The Project Gutenberg EBook of Frits Millioen en zijne vrienden, by A.L.G. Bosboom-Toussaint This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Frits Millioen en zijne vrienden Author: A.L.G. Bosboom-Toussaint Release Date: January 25, 2008 [EBook #24425] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FRITS MILLIOEN EN ZIJNE VRIENDEN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen.
»De catechisatie was uitgegaan,” zooals de geijkte term luidde; »uitgevlogen” ware juister geweest, want een zwerm meisjes, kleine, groote, welgekleede, schraaltjes uitgedoste, stoven als joelende bijen wier korf werd verstoord, het huis van den dominé uit, en hortten in haar woeste vaart tegen een troep jongens aan die op hunne beurt de catechisatiekamer gingen innemen. De haast die ze hadden om de plaats binnen te dringen, waar menig hunner licht een mauvais quart d’heure te wachten stond, mogen wij tot ons leedwezen niet aan vromen ijver en weetgierigheid toeschrijven, dat zou eene psychologische en eene historische onwaarheid zijn tegelijk—maar de woeste knapen hadden eene andere drijfveer. Als ze zich wat haastten, troffen ze al licht samen met enkele achterblijfstertjes en dat gaf dan aanleiding tot gestoei en pretmakerij.... ze hadden een vol uur strak en stemmig neer te zitten onder het oog van dominé, het was niet vreemd dat ze het oogenblik waarnamen, waarin deze een ommezientje naar zijne vrouw was gegaan en eene versche pijp stopte, om nog eens wat rumoer te maken! Nu! daaraan lieten zij het zich dan ook heden niet ontbreken, daar was een gedreun of er krijgertje werd gespeeld rondom de banken, ten laatste lieten zich een paar gesmoorde gillen uit meisjeskeelen hooren, waarvan het moeielijk was te beslissen of ze uit werkelijk leed dan wel uit schalke bangmakerij werden geslaakt.
Dominé was geabsorbeerd door zijne koffie en—»even de [2]krant,” daarbij te veel gewend aan allerlei geluiden om tusschenbeide te komen. In allen gevalle hij was geen schoolmeester en voordat het nieuwe leeruur geslagen had, achtte hij het niet oorbaar en beneden zijne waardigheid om de catechisatiekamer binnen te treden. Ook was men daar gansch niet op zijne tusschenkomst gesteld, en liever dan die in te roepen vlogen een paar kleine juffertjes met gloeiende gezichtjes als gejaagde reeën de gang door om op den stoep door de wachtende dienstmeisjes, die intusschen met de groote jongens hadden geginnegapt—ontvangen te worden met eene gemaakte grimmigheid.
»Wel Saartje is me dat laten wachten!”
»Ik kan het niet helpen, Mie! zoo waar niet....”
»Mooi! kan ik het dan helpen? en straks als je mama gromt, krijg ik de schuld dat ik zoo lang uitblijf.”
»Neen, want ik zal zeggen zooals het is, de jongens waren zoo ondeugend en Dientje.... dag Dientje tot Maandag!” maar reeds werd het praatstertje door hare onvriendelijke bonne wat ruw bij de hand gevat, en haastig voortgetrokken, er was niets meer te verstaan. Haar vriendinnetje werd weer op andere wijze begroet.
»Heden mijn tijd, Dientje! wat ziet uwé d’r haveluinig uit. Wat zal uwées tante knorren dat u zoo uit de leering komt!” was de uitroep met verwijt gemengd der tweede gedienstige, terwijl zij inmiddels het mogelijke deed om het scheefstaande hoedje recht te zetten en het omgeknoopte merinosche doekje wat ordelijk te schikken.
»Och, Trijntje! je weet niet hoe ik verschrikt ben,” was het antwoord der kleine blonde met een stemmetje hijgend van agitatie en hoogroode wangen; »de jongens zijn weer zoo woest geweest, ze hebben gevochten, en ik ben in ’t gedrang geraakt, omdat....”
»Ja! ja! juffertje wildzang—de jongens krijgen de schuld, maar de meisjes willen wel zoo, of waarom zijn Saartje en Dientje niet met de eersten mee weggegaan?” voegde Trijntje haar lachende toe, maar niet zonder een afkeurend hoofdschudden.
»Ik kon niet eerder Trijntje, heusch!”
»Als onze Dientje heusch zegt, dán is het waar; maar waarom kon dat dan ook niet?”
»O! dat’s te lang om je nu op straat te vertellen....” [3]
»Bestig, als het een geheim is laten we dan maar gauw maken dat we thuis komen, dan zal tante het er wel uit krijgen,” en voort gingen ook die twee, de laatsten van het drukke troepje, dat de anders stille straat voor een oogenblik had verlevendigd.
Met loffelijke getrouwheid hield dominé ook met de knapen een vol uur catechisatie, maar was ook toch zeker zelf niet minder in zijn schik dan zijne leerlingen, toen hij ook dezen hun afscheid kon geven, na eene korte vermaning om zich toch wat behoorlijk te gedragen bij het heengaan!
Of zij diep ter harte werd genomen is twijfelachtig, maar het was de laatste leering voor dien dag, botsing tusschen komenden en gaanden kon er dus niet ontstaan en de jongens gingen minder woest en jolig uiteen dan ze gekomen waren, enkelen zelfs, de allerlaatsten, slopen druiloorig door de gang onder een gedempt knorrend gemompel, dat alleen maar de poes van de juffrouw deed opschrikken, die zich, voor haar zelve zeer ten ontijde, in de gang had gewaagd.
Dominé was als altijd de eerste geweest om de muffe catechisatiekamer den rug toe te wenden en zijn vroolijk, luchtig studeervertrek op te zoeken. Voldaan met de betrekkelijke kalmte, naar zijn gevoelen door zijne krachtige allocutie veroverd, en met het genoegelijke vooruitzicht van eenige uren vrijen tijd, liet hij zich in zijn gemakkelijken armstoel neervallen, en zat eene wijle mijmerend neer zonder eene pen op te nemen of een boek in te zien. Maar welhaast scheen hij zich zelf dat toegeven aan het zoete far niente te verwijten; met zekeren schrik hief hij zich op, halfluid mompelend:
»Hm ja! de woensdagspreek! van de liefhebberij kan weer niets komen. Van avond rekent Sanne op mij, morgenochtend weer twee catechisaties, het gaat niet, ik moet op mijn tekst denken!” en gehoorzamend aan de inspraak van zijn plichtgevoel nam hij plaats aan zijne schrijftafel, trok met zekere lusteloosheid een foliant naar zich toe, die bij ’t openslaan bleek een Statenbijbel te zijn, bladerde daarin eenige oogenblikken met zichtbare [4]onbeslistheid waar hij eigenlijk wezen wilde, en schoof dien daarna met een verdrietelijk voorhoofdsrimpelen ter zijde, weer zich lucht gevend in eene tusschenpoozende alleenspraak.
»Lastig! een tekst te vinden voor eene avond-weekbeurt! Hm, hm, om een paar dozijn hoorders.” Na wat peinzens: »Ik zou nog wel eens die ... over de zachtmoedigheid, nu met een beetje verandering.... Neen, neen! dat gaat toch niet, alweer een oude preek, en daarbij de douairière van Klingelberg komt altijd ’s Woensdags bij mij. ’t Is zoo’n scherpe slimme feeks, zij mocht eens denken dat ik het expres op haar gemunt had.... ik wil niet voor piquant doorgaan, en waar men de hoofden tellen kan, en weet wat er al zoo in omgaat als men ze voor zich ziet, daar is het wijsheid zich te onthouden; die zijn mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benauwdheden, en er is verstoring voor wie zijne lippen wijd open doet. Salomo zal mij niet tevergeefs gewaarschuwd hebben.—Salomo! dat’s een heerlijke inval!.... een van diens gulden spreuken ... en dan.... Van der Palm er eens eventjes op nagezien.... Wacht eens.... ik zal.... er wel komen! ik ben er al!” en zoo fier en verheugd als Archimedes toen hij zijn: »Ik heb het gevonden!” uitriep, rees dominé op om een der pas herdrukte Verhandelingen van den Leidschen hoogleeraar uit zijne boekenkast te halen, ten einde met diens vernuft en veelzijdige kennis zijne winst te doen. Arme beroemde redenaar! de geurige specerij en ’t fijne attische zout dat uwe kernachtige vertoogen over de spreuken bevatte, werd bedreigd overgoten en verzwolgen te worden met het langnat van eens anders wijdloopigheid.... maar eer nog hoofd en hand zich tot het plegen van de schennis konden bereiden, hoorde men den dreunenden tred van de goede oude dienstmaagd door de gang slepen, de trap opkomen en weldra werd er eer driftig dan bescheiden aan de deur getikt. De ongelukkige man sidderde van zenuwachtig malaise. Stoornis, juist op het oogenblik dat hij noodig had al zijne aandacht onverdeeld te wijden aan den arbeid. Is het te verwonderen dat hij een knorrig »binnen!” hooren liet, en met zekeren wrevel vroeg:
»Wat is er Antje?”
»Dominé daar is vrouw Snibs, de uitdraagster, die u absoluut spreken wil.”
»Och! dat lastige meubel, zij komt mij zeker weer een quasi-antiquiteitje [5]opdringen. Luister Antje! vraag aan mijne vrouw of zij het niet voor mij kan afdoen?”
»Heel goed, dominé!” en Antje trok af.
Dominé luisterde nog eenige minuten in pijnlijke onzekerheid of zijne uitvlucht had gebaat, ten laatste werd hij rustig en haalde ruimer adem in de overtuiging dat zijne vrouw werkelijk dien lastpost had overgenomen. Daarna werd zijne gewenschte rust niet weer gestoord, voordat Antje opnieuw de trap opslofte om hem te waarschuwen dat het »eten klaar was.” Waartoe hem langer te bespieden en dieper in te dringen in de geheimenissen zijner voorbereiding, wij hebben het reeds begrepen dat het voor dominé Willems (zoo heet onze man) gansch geene gemakkelijke taak was eene preek te maken. Gelijk dan ook zijne roeping tot zijn ambt gansch geene onweerstandelijke was geweest, de omstandigheden, eigen besluiteloosheid, gebrek aan wilskracht tegenover den drang zijner familie, hadden hem naar de academie gevoerd om theologie te studeeren, en later »op den stoel gebracht,” zooals men destijds zeide, zonder dat schitrende gaven, of een speciale aanleg hem daartoe hadden aangewezen. Na een vierjarig verblijf op een dorp had hij een beroep gekregen naar de kleine welvarende stad, waar wij hem nu nog aantreffen, en waar hij sinds twintig jaar het ambt van predikant vervult, het herderlijk werk ingesloten, met de stipte goede trouw van een eerlijk daglooner, maar zonder iets van die heilige geestdrift, die hem een recht zou gegeven hebben om de profetische uitspraak op zich toe te passen: »De ijver van uw Huis heeft mij verslonden.” Toch had hij er zwak op, hoe zwaar het hem ook viel, om »een goed stuk” te leveren, trachtte zijne hoorders te doordringen van het »nuttige en plichtmatige van een redelijken godsdienst,” zorgde bij hen de overtuiging te vestigen van de altijd wijze en liefderijke wegen der Voorzienigheid, hun al het schadelijke en dwaze van de ondeugd voor te houden, op de »beminnenswaardigheid en de voordeelen van de deugd” te wijzen, en had in den regel het voorrecht zijne gemeente wel voldaan over hem naar huis te zien keeren, vooral dán, als hij het niet te lang had gemaakt, iets dat hem wel eens gebeurde, daar hij zoomin de gave van puntigheid als die der oorspronkelijkheid bezat, en de moeite die het hem kostte zijne gedachten of.... die van anderen met juistheid weer te geven, hem verplichtte om er [6]eenige malen om heen te draaien, eer hij zich verzekerd achtte haar uitgesproken te hebben, iets wat zijne hoorders naïefweg deed zeggen, dat hij in herhalingen verviel! Hij had maar één collega, zijn jongere, in menig opzicht zijn tegenvoeter, met wien hij desniettemin in goede verstandhouding leefde, hetgeen hem reeds karakteriseert als een goedaardig, vredelievend man; ook werd hij in en buiten zijne gemeente geprezen als een braaf achtenswaardig mensch, op wiens handel en wandel niemand één vlek kon aanwijzen. Wij ook hebben niets op hem aan te merken dan dit eene, dat hij geen dominé had moeten worden. Zeker zou de heer Willems een verdienstelijk ambtenaar, een onberispelijk winkelier, mogelijk zelfs een niet verwerpelijk kunstenaar zijn geweest, maar dominé Willems—al was hij geen wolf in de schaapskooi—is niets meer dan de handwerksman, die de driestheid had gehad op te treden in een ambt dat profetische bezieling eischt, en als zoodanig is hij eene erbarmelijke figuur, eene treurige verschijning, mochten wij zeggen eene uitzondering. In zijn tijd, het eerste kwartaal van de 19de eeuw, was hij het niet, in den onzen zal hij het meer en meer worden. Uit licht verklaarbare oorzaak. Wie nú den predikstoel beklimt, weet dat hij niet in een vasten burcht trekt waar hij onaangevochten zal blijven, maar dat hij den wal bestijgt eener vesting, die aan alle zijden blootligt en door tal van vijanden wordt bedreigd. Weerbaarheid, moedige kleinachting des gevaars, waakzame ijver zijn de eerste eischen die hem worden gedaan. Hetzij hij als aanvaller tegen de oude muren zal stormloopen, hetzij hij als verweerder die aanvallen heeft te weerstaan en de gewijde kerkelijke banier omhoog heffend, de stormloopers tegengaat, en de bresse vult, desnoods met zijn lijf. Flauwheid en gemakzucht vinden bij zulke stelling hunne rekening niet, er moet geestdrift, er moet wilskracht, er moet overtuiging, er moet gewilligheid tot zelfverloochening, er moet levendig gevoelde roeping zijn, of men zal zich teruggeschrikt zien van een ambt, dat als beroep zooveel van zijne aantrekkelijkheid heeft verloren.
In de dagen van dominé Willems was dat nog zoo niet. In zijn kring werd hij gansch niet voor een droevige figuur aangezien—zeker bestond er eene kleine minderheid in den lande, die andere wenschen had, andere eischen deed dan door hem en de zijnen te vervullen waren—maar zij was nog te zwak en [7]te bescheiden om hare stem te verheffen. De laag van stof, waarmee de 18de eeuw het ijvervuur van de 16de en 17de had gedoofd—was niet op eenmaal afgeschud met het slaan van de 19de—de zon van den nieuwen dag ging op, onder wolken en nevelen, en schoot slechts hier en daar stralen uit, die leven en gloed beloofden. Men sprak veel van licht, maar men had geene kracht, men had niets zoo lief als de ruste; het wakker worden ging langzaam en moeielijk, wie maar even aan de alarmklok trok, werd als een lastige rustverstoorder uitgejouwd. In de kleine stad E.—ook, was men onder de leiding van dominé Willems behagelijk ingedommeld; hij zelf, die ter goeder trouw zijne volle instemming had gegeven aan het onderteekenings-formulier zooals het door de Synode van 1816 gewijzigd was, hield het er voor, dat de gouden eeuw voor de Nederlandsche Hervormde kerk was aangebroken.
Eene betamelijke vrijheid met verstandige beperking—ruimte voor alles en allen naar de eischen der beschaving en verlichting—alle rechten en vrijheden gewaarborgd en gehandhaafd door de bescherming van den Staat, eene zachte voogdij uitgeoefend door eene vaderlijke en welwillende regeering. Waarlijk, men kon niet meer verlangen, zonder te overvragen en te overdrijven, en van niets had de goede bezadigde man zulk een afkeer als van overdrijving in ’t godsdienstige. Hij achtte zich zelf te zijn in de gezonde leer, en tot hiertoe waren er in zijne gemeente nog geen ijveraars en rustverstoorders opgestaan, om hem uit dit aangenaam zelfvertrouwen op te schrikken; daarbij was hij eenigszins hardhoorend op dit punt, en de stemmen hadden wel luid en ruw moeten zijn, om zoo terstond door hem verstaan te worden. Wij ook kunnen ons de moeite besparen, om hem de oogen voor zich zelf te openen; wij hebben gelukkig niet met den predikant te doen, maar met den mensch! met den liefhebber der kunst bovenal. Want de goede heer Willems had één zwak—zijne sterkte wellicht—zin voor de beeldende kunst. Of hij een juist oog had op hare voortbrengselen durven wij niet beslissen, maar hij had er groote liefde voor, dat is zeker. Hij teekende met vrij wat meer vaardigheid dan hij stelde, en zijne gelukkigste uren waren die, waarin hij zijne boeken en zijne preeken ter zijde kon schuiven, om zich neer te zetten voor eene tafel met portefeuilles en teekengereedschap, waar hij [8]zich dan wijdde aan oefeningen in zijne geliefde kunst. Hetgeen zijn jongere collega, als hij hem in zoo’n uitspanningsuur betrapte, wel eens het (mogelijk wat malicieuse compliment) in den mond legde: »Gij hadt schilder moeten worden, collega!”
»Dat heb ik mij zelven óok wel eens gezegd, mijn waarde!” was dan zijn goelijk antwoord; »maar ziet ge, in mijne familie werd dat zoo niet voor een beroep aangemerkt! Iedereen raadde het mij af. Zoo’n beetje voor liefhebberij, ja, dàt kon er door, voerde men mij te gemoet, maar zulk een onzeker bestaan.... en als men dan geene middelen heeft.... gij begrijpt mij.’”
»Ja, ik begrijp wel dat men in uw kring er zoo over dacht, maar toch om alleen in onzen tijd te blijven, men kan wijzen op P. en K. en menig ander nog, die ’t vaderland en de kunst tot sieraad strekken, en die er zelf wèl bij varen....”
»Gij hebt volkomen gelijk, Roestink, maar—ik.... was gepredestineerd om dominé te worden,” bekende de goede man dan in zijne openhartigheid. »Mijn peetoom was zelf predikant, bezat eene belangrijke bibliotheek, die hij beloofde mij te vermaken als ik theologie studeeren wilde; ik kon daarbij op zijne vrijgevigheid rekenen in de academiejaren en zoolang ik geen beroep had.”
»En.... zoo werd aan Pictura een priester ontfutseld, die misschien als een parel aan haar muzen-kroon zou hebben geschitterd.”
»Hm! ja! maar dat is lang zoo zeker niet, en ziet gij, zoo ik een broddelaar ware geworden.... de kunst duldt geene middelmatigheid.”
Om Roestinks mond plooide zich een satyriek glimlachje en hij wilde iets zeggen.
»Neen! het is zóó beter,” vervolgde Willems. »Ik ben daarbij tevreden in mijn stand, met mijn lot en....”
»’t Was all’ te vreên op God na,” had dominé Roestink zijn collega kunnen toevoegen, maar hij deed dit niet.
»En ik, heb er een goeden collega bij gewonnen,” zei hij met een handdruk tot afscheid, »en dàt was meenens.” [9]
Een blik te werpen op het karakter en de eigenaardigheden van dominé Willems was ons noodig eer wij hem zien handelen, de kennis met zijne vrouw maken wij nu hij met haar aan tafel zit, iets jonger dan haar heer gemaal, telde zij »een rijpe veertig jaren,” die zij niet verbloemde, integendeel, met wat goeden smaak en wat elegantie had zij er wat jonger kunnen uitzien, maar zij hield niet van opschik en aanstelling, betuigde zij, en hare eenige ambitie was altijd maar om in hare kleeding niets anders te zijn en te schijnen dan: »eene deftige, degelijke dominés-vrouw,” en dit punt van hare eerzucht had zij dan ook bereikt; of zij nu ook daarbij voegde dien stillen en zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God, dat is eene andere vraag, die niet zoo gemakkelijk was af te doen als de kwestie van het toilet.
Zij werd nog juffrouw genoemd naar het gebruik van haar tijdperk, en hare kleeding was dan ook niet die van eene dame, die men als mevrouw zou aanspreken. Zondags ging zij ter kerke met een deftige zwart of bruin zijden japon; in de week in huis, was een ginggang ruitje of een chitsje voldoende naar haar gevoelen. Eene muts met een tour—hoewel ze eigenlijk nog goed haar had—behoorde te zeer bij haar kostuum, dan dat zij er zich van zou hebben verschoond. Overigens, trots een rimpeltje hier en daar, een frisch teint; een paar groote bruine oogen, die wel wat koud en strak stonden, een klein maar snibbig mondje en een gebogen neus, schenen aan te duiden, dat de kalme goelijke aard van dominé hem wel eens te pas konden komen, om huiselijke stormen te stillen.
Hij zelf? Maar gij ziet hem daar immers voor u zitten in zijne lichtgrijzen poederjas, met zijn goelijk alledaagsch gelaat, rond, blozend, ternauwernood verlicht door een paar bleekblauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, en alleen bij zeldzame aanleiding voor een enkel oogenblik konden schitteren. Eene matige corpulentie, korten, dikken hals, blanke, welgevormde handen, het grijzend bruine haar tot effening van alle verschil met een laagje poeder overtogen, ademt alles aan en om hem heen kalmte, welvarendheid en ruste.
Maar zekere gloed, zekere geestdrift, iets van datgene wat het [10]leven tot leven maakt, was noch in hem, noch in zijne huisvrouw, noch in zijne huiskamer op te merken. Alles is ordelijk, voegzaam, stil; de rust des doods.—Of Hendrik Willems werkelijk een goed kunstenaar zou geworden zijn, als hij aan zijne neiging had mogen toegeven?
Zooals wij hem nu tegenover zijne »huisvrouw” zien zitten, zouden wij er haast aan twijfelen; zeker is het, dat hij zijne geliefkoosde bezigheid niet in de huiskamer overbracht, en er slechts dat deel zijner vrije uren aan wijdde, dat hij niet aan de gezelligheid en aan zijne vrouw achtte schuldig te zijn.
»Eene liefhebberij moet geen hartstocht worden,” was de uitspraak waarmede hij niet zonder eene verzuchting zich die zelfverloochening oplegde; maar van eene liefhebberij, die zich nooit tot geestdrift, nooit tot hartstocht zal laten vervoeren, kan men dan ook voor de kunst niet veel verwachten.
Ongelukkig voor Willems was het daarenboven eene liefhebberij, die zijne vrouw niet deelde. Zij begreep niets van de kunst en zij was altijd veel beter in haar humeur als »dominé” haar ’s avonds wat voorlas, eenig stichtelijk vertoog of iets uit de Brieven en Avondstonden van juffrouw Post, of eens een mooi vers van Feith of van Warnsinck, dan dat hij zijn tijd verbeuzelde met papier te vermorsen, met zwart krijt of potlood, en dat toch vaak weer verscheurd werd; men had er niets aan. En àls er dan nog eens wat van terecht kwam, was het eene teekening, die in de portefeuille bleef of die hij ergens aan den muur ophing zonder lijst of glas! Zij kon er geen moois in zien, en begreep niet dat iemand er aardigheid aan had. Waren het nog schilderijtjes geweest, die in vergulde lijsten gevat allerliefst meubelden in eene gezelschapskamer, dat ware iets anders; maar tot schilderen had dominé het nooit kunnen brengen, en daarom....
En daarom waren de teekeningen ook strengelijk naar studeer- en catechisatiekamer verbannen, terwijl de huiskamer en »de zaal” prijkten met allerlei kunstplaten in fraaie mahonyhouten en vergulde lijsten, meestal geschenken van »toegebrachte lidmaten,” en waar de juffrouw nogal mee ophad, schoon een cadeautje in zilver haar toch eigenlijk wèl zoo lief was....
Willems zag dan wel eens glimlachend naar die soort van kunst op, of gaf alleen door een licht schouderophalen te kennen, dat hij het niet precies met haar eens was, maar haar duidelijk [11]te maken, waarom niet, dat was den moriaan geschuurd, en de goede man hield niet van gewaagde ondernemingen.
En nu, dominé Willems was drie en twintig jaar getrouwd! Vindt iemand het vreemd, dat de vleugelen der inspiratie zich in die loodzware atmosfeer niet meer ontplooiden?
»En wat had vrouw Snibs te zeggen?” vroeg Willems, nadat hij zijn eetlust aan ’t eenvoudig maal had bevredigd.
»Goed dat gij er maar niet om beneden zijt gekomen, dominé! Zij kwam met een brutale boodschap.”
»Wat! Zij, die er door mij opgeholpen is, toen zij weduwe werd, en haar nering zoo bitter aan ’t verloopen ging.... Mijne voorspraak bij de gegoede lieden.”
»Die heeft ze nu niet meer noodig, en de dankbaarheid zit er niet diep, dat blijkt; zij kwam u zoo maar aanzeggen, dat zij haar jongen van de catechisatie neemt.”
»Wel zoo! Wel zoo! En wat reden geeft zij daarvoor?”
»O! ze zei zoo ongeveer onder een lange omhaal van impertinenties, dat gij hem niet genoeg voorthelpt.”
»Daar is ook al voorthelpen aan, zoo’n domme eend!”
»Volgens haar moet hij er met Paschen door, en daar had dominé geen hoop op willen geven.”
»Zeker niet! De jongen kent nooit zijne vragen.... en wat ik doe om hem er iets van aan ’t verstand te brengen, het baat niet. En dan zou ik hem aannemen. Ik weet wel, met den kerkeraad kan men doen wat men wil, maar toch.... zoo mag ik er het handje niet mee lichten.”
»Ten laatste zei ze, dat ze haar Pieter naar Roestink zond, omdat... die het ware licht had...”
»Wel, wel! zei ze dàt, nu, ik mag lijden dat Roestink er met zijn licht een licht van maakt.”
»Ja, maar ’t is toch hatelijk en ’t gebeurt wel meer, dat ze van u naar hem loopen, zou er ook opstokerij onder schuilen?”
»Och, wel neen! haal je nu dat maar niet in het hoofd.”
»Gij, gij zijt altijd als het schaapje zonder gal! Maar die Roestink, ik weet het niet, hij is zoo grootsch, dat hij Dr. voor zijn naam mag zetten...”
»Hij! dat heb ik nooit opgemerkt.”
»Mogelijk hij niet, maar zijne vrouw, dat nuf, die zich mevrouw laat noemen...” [12]
»Dat komt haar toe.”
»Zoo! Komt het haar dan ook toe om met een stroohoed met bloemen te loopen en een wit neteldoeksche japon met zes hoog strooken, precies zooals we prinses Marianne gezien hebben op de schilderij; een dominésvrouw! Wie heeft er ooit van gehoord; en in ’t haar gekapt met een kam van ingezette bloedkoralen! Ik vraag je, is dat haar dracht? Moeten wij predikantsvrouwen ons niet onderscheiden door eenvoud en degelijkheid; moeten wij ons met ijdeltuiterij ophouden, moeten wij niet het voorbeeld geven van zedigheid en nederigheid?”
»Dat alles is zeker zeer wenschelijk, Sanne! Maar melieve bedenk dat Marianne Roestink pas vijf en twintig jaar is, en eene freule van afkomst.”
»’t Is waar, ik ben geene freule, maar ik heb de middelen om mij op te schikken zoo goed als zij, ruim zoo goed mogelijk! Toen ik de bruid werd was ik ook maar even in de twintig, en toch, wat heb ik gedaan? Op mijn trouwdag heb ik een zedig kanten cornetje opgezet, al gaf moeder mij paarlen om den hals...”
»Maar lieve, dat was toen ter tijd het gebruik, en...”
»Het gebruik! Nu ja, maar er liepen toch jonge vrouwtjes van mijne kennis genoeg met gekapt en gepoederd haar. Mijn broers vrouw droeg een chignon met een knip en pluimen, maar ik wist dat ik eene dominésvrouw werd, en ik wilde op uw dorp geene ergernis geven...”
»Dat was braaf van u, Sanne, maar eilieve, neem dan ook nu geene ergernis om zoo’n kleinigheid...”
»Neen! dát late ik ook daar, maar wilt gij dan dat ik onverschillig zou zijn, als ik bemerk, dat die lieden u bij de gemeente in een kwaad blaadje brengen... Want als Roestink het hun niet in ’t oor blies, hoe zou het dan zoo’n vrouw Snibs in ’t hoofd komen te meenen, dat hij zooveel knapper en beter is dan gij. Ik heb dat althans nooit gemerkt.”
»Lieve, wat zal ik u zeggen. Het schijnt wel dat er tegenwoordig iets in de lucht zit, dat ook hierheen trekt, al had ik hope, dat wij in ons afgelegen stadje er buiten blijven zouden... Zoo iets van een weerkeeren naar het heel ouderwetsche, weet je. In sommige groote steden zijn er lieden, die het maar niet met de beschaving en de verlichting van onzen tijd vinden [13]kunnen. Woelzieke, onrustige geesten, die allerlei onheil en gevaar zien in de wijze bepalingen van de laatste kerkregeling, die zoo’n beetje den domper willen zetten op het werk van den vooruitgang; die maar niet willen gelooven aan de veredeling der menschheid, die zeggen, dat zij hunne wijsheid van boven hebben, om te meer kracht bij te zetten aan hunne eischen. In den grond opgeblazen, twistziek volkje, die ons predikanten wel graag de wet zouden willen stellen, en waar we nog veel last van kunnen krijgen in de kerk, vooral zoo men niet het geduld en de lankmoedigheid oefent om ze maar stilletjes te laten geworden en dat ijvervuur in zich zelve te laten afkoelen; zoo althans denk ik er mee te handelen, als het zich in mijne gemeente openbaart.”
»Mij dunkt, dat we dan nu al zoo ver zijn, naar de praatjes van vrouw Snibs te oordeelen.”
»Och! vrouw Snibs... dat mensch hangt zoo’n beetje de fijne uit, omdat zij een blauw-maandag met een catechiseermeester getrouwd is geweest, die wel zoo eens in stilte zijne oefeningjes hield. Overigens een best braaf man, dien ik altijd wel heb mogen lijden.”
»Maar ik zou meenen, dat gij leeraar waart om er order op te stellen, als gij beroering en verdeeldheid in de gemeente bespeurt.”
»Och, vrouw-lief! leven en laten leven is mijn regel, en zoo lang ik er geen meer last van heb....”
»Nu, gij moet het zelf weten, dàt zijn mijn zaken niet; maar dat daargelaten, gelooft gij niet dat Roestink ook zoo wat naar die zijde overhelt.... dat treft wel goed samen, zijne vrouw altijd naar de laatste mode, en hij....”
»Ook naar de laatste mode, melieve! Ziet gij, de jongelui moeten nu weer eens een anderen weg uitgaan; wij oudjes scheppen pas adem van den goeden tijd, toen »men zijn naaste van den oever drong om een punt,” zooals Vondel zegt, zij, die het juk nooit gedragen hebben, achten de palen te wijd gezet en de teugels los te hangen, omdat de toom niet knelt; zoodat het mij inderdaad niet verwonderen zou, als collega Roestink mee het oude enge padje op wilde, en zich wat naar die zijde liet heentrekken, maar toch al te ver ook weer niet, daar ben ik niet bang voor; hij heeft goed gestudeerd, heeft hart [14]voor zijn ambt, heeft ambitie, gaven die hem verder zullen brengen, en daarenboven gezond verstand genoeg om te begrijpen, dat zulk een weg niet leidt tot een goed beroep of een professoraat.”
»Wat, hij profester, hij! Heb je zulke hooge gedachten van hem?” vroeg juffrouw Willems wat verslagen.
»Ja, Sanne, zeker! En wat meer is, ik wensch van harte, dat hij het niet ontloopen mag.”
»Gij gelooft dus niet, dat hij met opzet de jongelui van je leering aftrekt?”
»Wel zeker niet. Zou ik kwaad van mijne naasten gaan denken zonder aanleiding? En wat zou Roestink er aan hebben, om mij een paar botterikken af te troonen, hij heeft er voorwaar zelf genoeg!”
»En gij zijt er een levenmaker mee kwijt, dat is ook waar!” zei de juffrouw voldaan en zelfs eenigszins overweldigd door dominé’s uitvoerige explicatie.
»Zeg liever een gluipert; de schalken, de woelwaters, dat zijn Bram Duinstee en Frits Millioen! Och foei, daar betrap ik mij zelven weer op dien hatelijken bijnaam! Arme jongen, goed dat hij mij niet hoort, je weet wel, Frits, de zoon van de weduwe Rosemeijer, die twee zijn de belhamels van alle standjes, die er op de catechisatie voorvallen; maar het zijn tegelijk de vlugste en aardigste jongens die ik ken.”
»Je moest toch zien er wat orde onder te houden, dominé!” hernam de juffrouw met een afkeurend hoofdschudden. »Hooren en zien vergaat me als die wilde troep uit en instormt.”
»Wat zal ik u zeggen, Santje-lief; ik kan er toch niet met de plak onder spelen, ik ben zelf ook jong geweest, en.... mits ze maar stil zijn onder ’t gebed en aandachtig luisteren als ik spreek, dan laat ik ze liefst maar geworden; men moet wat door de vingers zien.”
»Gij zijt al te goed! De ouders van de fatsoenlijke meisjes klagen....”
»Zij mogen zwijgen. De juffertjes zijn de wildsten en onregeerbaarsten, zij dralen opzettelijk met heengaan, om zich door de jongens te laten overvallen.... ik ben er zeker van, dat zij het zelven zijn, die door haar geginnegap tot stoeien en mallen uitlokken. Lees er vader Cats maar eens over na.” [15]
»Ik zeg ’t is een last,” zuchtte Susanne, slechts ten halve overtuigd, dat dominé de wijste partij koos, met zich niet tegen de wanordelijkheden te verzetten. »Het beste er van is, dat we met aannemen nogal mooie cadeautjes krijgen, anders ware ’t niet om uit te houden.”
»Vrouwlief willen we danken! Ik verlang naar mijne pijp!” viel dominé in, niet zonder heimelijke ergernis over de inhaligheid zijner ega.
Toen aan die noodiging was gehoor gegeven, en oude Antje de tafel had afgenomen, gaf de goede Willems zich over aan de weergalooze sensatie, die bij het opblazen van blauwe rookwolkjes wordt gesmaakt; terwijl hij het hoofd een weinig achterwaarts liet vallen in zijn hoogen gemakkelijken leuningstoel, en zeker niet zonder de stille neiging om al rookende in te dommelen, had de juffrouw haar breiwerk genomen en ging voor het raam zitten, de gordijntjes een half ruitje openschuivende, om te zien wat er bij de overburen omging, en wie er zoo al de straat passeerde, zoolang de schemering van den Septembernamiddag haar dat onschuldig genot vergunnen zou. Tegelijk scheen ze nog niet willens manlief de rust te laten, die hij kennelijk zocht; want op eens wendde zij het hoofd naar hem toe, zeggende:
»Heden dominé, daar valt me iets in, waarom hebt gij die groote teekening weggenomen uit de catechisatiekamer? Ik dacht, dat je daar zooveel mee op hadt?”
»Weggenomen! de teekening? Wat voor teekening, droom ik of zijt gij in den dut, Sanne?” vroeg Willems, blijkbaar wat korzel over de stoornis.
»Ik ben klaar wakker, maar gij droomt zelf of, ’t is je vergeten, je hebt haar zeker weggegeven.”
»Ik! Ik zou die teekening weggegeven hebben,” riep Willems opgeschrikt en nu volkomen helder het hoofd opheffende met flikkerende oogen: »die teekening, de best geslaagde die ik ooit heb gemaakt, je meent immers die van de kinderzegening?”
»Precies, die achter je stoel placht te hangen in de catechisatiekamer.”
»”Placht te hangen!.... Wat bedoel je daarmee?”
»Dat zij er nu niet meer hangt, dát bedoel ik,” herhaalde Sanne wat knorrig, dat ze niet op hare eerste verzekering werd geloofd.
»Och, kom, dat’s onmogelijk, gij zult verkeerd gezien hebben, [16]zij moet er hangen. Ik heb er van ochtend de meisjes nog op gewezen, om het Evangelisch verhaal voor haar aanschouwelijk te maken.”
»Dat spreek ik niet tegen, maar toen ik met vrouw Snibs in de catechisatiekamer was, viel mijn oog op de ledige ruimte.”
»Dat is me onbegrijpelijk, dat moet ik onderzoeken,” riep Willems driftig oprijzende en alles behalve slaperig, toen hij zijne vrouw voorbijstoof, om dat onderzoek in te stellen.
Zij volgde hem bedaard, maar toch zeer nieuwsgierig naar de uitkomst van dat onderzoek, minder omdat zij aan die teekening hechtte dan wel omdat zij hare getuigenis niet tot leugen, haar scherpzienden blik niet tot schande wilde gemaakt zien!
De catechisatiekamer van dominé Willems was een ruim vertrek, laag van verdieping en op eene binnenplaats uitziende door een enkel breed raam met de kleine ruiten van dien tijd. Zeker had de oorspronkelijke bouwheer het niet tot zulk gebruik bestemd, want de deur zoowel als de lambriseering, hoewel nu bijna verveloos, droeg nog sporen van rijk verguldsel; de marmeren schoorsteen was met beeldhouwwerk opgeluisterd, en moest voorheen met een spiegel of een schilderstuk geprijkt hebben, dat er echter uitgebroken was, zonder dat de lacune was aangevuld door iets beters dan de kalklagen, die er met iederen schoonmaak door den witkwast op werden neergelegd. Dominé Willems had van de ruimte gebruik gemaakt, om eene groote kaart van het Joodsche land te plaatsen, die de armelijke naaktheid ten deele vermomde. De wanden, in vakken afgedeeld, bevestigden sterk het vermoeden, dat het vertrek eenmaal een dier mysterieuse pronkkamers was geweest, waarin de heer des huizes zelf niet dan bij plechtige gelegenheden den ongewijden voet mocht zetten. Zij waren met een donkerbruin goudleder behangsel overdekt, hetwelk echter reeds jarenlang aan het vandalisme der moedwillige jeugd prijsgegeven, in zóó vervallen staat verkeerde, dat het zware leer hier en daar met grove spijkers was vastgehecht en overigens de scheuren en reten niet meer [17]stoppens waard waren geacht, waarom dominé zelf er dan ook geen bezwaar in had gezien, om er overal waar hij goed vond, krammetjes en haakjes in te steken, die de platen en teekeningen moesten dragen, door hem deels ter verduidelijking van zijn onderwijs, deels uit vanité d’artiste op dit, zijn onbetwist gebied, tentoongesteld.
Zijne eerste veronderstelling was dus, dat de teekening in kwestie door een toeval van het haakje geraakt, naar beneden was gegleden en op den grond zou gevonden worden. De studeerlamp werd opgestoken, maar een nauwlettend onderzoek liet hem geene de minste hoop. Zijne »huisvrouw” stond hem met loffelijken ijver ter zijde, doorsnuffelde alle hoeken, ging met den lynxen blik ter aarde gewend banken en stoelen door, vond de bladen van een verscheurd vragenboek, twee grifjes, een eindje lint en drie spelden, en toonde die buit haar echtgenoot met triomfeerenden blik, als bewijzen harer accuratesse; maar van de teekening geen spoor. Het onderzoek moest worden opgegeven; nog ééne hoop: Antje werd geroepen en ondervraagd.
»Heere mijn tijd! De mooie groote prent weg, wel, dat’s een geval, neen, zij wist er niets niemendal van; maar zou soms de poes....?” De poes is in elk welgeregeld huisgezin de natuurlijke drager van iedere mysterieuse wandaad, en de goede sloof wier domheid alleen met hare getrouwheid te vergelijken was, greep in hare onmacht om iets beters uit te vinden dit gewone redmiddel aan.
»Och, wat zou de poes!” zei de juffrouw half knorrend, half lachend, terwijl dominé in zijne verslagenheid stokstijf naar de ledige plaats stond te kijken, alsof hij op eene verschijning hoopte.
»Dan moet ie met handen zijn weggenomen!” riep Antje, de hare in de zijde zettende als protest harer onschuld.
»Dat zeg ik ook!” stemde juffrouw Willems bij, »dat hebben de kwajongens van de catechisatie gedaan.”
»Waarom deze? Wat zouden zij er aan hebben!” vergoelijkte dominé, die niet licht een kwaad vermoeden vatte.
»Misschien alleen voor aardigheid, om u eene poets te spelen. Ze zijn zoo ondeugend, wie weet of niet die Piet Snibs....”
»Piet Snibs! zoo één, dan hij!” verzuchtte dominé, misnoegd op zich zelf, dat hij de verdenking plaats gaf. [18]
»En nou dominé het zegt, schiet me te binnen,” zei Antje, »dat ik Piet van ochtend met de jongeheeren Bram en Frits door de gang heb zien komen, onder elkaar pruttelend en mompelend.”
»En droeg hij dan een rol of zoo iets?” vroeg dominé gescherpt.
»Misschien in zijn zak; maar.... niet dat ik het gezien heb, dominé! dan zou ik het zeggen.”
»Ga maar aan je werk, Antje! gij zult ons toch niet op het spoor helpen,” beet Willems haar toe, scherp van teleurstelling, en liet zich mistroostig op zijn stoel neervallen, als kon hij niet besluiten van de plek weg te gaan.
»Kom, Hendrik, kom!” sprak juffrouw Willems, uit hartelijkheid zijn doopnaam gebruikende, »maak je daar toch zoo naar niet over, zij komt zeker wel weer terecht, en al gebeurde dat niet, ’t is immers geen groot verlies.”
»Geen groot verlies, Sanne! geen groot verlies! Gij hebt goed praten, ik.... ik was liever honderd gulden kwijt, dan de teekening.”
»Wat zeg je, dominé!” en de juffrouw spalkte groote oogen op en veranderde van kleur. »Heeft zoo’n ding waarde?”
»Voor u zeker niet, Sanne! maar.... voor mij! Het is de beste die ik ooit heb gemaakt; het was in dien tijd toen ik nog alleen leefde in mijne pastorie; ik schetste haar, ik werkte haar af in dien koepel aan de vaart.”
»O! daar we later den mangel gezet hebben.”
»Juist! voor de wasch moest ik wijken,” hernam hij niet zonder een pijnlijk glimlachje.
»Gij hadt u waarlijk niet te beklagen; het was er koud en vochtig, en uwe mooie studeerkamer, met de groote noteboomen voor de ramen....”
»Was mij aangenaam, Sanne! Ik kan niet anders zeggen; maar zóóals ik aan die teekening werkte, heb ik het nooit weer gedaan; met lust, met liefde, met geloof aan mij zelven, met geestdrift, geestdrift!” herhaalde hij met bitterheid, »het woord is me ontvallen, de zaak is mij vreemd geworden,” maar, terwijl hij gesproken had, lichtte er een glans uit zijne oogen, die wel bewees dat hij voormaals van bezieling had kunnen gloeien, al was die vlamme nu gedoofd. [19]
»Mij dunkt gij doet tegenwoordig toch ook nogal eens wat aan de liefhebberij.”
»O, ja! maar....”
»Wel. dan moest gij diezelfde teekening nog weer eens maken, dan heb je haar terug, zonder dat het je om zoo te spreken iets kost.”
»Beste vrouw!” Willems drukte haar de hand met tranen in de oogen en met een pijnlijken glimlach om den mond. »Beste vrouw! gij meent het goed, maar ziet gij, er is wat ik je moeielijk duidelijk kan maken, er is onderscheid tusschen knutselen zoo wat voor pleizier, en.... en datgene wat men inspiratie noemt, dat laatste is iets zeer teers, zeer vluchtigs, dat men aangrijpen en zich ten nutte maken moet op het oogenblik dat het dáár is, waardoor men zich moet laten leiden, waaraan men zich kan overgeven, zoolang het ons wil bijblijven, maar dat ééns vervlogen, niet naar willekeur is op te vangen. Zie, vrouw! er wordt gezegd, dat ieder kunstenaar slechts één meesterstuk levert, waarin hij zich zelf volkomen heeft voldaan; welnu, dat is die teekening voor mij geweest, ik voelde mij kunstenaar, ik had bereikt wat ik wilde, maar nu, nu is dat voorbij, daar liggen meer dan twintig jaren tusschen, twintig jaar van ambts- en huwelijksleven! en.... en.... wat ik toen nog was, ben ik nu niet meer.”
»Kom, kom, vat moed! als gij het nu niet zoo goed meer kunt, zou dan de teekenmeester het niet voor je kunnen doen, als je hem zegt wát het wezen moet. Krimpelman moet zeer knap zijn, naar ik hoor,” hernam Sanne meewarig over een leed, dat zij zelf niet voelde, maar zij hield van haar man, al toonde zij het op hare wijze.
»De teekenmeester! neen, dank-je kind!” Willems schudde even droevig het hoofd, maar toch stond hij op, nam zijne vrouw onder den arm en zoo gingen ze naar de huiskamer terug, waar het theegoed intusschen door de zorgzame Antje was klaar gezet, en het kokende water gezellig pruttelde en stoomde.
Juffrouw Willems stak de beide vieren aan, die op verlakte kandelaars prijkend, al walmend en weinig lichtgevend zouden wegteren, maar waskaarsen waren te duur, en tot de nieuwe engelsche lampen was juffrouw Willems nog niet overgegaan. Sanne [20]zette de thee en zag eens ter sluik naar Willems, die tegenover haar had plaats genomen, maar die zijne pijp liggen liet, en zwijgend het hoofd in de hand liet rusten, in verdrietelijk gepeins verzonken.
»Kom, dominé!” sprak ze, »verzet u wat, stop eens, en kijk de Vaderlandsche Letteroefening eens in, die pas gekomen is; wie weet of er geen mooi vers van Tollens in staat, of van die grappige recensies tegen dien ouden grompot Bulderbast, zooals ze hem altijd noemen, dat zal je afleiding geven.”
»Ik waardeer uw goed hart, Sanne! maar.... ik kan er zoo nog niet overheen komen, ik denk me suf over mogelijkheden, waarschijnlijk en onwaarschijnlijk gaat me door het hoofd.”
»Mijn hemel! er is toch geen schat verloren; maar als ge het u zoo aantrekt, dan moet je onderzoeken, dan moet je er spoedig werk van maken.”
»Dat zal ik ook, dan.... het ergste hoe en waar dat onderzoek aan te vangen.”
»Wel, je hebt immers reden om te gelooven, dat de zoon van vrouw Snibs het gedaan heeft.”
»De verdenking is bij mij opgekomen, dat is waar, vooreerst omdat Piet er altijd met zijne strakke, domme oogen naar zit te kijken, als hij zijne vragen niet kent, en dan ook omdat zijne moeder eens toen ik zekere antieke curiositeit uit haar winkel begeerde, een ruil voorsloeg met mijne teekening; zij zou die in eene lijst zetten en meende dan er wel een kooper voor te vinden.”
»Daar hebben we het al! mij dunkt, dan is het klaar als de dag; boos over de weigering zal ze haar jongen er toe opgezet hebben, en nu hij toch voor ’t laatst bij je was, kon de gluipert het licht uitvoeren.”
»Neen, waarlijk niet licht, het is me zelfs onbegrijpelijk hoe hij het zou kunnen gedaan hebben.”
»Dat zal wel uitkomen; in uw geval ging ik op staanden voet naar vrouw Snibs, en als ze ontkende, dreigde ik met de politie.”
»Dank-je wel, men komt iemand zoo maar niet vragen of hij een dief is.”
»Wel! Gij mist iets uit uwe catechisatiekamer; is het vreemd, dat gij bij uwe leerlingen komt informeeren?”
»Neen! maar juist bij dezen! lieden van de mindere klasse, ze [21]zouden het er voor houden, dat ik het uit piquanterie deed, omdat ze Piet van mij hebben weggenomen, en ik wil allen schijn daarvan vermijden tegenover Roestink.”
»Ja, als gij zoo bang zijt, om de lieden boos te maken, dan weet ik er ook geen raad op; ik voor mij als ik een zilveren lepel of vork miste, zou zooveel omstandigheden niet maken, maar het der justitie aangeven met de vermoedens er bij.”
»Nooit met mijn wil, Sanne!” viel Willems in met zonderlinge vastheid. »Ik zou een armen drommel niet ongelukkig willen maken om een stuk zilver of een voorwerp van mijne liefhebberij.”
»Maar.... gij kunt het er niet bij laten zitten.”
»Dat zal ik ook niet,” hernam hij, zijne pijp neerleggende, en zijn kopje thee uitdrinkende, »ik zal eens een visite maken bij den ouden heer Duinstee, om te hooren of zijn zoon Bram er wat van weet, en dan eens naar Frits gaan, die is nogal slim en zal me mogelijk op het spoor helpen, die twee zijn volgens het getuigenis van Antje met Piet Snibs heengegaan.”
»Wel, probeer dat dan, zoo doe je toch iets, en als je eens zekerheid hebt....”
»O! als ik zekerheid heb, dan durf ik vrouw Snibs wel staan, en dan zal ik het er bij Piet ook wel uit krijgen,” hernam Willems verruimd, stond op, nam zijn hoed, groette zijne vrouw en ging uit.
De studie voor de avond preek was geheel op den achtergrond geraakt.
Juffrouw Willems had nauwelijks een paar toeren gebreid sinds haar man was uitgegaan of Antje trad binnen met de gedienstige vraag: »of de juffrouw ook nog melk bliefde, of de juffrouw ook een kooltje wilde?” eigenlijk slechts de inleiding tot een praatje, waartoe de juffrouw niet ongenegen was zich te leenen, in absentie van haar man en bij extra-ordinaire voorvallen in haar over het algemeen zoo onbeduidend huiselijk leven; de diplomatie van Antje bracht haar dan ook tot het gewenschte doel. Hare meesteres antwoordde op de voorkomende aanbiedingen op een toon die de oude getrouwe vrijheid gaf om te zeggen: [22]
»Lieve deugd, juffrouw! wat was de dominé ontdaan over dat geval met die prent, maar eens van mijn leven heb ik hem zoo gezien, het was op dien avond toen de juffrouw in de verwachting was en toen het misliep.”
»Och Antje, spreek me daar niet van, ik ben blij dat ik geen kinderen heb, mijn man zou ze bederven, hij is te goed, veel te goed; verbeeld je, hij houdt het er voor dat die ondeugende Piet het gedaan heeft, en hij wil er toch niet naar toe om dat brutale wijf de les te lezen.”
»Ja! de man is doodgoed, ’t is zonde en schande zooals die kwajongens hem plagen en toch altijd blijft hij bedaard, maar dat hij driftig kan worden heb ik vandaag gezien, ik miszei er toch niets aan en hij keek mij aan of er vuur uit zijn oogen schoot,—die liefhebberij! die liefhebberij! die weet wat!”
»Als ik kon zou ik er zelve heengegaan zijn, want ik houd het er voor dat ze hem daar hebben bij die Snibs.”
»De prent, juffrouw?”
De juffrouw knikte van ja.
»Neen, de juffrouw kan zelvers niet gaan, maar als ik er nu eens kwansuis om een boodschap ging en zoo eens een praatje maakte?”
»Wel Antje, die inval is zoo kwaad niet, dat moest je maar doen.... wij hebben dat volk niet te ontzien. Ze doet haar jongen op de leering bij Roestink! Is het geen schande?”
»Of het schande is!” riep Antje met een gloed van verontwaardiging, waarbij haar roode wangen zich paars kleurden, »bij zoo’n jongen spring-in-’t-veld die hier pas komt kijken en die zoo’n wereldsche vrouw heeft....”
