kinderen bij ons in het Hollandsch, en toen kuste die officier het kindje op de mooie roode lipjes, o zulke snoeperige lipjes—net rozévleugeltjes—en zei toen: “Hier blijven, hier!” en viel toen in slaap. U begrijpt wel, dat zei de officier.

En zoo gebeurde het ook; de kinderen mochten in het huis blijven, precies zoolang als de officier er bleef. En een heel arme buurvrouw moest hen daar verzorgen en oppassen, want de kinderen hadden niets geen familie, en een weeshuis was er niet, en de rijke [184]menschen, die er toch maar weinig in het stadje waren, hadden zooveel te geven en op te brengen dat ze aan geen weezen konden denken. Nu dat behoefde ook niet; want weet U wie die officier was? Dat was een neef van den Prins Von W., een heel voorname rijke Duitsche officier. En wat heeft die gedaan? Die heeft gezorgd dat de drie kinderen van den timmerman op een van zijn eigen landgoederen in den kost kwamen, en hij zal ze laten leeren net als in ons weeshuis.

En, nu is het uit; maar nu zei de Mijnheer, die ons dit vertelde dat wij eens moesten nadenken hoe slecht het is dat menschen elkaar zoo doodmaken, en hoe dom het is om te zeggen dat al de menschen, die op bevel tegen andere menschen vechten, verdoemd zijn; want de officier, die door de vrouw in haar akelige droefheid bijna dood werd gestoken, en dus zeker in haar oogen een van de eersten moest zijn die verdoemd zouden wezen, diezelfde officier, hoewel hij riep dat men haar zou doodslaan, hij meende het zoo niet, want hij werd toch om zoo te zeggen het weeshuis voor die kinderen.

Als het nu wezenlijk waar is dat Onze lieve Heer menschen verdoemt—maar dat zal Hij wel niet, want Hij is toch zoo goed nietwaar?—dan denk ik dat hij het tenminste nooit al die arme menschen zal doen, die zonder dat ze boos op elkaar zijn, toch malkaar moeten doodslaan, maar veel eerder die keizers en koningen omdat zij het beginnen. Hé! zoudt U wel zoo’n keizer of koning durven zijn? Zij zullen zeker ’s avonds in het donker wel bang wezen. Wij zijn het heusch nooit meer.

En wat we hier aan het eind nu nog zeggen wilden, het is dit:

Lieve Mijnheeren en Mevrouwen, als het soms eens moest uitkomen dat dit niet alles precies zoo gebeurd is—want de menschen vertellen tegenwoordig zooveel—dan is het toch zeker waar dat er door al dat slechte moorden en vechten, veel, heel veel ongelukkige weesjes onder de Duitsche en Fransche menschen zijn gekomen, al hebben dan velen ook hun moeder nog behouden. Nu dan, wij hopen dat U, die altijd zoo goed voor ons zijt, ook aan hen zult willen geven als er soms wat gevraagd wordt. En als U dat doen wilt, dan wil de Mijnheer, die ons dit stukje vertelde, het ook wel ten voordeele van die arme kinderen in het licht geven, met zijn naam er bij. En weet U, dan zouden wij ieder zoo graag een week zakgeld geven; dat was dan van ons allemaal iets in dit nieuwe jaar voor de weezen van 1870.

En nu, lieve Mijnheeren en Dames, bedanken wij U nog eens hartelijk, en hopen dat Uw kinderen U allemaal heel lang zullen behouden.

O ja, de Mijnheer vertelde nog, dat de neef van den Prins Von W. weer beter wordt; en dat Alphonsje wel eens op zijn knie zit als hij een enkelen keer bij hem komt, en dat hij hem dan maar zoo, alsof het geen neef van een prins was, bij den langen knevel trekt.

Henrietje daar weet ik niks van, maar Lotte drinkt Duitsche koemelk. [185]

[Inhoud]

Uit “De Spectator.”

Geen recensie.

De heer W. C. Wansleven Jr. heeft dezer dagen een verzameling zijner verspreide lettervruchten onder den titel Kleine verhalen het licht doen zien.

De geachte auteur heeft de bijzondere goedheid, om de genoemde verhalen door een kort woord tot mij gericht, te doen voorafgaan.

De heer Wansleven vangt aldus zijn schrijven aan:

“Als ik er met de uitgave van deze mijne Kleine verhalen niet te best afkom, zal ik het verdriet daarover grootendeels aan u te wijten hebben. Gij toch hebt met zeldzame volharding op die uitgave aangedrongen. Ik weet wel waarom gij het deedt....” en de schrijver zegt dat hij er alleen het bewijs mijner belangstelling in ziet. “Maar,” zoo vervolgt hij iets later, “gij hebt waarschijnlijk niet bedacht dat er sedert het opstellen van het jongste dezer novellen al verscheidene jaren zijn verloopen en de smaak van ons lezend publiek in die jaren aanmerkelijk is gewijzigd, zoodat ook gij voorzeker, als gij ze nu voor de eerste maal laast, er u niet zoo mee ingenomen zoudt betoonen als ge als knaap en jongeling deedt.”

Dit schrijven, het pleit m. i. slechts voor de buitengewone nederigheid van den geachten auteur.

Ofschoon volgaarne toestemmende dat de smaak van ons lezend publiek in de laatste jaren is gewijzigd—ik meen ten goede gewijzigd—zoo begrijp ik echter niet hoe die smaak in een tijdsverloop van nauwelijks vier jaren—de tijd die er sedert de eerste verschijning der genoemde “jongste novelle” verliep—zoozeer zou kunnen gewijzigd zijn, dat men nú zal verwerpen wat toen met graagte gelezen, en o. a. door een geestig en zeer begaafd beoordeelaar, in een goed bekend maandwerk, ten zeerste geroemd werd.

Ons Spieker,” zoo schreef T., in het Maart No. van De Tijdspiegel, jaargang 1859. “Ons Spieker van W. C. Wansleven, wien wij alleen verwijten dat hij zoo zelden als schrijver optreedt, tintelt van waarheid; de eigenaars van dat [186]Geldersche buitentje zijn uitnemend geschetst, al verschillen ze onderling niet weinig, terwijl het geheel overvloeit van lessen voor wie ze er uit halen wil.”

Mij dunkt dat mijn stelling geen nadere verdediging behoeft. Ofschoon ook het uitgebrachte oordeel over Ons Spieker niet gelden kan voor het overige zevental novellen, zoozeer van elkander verschillende; waar deze ons voert naar het paleis van Galilea’a viervorst, Herodes Antipas; of gene naar Bethulië als een Judith er zegevierende binnentreedt met het hoofd van Israëls vijand; of een ander weder naar Smyrna, waar in de tweede eeuw onzer jaartelling de grijze Polycarpus als Christen blijmoedig den marteldood sterft; of ook waar die overige verhalen ons terugvoeren naar het midden dezer eeuw, en ons op aandoenlijke wijze de slachtoffers toonen van kwalijk begrepen eergevoel, van een zoogenaamd “goed huwelijk”, van geloofsdwang en lagen hartstocht in ’t eind; ja, ofschoon het niet te verwachten is dat de kritiek—waar zoo velerlei smaak en richting haar bestuurt—over al deze verhalen een oordeel zal vellen, zooals er over het genoemde juweeltje werd uitgebracht,—ik geloof in waarheid dat de geachte schrijver, waar hij met een verwijt als het bovenstaande vereerd werd,—zijn onderstelling met de meeste gerustheid had kunnen terughouden, evenals naar sommiger meening wellicht den geheelen brief, die het boekske tot inleiding strekt.

En toch, al had ik zelf den heer Wansleven het schrijven van dien brief moeten ontraden, nu hij geschreven is, nu verheug ik mij er in, want slechts door hem kon ik er toe komen om dit woord te spreken, en openlijk den innigen wensch te uiten, dat de waardige auteur—aan wiens talent en dichterlijk gevoel de jongere vriend zooveel te danken heeft, die in zijn vriendelijke woning of aan zijn zij in Lochems schoone dreven zooveel onvergetelijke indrukken ontvangen mocht—dat hij zal terugkomen van zijn besluit “om de pen te laten rusten”, maar de Nederlandsche litteratuur nog dikwijls zal verrijken met de vruchten van zijn geest en zijn hart, het allerliefst geplukt in den rijken gaard zijner dagelijksche omgeving.

’s-Gravenhage, 9 Sept. 1863.


Mijnheer de Spectator!

“Mijnheer de Spectator!” Om dien aanhef heb ik eens iemand vreeselijk hooren lachen. Die lacher vond het dwaas, en bovendien vond hij niets heerlijks aan de Spectator. ZEd. was boekverkooper en had er geene enkele bestelling op. Maar—ofschoon de man gerust mocht lachen, aangezien de Spectator zoomin als [187]de redactie een mijnheer is—immers indien ik mij niet bedrieg bestaat de laatste uit twee of drie mijnheeren—zoo schreef ik toch in navolging van anderen: Mijnheer de Spectator, en ’t blijft er staan. Wat doen we niet veel in navolging van anderen, soms dwaas, bespottelijk dwaas.... Vormen mijnheer, je kunt alle vormen niet zoo inééns op zij zetten.

Doch ter zake. Ik wend mij tot u mijnheer de Spectator, dewijl mij in den laatsten tijd vele vragen zijn gedaan, die ik graag beantwoorden wil. In de eerste plaats—metterdaad—de dikwijls herhaalde: Schrijf je niet meer in de Spectator?—Liefst geen vertellingen mijnheer, ziet ge, omdat ik niet houd van afbreken—al is het stuk dan ook zoo voortreffelijk niet. De meerderheid raakt de klus kwijt, en het stuk, waarvan men trachtte een goed geheel te maken, ligt verbrokkeld. Er moet altijd weer verzameld worden, dat is niet anders.

Mijn vriend B kon wel gelijk hebben, indien hij nu al voor de tweede maal een zinspeling in mijne woorden heeft gevonden. Geen wonder, ik wil vragen beantwoorden; die antwoorden liggen gereed, en, iets anders ligt mij op het hart. Dat moet er af!

Desiderius, ik heb uw stuk “Een afscheid aan de kerk”, naar aanleiding van Dr. Piersons jongste geschrift, in het eerste nommer voor 1866 van de Ned. Spectator, gelezen.

Ik moet daareven over spreken, want het heeft een diep leedgevoel bij mij verwekt. Hoe is het mogelijk, dacht ik na de lezing, dat beminnelijke, brave, rechtschapene en veelal zoo helderziende menschen, een oogenblik in den waan komen dat Revilles: “Jan Rap,”—door verstandigen althans—op hen wordt toegepast. De De Génestets Jan Rap ziet op degenen, die zich verheugen in den ondergang van al wat rein is en edel:

“Als hij ’s avonds laat thuis komt psalmzingt hij: Vrijheid! Blijheid!

“Zijn geweten is van ruim fatsoen en tamelijk versleten.”

In één woord. ’t Is de dierlijk lichtzinnige mensch. Neen—waar streven naar volmaking is, in den edelsten zin, daar is geen Jan Rap, daar is godsdienst.

En nu over de kerk. (Ik versta onder kerk een vereeniging van menschen, die dezelfde of nagenoeg dezelfde Godsvereering of Godsdienstige uiting hebben.)

Onder die vele kerken is er noodwendig ééne, die de zuiverste vormen heeft of er naar streeft. Ik geloof dat de nieuwe of zoogenoemde Moderne richting in het oog der edele vrije denkers—van Jan Rap spreken we niet—dan toch nog de beste richting of kerk is. Voorzichtig dan, vel den boom niet omdat zijn vruchten nog groen en onrijp zijn.—Maar gij, Desiderius, gij wilt hem niet vellen, gij wilt hem dulden. En als ge dan aan anderen die vruchten gunt, vergeet gij het lommer....? Doch waartoe die beelden. Ik bid u, blijf niet stilstaan bij de tientallen die gij kent; [188]bij menschen onder hen, als gij, bevoorrecht boven velen met gaven van geest en van hart; neen, zie in breeder kring, denk aan de duizenden van nabij en verre, in steden en dorpen, die slaven den ganschen dag—en ze zullen er tot den einde toe zijn—om zich schatten te verzamelen en tot eer of grootheid te geraken. Zie rond, telkens verder, en juich het dan toe dat er in al die steden en dorpen nog mannen worden gevonden—wij hopen hoe langer hoe meer, eenvoudige mannen, beseffende dat ze mensch zijn en niets meer,—mannen, die er in de grootste gebouwen—welke met hun hooge torens zich als boven het alledaagsche verheffen—den medemensch herinneren dat er nog iets meer en iets hoogers is, dan geld en goed, en eer en aanzien: weldoen in stilte; den naaste te geven wat hem toekomt; aan den beleediger de hand ter verzoening te reiken.—Juich het toe dat er nog gewezen wordt op de schoonste bladzijden der wereldgeschiedenis, of op voorbeelden vol leven en gloed.

O, ik heb zooveel te zeggen, maar de woorden op ’t papier zijn te zwak. Daar is een kerk noodig, daar zal een kerk noodig blijven zoolang de mensch geen dier wordt. De mensch wil Godsvereering, hij wil, hij moet aanbidden. Gij Desiderius doet het ook. Ja innig; al bewondert ge maar het genie in den mensch, die sprank van het Ongeziene. En als ge dat doet, dan huldigt ge God. Als ge verrukt staat waar de dalende zon speelt over de rosse hei, daar aanbidt ge. En als ge sprakeloos van verrukking daar hoordet aan uw zij: Hoed af voor den grooten Schepper van hemel en aarde! gij zoudt....

Maar hoe, twijfelde ik daaraan een oogenblik? Neen, waarlijk waarlijk neen. Maar anderen twijfelen daaraan, niet waar....? doch daarvan later.

En de aanbidding van het genie, het verheven reine genie van Jezus was juist uw grootste grief tegen de kerk tot heden. Maar nu, nu wil de nieuwe richting geen genie-aanbidding meer. Zij wil—indien ik haar wel begrijp—hulde brengen en recht laten weervaren aan het groote genie van vóór achttien eeuwen, aan den onovertroffen dichterlijken tolk der verhevenste uitingen van het menschelijk hart. Zij wil zijn lessen volgen, die nooit in schooner en sprekender vorm werden gegeven. Zij wil prediken: “Och menschen onder dezelfde zon, hebt toch geen twist en tweedracht onder elkander, en neemt geen wraak als men u misdeed.” Immers zoo krachtig, maar tevens zoo dichterlijk klonk het: “Vergeven zult ge tot zeventigmaal zevenmalen; die u sloeg op de linkerwang, keer hem ook de rechter toe.” Is dat niet geniaal? Ja, ’t is nu een oud en bekend refrein, maar ’t is prachtig geniaal. Daar kunt ge niet tusschen komen, met geen speld. Al onze maren zijn van nul en geen waarde.

Ja, zich te veredelen, te verheffen naar den rein godsdienstigen zin van Jezus,—ik meen dat deze zin de veelal zoo mystiek verklaarde heilige geest is—dat is, naar ik vertrouw, ook de leus der nieuwe richting in de kerk, die moet blijven arbeiden totdat [189]alle menschen—ook de zeer zeer slecht ontwikkelden, vrij zullen kunnen denken en geen herinnering meer behoeven aan hun duurste plichten, of, wilt ge, aan de eischen der ware humaniteit, die wel niets anders zal bedoelen dan den naaste liefhebben en den Schepper bovenal.

Maar, hoe dikwijls zal vóór dien tijd de boom zijn blad nog verjongen?—Voorzeker, een kerk zal er noodig zijn, noodig, zoolang de mensch behoefte heeft om een Eere! Eere! te brengen aan dien Oneindige en Onbegrijpelijke, die de zonnen doet wentelen door het heelal en een gansche wereld onderhoudt in een enkelen waterdroppel. Noodig, zoolang de mensch gevoelt dat hij volmaakt zou kunnen zijn, maar het niet wordt op deze wereld; zoolang hij beseft dat er oneindig veel is wat hem in dit leven nimmer zal geopenbaard worden, hoezeer hij er naar haakt, hoe dikwijls hij ook naar de ontsluiering van vele raadselen smacht. Een kerk zal er moeten zijn om te troosten met de gronden der hoop, dat het leven niet eindigt met dit aardsche bestaan, waar het wijst op levens vol onschuldig lijden en onverdienden hoon; op het sterven van zuigelingen, van mannen en vrouwen in de kracht van het leven, zoo uitstekend en nog zoo nuttig in hun kring; van ellendigen, kinderen van ontaarden, die rondtastten hun gansche leven in de onreinheid en stierven met een godslastering op de lippen.

Op dat alles heeft de kerk die duizenden te wijzen. Ja stichten, troosten, vermanen en veredelen moet zij zonder ophouden; maar ook aansporen tot nutte werkzaamheid in het heden, om in ’t eind te komen tot den blijden toon: Moed gehouden als u deze aarde ontvalt, want luister, luister naar den genialen dichter:

“Vele woningen zijn er in des Vaders huis!”

Maar immers ik wist het, Desiderius heeft hier niets tegen. De kerk besta, mits zij den ouden slenterweg verlate. Geen nieuwe wijn in oude zakken, geen....

Maar toch wel een versterkende spijs in de aarden pan, als men tot nog toe geen porselein bemachtigen kon. Toch liever met de grove schaaf geschaafd dan met de zachte vlakke hand over het ruwe hout gegleden.

Hoe dan, geen doop! Geen avondmaal! Geen kerkelijke inzegening van het huwelijk meer! En waarom niet, mits geen geheimzinnige mystieke kracht daarin gelegd of gezocht wordt:

Het kindje wordt opgenomen in de groote vereeniging van menschen, die op dezelfde wijze naar God en volmaking streven. Met helder water wordt het gezichtje besproeid. Water, het beeld der reinheid. En dan—zou het niet goed zijn dat die ouders—velen althans—omringd van vrienden en getuigen, nog eens worden herinnerd aan de plichten die hun, met het geschenk dat ze ontvingen, zijn op de schouders gelegd, en aan God beloven: Vader! wij zullen ons kindje opvoeden naar UW reinen wil.

Geen avondmaal! Waarom niet? Is het, in kleine plaatsen vooral, [190]niet een aandoenlijk en plechtig middel om menschen met menschen te vereenen, hun te herinneren dat ze gelijk zijn voor den Oneindige; dat ze liefde moeten hebben voor elkander, en dat verzoening—zoo die noodig is—hun een ongekende zaligheid schenken zal—Maar in die groote kerken? Ja, ja! daar moet verandering komen.... of.... de menschen moeten veranderen, ik weet het niet.

En ’t kerkelijk trouwen!—O, begin maar vrij uw huwelijk in het huis, dat aan den Schepper aller dingen is gewijd! begin maar vrij met een lofzang aan Hem uit het hart.... Noemt gij het dwaas? Mij komt dat uur niet in de herinnering of nog wellen er tranen in mijn oogen. Dwaas? noem dan heelemaal een huwelijk dwaas, of uw moeder een zoen geven dwaas, en zooveel, zoo ontzettend veel dwaas, bespottelijk dwaas!

Maar Desiderius, dit zeide ik niet tot u. Ik dacht niet eens meer aan u, want tot u moet ik geheel anders spreken. Gij zoudt recht hebben indien gij u gekrenkt vondt, beleedigd door een liefdeloos en onrechtvaardig oordeel van zoo velen uit den schoot der kerk—der oude vooral—dewijl zij u niet kennen, niet begrijpen en u veroordeelen omdat gij hunne vormen niet als voortreffelijk huldigen kunt, omdat hun geloof voor u geen waarheid is, en gij vrij wilt zijn en vrij wilt denken en God dienen in ’t gemoed op uwe wijze, zelfs al moest het schijnen dat ge leeft zonder een God.

Maar hoe—waarom kant ge u tegen de kerk, terwijl gij slechts gewetensdwang en liefdeloozen eigenwaan te bestrijden hebt. O sla de bijl niet aan den stam waar de boom zich verjongt met frissche blaren, ofschoon ze nog teer zijn van vorm en van kleur. Nog eens, zoolang er menschen leven zal er Godsvereering zijn, en de Godsvereering wil zich meestal uiten op breede schaal en heeft een vorm noodig, altijd een vorm.

Schrik ze niet af de jongelingen, die zich wijden willen aan de ontwikkeling der menschheid; die verlichten en voorgaan willen in het goede en zich stellen tegen dogma en gewetensdwang. Spreek hun moed in met mij, ’t is zulk een schoone roeping, raad en troost te geven aan zwakken en armen; op te bouwen in het goede, den mensch te houden in den heiligen zin, in den geest die uit God is: reinheid! liefde!

En hoe, hoe zullen en kunnen ze daartoe komen, in al die steden en dorpen, dan binnen de grenzen—ik had haast gezegd dan binnen de muren eener kerk, die feilen zal in begrippen en vormen tot den einde toe, evenals wij feilen Desiderius, evenals gij en ik.

Dit moest mij van ’t hart, mijnheer de Spectator! De vragen beantwoord ik nader; misschien is dit meteen wel het antwoord geweest op de vraag: Zijt ge het altijd eens met den Spectator?1

Jan. 1866.

(Wordt vervolgd). [191]

II.

Mijnheer de Spectator!

Gij herinnert u het doel van mijn schrijven, namelijk om op eenige vragen, die mij in den laatsten tijd gedaan werden, het antwoord te geven.

Ik spreek maar terloops van sommige aanzoeken, om pas verschenen boeken te beoordeelen, o. a. een werk van Ds. Adama Van Scheltema, getiteld: Wat ik goeds zag in den vreemde, ’t geen ik reeds goed zou kunnen noemen, omdat het goede op te merken in mijn oog heel goed is,—ook het goede niet in den vreemde.—Maar immers ik ben geen recensent en al heeft een geestig vriend eens beweerd dat men zulke dingen niet zeggen moet, ik zeg het toch nog maar even heel zachtjes aan u, mijnheer de S. in de hoop dat men mij daardoor niet meer met de toezending van werken ter beoordeeling vereeren zal.

Maar de fabriekskinderen! Komt daar nu niets van? Is dat al doodgebloed? Is die commissie van onderzoek....?

Stil, dat zijn vragen die zeer doen. Nietwaar, ’t gaat langzaam, alles zeer langzaam in ons lieve vaderland! Misschien heeft het zijn goede zijde, maar—’t is treurig, heel treurig, dat die arme, bleeke, naar ziel en lichaam verwaarloosde kinderen intusschen nog maar altijd op vele plaatsen 15 en meer uren daags moeten werken, dat ze nog maar altijd niets NIETS kunnen leeren, en dat men in Nederland menschen doemt tot machines, tot wezens dikwijls beneden het redelooze dier.—Wij moeten geduld hebben. Ik vernam dat onze minister van Binn. Zaken al gedurig naar den uitslag van het onderzoek der commissie heeft gevraagd. Maar, de commissie zal waarschijnlijk niet altijd haar tijd beschikbaar hebben voor de taak, die zij gaarne uit plichtgevoel of menschlievendheid aanvaardde, en vermoedelijk heeft zij te kampen met velerlei natuurlijke bezwaren. Doch—geduld! de tijd komt waarin zij erkennen zal dat er verandering noodig is; erkennen, dat die arme kleinen nimmer kloeke mannen en vrouwen, nimmer knappe werklieden kunnen worden; misschien zelfs zal zij zich losrukken van de hoogst twijfelachtige cijfers in dezen, om, getroffen door zooveel ellende naar ziel en lichaam, van onze regeering te vragen een wet ter regeling van den arbeid der fabriekskinderen.

Maar die regeering, mag zij de Nederlandsche industrie aan banden leggen....?

O die oude, zoo dikwijls beantwoorde vraag! En dat antwoord: Ja gewis, als die banden noodig zijn ter handhaving van de maatschappelijke rechten; als zij strekken om den mensch te binden aan wat goed is, en leiden tot veredeling van den geest. Ja, voorzeker mag zij dat, wanneer zoo groot een aantal vertegenwoordigers der industrie gedurig daarom vragen, ten volle verzekerd dat een wet ten behoeve dier kinderen te gelijk een wet zal zijn in het [192]waarachtig belang der volksontwikkeling en zoo ook in het belang der nijverheid. Hoe, daar is een wet in Nederland, die den armen vader tot den kerker veroordeelt, dewijl hij een brood stal voor zijn behoeftig gezin. Ja, hem wordt de vrijheid benomen, dat eischt.... de bakker die zijn brood mist. Rechtvaardig! zeer rechtvaardig! Maar UWE burgerrechten, UWE rechten als menschen, arme, arme kinders! Doch geduld, nog een kleinen tijd en uw arbeid zal verlicht en uw geest zal ontwikkeld worden, en misschien—als gij later knappe werklieden wordt, dan krijgt ge ook nog wel iets meer te eten dan uw slechte aardappels met mosterd en uw kleffe poffers met kalk.

Maar gelooft gij dan—zoo klinkt alweder een vraag—dat onze fabrikanten gevoellooze menschen zijn! doof en blind voor den toestand der armen die hen dienen, dienen voor een loon dat den ouders dier kleinen een bloedgeld moest zijn—arme ouders, treurig overschot van een geslacht fabriekskinderen dat verging.

Neen, NEEN, zeg ik u. In gemoede houd ik vol dat het gevoeligste hart kan wonen in de borst van hem die zijn zaak ziet bloeien, zelfs ten koste van het arme jonge leven. Gewoonte, ziet ge, dat is de dommekracht die hen deed voortgaan tot nog voor weinig tijd; dat is de doffe bril waardoor men in die kinderen machines zag, werktuigen en niet veel meer.

“Marie, geef dien armen drommel daar op straat ’en boterham, ’t is beroerd zooals dat kind d’r uitziet—zoo’n wurm!”

En dat kind werkte bij mijnheer zelf in de fabriek. “Ja, ziet ge, als men IN DE FABRIEK is dan is ’t natuurlijk dat ze er zóó uitzien, maar op straat en voor het raam van je huiskamer, neen, dát maakt een verschil, dat doet waarachtig zeer.”

Ja ZEER, omdat het oog er niet aan gewend en het hart toch goed is. Geduld dan kinderen, het grootste deel uwer heeren en meesters beseft al dat gij tot wat meer zijt geboren dan gij nu worden kunt; die heeren beseffen al dat uw belang ook het hunne wordt, als ze zien naar den fabriekswerkman ginds in het praktisch nijvere Engeland. Geduld maar, uw meesters, al doen er sommigen reeds veel om uw lot te verbeteren, ze kunnen nu nog niet alles wat ze willen—de meesten hunner althans—want ziet ge, daar is een andere macht, die hen tot nu toe weerhoudt: de concurrentie, een macht....

Maar arme fabriekskinderen, wat praat ik tot u; al kondt gij den Spectator lezen, ge zoudt er geen woord van verstaan; neen, mijnheer de Spectator, tot u is het dat ik spreek, en door u tot hen, die zoo dikwijls en ernstig vragen: Wat wordt er van de zaak der fabriekskinderen?

En het antwoord er op, vat ik nog eens saam in deze woorden: Wat elders noodzakelijk was zal ook hier blijken noodig te zijn; wat elders de schoonste vruchten oplevert2 mag hier niet ontbreken. [193]Nog een wijle geduld!—Voor de eer van Nederland, en—wij moeten het dankbaar erkennen—met den wensch van vele, ook der eerste fabrikanten, gaan wij een betere toekomst te gemoet, want, daar moet, daar zal een wet komen ten behoeve van het ongelukkige fabriekskind, een wet ter handhaving van den bloei der Nederlandsche industrie.


Een vraag van geheel anderen aard klonk menigmaal. Hoe schrijf je voortaan, heelemaal woordenboeks? of....?

’t Zou voor een belletrist, die zich volstrekt niet inbeeldt een taalkenner te zijn, misschien verstandiger wezen, om dit chapitre in uw weekblad blauwblauw te laten, doch de zaak der spelling raakt den auteur zoo van nabij, dat hij,—om niet inconsequent te schijnen wanneer hij zich afwijkingen veroorloven gaat—zich wel eens openlijk verklaren mag.—En zoo antwoord ik dan gaarne: dat ik op gezag—ja op gezag—in vele woorden meer letters zal schrijven dan ik gewoon was; ik wil de vorsten lang laten regeeren, en aan een adellijke een l meer geven dan aan een edeling of zelfs een hemeling—ofschoon ik het niet rechtvaardig vind. De trotsche paauw zal ik met genoegen kortwieken en met pleizier aan alle draaijers en vleijers een been ontnemen, op gevaar af dat men ze niet meer kennen zal. Wat mij betreft ik had er echter niet aan getornd om een mooije vrouw heelemaal van de been te helpen en had haar in allen geval—indien ze dan wat van haar mooi moest verliezen—veel liever de i ontnomen, en mooje in plaats van mooie gezet. Al die klinkletters naast elkaar, ’t is Hottentotsch en een fraaiigheid om in te verbiesteren, zei Toon de kruier—misschien landerig omdat hem ook al z’n been ontfutseld was.

Maar ik ben bedroefd over de komst der g. Onze dierbare moedertaal wordt naar de keel gedrongen; die zachte g moet verdwijnen, de g die ons herinneren moest: spreek toch vóór in den mond en niet als de schreeuwers die de “levendiche schchellevisch” venten en de “maachchies acht om een dubbeltje, pak ze maar wech!” ’t Is treurig, maar, als de wetenschap: leve de ch zegt, dan zal ik haar gaarne gunnen zich te warmen aan een kachel zonder g, en te lachen ook al zonder g, lachen zelfs om de dwaasheid dat ik laatst een lief maar onnoozel kind hoorde voorlezen: “hij zat bij de kac-hel.... vreeselijk te lac-hen.”

Doch dit gepraat zou in ’t geheel niets beduiden indien ik mij niet wilde verklaren omtrent een paar woorden, waarin ik de g zal blijven gebruiken in weerwil van de aangenomen regels. Ik bedoel de woorden ligt voor niet zwaar, en digt voor toe. Het onderscheid wensch ik bij de lezing niet twijfelachtig te hebben. Wanneer ik straks geschreven had: geduld kinderen, uw arbeid zal verlicht worden, dan had men een oogenblik aan meer dag- of kunstlicht in de fabrieken kunnen denken, ’t geen toch waarlijk de bedoeling niet was. En gesteld eens dat daar geschreven staat: “Het boek is dicht,” zou hij die van Vlotens Dicht en Ondicht bezit, niet een oogenblik in de war kunnen komen, evenals de vriend in de [194]residentie, die een beklag ontving uit een der noordelijke provincies, en wel ter oorzake dat aan een Hagenaar een onderscheiding was te beurt gevallen waarop de noordelijke meer aanspraak meende te hebben, en de vriend nu las: maar geen wonder hij is “dichter bij het Hof”. De vriend wist niet dat Z. M. er een privaat dichter op nahield. Nu wil ik gaarne aanstonds toestemmen, dat men zóó kan schrijven dat een vergissing niet ligt mogelijk wordt, doch, waar op den regel de ch voor de t de uitzonderingen gelden: behalve in de regelmatige vervoeging der werkwoorden wier stam op een g eindigt, en, in de zelfstandige naamwoorden door achtervoeging van de te gevormd van bijvoeglijke naamwoorden uitgaande op g; daar mag mijns inziens nog wel déze derde uitzondering gelden: en behalve in de woorden ligt en digt—voor niet zwaar en toe—die eensluidend als de woorden licht en dicht maar verschillend van beteekenis zijn.” En nu, terwijl ik het geen gevaar acht dat men mijn derde uitzondering ligt en digt zal noemen, omdat zij juist daardoor tot een zekere bekendheid zou geraken, stap ik van dit onderwerp af, om met blijdschap de woordenlijst der Ned. taal van de wakkere heeren de Vries en te Winkel te begroeten. Gaven zij dikwijls gaarne de verzekering dat zij hun werk niet als verbindend willen beschouwd hebben, zij zullen, ik ben er zeker van, ook deze afwijking waar men die volgt, gaarne eerbiedigen.3


En nu ten slotte die vele vragen naar aanleiding van de schier algeheele afkeuring van mijn jongste tooneelwerk aan de eene, en het buitengewoon groot succes er van aan de andere zijde. Ik zal er niet op antwoorden, alleen wil ik met het oog op mijn vaderstad, voor de inwijding van wier nieuwen schouwburg ik mijn Emma Berthold heb geschreven, openlijk den wensch uiten, dat een reeks van meer dan veertig voorstellingen er van te Rotterdam haar de overtuiging zal hebben geschonken, dat de auteur zich de taak in waarheid niet ligt heeft geacht, maar ter eere van Arnhem—en mocht het zijn van het Ned. tooneel—getracht heeft het beste te schenken wat hij te schenken had. Niets anders dan de zucht om zoo mogelijk ons tooneel te helpen zuiveren van de gruwelen en onzinnigheden, die er zoo dikwijls den volke worden vertoond, spoorde hem aan om het, in ons land waarlijk niet uitlokkende [195]veld te bearbeiden, en, als ik nu met blijdschap verneem, dat een schoon oorspronkelijk werk van onzen genialen Schimmel zoo groote scharen naar den schouwburg lokt, dan word ik gedrongen om allen, die hun volk liefhebben en zich krachtig tot die taak gevoelen, krachtiger dan ik, luide toe te roepen: Schrijft mannen, schrijft goede stukken, zorgt voor een juiste opvoering er van, evenals onze classieken daarvoor zorgden, en, gij zult den bloei van ons tooneel bevorderen en den wansmaak verjagen uit die leerschool voor het volk.

Den Haag, 22 Jan. 66.


Correspondentie.

Aan den WelEd. Z.Gel. Heer Dr. S. Sr. Coronel.

Geachte Heer!

Ontvang mijn vriendelijken dank dat gij naar aanleiding van mijne regelen in den Spectator, nog eens de belangen der arme fabriekskinderen hebt ter sprake gebracht.

Mij dunkt wij zijn het volkomen eens. Men moet geduld hebben—ofschoon het moeite kost. Doch, waar uw naam wordt genoemd, daar voel ik mij gedrongen om aan hen, die ongeduldig telkens weder vragen: komt er nog geen verandering in den toestand der ongelukkige fabriekskinderen, den raad te geven, al wachtende, nog eens uw dieptreffend en verre boven mijn lof verheven In ’t Gooi te lezen, te vinden in den Gids jaargang 1863, maar vooral ook uw sprekend betoog, getiteld: De toestand der kinderen in onze fabrieken en het gewicht eener regeling van hunnen arbeid, uitgegeven bij de Erven Loosjes te Haarlem 1863.

Geloof mij inmiddels met de meeste hoogachting te zijn:

WelEd. Zeer. Gel. Heer,

12 Febr. 1866. Uw. Dw. Dienaar.


Een kunstenaar Mæceen.

Mijnheer de Spectator!

Vergun mij u iets mee te deelen.

Omdat gij er nog niet van gesproken hebt vermoed ik dat het u òf onbekend òf althans slechts bij geruchte zal bekend zijn. [196]

Natuurlijk kent gij Dantes Divina Commedia. De Hollandsche vertalingen, inzonderheid die van A. S. Kok in metrische verzen, zullen u evenmin vreemd zijn: en zeker hebt gij de platen van Gustave Doré bewonderd, waarmee de Fransche pracht-uitgave van Dantes Inferno geïllustreerd werd.

Indien gij nú niet begrijpt wat ik bedoel, dan kan ik gerust vertellen; de zaak moet u vreemd, en de naam van den man u nog onbekend zijn.... Maar stil.

Nog zelden had ik zulk een prachtig boek in handen, en zeker heb ik nooit gedacht er zoo een present te zullen krijgen. Als er niets grooters is dan folio-formaat, dan is het folio, maar anders—is het grooter.

Zie, nu ik de zwart kartonnen doos open, waarin het groote boek, op de wijze als onze photographie-albums, besloten ligt, nu is een goed deel van onze theetafel bedekt. We zouden de thee wel kunnen wegzetten.

Voorzichtig! Die band—rood met verguld—is smaakvol en stevig. Op den rug—die nog te zien is—leest ge in gulden letters: De Komedie van Dante, en dan op het bovenblad in het beeld der eeuwigheid: De Hel van Dante.

Onwillekeurig worden de vingertoppen, hoe schoon ze ook zijn, nog eens vluchtig aan den zakdoek gebracht, want de uitroep: prachtig! komt telkens terug.

Zwaar, deftig en blank is het papier. Erg veel wit zien we in ’t begin.

Ha! dat is schoon: Tegenover het titelblad, waarvan de roode en zwarte letters door het glanzig vloeipapier gluren, zien we het borstbeeld van den man wiens reuzenschepping de eeuwen trotseerde: het beeld van Dante Alighieri in overschoone photographie.

Die photographie—van den heer F. W. Deutmann te Amsterdam—werd genomen naar een marmeren buste, vervaardigd te Rome door Eumene Baratta op last van den eigenaar die.... Maar, nog even geduld, want luister, op de volgende bladzij zingt onze Ten Kate den bard der oudheid toe:

Dante Alighieri.

“In één grootsch werk de schepper van zijn taal,

En ’t heerlijkste, ooit in menschentaal geschreven,

Waarin niet slechts de middeneeuwen leven,

Maar ’s levens polsen kloppen, al te maal.

Der volkren Dichter, door zijn volk verdreven

En vogelvrij verklaard, in zegepraal

Op vleuglen van ’t genie naar ’t ideaal

Der liefde, zijn Beatrix, opgeheven!

Van uit den diepsten nacht in ’t hoogste licht

Trapswijz’ geklommen, wordt zijn Hemelsch Dicht [197]

Symbool der weergeboorte uit zonde en smarte,

Die ’t menschlijk leven godlijk loutren moet.

Zóó schildert, met zijn tranen en zijn bloed,

Deez’ Dante in beelden ’t drama van elks harte.”

En als we dan het zware blad weer omslaan dan lezen we:

Mijnen waarden vriend Dr. Hacke, vertolker van Dante’s Inferno.

En weer klinkt het lied van onzen zanger:

“Gij zijt hen nagewandeld, onbevreesd

Als derde volgend door de ongastvrije oorden!

En wat Virgiel en Dante zagen, hoorden,

Gij hebt het mee ervaren in den geest.

Ja meer! Gij zijt des Dichters tolk geweest,

En ’t is uw roem, als voortaan in ons Noorden

Het zuidlijk orgel zingt met de eeuwige akkoorden,

En Neerland huivrend zijn Inferno leest!

Excelsior! Van uit de schriklandouwen

Naar boven!..... Zalig zijn zij die daar rouwen!