»Ja, Antje, ja! dat mag je wel zeggen, mensch!” hernam de juffrouw hoofdschuddend, »is dat een opschik, als ik met haar uit de kerk kom en naast haar loop met mijn zwart zijden japon aan, mijn grijs satijnen hoed en mijn gepalmden doek, ben ik een burgervrouwtje bij haar die wel eene barones lijkt.”
»Gelukkig is de juffrouw al twintig jaren in de gemeente bekend, en al gaat mevrouw een sjaal dragen....”
»Een sjaal, Antje! Neen, dat zal laster zijn, ik kan niet gelooven dat ze zoo verregaand ijdel zal zijn,—een sjaal, die draagt hier niemand anders dan de douairière van Klingelberg; de vrouw van den Burgemeester doet het nog met een doek!” [23]
»Daar geeft zij niet om, ze zal van de herfst een sjaal dragen, ik heb het voor zeker van haar meid gehoord, want zij heeft er een present gekregen van haar oom in den Haag, zoo’n rijk heer daar ze van erven moet.”
»’t Is voorwaar fraai, dat een dominésvrouw hier de Haagsche modes zal invoeren.”
»Ja, ja, juffrouw! ’t is ergerlijk voor de gemeente, en was dàt nog het eenige, maar zij speelt alle dagen op het klavier tot Zondags toe.”
»Nu ja, zeker een psalm of een gezang?” vroeg juffrouw Willems met een gezicht of zij tegenspraak wenschte.
»Neen, neen, juffrouw! Wereldsche liedjes, Fransche en Duitsche. De meid kan er, als vanzelf spreekt, geen woord van verstaan, maar die zegt dat ze den heelen slag van Waterloo op het klavier kan nadoen!”
»Zwijg, mensch! De slag van Waterloo! Ik word er koud van als ik er om denk, ik heb er een neef in verloren.”
»Zij zeker niet; anders zou zij er geen grapje van maken.”
»En de dominé wil voor vromer doorgaan dan mijn man; hoe kan die dat dan toelaten.”
»Och hij!”—Een harde ruk aan de bel dwong Antje hare phrase af te breken, die zoo veelbelovend aanving. Met zekeren onwil, daar het praatje voor goed kon gestoord zijn, ging zij langzaam ter kamer uit en haastte zich niet al te zeer met opendoen, maar toen zij ten laatste daartoe gekomen was, had zij de deur bijna weer toegeslagen met eene beweging van schrik, die zij nauwelijks beheerschen kon: dominé Roestink stond voor haar in eigen persoon.
Niet dat zijne verschijning in dit huis juist zulk eene zeldzaamheid was om zoo groot opzien te wekken, maar dat de man in kwestie daar op eens voor haar stond, dat hij haar als het ware en flagrant délit betrapte, terwijl zij bezig was hem en de zijnen eens frisch uit te luchten, dat bracht het oudje wel wat in de war. Hare consciëntie sprak haar niet vrij, al zou zij mogelijk de eerste zijn geweest om te ontkennen dat zulke commé-rage zonde zou zijn, zij voelde zich lang niet op haar gemak, en toen Roestink vroeg of haar meester te spreken was, stotterde zij het ontkennend antwoord en voegde er als vergoelijkend bij: »Maar de juffrouw wel, wil mijnheer niet binnenkomen?” [24]
»Nu dan eventjes als ik geen belet doe.” En reeds trad hij de kamer binnen, in één adem door Antje aangemeld en toegelaten.
Hij groette vriendelijk, maar zonder gemeenzaamheid. Zij antwoordde de begroeting deftig en zelfs wat stijf en kregel, maar er school toch verlegenheid onder die koele houding.
Roestink zelf was juist de man niet om zich door zulke ontvangst te laten intimideeren, evenmin om er zich aan te ergeren. Hij nam de plaats in die zij hem wees, accepteerde het kopje thee dat zij hem du bout des lèvres aanbood, met de verontschuldiging: »dat het reeds wat slap was, maar.... zij zou versche zetten,” een aanbod dat hij afweerde door de geruststellende verzekering, dat hij ze liefst wat slap dronk, verzuimde niet de verplichte informatie naar haar welstand, hetgeen zij hem vergold met op hare beurt te vragen of de juffrouw—zij vroeg excuus voor de vergissing zij had mevrouw willen zeggen—of mevrouw wel was?”
»Mevrouw of juffrouw, zooals u het liefste is,” hernam hij koeltjes, »wij hechten niet aan het praedicaat; mijne vrouw heeft het heel wel, zij houdt zich goed in de Hollandsche lucht, ofschoon eene Geldersche van geboorte.”
»En van adellijke afkomst niet waar?”
»Zoo is ’t, dan verschoon mij zoo ik ter zake kom. Ik hoopte collega Willems te vinden, nu dat anders treft, moet ik zoo vrij zijn u om een paar inlichtingen lastig te vallen.”
Juffrouw Willems, in ’t eerst eenigszins ontdaan plotseling den man voor zich te zien tegen wien zij innerlijk met bitterheid was vervuld, was later—over die eerste emotie heengekomen—in haar schik eens met hem samen te zijn zonder haar echtgenoot om eens terdege hare grieven te kunnen luchten, en reeds beschouwde zij Roestink met zeker welbehagen als hare zekere prooi; doch er was iets in het beleefd, maar koel en kort afweren van hare aanvallen, dat haar waarschuwde niet al te vast op de zegepraal te rekenen. Willems had het haar meer dan eens gezegd dat hij geen alledaagsch man was, zij had het nooit zóó diep gevoeld, zóó goed begrepen als op het oogenblik zelf, waarop ze meende hem in hare macht te hebben. Inderdaad toen Antje met zooveel sans gêne van hem sprak als van een jeugdigen spring-in-’t-veld, had zij zeker meer het oog op zijn [25]verschil van leeftijd met Willems, dan op zijne persoonlijkheid. Hoewel hij zeker de dertig nog niet had bereikt, gaf hij volstrekt niet den indruk van »groote jeugd,” allerminst van jeugdige lustigheid. Het is waar, zijn gelaat had iets fijns en teers dat op vol rijpen leeftijd verloren gaat, maar zijne trekken waren zoo sterk sprekend en zoo vol uitdrukking, dat men bij eenige opmerkingsgave terstond een karakter zag in deze physionomie. Geen frisch jeugdig blosje kleurde de geelbleeke tint. Om het breede beenige voorhoofd viel het zware gitzwarte haar eenigszins ongeordend neer; als het hinderde werd het door den eigenaar maar een weinig ter zijde geschoven et voilà tout. Het was hem aan te zien dat hij zich niet lang met zijn toilet bezighield, en er zich niet veel over bekommerde, want zelfs het stijve dominés-pak van het tijdperk hing hem een weinig achteloos om de leden, de verplichte witte das was maar even om den hals geknoopt, het zwartlakensche vest viel open en de rok was van iets vrijzinniger snit dan de echte gekleede, die eeniglijk als preekrok was toegelaten. Tot de pantalon had hij zich echter niet geëmancipeerd en het spreekt vanzelve dat hij den driekanten hoed droeg zonder welken hij door de gemeente niet als haar herder en leeraar werd erkend; dan, wat spreken wij van zijn kostuum, als men hem in de ernstige, schrandere oogen had gezien, vergat men dit ondergeschikte punt, zooals hij het vergat. Juffrouw Willems onderging haars ondanks den indruk van hun blik toen zij antwoordde: »Als de inlichtingen die u verlangt door mij zijn te geven, want ik ben slechts eene eenvoudige dominésvrouw weet u, die maar zoo stilletjes in mijn eigen huis voortleeft en die niet veel hoor of zie, buiten mijne huiselijke zaken om.”
»Met zooveel te meer gerustheid kan ik mij tot u wenden, daar dit mij in de veronderstelling bevestigt, dat gij niet onkundig zult zijn van ’t geen er in uw huis voorvalt, zelfs niet van ’t geen er voorvalt in de catechisatiekamer. Willems zal voor u wel eens zijn hart uitstorten over de eigenaardige bezwaren van die belangrijke, maar soms zeer verdrietelijke taak, die ons opgelegd is bij het godsdienstig onderwijs.”
Hij zelf raakte nu de question brûlante! Juffrouw Willems had diplomatie genoeg pour voir venir.
»Ja, dominé Roestink! ja, ik hoor daar meer van dan mij lief is, dat verzeker ik u.” [26]
»Zoo zult gij ook wel vernomen hebben, dat zekere Pieter Snibs voor goed van de leering is verwijderd?”
»Hm ja... daar is ten minste genoeg voorgevallen met die vrouw Snibs en haar zoon om....”
»Dat vreesde ik wel; het is waar, zij stellen het zoo niet voor, maar de manier van spreken dier vrouw, een mengsel van gestempeld vrome uitspraken en lompe vinnigheden, beviel mij niet....”
»Hé! dát verwondert mij,” riep juffrouw Willems met ongeveinsde verbazing, »ik dacht dat....”
»Dat wát?” viel hij in, haar vragend aanziende, veeleer met verwondering in den toon dan met gekrenktheid.
»Dat u met die soort van lieden nogal op hadt,” antwoordde juffrouw Willems eenigszins gejaagd, de verlokking om de innerlijke verbittering eens naar buiten te doen komen, was te sterk voor hare bedachtzaamheid.
»Mag ik vragen op wat grond die onderstelling rust?” hernam hij, kennelijk met zelfbedwang, terwijl hij de schitterende zwarte oogen uitvorschend op haar vestigde, hetgeen ten gevolge had dat zij, de hare wat onrustig liet afdwalen, zij voelde dat zij eene onvoorzichtigheid had begaan, dat zij zich gewaagd had op glad ijs, en gevaar liep bij den eersten voetstap den besten uit te glijden, maar nu de attaque eens had plaats gevonden, zou het flauwheid zijn geweest terug te trekken zonder slag te leveren, en welke deugd juffrouw Willems ook missen mocht, lafhartigheid was haar gebrek niet.
»Vrouw Snibs zelve verkeerde in die meening,” ving zij aan. »Zij vond mijn man niet knap, niet vroom genoeg om haar zoon lidmaat te maken en daarom zou ze hem bij Dr. Roestink doen, die had er slag van, die had het ware licht.... en daaruit besloot ik dat Zijn Wel-Eerwaarde dit licht ook voor haar en haars gelijken had laten schijnen op zulke wijze, die mijn man en zijne prediking voor hen in de schaduw stelt.”
»Het komt mij voor, juffrouw Willems! dat gij ditmaal zoomin met uwe gewone bedachtzaamheid als met de christelijke liefde zijt te rade gegaan; beide moesten u verhinderd hebben zoodanige gevolgtrekking te maken uit de praatjes van eene vrouw Snibs, wier voorstelling van hare betrekking op mij even onjuist schijnt geweest te zijn als de uwe van de wijze, waarop haar zoon [27]van de catechisatie is geraakt; ik meende hem verdreven door uw echtgenoot om eenig wangedrag, terwijl het mij nu duidelijk wordt dat vrouw Snibs uit eigen beweging tot die verandering is overgegaan; zoo deed ik haar onrecht met mijne verdenking; een onrecht, waarin gij mij, verschoon de oprechtheid, met zwijgende toestemming hebt versterkt.”
»Omdat ik erger dan dat had te zeggen; mijn man heeft dien ondeugenden jongen, die nog daarenboven een domoor is, niet weggejaagd, dat is waar, maar hij zou hem nu niet weer terug willen hebben, omdat daarna de kwade streek is uitgekomen dien hij ons gespeeld heeft, en die denkelijk de ware reden is waarom zijne moeder hem niet weer naar de leering durft zenden, meer nog, zooals ik na uwe eigene getuigenis wel wil aannemen, dan het ware licht dat zij voorgeeft bij u te zoeken.
»Op dit laatste punt verzoek ik nader gehoord te worden, nu zijt gij mij schuldig u duidelijk te verklaren, waarin het vergrijp van Pieter heeft bestaan.”
Daar vond juffrouw Willems natuurlijk geen bezwaar in. Zij verhaalde het gebeurde of liever hetgeen door haar ondersteld werd gebeurd te zijn op hare wijze, alle bezwaarpunten tegen Piet Snibs uitvoerig optellende, en de mogelijkheid dat zij van een verkeerd gezichtspunt uitging en dat de aangeklaagde onschuldig kon zijn, niet eens ruimte latende.
Roestink doorzag die leemte in haar verdict hoewel het hem dies ondanks bezwarend genoeg voorkwam.
»Dankbaar voor de inlichting, beloof ik u er mijne winst mee te doen en ik zal niet rusten voor ik die zaak tot helderheid heb gebracht.”
»Nu, daar zult u wèl aan doen, dominé! want mijn man zou het er niet uit krijgen, daar ben ik zeker van; hij is veel te goed, en het zou mij zelfs verwonderen als het u gelukte. Zulk volk is zoo hardnekkig in ’t ontkennen, en hoe klaarder de bewijzen tegen hen spreken, des te brutaler zijn zij in ’t loochenen. Gij zult mogelijk nog wel moeten eindigen met de justitie in te roepen.”
»Zeker neen!” viel Roestink in met levendigheid. »Als wij in ons ambt niet genoeg hebben aan zedelijken invloed en overwicht en ons tot het wereldsch gezag moeten keeren om hulpe, ware ’t beter mantel en bef aan den kapstok te hangen en dienst te nemen bij het staande leger om nog tot iets nut te zijn!” [28]
Juffrouw Willems zag hem aan met een twijfelachtigen blik. Zij wist niet recht of zij hier om eene aardigheid moest lachen, dan wel terugslag moest geven op een zoogenaamden »steek onder water.”
Roestink, hetzij hij die aarzeling raadde of niet, ontsloeg haar van een antwoord, daar hij vervolgde: »In vollen ernst, juffrouw Willems! wees er gerust op, dat ik Piet Snibs tot volledige bekentenis zal brengen, ik maak daarvan de voorwaarde zijner opname onder mijne leerlingen.”
»Hoe! zult gij den kwajongen dan toch op uwe leering nemen als hij zijn diefstal bekend heeft?”
»Ik zie niet in hoe ik het zou kunnen laten. Wie zijne schuld belijdt, is licht tot boete gezind, tot berouw te brengen, en ik zou al een heel slecht herder moeten zijn, om onder zulke omstandigheden een verdoold lam de woestijn in te drijven, door de deur van den stal voor hetzelve te sluiten. Collega Willems zou hetzelfde doen, ik ben er zeker van, indien Piet na bekentenis tot hem weerkeerde.”
»’t Is wel mogelijk, dat mijn man zoo zwak zou wezen, maar wat mij aangaat, ik zou er mij tegen verzetten oneerlijk volk in mijn huis toe te laten,” viel juffrouw Willems uit, met eene heftigheid, die hij alleen bekampte door haar zeer laconiek toe te voegen:
»Ik heb alle hoop, dat de verzoeking om u tegen de intentiën van uw echtgenoot te verzetten, u in dezen zal gespaard worden, daar het besluit der moeder, die mogelijk van alles onkundig is, het onderstelde vergrijp van haar zoon is voorafgegaan.”
»Zoo blijkt het dan toch wel, dat diergelijke lieden, die uit waanwijsheid of.... door opstokerij van mijn man afkeerig zijn geworden, weten bij wien zij heil en toevlucht kunnen vinden, al nam dominé Roestink mij dat beweren straks zoo kwalijk.”
»Ik nam niets kwalijk, juffrouw Willems, ik vroeg alleen opheldering, want het kwam mij voor, dat hier misverstand plaats vond, zoowel van mijn karakter in ’t algemeen, als van mijne handelwijze in dit bijzonder geval.”
»Misverstand, dominé Roestink! ik geloof niet dat ik vrouw Snibs heb misverstaan, toen zij over mijn man klaagde alsof hij het ware licht niet had, en de gezonde leer verdraaide, ja, verduisterde; ik vraag u, kan dát mensch uit haar zelve op zoo’n inval komen, als anderen het haar niet hebben voorgezegd.” [29]
»Zonder in dezen de advocaat te willen zijn van vrouw Snibs, die wellicht slechts napraat wat haar door anderen is voorgehouden, moet ik u echter vragen of gij niet gelooft, dat er ook bij de minst beschaafden zekere geestelijke zin kan bestaan, die hen inlicht en tot de onderkenning brengt van waarheid of onwaarheid?”
»Ik geloof, dat juist zulk slag van volk zich het meeste zoo iets inbeeldt, en als ze dan nog in dien eigenwaan versterkt worden door een collega!”
»Ik zie wel, juffrouw Willems!” viel Roestink in, kalm maar strak, »dat ik met u niet kan redetwisten op dit punt. Het eenige wat ik u dus wil zeggen is dit, dat het mij zeer ter harte zou gaan, zoo uw echtgenoot, mijn goede vriend en collega, zulke verdenking tegen mij opvatte, en ik verzoek u ernstig de goede verstandhouding tusschen hem en mij niet te verstoren door hem uwe opvatting als de juiste op te dringen, gij zoudt noch hem, noch mij een dienst bewijzen met zulke stoornis.”
»Wel, ik ben geene twiststookster, dominé, dat zij verre, maar hoe kan ik aan uwe vredelievendheid gelooven, als gij die niet door daden toont, als gij u niet voorneemt vrouw Snibs en haars gelijken, die over mijn man komen klagen, met passende vermaning af te wijzen in plaats van ze in ’t gelijk te stellen door ze liefderijk te ontvangen.”
»Luister, mejuffrouw! Hoe smartelijk het mij ook vallen zou door wie ook van kwade praktijken en onedele intentiën verdacht te worden, kan ik dàt bewijs mijner vriendschappelijke gevoelens niet geven. Ik mag niet afstooten wat tot mij komt met een heilbegeerig gemoed, zij het dan ook met onjuiste begrippen!”
»Zoo kwaadspreken van een medebroeder bij u voor heilbegeerte doorgaat, zult gij u zeker bij velen aangenaam maken,” voegde juffrouw Willems hem met bitsheid toe.
»In kwaadspreken of kwaaddenken van wie ook zal ik niemand sterken, maar wie als dienaar van ’t Evangelie getrouw wil zijn, mag de rookende vlaswiek niet uitblusschen, omdat zij wat walm geeft, behoort veeleer de vonk aan te wakkeren tot eene vroolijke heldere vlam, die verlicht en warmte verspreidt, en dus hoop ik te doen met ’s Heeren hulp en welbehagen, zij het onder goed gerucht of kwaad gerucht!”
»Ja, gerucht zal er wel van komen, daar twijfel ik niet aan. [30]Als die drijvers en overdrijvers zich gesterkt weten door een man als dokter Roestink, zal de misnoegdheid groeien en de verwaandheid stijgen, en dan zullen we weer die liefelijke dagen krijgen, die ik mij nog uit mijne kindsheid herinner, toen de Voetianen en de Lampsianen en de Coccejanen, groenen als ernstigen, het met elkander te kwaad hadden, om van de Arminianen niet te spreken, daar ze allemaal tegen waren, toen de dominé’s zich paars schreeuwden van ijver onder ’t preeken tegen hunne collega’s.”
»Ik verzeker u wel, juffrouw Willems, dat ik mij niet »paars zal schreeuwen” tegen uw echtgenoot, al zou het ook zijn dat ik in gevoelen met hem verschilde,” zei Roestink even glimlachend, »en ik ben er wel gerust op, dat hij van zijne zijde zulk voornemen niet heeft tegen mij.”
»Reken niet te vast op zulke voornemens. Als de tweedrachtsfakkel eens is aangestoken verkeeren de lammeren in wolven.”
»In zulk geval zal het voor ons goed zijn te bedenken, dat wij noch tot lammeren noch tot wolven zijn bestemd, maar tot herders en voorgangers.”
»Ik zeg u, dominé, als de brand eens uitgeslagen is, dan raken de herders met de kudde mee in ’t gedrang tegen wil en dank, en de voorgangers moeten wel hard loopen willen ze niet achteraan komen; gij glimlacht ongeloovig, omdat gij op uw eigen kracht bouwt, en nog niet bij ervaring weet wat kerkrumoer te zeggen is; ik die in eene groote stad mijne kinderjaren heb doorgebracht, weet dat! Gansche gezinnen en families waren er door beroerd; buren en belenden leefden in gestaâge onmoeite, omdat de één dien dominé volgde en de ander genen; mijne eene tante schoof Zondags als zij uit hare kerk kwam de gordijntjes wijd open, om hare zuster te ergeren, die tot de strenge Voetianen behoorde en die open gordijntjes voor sabbatschennis hield. Onder zulk gehaspel ben ik grootgebracht, en wat Willems aangaat, ik heb hem meermalen hooren vertellen, dat zijn oom de beste, vreedzaamste man ter wereld was, maar zich toch genoodzaakt zag iederen Zondag op den stoel vuur en vlam te spuwen tegen zekeren collega, wien hij in ’t particulier van ganscher harte de hand had willen drukken, het al omdat zijne partij den man niet zetten mocht en omdat hij zelf niet verdacht wilde wezen van tolerantie! Nu vraag ik u of ik geen gelijk heb met te zeggen, [31]dat, wie zoo’n vuurtje stookt, geen meester kan blijven van den brand.”
»Zelfs zonder zoodanige pijnlijke ervaring ben ik gereed het laatste volvaardig toe te stemmen, en wat het eerste aangaat, twistvuur aansteken is mijne roeping niet, maar toch zijn er tijden waarin men verzuchten mag: »och! of gij heet of koud waart!” en hoewel het waar is, dat ik nog te jong van jaren ben om mij aan dien gloed, waarvan gij spreekt, verzengd te hebben, de matte onverschilligheid, de uitdooving, die er op gevolgd is, heb ik mede kunnen gadeslaan.”
»Ja, toen de Franschen in ’t land kwamen, was het met die partijschappen gedaan, zoowel als met het oranje schreeuwen en patriotje spelen, de predikanten hadden weinig meer te zeggen en nog minder te eten; die zelf niet wat had, kon geen dominé blijven, dát hebben Willems en ik samen beleefd, des te meer hebben we nu recht ons te verblijden in de betere dagen, die zijn aangebroken, dagen van welvaart en rust, van betamelijke vrijheid en ruimte, die geen losbandigheid kan worden.”
»U zegt daar iets, dat nog niet bewezen is, velen vreezen het tegenovergestelde.”
»Dat zijn de misnoegden, de overdrijvers, waarvan wij zooeven spraken; die zouden de oude twisten wel weer willen oprakelen, zij kunnen niet velen, dat vrede en verdraagzaamheid blijven heerschen. U zoudt wél doen hen daartoe te vermanen, zoo het waar is, dat gij invloed op hen hebt en hen ten beste wilt leiden.”
»Wat zou het baten of ik al tot hen riep: »Vrede! vrede! en geen gevaar!” zoo de innerlijke stem des geestes hen van andere dingen spreekt. Ik acht het beter, het gevaar te erkennen en bijtijds naar de middelen uit te zien om het te ontgaan dan er zelf de oogen voor te sluiten, het te ontveinzen voor anderen, en er ons door te laten overvallen op ongelegen tijd.”
»Dus uw voornemen is, den vrede te storen om twist te ontgaan!”
»Geenszins, wel tot vrede te raden, maar het recht der grieven te erkennen en naar de middelen uit te zien, om ze te herstellen; dus ontgaat men naar mijne meening tirannie zoowel als anarchie, vratige monsters in de Kerk zoowel als in den Staat. U kunt er van oordeelen, sinds gij ze beiden mee hebt beleefd.” [32]
»En om daaraan te ontkomen zouden vrouw Snibs en haars gelijken hun zin moeten hebben, als ze weer naar ’t ouderwetsche heen willen! En een zoo schrander en geleerd man als doctor Roestink gezegd wordt te zijn, zou zich daarnaar gaan schikken! Zou dat geen schande en zonde zijn?”
»Zeker wel, als er van schikken en middelen sprake kon wezen om menschen te behagen; maar het is hier de vraag om zielen te winnen en te behouden, daarenboven ben ik het in de hoofdzaak met hen eens, dat het eigenaardig karakter van onze oud gereformeerde kerk niet moet verloren gaan, al zie ik voor mij zelf er geen bezwaar in, dat zij zich verjeugdige met de vormen en het kleed van onzen nieuweren tijd, maar zie ik nu, dat zij dit hulsel voor eene verduistering der waarheid houden, dan werp ik het weg, liever dan deze zwakken te ergeren. Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen.”
»Als gij hen zóó te wille zijt, eischen ze ten laatste nog dat gij tot het vragenboek van vader Hellenbroek zult weerkeeren!”
»Nu wij Egeling hebben zou dat zeker geen vooruitgang zijn; maar toch.... ondanks al het steile, al het omslachtige, en vooral met het oog op kinderen, het onpractische van dat boek, is er veel in, dat beter behartigd mocht worden dan wij nu doen.”
»Och, kom, dominé! dat’s geen meenens. Ik, die bij eene ouderwetsche grootmoeder ben opgevoed, heb er al het hartige van geproefd, of liever niet geproefd, want ik heb de vragen nooit in mijn hoofd kunnen krijgen en nooit kunnen begrijpen, en ik heb er al mijn leven een tegenzin uit gehouden voor al dat ouderwetsch-orthodoxe in den godsdienst!”
»Die uitkomst is niet vreemd, en inderdaad niet aan u te wijten. Ik voor mij heb er kennis mee gemaakt in mijn studententijd, en met vollen vrijen wil, en dat moest natuurlijk van invloed zijn op mijne zienswijze.”
»Denkt u dan misschien dat Piet Snibs een knap lidmaat zal worden, als hij uit Hellenbroek leert?”
»Dat beweer ik volstrekt niet, ik heb zelfs geen plan het te beproeven; ik sprak van ’t geschrift alleen naar eigene bevinding en zonder toepassing op anderen, minst op mijne jeugdige leerlingen, en toch zou het kunnen zijn, dat zekere geijkte godsdienstige [33]termen, die Piet in zijn moeders huis in ’t gebed en bij den huiselijken godsdienst vermoedelijk bij herhaling gehoord heeft, voor hem eene beteekenis hadden gekregen, zooals hij wel nimmer zal kunnen hechten aan dusgenoemde verstandelijke redeneeringen, die boven zijne bevatting gaan.”
»Ik denk ook niet dat mijn man zooveel redeneert met zijne catechisanten, vooral niet met een stumpert als Piet. Hij gebruikt het vragenboek van Isaäk Prins, is dat dan ook niet meer goed?”
»Wat eens goed is, zal het wel altijd blijven,” hernam Roestink verstrooid; al sprekende had hij het nommer van de Vaderlandsche Letteroefeningen opgemerkt, en werktuigelijk daarnaar gegrepen, de inhoudsopgave met een oog overzien, even gebladerd, en toen hoorde men een uitroep, die volstrekt geen antwoord was op de vraag van juffrouw Willems.
»Ah zoo! daar zijn ze weer bezig, ’t is ergerlijk!” en zijne oogen vonkelden, terwijl een misnoegde trek zich om zijn mond plooide.
»Wat blieft u?” vroeg juffrouw Willems, verbaasd over die plotselinge heftigheid van den man, wien het niet aan zelfbeheersching scheen te ontbreken.
»Daar wordt de grijze dichter Bilderdijk weer uitgelucht of hij een kwajongen waar,” hervatte Roestink, terwijl hij nog altijd in het tijdschrift rondbladerde.
»Wel zeker! de groote IJ., de voortreffelijke W., de weergalooze S., dát zijn de mannen van het oogenblik, die mogen spreken, zelfs van de zaken, waarvan ze toonen niet het minste te weten! Zal dat Midaskoor dan nooit begrijpen, dat spotten en smalen geen bewijzen is, en dat de critiek niet in schotschrift moet ontaarden, zal zij hare deugd doen bij hem, wien zij terecht wil helpen.”
Juffrouw Willems luisterde gescherpt, maar begreep er niet veel van. »Waar heeft u het eigenlijk over?” vroeg zij ten laatste hem aanziende, terwijl zij den snuiter opnam en beurt voor beurt de kaarsen snoot, als om meer licht te krijgen.
»Over dat grof en hatelijk artikel, dat men weer tegen Bilderdijks Navonkelingen geschreven heeft.”
»O, zoo! ja, die Bilderdijk moet een onaangenaam mensch en een lastige rustverstoorder zijn, die zich met alles bemoeien en alles veranderen wil, zooals ik Willems heb hooren zeggen, met de kerk, met de politiek, tot met de theologie toe.” [34]
»Zeker zou hij wijzer doen zijne paarlen niet voor de zwijnen te werpen in een tijd als de onze, die zoo met zich zelf is ingenomen; maar kán een man zwijgen, die bijna in iederen tak van kunst en wetenschap zijne oorspronkelijke zienswijze heeft, gegrond op eene studie even omvangrijk als diep; vooral dán als hij ziet en hoort wie er al spreken en schrijven.”
»Heeft u ook college bij hem gehouden? Ik heb wel gehoord, dat hij zijne studenten zoo inpakt.”
»Ik heb niet te Leiden gestudeerd, ik heb Bilderdijk slechts ééns gesproken, maar ik ken hem genoeg door vrienden van mij, die met hem omgaan, en bovenal door alles wat ik van hem heb gelezen, om met volle recht te kunnen zeggen, dat hij een der glories is van ons land, en daarvoor ook zeker door het nageslacht zal erkend worden, en dat daarom deze zich noemende vrienden van vooruitgang en verlichting beter zouden doen met zijne wenken en inzichten op allerlei gebied te rade te gaan, ze althans kalm en ernstig in overweging te nemen, dan hem bespottelijk te maken, het gansche vaderland tegen hem op te hitsen en hem door de smadelijkste bejegening tot verwoedheid te prikkelen, om dan den verwonden leeuw, die den schop van den ezel niet dragen kan, den volke te toonen als een vuur en vlam blazend monster. En dat noemt zich Christenen, vrijzinnige Christenen bij uitnemendheid, dat maakt verhandelingen over de »verdraagzaamheid” dat fabriceert phrase bij phrase, om de voortreffelijkheid van den mensch te bewijzen en dat bijt, en vereert een der treffelijksten die onder hen geboren is met de verslindende woede van hongerige jakhalzen!” En Roestink, die altijd had doorgesproken met klimmende opgewondenheid, zonder zich eigenlijk tot zijne eenige toehoorster te richten, of zich om haar te bekommeren, wierp nu het veroordeelde tijdschrift, dat hij tot hiertoe in de hand had gehouden, met zekere heftigheid verre van zich, vatte daarop zijn hoed en stelde zich tot heengaan, alsof hij de repliek op zijne pleitrede niet verkoos af te wachten.
Juffrouw Willems, aan de platte kalmte van haar mans conversatie gewoon, voelde zich wat uit het veld geslagen door dien vuurregen, dien zij op eens zag uitstorten, zij wist niet recht op wiens hoofd; haar was Bilderdijk altijd voorgesteld als een belachelijke snoever, als een uitzinnig poëet, die alles overdreef, [35]die met niets tevreden was, en die kerk en staat naar den afgrond zou voeren, als men hem liet begaan, en zij had voor zich uit het gehoorde geen reden om die voorstelling als eene onjuiste te laten varen, maar zij was in dezen niet zoo terstond gereed met haar antwoord: ook sprak ze wat aarzelend: »Ik heb er natuurlijk geen verstand van, de recensies en de poëterij zijn mijne zaken niet; wat ik er van weet is alleen maar van hooren zeggen.”
»Juist, zoo gaat het! die ’t van hooren zeggen hebben, en dan nog niet eens van goed hooren of van goed verstaan, beoordeelen, veroordeelen, zeggen voort en dragen allerlei leugen en laster verder; op die wijze wordt de publieke opinie gevormd over zaken en personen, op die wijze worden reputaties gemaakt en afgebroken,” declameerde Roestink, overweldigd door eene verontwaardiging, waarbij hem de gloed op het voorhoofd steeg.
»Wel, wel! dominé Roestink!” viel juffrouw Willems in, zoodra ze kans zag om er tusschen te komen, »ik wist niet, dat uwé zich zoo driftig kon maken, ik wist niet dat ik daar zooveel aan miszegd had.”
Dit lauwe stortbadje bracht hem tot bezinning.
»Verschoon mij, juffrouw! om de waarheid te zeggen ik had het eigenlijk niet tegen u; alleen het gezegde, waarvan gij u toevallig hebt bediend, trof mij en bracht mij op eene gedachtenreeks, die mij verder voerde dan ik in dezen oogenblik had moeten gaan; wat mijne »drift” betreft, het is waar dat ik het nog niet zoo ver heb gebracht in zelfbeheersching als ik wenschte, maar toch wee hem, die zich nooit kan laten vervoeren door verontwaardiging over onrecht dat er geschiedt; wee hem, die nooit door den gloed der geestdrift wordt ontvlamd; wee den flauwhartige, die zich aan niets ergert; wee den lauwen van geest, wien niets ontroert noch ontrust dan ’t geen hem persoonlijk treft! Van dezulken, juffrouw Willems! ben ik niet, hoop ik nooit te zijn; en nu nogmaals verschooning, gij zult mij mijn gehaast afscheid wel ten goede houden, want ik heb het u zeker veel te druk gemaakt.” En reeds had hij de hand aan de kruk van de deur, toen Willems zelf die binnentrad: nu moest hij teruggaan en nog blijven. [36]
De begroeting tusschen de collega’s was niet zoo joviaal en hartelijk als zij dat van elkaar gewoon waren. Roestink was niet in de stemming om ditmaal met zijn »ambtsbroeder” de banaliteiten te wisselen, die gemeenlijk het fonds van hunne conversatie uitmaakten, daar de goelijke man te laag stond in zijne schatting, om over belangrijke onderwerpen ernstige discussies met hem aan te vangen, en hij hem tevens te veel hart toedroeg, om hem door tegenspraak te verbitteren of te krenken; hij ware hem dus heden liefst ontgaan, en dat gaf aan zijne houding iets gedwongens, terwijl Willems nog onder den slag van zijn onverklaarbaar verlies kennelijk worstelde met de zucht, om vriendelijk en voorkomend te zijn te midden zijner gedruktheid.
»Wel, collega! daar doet gij goed aan; blijf je een pijp rooken: twaalf blaadjes, hè?”
»Dank-je, vriend! ik....”
»’t Is waar ook, gij rookt niet; nu dan, vrouwlief, maak den theeboel aan kant, Roestink zal wel een glas wijn met mij willen drinken.”
»Verschoon me ditmaal, ik heb mijn bezoek reeds te lang gemaakt,” hernam Roestink wat strak, en onwillekeurig naar juffrouw Willems heenziende, die nog haar breiwerk niet had opgevat, dat zij van verbazing in haar schoot had laten vallen.
»Ja! ja! als men met mijn vrouwtje aan de praat raakt, is een uurtje om eer men ’t weet,” hernam Willems met eene poging tot scherts, die zeer weinig bijval vond.
Sanne kneep de lippen samen, en snoot nog eens de kaarsen, par manière de contenance. Roestink scheen met strakke aandacht de drie kanten van zijn hoed te bezichtigen.
»Gijlieden hebt toch niets samen gehad?” vroeg Willems, getroffen over dat zwijgen en hen beurtelings aanziende.
»Ik weet althans geene oorzaak gegeven te hebben,” viel juffrouw Willems uit; »dominé Roestink had het over de recensies, en.... en....”
»Ik kwam informeeren naar Pieter Snibs,” viel Roestink in, ras het woord nemende; »ik wilde weten waarom gij hem wegzond vóór ik hem nam.”
»En toen heb ik als vanzelf spreekt, het geval met de teekening [37]verteld, en toen, hoe het bijgekomen is weet ik niet recht, maar het eene woord haalde het andere uit, toen kwam dominé Roestink op....”
»Ja! och ja! dát’s een onaangenaam geval van die teekening,” viel Willems in, tot Roestink gewend, om den vloed van zijn vrouws woorden te breken, waarvan hij niets goeds duchtte, en tegelijk verheugd dat hij zijne innerlijke kwelling lucht kon geven, »en het verdrietigste van alles is nog, dat ik er niet achter kan komen, wàt er eigenlijk gebeurd is, en wie het gedaan heeft; den ganschen namiddag heb ik rondgeloopen bij de ouders der leerlingen, die in ’t laatste leeruur hier waren. Welnu, ’t is alles vergeefs; ze vinden het allen heel erg, het spijt hen, dat er zoo iets is voorgevallen; maar niemand schijnt iets van de zaak te weten, ze helpen mij ten minste meer van den weg af dan er op: de welwillendsten vragen mij waarmee ze mij pleizier kunnen doen, om het verlorene te vergoeden. Weet-je Sanne? dat vroeg de tante van Dientje Verburg; mijnheer zelf was niet thuis.”
»En wat zei vrouw Snibs?” vroeg Roestink levendig, en zijne groote zwarte oogen uitvorschend op hem richtende.
»Vrouw Snibs!” herhaalde de goede Willems, verrast en getroffen of hij zelf van een misdrijf overtuigd werd; »om u de waarheid te zeggen, bij vrouw Snibs ben ik niet geweest, ik had daartoe eigenlijk zoo geene aanleiding, en.... en....” Hij zweeg, tot over de ooren kleurend, want hij voelde wel dat hij struikelen ging over zijne eigene woorden.
»Nu, goed papa Willems! dan zal ik dat wel voor u waarnemen,” hernam Roestink, met moeite een glimlach bedwingende over de flauwheid en menschenvrees van den man, die een beroep had aanvaard, waarbij zedelijke moed een der eerste vereischten was. »Ik zal vrouw Snibs en haar zoon in scherp verhoor nemen, en de zaak tot helderheid brengen, dat beloof ik u.”
»Wil-je dat voor mij doen?” riep Willems, als verruimd en zijne hand drukkende.
»Wel zeker, wil ik. En nu nog ééne vraag,” hervatte Roestink, »hecht gij aan uwe Woensdag-avondbeurt voor deze week?”
»Hechten.... hm.... hechten, ik ben er natuurlijk op gesteld de plichten van mijn ambt niet te verzuimen, maar om de waarheid te zeggen, ik heb mij nog niet tot eigenlijke studie daartoe [38]kunnen zetten, en nu die onaangename historie mij door het hoofd maalt....”
»Voelt gij u ongeschikt om met hart en ziel bij ’t werk te zijn, dat begrijp ik; zoo biede ik mij aan om de beurt voor u over te nemen; ik heb juist wat op ’t gemoed, dat ik der gemeente wensch voor te houden.”
»Nu, als gij om zoo te spreken uw schets al klaar hebt, dan doet ge er mij een grooten dienst mee, ik wil het niet ontkennen.”
»Daarbij blijft het dan. En zie, daar valt me iets in; ik schijn van avond wel niet te kunnen scheiden, nu moet ik u nog eene inlichting vragen, die mij haast vergeten was; het betreft mede een uwer catechisanten, zekeren Frits Rosemeijer.”
»Frits Millioen bijgenaamd, wat hebt gij daarmee uitstaande?”
»Is die hier ook al niet meer tevreden!” verzuchtte juffrouw Willems halfluid en met ergernis.
Roestink zag haar even glimlachend aan. »Wees gerust, juffrouw! ik persoonlijk heb niets met hem te maken, maar mijn zwager is hier, zooals gijlieden mogelijk gehoord zult hebben, tot rijks-ontvanger aangesteld en verlangt een jong klerkje, dat hem eenige handreiking kan doen; genoemde Frederik Rosemeijer heeft zich aangemeld, zijne bekwaamheden schijnen voldoende, maar bij een post als dien van mijn zwager zijn eerlijkheid en accuratesse onmisbare voorwaarden, de jonkman dien wij niet kennen, heeft zich op u beroepen als die voor zijne moraliteit zou willen getuigen; wat zegt gij van hem, is hij betrouwbaar, kan mijn zwager hem nemen?”
»Wel zeker! wel zeker! laat hij dat doen, ’t is een beste jongen waar hij pleizier van zal hebben, wat jolig, wat levendig, ook nog wel wat jong naar ’t mij voorkomt, maar toch....”
»Hij is de zestien gepasseerd, en al is ’t jammer voor hem zelf, de levendigheid en de jool gaan er wel af als zoo’n arme jongen uren lang voor een lessenaar moet zitten tusschen de vier muren van een kantoor. Maar waarom geeft iedereen hem toch dien bijnaam op zulke wijze, dat ik hier en daar onder zijn waren naam van hem sprekende, niet werd verstaan.”
»Ja, mijn waarde! dat’s een lange en droeve geschiedenis, die al van zijn vader dagteekent. Als ik je die vertellen zal, moet gij mij het avondje schenken.” [39]
»Dan is het beter dat ik mijne nieuwsgierigheid bedwing en op een anderen keer eens bij u kom aankloppen. Ik moet nu naar vrouw Snibs, en gij begrijpt mij: als ik preeken zal, heb ik mij toch ook voor te bereiden!”
Willems had geen voegzaam argument om hem tegen te houden en zijne wederhelft slaakte een zucht van verlichting, toen de fâcheux troisième was heengegaan. Die man verwekte bij haar in gelijke mate ontzag en ergernis.
»Dat trof nu al wonderlijk dat ik heden juist getuigenis moest geven van Frits,” sprak Willems zijne gade wat aarzelend en onrustig aanziende, toen zij alleen waren.
»Hoe zoo! dat kondt gij toch in gemoede doen. Frits is immers een beste, eerlijke jongen?”
»Daarvoor heb ik hem tot heden toe ten minste gehouden, maar toch zonderling inderdaad.”
»Welnu! wat is zonderling? Gij maakt mij nieuwsgierig met al die twijfelachtige uitdrukkingen.”
»In één woord, ik heb nu suspicie gekregen dat Frits....”
»De teekening zou gestolen hebben? Dát geloof ik nooit.”
»Hola vrouwtje, zoo ras moet je niet doorhollen, maar ik kan ’t niet helpen, de manier waarop Dientje’s tante sprak, heeft mij op het denkbeeld gebracht, dat Frits althans medeplichtig is aan ’t gebeurde.”
»En waarom dan aan Roestink niet ronduit de waarheid gezegd?”
»De waarheid? Het kon er wel gansch bezijden zijn; het is niets dan een vermoeden.”
»En als de heer van Hogenstein hem nu op het kantoor neemt op uwe getuigenis, en als het daar bleek dat hij niet eerlijk was?”
»O! als hij meegedaan heeft zal het nu wel uitkomen, daar Roestink zich met de zaak bemoeit, en dan springt het plan met het kantoor vanzelf af, en als hij onschuldig is, dan zou ik niet graag door eene voorbarige beschuldiging oorzaak wezen dat men twijfelachtig over hem dacht en dat hij voor ’t hoofd werd gestooten.”
Juffrouw Willems was het niet geheel met hem eens, maar daar zij haast had haar hart over Roestink lucht te geven, bestreed zij dit punt niet verder. [40]
Of het vervullen der avondbeurt door dominé Roestink de meerderheid der E....sche gemeente stichtte dan wel ontstemde, ergernis gaf of voldoening, zal door ons niet nagespoord worden. Het is ons voornemen niet de opkomende geloofsverdeeldheid van dat tijdperk te schetsen in eene vertelling als deze; de stof zou zeker belangrijk genoeg zijn, vooral als zij gecompleteerd werd door eene voorstelling der vervolgingen onder ’t vaderlijk bestuur van Koning Willem I tegen de afgescheidenen ingesteld op aandrijving der Synode; vervolgingen waarvan wij, levende onder het régime der volstrekte ongebondenheid in de Gereformeerde Kerk, ons nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen; maar wij hebben een ander doel op het oog en zoo wij de vermoedelijke richting van Dr. Roestink even hebben geïndiceerd, is het alleen geweest om zijne persoonlijkheid eenigszins scherper om te trekken en zijne verhouding tot collega Willems daardoor te meer aanschouwelijk te maken.
Dit alleen kunnen wij van den jongen predikant getuigen, dat hij dien avond sprak omdat hij wat te zeggen had, omdat hij zelf het eerst overtuigd was van ’t geen hij anderen zocht aan te bevelen, wat natuurlijk moest medewerken om zijne toespraak die zekere welsprekendheid te geven, die tot in de harten doordringt als een snijdend zwaard en er de levensdeelen raakt. En dit verschil met den zoetvoerigen, breedsprakigen, goelijk gemoedelijken, maar in de oppervlakkigheid wegdrijvenden preektoon van Willems moest als vanzelve scheiding maken tusschen het gevoelen der hoorders. Wie gewoon waren zich door den laatsten zoetelijk te laten inwiegelen, voelden zich zeker onaangenaam wakker geschud, geprikkeld, verbitterd, ontstemd, maar toch huns ondanks gedwongen om even wakker te blijven en na te denken. Hoe zij dit nadenken gebruikten, of het alleen was om den rustverstoorder te beschuldigen en te hekelen, dan wel om met zekere ongewenschte ontdekkingen hunne winst te doen, dat is niet aan ons om uit te maken.
Roestink zelf had wellicht later gelegenheid om zijne waarnemingen te doen, maar hij was niet de man om zulke zegenpralen uit te trompetten en de rustliefde van Willems vond er hare [41]rekening bij, dat de scheuring die er mogelijk bij een afrukken van zekeren blinddoek had kunnen ontstaan, beloken werd door den ruimen mantel der liefde, wier banen hij zoo wijd mogelijk ontplooide om er alle spleten en gaten mee te bedekken, in den waan dat verholen zijn en geheeld zijn synoniem was!
Hij zelf had zich dien avond »wat onpasselijk gevoeld” en was dus maar niet onder ’t gehoor van Roestink gekomen. Zijne wederhelft daarentegen had acte de présence gedaan, had voor twee geluisterd en zich voor drie geërgerd, »daar was tegen haar man gepreekt,” dat liet zij zich niet ontzeggen, maar tevergeefs trachtte zij die overtuiging en hare ergernis in den boezem van haar echtgenoot over te storten.
»Gij zult verkeerd verstaan hebben, lieve!” was zijne onveranderlijke uitspraak, »zoo iets zou Roestink nooit zeggen, althans van mij niet,” en inderdaad daar was in hare teruggave van het gehoorde genoeg verwarring en onjuistheid om hem in dezen het recht te geven Oost-Indisch doof te zijn, en zich buiten de kwestie te houden.
»Het zou wel zoo erg niet gemeend zijn als Santje het voorstelde, en dat Roestink voor zijne opinie uitkwam op den stoel kon niemand hem kwalijk nemen.” Meer hinderde het hem, dat er reeds eenige dagen na den bewusten avond verloopen waren zonder dat hij bericht kreeg van het ingestelde onderzoek bij vrouw Snibs en zoon. Eindelijk kreeg hij Zaterdagsavonds een kort en naar het hem voorkwam wat strak briefje, waarin Roestink meldde, dat hij nog niet in staat was voldoende ophelderingen te geven omtrent de bewuste zaak, dat hij desniettemin wel moed had op een eindelijk gunstig resultaat, maar dat hij collega raadde geduld te oefenen en zich zelf niet verder met onderzoek te vermoeien bij zijne catechisanten, daar hij, dus doende, hen in verzoeking zou brengen om listen en uitvluchten te bedenken tot schade van hunne consciëntie.
Dit bericht was verre van bevredigend en Willems was er dan ook zeer ontevreden over. Nu eens verdacht hij Roestink van geheime samenspanning met de Snibs die nu zijne cliënten waren geworden, dan weer van onvruchtbare bemoeizucht die zich den schijn gaf veel te zullen doen terwijl zij niets teweegbracht. Hij durfde zijne vrouw zelfs geene deelgenoote maken van dit briefje, uit vreeze door haar gedreven te worden om eene nadere [42]opheldering te vragen aan Roestink zelf, die hij liefst nu vermeed hoe meer hij in ’t geheim tegen hem verbitterd was, uit zeker opzien tegen »onmoeite,” die intusschen verre was van wezenlijke zucht tot vrede. Hij hoopte wel dat Sanne niet vragen zou als hij zelf zweeg, het was toch immers eene zaak die haar eigenlijk niet schelen kon. Van Zaterdag tot Zondag deze belangrijke vraagstukken met zich zelven overwegend, kwam hij ten laatste tot het besluit om toch maar den raad van Roestink te volgen en aan zijne catechisanten geene vragen te doen die hen òf tot verklikkers òf tot leugenaars zouden maken. Hij verkropte dus zijn leed en zweeg. Ééne wraakoefening moest hij zich gunnen, hij nam alle teekeningen uit de catechisatiekamer weg als een zwijgend verwijt aan den pleger van het feit, als een sprekend bewijs van zijn rechtmatig wantrouwen. Dat het meerendeel der leerlingen zich door dit gemis pijnlijk getroffen voelden, zouden wij niet durven verzekeren, wel dat het niemands aandacht ontging, en bovenal dat ieder voor zich en allen gezamenlijk de opmerking maakten, dat dominé erg uit zijn humeur was en dat hij onder anderen Frits Millioen, die anders nogal een potje breken mocht, ditmaal zoo knorrig aangekeken had, als hij eene vraag tot hem richtte, dat de arme jongen al was hij nog zoo’n hachje, er verlegen onder werd en zulke verwarde antwoorden gaf of hij verkeerd apropos speelde; daarbij bleef het echter van dominé’s zijde, en van die der leerlingen lekte er niets uit. Roestink liet verder ook niets van zich hooren en Willems vermeed hem opzettelijk; maar zijn innerlijke wrok, zijn verborgen leed nam toe in die mate, dat zijne gewone opgeruimdheid voor diepe neerslachtigheid plaats maakte; hij verloor den eetlust, zijn slaap werd ongeregeld, het pijpje zelfs smaakte hem niet meer; gelukkig dat juffrouw Willems juist in die dagen een aanvang maakte met het zoogenaamde herfststoffen,” eene herhaling in verzachten graad van de »groote schoonmaak,” hetgeen haar genoeg bezigheid gaf en te zeer preoccupeerde om oogen te hebben voor haars echtgenoots sombere zielsstemming daarbij te lichter voor haar verborgen, daar deze, staande het tijdperk van zulk eene reinigings-kuur zich meestal als Ajax onder zijne tent, in de studeerkamer terugtrok en overigens zoo zacht en haast zoo onzichtbaar als een schim door het huis sloop om geen oogenblik aanstoot te geven noch te lijden! [43]
Daar meldde zich op een voormiddag, terwijl juist de beurt was aan de groote huiskamer en de juffrouw zoo maar staandevoets met haar oude Antje een kopje koffie dronk in de keuken, en dominé zijn twaalf uurtje boven kreeg—daar meldde zich dominé Roestink aan om zijn collega te spreken.
Groote desperatie van huisvrouw en dienstbode; de bezoeker moest een gang door die met stoelen en tapijten als gebarricadeerd was, en een trap op die nog niet eens was »gedaan,” zooals Antje met leedwezen bekende, maar hij moest worden toegelaten, daar was niets tegen te doen. En de jonge predikant even glimlachend over de ontzetting van Antje, stapte onbekommerd over alle hindernissen heen, scheen zich volstrekt niet te ergeren aan een »ongedanen” trap en trad bij collega binnen die de deur al vast wijd open hield en die, zich zelf niet meer meester, hem verwelkomde met de vraag:
»Welnu, welnu! zoo weet gij toch wat, anders zoudt gij niet zijn gekomen?”