De smart tot God is heilig loutringsvuur.

Doe als uw meester! Stil ter goeder uur

De zielzucht onzer edeler natuur:

Wij smachten naar Beatrix—doe ze aanschouwen!

“Dr. Hacke?”

Jawel, Dr. J. C. Hacke van Mijnden! Kent ge hem niet?

“Hacke van Mijnden?” zegt ge, en kijkt rechts en links, “Dr. Hacke van Mijnden—Doctor....?”

Tob maar niet langer. Gij kent hem niet. En dat is juist het mooie van de zaak.

Ik herhaal het: dat is nu ’t mooie van de zaak.

Dr. Hacke is een man van middelbaren leeftijd, en het eerste dichtwerk, dat hij het publiek—neen nog slechts zijn’ vrienden aanbiedt, het is de vrucht van een studie sinds de dagen zijner jeugd. Mij dunkt dat heet liefde en eerbied hebben voor de kunst, dat heet eerbied en achting gevoelen voor haar waardige vierschaar, en—voor zich zelven!

Men heeft mij gezegd—en ’t kwam uit een goede bron—dat Dr. Hacke de geheele Divina Commedia—of althans de Inferno—reeds driemalen voor eigen studie en genot in ’t Nederlandsch overbracht, om steeds dieper de schoonheden van het onsterfelijk gedicht te peilen, aleer hij besluiten kon een vertolking er van aan de pers [198]te vertrouwen. Luister even welke eischen de ernstige man zichzelven stelt. Hij zegt in zijn voorwoord—zonder opschrift:

Indien het nu bij de overbrenging van een dichterlijk kunstwerk in eene andere taal altijd een vereischte is, den vorm, waarin de dichter zijne gedachte gekleed heeft, in het oog te houden, dan is het vooral bij Dantes Komedie het geval, waar niets willekeurig is, waar alles mathematisch en harmonisch in elkander past, waar elke uitdrukking, elke vorm, ik zou haast zeggen elk woord, met een bepaald doel gekozen werd.”

En verder:

“Niettegenstaande de redenen door Macaulay aangevoerd voor zijne uitspraak, dat eene vertaling nooit behoort geschreven te worden in verzen, die bijzondere moeilijkheid voor het rijm opleveren, heb ik getracht, én den geest, én den nauw daarmede verwanten vorm van het dichtstuk te bewaren, door niet alleen voor zooverre ’t mogelijk was, regel voor regel en woordelijk te vertalen, maar ook vooral, door de terzine met hare driemaal herhaalde vrouwelijke (slepende) eindrijmen na te volgen; het rijm toch maakt de terzini uit, die zonder dat, van kleur en doel verstoken zou zijn.”

Of Dr. Hacke daarin geslaagd is, en of hij het gezegde der Italianen: “Traduttore-traditore (vertaler-verrader)” op zich behoeft toe te passen; of hij schitterend de vele bezwaren heeft overwonnen, die hij vond op zijn moeielijk pad, dewijl onze taal “noch den rijkdom, noch de verscheidenheid van slepende uitgangen heeft die aan de Italiaansche eigen zijn”. Op dit alles zal ik u geen antwoord geven. Gij weet het, ik matig mij niet gaarne in ’t publiek een oordeel over anderer kunstwerken aan, en vooral zou het hier al zeer dwaas zijn een oordeel over een jarenlange studie te vellen, gesteld zelfs dat wij het Italiaansch spraken als onze moedertaal òf—als Dr. Hacke.

Maar wilt gij eenige bladen met mij omslaan en luisteren, dan kunt gij zelf oordeelen.

Doch eerst moet ge zien, want door het vloeipapier, waarop in ’t midden keurig en zuiver gedrukt staat:

“In ’t midden van de loopbaan van ons leven

Heb ik mij in een duister woud bevonden.

De Hel, Z. I. I.”

door dat vloeipapier heen schittert reeds een der geniale scheppingen van den Czaar der teekenaren, en als ge het rammelend vloeipapier omslaat, dan ziet gij dat eenzame woud, met zijn fantastisch licht, zooals alleen Gustave Doré het schetsen kon, het duistere woud, dat de wereld moet voorstellen, verzonken in onwetendheid en zonde, en waarin de dichter, zelf met den voet in struik en distelen, angstig omziet, dewijl hij “het rechte pad had laten varen”.

Wij slaan nu eenige bladen om en, luister: [199]

Virgilius heeft Dante de poort der helle gewezen waarboven geschreven staat:

“Wie binnentreedt late alle hope varen.”

en Dante spreekt:

Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden

Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten,

Zoo daalden we in den afgrond naar beneden,

Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten,

Die duistre sterrelooze lucht doorboorden,

Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten.

Vermengde talen, vreeselijke akkoorden,

Geschrei van smart en wanhoop of van woede,

Met handgeklap en schelle of doffe woorden

Verwekten een geweld, dat, nimmer moede,

In ’t rond draait in die eeuwig duistre luchten,

Als zand, gedreven door des stormwinds roede.

Nu zou ik wel kunnen voortgaan, maar de Inferno heeft drie en dertig zangen, en elke zang gemiddeld honderd veertig verzen.—Ei! zie nog eens even die terzines:

Krachten, klachten, brachten.

Doorboorden, akkoorden, woorden.

Woede, moede, roede.

En dan, een schier woordelijke vertolking!

Mij dunkt wij moeten eerbied krijgen voor den man, die niet slechts den moed had om Virgiel en Dante te volgen op hun somber pad, maar die er zijn leven aan wijdt om een klassiek kunstgewrocht van vreemden bodem in een Nederlandsch kunstwerk voor het heden te herscheppen.

In een Nederlandsch kunstwerk! Zie Mijnheer de Spectator, ik ben er zeker van: het doet u goed zoowel als mij, dat een vermogend Nederlander, in stee van met Franschen tongval te spreken, ons dierbaar Nederlandsch zóó lief heeft dat hij het kneden en vormen wil tot de herbouwing van een onvolprezen monument der middeleeuwen, op vaderlandschen grond!

Ja het doet ons harte goed, en met hooge ingenomenheid mogen we wijzen op dit feit in de geschiedenis onzer hedendaagsche letterkunde, want eene vertolking als door Dr. Hacke geleverd—en nog te leveren—bewijst ons opnieuw den onwaardeerbaren rijkdom onzer heerlijke moedertaal. En—wat wordt zij dikwijls verloochend, die lieve taal van Vader en Moeder! [200]

Gij hebt het reeds gehoord, de dichter—rijk in meer dan eene beteekenis—hij gaf de volwassen vrucht van zijn talent, mét de gouden schalen waarop hij haar aanbood, aan zijn vrienden ten geschenke.—’t Is niet alledaagsch wat ik u vertel en wel de moeite waard er nota van te nemen.

Maar ’t zou nu toch wel mogelijk kunnen zijn dat gij juist van dit laatste uw grief maaktet tegen den dichter; de grief namelijk, dat Dr. Hacke slechts aan zijn vrienden schonk waar gansch Neerland recht op heeft.

Neen, ik weet wel, gij eischt niet dat het getal vrienden zal afhangen van de vrienden. ’t Getal is al wél zult ge zeggen: honderd vijftig! Maar wat gij hem in stilte verwijt misschien, ’t is dat hij zijn werk niet in een gewonen vorm—al ware het dan ook tegen een matigen prijs—voor ’t groote publiek heeft doen verkrijgbaar stellen.

’t Is mij onbekend welke redenen Dr. Hacke daarvan terughielden. Maar, het begonnen en nog slechts voor één deel voltooide werk heeft hij lief. Vermoedelijk wil hij het gaarne heel rustig voltooien en althans tot zoolang van zijn lievelingsstudie slechts smaken, wat hij er mee te geven wenscht.—’t Kan zijn dat ik mistast, maar het komt mij zoo voor.

Nu zult gij wellicht vragen—en oogenschijnlijk met eenig recht—of het mij dan vergund was u, en mét u het publiek op deze prachtuitgave opmerkzaam te maken, terwijl Dr. Hacke haar niet aan de openlijke critiek onderwerpt. Ik herhaal u dat ik er niet aan dacht een beoordeeling van zulk een werk te schrijven, maar,—voelde ik mij gedrongen op het feit te wijzen, een woord van den dichter zelf geeft mij ’t recht tot deze mededeeling, en, ik weet het vooruit, uw eerbied zal stijgen voor den man, die bij zooveel studie en dichtvuur, ook de Nederlandsche beeldende kunst beschermen wil, door haar zoo mogelijk aan zijn grootsche taak te verbinden. Dr. Hacke schrijft:

“Er blijft mij bij de uitgave van dit eerste gedeelte alleen nog dit te zeggen overig: met de vertaling van het tweede gedeelte ben ik reeds gevorderd, en hoop, zoo God mij het leven laat, dit evenals het laatste in denzelfden vorm uit te geven. Voor dit gedeelte kon ik van de schoone platen van Doré gebruik maken; voor de beide volgende deelen hebben verschillende kunstenaars onder mijne vrienden mij reeds hunne hulp toegezegd; zeker ben ik daardoor, dat die deelen in belangrijkheid zullen winnen.4 Het [201]zou mij zeer aangenaam zijn zoo deze woorden aanleiding konden geven, dat nog meer kunstenaars uitgelokt werden om mij hunne talenten tot het illustreeren van dit werk aan te bieden.”

Gij ziet het.... terwijl Dr. Hacke zijne vrienden reeds heeft uitgenoodigd, wenscht hij dat nog meer kunstenaars hem hunne talenten zullen aanbieden, en, ben ik dan niet in mijn recht wanneer ik door middel van deze regelen, de tolk zijner wenschen tracht te zijn in ’t belang der Nederlandsche kunst!

Mijnheer de Spectator, terwijl ik weet dat gij mij gaarne het prachtwerk gunt, ’t welk ik dank aan een gelukkige kennismaking met den Kunstenaar Mæceen, geef ik u evenzeer de verzekering dat Dr. Hackes werk ten mijnent voor u met de meeste liefde ter lecture en ter bezichtiging openligt. Kom en gevoel mét mij, wat reuzenarbeid de dichter ondernam, en voor een derde reeds ten einde bracht. Zie nogmaals de drie en veertig u bekende meesterstukken van Doré; merk op hoe onze Haarlemsche Kruseman mede een kunstenaar is waar hij een prachtwerk weet uit te geven, dat naar mijn inzien aan de hoogste eischen van goeden smaak en typographische uitvoering voldoet.

Kom en zie, en wensch dan evenals ik: dat de dichter gespaard zal worden tot de voltooiing van zijn werk, dat hij “in dien arbeid troost en kalmte moge vinden bij de herinnering aan bittere verliezen”, en dat eens zijn geheele vertolking der Divina Commedia het algemeen eigendom zal zijn van het onverdeeld en altijd Nederlandsch sprekende Vaderland.

Den Haag, 10 April 1867.

Een talentvol annexeerder.

’t Is wel eens gezegd dat er in Nederland moed toe behoort om te zijn wat men “auteur” noemt. Immers zeide men, het land is zoo klein en bovendien is het aantal Nederlandsch lezende Nederlanders naar verhouding te klein. Ja, voegde men er bij, de volharding van een Nederlandsche auteur mag wel bewonderd worden: hij is kunstenaar uit roeping, uit liefde tot de kunst.

Op deze vereerende beschouwing mogen we niets afdingen. Wel hooren we achter ons vragen, of Joostje, die met de meeste volharding dagelijks lucifers vent—voorzeker gedreven door een inwendige roeping om anderen van vuur en van licht te voorzien—niet insgelijks om zijn volharding moet worden bewonderd? De stumper weet immers dat hij maar weinig kans op debiet en nog minder op prijsjes heeft, want, zegt Joostje, gaat de eerste niet dadelijk af dan heeten ze allemaal vochtig. [202]

Maar men zou kunnen zeggen dat de heer, die zoo vraagt, de zaken door elkander haspelt. Joostje is toch in elk geval geen auteur, en Nederlandsche geschriften zijn geen lucifers. De heer zegt niet eens of hij houten- of windlucifers bedoelt, of wasjes misschien.

Wat ons betreft, we zullen de quaestie—zoo het er eene wezen mocht—de quaestie laten.

Maar—in allen ernst kunnen we toch bij nader inzien niet zoo volledig toestemmen dat de Nederlandsche auteur, om zijn beperkten kring van lezers, in ’t beklag moet wezen.

Immers er zijn twee middelen, die den kring voor hem verwijden, zoo dat noodig of wenschelijk is:

Zijn de Levens van Rembrandt door Mr. Vosmaer, en van Steen en Potter door Van Westrheene geen echt Nederlandsche werken, al werden zij door hen in ’t Fransch geschreven? Slechts een Nederlander kon het doen zooals zij het deden, en, deinsden zij niet terug voor het moeielijke van hun taak, in al de landen waar men met ingenomenheid een nieuw licht over de levens en werken dier coryphaeën der kunst zag opgaan, daar worden nu mede de namen hunner talentvolle biografen met dankbaarheid en eere vermeld.

Het tweede middel is voor den Nederlandschen auteur wat gemakkelijker.

Hoe langer hoe meer ziet men in den vreemde mannen verschijnen, die onze schoone moedertaal beoefenen en zich geroepen gevoelen om de literarische vruchten van Nederlandschen bodem op den hunnen over te brengen.

De Nederlander, nog niet bijzonder gewoon aan zulk een beleefdheid, voelt er zich een weinig door vereerd, en ’t geeft hem eenigermate de gewaarwording alsof hij bij voorbeeld aan een Duitsche badplaats het Wien Neerlandsch bloed hoort spelen; soms veel te gauw of veel te langzaam, maar dat doet er niet toe, ’t is toch het Wien Neerlandsch Bloed van ons!

De gemoedelijke Nederlander zou aanstonds als hij dat hoort, en maar in staat was om een quartet te blazen, uit gevoelige dankbaarheid het Volkslied van.... enfin van de Badplaats gaan aanheffen, maar dat kan niet en hij bepaalt er zich toe om straks den kapelmeester zijn compliment te maken: ’s War schön! Wunderschön!

Nu zijn we waar we wezen willen.

Een Duitsch literator heeft zich de moeite gegeven om eenige Nederlandsche geschriften in zijne moedertaal te vertolken, en is daarin volgens het oordeel van vele Duitsche tijdschriften en couranten uitmuntend geslaagd.

Reeds een paar malen vonden wij zijn naam in onze nieuwsbladen abusivelijk vermeld, en kwam het ons voor dat de man, die o. a. het jongste werk van den grijzen Van Lennep op meesterlijke wijze voor Duitschers “genietbaar” maakte, aanspraak heeft op onzen dank en een eervolle vermelding in deze kolommen, te meer dewijl wij vernamen dat het zijn voornemen is om voort te gaan [203]met het vertolken van Nederlandsche geschriften, die hij daartoe geschikt zal achten.

Dr. Adolf Glaser is te Wiesbaden in 1829 geboren. Aanvankelijk voor den handelsstand bestemd, bleef hij tot zijn vijftiende jaar op ’t gymnasium te Wiesbaden, en kwam daarna in een fabriek van een oom te Mainz, die veel zaken met Holland deed en daarom den jongen Glaser de Nederlandsche taal deed beoefenen.

In ’t belang der zaak reisde Glaser zeer veel, niet slechts in Duitschland, maar ook in Zwitserland, Italië, België en Nederland. Op zijne reizen ontwaakte steeds meer en meer in de borst van den jongen koopman de liefde voor natuurschoon en kunst, zoodat hij eindelijk besloot den handelsstand te verlaten en zich, door de studie der fraaie letteren, aan de kunst te wijden.

In 1853—op vier en twintigjarigen leeftijd—vertrok hij, na eenige voorbereidende studiën, naar de academie te Berlijn en werd in 56 tot doctor gepromoveerd.

Reeds als student had Glaser zich een goeden naam door het schrijven van drama’s en novellen verworven, zoodat hem al spoedig te Brunswijk de redactie van het Tijdschrift Westermann’sche Illustrirte Monatshefte werd toevertrouwd, welk blad onder zijne leiding weldra een zeer goeden naam en groot debiet mocht verwerven.

Sedert zijne vroegere reizen in Nederland, waar hij zich meermalen een geruimen tijd ophield, was het steeds een lievelingsdenkbeeld van Glaser, om de Nieuwere Nederlandsche literatuur in Duitschland bekend te maken. In 1857 had hij reeds met goeden uitslag zijne krachten aan een onzer klassieke werken beproefd. Herrigs Archif für das Studium der neueren Sprachen, nam een verhandeling van Glaser op, die getiteld was: Joost van den Vondel und sein Lucifer, een stuk waarin hij de verheven schoonheid van Vondels treurspel in een helder licht plaatste.

In ’t jaar 1865 begon hij echter meer bepaaldelijk nieuwere belletristische werken van Nederlandschen bodem in ’t Duitsch te vertolken. Zijn het er nog slechts weinige, met het oog op de toekomst is het voor ieder Nederlandsch auteur en voor de eer onzer letterkunde zeer belangrijk te vernemen, dat de Duitsche tijdschriften en nieuwsbladen den heer Glaser den overvloedigsten lof brengen voor de uitmuntende wijze waarop hij: Nederlandsche Novellen, en Hänschen Siebenstern, bij hen heeft ingeleid.

Om bijzondere redenen bepalen wij ons tot een paar mededeelingen betreffende Glasers jongste werk.

De Augsburger Allgemeine Zeitung zegt: Dass wir es können—Klaasje Zevenster naar waarde schatten—das danken wir Herrn Adolph Glaser dem Redakteur der Westermann’schen Monatshefte und bekannten Novellisten, der uns den Roman “Hänschen Siebenstern” in gutes Deutsch so gut übersetzte dass wir uns an der Uebersetzung wie an einem Original freuen konnten. Solche holländisehe Annexionen lassen wir uns gerne gefallen, enz. enz. [204]

In de Hausblätter leest men: “Die Uebersetzung ist dem Original ebenbürtig—sie spricht uns durchaus an, als sei sie selber ein Solches.” Wat ons betreft, die met de Niederländische Novellen mochten kennis maken, we moeten erkennen dat zeker maar zelden eenig vertaler beter de eigenaardigheden onzer taal zal vatten dan de heer Glaser het deed.

In een verslag van de Gartenlaube für Oesterreich wordt doctor G. genoemd: der bekannte, geistreiche Erzähler und Redacteur der Illustrirten Monatshefte von Westermann, der gediegensten Zeitschrift Deutschlands. Elders, in de Berliner National Zeitung wordt hij de bekende dichter genoemd.

Uit dit alles zal blijken dat de Nederlandsche literatuur zich in Duitschland in uitmuntende handen bevindt.

Tot de oorspronkelijke werken van Glaser behooren: Familie Schaller, roman in zwei Bänden, Bianca Candiano, Erzählung, Erzählungen und Novellen, drei Bände. Voor zijne Gedichten ontving hij van den voormaligen Hertog van Nassau de gouden medaille van verdiensten, en voor het drama Galileo Galilei—’t welk van zijn tooneelwerken vooral in Weimar den meesten opgang maakte, van den later ontslagen Koning van Hanover, mede het gouden eerbewijs.

Wij eindigen dit verslag met den wensch, dat Glaser nog lang den lust zal behouden om op zijne wijze te annexiren. Misschien biedt Kellers Van Huis hem al terstond daartoe de schoonste gelegenheid aan.

Den Haag, 26 S. 67.

Tot mijn groot leedwezen is het later bij herhaling gebleken, dat de heer A. Glaser een groot deel van zijn goeden naam in Duitschland aan een annexatie-geest heeft te danken die in zijn land, zonder twijfel, even slecht staat aangeschreven als in ons dierbaar Nederland.

Slechts twee feiten ten bewijze:


I. Die Pflegemutter von Adolf Glaser is een woordelijke vertaling van J. J. Cremers Deine-meu.


II. Sommige letterlijke vertalingen van Glaser—zoowel werken van andere Nederlandsche auteurs als van mij, verzwijgen het vaderschap, en vermelden een: dem Holländischen nacherzählt, terwijl—ook dan wanneer de auteur werkelijk op een middenschotje vermeld is, de naam van den vertaler op den omslag, ja op den rug en menigmaal boven elke pagina prijkt. In Bohemen werd mij door een boekhandelaar Von der Bühnenwelt von Glaser ter lezing aanbevolen. Het was eene vertaling van mijn Tooneelspelers.

28 Jan. 1878. [205]

Dientje van ’t Veer.

De heer Slingervoet Ramondt heeft onder den bovenstaanden titel, “een verhaal uit de Betuwe” in ’t licht gegeven, “ten voordeele van de noodlijdenden door de overstrooming, in de provincie Ferrara in Italië.” In zijn woord vooraf verklaart hij, dat de zucht om die ongelukkigen nog wat meer te kunnen helpen dan hij ’t reeds deed, hem tot schrijven heeft gedrongen: “C’était plus fort que moi,” zegt de heer R.: “Ik schreef in de vrije uren die mijn beroepsbezigheden mij overlieten. Ik schreef haastig, omdat spoedige hulp noodig was.” En iets verder: “Het is mijne bedoeling volstrekt niet, de toegevendheid van het publiek, de welwillendheid der recensenten in te roepen. Onverbiddelijk heb ik zelf vaak het produceeren van liefdadigheids-literatuur en liefdadigheids-kunst afgekeurd. Ik lever dan ook thans mijn werk over aan de gestrengste, onmeedoogendste critiek.”

“En dat staat er werkelijk?” vroeg een hooggeëerde bezoekster, terwijl een trek van edele verontwaardiging haar schoon gewelfd voorhoofd kwam plooien: “Maar dat is spotternij! “Een schrijver, die zelf menigmaal de “liefdadigheidskunst onverbiddelijk heeft afgekeurd” roept de strengste, de onmeedoogendste critiek in, over een lettervrucht die hij schreef—let wel—in de vrije uren die zijn beroepsbezigheden hem overlieten,—alzoo vermoeid van den arbeid misschien—en, HAASTIG, omdat een spoedige hulp er noodig was!—Maar wie zoo schrijven kan, hij is.... hij verdient....”

“Bedaar, hooggeachte vriendin, en bedenk dat die schrijver toch het hart op de rechte plaats heeft: Door liefde gedrongen heeft hij gezongen, en in weerwil dat hij ’t zoo druk had.—Ik bid u wees niet te gestreng?”

“Hij verlangt het. Geen de minste toegevendheid begeert hij. Hij moet wel zeer overtuigd zijn van de voortreffelijkheid zijner schepping. Zie maar, hij staat daar met het hoofd achterover, met de hand aan ’t rapier.”

“Mijn geëerde vriendin was nooit voorbarig. Neen, die schrijver staat daar niet met het hoofd in den nek of de hand aan den degen, ik heb u nog niet gezegd wat hij er spoedig op volgen laat. Luister: Hij wacht zijn vonnis. Hij is er van overtuigd dat er geen genade voor hem is. Hij wenscht slechts dat gij zijn vonnis niet al te spoedig zult vellen, “omdat anders het doel van zijn uitgave gemist zoude zijn.”

“Het doel! Altijd dat doel! Kan er ooit een doel zijn, waaraan men de heilige Kunst mag ten offer brengen!” De Kunst eischt van hare priesters algeheele toewijding; althans geen onmogelijk-vluchtige, geen gejaagde, met een brok brood in den mond, met den lijmpot in de hand, en de bedelaars aan de deur.—Kunst en Philanthropie gaan dikwerf te zamen; maar familie zijn ze niet. [206]Zal de Philanthropie—hoe edel haar karakter ook zij—nog langer ongestraft de verheven figuur aller eeuwen en gedachten durven beleedigen, en haar rein gewaad bezoedelen in haar domme haast!—“C’était plus fort que moi!”—Weet hij dan niet hoeveel zelfbeheersching er geëischt wordt van de ware priesters der Kunst; hoeveel onwrikbaar geduld, hoeveel zelfverloochening!—Kent hij Da Costa niet!—Heel ’t Oosten is een graf! schreef de groote dichter. En hij schetste verder het gloeiende Oosten, met zijn vervallen steden, zijn tempels en paleizen in puin; de lachende vruchtbare dreven van weleer, in woestijnen veranderd. Twee drie bladzijden heerlijke verzen! Maar die bladzijden—gewikt en gewogen—werden met één pennestreek vernietigd; en, daar stond als in arduin gehouwen, dat plechtig:

—Heel ’t Oosten is een graf.5


Er werd aan de deur geklopt, en—reeds in hetzelfde oogenblik geopend, trad een allerliefst persoontje de kamer in.

De ernstige spreekster van zooeven stond op; sloeg haar bournous in edele plooi om den schouder, en verliet met een deftigen groet het vertrek.—Ik volgde haar; drukte haar bij ’t uitlaten de hand, en zij wist wat die handdruk haar zeggen moest.

—Niet goed gemutst? vroeg de schoone bezoekster lachend, terwijl zij bij mijn terugkomst in de richting van de deur wees.

—Een weinig ontstemd. Er is een verhaal in ’t licht gekomen ten behoeve van de noodlijdenden in Ferrara, en....

—O dan spreek je van een nieuwen Betuwschen schrijver, viel de andere in: Ik heb dat allerliefste stukje van den heer Slingervoet Ramondt daar juist gelezen.—Je kent de Betuw tusschen Rijn en Waal; den dijk er omheen; de lachende heuvels aan gindsche zij. Je kent haar ’s winters.... ijsgang; watersnood.—Prachtig is die watersnood in dat verhaal geteekend; dat klimmend gevaar, die angst; ’t verlaten van de bedreigde woning; die achterblijvende hond! ’k Zeg allerliefst! En natuurlijk!? Daar komt een ontvanger in; van der Teen, of.... van der Veen,—precies naar ’t leven genomen! Wat ruw, maar magnifique! En dan de droefheid der ouders in de schuit die hen redt, nadat hun arme jongen verdronken is. En die lafhartige Willem Van Balen, de onwaardige ellendeling, zoo armzalig afstekende bij den ruwen maar flinken ontvanger.—En eindelijk het lieve Dientje zelve. ’t Is wel geen aangrijpende figuur, maar, als het boekje is uitgelezen, dan blijft ge nog een wijl op haar grafschrift staren, en veegt een traan uit uw oog.—Ja allerliefst en aandoenlijk! En dan nog wel in der haast geschreven omdat de nood in Ferrara zoo groot is. Nobel, allernobelst! ik wensch den schrijver met zijn edel hart, de meeste voldoening toe, en hoop dat honderden zijn Dientje Van ’t Veer zullen lezen en koopen. [207]

Waarde Spectator!

Gij hebt u herinnerd dat ik geen critiek schrijf, en vraagt mij nochtans mijn oordeel over het verhaal uit de Betuw van den heer S. R.

En mijn antwoord?

De ernstige Critiek, mijn eerste bezoekster, zal den heer S. R. zeker volgaarne zoo gestreng mogelijk haar oordeel zeggen, indien hij haar later eens een werk kan aanbieden, ’t welk hij onder andere omstandigheden het licht doet zien.

Wat mij betreft, terwijl ik den heer R. gaarne mijn meening over het schrijven en aanwenden van het Betuwsch dialect zou zeggen, indien ik eens ’t genoegen had persoonlijk met hem kennis te maken,—want voor uwe lezers is het van weinig belang—zoo wil ik nu slechts het wel wat vluchtige oordeel van mijn laatste bezoekster onderschrijven, en er aan toevoegen: Iemand die reeds zóó in der haast zijn verhalen dicht, wat zal men niet van hem mogen verwachten indien hij eens wat minder gejaagd is.

Met den wensch dat de veelbelovende schrijver zijn tijd in ’t belang der Nederlandsche letterkunde voortaan ruimschoots zal vinden, en de tijd zijn werk in ’t eind overvloedig moge kronen, noem ik mij

Uw Dw. [208]


1 Zie, als ’t u in handen komt, nader mijn Nieuwe en oude orgel, uitgegeven door de Gebr. Van Es, waarop Erasmus de goedheid had uw aandacht te vestigen.

2 Zie de sprekende berichten van Mr. Samuel le Poole, in de Economist van 1865 en vroeger.

3 Sedert het schrijven van den bovenstaanden brief, zijn er reeds heel wat jaren verloopen, en ik weet niet of het mijn hooggeachten vriend De Vries is geweest, die mij heeft overreed om mijn “uitzondering” maar te laten varen, of wel dat onze zetters en heeren Correctors er mij langzamerhand toe gedwongen hebben. Hoe ’t zij—gedachtig aan ons echt Neerlandsch: Eendracht maakt macht, schrijf ik voortaan STEEDS: Licht en dicht.

Maar—nog en noch??

Ja, dát maakt een onderscheid. Het schrijven van ons voegwoord nog met c.h. is zeer geschikt om iemand bij ’t vóórlezen geheel in de war te brengen, en—men moet onze dierbare Moedertaal zóó iets toch nooit kunnen verwijten.

28 Jan. 1878.

4 Deze wensch is echter niet vervuld geworden. Ook de beide volgende deelen van Dantes C. D. door Dr. Hacke van Mijnden, zijn, met de bekende platen van Doré versierd, aan des dichters vrienden vereerd doch, nog eer het derde ofschoon voltooide deel aan de pers kon worden toevertrouwd was de talentvolle man, zijn grooten meester, den onsterfelijken dichter, helaas, reeds voorgoed gevolgd in die oorden waar hij gedurende de laatste maanden zijns levens zoo gestadig in den geest had vertoefd en—er “Beatrix aanschouwen deed”.

5 Dit treffelijk blijk van zelfbeheersching en zelfverloochening ter wille van de Kunst, werd ons door een van Da Costa’s vrienden meegedeeld.

[Inhoud]

Een mooie Aprilmorgen in ’t Haagsche Bosch.

Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in ’t woud. De fijne bolsters hebben den drang van ’t jonge leven niet langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen hooger, bottende in ’t zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw van duizenden bosch-anemonen.

Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in ’t najaar, als de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin; liefelijk, betooverend schoon in ’t voorjaar, als het koeltje suist, en de zonnestraal spreekt van lieven en leven.

En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm, nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik aan ’t eind van den breeden vijver,—als zoo dikwijls reeds op dit vriendelijk plekje—de zoete stemmen van een eersten lentemorgen beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de paden tusschen ’t hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie, een woudduif schrikt op. ’t Geklinklang van een bungelend wapen doet zich hooren. Achter den heuvel, waar ’t zwartaarden rijpad slingert, worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs ’t malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij ’t klimmen van den heuvel, verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom der bosch-anemonen.

Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur—en immers nog vóór [209]bureautijd—geen enkele wandelaar in ’t prachtige Haagsche Bosch?

Ja toch, ginds in de verte daar gaat “de grijze mijnheer,” en daar, op ’t groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en ’s meesters voordeel zeker niet. Ei zie, ’t is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij.

“Nein! Traviata nicht gesehn, nein!”

—’t Is egoïstisch misschien maar bij ’t vernemen van iets dergelijks, krijgt men er vrede mee, dat het ’s morgens vóór den pantoffeltijd, zoo kalm blijft in het heerlijke bosch.

En bij ’t stil genieten van ’t jonge leven in ’t ronde, is ’t zeker niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van ’t leven, die reeds zoolang voorbij is. Wat was ’t een heerlijke tijd, die blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld genietende....

Straks bij ’t opstaan zal ik ’t eerst begrijpen hoe David Bot mij plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen.

’t Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen, en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven—twintig met inbegrip van twee albasters.

“Willen we quite ou double?” zei David.—“Wat is dat kiet oe doebel?”—David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan ik.—“Wel we doen even of oneven; als je ’t raadt ben je me niemendal schuldig, en anders dubbel zooveel.”—Goed! Ik raadde even. ’t Was oneven. “Da’s veertig!” zei David: “Nog eens!”—“Oneven”—”’t Is even” zei David: “da’s tachtig.” Ik kreeg het vreeselijk warm.—“Nog eens?” vroeg. David. “Neen, neen!”—“Niet? Ben je mal; als je ’t raadt heb je alles weerom!”—“Nou! oneven.”—“Mis!” zei David: “da’s honderd zestig.”—nou win je ’t!”—“Even!”—“Alweer mis, driehonderd-twintig.” De tranen sprongen mij in de oogen.

“Nogeens!” riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte, en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David: “Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een dief en je komt aan de galg!”

O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde, waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd [210]knikkers gekocht had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond—evenals ik—tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo’n groot onderscheid niet.

Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen, en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij, dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. ’t Was om razend te worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven, en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde: “Weet je, ze is scheel en mottig!”

En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het van David zeker een grapje geweest was.

In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd, en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit die nooit volprezen lente van ’t leven.

In ’t midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria.

Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard aanbad. Hij—hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun hemel. En—nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou, toen zij starend neerzat in ’t sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder.

In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger; nu is ’t genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer, dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom, die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie, bij ’t genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers [211]met zijn sierlijk witte bloemtrossen, honinggeuren door ’t bosch verspreidt, komt toch een droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. ’t Is een arme; een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed, zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen, want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het water te komen—ofschoon de vijver nog op grooten afstand is.

Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten; eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of rustig zooals hij die uw zitplaats nadert.

En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als ze hem hun schat toonen—alsof hij dien zien kon—en het kleinste meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden en niest, om zijn verrukking aan ’t kind te toonen. En terwijl grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt, roept haar oudere zusje: “Nou draaien, grootvader! Toe!” En zie, zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand gegeven. “Ja kom, nu lustig aan ’t springen,” zegt grootvader: “Jij Jan, ’t eerst meedraaien.” En de grijsaard draait het springtouw. En met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den lustigen touwdans der kleinste. Ei, ’t oudste zusje, ongeduldig, springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja, hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat hij gedurig van de eene in de andere hand. “Neen, ga je gang maar; grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!”

Hij zou wel draaien, als die kinderen maar pret hadden!—En nog een poos zag ik naar ’t lustig gespring der kleinen, die, eerlijk om beurten met grootvader het touw draaiden; en ook zag ik naar dien oude met zijn vergenoegden lach op het kennelijk door smarten gegroefd gelaat. En weer voortgaande langs het tintelend weefsel van doorschijnende blaadjes, dacht ik nogmaals aan dat ziekelijk dwalen in verleden en toekomst; en het bosch met zijn stemmen van vogels en kleuren en geuren het riep mij nogmaals toe: Prachtig is deze lente! ’t Is niet te denken dat er voor u schoonere zullen komen! Geniet dan, o mensch, en klaag en zucht niet om ’t geen voorbij is, en hunker en jaag niet naar.... uw graf. Als ge zelf niet meer springen kunt, welnu draai dan het touw voor de kleinen. Als anderen lachen en vroolijk zijn dan zult ge nog mee genieten. Leef in het heden! zie—de zon in die blaadjes, ze lacht zelfs voor den zwaarst beproefden sterveling.

Juist bij ’t uitgaan van ’t bosch gaat Flanor mij voorbij. “Prachtig in ’t bosch!” roep ik hem toe.—“Overheerlik!” is zijn antwoord.

Of het Flanor werkelijk ernst is de ij af te schaffen? Ik weet het niet; maar, nu zijn overheerlik mij nog in de ooren trilt, en ik [212]hem in ’t groote bosch langzamerhand zoo heel klein zie worden.... nu geloof ik toch dat hij in zijn “Spectator” bij ongeluk God zonder hoofdletter heeft geschreven. Ik nam het voor ernst, en vond het.... kinderachtig. De oorsprong van alle bestaan; de bron van alle leven door het zonnestofje mensch, onder vele namen ook GOD geheeten; dat hoogste waarnaar de wijsheid vorschte sinds ’s werelds bestaan, Flanor zal het alvast eenvoudig geen hoofdletter waardig keuren! Maar neen, de kerel meent het niet, hij heeft er te veel hart en verstand voor. Straks als hij ’t Groote orkest der natuur in ’t bosch zal gehoord hebben, dan lacht hij er zelf om—of, hij lacht er niet om, en misschien is ’t nog beter. [213]

[Inhoud]

Antwoord van de weduwe Samüël Zadok, geb. Sara Lot,

op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij het Fransche leger in de Krim.

Feelgeliewde Heer Zoon!

As ’k iwes brief in de voorhuijs kwam staan te hontfange was ik zoo veraltereerd as vader Mozes as ie in de bieze kistje geen aasshem kon krijge.

“’n Brief uit de Krimp,” zee Asser de briewebesteller, en as ie me zee, wat ie khostte, was ’k op stikke af, en as ie me kwam staan khabaal te schoppe—as ’k ’m los had gemaakt—heb ’k em ’n ouwe diffel, deer ie ’n bhrander op had, in ’t vesier gesmhete—as ’r de rhasende mot in was.

Nah! liewe Lewie, heb ik de brief van iwes sjlecht kunne lese; ben ik geloope naar Lijpie, die leest as ’n prefhester, en heb ik mijn memmeles gefoel khomme te honderdrikke, as ’k gheen luijsig figuur wou sjlaan.

Ach! ik weet nog zoo goed as de dag van ghistere dat iwes me hadie zee, en ’k dacht toen: as Lewie maar in de reusedensie is, dan zal ie wel ’n sjmeer van de fet meekhrijge, en as ’n Rotsjchild bij zijn memmele, die em gedhrage en geshoogd het, terugkeere. Ach! ’k had ’r illisie van; ’k dacht al: God zel ’em zegene, dacht ik; me zelle de haffaire in heijere en zier van khant make,—as er toch zoo weinig zier wordt geghete,—en pheperement in ’t groot gaan verhandele, as er maghtig feel in wordt homgezet; ’k dacht al, as Lewie der weer is, kan ie de huitdragerij op ’n ghroote sjhaal contenueere en me zelle in ’t fette khomme as Joseph in Egipte.

God bewhare! as de mensche die in de reusedensie khomme sjwart worde! Beter in ’t fet, as in ’t smet; en as ’k gewhete had as ze m’n eige vleesch sjwart hadde gemaakt, had ik ze ’n mhaling gesjopt as Mozes as ie ’t khalf van goud zag. [214]

Lewie! Lewie!! as ’k hoorde as iwes in ’n groot huys in Barijs iwes zelvres met de bon mesjeurs was te bhuite gegaan, heb ik geroepe: O waai! O waai! as Lijpie, die meende as ’k pijn in de puik kreeg zee: “Wallê”....? zeej ’k: “Luisige jonge wat raakt het jou, lees jij maar verder.”