»Om de waarheid te zeggen, ik kom eigenlijk om iets van u te weten.”
»Dus nog altijd niets van de teekening, nog altijd geene zekerheid wie ’t gedaan heeft?”
»Mijn waardige vriend bedwing nog eene wijle uw ongeduld en laat die vragen rusten. Geloof mij dat zal wel terechtkomen, maar ik heb nu noodig om over iets anders te spreken, ik zou zoo graag het naaste weten van dien zoogenaamden Frits Millioen.”
»Ga zitten, collega!”
»Ik ben niet ongezind u de beloofde inlichtingen te geven, maar iets moet gij mij vooraf verzekeren of.... ik.... ik zou niet ten volle oprecht kunnen zijn.”
»Welke verzekering verlangt gij?”
»Deze, dat die Frits mijn Judas niet is.”
»Uw Judas, in welken zin?”
»Niet de verrader, de dief, die mijne teekening....” de stem stokte, tranen blonken den goeden man in de oogen.
»Ik geef er u de hand op, mijn vriend! dat de knaap in dezen zin rein is van alle schuld tegen u.”
»Nu, Gode zij gedankt! Weet gij, ik heb van den jongen gehouden, hij was zoo levendig, zoo vlug, zoo dienstvaardig, en dan [44]te moeten denken, dat hij tot zulk een slechte streek bekwaam was. Het hinderde mij geweldig, meer dan ik zeggen kan, meer dan het verlies van de geheele teekening.”
»Nu wees dan getroost; zoo hij eenige schuld heeft, is het zeker deze niet.”
»Zoo is het dan toch Piet Snibs?”
»Eilieve collega! dat is tegen de overeenkomst,” viel Roestink in, »ik laat me zoo niet bij verrassing overvleugelen.”
»Dat is uw recht, maar toch zult gij mij wel rondborstig willen antwoorden op eene vraag, die buiten de kwestie omgaat.”
»Wat wilt gij weten?”
»Of gij nu voort kunt komen met dien dommen jongen?”
»Piet Snibs is zoo dom niet, hij is zelfs zeer slim en gevat als hij maar eens iets begrijpt.”
»Precies! hij is sluw en heeft ze achter den mouw.”
»Daar zal wel iets van aan zijn, vreeze ik, bovenal is hij schuw en gedrukt, maar dat alles is niet te verwonderen, hij heeft zulk eene erbarmelijke opvoeding gehad—als men opvoeding noemen mag, een opgroeien tusschen duwen en stooten in, zonder eenige zedelijke vorming van geest en hart.”
»Wat vertelt gij mij nu! Die vrouw Snibs, die voor vroom wil doorgaan, die mij met bijbelteksten de les komt lezen; die zal zeker den huiselijken godsdienst wel niet verzuimen.”
»Dat vertrouw ik met u, Piet zal wel in de gelegenheid zijn dagelijks een kapittel te hooren of te moeten voorlezen en menige preek daarbij; maar wat zegt huiselijke godsdienst zonder heiligen zin, zonder dat men handel en wandel daarnaar regelt. Als Piet zijne moeder de vroomheid ziet aannemen en afleggen als een zondagspak, als hij haar met teksten hoort schermen terwijl zij hem ruwe en onbillijke verwijten doet en klappen uitdeelt in hare onbeteugelde drift, of hare klanten bedriegt voor zijne oogen op den eigen dag dat zij samen gehoord hebben hoe eene bedriegelijke weegschaal den Heere een gruwel is, dan verliezen de uitspraken der Schrift voor hem hunne beteekenis, of erger, ze worden hem valsche munt, waarmee hij op zijne beurt zal betalen, zoo niet onder Gods voorzienige leiding gunstige omstandigheden dezen schadelijken invloed komt veronzijdigen. Dan genoeg, gij hebt mij uitgelokt over Piet te spreken, terwijl gij mij de geschiedenis schuldig zijt waaraan Frits Millioen zijn schitterenden [45]bijnaam heeft te danken, die echter, naar ik hoor, op hem steeds de uitwerking doet eener snijdende ironie.”
»Ja, hij wordt er altijd boos over als hij dien hoort, nu dat is niet te verwonderen. Luister! Maar gun me eerst eene versche pijp te stoppen.”
Nadat dominé Willems met al de nauwkeurigheid waarvan hij het geheim had, voor zijne pijp had gezorgd en er nu gerust op was dat deze in ’t eerste half uur geene stoornis zou teweegbrengen en dominé Roestink, die ditmaal geene bijzondere haast scheen te hebben, zich volkomen op zijn gemak had gezet, begon de eerste zijn verhaal op dien eenvoudigen en natuurlijken toon, dien hij helaas! alleen aflegde op den preekstoel voor eene gemaakte deftigheid, welke niet in zijn karakter lag. »Toen ik hier mijne bediening aanvaardde, was Herman Rosemeijer, die later de geheele stad door als met vingers zou worden nagewezen, nog een deftig gezeten burgerman. Men hield hem algemeen voor iemand, die bijzonder knap was; hij genoot achting en vertrouwen, en men zou hem graag in den kerkeraad gehad hebben, zoo hij niet iets bizars en excentrieks over zich had gehad, dat ettelijke leden afschrikte.”
»Hm! ja! excentriciteit past ook niet in een kerkeraad,” stemde Roestink toe, met zijn ironiek glimlachje. »Van welken aard was de zijne?”
»Och, die kwam uit zoo wat in alles, geene overdrijving in ’t godsdienstige, dat is waar, maar zoo iets eigendunkelijks, dat sommigen hem voor een vrijdenker hielden. Hij was een vroom man, en toch kon hij zich zoo scherp uitlaten over kerkdienaren en kerkelijke toestanden, dat sommigen hem verdachten tot de vrijmetselaars te behooren, en lid te zijn eener loge in de naburige groote stad. Wat daarvan waarheid was, is mij nooit gebleken; de man kwam des ondanks van tijd tot tijd te kerk, vooral bij mij, hoewel mijn toenmalige oudere collega zijn wijkpredikant was, en liet zelfs zijn zoon bij mij doopen, die gelukkig zijn eenige is gebleven.”
»Ik zie in dit alles nog geene excentriciteit.” [46]
»Die kwam toen ook nog niet zoo sprekend uit, maar toch iedereen wist dat hij een partijman was, en een plannenmaker. Als hartstochtelijk aanhanger van het huis van Oranje beging hij menige onvoorzichtigheid, die alleen ongestraft bleef omdat er op ’t geen er in onze kleine, weinig beduidende stad omging, niet veel werd gelet door de Fransche autoriteit; want zooals gij kunt nagaan wij leefden toen onder de Fransche dwingelandij, terwijl ook niemand van zijne medeburgers trouweloos genoeg was om van zijn Oranjegekraai—veel te ontijdig om van eenig nut te zijn—kennis te geven aan de gehate Fransche ambtenaren. Van ergere gevolgen voor hem en de zijnen was zijne planmakerij. Hij oefende het beroep van horlogemaker, en daar hij de bekwaamste, zoo niet de eenige was in zijn vak, had hij veel te doen, vooral bij den toevloed van landlieden op marktdagen, die hem werk brachten of zich in zijn winkel van horloges en klokken voorzagen. Hij had daarbij eene vrouw getrouwd, die eenig vermogen te wachten had; maar toen hij in het bezit kwam van dit kapitaal, kwam zijne ongelukkige manie eerst recht voor den dag. Instrumentmaker, brillenslijper, natuur- en wiskundige, hij was zoo wat van alles, en had een onverzadelijke lust tot proefnemingen van allerlei aard, en dat zou eene zeer onschuldige liefhebberij zijn geweest, zoo hij niet op die vermeende ervaringen en ontdekkingen allerlei projecten had gebouwd, die hij in ’t groot wilde ten uitvoer leggen, en die bijna zonder uitzondering mislukten, zonder dat zij hem ooit ontmoedigden. Ik overdrijf niet zoo ik zeg, dat hij jaarlijks met een dozijn ontwerpen te voorschijn kwam, waarvoor hij deelnemers wenschte, en—niet verkreeg. In een stadje als het onze, waar zoo weinig omging, vooral in dat tijdperk, waar slechts enkele rijke families woonden, en die het waren nog hun vermogen zooveel schuil hielden als slechts eenigszins doenlijk was, waar de overigen, winkeliers en kleine burgers ternauwernood met vlijt en zuinigheid konden rondkomen, daar was, zooals gij denken kunt, geen geld te krijgen voor de ondernemingen van een man als deze, die nog daarenboven altijd omliep met voorstellen tot bevrijding des vaderlands, met complotten ter herstelling van het stadhouderlijke huis!
»Waarom ging hij met zulke denkbeelden vervuld, ze niet liever lucht gegeven in den Haag of in Amsterdam; mogelijk had [47]hij daar bescherming, deelneming gevonden onder de voorname Hollandsche families.”
»Eens is hij werkelijk naar den Haag gereisd, naar men gelooft met zulk een doel; maar het was diens mans ongeluk altijd te vroeg of te laat te komen, de vermogende Oranjevrienden wilden niets van hem weten, hetzij hunne ontwerpen nog niet rijp waren, hetzij ze die niet aan den opgewonden, onvoorzichtigen man wilden toevertrouwen. Wat er van was is mij nooit gebleken; zeker is het, dat hij zeer dof en terneergeslagen terugkeerde, en dat hij zijne politieke luchtkasteelen scheen te hebben opgegeven, zoo zelfs, dat hij niet eens onder hen was, die zich beijverden om de Franschen weg te jagen, toen reeds de Prins in den Haag was teruggekeerd, en onze burgemeester, door de Oranjevlag te laten wapperen, het sein gaf tot de verandering van zaken. Herman Rosemeijer, van wien men verwacht had, dat hij zich onder de eerste en heftigste voorstanders van het herstelde stamhuis zou scharen, bleef stil en werkeloos op dit punt, droeg op zijn best de geliefde Oranjekleur, en liet het aan zijne vrouw over om met de gemeente in de kerk voor de verlossing des vaderlands te danken. Zooals gij wel denken kunt strekten deze gedragingen niet om hem in de gunst zijner medeburgers te doen stijgen, integendeel, zij die hem vroeger om zijne geprononceerde opinies hadden gemeden, om zijne gevaarlijke voorstellen hadden gevreesd, maar die nu met de bovendrijvende partij medejuichten, achtten zijne koelheid verdacht, en het scheelde niet veel of zij betichtten hem van verraad, waar hij hunne geestdrift niet deelde. Zij vergisten zich, hij zelf was geenszins van gevoelen veranderd, maar dat aanbidden van de opkomende zon wekte zijne minachting, en van zijne politieke hersenschimmen ontnuchterd, had hij zich met verdubbelde hartstochtelijkheid overgegeven aan de financieele begoochelingen. Meer dan ooit had hij millioenen in het hoofd en in den mond, terwijl het intusschen niet twijfelachtig was, dat de duizenden, die hij bezeten had, reeds tot honderden waren gesmolten. Hij scheen er zich niet om te bekommeren; met het uitzicht op eene eindelijke winst, hadden de dagelijksche kleine verliezen voor hem geene beteekenis. Zelf volkomen overtuigd van de onomstootelijkheid zijner berekeningen, prees hij zijne ondernemingen aan met al de klem van oprechtheid en goede trouw, wees op de schitterendste [48]uitkomsten als op eene zekerheid, en had de eerlijkheid om de enkele lichtgeloovigen, die hij vond, schadeloos te stellen, als de kansen zich tegen hem keerden, zooals dat doorgaans uitviel. Die edelmoedige handelwijze werd hem niet eens tot deugd gerekend, en redde noch zijn karakter van miskenning, noch veiligde zijn naam tegen bespotting. De schimpende bijnaam, hem eens door den moedwil gegeven, werd hoe langer hoe luider uitgesproken, verving ten laatste bijkans zijn familienaam. Eene ongetrouwe huisgenoote was er de oorzaak van. Op den dag dat de kleine Frits gedoopt werd, had de vader eene portefeuille met papieren vol plannen en berekeningen in de wieg gelegd, en tot zijne vrouw gezegd: »Mina! ziedaar een millioen tot pillegift van uw zoon!” De baker, die in afwachting van al die schatten mogelijk niet al te ruim beloond werd voor hare diensten, had de laaghartigheid in lieden van hare soort niet vreemd, om het kleine huiselijk tooneel over te vertellen in de huizen, waar zij later dienst deed; dit, gevoegd bij de gulheid, waarmee de onvoorzichtige plannenmaker schatten uitdeelde—op het papier—maakte het den spotboeven van ons stadje niet moeielijk, om een bijnaam voor hem uit te denken. Rosemeijer was voor altijd gestempeld als: Herman Millioen, en misschien heeft die spotnaam meer dan iets anders bijgedragen om hem in de achting zijner medeburgers te doen dalen.”
»En is hij ook in uwe schatting een dwaas, een warhoofd geweest?”
»Wat zal ik u zeggen, op het ziekelijke punt na, was hij een braaf, beminnelijk en verstandig man, die eene uitgebreide theorethische kennis had; naar mijne meening lag zijne fout daarin, dat hij in toepassing wilde brengen wat nog niet voor verwezenlijking rijp was, maar zijn eigenlijk hoofdgebrek was.... zijn ongeluk althans....”
»Geldzucht?”
»Neen, neen! hij was de belangeloosheid in persoon, hoewel hij altijd gouden droomen droomde, zijn ongeluk was: geestdrift, geestdrift, die hem met zooveel gloed voor eene opvatting bezielde, dat hij er de gebrekkelijkheid niet van kon zien; geestdrift, die hem de nuchterheid benam tot uitvoeren; geestdrift, die hem bij de ontnuchtering zoo koud liet, dat hij mat en verslagen neerlag.” [49]
»Gij hebt gelijk, geestdrift is gevaarlijk en onverstandig, vooral ten onzent,” verzuchtte Roestink, en verviel in somber nadenken.
»Gij begrijpt, dat onder dit alles de eenige zekere bron van zijn bestaan langzamerhand opdroogde; zich al meer en meer verdiepende in de scheppingen van zijne fantasie, zich voorstellende de groote raderen, die het aanzien der wereld moesten veranderen naar zijn gevoelen, in beweging te brengen, begon hij het meer en meer beneden zich te achten reparaties te doen aan de kleine raderen van de uurwerken hem toebetrouwd. Ook werd hij er ongeschikt voor; een handwerk, dat zoozeer de oplettendheid vordert, dat gezetten arbeid en nauwkeurigheid vraagt, moest lijden onder zijne gedurige verstrooiing, daarbij was hij altijd op de been en zelden meer thuis; de enkele boer of burger, die hem nog zijne klok of horloge vertrouwde, moest er maanden op wachten, en als hij die met geweld terugeischte, bleek het onafgedaan of was de kleine herstelling inderhaast en onvolledig volbracht, tot niet geringe ergernis en teleurstelling van den belanghebbende. Waarheid is, dat Herman Millioen bij zulk eene gelegenheid ook geen geld vorderde, hetgeen de gramschap van den teleurgestelden, zich bedrogen achtenden klant nauwelijks verzachtte; intusschen had zich hier een nieuwe horlogemaker neergezet, een jongmensch, die goed oppaste en geheel voor zijn vak leefde. Gij kent hem wel.”
»Koenraad Busch?”
»Juist deze; zijne stiptheid en ijver deed de treurige achteloosheid van Herman nog te meer uitkomen, en weldra had deze letterlijk niets meer te doen; hij scheen er zich niet over te bekommeren als hij ieder verzekerde wie ’t hooren wilde; hij wist zelfs zijne vrouw in zijne gerustheid te doen deelen, eene vrouw, die inderdaad als een toonbeeld van innige teederheid en lijdzame zoowel als werkzame echtelijke liefde mag geroemd worden. In stilte naaide en borduurde zij voor de dames van de stad, en daar haar werk zoowel als haar karakter voorbeeldig was, gelukte het haar armoede en gebrek van haar gezin af te weren. Toch had Herman ter dier dage een plan ontworpen, dat met minder wantrouwen door de menschen van zaken werd begroet; hij won zelfs beloften van deelneming, mits hij de goedkeuring des Konings kon verkrijgen op zijn project. Het betrof de toepassing der stoomkracht, waarmede naar ’t gerucht luidde, in Engeland, in [50]Amerika wonderen werden verricht, ook ten onzent in te voeren en er proeven mee te nemen op groote schaal. Bij de herleving van handel en nijverheid was de aandacht van onze fabrikanten en industrieelen ook op dat punt gericht; met benijding, met bekommering staarden zij op de verbazende uitkomsten, die men in het buitenland door het nieuwe middel verkreeg; en daar trad nu Herman Millioen op met de aankondiging, dat hij eene uitvinding had gedaan, die de aanwending van deze kracht nog meer profijtelijk en doeltreffend zou maken. Een ander zou zeker terstond geloof hebben gevonden, hij stuitte op ongeloovigen, maar die toch belangstelling genoeg toonden, om zich bij het eerste bewijs, dat hij leverde, gewonnen te geven. Herman zag in, dat hij zijne uitvinding niet in toepassing kon brengen zonder zich met de Engelsche voorgangers te hebben verstaan; ook moest hij zich van werklieden en werktuigen uit Engeland voorzien, en tot het eene als het andere was het noodzakelijk, dat hij zelf derwaarts ging; maar, hij had op dat oogenblik nauwelijks geld genoeg om naar den Haag te komen en zich daar op te houden tot den dag der gewone openlijke audiëntie van koning Willem, wien hij zijne plannen wilde mededeelen, in de hoop er dezen voor te winnen. Ettelijke gegoeden, bij wien ik mijne voorspraak aanwendde, toonden zich bereid om hem te voorzien van de middelen voor den tocht naar Engeland. Zoo trok hij dan getroost naar de residentie, met de verzekering van veler deelneming, zoo de Koning, de verlichte beschermer van handel en nijverheid, het stempel der echtheid drukte op zijn plan door zijne goedkeuring. Met vernieuwden moed en als met verhoogde levenskracht keerde hij terug. De edelmoedige vorst had zelf zijne deelneming toegezegd voor eene aanzienlijke som, zoo de overeenkomst met het Engelsche huis werd getroffen en Rosemeijer in Holland zelf genoegzame deelneming vond om de zaak tot stand te brengen. Nu scheen onze industrieele don Quichot eindelijk iets degelijkers te hebben nagejaagd dan luchtkasteelen en windmolens. Nu geloofde men aan de werkelijkheid zijner voorstellingen, aan de uitvoerbaarheid zijner theorieën. Hij verkreeg een ongewacht aantal inschrijvers, tot uit de handel- en zeesteden van den tweeden en derden rang toe. In de eerste koopstad alleen aarzelde men. Te Amsterdam is men, zooals gij weet, wat te zeer bevooroordeeld om zoo [51]snel aan te grijpen, wat er van buiten af wordt aangebracht. In onze kleine stad was het een rage, een nieuwe Mississippi-maatschappij, waaraan ieder die iets te wagen en te missen had, deel wilde nemen; ik zelf beken u, dat ik mij verlokken liet er zeker sommetje in te leggen buiten weten mijner vrouw, die zulke roekeloosheid zou veroordeeld hebben.
»Genoeg, Herman Rosemeijer ondernam de reis naar Engeland, maar reeds terstond had hij met rampspoed te kampen. Tegenwind en noodweer vertraagden den overtocht, en waar de moedige zeelieden ten laatste de stormen trotseerden, om eene veilige haven binnen te loopen, werd hun pogen verijdeld; zij leden schipbreuk op de rotsige kust. De passagiers redden slechts een deel van hun goed. Herman prees zich gelukkig, dat zekere portefeuille, die zijne projecten inhield, onafscheidelijk was van hem zelven, en dat hij met het leven dus, ’t geen hem meer dan het leven was had behouden. Maar deze ramp en het oponthoud, dat zij veroorzaakte was hem niettemin noodlottig, daar men mijlen ver van de Engelsche hoofdstad was aangeland en zich van het eene gehuchtje tot het andere moest voortslepen, eer men voor groot geld geschikte vervoermiddelen kon bekomen om Londen te bereiken, waar Herman gewacht werd op een vooraf bepaalden dag; die dag was lang verstreken zooals gij denken kunt, na zooveel hindernissen als hem in den weg waren gekomen. Eindelijk toch had hij daarover gezegevierd, en trad vol goede verwachting binnen bij den vertegenwoordiger der bekende firma.
»Men was verbaasd hem nog te zien; men had bericht gekregen van de schipbreuk; na zooveel tijdverloop had men niet meer op hem gerekend; men twijfelde zelfs aan zijne identiteit, en toen hij die met onbetwistbare zekerheid bewezen had, kwam men voor den dag met de bekentenis, dat er daags te voren een contract was gesloten met een Antwerpsch handelshuis, dat in alle groote fabriekssteden der zuidelijke provinciën deelnemers had gevonden, dat met gereed geld, dat met tonnen gouds kon spelen, waar de povere Hollandsche plannenmaker slechts duizenden te bieden had—op het papier!
»Wat zijne vermeende uitvinding betrof, ook in Engeland was zij reeds uitgedacht, toegepast en inderdaad van groote belangrijkheid bevonden; men had dus Herman Rosemeijer niet noodig [52]om haar in werking te brengen! De ongelukkige kwam te laat, in ieder opzicht te laat; waar hij voormaals om het te vroeg was uitgelachen, zou hij nu om dit te laat worden uitgefloten! Dit was de genadeslag. Hij voelde het als bij ingeving, dat hij zich van deze misfortuin niet weer zou oprichten in zijn vaderland. Hij bood den Engelschen industrieel zulke diensten aan, als hij nu nog meende te kunnen verleenen. Tevergeefs, men wantrouwde zijne bedoelingen, misschien ware het hem nog gelukt eene overeenkomst te sluiten in de eene of andere groote fabrieksstad van Engeland, waar men de concurrentie met de voorgangers durfde wagen; maar daartoe had hij verschillende graafschappen moeten rondreizen, zou tot een langdurig oponthoud in den vreemde genoodzaakt zijn, en de ongelukkige berekende dat hij nauwelijks geld genoeg overhield voor de terugreis; daarenboven zijne krachten als zijn moed waren uitgeput. Hij geloofde niet meer aan zich zelven; hij durfde niets meer wagen; hij aanvaardde den terugtocht, en toen hij hier weerkwam, was hij als een veranderd mensch.
»Had de onspoed hem in den goeden waren zin tot God gedreven?” vroeg Roestink belangstellend.
»Helaas! daar zou ik geen ja! op kunnen zeggen. Integendeel, hij was tot eene doffe, morrende neerslachtigheid vervallen, die gansch geen recht gaf aan zulke verandering als waar gij op doelt te denken. De levendige, opgewonden man, altijd vol origineele invallen, vol ingenomenheid met zijn eigen doorzicht en die wat blufachtig viel en volgaarne op eigen kennis en krachten roemde, sloop nu schuw en zwijgend rond, ontweek de menschen, gunde zich zelven nauwelijks de nooddruft en zat dagen lang in een hoek van zijn winkel op zijne papieren te staren, zonder dat vrouw of kind in staat waren hem tot hernieuwden arbeid of aandeel in het gewone leven op te wekken; ten laatste werd hij toch uit die schuwe terughouding opgejaagd door de ijzeren noodzakelijkheid.
»De deelnemers aan de zaak dwongen hem zich te verklaren of hij al of niet kon voldoen aan de voorwaarden, waarop de concessie was verleend, en de deelneming des Konings toegezegd.
»Bij rechterlijke aanmaning daartoe opgeroepen, moest hij zich openlijk incompetent verklaren om ze te vervullen; hij moest zijn échec bekennen; hij was gedwongen nog weer zich zelf te worden, [53]alle krachten van zijn geest te verzamelen en in te spannen, om het te rechtvaardigen.
Hij slaagde er in de lieden te overtuigen, dat hij een eerlijk man was, die het ongeluk had gehad te laat te komen, geenszins een bedrieger, die met het kapitaal van anderen had willen spelen, en die verloor; maar hij kon niemand overtuigen, dat hij geen onhandige was, die de kans had laten verloopen. De Belgische associatie, die zoo luisterrijk kon optreden, verkreeg nu al de voordeelen, die hem waren toegezegd, en in ruimere mate.
»Ja! de voorliefde van Sire voor den zuidelijken ondernemingsgeest is bekend,” merkte Roestink aan met eenige bitterheid.
»Maar, wat Herman aanging, het opgenomen geld kon niet eens worden teruggegeven, hij zelf die bij de schipbreuk nog het weinigje, dat hij bezat had verloren, was meer dan ooit een berooid man, was dùs in discrediet geraakt bij zijne stadgenooten, dat niemand er meer aan denken wilde hem de hand te reiken om zich op te richten.”
Willems zweeg even, zuchtte en vervolgde daarna: »De menschen kunnen hard zijn, vriend Roestink! zeer hard, als ze in hunne financieele belangen zijn gekrenkt; zelfs in onzen tijd, ondanks alles wat er gedaan wordt voor de beschaving, de verlichting, de veredeling der menschheid.”
»Ja, vriend! het hart van den natuurlijken mensch is boos en onaandoenlijk, hatende God en zijn evenmensch; vernis het, kleur het, en sier het uiterlijk zooveel gij wilt, het blijft een steen, een steen die op de aarde ligt en daaraan kleven blijft, tenzij Gods genade tusschenbeide komt en het herschept tot een vleeschen hart, door de onweerstandelijke kracht van Zijne Genade.”
»Gij weet, vriend! ik.... ik trek die koorde zoo strak niet als gij, maar toch.... ja toch heeft de ervaring mij tot mijn leedwezen geleerd, dat de beschaving van sommigen maar niet verder kan komen dan de oppervlakte en dat de liefde, de liefde die zich zelf niet zoekt, die van harte geeft en niet verwijt, dat die ondanks alle genootschappen tot heil des naasten, die wij helpen oprichten, onder de zeldzame planten behoort, die men maar niet kan kweeken in iederen grond.
»Alle aanzoeken die ik deed bij de notabelen van de gemeente om er Herman Rosemeijer weer op te helpen, bij de burgers, om hem niet als een paria hunne gemeenschap te ontzeggen, [54]stuitten af op den weerzin om zich op eenige wijze met dat opgewonden warhoofd, dat Herman Millioen was bijgenaamd, te compromitteeren. Voor zijne vrouw en zijn kind wilde men in stilte wel iets doen, maar hij zelf moest zien hoe hij zich er verder doorredde. Men zou hem niet vervolgen om ’t geen hij schuldig was, maar daarbij moest het dan ook blijven, niemand wilde iets meer wagen voor en met hem. Het was de uitspraak van het gezond verstand, ik erken het, maar toch dit wantrouwen, dit afstooten bracht den ongelukkige tot vertwijfeling. Door den prikkel van den dwang opgejaagd uit de diepe gebogenheid, waarin hij als versuft neerlag, had hij zich overspannen, om een oogenblik weer zich zelf te zijn; maar de onnatuurlijke poging wreekte zich deerlijk, toen zij geen goeden uitslag had, toen niemand treden wilde in de nieuwe combinatie, die hij gemaakt had om toch op eigene wijze, schoon op kleine schaal, met zijne uitvinding winst te doen, en alzoo het middel te vinden om aan zijne verplichtingen te voldoen; toen was hij wild van drift en spijt, toen bezweek zijne rede onder den last der onoverkomelijke bezwaren, toen werd de exaltatie geestverbijstering, toen was hij, wat reeds menigeen hem schimpend had nagegeven, toen—was hij krankzinnig! Zonder echter in den waanzin zijn idée fixe uit het oog te verliezen, integendeel, er op toe gaande, zonder eenige hindernissen meer te achten, of er zich om te bekommeren, zooals de slaapwandelaar zich heenwendt naar eene bepaalde plaats, zonder zich om licht of duister, om hoogten of laagten, aan vuur of aan water te storen.
Hij deed niets meer, zat iederen avond en iederen morgen in het koffiehuis te redeneeren en te bluffen, als ware hij bij machte alles te houden wat hij vroeger of later had beloofd; er haperde altijd maar eene kleinigheid, verzekerde hij met de goelijke trouwhartigheid van den waanzin, een onnoozele tonne gouds of wat, die niemand hem wilde voorschieten op eene verzekerde winst van millioenen! Met één woord, hij werd de spot van de gewone koffiehuisbezoekers, die er pleizier in hadden hem uit te lokken en nog meer op te winden, door hem van tijd tot tijd te onthalen op wijn en sterken drank. Nooit had de ongelukkige zich aan misbruik op dit punt overgegeven, integendeel, zelfs het gebruik had hij zich altijd ontzegd, wetende dat elke prikkel hem nadeelig was. Nu, waar rede en oordeel hem niet meer [55]waarschuwden, weerstond hij zulke aanbiedingen niet meer en geraakte daardoor in zulke opgewondenheid, dat hij naar huis terugkeerende, overluid alleenspraken hield en zijne plannen den voorbijgangers meedeelde; aan de deftige huizen aanschelde, driestweg bij de winkeliers binnentrad, en tot in de geringste buurten toe, de lieden kwam opschrikken met zijne verbijsterende aanbiedingen. De tegenspraak der ongeloovigen, het afweren van dienstboden, die hem niet wilden aanmelden, bracht hem dan in zulke vlagen van woede, dat hij door de straatjongens werd uitgejouwd en maar al te vaak oorzaak en voorwerp werd van wanordelijkheden, waarbij de politie tusschenbeiden moest komen. Van dier wege werd zijne arme vrouw gewaarschuwd haar ongelukkigen echtgenoot thuis te houden of te zorgen dat hij den burgers geen overlast deed, daar er anders vanwege het bestuur in zijne bewaring zou worden voorzien.
Dies ondanks kon de edelaardige vrouw niet besluiten den raad harer vrienden te volgen, en den man met wien zij jarenlang lief en leed had gedeeld en die alleen op het ziekelijke punt lastig en onhandelbaar was geworden, nu uit haar huis te verwijderen, en naar een dier gestichten te doen vervoeren, die erger zijn dan kerkerlijke opsluiting.... Er valt niet aan te twijfelen of er zal ook hierin welhaast verbetering komen, bij alles wat er uitgedacht en uitgevoerd wordt tot heil der lijdende menschheid, maar zooals het nu is....
»Ja, ze zijn erbarmelijk ingericht!” stemde Roestink toe, »maar ik heb gehoord dat er zich reeds krachtige stemmen verheffen, die voorziening vragen in dezen treurigen staat van zaken, en er valt niet aan te twijfelen of er zullen doeltreffende maatregelen genomen worden als we een jaar of wat verder zijn.”
»Ik ben er van overtuigd, maar intusschen had Mina Rosemeijer geen moed om haar man aan de jammeren van zulke opsluiting te wagen. Zij deed het mogelijke om hem tegen zich zelven te beveiligen om te voorkomen, dat hij openlijk aanstoot gaf. Frits, die toen zoo omtrent zijn twaalfde jaar had bereikt, werd de onafscheidelijke metgezel van zijne uitgangen, Frits wist hem terug te houden van de plaatsen waar de verlokking op hem loerde, wist hem af te leiden van zijn idée fixe om zich bij vreemden aan te melden, zocht zooveel mogelijk met hem de vrije natuur, slaagde er in hem smaak te doen vinden in uitgestrekte [56]wandelingen naar de omliggende dorpen, en deed het mogelijke om te beletten dat hij ergernis gaf of leed; dit laatste gelukte hem niet altijd; geen schoolknaap, geen straatjongen, geen bedelaar die ze samen opmerkte, of het klonk nu eens wat luider, dan eens wat meer omzichtig: »Daar gaan de twee Millioentjes,” en daar Frits ondanks zijne vreedzame missie niet altijd de noodige lankmoedigheid bezat om den schimp als ongehoord te laten passeeren, viel er van tijd tot tijd wel iets voor dat juffrouw Rosemeijer in moeielijkheden bracht, en haar deed inzien dat de toestand voorziening eischte, bovenal ter wille van Frits, die in zijn beste leerjaren al te veel verzuimde en wiens fiere levendige aard onbeschrijfelijk leed onder ’t geen hij met en voor dien vader had te dragen. Toch kon zij niet overgaan tot de smartelijke maatregelen die het verstand haar raadde, maar waaronder haar hart zou breken, dit voelde zij als bij ingeving. Eer zij tot een besluit kon komen, was de strijd geëindigd.
Herman Rosemeijer had voorheen tot elks voldoening den post van klokkenist bekleed. Niemand die aan ons fraai klokkespel zulke zuivere, krachtige tonen wist te ontlokken dan hij, vóór zijne rampspoedige reize naar Engeland. Uit humaniteit had de stedelijke regeering hem daarna die betrekking niet ontnomen toen hij er ongeschikt voor was geworden, maar liet hem den naam en het kleine tractement, en had Busch aangesteld om voorloopig het werk te doen met toezegging der survivance. Van die schikking was hij onkundig gebleven en toch had hij zich niet meer om zijne verplichtingen in dezen bekommerd, tot op zekeren herfstdag toen hij als met plotselinge herinnering van zijn verzuim werd getroffen, den sleutel van den toren nam en het huis uitliep. Eer zijne vrouw het weten en Frits hem volgen kon, was hij den toren opgeklommen. Het was juist op een marktdag, Koenraad Busch was hem reeds voorgegaan naar boven, en bracht uit alle macht de zware toetsen van het klokkespel in beweging. Nauwelijks had Herman dit punt bereikt en zag hij zijn confrère in zijne plaats getreden, of hij barstte in wilde wanhoop los:
»Ik heb mijn post verwaarloosd en ze hebben mij afgezet!” kreet hij op akelig smartvollen toon, »maar ik zal ’t goed maken! ik laat mij zóó niet verdringen—weg van hier gij! Ik alleen heb hier recht,” en met heftigheid duwde hij Busch van [57]het leeren zitbankje en begon nu zelf zulk een woest en fantastisch spel, dat de burgerij daar beneden hooren en zien verging en niemand begreep wat Busch bewoog zich zelf zoo uit te putten om zulke wanklinkende en oorverscheurende tonen voort te brengen. Dit helsch geraas, waaronder Busch zelf bleek van schrik zich het hoofd voelde draaien, duurde eenige minuten;—trappelend met de voeten, bonzend met de ongeschoeide vuisten1 op de zware houten pennen, scheen het of de waanzinnige op dezen zijn moed wilde koelen, alsof hij in die heftige wanklanken nog eens wilde uitspreken wat er voor smartelijks en wanluidends in zijn gemoed trilde. Op eens echter werd hij doodsbleek, liet de handen slap neervallen en scheen zijn eigen toestand, zijn eigen ongeluk en dwaasheid te beseffen. Hij vloog op en naar den trans van den toren. Een oogenblik leunde hij met beide armen op de met lood voorziene rollaag, liet het hoofd op de handpalmen rusten, haalde daarop een pakket papieren te voorschijn, waarvan hij zich nooit had willen scheiden, en wierp dat naar beneden onder het volk, uitroepende: »Ziedaar mijne erfenis! mijne beste plannen, mijne zekerste uitkomsten. Gij hebt mij niet willen helpen die uit te voeren, doe er nu zelf uwe winst mee!”
Frits door het schrille klokgeklingel op het vermoeden gekomen van ’t geen er voorviel, had in allerijl den toren bestegen in heftige onrust voor een conflict met Busch, en nu tot den trans gekomen sloeg hij zacht beide armen om zijn vader heen, met vleiende stem dringende om terug te gaan.
»Kom, vader! kom! moeder wil met u wandelen, wat doet gij nu op den toren?”
»Ziet gij het dan niet?” riep Herman, met eene stem waarin de verbijstering zijner ziel weerklonk. »Ik werp mijne millioenen onder het volk!” en met een luiden, gillenden lach ging hij voort: »Daar vliegen ze heen! Daar vliegen ze heen! Ik wil ze na!” en plotseling met woeste kracht zich losrukkende uit de omklemming van den knaap, bukte hij over de balustrade heen en stortte zich naar beneden. Snel als de gedachte was de vreeselijke daad volbracht, eer Busch en Frits in de mogelijkheid waren geweest haar te verhinderen. [58]
»Welk een eind!” sprak Roestink, bleek van aandoening. »Moge de Heer zich over de ziel van den zondaar ontfermd hebben.”
»Amen!” hernam Willems, »wat mij betreft, ik houd het er voor dat zulk een rampzalige niet met den gewonen maatstaf kan gemeten worden.”
»Gode komt het oordeel toe, ons de hoop op Zijne barmhartigheid! Nu verwondert het mij niet meer dat Frits zich zoo driftig maakt en zich zoo gekrenkt voelt als men hem dien bijnaam geeft,” hervatte Roestink na eene poos zwijgens, waarin beiden in een ernstig nadenken verzonken bleven.
»En toch wordt de arme jongen er nog maar al te vaak mee gekweld, zelfs door hen die het niet met opzet doen om hem te beleedigen; want de naam is hem bijgebleven, en de kracht der gewoonte is sterker dan de goede wil. Ik zelf betrap er mij wel eens op tot mijn groote spijt als het er uit is, vooral wanneer Frits het gehoord heeft; zijn verbleeken, de traan dien hij wegknipt, waarschuwen mij dan te laat.
»Overigens schikte het zich vrij wel met dit gezin. Koenraad Busch nam het huis van de weduwe over al was de nering verloopen, daar het eenige waarde had voor hem, als nabij de markt en den toren gelegen. Zij werd daardoor in staat gesteld het bedrijf van modemaakster en wollenaaister op grooter schaal voort te zetten; zij heeft voorspoed, zij geniet het vertrouwen van onze dames en zij heeft ruim haar brood, al moet zij er hard voor werken. Frits heeft in de laatste jaren door vlijt en vlugheid het vroeger verzuimde ingehaald, met Paschen wordt hij lidmaat en daarna zal hij moeten overgaan tot de keuze van een beroep. Daar ik zijn voogd niet ben, heb ik er niet in te spreken tenzij mijn raad wordt gevraagd.”
»Gij begrijpt dat na al het gehoorde mijne belangstelling in hem is toegenomen en dat ik mijn zwager dringend zal aanraden hem bij zich te nemen; zijne vooruitzichten zijn dan wel niet schitterend, maar zijn lot is verzekerd als hij maar eenigen aanleg heeft.”
Slof.... slof.... daar kwam Antje weer de trap op, en de heeren storen.
»Dominé! sprak Antje, toen zij gehoor had verkregen, »daar was nu Frits Millioen, ik wil zeggen de jongeheer Rosemeijer,” [59]verbeterde zij, toen de blikken der beide predikanten zich met verwijt op haar vestigden, »hij vraagt of hij dominé even mag spreken?”
»Wel, dat treft aardig; laat hem boven komen, Antje,” zei Willems vergenoegd.
»Dominé, de jongejuffrouw Dientje Verburg is er ook bij,” hervatte de oude getrouwe glimlachend, en met de oogen knippend of zij dacht dat er meer achter stak.
»Goed, laat het lieve kind mee binnenkomen; mijne vrouw is zeker nog niet klaar om iemand te ontvangen?”
»O, heden neen, dominé! de juffrouw heeft het veel te druk; de huiskamer ligt nog heelemaal overhoop.”
»Zoo laat de kinderen niet langer in de gang staan wachten.”
Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, maar stormden de trap op in volle jeugdige drift. Toen bekoelde die merkelijk toen zij de studeerkamer binnentraden. Althans ze bleven allebei schuchter dicht bij de deur staan, hetzij de tegenwoordigheid van Roestink hen verraste en imposeerde, hetzij uit eene andere oorzaak. Frits echter, die reeds buiten de kamer zijn pet had afgeworpen, trad na de eerste vriendelijke begroeting van Willems met zekere zenuwachtige gejaagdheid naar de tafel, waaraan de beide heeren zaten; hij droeg eene groote teekenportefeuille die vrij zwaar scheen, althans hij plaatste die met zekere moeite op een stoel en sloeg haar open.
»Mijne teekening! Mijne teekening!” riep Willems uit met eene uitdrukking van blijdschap en verrassing, die beter gevoeld dan beschreven kan worden. »Frits! beste jongen! hoe komt gij daaraan? Hoe hebt gij het gemaakt om die weer te krijgen?”
»Dominé! ik.... ik heb,” meer kon de arme Frits niet zeggen. Bleek en met starende oogen, in kennelijke onrust en spanning had hij Willems aangezien, als om de uitwerking der verrassing gade te slaan. Nu zij doel had getroffen, kleurde een gloed van blijdschap zijne wangen, en zijne oogen schitterden van voldoening, maar spreken kon hij nog niet, de heftige aandoening belemmerde hem de spraak. Nu echter kreeg hij hulp. Dientje vatte moed, trad stout uit haar schuilhoek te voorschijn en sprak ras en luid of zij een geleerd lesje opzeide:
»De complimenten van pa en tante, dominé! en of u het niet kwalijk zoudt nemen, dat pa er eene lijst en een glas voor heeft laten maken?” [60]
Inderdaad, de teekening was nu keurig geëncadreerd in eene fijne vergulde lijst.
»Wel neen, zeker neem ik dat niet kwalijk!” riep de goede man opgeruimd, en het lieve meisje kussende: »Kinderen! kinderen! nu wordt mij alles duidelijk! Hoe heb ik iemand kunnen verdenken, foei! ik schaam mij daarover. Gijlieden hebt haar stillekens weggenomen om mij zoo eens aardig te verrassen, is het zoo niet?”
»Neen, dominé! de waarheid moet gezegd worden, zoo is het niet,” hervatte nu Frits, die zachtjes aan bekomen was, op fermen toon, »er was een ongeluk gebeurd met uwe teekening door onze schuld.”
»En toen heeft Frits gezegd, dat hij zoo mooi teekenen kon,” viel nu Dientje in, gerustgesteld daar het ergste er uit was, »en dat hij het wel voor ons goed zou maken!”
»Zoo zoo, mijn jongen!” zei Willems met een kalm vriendelijk lachje tot Frits gekeerd, »hebt gij ze wat bijgeholpen?” Hij zette zijn bril op en boog zich dicht naar de teekening voorover. »Ik zie er inderdaad niets aan. Dat hebt gij netjes opgeknapt.”
»Hij heeft.... hij heeft een nieuwe gemaakt, dominé! een heele nieuwe,” stotterde nu Dientje met gloeiende wangen in eene verslikkende verrukking, die wij maar eens even van Cremers Krusemuntje leenen om recht duidelijk te maken, hoe het lieve kind haast niet uit hare woorden kon komen van pleizier.
»Maar dat is immers niet mogelijk, Frits?” vroeg Willems dezen in strakke verbazing aanziende, »dàt kunt gij niet gedaan hebben.”
»Jawel, dominé! hij heeft het wel gedaan, ziet u maar zelf, zijn naam staat er op!” riep Dientje, naar een hoekje van de teekening wijzende. In hare kinderlijke naïeviteit achtte zij bij zulk bewijs allen twijfel opgeheven. Frits zelf stond intusschen tegen den stoel te leunen, beurtelings kleurend, verbleekend, glimlachend van innerlijke voldoening over de verbazing van dominé, wien hij zwijgend bleef gadeslaan als om uit diens trekken zijn oordeel over het werk te lezen.
»Is dat waar, Frits?” vroeg Willems nogmaals en met beteekenisvollen nadruk.
»Ja, dominé! het is waar,” hernam Frits met eene mengeling [61]van fierheid en schroom. »Ik ben zoo vrij geweest eene kopie te maken naar de verscheurde van u.”
»Jongen, als gij dàt gedaan hebt kunt gij meer, moet gij meer doen.”
Frits haalde tot eenig antwoord de schouders op en schudde het hoofd.
»Hij heeft het bij ons aan huis geteekend,” vervolgde Dientje; »in zijn moeders binnenkamer was geen ruimte en geen licht genoeg!”
»Zoo is mijne eigene teekening dan toch verloren gegaan,” zuchtte dominé niet zonder eenige zwaarmoedigheid.
»Neen, dominé! Piet Snibs.... waar of die nu toch blijft,” riep Dientje weer, »Piet Snibs, die ook meegedaan heeft, wist er raad op om de stukken weer bij elkaar te plakken.”
»Daar zal wat van terechtkomen!” lachte Willems goelijk, »maar toch, ik wil de stukken wel houden als souvenir.”
»Er zal meer van terecht komen dan gij denkt,” sprak nu Roestink, die het tooneeltje, dat veel sneller werd afgespeeld dan wij het konden beschrijven, met zwijgend welgevallen had gadegeslagen.
»Ik heb hem aan ’t werk gezien.”
»Gij wist er van? Gij waart mee van ’t complot?” sprak Willems opgeruimd, »nu om de waarheid te zeggen, ik heb u altijd in stilte daarvan verdacht.”
»En die verdenking was gerechtigd; ik ben opzettelijk van ochtend hier gekomen om er ook het mijne van te hebben; dat Piet nog niet hier is, moet niet toegeschreven worden aan zijne traagheid, maar aan zijne schroomvalligheid, die het hem veel kost te overwinnen, mogelijk ook aan zijne moeder, die wel wat heel lastig valt.”
»Wel Frits, ik heb in mijne verrassing vergeten u te bedanken,” hervatte Willems, de lange, tengere hand van den aankomende knaap in de zijne vattende, »maar wees er zeker van dat ik mij geen ondankbare zal toonen.”
»Ik ben meer dan beloond door uwe goedkeuring; daarbij gij hebt ons alle drie veel te vergeven: uw eigen mooie teekening geroofd, geschonden, gij zelf zoolang in onzekerheid waar die gebleven was en of zij wel ooit zou terugkomen,... maar ziet u, ik was niet eer klaar.” [62]
»Dat geloof ik waarlijk wel, maar vertel me nu toch eens wat er eigenlijk gebeurd is?”
»Door mijne schuld is zij gescheurd,” begon Frits.
»Neen Frits, het was mijne schuld, maar het kwam van dien naren Piet,” riep Dientje levendig.
»Och Dientje! zeg dat niet,” riep Frits goelijk.
»Neen, dominé! ik zal het u vertellen,” en het lieve meisje drong zich vertrouwelijk dicht bij den fauteuil van Willems, terwijl Frits nog altijd achter den stoel stond, waarop de teekening was geplaatst.
Een aardig paartje, die aankomende jongelieden.
Zij een allerliefst blauwoogig kind, tusschen de elf en twaalf jaar met dikke blonde krullen, die à l’enfant over het blanke halsje neerhingen, in een kort neteldoeksch jurkje met rose bouquetjes en een geborduurde pantalon, bloedkoralen om den hals en om de armen, een wit geborduurd spencertje en een fijn capotje, dat zij echter met kinderlijke nonchalance afgezet en in een hoek geworpen had zoodra het haar hinderde. Een beeldje van biscuit maar geen automaat, integendeel een levendig, inpressionabel wezentje, dat men zeker even gemakkelijk aan ’t lachen als aan ’t schreien kon brengen en dat in alles nog aan hare eerste ingevingen gehoor gaf, niet heel gedisciplineerd, want zij was het eenige kind van een weduwnaar, die zijn afgodje van haar maakte en die in deze afgoderij eer gesterkt werd dan te keer gegaan door de ongetrouwde zuster, die zijne huishouding waarnam.
Mogelijk zou het lot zich later belasten om de tuchtroede aan te leggen, die de onverstandige liefde haar had gespaard.
Toch was zij geen lastig, eigenzinnig, zelfzoekend kind geworden, en onder dat toegefelijk régime had haar karakter eer gewonnen dan geleden. Gulheid, oprechtheid, waarheidsliefde hadden in die liefelijke atmosfeer kunnen ontkiemen, zonder door ijzige hardheid te worden onderdrukt.
Frits, die haar nu als cavalier ter zijde stond, was een lange opgeschoten knaap, dien men voor een achttienjarige zou hebben gegroet, schoon hij de zestien pas had bereikt, zoo zijne tengerheid en de zekere hoekigheid van vormen niet bewezen hadden, dat hij nog in vollen groei was. Levendige bruine oogen, een frisch blozend gelaat, fijne trekken, een kleine mond, een sierlijk [63]gevormde Grieksche neus, een hoog voorhoofd en donker glanzig haar maakten hem nu reeds tot een knappen jongen en schenen te beloven, dat hij eens in vollen zin un bel homme zou zijn.
De smart en smaad, die hij voor zijn vader had gedragen, de zorg, die hij nog droeg met zijne moeder waren nog niet machtig geweest hun somberen stempel te drukken op zijne trekken. Jeugdige veerkracht en een gelukkig gestel wischten altijd spoedig het geledene weer uit, hoe heftig dan ook het leed werd gevoeld op het oogenblik zelf. Want Frits beloofde geen stoïcyn te worden, al had hij gelukkig niets van de exaltatie zijns vaders. Nog was het verdriet voor hem niet de knagende worm, dien men voedt en die ons verteert, slechts de hagelbui, die hij over zijn hoofd liet heengaan, en afschudde als de lucht opklaarde. Zoo had hij even licht de opgeruimdheid van zijn leeftijd herwonnen als hij den verzuimden leertijd had ingehaald, na den rampspoedigen dood zijns vaders, en alleen als men de wreedheid had hem aan de smartelijke tooneelen van diens laatste levensdagen te herinneren, betrok zijn helder gelaat en flikkerde er een gloed van toorn in zijn oog.
Zijne kleeding?
Zij was die van een knaap, die nog op de »Fransche school” ging, in een tijdperk, toen zestienjarigen zich nog geen »jongelui” lieten noemen, of zich door rooken en biljard-spelen de airs trachtten te geven van mannen. Maar hij had zijn Zondagspak aan, en zijne moeder zou zich zelve liever het eten ontzegd hebben, dan haar »eenige” slordig te laten loopen; dus, gij kunt u verzekerd houden, dat hij er keurig uitzag, dat zijn omgeslagen boordje helder en zijn buis van nieuwmodisch fatsoen, en van fijn laken was. Maar, wij zouden Dientje laten vertellen.
»Weet u, dominé!” zoo begon het vleistertje, »u had dien maandag zoo mooi verteld van onzen Lieven Heer, en hoe deze de groote kindervriend was, die de kinderen bij zich liet komen en hen zegende, al waren de discipelen er boos om en al dachten die ze te weren. U had ons toen op die teekening gewezen, waaruit we ons duidelijk konden voorstellen hoe dat toegegaan was; daarom wilden wij meisjes, ik vooral, die nog eens goed bekijken eer wij weggingen, toen u de catechiseerkamer verlaten [64]had; maar wij konden er niet bij, zij hing te hoog. Wij meenden op uw leuningstoel te klimmen, doch eer het daar aan toe kwam, vlogen de jongens binnen. Bram en Frits en Piet Snibs; de eerste begon ons te plagen en wij deden ’t hem weerom; toen zei ik tegen Frits, dat ik zoo graag die teekening eens van naderbij wilde zien, en hij, die groot genoeg was om haar te kunnen bereiken, rukte ze misschien wel een beetje woest met haakje en al van den wand. Nu wilden we allemaal tegelijk zien, maar Frits gaf ze mij in handen, en weerde de jongens af, die ons kwamen storen. Daar kwam op eens Piet Snibs, die zich anders nooit met ons bemoeit, door allen heen en ging vlak naast mij staan, en wilde mij de teekening uit de hand nemen. Dat zag Frits, en die duwde hem terug, want hij wilde dat hij ons met rust zou laten. Piet van zijn kant bleef zwijgend dringen om mee te kijken en sloeg er zelfs de hand aan, om ze mij te ontrukken; toen was het tusschen ons tweeën: »Laat los!” en »ik wil niet loslaten!” zooals het dan gaat, weet u, dominé. Daar werd Frits ongeduldig en gaf Piet een tik; Piet werd nu ook boos, en schold Frits uit voor.... u weet wel, dominé! die bijnaam waar hij niet tegen kan.”
»Ja, ik begrijp u, mijn kind!” zei Willems, Frits aanziende, die even verbleekte, terwijl hij het woord opnam. »Ja, wat toen volgde is eigenlijk mijne schuld, want ik werd boos en vloog op Piet aan, pakte hem in de borst en vergat in mijne drift, dat hij halsstarrig de teekening bleef vasthouden, terwijl Dientje niet besluiten kon die los te laten, toen ik er op instoof hielden zij ieder een stuk in handen; toen ik haar Piet wilde ontweldigen, scheurde zij nog een keer te meer. Toen de stukken daar op den grond lagen of in onze handen bleven, begrepen we eerst welk groot kwaad wij begaan hadden in onzen toorn, die van schrik bedaarde; de nood verzoende ons bijkans in hetzelfde oogenblik. Niemand van ons drieën was eigenlijk onschuldig, aan niemand van ons kon ook alleen de schuld worden toegekend. Ieder was even ontsteld en verslagen. Dientje, die thuis nooit knorren krijgt, begon te schreien bij de gedachte, dat dominé boos op haar zou zijn, en dat zij er thuis nu ook wel wat over zou moeten hooren. Piet Snibs, arme jongen die hij is, krijgt toch al zooveel slaag en grommen van zijne moeder, en was radeloos van angst in ’t vooruitzicht, dat dominé zulk eene aanklacht tegen hem in zou brengen, en ik, [65]ik was ontroostbaar voor allen en voor mij zelven, ik voelde mij de hoofdschuldige; met verstand en lijdzaamheid had ik het ongeluk kunnen voorkomen! Ik was nu de oorzaak, dat uwe mooie teekening in stukken lag, waar ik wist, dat gij zooveel zwak op hadt: ik, die u nooit verdriet had willen aandoen, daar gij altijd zoo goed voor mij zijt geweest. Mijne eerste gedachte was het u terstond te bekennen, en Dientje was gewillig met mij mee te gaan en haar deel aan de schuld te belijden; maar uit medelijden met Piet lieten wij het. Wij moesten het liever zien goed te maken, zei hij, hij zou de stukken bij zich steken, netjes in een rolletje, en zien of hij ze t’huis niet weer op een versch vel kon opzetten; hij had meer zulk werkje gedaan, dat bij de negotie van zijne moeder nogal eens te pas komt. Natuurlijk ging ik soms eens kijken hoe zijn werk vorderde, en het ging heel goed, zooals u zien zult; maar het bleef altijd een opgelapt stuk, en wij wilden u zoo graag verdriet besparen, en vergoeden. Dientjes vader sloeg voor eene fraaie gravure te laten belijsten en stilletjes in de plaats van de teekening te hangen; maar ik kwam op den inval te beproeven wat ik op dit punt vermocht, en toen Piet klaar was nam ik de teekening mee; en, u heeft gezien hoe het verder is gegaan. Piet zou nu van zijne zijde met het opgeknapte stuk komen, en gezamenlijk wilden wij u excuus vragen, zooals dominé Roestink aan Piet herinnerd heeft dat onze plicht was: ziedaar de geheele zaak.”
»Gij hebt alle drie volle absolutie, hoewel ik zeggen moet, dat het mij altijd spijt wanneer zulke wanordelijkheden voorvallen in mijn afzijn.”
Kennelijk werd die laatste vermaning er slechts bijgevoegd pour acquit de conscience. Ook haastte zich de goede man na die afdoening op zijn gewonen hartelijken toon te hervatten.
»Zoo wilt gij dan schilder worden, Frits?”
»Ik, dominé! hoe komt u daarop, dat heb ik mij nooit ingebeeld, geloof dat van mij.”
»Wel, jongen! ik verwijt u geene dwaze inbeelding, ik zeg integendeel, die dat gedaan heeft (hij wees op de teekening) kan meer; gij hebt aanleg voor de kunst, dat zie ik klaar.”
»Och, dominé! ik kan wel wat teekenen, ik heb er zelfs groote liefhebberij in; mijn vader, die voor alles vaardigheid had, heeft mij de eerste lessen gegeven, en moeder, die niet wilde dat ik [66]in de beginselen zou blijven steken, heeft mij een tijdlang bij den teekenmeester laten leeren, maar, daar ik bemerkte, dat ik niet vorderde, liet ik dat varen en ging maar liever zoo wat op mijn eigen houtje voort.”
»En op uw eigen houtje, zooals gij het noemt, hebt gij het dan zóó ver gebracht?”
»Gij weet niet hoe blij ik er mee ben, dat u mijn werk goedkeurt; maar, toch.... liefhebberij is nog geen talent, en ik.... ik kan, ik mag geen kunstenaar worden,” hernam Frits met zekere droeve heftigheid, als trachtte hij de verzoeking van zich af te weren.
»En waarom niet gij? Gij gelooft toch wel, dat ik er van oordeelen kan, en ik zeg u gij hebt talent en gij zult het ver brengen als gij u geheel aan de kunst wijdt, gelooft gij dat ook niet, Roestink?”
»Ik ben niet genoeg kunstkenner om te gelooven, dat mijn gevoelen hier van waarde kan zijn, maar toch ja, na alles wat ik van Frits hoorde en opmerkte, zou ik in hem wel den toekomstigen kunstenaar zien, alleen als hij zelf niet in zich voelt eene krachtige roeping voor de kunst....”
»O! mijnheer Roestink!” viel Frits in met levendigheid, »wat den lust betreft die.... die zou er wel bij mij bestaan, maar hoe jong ook, ik heb al genoeg ondervinding om te weten, dat men niet grijpen moet naar het onbereikbare.”
»Waarom onbereikbaar als gij talent bezit?” vroeg Roestink.
»Al durfde ik dat van mij zelven gelooven, nog zou ik mijn best doen om dat te vergeten.”
»De gave, die God u schonk, onderdrukken, verwaarloozen!” vermaande Willems.
»Ik geloof, dat dominé mij gelijk zal geven. Ik heb mij vast voorgenomen, mijne moeder zoo spoedig het maar eenigszins zijn kan, te verlichten in hare zorgen door zelf in mijn onderhoud te voorzien, en u kan wel begrijpen, dat bij dit voornemen de gedachte om schilder te worden niet in mij op kon komen.”
»Daar hebt gij gelijk in, mijn jongen, en het is braaf van u er zoo over te denken: maar als men u nu voorzag van de middelen om zonder uwe moeder eenigszins te bezwaren, u aan de kunst te kunnen wijden?”
»Daar zou heel wat toe vereischt worden; ik zou niet eens [67]hier in de stad kunnen blijven, want bij den heer Krimpelman leeren zou mij toch niet helpen.”
»Wat er toe vereischt wordt zal gevonden worden, ik beloof het u, wees daar gerust op; ik zal met uw voogd in overleg treden op alle punten.”
»En hoelang zal het dan nog duren eer ik in staat kan zijn moeder’s lot te verlichten?” hernam de knaap, in rijpheid zijne jaren vooruit, door de smartelijke kweekschool der vroege zorgen, »immers zelfs een schilder, die talent heeft, moet nog zoo lang tobben eer hij naam verwerft, en vóór dien tijd....”
»Zou het dan uwe moeder niet verblijden, zoo zij u eene loopbaan zag betreden, waar eer en fortuin te behalen waren, al moest het zijn aan het eind? Luister, mijn jonge vriend! Ik zelf heb ook eenmaal zoo aan den scheidspaal gestaan, en moest kiezen tusschen twee wegen, dezelfde bezwaren, die gij opperdet, lagen ook mij in den weg; ik had toen zelf wel den moed ze te trotseeren, maar anderen ontmoedigden, ontnuchterden mij en dwongen mij door overreding om hetgeen zij noemden de wijste en waardigste keuze te doen; ik moest predikant worden, maar ik zou levenslang met heimwee naar de kunst blijven omzien; ik wil niet dat gij dezelfde weeën zult dragen, gij zult uw hartelust volgen en schilder worden. Collega Roestink zal zeker ook wel het zijne voor u willen doen.”
»O! wat dàt betreft, maar ik geef toch in overweging, dat Frits als hij bij mijn zwager op het kantoor komt, terstond iets verdient en later door Hogenstein, die niet zonder invloed is, uitzicht heeft om verder te komen.”
»Och, wat zegt dat beetje geld en dan een klein postje in de verte, bij ’t geen er van hem worden kan als hij zijne roeping volgt. Speel gij, Roestink! nu niet bij Frits de rol, die mijn oom bij mij heeft vervuld.”
»Ik wil niets afraden, maar ook niets opdringen. Het moet vrije, eigene keuze, het moet onweerstaanbare roeping zijn, geene opwekking van buiten. Wat dunkt u, Frits! wat wilt gij?”
Kleine Dientje die, al had zij zich bescheidenlijk buiten de discussie gehouden, toch niet minder scherp had toegeluisterd, geloofde nu weer recht van spreken te hebben; zij naderde Frits, legde haar poezel handje op zijn arm, en naar hem opziende fluisterde zij met haar vleiend stemmetje: »Och Frits! doe het [68]maar, word maar schilder, want ik heb pa hooren zeggen, dat gij dan zeker groot en vermaard zoudt worden, en wie weet of je bijnaam dan niet eens nog je ware naam wordt; en vader is ook rijk en wil graag wat voor u doen, en wie weet, Frits! of dan dat andere ook nog niet eens gebeurt.” Het aardige meisje zette een schalk lachend gezichtje toen zij eindigde, maar de aankomende knaap was beurtelings rood en bleek geworden.
»Zwijg, Dientje! zwijg!” riep hij, haar de hand op den mond leggende, »gij weet nu nog niet wat gij wilt, niet wat gij daar zegt, en toch ja! gij hebt gelijk, mijne vrienden hebben gelijk, die bijnaam, die bijnaam! die zal mij in den weg zijn zoolang ik hier blijf; die zal mij levenslang schade doen, tenzij ik een vak kieze, waarbij roem en goud te behalen zijn! Dominé Roestink, neem het niet kwalijk, maar u ziet wel in, dat ik hier niet op een kantoor kan gaan!”
Roestink zag hem meewarig aan, schudde even het hoofd en zeide alleen:
»Hecht niet te veel aan den indruk van het oogenblik, beraad u met uwe moeder.”
»Dominé Willems, als u met moeder over deze zaak wilt spreken en er mijn voogd gunstig voor weet te stemmen, zal ik u mijn leven dankbaar zijn!”
»Jongelief! word maar wat ik van u wacht, en ik zal mij volkomen beloond achten.”
»Het is toch vreemd, dat die Piet Snibs niet komt,” sprak nu Roestink, op zijn horloge ziende, met kennelijk misnoegen, »zijne schuld is het niet, dat weet ik vooruit.”
»Maar zijne moeder zal hem geplaagd en verhinderd hebben,” zei Frits, »als u ’t goedvindt, zal ik er eens naar toe gaan en zien wat er hapert.”
»Dat is goed, Frits! maar ongelukkig kan ik nu niet langer blijven, en wij hebben dominé Willems al lang genoeg opgehouden.”
»Maar, Frits! je brengt me toch eerst thuis?” vroeg Dientje.
»Ja, schalkje! ik begrijp wel, dat gij geen lust hebt die boodschap mee te doen,” antwoordde Frits glimlachend, en de beide kinderen namen hun afscheid. [69]
1 Men gebruikt zware leeren handschoenen bij het bespelen der klok.
Eerst den volgenden ochtend verscheen Piet Snibs, ook met eene portefeuille onder den arm, maar zijne verschijning had nu niet meer le mérite de l’apropos, noch die der verrassing, zelfs niet voor de juffrouw, die alleen knorde, dat haar gang nu schoon was en dat Piet beter zou gedaan hebben met op zijn tijd te passen. Hetgeen niet belette dat dominé den boeteling met zijne eigenaardige vriendelijkheid ontving en niet eens wachtte tot hij het verplicht excuus had uitgestameld, om hem welwillend de hand te reiken en te verzekeren, dat het gebeurde al gansch goedgemaakt en vergeven was. Toch kon hij niet laten om met gespannen verwachting naar de portefeuille te zien, die Piet met bevende vingers trachtte los te maken, doch tevergeefs; in zijne verlegenheid, in zenuwachtige haast, had hij de bandjes in den knoop getrokken, zoodat dominé zelf als een tweede Alexander zich met eene schaar moest wapenen, om die door te knippen; maar hij werd ten volle voor zijne moeite beloond en Piet ook, want een glans van vergenoegen overtoog het goelijk gelaat van Willems, toen hij zijn eigen meesterstuk weerzag. Met bedriegelijke vaardigheid waren de scheuren toegeloken, zoodat men ze ternauwernood meer ontdekken kon, en deze herstelling was met zooveel vlugheid en netheid volbracht, dat de teekening zelve onder de behandeling niets had geleden.
Willems kreeg tranen in de oogen van blijdschap; dit nu was geene nabootsing van zijn werk, maar het geliefd eigen kunststuk zelf, wel is waar bezwaard met eenige litteekens, maar die waren bijkans een triomf.
»Wel Piet, wel jongen, wat heb je daar je best op gedaan. Je schijnt al heel handig....”
»Och! dominé, weet u, ik doe het meer! Al wat er bij ons te lijmen, te plakken en te repareeren valt, doe ik.”
»Zoo! En hoe heb je dat geleerd?”
»Met probeeren, dominé! Moeder gromde altijd dat ik tot niets nut was, toen ben ik aan het opknappen gegaan van oude platen en prenten in haar winkel.... en.... en.... nu zal ze toch niet zeggen, dat ik den kost niet waard ben.”
»Arm kind!” zei Willems, getroffen; »nu, je hebt dit zoo [70]knap gedaan, dat het mij wel een tientje waard is, en je zult het hebben ook!”
»Och, dominé! dat.... dat hoeft niet,” sprak Piet stotterend en snikkend, »als dominé maar niet meer boos is, want ik.... ik had de grootste schuld; maar ziet u, dat kwam omdat.... ik had al zoolang gewenscht eens een van die teekeningen dicht bij te zien, en toen nu de meisjes die in handen hadden, en zij er mij buiten drongen, dat.... dat kon ik niet velen; ik had er slaag en schoppen voor willen verdragen, om eens een uurtje alleen in de catechisatiekamer te mogen blijven, en ze allen op mijn gemak te kunnen bekijken! O, dominé! u weet niet wat een pleizier mij dat zou gedaan hebben.
»Wel, wel, Piet! dat had ik nooit gedacht, dat jij erg in die teekeningen hadt.”
»Ik niet, dominé? Maar daar komt het van, dat ik hier nooit goed mijne vragen kende, ik dacht altijd aan wat anders, en dat ik ook zoo graag teekenen zou leeren, en.... en eigenlijk probeerde ik nu wel eens in stilte; vraag het maar aan dominé Roestink, die heeft het er het eerst uitgekregen, en nu weet hij alles. Och, dominé! ik.... ik zou ook zoo graag kunstenaar willen worden.”
»Gij! Kunstenaar! Piet!” riep Willems in de hoogste verbazing den stotterenden en snikkenden knaap aanziende, terwijl hij moeite had, het »arme sukkel,” dat hem op de tong lag, terug te houden.
Inderdaad, de spruit van vrouw Snibs, zooals hij daar stond, van verlegenheid zijne handen over de oogen wrijvend, terwijl hij hoog noodig zou gehad hebben een zakdoek te gebruiken, maakte al eene heel droevige figuur. In plaats van een slanke opgeschoten knaap was hij een kort dik mannetje, dat in zijne eerste kindsheid zeker aan engelsche ziekte had geleden, en nog van die kwaal de sporen droeg in opgezetheid en een bol bleek gelaat. Daar moeder niet oorbaar had gevonden, dat hij voor deze gelegenheid zijn Zondagspak aantrok, kwam een kaal en verschoten buis, een gelapte broek en een paar lompe schoenen, blijkbaar te groot voor zijne voeten, de armzaligheid van zijn voorkomen nog verergeren. Maar toch, zoo een physionomiekenner dat zware hoofd met dat stoppelig zwarte haar, dat breedbeenige voorhoofd, waarop halsstarrige wilskracht zetelde, [71]met opmerkzaamheid had gadegeslagen, en zich de moeite getroost had, hem eens ferm in die grijsgroene oogen te zien, die als onder de sterk overhangende oogleden schenen weg te zinken, en die Piet misschien zijn leven lang nog niet met vrijmoedigheid had opgeslagen, dan zou hij hier voorzeker een vonk van genialiteit hebben zien schitteren, die meer dan het gewone beloofde. Maar aan Willems, die in geen opzicht een valkenblik had, gaven dat breede voorhoofd, die harde trekken en die omsluierde oogen alleen den indruk van logheid en slaperigheid, waarvan hij maar niet zoo op eens kon terugkomen, hoewel hem bij de vastheid, die er op dat gelaat te lezen stond, toen de knaap riep: »Ik wil kunstenaar worden,” een licht had moeten opgaan. »Gij kunstenaar worden,” herhaalde hij nogmaals, en had moeite een glimlach van medelijden te bedwingen bij de verwatenheid van den onnoozelen hals. »Maar hebt gij u wel voorgesteld, wat daar al niet toe behoort, welk eene heerlijke roeping het is, maar ook welk een armzalig handwerk voor wie het niet verder kan brengen dan de middelmatigheid, en ’t is nog de vraag of gij, gij daar niet beneden zoudt blijven!”
Piet had op deze bedenkingen geen ander antwoord te geven, dan de schouders op te halen en opnieuw half huilend uit te roepen:
»Ik wou toch zoo graag teekenen leeren, dominé!”
»Maar jongen, dat’s gekheid, leer liever een ambacht, waarmee je te eeniger tijd den kost kunt verdienen.”
»Ik mag op geen ambacht gaan, anders ware ik leerling bij een verver geworden, dat.... leek er toch naar.... ik zou mij dan wel in stilte op het schilderen hebben toegelegd, maar moeder wil mij thuis houden in hare negotie, daar heb ik geen zin in, dat’s allemaal maar liegen en bedriegen en de lui afzetten, anders niet! Ik bid Onzen Lieven Heer alle dagen om uit huis te komen en een knap schilder te worden, dan zou ik mijne kunst oefenen ter eere Gods, zooals de Apostel Paulus voorschrijft.”
Piet, eens over de blooheid heen, had zich door zijne geestdrift laten vervoeren, om alles uit te spreken wat er in hem omging, zijne bolbleeke wangen kleurden zich, zijne oogen schenen grooter te worden en schitterden, onwillekeurig maakten zijne handen het gebaar des gebeds.
Willems was te goedhartig en had te veel gevoel om niet wat [72]getroffen te zijn, maar het vooroordeel maakte hem hardvochtig, hij verstaalde zich tegen zijne eigene aandoening, en Piet kon door dat harnas niet heendringen.
»Ik vrees, ik vrees, arme jongen, dat gij naar de wolken wilt grijpen,” was zijn ontnuchterend antwoord, »maar wat zegt uwe moeder er van?”
»Mijne moeder! die spreek ik daar nooit over, dat zou toch niet helpen, dat weet ik vooruit.”
»Je hebt zeker nooit geteekend, niet waar?” vroeg Willems na eene pauze.
»Jawel, dominé! Als ik maar een kwartier tijd heb, en naar mijn zolderkamertje kan vluchten, waar ze mij niet storen, dan.... dan probeer ik het, en ’s morgens in de vroegte als geen mensch nog op is, sluip ik stil het huis uit en loop naar buiten, om het veld en de beesten en de boomen en de wolken zoo eens rustig te bezien als de zon doorkomt, of als ik de kerk open vind, ga ik daar eens binnen.”
»De kerk? Zondags in de vroegpreek?”
»Neen, neen! de Roomsche, in de week is die ook open.”
»In de Roomsche kerk! Jongen, ben je dol, schaam je toch!”
»Och, dominé! daar zijn zulke mooie schilderijen in en beelden, en dan ga ik maar stilletjes in een hoek zitten en luister naar de muziek; is daar kwaad in?”
»Neen, kwaad nu juist wel niet, maar toch.... ’t is gevaarlijk, de propaganda, zoo’n pastoor had je maar in ’t oog te krijgen, en, om een zieltje te winnen, wie weet wat hij je beloofde.”
»Als hij mij helpen wilde om schilder te worden.”
»Zoudt ge dan daarvoor Roomsch willen worden, je geloof verzaken....”
»Mijn geloof! ik ben immers nog geen lidmaat, dominé, en ’t geloof van moeder is het mijne niet; femelen, de lui wat wijs maken, met Gods woord in den mond, neen, dat’s niet den Heere Jezus dienen, die de valsche wisselaars uit den tempel dreef.”
»Je bent al een wonderlijke jongen,” zei Willems, half geërgerd, half goedkeurend, »ik had nooit gedacht, dat je een woord van mijn catechisatie onthouden hadt.... en wat zegt dominé Roestink als gij zoo tegen hem spreekt?”
»Dat ik gelijk heb en dat de ware godsdienst niet bestaat in [73]woorden uit den catechismus van buiten te kennen, maar daarin, dat men het hart naar God toewendt, en dat men handelt naar Zijne geboden.”
»Kijk nu eens aan! en ze loopen Roestink na, omdat hij zoo orthodox is,” sprak Willems binnensmonds, terwijl Piet vervolgde:
»En zou ik dat nu niet kunnen doen als ik Roomsch was geworden?”
»Foei, Piet! Ge moest u zulke dingen niet eens in het hoofd halen! Roestink moet weten wat hij doet, maar.... als hij je niet beter wapent tegen de verleidingen van het bijgeloof, dan krijgen de Jezuïeten vat op u, dat houd ik voor zeker.”
»Dominé Roestink staat er voor in, dat ik met Paschen mijne belijdenis zal doen,” hernam Piet met een sluw glimlachje, »dan heeft moeder haar zin, en dan hoor ik immers tot hare kerk, en dominé heeft mij beloofd, dat hij er dan zijn werk van maken zal, mij buiten de stad bij een schilder in de leer te doen, als u hem daarin maar helpen wilt; dat had hij u laatst willen vragen, maar.... hij wilde eerst uw gevoelen weten over mijn werk.”
»Hm! hm! heeft Roestink zich dàt in het hoofd gezet. En uwe moeder? moet dat dan buiten uwe moeder omgaan?”
»Dominé heeft er wel moed op hare toestemming te verkrijgen, als het maar buiten hare kosten kon geschieden, en als u mij uwe hulp wildet toezeggen, zooals gij die aan Frits hebt beloofd!”
»Daar hebben wij het, gij hebt er zin in gekregen uit jaloezie op Frits,” zei Willems hoofdschuddend, »maar jongen zie je, dat is een heel ander geval!”
Hij was met de zaak verlegen. Voor twee te verkrijgen wat hij reeds niet zonder bezwaren, moeite en eigen offers voor één zou kunnen verwerven, dat achtte hij ondoenlijk, te meer daar hij bij zijne vrienden geopende harten hoopte te vinden voor den zoon van juffrouw Rosemeijer, die in beklag, die in achting was, maar voor Piet Snibs, den zoon van de inhalige uitdraagster, nog daarbij eene brutale fijne, hoe zou hij daar sympathie voor vinden, en hoe zou hij ooit aan zijne vrouw durven bekennen, dat hij zich voor dezen moeite gaf! Daarbij hij kon niet gelooven, dat Piet dezelfde aanspraken had als Frits; »een heel ander geval,” herhaalde hij nogmaals op gerekten toon, en na een stilzwijgen, [74]waarin hij bij zich zelf zulke overwegingen had gemaakt. »Frits heeft talent moet je weten en gij.... ik zou wel eens willen zien wat gij geteekend hebt?”
»Als ’t u belieft, dominé! Ik heb zoo een en ander meegebracht,” en Piet zette voorzichtig het meesterstuk van Willems ter zijde, en liet zijn eigen werk zien, dat tot hiertoe daarachter verborgen was gebleven.
Het eerste het beste ontlokte Willems een uitroep, waarin hij een lach smoorde.
»Eene poging om mijne teekening na te schetsen, en tot welk eene uitkomst! dat lijkt immers naar niets!” kon hij zich niet onthouden te zeggen, daar de caricatuur hem prikkelde als een persiflage van ’t geen hij zelf had verricht.
»Ik weet wel dat ik het niet zoo mooi kan als Frits, maar ik heb het ook van niemand geleerd, alles uit mijn zelf!” sprak Piet met tranen in de oogen en toch met zekeren trots.
»Het raakt kant noch wal, het zijn krassen, omtrekken, en welke omtrekken! de figuren zijn er niet eens allen op aangeduid en ook geheel anders gegroepeerd.”
»Ik heb ook geene kopie willen maken! Ik heb alleen willen beproeven op mijne eigene manier datzelfde onderwerp terug te geven; dat ik het niet beter doe komt omdat er niemand is, die mij terechthelpt!”
»Dat is wel te zien, arme jongen!” en al pratende snuffelde Willems nog wat in de portefeuille, waaruit pogingen tot landschap, tot figuur, tot genreteekening in bonte afwisseling te voorschijn kwamen.
Toen Piet van zijne eigene manier sprak, had hij wel gelijk, want ze geleek op niets dan op de wanhopige pogingen van iemand, die iets wil wat hij niet vermag, maar die het zóó vast wil, dat zijn onvermogen er tot zekere hoogte door overwonnen werd. Het waren erbarmelijke uitkomsten, maar in de worsteling zelve, waarmee ze verkregen moesten zijn, lag kracht en gloed. Begrip van kleur, stoutheid van conceptie spraken er uit, ondanks de onhandige uitvoering; het waren belachelijke teekeningen, die kant noch wal raakten: Willems had daar gelijk in, maar het waren belangwekkende oefeningen van een talent, dat maar leiding en voorlichting noodig had, om zich heerlijk te ontwikkelen. [75]
Het was als een man, die niets wist van taal noch spelling, maar wien diepe gedachten door het hoofd woelen, en wien stoute beelden voor den geest zweven, zonder dat hij het vermogen heeft om ze uit te drukken voor anderen, omdat hij het a, b, c niet kent.
Willems die den smaak van zijn tijd in niets vooruit was, en die orde en correctheid als de eerste voorwaarden beschouwde van een gelukkigen aanleg, wist in die harde, grillige, hoekige krassen niets meer te zien dan voor oogen lag. Hij bekeek dat alles onder een misnoegd hoofdschudden, sloeg daarna de portefeuille weer toe, legde de hand op den schouder van den knaap, zag hem ernstig meewarig in de oogen, en zei toen: »Wil je een goeden raad van mij aannemen, Piet! zoo vermors niet langer je tijd met zulk gekrabbel, en word verver! dat is beter dan kladschilder.”
Met dezen coup de massue zond hij hem weg. Wat de arme jongen er ook tegen in wilde brengen, het was tevergeefs, hij was geoordeeld, gewogen en te licht bevonden.
Hij kon niets verkrijgen dan het tientje dat hem was toegezegd, en dat hij niet wilde aannemen, omdat hij »brutaal en koppig” was volgens Willems, want hij had gezegd: »Dankje, dominé! om kunstenaar te worden, zou ik wel willen bedelen, maar als ik bij moeder moet blijven, heb ik geen aalmoes noodig.”
»Ik zou het niet op mijn geweten willen nemen,” zei Willems later tot Roestink (die meende nog eens op de zaak te moeten terugkomen, en Piet ten voorspraak te zijn) »om dien jongen uit zijn stand te rukken en er de hand aan te leenen dat hij een armzalig kunstenaar werd, beter dàn, een daglooner die zijn brood heeft.”
Dit was de uitspraak van het gezond verstand, maar de goede Willems had de toepassing elders moeten maken.
Met Paschen werden de beide jongelieden door hunne respectieve leeraars als lidmaten der Kerk aangenomen en bevestigd.
Frits, die dezen stap meer beschouwde als de inleiding tot het [76]maatschappelijk leven, als het overtreden van de grens die den knaap van den jongeling scheidt, Frits had daarbij veeleer levendige aandoeningen dan diepe indrukken. Het natuurlijk gevolg eener oppervlakkige opvatting van hetgeen de diepten des gemoeds had moeten beroeren.
Willems zelf had daar ook zijne schuld aan. In plaats van met kalmen ernst tot de consciënties te spreken, had hij het recht treffend willen maken, had de emotiën opgewekt en de zenuwen in beweging gebracht, en behaalde een succès de larmes, waaronder Frits het meest aan zijne moeder dacht, die hij verlaten moest en die haar leven vol opoffering zou voltooien door het afstaan van haar zoon!
Piet Snibs daarentegen gedroeg zich bij de plechtigheid als iets waaraan hij zich onderwierp, omdat het zoo zijn moest, maar dat eigenlijk over hem heen ging.
Toch begreep hij, ondanks uiterlijke roerloosheid, de ernstige beteekenis van de verbintenis die men hem deed aangaan. Maar te meer was hij daartegen weerstrevig in zijn binnenste.
Van hem kon niet gezegd dat zijn hart verdeeld was tusschen God en de wereld, maar veeleer dat het in vollen opstand was tegen God en menschen. Hij voelde zich verdrukt, hij voelde zich miskend en onbarmhartig teruggezet. Frits was de gelukkige, de beminde, men legde de handen ineen om hem voort te helpen; dezen werd aangeboden, wat hij niet eens had gevraagd; die kon dankbaar zijn en Gode zijn hart wijden; maar een geplaagde en gejaagde als hij, die kon alleen het hoofd buigen en zich krommen onder zijn juk met verbeten wrok. In den zestienjarigen knaap, die als een ezel onder den staf des drijvers was grootgebracht, en die des ondanks in zich de bewustheid voelde van meer te zijn dan de anderen hem achtten, die van deze bewustheid leefde en in haar de kracht vond om alles te verdragen met den blik op eene eindelijke erkenning in de toekomst en die nu plotseling werd gedwongen om zelfs deze hoop op te geven, in zulk een zestienjarige was die gemoedstoestand niet onnatuurlijk. Dat dominé Willems, die voor een welwillend hulpvaardig man bekend stond, die voor den kunstkenner bij uitnemendheid doorging in het stadje, dat deze hem zijn bijstand had geweigerd, hem alle aanspraak op talent had ontzegd, dat had hem niet slechts bitter teleurgesteld, maar in zijn zelfvertrouwen geschokt. [77]
Zoo was het dan maar inbeelding geweest, kunstenaar kon hij niet worden. Waarom had God dan die onweerstandelijke aandrift in hem gelegd om zich aan eene kunst te wijden, waarvoor Hij hem geene gaven, geene krachten had verleend, of indien die brandende begeerte haar recht had om voldoening te eischen, indien het innerlijk bewustzijn hem niet bedroog, waarom dan duldde de Hemelsche Vader dat men hem, juist hem terugzette en tegenstond? Waarom was Frits de uitverkorene, hij die niet eens door zulke aandrift werd gedreven en die wellicht nooit die keus zou hebben gedaan, zoo anderen het hem niet in ’t hoofd hadden gepraat?
Waarom had deze eene moeder die haar eigen geluk ten beste gaf voor de toekomst van haar zoon, terwijl zijne moeder niets voor hem was dan eene verdrukster, die uit bekrompen eigenbaat hem niet eens de vrijheid wilde laten om het ambacht te kiezen, dat de geliefde kunst het meest nabij kwam, dat er de opleiding toe zijn kon.... Waarom was zijne moeder een vrouw zonder hart en zonder geest, die alleen de uiterlijke gedaante der godzaligheid had, maar niet het wezen? Haar ongelukkig kind had tot zijn eigen smart en schaamte oogen des geestes om dat te onderscheiden!
Zulke smarten, zulke twijfelingen, zulk een gesmoorde oproerkreet bewogen het gemoed van den vroegrijpen knaap, die nog bij velen, bij zijne moeder het eerst, voor een stuggen botterik gold, die zwijgend zat te mokken, terwijl anderen in hunne aandoeningen zwelgden en zich daarop te goed deden.
»Die is een verworpene, hij heeft een hart van steen en hij verhardt zich tegen de inwerking der genade,” zuchtte vrouw Snibs, want zich zelve bedriegende eer zij het anderen deed, hield zij zich in hare koude, dorre rechtzinnigheid voor eene waarachtige Christin, en waar haar zoon hare vrome gebaren niet nadeed, hare zalvende woorden niet nasprak, waar hij met kennelijken weerzin de treffendste en aangrijpendste teksten aanhoorde, die zij hem als steenen tegen het hoofd wierp, en met verbeten ergernis een antwoord terughield, waarin een beschamend licht zou zijn opgegaan over haar zelve, daar achtte zij dit alles verstomping, willekeurige verharding en begreep niets van de diepte des gemoeds, waarin zoo vroeg zulke strijd werd gestreden.
Maar voor Roestink toch was die niet geheel verborgen gebleven [78]en mogelijk veroordeelt men hem dat hij, deze zielsstemming doorziende, toch op het doen van den beslissenden uiterlijken stap had aangedrongen en het zijne had gedaan om dien mogelijk te maken. Maar Roestink de verzoekingen voorziende, waaraan deze jongeling zou zijn blootgesteld in zijn exceptioneelen toestand, achtte de uiterlijke band althans een hechtsel, al kon die geen krachtige steun zijn, terwijl de kwaliteit van lidmaat der gemeente Piet een recht gaf van zelfstandigheid tegenover zijne moeder, al vond deze niet goed hem overigens te emancipeeren. Daarenboven was de trouwe leeraar niet voornemens dit jonge schaap zijner kudde aan zich zelven over te laten, te midden van strijd en dwaling. Door welwillendheid en belangstelling had hij het vertrouwen en de genegenheid van den verdrukte gewonnen en een zedelijk overwicht op hem verkregen, waarvan hij partij wilde trekken om hem te leiden, verder te brengen en te wapenen tegen den strijd des levens.
Hoewel bij de uitspraak van Willems ook zijn geloof aan het talent van Piet aan het wankelen was gebracht, daar hij zijn eigen oordeel in dezen moest wantrouwen, de overtuiging dat er in den zonderlingen knaap een diep gemoed, een groot karakter en eene buitengewone wilskracht school, die maar behoefden gekweekt en geleid te worden om zich volledig te ontplooien, die overtuiging kon hij zich niet laten ontnemen door den twijfel van anderen. Hier had hij alleen zijne eigene ervaring te raadplegen, zijn eigen blik te scherpen om te weten dat hij zich niet bedroog, en dat een zonnestraal van levensvreugd, de koestering eener verstandige liefde op dit schijnbaar weerbarstig en verstompt gemoed zouden inwerken als de lentegloed op het overijzelde veld. Terwijl straffe verdrukking en dreiging met Hemelschen toorn en helsche overmacht alleen strekken kon om het zich nauwer te doen sluiten en nog stugger te omschorsen.
De moeder, die hem als met vuiststompen het ware gereformeerde geloof had opgedrongen, stond Piet in den weg om Christen te worden. Roestink begreep dit en deed wat in zijne macht was om dien schadelijken invloed te verontzijdigen, om te voorkomen wat hij zag naderen bij het meer en meer ontwakend zelfbewustzijn van den jongeling, dat hij zijne moeder ging haten en minachten, zooals de slaaf zijn tiran haat en minacht en dat hij zich eenmaal als deze op onwettige en gewelddadige wijze [79]onttrekken zou aan dat misbruikt gezag. De mogelijkheid van zulke uitkomst hield Roestink vrouw Snibs voor, zoo zij bleef volharden om uit bekrompenheid en eigenbaat haar zoon in zijne vurigste wenschen, in ’t geen men noemen kon zijn kunstenaarsinstinct, te dwarsboomen. Het mocht niet baten, zelfs zijn voorstel, om al was het maar bij wijze van proefneming, den knaap teekenen te laten leeren op zijne kosten en voorts hem in de leer te doen bij een huisschilder, werd met scherpe afkeuring begroet.
»Zij kon niet begrijpen hoe dominé den jongen in zijne eigenwilligheid kon sterken. Het was maar dwingen. Zij had haar zoon in hare zaak noodig en daar kon hij genoeg in te doen vinden om niet te zitten droomen en mokken, zooals hij veeltijds deed. Dominé zou beter doen met hem het vijfde gebod voor te houden, dan hem te sterken in zijne grillen; het was schande en zonde en dominé ging nogal door voor een verlicht man en een kind Gods! En dan een zoon op te zetten tegen zijne moeder.”
»Maar vrouw Snibs, hoe kunt gij zoo doordraven?” viel Roestink in, »ik geef het u alleen in overweging. Ik zal mijn best doen om hem te leeren berusten als gij weigert, maar men zou het toch eens kunnen probeeren, en ... als dat les nemen geschiedde zonder dat het u iets kostte.”
»Daar bedankte zij voor. Al was zij maar eene simpele burgervrouw, zij behoefde geen onderstand en zou de handen ook niet uitsteken om giften van anderen, zooals zekere Madam die zich nog wel »juffrouw” liet noemen, en die zich verbeeldde, dat haar zoon een heer moest worden op andermans kosten. Neen! wat haar kind noodig had, kon hij van haar krijgen. Al was zij maar eene weduwe, de Heer had hare vlijt gezegend, de Man der weduwen had haar niet verlaten en zij was voorspoedig geweest in haar handel en wandel. Maar ook zij leefde niet naar de lusten des vleesches, noch trachtte naar de dingen die haar te hoog waren, zooals de wereldlingen die de grootschheid des levens en de begeerlijkheden der aarde naliepen, zij was een kind Gods en onderscheidde zich van de wereld door eenvoud van kleedij, zij bleef nog een rok en jak dragen, terwijl al hare buurvrouwen...”
»Eilieve, vrouw Snibs! wat doet dat alles er toe,” was Roestink ingevallen, om dien stortvloed van eigengerechtigheid, met geestelijken hoogmoed vermengd, een dam te stellen. [80]
Het mocht hem niet baten.
»Wat er dat toe doet, dominé!” hervatte zij met eene stem driemaal scheller en scherper dan te voren. »Wel ik dacht dat een man als u wel-eerwaarde, dat wel begrijpen kon. Dat zegt zooveel alsdat ik mijn eenig kind wel naar mijn staat onderhouden kan, en alles meen te geven wat hem toekomt, zooals iedereen zien zal, als Piet in de loting valt, en een remplaçant noodig heeft; stuivertje voor stuivertje heb ik dat sommetje opgegaard, want mijn zoon zal niet den breeden weg opgaan met dat ruwe soldatenvolk! Neen! o, neen! als Hannah heb ik hem den Heere gewijd, en al weet ik wel dat de kinderen der wereld wijzer zijn dan de kinderen des lichts, zoo onnoozel noch onervaren in de dingen dezes tijds ben ik niet, om niet te weten wat soort van volkje muzikanten en schilders zijn, die den tijd maar doorbrengen met luilakken, slampampen en pretmaken! Dat mijn Absalom lust heeft daarvan zijne gezellen te maken, verwondert mij niet, maar dat dominé, die toch voor een godzalig leeraar bekend stond, dat dolende schaap zoo maar aan de wereld en hare verlokkingen wilde overgeven, dàt gaat mijn verstand te boven, en gedoogen zal ik het niet. Ik wil wel mijn Izaäk den Heere offeren, maar niet den Moloch!”
Sinds lang schor van het schreeuwen moest vrouw Snibs na die laatste emphatique tirade huilen, hoesten en bovenal adem scheppen. Roestink, wiens lankmoedigheid bijkans ten einde was, nam dit intermezzo te baat, om haar voor te houden dat zij zelve juist bezig was haar zoon te offeren aan den Moloch van hare heerschzucht en haar egoïsme, en toen hij op die vermaning de noodige klem legde door bijbelsche uitspraken, waarvoor zij had moeten bukken, en die haar aan zich zelve zouden ontdekt hebben, zoo zij oprecht ware geweest in hare vroomheid, toen weerstreefde zij des te heftiger en werd zeer boos, en met vinnigheid beet zij hem toe, dat zij moeder en voogdes was, en dat zij weten moest wat haar zoon paste of niet, dat dominé zich met diens geloof had te bemoeien en niet met zijn handwerk.
Roestink zelf, wel wat geprikkeld door de walging die de huichelarij en de brutaliteit dier vrouw in hem opwekte, vergat de voorzichtigheid en repliceerde dat het juist was om den wille des geloofs dat zij toe moest geven en dat hij wilde waken, daar de onderdrukking, waarvan Piet het slachtoffer was in zijn moeders [81]huis, en de wijze waarop zijne kennelijke roeping voor de kunst werd te keer gegaan, bij hem noodwendig zulke terugwerking moest hebben, dat hij elders bevrediging zou zoeken en dat de Roomsche kerk voor zulke naturen, onder zulke omstandigheden hare eigenaardige verlokkingen had, waaraan Piet werd blootgesteld, zoo men hem geen ruimer uitzicht opende en door de koorden der liefde wist te binden.
»Wat!” riep zij uit, de handen in de zijde zettende, »de Roomsche kerk! wat gaat ons de Roomsche kerk aan, wat hebben wij daarmee gemeens, hoe kunt gij u zoo iets in het hoofd halen, dominé! zoolang mijn jongen in mijn huis is, zal hij zijne voeten niet in den Baäls-tempel zetten, daar kan je zeker van zijn. En liefdekoorden, ja, een mooi ding voor zoo’n verstokte als hij is, die heel gauw zou uitspatten als ik hem niet goed onder tucht hield.
»En jij Piet” (tot zijn schade was het beklagenswaardige voorwerp van de discussie op het geraas zijner moeder komen aanloopen) »en jij! als ik je ooit attrapeer dat je den voet op den drempel van de papekerk zet, dan zal je er van lusten! daar kan je op rekenen!”
»Goed moeder, ik zal er op rekenen,” was het lakonieke antwoord van Piet.
Na dit tooneel, na zulk een misverstand van zijne beste bedoelingen, zijne trouwste vermaningen, was Roestink schaakmat; hij gaf het althans voor dien dag aan vrouw Snibs gewonnen. Eenige dagen later toen hij hare drift bekoeld achtte en voor zich zelven eene versche dosis lijdzaamheid bemachtigd had, dreef belangstelling in Piet hem nogmaals naar de muffe woning der uitdraagster, met het voorstel om Piet zijne lidmaten-catechisatie te laten bijwonen; maar het werd met snibbigheid afgewezen. Dominé wist wel, dat er niet voor niet haast gemaakt was met het aannemen. Zij had haar zoon noodig in hare zaak en kon hem zooveel tijd in de week niet geven, daar zij wel zag, dat het leeren bij dominé hem toch niet verder brengen zou. Als hij niet onwillig noch doofhuidig was, kon hij genoeg vorderen onder haar opzicht; hij had altijd gelegenheid hare oefeningen met hare vrienden bij te wonen; maar dat verkoos hij niet, en als hij er toe gedwongen werd, zat hij te slapen of te pruilen. Zij had de overtuiging, dat hij niet dan een vat ter [82]oneere was, en alles wat menschelijke wijsheid daarin zou werpen, zou hem maar schade doen, en hem sterken in zijn eigenwaan en verstoktheid. Hij was nu lidmaat en lag voor zijne eigene rekening; in haar huis werd de Heere gediend en hij behoefde het niet daarbuiten te zoeken als hij ten goede wilde, zoo niet, dan was het beste lijdelijk af te wachten, wat er over hem beschikt was, daar vleeschelijke hulp toch niet baten zou, dat wist zij maar al te goed. Behalve in den bekrompen eigenbaat, die den aankomenden jongeling elke ure vrijheids beknibbelen wilde, lag de oorzaak dezer weigering in de vrees van vrouw Snibs, dat dominé van het pretext der catechisatie wel eens gebruik zou kunnen maken, om Piet onderwijs te laten geven in het teekenen, en daarmee was ze mogelijk niet zoo heel ver van de waarheid, want mevrouw Roestink, die ondanks haar witte neteldoeksche japon en haar sjaal een allerliefst talentvol vrouwtje was, had, niet onder voorwendsel van, maar na de catechisatie-uren zich willen aanbieden, om Piet zoo wat letterwijs te maken in de kunst waarnaar zijne brandende begeerte uitging; zij zou hem om het zoo eens te noemen het a, b, c leeren, en dan verder zijne oefeningen wat leiden; maar de grimmige wijze waarop vrouw Snibs de eerste aanbieding afwees, weerhield Roestink om met de andere voor den dag te komen. Toen hij aftrok sloeg de Xantippe de deur achter hem dicht met een geweld of zij hem waarschuwen wilde, dat hij die bij eene nieuwe poging voor goed gesloten zou vinden.
Na zulk eene afwijzing kon hij zijn bezoek niet herhalen, en tot bitter leedwezen van Piet werd de betrekking tusschen hem en den eenigen vriend, die hem begreep en voor zijn lijden medegevoel, voor zijne aspiratiën sympathie had, voor goed afgebroken. Roestink sprak hem wel eens eene enkele maal vriendelijk toe als hij hem alleen ontmoette, maar daar hij den zoon niet overhalen wilde tot eenigen stap buiten zijne moeder om, bleef het daarbij.
Vrouw Snibs meende hare handelwijze jegens dominé Roestink te rechtvaardigen tegenover hare geloofsverwanten, met te zeggen »dat hij nog maar ten halve verlicht was, dat hij hinkte op twee gedachten, en laag neerzag op de kinderen Gods, omdat zijn hart naar de wereldsche ijdelheden trok.” Gelukkig vond de laaghartige onder deze geloovigen juist geene lichtgeloovigen. Zij [83]hadden zelven al genoeg ervaring van de disharmonie tusschen hare woorden en hare daden, om op hare aanklacht een man te veroordeelen of te wantrouwen, wiens handel en wandel in overeenstemming was met zijne stichtelijke redenen. Zijne profetie omtrent de gevaren die Piet kon loopen, scheen zich echter niet te verwezelijken. Toch wel niet omdat Piet naar het voorschrift zijner moeder de Roomsche kerk links liet liggen; integendeel, hij legde er de obstinatie in van zijne wrokkende rebellie om precies te doen wat hem onder zulke bedreigingen werd geboden, te laten. Hetzij hij reeds zoo verhard was door het lijden, dat hare bedreigingen voor hem geene beteekenis meer hadden; hetzij hij de heimelijke wegen wist te gaan, die voor betrapt worden veiligden; maar de oude pastoor liet hem stil in zijn hoek zitten, beelden en schilderijen aangapen en naar het koorgezang luisteren, al had hij hem meermalen opgemerkt. De zucht tot proselietenmakerij werd weinig aangemoedigd onder het vaderlijk bestuur van Koning Willem I, die van uiterlijke orde en rust hield in de kerk en onder kerkelijke personen, ten koste van den inwendigen vrede mogelijk; maar dàt was de vraag niet: ieder moest op zijn eigen terrein blijven, platte kalmte moest er heerschen, geen strijd, geene overdrijving; surtout pas de zèle!” was het wachtwoord, dat den kerkelijken van iedere gezindheid gegeven was en waaraan zij zich moesten houden. Alleen de ijver tegen overdrijvers en ijveraars werd uitgezonderd; dat waren de bêtes noires, waarop ieder vrij jacht mocht maken. Onder dit régime van lauwheid en flauwheid kon de zoon van de stijf gereformeerde uitdraagster den goeden ouden pastoor wel niet tot een lokaas zijn, om een geloofsijver te toonen, die zoo weinig de mise was. Piet Snibs bleef dus onaangevochten denzelfden sleur gaan bij zijne moeder in huis tot zijn achttiende jaar. Roestink was intusschen naar eene groote stad beroepen en de arme jongeling had met hem den eenigen vertrouweling verloren van zijn geheimen strijd, den eenigen vriend, die hem nog wel eens vluchtig de hand drukte en een woord van deelneming toesprak, of met eene zachte vermaning tot geduld en berusting stemde. Toen Piet in de loting viel en tot zijn spijt een hoog nommer trok, wilde hij toch dienst nemen, hetgeen hem door zijne moeder werd belet, daar zij de zucht voor den dienst als een pretext beschouwde, om zijne vrijheid te bekomen [84]en in ledigheid en losbandigheid te kunnen rondslenteren; de eerste onderstelling was volkomen juist, de andere zeer onbillijk, daar Piet’s gedragingen haar geen het minste recht hadden gegeven, om hem zulke intentiën toe te dichten.
Maar vrouw Snibs mocht Xantippe zijn zooveel zij wilde, een jonkman van achttien jaar is niet binnenshuis te houden als een kind, en zij zou de nutteloosheid van haar dwangstelsel tot hare smart en beschaming leeren inzien. Op zekeren dag was er groot alarm in haar huis, en welhaast weerklonk het in hare buurt. Haar zoon, die nooit na tien ure mocht thuiskomen, was den vorigen Zondag-middag uitgegaan en ’s Maandags-ochtends nog niet terug. Niemand had hem gezien, niemand wist waar hij gebleven was. Spoedig bleek het haar, dat hij heengegaan was om niet weer te keeren. Hij had wat kleeren meegenomen en het geld uit zijn spaarpot. Het steenen varken werd in scherven onder zijne bedstede gevonden, dit was dus opzet. »Haar verloren zoon was den breeden weg opgegaan!” Hoewel zij eene advertentie plaatsen liet in de Haarlemsche Courant, die het slachten van ’t gemeste kalf scheen te beloven bij zijne wederkomst, hij keerde niet terug, om die openlijke betuiging harer moederliefde op de proef te stellen. Hij was zeker wat bang voor de al te teedere omklemming dier liefdearmen. Mogelijk ook kwam de noodiging niet eens tot hem. Hoe dat ook zij, vrouw Snibs zag haar zoon nooit weer, en van spijt over die ontsnapte prooi, »van droefheid over haar Absalom,” zooals zij zich uitdrukte, wierp zij zich midden in de wereld, dat wil zeggen, zij brak met al hare antecedenten en trouwde een gepensioneerd onderofficier, die bij Quatre-Bras een stijf been veroverd had en aanspraak op de Willemsorde, die hem echter niet gewerd. Hij verzoette hare verdere levensdagen door het verhaal zijner krijgsavonturen en het gezelschap zijner kameraden, voor zoover ze te E. aanwezig waren, en verder door haar proefondervindelijk kennis te doen maken met de militaire discipline, die hij op zijne vrouw toepaste, daar hij geen conscrit meer te drillen had. Het spreekt vanzelve, dat zij zich niet vlotweg aan dit régime onderwierp, maar na een stormachtige lune de miel triomfeerde de force brutale en vrouw Snibs, die nu juffrouw Doelman genoemd werd, was broken to the harness zooals het behoorde. Deze nieuwe Patruccio had zijne helleveeg getemd!
Dominé Willems had inlichtingen kunnen geven over het verdwijnen [85]van Piet, maar daar ze hem niet gevraagd werden en daar Piet hem ten dringendste het stilzwijgen had verzocht, hield hij ze voor zich. Een paar dagen vóór zijne ontsnapping namelijk had Piet verzocht dominé Willems te spreken. De audiëntie toegestaan zijnde, herinnerde hij dominé aan zijne vroegere belofte om hem een geschenk in geld te geven, dat hij toen afgewezen had in de bitterheid eener smartelijke teleurstelling. Hij verzocht nu ootmoediglijk excuus voor die weigering en hoopte dat hij de goedheid van dominé niet mocht verbeurd hebben.