Lijpie kwam verder te lese, en as ie me kwam te zegge at iwes in de puik van de prepheet Jonas over de zee was gefare, dacht ’k: wat zal Lewie ’n honger hebbe gehad; ’k zel gesond weze as ’k iwes niet met liewde foor ’n dhibbeltje heijers met khroot in ’t zier had gegewe, as ’k ze toch niet huit de khim kan houwe.

’k Was, liewe Lewie, weer meer as gefoelig van fhreugde as ’k kwam staan te hoore as iwes gesond te Hafrika in Halgiers was aangekhomme, maar as ’k hoorde as iwes most sjchiette en nekserseere heb ’k ’n sjchreeuw gelate, asof ’r ’n fiegelante teuge me zierhaffaire aanrhee, en zeej ’k: “as ze Lewie maar niet wheerom sjchiete. God gaf as ze ferlamde en as ze de ooge fol drek van de Bhreestraat hadde, en Lewie, de zoone Sams geshond bleef, as de khindere Abrams, tijdens de phlage van Egipte.

Heb ik verder gehoord as Lijpie las, as iwes over de Sjwarte see was gefare, ’t was ’n goeije massematte, en Lewie, as iwes gochem bent, kon ’t ’n mooi hakkefietje voor iwes memmele, en iwes zijn. Stier me ’n honderd khruike van dat sjwarte whater, m’n jonge, as ’r toch in ’t gezegende faderland zoo feel wordt geklad en gesjchrewe, as ’r geen hinkt genoeg is; of ’r voor al ’t gesjchrijf lezers zijn gaat me geen luijs aan, en of de hinkt sthand houwe zel, gaat me ook niet aan, as, die ’t leze motte d’r ook niet om mahle. As iwes Lewie soms digt in de biert van de rhooije see benne, stier me dan ook ’n honderd van ’t rhooije d’rbij, as d’r tegenwhoordig feel kleine met rhood motte poeke as ghroote geen moos bethale. ’k Kan me ter whereld niet beghrijpen wat iwes in iwes missiwe van ’n sjletel van Jerisalem hebt gesichreven, ’k sou—’k mag geshond blijwe!—iwes niet voor de whaarheid kenne zegge waar die sjletel te finde is. Of de Koeizak, of de Ris, of de Tirk, of de Hengels, of de Vrans, of de Mensekop of de Luijbrandi of wie iwes ook zee, ’em hebbe—iwes memmele weet ’t niet as ik ’r gheen een van kan, al fiel ’k ’r over.

Lewie! Lewie! daar gaat me ’n licht op as de heerste dag toen er licht was; zeg Lewie, as de ghroote sjetel, die nog altijd in de oudroestbak, bij de khopsphijkers ligt,.... is pasthe! zeg Lewie—gezegende Lewie! lieve Lewie! as.... die is pasthe, en as je memmele die zelvres is opfijlde en poesthe en die aan iwes oversond! alle khindere Abrams en Isacs en Jacobs zelle geshond weze!—wie weet Lewie of iwes dan niet ’n ghraaf, of ’n mijoor of wel hopper-rhabijn van die geshegende Synagoge zelvres, zou worde. Och Lewie, lieve Lewie, as je memmele—God zegen d’r—zoo gelikkig mogt zijn, dan zou ze d’r eenige soon Lewie Mozes Zadok aan d’r hart dhrikke en Sjinkel en Bahlmann zou ze’n sjmet doen, as ze khonne hoprolle d’r matthe, en de risie van de sjletel, zou door Samuëls zoon, en z’n memmele Sara gesjlecht zijn .... flaauw [215]as ze wordt, as ’r om één sjletel zoofeel khoppe, en arrheme, en pheene worde afgesjlage.

Liewe Lewie tot hiertoe heb ik iwes ghistere geschrewe, of liefer—heeft Lijpie geschrewe, as ’k hem toch gedicteerd heb.

Mijn gefoel was te heefig gesjockt as d’r ook bijkwam as ’r nafraag van de thinne nachtsjpiegel was—No. twee van de bovenste phlank—weetje, hebbe ze gepooije en gedhonge, heb ik ze eindelijk voor drie kwartjes gelate—as ie toch lek was. Nou mot iwes wete, as ik op hede mijn brief zal khomme te contenueere met iwes het een en ander te mhelde van honse frinden en goeije kennisse en wat ik meer zal wete.

Zoo mot iwes dan wete, as Lijpie in iwes brief van sjchapefelle las, ’n ghroote ambisie khreeg om met iwes op de Khrimp te handele, as ie toch ’n maght hasefelle in huijs, en met feel liewhebberij ’n ghroote khattejagt gemaakt heeft.—Khatte!—Khatte! Lewie is ’t mooiste wat ’r is. De felle gewe prefijt, de dharme gewe prefijt en de gesthroopte kat geeft ook prefijt.—Of ze ze hebbe wille....?—Lang sel je geshond weze. In de resterasies.... as iwes maar blieft; en ’t kost ’r maar drie dibbeltjes ’n fette porsie khattepeper. Lijpie sel de felle cefiel levere en fhranko aan de beertschip besthelle. Gun ’m de khlandisie en as ie me geseid het as er bij iwes in de Khrimp soofeel khapotte jasse van noode zijn, denk dan—simon blê, seggen de Vransen—ook aan je memmele as ze d’r nog acht en van alle khleure in ’t voorhuijs het hange, en nog vier somerphantelons van alle stoffe, daar iwes toch sjchrijft as ’t nog wel ’n poosje kan diere.

As iwes liewste Lewie, in de laatsthe tijd in Hamsterdam was geweest, zou iwes ’n maght lawaai aan de hoverkant van de Hamstel hebbe gehoord. Hebbe ze gerhoepe en gesjchreeuwd door de stad as ze zeejen, ’n wolf was losgebhroke en ie liep rond in ’n sjchaapskleed. ’k Sta je te zegge geen Israëliet was er ’s avonds op straat sonder mes op sak. Hebbe ze nog gesjchreeuwd en gerhoepe en hebbe ze gekhomme bij ons, en hebbe ze gezeid—as t’r te ferdiene was.—Hebbe ze wille ferdiene as t’r te ferdiene was.—Hebbe ze weer gezeid—as te wolf most worde wegghesonge.—Hebbe ze alle in de biert o waai! gerhoepe, as ze niet op wolve gestheld wahre.—Hebbe ze nog weer gezeid as te wolf.... geen wolf, as ie ’n dhomenie was.1 Nah! zeej’ik, en Nah! zeejen ze halle, late we de fingers niet brande, en late ze de wolf zelvres tam make. Lijpie het ’m later gesien en—ie liep net as ’n mens, en was tam as ’n lam: het ie ewel gehoord, ze hadden em zóó besjchote en gejhaagd as ie soo magher as prood en soo gheel as shaffraan was—tothaal in de khrimp! As ie ook van ’t sjweete de khoors ’t lijf het. ’t Is beter Lewie op katthe te jage as op mense, je memmele Lewie zeid ’t aan de hoffesiere en gineraals, en aan de jhagers van dhomenies. [216]

Om hop de friende terig te kbomme liewe Lewie, zei ik je segge as Rachel, de nest-dot van smoel of de hazelip, ook al d’r zjwarte khop het khaal geschore en ’n phruik het opgezet, as ze de bedgenoot van Joppie is gewhorde; ze zijn zes dage na de Freegde der Wet van ’t jaar na de sjchepping: Vijfduizend zeshonderd en vhijftien in d’ echt gethrede, en Rachel het ’m gebhaard twee stamhouwers ineens, waarvan de houdste, die twaalf mhenute houwer as de jhongste is, in de bhotte en de jhongste in de lucewere negosie zel worde hopgeleid.

Sam ken ’k iwes khomplemente niet make, as ie twee dage voor ’t nieuwe jhaar2 naar de sjchoot van Vader Abram is afgereisd. Z’n hebbe en houwe is in m’n voorhuvs, en as, liewste Lewie, Lijpie de felle, en je memmele de khapotte jasse en shomerbroekjes levert, zei ik ’r die stikke maar bijdoen; d’infentaris hieronder, halles cefiel.

Moses dhient de khoning; hij is met de khramp uit de khamp gekhomme en het ’r de puyk fol van. ’t Sjchiete was nhimmer z’n lieuwhebberij, en as ie sjchoot, het ie aan Lijpie gezeid, kneep ie altijd de ooge toe, as ie niet whete wou waar de khoegel bleef. Een gehk voor Moses as ze nooit op ’m hebbe afgevierd, had ie zich anders bedaan van benaauwdheid.

Bram zel met Liewde iwes brief ontfange, ’t is anders ’n sjlecht Israëliet, want as ie met schoenpoese ’n sjlomp geld het verdhiend kan ie ’t niet late—as Joppie zee—om zelvres bij ’t sabbeslamp z’n cente te thelle. Nau Lewie, frucht van m’n liewde, leef frolik en geshond m’n liewe jonge. Sjhrijf me apsjluut van de SJLETEL en van de levransie. Zeg Lewie—as j’m zelvres kwam hale;.... je ken nooit whete m’n liewe jonge.... je kon dan de sjwarte en rhooije hinkt au phesant meêbrenge, en de levransie van je memmele en de felle van Lijpie hop je nek meephakke. Zel je me jonge....? Nou hadie m’n Lewie tot shiens, mogt ’r bij jeluih nog gesjchote worde hou iwes nheutraal; ’t this ’t beste werachtig! de menisters bij hons zegge ’t ook—as ze ’t fet hebbe!—Hebbe ze gelijk....? Nah!

Gelik m’n Lewie, de hemel segene iwes, en make as iwes rhijk te huijs khomme bij iwes liewhebbende

Amsterdam Jan. 1855 (5616).

memmele: wedhuwe Samuel Zadok geb. Sara Lot.

PS. De groetenisse van halle; as iwes khomt, kan iwes de thabak zelvres meênhneme as ’k ’r zoo geen verstand van heb.

Infentaris van ’t goed van Sam.

Behalve één khapotte jas; een gelapte diffilsche proek.

Eén fest met dhiffrente knoope. [217]

Één paar fetleere sjchoene, die maar gesoold en gehachterlapt hoeve te worde.

Één rhooije poeffante (as ’r voor ingestaan wordt, als Sam ’m z’n heele lehwe met sicces het gebruikt).

Één pet, as ie ghlimmend is gewhorde goed voor d’ afloop van ’t rhegewater.

Één khatoene hemd (krimpvrij).

Één sjhoenepoesbak met TWEE bhorstels en ’n potje d’r bij voor ’t sjchoenesjmeer.

Behalvres:

Nog eenige rhariteite waarvan we de sjubtansies niet hielk en één aan de nees kenne hange. [218]


1 Kabaal naar aanleiding van het beroep van Ds. Meijboom, destijds predikant van de Groninger richting.

2 13 en 14 Sept.

[Inhoud]

Brieven van Grietje Sluimer.

Vier brieven van Grietje Sluimer aan de redactie van “De Dames-Courant”.

I.

Mijnheer de courantier of uitgever, of hoe gij heeten moogt, ik, ben zoo om en bij de zestig jaren oud, mijn vader heette Mispel en was in zijn tijd schoolmeester te Dinges, mijne moeder was juffrouw Mispel zijne vrouw.

Toen ik de school ontleerd was en geen slag had om als mijn oudere zuster met de kleinen—wij waren met z’n dertienen—om te gaan, zei vader: “Grietje kan ’t wolle- en linnen-naaien, strijken en al die aardigheden meer, ze moet dus maar ’n dienst zoeken en de deur uit.” ’t Was koorn op mijn molen, want dat kinderdragen, daar wier ik ijselijk moe van en toen zocht ik ’n dienst en ik kreeg er een, en een bovenste beste ook als linnenmeid. Nu zult u zeggen: “Wat gaat mij dit aan,” maar wacht, ik ben er nog niet. ’k Hield veel meer van mijn ouders en ook van mijn zusters en broers—tot de ergste schreeuwers toe—toen ik in den vreemde was. ’k Stuurde dikwijls, vooral met Sinterklaas lekkers en aardigheden naar Dinges, voor vader en moeder en de kleuters, want ik verdiende een aardig duitje, en verval was er, dat zou je niet gelooven. We waren in dien dienst met z’n zevene booien: ’n gezelschapsjuffrouw die ook het huishouden deed, ’n keuken- en werkmeid, ikke, ’n koetsier, ’n huisknecht die ook palfrenier was en ’en tuinman. Dat doet er nu ook wel niet toe, maar ’t was zoo en daarom zeg ik het. ’k Zal me zelve niet prijzen, daar hou ik niet van, maar vast is het waar dat ik eerlijk en trouw was—al heb ik het nooit op schrift gekregen—en ’t bewijs zal ik leveren, want, net precies dertig jaren bleef ik bij m’n eerste lui en als God ze niet twee maanden na elkaar had geroepen,—na vier jaar geleden—dan was ik er nog.

Dat ik verschrikkelijk triest was toen mevrouw op d’r sterfbed [219]me nog goejen dag zei en prees dat ik altijd zoo ijvrig en trouw was geweest, waar God me voor loonen zou, dat kan je begrijpen. Zij gaf mij de hand en zei nog ten slotte: “Grietje in den hemel hoop ik je weer te zien, dan zijn we allen gelijk.” Ik zei: “Ja mevrouw,” zei ik, “dat benne we ook” en toen schoot mij ’t gemoed vol en ik ging.

Nu, toen ze begraven was—mijnheer was haar voorgegaan—kwamen de neefjes en nichtjes omdat er geen kinders waren, en hoezeerden in huis, en alles van den vloer dat het een schand was. Maar weet je, daar spreek ik misschien wel eens later van; voor ’t oogenblik wou ik maar zeggen dat Grietje Mispel, zoogoed als de beste in het testament vermeld stond. Ja mijnheer de courantier of redacteur, ze hadden er niet veel plezier in, die azers, dat aan Grietje de linnenmeid, Aaltje de keukenmeid en Koendert den huisknecht—wij met z’n drieën waren blijvers geweest, de andere booien trekvogels—een lijfrente van vijfhonderd gulden vermaakt was. Nu het was zoo en ik dankte er God voor, maar vooral ook de goede mevrouw, die ons een onbezorgden ouden dag had verzekerd.

Koendert, die altijd vriendelijk was geweest, en ’en goed kameraad, vroeg me, een maand of twee later, of we botje bij botje zouden leggen, maar zie je, daar kon ik zoo dadelijk geen antwoord op geven. Zes en vijftig, en dan nog trouwen! maar eindelijk.... Koendert vroeg er zoo vriendelijk om en, ik gaf hem de hand en ja, we trouwden vijf maanden later.

Zie je mijnheer, nu wonen we in een paar nette kamers, heel kneuterig en we leven zoo stilletjes en hebben ’t meisje van m’n jongste zuster, die ook al rondom in de kleuters zit, bij ons ingenomen. “Wat kan mij dat schelen,” zegt u alweer, maar hoor, ik kom tot de zaak:

’k Heb altijd van lezen gehouden. De werkjes van ’t Nut kregen we altijd in de keuken; de kranten, als mijnheer ze uit had, ook, en Koendert en ik we lazen ’s avonds als we tijd hadden om beurten voor en soms waren er kameraads die er plezier in hadden, maar de meesten hielden er niet van en dommelden in. Zoo lezen wij ook nu nog—behalve den Bijbel, dat spreekt toch vanzelf—de Haarlemmer en ’t Handelsblad, wel vijf dagen later dan ze uitkomen, maar dat is ons precies hetzelfde, en zie, nu las ik voor eenigen tijd in een van die beide dat er een Dames-Courant bestaat, en dadelijk werd ik nieuwsgierig om dat blad eens te zien.

’t Jongentje uit den boekwinkel, die ons de oude kranten bezorgt, vroeg ik er naar, maar weet je mijnheer, wat die ten bescheid gaf....? “’t Is geen krant voor jou, juffrouw, ’t is een dames-krant.” Zie mijnheer, met dat antwoord ben ik dagen doende geweest, en heb me honderd malen afgevraagd, wie nu eigenlijk tot de dames en wie er niet toe behooren. De weduwe van den sergeant-majoor Teleskoop, die wel eens met haar breikous komt buren, spreekt altijd over de regiments-dames en ze bedoelt er de onderofficiers-vrouwen mede, daar ze mee “op en neer ging”. Maar juffrouw Teleskoop draagt ook precies ’n muts, zooals vroeger mijn [220]goede mevrouw droeg, maar met veel meer linten dan HEdl....!

Ja, mijnheer, ik was, al meer en meer over het damesschap en de krant denkende, nog nieuwsgieriger naar uw blad geworden en juffrouw Teleskoop, die mij gaarne plezier doet en zooals ik zeide, een damesmuts draagt, haalde op een morgen toen ze toch winkelde, voor mij bij den boekverkooper het eerste No. op bezien en kreeg er een briefje bij dat een programma was.

Maar mijnheer, hoe zal ik u mijne verwondering beschrijven, toen ik daar boven het eerste opstel al dadelijk las: “een woord tot de vrouwen.” De vrouwen! ik had er den krantenjongen wel met zijn neus op willen drukken. De Krant voor Dames, maar het woord tot de Vrouwen! Dat ik, mijnheer! geen dame ben, dat weet ik maar al te goed, doch dat ik een vrouw, en meer bepaald Koenderts vrouw ben, dat zegt hij wel honderdmaal daags.

Dat eerste stuk althans mocht ik, als ook tot mij gericht, wel degelijk lezen, en dat ik het mooi vond, dat verzeker ik u. Zeg mijnheer, wat meen je nu eigenlijk; is het een krant alleen voor dames en stond er bij vergissing: Een woord tot de Vrouwen, dan pas ik er voor; Koendert zegt: “Vlieg niet hooger dan je met eere kunt,” en, nu mijn nieuwsgierigheid om die krant eens te zien voldaan is, wil ik, zoo zij niet voor mij en ’s-gelijken wordt gedrukt, er niets van weten ook. Maar, is het wel degelijk een blad voor alle vrouwen die smaak in ’t lezen hebben, en had het eigenlijk: Een vrouwen-courant, of: Een courant voor vrouwen en jonge dochters, moeten heeten—al klinkt zulks ook minder voornaam—dan wil ik haar evenals de Haarlemmer geregeld lezen, en zelfs nu en dan iets van de verschillende dames opstellen, die ik alzoo in mijn leven ontmoette, gij kunt dan daarvan het een of ander in gedachten houden om er misschien in een uwer stukken, als ’t u goeddunkt, partij van te trekken.

Zoo ik niets van u verneem houde ik de zaak voor afgedaan, anders een regel antwoord aan haar, die zich hoogachtend noemt, Mijnheer de Courantier of Redacteur,

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER,

geb. MISPEL.

Arnhem,

30 April 1856.

P. S. We wonen bij Sliedrecht op de Varkesmarkt.

[Door juffrouw Sluimers brief in zijn geheel in dit No. op te nemen, alsmede door HEdl. een present-exemplaar van ons weekblad aan te bieden, toonen wij dat het ons eene eer is HEdl. onder de lezeressen en inzonderheid onder de medewerksters aan de Dames-Courant te mogen rangschikken, terwijl wij, met de verzekering, dat wij met dien titel niets anders dan eene Courant voor beschaafde lezeressen bedoelden, haar vriendelijk uitnoodigen om spoedig aan hare belofte te voldoen. Wij zullen de stukken gaarne plaatsen en ons maar zooveel noodig, in taal of spelling, kleine veranderingen veroorloven.]

DE REDACTIE. [221]

II.

Mijn Heer de Redactie!

’t Is al meer als ’n maand geleden dat ik ’n kleur kreeg als ’t lint op de muts van.... ja van een zekere juffrouw, die boos op mij is, omdat haar naam, de naam van een sergeantmajoors-weduwe zegt ze, in de krant heeft gestaan. Nu ’t is hetzelfde, maar Koendert vroeg me, wát of me scheelde.

U moet dan weten dat ik over de post in een geel omslag het 6e nommer van de krant voor beschaafde lezeressen kreeg met.... warempel met den heelen brief er in, precies zooals ik die geschreven had. Ik kan u niet zeggen hoe ik er van ontsteld was, al die letters, al die woorden, die ik zelve geschreven had, zoo mooi gedrukt te zien en mijn naam en alles er onder! Neen waarlijk mijnheer,’t was alteé, en toen ik alles en ook uw antwoord gelezen had, was ik er beduusd van en wist niet of ik boos op u moest zijn om zoo misbruik van mijn brief te maken, of wel vereerd, omdat u er zóó gebruik van hadt gemaakt. Koendert vond het ijselijk gek dat mijn hebben en houen zoo publiek was, maar nam toch, evenals ik wel twaalfmaal in één uur het blad op om dien “Brief” in te zien en ongejokt dat hij hem twintigmaal gelezen heeft. Weet je mijnheer hoe het toen gegaan is? Den eersten dag was ’k boos en vereerd, ’s nachts droomde ik er van en ook dat ik in ééns in juffrouw of mevrouw Toussein werd veranderd, die ook zoo mooi schrijven kan, u weet wel. Den anderen dag was ik uit het veld geslagen, omdat ik ruzie met juffrouw T—p (ik zal haar naam niet meer noemen) kreeg, die me verweet dat ik haar aan de klok had gehangen—nota béne.—Nu, ze liep kwaad de deur uit en zei dat ik “een schandaal” was,—omdat ik de waarheid had gezegd. Dien nacht, mijnheer, sliep ik al zeer onrustig en droomde dat ik onder een stapel dames-couranten bedolven lag, waarop duiveltjes met roodbelinte mutsen stonden te dansen, ’s Morgens kon ik uw krant niet meer zien, ik was er wee van, maar ziet u, van lieverlede kwam de aardigheid er voor toch weer boven, en op ’n goejen achtermiddag toen wij—Koendert en ik—aan de thee zaten, zei ik: “Koendert wat dunkt je?”

“Wat meen je?” zei Koendert.

“Wel van de krant,” zei ik weder. “Zou ik het doen?”’

“Nog eens schrijven?” vroeg mijn man, en daar hij glimlachend zijn kopje vatte, begreep ik het al dat hij er trotsch op was en zei ik: “Waarom zou ik het laten nietwaar?”

Zie je mijnheer, ofschoon ik dien eersten brief niet had geschreven om zoo heel te laten drukken, maar alleen om u van die krant te vragen, en ook slechts van meening was om u ’t een en ander van eenige dames te melden, opdat gij ’t zelf eens zoudt kunnen [222]beschrijven, zoo ben ik nu tot het besluit gekomen om mij maar net als die mevr. Dolly en juffer Koosje en juffr. Elise, voor uw krant aan ’t schrijven te zetten, als gij de fouten maar wat veranderen wilt want zie je, ik ben van ’t jaar 97.

Als ik u dan wat zal schrijven over dames, dan komt mij ’t eerst die brave mevrouw voor den geest, die ik dertig jaren answiet, zooals ik reeds vroeger zeide, eerlijk gediend heb.

Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er ’t eerst kwam was ze vier en dertig en zag er—zooals Koendert zegt—kostuljeus uit. Altijd netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van ’t minste állooi. Nou, ’t schemerde mijn goeje mevrouw in ’t geheel niet. Ze was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal; als het te pas kwam, want die ’t Hollandsch verstonden daar sprak ze geen Fransch of wat anders tegen. ’t Was goed voor de kinderen om zoo’n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij ’t even verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent, die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw van gezelschap ’t huishouden na, en later ’n wandeling doen of rijden, al naar het uitkwam. ’s Morgens als ’t ontbijt was afgeloopen, dan moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het was alsof je er bij waart. Als mijnheer—die veel in Den Haag op de kamers van de regeering moest zijn—te huis was, dan deed die het, maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, “iets goeds” moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden; en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke ’s Woensdags en ’s Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om ’t lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen ’t bij lange na niet zóó als onze goeje mevrouw.

Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je ’t gezien hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die ’n geruit papier koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en nazoeken, nu ’n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, ’t was heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, ’t was meesterachtig en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was begonnen eerst gebrekkig, maar [223]allengs beter. Een slaafsch navolgen van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn, en waarvan—zooals ik mevrouw hoorde zeggen—de eenige verdienste is, dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het voorbeeld gelijk te worden, ’t welk men niet zelden voor weinige stuivers koopen kan.

Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen verstand van heeft—pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar ’t was mijn bedoeling niet om die dames—als ze plezier er in hebben—haar werk te beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze ’t maar eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen, zooveel als ik er mij van herinneren kan.

Als ik zoo van mevrouw aan ’t praten raak, dan zou ik haast van geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze, waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven.

In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook er bij dat die vrouw ’n slechte peuzel was—zooals men zeide—smerig en lui en heel gemeen ook. ’s Anderen daags, toen ik aan ’t vouwen van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van, precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf, en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje, ’t welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt:

hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar—Esze De weduwe Roos. woon kortestraat 75.

Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen wilde: Hoe kaal voor zoo’n rijk mensch. De weduwvrouw [224]aan de deur had ook braaf geprutteld, maar ’t bleef er bij. ’s Avonds, toen de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw driemalen—dat was voor mij—ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde mevrouw dat ik HEd., ’t zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u ’t beloop maar kort verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw ’t mij gezegd had. ’t Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze ’t aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven, maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, ’t kwam heel anders uit dan de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je, dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde, wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel.

Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus, of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe, want over HEd. ben ik nooit uitgepraat.

Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER.

geb. MISPEL.

Arnhem,

18 Junij 1856.

P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar.

Atjuus. [225]

III.

Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad.

Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht, want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend in Doesborgh gebleven.

Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen, want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had, en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen, wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en kan zich met mij best begrijpen, dat er—zooals zij het noemen—zooveel oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven.

Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud, wacht ik zal eerst een kooltje nemen.

Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan, bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht—een beste vrouw—kan er van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en eeuwigheid worden behouden; ’k ga graag naar een komedie en ook wel graag naar een paardenspul, maar ’k verzie op dat Mettree nog liever een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in [226]Zutphen zelf is nog een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom, woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken, buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een zijn tegen gekomen.

Op een Woensdag morgen—ik weet nog best, we zaten te ontbijten—was er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons huis voorbij met twee koetsen er achter.

Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde hij zich van een oppasser—waar hij zeer mee bevriend is—voor eenige dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei; die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen.

’s Anderendaags kwam Polle—zoo heet Esbooms vriend—tusschen schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon gevraagd die begraven was.

“Wel ongelukkig,” antwoordde Polle: “’t was zoo’n knap slag van een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit ’s-Gravenhage geboortig, zij heette van E.”

Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik de breikous zakken en vroeg: “heette zij Mathilde of Dora?”

De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen, was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat mijn goeje mevrouw wel eens zei: “’t lieve kind wordt te ijdel,” en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor ’t raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw [227]Mathilde alleen wel een groot uur werk. “Trui wat dunk je,” was het dan, “staat me dit goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?” of weer wat anders, o, in ’t bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja ’t was akelig, en altijd draaien om in ’t oog te vallen zelfs bij ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon zij in ’t Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster, dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden, ’t welk haar zooals ze zeide, “zat als een gek, en niemendal kleurde”.

Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid—de Heere vergeve mij—in ’t graf heeft geholpen.

Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend van Esboom dat treurige nieuws verhaalde.

“Ja,” zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing eenigszins bekomen was, “die ongelukkige dame was wel de voornaamste en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van de koningin—ik meen—van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen, dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede.

Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om ’t hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna onherkenbaar geworden.

Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden van mijn zalige mevrouw: “Het kind wordt te ijdel!” en ik dacht ook aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg naar juffrouw Mathilde, naar—o! foei! ik kan er akelig van worden en wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen: “Pas op, dat uwe [228]meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het kerkhof te Zutphen en ’t was zoo’n mooie!”

’t Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan ’t versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen:

Wil ’k weten wie ik ben;

Zoo moet Gods woord de spiegel zijn

Waar ik mijn hart uit ken.

Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve:

Uw Dienstw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER,

geb. Mispel.

Arnhem,

22 Oct. 1856.

[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.]

IV.

Mijnheer de uitgever van het Dames-Weekblad!

Als ik eens een boek las of een verhaaltje, dan heb ik meestal opgelet dat de schrijvers net deden als de meeste menschen, namelijk dat ze met een weerpraatje begonnen. ’T is: óf een zoete, geurige zomermorgen, óf een regenachtige najaarsavond, maar ’t allermeest een koude stikdonkere winternacht. ’t Is wel iets om tot lezen uit te lokken dat ze daarmee beginnen, dewijl alle menschen bijzonder veel belang in ’t weer stellen, natuurlijk omdat zij er zoo afhankelijk van zijn. Vandaag—’t is den 5den Januari—heb ik mij op uw verzoek eens weer aan een brief voor het Weekblad gezet, en nu ik zit, nu kan ik niet nalaten om toch ook iets van ’t weer te zeggen, want hoe hard of Koendert ook in onze potkachel zit te pooken, hoe hard hij ook uit zijn doorrooker dampt en hoe’n flinke kool ik ook in de test heb, we zeggen toch maar gedurig dat het grummels koud is geworden. ’t Is waarlijk griemelig als je naar buiten ziet. Aan de overzij woont een knappe Schoolmeester, maar ik heb medelijden met al die roodneusjes die daar binnengaan. Nu, ’t sneeuwt ook niet weinig en zoo jachterig, weet [229]je, iederen keer met zoo’n rukwind er bij dat de sneeuw opstuift alsof een bakker aan ’t ziften is. Mijn zusters kind dat we, zooals U weet, bij ons in hebben, is met boodschappen naar den slager en den kruidenier toe; ik heb met de stumperd te doen en wou dat ze al terug was; maar zie je mijnheer, waar de dingen toch al weer goed voor kunnen zijn; dat het vandaag zulk koud en guur weer is, doet mij aan een persoon denken, die met juist zulk weer bij mijn zalige mevrouw kwam. ’t Was een Zaterdag avond—’t heugt me als de dag van gisteren—Aaltje was met de vaten bezig, Koendert met het zilver schuren en ik met het opbouten van nachtmutsen—zoo goed weet ik het nog. Nu was het bij ons aan huis Zaterdags avonds altijd een druk geschel; slager, bakker, kruienier en zoo al meer omdat er bij mevrouw ’s Zondags nooit van boodschappen-doen inkwam.

In de kwiesienjeere—zooals ze zeggen—brandde een stevig vuurtje, want het was vinnig koud en het stormde buiten van geweld. Opeens wordt er weer gescheld en omdat Koendert juist met het mooie tabaks-komfoor doende was, zoo liep ik maar even naar de voordeur en nam een servet voor ’t warme brood mee.

Maar jawel, pas had ik de deur open of ik zag al dat het de bakker niet was.

“Ben ik hier terecht bij mijnheer Van W?” klonk een beverige stem en ik zag een soort van juffrouw voor mij, die een alles behalve proper voorkomen had, terwijl zij een jongetje van een jaar of tien aan de hand hield.

“Ja wel,” zeide ik, “maar mijnheer is niet thuis,” die was in Den Haag op de Kamers van de regeering. “Niet thuis” zuchtte de juffrouw; “och asjeblieft ga ’t maar eens vragen.”

Dat wilde zooveel zeggen als: “je hebt zeker gelogen, mijnheer is wel thuis;” ik werd er niet boos om, wel wetende dat zulke onwaarheden dikwijls van wegens de lui moeten overgebracht worden en de dienstboden alzoo in kommissie—zooals ze ’t noemen,—tegen beter weten en willen aan, liegen moeten, maar zie je mijnheer, daar was mijn goeje mevrouw niet van thuis en ik herhaalde daarom dat mijnheer uit de stad, maar mevrouw wel thuis was.

De vreemde juffrouw steunde een woordje, dat hare blijdschap moest uitdrukken en stapte de deur binnen. Ik wist niet recht, mijnheer, of ik haar toe zou laten of tegenhouden, want bedelarij mocht ’s avonds de deur niet in, dat was ’n vaste boodschap, maar, ik had den moed toch niet om de juffrouw den toegang te weigeren en, om de waarheid te zeggen, de scherpe wind stond ook zoo vreeselijk op de voordeur dat ik weinig behagen in een langer gesprek tusschen deur en drempel had. In één woord mijnheer, vóór dat ik het zelve recht wist, stond de avondbezoekster op de mat ook binnen de lakensche tochtdeur; en, bij ’t licht der kloklantaarn zag ik nu eerst recht wat een naar en haveloos perceeltje ik in huis had gehaald en zou—ziedaar!—twee zesthalven uit mijn zak hebben gegeven zoo ik die juffer met goed fatsoen weer op straat had gehad. [230]

“Maar wie bent uwes dan?” zeide ik, haar nogmaals van ’t hoofd tot de voeten opnemende. “Wie moet ik aan mevrouw zeggen dat er is....?” ik was een beetje onthutst mijnheer—“want zie je, als u komt om een aalmoes dan mag ik niet naar binnen gaan. Mevrouw geeft nooit aan de deur, maar althans niet bij avond en ontijden.”

“Och! neen,” klonk toen haar antwoord,—en ik vond bij me zelve dat ze wel iets moois en fatsoenlijks in haar stem had,—“neen ik kom geen aalmoes vragen, ik kom.... ik ben....” maar ze sprak niet verder en ik zag duidelijk dat ze moeite had om haar tranen te bedwingen. Het jongske aan haar zijde stond te knie-knikken van de kou en hield zijn ijskoude vingertoppen in den mond om ze met zijn adem te verwarmen.

Ik hield mij toen overtuigd mijnheer, dat er bij die vrouw geen kwaad overleg was, maar vroeg tevergeefs naar naar naam, totdat ten laatste haar woorden: “zeg maar een oude bekende,” mij verwonderd deden opzien maar mij tevens zoo spoedig mogelijk aan haar verlangen deden voldoen.

Nooit in mijn leven mijnheer, heb ik zoo’n raren avond beleefd. Mevrouw had twee dames op theevisite en een warm broodje. Zij deed mij licht in het spreekkamertje brengen, en ontmoette er de juffrouw met het kind. Toen wist ik natuurlijk niet wat er verhandeld werd—later begreep ik het.—Mevrouw schelde driemalen, weet je voor mij—en ik kwam. Wat ik nooit verwacht had te hooren, werd mij gelast. De juffrouw, die door mevrouw gladweg haar nicht werd genoemd, moest met het kind in de achterkamer gebracht, dáár de kachel aangelegd en goed koffie met brood worden toegediend. “Mijn nicht wil liever alleen blijven,” zeide mevrouw: “omdat zij vermoeid van de reis is.”

Zonder een woord te kunnen zeggen, want ik beefde inwendig een beetje, omdat zoo’n soort van.... arme landloopster door mijn mevrouw nicht werd genoemd,—zonder te kunnen spreken knikte ik zooveel als, ja wel mevrouw, en wilde gaan, maar opeens werd ik getroffen door een aandoenlijk gezicht, daar ik nog—’t is misschien kinderachtig—een traan van in de oogen krijg, als ik er om denk. De juffrouw, zooveel als de nicht, sloeg hare magere handen voor het aangezicht en begon zoo luid en zoo bitterlijk te schreien dat mevrouw er merkbaar van ontdaan werd, doch haastig zeide: “Bedaar Emilie, ga en rust eerst wat van je vermoeienissen uit, morgen zullen wij samen spreken; je kind heeft ook wat verkwikking noodig,—nietwaar ventje?”

Het kind keek verlegen vóór zich en antwoordde niet, doch Emilie—zal ik maar zeggen—kon niet zoo aanstonds bedaren, maar schreide bitter voort, en terwijl zij eindelijk mijne lieve mevrouw bij de hand vatte en die vreeselijk kuste, riep zij gedurig: “U verstoot mij niet edele vrouw! o die barmhartigheid zal God u vergelden!” en nog een heele boel dergelijke uitdrukkingen meer, die ik nu om de waarheid te zeggen vergeten ben.

Wat ik vergeten zal of niet, zeker de oogenblikken nooit, die ik [231]met mevrouw in het spreekkamertje doorbracht, nadat ik de nicht met haar zoontje in de achterkamer gebracht, er licht ontstoken en Koendert gezegd had, dat hij er de kachel zou aanleggen.—In plaats dat mevrouw naar de zaal bij de dames zou zijn teruggekeerd zat HE. nog in het kamertje—en grummels wat zag ze bleek!

“Is u niet wel mevrouw?” vroeg ik zacht en vroeg ook, of ik een glas water zou halen. Mevrouw knikte, ik haalde het spoedig en liet mevrouw drinken. Dat moet mevrouw goedgedaan hebben, want haastig stond zij op, drukte haar zakdoek even voor de oogen en mij toen tot zich wenkende zeide HE. met een bewogen stem: “Grietje wat je gezien en gehoord hebt, behoeft in mijn huis geen geheim te blijven, want, dergelijke geheimhoudingen baren slechts nieuwsgierigheid en laakbaren achterklap. Zeg aan je kameraden gerust dat de aangekomene een ongelukkige nicht van mij is, terwijl ik hun vriendelijk verzoek haar met den verschuldigden eerbied te bejegenen; jou, Grietje,” liet mevrouw er op volgen, behoef ik zulks niet eens te zeggen; je ziet dat de wederontmoeting mij eenigszins heeft getroffen, maar nu gevoel ik mij toch weer in staat om naar mijn gezelschap terug te keeren.” Zie mijnheer, dit is misschien niet zoo heel belangrijk voor u en ook niet voor de beschaafde lezeressen van uw weekblad, maar wat de hoofdzaak van het geval betreft. die ik u verder mee zal deelen, ik geloof dat die wel belangrijk genoeg voor u en voor iedereen zal zijn.

Den volgenden morgen dan gaf mevrouw mij orders om de nieuwe lozee van mevrouws kleeren een stel uit te zoeken, want wat ze aan ’t lijf had was bijster verlapt en schunnig en voor den wintertijd kaal en dunnetjes. Wat zag die arme nicht, bij daglicht bekeken er millankeliekjes en schraal uit. Grummels! ik had er mee te doen. Ze zat met haar zoontje bij het vuur, en schrikte letterlijk toen ik binnenkwam. Ik zei: “Goeje morgen juffrouw, of u die kleeren eens woudt passen,” en toen stond de juffrouw op, kwam naar mij toe en vatte mij zoo aandoenlijk bij de handen, dat ik er puur kippevel van kreeg. “O!” zeide zij, en de tranen maakten haar het spreken moeielijk: “O, het moet u wel zeer verwonderen in mij eene nicht van uwe rijke mevrouw te zien; in mij die.... die het kleed der armoede draagt en wie de ellende op het wezen staat. De schuld.... de zonde....” maar zij sprak niet verder, en toch hield zij mijn handen vast, alsof ze mij ongaarne zag vertrekken, misschien in mij een wezen gevonden hebbende dat zij, om zoo te zeggen, tusschen haar en haar tante stelde.