»Je bent er dus nòg niet af?” vroeg Willems hem onderzoekend aanziende.
»Neen, dominé! nu ik de hand uitstrek naar uwe gift, kunt u wel begrijpen waarvoor.”
»Nu dan, trotsche stijfhoofd, God zegene u!” sprak Willems met een bedenkelijk hoofdschudden, of hij nauwelijks aan de kracht van dien heilwensch geloofde; maar hij verdriedubbelde zijne gift en liet hem gaan, zonder nadere ophelderingen te vragen, en zonder hem met vermaningen te kwellen, die toch niet meer zouden baten. Hij giste wat Piet in zijn schild voerde.
Sedert eenige dagen namelijk was er te E. een voornaam Vlaamsch kunstschilder aangekomen, die na de bijeenvoeging der Noordelijke en Zuidelijke Provinciën in den Haag woonde. Belast om een altaarstuk te vervaardigen, waarmede een rijk Katholiek inwoner zijne kerk wilde begiftigen, moest hij zich over de grootte en het onderwerp bespreken met den schenker en met den pastoor, en wilde op de plaats zelve de voorloopige schets maken, ten einde haar in volkomen harmonie te brengen met de omgeving. Daar hij bij zijn Maecenas gehuisvest was, die niets liever wenschte dan hem zoolang mogelijk te houden, dijde dit verblijf tot weken uit, waarin de schilder gelegenheid vond om voor zich zelven eenige studies te maken van schilderachtige, oud-Hollandsche stadsgezichten, waar het stedeke zeer rijk in was. Huizen met luifels, gebeeldhouwde stoepbanken en trapgevels, begonnen toen reeds curiositeiten te worden voor een kunstenaar, die slechts de groote steden bewoond en bereisd had.
Als door magnetische attractie geleid, was Piet in zijne nabijheid gekomen van den eersten dag af, dat hij buitenshuis teekende, en van toen aan behoefde de schilder niet eens meer om [86]te zien, hij wist vooruit wie er achter hem stond, en ieder zijner bewegingen volgde met zwijgende aandacht. Gewoon ten doel te staan aan de nieuwsgierigheid van leegloopers en voorbijgangers, werd hij echter getroffen door het kennelijk onderscheid tusschen genen en dezen jonkman, die verre van lastig te zijn, of door onbescheiden vragen te hinderen, alleen maar met gezette aandacht de vorderingen van zijn werk bleef gadeslaan, zonder hem door die plompe opmerkingen te storen, waarmee het gewone Hollandsche straatpubliek zoo gul is, zoo ras het iets ongewoons aanschouwt. Deze kieschheid, deze bescheiden houding, met zooveel onverzettelijke volharding gepaard, namen den kunstenaar voor hem in en op zekeren dag begon deze zelf een praatje.
Uit het antwoord dat hij kreeg sprak zoo duidelijk geestdrift voor de kunst, met diepen weemoed doormengd, dat de schilder hem aanmoedigde om meer te zeggen. Het praatje werd een gesprek, en daaruit volgde de noodiging om hem te komen bezoeken ten huize van zijn gastheer. Piet verstoutte zich van die vrijheid gebruik te maken en bracht zijn werk mee. Hij had al zoolang geheime wegen gegaan buiten zijn moeder om! Hij had nooit opgehouden zich te oefenen, ja, hij had zelfs zijn zakgeld besteed, om in stilte lessen te nemen van Krimpelman. Hij was bijgevolg wat letterwijs geworden in de kunst, en toen Piet ééns wist hoe hij een penseel moest houden, had de goede teekenmeester verbaasd gestaan over hetgeen hij er mee wist te verrichten. De schilder onderscheidde het talent, dat in zijne studiën verscholen lag, te midden van al het gebrekkelijke en moedigde hem aan om het te oefenen met de opgewondenheid die den Vlaamschen kunstenaar karakteriseert. Wat meer zeide, hij beloofde hem zijne hulp en zijne leiding, mits hij van zijne moeder vrijheid verkreeg om hem naar den Haag te vergezellen. Piet, die vooruit wist, dat dit verzoek tevergeefs zou gedaan worden, verlangde alleen te weten wanneer de heer N. weer naar zijne woonplaats zoude terugkeeren; deze dacht binnen een paar dagen te vertrekken. Piet hield het zich voor gezegd; deed zijn aanzoek bij Willems, en was des anderen daags verdwenen.
Willems, die in zijne kwaliteit van liefhebber den beroemden schilder een bezoek had gebracht, en van diens kennismaking met den zoon van vrouw Snibs had gehoord, bracht die overhaaste [87]vlucht natuurlijk in verband met de aanmoediging dezen door N. gegeven, en begreep nu—maar voor Piet ongelukkig te laat—dat diens roeping voor de kunst in vollen zin eene onweerstandelijke moest zijn.
»Ik wil er niet op zweren, dat hij het savoir faire van de kunst zal vatten..... maar hij heeft le feu sacré,” getuigde de Vlaming, »en dat, mijnheer, dàt is toch maar het principale!”
Wij zijn zoo ver met Piet Snibs mee doorgegaan, dat wij onzen held er voor in den steek hebben gelaten.
Wij gaan hem nu opzoeken in de woning zijner moeder. Het is veertien dagen na Paschen en Frits staat op het punt zijne eerste schreden te zetten op de baan der kunst, die men voor hem heeft opengesteld. Dominé Willems heeft trouw woord gehouden en alle voorbereidende maatregelen daartoe genomen, alle bezwaren en hindernissen voor hem uit den weg geruimd. Frits heeft maar te volgen en in ’t spoor te treden, dat zijne beschermers voor hem afgebakend hebben.
Een vermaard kunstschilder te Amsterdam had op voorspraak van een aanzienlijk liefhebber, academievriend van Willems, er in toegestemd om Frits onder zijne leerlingen op te nemen; verder zou deze nog onderwijs ontvangen in alle vakken van kennis, die een kunstenaar van zekeren rang onmisbaar moesten zijn. Hij zou bij stille burgerlieden inwonen voor een matig kostgeld, waarin de rijke Amsterdammer beloofd had te voorzien. Wat er verder noodig was werd bijeengebracht door Willems zelf, dominé Roestink en den vader van Dientje, die de voogd was van Frits en die zeer met het plan was ingenomen. Overigens hadden nog enkele notabelen van de gemeente, door de beide predikanten daartoe opgewekt, hunne geldelijke ondersteuning toegezegd, hoewel schoorvoetend en niet zonder zorgelijk hoofdschudden; want al werd hun voorgehouden, dat zij daarmee een goed werk verrichten voor de toekomst der vaderlandsche kunst: die kunst zelve werd door hen zeer weinig gewaardeerd, en de meesten hunner vonden het onverstandig en roekeloos, dat men den zoon van juffrouw Rosemeijer, den zoon [88]van Herman Millioen, dus uit zijn stand ging rukken, en zij zeiden niet te kunnen begrijpen hoe een wijs en bezadigd man als dominé Willems zoo iets in ’t hoofd had kunnen krijgen. De overige begunstigers van de weduwe spraken op dezelfde wijze: »Dat Frits, die een vlugge jongen was, wat teekenen leerde voor liefhebberij, dàt kon er door; maar dat hij dáár zijne broodwinning van zoude maken, dàt begrepen zij niet! Krimpelman had het waarlijk niet te breed, en die was toch al stadsteekenmeester!” Zij beklaagden de moeder van ganscher harte, dat deze om zulk een schraal vooruitzicht haar zoon moest missen, die haar nu al zoo goed te pas kwam in hare zaak met rekenen en schrijven.
Juffrouw Rosemeijer zelve zou zeker met deze platte, ontnuchterende opvatting nooit openlijk hebben ingestemd en toch gingen haar menigmaal gedachten door het hoofd, toch voelde zij zich soms door onrust en aarzelingen overvallen, die niet zoo ver van deze beschouwingen verwijderd waren als zij zelve meende!
Voorwaar! zij bracht het offer met volkomen gewilligheid, maar niet zonder verscheuring des harten, en vooral niet zonder angstige beklemdheid.
O, zeker! het zou eene heerlijke uitkomst zijn, zoo haar zoon eens als een beroemd schilder tot haar weerkeerde, en als men het haar gevergd had, zou zij er haar laatsten penning aan ten offer hebben gebracht, om dat doel te bereiken; maar, sinds haar huwelijk had men haar al zoo dikwijls met schoone voorstellingen van de toekomst en schitterende vooruitzichten gevleid, waarvan zij niets dan teleurstelling en kommer had geoogst, zouden die zich nu ten laatste in haar zoon verwezenlijken? Zij moest het gelooven, zij wilde er om bidden, zij trachtte zich staande te houden met die hoop, om ook Frits niet al vooruit den moed te benemen, daar zij wel zag dat deze zelf niet met zijne gewone luchthartigheid de nieuwe bestemming tegenging; maar in het diepste van haar hart sprak een somber voorgevoel gansch andere dingen.
Het was nu de dag vóór zijn vertrek. Een vroolijke zonnige lentedag, wel geschikt om treurig gestemde harten te bemoedigen, maar juffrouw Rosemeijer had liever een guren nevel gewenscht, al ware het maar om het recht te hebben over iets te [89]klagen, en ook omdat zij dan den ganschen namiddag Frits nog bij zich zou gehouden hebben, die nu met dominé Willems eene wandeling deed.
Daar het Zondag was had zij niets met haar winkel te doen en zat dus in hare binnenkamer, die op een klein bleekveldje uitzag, dat Frits zomers door het met bloempotten te omgeven, in een tuintje metamorphoseerde; maar waar nu nog niets te zien was dan een enkel crocusje van het vorige jaar, dat weer opleefde.
Het was een hoogsteenvoudig huisvertrek, maar dat met zeker besef van comfort ingericht was, en er heerschte netheid en orde. Een lichtgrijs behangsel met zacht groene randen, hier en daar eene plaat, de portretten in pastel van Herman Rosemeijer en zijne vrouw, in den eersten tijd van hun huwelijk vervaardigd, hij in ’t kostuum van een Franschen incroyable, een kuif van krullende haren door een kammetje opgestreken, blauwe rok met vergulde knoopen, geel vest, ontzaggelijk hooge boord en das met rozet en geborduurde punten. Zij met kort afgesneden haar à la Brutus, een witte japon met korte mouwen en een corsage dat geen vinger lengte haalde en dat vrij gedecolleteerd was, maar toch zediglijk door een tour de gorge van zijde gaas vergoelijkt werd.
Voorts keurig glad gewreven Brusselsche stoeltjes met matten zitting, eene commode met marmeren blad, waarop eene pendule stond, door Herman in zijn besten tijd zelf vervaardigd, en waarvan zijne weduwe zich niet had kunnen ontdoen, hoewel die als curiositeit zeker nogal geld zou hebben opgebracht. Zij wees niet slechts de uren, minuten en seconden, maar ook de maanden des jaars en de dagen der week aan, en zij bleef goed gaan, omdat Frits van zijn vader had geleerd hoe zij moest opgewonden worden.
Er lagen glad gewreven matten op den vloer en een karpet onder de tafel. De weduwe zat daarnevens voor een theeblad, waarop een serviesje van zwart Engelsch aardewerk en twee dusgenaamde presentkopjes geplaatst waren, rijk verguld en met eene allegorie in bloemen beschilderd, die daarenboven nog door een devies of een gelukwensch werd opgehelderd. Frits moest voor het laatst nog eens drinken uit zijn verjaarkopje, had juffrouw Rosemeijer gemeend; »kwam hij nu maar,” verzuchtte zij, [90]het water naast haar kookte zoo goed, dat zij de thee maar zetten zou.
Dominé moest hem nu ook niet zoolang ophouden voor den laatsten dag! Haar breiwerk lag naast haar, maar zij roerde er niet aan. Lezen? Neen! Helons Bedevaart naar Jeruzalem, haar door Willems geleend, had nu geene aantrekkelijkheid voor haar.
»Reeds zes uur!” zuchtte zij, even naar de pendule ziende! »Als Frits weg is zal die ook wel niet meer gaan, ik kan er niet mee terecht;” en met een zucht van diepe moedeloosheid liet zij het hoofd in de hand vallen en schreide.
Juffrouw Mina Rosemeijer was eene vrouw van even veertig jaar, die er eens goed uitgezien had en nog bevallig kon heeten, hoewel haar frisch teint verbleekt en hare wangen vermagerd waren. Haar zacht blauw oog, lichtbruin haar, onder een tullen muts doorschemerend, en in een paar tire bouchons langs de slapen neervallend, een zwart zijden japon met nauwe mouwen en roulautjes à la Waterloo gegarneerd, deed hare fijne taille en elegant figuur zeer goed uitkomen. Zonder eenigen opschik raadde men het uit haar eigen toilet, dat zij met smaak voor dat van anderen zou zorgen. Zij was eene modemaakster, die zelve haar beste uithangbord met zich droeg. Van fatsoenlijke afkomst, maar door haar huwelijk reeds een graadje op den maatschappelijken ladder gedaald, was zij door allerlei lijden en vernedering heengegaan, zonder zekeren goeden toon en manieren te verliezen, die van eene beschaafde opvoeding getuigen. Zij had geen groot verstand, maar bezat dien stillen, zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God. Zij was onder de smarten en beproevingen des levens gerijpt tot eene geloovige Christin; maar haar vak noch haar karakter bracht mede, om zich zelve en hare overtuiging op den voorgrond te zetten; toch bemerkte ieder, die met haar te doen had, het uit hare stiptheid in ’t vervullen harer beloften, in hare gewoonte om niemand te vleien noch iets op te dringen wat haar niet paste, dat zij niet naar de luim van ’t oogenblik, dat zij naar een hooger zedelijk beginsel handelde. Ook aan Frits had zij nooit hare vroomheid opgedrongen, die was bij haar gerijpt door ervaring, als het mosterdzaadje onder vroegen en spaden regen; zij wilde ook bij hem niets overhaasten, maar de kiem had zij gelegd en haar voorbeeld had hem nooit afgeschrikt, wel kunnen stichten, die [91]overtuiging had zij. Het overige moest zij den Heere overlaten, hoewel zij ook op dit punt zijn heengaan, zijn alleen staan in de wijde, wijde wereld, niet zonder kloppinge des harten indacht.
Nog altijd bleef het eentonig geruisch van het theewater haar eenig gezelschap, toen op eens de winkeldeur met drift werd opengerukt en een gejaagde voetstap zich liet hooren, die juffrouw Rosemeijer terstond eene andere houding deed aannemen dan de diep neerslachtige, waarin zij eene wijle vervallen was. Haastig droogde zij het traantje, dat zij al nadenkende had laten glijden en met een glimp van blijdschap rees zij op, om Frits te gemoet te gaan.
»Zoo mijn jongen, ben je daar!”
Frits had een kleur als vuur en zijne oogen stonden ook wat waterachtig.
»Wat lang weggebleven, niet waar moe?”
»Dominé had je zeker nog veel te zeggen!” sprak zij zachtmoedig, zich reeds bezighoudende met zijn kopje in te schenken.
»Dominé heeft niet de meeste schuld, wij hebben niet lang gewandeld, maar ik was nog even hier naast gegaan om van juffrouw Verburg en Dientje afscheid te nemen, en het lieve kind had het zoo druk en wilde mij haast niet laten gaan. Zij schreide zóó, dat.... dat ik er zelf haast kinderachtig van werd. Ik moet ook bekennen, dat het mij moeite kostte uit dat huis weg te gaan, waar zij allen zoo gul en vriendelijk voor mij geweest zijn. Wat kon dat aardige Dientje prettig buurvrijstertje met mij spelen, en hoe vriendelijk noodigde juffrouw—tante zooals ik haar altijd noemde—mij telkens als er eens wat lekkers was om toch te blijven en eens mee te proeven.... en zij heeft mij eene kleine zak-portefeuille tot souvenir gegeven, en Dientje heeft zelve eene beurs voor mij geknoopt; zie eens, moe, hoe beeldig! groene zijde, met gouden kralen! en zij had zoo’n pleizier om het mij te geven; u had het moeten zien!”
»Ja, het zijn lieve beste menschen, die Verburgs, en Dientje, als ze zoo opgroeit, zal een allerliefst meisje worden; maar Frits, jongen, daar is geld in die beurs! Wat beteekent dat?”
»Mijnheer Verburg liet er drie tientjes in glijden; hij zei, die zou ik bewaren als er eens een extraatje noodig was!” [92]
»Mijnheer Verburg doet haast al te veel!” zei juffrouw Rosemeijer met een zacht hoofdschudden.
»Och, moe! van hem neem ik het met de meeste gerustheid aan. Ik hoop het hem eens te kunnen vergelden.”
»Dat hoop ik ook—nu! als gij onder Gods zegen wordt wat de vrienden verwachten....”
»Neen moe! al word ik dát niet, toch zal de heer Verburg mij niet voor niet een vaderlijk vriend zijn geweest. Hij is niet meer jong, Dientje zal eens alleen staan, Dientje heeft geen broer, dát zal ik voor haar zijn....”
»Als zij niet vóór dien tijd een echtgenoot heeft, zoo’n mooi rijk meisje zal wel jong trouwen....”
Frits zag zijne moeder aan met een verwonderden blik en een verdrietelijken trek op het gelaat.
»Hé moe! hoe kunt u denken dat Dientje vroeg trouwen zou? Zij zegt immers altijd dat zij mijn vrouwtje wil worden en er kan nogal wat tijd verloopen eer ik een knap schilder zal zijn!”
»Beste jongen, hecht toch niet aan die kinderpraat van Dientje, dat kon u later teleurstelling geven.... een juffertje van twaalf en eene jonge dame van achttien, dat is heel wat anders.... Mogelijk zou zij, op dien leeftijd gekomen, u niet eens toestaan haar bij den naam te noemen zooals nu!”
»Wel dàt zou mooi wezen!” riep Frits opvliegende, met een kleur als vuur van verontwaardiging, »als ze zoo’n nuf werd, zou ik zelf niets meer van haar willen weten, maar, moe! u vergeet dat ik dan ook geen kwajongen meer zijn zou, wie weet wat een groot kunstenaar ik dán zal wezen, en of ik dan geen recht zou hebben laag neer te zien op zoo’n ingebeeld dametje.”
»Al hadt gij ooit dàt recht, Frits! het zou u toch zeer slecht staan te vergeten, wat gij aan de dochter van den heer Verburg schuldig zijt.”
»Och, moe! denk toch niet dat ik mij laag of laf zou kunnen aanstellen, er kome dan van mij wat wil! Ik zei u immers reeds dat het mijn liefste vooruitzicht, mijn vaste voornemen is om eens aan Dientje terug te geven, wat haar vader nu voor mij doet....”
»Ik wensch van ganscher harte dat het u gegeven mag worden, dat begrijpt gij, Frits! maar zoo het anders uitviel, moet ik u waarschuwen, reeds nu mijn jongen, opdat gij het u niet onvoorzichtiglijk [93]in het hoofd zoudt zetten, moet ik u waarschuwen nooit de oogen op te heffen naar Dientje, zelfs niet al moedigde zij u aan, want gij zoudt u, dus doende, hoogst ondankbaar gedragen jegens uw weldoener. Foei, Frits!” viel zij zich zelve op eens in de rede, »gij glimlacht! is dat nu mooi, als ik ernstig spreek?”
»Wel!” zei hij nu luid lachende, »juist dáárom. U vat dit nu zoo ernstig op alsof het vlak voor ons lag, en ’t is alles immers nog zóó in de verte.”
»Dat is waar, maar toch als men zich niet voorbereidt om een offer te brengen als het nog ver van ons af ligt, dan heeft men er geene kracht voor op ’t oogenblik zelf dat het ons wordt opgelegd.”
»Als het mij wordt opgelegd, zal ik er wel kracht voor vinden, dat beloof ik u, moeder! Uw zoon zal zijn plicht doen, wees er zeker van,” en hij stak haar de hand toe met tranen in de oogen, »maar,” ging hij voort, terwijl het zonnestraaltje der hoop weer het jeugdig gelaat verhelderde, »maar ik heb wel moed dat het er niet toe komen zal. De heer Verburg is immers zelf ook maar een burgerman, die mij meer dan eens verteld heeft dat hij als kruieniersknecht begonnen is, en al doet hij nu groote zaken, toch zal hij zich zijn begin van niet af wel willen herinneren, en mij niet voor het hoofd stooten, als ik een knap man word, al ware het dan ook dat het met schilderen niet precies zoo best uitviel als de vrienden verwachten. Ik zou het ondankbaar vinden als ik zoo iets van hem kon gelooven, die zich altijd zulk een vaderlijke vriend voor mij heeft betoond.”
»Ja, en wel een vriend in nood, dát heb ik ondervonden toen hij op dien noodlottigen dag hier binnenkwam om, zooals hij het noemde, zijn burenplicht te vervullen en mij bij te staan, daar ik in die oogenblikken voor mij zelve denken noch handelen kon. Mijn ongelukkige man had op niets orde gesteld, op niets. Ik had geen enkelen bloedverwant dan een verren neef, die in den vreemde reisde, geen anderen vriend dan dominé Willems, maar dat was geen man van zaken en die had ook te veel met zijne ambtsbezigheden te doen om hier den boel aan te pakken en te regelen, met zooveel ijver en zoo goed overleg als de heer Verburg dat deed. Was het vreemd dat ik den moed nam om hem te vragen of hij uw voogd wilde zijn?” [94]
»Een trouwer en hartelijker dan dezen had ik wel niet kunnen treffen. Toen hij mij daar even de hand drukte, waren zijne oogen vochtig, moe!”
»Dus was dit al zijn vaarwel; ik had nog gedacht, dat hij van avond eens komen zou.”
»Neen, hij wilde ons den laatsten avond samen laten. Zijn plan is, mij morgenochtend naar den beurtman te brengen; ik mocht niet alleen gaan, en hij vond, dat zou voor u te.... te....”
»Zeg het maar uit zooals het is,” sprak de weduwe, »te smartelijk zijn! ja ik zou mij moeielijk goed kunnen houden Frits, al weet ik dat het voor uw best is,” en de goede vrouw keerde zich af en trachtte tersluiks hare tranen af te wisschen.
»Kom, moes! voor den dag maar met de waterlanders, als u dat goed doet,” sprak Frits, die opgestaan was, en haar hoofd naar zich toekeerde en tegen zijn schouder liet rusten. »Huil maar eens uit, beste lieve moeder! dan.... dan kan ik het ook doen. Gij begrijpt: morgen mag ik niet meer kinderachtig zijn; vandaag ben ik nog uw eigen kleine Frits, morgen ben ik een jongeling, die op zijne eigen beenen staan, op zijne eigen wieken drijven moet.”
»Neen, Frits! ik mag u het voorbeeld niet geven van eene zwakheid, die.... die.... eigenlijk ondankbaarheid is. Wij behoorden immers niets dan blijdschap te gevoelen over de ongehoopte wending in uw lot, die zulke grootsche uitzichten voor u opent.”
»Ongehoopt is wel het woord, moeder! want ik wenschte noch hoopte, iets anders dan hetgeen mij door den zwager van dominé Roestink was aangeboden. En ik was er zoo recht mee in mijn schik. Al in de volgende week beginnen met klerk te worden op zijn kantoor, maar twee maanden proef- en leertijd, eene kleine jaarlijksche toelage, grooter naarmate mijner goede diensten, ten laatste zijne bescherming en voorspraak als er een postje was te begeven, ik moet u zeggen dat het mij meer aanlachte dan dat »grootsche uitzicht” dat ze voor mij geopend hebben, zooals ze dat noemen; die lauwer die zoo heel in de verte ligt en die zoo hoog hangt! O, al mag ik dien bereiken, hier blijven bij u, bij de vrienden Verburg en spoedig, heel spoedig wat geld verdienen om uwe zorgen te verlichten, dát moeder, ja! ik erken het, dát was mijn liefste wensch, en dan.... [95]een beetje voor liefhebberij teekenen daartusschen, wat een lief rustig leventje zou dat zijn geweest; nu gij alleen hier, ik alleen ginds in die groote stad, onder al die vreemde menschen!... Ach moe, wat zullen die avonden alleen op mijne kamer akelig, stil en vervelend zijn, en als het mij dan invalt, hoe gezellig het hier kon wezen.”
»Wel, dan zit gij aan mij te schrijven en ik aan u, en zóó denken we toch aan elkaar en zijn elkaar nabij in den geest, en ziet gij, Frits! alleen, ja! alleen zullen wij zijn, ik mogelijk meer dan gij, want gij zult wel spoedig kameraden en kennissen hebben, maar toch al ware dat niet, verlaten zijn wij geen van beiden. Al voel ik mij eens wat zwak en neergebogen, verlaten heb ik mij nooit gevoeld, ik wist altijd waar ik troost en kracht zou zoeken en vond die ook. Frits, mijn lieveling, mijn eenige! beloof mij dit ééne, dat gij God niet zult verlaten, dan zal Hij altijd nabij u zijn, dan zult gij in voorspoed en bij de zegeningen, die ik voor u hoop, niet overmoedig, niet zorgeloos worden en niet troosteloos, noch zonder raad en hulp zijn in tegenspoed!”
»Ja, lieve moeder! Ik hoop God voor oogen te houden, dat hoop ik, want ik zal alle dagen aan u denken, en als ik aan u denk, dan zal ik ook niet vergeten wat wij samen gelezen, besproken, geleden hebben. Dan zal ik uwe tranen en uwe gebeden niet vergeten. Wees daar zeker van.”
»Ja, maar op die wijze gaat gij liefde voor uwe moeder verwarren met godsdienst, Frits! en dát mag niet.”
»En als dat dan mijn hulpmiddel is om te komen waar gij gekomen zijt, moederlief! is dat dan ook niet goed?”
»Kwaad kan het zeker niet, maar het is toch niet het rechte zooals gij later zelf eens zult inzien, hoop ik.”
»Wat is dan het rechte?” vroeg hij op een toon, waaruit meer losse nieuwsgierigheid sprak dan ernst.
»Dat zal God zelf u zeggen als gij Zijn woord maar raadpleegt met ernst en getrouwheid. Ik verzeker het u, Frits! omdat ik het bij ervaring weet, op iedere vraag van ons hart, van ons geweten, krijgt men dáár antwoord, en als men de aanwijzing volgt, heeft men vrede, al zou ook allerlei uiterlijke onrust ons bestormen.”
»Ik zál wel in mijn bijbeltje lezen, dat beloof ik u, hoor moe!” [96]zei Frits met zekeren nadruk, »maar ik heb aan dominé Willems niet mijn woord willen geven, zooals hij verlangde, dat ik er iederen dag gezet een kapittel uit lezen zou, toen hij mij dat kerkboek gaf.”
»Frits, lieve Frits! waarom hebt gij dat niet willen beloven?” vroeg zij bezorgd.
»Wees gerust, moeder! ’t is niet omdat ik geen eerbied heb voor »het boek dat de gewijde waarheid bevat,” zooals dominé Willems zegt, zelfs heb ik mij voorgenomen om te doen wat hij mij aanraadt. Heusch, moe! ik neem het mij voor, maar ik ben niet zeker dat ik het zal volhouden, vooral niet dat ik het nooit zal verzuimen; en ziet u, toen hij wilde dat ik hem daar mijn woord en hand op geven zou, met zooveel ernst en plechtigheid dat het haast een eed geleek, toen wilde, toen durfde ik dat niet op mij nemen, want een woordbreker wil ik niet worden en als ik het slechts in de sleur deed, dan was het nog erger want dan was ik een huichelaar en, luister moe! of ik het ooit zóó ver zal brengen in de kunst als de vrienden voorspellen, zal nog te bezien staan, maar dat ik oprecht en eerlijk zal blijven, dat kunt gij gerust van mij vertrouwen, want dat hangt niet af van talent of van geluk, maar van den goeden wil, en dien heb ik! Wat overigens het schilderen betreft, na alles wat dominé Willems mij heeft gezegd, moest het geprobeerd worden.”
»En welk een zegen dat gij er u op toeleggen kunt zonder dat wij daardoor in nieuwe zwarigheden geraken,” hernam zij opgeruimd, »want al had ik er mijn laatsten spaarpenning aan moeten geven, ik zou dien gewaagd hebben, maar wat zou dat helpen als men narekent hoeveel er jaarlijks noodig is om buiten de stad te leven en zooveel te leeren.”
»Neen, moeder! als ik het van uw spaarpenning had moeten doen, zou niemand mij er toe gekregen hebben om schilder te worden, al had ik er nog zoo’n zin in, en toch.... ik beken u, dat het mij genoeg hindert zooveel van anderen te moeten aannemen.”
»Zijt gij zóó hooghartig Frits? dat past niet in onzen toestand.”
»Niet uit hooghartigheid, maar ik zou zoo graag onafhankelijk zijn in de wereld als ik eens een man ben, en.... en zulke tegemoetkoming legt zware verplichtingen op. Neen, moe! zie mij [97]niet aan met zulk een afkeurenden blik. Ik hoop mij te kunnen kwijten en als zij gelijk hebben, als het gelukt, zijn wij allen geholpen en zullen zij hunne satisfactie hebben; ik zal er voor doen wat ik kan, ik zal werken als een ezel, neen niet als een ezel, dat zou in den domme zijn en dus wordt men mogelijk goed arbeider, maar zeker geen goed kunstenaar. Ik zal werken als een die weet wat zijne lieve moeder en zijne edelmoedige vrienden van hem wachten, en voor hem opofferen; ik zal werken, ook met de gedachte aan Dientje, die bitter pruilen zou als haar buurvrijer geen beroemd schilder werd, maar weet u wat ik mij toch heb voorgenomen?”
»Nog niet.”
»Als ik vijf jaren ouder ben en bemerk dat ik de ware roeping niet heb, dan is het nog niet te laat om wat anders te beginnen.”
»Hoe! gij zoudt dan door gebrek aan volharding ons allen teleurstellen?”
»Ik zou u allen teleurstelling besparen en op die wijze mijne weldoeners dienst doen. Zij hebben mij immers niet bestemd om een martelaar voor de kunst te worden, welnu dan! als ik zie dat de kroon mij te hoog hangt, zal ik er niet langer naar opspringen.”
»Gij zijt al te ongeduldig, te meenen dat gij op uw twintigste jaar al meester zoudt kunnen zijn in dat vak.”
»Neen, moeder! nu verstaat gij mij verkeerd, maar als ik op mijn twintigste zie, dat het meesterschap voor mij onbereikbaar is, dan.... dan.... gij en ik, lieve moeder! hebben leergeld betaald om van het onbereikbare af te zien.”
»Kind! kind! veroordeel uw ongelukkigen vader niet in zijn graf.”
»Ik veroordeel niet, moeder! Ik heb geleerd, en de wijze waarop was te smartelijk om niet levenslang indruk te maken, en nu wij toch hiervan spreken.... die papieren van vader zijn immers niet verloren geraakt?”
»Gij weet wel dat de lieden er eene soort van wreedaardig pleizier in vonden ze mij allen stuk voor stuk terug te brengen.”
»Ik meen niet alleen die van dien rampzaligen dag, maar alle anderen.” [98]
»Ze zijn allen zorgvuldig bewaard. Ik wist hoe hij er aan hechtte, kon ik ze wegdoen al strekken zij mij ook tot de smartelijkste herinnering?”
»Wilt gij ze mij afstaan, moeder?”
»Als gij meerderjarig zult zijn, ja, Frits! dan krijgt gij ze.”
»Waarom tot zoolang te wachten, heeft mijn voogd ze onder zijne berusting?”
»Och, neen! ik bewaar ze zelve.”
»Heeft de heer Verburg ze ingezien?”
»Waartoe? Hij was ongelukkig juist een van diegenen, die niet het minste geloof sloegen aan de plannen van uw vader. Hij verklaarde ze eens vooral voor hersenschimmen en had geen geduld om te luisteren tot ze hem werden uiteengezet. Hij heeft er nooit van willen hooren iets met hem te ondernemen; zelfs voor de zaak waaraan dominé Willems nog geloof sloeg en zijne deelneming gaf, was hij niet te winnen, hoewel hij als mensch van uw vader hield en dat ook wel heeft getoond.”
»Dus.... als we een jaar of vijf verder zijn, krijg ik dan toch die nalatenschap van vader in mijn bezit?” hervatte Frits, die een oogenblik in eigen gedachten was verzonken gebleven.
»Treurige nalatenschap en gevaarlijke ook naar het zeggen van wijze en practische menschen,” hernam de weduwe met een zucht. »Verburg raadde mij ze te verbranden, om u tegen de verzoeking te veiligen, ze ooit in te zien.”
»Och!.... daarin zou toch voor mij geen gevaar liggen,” hernam Frits met een pijnlijk glimlachje; »ik heb er genoeg van gehoord, om.... om.... er geene luchtkasteelen op te bouwen.”
»Zoo komt het mij ook voor: wat wilt gij er dan mee doen, mijn kind?”
»Ze met eerbied en liefde bewaren als een grooten schat, want vader kon soms zoo met nadruk zeggen in zijne heldere oogenblikken: »Frits, mijn jongen! zie niet laag neer op mijne erfenis, al zijn het maar berekeningen op papier, zooals de menschen spotten, mijn geest is daarin neergelegd,” en ziet u, moeder, dat voel ik zóó, dat er iets van vader in zit.”
»Nu, datzelfde gevoel ik ook, Frits! en daarom....”
»Daarom kunt gij ze mij nog niet afstaan, dat begrijp ik moeder!” [99]
»Maar ik kan u toch reeds eene gedachtenis van hem geven,” sprak zij meer opgeruimd, opende een marokijnen foudraaltje, dat naast haar op tafel stond, en gaf het hem.
»Hoe, moeder, moeder! een goud horloge voor mij, dat.... dat is te veel, ik kan het immers met mijn zilveren wel doen.”
»Ja, maar dit moet gij er bij hebben, als aandenken van mij en van uw vader beiden; hij droeg het nooit, maar hij placht het te gebruiken om zijne uurwerken naar te regelen in zijn besten tijd, toen hij nog pleizier had in zijn vak. Het is een Engelsch werk, eene repetitie, en ’t gaat altijd accuraat. Uw vader heeft het in den Franschen tijd gekocht van een Engelsch officier, die krijgsgevangen was op zijn woord van eer en in groote geldverlegenheid verkeerde. Uw vader was toen nog een bemiddeld man, hij betaalde de volle waarde, misschien iets daarboven, want het lot van dien vreemdeling ging hem ter harte; daar werd zelfs eene conditie tusschen hen gemaakt, dat hij het zou mogen terugnemen als zijne omstandigheden veranderden. Uw vader deed de belofte het niet te verkoopen, opdat het altijd ter zijner beschikking zou blijven; daarom kon ik ook niet besluiten het aan Busch over te doen met de andere winkelgoederen. Wel zijn er nu al tien of twaalf jaar verloopen, en de Engelschman, die, toen hij uitgewisseld werd beloofde binnen het jaar met goede intrest het horloge terug te nemen, is nóg niet weergekeerd; dus de man is dood of heeft er van afgezien, zoo geef ik het u, maar onder voorwaarde, dat gij er u nooit van zult ontdoen.”
»Van zulk een aandenken! van dezen schat! Neen, moe, nooit al had ik broodsgebrek!”
»Pas op de zakkenrollers in de groote stad!” sprak zij half lachend, half in ernst; »draag het altijd aan dit kettingje van mijn haar, dat ik in stilte voor u heb laten maken.”
»O, moederlief! moe, dat is te veel!” riep Frits met een kleur van blijdschap en tranen in de oogen, »dat is me nog meer dierbaar dan het horloge zelf, ik zou liever sterven dan er ooit van te scheiden.”
»Blijf leven om uwe moeder gelukkig te maken,” sprak de weduwe, haar eenige in de armen sluitende en hem hartelijk kussende.
»En nu Frits, ik heb nog enkele kleinigheden voor u in te [100]pakken, mij dunkt wij moesten het horloge maar mee in den koffer doen, men kan niet weten op reis...”
»Dat’s goed, moeder! als u nog iets te beredderen heeft, ga ik intusschen even naar dominé Roestink, die mij recommandatiebrieven beloofde aan een paar vrienden van hem te Amsterdam.”
»Dat is goed, ga die halen! maar.... Frits, blijf je niet te lang weg?”
»Zeker niet, moe!’t is maar op een drafje heen en weer!”
Des anderen daags bracht de heer Verburg Frits zelf naar den beurtman, het eenige communicatiemiddel tusschen E. en de hoofdstad; maar dat geregeld om den anderen dag plaats vond.
Dientje had eerst gedwongen om mee te gaan, maar daar men haar onder het oog bracht, dat Frits haar niet moest zien schreien, om zelf niet van zijn streek te raken, berustte zij en vergenoegde zich met naar juffrouw Rosemeijer te gaan en deze op hare wijze te troosten.
Goed dat die beiden niet tegenwoordig waren bij de afreis. Frits hield zich kloek genoeg, dat is waar; maar bij ’t afvaren van een veerman zijn er altijd kaailoopers en rondslenterende straatjongens op de been, die niets te doen hebben dan met de handen in den zak te staan kijken naar de faits et gestes van de afreizenden, en die daarbij gewoonlijk de vrijheid nemen hunne critiek te maken over hetgeen zij zien, op luiden vrijpostigen toon, meestal met aardigheden van zeer twijfelachtig gehalte doorspekt.
Ook ditmaal ontbraken zij niet, en nauwelijks zagen zij den heer Verburg met Frits aankomen, of er ontstond zeker gelach en geginnegap onder dat troepje; de onbeschaamdsten drongen vooruit en wilden fooitjes verdienen door valies en koffer aan boord te helpen brengen, en toen de heer Verburg hen wat korzel afwees, met de verzekering, dat hij zijn eigen kruier had, trokken zij schreeuwend en scheldend terug, hunne achtergebleven makkers toeroepend: »Hei! Frits Millioen gaat weg, Frits Millioen gaat weg!”
De heer Verburg trok zijn beschermeling maar schielijk mee, opdat deze het minst mogelijke hooren zou van dat schimpen.
Aan boord stijgend en overstelpt door duizenderlei aandoeningen, [101]die hij moest beheerschen, had de zoon van den beklagenswaardigen Herman ternauwernood die klanken verstaan.
Met tranen in de oogen, die hij zijn best deed te weerhouden, bleef hij tegen het zijboord van den achtersteven leunen, om zijn vriend en in dezen alles wat hij liefhad nog eens den laatsten groet toe te wuiven, toen het schip in beweging raakte....
Op eens hoorde hij een schelle kwajongensstem den schipper toeroepen:
»Opgepast, kapiteintje! mooie lading, kapiteintje, je hebt het Millioentje aan boord!”
En dat: Millioentje! Millioentje! werd als door schorre echo’s nagebouwd, totdat het vaartuig uit de enge haven in ruimer vaarwater was overgegaan.
Toen droogden op eens de tranen, die Frits met alle zelfbeheersching tevergeefs had weerhouden, toen gloeiden zijne oogen van hartstochtelijken toorn, toen kleurden zijne wangen zich hoog rood, en met lippen van drift sidderende, sprak hij halfluid:
»Schimpt maar! schimpt maar, laaghartigen! ik zal dien spot nog wel eens te schande maken, klaarder dan ooit zie ik het nù in, hier blijven kon ik niet,” eindigde hij kalmer, en geheel bevredigd met de lotswisseling, die hem te voren zoo zwaar had gewogen.
Einde van het eerste stuk.
[102]Wij zijn in de lente van het jaar 1831. Acht jaren zijn er verloopen sedert dien lentemorgen toen onze held zijne geboortestad verliet. Veel is er veranderd in dat stadje in dien tijd, en de groote gebeurtenissen, die Europa schokten, die het koninkrijk der Vereenigde Nederlanden verdeelden en beroerden, waren ook niet zonder terugwerking gebleven op de Noord-Hollandsche provinciestand. En zelfs al had deze zich kunnen onthouden de beweging van den tijd mede te maken, aan de drukkende lasten van de tijdsomstandigheden zou zij niet ontkomen. Ook haar handel en scheepvaart waren belemmerd, zoo niet geheel gefnuikt door den Belgischen opstand, en diens verderfelijk gevolg: een toestand aarzelend tusschen oorlog en vrede, waarbij alles onzeker, alles onveilig was; ook hare burgerzonen waren vrijwillig of gedwongen met de mobielverklaarde schutters naar de grenzen getrokken, om er onbewegelijk te blijven met het geweer in den arm, en zich door de »blauwkielen” (de geijkte term) te laten uittarten, zonder hunne revanche te mogen nemen. Alle nering en bedrijf leed er door, eerder nog in de kleine stad dan in eene groote, waar meer gemist kan worden zonder dat men het merkt. Maar onder alles wat er veranderd was, scheen de voorspelling van Frits, dat Dientje Verburg niet jong zou trouwen, zich te vervullen, want zij is haar twee-en-twintigste jaar ingetreden, en zij is nog niets anders dan: de dochter haars vaders, hoewel zij nu niet meer slechtweg Dientje wordt genoemd, maar juffrouw Claudine of juffrouw Verburg. Na den dood der goede »tante-juffrouw” heeft zij het toezicht over haars [103]vaders huishouding op zich genomen, geen overzware taak voorwaar, daar zij alles kan schikken zooals zij zelve wil, en oude getrouwe dienstboden heeft, die sinds jaren aan »het huis” gewend zijn, en niets liever verlangen dan er te blijven. Tijd voor muziek en lectuur, voor uitspanning en liefhebberijtjes heeft de jonge dame dus in overvloed. In het huisvertrek, waar wij haar nu aantreffen, staat een prachtige piano, ziet men eene elegante boekenkast met keurig ingebonden boeken; op een Japansch verlakt boekenrek liggen de werken van smaak, de lectuur van den dag, stichtelijke en profane, in eenigszins bonte mengeling door elkander, een bloemenmand is reeds met geurende hyacinten en kleurige tulpen gevuld. Haar sierlijk werktafeltje, een spiegelkastje met een aantal kostbare nietigheden, en alle overige meubels getuigen van de weelde en den goeden smaak, die in het huis van den rijken koopman schijnen te heerschen.
Het jeugdige huismoedertje zit voor de eettafel in het midden der kamer. Vóór haar staat een sierlijk ingelegd schenkblad met een porseleinen koffieservies, en zij is bezig dien verkwikkenden drank te bereiden, die al liefelijk geurt uit een nieuwerwetsche zilveren koffiekan. Het zoogenaamd twaalfuurtje staat klaar op het opengeslagen buffet, en al is het gebruik van een Engelsch luncheon nog niet ingevoerd, het spreekt van eene onbekrompen leefwijze. De overvloed en de verscheidenheid der gereedstaande délicatesses geven intusschen recht tot het vermoeden, dat het tweede dejeuner niet door vader en dochter en tête à tête zal gebruikt worden.
Claudine is ook niet in haar dagelijksch huisgewaad. Zij ziet er allerliefst uit in haar grijs zijden kleedje, corsage à la Sévigné, met guimpe en tulle appliqué, waardoor de blanke hals en schouders te bespieden zijn, met wijde wat opgepofte mouwen, een ceintuur à la van Speijk, zwart en rood met een gouden gesp; een coquet, zwart zijden voorschootje kenschetst haar als de dame van het huis. Het hooge inderdaad niet gracieuse kapsel, met een vervaarlijke schildpadden kam en drie zware doffen, door de mode van het oogenblik voorgeschreven, was niet hij machte hare schoonheid te verduisteren, en dàt zegt veel.
Zij was niet meer het aardige blonde krulkopje van voorheen, maar de donkerblauwe oogen zijn even liefelijk en meer sprekend. [104]Haar tint is even blank al is haar blosje fijner; maar de bolronde wangen van het kind zijn veranderd in een zacht ovaal met schrandere trekken, nu en dan door een tintje van zachte melancholie omneveld. In één woord, het snoepig lachebekje is gerijpt tot eene belangwekkende jonkvrouw, die reeds niet meer vreemd is aan den strijd des levens. Hare gestalte is rijzig, hare houding los en bevallig. Zij heeft den toon en de manieren van eene jonge dame, die een jaar of drie op eene Brusselsche kostschool is geweest om hare opvoeding te voltooien.
Het had den heer Verburg veel gekost, zich zoolang van zijne dochter te scheiden; maar tante had het toch doorgedreven. Op die gebrekkige Fransche school te E. leerde Dientje alles ten halve; zij moest daarbij aan het kleinsteedsche leven worden ontwend, zij moest bovenal worden ontwend aan de afgodeering, waarvan zij in het huis haars vaders het voorwerp was.
Tante zelve had wel mee gedaan, maar zij begreep toch dat het niet wèl en wijs gedaan was, en dat het bedorven kindje gevaar liep eene luimige en heerschzuchtige vrouw te worden, zoo een jaar of drie van goede tucht en samenleven met anderen in het jonge meisje niet bijtijds de gevolgen harer alleenheerschappij te keer ging. Tante had daarbij nog ééne overwegende reden, maar die zij voor zich zelve hield om Verburg niet tegen het geheele plan in te nemen, en dominé Willems niet te kwetsen. Zij vond het godsdienstig onderwijs van den laatste wat lauw en flauw; zij had gehoord van de dame, die haar de Brusselsche kostschool had aangeprezen, dat een Waalsch predikant van uitnemende gaven en vol Christelijken ijver zich daar ten dienste had gesteld voor de godsdienstige leiding der pensionaires.
Met haar veertiende jaar werd Dientje dus aan de herderzorge van dominé Willems ontrukt en naar den vreemde overgeplaatst. Dat was wel eene teleurstelling voor den goeden man, die veel van het lieve kind hield, en zich met recht had gevleid haar te zullen aannemen; maar hij was te zeer een man des vredes om boos te worden, en te veel vriend der beschaving om niet te begrijpen, dat men eene eenige dochter, een meisje van Dientjes fortuin en vooruitzichten eene »geacheveerde opvoeding” wilde geven. Dientje zelve, al kostte het haar tranen, al wilde zij zich noode van vader en tante scheiden, vond toch dat het in E. [105]na het vertrek van Frits niet langer zoo pleizierig was, en eens iets van de groote stad, van het mooie België te zien, was voor haar een verlokkend vooruitzicht, zoodat zij zelve de eerste was geweest om tantes plan toe te juichen.
De uitkomst beschaamde de goede bedoeling niet. Claudine sprak vlug en zuiver Fransch toen zij terugkwam, maar zij was toch geen verfranscht nufje. Integendeel, zij, die gedreigd had een willekeurig, capricieus, zelfzuchtig tirannetje te worden voor hare omgeving, had geleerd zich naar anderen te schikken, wist zich te beheerschen en te verloochenen, had aanvankelijk iets van den ernst des levens weten te vatten, en waar zij vroeger uit natuurlijke goedhartigheid, lief en vriendelijk was bij vlagen, toonde zij zich nu gelijkmoedig, toegevend, meewarig uit besef van plicht.
En Frits?
Toen Frits haar als eene achttienjarige jonge dame weerzag, vond hij haar wel veranderd, maar niet voor hem. Integendeel, de kinderlijke genegenheid was tot eene innige liefde gerijpt. Hij had vrijheid gevonden zijn hart te laten spreken, daar zijn talent toen reeds vruchten droeg, die een schoonen oogst schenen te waarborgen. Zijn eerste schilderijtje was bekroond en verkocht, bestellingen waren hem gedaan, zijn naam werd in de dagbladen vermeld als die van een veelbelovenden kunstenaar. Dominé Willems was ontslapen in de zoete voldoening dat hij der Nederlandsche kunst een belangrijken dienst had bewezen met zulk een talent aan hare beoefening te wijden. De heer Verburg had met het koor der blijde toejuiching ingestemd, en had het jonge paartje verrast met de verhooring hunner wenschen, eer zij zelven er voor hadden durven uitkomen. Zij waren geëngageerd; nog wel niet publiek, maar hun geheim is in het kleine stadje le secret de la comédie, al had de heer Verburg beslist, dat hunne verloving niet openlijk als eene uitgemaakte zaak zou beschouwd worden, voordat het huwelijk kon bepaald worden; en hun tijd van trouwen was nog niet dáár.
Dat »geheim engagement” duurt echter de menschen wel wat lang. De ongeduldigsten vinden goed er Claudine zoo van tijd tot tijd eens mee te plagen. De intiemsten vooral hebben zoo’n haast, dat zij haar wel eens ronduit vragen: »wanneer ze nu eindelijk de bruid wordt?” [106]
Op dat alles antwoordt het meisje altijd zachtmoedig, maar met zekere vastheid: »dat zij voor zich nog niets geen haast heeft; iedereen weet het immers, zij is zoo gelukkig in haars vaders huis, zij kon nog niet besluiten hem alleen te laten!” Zij kon nog niet besluiten! Edelmoedige verloochening van het liefhebbend vrouwenhart. Zij nam de schuld op zich, en het was Frits, helaas! het was Frits zelf die van het eene jaar tot het andere de gewenschte ontknooping van zijn liefdesroman verschoof. Claudine begreep wel dat hij daarvoor zijne goede redenen moest hebben, zij twijfelde niet aan zijne trouw, maar toch de uitgestelde hoop krenkt het harte, en het hare leed onder die herhaalde teleurstelling, al was zij te fier om dat leed te klagen, te kloek om die wonde aan onbescheiden blikken bloot te geven. Ziedaar wat hare frissche blosjes reeds had doen verbleeken, ziedaar waarom haar nog jeugdig gelaat soms eene uitdrukking had van zachte zwaarmoedigheid, en waarom hare donkerblauwe oogen reeds iets verloren hadden van hun vroolijken glans. Haar vader was de laatste om iets van dit stille leed te begrijpen, dat zorgvuldig voor hem werd ontveinsd. Bij hem althans kon zij het voorwendsel niet laten gelden, waarmee zij de onbescheidenheid van vreemden terugwees. Zij wist hoezeer hij bereid was tot iedere schikking, tot ieder offer om het geluk van zijn kind te verzekeren, zonder eene scheiding noodig te maken. Meermalen had hij haar te kennen gegeven, dat hij zijne zaken aan kant zoude doen als zij trouwde om zijn verblijf te kunnen nemen in de plaats waar zij heentrok. Want dat Frits zich niet te E. zou vestigen, zelfs al had zijne moeder nog geleefd, dat sprak wel vanzelf. Maar Frits, wel verre van zich omtrent dit punt uit te spreken en den heer Verburg gelegenheid te geven om zich langzamerhand op zulke verandering voor te bereiden, roerde de question brûlante zelfs niet aan in zijne brieven, die over alles handelden, behalve over ’t geen Claudine recht had gehad er in te vinden, en die.... daarenboven hoe langer hoe zeldzamer werden. Weken aaneen waren er soms verloopen zonder dat zij iets van hem hoorde,—nu waren het reeds maanden waarin zij niets van hem vernam, dan van tijd tot tijd een kort bericht van vele drukten en bezwaren die het hem onmogelijk maakten haar uitvoerig te schrijven, maar die hij hoopte te overwinnen, en dan zou zij alles weten. »De schijn [107]getuigde tegen hem, maar zij moest niet aan den schijn hechten en aan hem blijven gelooven; eenmaal hoopte hij zich te kunnen rechtvaardigen!”