“Och heden! mevrouw heeft wel met u te doen,” zei ik, “u hebt zeker veel verdriet gehad juffrouw?”

“Verdriet! o! God weet het alleen wat ik geleden heb!” zuchtte de ongelukkige dame: “maar mijn ellende was het loon voor zonde en berokkend verdriet....” Weer zweeg zij en mij eenige oogenblikken later schuchter in de oogen ziende, zeide zij zachtjes: “zeg meisje, heeft uw edele mevrouw u niets gezegd...?” “Neen, juffrouw, waarlijk niet,” antwoordde ik, en nauwelijks had ik dit gezegd of de deur ging open, mevrouw kwam binnen en zag ons staan, zooals [232]ik zeide met de handen inéén. Emilie—zal ik maar zeggen—liet mij dadelijk los, en luid snikkende op mijn goede mevrouw toetredende, riep zij met afgebroken woorden: “Vergeef mij, vergeef mij, brave grootmoedige tante! Ik heb zoo zwaar misdaan; zoo weinig uw liefde beantwoord. O, vergeef mij, om den wille van mijn ongelukkig kind? God weet het, hoe uw voorkomende liefde zonder eenig verwijt nog meer mijn hart heeft verbrijzeld. Ik bid, ik smeek u om vergiffenis!” Ik was al bij de deur om heen te gaan, want bij zóó iets hoorde ik niet, maar het “Grietje blijf!” van mevrouw deed mij blijven en op den achtergrond staande, hoorde ik verder wat er tusschen mevrouw en haar ongelukkige nicht verhandeld werd, iets wat mevrouw, zooals HE. later zeide, deed, omdat ik ten deele de waarheid gehoord hebbende, haar ook geheel moest kennen, dewijl er leering uit te trekken en zij overtuigd was, dat ik er nooit dan gepast en ten nutte van anderen over spreken zou.

De menschen in die zaak betrokken zijn allen dood mijnheer, en een leering zit in deze zaak, dus schrijf ik u ronduit wat er van aan is. Gelukkig! daar komt de kleine meid terug met de koffie en grauwe erwten voor van middag—eerst koffie zetten.

Ziezoo, dat heeft den inwendigen mensch goedgedaan. Zoo’n kopje koffie verwarmt het hart—grummels wat zeg ik, het hart? neen, mijn hart had geen koffie tot verwarming noodig, want dáár was ik straks zoo warm als op het oogenblik. Hoe zou het anders wanneer men een daad kan vermelden, die aan de hoogste liefde raakt.

Kortom, mijnheer,—want ik ben al bang dat de brief te lang wordt hoewel ik zoo kneuterig op mijn schrijf ben—kortom dan, ik hoorde toen en later wat de oorzaak dier armoede geworden was. De juffrouw—nicht—werd als wees van Mevrouws eigen zuster bij HE. grootgebracht. Ze had niets geen geld, maar moet een lief meisje geweest zijn, hoewel altijd met romans van die Franschen, daar mevrouw, zoo’n afkeer van had. Ze las stil bij avond, op bed, en wier wat ze romenesk noemen. De juffrouw kreeg les in alles, tot de piano en teekenen toe. Maar door die piano, zie, daardoor kwam het. Die muziekmeester was een Franse flierfluiter die snorren en lang zwart haar had. Meestal zat mevrouw er bij, maar soms was ze wel eens uit of er niet bij als ze hoofdpijn had. Die Fransoos moet de juffrouw altijd geprezen en gezegd hebben, dat ze zulke mooie bandjes en wat al niet meer had en ook, dat ze hem op de piano haast de baas was. Dat streelde de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk wier, maar ook—en daar zat hem de kwaje kneep—ze verlangde naar niets en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél, dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit,—zij ten minste. Hij moet haar een heelen boel in ’t hoofd hebben gehangen en zij moet hem gezegd hebben dat ze ook smoorlijk op hem verliefd was. Daar was het spul aan den gang. Op zekeren dag werd onze mijnheer zoo maar brutaal weg door dien Fransoos [233]aangesproken en om de hand der nicht gevraagd. Wat een narigheid—dat kun je begrijpen. Een vreemde overgewaaide snoeshaan, die in de Vlakkesteeg op een kleine kamer woonde en wel om zijn knapheid, gaandeweg eenige lessen kreeg, maar een slechte betaler was, die kwam maar zóó om de hand van een meisje, dat destijds haast als mijnheers en mevrouws dochter werd aangemerkt. Dat het spaak liep kun je begrijpen. Huilen van juffrouw Emilie geen gebrek, maar mijn goeje mevrouw had door haar godsdienstige en verstandige gesprekken toch zooveel vermogen op de juffrouw dat zij hare dwaze en dolzinnige plannen liet varen—dat meende mevrouw ten minste. Mooie stukken! drie weken ging alles zijn gang. De Fransoos had als muziekmeester natuurlijk zijn paspoort met een replement er bij gekregen. Daar kwam mijnheer en mevrouw op een goejen morgen in de ontbijtkamer, en daar lag een brief op tafel van de hand van juffrouw Emilie. Wat mevrouw ontstelde, kan ik u niet zeggen, want ze las niets meer of minder, dan dat de juffrouw niet langer in een huis kon blijven waar zij met de grootste onbarmhartigheid werd behandeld en waar men haar tijdelijk geluk dwarsboomde. Kort en goed, zij had den heer Dulo—of zoo wat—niet kunnen en willen vergeten en ongelukkig maken; zij hadden elkander eeuwiglijk trouw gezworen en dien eed mocht ze niet breken. Als mevrouw den brief las, zou ze reeds naar Frankrijk vertrokken zijn, met den man dien ze als haar zelve liefhad. God zou het haar vergeven—schreef ze—dat zij om het heil haars levens te verwerven een klein misdrijf had gepleegd, en uit tantes schrijftafel eenige losse gelden en drie bankjes van honderd gulden had meegenomen, benevens het juweelen garnituur, dat zij van tante toch krijgen zou als ze meerderjarig zou worden, besluitende met de toezegging, dat zij die schuld later wel af zou doen, want dat ze met haar eenig dierbaren Alfonsus—geloof ik—de wereld zou doorreizen om met hunne talenten veel geld te verdienen.

Hoe die eerste dagen zullen geweest zijn kunt gij begrijpen. Mijnheer schreef naar Brussel en Frankrijk, want in ’t land was van die twee geen spoor te vinden; maar wat hij schreef of deed van de ongelukkige juffrouw Emilie hoorden ze verder niets.

En ja, die daar tien jaren later—ik was bij mevrouw toen in ’t achtste jaar—’s avonds berooid met een kind kwam aanzetten was diezelfde juffrouw Emilie. ’t Was haar naar werken vergaan. Niet naar Frankrijk maar naar Amerika had zij zich met haar Alfonsus ingescheept,—daar had mijnheer geen idees op gehad. In ’t eerst was alles mooi geweest en ze hadden waarlijk, in Nieuw-jork en nog meer zulke namen, gespeeld op conserten ook; toen was de juffrouw—zie, zonder zelfs getrouwd te zijn—van een zoon bevallen en had later weer van voren af aan, getrokken en geleefd, zonder zin of nagedachte, altijd met de muziek voorop. Maar de juffrouw was er van al dat trekken en die vermoeienissen niet mooier op geworden; kortom, die lieve mijnheer Alfonsus had zijn bekomst van de mooie handjes, en toen, toen was er voor de [234]ongelukkige een leven begonnen, te akelig om te zeggen. Als ik er van verhalen wou, zouden de dames er naar van worden; aan de woorden: schelden, razen, slaan en gebrek, hebben zij zeker genoeg. Nog drie jaren—vijf in ’t geheel—hield ze het met dien poespas uit, toen liep ze van hem weg, zwierf, tobde en wurmde met haar kind nog vijf jaren in de vreemde wereld op de ellendigste wijze, kwam om Godswil mee terug naar Holland, en na een geheelen dag in de nabijheid van het huis te hebben gedwaald, waagde zij het eindelijk ’s avonds aan te schellen.

Ziedaar de heele historie;—maar het einde....? Geen verwijt zelfs kwam over de lieve lippen der brave mevrouw. Alleen zeide zij—toen ik er bij was—deze woorden: “Kind, je hebt veel geleden, zie dáár ligt de bijbel; en dáár,” zij wees door het venster naar den hemel—“dáár woont God!” Mevrouw deed wat zij dikwijls haren Zaligmaker na had gebeden: zij vergaf gelijk zij wenschte vergiffenis te bekomen. Zij deelde in de blijdschap des hemels, die verheugd is, over één zondaar die zich bekeert. Zij vergaf niet alleen, maar zij deed wèl bovendien. In overeenstemming met haar echtgenoot werd er voor de jonge, maar door het leed vroeg verflenste vrouw, ten platten lande bij fatsoenlijke lieden een paar kamers gehuurd; dáár leefde zij, door ervaring tot God gebracht, met haren zoon in vrede en dankbaarheid; daar beweende zij vurig de groote zonden der jeugd; en hare brieven getuigden van de meeste dankbaarheid jegens hare weldadige bloedverwanten en van de hope op vergeving bij God.

Als dáár geen leering in zit, mijnheer dan weet ik het niet. Van ’t begin tot het einde zie ik er leering in—zelfs betreffende mijn brave mevrouw, die met dien Fransoos en de mooie woorden van Emilie te goed van vertrouwen was geweest. Afein, dat alles wil ik niet uitpluizen, de dames hebben verstand genoeg. Het zoontje is zoo wat drie jaren vóór zijn diepbedroefde moeder gestorven—waaraan weet ik niet; de juffrouw zelve een jaar vóór mevrouw, ik geloof aan een hartkwaal.

Grummels, wat een lange brief; ik eindig dus maar sito, we moeten ook aan de erwten, en noem mij hoogachtend:

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER

geb. MISPEL.

Arnhem, 5 Januari 1857.

P. S. Ik heb de kleine meid die school gaat, nog eens de fouten laten nazien en laat het maar verder aan u over; snejeer u niet om te laten staan of te verbeteren wat u goedvindt. ’t Komt maar op de zaak aan, en al zie ik ook tot mijn spijt dat de laatste pagina’s wel een beetje slecht zijn geschreven, nichtje kon er uit wijs worden en hoop zulks ook bij u het geval zal zijn.

Atjuus. [235]

[Inhoud]

Jan, Pier en Kloas.

’En oud vertelseltje nog eens verteld.

’t Was op een zomermiddag dat Jochem, de klompenmaker van ’t dorp, zich de zweetdroppels van ’t aangezicht wischte—zoo had ie geloopen. Met een stevigen ruk trok hij aan de schel van dominee’s pastorie; streek met de mouw nog eens langs het glimmende voorhoofd, en vroeg aan Saar de meid die opendeed, of onze jonge domenei thuus was?

—Neen, ja, maar dominee zat aan de preek.

—’t Kos niet schêlen d’r was hoast bij, groote hoast.

“Toch geen zieken in huus?”

“Neen.”

“’En kiend gekommen?”

“Neen neen.”

“Ruzie?”

“Neen neen!” Moar domenei most ie sprêken eer ’t te loat was.—Eer ’t te loat was....!

Saar vloog de trappen op en, een paar minuten later stond Jochem in de deur van dominee’s “stedeerkoamer”, en zei: “Dag soamen m’nheer domenei,” en streek zich de gele haren glad over ’t voorhoofd....

“Zoo Jochem, thuis alles wel? Had je me wat te vragen?”

“Da’s te zeggen, ’en verken z’n eigen de poot verzwikt, moar Geis de schêper het ’em besproken.... en nou wordt ie béter; anders alles heel best domenei, moar ik heb oe asteblief vrindelik wat te verzuuken....”

“Zoo en dat is?”

“Joa domenei, ikke.... hêhêhê!”

“En wat zal ’t wezen Jochem?”

“Ikke, hêhêhê.... ze zeggen domenei da’k zoo verdrêjd mooi zingen kan; en zonder m’n eiges te schandoalizeeren, mo’k zeggen dat ze geliek hebben; ’k kan ook net brommen as ’en urgel, zeggen ze, met gebazuun d’r bij zeggen ze.” [236]

“Zoo! en....?”

“Joa, zie, domenei, en.... en.... Nou he’k geheurd dat meister,—domenei zal nie kwoalik nemen—z’n eigen zooveel as verploatsen geet, en....”

“En....?”

“Domenei zal niet ten kwoaje rêkenen: nou docht ik.... neen, nou docht Mei, m’n wief, domenei, dat ikke....”

“Wou je meester worden, Jochem?”

“Potstorie! meister worden? ikke domenei? neen, a’k zoo wies geleerd as domenei was.... hêhêhê....” Lekt met de roode tong langs de klep van zijn pet: “’t Veurzangers boantje.... hêhêhê.... Za’k verzuupen domenei a’k ’et niet wêzen wou?”

“Ahzoo Jochem, was dat je wensch. Wel man wou jij voorzingen? Zoo zoo, enne.... Ben jij zoo in de zangwijzen thuis?”

“Dat zal woar wêzen domenei.... hêhê!”—Kijkt bescheielijk naar dominee’s pantoffels; veegt met den rug van z’n hand langs den mond; smijt eensklaps het hoofd achterover en gilt eensklaps op hartverscheurenden toon, terwijl hij met zijn klompenmakersvinger de maat slaat, het eerste vers van den 96sten psalm: Zingt zingt een nieuw gezang, en wat er verder volgt.

Dominee schoof onder Jochems lofzang het raam dicht, ’t geen echter niet verhinderde dat een paar voorbijgangers met verbazing naar de studeerkamer der pastorie opzagen, en de kalkoenen als bezetenen aan ’t schateren gingen.

“Nou, hêhêhê—wat he’k domenei gezeid....?” grinnikt Jochem nu hij gedaan heeft en met de oogen dominee’s pantoffels weer opzoekt.

Dominee is inééns schrikkelijk verkouden geworden en schermt van belang met den zakdoek langs mond en neus.

“Waarlijk Jochem, je hebt een stem van belang; maar zie je....” Dominee wendt zich weer haastig naar ’t venster en Jochem kijkt zeer verrast naar buiten, want—kiek, domenei giebelt van ’t lachen.

“Dat kalf!” hakkelt de lacher ter afleiding terwijl hij naar buiten wijst.

Jochem mot ook lachen alhoewel ie niks vremds oan dat kalf ziet....

“Zoo’n dom.... gezicht!” hakkelt dominee, terwijl hij met geweld zijn lachen zoekt te bedwingen.

“Kiek, nou blêrt ie, domenei,” roept Jochem, terwijl hij op het kalf wijst, en heft daarbij een zoo langgerekten hikkerigen lach aan, dat dominee het eensklaps weer uitproest en, alles in de kamer aan ’t schudden raakt.

“Zoo’n beest!” brabbelt “onze jonge domenei” na eenige pijnlijke seconden.

Maar nu—nu heeft hij al zijn zelf beheersching tegenover dien uitspattenden lachlust gesteld....

“Enne Jochem, dus wou je voorzanger worden?”

“Krek domenei, hihihihi, en NOU nog liever, went ik wiest niet [237]dat onze jonge domenei zoo vroolik van memeur was. As domenei is stroef is, zei mien wief. Moar ze most ’et is weten! ’En mins mag vroolik wêzen óók, wat zeg gij d’r nou toe?”

“Welzeker Jochem. Maar gesteld eens dat jij voorzanger kondt worden, weet je wel dat het een kerkelijke bediening is, en....?”

“Joa! joa wel, krek! kark-karkse-bediening domenei.”

“Juist, maar dat daarom een voorzanger, die tegelijk voorlezer moet zijn, bijzonder in de bijbelsche geschriften te huis behoort te wezen.”

“Juust, krek domenei, dat he’k dukkels gezeid, en doarum as we ’s oavends niks bêters te doen hebben, dan lês ik de vrouw nog altied uut de biebelse historie-vroagen veur, woar oe zoalige veurganger mien uut gekortegezeerd het.”

“Dat is heel loffelijk Jochem.”

“Verekskezeer, domenei, niet loffelik, moar schriftuurlik, went de biebelse historie-vroagen zin uut de schriftures.”

“O, dan zul je daar zeker nog al in thuis wezen.”

Jochem slaat een schuin linkschen blik op het borstbeeld van Bilderdijk, dat op de hooge boekenkast staat, en zegt: “Zou ’k oe verzuuken domenei!”

“Komaan Jochem, dan moest jij me eens op den weg helpen....”—Jochem, steeds naar boven ziende, knijpt een oog dicht, en drukt de lippen opeen.

“Nietwaar Jochem, Noach had drie zonen?”

“Joa wel!”

“En hun namen waren?”

“De noamen.... hêhê.... de noamen?.... Noach had drie zeuns: Zak, Zak.... Kem.... och Zak-Zak-Zak....”

Dominee ziet even naar buiten. Ernstig: “Sem, Cham en Jafet, nietwaar?”

“Doar hei’t. Zek, Zak en Joafet—krek! Net as domenei zeit en in de historie-vroagen steet; ’t lee me ien ’t heufd te drêjen, moar ’en mins kan z’n eigen versprêken. Zek, Zak en Joafet.”

“Sem, Cham en Jafet!”

“Da’s den uitsproak domenei. Krek: Sem, Kam en Joafet.”

“Heel goed, Jochem, en nou wilde ik graag eens weten wie de vader van Cham was.”

Jochem ziet nog hooger, en krijgt een klein spinnewebje in ’toog, waarin een onnoozel mugje gesnapt wordt.

“De voader van Kam....? De voader.... van.... Kam?” Hij wendt het oog van het mugje aan den zolder naar ’t kalf in de wei.... “De voader.... van Kam.... ? Domenei meint wie de voad’.... van Kam was....?”

“Ja wel Jochem, dat moest je me eens zeggen.”

Jochem diepzinnig: “Joa moar, za’k verzinken, da’s buuten de biebelse historie-vroagen! De voader.... van Kam....? dat zin striekvroagen. Domenei mot niet kwoalik nemen, dat zin duuvelse vroagen.... Zeg ik!”

De duuvelsvroager glijdt achter zijn schrijflessenaar weg, en ’t [238]klinkt den klompenmaker op heel vroolijken, moedgevenden toon in het oor:

“Neen ’t is geen duivelsvraag maar heel natuurlijk. Weet je wàt Jochem—ga jij d’er maar eens over denken, of met je vrouw o..o..ver praten”. En de spin vliegt verschrikt naar den hoek van den zolder, en Jochem: “Zoo domenei; nou bestig dan”—hikkerig lachende—“met plezier domenei; zal ’t es beprakkezieren, met de vrouw over proaten, atjuus!”


“Hoe is ’t gegoan Jochem? Zou ’t lukken met ’t veurzangersboantje, en zu’j dan nog een keuje nemen, en krieg ’k de neie iezeren pot, en den blauwen rok en....”

Jochem kan op al die vragen niet inééns antwoorden. Aldat ie veur deez keer op schoenen liep, hij is buuten oajem.

“Goed gegoan Trieneke; best gegoan! Onze neie jonge domenei had schik in mien. ’En oarig vroolijk mins; lachen dee ie net of ’t m’n buur was, niks domeneisachtig; moatjes egoal. Moar geleerd, wies geleerd! nog boven de biebelse historie-vroagen uut.”

“En zou’j ’et boantje dan kriegen Jochem; en hoeveul zou ’et afschuuven, zeg?”

“Loop! weet IK ’et! moar kriegen doe ’k ’et zeker. As ik één vroag buuten ’t buukske moar beantwoorden kos. Alêvel: as’t geen duuvelsvroag is, ’en striekvroag blieft ’et da’s zeker.”

“’En striekvroag, loa’s heuren Jochem?”

“Joa, zie, we sprakken van de kalver, en toen kwiem ’t op den ark van Noach, en toen zeidie: Noach had drie zeuns. Joa, krek zei ik.—Sem, Kam en Joafet, zeidie. Joa, krek zei-ik. Nou, zeidie, dan most gij m’n es zeggen, wie de voader van Kam was.”

Griet slaat de handen ineen: “En wist ie dát niet.... ezel....!?”

Jochem beteuterd: “Ikke?”

“Kuuken!”

“Wa’ blief?”

“Schoapskop zeg ik!”

“Hê!?”

“Domme eend, da’j niet wiezer bint!”

Jochem wou dat ie licht kreeg, en kiekt noar ’t vuur: “Moar wát, wát is ’t dan toch?”

“Zie, ge bint zoo stomp as ’en klomp. Noach had drie zeuns: Sem, Kam en Joafet, nietwoar prefester! Wie is nou de voader van Kam? Boeh! heij’ oe begriep dan niet? De meulenoar van ’t darp het drie zeuns: Jan, Pier en Kloas.—Klomp van ’en kerl, wie is nou de voader van Pier?”

“Potstorie da’s woar!” roept Jochem: “da’s zoo kloar as ’en neie klomp.” [239]

“Ezel! en dat was ’en striekvroag, hè! A’j nou niet gauw loopt noar ’t domineishuus, dan zel ’t veurzangersboantje wel heelegoar verspeuld zin, en ’t keuje, en de iezderen pot en de blauwstreepsen rok....! Vort domoor, vort!”


En Jochem staat weer in—domenei’s stedeerkoamer.

Over ’t stuk had ie noagedocht; ’en mins was niet altied glad bij de tong. Domenei had van.... van.... van....—Hij strijkt zich de haren glad, en lekt zich den duim.—Domenei had van.... Jozef gesproken, of....”

“Je zoudt me zeggen, wie de vader van Cham was,” helpt dominee, terwijl hij, aan de schrijftafel gezeten, en op den elleboog geleund, met de volle hand zijn lachspieren omvat.

En Jochem, nu geheel op de hoogte, roept, terwijl hij een triumfanten blik werpt op het herkauwende kalf in de wei: “De voader van Kam, domenei—a’k ’et boantje zal hebben; wel domenei: de meulenoar van ’t darp, de meulenoar van ’t darp!” [240]

[Inhoud]

Brieven uit Nizza (Nice).

Nice, 7 Maart 1879.

Amice!

In de hoop dat het u niet onaangenaam zal zijn van de boorden der Middellandsche Zee eenige potloodkrabbels van mij te ontvangen, zend ik ze u, met den wensch, dat ze—althans voor een deel uwer lezers—nog wel iets wetenswaardigs mogen bevatten.

Misschien zult ge mij benijden, indien ik u zeg, dat wij heden, na ons ontbijt in het ruime Café de la Victoire geheel à l’instar de Paris te hebben gebruikt, op het breede trottoir onder een overdekte kolonnade en met het uitzicht op de altijd drukke Place Masséna, omringd door hooge laurierstruiken, oranjeboomen, palmen en velerlei andere gewassen, een uurtje zitten te genieten bij een frischwarme temperatuur, terwijl een bonte menigte—zelfs tusschen de beide rijen tafeltjes onder die trottoir-kolonnade door—voor onze oogen voorbijgaat. Ja—ofschoon gij niet jaloersch zijt—ge zult mij benijden en ge moogt het vrij, want al werd ons dit nieuwe leven niet zonder uren van angst en smart geschonken, dankbaar mogen we thans een zon zien blinken, die deze kusten, vooral in den winter, tot El Dorado van Europa maakt.

Wanneer gij het schoone Frankrijk van zijn Noorder-grenzen tot verre beneden Lyon, onder een dicht sneeuwkleed hebt bedolven gezien, en de sneeuwstorm zelfs nog met hevigheid woedt, als de avond de portierglazen van den nachttrein allengs verduistert; wanneer ge dan voorts na een twaalf uren schuddens en geeuwens, half duttend, half slapend, gedurig wakker geschrikt door een onheilspellend gefluit, wanneer ge dan—plotseling opziende, u verbeelden gaat, dat de glazen der slecht verlichte coupée weer doorschijnend beginnen te worden, en ge—wel schuiverig nog, maar toch opgewekt door het steeds groeiende licht, haastig met het coupée-gordijntje den wasem van het glas verwijdert en den blik naar buiten werpt, waar de morgenschemering gloort, waar heuvels en bergen zien allengskens baden in een fijnblauwen nevel, waar de [241]velden bedekt zijn met het groen van gras en kruid, de amandel- en andere vruchtboomen omhuifd met roode en witte bloesems; als ge de witte scherp geteekende woonhuizen met hun platvormige daken al spoedig ziet blinken in de warme stralen der steeds klimmende zon, en de eeuwig groene ceders, met hun breede kruinen op die rotsheuvels aanschouwt: of ook—bij het steeds zuidwaarts snellen, den blik houdt gericht op die velden met de duizenden altijd groene olijfboomen, of de oranje- en citroenboomen met hun krachtig blad en de roode en goudgele appels er tusschen, zie, dan maakt zich een gevoel van u meester, ’t welk ge niet gemakkelijk zult beschrijven, maar u hoe langer hoe meer, vooral met die tegenstelling van de vorige dagen, vol verrukking doet beseffen, dat de donkere lange nacht u, ongemerkt van den barren winter in den zomer heeft verplaatst.

Die zomer in den winter, ziedaar wat Nice, nog meer dan eenige andere plaats aan de Middellandsche Zee, tot het vereenigingsoord maakt van allen, die, in ruwer klimaat geboren, zich de weelde kunnen veroorloven, den winter abominable te vinden en hem geheel of ten deele uit hun kalender te verbannen.

Nice ligt aan een bocht der zee, die de Baie des Anges wordt genoemd en is aan de landzijde geheel ingesloten door een reeks van heuvels en bergen, die met hun ontelbare witte landhuizen en villa’s zich amphitheaterswijze verheffen en van verre door de sneeuwtoppen der Alpen zijn gekroond.

Verrukkelijk is een vertoeven aan zee! Langs de bocht der golf bevindt zich, boven het smalle, onbegaanbare strand van gladde, grijswitte keisteenen, een breed terras, waarnevens een rijweg, die door de prachtigste hotels en villa’s wordt begrensd. Dit terras—voor ’t grootste deel La Promenade des Anglais genoemd—ongeveer een half uur gaans—wordt door de uitmonding van een kleinen bergstroom, le Paillon geheeten, in tweeën gedeeld. Aan de zeezijde heeft dit terras een dichte, altijd groene haag, achter welke de wandelaars zich gaarne op banken of stoelen neerzetten en er door haar beschut worden voor de somtijds vrij koele winden uit zee. Aan de zij van den rijweg heeft dit terras een beplanting van vrij hooge palmen en mirten en oleanders die,—welig groeiende zoo dicht aan zee, wel het bewijs leveren, dat men hier de uiterste grenzen der tropische gewesten reeds zeer is genaderd.

Ik waag mij niet aan een beschrijving van de zoo vermaarde kuststad, die sedert de gebeurtenissen van 1859, een Fransche in plaats van een Italiaansche is geworden; en nu—zonder de duizenden vreemdelingen er bij te tellen, een bevolking van omstreeks 55000 zielen heeft. Nochtans wil ik u even doen zien, hoe het zeer breede rivierbed van de Paillon—’t welk voor ’t grootste deel slechts kiezelsteenen en maar zeer weinig water bevat, ja zelfs in den zomer meest geheel en al droog is, hoe die bedding—evenwijdig loopende met de zee, totdat het stroompje ter helfte van de stad zich eensklaps zuidwaarts keert om in zee te verdwijnen, hoe die breede keisteenen-rivier de oude stad aan de zeezijde afscheidt [242]van de nieuwe stad—die alzoo achter haar bedding ligt. Evenals de oevers der Seine te Parijs of der Elbe te Dresden, verbinden fraaie steenen bruggen, die omstreeks honderd meter lang zijn, het Nice der oudheid met dat der hotels en magazijnen der negentiende eeuw. Een dier bruggen, waarop ik juist uit mijn venster het oog heb, en waarop voortdurend het gewemel van rijtuigen en voetgangers wordt waargenomen, verbindt de beide woelige hoofdpleinen; de reeds genoemde plaats Masséna der nieuwe met de Place Charles Albert der oude stad.

Maar ’t is een wanhopig werk om steden als Nice met slechts enkele pen- of potloodstrepen aanschouwelijk te willen maken; ik wil u dus slechts schetsen wat mij bijzonder in ’t oog viel.

Aan Nices oostelijk einde, juist achter de genoemde kustpromenade (aan deze zijde: “Le Quai du Midi” genoemd) bevinden zich twee rijen zeer lage woningen, meest eenvoudige winkelhuizen of estaminets, waarover, reeds voor vele jaren, omstreeks 250 meters lange asphaltwandelingen zijn aangelegd, welke terrassen—met hun steenen kanteelen, waaruit zich van afstand tot afstand de veelal ranke schoorsteenen verheffen—voorheen tot de grootste merkwaardigheden der stad zijn gerekend, doch die, sedert den aanleg der veel lager en dichter aan zee gelegen promenades, schier geheel zijn verlaten. Slechts nu en dan waagt zich nog een nieuwsgierige aan den gloed der zon, door het asphalt weerkaatst, om nog iets meer uit de hoogte, over den grijswitten steen der kanteelen, het prachtige blauw der zee met haar blinkenden golfslag tegen de grijsgroene kust te kunnen genieten.

Het inwendige der oude stad is het echte Italiaansche Nizza. Tegen de helling gebouwd, zijn de straten—amphitheaterswijze oploopende, zeer smal en donker, en zóó vuil, dat een Hollandsche huisvrouw—die tegenwoordig de schoonmaak in ’t hoofd heeft, er met recht van aan ’t draaien zou raken. Maar ofschoon ik niet geloof, dat er in die oude stad met haar hooge, grijze, uiterst schilderachtige woningen en duizend verrassende tafreelen—die men straatinterieuren noemt, veel aan een geregelde schoonmaak wordt gedacht—zoodat de neusorganen er mede dikwijls last lijden; elders wordt er wel degelijk geklopt en geboend en geborsteld. Onder de hooge brugbogen van het genoemde, voor een groot deel droge rivierbed staan de mannen met hun verbrande gezichten, zware knevels, grijze kleeren en veelal roode mutsen te beuken op tapijten, waarvan het stof der vreemdelingen in dichte wolken opstijgt. En zie dan, waar het groenglanzige water van het bergstroompje—na de regens der voorlaatste week—nog haastig voortsnelt om zich al spoedig geheel te verliezen in zee, daar hurken aan weerszijden van zijn boorden, in grooten getale, jonge en oudere vrouwen neer en strijken met krachtige hand haar groote stukken wit-gele zeep op katoen of linnen, en wasschen, en wringen en spoelen, en spreiden straks de witte en grijze en roode kleedingstukken op het steenen bleekveld der bedding, waarop—behalve de heldere zon—van den heden nochtans gedurig met zware wolken bedekten hemel—[243]ook de vreemdeling een wijle uit de hoogte blijft turen, indien hij althans nog niet te lui is geworden om anderen vlijtig aan ’t werk te zien.

Voor hem, die eerst sedert een week aan deze zuidergrens van ons werelddeel vertoeft, vernieuwt zich telkens weder die zonderlinge verrukking van zich om dezen tijd van het jaar—b. v. in een dichtbelommerd park bij springende fonteinen met boek of nieuwsblad te kunnen neerzetten, of ook aan het strand de koele zeelucht te mogen inademen met hetzelfde gevoel van welbehagen als op den schoonsten, doch niet te warmen Juli-dag, aan ons Scheveningsch duin.

Wat den bladertooi aan deze zuiderkusten betreft, ik moet bekennen, dat het voor het meerendeel niet het sappige groen van onze boomen en heesters in den zomer is. Ofschoon men de bladvormen met die van onze linden, peppels, seringen, moerbeziën en vele andere zou kunnen vergelijken, het blijvend blad heeft meer het harde, vaste van onze conifeeren. De olijfboomen zou men bijna voor een soort van knotwilgen houden, nochtans hooger en met hunne takken rechtstreeks aan den stam verbonden en niet gesproten uit den steeds weer besnoeiden moederstronk. Tot de steeds groene boomsoorten, als palmen, olijven, ceders en velerlei dennen, waaronder er zijn, die men treurdennen zou kunnen noemen—behoort inzonderheid, als een der grootste en lommerrijkste, de calyptus, die men langs het trottoir alsmede in parken en tuinen veelvuldig ziet. Geheel zonder bast, met zware, bijna candelaberswijze opgaande, even bastelooze takken, heeft de calyptus een dicht loof van blaren, die den vorm hebben van zeer groote, doch geheel platte peulen. Wat de boomen betreft, die ook in ons Noorder klimaat worden gevonden, zooals eiken en platanen, ze verliezen in ’t late najaar hun blad, doch nu reeds ziet men langs de avenues de lange rijen der laatste in het lichtgroene waas, dat een spoedig ontplooien der blaadjes voorspelt. Wat de kleine heesters betreft, ze zijn reeds alle in ’t blad, de rozen vertoonen haar knoppen en bloemen, zoo ook de geraniums, een keur van balsemijnen prijkt om den muziektempel in den Jardin Public, waar een kolossale mirteboom u inzonderheid treft. Waar men ook langs tuinen of parken wandelt, ziet men steeds de roodgele oranjes en citroenen in hun hooge bladerkroon prijken, en—naar ik verneem, is dit alles slechts een schaduw van den rijkdom aan planten en bloemen die men vindt in de parken der villa’s rondom de zoozeer bevoorrechte stad.

Bij ’t nazien van mijn gekrabbel bespeur ik, u slechts een zeer flauwen weerklank te hebben gegeven van ’t geen hier verrast en bekoort. Misschien schrijf ik u later wat beter en deel u dan eens een enkel tafreeltje uit deze streken mee. Wilt ge alvast een paar bijzonderheden:

Wie hier een woning of kamers huurt, moet vooruit betalen, omdat—door de nabijheid van het beruchte Monaco, de verhuurder nooit zeker is, dat zijn huurder, na het verschijnen der huur, geen geruïneerd man zal wezen. Gisteren onder de kolonnade van het [244]genoemde Café de la Victoire nabij een jongen Hongaar gezeten, hoorde ik hem tot zijn metgezel op zeer matwrevelen toon de woorden zeggen: “Ah! dans cet enfer de Monaco, on perd tout son argent!” Nochtans voldeed hij zijn absinth met een biljet van honderd francs in betaling te geven, en kocht van een bloemenmeisje een welriekenden rooden Anjer en gaf haar meer dan zij hebben moest.

Dames, die op diamanten verzot zijn, kunnen hier volop gratis genieten, nl. met het zien van de prachtigste garnituren. Voor een winkelraam zag ik een steen, vieille roche 20½ car. genoteerd fr. 80,000. Twee oorbellen “Très-belles roses d’ Hollande” fr. 2200. Twee steenen, oorknoppen nouvelle roche 45 ​22⁄32​ car. fr. 2500, en twee oorknoppen vieille roche 30½ car. fr. 105,000.

’s Morgens en ’s avonds vooral kunnen wij onze winterjassen en mantels best velen. Men zegt, dat het hier om dezen tijd van het jaar bijna nooit zoo koud was; maar we zitten binnenshuis zonder vuur, zien de vliegen al dwalen en—’s middags eten we onze doperwtjes van den kouden grond.

Vaarwel!


Nice, 13 Maart 1879.

Amice!

Gij wilt nog iets meer uit Nice vernemen; welnu, in mijn vorig schrijven sprak ik van de kostbare edelgesteenten, die hier achter de winkelramen zijn uitgestald en steeds met onweerstaanbare kracht zoowel de donkere kijkers van ’t Zuiden als de blondlokkige dochteren van Noordelijker streken geboeid houden; ten opzichte van deze en velerlei andere kostbaarheden—waartoe ook vooral diamanten heerenringen en gouden horloges met zware kettingen behooren—wordt mij verzekerd, dat men ze hier op onderscheidene plaatsen tegen een uiterst lagen prijs kan bekomen, en wel omdat die voorwerpen de laatste droevige plechtankers zijn geweest, waaraan de slachtoffers van Monaco zich tevergeefs in hun speelwoede hebben vastgeklampt.

Uit mijn venster, ter zijde aan de straat Charles Albert, heb ik het oog op een zwart bord, waarop met roode letters: “Facteurs Express” staat te lezen, en te midden van andere aankondigingen dier heeren zaakwaarnemers trekt het zwart op wit: “Villa à vendre” niet het minst de aandacht.

Naar ik vernam, is het een “voorname” cocotte, die deze villa aan haar bekoorlijkheden was verschuldigd, doch haar eigendom nu à tout prix verkoopen moet, aangezien zij in “cet enfer de Monaco”,—volgens onzen Hongaar—haar geheele vermogen [245]verloor.—“Verdiende loon!” zegt er iemand. En de Franschman: “Déshabillée! que veut-elle de plus!”

Meer dan ergens elders in Europa worden aan de Baie des Anges alle talen der beschaafde en minder beschaafde wereld gesproken. Russen, Engelschen, Denen, Amerikanen, Nederlanders—ofschoon niet in grooten getale—Turken, Grieken, Duitschers, Zwitsers, Italianen “het woelt en krioelt hier alles dooreen”, en het zou al spoedig de Babelsche spraakverwarring wezen, indien het liefelijk vloeiende Fransch niet door al die vreemdelingen werd gehuldigd als “la langue du monde entier” waarop slechts de lords en ladies van tijd tot tijd een uitzondering maken en daarvoor natuurlijk nog wat meer betalen dan de minder preutsche vreemdelingen van het continent.

Dat een winterverblijf te Nice niet goedkoop is, zal u geenszins verwonderen, en zulks te minder, indien gij in aanmerking neemt, dat het “saison” er tegen het einde van November begint om in het begin van April te eindigen.

Van Mei tot November is Nice bijna even verlaten als Scheveningen of zoovele andere badplaatsen in Duitschland of Zwitserland in den zomer zijn bezocht. Vele voorname hotels worden er geheel gesloten en zeer vele groote magazijnen en kunstuitstallingen breken op en trekken naar koeler oorden om er aan badgasten en reizigers de van het zuider stof gereinigde preciosa als hautes nouveautés te doen bewonderen. Met het sluiten van die hotels verdwijnt ook een groot deel van het heirleger der onbegrepen wezens, die men—hoe oud ze ook zijn—garçons blijft noemen. Zij vertrekken mede—veelal naar Zwitserland, om er hun dienenden geest in een Schweitzerhof of hotel Rigi-Kulm, op zóó vele meters boven de oppervlakte der zee te verheffen. Ook de portiers volgen hun voorbeeld en blijven—ofschoon in een geheel andere omgeving, volmaakt dezelfden: behalve dat zij een ander portaal zullen bewonen en een anderen hotelnaam in gouden letters op hun pet zullen dragen.