»Kwam hij maar liever zelf,” verzuchtte Claudine, wanneer zulke onbestemde mededeeling haar weer smartelijk had ontroerd, »met een enkel woord, met een blik, met een handdruk ware ik gerustgesteld omtrent zijn hart; als ik het slechts in zijn oog kon lezen, dat hij mij nog altijd liefheeft, zou ik al het andere werkelijk met dat geduld kunnen afwachten, waarvan ik voor de menschen den schijn aanneem. Maar hij komt nooit meer, nooit! ’t Is of hij een schrik heeft van zijne arme vaderstad! En toch: Amsterdam ligt zoo dicht bij, hij behoeft nu niet meer met den beurtman te gaan, iederen dag rijdt er immers een wagen! De menschen beginnen er erg in te krijgen, en ik ben zeker dat zij onder elkaar vertellen, dat Frits mij verwaarloost! Was daarmee nu ook maar onder hen het praatje over mijn engagement uit, dan was het nog niets, dan had ik rust totdat Frits eens in triomf hier komt om mijn bruigom te worden; maar nu, nu is ’t mij of hunne blikken van medelijden of van geheim leedvermaak mij met den dag duidelijker worden en meer onverdragelijk. Gelukkig nog dat vader zóó in de beslommeringen zijner zaken verdiept is, dat hij niets merkt, want als hij raden kon hoe dit alles mij hindert, zou hij gewis ongeduldig worden en knorrig tegen Frits, die zeker niet zóó handelen zou als hij anders kon! In stilte is vader zeker toch al ontevreden, want hij vraagt nooit meer of ik ook tijding heb, praat niet meer over onze toekomstige plannen en als ik van Frits spreek of iets zeg dat op onze vooruitzichten betrekking heeft, antwoordt hij niets, of met een glimlach en een onheilspellend schouderophalen! Dan moet ik mij nog groot houden en doen of ik geen de minste onrust of twijfel kende, en toch.... En toch....”
Wat moest zij er van denken? In het eerste jaar van hun engagement, was hij vrij geregeld om de drie weken gekomen, maar in het volgende slechts eenmaal, en wel ter gelegenheid van de ziekte en den dood zijner moeder! Toen had zij echter niet behoeven te vragen of hij haar nog liefhad, hoewel de treurige aanleiding zijner komst als vanzelve een somberen nevel had verspreid over hun samenzijn; zekere neerslachtigheid en iets gedwongens in zijne houding tegenover haar vader, liet zich ook [108]wel verklaren; denkelijk was de nalatenschap zijner moeder nog tegengevallen, hoe kleine verwachting men daarvan ook had. Maar daarna niet terug te keeren, het gansche jaar niet! Hoe had hij het op zich zelf kunnen verkrijgen, en waarom toch kwelde hij haar met dit afzijn? Was er eenige ernstige reden voor die onthouding, waarom achtte hij haar niet hoog genoeg of niet sterk genoeg om haar die mede te deelen. »Hij meent mij te sparen, en hij martelt mij slechts met die achterhoudendheid!” Met zulke sombere mijmeringen en pijnlijke zelfgesprekken bracht het bevallige, talentvolle meisje, de gevierde en benijde dochter van den rijken Verburg, menigmaal hare uren van eenzaamheid door; hoe betreurde zij het dan dat dominé Willems niet meer leefde, aan dezen had zij haar hart kunnen uitstorten, gewis zou deze haar getroost en bemoedigd hebben, en zeker zou hij van Frits ophelderingen gevraagd en verkregen hebben, die haar vader wel het recht had te vragen, maar zij zelve vreesde juist niets zoozeer dan dat deze van dat recht zou gebruik maken. Eens uit zijne goelijke lijdzaamheid opgewekt, zou hij heftig zijn en onbuigzaam tevens. Frits was prikkelbaar en licht gekwetst, eene verklaring tusschen die twee kon leiden tot strijd, tot verwijdering, tot eene onheelbare breuke en liever dan iets te doen om tusschen die twee geliefden eene vlamme des toorns aan te blazen, leed Claudine in stilte, leed zij alleen!
Dien ochtend had zij haar best gedaan om zooveel doenlijk buiten zich zelve te treden en al wat haar kwelde ter zijde te zetten om een vroolijk, althans een vriendelijk gelaat te kunnen toonen aan de gasten haars vaders, die met hem dejeuneeren zouden en mogelijk den dag bij hen moesten doorbrengen. Zij was er op voorbereid. Hare koffie geurde aanlokkelijk en het dienstmeisje dat de gekookte melk binnenbracht, kreeg order: »Mijnheer te waarschuwen.”
Reeds zat zij in wachtende houding, niet van de dingen, maar van de personen die komen zouden. Zij had geene vrouw moeten zijn, zoo er niet een weinigje nieuwsgierigheid onder geloopen had; zij behoefde maar eenige minuten geduld te oefenen, daar trad de heer Verburg binnen, zooals gewoonlijk met zijn pakket couranten en brieven onder den arm, maar alleen.
»Hé, vader! nog alleen? Zouden die vreemdelingen meenen dat we hier zóó laat komen koffie-drinken?” [109]
»Die heeren komen niet!” hernam hij kortaf, en als in eigen gedachten verdiept, zette hij zich werktuigelijk aan tafel en terstond een der nieuwsbladen ontvouwende, ging hij druk zitten lezen als trachtte hij verdere navraag af te weren.
Maar zóó ontkwam hij zijne dochter niet, die onaangenaam verrast en getroffen was door zijn ongewoon stug antwoord en de zichtbare ontstemming op zijn gelaat.
»Scheelt er wat aan, vaderlief?” vroeg zij vleiend.
»Welneen, wat zou er aan schelen? Ik heb met die lieden afgedaan, waarom zou ik ze langer gehouden en hier gebracht hebben?”
»Waarom? Wel, mij dunkt omdat u mij nadrukkelijk gezegd heeft, dat ze voor heden geïnviteerd waren. Nu zitten we met ons tweeën voor een uitvoerig ontbijt, want die Oost-Indische heer, die u mij aangekondigd had en die ik maar terstond hier moest ontvangen, is ook niet gekomen!”
»Nu, zooveel te beter. Die heeft mij belet gevraagd voor morgen, en dan zal hij mij welkom zijn, en u ook, zoo ik hoop!”
»Zeker, vader! Maar eigenlijk vandaag was er nu alles voor klaar, ik heb pasteitjes, kievitseieren, ossetong, een extraatje in één woord, omdat ik weet dat men in het buitenland weelderiger leeft dan bij ons.”
»Wat zegt dat bagatel onkosten. Mij is het liever dat wij nu alleen blijven. Ik heb kwestie gehad met die Duitsche zaakgelastigden en daarom heb ik ze zoo gauw mogelijk afgescheept, ziedaar de geheele zaak.”
Claudine drong niet verder. Als haar vader, doorgaans zoo goed en inschikkelijk, zoo boos was geworden, dat hij zijne gewoonte van gulle gastvrijheid had verzaakt, dan moest hij daarvoor ernstige redenen hebben, en zijne ontstemming was haar nu verklaard. Zwijgend schonk zij hem zijne koffie, die hij dronk zonder van zijne krant op te zien, zette hem een pasteitje voor dat hij binnen liet glijden, zonder consciëntie van hetgeen hij at; een broodje met ossetong onderging een gelijk lot, en hij kreeg eerst bewustheid van deze verrichtingen toen zij hem noodigde meer te gebruiken.
»Dankje, Claudine!”
»Een enkel gebakje dan?”
»Neen, kind! neen!” antwoordde hij op den toon van iemand, [110]die niet gestoord wil zijn, »je hebt me al meer laten eten dan noodig is,” en weer werd de blik op de courant gericht, die heden al bijzonder veel aantrekkelijks scheen te hebben.
Claudine verkropte hare spijt en oefende nog weer geduld; maar ziende dat hij het eene nieuwsblad na het andere opnam, inzag en wegwierp met telkens verhoogde ergernis of bekommering, kon zij dat gespannen zwijgen niet langer dragen en vroeg met bezorgdheid: »Staat het zóó slecht met de zaken van ’t land, vader?”
»Zoo slecht als het maar kan,” antwoordde hij, het ongelukkige blad in de handen verfrommelend, »ze foppen ons daar in Engeland, dat is blijkbaar; eerst moest dat lieve België aan ons goede oud-Neerland worden vastgehecht! Daar hebben wij al het profijt van gesmaakt, God betere het! Nu, daar die woelgeesten er het hunne van hebben, willen ze weer anders, en die edelmoedige groote mogendheden stellen hen weer in ’t gelijk. Holland moet zich nu maar schikken en met alles tevreden zijn; naar recht of tractaten wordt niet gevraagd, als zij hun zin maar krijgen; onze Koning heeft gelijk dat hij zich zóó niet laat ringelooren en dat hij volhoudt, maar ’t zal ons wat kosten, dat zal het! En dan die verweerde Prins van Oranje die met het muiterrot heult.”
»Vader!” riep Claudine met zekere ergernis. In hare schooljaren had zij sympathie opgevat voor België en de Belgen, had er ook menigmaal klachten en uitingen van den volksgeest opgevangen die haar rechtmatig voorkwamen, en die haar bewogen om minder hard te zijn in de beoordeeling van den Belgischen opstand dan haar vader en de meeste harer landgenooten op dat tijdstip.
»’t Zou wat fraais zijn, als gij die ondankbare rustverstoorders gingt voorspreken, die ons land in ’t ongeluk storten,” knorde Verburg. »Ik heb er haast berouw van dat ik je dáár naar die kostschool heb gestuurd, ze hebben er je wel niet Roomsch gemaakt, zooals dominé Willems vreesde; maar daar is je toch wat in ’t hoofd gezet dat niet in een Hollandsch meisje past. Die liberteit, die liberteit! Dat is daar schering en inslag. Nu dan, onze Prins die op niets dan onze rechten en belangen behoorde te letten, zong dat liedje van de liberteit met hen mede; of het is geweest om hen te paaien of ons af te vallen, is nog wel niet zeker, maar er is toch iets dubbelzinnigs in zijne houding [111]dat tot achterdocht gerechtigt. Hij schijnt nu toch weer moed gevat te hebben om hier terug te komen. Volgens het Journal de la Haye zou hij in den Haag zijn!”
»Nu! dat is dunkt mij een goed teeken.”
»Op de Beurs schijnen ze het daarvoor niet te houden. Onze effekten staan zóó laag alsof er een nationaal bankroet te wachten ware. Daar is geen vertrouwen meer voor niemand, de soliedste huizen springen bij de rij af, of het eene weddingschap ware; wat heden nog vaststaat, ligt morgen op den grond!”
»Maar, vader! als het er zoo mee gelegen is, dan kon er, dunkt mij, ook wel gevaar zijn voor u!”
»Ik, kind! ik.... ik heb vooreerst nog niets te vreezen, zou ik meenen; ik heb mij nooit aan onvoorzichtige speculaties gewaagd, ik heb nergens roekeloos mijn vertrouwen geschonken, mijne handelsartikelen zijn van algemeene bruikbaarheid en onmisbaar in oorlog als in vrede; maar toch.... voor u wil ik het niet ontveinzen, in tijden als deze is er voor een koopman altijd gevaar. Ik kan in den val van anderen worden meegesleept; dezen morgen weigerden die moffen een wissel op het huis Heerdt & Cº. te Amsterdam, onder pretext dat er kwade geruchten liepen van een ontzaggelijk verlies dat het in Antwerpen zou hebben geleden. Ik voor mij geloof er niets van, ik geloof dat zij er wel tegen kunnen, maar toch, Claudine! ziet gij, als het huis Heerdt & Cº. failleert, dan.... dan.... zie ik niet, hoe ik staande zou kunnen blijven.”
Eene rilling gleed Claudine door de leden, toch hield zij zich goed, zij uitte geen kreet van schrik, zij trachtte zelfs vastheid aan hare stem te geven toen zij sprak: »Nu begrijp ik wat u dus heeft ontstemd, vader! Het is maar goed zich uit te spreken; wees verzekerd, dat de tegenspoed mij niet ongewapend zal treffen. Ik geloof in God, en ik weet wie mij steunen zal onder rampen.”
»Het verheugt mij u dus sterk te zien, mijn kind! want....” Hij zweeg plotseling, kreeg tranen in de oogen en bleef haar aanzien met diepe ontroering.
»Waarom aarzelt gij voort te gaan, vader? Is er meer, is er anders?” vroeg zij dringend en met zekere heftigheid, »een ongeluk toch komt zelden alleen, vader! Spreek toch....”
»Er is nog geen ongeluk gebeurd,” hernam hij zich herstellende [112]en een rechtstreeksch antwoord ontduikend, »maar in den hachelijken toestand van ons land, van geheel Europa, is alles mogelijk. Ook het onwaarschijnlijkste,—men moet op iedere smart, op elke lotwisseling voorbereid zijn, dat bedoel ik.”
»Ik dacht, ik meende dat er iets was, dat mij persoonlijk dreigde.””
»Wel neen! maar is het dan al niet erg genoeg dat het land te gronde gaat! Het volk verdeeld, morrend tegen den Koning, zijne regeering wantrouwend! Het leger aan de grenzen, de bloem der jongelingschap, de kern der burgerij als schutters of vrijwilligers onder de wapenen, al de lasten van den oorlog, zonder één van de voordeelen.”
»De voordeelen van den oorlog! Zulk eene ijselijkheid!” sprak zij met een pijnlijk glimlachje.
»Ja toch, als het maar tot een strijd mag komen, dan is er nog uitkomst mogelijk, dan komt er althans verandering, beweging, leven. Nu is er stagnatie in alles en ’t is niet om in te denken waar het heen moet!”
»Dan hoop ik met u op oorlog, vader!” hernam zij, bevreemd over den vloed en de opgewondenheid zijner woorden; hij, anders zoo kalm en bedaard bij geldelijke verliezen.
»In afwachting van mogelijke rampspoeden, die niet zijn af te weren, zouden wij zuiniger kunnen leven, niet waar vader? Wij kunnen ons nog veel verminderen eer de wereld er iets van bemerkt. Ik voor mij ben wel een beetje verwend, maar toch niet zóó, vaderlief! of ik zal mij naar de eenvoudigste levenswijs kunnen schikken. Vreest gij misschien dat het mij te veel kosten zou?”
»Och wat zou dat beetje bezuinigen baten?” hernam Verburg hoofdschuddend. »Daarbij,” hernam hij met zekere forschheid: »Ik wil dat niet, ik wil niet dat mijne dochter, dat mijn eenig kind zich verminderen zal, neen nooit!”
Claudine zag hem verbaasd, zag hem angstig vragend aan; zij vatte niets van zijne bedoeling.
Op eens scheen hij besloten zich uit te spreken, want hij had eigenlijk meest gepraat, omdat hij den moed miste ronduit voor den dag te komen met hetgeen hij zeggen wilde; ook nu nam hij een omweg en wel een die Claudines hoogste verbazing wekte. Hij schoof zijn stoel dichter bij, vlak tegenover den haren, en vroeg, haar opnieuw sterk aanziende: [113]
»Zeg mij, Claudine! hebt gij iets tegen den heer Veere?”
»Tegen dien Oost-Indischen heer, die van ochtend hier zou gekomen zijn; wel neen, vader! volstrekt niets; waarom vraagt gij dat?”
»Zoo zult gij hem morgen hoffelijk, vriendelijk ontvangen?”
»Kunt gij er aan twijfelen, iemand waar gij zaken mee hebt, zou ik zóó kinderachtig zijn, om die kleine teleurstelling van heden kwalijk te nemen....”
»Neen, neen! dat weet ik wel beter, gij zijt een lief, goed, verstandig meisje. Hoe vindt gij den heer Veere?”
»Om de waarheid te zeggen, ik heb er nooit aan gedacht hoe ik hem vind.... die Indische menschen gelijken, dunkt mij, allen zoo wat op elkaar; overigens is hij, geloof ik, nog een knap, kloek man voor zijn leeftijd.”
»Voor zijn leeftijd!” herhaalde Verburg, »hij is nog geen veertig, en hij heeft mooie donkere oogen, zwart krullend haar en... niet als de meeste Indiërs een platten, breeden neus of dikke lippen.”
»Gelukkig voor hem,” hernam Claudine, onwillekeurig glimlachend, »maar eigenlijk.... wat kan dat ons schelen?”
»Zooveel, Claudine! dat ik u niet van hem spreken zou, zoo hij er uitzag als een mummie of een Hottentot.”
»Gij wilt over hem spreken, omdat hij er naar uw gevoelen beter uitziet,” hernam Claudine, eenigszins van kleur veranderende en nu niet meer op haar luchthartigen toon; »ik begrijp niet waarom....”
»Omdat hij uwe hand heeft gevraagd, Claudine!” sprak de heer Verburg luid en heftig, terwijl hij het hoofd afwendde, als wilde hij den schrik en de afkeuring niet zien, die hij vreesde gaande te maken.
Dan.... zij werd alleen wat bleeker en hernam uiterlijk kalm: »Dat spijt mij voor hem, hoe is hem dát in ’t hoofd gekomen?”
»Het schijnt dat gij op dat dinertje hier aan huis nogal druk met hem gepraat hebt.”
»Waarom niet! Gij hadt hem naast mij gezet en ik moest de honneurs als gastvrouw waarnemen; hij had nogal discours, het zou lomp zijn geweest zoo ik mij niet een weinig met hem geoccupeerd had... maar dat is nog geen reden om....”
»Hij was er verrukt over, dat gij voor hem gemusiceerd hebt.”
»Voor hem! Als er gezelschap bij ons is en het mij gevraagd [114]wordt, maak ik immers altijd muziek; hoe kan die man zich dat aantrekken als eene persoonlijke gunst, er waren vijftien gasten!”
»Gij hebt op zijn verlangen zekere romance gezongen.”
»La négresse! O, ja! dat weet ik nog wel, maar....”
»Welnu! het een en het ander heeft hem zóó voor u ingenomen, dat hij er schatten voor over heeft om u tot vrouw te krijgen en... daar hij ouwerwetsch Oost-Indisch rijk is, heeft dat nogal zoo iets te beteekenen!”
»Dat is wel mogelijk, vader! maar gij hebt hem toch, hoop ik, gezegd, dat die begeerte onmogelijk kan vervuld worden,” hernam Claudine met vastheid.
»Neen, Claudine! dat heb ik hem niet gezegd, want ik geloof niet aan die onmogelijkheid.”
»Hoe, vader! gij zoudt hem aanmoedigen, dát, dat kan ik van u niet denken; het verwondert mij zelfs, dat de man de onvoorzichtigheid heeft begaan, dien wensch uit te spreken; al is hij hier vreemdeling, hij komt toch van tijd tot tijd onder de menschen, en die zijn te praatziek en te onbescheiden dan dat hij niet van mijn engagement zou gehoord hebben.”
»O, ja! de praatjes die er gaan, zijn hem wel ter oore gekomen, maar....”
»Dan pleit het niet voor zijn karakter, dat hij zich dies ondanks opdringt.”
»Integendeel, het doet zijn hart eer aan, dat hij zich daaraan niet stoort.”
»Dat hij zich niet aan praatjes stoort, ja! dat geef ik toe, maar u zult hem toch wel van de waarheid hebben ingelicht.”
»Dat zou ik gedaan hebben, Claudine! maar ik ben zelf niet goed op de hoogte van ’t geen hier eigenlijk de waarheid is.”
»Vader!”
»Claudine! zeg mij in volle oprechtheid hoe het staat tusschen u en Frits?”
»Tusschen mij en Frits, vader! dat weet gij immers, er is niets tusschen ons veranderd sinds ik hem mijn woord gaf; hoe komt die vraag bij u op?”
»Veins niet met mij, kind! kunt gij zeggen dat alles tusschen u en hem hetzelfde is gebleven, hij is immers in geen jaar hier geweest. Kan men dat nog een engagement noemen?”
»Waarom niet? ’t Is eene verbintenis des harten, die zooveel [115]uiterlijks niet noodig heeft; eene oprechte liefde kan lang teren op de herinnering, zelfs al kreeg zij geen ander voedsel.”
»Ja, maar ten laatste sterft zij den hongerdood, dat kan niet anders.”
»Dat zou ik niet denken, maar in elk geval: dát gevaar loopt de mijne nog niet. Gij weet wel beter, vader! Gij weet wel, dat Frits het zóó slecht niet met mij maakt,” hernam zij met eene poging tot glimlachen, die wel iets gedwongens had.
»Ik zie niet hoe hij het slechter zou kunnen maken! Met zijne brieven althans maakt hij het ook niet goed; hoelang is het wel geleden sinds hij u het laatst schreef?”
»Dat’s nog zoo heel lang niet geleden.”
»Jok er niet om, mij ten minste heugt de tijd niet, dat gij me een of ander uit zijne brieven hebt medegedeeld.”
»Omdat ik u wel eens knorrig of verdrietig meende te zien, als ik het gesprek op Frits wilde brengen, en ook omdat hij meest korte, vluchtige biljetjes schreef, in de hoop dat hij zelf zou kunnen komen of tijd zou vinden om uitvoerig te schrijven.”
»Vindt gij dat niet vreemd, dat hij den tijd daartoe zelfs niet heeft kunnen vinden?”
»Niet zoo heel vreemd; over dag heeft hij het zoo druk met schilderen en ’s avonds moet hij zich wel wat onder de menschen bewegen, dat schijnt noodig voor zijne reputatie; zoo ziet u...”
»Zoo zie ik, dat gij om den tuin geleid wordt, arm kind! Mijnheer Frits Rosemeijer heeft het zóó druk met schilderen, dat hij meest alle dagen de beurs bezoekt.”
»Vader! vader! geloof dat toch niet!”
»Ik weet het door mijn correspondent; de oude erfkwaal, de planmakerij, de speculatiezucht zit er nog in en komt weer boven. Hij denkt in troebel water te visschen en speculeert op de kwade tijden en de verlegenheid der menschen.”
»Men belastert hem!” hernam Claudine met vastheid, maar toch bleek als eene doode.
»Ik heb er zekerheid van!” hernam Verburg, die door wilde gaan met de pijnlijke kunstbewerking, nu hij eens moed had genomen om haar aan te vangen. »En hoe hij zijne avonden gebruikt weet ik niet, maar aan tijd om u te schrijven heeft het hem niet ontbroken, en het bewijs daarvoor is—dat hij u geschreven heeft!” [116]
Claudine was niet in staat eene vraag te doen. Strak en zwijgend staarde zij haar vader aan, die vervolgde:
»Ja, hij heeft geschreven, in alle uitvoerigheid zeker, want het is geen brief, het is een heel pakket, het gelijkt wel een boekdeel.”
»Hij schreef! en niet rechtstreeks aan mij, dat.... dat is zijne gewoonte niet!” stamelde Claudine.
»Hij zond het pakket aan mij, opdat ik het aan u overhandigen zou....”
»Dat beduidt niets goeds!” riep Claudine met stijgende onrust, terwijl zij haar best deed hare tranen te verkroppen.
»Ik geloof, dat uw voorgevoel u niet bedriegt, mijn kind!”
»Gij gelooft slechts, vader! Gij weet het dan niet zeker?”
»Van de vrijheid, die hij mij liet om het pakket te openen, heb ik geen gebruik gemaakt.”
»Zoo geef het mij, vader! ik.... ik heb haast mijn vonnis te lezen!”
»Uw vonnis! Arme misleide. Uw lot hangt niet meer aan zijne willekeur; de gewisheid dat gij uwe vrijheid herkregen hebt kan ik u geven vóórdat gij deze bladen doorleest, want, al zou hij ondanks al dat geschrijf u nóg tot zijne gade verlangen, ik, uw vader, verkies hem niet meer tot mijn schoonzoon!”
»Vader! vader!” snikte Claudine, »gij weet niet wat gij mij doet met dit te zeggen; dus ontneemt gij mij alle hoop,” vervolgde zij hartstochtelijk; »weet gij dan niet dat ik Frits liefheb met mijn gansche hart, nog altijd en ondanks alles!”
»Neen, inderdaad, dat niet, dat wachtte ik niet,” hernam hij in zekere verlegenheid. »Ik dacht, ik hoopte dat zijne onverschilligheid, zijne verwaarloozing, zijn onverschoonlijk verschuiven van ’t geen zijn vurigste wensch had moeten zijn, uw vertrouwen geschokt, uw hart gekrenkt zou hebben.... en uwe genegenheid verkoeld.”
»Neen, vader! ik ben niet voor hem veranderd, want ik heb altijd vertrouwen gehad op zijn hart en geloofd dat hij anders zou handelen, als de omstandigheden het hem veroorloofden. Daarom kon ik kalm en rustig zijn onder alles.”
»Ik heb mij dan wel zeer in die berusting bedrogen. Mij scheen zij voort te komen uit het gevolg dat zijne handelwijze op iedere andere zou hebben uitgewerkt; het uitslijten eener genegenheid, [117]die zoo weinig beantwoord werd; ik begreep wel, dat gij nog niet geheel los zoudt zijn van den ouden band, maar ik hield het er toch voor, dat het verbreken daarvan u slechts een lichten schok, geen al te ondragelijke pijn zou veroorzaken.”
»Het is mij dan wel goed gelukt mijn leed voor u te ontveinzen!” hernam zij met een smartelijken glimlach, »dat gij u zóó zeer in mij hebt vergist. Neen! zeker neen!” ging zij voort met hartstochtelijkheid, »niet uit onverschilligheid voor hem, maar uit die liefde, die alle dingen tracht te bedekken, toonde ik mij kalm en blijmoedig, al bloedde mij ook het harte, niet omdat in mijn gevoel de band losser was geworden, maar omdat ik niet wilde dat die hem knellen zou, nam ik den schijn aan of die zoo rekbaar ware, dat hij tot het uiterste kon worden uitgespannen, zonder breken.”
»Kind! kind! moest gij veinzen tegen uw vader, moest gij niet het eerst uw geheim leed hebben geklaagd aan mij!”
»Waarom u in mijn lijden te doen deelen; ik hoopte nog altijd dat gij, in uwe zaken verdiept, geen oog zoudt hebben voor mijn hartsgeheim, dat de weken, de maanden zouden voorbijgaan zonder door u geteld te worden, dat gij zelfs ieder jaar winst zoudt achten, dat uwe dochter nog bij u bleef.”
»In dat laatste hebt gij gelijk; maar, weet gij dan niet wat er is voorgevallen na den dood zijner moeder.”
»Ik weet, dat haar innigste wensch is geweest ons huwelijk voltrokken te zien.... op haar sterfbed heeft zij nog onze handen in elkaar gelegd, en hem toen smeekend aangezien, als met zwijgende bede.”
»Juist! en de edele vrouw heeft al gedaan wat in hare macht stond om hem het vervullen van dien wensch mogelijk te maken. Door hare vlijt, hare spaarzaamheid en de ontberingen, die zij zich getroost heeft, is het haar gelukt een aardig spaarpenningje na te laten.”
»Ik.... ik meende juist dat hare nalatenschap was tegengevallen,” hernam Claudine, wat getroffen, »ik vreesde dat zij met schulden was bezwaard.”
»Integendeel, er was geen schuld, alles was orde en klaarheid in hare zaken, en na den verkoop van haar inboedel en modewinkel, bleef er met hetgeen zij ter zijde had gelegd, een mooi sommetje voor Frits over. Om mijn woord aan zijne moeder [118]te houden en tegelijk uw geluk te verzekeren, deed ik hem het voorstel dat geld in mijne zaken te nemen en vruchtbaar te maken, hem daarbij de jaarlijksche rente van uw moederlijk vermogen uit te keeren, hetgeen te zamen voor een jong huishouden een vrij goed inkomen zou hebben daargesteld, onafhankelijk van hetgeen hij met zijne kunst daarbij had kunnen verdienen. Welnu! hij weigerde; hij gaf voor de erfenis zijner moeder tot een ander einde te moeten besteden, en daar hij meerderjarig was, kon ik er niets tegen doen en moest hem alles ter hand stellen. Daar ik wel zag dat die weigering hem zelf veel kostte, deed ik een ander voorstel, waarbij alle opofferingen alleen aan mijne zijde waren; ik zou uit mijne zaken treden, en wij zouden te zamen één huisgezin uitmaken, dat zich vestigen zou waar hij verlangde. En zie! hij weigerde ook dit! Hij moest zijne onafhankelijkheid bewaren, gaf hij voor! Noemt gij dát liefde? Noemt gij dát uwe teedere genegenheid beantwoorden? Noemt gij dát ons vertrouwen verdienen en mij dankbaarheid bewijzen? Hij, die er altijd den mond vol van had, dat hij u zou vergelden wat ik voor hem en zijne moeder ben geweest! Hoe! was het niet veel, was het niet te veel bijkans, dat ik, hem, den jonkman die geene vooruitzichten had dan zijn talent, dat ik den zoon van den uitgejouwden krankzinnige, dat ik hem, die nóg in de wandeling als Frits Millioen met vingers wordt nagewezen, dat ik aan dezen mijne dochter, mijn eenig kind toezeide, en hem zelf de middelen als in de hand gaf, om met haar vereenigd te worden,—en hij weigert! Hij weet welke teleurstelling hij zijne verloofde bereidde, en toch, hij treedt terug waar ik hem voorkom; hij laat een vol jaar voorbijgaan zonder zelf het uitzicht te openen op een huwelijk, hoe dan ook in de verte, en in dat jaar doet hij niets, volstrekt niets om u van zijne trouw te verzekeren en de hoop in u levendig te houden, door u van tijd tot tijd te komen zien en van zijne vorderingen, van zijne uitzichten te spreken; in dat jaar heeft hij geen enkele maal behoefte u weer te zien, noch voldoet aan uw stillen, al is het dan niet uitgesproken wensch! zelfs zijne brieven bepalen zich bij korte mededeelingen en verontschuldigingen, die niet dan ijdele voorwendsels zijn. Wat moet een vader van dat alles denken, wat moet hij doen, meent gij? Zoo ik u had zien treuren en kwijnen, zeer zeker had ik geen [119]jaar gewacht om aan deze marteling een kort al ware ’t ook een geweldig einde te maken.”
»Juist daarom verborg ik u zooveel het in mijne macht was, wat in mij omging. Ik vreesde niets zoozeer als u tot toorn te verwekken tegen Frits, u en hem heftig, vijandelijk tegen elkander te zien overstaan en u eene overijlde beslissing te zien nemen, die alle hoop op herstel en hereeniging te loor deed gaan.”
»Gij hebt inderdaad dit doel bereikt. Toen ik u kalm en gelaten zag, opgeruimd en tevreden in mijn huis en in uw kleinen kring, oordeelde ik, dat er nog geen gevaar bij was, dat er geene haast was bij eene beslissing, en dat ik geduld kon oefenen tot de band zich vanzelf ontsnoerde; hadt gij mij laten doorzien met welk eene onverzettelijkheid gij u daaraan vastklemdet....”
»Als Frits mij niet opgeeft, kan ik hem niet opgeven, dat is zeker, vader!” viel Claudine in, het oog op het pakket gevestigd, dat Verburg haar op den schoot had geworpen, en reeds greep zij er naar alsof zij te kennen wilde geven, dat zij nu boven alles verlangde te weten, wat Frits haar zelf te zeggen had.
»Maar hij heeft u reeds opgegeven, arme bedrogene! En ik heb het hem gedaan!”
»Waarom toch?” vroeg zij heftig.
»Omdat ik u niet het lot bereiden wilde, dat zijne moeder heeft gedragen; omdat ik uwe toekomst niet in handen wilde geven van een onbezonnen speculant.”
»Vader! waarom gelooft gij anderen, die hem belasteren; waarom niet gewacht tot hij zelf kon spreken.”
»Juist omdat hij zelf gesproken heeft, juist omdat niet anderen hem belasterd, maar hij zich zelf getoond heeft, was het mij noodig een kort en goed besluit te nemen. Verbeeld u, Claudine! in de vorige week vroeg hij mij kort en goed vijftig duizend guldens ter leen, om eene zaak door te zetten, die zooals hij voorgaf, drie dubbele winst moest opleveren!”
Claudine zuchtte en schudde droevig zwijgend het hoofd bij deze mededeeling.
»Gij begrijpt welk een antwoord ik gaf!” ging Verburg voort, nog geërgerd bij het herdenken van een verzoek, dat in zijne oogen erger was dan een onzinnige eisch, dat hem het bewijs leverde van de maatschappelijke onbruikbaarheid des schilders. »Het is gansch geen tijd voor een koopman om zulk eene som [120]uit zijne zaken te nemen, en het zou mij op dit oogenblik minder schikken dan ooit; maar al had ik dat geld renteloos in mijne secretaire liggen, nog zou ik er hem de helft niet van vertrouwen voor zijne speculaties.”
»Heeft hij ze u uiteengezet?”
»Neen, hij weet wel dat ik er nooit van zou willen hooren; maar het kán niets goeds zijn; daarbij, waarom houdt hij zich niet bij zijn palet, dáár ligt zijne fortuin, al zou dat dan ook maar eene matige zijn, wat doet er dat toe, zij is licht eene meer verzekerde, dan het najagen van onbereikbare schatten, die rampzalige erfkwaal!”
»Och, vader! vader! gij hebt toch zoo iets niet aan Frits geschreven?”
»Zeer zeker heb ik het hem geschreven. Ik zie niet waarom ik hem zou sparen, die ons nooit heeft gespaard. Daarbij, ik achtte het oogenblik gekomen voor eene ruiterlijke verklaring. Ik heb hem de keus gelaten tusschen het voltrekken van het huwelijk binnen de twee maanden of ons het woord terug te geven, zoo hij niet in staat of ongeneigd was het zijne te houden.”
»Maar waarom dat drijven, dat haasten? Gij begrijpt toch wel, vader! dat ik geen gedwongen huwelijk wil aangaan.... Zelfs niet met hem.”
»Waarom? Wel! omdat ik een eind gemaakt wilde hebben aan die zaak. De uitkomst heeft bewezen, dat ik gelijk had, want hij is boos geworden, beschuldigde mij dat ik hem den tijd niet wilde laten, zijne fortuin te maken noch hem aan de middelen wilde helpen, om schielijk dat doel te bereiken, en wel verre van tegen mijne uitspraak te appelleeren, nam hij haar aan als een rechtvaardig vonnis, mogelijk als een voorwendsel waarop hij slechts gewacht had om u uwe vrijheid te hergeven.”
»En dat alles hebt gij gedaan zonder mij te waarschuwen, te raadplegen!” sprak Claudine met gedwongen kalmte.
»Als ik u geraadpleegd had, zouden wij over een jaar mogelijk nog even ver met hem staan als altijd; nù is er ten minste eene beslissing!”
»Eene beslissing, die mijne hoop op levensgeluk voor altijd verijdelt!” riep zij op een toon van verwijt, terwijl zij hare smart trachtte te beheerschen. [121]
»Integendeel! die strekken zal om het op nieuwere en vastere grondslagen te vestigen!”
»Daarmee bedoelt gij toch niet.... dat.... ik dat.... andere huwelijk zou aangaan?” vroeg zij met eene stem waarin allerlei aandoening trilde.
»Dat bedoelde ik juist. De heer Veere is....”
»Laat de heer Veere zijn wat hij wil, dat doet er niets toe,” viel zij in. »Maar al zou ik berusten in uwe beslissing, die niet de mijne is, al zou uit dit onzalig geschrift,” zij legde de hand op het pakket, »mij de zekerheid geworden, dat Frits mij eene vrijheid hergeeft, die ik niet heb gevraagd; al kon het zijn dat zelfs mijn hart vrij ware geworden met het slaken van den uiterlijken band, dan nog begrijp ik niet hoe mijn vader zich zóó in mij kan vergissen om te meenen, dat ik daarna nog weer een ander zou kunnen hooren spreken van liefde, dat ik in staat zou zijn die aan te nemen en opnieuw dat hart weg te schenken, dat zoolang voor een ander heeft geklopt!”
»Veere vraagt ook niet terstond uwe liefde, hij heeft u de zijne geschonken, hij vraagt alleen de toezegging van uwe hand en hoopt uwe genegenheid te winnen door zijne gedragingen! Wat ik u voorstel, Claudine! is eene overeenkomst van het verstand, geene verbintenis des harten.”
»En door zulke overeenkomst zou mijn levensgeluk gevestigd worden!” sprak zij met bitterheid, »ik vergeef het dien vreemde, dat hij zóó van mij denkt, maar gij vader, hoe kunt gij u voorstellen!...”
»Uwe toekomst zou er door verzekerd zijn, en dat zou voor mij eene groote gerustheid wezen.”
»Van die toekomst worde wat wil, ik heb nog geene haast u te verlaten, vader! Moet ik dan vreezen dat gij mij moede zijt,” sprak zij met eene poging tot vriendelijke scherts.
»Neen! maar ik ben de onzekerheid moede, die mij martelt over uw lot!”
»Mijn lot! Maar, beste vader! dat zal immers het uwe zijn, laat mij slechts bij u blijven, meer verlang ik niet.”
»Weet gij dan hoelang ik bij u zal blijven?” vroeg hij met tranen in het oog.
»Ieder onzer is sterfelijk op elken leeftijd, maar toch, vader! Gode zij dank, gij geniet eene goede gezondheid, gij zijt nog [122]maar even zestig, en ziet er uit als een krasse vijftiger, dat geeft toch geen reden tot bezorgdheid, dat geeft integendeel hoop op menig jaartje levens.... Waarom bekommert gij u dan zoozeer over mij, waarom die zonderlinge haast om mij uit te huwelijken; mij, die met het meeste geduld den gelegen tijd van Frits zou hebben afgewacht.”
»Gij kunt wachten, dat is mogelijk, maar ik.... ik.... dat is wat anders.”
»Zoo is het een offer, dat ik u zou moeten brengen, vader! dan.... dan.... zal ik zien wat mij mogelijk is, gun mij slechts eenigen tijd van beraad.”
»Ik zou u dien wel gunnen, maar ’t is de vraag of de omstandigheden het mij zullen toelaten. Ik kan in den val van anderen worden meegesleept, verliezen, die ik niet heb kunnen voorzien, veelmin voorkomen, hebben mij reeds getroffen. Aan meerdere, aan zwaardere dan deze zou ik het hoofd niet kunnen bieden.”
»Welnu, vader! trek u dan uit de zaken terug en laat ons van eene kleine rente leven, eenvoudig, rustig, zonder van elkaar te scheiden.”
»Ik zou niets liever verlangen, maar het oogenblik is veel te ongunstig daartoe. Ik wensch uit mijne zaken te scheiden als een fatsoenlijk, als een eerlijk man, en als ik het nú deed, zou dit gelijk staan met mij failliet te verklaren, daar de fondsen zoo laag staan, en de huizen aan welke ik het meeste krediet had gegeven dus wankel, dat wissels op hen getrokken mogelijk over een dag of drie non valeurs zullen zijn!
»Neen! om stil te gaan leven moet ik wachten dat deze stormen zullen zijn overgewaaid, en om ze het hoofd te kunnen bieden, heeft Veere zich aangeboden als mijn associé! Hij is rijk genoeg om de schokken te kunnen dragen van allerlei kwade kansen, hij is zelfs bij machte ze te dwingen tot ze hem voordeelig worden. Wie in tijden als deze een half millioen kan wagen zonder een bedorven man te zijn als hij verliest, is in zekeren zin meester van den toestand en kan met de rampen van anderen zijne winst doen; de firma Verburg en Veere zou eene schitterende toekomst tegengaan, en later....”
»Maar, vader! kan de heer Veere dan niet uw associé zijn zonder ik zijne vrouw worde?”
»O, zeer goed! maar ongelukkig is dit juist zijne voorwaarde. [123]Keer de zaak om, hij kan, hij wil althans mijn associé niet zijn, tenzij hij mijn schoonzoon worde....”
»En noemt gij dien man edelmoedig! Hij die een vriend niet helpen wil met zijne schatten, tenzij diens dochter zich daarvoor verkoopt!” sprak Claudine met bitterheid.
»Beoordeel hem niet zoo hard, hij heeft mij reeds bijgestaan met belangrijke sommen op een oogenblik, dat ik van alle zijden teleurgesteld werd. Nog hedenmorgen heeft hij mij geld voorgeschoten, daar die Duitschers de wissels op het huis Heerdt niet wilden accepteeren; blijft dat kantoor zich staande houden, dan betaal ik Veere met die wissels; zoo niet, dan ben ik opnieuw voor eenige millen zijn schuldenaar.... en.... ik.... ik beken u mijne zwakheid, ik zelf zou niet gaarne aan iemand anders dan aan mijn schoonzoon zulke verplichtingen hebben.”
»Zoo moet mijne hand de losprijs zijn, en daarom was er dan zooveel haast met eene beslissing, waarnaar ik niet vroeg! En daarom is dan de arme Frits in allerijl afgescheept, zonder eerst gehoord te zijn!” riep zij, hare smart, hare verontwaardiging niet langer bedwingende.
»Dat laatste zal Frits niet met waarheid kunnen zeggen,” hernam Verburg, droevig het hoofd schuddend over de hartstochtelijkheid zijner dochter, die hem niets goed beloofde.
»Toch wel, want gij hebt zelfs deze brieven niet ingezien, die zeker de verklaring inhouden van zijn gedrag, en toch werd hij door u reeds teruggewezen.”
»Op dezelfde gronden die hij ter zijner verdediging heeft aangevoerd. Wat hij goedvindt u te schrijven doet niets ter zake voor mij. Ik heb begrepen wat hij bejaagt en dat is mij genoeg, en al ware er geen Veere in de wereld, en al stonden mijne eigene zaken nog zoo gunstig, en al had hij zich bij machte verklaard, om u binnen zeer korten tijd te trouwen, toch zou ik na zijn verzoek om die vijftig duizend guldens u ernstig hebben afgeraden, om dát huwelijk aan te gaan! En van mijne zijde alles hebben gedaan om het te verhinderen. Ik mag uw lot niet verbinden aan dat van dien roekeloozen plannenmaker. Ik kan mijn eenig kind toch niet met opene oogen in haar verderf laten gaan.”
»Neen, vader! dat is waar, dat——kunt gij niet,” viel Claudine in met een pijnlijken glimlach, »dus van het huwelijk met den heer Veere verwacht gij mijn geluk?” [124]
»Uw welverzekerd lot althans, en, zoo de rust van mijn ouderdom, zoo mijn eer en goede naam voor u iets te beteekenen hebben, zoo weet dat ze in uwe hand liggen.... geef die aan Veere; dwingen zal ik u niet, maar uw vader smeekt er u om.”
»Ik zal voor de eer en den goeden naam van mijn vader doen wat ik kan, maar toch, vader! mag de goede naam van uwe dochter ook niet in aanmerking komen, en gelooft gij niet dat die er bij lijden moet als men weten zal—en in een stadje als het onze weet men alles van allen—dat ik de hand, die aan Frits was toegezegd, in die van een ander leg, om geene andere oorzaak dan dat deze met veel goud is gevuld?”
»Uw engagement is nooit publiek geweest, gissingen, praatjes, geruchten komen voor rekening van hen, die ze verspreiden, en dat alles kan niet beter onderdrukt worden dan door uwe openlijk verklaarde verloving en een huwelijk, dat zoo spoedig doenlijk zou doorgaan.”
»En wát zal het schaamtegevoel en de zelfverfoeiing in mijn binnenste onderdrukken, zoo ik met een hart, dat een ander toebehoort, trouw belove aan een echtgenoot?” vroeg zij met eene uiterlijke kalmte, waaronder diepe verontwaardiging gloeide.
»Nu ik u zóó hoor spreken, heb ik dubbel berouw, dat ik mij ooit aan dien Frits heb laten gelegen liggen... iedere goedheid, die ik hem bewees, heeft hem stouter gemaakt om er nieuwe aanspraken op te bouwen, en nu zou het er nog mee eindigen, dat zijn vermeend recht bij u meer gold dan alles wat gij mij verschuldigd zijt!” riep de heer Verburg korzel, als een zwak man, die ten einde raad is en, tegen alles in, zijn wil wenscht door te drijven.
»Neen, vader! dàt zal het niet. Ik weet dat men met zijn naaste plichten, niet met zijne liefste wenschen moet te rade gaan. Frits zelf, ik ben er zeker van, zal niet vergeten wat hij u schuldig is, maar vergeet gij ook niet, dat gij zelf hem hebt aangemoedigd om mijne hand te vragen, toen alles hem eene schitterende toekomst scheen te beloven, en dat voorheen zijn recht bij u hetzelfde gold, als nu nog bij mij!”
»Gij hecht daaraan dan meer dan hij zelf, want hij heeft met gretigheid in de scheiding toegestemd; de heer Veere daarentegen dringt met al het vuur van den hartstocht op de verbintenis [125]aan... Gij ziet dus zelf, dat er voor ons geene reden is om te aarzelen.”
»Ik zie, vader! dat deze verbintenis wel zeer noodig moet zijn voor u, anders zoudt gij u niet zóó over alles heenzetten, om haar te verkrijgen; maar ik voor mij kan in dezen geen besluit nemen vóór ik mij zelve overtuigd heb van die groote gewilligheid, waarmee Frits mij zou afstaan.”
»Overtuig u daarvan, gij hebt den geheelen dag vóór u om al dat geschrijf door te lezen, maar Frits zou mij zeer uit de hand vallen, zoo hij tweeërlei taal voerde en bij u vasthield aan ’t geen hij bij mij heeft losgelaten; en wat u betreft, Claudine! beraad u met u zelve zooveel gij wilt, alleen bedenk dat de heer Veere morgen uw antwoord komt halen, en dat het daarvan zal afhangen of ik mij al of niet als koopman zal kunnen staande houden.”
Het wordt voor ons tijd om naar Frits uit te zien, dien wij te lang reeds ter zijde lieten. Wij moeten weten hoe zijn karakter zich heeft ontwikkeld, wat er van zijn talent is geworden; wie van beiden het dichtst bij de waarheid is, de heer Verburg die hem verdenkt en veroordeelt, of zijne dochter die hem haar vertrouwen, hare liefde blijft schenken, al zou zij ook reden hebben om in ’t geloof aan de trouw van zijn hart te wankelen. Om tot die kennis te komen, is er voor ons geen beter middel dan inzage te nemen van het uitvoerig schrijven dat hij aan Claudine had gericht, ten geleide zijn »Journaal,” want dat was het wat het pakket inhield, haar door Verburg ter hand gesteld. Zijn dagboek, aangevangen van den eersten avond af, toen hij als zeventienjarige knaap met een bang gevoel van verlatenheid in zijn eenzaam kamertje neerzat op de derde verdieping van een Amsterdamsch winkelhuis, tot op den laatsten morgen waarop hij besloot om het haar toe te zenden, met een diep verslagen gemoed en een gebroken hart!
Deze zelfbekentenissen, bijna zonder lacune van dag tot dag aan haar gericht, bewezen Claudine dat de schaarschte en het onbestemde zijner brieven althans niet veroorzaakt was door het afzwerven zijner gedachten, of de ontrouw van zijn hart, daar de [126]eerste gedurig aan haar waren gewijd en hij het laatste elken avond voor haar had ontsloten.
Dat dagboek behoeven wij niet te doorbladeren, maar onze belangstelling verlokt ons eene indiscretie te plegen met den geleidebrief, die evenmin voor de pers was bestemd.
»Mijne innig geliefde Claudine!
»Het is mij behoefte u nog eenmaal dus te noemen, al berust ik in den smartelijken dwang der omstandigheden die ons scheidt; want ik weet—ik zou haast zeggen ik vrees—dat uw hart mij trouw is gebleven tot op dezen stond, en wat het mijne betreft, met waarheid mag ik zeggen, dat het nooit van u is afgezworven, noch in zijne volkomen toewijding heeft gefaald, al zou ook de schijn tegen mij getuigen. En zoo ik er in berust u te verliezen, zoo ik zelfs in den laatsten tijd het mijne heb gedaan om u op zulke scheiding voor te bereiden, was het omdat ik u liefhad met eene volkomene liefde, die zich zelve niet zoekt: was het omdat ik het uw vader schuldig was, en het mijner moeder in eene plechtige ure heb beloofd, uw geluk, uwe fortuin althans niet in den weg te staan, sinds onze maatschappij nu eenmaal zóó is ingericht, dat het eerste niet meer mogelijk wordt geacht zonder de andere!
»En, ach! ik moet ze gelijk geven, mijns ondanks, die maatschappij, zoo onverbiddelijk in hare eischen, en hare toonvoerders die zich de »wereldwijzen” noemen. Ja, met een bloedend hart erken ik het: ze hebben gelijk. Claudine Verburg, de oogappel haars vaders, van hare kindsheid af in den zachten schoot der weelde opgekweekt, die het leven niet kent dan van de lichtzijde, Claudine Verburg mag geene kennis maken met de smartelijke werkelijkheid, mag niet langer hare jeugd zien verkwijnen door eene uitgestelde hoop die het harte krenkt, maar kan evenmin worden meegesleept in den maalstroom, waartegen een Frits Millioen moet worstelen, waarin hij, ondanks alle krachtsinspanning, reddeloos zal te gronde gaan!
»Frits Millioen, die gehate bijnaam, die een storm van de pijnlijkste herinneringen in mij opwekt, die mij zoo vaak sarrend en spottend in de ooren heeft geklonken, die uw kiesche mond, zelfs in kinderlijke onbedachtzaamheid nooit heeft uitgesproken, [127]moet ik, ik zelf, thans voor uwe oogen neerschrijven, opdat gij met mij volkomenlijk zoudt inzien, wat die te beteekenen heeft, en hoe ik u niet kon laten deelen in den last, in den smaad dien hij oplegt.
»Gij zult mij tegenwerpen dat ik onder dien smaad, onder dien last gebukt ging reeds als knaap, en dat het u niet heeft verhinderd in mij uw liefsten speelkameraad te zien, dat die mij zelfs niet heeft belet het hart der jonkvrouw te winnen en aan te nemen. Dat was eene fout, ik belijde het, maar.... het was toen nog geene misdaad, zooals het nu zou worden als ik voortging uw leven en dat uws vaders te bederven met de mislukte uitkomsten van het mijne. Want ziet gij, Claudine! toen ik den schat van uwe liefde aanvaardde, dien ik met woeker hoopte weer te geven, leefde ik in de vaste hoop, dat ik dien last die op mij drukte eenmaal zou kunnen afwentelen, dat ik bij machte zou zijn den smaad, dien ik droeg, in triomf te doen verkeeren!
»Toen de schimpnaam mij voor het laatst naar het hoofd werd geworpen, in het eigen oogenblik waarin ik voor het eerst mijne geboortestad verliet, deed die wel op mij de gewone uitwerking van beschaming en verbittering, maar juist te midden mijner ergernis, onder den gloed der verontwaardiging, vatte ik een voornemen op, dat er eene gansch andere beteekenis aan gaf; die bijnaam moest eene profetie zijn, waarvan mijne beschimpers de verwezenlijking tot hun spijt en verbazing zouden zien; die bijnaam zou mijn devies zijn dat ten strijde roept, maar tegelijk tot de overwinning zou voeren, en ik deed mij zelven en u, ja ook aan u, aan u het eerst! de gelofte, dat ik door mijn werk, door mijne volharding, dien bijnaam tot waarheid zou maken en dat ik hem eenmaal voeren zou, zooals een vorst den bijnaam voert, die aan zijne eigenschappen, aan zijne veroveringen herinnert!
»Karel de Stoute,” »Frederik de Groote” konden niet trotscher zijn op den hunnen, dan Frits Millioen zich voornam het te wezen op den zijnen, als die eens bij hem tot werkelijkheid zou zijn geworden! Arme stakker die ik was, toen nog het hoofd buigend onder den mededoogenloozen schimp, hoe fier hoopte ik het eenmaal op te heffen als ik met den lauwerkrans der kunst prijkend en den gouden tooverstaf van den rijkdom voerend, opnieuw tot mijne vaderstad inkeerde, als ik tot de gapende menigte [128]zeggen zou: »Nu ja! Frits Millioen die ben ik, die ben ik in vollen zin, ik heb er voor gewerkt om het te worden en wie van u nu zijne hulp noodig heeft, behoeft maar te spreken!”
»In mijn jeugdigen overmoed, in mijne onkunde van de wereld en het leven, had ik mij dien triomf beloofd en het vooruitzicht er van gaf mij reeds kracht en geestdrift, naar ik meende.
»Helaas! het was een stroovuur, en vergeef me dat ik u eene voorstelling geef, waaraan ik mij zelven in verbeelding vaak heb te goed gedaan en die gij nu als ik zelf met een glimlach en een traan in het oog zult overzien, een traan van diepen weemoed over teleurgestelde hope—het kan niet anders, zij het maar geen traan van verbittering tegen mij, geen traan van spijt en toorn tegen den onnoozelen eigenwaan van den verwatene, die u een tijdlang mee rondvoerde in zijne luchtkasteelen!
»Maar ik vraag u, Claudine! was die eigendunk niet verklaarbaar, niet verschoonlijk in den zestienjarige, die door zijne vrienden over het paard is getild! Zijn het niet mijne vrienden, mijne beschermers, die mij het eerst zulke luchtkasteelen hielpen stichten, die mij althans hebben gevoerd in de sferen, waar ze als vanzelven worden gebouwd....
»Och, alles wat ze mij in ’t hoofd hebben gezet, ook de zedigste zou er door in verzoeking zijn gekomen om er zijn gulden tooverpaleis bij op te trekken! Ik wil de ondankbaarheid niet plegen hen te beschuldigen, waar zij gehandeld hebben naar de inspraak van hun goed hart, maar het helderzien in de toekomst was hun niet gegeven, wat voor oogen lag heeft hen aangetrokken, en zij hielden hun blik voor onfeilbaar.
»Dáár ligt de fout! Gevaarlijke kortzichtigheid.... maar allermeest voor mij. Ik moest wel eindigen met in mij zelven te gelooven, met mij bezield te gelooven door eene geestdrift, die mij van buiten was aangeblazen.
»Hoe nu!” riep men om mij heen, »Frits Rosemeijer op een kantoor! Frits Rosemeijer in de routine van een ambtenaarsleven, hij, op wien de Nederlandsche kunst maar wacht om hare schoonste triomfen te vieren! Dat gaat niet, dat mag niet zijn, dan moeten wij ons liever offers getroosten en toonen dat wij wat over hebben voor den roem van ons land!” [129]
»En werkelijk de edelmoedige kunstvrienden getroostten zich offers. Wat mij betreft, ik was de eerste die er een bracht en dat mij zwaar genoeg woog. Ach! het was niet eens het scheiden van mijne moeder, van mijne kleine vriendin Dientje, het was dat afstaan mijner onafhankelijkheid waarop ik altijd gerekend had, als op mijn beste, zekerste schat. Van nu aan had ik beschermers, weldoeners, die een recht hadden op mijn persoon, op mijn werk, op alles wat ik was of ook niet was en die bovenal het recht hadden te eischen dat ik in hunne wegen zoude gaan, dat ik mijn leven zou regelen naar hunne inzichten, dat ik mijne aandacht geven zoude aan datgene wat zij voor mij het ééne noodige achtten en aan dát alleen! Ik die mij eene middelmatige positie zou getroost hebben, mits zij mij vrijheid van bewegingen waarborgde, ik zag mij veroordeeld om op straffe van mijne weldoeners te leur te stellen en mij een ondankbare te toonen, te streven naar de dingen die mij te hoog en te wonderlijk waren, iets wat ik uit het voorbeeld van mijn rampspoedigen vader had leeren kennen als het onvruchtbaarste en hachelijkste ondernemen.
»Ziedaar wat mij door het hoofd woelde en mij als den voorsmaak gaf van ongekende weeën, toen alles om mij heen juichte over het groote geluk dat mij te beurt viel, dat ik schilder zou worden, zooals mijn aanleg voorschreef. Ziedaar hoe ik zelfs reeds toen, al was het niet met zoo klare voorstelling, dat geluk beschouwde, dat de arme Piet Snibs, die van onvoldane kunstdrift gloeide, mij zoo benijdde! Maar toch, zooals ik reeds zeide, hun vast vertrouwen had ook mij moed en vertrouwen ingeboezemd; ik geloofde in mij zelven, al was het dan ook op het woord van anderen. En zooals het in het geestelijke waar is, dat het geloof bergen verzet, ook in de kunst mag die uitspraak gelden, ik heb er de ervaring van.
»Ik vermocht wat ik nooit had gemeend te kunnen doen. In het atelier van den beroemden meester, onder zijne leiding, zijne aanmoediging, werd mijn zelfvertrouwen niet beschaamd, maar tot geestdrift geprikkeld. Mijne eerste vorderingen waren verbazend, men riep mirakel, ik zelf het eerst! Zoo was het dan waar. Ik zou kunnen worden wat men van mij wachtte, uit het beneveld verschiet doemden voor mij rooskleurige lichtbeelden op. Ik glimlachte over mij zelven dat ik nog een oogenblik met heimwee had kunnen [130]omzien naar het armzalig lot van een vergeten ambtenaartje, want reeds werd mijn naam genoemd als die van een veelbelovenden jongen kunstenaar, tegelijk met schilders van den eersten rang. Gij herinnert u nog de innige zelfvoldoening waarmee dominé Willems het eerste schilderijtje van mijne hand voor de E.’sche bevolking ter bezichtiging stelde. Hij was het, hij, die dit talent het eerst had ontdekt! Hij had reeds in den ruwen diamant, den brillant gezien! Hij vergat, dat ook valsche steenen, in zeker licht gesteld, schitteren kunnen als echte, maar dat ze niet als dezen in de duisternis hun licht in zich zelven hebben, bovenal dat er proefnemingen zijn waartegen zij niet kunnen bestaan. Destijds wist ik dat evenmin als hij, en al had ik het geweten, ik was nu al zoo ver dat ik mij zelven voor echt hield. Hoe had het ook anders kunnen zijn? Gij weet welk een succes mijn werk had op de groote tentoonstelling te Haarlem. Er werd eene medaille aan toegekend; mijne groote schilderij werd door den Koning gekocht, een kunstkooper verzuimde niet de beide kleinere te nemen op speculatie, een vermogend dilettant droeg mij eene bestelling op! Dat waren als zooveel bazuinen, die te mijner eere schetterden, en gij weet beter dan iemand hoe zij weerklonken in ons kleine stadje. Te dier dage, mijne innig geliefde! ben ik mij bewust dat er menigmaal een blos van vreugd heeft gegloeid op uw liefelijk gelaat, later, helaas! om mij rampzalige verbleekt.... Ik zie in verbeelding uwe zachte lijdende trekken, uwe vochtige oogen en mijn hart breekt er onder.
»Vergeef het mij! vergeef het mij, dat ik mij bedwelmen liet door den algemeenen roes, dat ik alleen niet helder zag toen alles om mij heen zich aan den schijn vergaapte.
»Want inderdaad voor wie achter de schermen kon zien, was er veel klatergoud aan die blinkende gloriekroon, en was dit schitterend begin bovenal niet van zoo groote beteekenis voor de toekomst als het toekijkend en toejuichend publiek zich dat voorstelde.
»Aan mijn beroemden meester, die het oor des Konings had, behoefde het maar een woord te kosten om dezen over te halen het eerste kunstproduct van een zijner »veelbelovende” leerlingen te koopen, die aanmoediging verdiende en materieele ondersteuning noodig had. [131]
»Hoe kon de schare aan gunst denken waar het: »verkocht aan Zijne Majesteit” haar als onderscheiding in de oogen schitterde. De concurrentie van aankomende Noord-Nederlandsche kunstenaars was daarbij niet groot, in proportie van de zwermen kunstbroeders die uit het Zuiden kwamen opdoemen en zonder zich juist door een bekrompen provincialisme te hebben laten leiden, was de Haarlemsche jury er toch door consideratiën van dezen aard toe geleid om een jeugdig Hollander te onderscheiden, wiens werk de verdienste had van eene vaardige nabootsing te zijn der kwaliteiten van zijn beroemden meester. Deze werd nog weer geëerd en gevleid in zijn navolger van wien men hoopte dat hij eens zijn eigen weg zou gaan. De kunstkooper waagde niet veel met tot lagen prijs een paar stukjes te koopen, die licht te verpassen waren aan niet al te kieskeurige en niet overbemiddelde liefhebbers, die tegen de groote prijzen van den meester opzagen. De particulier, die mij door zijne bestelling vereerde, was de schatrijke bankier v. d. H., die zich voor mij interesseerde om voldoening te geven aan een geacht Amsterdamsch predikant, academie-vriend van dominé Roestink!
»Gij ziet het, wat het succes van mijn talent werd genoemd, was niets dan het gevolg van gunstige omstandigheden. Ik zag toen nog niet zooals nu le dessous des cartes van dit alles, en wat ik er van merkte overtuigde mij slechts, dat ik bij mijn talent ook dàt geluk had zonder hetwelk zelfs het stoutste genie in de worsteling met het leven bezwijkt. Bij zooveel goede fortuin kwam geen twijfel in mij op aan mijne verdienste; integendeel ik was gerustgesteld, ik liet mij à plaisir meeslepen en bedwelmen door de toejuiching van de oppervlakkige menigte, door de vervoering mijner vrienden, en ik hield mij overtuigd dat nu ééns mijn talent was erkend en als gestempeld, nu de eerste schrede op de baan der glorie was gezet, al het andere gereedelijk zou volgen! Toen ik de eerste koninklijke goudstukken in mijne hand liet glijden, schitterden ze mij tegen als de liefelijke lenteboden van den vollen oogst, dien ik mij zelven dacht te geven.
»Met zijn eerste tientjes in den zak, schroomde Frits Millioen niet langer zijne vaderstad te bezoeken, die hij gezworen had niet weer te zien dan triomfantelijk. En werkelijk, ik werd er ontvangen als een Romeinsche triomphator, zelfs de slaaf die achter de zegekar loopt om aan de menschelijke broosheid te [132]herinneren, ontbrak er niet aan. Menigeen herinnerde zich nog mijn bijnaam, ik ervoer het bij meer dan eene gelegenheid, maar niet meer met ergernis; mijn trots werd er door geprikkeld, niet meer gekrenkt.
»Eene ernstige hoorbare stem der waarschuwing klonk mij niet in de ooren. Mijne moeder had slechts tranen van dankbare blijdschap. Uw vader heette mij welkom op eene wijze, die mij terstond weer in zijn huis voerde op den ouden voet;—neen, niet meer op den ouden voet! Was het mij mogelijk de bevallige jonkvrouw weer te zien met dezelfde kalme genegenheid die ik voor mijn klein vriendinnetje had gevoeld? Ik wist het vooruit welk gevaar ik tegenging; had het alleen mij gegolden, toch had ik mij zelven voorzichtigheid opgelegd; ik zou nog zwijgen, zwijgen tot ik ver genoeg gevorderd was op de pas betreden baan, om haar goed te kunnen overzien; dan.... mijne terughouding werd misverstaan door u, en uw vader zelf leidde mij in verzoeking, om eene roekeloosheid te begaan. Hij gaf mij als het ware het woord in den mond, ontlokte mij de bekentenis, die ik U niet had willen doen, en moedigde mij aan door zijn welgevalligen glimlach en zijn hartelijken handdruk. Toen kon, toen mocht ik niet langer aarzelen om u van mijne liefde te spreken. Uw hart had het mijne verstaan, wij waren verloofd!
»Ik sidderde voor u te midden van mijn geluk, want eerst toen ik uw lot aan het mijne verbonden wist, begon een bang voorgevoel mij te beklemmen en de vraag rees in mij op: of niet ’t geen men voor eene vaste ster had aangezien, bij uitkomst blijken zou een dwaallichtje te wezen?
»Een twijfel die mij soms het voorhoofd bewolkte, terwijl ik de volle weelde scheen te smaken van uwe teedere genegenheid, terwijl gij met mijne moeder allerlei liefelijke plannetjes zat te beramen voor ons huiselijk samenleven.
»Helaas! maar al te gerechtigd was mijn twijfel; hetgeen men het begin mijner glansrijke loopbaan had geacht, was het toppunt geweest mijner fortuin, van nu aan zou zij slechts dalen!
»En ik was verantwoordelijk geworden voor uw geluk, voor uwe toekomst! Hoe die bijgedachte mij gekweld, hoe die verantwoordelijkheid mij gedrukt heeft, wat ik voor u en met u geleden heb, zult gij uit mijn dagboek zien; iederen avond heb ik eene ure met u, met mij zelven geleefd en geworsteld en dien strijd [133]aan het papier vertrouwd, opdat gij dien eens in zijn geheel zoudt kunnen overzien, en gij mij zoudt kunnen vrijspreken van de verdenking u verwaarloosd te hebben, al schreef ik zelden en al waren mijne brieven »zoo onbestemd,”—zoo onbeteekenend, hadt gij mogen zeggen,—terwijl de uwe mij alles schonken wat een vrouwenhart als het uwe in gul vertrouwen, in teedere openheid heeft te geven; maar, helaas! juist waar ik zag hoe gij op mij rekendet, met hoeveel innigheid gij u aan mij had gehecht, welke liefelijke droomen gij droomdet van onze vereeniging, die voor mij hoe langer hoe onzekerder werden, waar ik wist dat gij van maand tot maand hooptet op de komst van den verloofde, die uw bruidegom en echtgenoot moest worden, terwijl voor mij met iedere maand, met ieder jaar het uitzicht, dit doel, mijn geluk! te bereiken, meer en meer achterwaarts week en ten laatste als wegschoot achter de duisterste wolken—als ik dit alles gadesloeg met een bloedend harte, terwijl iedere uwer teleurstellingen, iedere uwer grieven mij op het geweten brandde—hoe kon ik dan voor u uitspreken, rondom welken afgrond mijne gedachten dwaalden? Zoolang mij nog eenige hope bleef, moest ik u dàt lijden sparen, maar ik.... ik ben u rekenschap schuldig waarom het niet was te ontgaan.
»Toen de leerjaren, die ik bestemd was in het atelier van den heer P. door te brengen, om waren, moest het blijken wàt ik zelf, wat ik alleen vermocht. Ik kon nu niet langer op zijne composities teren, noch met zijne schetsen en studies mijne winst doen; de vraag was nù, of ik wist te scheppen; of ik het vermogen had licht en leven te brengen op het paneel, of ik iets anders was dan.... een kopiïst—in één woord! Mogelijk zou ik nog op dit punt voor mij zelven in onzekerheid zijn gebleven, en mij met ijdele inbeelding hebben gevleid, zoo ik nog een tijdlang in de nabijheid van mijn meester had kunnen leven. Hulpvaardig en belangstellend als hij zich altijd voor mij betoond heeft, zou hij mij zeker van tijd tot tijd hebben bezocht, om mij met raad en voorlichting te dienen, en waar hij mij zwak zag zijn steun en voorspraak verleend hebben, om vooruit te komen in de gunst van dezulken, van wie wel niet het talent, maar veeltijds het lot eens kunstenaars afhankelijk is. Ongelukkig nu waren de omstandigheden mij evenzeer tegen als zij mij vroeger waren meegeloopen. De beroemde P. zag zich juist toen verplicht tot [134]eene reis naar Engeland en een langdurig oponthoud in Londen.
»Dáár zat ik dan nu voor het eerst alleen en geheel aan mij zelven overgelaten in het bekrompen atelier, dat ik in het achterhuis mijner hospita had laten inrichten. Ik had de kale wanden verrijkt met zooveel schetsen, gravures en kopieën van beroemde schilderijen als ik maar machtig had kunnen worden. Met zulke meesterstukken voor oogen moest ik, naar ik mij inbeeldde, zelf tot het voortbrengen van meesterstukken worden bezield. Aan den wil daartoe ontbrak het mij niet; maar ik zou tot mijne schade leeren inzien, dat men geen kunstenaar wordt door afzien en nadoen! Evenmin als men dichter wordt door het van buiten leeren der heerlijkste verzen.
»Dáár zat ik dan voor mijn ezel, met vlijtige, vaardige handen, met lust en liefde voor de kunst, met het vaste voornemen om te volharden ondanks alle bezwaren; maar als geboeid door een reddeloos onvermogen om datgene daar te stellen, wat mij voor de verbeelding zweefde. Ik zocht het op allerlei wijze, maar altijd tevergeefs. Ik raakte altijd met mijne composities in de war; nu eens waren ze zoo rijk en zoo vol, dat ze niet uit te voeren waren, althans niet door mij; dan weer waren ze zoo arm, dat ze alleen door hulpmiddelen van executie gered konden worden, die ik niet in mijne macht had. Ik zag mijne gebreken, maar ik kon ze zoomin verhelpen als mij zelven tot een ander mensch maken. Ik hoopte met stalen volharding te bemachtigen wat ik mij zelf bekennen moest niet te bezitten. Ik gunde mij rust noch uitspanning. Ik tobde mij af, ik werkte gestadig door; helaas! ik werkte met de getrouwheid van een eerlijk daglooner, waar mij de bezieling van den kunstenaar ontbrak, die den arbeid licht maakt ondanks de inspanning die hij vordert.
»Een werkman aan de hei glijden niet zóó smartelijke angstperels langs de slapen als mij, terwijl ik dat lichte penseel hanteerde, dat mij zoo zwaar viel in mijne onmacht, en de meesterstukken, die na zulke smartelijke geboorteweeën het licht zagen, hadden dan de waardij van beschilderde planken! dát zekere, dát eenige wat aan een voortbrengsel der beeldende kunst waarde geeft, ontbrak er aan, zou er immer aan ontbreken, al had ik het honderdmaal opnieuw aangevangen.
»Niet spoedig verloor ik het geduld, en langen tijd worstelde ik tegen dat onvermogen, mij zelven altijd vleiende met de hoop, [135]dat ik het eenmaal overwinnen zou,—mij zelven bedriegende met de oorzaken van die mislukte pogingen, tot ik ten laatste na allerlei smartelijke ervaringen tot de zekerheid was gekomen, dat ik geen schilder was, en nooit iets anders noch iets beters zou kunnen worden in mijne kunst dan—een kopiïst!
»Nauwelijks had ik deze treurige ontdekking gedaan, of ik werd daarvan afgeleid door een diep harteleed, dat mij trof, waarin gij zoo oprecht hebt gedeeld, en dat gij getracht hebt te verzachten.
»De ziekte mijner moeder riep mij naar E. terug en dwong mij er te blijven tot haar afsterven. In de eerste droefheid vergat ik alles, mijn strijd, mijne nederlaag, alles; bij meer kalmte dankte ik God in mijn hart, dat zij, zij althans was heengegaan zonder iets van mijne kwellingen geraden te hebben, dat zij niet dan vreugdetranen over mij had gestort, en van mij gescheiden was met het volle vertrouwen op mijne goede vooruitzichten en op de zekerheid onzer spoedige verbintenis.
»Het kostte mijn gevoel veel haar in deze dwaling te laten, te versterken zelfs; maar het ware wreedheid geweest de lijdende, de stervende met de harde, koude waarheid te bezwaren; de teleurstelling harer illusiën zou haar toch niet meer krenken, zij van haar kant had alles gedaan wat in hare macht stond om mijne toekomst, om ons geluk te verzekeren zoo zij meende. Hare nalatenschap was niet zoo onbeduidend als ik reden had te wachten, en op dat kleine vermogen had zij haar verlangen gebouwd, dat wij zoo spoedig na haar overlijden als met onzen rouw bestaanbaar was, zouden trouwen. Toen ik haar die begeerte niet onvoorwaardelijk wilde inwilligen, op grond dat ik met u niet zoo eenvoudig zou kunnen leven als zij zich voorstelde, glimlachte zij rustig en sprak: »Och kom, Frits! een jongelui’s huishouding kost zoo heel veel niet; Claudine krijgt immers ook wel wat mee, als gij ’t eene en ’t andere samenvoegt met uwe verdiensten, waar gij nu alleen van leeft, zal het heel wel gaan.” Mijne verdiensten! Ja, voorwaar! die waren schitterend, maar de goede vrouw moest er zich in vergissen, dat is waar, want sinds ik mijn eerste geld had verdiend, sinds het jaargeld, voor mijne vrienden voor mij samengebracht, niet meer geacht werd mij noodig te zijn, en ik dus geheel op eigen wieken dreef, had ik haar nooit meer iets gekost, was het [136]mij zelfs mogelijk geweest haar van tijd tot tijd met een, klein geschenk te verheugen, als bewijs dat het mij goed ging en dat ik niets behoefde.
»Werkelijk had ik het geheim gevonden om van zeer weinig te leven en iets meer dan het volstrekt noodige te verdienen, slechts niet met mijne schilderijen, en hier lag hare vergissing. En ik die rondborstig van aard was, die eerlijkheid en oprechtheid als de noodigste eigenschappen van een man beschouwde, ik had mijne moeder misleid, ik had haar althans de waarheid verheeld, die zij niet giste! Hoe het mij mogelijk was?
»In eene groote stad vindt men soms hulpbronnen geopend, waarvan men zich in eene kleine zelfs geen denkbeeld kan maken. Onder kunstkoopers was ik spoedig bekend, als vaardig en gelukkig kopiïst. In het buitenland was vraag naar kopieën van oude meesterstukken uit bekende galerijen, en men wendde zich het liefst aan mij om ze te verkrijgen. Maar die arbeid wordt uiterst sober betaald, en om het tekort aan te vullen kopiëerde ik niet slechts schilderijen en teekeningen, maar zelfs muziek, maar zelfs handschriften, die voor de pers waren bestemd; dat laatste natuurlijk in het diepste geheim en in den nacht; de beste uren van den dag was ik in mijn atelier schilderend, worstelend met de kunst, maar de enkele schilderij, die het mij gelukte af te maken, bracht mij zelfs minder op dan de minste kopie; want de kunstkooper, die ze van mij nam om mij een dienst te bewijzen, die mij als hooge gunst werd toegemeten, maakte zijne berekening dus, dat het hem geen groot verlies kon zijn, zoo hij er mee bleef zitten. Ik geloof niet dat zulks het geval was, ik weet maar al te goed, dat de smaak van den gewonen liefhebber in ons land niet zoo ontwikkeld is, dat hij het gebrekkelijke kon zien van mijn werk, en ik kon nog lang genoeg teren in de opinie der menschen op mijn vroeger succes, vooral daar het nog gesteund werd door de kunsthandelaren, die belang hadden bij mijne voortbrengselen. Maar ter wille van dien dienst moest ik mij tevreden stellen met het weinige, dat zij mij toekenden, en daar ik er aan hechtte zoolang mogelijk het prestige van mijne reputatie te bewaren, liet ik mij villen zooveel men wilde, altijd in de hoop dat ik eens de positie zou kunnen beheerschen, en dien kunstmatigen goeden roep voor eene degelijke en door mijn werk zelf verkregene zou kunnen verwisselen. In het kleine [137]stadje E. kwam men natuurlijk niet tot het maken van deze onderscheiding, te meer daar de dagbladen en kunstjournalen toenmaals nog mee in ’t complot waren, dat er was gevormd om mij te doen mousseeren, zooals de geijkte term is. Uw vader zelf was niet beter op de hoogte dan het publiek, en daar hij voortdurend goede berichten las van mijn werk, kon hij zich niet voorstellen, dat een vermaard kunstschilder zooals ik in zijne oogen geworden was, die zuinig leefde en druk werkte, niet genoeg inkomsten zou hebben om eene huishouding op te zetten en een huwelijk aan te gaan met een meisje, dat nog bovendien vermogen aanbracht.
»Hij was getroffen, teleurgesteld, en verdacht mij zeker van koelheid jegens u, toen hij zag dat ik zijne voorstellen op dit punt van de hand wees na den dood mijner moeder; hij wilde zich uit zijn handel terugtrekken en met ons samen gaan leven waar ik goed vond!
»Inderdaad, Claudine! Mocht ik u aan zulk een vooruitzicht wagen? Mocht ik uw beider lot verbinden aan het mijne en uw vermogen tot het mijne maken, waar mijne geheele maatschappelijke positie op zoo bedriegelijke fondamenten rustte? Dat Claudine Verburg hare hand schonk aan een waardig kunstschilder, zelfs al was zijne fortuin nog niet gemaakt, dát kon er door, daarmee zou zij niet in de opinie zijn gedaald, en ware het tegengeloopen, zij had, fier en blijmoedig, lief en leed met hem kunnen deelen; maar ik was nu eenmaal geen waardig schilder, ik begon reeds de hoop op te geven het eenmaal te zullen worden. Mijn ongeluk was dat ik wist wát ik wilde, zonder het te kunnen volbrengen; mijne mismoedigheid en wantrouwen in mij zelven namen toe met iedere mislukte poging. Ik werd schuw en beschroomd, waar anderen in mijne plaats verwaten en stoutmoedig voortgegaan zouden zijn. Want ik had zeker succes; zij die belang hadden bij mijne voortbrengselen, wisten het voor mij staande te houden; maar het eenige succes wat voor mij zelven het kenmerk kon zijn van de verdienste,—de vraag naar mijn werk door ware kunstkenners, zonder kunstmatige hulpmiddelen,—dat succes bleef uit sinds het meer en meer bleek dat mijn werk oorspronkelijkheid ontbrak en niets was dan eene flauwe nabootsing van de schilderijen mijns meesters, van wiens groote kwaliteiten ik een zwakken weerschijn, van wiens gebreken ik de [138]charge gaf. Van toen aan lieten ook de kunstbeoordeelaars in de dagbladen mij zinken, tenzij ze er hunne redenen voor hadden om mij zoo van tijd tot tijd als »den gevierden” aan te duiden. Ik zelf wist beter dan iemand wat er van was, en daarom voelde ik het zoo levendig: tot den kopiïst, tot den poveren schilder, die bij gratie voor spotprijzen zijne moeielijk verkregen voortbrengselen afzette,—tot den ongelukkigen Frits Millioen, in wien men zich bedrogen had, en die nu de bittere vruchten van die vergissing en van zijn zelfbedrog begon te smaken, die voorzag, dat ze hoe langer hoe menigvuldiger, hoe langer hoe wranger zouden worden, die voorzag dat het kunstmatige samenstel, waarop zijn kunstenaarsbestaan nu nog rustte, bij den eersten schok den besten ineen zou storten en hem in het niet zou doen terugzinken.... erger! hem der bespotting prijsgeven,—tot dezen paria der maatschappij mocht Claudine Verburg niet neerdalen zonder zich weg te werpen, zonder al de rampzalige gevolgen van die onvoorzichtigheid te dragen. Ik althans wilde geen oorzaak worden dat zij er zich aan blootgaf; uw vader, wien mijne weigering om aan zijne voorstellen gehoor te geven, onverklaarbaar voorkwam, gaf er eene verklaring aan, die hem de waarschijnlijkste scheen en drukte die uit met zekere bitterheid, die ik lijdzaam verdroeg.
»Ik had wijzer gehandeld, meer oprecht en voorzichtig zeker, zoo ik hem toen reeds een volkomen inzicht had gegeven van mijn geheelen toestand, maar hoewel hij mij verweet, dat ik u niet genoeg liefhad; mijne liefde voor u was juist zóó vurig, dat ik u nog niet kon opgeven; en hem alles blootleggen, ware geweest afstand van u te doen voor altoos!
»En juist waar de kunst mij ontzonk, was er voor mij een nieuwe grond tot hoop ontstaan, dien ik eerst wilde beproeven, en die mij de kans scheen te bieden, u eens tot de vrouw van een vermogend man te maken, al was die man dan juist niet meer een geacht kunstenaar!
»Gij herinnert u, mijne lieve, dat ik als een instinctmatigen afkeer had opgevat tegen alle speculatiën, planmakerijen, industrieele ondernemingen en wat dies meer zij; het zekere dat men bezit te wagen om het onzekere te winnen, was mij altijd als eene roekeloosheid voorgekomen, die niemand minder plegen mocht dan ik zelf. Met niets te doen dan rustig zijne rente te [139]verteren, had mijn vader een welgesteld burger kunnen blijven; hij wilde millionair worden en anderen rijk en gelukkig maken; gij weet wat er het gevolg van geweest is. Zijn zoon behoorde althans door zijn voorbeeld geleerd te zijn. Ook zoolang ik mij nog wiegen kon in de gouden droomen der kunst, was niets mij zoo ver en zoo vreemd als de gedachte, dat men geld kon winnen door geld te wagen. Geld verdienen met mijn werk was mijn eenige wil en wensch.
»Maar men leeft niet straffeloos in eene groote koopstad, waar verbazende fortuinen in één beursuur worden gewonnen of verloren, waar men dagelijks hoort van arme sukkels, die zonder iets te wagen, daar ze eigenlijk niets bezitten, plotseling tot fortuin komen door een gelukkigen greep in de fondsen; men leeft niet straffeloos in eene lucht, die met de speculatiekoorts is verpest; men ondergaat er den invloed vanzelfs eer men het weet; licht vatbaar was ik niet en zeker zou ik aan dien invloed weerstaan hebben, zoo ik meer gerustheid had gehad op de toekomst van mijn werk, en zoo ik niet: de zoon van mijn vader ware geweest. Mijne moeder was in ’t bezit gebleven van de papieren, waarin deze zijne grootsche ontwerpen had neergelegd en die hij altijd met zekere plechtigheid zijne schatten noemde; als knaap had belangstelling, met een tintje nieuwsgierigheid gemengd, mij er wel eens naar doen hunkeren die in te zien, maar mijne goede moeder wilde ze mij niet overgeven vóór mijne meerderjarigheid, daar zij oordeelde dat ik tot volle rijpheid des verstands moest gekomen zijn, eer ze mij waagde aan de verzoeking, die zij achtte dat er ook voor mij in schuilen kon. Daar ik begreep dat zij er aan hechtte, als aan de reliquiën van den altijd geliefden man, liet ik ze haar, zelfs toen mijn leeftijd mij het recht gaf ze op te vorderen. Destijds dacht ik wel niet, dat ze voor mij ooit andere waarde konden hebben dan die eener aandoenlijke gedachtenis.
»Eerst ná den dood mijner moeder kwamen zij in mijn bezit, niet zonder tegenkanting van den heer Verburg, die ze, nog mijn voogd zijnde, ten vure had bestemd, en die, terwijl hij mij in ’t beredden der zaken behulpzaam was, met leedwezen zag dat ik ze behouden en meenemen wilde.
»Waartoe?” vroeg hij misnoegd, »waartoe u te wagen aan de verleidelijke voorstellingen, die daarin werden neergelegd; het [140]zijn toch niets anders dan zeepbellen, die uiteenspatten als men ze aanraakt!”
»Welnu! dan kunnen ze mij immers ook niet schaden!” wierp ik hem tegen.
Allemaal jammerlijke misrekeningen, planmakerijen zonder uitkomsten; uw vader was een onpractisch man,” mompelde hij en keerde mij knorrig den rug toe, daar hij zag dat ik ze zorgvuldig bijeenverzamelde en wegsloot. Terwijl uw vader protesteerde had ik ze alleen terloops ingezien en ik had ook geenszins het voornemen er nadere kennis van te nemen, al wilde ik ze als dierbare relieken met eerbied bewaren.
»Maar te Amsterdam weergekeerd, bedroefd over mijn verlies, ongerust over mijne toekomst, gedrukt nog daarenboven door de overtuiging, dat ik van den heer Verburg in zekeren onmin gescheiden was, daar ik zijne schikking, hoewel die den innigsten wensch van mijn hart te gemoet kwam, niet had willen aannemen, zat ik op mijne eenzame kamer, in zóó diepe zwaarmoedigheid neer, voelde mij daar zóó alleen, zóó verlaten, dat ik verstrooiing zocht tot iederen prijs.
»Menschen opzoeken, och! de barmhartigsten onder hen tasten u meestal juist in de pijnlijkste wonde; zoogenaamde uitspanningen, ach, de liefelijkste muziek maakt mij diep zwaarmoedig als ik haar niet met een vroolijk gestemd gemoed kan aanhooren. Uit allerlei oorzaak geïsoleerd van mijne kunstbroeders, had ik geen enkelen vriend onder hen; ik had de gewoonte en ook de zelfbeheersching gehad om mijne zorgen en strijd te verbergen onder uiterlijke opgewektheid, en ik wilde ook nu geen voorwerp van hunne meewarigheid zijn. Evenmin kon ik, onder den slag mijner diepe moedeloosheid, zoo terstond mijn gewone avondwerk opvatten. Boeken! maar ik las zonder te weten wat, ik dacht aan wat anders, en ik verzonk opnieuw in mijn eigen leedgevoel. Ik moest iets zoeken dat mij als uit mij zelven trok, dat de geheele aandacht vorderde van hoofd en hart; »zoo ik nu kennis maakte met de nalatenschap van mijn vader, zooals hij zelf die papieren altijd noemde, dit althans zal mij inspannen. Ik zal mij verdiepen in het pijnlijk verleden en alzoo mijn leedgevoel van heden overwinnen door er mee te strijden.” Ik ving aan met zekere bevooroordeeldheid. Ik had er te veel tegen hooren zeggen, te veel door geleden om ze met onbevangenheid in te zien, of geloof te hechten [141]aan de verzekeringen van den schrijver zelven, dat ze onberekenbare waarde hadden. Maar toch ik las met al den ernst der kinderlijke piëteit, en welhaast werd ik getroffen door de juistheid en de klaarheid, waarmee alles uiteen was gezet; van enkele ontwerpen zelfs sprong mij de uitvoerlijkheid in het oog juist in onzen tijd. Ik begreep nu dat mijn vader werkelijk een man van buitengewonen geest moest geweest zijn, maar dat hij gedwaald had in het oogenblik van de toepassing zijner theorieën. Het had hem ontbroken aan medewerking, aan hulpmiddelen om zijne plannen tot rijpheid te brengen, en dies ondanks had hij ze toch doorgezet, bijgevolg met slechte uitkomst, maar dat bewees hunne gebrekkelijkheid nog niet! Neen, mijn vader was geen onpractisch mensch, maar hij was te voorbarig geweest en te hartstochtelijk. Hij had volharding maar geen geduld.
»Ik zag duidelijk, dat, hetgeen in zijn tijd onbereikbaar was, ongerijmd moest schijnen, nu zeer wel zou zijn te verkrijgen, dat veel daarvan, hoewel langs anderen weg verkregen, in onze dagen reeds tot banale waarheid was geworden, reeds in algemeen gebruik was geraakt, wat men in de zijne als dwaze hersenschim had bespot. Niet dien avond alleen, maar een groot deel van den nacht hield ik mij met deze lektuur bezig; zoo boeide zij mij, zoozeer raakte ik er in verdiept, zoo geheel mee vereenzelvigd, dat het mij onbegrijpelijk voorkwam hoe ik zoolang had geleefd zonder dit alles te zien, wat mij nu klaar voor oogen lag, zonder te raden wat mij hier werd voorgelegd. Als een licht ging mij op over mij zelven. Hier lag mijne roeping, hier de werkkring die mij paste; in deze dingen kon ik leven, daarmee kon ik vooruit komen: ik moest industrieel, ik moest man van zaken worden, ik moest tenuitvoerleggen wat mijn vader had uitgedacht, ik voelde mij als met nieuw leven bezield, ik vergat alle mijne smarten, mijne zorgen, ik die mij sinds lang zoo klein, zoo in de engte beklemd wist, zag mij plotseling als in de ruimte gezet, en of mij vleugels waren aangeschoten nadat ik lang op de aarde had rondgewriemeld! De geest van mijn vader was in mij gevaren door zijn woord, door zijn schrift. Frits Millioen! Frits Millioen! klonk eene stem als ter waarschuwing mij tegen. Welnu, ja! die ben ik, die ben ik, daar draag ik roem op, ik ben de zoon van mijn vader, maar Frits Millioen kan geen schilder zijn, ziedaar de hindernis! [142]
»Ik droomde dien nacht als vanzelf spreekt in mijn korten en zwaren slaap van gouden wolken, die zich voor mij openden en van dorre lauweren, die ik met den voet ter zijde stiet. Maar des morgens bij ’t ontwaken zag ik den schildersezel voor mij, waaraan ik was vastgeklonken! En waarom dan toch? vroeg ik mij zelven. Zij, die zich met de regeling van uw lot hebben belast, en die meenen aanspraak te hebben op uwe dankbaarheid, omdat zij zich ongevraagd beijverden om u dezen onzaligen dienst te bewijzen van u aan het martelaarschap der kunst toe te wijden: deze zullen zeker van ondank schreeuwen, zoo ik met versmading van hunne vermeende rechten, voortaan mijn eigen weg volge; maar, als ik hen nu triomfantelijk bewijze, dat zij zich in mijne roeping hebben vergist? Ben ik als man dan tot levenslange onmondigheid veroordeeld, omdat men den zestienjarigen knaap giften en gunsten heeft opgedrongen, die hij niet had gevraagd? Moet ik welvaart, levensgeluk, alles, alles ten offer brengen, om aan hunne verwachtingen te beantwoorden, die ik toch niet kan voldoen, om hunne profetieën te bewaarheden, die toch blijken zullen valsche geweest te zijn? Neen! Neen! dat is meer dan menschen van een mensch mogen vergen, meer dan een mensch voor zijns gelijken behoeft te doen. De meesten dier vroegere »weldoeners” waren daarbij niet meer in leven; aan hunne schim behoefde ik toch waarlijk mij zelven niet te offeren, maar terwijl ik daar zoo bezig was mij van alle die banden los te maken, rees het beeld van uw vader voor mij op; als dat van den vertoornden Neptunus, die de baren stilt! Hij was de levende, onverzettelijke hinderpaal in mijne nieuwe plannen. Hij, die mij vaderliefde, vaderzorge had betoond, mocht niet zoo bitterlijk door mij bedroefd worden als ik vooruit wist, dat hij het zijn zoude, zoo ik het penseel neerlegde, dat hij den tooverstaf achtte, waarmee nòg voor mij goud en glorie te winnen waren, om de plannen ten uitvoer te leggen van den door hem zoo gewantrouwden, zoo geminachten dweper, als hij mijn vader achtte.
»Ik voorzag dat hij in zijne teleurstelling, in zijn toorn mij een ondankbare zou noemen en mij de hoop zou ontzeggen op uwe hand! Wat gij zelf zoudt zeggen, ik durfde het nauwelijks indenken; er was reeds te veel reden, om hetgeen ik beproeven wilde, met de diepste geheimzinnigheid te omsluieren. Beproeven wilde ik het toch, maar vóór ik op gelukkige uitkomsten kon [143]wijzen, moest ik die proefnemingen geheim houden voor mijne vrienden als voor mijne vijanden; en tot zoolang hield ik mij oogenschijnlijk aan de kunst; bij mislukking zou de erbarmelijke schilder althans zijn roemloos brood hebben, al kon hij u niet aanbieden dat met hem te deelen!
»In de eerste plaats was er geld noodig. Het kleine vermogen mij door mijne goede moeder nagelaten, was onder mijne berusting; ik kon er over beschikken, zonder dat ik er met iemand over behoefde te raadplegen; kon ik het beter besteden, ook in haar geest beter, dan door de nagedachtenis van mijn vader recht te doen en der wereld te bewijzen, dat hij geen dwalend warhoofd was geweest, maar een scherpzinnig, een vindingrijk man, in verlichting en kennis zijn tijd een kwart eeuw vooruit? Welk een triomf zou dàt zijn voor zijn zoon, zoo het dezen gelukte haar tot die erkenning te brengen.
»Maar vooreerst mocht die zoon zelf niet op den voorgrond treden. Zijn naam reeds zou aan het doel, dat hij wilde bereiken, schade hebben gedaan; daarenboven een schilder, wie hij ook ware, die zich met zaken bemoeide en als industrieel optrad, zou ter weerszijden mistrouwd worden. Ik moest dus een associé hebben, die als prête nom voor mij optreden en handelen kon.
»Ik twijfelde niet of er zouden zich in eene handelsstad als Amsterdam genoeg lieden opdoen, geschikt en gewillig om deze verbintenis met mij aan te gaan; maar ik had de lantaren van Diogenes wel willen leenen, om den rechten man te vinden, want met een ongetrouw of ook slechts onvoorzichtig deelgenoot, wien ik opening moest geven van het geheele ontwerp en aan wien ik vooreerst alles moest overlaten, liep ik groot gevaar van bedrogen en ter zijde geschoven te worden, zoo er winsten te deelen vielen.
»Toch had ik het geluk te vinden wat ik zocht. Een jonge Vlaamsche beeldhouwer, die zich te Amsterdam had neergezet en met wien ik op een vriendschappelijken voet stond, deelde mij mede dat hij een broeder had die in de nabijheid van Antwerpen eene fabriek had opgezet, waarbij de toepassing van mijns vaders stelsel zeer goede diensten zou kunnen doen, dat hij reeds goede zaken deed en niet ongenegen zou zijn die verder uit te breiden en de proef te nemen van de door mij aan te wijzen verbeteringen. [144]Onder den schijn van een kunstreisje naar Antwerpen te maken, trok ik derwaarst, en na mij van zijne soliditeit overtuigd te hebben, gaf ik hem opening en inzage van het bedoelde plan; hij juichte het toe en nam aan het in werking te brengen, hij zou daartoe eene gelijke som inbrengen als die ik er voor overlegde, hij bedong zich alleen zekere voordeelen boven die welke ik zou genieten, daar hij alle moeite en bezwaren der uitvoering op zich nam en nog bovendien den naam zou dragen en de verantwoordelijke persoon was. De geheime vennootschap werd notarieel bekrachtigd en gewettigd. Zoo ik u dit alles dus omslachtig mededeel, mijne lieve! is het opdat gij van mij weten zoudt, dat ik niet lichtvaardig de spaarpenningen mijner moeder en ons beider vooruitzichten op het spel heb gezet, dat ik met kalmte en goed overleg alle maatregelen en voorzorgen heb genomen, die mij tegen bedrog waarborgden. Maar ’t is een mensch niet gegeven in alles te voorzien, en er zijn rampen die men niet voorkomen kan.
»In den aanvang ging alles goed, nauwelijks was er een half jaar verloopen, of ik kreeg zóó gunstige berichten van de onderneming, dat ik u opgeruimde brieven kon schrijven, die hoop gaven op eene spoedige vreugdevolle overkomst. Bij het einde van het eerste jaar der associatie, was er een batig saldo verkregen, ondanks al de kosten die het in werking brengen van het nieuwe stelsel had vereischt. Mijn associé stelde voor die winsten aan te wenden tot uitbreiding der zaak op grootere schaal, waardoor wij het uitzicht kregen dat zij in ’t volgende jaar belangrijke voordeelen zou opleveren. Ik kon niet anders dan dit voorstel toejuichen, en ik zag het oogenblik naderen waarop ik uw vader zou kunnen verrassen met de verkregene uitkomsten en u, met den prachtigen kanten bruidsluier, dien Madame Verkouteren, de vrouw van mijn compagnon, op zich genomen had voor mijne aanstaande te bestellen in eene der voornaamste kantfabrieken te Brussel! Onder zulke vooruitzichten opende zich voor mij het jaar dertig—aan het eind van dat jaar hoopte ik al die schoone voorstellingen verwezenlijkt te zien, maar helaas! toen wij 25 Augustus hadden beleefd, brak de opstand uit die omwenteling is geworden, oorzaak van allerlei rampen, allerlei verwarring, allerlei verraad. Verkouteren, geheel voor zijne industrieele onderneming levende, had niets voorzien, toen hij [145]op eens bemerkte dat zijn eigen volk mokte en samenschoolde en welhaast hem tegentrad, met hooge woorden, met ongerijmde en onredelijke eischen, waaraan hij noch kon, noch wilde voldoen. Toen werd hij orangist gescholden, men viel op hem aan; met enkele getrouwen verdedigde hij zich zoo goed hij kon, maar op zijn afgelegen dorp en bij de algemeene bandeloosheid was er noch aan bijstand van krijgsmacht, noch aan dien van hooger gezag te denken; dat wisten de woestelingen heel goed, zij mishandelden hem en de zijnen, plunderden zijn huis, vernielden er alles wat zij niet wilden of konden medenemen en eindigden met de fabriek in brand te steken, terwijl de zegevierende bende de zwermen leegloopers en roovers gingen versterken, die onder de leuze van de »liberteit” het platteland afliepen en schade deden tot aan de zaak zelve die zij zeiden te verdedigen! De ongelukkige Verkouteren overleefde de vernietiging van zijne bezittingen maar eenige uren. Ik was met dienzelfden schok geruïneerd. Ja! ik had rechten, maar zelfs al had ik die in deze oogenblikken kunnen doen gelden, wat zou het mij gebaat hebben? Op brandschade was gerekend, maar op zulke totale verwoesting door oproer, waarbij zelfs de boeken, zelfs de schuldbrieven die er in kas waren, onder gejuich in ’t vuur waren geworpen! Wie had zich daartegen kunnen wapenen! Zijn broeder schetste mij den beklagenswaardigen toestand waarin de weduwe met haar gezin zich bevond, en hoewel hij geen lust had partij te kiezen voor eene revolutie, die begon met hem zulk een slag toe te brengen, achtte hij zich toch gehouden zijne zuster te hulp te snellen; hij verliet Holland in allerijl en zocht over de grenzen te komen, eer dat volstrekt onmogelijk werd. Daar lag dan mijne pasgebouwde fortuin als in rookende puinhoopen in de verte; en ik die alles had opgeofferd, kon mij niet weer van dien val herstellen, bij volkomen gemis van de middelen om haar elders op te bouwen. Na zulk eene uitkomst, al liep er geen waaghalzerij onder, kon ik niets meer aan uw vader bekennen. Mismoediger dan ooit, onmachtig om voortaan weer iets te ondernemen, sukkelde ik maar weer met schilderen voort, doch de tijd was voorbij dat een prikkel van buiten: aanmoediging, bestellingen, van welken aard dan ook, mijne slappe handen tot den arbeid kwam sterken. In den laatsten tijd met de gewisheid eener aanstaande lotswisseling, [146]had ik mij geene moeite meer gegeven de relatiën aan te houden, die mijn kunstmatig succes hadden daargesteld, en uit goedwilligheid of belangzucht nog opgehouden hadden. Ik leverde bijna niets meer af en werkte, als ik werkte, met zooveel achteloosheid en oppervlakkigheid, dat er eene grootere mate van gedienstigheid toe noodig was dan die waarop ik voortaan kon rekenen, om zulk werk te prijzen, aan te nemen. The decline and fall van den eens zoo veelbelovenden jongen schilder werd dan ook luide aangekondigd; men had mij opgegeven, voortaan zou men van mij zwijgen; dit was mij levend dood verklaren. De enkele kunstbroeder, die zich nog wel eens in mijn atelier had vertoond, stond verbaasd over mijn achteruitgang; ik zag het hem aan, al ontzag zijne barmhartigheid zich ook, het mij ronduit te zeggen. Ik moedigde niemand aan om weer te komen. Mijn meester, dien ik sinds zijne terugkomst van zijne reizen niet meer had durven bezoeken, hoorde van anderen, zeker niet op het gunstigst, hoe het met mij ging en toen ik hem eens bij toeval ontmoette, wendde hij zich met een misnoegd hoofdschudden van mij af. Hij vergaf het mij niet dat hij zich zoo in mij vergist had, hij vergaf het mij niet dat ik mijn »veelbelovend talent” zoo roekeloos had verwaarloosd! O! had hij alles kunnen weten, hij zou mij zachter beoordeeld hebben. Ik heb schuld, ik erken het met smart, met schaamte, voor u het eerst, mijne Claudine! die door mijne schuld hebt geleden, nog lijdt als ik moet vreezen, maar het is niet die schuld die men meent! De zucht tot geldwinnen door geld te wagen, was nu eenmaal in mij opgewekt; bij de behoefte om nog iets meer te verdienen dan de ellendige penning die ik nu nog als veracht kladschilder, als kopiïst kon machtig worden, wist ik de verlokking niet te weerstaan, tegen wier bedwelming ik mij vroeger zoo veilig achtte. Ik waagde mij aan het gevaarlijk fondsenspel, maar altijd in kleine proporties, daar ik te gemoedelijk was om te wagen wat ik niet zou kunnen betalen. Voor dit spel ontbrak mij de stoutheid der gewetenloosheid. Mijne winsten balanceerden zoo wat mijne verliezen, maar tot belangrijke voordeden kwam het met mij nooit.
»Zoo bracht ik den ganschen winter door. Gij kunt beseffen hoe weinig ik mij gestemd voelde om tot u te komen onder deze omstandigheden, en waarom ik niet of nauwelijks meer van mij [147]hooren liet; behalve de ontstemming die zich als vanzelf aan ieder mijner brieven had moeten mededeelen, kwam ook nog deze bijgedachte: u langzaam te ontwennen aan de hoop, u langzaam te gewennen aan het denkbeeld eener scheiding, die ik voorzag dat komen moest, u zoo het nog zijn kon te genezen van eene onvruchtbare genegenheid, opdat zij u niet al te bittere tranen zou kosten.