Zooeven sprak ik van nouveautés, maar ontegenzeglijk is het waar, dat wie zich de allereerste voorjaars- of zomer-modes wil aanschaffen, ze het vroegst in Nice of in andere zuidelijke zustersteden zal vinden, in weerwil dat Parijs steeds de modewereld regeert. Doch ’t is natuurlijk, dat Parijs, ’t welk zich zelf nog gedurende eenige weken ferm in ’t bont blijft hullen, het eerst zijn clientèle aan de Méditerrannée bedenkt, waar het o. a. heden een dag is—hoewel de wind voor hier zelfs buitengewoon koel blijft—dat een vrij spraakzaam Engelschman er dezen morgen van beweerde, dat men er zóó te Londen geen twintig in den ganschen zomer telt.

En nu reeds sedert twee weken zagen we alle dagen de zon aan den diepblauwen hemel—slechts enkele malen voor korten tijd met zware wolken bedekt, doch zonder dat deze vacantie gaven aan de wakkere spuitgasten, die hier van den morgen tot den avond in de weer zijn om het witachtig stofplaveisel van straten en [246]parken en pleinen in een grijsachtige modder te herscheppen.

De trottoirs blinken hel, de blauwe brillen zijn legio, terwijl men ontelbare witte en grijze en roode parasols op alle wegen en niet het minst tusschen 2 en 5 uren op de Promenade des Anglais, tusschen de palmen en oleanders en tegen het blauw der kalme zee ziet wiegen en blinken.

De geur van Nice—althans van het nieuwe Nice—is in dit seizoen de geur van—violen. In mijn geheele leven zag ik zoovele van die welriekende bloempjes niet als hier op één enkelen dag. Overal ziet men viooltjes, bij een kleurenpracht van velerlei andere bloemen zonder wederga. Van de twintig voorbijgangers—’t zij mannen of vrouwen—zelfs van de zeer eenvoudigen, heeft er zeker één, aan boezem of in knoopsgat, een tuiltje van groene blaadjes met een centrum van violen. Dat er, behalve in zoovele bloemwinkels, een schat van kleuren en geuren langs de straat wordt te koop geboden, behoef ik u niet te zeggen. ’t Zij mij vergund u even te verhalen, van welk klein drama een der Nicische bloemenmeisjes vóór luttele dagen de hoofdpersoon is geweest.

Rosa Chiappero, een zeventienjarige Nicienne met prachtig zwart haar, met een rozenblos op haar zuidelijk teint, een paar zwarte bijna doorloopende wenkbrauwen, een oogenpaar donker als marmerzwart, doch met al den gloed der Italiaansche zon, Rosa had haar mand met violen-bouquetjes even op een bank van de quai St. Jean Baptiste neergezet, toen een rijzig jong werkman—Philippe Loudello—door een oud man—Philippes vader—gevolgd. snel op haar toetrad, haar, met bekendschap groetende, toesprak en haar fraai gevormde lippen nog schooner roemde dan de roos in het violen-bouquetje, ’t welk hij á tout prix van haar begeerde.

Mlle Chiappero scheen het zeer warm te krijgen en trok den rooden foulard los, dien ze om het kwistig in breede tressen gevlochten haar had gebonden: “Ah M.’sieur Philippe.” sprak ze, “prenez-un, s’ilvousplaît!” en wierp met een soufflement de phh! haar fraaie kopje een weinig in den nek, alsof ze met niets anders dan met de zonnewarmte te kampen had, en liet terzelfder tijd den rooden foulard naast zich op de bank glijden.

Hoelang Philippe Loudello zich nog—bij de geur der welvoorziene bloemenmand,—in de zonnestralen van Rosa’s heerlijk oogenpaar bleef koesteren, we weten het niet, maar zooveel is zeker; dat hij—nà zijn bouquetje zorgvuldig met een speld, hem door Rosa gegeven, in het knoopsgat te hebben bevestigd, haar vaarwel zei met den zacht gefluisterden wensch: dat ze hem met de mi-carême ook die andere bloem,—de bloem van haar rozenlipjes zou schenken!

Toen Rosa’s lange koolzwarte wimpers bij Philippes zoetklinkende woorden naar omlaag gingen, werd er eensklaps een! “Ah mon Dieu!” uit haar mond vernomen: “Ah mon Dieu! le foulard! Hier was hij, en hij is er niet meer!”

Dites.... mon pére, tu l’auras vu....?” riep Loudello; maar rondziende zag hij den toegesproken grijze evenmin als Rosa—steeds zoekende—haar zijden foulard. De oude Loudello moest [247]ongetwijfeld zijn doorgewandeld en zijn weg om den hoek der rue Chauvin hebben vervolgd.

Philippe was zeer begaan met het lieve kind en sprak haar geruststellend toe; hij zou niet rusten, eer zij haar mooien doek terug had, ’t zij door de hulp der politie, ’t zij dat hij haar een nieuwen foulard mocht vereeren.—Dat “un méchant” den doek in ’t voorbijgaan had weggenomen, zulks leed geen twijfel. Want er woei geen windje en—noch op dit wandelpad naast den rijweg met zijn hooge winkelhuizen, noch in de diepte op het steenachtige bed van den Paillon was hij te bemerken.

Toen mlle. Chiappero Philippes verzekering had vernomen, toen zag ze hem met haar glinsterende oogen, waarin reeds een traantje geblonken had, zóó vriendelijk dankbaar aan, dat mr. Philippe in stilte den eed herhaalde, dien hij zich zelven gezworen had.

Met de laatste carnavalsfeesten heeft hij Rosa voor ’t eerst ontmoet, en toen hij haar, op dien zoeten avond verliet, had hij in stilte gezegd, dat zij zijn vrouwtje moest worden, zoodra zijn patroon hem, ter wille van zijn goeden naam en erkende kundigheden, van gewoon ouvrier tot maître d’atelier zou hebben bevorderd.

Zeer in de nabijheid der jongelieden, doch voor hen geheel onzichtbaar—nl. om den hoek der reeds genoemde rue Chauvin—had terzelfder tijd de oplossing plaats van het raadsel: waar toch de foulard mocht gebleven zijn!

Een zeer bejaard man had zich zoo snel hij kon van de quai St. Jean Baptiste, langs wagens en rijtuigen heen, naar de rue Chauvin begeven, en, na een paar maal met een schuwen blik te hebben omgezien, heeft hij een roodzijden foulard uit zijn broekzak te voorschijn gehaald, met het voornemen om hem haastig in den binnenzak van zijn paletot te verbergen.

Doch zie, eensklaps verbleekt de nu eenigszins verhoogde kleur van den 78-jarigen man. Een op de quai St. J. B. gestationneerd sergeant de ville had van verre gezien, hoe Monsieur François Loudello—le vieux—den doek van de bank genomen en er zich zeer snel mee verwijderd had.

Weinige minuten later berustte het corpus delicti op het politiebureel en ontving de oude Loudello een aanzegging om—als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, des anderen daags ter terechtzitting te verschijnen.

Maar de oude man verscheen er niet.—Hij was ziek!—très-malade, le pauvre vieillard!—Doodsbleek verklaarde Philippe Loudello zulks aan den rechter, en roerend was de toon, waarop hij smeekte, dat hij in de plaats van zijn “bon vieux père” zou worden verhoord en, zoo men een altijd braaf en eerlijk oud man moest straffen, omdat hij, kindsch geworden, als een kind had gehandeld, dat men dan hem—Philippe mocht gevangen zetten, ofschoon die smaad hem dan ook zijn naam, zijn eer, zijn toekomst als maître d’atelier, zijn liefde, zijn leven zou kosten!

Maar hoe treffend Philippes pleidooi voor den ouden vader al verder mocht zijn, het recht moest zijn loop hebben, en de arme [248]Philippe barstte in een bitter snikken los, toen hij aan ’t einde der zitting den ouden vader tot een gevangenisstraf van 10 dagen hoorde veroordeelen. Bijna stikkende in tranen van smart en verkropte woede, heeft Philippe de rechtzaal verlaten, en,—Rosa voorbijgaande, heeft hij het gelaat met de beide handen bedekt en verzucht: “Ah! ce maudit foulard.”

En het eind der geschiedenis!

Hij zal ziek zijn en ziek blijven! had Philippe gezworen: “In de gevangenis komt le vieux chéri, zoolang ik adem heb, nooit.”

Wordt het laatste bewaarheid, van die ziekte schijnt de oude man reeds hersteld te zijn; althans, naar men zegt, is de grijze Loudello voor een paar dagen weder in het Parc public gezien, terwijl hij er naast mlle. Rosa met haar bloemen op een bank onder den hoogen mirteboom zat.

De punt van den roodzijden foulard kwam uit den borstzak des ouden te voorschijn, terwijl Rosa zelf een witten foulard om haar ravenzwart haar had gebonden.

Avec le ciel il y a des accommodements. Men zegt, dat mlle. Chiappero ter elfder ure op den inval is gekomen, van zich te herinneren, dat zij tijdens de carnavalsfeesten den foulard aan den ouden Loudello, die hem zoo mooi vond, had toegezegd en—dat de sergeants de ville in last hebben gekregen om, à l’égard du vieux, de vijf vingers voor de oogen te houden. En voorts zegt men, dat de chef van Mons. Philippe—vernemende hoe de brave jongen zich, in weerwil van die gevreesde schande, voor zijn grijzen vader heeft willen opofferen, hem met den 1sten Mei tot maître d’atelier zal verheffen, en dat met de mi-carême, le bon et beau Philippe van de lippen der schoone zwartoog het roosje zal plukken, waarvan de geur zich steeds zal vernieuwen en even duurzaam zal zijn als de kleur van le foulard du vieux père Loudello.


Nice, 24 Maart 1879.

Amice!

Het komt mij bijna onmogelijk voor om in dit seizoen uit Nice te schrijven, zonder van den zomer te gewagen, die hier telkens meer bekoort en verrukt.

“In ’t volle groen! Met bloemen zonder tal!”

Ik vermoed, dat de Baie des Anges zijn naam is verschuldigd aan de onzichtbare nabijheid “dier zalige hemelingen”, gelokt en onweerstaanbaar geboeid door den bloemengeur, die van zijn oevers opstijgt. [249]

Met de mi-carême, wanneer onze jonge vriend Loudello van madlle. Chiappero een ander langgewenscht bloempje zal ontvangen, dan moet er een bouquettenfeest plaats hebben, en waarschijnlijk zult gij daar later van hooren; voor ’t oogenblik moet ik u een bouquet doen zien, dat hier voor een paar dagen onder een der kolonnades van de Place Masséna veler aandacht trok. Stel u een bouquet voor, waarvan de uiterste rand uit frischgroene varen bestaat; naast, of tegen die varen, een cirkel van ruikende viooltjes en het middenrond gevuld met witte camelia’s en andere witte bloemen, waaronder hyacinten. Eenvoudig zult ge zeggen. Maar de afmeting! Zoo iets zag ik nooit: de bouquet had een omtrek van drie meters en een middellijn van één meter en dertig centimeters, terwijl ik omstreeks honderd witte camelia’s in het centrum geteld heb. Hoe de zangeres Madlle. Ciuti, voor wie de bouquet als Aïda bestemd was, er haar dankbare révérence mee zal gemaakt hebben begrijp ik niet, want de persoon, die dit niet alledaagsche huldeblijk aan de succursale der bloemisterij ter tijdelijke uitstalling kwam brengen, bezweek haast onder zijn last en beet zich vergenoegd op den forsch vooruitspringenden knevel, toen hij de monster-cornet met haar geurenden inhoud stevig en wel op de leuningen van een drietal stoelen geplaatst had.

Ofschoon het bezichtigen van kerken in den regel niet tot mijn liefhebberijen behoort, tenzij er kunstschatten te bewonderen zijn, zoo bekroop mij Zondag ll. toch de lust om—na een vluchtig kijkje in de Notre Dame de Nice te hebben genomen, er mij des namiddags nog eens heen te begeven. Op muren en pilaren stond het volgend Avis te lezen: “Dimanche à trois heures et demi un sermon de charité sera prêché par sa Grandeur Monseigneur l’évêque de Nice, pour les besoins du Diocèse et en particulier pour l’oeuvre si important des vocations ecclésiastiques.

Zeer tijdig er heengegaan, bekwam ik, in weerwil van een buitengewoon groote opkomst, een uitmuntende plaats, zeer in de nabijheid van het weelderig met bloemen versierde hoofdaltaar en tevens van den kansel, waarop de bisschop zijn preek zou houden.

Wie aan onze deftige of—vooral in onze R.-K. kerken, veelal fraai gesneden houten kansels gewoon is, wordt onwillekeurig op ’t zonderlingst getroffen door dien preekstoel, geheel bekleed met rood damast en dito fluweel, terwijl gouden belegsels en franjes er kwistig zijn aangebracht.

De vesperdienst, waarop ik niet had gerekend, duurde mij wel wat lang. Nadat hij geëindigd was, opende een “Suisse” die een rood gewaad, met goud-zilveren borduursels en epauletten, een grooten steek met witte veer en een soort van lans met vergulde piek in de hand droeg, den stoet van priesters en koorknapen—altemaal in roode en witte dienstkleederen, die den bisschop van Nice tot achter den preekstoel vergezelden.

Een oogenblik later zag ik het neerhangende rood damast in het fond van den preekstoel vaneengaan en den bisschop—Mons. Balin, in een straal van het hooge kruisraam achter den stoel, in [250]den kansel treden, waarna de draperie zich weder achter hem sloot.

Vele stoelen, die front naar het altaar hadden gemaakt, werden nu eenigszins schuin, ter zij naar den redenaar gekeerd; de “Suisse” voerde de priesters en koorknapen naar de hooge ruimte bij het altaar terug, waar zij allen plaats namen, en—de bisschop begon zijn rede.

—Het was voor hem een plechtig en ernstig oogenblik. Zijn ziel was bedroefd. Hij—de bisschop van Nice,—hij moest met smart getuigen! dat men hem priesters vroeg, en hij er geen had te geven.

—Er waren gemeenten in zijn bisdom, die, verzonken in de onwetendheid, voortleefden zonder God, zonder vergiffenis hunner zonden en zonder de genademiddelen der Heilige Kerk te ontvangen.

—O! terwijl er in deze tijden vorsten waren die de priesters verdreven, moest de bisschop van Nice vragen: Geeft ons priesters!—Maar hij vraagt ze niet aan zijn hoorders. Hij weet wel, dat ze hem hun zonen niet zullen geven; neen, hij vraagt de hulp, de milde hand der schare, opdat men ginds op de bergen ga zoeken en vragen, en voorzeker, de armen en eenvoudigen zullen hun zonen met liefde zenden in den wijngaard des Heeren!

—In deze heilige ure heeft de bisschop zich voorgesteld om te spreken van de hooge roeping en het eminente standpunt des priesters.

Het zij mij vergund de—letterlijk door den bisschop gesproken woorden onvertaald te doen blijven.—Z. E. vervolgde zijn rede.

“Vóór alles en vóór alle schepselen bestond God; oneindig in grootheid, oneindig in liefde.

“In den beginne besloot ce grand Dieu om hemel en aarde te scheppen.

“Als een verheven artist il prit palette et pinceaux en maakte het kunstwerk, les cieux et la terre. Aan het prachtig tafreel ontbrak in ’t einde niets dan een sprank der Godheid zelve, en,—een laatste coup de maître voltooide het geheel; de mensch was geschapen.

“Maar ziet, de duivel—jaloersch op het werk, ’t welk hij zag, bracht den mensch ten val.

“Nochtans Gods goedheid was onbegrensd. Zijn eigen Zoon moest van den hemel nederdalen om den mensch te behouden, ja hem op aarde reeds grooter te maken dan hij te voren geweest was.

“Die verhevener mensch is de christen.

“Doch boven den christen staat de priester!

“Le prêtre mes frères, cette main de poussière, wat is hij groot, wat is hij machtig!

“De helden en wijzen en kunstenaars der oudheid, wat zijn ze! Wat zij deden of wrochtten het is voor het meerendeel vergeten, vernietigd. Maar wat de priester werkte aan de zielen der gemeente, het ging niet verloren, het leeft in den hemel!

“Keizers en koningen der aarde, wat zijn ze! De machtigste zelfs, die de geheele wereld aan zijn schepter verbindt, o, op zijn beurt [251]ziet hij zich straks overwonnen, beroofd van macht, van glorie en kroon. Maar de kroon van den priester blijft! blijft eeuwig in den hemel!

“Hoe zal ik u de grootheid des priesters schetsen, mes frères, vervolgde de bisschop: hij overtreft die der hemelingen, la puissance des Anges! “Wat kunnen de engelen voor het arme menschenkind doen! Helaas!—Maar de priester, is hij niet l’intermédiaire—de middelaar Gods en der menschen?

“En gij, o liefelijke heilige Moedermaagd! Wanneer wij de hooge waardigheid van den priester schetsen en zijn macht boven de uwe verheffen, o, gij weet het, dan doen wij niets te kort aan onze liefde en vereering voor u. Ja, de priester staat hooger dan gij. Voorzeker, gij hebt het leven geschonken aan den Zoon des menschen, maar de priester,—schenkt hij in het misoffer niet iederen dag van nieuws af aan het leven aan den Heiland der wereld!

O prêtres de notre Seigneur, que vous êtes nobles et puissants! Ja, meer vermoogt gij op aarde zelfs dan Jezus, de Heer, die u het recht schonk om in Zijn naam de zonde te vergeven en aan het sterfbed de zielen te redden van een eeuwig verderf. De priester, mes frères, is hij niet de hoogste macht op aarde! Oui mes frères le prêtre c’est Dieu!


Van commentaren onthoud ik mij. Ik gaf slechts hetgeen ik hoorde, maar geloof zeer zeker, dat zelfs onze R.-K. landgenooten de preek van monseigneur Balin wel wat door de zuiderzon gekleurd zullen vinden. De bisschop, wiens kleeding bestond uit den violetkleurigen schoudermantel op de zwarte soutane met een summarium of overkleed van geborduurd neteldoek—had bij iedere gesticulatie een zeer grooten prachtigen diamant aan zijn vinger doen schitteren, en toen hij nu ten slotte zijn toehoorders nogmaals zeer dringend had opgewekt tot het geven van milde bijdragen ten behoeve van de zoo bitter noodlijdende kerk, toen had ik hem wel willen vragen, of hij zelf niet zou vóórgaan met het werpen van dien kostbaren steen op een der zilveren schalen—waarmee na zijn: Ainsi soit il! een aantal jonge en ook enkele oudere dames de kerk doorkruisten. Maar ik geloof, dat die vraag minstens toch zeer onbescheiden zou zijn geweest—immers wie onzer is gewoon den arme, dan blinde, den kreupele zoo aanstonds zijn kostbaarheden in den schoot te werpen!

Ik schrikte. Ternauwernood was de bisschop weer door de roode draperie van den preekstoel verdwenen of een zwaar orkest op het Koor viel oorverdoovend in, en terwijl de Turksche muziek er dapper op losbeukte, meende ik—ook straks in een solo cornet-à-piston, zeer duidelijk Verdi uit zijn opera’s te herkennen. Bij het uitgaan van de kerk trof het mij, bij een zoo groote schare, die gedurig door den bisschop: mes frères was betiteld, zoo weinig mannen te zien. Ik geloof getrouw aan de waarheid te blijven, indien ik verzeker, dat van de honderd personen er ongetwijfeld tachtig [252]vrouwen waren. Een allervreeselijkst geschuifel, veroorzaakt door het onophoudelijk in- en uitloopen van kerkbezoekers, het veelvuldig gefluister en zelfs eenige malen het geschrei van zuigelingen, dit alles maakte het den bisschop kwaad genoeg en dwong hem tot het krachtig uitzetten van zijn stem, waardoor zij niet altijd harmonisch klonk.


Nice, 26 Maart 1879.

Amice!

Reeds sedert vele weken verkondigen reusachtige aanplakbiljetten, dat er onder bescherming van den hier bestaanden Cercle de la Méditerranée, tegen 20 en 21 Maart Les Régates zouden plaats hebben. En de toebereidselen tot dat zeefeest werden mede reeds sedert dagen gemaakt. Een groot gedeelte van de zeer lange Promenade des Anglais werd door een planken schutting van den rijweg afgescheiden, welke schutting slechts in het midden een opening heeft ter plaatse, waar een breede houten brug, met vele vlaggen versierd, het prachtigste gebouw van den Cercle—over den rijweg heen—met tribunes verbindt. Die tribunes, aan de zeezijde tegen de steenen helling, over een lengte van meer dan 100 meters opgericht, werden van boven met blauw katoen bekleed, ten einde de houders van kaarten à 10 francs, niet gehinderd door een te felle zon, het schouwspel te doen genieten van een stoom- en zeil- en roeiwedstrijd op de blauwe wateren der Middellandsche Zee. Aan de hooge staken, die zich bij honderden boven de tribunes en ook aan de achterzij van het afgezette wandelpad tusschen de palmen en oleanders verheffen, wapperden, mede reeds sedert eenige dagen, kleine vlaggen van allerlei kleur, ofschoon ze niet meer behoefden te verhalen, dat het een internationaal feest zou zijn, aangezien de programma’s met zeer groote letters verkondigden, dat Le Prince de Gales de hooge beschermheer was, men elkander zelfs vrij stellig verzekerde, dat Son Alt. Royale ongetwijfeld in eigen persoon de feesten zou bijwonen.

Voor den wedstrijd van stoombooten van alle natiën, alsmede voor zeil- en roeivaartuigen werden door velerlei corporaties en particulieren prijzen uitgeloofd.

Volgens het Plan et Parcours des Régates zouden de stoomschepen den 20sten van Nice vertrekken, eerst met een wending zuidwestwaarts, om dan—wat verder van de kust, in rechte lijn oostwaarts koers te zetten naar het wat meer in zee vooruitspringende Monaco. Den volgenden dag—21 Maart—zouden de stoomers langs denzelfden weg terugkeeren, terwijl de kampioenen der zeil- en roeivaartuigen wat dichter nabij de kust den wedstrijd [253]zouden houden. Vier observatiebooten moesten in zee stationneeren. Eén het dichtst bij de kust juist tegenover het gebouw van den Cercle M.; één op het punt, vanwaar de stoombooten, ná den Z.-W. tocht, rechtstreeks oostelijk koers naar Monaco zullen zetten; één ongeveer ter helfte van Monaco en de vierde aan de ree van Monaco zelf.

Zóô was alles bepaald en geregeld. Maar helaas! het eerste alhier zeer schitterend te vieren Internationale Zeefeest zou het lot deelen van zoovele Nederlandsche zomerfeesten in de open lucht!

Bijna drie weken achtereen scheen de zon met helderen glans, maar als zij hier schuilgaat en een ZO. wind—de Libeccio, een wind uit Libye—de zwarte wolken voortzweept en wolken stofs doet opstuiven, zoodat hij straten en pleinen in grijze nevelen hult; wanneer dan na het vallen van enkele zware regendroppels al spoedig plasregens neerstorten, die slechts een oogenblik verminderen om door nieuwe stroomen uit de sluizen des hemels te worden gevolgd, dan verwondert men zich niet, dat men de straten, die met fijngeklopten kalksteen gemacadamiseerd zijn, in ware modderwegen ziet verkeeren, terwijl slechts de huurkoetsiers—allen met een paraplu boven het hoofd—den zilverstroom des hemels zegenen, waardoor ook het zilver der vreemden nog wat milder in hun zakken vloeien zal.

In den nacht van 18 op 19 Maart hadden wind en regen de feestcommissie reeds doen voorhoofd-rimpelen. Op Woensdag den 19en Maart floot de Libeccio met zóóveel kracht, dat hij de palen der tribunes aan zee deed kraken of neerwierp, het blauwe doek ter wering van ’t zonlicht vaneen scheurde en ginds en her in flarden deed vliegen hoog door de lucht. De regen viel steeds bij stroomen. “Un temps du diable, mon s’r!” zei de hotelhouder Platel, toen we des avonds, omstreeks zeven uren, zijn salle á manger verlieten. “Et les Régates, mon s’r Platel!?”

“Ah! ze zijn tot aanstaanden Maandag uitgesteld. We zijn niet gelukkig met onze feesten van ’t jaar. Vóór het Carnaval hadden we prachtige dagen, maar niet zoodra zouden de feesten beginnen, of daar kwam gedurig de regen, en nu, le temps se moque des Régates!”

“Als het hier regent, dan schijnt het raak te zijn!”

“Ah si; les averses sont souvent d’une violence extrême comme les pluies des régions tropicales. On compte avoir 55 á 65 jours parfaitement beaux dans chaque saison, et pourtant, malgré la rareté des pluies, la quantité d’eau qui ce précipite annuellement dans le bassin de Nice, est supérieure á la masse liquide qui arrose chaque année les campagnes du Nord de la France; tandis qu’á Paris la moyenne est de 54 cent., elle est á Nice de 70 cent.”

Als men, naar buiten ziende, de zware droppels in dichte massa’s zag neergutsen, dan kon men aannemen, dat M. Platel die wijsheid uit een even degelijke bron had als de bron overvloedig mocht heeten, die nu den meestal schier drogen Paillon met twee fiksche stroomen door zijn steenen bedding deed bruisen. [254]

Terwijl het zoo regent, maar de zachtste weersgesteldheid u toch volstrekt niet belet om na het diner, bv. van 8–9 uren onder de arcade—of kolonnade—van het café de la Victoire uw demi-tasse te gaan gebruiken, zie ik een der hoofd-garçons contre-maître genoemd, met een geweldig blond oog en een zeer gehavenden neus ces Messieurs en Mesdames bedienen.

“Hoe ben je aan die illustraties gekomen?” vroeg ik hem bij ’t schenken van onze café au lait.

“Le diable de comte! Hij kwam dronken hier. Nadat hij la gentille dame au comptoir beleedigd had en ik hem weigerde absinth te schenken, maar hem de deur wees, stiet hij mij op ’t hevigst met de vuist in het oog en kwetste mij bovendien gevoelig met den grooten steen van zijn ring. Maar nog denzelfden avond zat hij au violon en kan nu 15 dagen zijn roes uitslapen, eer hij tot zijn etat normal d’ivrogne mag terugkeeren. Mauvaise clientéle, m’sieur!”

Weinige oogenblikken later las ik in “Le progrès de Nice” een bijna eensluidend verhaal, nl. van zekere nommé Landino, die den kastelein Palmieri van de Brasserie du Littoral—omdat hij den dronkaard niet meer schenken wilde, met een glas op het hoofd had geslagen.—En iets verder:

“La nommée Marie M.... a été arrêtée pour ivresse scandaleuse.”

En weer iets lager, ’t geen ik terwille van de eigenaardige wijze van vermelding letterlijk afschrijf:

Arrestation. M. Pierre G...., le jour de la Mi-Carême, se dit: Il pleut, maist c’est pas une raison pour ne pas se divertir un peu; si on se mouille á l’extérieur, il faut réagir et s’humecter à l’intérieur.

“Il a tant réagi que la réaction ne s’est terminé que le lendemain au violon.”

Men ziet het, dat er niet alleen in ons dierbaar Nederland aan Bacchus wordt geofferd, en ofschoon ik bekennen moet meermalen zwaaiende personen in echt vroolijke stemming te hebben ontmoet, ja dikwijls een niet onharmonisch gezang uit hun mond heb vernomen, het medegedeelde bewijst genoeg, dat een “kwade dronk” ook in het zuiden niet zeldzaam is.

Is de smaak voor geestrijke dranken al tamelijk gelijk aan die in ons lieve vaderland, het politiek leven is hier in ’t Zuiden oneindig meer ontwikkeld. Bij duizenden worden de exemplaren van Fransche nieuwsbladen—van allerlei vorm en politieke kleur, langs de straten verkocht en veelal gelezen. Mannen en zelfs vrouwen van allerlei stand ziet men met een nieuwsblad op banken gezeten of langzaam lezende voortgaan. De vele zoozeer uiteenloopende richtingen dier bladen vinden alle ook hier hun aanhangers, en ’t is wel een wonder, dat men bij de heftigheid, waarmee bijv. “een Progrés de Nice” zijn tegenstander “Le Journal Niçois” bestrijdt, onder hun trouwe, zoo licht ontvlambare volgelingen niet meer van moord en doodslag verneemt. Dat het peil van ontwikkeling bij al dat politieke leven hier hooger dan bij ons zou staan, ik betwijfel het zeer. Aan meer dan twintig, meest welgekleede inwoners van Nice vroeg ik naar [255]den naam van een hoogopgroeiend heestergewas, ’t welk men hier overal ziet en welks bladen in vorm en kleur aan onze linden- en moerbezie-blaren herinneren, terwijl het een overvloed van lieve witte bloempjes met gele harten draagt. De antwoorden klonken steeds uiterst beleefd, maar ik kreeg niet anders te hooren dan een: “Ah mille pardons! Je ne saurais le dire!” of iets van dien aard. Een der garçons van het meergenoemde Café, waar zeer hooge exemplaren van die struiksoort tusschen de kolonnades bloeien, keek óók zeer verwonderd bij mijn vraag en had ze blijkbaar nog nooit opgemerkt; intusschen hij kende een monsieur très-savant, en,—gisteren gaf hij mij een klein plankje waarop die geleerde geschreven had: Sparmagnia.

Op den 20sten Maart—den eersten dag waarop de nu uitgestelde Régates zouden hebben plaats gehad, moesten de blauwe wateren der Middellandsche Zee in plaats van een feestvierende kust te besproeien veler harten met diepe wonden slaan.

’t Is u bekend, dat het stoomschip l’Arrogante,—een instructieschip van Toulon nabij de zee van Porquerolles—zijnde een der drie “îles d’Hyères”,—heeft schipbreuk geleden en vijftig mannen en jongelingen er hun dood in de golven moesten vinden. En onder de honderden te Toulon, die zich hadden voorgesteld om op dien dag het feest in “Nizza la bella” te gaan bijwonen en er het vroolijk gewemel van stoomers en zeilers en roeiers op de Baie des Anges te genieten, o, ze bleven verre van de schoone stad, maar ze tuurden met starren blik op diezelfde zee, aan wie ze hun dierbren terugvroegen, ’t zij met een traan of een zucht of—met een “Ah, ces eaux maudites!” op de lippen.

Met betrekking tot de hevigheid van den storm zegt “le Journal de Nice”: “Sur la rade des îles d’Hyères l’Arrogante reçut l’ouragan, qui de mémoire des plus vieux marins de nos côtes a dépassé en violence tous ceux enregistrés jusqu’à ce jour.

Nader iets over de feesten en—over Monaco.


Nice, 29 Maart 1879.

Amice!

“Nizza la bella” was op Maandag den 24sten Maart werkelijk de lachende schoone, blij glanzend van feestvreugd, onder een hemel van ’t diepste blauw.

Van heinde en verre waren nog altijd vreemdelingen toegestroomd.

Wie zich echter had voorgesteld de stad, die voor het eerst haar Régates zou vieren, met vlaggen en groen en bloemen getooid te zien, hij zou zich zeer vergist hebben, want, zoomin aan publieke als aan particuliere gebouwen was er het geringste spoor van te ontdekken.

Slechts aan zee waren het gebouw van den Cercle de la Méditerranée, [256]de houten brug van zijn balcon over den rijweg tot aan de tribunes en die lange tribunes zelven met vlaggen versierd, zoodat die aanblik uit zee wel het verrassendst moet geweest zijn.

—En het feest?—In weerwil van alle ophemeling geloof ik te mogen zeggen, dat het zoogoed als mislukt is.—Door de zeeramp der “Arrogante” van Toulon was het reeds kleine getal van vijf stoomschepen, die aan den wedstrijd zouden deelnemen, nog tot drie verminderd—want Toulon, in diepen rouw, had zich teruggetrokken—en de toeschouwer zag dus slechts die drie booten, soms op vrij verren afstand, tweemaal in een zeer grooten kring voorbij het gebouw van den Cercle stoomen, alvorens koers naar Monaco te zetten. De voorste bleef de voorste, en de achterste de achterste. Onwillekeurig—en natuurlijk zeer ongepast—kwam mij het rijmpje in de gedachten: Drie oude wijven; ze konden mekaar niet krijgen; enz. enz.

De zeil- en roeiwedstrijd was dien dag vrij aardig—inzonderheid voor hen, die de schepen of roeiers kenden; maar op die groote en grootsche zee werd alles zoo klein en zoo nietig.

En van de duizenden, die men op de tribunes had verwacht, waren er zoovele honderden, en van de duizenden, die het buiten de tribunes evengoed of misschien nog veel beter zagen, waren er weer honderden, die het wel heel mooi of aardig vonden, maar toch reeds lang vóór het einde de kust door den Jardin Public of langs de zij der hooge Terrasses verlieten. “En avant, pour la gymnastique!” zei een roodbroek tot zijn kameraden; en dat laatste wil zeggen: Met den gezwinden pas!

Ongetwijfeld heeft het groote vuurwerk, ’t welk des avonds op zee zou worden ontstoken, wel een belangrijk deel in de aantrekkingskracht tot het feest gehad.

Toen het des avonds negen uren terdege donker was—want dikke wolken hadden zich in den namiddag weder saamgepakt—toen was het aantal menschen uit de uitgestrekte wandeling aan zee zeker even ontelbaar als het starrenheir, ’t welk zich nu achter die wolken verschool.

De tribunes met hun verlichting à giorno waren slecht bezet; ik geloof, dat het aantal gekleurde ballons dat der bezoekers nog overtrof. De feestcommissie, met haar hooge gasten, bevond zich meest op de breede brug van het gebouw, naar het strand.

Tuurde men op de zee, dan zag men.... een nachtelijk duister. Allengskens echter daagden er van de linkerzijde—om den hoek van den vuurtoren, zeer van verre, eenige roodlichtende bollen op, die veel overeenkomst hadden met groote, vanbinnen verlichte oranjes. Bij twintig- en dertigtallen, slingerswijze, doch zeer onregelmatig op- en neerdobberende, namen zij al meer en meer in aantal toe, en eindelijk—steeds voorwaarts trekkende—formeerden zij twee rijen juist tegenover het feestgebouw, ’t welk nu inderdaad op ’t prachtigst met gas en velerlei kleuren was verlicht—en tevens flankeerden zij de twee nog onzichtbare schepen in zee, waarop het vuurwerk zou worden ontstoken. [257]

De wind werd vrij koel. Van tijd tot tijd vielen er eenige verontrustende regendroppels.

“La pièce!” zei er een; maar slechts het gebruis van den zwaren golfslag op het keien-strand gaf antwoord. En, de zóóvele honderden lichtende oranjes bleven op- en neerdansen zonder dat er van de schuiten zelf, waarop ze wiegden, noch van al de roeiers, die er met een tamelijk bewogen watervlak te kampen hadden, het geringste kon worden waargenomen.

“La Pièce!”

Nog altijd dansten de oranjes en brak de golfslag met geweld op het strand.

Maar hoor, het signaal wordt gegeven.

Aan het groote water zal een hulde worden gebracht door het vuur; en de mensch zal juichen, want: de negentiende eeuw is trotsch op de beide broeders, die hen doen voortsnellen op de wiek van den stroom!

En................................................

Een vijfhonderdtal vuurpijlen schoot sissend en met ontzettend geraas gelijktijdig ten duisteren hemel op. Een vuurbouquet van millioenen roode, blauwe en allerlei andere bloemenkleuren ontplofte in het als vanéénscheurende zwerk en daalden in gouden en purperen en zilveren regens, hel blinkend neer. De zee tot aan den verren horizon was helder verlicht, de kust met haar ademlooze duizenden met een tooverachtig daglicht gekleurd.

En terzelfder tijd ontbrandde het vuur van een vijftigtal groote pektonnen, die zich—een pyramide formeerende—uit zee verhieven. En van dien reusachtigen vuurtoren schoten twee rosse bliksemschichten naar rechts en naar links en raakten de hooge masttoppen van twee fregatten1, die in hetzelfde oogenblik elkaar met een oorverdoovende kanonnade in de schitterendste kleuren bestookten en de kust deden daveren van het geweld hunner slagen. De strijd was geweldig! Maar zie:—Eensklaps sloegen de trotsche schepen in lichterlaaie van rood en van wit en van blauw. En de zee weerkaatste in duizenden prachtige tinten die vlammen en vonken: robijnen, safieren, diamanten en.............................

Ik vraag u wel om verschooning! Dit alles zag ik slechts in mijn verbeelding.

Misschien is het niet mogelijk om op onze Nederlandsche kust een vaar-wedstrijd op groote schaal te doen plaats hebben: maar kon dit zoo wezen, dan houd ik mij overtuigd, dat althans zeer zeker het gemeentebestuur van ’s-Gravenhage voor zijn groot stedelijk Badhuis te Scheveningen iets anders zou ontsteken dan ’t geen de Franschen hier: Superbe! Splendide! en ik weet niet wat meer noemen.

Het vuurwerk bestond in een vuurpijl.—Hê!—Nóg één.—Hê!—En nog één; enz.—Een donderbus; een wiel; een donderbus; een vuurpijl.—Weer een wiel.... [258]

Maar genoeg. Het slottableau was een scheepje in Bengaalsch vuur, met—pief—paf, knap!—Uit!—

Ik verzeker u, dat een gewoon Donderdagavond-vuurwerk even mooi is als het vuurwerk der groote Régates te Nice, behalve—dit moet gezegd worden—het niet onaardig gehobbel der oranjes en het werkelijk prachtig weerspiegelen van een veelkleurig vuur in de golvende zee.

En de afloop van den stoom-, zeil- en roeiwedstrijd op den tweeden feestdag?

—Helaas, te twee uren stak er weder zulk een hevige wind op, dat de kampioenen,—vooral de roeiers, onmogelijk den kamp konden wagen of voleinden en zoo snel mogelijk de haven trachtten te bereiken. Twee zeilschepen verloren hun masten; vele kleine vaartuigen kregen averij, en één hunner werd zelfs door een hevigen windstoot omvergeworpen.

Te vijf uren zag men tusschen de hooggekamde golven nog een paar kleine booten, die—worstelende met het onstuimig element den bijna gezonken confrater op sleeptouw hadden.... Gelukkig had de bemanning van het scheepje zich weten te redden. Maar toch, om denzelfden tijd zag men langs den Paillon een brancard zeer langzaam in de richting van het hospitaal verdwijnen. Het heeft zich helaas bevestigd, dat een matroos er zeer slecht aan toe is.

Nogmaals moest nu de laatste wedkamp worden uitgesteld; maar—toen hij Donderdag den 27sten plaats had, toen waren de oogen van inwoners en vreemdelingen vrij wat minder naar zee dan naar de landzij gekeerd.

Geen wonder: Op de Promenade des Anglais—den rijweg naast het wandelpad aan zee—daar zou de “Bataille des Fleurs” worden gehouden.—Had reeds de Carême zijn fête des fleurs gehad, de Mi-Carême moest die evenzeer hebben.

En dat was aardig, smaakvol, allerliefst!

Op dien breeden rijweg met zijn palmen en oleanders langs de zee was het een onafzienbare reeks van open rijtuigen, vele op het kwistigst met groen en bloemen versierd, die elkander stapvoets voorbijreden.

Het aantal bouquetten, veelal aan de zijden of ook geheel rondom de landauers en calêches tentoongesteld, maar voor ’t meerendeel binnen die rijtuigen in langwerpige manden opeengehoopt, is niet te bepalen. Prachtig was de versiering van sommige equipages, die, aan de voornaamste villa-bewoners toebehoorden, of ook van die, waarin slechts enkele “dames” waren gezeten.

Wij zagen een landauer, die behalve de wielen geheel onder groen en bloemen was verscholen. Verbeeld u, dat de tuigen van sommige paarden geheel in een bloementuig waren herschapen, en dat o.a. de reepen (of lederen treklijnen) uit een vaste aaneenschakeling van fonkelend roode camelia’s bestonden.

Welk een weelde van bloemen! In Maart!

En de bataille?—Bij ’t zien van vrienden of bekenden werpt [259]men elkander in ’t voorbijrijden om strijd zijn ruikers toe, en ook de onbekenden worden niet altijd vergeten.

Wie den rijksten oogst hebben, dat zijn misschien wel de arme stakkers, die telkens toeschieten om de geurige projectielen, welke hun doel hebben gemist, soms niet zonder eigen gevaar, voor een verpletteren onder hoeven of wielen te bewaren.

O! als er eens geen andere batailles dan zulke batailles werden geleverd!

En—zou er zulk een, in ons lieve—des zomers zoo bloemrijke Nederland, niet op haar plaats zijn!?

“Nice leeft van feesten!” zei mij een inwoner. “In den zomer hebben we zelfs la Fête des Boîteux et Bossus! ’t Is zeer eigenaardig. Al wat maar op den naam van gebrekkig kan aanspraak maken, trekt dan naar de bekende Promenade en vertoont zich aan hun—op dezen dag vrij wat minder interessante natuurgenooten.”

Maar hiermee eindig ik niet.

Weet ge wie de voornaamste, zoo niet de eenige grootheid van Nice op kunstgebied is geweest? Het was de kunstschilder Carel Van Loo (Carle Vanloo), de zoon van een Nederlandsch timmerman.

En—was het niet aardig, dat bij die Régates toch de allereerste prijs voor stoombootvaart werd behaald door een Parijzenaar, wiens naam wel duidelijk den Nederlander verraadt, Monsieur d’Outhoorn!

En dan,—het doet het vaderlandsch hart zoo goed, ook hier steeds weder de werken van onze eenige oud-Hollandsche schilderschool te zien en te hooren bewonderen.

Noblesse oblige!

Maar ook, hier—in het land der bloemen, leeft Holland met eere: In de breede Avenue de la Gare—de lange hoofdstraat van Nice,—is een groote bloemisterij, en voor de vitrines zag ik prachtige Azalea’s, met de namen in top: Eugène Mazel, François De Vos, Le roi d’Hollande. [260]


1 Ze konden ook nagebootst zijn.

[Inhoud]

Monte-Carlo.

Cet enfer de Monaco!” dat waren de woorden, die ik van een teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een “hel” gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij—volgens dat geloof—wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.

Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.


Men noemt oneigenlijk den naam van het stadje Monaco, als men van de plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een kwartier verder westwaarts is gelegen.

Monte-Carlo! Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!

Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado voeren.

Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.

In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in ’t groen, Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.

Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die groote—die “blauwe zee!” blauw tot den horizon toe.

En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas’ boorden hier ’t allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oud [261]Grieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan—schrikt ge, want ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!

“Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons.”

“Ei, is dat de Tir aux pigeons!” Uit zekeren hemel was ik alreeds in een soort van hel gevallen.

Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, ’t welk ooit werd uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas door zoovelen zonder zelfverachting genoten.

Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, ’t symbool der zoetste liefde? Welnu, tweemaal ’s weeks worden een aantal van die bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.

De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan dat knellende en martelende dak.

Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, vallen! welk een voldoening!

Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen later nogmaals aan dat “vermakelijke spel” te kunnen overleveren. In het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer te zien fladderen,—telkens weer zich verheffende, om het allengskens afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee—die zich straks over de arme ontfermen zal.

Men zegt dat ook vrouwen....

“Kom mee; we moeten verder!”


Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan de zeezijde—met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.

Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussen [262]met haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een menschenhoofd, reusachtige aloë’s, hier en ginder bloeiende met een stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in ’t rond, purperroode camelia’s, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, die hier voor geen wintermaand wijken.—En dan, langs die bosschages, zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het witte zeil van een schip in de verte.

O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang verloor haar lokstem nog niet.

Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, grootendeels kunstmatig, in ’t aanzijn riep, toen heeft men wel degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.—Reeds bevindt ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.

Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.—Recht voor u uit—over de geheele breedte van het gebouw—bevindt zich de bal- en concertzaal, waar des middags en ’s avonds een uitmuntend en sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier reusachtige, vergulde vrouwenbeelden—de priesteressen van een “gouden” vrede—wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op ’t kwistigst is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.

Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.

Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal ter linkerzijde der vestibule.

Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den mensch ten minste nog vrij staat zijn geluk te beproeven!

Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.

Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij, [263]in ’t midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets minder sterk. Die “ambtenaren” worden van tijd tot tijd door versche confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 uren staat de affaire geen oogenblik stil.

En—tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, tusschen die dienaren van “la veuve Blanc”, zitten mannen en vrouwen van allerlei stand en leeftijd,—men zou zeggen “op ’t eendrachtigst saamverbonden” neer.

De Prince de X zit er naast den nommé Pyr, die als garçon de café in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.

Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde matrone met elf ringen aan vijf vingers.

Inzonderheid om de tafels waaraan een speler—bij uitzondering—zeer “en veine” is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan gene tafel beproeft.

Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: “Tiens, comme ce grand est en veine!” mijn oor.

’t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren zegelring.—Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs1 werden door hem op “rood” gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd franc fladderden er naast.

Het balletje der roulette vloog in ’t rond.

Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!

Treize; noir, impaire; passe!” riep de croupier, terwijl hij schier terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud en zilver van zoovelen, die den man “en veine” op “rood” waren gevolgd.

Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blanke [264]wimpers naar omlaag,—prikkende in het speelkaartje—zijn kans te berekenen zat. Als hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!

Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en gedurig schuw in ’t rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen; Yes darling twenty-four, and black!

Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde bedoelt.... dat weet ik niet.

Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.

Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; ’t is geen landgenoot, maar te Nice heeft hij zijne kamer naast de onze.

Ja, ’t is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had fortuin; maar—het bekoorlijke vrouwtje—la gentille Alice B....—die hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen op den corridor ontmoet met oogen van ’t schreien rood.

Ah c’est lui qui l’a fait!” had men ons gezegd: “Il perd tout son argent! la pauvre belle femme!

En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem van de haren dropen—ofschoon zijn uiterlijk voor ’t overige zeer kalm schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.—Hij opent een portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.

Hij zet op 20—l’age d’Alice!

Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in ’t einde het straks teruggehouden goudstuk op “rood” zet.

“Vingt; noir, pair, passe!” roept de croupier.

Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.—’t Wordt er hem te benauwd.—“Permettez!” zegt hij opstaande, en als [265]hij achter de massa verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, den verlaten stoel reeds in bezit genomen.

Een zonderling gedruisch wordt op ’t onverwachts in de zaal gehoord. De menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt alras luider.

Wat is er gebeurd? Men weet het niet.

De bankdirectie wil het niet weten. Een schandaal moet á tout prix vermeden worden.—’t Is hier alles digne, hoogst fatsoenlijk!—La banque, c’est la paix!

De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk gesteld. ’t Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt zal zich vergist hebben.

“Messieurs faites votre jeu!”

Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen “vriend”—een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, is le nommé Pyr, garçon de café van Florence, en—’t werd reeds vroeger gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.

Maar de man met den gevierden naam?

Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.

De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de jukbeenderen heeft, zegt kuchende: “Ich spiele im Nachtdunkel.”

De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.

De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas boven die speeltafels brandt, maar—le maître d’hôtel connait son monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar schatten plotseling in ’t duister te zien gehuld.

En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlo [266]stroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men in de speelzaal een goudstroom verwachten.

Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.

Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf uren twaalf minuten vertrekt.

Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man zich naar buiten. ’t Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.—Ja, die oude vrouw zal helpen;—Nu zijn vermogen het hare is geworden, nu zal zij den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!

Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een bergstroom doorwaadt.

Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.

De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....

Wie is zij? Wie was haar man!?

Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.

Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!

Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en cypressen de schrille kreten wekt:

“Wij lieten ons goud ook in uwe zalen en stortten ons bloed ook naast uwe bloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!”

En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?—Neen, duizendwerf neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.

Maar hij zelf, hij heeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst van zijne jonge vrouw, en—van hun kind, nog ongeboren!

Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht. [267]

Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten van de reizigers der eerste klasse gezien.

Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis in den morgen in ’t Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden kastanjes gebruikt—naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment “un vrai Paillon” gelijkt.

Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in woeste vaart.

Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.

En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.

Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfer van zijn Alice zou hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!

En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren—waarmee hij gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.—Misschien is er een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij Villefranche is men met herstellingen bezig en ’t gebeurt wel eens, dat de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard “en veine” en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.—O! indien hij eens alles had teruggewonnen!

—Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles, ALLES verliezen zou.—O God,.... als die tunnel eens ingestort was!

Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.

O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier overluid, sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard! [268]

In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, ’t Is bij halftwaalf.—O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, ze moet kalm zijn.—Die laatste dagen van spanning hebben haar angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die vrees voor tunnels en levensgevaar, ’t was overdreven.—’t Is immers nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, en dan,—wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel droevig heeft geschreid.

—Ja, ja, zoo zal ze spreken,—of neen, aan dat schreien zal ze hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, een gansch afgesloten verleden worden. Van de toekomst alleen zal ze hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.

—Hoor! daar klinkt een voetstap.—O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.

—Maar, hij is het niet.—De laatste trein kan ook nauwelijks aanwezen.—Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.—Indien het niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.—In den nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als zij wat onrustig wordt.

—Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar lieven man ontmoeten, om hem een zoen—zoo’n innigen zoen te geven en hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij “het beste” nog niet verloor.

Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van den regen tegen de ruiten.

—O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,—zij wil zich verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, ’t welk ze in den namiddag begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan ’t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze Gérard. Ze hoort een schot.... [269]

En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.

Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; immers wat deert het haar; zij wacht haar man!

En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang—zijn figuur. Ja, hij draagt een lagen hoed.—Zie hij nadert.—Ondanks den plassenden regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: “Trop tard petite; ma femme m’attend.”

“O, Sainte Vierge!” krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, geheel en al ledig is.


Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk plantsoen, ’t welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een wijle in ’t verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.—Maar dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. ’t Was immers zijn doel, zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen heeft zij hem gesmeekt—gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.

Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig het bloed door de aderen gejaagd. “Terugwinnen!” is de lokstem geworden van den satan—die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst bleef toonen.

O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!—Ja zonder hem zal zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; en—verlost van den “speler” zullen bloedverwanten en vrienden haar met liefde omringen! [270]

De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de onderste treden klotst.

Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen muur.—Dat is de doodskou!—Hij huivert. De klokken van Nice verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.

Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in ’t wit satijn en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de reinste diamant........

—Haar diamanten!—Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de kleinoodien, die Alice bezit.—O God, dat was de duivel!—De vonken en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in ’t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!—rijk worden, ’t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde—een onmogelijkheid!

Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem benauwen de borst. En de klokken van “Nizza la bella” brommen in dien donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.


In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar men vermoedde—zoo schreef men—moest de ongelukkige een nieuw slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas voorgoed naar ’t scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van het vorige jaar een twaalftal2 te vermelden had, constateerde men den volgenden dag niet [271]slechts het droevige feit, dat de speeltafel een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, de ongelukkige zijn zeer aanzienlijk vermogen tot den laatsten franc toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, maar ook in bitteren nood had achtergelaten.

En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige tranen heeft geschreid.

“O God!” roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man werpt. “O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, mijn leven!”

En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.

Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en arm. Maar zij—“Neen, neen” vleit ze op den zoetsten toon der liefde; “Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven voor mij!—O God! die arme vrouw!” en met een blik naar het vallende nieuwsblad herhaalde zij: “Die arme, arme vrouw!”


En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man zich schaamde omdat—ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de terugreis naar ’t Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de diamanten zijner Alice hadden opgebracht.

Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij zeggen: “wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen arbeiden en keeren voor eeuwig den rug——à cet enfer de Monaco!” [272]


1 Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.

2 Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.

J. J. C.

[Inhoud]

Fabriekskinderen.

Een bede, maar niet om geld.

’t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.

Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.

Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.

Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en ’t schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,—evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.

Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij—telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij ’t zou willen.

De arme is krank!

Ja, ’t hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.

Luister:

Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in ’t einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.

Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan ’s vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeek [273]hem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.


Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?

En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers—men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig.


’t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.

Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.

Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor ’t meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en—maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!

In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging. [274]’t Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: “Snork toch zoo niet!” geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.

“Zes!” bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.

Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.

“Toe kinders, er uit!” roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.

Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ’t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.

“Stil Sander, als vader het hoort!” vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste—die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.

Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.

Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.

“’t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!” mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zij [275]van haar bedstee, want—ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: “Hé—mondhouwen. Zeg!”


Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.

De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. ’t Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren—zooals hij zich uitdrukt—bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.

Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: “Kom maar, ’t is warm daarginder.”

Sander kan ’t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en—met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hij wil niet verder—weet je, hij wil niet!

En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in ’t hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is ’t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.

Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.

Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.

“Leelijke rakker!” schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!


En waarheen zal het nu?

Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.

En daar—gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden. [276]

Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen—stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?

Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmende hitte.

Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.

Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en—wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: “Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!” En—’t snort en het dreunt en ’t bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:

“Voort raderen, voort!”


Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.

Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.

Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en—let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, ’t is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.

En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.

En die plokken of rolletjes wol,—zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder—wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.

Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen. [277]

Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die—grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:

“Voort, raderen, voort!”


Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders—want gij gevoelt wel dat het raderen zijn,—toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij—geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.

Immers, in ’t midden van die bontvale rij—het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in ’t volle licht te beter kunt zien.

Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op ’t zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.

Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes—wat zeg ik, een kind—van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!

En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft- [278]of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.

Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer—waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof—naar binnen te slokken.

Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Te tellen, dát heeft hij geleerd, te deelen nog niet.

En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor ’t grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.—En ’t was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor ’t meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.

Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe—kinderen? Neen! ’t was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:

“Voort raderen, voort!”


[279]

Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.

Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.

Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. ’t Is er vroeg dag in zoo’n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.

Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder ’t hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar—op z’n eigen kast, in z’n eigen bed, daar zou ’t nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.

Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan ’t einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.

Wat waren zijn wangen koud!—Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo’n arme drommel!

Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. ’t Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was het eerste, en ’t bleef zoo.

Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în ’t wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar ’t hoofd dat ge de klaplooper zijt.

Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan ’t zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo’n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo’n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.

“Wil j’ is kijken?” fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouw [280]wenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk—half ironisch, half ernstig—een knipoogje geeft.

“Kijken! wát zou ik kijken!” prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.

“Hoe vin je dat, hé?”

“Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?”

“Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met ’en stoep tot je kussen?”

“Lieve hemel, ikke!” roept de juffrouw: “Ik ben Goddank ’en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu’k gespuis van afkomstig is,”—en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,—“van ’t repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu’k repalje!”

“Zoo, juffrouw Baks.”

“Ja van volk, dat z’n eigen vader en moeder voor ’en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van ’en ouwer mensch ’en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; ’t vuilmaken van je eigen boel en ’t gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t’ avond of morgen zoo’n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m’n man ’en maling schopt, omdat we z’n kind van ’t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z’n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama....”

“Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!”

Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.

“Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?”

“Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks.”

Guns watte oogen!

“Koffie- of theewater mijnheer?”

“Chocolade-water, juffrouw Baks.”

Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo’n vuil opraapsel ’en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.—Weet je, ze zou wel.... maar, d’r kamers, en ’t lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!

En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.

Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu—zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkige [281]perceeltje op zijn kamer had, toen is ’t hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. ’t Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van ’t lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo’n arme drommel!

’t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van ’t ventje met de tang in de kachel wierp.

Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo’n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar ’t is heel gauw gedaan; ’t heeft niets te beduiden.

Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.

Een angstig geween roept eensklaps den jonker.

Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.

“Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!” zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: “Zeg, lust je een boterham?”

Dat laatste woord werkt machtig.—Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaar ja hem van de lippen.

Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van ’t bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg, [282]de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam—niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.

Nu Willem zoo’n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.

Maar, zoo zijn de menschen, ze moeten zien om te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, ’t heet dan verschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens—in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij, WIJ menschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.

Ei zie dan, en luister nog even. ’t Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs—om te lachen.

“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.

“Ik? Wel neen!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: “Maar—áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”

“Ja wel,” zegt Sander.

“Waarom?”

“Om ditte!” zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.

“Hadt je dat nooit geproefd?”

Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! “’k Docht eerst dat het mosterd was,” zegt hij iets later.

“Mosterd?”

“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”

“Niets anders?”

“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.”

“Beesten!” roept Willem.

Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:

“En hoe heet je vader?”

“Dat weet ik niet,” is het antwoord.

“Maar jij, hoe heet jij?”

“Sander Zwarte.” [283]

“En wat doet je vader?”

“Hé, hé,” grinnikt de jongen, “moeder zeit zuipen.”

“Maar wat is hij van zijn ambacht?”

“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.

“Waar verdient hij zijn centen mee?”

“Dat doen wellui.”

“En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?”

“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”

Ongelooflijk! zoo’n worm! “Dus moet je zeker in de fabriek werken?” vraagt Willem opnieuw.

Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:

“Maar ’k had ook zoo’n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie.”

“Kielhalen!” herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: “kielhalen, wat is dat?”

“Ja, dat weet ik niet,” herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: “maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ’en emmer met water hêt staan; en als nou ’en slecht kind—zoo zeit ie—z’n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ’em even met het hoofd in den emmer: ten minste als ’t opperste menheer van ’t febriek d’r niet bij is; maar ’t zal niet waar wezen; hé zoo koud!”


Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.


“En ga je ook school?” vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.

Zie—tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast—slechts weinige achter een groene gordijn verscholen—de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen ’s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.

Neen, naar school gaat hij niet.

Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken—staande werken, op éénen dag. [284]

Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.

Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.

Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij ’t wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: “’en dominee’s-bedrieger.”

Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.

En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.

En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.

En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.

Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:

Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!

Daar is geen vrije wil.

Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.

Daar is....


Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.


Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.

Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.

En dat eerste tafreel?

Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: ’t is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, ’t is Willem Van Hogenstad.

Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eener [285]te voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.

Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn, waarachtig mensch!

’t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in ’t nachtelijk zwart.

Hoort ge daarginder—dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om—water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: “Dorst, dorst!”

Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij ’t niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?

Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en—als ze te lui was voor d’r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo’n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.

Maar nu, nú is ’t weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.

En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.

En—niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!

En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!


[286]

En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.

Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.

Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.

Vermoord! Vermoord! buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.

In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het “niet mooi” hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13–14–15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja—somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.

En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zult zien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: “Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die ’t ons belet, en haar naam is: Concurrentie!

Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?

Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zal MIJ beletten....

Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij ’t dan niet hoe de [287]Staat—en rechtvaardig,—der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!

Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!

Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.

Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die arme arme fabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?

Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzondering kunnen zijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders—ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.

Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.—Zij zouden liegen!

Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.

Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertje [288]vergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,—zie—dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.

Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.

Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt—niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder—en nu zonder geld—naar ziel en lichaam gered en WAARLIJK HEBT LIEFGEHAD. [289]

[Inhoud]

Een woord aan mijn Landgenooten.1

’t Was een prachtige zomeravond.

Aan ’t eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.

“Gij moet mij helpen,” sprak hij met warmte.

Ik zag hem vragend aan.—Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.

“Zou ik u helpen? Ik?

“Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.

Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? ’t Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men ’t verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.

Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.

Hij begreep dat zwijgen.

“Je hebt kinderen, nietwaar?” hernam hij ernstig: “welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en—schrijf.”

De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.—Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten. [290]

En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12–15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij ’t wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel2, van Le Poole3 en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling4 inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.


Landgenooten! ’t Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.

In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.


Zeven jaren zijn voorbijgegaan. Zeven!

Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?

Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?—Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.

Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij ’t bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.

Nederlanders, ’k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, ’t zij uit onwetendheid, ’t zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den “novellendichter” wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten, de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.

Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in ’t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over: [291]

“Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid.”

Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.

Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede ’t bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.

“Wij zullen zien!” sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: “’t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden.”

En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.

En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als “de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind”, en om het “de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?” Hoort:

Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.

Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....

Stil! Weet gij ’t niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?

“Mijn voorstel,” zoo schrijft hij aan den Minister: “moet een geheel ander zijn dan U door haar—de commissie—wordt aangeboden. Ik acht,” zoo gaat hij wat verder voort: “dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz.”

get. A. A. C. De Vries Robbé.

Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts een onderzoek vorderde, maar nu ’t [292]allereerst beteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan ’t licht gebracht.

Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?

Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, der Nieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad—maar zeker ter goeder trouw—een voorstel is geweest om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is.

Maar wat dan?—Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?

Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook de vrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.

En spreken moet hij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?

Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regeling vreest, zijn onbewezen mogelijkheden!

Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?


Wat wij dan willen?

Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn.5 [293]

Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie—’t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur—menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk “verrotting brengt in den Staat.”

Wij willen dat er een wet kome:

omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie “zijn bestaan in gevaar brengt”;6

omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zij niet te veel wil, doch wat ze gebiedt met gestrengheid zal handhaven.

Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?

Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich de IJzeren-baan om ’t verval langs den straatweg!—En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.

En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in ’t eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in ’t leven riep.


Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen: Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.

Nu zult gij ’t weten waarom ik u schrijf.

Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, ’t is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten ’t zij in den volgenden of in een beteren vorm:

Sire!

“Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is gebleken slecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering een [294]wet in ’t leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen een onredelijke exploitatie beschermen, en het zoo mogelijk de gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.

Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.

Ik weet het, Landgenooten, waar ’t een werk der liefde geldt, en mede in ’t waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.

En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.

God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!


Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderen zien die in de fabrieken arbeiden. Ga ze zien!

En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.

Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord: De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.

Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes. [295]


1 Het Vaderland, No. 44, 1870.

2 Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld: In ’t Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.

3 Economist, enz.

4 Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.

5 Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die—om de arme schepseltjes ’s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!

6 Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.

[Inhoud]

Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.

1870.

Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.

Excellentie!

In de hoop dat dit schrijven in ’t belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!

Ik doe het met vertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,1 tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der “Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken”.


Excellentie! ’t Is U bekend: in ’t jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.

Zij arbeidde zeven jaren.

Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.

En zij constateert dat.... zwart zwart is.

Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening—volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport—heeft zij een voorstel van wet gedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegen [296]een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.

De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden

“Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals zij is.”

Er verloopen vele dagen.—De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.

En toen?

Men wachtte op U, Excellentie.—Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveel jaren gewacht.

Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff—de volksvertegenwoordiger—vraagt U in ’s lands vergaderzaal:

“Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?”

En uw antwoord klinkt:

“De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.”


Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:

Volgens mijne opvatting verstaat men door de openbare meening: Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.—Neen, zij is geen: “op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging”. En bovendien, zou dan Uwe Exc., na ’t ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport—inderdaad niet zonder cijfers—als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafde overtuiging te vragen aan—de openbare meening!

Genoeg, Gij hebt de Volksstem willen hooren.—“Mannen van energie,” zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: “zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie”.


Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het “hooren en wederhooren” der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:

“Nederlanders, hoort ge ’t wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult.”


En de openbare meening heeft zich verklaard. [297]

En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en—die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.


Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?

’t Is zeer waarschijnlijk!—Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over ’t algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:

Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland—die zelfs met hunne firma’s op de adressen aan den Koning prijken—een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voor deze namen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die—wel zeker gaarne in ’t belang van arme kindertjes dat stuk aan den Koning zouden teekenen, wanneer men ’t hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: “En wat is nu eigenlijk de zaak?” of, tastende in den zak: “En, hoeveel kost dat nu?”


Excellentie, de volksgeest wil verbetering van ’t lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag: Vindt gij ’t waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?

Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die ’t feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,—misschien meer dan goed is—maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van een werkkracht. ’t Is niet anders.—Wij hebben ’t vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.

Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.

Men heeft van vele zijden gesproken:

Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.

Ten 2de. Reeds voorlang teekenden dertig Leidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.

Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.

Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kon in ’t einde niet zwijgen. [298]

Ten 5de. Een adres der Twentsche Vereeniging van Handel en Industrie kwam U in handen.

Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, ’t welk artikels wijdde in ’t belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna in vrome wenschen voor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: “O mochten eerlang....!” of: “Wij hopen van harte...!!”

Maar Exc., niet alle Nederlanders—al erkennen allen dat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft—wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.

Ten 1ste. In ’t vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zich vrij ontwikkelen en bewegen.

Ten 2de. Het middel—zoo vreest men—zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan ’t werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en—zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.

Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.

Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.

Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt—zoo beweert men—òf slecht òf gebrekkig.

Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zonder groote en voor den Staat zeer drukkende lasten, die wet naar behooren gestreng kunnen handhaven?

Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.

Mag ik—zoo kort mogelijk—een antwoord geven?

Ten 1ste. Geen inmenging der regeering.—De grootste voorstander van den vrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan,2 dat juist in ’t belang van Volk en Nijverheid, de wetgever moet ingrijpen, waar men ’t kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.

Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dan [299]toch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het “aan banden leggen der vrije Industrie” mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheid hier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.

Ten 2de. Gesteld dat het getal fabriekskinderen inderdaad werd verdubbeld—’t geen niet het geval behoefde te worden—dan nog zou dat dubbel getal een minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.

Ten 3de. Men zegt: Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden. Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12–16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft: dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders—zoomede in Engeland—dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers ’t is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval—aangenomen dat de loonsvermindering plaats had—waarin men toch zou kunnen voorzien—dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor de mogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!

Ten 4de. Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgen is alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8–13 jaren, voortaan bijvoorbeeld zeven uren per dag zouden werken, en drie uren schoolgaan, wanneer ze zóó, tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, ’t zij in hunne woningen ’t zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-, kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.

Ten 5de. De Engelsche wet—zoo beweert men—werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat ze slecht werkt, ik vraag het Uwe Excellentie: Zou een Engelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderen [300]die in de mijnen arbeiden—eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.

Of is die man krankzinnig misschien!

Ten 6de. De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.

Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.

En de middelen...? Excellentie! indien het geld dan werkelijk een bezwaar—ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor ’t geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van een andere kinderwet er tegenover.

Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eene belastingwet op de vóór- of doopnamen in ’t leven riep.

Mijne bedoeling is deze:

De eerste vóórnaam zal vrij zijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.

Deze belasting—UExc. zal ’t gereedelijk toestemmen—ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van ƒ 200,000 aan ’s Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. ’t Ware een luxe-belasting in ’t belang der armen.

“In ’t belang der armen?” vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen—althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet—grooter zal worden dan zij reeds was.

“In ’t belang der armen!?”—UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:

Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.—Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.

Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in ’t belang van Volk en Nijverheid—gesteld dan!—verdiensten ontneemt, [301]dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door ’t begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van ’t aantal kinderen, ’t welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste—volgens die sombere beschouwingen—hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.

Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,—ofschoon het m. i. uitvoerbaar is—niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.—Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in ’t zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak der Nederlandsche Regeering.

Excellentie, de zaak “der gemartelde natuurgenootjes”, is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan ’t werk te slaan!?

“Vrijheid, vrijheid in Nederland!” roept men ons toe: “Vrijheid in ALLES!”—Welzeker! in alles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als ’t u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in ’t rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!

Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.

Immers, ’t geldt de vrijheid, de rechten dier arme kinderen.—Ik weet dat UExc. het gevoelt: ’t Geldt hier het leven van aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, ’t welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.

Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden—ook in ’t belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan ’t werk slaat, ik bid U, vergeet dan [302]toch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.

Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.

Met de meeste hoogachting teeken ik mij,

Uwer Excellentie’s Dw. Dienaar:

J. J. Cremer.


En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.

[303]


1 De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.

2 Thomas Babington Macaulay’s redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.

[Inhoud]

Brief van Jan Stukadoor.

Metselaar.

Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.

Aan den lezer.

De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in handen kwam, zal het mij—zoo min als de Lezer—ten kwade duiden, dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige door hem geschrapte woorden—waarin de schrijver niets vreemds had gevonden—door mij op hun plaats zijn hersteld.

Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, ter harte willen nemen, is de wensch van:

J. J. C.

[Inhoud]

Aan alle Nederlandsche Werklieden

Leden en geen-leden der Internationale.

Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat het waar is, en ik een hekel aan praatjes heb.

In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, vooral als ze—zooals Jan Van End—een vrouw [304]hebben die vijfmaal in de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.

Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen—God weet of het er bij blijven zal—en, behalve een kanarievogeltje van Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme moeder van den arme zullen bedeelen.

Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans meereken? Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik hem zie, dan komt me het water over’t hart; maar ik zeg, neen baas, je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart van binnen als een schoorsteen. Nou, als je van klare zwart wordt, dan zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.

Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat is mijne vrouw. Als je ze zag—ze zit hier bij me terwijl ik dezen brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de spelling helpen—ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.—ik wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze voor de vierde keer—in de negen jaren een kleintje had, toen was Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al geen gaten!—Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, daar weet je niet van; en ik zeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig niet: mollig als boter. Als alleman zoo’n vrouw had, dan was er geen armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.

Maar alleman kan zoo’n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Ik zeg in de redelijkheid, want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,—anders draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van. [305]

Onze kleine Albert was krek een jaar—ik weet het nog, omdat de vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele ekstra—toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, want hij zei den heelen tijd zoo’n Fransch woord. Nou ken ik het; ’t was de Internationale.—Meester heeft het me voorgespeld. Als ik daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten—dat waren met permissie zijn eigen woorden—als de rijkdom en al de grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij ons in ’t land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat rijkelui’svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was nou het communismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die Internationale worden, daar staan pieten aan ’t hoofd, en ze hebben in andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van ’t werk geven.

Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; dan gooien we—’t waren zijn eigen woorden—bij al dat groote volk lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den grond met al de rijkelui’shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: Wat kost het? Zooveel, zei Piet.—Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, maar ik zei: Ik zou je danken. ’k Wil er eerst over prakkezeeren.

Toen Van Vlot weg was—eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en ’t meest over dat pleziertje in de Maliebaan—toen zei ik tegen Jans: Wat dunkt je?

Jans zei: Wat wil dat zeggen, Inter?

Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.

Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al de werklieden over de geheele wereld.

Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen ik weer thuis kwam—’t was Zondag. [306]

Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten niet vast op hun beenen.

De meesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tot tienmaal ééns is tienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.

Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....

Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei dat ze AL de huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet in het groote huis van V. B....

Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden worden, dan moest eigenlijk—na dat pleiziertje in de Maliebaan—de heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn portie meenemen om naar goedvinden op een—óók eerlijk gedeeld stuk grond, zijn huisje te kunnen zetten.

Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst de stad afbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is weg.—De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan ’t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen pit in die vingers.

En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis te bouwen, zoo’n beetje behoorlijk, ik zou er geen kans toe zien.

Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein van ’t fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke weduwvrouwen beginnen?

Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da’s onmogelijk, da’s larie!

Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen en de dominee’s en pastoors, afijn de heele wereld [307]die van ’t bouwen niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren—dat zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had gebeurd; nietwaar, dan zou de een—al was het geen verplichting, toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig en kan toch niet zoo tusschen ’t afbraak blijven zitten.—Neen, zou die zeggen: Ieder voor zich.—Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: Voor zes rijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, en ging op zijn eigen afbraak liggen.

Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den ander. Zie je, zoo’n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, verondersteld dat je zoo’n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje—de strijkster-zwavelstok—aan den kost moesten komen? We zouden alles zelf moeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, brood bakken,—vee fokken, slachten, natuurlijk alles!

Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken als iedereen zaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?

Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.

Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan ’t werk zouden blijven.

Van Vlot werd nijdig om ’t lachen en liep de deur uit. ’s Nachts om éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en toen vroeg ik: wie—ná dat vetje in de Maliebaan—den jenever voor hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!—Nou, als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap in zijn huis, want ik had met z’n arme vrouw te doen.

Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik heb druk werk gehad in ’t voorjaar, zoodat ik van dat ding niet meer [308]hoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen tegen me—met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.

Waarom Pietersen? vroeg ik.

Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed—voor den donder!

Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het toch ergens goed voor.

Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God beter ’t, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk—zie, daar heb je weer zoo’n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er als een beest. En wat doet ie? Niemendal!—Ik zeg je: er uit moeten ze! dat volk! ’t Is van ons gestolen!

Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig—want er kwam ons een rijtuig voorbij—een dokter was die zich niet geneert om bij de kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.

Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.

Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!

Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, ’t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van “knappe kerel” weerom nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak.—Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.—Zulke kerels, die de goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit op d’r ziel hebben, en als hij mij ’t avond of morgen bij den kraag kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.

De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we ’t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie ’t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op ’t Binnenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.

Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou je dan hulp krijgen als je ziek lei, en recht krijgen als een gemeene rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?

Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met meester en Jans er over sprak—de meester is nog een neef van mijn vrouwskant,—hulponderwijzer—hoe meer ik begreep dat die heele broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan niet [309]meer leeren op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze ’t ruwe weer zoo niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je eens zien hoe’n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maar ik zeg je dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik ’t al lang had laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik ’t doen moest, en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.

Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door ’t land komen, en van Oost en West—waar ik nog een broer bij ’t Zevende heb—als je geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, dan moeten er heeren zijn op ’t kantoor, die een boel meer weten als de bestellers, die alleen maar ’t adres hoeven te lezen.—Larie dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?—Ei, zeg ik tegen Van Vlot—want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer tegen—ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, toen werden ze gevonden met duizenden franken—dat zijn zooveel als halve guldens bij ons—hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, vroeger zelf toe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan ’t vechten bent en in de konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, en jelui—je wordt in de doos gestopt. Heb je ’t niet gelezen? Neen, in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar—dat is de gerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, ik heb goed nagedacht en—ik begrijp er alles van! [310]

Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge berg, een grasscheutje en een eik in ’t bosch. Notabene! Maatjes-egaal in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, we hebben weer geschaterd van ’t lachen: dan moesten de vrouwen ook maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij ’t met de menschen ook gewild heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg—ik meen van wat goed of noodig is—en de heele boel leit op z’n....—Als de opstekers van ’t gas ’s winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje ’t water in; en—als ze commun waren, dan verdikten ze ’t zeker om voor jan en alleman ’t gas aan te steken.—Nog eens, die zijn hersens bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met het omverhalen van rijkelui’s huizen en verbranden zijn begonnen, voor goed onder den grond.—Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans—of eigenlijk ik heb het eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, ik voor mijn part, ....’k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen dan wij met zijn beiden?—En dan de pot? Jans heeft twee diensten gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk—groote lui hoor—altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze ergens—ik weet niet waar—geen lozies konden krijgen; toen ze zich op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, en dat ze daar altijd met zoo’n schik en behei van vertelden alsof dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.—Ja, zul jelui zeggen, maar ’t rijkelui’s smullen is toch niet kinderachtig, en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: Dat moet [311]je nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:

“Rijken altijd volle maag.

Armen steeds in ’t eten graag.

Honger maakt blauwboonen zoet.

Vet de maag bederven doet.”

Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan maaien ze toch altijd ’t meest in onze buurten.

Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit meester: Zoo hebben jelui dan ook de cholera in 66 en nou de pokken gehad? Watblief? Neen, zei Jans.—Akkoord, zei meester, dat komt omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties en de pletons maken toch maar één schutterij, is ’t nietwaar; en of je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de heele schutterij.—Nou jongens—en daar heb je het alweer—wat zou de heele schutterij doen—of laten we nou de heele militaare macht nemen—als er geen onderscheid van stand was? Wat waren de soldaten zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden mettertijd ook wel ’t loopen zouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon soldaat in een heel jaar?

Weet jelui wat ik zeg—en ik blijf er bij—al dat maatjes-egaal-commun, dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders te eten hebt, zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en zonder dreigementen, dát is [312]van Gods wege ons recht; maar laat je niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.—Weet je wat die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; of anders zei meester: ’t is de vos, die de kat de kastanjes uit het vuur laat halen.—Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.

Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, een koe gras en hooi, en ’t roofgedierte verslindt de krengen. Maar de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.

Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.

Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem in de verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar kunt onderscheiden—ten minste altijd nog wat in ’t een of ander—even zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat is niet anders.—Of ik niet liever, als ik het voor ’t kiezen had, een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat gezanik, dat zoo’n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, dat is ook geen slaadje, zeit meester.—Als ik ’s avonds met Jans en de twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: Goddank!—Vraag maar aan Jans of ’t waar is of niet, en dat doe ik uit mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, dan heb je niks meer van noode; Meer is larie; LEKKER is ook larie, aan MEER heb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf houwen, en LEKKER is..... koffie met roggebrood als je honger hebt, veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd of werk genoeg hebt om honger te krijgen.—Maar, zeg je, wijn is toch een andere smaak, en versterkend.—Versterkend? zeit meester, niks zeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen wijn en water konden proeven, [313]dat had ie zelf mee ondervonden, en nu zeg ik: als dát je lekker is, dan komt er toch ook voor een stooter verbeelding bij.

Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, net als de voorvaders van onze rijke lui, door werken en goed oppassen vooruit komen. Als de rijke lui TEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze ’t met hun krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig; maar wij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat ze goed werk naar den eisch betalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven de wagenmakers van, en de lijstenmaker van ’t verguldsel. Als je zeggen zoudt dat de groote kapitalen—zooals ze tegenwoordig op den winkel praten—ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of ievers anders, dan, zeit meester,—en ik mot zeggen dat was het naadje van de kous—dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, of een Haarlemmermeer moeten leegmalen—nog al geen kleinigheid—of totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.—Nou wat zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie beter lozies gunnen dan in ’t gevangenhuis of in de ongebluschte kalk.—Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van een goede werkmansvereeniging worden, waar we ons eigen belang naar wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de hersens er voor kregen) bazen worden, van niemendal op, en zelfs wel ginneraal of alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van De Ruyter dat weet jelui allemaal.

En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en dat ik wel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan—dat zei Jans—lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; en nog eens: wordt lid van een Nationale. Ga bij de lui, die het zeker goed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met de Fransoos of de Pruis konkelen, die liggen toch al op de loer, maar laten we echte Hollandsche jongens blijven[314]—meester zeit echte Neerlandsche jongens blijven—en ons aansluiten bij die vaderlandsche vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk: Orde, vrijheid en recht.—Orde in de hut, dat is de baas! Vrijheid bestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig mocht zijn—wie weet waar een mensch toe komen kan—hou mijn arm vast; sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.—En dan van Recht gesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!

Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons vuistje, want zij zullen ’t beter hebben dan wij tegenwoordig in het algemeen.—Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.

Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat ik het laatste woord zou zetten; maar het is zoo.

Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handje [315]te helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.

Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg: zoekt hooger loon en verbetering van je stand in de gerechtigheid,—misschien was het ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de bazen?—want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan geen beter kantoor. Hebben de bazen al niet vrijwillig in de laatste jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?

En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je die vereenigingen in ons land—die Nationale Werkmansvereenigingen van orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.

Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.

Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om bloedgeld voor jelui te verdienen. Ja bloedgeld mannen! Zoo denken ikke en Jans.

En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij die Inter- maar bij een echt Nationale Werkmansvereeniging aan, en toont dat je wijzer bent dan de eend die—je weet wel—door zijn eigen kuiken werd opgegeten.

Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met het hart,

Jelui Kameraad,

Jan Stukadoor,

Metselaar. [316]

[Inhoud]

Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver.

Aan den lezer.

Jan Stukadoor heeft een antwoord aan Piet Schaver geschreven,1 en ik ben hem gaarne behulpzaam om het onder de oogen van zijn kameraden te brengen.

Dat de man het beter met hen meent dan Schaver uit zijn brief heeft willen opmaken, daarvoor kan ik instaan.

Was zijn hoofddoel, om den werkman allereerst te waarschuwen tegen een onmogelijk communisme, waarmee men, in navolging van elders, ook ten onzent de hoofden op hol zoekt te brengen, hij wenscht niet minder van harte dat er spoedig verbetering zal komen in het lot van zijne standgenooten, indien zij werkelijk reden hebben tot klagen in deze dure tijden.

Jan Stukadoor is een eenvoudig man, die de groote sociale quaestie evenmin zal oplossen als Pieter Schaver, al meenen zij beiden er iets op gevonden te hebben; maar ik meen toch dat èn Stukadoor èn Schaver wenken geven die der overweging wel waardig zijn. De philanthropie kan slechts den arme te hulp komen. De werkman moet door eigen krachten tot een beteren toestand geraken. Doch de standen die boven hem zijn, dienen hem daartoe de hand te reiken en allerminst in den weg te staan. De rijken, zegt Jan in zijn eersten brief, kunnen best betalen. Welzeker! Maar de rijken—en ook allen die zich, ’t zij meer of minder tot den gegoeden stand mogen rekenen, zij willen niet genieten ten koste van den nijveren werkman, wien dikwerf het noodigste voor zijn gezin ontbreekt, en die zijn kinderen moet laten arbeiden in stee van ze te doen onderwijzen. De rijken in ons vrije Nederland willen niet rijk zijn ten koste van den armen werkman, die in ’t zweet van zijn aanschijn of met verkleumde handen hunne kostelijke huizen bouwt of de weelde van hun salons helpt verhoogen. [317]

En de Nederlandsche fabrikanten en werkbazen, ook zij begeeren hun winsten niet ten koste van hen, die voor hen den arbeid verrichten. Hun hart zal hen dringen om steeds vaster de handen ineen te slaan tot het beramen van de middelen, die den werkman zullen opheffen uit zijn veelal beklagenswaardigen staat. Maar ook, Jan Stukadoor heeft het reeds gezegd: van het onredelijk opdrijven der loonen kan de werkman geen duurzame verbetering van zijn lot verwachten. De loonen moeten—naar gelang van den arbeid—in billijke evenredigheid staan tot de prijzen der eerste levensbehoeften.—Mijns inziens heeft Jan zijn beste woord aan het eind van dezen brief gesproken. Men leze en oordeele of zijn denkbeeld voor verwezenlijking vatbaar is.

Dat dan door vereeniging van alle krachten de tijd spoedig moge komen, waarin tevredene werklieden als Jan Stukadoor—indien ’t beweren van Schaver in dit opzicht waar moest wezen—niet langer tot de uitzonderingen zullen behooren, is de oprechte wensch van

J. J. C.

Antwoord aan Piet Schaver.

Timmerman.

Piet Schaver, als ik je niet voor een eerlijk kameraad hiew dan zweeg ik, maar nou wil ik niet zwijgen, en al heb ik er spul mee, ik wil nog een korte brief aan je schrijven zonder dat ik mijn neef er mee inhaal want, daar schijn jij een mier aan te hebben, en mijnheer C. zal hem toch wel nazien wegens de fouten. Maar als jij een mier aan schoolmeesters hebt dan ben je toch glad mis, want van de scholen moeten onze kinders het hebben.

Ik zeg dan dat ik schreef omdat ik geloof dat jij het eerlijk meent, maar anders staat het je alles behalve mooi om mijn goeje gezindheid voor de kammeraden verdacht te maken. Wil ik je zeggen hoe dat komt? Dat komt omdat je mijn brief al heel slecht gelezen hebt, en dat had je gepast als je me voor een zeur en een kind en ik weet niet wat meer scheldt.

Maar pikkeneurig of bekanterig ben ik niet, en daarom zal ik je maar heel kort en goed vertellen dat ik het net zoogoed, en misschien nog wel beter met onzen stand van menschen meen als jij.

Ik begin maar met je te zeggen dat je rekening voor jou misschien heel mooi, maar voor mij geen pijp tabak waard is. Jij zegt [318]dat ik de rekening voor zijn achten maak en dat ik dan nog een kanarie heb. Nu schreef ik duidelijk “acht met de kanarie mee.” Dus dat is zeven Piet, en niet acht; want de kanarie kost zoowat 1–1/2 cent in een heele week aan zaad. Dus zie je, ik heb negen gulden voor z’n zevenen.

Maar aldat ik gelijk heb dan zul je nog zeggen dat het hier in Den Haag te weinig is. Akkoord! ten minste zoo als jij het opneemt. Maar je hebt slecht gelezen zeg ik nog eens. Ik heb in mijn brief mij zelf in ’t geheel niet als zoo’n bovenste willen ophemelen omdat ik rond kom, en ook niet als voorbeeld willen stellen, want ik heb het meer als duidelijk en wel drie of vier keer gezeid: dat mijn vrouw er mee schuld van is dat wij ’t, na venant, goed hebben, Goddank! Heb je dan niet gelezen wat ik van mijn wijf zei? Staat er niet in mijn brief duidelijk en klaar dat er kapitaal in de armen van Jans zit, en dat zij werkt meer as meer, en van een gulden er twee maakt? Jans wou niet dat ik er alles van zeggen zou, maar je hebt toch van de vier wollen sokken gelezen. Dikwijls heeft ze door de mevrouw bij wie ze ’t laatst diende wat grof naai- of breiwerk, en Dinsdags en Vrijdags gaat ze uit schoonmaken omdat moeder toch op de kleintjes past.

Zie Piet, als je mijn brief niet averechts hadt uitgeleid dan zou je me al dit schrijven bespaard hebben, want de vingers staan er niet naar. Maar jij doet me in alles onrecht. Heb ik gezeid dat het schande is dat de vrouw van P. alle jaar een kind krijgt? God beware! Jans had er alle jaar óók wel een kunnen krijgen als het de wil van God was geweest, maar ik zeg, of ik meende ten minste, dat het niet vreemd is als er armoe wordt geleden wanneer de vrouw, die zoo dikwijls in ’t bed leit, een slons van een wijf is. Zie je dát was de riddenaasie.

Heb ik gezeid, Piet, dat alle vrouwen van onzen stand slonsen zijn, en zoodoende jou Neeltje ook beklad? Ik zeg je dat dat een groote leugen is; jou Neeltje kan net zoogoed als mijn Jans zijn, en ik ken er wel drie bij ons op ’t hofje die ik met pleizier gemorgen en g’n avond zeg, maar Teun van Van E. is een slons, en zoo zijn er meer, en—zeg ik: dan is er armoe en averij, al verdienden ze achttien gulden in plaats van negen.

En van den drank gesproken. Je weet hoe ik er over denk, maar, heb ik alweer gezeid dat al onze kammeraden zuiplappen zijn! Van hen die af en toe een borrel drinken, daar spreek ik niet van. Neen Piet, dan zou ik me schamen als ik zóó de kammeraden geschandalizeerd had. Ik weet te goed hoeveel brave kerels er zijn die weten wat hun vrouw en kinders toekomt. Maar omdat de drank een pest is waar toch zoo onmannierlijk veel aan versplendeerd wordt, daarom spreek ik er met zoo’n schuwigheid van, en zeg nog eens: jongens past op dat je je niet door dien duivel strikken laat—want gelijk heb je, de drang is groot en de trek is ook groot, maar: drie borrels maken een roggetje!

Neen man, jij hebt mijn bedoeling heelemaal verkeerd uitgelegd; want wat was dan eigenlijk mijn heele bedoeling? Om jou voor te [319]rekenen dat men van negen gulden leven kan? Neen! Wat zou het beduiden! Jij weet wel dat ze in andere plaatsen van ’t land nog van heel wat minder moeten rondscharrelen.—Ik heb met mijn domme verstand alleen maar willen zeggen, hoe dom ik het ding vind dat ze: de Internationale noemen. En als jij nu zegt dat het onnoodig was, dan zeg ik: dat je nooit met Van Vlot en nog een boel anderen hebt gesproken.—Zou jij denken dat er niet een heele boel zijn die meenen dat het maatjes-egaal best mogelijk is, als ze worden opgeruid? Ik zeg je ja; en omdat ik begrijp dat er zoo zijn—al zijn de meesten wijzer—ik wou toch eens uitleggen hoe dom en hoe gevaarlijk dat ding is. En zie je, dat heb ik gedaan, en ik heb er geen berouw van.

Maar vooral Piet Schaver, ben ik verdrietig dat je mijn hoofdbedoeling zoo scheef heb uitgelegd. Meen jij het misschien beter met de kammeraden dan ik? Zoo doe jij het voorkomen. En ik schreef juist omdat ik wou dat allen het beter kregen, of—zoo goed hadden als ik.

Dat alle werklieden het graag beter willen hebben dat is waar, en dat is ook goed. Maar dat alle werklieden ontevreden zijn dat is niet waar. Ik ben het niet. En nou kun je denken wat je wilt, maar ik weet wat ik ben. Jans kan het getuigen.

En nu zeg ik in ’t geheel niet dat onze stand maar moet blijven zooals die is omdat IK tevreden ben, gezegend met gezondheid en met een vrouw als Jans. Neen waarachtig niet; ook ik wil zelfs graag wat meer verdienen als ’t wezen kan. Kammeraden! heb ik gezegd, zoekt in de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Sluit je aan bij de nationale werkmansvereenigingen, die samen naar de beste middelen zoeken om onzen stand te verbeteren, dát heb ik gezegd. Schreef ik niet in mijn brief: Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Met God in de gerechtigheid vooruit!—Heb ik niet gezegd dat de groote lui best betalen kunnen, en dat ze er anders maar af moeten blijven?

Neen, Piet Schaver, onzen stand te verbeteren door gepaste middelen dát heb ik geen larie genoemd, want als ik alles maar bij ’t oude wou laten dan zou ik niet van klagen spreken. Maar larie is het, als men, zooals jij, van zeuren en kletspraat spreekt wanneer een mensch uit den drang van ’t hart, zijn kammeraden wil zeggen wat de verkeerde weg is, om tot beter te komen.

Maar nou de rechte weg, zul je vragen? Ik heb er alles van gezeid wat ik weet: aansluiten bij een Nationale zei ik, en dan zorgen dat onze kinders toch behoorlijk leeren, want dat is een voorname. Maar zie je, waar jij in ’t eind op neerkomt daar had ikke en Jans wel schik in. Wel zeker als er nog zooveel land is, dan moesten ze dat in de kamers van de Staten ginderaal maar uitmaken om volk aan ’t werk te zetten; of anders zei ik laatst tegen Van Wiel—die familie in Australië heeft en daar zoo ijselijk van ophemelt—dan moesten er maar een boel naar zoo’n land over zee trekken, en als zij het daar goed konden hebben—ik suspeneer dat het zoo is omdat Van Wiel het met een woord van waarheid [320]betuigde—ik zeg als zij het daar goed konden hebben, dan dunde het hier wat op, en zouden de bazen wat minder volk kunnen krijgen en wat beter over de brug moeten komen. Zie je Piet, ik blijf er bij: Ik wil geen klagen in onredelijkheid, geen gemor en gemopper, maar vooruit in de gerechtigheid!

En nou atjuus, ik meen het zeker zoogoed als jij met de kammeraden, en eindig met de pen maar niet met het hart als dat ik mij noem zonder verdere kriewel of nietsigheid uw vriend:

Jan Stukadoor.

Leve de Neerlandsche jongens! [321]


1 De laatste klaagt over een onduidelijk adres, terwijl het zijne in ’t geheel niet te vinden was.

[Inhoud]

De oorlog een noodzakelijk kwaad?

’t Is al laat in den avond, doch binnen de kleine landbouwerswoning, schuins achter ’t zwarte dennenbosch, daar brandt nog een lichtje.

Moeder slaapt, ja kijk maar. Als vader haar nu, zooals hij gezegd had, nog eens zachtjes g’endag kuste, dan zou kleine Karl de lamp wel uitblazen, en gauw in de bedstee kruipen. Ja zeker, en heel stil zijn; en zorgen dat Lieschen en Else niet wakker werden; ja, en als hij zelf schreien moest, dan zou hij de handjes maar vast voor den mond houden, want Koning Wilhelm zal vader toch wel gauw weerom sturen, nietwaar? Koning Wilhelm was immers zoo heel braaf, en kon ook niet weten dat moeder nu juist zoo ziek was, neen!

Fluistrend heeft het zevenjarige jongske gesproken terwijl hij tot zijn vader opzag, en de vader—die straks nog, tot lang na zonsondergang, de sikkel dreef door het rijpe graan, maar ach! zonder het werk te kunnen volenden—hij drukt de vereelte hand op het hoofdje van zijn kind, en dan.... Maar neen, spreken kan hij niet.

“En als vadertje dan weer thuiskomt, dan zal hij voor Karl ook een mooie klapbus van vlierhout snijen; is ’t niet vader?” vleit het jongske op nog zoeter toon.

God, wat bange stond! Bevend heft de vader het kind omhoog; drukt zijn lippen op dat lief en rond gezichtje, en zegt dan bijna onhoorbaar:

“Zoet wezen Karl, heel zoet! en”.... Maar, verder kan hij niet; dikke tranen breken met geweld naar buiten.

Wees krachtig Walter! Ja, krachtig!—Zóó. Nog een zoen op Karls voorhoofd. Nu tilt hij het kind in de bedstee over de slapende moeder heen. Dáár, op vaders plaats, zou het jongske slapen voortaan.—Karl fluistert nog dat hij aan onzen lieven Heertje zal vragen of vader er Zondag mag weerzijn, want dan blijft hij thuis uit de school, en zal dan een heele boel boschbessen voor ’t zoete vadertje plukken.

“Goed mijn jongen, goed! Maar stil nu dat moeder niet wakker wordt.” [322]

Ach, nu zal hij dan aan die lieve zieke vrouw den zoen ten afscheid moeten geven.... Neen, eerst in de bedstee ginds de beide kleine meisjes zachtjes vaarwel gekust!

Zie, daar liggen ze, de blonde koornbloemen—roode koonen, blauwe oogen.—Maar die oogjes zijn nu gesloten, ze zien hem niet aan.

Weet hij wel wat hij doet nu hij ze zachtjes, beurt voor beurt, op die roode lipjes en malsche armpjes zoent; nu hij Lieschens zacht weerstrevend handje vastklemt en het drukt aan zijn lippen; nu hij Elsje—kleine woelwater, ruiter van vaders knie—de blootgewoelde beentjes nog eens toedekt? Ach neen, hij weet niet wat hij doet nu hij zijn kranke vrouw—om haar een doodend afscheid te besparen, schier onvoelbaar zacht een zoen op de bleeke wang drukt.—Groote God, welk een andere zoen dan dien hij haar gaf.... ha, op dien heerlijken middag, nu zeven jaren geleden ... Voor de bedstee valt hij op de knieën neer. Zijn handen blijven een wijle gevouwen; zijn lippen bewegen zich krampachtig.—Moed, Walter; moed!—Voort nu.—Ja, voort!

Zóó, het licht is al uitgeblazen.—Voort!—

“Nacht vader. Zondag zeker weerkomen vader!” klinkt het nog eens aan moeders zij.

En moeder Bertha.... Wat! wie.... wat is er?

Eensklaps gaan haar matte oogleden open; ze tast met de hand voor zich uit.

“Walter, Walter!” roept ze.—Hoort ze de deur niet zachtjes sluiten?—“Walter!” klinkt het nog eens met angstige kracht terwijl ze overeind vliegt: “Walter! O gerechte God, waar is hij? Walter, Walter!”

“Stil Moeke, niet schreien! Karl zal aan Koning Wilhelm gaan zeggen dat Moeke zoo ziek en bedroefd is, en dan brengt ie vader weer mee, en....”

Maar de zwakke vrouw verstaat hem niet. Ze wil haar steun, haar liefde, haar helper, haar trouwe, navliegen; ze zal hem terugbrengen; ze moet hem hier houden, tot morgen, ach ja! tot morgen althans.

Doch, haar krachten.... haar duizelend hoofd.... en, losbarstende in ’t vreeselijkst geklag:

“Weg, weg! O groote God, mijn Walter! weg!?


Ach arme, ja! Uw Walter ging heen, en, voor altijd.

II.

Frau Remse stond peinzend voor het raam van haar kleinen winkel, en tuurde naar de dikke regenwolken, die over de smalle straat naar het marktplein joegen. [323]

Ja, wat een mensch zich wel eens tot een ongeluk rekent, zoo denkt ze, dat blijkt hem later soms ten zegen te zijn.

Heeft ze niet dikwijls geklaagd dat haar eenige Frits nog zoo jong en zoo wild was: die goeje Frits! te jong en te wild althans om haar in haar kleine winkelzaak met den noodigen ernst van dienst te zijn. Maar nu, Godlof! met dien vreeselijken Erbfeind, terwijl alle Landeskinder gereed moesten staan om ’t leven voor ’t vaderland te wagen, ja nu behoudt zij haar jongen toch, haar ondeugenden besten Frits, ha!—omdat hij gelukkig nog te jong is.

Wel dubbel moet ze deernis hebben met haar arme buurvrouw: Vier kloeke zonen zag die goede moeder gisteren heentrekken om ze misschien—wie kon het zeggen—nooit weder te zien.

“Stil Mirza,” roept Frau Remse, terwijl ze nu naar de winkeldeur ziet, want Mirza, de mooie witte does, krabde met zijn pootje gedurig tegen het onderplint, en joeg onstuimig zijn staart heen en weer, en weder en nogmaals krabbende, maakte hij een jankend geluid.

“Stil Does! Frits zal wel dadelijk komen. De leerink bij dominee zal wel gauw uit zijn. Kom dan maar hier Doeske, hier bij de vrouw!”

Maar Doeske deed alsof ie ’t niet hoorde. ’t Was al over den tijd dat de jonge baas moest thuiskomen, dat wist hij zeker, en—met het neusje schuins ter zij, even jankende, komt het voorpootje weer vooruit, en krabt hij opnieuw uit al zijn macht.

“Foei, Mirza!... Zoek dan den baas!” roept Frau Remse, en legt op dat laatste een bijzondere klem.

’t Zou toch mogelijk kunnen zijn, meent de hond; en ijlings zijn plaats verlatende, vliegt hij den winkel uit, naar achter, de gang ten einde, ritselt met de nagelpootjes langs de trap in weinige sprongen naar boven, en dan, na ’t snufflend zoeken op het kamertje van den jongen baas—onder ’t bed en naast de kleerkast, hier, ginds, overal, maakt hij ijlings denzelfden weg—ritslend langs de trappen terug, en zit al spoedig weder voor de deur in den winkel, en krabt, luid jankende, vier vijf malen achtereen.

Frits kwam wel een half uur over etenstijd; maar, hij kon het niet helpen. Al de jongens van de leerink waren in optocht gegaan naar ouden Heinrich, met z’n verminkt en verhakt karkas—zooals hij ’t zelf noemde—om Heinrich te feliciteeren dat Duitschland nu eindelijk eens met den Erbfeind zou afrekenen, en de kwitantie presenteeren voor de beenen, die Heinrich bij Leipzig verloren had.

“Z’n oogen fonkelden moeder,” zegt Frits bij ’t verhalen: “Ha! riep ie, als ze ’t maar wilden, dan ging ik nog op m’n krukken mee, zoo oud als ik ben.” En dan tot Mirza die den kop onder zijn hand poogt te schuiven: “Stil Doesje, koest! Heb jij honger! Dáár! Ik heb het niet!”

Maar Frits moest toch wat eten.—Zie er was wel veel sombers in dezen tijd, omdat zoovelen van de zij hunner geliefden werden opgeroepen, maar—moeder en Frits, hoe dikwijls ze ook in de laatste twee jaren werden beklaagd om het droevige lot van den [324]armen krankzinnigen vader, nu kon men hen benijden: ze bleven te zamen, ja, Goddank, want Frits haar lieve wildzang was pas zeventien jaar.

Frits keek strak naar den grond. Maar hij was dan toch zeventien jaar! Heeft oude Heinrich niet gezegd: Als ik jou beenen en jou jong bloed in ’t lijf had: Donnerwetter! dan zou ik ze leeren die sakkerbleus!

Frits had geen rust op zijn stoel. Hij moest weer voort. Met een twintigtal Turners had hij afgesproken om Zum weissen Hirsch op de markt bijeen te komen. Daar werden telegrammen en de Köllnische Zeitung gelezen; daar zouden ze een Lebe Hoch wijden aan Koning en Vaderland, daar zingen het:

“Heil dir im Siegerkranz!”

en het

“Fest steht die Wacht am Rhein!”

Neen, nu kan hij niet thuisblijven. Peter Kraus wil als vrijwilliger gaan, en dien moeten ze ook een driewerf Donnerendes Lebe Hoch brengen.... “Och neen Moeder, neen! wie zou er nu om onze galanterie prullen komen! Voor Fransch verguldsel, bah!—Marsch Doeske, marsch! Dag Moe.” En, haastig snelt hij heen, luide zingende:

“Lieb Vaterland magst ruhig sein,

Fest steht und treu die Wacht, die Wacht am Rhein!”

En de moeder staat weer voor het winkelraam. En de donkere wolken jagen nog altijd boven de straat in de richting van het marktplein.

O! waarom bonst haar hart zoo geweldig? Zou het toch mogelijk kunnen zijn dat hij...?

Maar, als zij, zijn eigen moeder, het niet wilde! als zij het verbood....? Verbieden! hem!? Zwakke vrouw, zal ze hem, den sterken, den boven zijn leeftijd krachtigen Frits kunnen weerhouden indien hij wilde....? Wát zou hij willen?—Neen, neen! dát wil hij niet. O God! als zij dat eenig kind, dien eenigen schat moest verliezen!

Zoo peinsde en streed ze totdat ze starende naar boven zelfs de donkere wolken niet meer onderscheiden kon. Ach! ’t Was óók zoo duister in haar beklemd gemoed.

Hoor, wat klinkt daar van verre?—Is het muziek? Ja, de gansche straat tot ginds bij het marktplein—phantastisch verlicht door schier ontelbare papieren ballons bijwijze van fakkels gedragen—weerkaatst de schetterende tonen van het diep in de ziele grijpende:

“Lieb Vaterland—Lieb Vaterland!”

[325]

Frau Remse beeft. Een donderend Lebe Hoch breekt er los uit duizenden kelen. Men weet het: de Duitscher heeft Gesiegt!—Victorie soll geschossen werden, heeft Koning Wilhelm geschreven, en, nóg eens juicht het hier donderend: Victorie, victorie! mee.—’t Is een serenade aan den Landraad ter eere van de overwinning:

“Hurrah! Germania Hurrah!”

En de Landraad spreekt tot het Turn-Verein van de grootheid en kracht der Duitsche natie, die ze dankt aan haar degelijken zin; aan de opvoeding der moeders; aan de orde en tucht harer Landeskinder, geroepen om den Erbfeind te straffen wanneer hij hun rust komt verstoren.—En, oorverdoovend trillen nu de kreten ter eere van Koning, Prinsen en Vaderland!

“Hurrah! Hurrah!

Hurrah! Germania!”


Waarom vliegt Mirza gedurig als half waanzinnig door ’t kleine huis, den winkel uit, de gang door, naar boven, ’t kamertje van den jongen baas in; snuffelend en jankend, straks met den mooien staart tusschen de beenen weer naar beneden; de achterkamer binnen, onder den stoel van den goejen baas, óp dien stoel, driemaal ronddraaiende als waande hij dat men zich zoo verschuilen kon? Waarom kermt en kreunt hij zoo geweldig, en krabt hij de verf van deuren en raamkozijnen totdat hij buiten op straat is, om daar al snuffelend te jagen naar ’t marktplein, Zum weissen Hirsch binnen te sluipen doch straks ook terug te keeren, om nóg eens zijn jacht te beginnen door ’t huis van den jongen baas?

Men zegt dat Frau Remse zich goed heeft gehouden, heel goed, zooals dat een kloeke Pruisin betaamt. Maar aan den avond van den dag toen Frits haar verliet met de woorden: “’t Zou Duitschland bestelen zijn moeder, wanneer ik den Koning mijn kokend bloed en mijn krachtigen arm onthield;” aan dien avond vond men haar op het verlaten kamertje van haar Frits in bezwijming neerliggen bij zijn stoel. En, toen ze weer bijkwam.... neen, men zegt niet wat ze toen deed; maar men fluistert.... dat ze toen den koning vervloekte, en..... Doch dat kan niet waar zijn, want vrouw Remse is een Duitsche vrouw, en Duitsche vrouwen zijn kloek, en ook een Duitsche moeder is verstandiger dan een stom en, redeloos dier.—Zie dan, Mirza is niet weg te slaan van het kamertje, waar nog kort geleden zijn jonge meester sliep. Voor zijn bed ligt hij nacht en dag, en ’t eten laat hij onaangeroerd staan. Wie hem nadert of een hand naar de kleeren over dien stoel, of naar die oude schoenen ginds in den hoek durft uitsteken, dien gromt hij tegen.... En—[326]gisteren lag hij roerloos stijf op de peluw van het verlaten bed. Hij heeft het gevoeld, die vroolijke jonge vriend zou hem nooit meer liefkoozen, nooit!


Monsieur Toulemaire heeft zijn kleine nette villa geen vijftig schreden buiten het dorp. ’t Ligt aan de helling van den berg met het uitzicht op het dal, waardoor het blinkende stroompje zich dartel een weg baant.

Monsieur Toulemaire woont daar met zijne vrouw en twee volwassen dochters.

Blanche en Virginie moeten ’t zeker wel weten dat ze “de bloemen van Monsieur Toulemaire” genoemd worden, want Gaspard en Antoine zeggen ’t haar zoo dikwijls en o, ze zeggen haar nog veel meer, heel in vertrouwen, als ze ’s avonds soms paar aan paar in den heerlijken omtrek dwalen. Maar Blanche en Virginie zijn natuurkinderen, in den edelsten reinsten zin van het woord, doch beschaafd, en verstandig ontwikkeld niettemin, en daarom, of ze ’t al weten dat ze de schoonste meisjes van het dorp zijn, toch eigenlijk weten zij ’t niet.

En, in den laatsten tijd hadden ze wel aan wat anders te denken. Haar lieve ouders zullen dit jaar in ’t midden van den zomer hun vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren. Sedert vele weken reeds waren Blanche en hare zuster ’s morgens heel vroeg, en ’s avonds tot ’s nachts zeer laat, in de weer om de prachtige handwerken bijtijds gereed te hebben: roode en witte camelia’s, naar zelve geteekende modellen, op satijn geborduurd in het genre der Gobelins. Twee fauteuils, met die kostbare bloemen versierd en bekleed, zullen op den zilveren trouwdag voor het dierbare bruidspaar gereed staan.

En ha! gisteravond, toen le bon papa met la chère maman op visite bij hun vriend Le Pochon waren—men had het zoo heel stilletjes bedisseld—toen heeft de meubelmaker uit stad de beide prachtstoelen kant en klaar in de villa Toulemaire gebracht, en Gaspard en Antoine hebben de bloemen in verrukking aangestaard. Welke bloemen ’t meest....? Dat zag de kleine achterkamer wel, waar de stoelen verborgen zouden staan tot den dag dat le bon petit pére en l’ange mére, het feest zouden vieren met hun vier kinderen.... Ja vier, bien certes! car: deux et deux font quatre.

Blanche en Virginie ontstelden er van. Had papa woorden gehad met den goeden vriend Le Pochon? Wat was er voorgevallen dat hij zoo onbegrijpelijk rood zag, en een paar malen een leelijk woord tusschen de hagelwitte tanden zocht te smoren.

Monsieur Butel, gewezen wachtmeester, die bij Solferino een arm verloor, en nu brievenbesteller op het dorp is, Monsieur Butel, met zijn groote snorren en blank geschuurde decoratie op de borst, hij zal ’t verklaren misschien.

Men spreekt van een oorlog tegen Pruisen. De Hertog van Pruisen [327]zou te Weenen, zoo verhaalde Monsieur Butel, een brief vol insultes—sacré tonnerre—aan Keizer Napoleon hebben geschreven, niets meer of minder dan: Blancbec! omdat Keizer Napoleon er voor zorgde dat de Hertog van Pruisen aan zijne Heiligheid den Paus la Province du Rhin niet ontweldigen kon. “Ha!” zoo eindigde Monsieur Butel zijn inlichting: “Één Franschman geldt meer dan tien Pruisen-kinkels, die parbleu! te stupide zijn dat ze een woord Fransch verstaan.” En dan met verheffing; “Ik heb er een gekend, Hans Rölich uit Kopenhague! ’En ezel! sacrè tonnerre!”

Monsieur Toulemaire wist er meer van. Doch evenals den ouden onderofficier kookte ’t hem in de borst.

Wat hij gevoelde? Luister:

Tot voor weinige jaren was hij fabrikant te Salins. Sedert den dag dat de marquis De *** de Salins, aan ’t hof der Tuilerieën zijn invloed kon doen gelden, nam de zaak van Toulemaire een groote maar tevens een welverdiende vlucht. “En nu,” zoo sprak hij: “naast God en mijn vlijt, dank ik mijn voorspoed en een gezegenden ouderdom, aan het tweede Keizerrijk. Vive l’Empereur! Vive l’Empereur: Vive la France! A bas les ennemis! Mortdieu!

Dit laatste overluid gesproken woord was een ongewone klank in den mond van dien goedaardigen man.

“’t Zal alles nog ten beste gekeerd worden lieve papa,” zegt Blanche: “Aan couranten-berichten kan men geen onvoorwaardelijk geloof slaan. Kom, we mogen nu niet anders dan vroolijk aan ons heerlijk feest denken, nietwaar?”

“Ja zeker!” vleit Virginie, en drukt haar rozenmond op het heldere voorhoofd van den geliefden man: “Is ’t zoo niet beste vadertje? Zie maar, uw lieve aanstaande bruid knikt u zoo opbeurend toe.”—En zij, die aanstaande zilveren bruid:

“Pierre,” zegt ze: “geen zorg in ’t verschiet. Al moest er oorlog komen, hier toch zal het vrede blijven. Waar is men veiliger en kalmer dan in ons lieve dorp, in onze heerlijke vallei!”

“Veilig! daar spreek ik niet van Eugénie. La France, c’est la force, la gloire! la victoire! Ik zou niet weten hoe men een enkel Fransch burger één haar zou kunnen krenken. De Keizer wenkt en ’t gaat naar Berlin, waarachtig naar Berlin!”

Papa had gelijk, zóó zou het wezen! En hier in het stille heerlijk gelegen dorp, had men toch zeker niets te duchten. De ramp voor het arme Duitschland zou groot zijn, nu ja! men kon ze betreuren, men kon medelijden met dat in vele opzichten nog zoo ruwe volk hebben, maar, onder Gods leiding moeten immers zelfs bloedige oorlogen meewerken tot de opvoeding en beschaving van nog weinig ontwikkelde naties. (!) Ach Blanche en Virginie willen ’t hopen met haar lieve ouders mee, dat God ook nu uit dit schijnbaar kwade, het goede zal doen geboren worden. Als ’t noodig moest zijn, dan zal men haar vooraan vinden in de rijen van hen, die den vijand zullen weldoen; want immers nog dezen morgen had Monsieur le Curé zoo roerend als krachtig gezegd: “Mais moi je vous dis: Aimez vos ennemis; bénissez ceux qui vous maudissent; [328]faites du bien á ceux qui vous haïssent, et priez pour ceux qui vous outragent et persécutent!” En nu, geen somberheid meer; nog veertien dagen maar, en dan is het de heerlijke dag, dat de villa Toulemaire één enkel feestbouquet zal zijn, en dat de armen van ’t vreedzame dorp het zilveren bruidspaar zullen zegenen voor de milde giften, die het voor hen heeft weggelegd.


Veertien dagen later was het een prachtige zomerdag.

Aan den voorgevel der villa Toulemaire stak men de groote vlag uit. Geen wonder, ’t zilveren trouwfeest wordt gevierd.

Maar hoe! is het de grijze bruidegom zelf, die de driekleur ter viering van het feest langs den fraai met sierplanten begroeiden gevel zal doen wapperen?—Ja, maar doodsbleek is zijn gelaat; zijn tanden klemmen soms knarsende opeen.

“Stil! Ik wil het Eugénie, ik wil het! Laat los! weerhoud me niet.”

“Maar Pierre.... ik bid, ik smeek je, goede trouwe man!”

“Vervloekt! zij zullen ’t weten dat ik het een laagheid zou achten. Een verraad! te gehoorzamen aan ’s vijands bevel.—Laat los!—Zoo! Daar waait ze, de vlag!”

“Maar Pierre! In ’s hemelsnaam denk aan onze kinderen. Denk aan Blanche en Virginie. Mijn God. wie zal ze beschermen tegen de woede dier barbaren, indien....?”

“Beschermen!? God zal ze beschermen Eugénie, de God die ons vijf en twintig jaar te zamen spaarde en zegende. God zeg ik, door mijn arm.”

“Pierre, och lieve Pierre! weersta die woestaards niet. Je hebt het gelezen dat alle tegenstand der bevolking vreeselijk zal gestraft worden.—O God, welk een feestdag!”

Pierre antwoordde niet, maar zijn oog sprak het bevel dat de Fransche vlag daar zou blijven, om den vijand te toonen dat Pierre Toulemaire geen lâche en geen traître was.

Ja, dat zal hij toonen. Zie maar: in zijn keurig schrijfvertrek gekomen, neemt hij uit de geheime lade zijner secretaire, een paar kleine revolvers; laadt ze en verbergt ze zorgvuldig in zijn kleeding. Ha, nietwaar, men zal toch vreugdeschoten lossen op een zilveren bruiloftsfeest!

En de zilveren bruid, als zij straks weer beneden komt, dan bekruipt haar opnieuw en sterker de angst dat die breede helderkleurige vlag, dat gedenkstuk van zoovele blijde dagen, haar en haar geliefden ten verderve zal worden. Zij wil....

Maar groote God, wat weerhoudt haar om reeds aanstonds haar plan te volvoeren? Ziet ze goed? Is dat Gaspard, Blanches beminde, zoo bleek, zoo deerlijk gehavend?—Hoe! is het waar ’t geen hij snakkend naar adem met snijdend geluid en slechts ten deele verstaanbaar uitbrengt?

In weerwil van de Duitsche proclamaties tegen ’t verzet der Fransche burgers, en ’t geen nog daarenboven in dien geest door den “flauwhartigen” dorpsmaire was aangeplakt, waren hij—Gaspard en Antoine, Virginie’s aanstaande,—met nog twee vrienden, benevens [329]een schaapherder en nog drie jonge boeren, allen met buksen gewapend, naar den Steenenburg gegaan om van daar—schier aan alle kanten gedekt en met het steil uitgehouwen rotspad in den rug—naar de zij der chaussée te kunnen vuren, indien de vijand het dorp durfde naderen.

Gaspard heeft bijna niet verder kunnen spreken. Het roekelooze maar toch vaderlandslievende waagstuk is den uitvoerders duur, ontzettend duur te staan gekomen.

“Ga niet naar den Steenenburg, nooit nooit meer,” heeft Gaspard in ’t eind half waanzinnig gestameld: “Nauwelijks was er een schot gelost of drie der onzen sloegen reeds neer, en stortten langs de smalle rotstrap naar beneden. En de anderen....? O God, hier ben ik om te zeggen wat hun lot werd of worden zal. Ga nooit meer naar den Steenenburg! De takken zijn er niet hoog, neen, maar toch ... O, ga er nooit meer heen, in Gods naam, nooit!”

Blanche klemt zich aan den roekeloozen dierbare vast, en smeekt hem dat hij haar niet meer verlaten zal.

“En Antoine....?” krijt een andere vrouwenstem.

Uit de verte klinkt trompetgeschetter. Langs de breede chaussée trekt een deel van het zegevierend leger naar het dorp in kwartier. De grond dreunt van ’t steeds naderkomende heir; ’t gerommel van de raderen der kanonnen, de hoefklank der paarden, het kettinggerammel der amunitie-wagens, vermengd met het luid gezang der overwinnaars, ’t weergalmt als een onweer van verre.... en straks in het oor der bleeke dorpers, als het vreugdgeschrei eener helsche macht, of het brullen van wild gedierte ter vernieling gereed. Een kleine voorhoede is reeds van achter het beukenhout in de vallei voor de bewoners der villa zichtbaar geworden.

“O Jésus Marie!” gilt weer de stem, die straks naar den geliefde vroeg, maar geen antwoord bekwam. Nu behoeft ze dat antwoord niet meer. Staart ze in een vuurpoel waarin haar schat ligt? Ziet ze een toekomst van geluk plotseling geheel verdonkerd? Ze weet niet wat ze ziet.... Ja toch: Aan deze zij van de bonte krijgsgroep treedt hij, Antoine, blootshoofds met verwilderde haren naast een te paard gezeten “duivel” voort. Zijn bovenkleeren schijnen hem in een fellen strijd van ’t lijf gescheurd. De beide handen heeft men hem vast op den rug gebonden, en met het paard moet hij gelijken tred houden, want, om den ontblooten hals heeft men, o God van liefde, een touwstrik gelegd!

Virginie Toulemaire kent zich zelve niet meer.

In wanhoop vliegt ze voort naar beneden. Zij zal die wreedaards dreigen, smeeken.... Maar, hoor, nog eer ze beneden kwam, knalde er reeds van achter een klein bosschage bij den landweg een schot, en weder, en nogmaals, tot twaalf malen achtereen.

Was hij krankzinnig geworden, de brave beweldadigde van het tweede Keizerrijk?

Heeft hij zóó met zijn revolvers de overwinning der Pruisen willen verkleinen? Heeft dan de grijze Toulemaire—achter die heestergroep verscholen—niet bespeurd dat het leven van jongeren, [330]die toch niet roekeloozer waren dan hij, reeds aan een zijden draad hangt en besefte hij niet dat door zijn hernieuwd vergrijp, dat leven reddeloos moet verloren zijn!

Een der huzaren is neergestort.

Donnerwetter! Verfluchter Franzoos!” Ha! in ’t open veld, op leven en dood een kamp te wagen, dat wil de eerlijke Duitscher, maar tegen ’t verraad...! Daar klinken twee, drie karabijnschoten. De oude man zinkt bewusteloos neer.

De huzaar, die Antoine bij het moorddadige koord vasthield, heeft zijn plicht gedaan. Daar lag hij “der alte schwartzhosige Turco!”

Maar zie, op ’t oogenblik dat de huzaar den dood van zijn nevenman wreekte, heeft hij het touw, waarmee hij Antoine regeert te luttel vastgehouden, en, met een ruk, die hem schier de oogen uit de kassen wrong, is de ter dood verwezen jonkman in vrijheid!

Terwijl de verraste huzaar, verwoed, ijlings uit den zadel springt, knetteren weer karabijnschoten.

Men had niet slechts den vluchtenden Franzoos, neen, men had ook de vlag van den Erbfeind gezien. Alsof er geen Sieg en Proclamaties bestonden, zag men daar voor het hooge dakvenster een bejaarde dame door anderen geholpen, nog juist de laatste hand slaan aan het tergend werk om met het uitsteken dier verwenschte driekleur den overwinnaar te bespotten.

Men bedroog zich. De vlag, die straks achter het geboomte was verscholen, heeft men niet eerder kunnen zien, en het inhalen er van zag men nu voor een tergend uitsteken aan.

Joseph, de huisknecht, wankelt op den zolder achteruit, en slaakt een kreet van ontzetting. Zijn brave meesteres, die niet rustte aleer zij, ondanks Pierre’s verbod, de vlag zou hebben ingehaald, mevrouw Toulemaire sloeg de hand op de borst, werd zoo wit als het wit der driekleur, en zonk door een kogel getroffen ineen. Blanche staat als verlamd. Gaspard, nog ontdaan van ’t geen hem weervoer, en ’t geen hij zag, vangt nabij het zolderraam gekomen de waardige vrouw in zijn armen op.—Maar, een tweede kogel vliegt het dakvenster binnen.—Buiten wordt een luid Hurrah! vernomen. Ze hadden hem daarboven herkend den “sluipmoordenaar”, dien men losliet om aan ’t dorp te boodschappen wat het lot van “struikroovers” werd.—Hoe! durfde hij nog van boven hen bespotten: Hurrah! die Zündnadelspitze ging hem dwars door de hersenpan heen!

Vorwärts! Marsch! Is die villa hier een rooversnest, een moordenaarshol! Vorwärts! Den brand er in! Al het bandietentuig gestraft ten exempel. Vorwärts! Hurrah!

Intusschen is Antoine Berrier, aan den huzaar en het vreeselijke koord ontkomen, ijlings langs het struikgewas, waarachter de oude man zich straks heeft verschanst, de buitenplaats ingerend. Geen andere drijfveer dan zelfbehoud jaagt hem voort. Doch nu, wat is het dat hem den weg verspert? Een jonge vrouw ligt daar gebogen over het lichaam van.... O God! den edelen Toulemaire! [331]

“Virginie! mijn engel!” roept de vluchteling nu hij mede zijn dierbare herkent.

Het meisje ziet op; doet een poging om te spreken, doch haar tanden klemmen opeen; haar oogen draaien onbestemd; een zachte kreet ontsnapt aan haar doodsbleeke lippen, en nevens het lijk.... zoo meent ze, van haar dierbaren vader zinkt ze machteloos neer.

Een rassche wending op de hem wel bekende slingerpaden bezijden de villa, had Antoine zooeven aan ’t oog van zijn vervolger ontrukt. Vluchtig omziende neemt hij nu zijn dierbare in den trillenden arm, en voelt met de andere hand of inderdaad het hart van dien braven oude niet meer slaat. Maar neen, hij is niet dood, de edele Toulemaire.

“Virginie hij leeft! Moed, moed!” roept Antoine op gedempten toon.

Zij heeft het gehoord, maar ze kan.... neen.... ja, ja toch, ’t is eensklaps alsof er een nevel optrekt, alsof er een zonlicht doorbreekt. Zij opent de oogen; drukt de hand op den boezem, en, nadat een huivering haar trillen deed, komt ze langzaam overeind. De hoop om dien lieven vader te behouden, schenkt haar schier bovenaardsche krachten. Langs een dicht begroeid zijpad, dragen Antoine en Virginie den zieltogenden man naar de villa. Door de achterdeur zullen ze er binnengaan, en, om de arme moeder den eersten schrik te besparen, zullen ze hem brengen in de kleine kamer, die vooral in den laatsten tijd als het heiligdom der “bloemen van Monsieur Toulemaire” werd beschouwd, ja, ja, omdat men wel wist dat ze er iets werkten en bewaarden voor den heerlijken feestdag.

Maar hoor, wat gillend angstgeschrei vervult het vriendelijk lusthuis? Een “waanzinnige furie” vliegt de breede vestibule door en naar buiten:

“Beulen!” gilt ze: “Beulen!” en altijd weder datzelfde, dat tergende: “Beulen!”—’t Is Blanche. O God, ze weet niet wat ze doet; ze weet niet dat zij zich uit de armen van een paar trouwe dienstboden met geweld heeft losgerukt; en dat haar kleeren er door gescheurd, en haar haren zijn losgegaan. Ze weet niet welk ijzeren voorwerp ze greep om er den dood mee te wreken van.... O Heere Jezus! hoe kan ze de namen noemen van een engelachtige moeder; van een innig innig geliefde! “Beulen! Moordenaars!” gilt en grijnst nu de teedere maagd, die nog slechts van het vreeselijk tooneel op den zolder getuige was, en vliegt langs de prachtige bloemperken een viertal huzaren te gemoet die haastig naderen, met den hun opgedragen last om dit nest uit te roeien met al het “schurftgebroed” dat zich er in bevindt.

Nu houden ze stand. Donnerwetter, tegenover zulk een vijand staan ze niet dikwijls. Prachtvolles Mädchen! Ha!

De ruwe scherts van een dier krijgers hoort Blanche niet. Doch nu, nu voelt ze een hand op haar schouder, en op luchtigen toon de vraag: of Mamsell die Herren komt einladen in Paris den Cancan zu tanzen? [332]

Maar zij—ze hoort niet wat ze zeggen:

“Beulen! Beulen!” krijt ze opnieuw, en....

Men had het zoo niet verwacht. Dat schoone Fransche kind is een ware tijgerin! Met een kleine zaag, het eerste voorwerp, ’t welk haar straks op den zolder in ’t oog viel, merkt ze den driesten spreker op vreeselijke wijze het aangezicht.

De scherts maakt plaats voor een hevigen toorn. Ze hebben wel harten die mannen, en Karl Wunder zou zelfs in gewone dagen een schoone vrouw niet zuur kunnen aanzien, laat staan haar leed doen—maar nu, als ze zóó op z’n Turco’s beginnen...!

Een ruwe uitval en een forsche greep naar de teedere hand, die tot een vernieuwden aanval het vreemde wapen verhief, doen Blanche plotseling geheel en al verlammen. Een doodelijk wit vervangt haar hoogroode kleur. Dikke zweetdroppels glijden langs haar blanke blauwgemarmerde slapen en gitzwarte lokken naar beneden. Een hevig zenuwtoeval schokt haar slanke leden.

Men werpt haar naast het bloemperk in ’t gras neer.

Is men hardvochtig! Wie kan het helpen, als God het zoo wil(!) “Vorwärts!

En de Duitscher, het felst gebeten op hen, die na een heeten strijd den overwinnaar nog het zoet van de zege en het genot eener korte ruste benemen durft, kent op hoog bevel geen genade:

“Voort meiden en knechten van dit weerspannig nest. Heraus! Donnerwetter, heraus!!

Ha! dat is een poltron! Wat schreit en klaagt en bidt die gegalonneerde Franzoos, terwijl hij op de knieën gevallen angstig met de hand naar dat kleine vertrek wijst.... Was will er? Nun!? Geen genade!—Maar nochtans, aleer ze onverbiddelijk hun werk gaan beginnen, toeven de Duitsche krijgers een oogenblik.

Daar op den dorpel van dat kleine vertrek staat: “de sluipmoordenaar”, die zooeven ontsnapte aan het koord waarmee men hem—wat nader bij het dorp dan zijne kameraden—ten afschrik van alle “valschaards” heeft willen straffen. Daar staat hij. Vlammen vuurs schieten er uit zijn oogen, maar toch, evenals de livreiknecht, die ginds steeds handenwringend op de knieën ligt, klinkt zijn stem schier schreiend, terwijl hij als in vertwijfeling bidt dat men genadig zal zijn, want: dat ze daar sterven in dat kamertje, die nu vijf en twintig jaren vereenigde echtgenooten, het zilveren bruidspaar!

De Duitschers verstaan hem niet. Doch, wát hij ook smeeken moge, er is geen genade voor de burgers die zich verzetten.

Helaas! het zal Antoine niet meer baten of hij smeekt en klaagt en dreigt en vloekt, en tandenknarsend zich verweert, terwijl hij—nu men hem terdege bindt—tevens gedurig met wanhopigen blik naar zijn engel, zijn dierbare Virginie blijft omzien.

En zij! O God, kan ze hier in deze kamer werkeloos blijven!

De hand van den stervenden vader laat ze ijlings los, en even als Blanche straks daarbuiten, vliegt ze op die wreedaards toe om hun den dierbaren buit te betwisten.

Maar neen, er is geen God meer! de menschen zijn duivels, verscheurende [333]dieren! Durven zelfs die Duitsche klauwen haar tengere leest zoo ruw en schaamteloos omvatten!

Durven!—Gott im Himmel! Krabt die Fransche furie niet met haar spitse nagels het vleesch van Heinrichs aangezicht! Slaat ze die nagels niet in Friedrichs oog!—Ja, laat hij maar vloeken en tieren der verdammte Franzoos. Voort met het Eugénieënbrut! Smijt het razende dier in den kelder, of buiten, bij nummer eins!

Friedrich trilt van woede. Zijn linkeroog brandt in de oogkas.—Nog één ruk, en hij sleurt de teedere jonkvrouw die zulk een furie werd, van zich af; zij smakt met het hoofd tegen den muur der vestibule.

Antoine, ofschoon vastgebonden, kent zich zelven niet meer:

“Satan de l’enfer!” gilt hij wanhopend, op ’t zien van den vreeselijken gruwel aan zijn liefste gepleegd.—Onmachtig om zich los te wringen, ten einde dat dierbare kind—de schoone bloem van het dal—ter hulp te snellen, grijnst hij als in razernij; en, zich vluchtig verheffende, bijt hij den armen Heinrich—die toch zijn plicht deed—zoo hevig in het aangezicht, dat deze een rauwen kreet slaakt, maar ook op hetzelfde tijdstip den kolf van zijn karabijn verheffende, den armen Antoine daarmee een zoo hevigen slag op den schedel toebrengt dat hij zieltogend neerstort, terwijl zijn vergruisde hersens rondspatten in de marmeren vestibule.


Begint zij walging te baren de schets? Wordt zij kwetsend voor het gevoel?

Maar groote hemel zijn we dan niet gestikt in den stroom van menschenbloed, waarin we reeds zoovele maanden, en tegen wil en dank, werden gedompeld!

Doch gewis, indien wij zelf die vreeselijke tooneelen hadden aanschouwd, indien wij zelf een gewaarwording hadden opgedaan als die wanneer de spitse degen of de scherp gewette bajonet, na een krachtigen stoot, zoo week door het lillend ingewand van den ons vreemden evenmensch glijdt; wanneer wij het zelf hadden gezien hoe het bloed, de straks nog gloeiende wang van ons slachtoffer ontvluchtende, uit den opgescheurden strot naar buiten perst, terwijl het ons lauw in het aangezicht spat. Wanneer de brekende oogen onzer verslagenen ons maar levendig voor den geest stonden, de blauwe oogen vooral van dien blonden jonkman met den wijd opgesperden mond, waaraan nog met een pijnlijken zucht den naam eener dierbare ontsnapt; of die van den forschen krijger, akelig puilende uit de kassen, terwijl zijn laatste woord een vervloeking was van zijn moordenaar!

Ja, groote God, indien wij die vreeselijke werkelijkheid hadden getast en aanschouwd....

Ei! sla den blik op het zegevierend leger terwijl het de groote hoofdstad binnentrekt, op die krijgers, overladen met roem en eer. Bloemen en bouquetten worden hun toegeworpen. Jubelend keeren ze in ’t vaderland terug. Wilhelm draagt er roem op dat hij, hij alleen, dertien Franschen voor zijn lood of kolf zag neerzinken; en [334]Dominique, zoo pas uit de gevangenschap ontslagen, brengt toch de glorie mee naar het arme Frankrijk, dat hij met dezen zelfden sabel, een damné colonel Prussien naar de andere wereld zond.

Moesten wij ’t zelf niet vernemen uit den mond van een jong en zeer beschaafd strijder, dat hij—neen! op dit oogenblik, geen zweem van medelijden heeft gevoeld bij ’t neerschieten van een paar roodbroeken, maar dat het hem goeddeed ze te zien bijten in ’t zand.

Een jachtgenot wordt de oorlog, geprikkeld door ’t levensgevaar.

O mijn God, indien de krijg zelfs uw edelste menschenkinderen tot furies en duivelen maakt, wie zal hem dan géén vervloeking noemen?—Dronken zijn ze die juichen bij ’t vergoten bloed van hun naaste, dronken! krankzinnig!

Ha! daar nadert een breede schaar. Twee banieren heft ze omhoog. Die van ’t Roode Kruis en den Vredebond.

’t Licht moet schijnen in de duisternis. Liefde wordt gesteld tegenover Volkenhaat.

Beschaving tegenover Barbarisme.

Vrede op aarde!

Helaas! gij breede schare, er zullen nog eeuwen voorbijgaan eer ge uw taak hebt volbracht.

Eeuwen, eer de hoofden der volken geen opperste krijgslieden, maar de eerste burgers van den Staat zullen zijn.

Eeuwen, eer men het mes in des vleeschhouwers scheede minder verachten zal dan den degen, toch slechts gesmeed met het doel om te vlijmen door eens menschen ingewand.

Doch schep moed, de dag zal komen! Gij legt de grondslagen tot het gebouw eener schoonere toekomst.

Uw leger, saamgevloeid uit de edelste krachten der menschheid, zal steeds grooter worden. Uw wapenen zullen de wapenen der beschaving zijn: Onderwijs! Volksontwikkeling! Verzet tegen de zonden der naties, en tegen het meest algemeene der menschheid onteerende dwaalbegrippen.

Laat uw licht schijnen, en keer u ’t allereerst tegen dien leugen: dat de oorlog een noodzakelijk kwaad.... of zelfs een heilzaam goed is!

Ja, zoo beweert men: Even noodzakelijk als de stormen en onweders in de natuur, even zoo noodzakelijk zijn het de oorlogen in ’t belang der volken.

“Nietwaar, dat is zoo begrijpelijk: Evenals twee wolken, zoo stooten twee volken tegen elkaar. De bliksem is ’t oorlogsvuur, de donder het krijgsgeknal. Daarna, de gezuiverde lucht!—O, ongetwijfeld slaan die vreeselijke wereldstormen diepe wonden, maar er is een God van liefde, die ’t alles bestuurt, en zonder Zijn wil....”

“Neen, natuurlijk, natuurlijk! Ongelukkig de mensch, die dat een oogenblik zou kunnen vergeten.”

Een God van liefde!?

Blanche en Virginie Toulemaire, vergaten het een oogenblik, en [335]zelfs die oude waardige zilveren bruid, ze vergat het in de laatste ure van haar leven!

Vermoorden van Pantin! beklaagt u niet.

Monster Traupmann, leg uw hoofd met gerustheid op het blok. Immers alles wat er op de wereld geschiedt, het geschiedt met den wil van God.

En welzeker, de God van liefde neemt ook het dankoffer genadig aan van de zeer geleerde heeren, die de resultaten hunner hersengymnastiek aan de wereld konden toonen; van de uitvinders dier onsterfelijke mitrailleuses Montigny, Marklerberg en Durand, waarvan de laatsten niet door kruit maar door stoom gedreven, 3600 kogels per minuut werpen, terwijl ze dooden op 400 meters afstand. God neemt het innige dankoffer genadig aan van Zijn rijk begaafd menschenkind, den uitvinder dier granaten, waarvan er één voldoende is om duizend van zijn andere menschenkinderen te gelijk te vernietigen; van den heer Gaudin, die de aarde met zijn uit luchtballons te werpen brandgranaten ten zegen werd.

En dan, mochten zij hun tijdelijke welvaart niet met blijdschap zien toenemen, en leeren zij hun lieve kleinen daarvoor niet innig dankbaar de handjes ten hemel heffen, de papa’s die met hun satans-raketten, grieksch vuur, springmijnen en stinkbommen, de wereld en.... misschien ook wel het Opperwezen zoozeer aan zich verplichtten!


Zal men zich in duistere vraagstukken verdiepen? Neen! maar al zonden ook duizend dierbare oorkonden en tienduizend achtenswaardige leeraars ’t ons vermelden: dat er niets, niets geschiedt zonder Gods heiligen wil, wij achten het een leugen, een verderfelijke leugen: dat zonde en ongerechtigheid en inhumaniteit, ofschoon ze een plaats hebben in het grootsche wereldplan, de uitvloeisels van Gods wil zouden zijn.

Is het Gods wil dat een zoon, zijn trouwe moeder, die hem vermaant, in koelen bloede een mes door het hart jaagt....? Neen, zeg nu maar NEEN. Dát toch wil God niet.

Niet dóór en met het onreine en onedele, neen, door den strijd er tegen klimt het menschelijk geslacht al hooger en hooger.

Die strijd, dát is de strijd die er zijn moet op aarde; de gymnastiek voor den geest ter bereiking van zijn hoogere bestemming, of wilt ge, ter bevordering eener trapswijze ontwikkeling van het menschelijk geslacht.

Oorlog is liefdeloosheid. Liefdeloosheid is zonde. God wil de zonde niet.

Niet? En waarom schiep dan Zijn Almacht geen zondelooze wereld? Van den grooten Schepper ging toch óók het denkbeeld zonde uit Hij gaf er plaats aan op deze aarde!?

Alzoo wil God dat de mensch zal omkomen van kou omdat hij den winter zulke scherpe pijlen gaf; dat hij verbranden zal omdat het vuur hem niet spaart wanneer hij zich aan de woedende vlammen waagt? [336]

Alzoo wil God dat de mensch zal honger lijden omdat Hij den honger schiep!?

Neen, God wil de zonde niet. Hij kan niets willen wat in strijd is met het rein-menschelijke.

Het rein-menschelijke!

En tóch: een onderling vernielen en vermoorden!

En toch: de oorlog een noodzakelijk kwaad!?

Met verblinding zijn ze geslagen de vorsten, die volgens de oude sleur hun volken ter slachtbank voeren, met den roep dat het hun ten zegen zal zijn.

En de oorsprong dier verblinding. Ziet: Ook uit het kwade—heerlijk scheppingsplan!—ontstaat nog het goede.

Naar dat goede, ’t welk de oorlog ondanks zich zelven bewerkt, zoekt en tast men met gretige oogen en handen; en, hoe gering ook, het moet luide verkondigd, breed uitgemeten en grootsch genoemd worden. Zonder die som zou men z’n eigen vonnis vellen. Noodlottig zelfbedrog!

Wat de oorlogen in ’t eind nog goeds bewerken:

Het staat in geen evenredigheid tot de som hunner jammeren.

En tevens:

Zonder oorlogen zullen de volken, met den waarachtigen strijd op aarde, zelfs in ruimere mate, en bovendien veel eerder dat goede verwerven.

Aanschouwt de vruchten van het bloedbad ’t welk nu weder werd aangericht:

Er is een haat geboren, die nog het nageslacht zal prikkelen tot wraak.

Ziet, daar treden ze voorwaarts, jammerende en in rouwgewaad, de weduwen en weezen dier in dolle woede geslachte krijgers.

Daar gaan ze, de eertijds zoo vroolijk blozende maagden, nu verbleekt en met roodgeschreide oogen, de liefhebbende warme zielen voor wie de teedere naam van vrouw of moeder nooit klinken zal.

Daar zijn ze de tienduizenden, ongelukkig verminkte wezens, mannen zonder handen of armen en beenen, mannen die gedoemd zijn om hun leven in een beuzelachtig nietsdoen te slijten, en te pralen met de wreedheden die ze bedreven, of den haat levendig te houden tegen dien “erfvijand van hun volk”.

Arme verminkte mannen! Is het hun schuld dat ze vergeten dat die erfvijand hun naaste, en dat de haat een roest is die ’t hart verteert?”

Zie ze die legioenen krijgers: Eertijds—hoe velen hunner erkennen het nog met trots—eertijds konden ze geen mugje leed doen, eertijds! Maar nu: Valt aan! Houwt en sabelt neer wat uw vijand heet, ’t zij oud of jong, man of vrouw, kind of grijsaard; slaat ze dood die u in den weg staan. Zie ze plassen in ’t menschenbloed, geen dieren- maar MENSCHENbloed!—Eertijds, nu ja, maar thans: de Keizer, de Koning, het Vaderland roept. Nu.... voorwaarts! Een nieuw bloedblad: nieuwe lauweren! [337]

En ginder—zie, zij zoekt zich te verbergen die breede schaar van huichelaars, gekweekt in de school van den oorlog. Met de hel in het hart, hebben zich die ruggen gekromd. Stil! in de harten van sommigen hunner, wekte wraak of zelfbehoud zelfs den sluipmoordenaar op.

En nu, sla den blinddoek weg; zie de waarheid—al zij het ook een naakte waarheid—onverbloemd in het aangezicht:

Daar gaan ze de ongelukkigen, die bezweken in hun zedelijken strijd te midden van dien zelfmoord der menschheid.

Daar gaan ze, de gieren van ’t slagveld, de dieven der gelegenheid. Daar zijn ze, de ontuchtigen en dierlijken door onthouding. En dan, helaas! de arme vrouwen die de ongeborenen verwenschen in haar schoot, omdat de woestaards, die—óf haar trouw als echtgenoot verlamden, óf schaamteloos haar maagden-eer roofden—duivels waren; ze zullen dat kroost verachten en het den ongekenden vader leeren vloeken. Arme moeders!

Schatten van Kunst en Wetenschap vernield! Stilstand van alle werken tot heil der menschheid!

Vernieling van duizenden menschenlevens!

Verkrachting van de wetten der hoogste liefde en waarachtige humaniteit!

Ziedaar dan de vruchten van den oorlog.


Halt! Nu klinkt er een andere stem:

“Kortzichtige, kunt ge niet verder zien dan de spanne tijds van een menschenleven? Wat zijn al die jammeren, vergeleken bij de weldaad aan een volk bewezen, wanneer men het wakker schudt uit zijn vadsigen dommel, en tot zijn zedelijk bewustzijn ontwaken doet!”


Alzoo, al die jammeren, en al die ellenden—heugenis voor honderden jaren—ze dienen om een volk—of de volken—te leeren.... Wat?

Iets ’t geen ze niet weten konden zonder een oorlog? Iets wat nergens elders gevonden werd? Of ’t geen niet langs andere wegen te bereiken was?

De oorlog van 1870 moest aan het Fransche volk dus leeren:

Dat een oneerlijk bewind het volk—vooral in oorlogstijd—noodlottig wordt.

Dat de Fransche natie over ’t algemeen slecht wordt onderwezen, en beter onderwijs alzoo hoog noodig is.

Dat een volk zich vrij moet ontwikkelen, niet geketend door de willekeur van een overmoedig bestuur.

Maar is het ernst!? Om dát te leeren, moesten daarvoor al die gruwelen geschieden; moeten daarvoor die wonden nog zoolang bloeden en inkankeren?

Of ook, moest dat helsche vuur worden ontstoken, om te voorkomen dat het eene volk het andere voortaan nogmaals zou kunnen bedreigen of beleedigen?

Maar als dat andere volk dan nu het ééne heeft geleerd zijn [338]toon wat lager te stemmen, en het geknakt heeft en vernederd, dan kon dat wijzere volk op zijne beurt wel eens den toon wat hoog gaan stellen, en op zijne beurt gaan dreigen en beleedigen.

Mettertijd! Wie weet!

Maar hoort, men zegt weder: dat in oorlogstijden de edele gezindheden insgelijks meer op den voorgrond treden en ontwikkeld worden.

Ziet dien moed; die krachts-ontwikkeling; die warme vaderlandsliefde; die hulp en troost bij al den jammer.

De hulp en troost. Ja Goddank!

De warme vaderlandsliefde. O, dat zij spreke, altijd luid en krachtig, die liefde voor het lieve vaderland. Maar—nooit krankzinnig.

De krachts-ontwikkeling. O dolle kracht! O vernieling!—De beste klachten verkracht!

Den moed!

Wat is moed?

Moed is de vastberadenheid die gevaren trotseert, en zelfs den dood veracht in ’t belang der menschheid of van ’t vaderland.

Gode zij dank. Zoo verstaat ook de edele krijgsman zijn roeping. Zou hij hunkeren om toch spoedig zijn moed te toonen door het vernietigen van menschenlevens, door een triumfantelijk omhoog heffen van het bebloede staal?—Overwinnen dát is zijn leus. Overwinnen of sterven. Maar neen, aan dat slachten en vernielen dááraan dacht hij niet toen hij als knaap den degen koos. Toen dacht hij—en misschien bij den zegen van den vrede nog zooveel te meer—aan verheffing in rang, aan eer en roem, maar ten koste van zooveel bloed en tranen, neen, dat heeft een menschelijk soldaat zich waarachtig nooit klaar voor oogen gespiegeld, noch ooit begeerd.

Vraagt het aan de edelen onder de strijders, of hun hart, in weerwil van alle doodsverachting, niet een oogenblik onrustig klopte bij het naderen van den stond, toen ze voor ’t eerst het bloed van geslachte menschen zouden zien. Ja, maar ze hebben dat aanstonds onderdrukt, want immers de overlevering zegt: wanneer de oorlog is verklaard, dan gelden de gewone aandoeningen niet meer, menschen zijn dan eigenlijk voorwerpen—sabel-, geweer- en kanonspijs, of wilt gij ’t liever, ze zijn de geroepenen op hooger bevel, de dienaars van vorst en Vaderland!—Al die fraaie gevoelens uit den lieven vredestijd komen niet meer in aanmerking. Geen weekheid, zwakheid of lafhartigheid!! A la guerre comme à la guerre!

En, toen het bloed maar stroomde, toen was de zwakheid—de liefde tot den naaste—verdwenen, toen ging het comme à la guerre.


Op een verderfelijken doolweg voert de onzalige stelling: dat oorlog een noodzakelijk kwaad is, al moge hij een noodwendig gevolg van zonde en slaafschheid zijn.

Een gruwel is hij, een den mensch onteerend, verdervend, gansch onnoodig kwaad. [339]

Al het zoogenaamde goede dat een oorlog bewerkt, ’t is oneindig geringer dan het kwade, ’t welk hij sticht voor vele jaren.

Ja, ook uit het kwade komt nog het goede voort. Maar steeds in geringere mate. Wanneer men een prachtigen vruchtboom uitroeit, dan zal het gras weliger tieren dáár waar de boom voorheen zijn schaduw wierp. En, als dan in den herfst de kostbare vruchten niet meer geoogst worden, welzeker, dan moet men wel roemen in dat heerlijke groene gras!

Maar ziet dan, Frankrijk is toch wakker geschud. Zijn banden zijn verbroken. Met de leuze vrijheid en ontwikkeling gaat het een schoonere toekomst tegemoet!

Is het geen verblinding? Zal werkelijk het Fransche volk bij ’t eind van dit schrikkelijk bloedbad, een ander volk worden? Zullen zijn bewindslieden, onder welken titel zij ’t schip van staat ook zullen besturen, zullen ze—misschien minder zelfzuchtig dan hunne voorgangers (?)—nochtans de voetstappen van die voorgangers niet voor een groot deel moeten drukken, omdat zij rekening hebben te houden met het verleden? Kan een natie, die langzaam rijpen moet voor de vrijheid, plotseling worden vrij verklaard?

Als men den leiband, waaraan het kind langzaam vooruitscharrelt, plotseling loslaat, dan valt dat kind.

De band is verbroken!—Zal er geen nieuwe noodig worden?—Maar toch, Frankrijk heeft geleerd!

Ja in waarheid, maar wát het leerde, ’t zal niets meer zijn dan hoe het zijn krachten heeft in te spannen, om na jaren—misschien niet vele jaren—over de nu geledene schande een bloedige wraak te kunnen nemen.

Doch, zal men de vrucht van dezen krijg voor het zegevierende Pruisen vergeten! Ziet men dan, in weerwil van al zijn rouw: zijn heil, zijn Bondgenootschap met de Broeders van het Zuiden niet!

Maar zou dat Bondgenootschap inderdaad een vrucht van dezen oorlog mogen heeten! Neen, ’t is een vrucht van den gemeenschappelijken haat. Dat Bondgenootschap ontstond niet dóór, maar het bestond reeds lang vóór den oorlog.

En als nu de verwenschte vreemdeling door vereenigde krachten in zijn hoek is teruggejaagd, en de broeders straks weer rustig te huis zijn, dan—’t zou niet onmogelijk wezen—dán misschien zal het onderling krakeelen opnieuw een aanvang nemen, en.... Maar de tractaten?—Nu ja de tractaten!

En als de broeders niet gaan krakeelen, wie waarborgt ons dat ze te zamen niet overmoedig zullen worden, steeds hunkerende naar meer, totdat ze ten leste gaan inslapen op hunne lauweren.

En dan, dan komen die vreemden opnieuw, en rukken de lauweren weg onder die slapende hoofden.

’t Is reeds gezegd: Leer om leer!

Helaas! de stem zal zich weder verheffen, die ons van kortzichtigheid beschuldigt, en een glimp van waarheid weet te geven aan de traditie dat de oorlogen noodzakelijk waren, en nóg zijn voor volksontwikkeling en beschaving. [340]

Ja, maar zij zal ’t vergeten dat schier alle groote werken ten nutte der menschheid kinderen des vredes waren.

Getuigt het allen, gij denkers van vroeger en later tijd, die de wereld met de uitkomsten uwer studies op zedelijk en stoffelijk gebied hebt verrast en zoo duur aan u verbonden.

Getuigt het allen, die zint op vooruitgang en volksbeschaving, dat de oorlog steeds uw felste vijand is geweest; getuigt en verbreidt het dat de zegeningen door dien vijand der menschheid aangebracht, ’t allereerst tegen haar gekeerd waren.—Ook uit het kwade kan nog het goede voortkomen. Gode zij dank!—Men zag ze, die inspanning van krachten om het luchtschip te stieren—door den nood gedrongen, doch ook ter vernieling. Misschien ten zegen voor de toekomst? Maar het luchtschip bestond. Een kind van den oorlog is het niet; neen. De mitrailleuses, de satans-raketten en stinkbommen—dàt zijn zijne welpen.

De oorlog is een kwaad, een volstrekt onnoodig kwaad.—Niets wezenlijk goeds kan er door den oorlog tot stand komen ’t geen niet langs den rein menschelijken weg zou zijn te verwerven geweest.

Was het dan in Europa tot heden een verborgenheid dat degelijk onderwijs een volk ten zegen is? Moesten duizenden moorddadige bommen en kogels verkondigen ’t geen één enkel helder hoofd, één enkel waarachtig vaderlandslievend hart ten goede had kunnen bewerken?

Zijn dan de oorlogen nu nog noodzakelijk ter verbroedering van de volken—indien ze het al vroeger moeten geweest zijn—nu, terwijl bergen noch zeeën de naties meer scheiden? Zijn er geen andere middelen inderdaad om de volken wakker te doen blijven, en hun kracht te bewaren of meer te ontwikkelen!

Een gruwel is de oorlog. Een toegeven op reusachtige schaal aan wraak en haat en veroveringszucht, onder het mom van vaderlandsliefde.

Waarachtige vaderlandsliefde is: Het werken met alle krachten aan de beschaving en ontwikkeling van zijn volk; maar ook: Het werken zelfs in den kleinsten kring met lust en noeste vlijt. Vaderlandsliefde is een ijverig voorwaarts streven door gepaste middelen, zonder dwaze verheffing boven zijn stand; een bevorderen en schragen van het te dikwijls verbroken maatschappelijk evenwicht. Vaderlandsliefde is het kweeken van een reinen onziekelijken Godsdienstzin; van humaniteit waaruit de waarachtige vrijheid wordt geboren, waardoor in ’t einde de vrede moet komen op aarde.

Vaderlandsliefde!

Maar als een wreede roover het dierbaar erf bedreigt; wanneer het ruw geweld met ijzeren vuist op deuren en vensters beukt?

Hoe! Zal men den woestaard dan met een ernstig vermaan tot rede kunnen brengen; zal hij het oor leenen aan die woorden van den edelsten onder de menschen, den grooten Jezus van Golgotha: Steekt het zwaard in de scheede. Hebt elkander lief. Bidt voor degenen die u haten!—en nog zoovele andere uitingen der reinste humaniteit, der warmste menschenliefde!? [341]

Helaas! indien het ruw geweld u tot handelen dwingt, zoekt het met krachtige hand te beteugelen, en—wordt gij gedwongen zijn helsche wapens te kiezen.... God wil dat ge uw leven en dat uwer dierbaren zult beschermen. Maar wee wee den mensch door wien de ergernissen in de wereld komen!

Één enkel boosaardig hart behoeft slechts één enkele vuurvonk om een gansche stad te verwoesten. Doch wee, wee dat hart, na zijn ontwaken uit den helschen roes bij ’t aanschouwen van den jammer door hem aangericht.

Vaderlandsliefde!—Preekt het van de daken dat het geen waarborg is voor ’t geluk van een volk, wanneer zijn land al grooter en grooter, al machtiger en machtiger wordt.

Preekt het van de daken dat de kleine naties zoowel recht hebben van bestaan als de groote; dat zij veelal gelukkiger zijn, huiselijker van aard, en meer geadeld door den waren vrijheidszin.

Groot en klein, ’t zijn twee machtige factoren van het scheppingsplan. Ziet ze, de onmetelijke zonnen, en de kleinste planeten; de hemelhooge bergen, en de liefelijke heuvels; ziet ze, de cederen van den Libanon, en het fijngetakte plantje der hei; den olifant en het miscroscopisch insekt.

Vaderlandsliefde!—Verkondig het alomme, gij kleine natie, dierbaar Nederland, dat gij recht hebt van bestaan, gij bovenal!—Laat uw stem klinken, met verstandigen ernst, wijd en zijd, dat gij uw huis zult bewaken, en zonder inwendig krakeel, uw huis aan zee, wel wat vochtig, maar toch zoogoed!

Verkondig het, dat ge de bondgenoot wilt zijn voor alle werken des vredes, maar ook, dat ge bij overheersching de taak zoudt vervullen van het folterende geweten, telkens in opstand, en triumfeerende in ’t eind!

Zal het de stem wezen van een roepende in de woestijn, klein Nederland, indien gij luide verkondigt:

“De vorsten moeten de eerste Staatsburgers zijn.

“Een gewapende vrede is de eeuwigdurende oorlog. Algemeene ontwapening, dat is de waarborg des vredes.”

Wanneer men gereed is ten strijde—of het meent te wezen—dan trekt men het zwaard. Hoort! De gelegenheid maakt den dief, soms ook maakt de dief de gelegenheid. Maar de ontwapende dief? Misschien gaat hij werken en ziet hij af van inbraak en roof.

Klein Nederland, verhef uw stem; misschien kan het baten in ’t eind.

Immers men weet dat gij wel klein zijt, maar ook ’t geen men dapper pleegt te noemen; dat slechts een paniek in staat is om u voor een oogenblik u zelf te doen vergeten.

Vrij, dierbaar Nederland! roept het den volken toe:

“Slecht uw vestingen, uw arsenalen en tuighuizen; vernietigt uw heillooze wapenfabrieken, uw monster-geschutgieterijen. Dat alles knaagt aan uw eigen welvaart en dwingt een volk, ’t welk u de br