»Zoo stond het met mij, toen ik in den aanvang van Maart een zeer dringend en misnoegd schrijven ontving van den heer Verburg, waarin hij pertinent van mij eischte dat ik mij verklaren zou omtrent mijn huwelijksplan. Hij verlangde dat het binnen den kortst mogelijken tijd zou doorgaan en beloofde mij daartoe zijne materieele hulp. Minder dan ooit was ik in staat en gerechtigd om deze verbintenis aan te gaan, die hulp aan te nemen. Ik antwoordde ontwijkend en verlangde uitstel. Te sterker drong hij er op aan dat ik te E. zou komen om hem opening van mijne zaken te geven, die hij achtte beter te staan dan ik voorwendde; hij zelf had mij belangrijke mededeelingen te doen. Toen besloot ik, hem met alles bekend te maken en na volkomene oprechtheid mij geheel aan zijne uitspraak te onderwerpen, maar daartoe te E. komen ging niet; ingeval van het afbreken onzer betrekking, dat op mijne bekentenissen volgen moest, als ik maar al te zeer vreesde, was het tegenover u beter dat ik niet weerkeerde. Ik stelde hem dus eene samenkomst voor op eene derde plaats, werwaarts hij zich meermalen voor handelszaken begaf; verwierf ik dan niet zijne vergiffenis na mijne volkomene belijdenis, zooals ik vreesde, dan waart gij althans niet blootgesteld aan ’t gebabbel en de uitleggingen onzer bemoeizieke kleinzielige stadgenooten, en ook.... u weerzien, om u voor goed te verliezen, ik kon het niet! Maar uw vader verkoos niet in dit voorstel te treden. Hij antwoordde kortweg, dat hij niet zag waarom ik niet te E. zou komen als ik het eerlijk met u meende; zoo niet, dan was er geene reden om u en hem langer op te houden en dan was het beter de verbintenis te verbreken hoe eer hoe beter! Op zulk een schrijven kon ik niet antwoorden dan met volledige biecht, maar ik kon tegelijk niet nalaten hem opmerkzaam te maken op de welgelukte onderneming met Verkouteren, die alleen door de tijdsomstandigheden tot mijn nadeel was gekeerd. Ik hoopte hem te overtuigen dat althans deze uitvinding van mijn [148]vader niet alleen uitvoerlijk was, maar ook vruchtbaar zou zijn; dat het mij alleen aan de fondsen had ontbroken om de proefneming opnieuw in Holland te hervatten, die in België goede voordeelen had opgeleverd. Met vijftig duizend gulden, ik was in staat die berekening met gewisheid te maken, konden wij te E. of elders doorzetten wat reeds de vuurproef der practijk had doorgestaan! Maar zijne verbolgenheid dat ik mij onderstaan had, nevens de kunst en zonder zijne voorkennis mij met dergelijke ondernemingen in te laten, was zoo heftig dat hij dit belangrijke voorstel niet eens in overweging nam. Hij antwoordde per omgaande, dat hij zijn gegeven woord terugnam, en de vrijheid begeerde voor zijne dochter, wier lot hij niet wilde vertrouwen aan een man, die zich met planmakerij en windhandel inliet! Welnu, hij had van zijn standpunt volkomen gelijk; ik had het zelf al zoolang gevoeld dat ik niet het recht had uw leven te verontrusten door het aan mijne onzekere toekomst te verbinden. Ik begreep wel dat uw hart niet zou instemmen met dien eisch, dat daar nog wel eene stem voor mij zou pleiten; maar daar ik zelf terugschrikte bij het denkbeeld, dat gij ooit een leven van armoede en ellende met mij zoudt deelen, dat ik u, U het lot mijner moeder zou bereiden,—daar de dankbaarheid, die ik uw vader schuldig ben voor zijne vroegere weldaden en vriendschap, mij verplichtte eerbiedig te berusten in elke beslissing die hij nam, hoe hard mij die ook vallen moest,—antwoordde ik kort en, zooals ik geloof, kalm en waardig, dat ik mij onderwierp aan zijne uitspraak en het mijne wenschte te doen om ook u te stemmen tot berusting in eene scheiding die noodzakelijk was geworden, al hadden wij elkander te lief om uit ons zelven tot de erkenning dier noodzakelijkheid te komen; alleen verzocht ik hem als een laatste gunstbewijs u mijn dagboek te doen toekomen, nevens dit schrijven dat er als de toelichting van is; dat u in staat zal stellen mijn geheele leven zoowel naar de uiterlijke daden als naar de innerlijke bewegingen mijns harten te overzien. Ik twijfel niet, of de heer Verburg zal mij die gunst, u dien dienst bewijzen, want alleen door alles te weten, zult gij getroost zijn, zoo niet verheugd, dat uw leven niet aan het mijne werd vastgeschakeld voor altijd. Zonder de toestemming, zonder de uitnoodiging uws vaders, zal ik u na dezen nooit meer schrijven, nooit meer zien. Wat het mij kost, mij zelven deze verplichting [149]op te leggen, zult gij voor en met mij voelen. Maar het moet zijn, en daarom is het beter met een snellen, scherpen slag af te snijden wat niet meer bijeen kán blijven, dan onder afmattende marteling langzaam te verbloeden. Nu de wond nog versch is, zult gij niet aan hare genezing gelooven; maar die zal volgen, geloof mij, en daarna.... wat zal het daarna zijn, ik wil, ik kan, ik mag het nu niet indenken; ik zeg alleen uit de volheid van mijn hart: »Wees gezegend! Word gelukkig! Bekommer u niet over mij en mijn lot; zoo het u mogelijk is, tracht mij te vergeten; ik heb in de laatste jaren zoo weinig plaats ingenomen in uw uiterlijk leven, dat ook de innerlijke scheiding wel ras volbracht zal zijn. Vergeet de smart, de onrust, de onzekerheid, waarmede ik uwe jeugd mijns ondanks verbitterd heb, dat zal mij het zekerste bewijs zijn uwer vergiffenis! Op die uws vaders durf ik vooreerst niet hopen; eenmaal zal hij mij met meer verschooning beoordeelen, als de storm van zijn toorn bedaard zal zijn, als hij uw lot verzekerd ziet op zulk eene wijze als zijne vaderzorge het veiligst acht!
»Nu hij alles van mij weet, zou uw vader mij nooit meer tot zijn schoonzoon willen hebben, zelfs niet al keerde zich de kans van het lot mij ter gunste. Gij, gij kent uw plicht jegens hem niet minder dan ik. Vervul dien, al moest ook gij er onder lijden; gedaan te hebben wat men moet is een voldoening, die menige diepe smart verzacht. Wie tegen den strijd van het leven opziet, heeft ook geen recht op de overwinning.
»Stel u mij niet voor als een die in wanhoop tot vertwijfelde, tot schuldige stappen zou kunnen komen. Ik heb kracht gekregen om het leven met nieuwen moed op te vatten, nu van gansch andere zijde. Uit de schipbreuk van mijn geluk, van mijne liefste wenschen heb ik toch nog iets kostbaars gered, mijne onafhankelijkheid. Ik durf nu openlijk met de kunst breken, ik durf nu mij zelf zijn; ik geef zelfs de hoop niet op, eenmaal mijn vaders nagedachtenis recht te laten weervaren; maar het is nu geen tijd voor ondernemingen van welken aard ook, en mijn tijd is het allerminst; ik moet met alles breken, wat mij vroeger bond, ik moet met alle gewoonten, met alle herinneringen breken. Ik heb noodig mijne kracht te versterken en afleiding te zoeken in een bont en woelig leven. Het is daarbij een tijd, waarin ieder, die gezonde armen heeft ze uit den mouw moet steken, om het vaderland [150]te dienen. Ik neem het geweer op den schouder en trek als vrijwilliger naar de grenzen! Er over, zoo ik hoop, als de Koning en de Prins van Oranje woord houden! Behalve de algemeene grieven heb ik mijn persoonlijken wrok tegen dat muitergebroed, dat mijne fortuin tegelijk met de welvaart van ons oud Nederland heeft te gronde gericht.
»Nu ik u moet opgeven, heb ik niets meer te verliezen dan het leven; maar wees gerust, ik zal niet in woeste vertwijfeling den dood zoeken; slechts zal ik strijden als een die op niets behoeft te zien dan op de overwinning, en die de gevaren niet telt.
»De laaghartige Belgen, die nu de Hollanders lafaards schelden, omdat zij, gehoorzaam aan hun plicht, niet als bandelooze horden op hen uitvallen, zullen hoop ik nog wel eens anders praten als ons maar de gelegenheid wordt gegeven te toonen wát wij zijn.
»En nu, Claudine, mijne Claudine, voor het laatst vaarwel! Ik heb boven alles behoefte aan uwe vergiffenis, uwe vergiffenis dat ik uw hart aannam, uwe vergiffenis dat ik u afsta eer gij zelve uwe vrijheid hebt gevraagd. Schenk mij die vergiffenis met een enkel woordje, het zal mij tot onuitsprekelijke verlichting zijn en alle goedheid en trouw, die gij mij betoond hebt, bekronen; ach! dat het zóó tusschen ons moest eindigen! Wee mij, dat ik niet ben geworden wat men van mij wachtte; wee mij, dat men zich in mij heeft bedrogen; de vergissing komt mij duur te staan!
»En nu, vaarwel, vaarwel, Claudine! denk een enkele maal met deernis en zonder bitterheid, zoo het zijn kan, aan uw Frits, uw armen Frits Millioen!”
Destijds kon ieder jongmensch in de zuidelijke provinciën, die van strijdlust werd aangegrepen, die eerste ingeving volgen zonder eenige hindernis; hij had alleen maar zijne werkplaats of zijn atelier te verlaten, een snaphaan over den schouder te leggen of een sabel over zijn blauwen kiel te hangen en hij had het radikaal om zich bij eene burgerwacht te voegen, zonder dat iemand verdere navraag deed; maar in ’t gezegend Noord-Nederland, [151]waar nog de wetten werden geëerbiedigd en de orde bleef heerschen, waren dergelijke plotselinge besluiten niet even snel ten uitvoer te leggen als zij werden gevormd. Men kreeg te doen met allerlei voorschriften, bepalingen, reglementen, uitgevaardigd met de wijze bedoeling om verwarringen te voorkomen en overijlingen te keer te gaan, maar die op iemand die haast heeft de uitwerking moeten doen van zoovele dwarsleggers, welke hem bij iederen voetstap in den weg worden gelegd.
Frits Rosemeijer althans ondervond dit toen hij aan zijn voornemen om met de Amsterdamsche vrijwilligers uit te trekken, gevolg wilde geven; dat ging maar zóó niet.
Er moesten akten gepasseerd, bewijzen geleverd, formaliteiten in acht genomen worden, die maar niet zóó voor de hand lagen, en die hij alleen kon verkrijgen door middel van ’t bestuur zijner geboortestad. Wie eenigszins bekend is met de omslachtige wegen en den tragen gang der bureaucratie, althans toen alles nog op de oude verroeste schroeven draaide, kan zich voorstellen dat het ongeduld van Frits, die maar één wensch had: al het verledene te ontvluchten en dan aan, mocht het zijn over de grenzen te komen, zich moeielijk kon schikken in den traditioneelen slakkengang der stedelijke ambtenaren die de onmisbare stukken moesten stellen, kopiëeren, op zegel brengen, teekenen, in couvert sluiten en ten laatste afzenden, met eenig verwijl tusschen ieder dier verrichtingen!
Zelf naar E. te gaan, zich aan ’t stadhuis te vervoegen en daar alle inlichtingen te geven en te vragen; den ijver der beambten aan te vuren door alle gebruikelijke middelen, dat was zeker de kortste en zekerste weg, maar men verklaart zich zijn tegenzin om dien in te slaan.
Toch had hij niemand die in dezen voor hem tusschenbeide kon treden. Zijn voormaligen voogd kon hij thans geene diensten meer vergen, en hoewel hij in zijne geboortestad genoeg kennissen had, was hij van allen zoozeer vervreemd, dat hij niet eens wist wie hunner er nog woonde en waar hij ze had moeten zoeken. Na den dood van dominé Willems had hij er geen vriendenhuis meer dan dat der Verburgs, en sinds het overlijden zijner moeder had hij het stadje met opzet gemeden en er alle betrekkingen afgebroken; hij had dus niemand aan wien zich te wenden, en besloot dus maar om den zwaren tocht zelf te doen, [152]die zoo snel en heimelijk moest geschieden als eenigszins mogelijk was, opdat Claudine er geene kennis van zou krijgen, om haar leed en ergernis te besparen. Had hij zich den bitterzoeten, troost van een afscheid ontzegd, om haar en zich zelven niet zwak te maken, hij voelde zich ook nu sterk genoeg tot zelfverloochening om niet voor de verlokking te bezwijken.
»Wie het zich nog kan herinneren, weet dat het jaar 1831 een heerlijke lente schonk als wilde de natuur door hare liefelijkste gaven protesteeren tegen de zorgwekkende krijgstoerustingen der menschen. Met waarheid zong destijds een dichter:
En zie! daar leven klont en kluit,
Daar breekt het winterkoren uit,
En ’t eerste groen versiert de velden,
Ofschoon de zaaier wijd van hier
De rangen vult van Hollands helden
En ’t kouter neerlei voor ’t rapier!
En hoor! daar lokt in ’t bloemprieel
Ons ’t minnelied van filomeel
En doet het zang’rig woud verstommen,
Maar wij, voor liefde en lente koel,
Verdooven ’t met ’t geraas van trommen
Met dof en daav’rend krijgsgejoel.
En ginder kneust het breede rad
Van ’t log geschut de velden plat,
De landman moet zijn hoop beweenen,
Terwijl de meibloem uit het groen,
Zich strengelt om den vuurmond henen,
Op batterij en bastioen!
Maar op den dag toen Frits den tocht ondernam die hem zoo zwaar viel, toonde April zijn grilligen aard. Met zwoel lenteweer was hij in dien namiddag Amsterdam uitgereden en toen de diligence in het late avonduur voor het logement de Zon, het eenige van het stadje E., stilhield, was alles wit van de sneeuw en glad van den hagel, die voortdurend de rammelende glasraampjes van de duffe menschendoos zoo fel had bestookt of hij ze werkelijk wou doorboren. [153]
»Frits Millioen is een onweersvogel!” zouden zijn stadgenooten hebben gezegd, als zij hem hadden zien uitstijgen.
Maar die gure hagel- en sneeuwbuien kwamen hem juist te stade, daar het allen binnenhield die naar de gewoonte van het eentonig leven in ’t kleine stadje, zoowel naar het aankomen als het afrijden der diligence kwamen kijken, en waaronder altijd nieuwsgierigen waren die den conducteur kwamen vragen: »Of hij de kranten had meegebracht? Of er nieuws was in de hoofdstad?” enz. enz.
Zoo’n conducteur is een gewichtig personage onder zulke omstandigheden en Frits had gezorgd zich er een vriend van te maken door hem al vooruit eene goede fooi in de hand te stoppen, waardoor hij eene plaats kreeg in de cabriolet en het voorrecht had daar alleen te blijven. Dus was hij beveiligd tegen nieuwsgierige blikken en onbescheiden vragen van reizigers, stadgenooten wellicht. Hij had echter in dezen geen gevaar geloopen; er zaten slechts eenige boere-heeren en aannemers in de diligence; een luitenant-kwartiermeester die zijn post ging betrekken bij het depot en die volkomen vreemd was in het stadje, en eene jongejuffrouw die bij den nieuwen dominé logeeren ging, zooals zij verklaarde, en die dan ook door zijn wel-eerwaarde in persoon werd afgehaald onder een weidsch familiedak, dat de kletterende hagel- en regenbui triomfantelijk kon weerstaan, die rammelend op de zware zijde neerviel. Frits, die niet op zoo gunstige bijomstandigheden had durven rekenen, wipte vlug de cabriolet uit, dicht in zijn mantel gedoken en de reismuts diep over de oogen getrokken, en ijlde als een opgestooten haas het logement in, de gelagkamer binnen met de gerustheid van niet door den kastelein herkend te worden, daar de Zon telkens van bewoners wisselde, waaronder zelden stadgenooten, die maar al te goed wisten dat er bij die zaak lichter geld te verliezen dan te winnen viel.
Vooral in dezen slechten tijd was er zoo goed als niets te doen. Nu ook traden de boeren het »Heeren Logement” niet binnen, de officier werd afgehaald door een oppasser, en de aannemers alleen volgden Frits op de hielen, die door den kastelein met een wantrouwigen blik en een onduidelijk gebrom dat: »g’en-avond!” beteekenen moest en met even een tik aan de pet werd begroet. [154]
De aannemers eischten terstond een »glaasje klare!” en gaven daarop al hunne opmerkzaamheid aan de bestekken en publicaties, die tegen het schrilgele met blauwe rozetten bezaaide behangsel waren vastgehecht.
Frits vroeg zijne kamer.
»Wou meneer logeeren?” vroeg de kastelein en draaide om hem heen al wilde hij hem van alle kanten goed opnemen.
»Als het zijn kan!” zei Frits ook stug.
»Ja, het kan, maar de kamer is zoo in eens niet klaar. Wat zal meneer gebruiken?”
»Nog niets! of ja, een kop thee.”
De thee was natuurlijk ook nog niet klaar.
Mijnheer moest dus vooreerst maar beneden blijven.
De eenige logé en nog niet welkom! hoe kon dàt zijn? Juist omdat er bijna niets te doen was, gaf men zich ook geene moeite voor datgene wat er nog moest gedaan worden; en daarbij, Frits zag er zoo vreemd uit naar de opinie van den logementhouder. Een weinig uit kunstenaars-chic en met het oog op zijne martiale plannen, had Frits zijne knevels laten groeien. Eene onvoegzame nieuwigheid in de oogen van baas Koppelman! En dan zoo’n grooten mantel met schotsch gevoerd, neen! dat was verdacht. Zóó kon een fatsoenlijk Hollander er niet uitzien; mogelijk was het een Belg of een Franschman.... in dezen tijd! men kon het nooit weten—een commis-voyageur mocht er zóó wel uitzien, maar dàt was hij niet, die hadden altijd pakgoederen en koffers bij zich en de stalenkaart onder den arm; dit geheimzinnig personage had niets bij zich dan zijn hoed dien hij in de hand hield, niets dat te zien was althans, en dit vermeerderde het wantrouwen van den hospes, die wel onder den Almaviva had willen gluren om te zien of er niet een blauwe kiel onder verborgen was en een gordelriem met een paar pistolen! En toch, tot zijn spijt legde de verdachte zijn mantel niet af, trok dien veeleer strakker om de leden uit eene oorzaak die Koppelman best had kunnen raden, als hij zijn argwaan niet het luidst had laten spreken. Frits namelijk, door zekere huiverigheid bevangen, had zich terstond dicht bij de groote kachel geplaatst, die echter niet brandde; het was den heelen dag »zomerweer” geweest naar het oordeel van den kastelein, en ’s avonds kwam er toch niemand; ’t was voor een enkelen passagier de moeite niet waard om te stoken. [155]En toch.... Eene kachel die niet brandt in eene ruime tochtige gelagkamer, waarvan de deur met de buitendeur van ’t huis die altijd open blijft, in correspondentie staat; is er meer noodig om iemand huiverig te maken, die pas in de broeikas eener diligence is gestoofd?
Daarbij zijn er aandoeningen die rillingen over de leden brengen en Frits moest die gevoelen nu hij zijne vaderstad binnentrok, en hij zag niet in, waarom hij zich voor een herbergier geneeren zou; hij draaide dezen dus den rug toe en hulde zich nog dichter in zijn mantel!
Koppelman wist er echter raad op om, zoo niet onder den mantel, dan toch op de persoonlijkheid van zijn gast een blik te slaan; met andere woorden: hij wilde achter diens naam komen.
Hij legde Frits een gedrukt papier voor, schoof een looden inktkoker in een zandbak naar hem toe en zei op barschen, bijkans gebiedenden toon:
»De nachtlijst teekenen, meneer!”
»Dat placht hier vroeger niet noodig te zijn,” hernam Frits wat verwonderd, terwijl hij zich zonder aarzeling aan de formaliteit onderwierp.
»Ja, vroeger! maar ’t is nu zoo’n rare tijd; daar zwerven zooveel uitlanders en spionnen in ’t land, de politie mag er wel zoo wat het oog op houden.”
»Mijnenthalve mag zij,” hernam Frits, en wierp de pen met een schouderophalen in ’t zand terug.
»He! hm, hm! Rosemeijer! is dat geen Brabandsche naam?” vroeg de kastelein, maar half voldaan dat hij zijne verdenking moest opgeven.
»Zoover ik weet niet, want ik ben hier te E. geboren.”
»O zoo, dat verandert,” sprak de hospes op gerekten toon, »en de familie.... woont hier niet meer, zou ik denken.”
»Een kop thee, meneer!” zei nu een armelijk gekleed, roodharig knechtje, dat het emplooi van staljongen met dat van eersten en tweeden kellner in zijn persoon vereenigde.
»Kan ik vuur krijgen op mijne kamer?” vroeg Frits zich naar dezen wendende.
»Dat doen we hier niet,” viel de kastelein in, aan de aarzeling van zijn bediende een eind makende, die blijkbaar niet wist wat hij antwoorden moest. [156]
»Maak de kachel hier wat aan, Jan!” voegde hij er in één adem bij, als ter vergoelijking van de weigering.
»Dat’s onnoodig voor mij,” zei Frits, die zijne thee had gebruikt, »wijs me mijne slaapkamer.”
»Blieft meneer ook den mantel te geven?” vroeg de roodharige zeer gedienstig.
Frits schudde ontkennend, liet zich alleen den hoed nadragen en tot groote teleurstelling van zijn onwilligen gastheer, klom hij naar boven zooals hij was binnengekomen.
Daar stak wat achter, de baas kon het niet van zich zetten.
En hij had wel gelijk, daar stak wat achter. Verscheurende zielesmart werd onder die onverschilligheid voor al het uiterlijke rondgedragen!
Met welke kloppingen des harten had Frits die stad zien opdoemen in ’t verschiet, met haar eenen toren en haar flauwe lichtjes, om welhaast de overbekende straten door te rijden, om eindelijk voor het logement stil te houden, om niet tot »het geliefde vriendenhuis” in te keeren, om er de moederlijke woning niet meer te vinden, om er vreemdeling te zijn in den volsten zin des woords, en zich nog gelukkig te moeten rekenen het te kunnen blijven.
Terugkomen op zijn vroeger besluit om Claudine niet weer te zien, mocht hij niet. De scheiding tusschen hem en haar moest onherroepelijk zijn en waartoe dan elkaar zwak te maken, door de smartelijkste aandoeningen op te wekken bij een samenzijn, dat toch een afscheid moest wezen,—neen, neen, voor deze verzoeking wilde hij niet bezwijken!
Hij wierp zich op de legerstede neer met een gevoel van matheid en moedeloosheid, waaronder hij toch den slaap niet kon vatten. Het bekende klokkenspel, dat het slaan van ieder uur, van ieder half uur zelfs, voorafging, en waarnaar hij luisteren moest, zijns ondanks, riep hem de schrikkelijkste tooneelen zijner kindsheid in het geheugen; alles, alles kwam weer bij hem op wat reeds vergeten of ter zijde gedrongen was door latere indrukken, en in plaats van er nu boven te staan, zooals voorheen in de eerste frissche kracht der ontluikende jeugd, toen hij het sombere heden voor het liefelijk uitzicht eener blijde toekomst kon voorbijzien, lag hij er nu dieper onder gebogen dan ooit. De schoonste bloeitijd des levens lag reeds achter hem, en [157]de vruchten waren niet gevolgd, het schitterend vergezicht was ijle luchtspiegeling gebleken, en er bleef niets van over dan nevelen en duisternis, die zelfs voor de hoop geene plaats meer lieten.
Daar klingelde weer het klokkenspel tergend het wijsje van eene romance, die toenmaals druk in zwang was en op alle kermisorgels werd uitgevoerd:
Après la richesse
Soyons pélerins!
Moi je cours sans cesse
Et je cours envain.
Quoique la coquette
M’échappe souvent,
Gaîment je répète
En la poursuivant:
Espérance
Confiance
C’est le refrain
Du pélerin.
Frits kende het air genoeg om de woorden bij de tonen te herhalen, maar niet met de Fransche luchtigheid die de opwekkende maat vorderde. Integendeel, met al de bitterheid der smartelijkste ontnuchtering, van al hare illusies bekomen.
Hij ook had dien pelgrimstocht naar eer en schatten ondernomen, geschraagd door hulpvaardige vriendenarmen, die hem als het ware hadden weggedreven uit het veilige land der ruste en der middelmatigheid, om hem te doen jagen naar de dingen die hem te hoog en te machtig waren; en nu, wat was er van hem geworden? Hij was den mannelijken leeftijd genaderd en hij lag neer als een vermoeide en verslagene, die van zijn kruistocht niets medebracht dan een gebroken hart, vermoeide voeten en een leegen buidel!
Toch moest hij weer opstaan—om opnieuw zijne loopbaan te loopen en nu zonder iemands hulp of raad; nu arm niet slechts aan geld, maar armer nog aan moed, aan kracht, aan lust om dien zwaren Sisyphussteen, dien men het leven noemt, weer den berg op te torsen. Het beste uitzicht dat hij zich nog voorstellen kon was: een eervolle dood in den dienst van zijn vaderland; [158]dat bewaarde hem ten minste voor dien allerschrikkelijksten wanhoopsdood, dien hij zijn vader had zien zoeken—en—vinden! Al had hij, door eigen zorg en leed overmeesterd, dit ooit kunnen vergeten, die klok, die onbarmhartige klok, deed hem er telkens weer aan denken en schonk hem geen half uur gratie.
Had hij in zijn schrijven aan Claudine nog moed getoond, nog hoop laten doorschemeren om haar te sparen en zich zelf op te winden, in dezen slapeloozen nacht, onder al die kwellende herinneringen, waaraan hij niet kon ontkomen, drukte zijn jammerlijk lot hem in volle, in dubbele zwaarte; dáár voelde hij zich zóó verlaten, zóó troosteloos rampzalig als hij het nooit was geweest. Hoe zou hij nu verder dat harde lot dragen? vroeg hij in de radeloosheid van zijn beklemd en verslagen hart. Waarom? waartoe? wie vergde het van hem? wie had er belang bij? de spotters misschien, onder wier hoongelach hij suf van schaamte het hoofd zou moeten buigen. Wie toch verloor er,—won hij slechts de ruste?
»Barmhartige God! behoed mij voor een einde als dat mijns vaders!” riep hij op eens met sidderende lippen en ten Hemel geheven handen, overmeesterd door de verschrikkingen, waarin zijne wilde mijmeringen hem rondvoerden, en het eenige wapen aangrijpend, dat ze bestrijden konde: het gebed. Dat vlieden tot den Almachtige, dat zich vastklemmen aan de Vaderhand, die hij in zijn gansche leven nog nooit met zulk een gevoel van behoefte had aangevat, oefende reeds terstond een bedarenden invloed uit. Het hielp hem terugzien naar liefelijker beelden, naar zijne moeder, die in strijd en lijden den Heer zocht.
Hij herdacht hare vrome berusting, hare stille tranen, hare vurige gebeden die kracht gaven, hare zachte vermaningen, die opwekten terwijl zij waarschuwden. Hij voelde zich weer kind aan de zijde zijner moeder. Hij ook vond nu tranen, die verlichtten; hij ook vond nu gebeden, de gebeden zijner kindsheid, die den volwassen man weer te hulpe moesten komen bij zijne eerste pogingen om het ideale, het geestelijke leven te vatten; de hoogste werkelijkheid, die hij onder het zwoegen en slooven voor aardschen roem, onder het najagen van aardsch geluk uit het oog had verloren.
O, zeker! hij bad dat hoogere, dat ideale nooit voorbedachtelijk ontkend; hij geloofde er aan in zekere mate, hij had het [159]alleen beschouwd als iets dat boven hem zweefde, zoo hoog en ver, dat het nooit in hem opgekomen was er zich naar uit te strekken. Hij had mee gepleegd die grootste aller menschelijke dwaasheden, door hare algemeenheid juist niet te meer verschoonlijk, die het Evangelisch gezang schetst als het slaven om een wuft geluk:
Dat bij ’t genot reeds vliedt,
En met een handvol stofs begraven,
Wat eeuwige aanwinst biedt.
Hij erkende het nù! Nog niet te laat, om de bede te slaken: »Mijne ziele kleeft aan het stof, maak mij levend naar Uw woord!” Niet te laat om de Jakobsworsteling aan te vangen, die eindigt met het vergezicht van den geopenden Hemel!
Wij beweren niet dat Frits, die geen aartsvader was, maar een kind van zijn tijd, in dienzelfden nacht tot de overwinning kwam, die hem den ladder der gemeenschap tusschen Hemel en aarde gaf te aanschouwen; maar toch was er iets in zijne ziel omgegaan, dat hem kenbaar maakte wàt hij miste, en hij zou bij die ontdekking niet meer blijven wàt hij was en rust hebben; al zou zij ook later door andere indrukken verdrongen worden, altijd weer zou zij opkomen en hem vervolgen, tot zij hem op den weg had gevoerd van den waren vrede,—tenzij hij, door het materialisme overheerd, den strijd opgaf en wegzonk in het stof, waaruit hij zich niet had willen opheffen.
Maar wij hebben betere gedachten van den zoon zijner moeder; de roepstemmen van dien slapeloozen nacht zouden geene verlorene zijn, al werkten zij niet onverwijld en waarneembaar voor ieders oog datgene wat menschelijke wijsheid er van zou gewacht, er van zou gevorderd hebben. Eerst tegen den morgen zonk Frits in een zwaren, doffen slaap, waaruit hij ontwaakte, mat en afgetobt naar het lichaam, maar dies ondanks verfrischt naar den geest, bekwaam om met een kalmer blik zijn toestand te overzien, versterkt in zijn besluit om manmoedig de schouders te zetten onder ’t juk en niet meer te blijven onder den slag van zijne tegenspoeden, maar er zich boven te stellen door er geene andere beteekenis aan te hechten dan die ze werkelijk hadden. Het waren de voorbijgaande lasten en bezwaren der levensreize, die men dragen moest, niet slechts omdat er geen ontkomen aan was, maar omdat [160]ze een doel hadden waarnaar men het eerst moest vragen, en dat wellicht het zekerst bereikt kon worden langs den moeielijksten weg. De afmatting van den slapeloozen nacht, de ernst van zijne overpeinzingen bij ’t ontwaken, drukten haar stempel op het gelaat van Frits, toen hij de gelagkamer binnentrad om zijn ontbijt te nemen. Hij zag er zoo bleek, zoo mat, zoo verouderd uit, dat menige kennis onder zijne stadgenooten hem hier had kunnen vinden, zonder hem te herkennen voor dienzelfden frisschen, levendigen, bevalligen jonkman, die vroeger als een aankomend, beroemd kunstenaar, met zooveel belangstelling, met zooveel bewondering was aangegaapt, nagewezen, toegejuicht!
Baas Koppelman, blij hem nu eens zonder den verdachten mantel te kunnen aanschouwen, nam hem van het hoofd tot de voeten op, en zag nu niets ergers meer in hem dan »een harden heer”, die niet meer zijn wantrouwen wekte, maar niettemin zijne gedienstigheid weinig uitlokte.
Dit gekleede jasje was wel elegant van snid, maar kennelijk reeds druk gebruikt, die zwart zijden das, maar los omgeknoopt, had ook zijne eerste frischheid verloren, en dat vest van violetkleurig fluweel zou wel prachtig genoeg zijn geweest, indien het niet zoo erg verkleurd ware, noch hier en daar zulke vale en kale plekken had gehad; daarbij die geruite pantalon, zooals men in het kleine stadje nog niet droeg, dat was geene deftige of degelijke mans-kleedij, naar zijn oordeel; de vreemdeling had op de nachtlijst de vraag naar zijn beroep oningevuld gelaten. Het een met het ander combineerend, kwam de kastelein tot de onderstelling, dat het een »sinjeur” van een paardenspel of van eene comedie kon wezen, die zijne standplaats kwam bespreken tegen de aanstaande voorjaarskermis.
In die meening werd hij versterkt, toen Frits hem vroeg of hij wist wanneer men op het stadhuis en ter secretarie terecht kon.
»Nou, ik zou wel denken te negen uur!” gaf hij ten antwoord, iets minder bokkig bij het vooruitzicht dat er door een troep paardrijders of comedianten al licht wat levendigheid in het stadje, wat drukte in zijne zaak zou komen.
»Goed, en hoe laat is het nu hier?” vroeg Frits, zijn horloge uithalende, om dat naar de huisklok te regelen.
Een goud horloge! »Nou! dàt valt toe,” dacht de kastelein; [161]»komaan, dan is hij ook wel in staat om zijn logies te betalen. Geen bagage bij hem, het was hachelijk genoeg! Het moet de baas van ’t spul zijn; paardrijders en comediespelers houden er zoo maar geen gouden horloges op na!”
Helaas! hetgeen de kastelein voor een teeken van aisance hield, levert ons het bewijs van verval. Frits had in een oogenblik van geldverlegenheid zijn zilver horloge moeten wegdoen, en gebruikte nu uit nooddwang het dierbare pand dat hij niet mocht verkoopen, volgens de belofte aan zijne moeder gedaan, en die hij houden zou, zelfs al had hij broodsgebrek, zooals hij zich had voorgenomen. Maar toch, zóó hoog was de nood nog niet bij hem gestegen, dat hij er toe in verzoeking kwam. Wel had hij reeds, met het oog op zijn aanstaanden veldtocht, al zijne meubelen en schilders-benoodigdheden te gelde gemaakt, zoodat hij op andere wijze maar toch in meer eigenlijken zin den wijsgeer kon nazeggen: »dat hij al zijne bezittingen bij zich droeg.”
Frits kreeg nu eerst zekerheid, dat hij de schrale gastvrijheid van Baas Koppelman met nog een persoon had gedeeld. Het vermoeden daarvan was bij hem opgekomen, toen hij laat in den avond iemand had hooren rondloopen in de kamer naast de zijne, dan eens met een zwaren, driftigen stap, dan weer langzaam en slepend, als iemand die van verveling zelf niet recht weet wat hij zal aanvangen; ten laatste had hij op een forsche wijze zware krakende laarzen hooren uittrekken, die met een harden bof buiten de deur werden geworpen, zonder eenige verschooning voor het gehoor der mogelijke buren. »Dat’s er een die ageert of hij alleen in de wereld was,” had Frits bij zich zelven gezegd, »denkelijk een van die aannemers, die laat thuis is gekomen, nadat hij er nog eenige glaasjes klare bij gebruikt heeft.”
Werkelijk was er ontbijt klaar gezet voor twee personen, maar de andere logeergast scheen vroeger bij de hand te zijn geweest dan Frits, want hij had het zijne reeds genoten toen deze de gelagkamer binnentrad.
En ruim genoten ook, met toevoeging van eieren en karbonaden, waarvan de overblijfselen nog op tafel stonden. Het hoofd vervuld met zijne eigene aangelegenheden, had Frits op deze bijzonderheid geen acht geslagen, maar de kastelein, die hem nu [162]een praatje schuldig meende te zijn, maakte hem daarop attent, door te zeggen: »Gulzig volk, die Engelschen! Me dunkt dat we hier een fatsoenlijk ontbijt geven, ik veronderstel, zal ik maar zeggen, dat meneer er mee tevreden zal zijn?”
»Volkomen!” antwoordde Frits, die, na zijne reis, zijn kop thee van den vorigen avond en zijn slapeloozen nacht, dringende behoefte gevoelde om er recht aan te doen; en inderdaad, in de eenvoudige logementen der kleine provinciesteden vond men diestijds een onbekrompen ontbijt, waarvoor nu zoowel in de groote hotels binnenslands als in den vreemde grand-extra zou worden gerekend.
»Ik zeg, meneer!” hervatte Koppelman met zelfvoldoening, »het kan er door: tweeërlei kaas, Edammer van de beste die we hier hebben en goede Leidsche, rookvleesch, beschuit en krentebrood, dàt’s ordentelijk, als je er nog kadetjes en wittebrood bij hebt zooveel je lust, en wie geen vraat is heeft er wèl aan; maar meneer, de Engelschman, want het moet een Engelschman zijn, moest er nog lamscoteletten en versche eieren bij hebben, en dàt bij zijn thee, wie heeft er ooit van gehoord, maar hij zal ervoor betalen, dàt spreekt....”
»Zóó, is die heer een Engelschman?” vroeg Frits, minder uit nieuwsgierigheid dan om toch iets te antwoorden.
»Daar houd ik hem ten minste voor, een Engelsche kapitein of zoo iets, die hier om den kaas- en boterhandel is gekomen. Hij koetert zoo wat Fransch, Engelsch en Hollandsch dooreen, en verbeeldt zich dat wij daaruit dan maar begrijpen moeten wat hij eigenlijk wil. Nou, daar we hier meer met zulke vreemde snaken te doen hebben, kan ik er wel mee terecht. Voor hij uitging heeft hij zoo wat gebrabbeld van de »Note”; ik denk dat het zooveel is alsdat hij de rekening vraagt. Nou, ik zal hem dienen met de rekening, daar kan hij staat op maken. Hij is een dag of drie hier geweest, maar hij had zoo’n drukte op zijn lijf, altijd wat bijzonders, met niets tevreden, zooals we het hier geven. Vandaag zal hij wel optrekken, hij staat gepakt en zal vast te negen ure met de diligence meegaan.”
»Vertrekt de diligence al om negen uur?” vroeg Frits, wien deze bijzonderheid meer trof dan de praatjes en mededeelingen van den kastelein omtrent de faits et gestes van den vreemdeling. [163]
»Altijd precies, meneer! je kunt er op rekenen.”
»Zóó, dat’s erg genoeg voor mij,” mompelde Frits binnensmonds, »en wanneer rijdt er dan weer een?”
»Te zes uur, ook precies.”
»Daarmee zal ik dan moeten gaan!” sprak Frits met een gesmoorde zucht.
Het vooruitzicht van nog een ganschen dag ten prooi te blijven aan de smartelijke indrukken en gewaarwordingen, die zijne geboortestad hem gaf, lachte hem gansch niet aan.
»En.... is er geene andere gelegenheid voor vandaag?”
»Te vijf ure de beurtman, en morgenochtend in de vroegte de barge, die vaart driemaal in de week.”
»De beurtman!.... de kaailoopers!....” er ging Frits eene rilling over de leden; »neen, dan was wachten en zich schuil houden in ’t logement nog verkieslijk.”
»Passagiers mee voor de diligence?” vroeg de conducteur, die met het leege, logge gevaarte was komen aanrijden, en zich nu even op den dorpel van de gelagkamer vertoonde.
»De Engelschman zal denkelijk meegaan, maar.... hij is er nog niet!” riep Koppelman hem toe.
Frits nam nu haastig zijn hoed, om alvast buiten de deur te zijn eer er passagiers kwamen opdagen; hij begaf zich langs een omweg naar het stadhuis, om de hoofdstraat te mijden, waar Claudine woonde.
Door den ouden bode niet herkend vóór hij zijn naam noemde, werd hij in de conciergekamer gelaten, in afwachting dat de bureaux open zouden zijn, terwijl de bode hem waarschuwde dat hij nog wel heel lang zou moeten wachten, en dat zulk vroeg komen hem weinig zou baten.
»Toch zoo heel lang niet,” antwoordde Frits; »het zal zoo op ’t oogenblik negen uur slaan; komen de heeren dàn niet op het stadhuis?”
»Ja wel, mijnheer! ze komen dan wel, maar vóór half tien gaan ze er niet voor zitten....”
»Zóó, dat’s mooi! en waarom niet?”
»Ziet u, mijnheer! de secretaris komt zelf eerst tegen tienen en vóór die er is beginnen ze ook niet. Ze houden een praatje, en lezen de Staats-courant, die de post gebracht heeft; nu, een mensch is er dan ook nieuwsgierig naar; alle dagen wat anders, [164]en maar zelden wat goeds. Wat een tijd, mijnheer! wat een tijd? die muiters, die muiters! dat is wat te zeggen; maar ze zullen der nu van lusten; ik hoor, het zal er op losgaan, onze Hollandsche jongens zijn niet voor niet uitgetrokken! En je zult het zien, als ze niet anders kunnen, dan doen ze allemaal net als van Speijk: de lucht in met de blauwkielen!”
Met dit knal-effect trok de bode af, niet zeer gesticht door de weinige spraakzaamheid van Frits, wiens geduld toch niet op zóó harde proef werd gesteld als het oudje hem had doen vreezen.
Nadat hij eenige minuten alleen was gebleven, trad er een heer binnen, die van den concierge reeds vernomen had wie er wachtte.
»Wel, hé, Frits! gij hier?” riep eene bekende stem, terwijl hem de beide handen gul en haastig werden toegestoken.
»Bram Duinstee! dat tref ik, ben jij hier klerk?”
»Een trapje hooger! een trapje hooger, vriendlief! of je mankeert mij!” riep deze lachende. »Ik ben niets meer of minder dan ambtenaar van den burgerlijken stand; geen baantje om schatrijk bij te worden, een povere zeshonderd gulden, maar wat zal ik je zeggen, op een notariskantoor is het ook niet alles, en.... maar jongen! ben je ziek geweest? Je ziet er vervallen uit!”
»Mij scheelt niets, niets,” sprak Frits, sterk kleurende en in zekere verwarring, »ik.... ik....”
»Nu ja! je behoeft me niets te vertellen, ik ben zoo’n loshoofd, dat ik er op dit oogenblik niet aan dacht.... ik moest het niet eens gemerkt hebben, dat je er wat bleek en wat mager uitzaagt, ik begrijp wel wat er hapert.”
»Er hapert, dat ik mijne papieren noodig heb, en sinds dat in je emplooi valt moest je mij den goeden dienst bewijzen om er mij maar eens gauw aan te helpen,” sprak Frits met eene poging om in den lossen opgewekten toon van zijn ouden schoolkameraad mee in te stemmen.
»Wel, met alle pleizier, kom mee naar boven, als ik maar weten mag waarvoor ze dienen moeten, dáár komt het op aan!”’
Al sprekende waren zij de breede trap opgestegen en Bram opende eene kamer, die vrij ruim was, maar zeer laag van verdieping en waaruit eene gloeiende hitte hen tegenstroomde. Niet vreemd; de voorjaarszon scheen op de ruiten, en een groote kachel stond gloeiend! [165]
»Ik geloof dat ik noodig zal hebben mijne geboorte-akte, een bewijs dat ik aan de militie voldaan heb, en....” begon Frits, nadat hij den hem aangeboden stoel had ingenomen, terwijl Bram zich op het hooge met leer bekleede kantoorstoeltje plaatste.
»Zeg maar waar je ze voor noodig hebt, dan zal ik wel zorgen dat je alle stukken krijgt die er wezen moeten.”
»Ik wensch als vrijwilliger uit te trekken met de Noord-Hollandsche schutterij....”
»Jij, Frits? mijn hemel, jongen! wat is dát voor een inval! Heb je zoo’n vaderlandsch hart, dat je er de heele kunst aan geeft! want schilderen met het penseel en schilderen met het geweer dàt gaat niet samen,” sprak Bram genoegelijk lachende dat hij dit jeu de mots kon plaatsen.
Frits zuchtte tot eenig antwoord en wendde het hoofd af.
»Een slechte tijd voor de kunst, hè? als voor alles, niet waar?” zei Bram op meewarigen toon, »maar jongelief, ik dacht dat jij zoo’n matador waart, en dat het je niet hinderen zou al bleef je eens een jaartje met je schilderijen zitten.”
»Och! was dàt het eenige,” bracht Frits uit met een pijnlijken glimlach.
»Ja! ja! daar is meer, ik versta je, ik kan het best begrijpen dat je naar de grenzen wilt, liefst nog er over; en ik geef je gelijk als je ’t met je werk schikken kunt. Nu, voor de stukken zal ik zorgen, wees daar gerust op. Zeg maar waar ik ze adresseeren moet; daar vallen natuurlijk eenige kosten op, doch die komen nà.”
»Kan ik ze niet meenemen?”
»Meenemen! hm!.... hm!.... hoe meen je dat? Blijf je lang in E.?”
»Ik zou liever nog in den voormiddag gaan dan van avond; gij zoudt mij een waren vriendendienst bewijzen als je mij daaraan helpen wildet!”
»Willen, met al mijn hart; maar je begrijpt, het is tegen de gewoonte en ik ben hier niet alleen baas! Ik kan de stukken wel direct stellen, maar er moet kopie van gemaakt worden op zegel, dàt moet de klerk doen; daarbij moeten Burgemeester en Secretaris beiden ze contrasigneeren, dáár moet men hun gelegen tijd voor afwachten, en ’t is tien tegen één dat dit alles vandaag lukt!” [166]
»Dat spijt mij ontzaggelijk,” hernam Frits op een toon, die al zijne teleurstelling uitdrukte. »Ik ben er expres zelf om gekomen, en—in vertrouwen tegen u gesproken—ik heb reden om te wenschen dat mijn verblijf hier zoo kort mogelijk zij, opdat het niet ruchtbaar worde, dat ik hier geweest ben; ik kan het je niet meer duidelijk maken, maar geloof vrij dat het mij eene geduchte kwelling zou zijn zoo ik hier nog een dag of wat, ja zelfs een enkelen dag moest overblijven.”
»Je behoeft mij niets te zeggen,” zei Bram met meegevoel zijne hand drukkende. »Ik weet er alles van. Ik heb ook eens een ongelukkig engagement gehad, en hoe luchtig van aard ik ook ben, het kostte mij heel wat moeite om er over heen te komen. Wat ik doen kan om je gauw te helpen is je beloofd,” en reeds nam hij zijne registers ter hand, sloeg ze open en ving aan zijne notities te maken, terwijl Frits het zwijgend aanzag, onaangenaam getroffen zich dus geraden te zien, maar zonder lust of moed om de waarheid te ontkennen en de onderstelling af te weren.
»Komaan! dat zal wel gaan, daar is alles wat wij hebben moeten, op de militiezaken na. Ja! dat’s erger, die zijn niet van mijn departement.... als nu sinjeur Verjuus maar meewerken wil, dan is het niemendal! Wacht eens, mijn factotum zal er wel raad op weten.” En opwippende liep hij naar eene zijdeur in het vertrek, opende die en riep door de reet heen.
»Eilieve Mosje! kom eens even hier.”
De persoon, die op deze benaming antwoord gaf, door zich onverwijld te vertoonen, was een jonkman van even in de twintig, die zeer klein van gestalte was en nog met een vervaardelijken bult was bezwaard daarenboven. Hij kwam binnen met de pen achter ’t oor. Zijne bleekheid, zijne magerheid, zijne oudsche trekken, die hem bijkans het voorkomen gaven van een veertiger, wekten evenveel deernis als zijn kale zwarte rok en zijn papieren boordje, dat voor al het overige afwezige linnen moest volstaan. Een echte pennelikker, veroordeeld om levenslang op ééne hoogte of liever laagte te blijven, zoowel door de natuur als door de maatschappij als stiefkind behandeld. De kleine, groengrijze oogen, levendig en schrander, schenen echter aan te duiden, dat hij naar den geest minder misdeeld was dan naar het lichaam.
»Luister, Mosje!” zei Bram, half gemeenzaam, half gebiedend, [167]»hier zijn een paar stukken, maak jij die nu eens heel gauw voor me in orde! Op zegel, hoor! en netjes zooals we dat van je gewoon zijn.”
»Wat noemt u heel gauw, mijnheer Duinstee!” vroeg Mosje met een tintje van nurksheid.
»Mijnheer Rosemeijer hier, wou er op wachten, je zoudt er hem en mij een heel groot pleizier mee doen, weet je!”
»Wachten! er op wachten!” herhaalde Dumos (want dàt was eigenlijk zijn naam) en zag Frits aan, de oogen wijd opengespalkt van verbazing, dat er zulk eene begeerte in diens hoofd was opgekomen.
»Ja, mijnheer moet vandaag nog weer weg en heeft er wel wat voor over als ’t in orde komt, niet waar?” hernam Bram, zich met die vraag tot Frits wendende.
»Wel zeker!” riep deze, verheugd dat er kans scheen op de vervulling van zijn wensch.
»Ik zal mijn best doen! dat is alles wat ik zeggen kan,” beloofde Mosje met een zweem van vriendelijkheid, nadat hij de papieren had ingezien, hem door Bram ter hand gesteld, en reeds maakte hij eene achterwaartsche beweging om heen te gaan.
»Ja, maar mijn beste Dumos! er is nog wat,” hervatte Bram. »Weet je ook of mijnheer Verjuus van de militiezaken al op zijn bureau is?”
Dumos knikte van ja.
»Heeft hij het druk?”
»Hij bestudeert het Journal de la Haye,” antwoordde Mosje met een ironiek glimlachje.
»Zie jij dan dat hij dat stuk van de militie voor ons in orde brengt, maar direct, versta je; hij kan er de kosten voor rekenen, het wordt niet gratis gevraagd.”
»Mijnheer Duinstee! u weet wel dat Verjuus traag is....”
»Dat weet ik ook wel, maar de prikkel van uwe activiteit, vriend Dumos....”
»Mijne activiteit, nu ja! als ze dáár exempel aan nemen, die heeft me vèr gebracht, dàt moet ik zeggen.”
»Komaan, Mosje! niet zoo moedeloos, wie weet waar je hier zit eer we een jaar verder zijn! Als je hoofd er maar toe staat, ben je een echte drijver, als jij er niet waart zou er niet veel worden afgedaan, dat weet de Burgemeester ook wel; en zie je, de Secretaris wordt oud, die zal behoefte krijgen aan zijn pensioen....” [168]
»Dat zal mij wat helpen; zijn post is weggelegd voor mijnheer Duinstee,” merkte Dumos aan met een pijnlijken glimlach.
»Wel mogelijk! Maar dan is er immers ook wat voor mijn ouden vriend Mosje in ’t zout.”
»Enfin, we zullen zien!” hernam de klerk met een schouderophalen, dat niet van vast geloof getuigde.
»Nu we van den Secretaris spreken, zal jij zorgen dat hij ze teekent als de stukken klaar zijn?”
»Ik zal ’t probeeren....”
»Wanneer kan de Burgemeester hier wezen?”
»Om elf ure is het zitting.”
»Mooi! daar reken ik op. Vóór elven kán alles klaar zijn, als zij nu maar willen, en dan zie ik den ouwe te snappen om de hanepooten te krassen, die zijn naam verbeelden. Het overige is je aanbevolen, Mosje! dat’s net een kolfje naar je hand; toon ons eens wat je kunt, mijn brave, het zal je niet berouwen, mijnheer hier zal het goed met je maken.”
Mosje antwoordde niet, maar nam Frits opnieuw in oogenschouw met een scherpen, naijverigen blik, als benijdde hij dezen al zijne voorrechten. Opgeruimd zag hij er wel niet uit, maar.... zoo’n fraaie gestalte, en dan zoo’n talent! Het was immers diezelfde Frits Millioen, waar men vroeger zooveel over hoorde spreken! Die behoefde niet dag in, dag uit, het heele jaar door aan den lessenaar te zitten; die werd niet half uit goelijkheid, half uit spotlust »Mosje” genoemd; die was: »Meneer de schilder, hm! ja toch, meneer Millioen! als hij, Dumos, nu maar durfde, dan zou hij....” Maar neen! hij durfde niet, er viel wat te verdienen en Bram was toch eigenlijk zijn chef, en al hield die van een grapje, hij kon kwaad worden ook; neen, hij durfde niet en hij ging zwijgend heen! Had hij kunnen weten wat er in dien benijde, bevoorrechte omging, terwijl hij daar moest zitten wachten, licht had hij zich zelf de gelukkigste geprezen!
Toen hij weg was, scheen Bram voor ’t oogenblik niets meer te doen te hebben. Hij keerde zich om op zijn tabouret, met den rug naar den lessenaar en zei tegen Frits: »Ik zou je wel voorstellen om te rooken tegen de verveling, maar dat is hier het gebruik niet, en als ik het doe kan ik het de klerken niet verbieden. Wil je een snuifje?” en hij gaf zelf het voorbeeld.
»Dank je wel! Ik verveel mij niet. Ga gerust aan je werk.” [169]
»Och! daar is niet veel en wàt er is kan wachten. Ik behoef je niet te zeggen, Frits, dat ik er raar van opgekeken heb, toen ik dat hoorde van Dientje Verburg! Ja! ja! die vrouwen, daar is toch maar niet op te rekenen. Ik weet wel, het heette geen engagement van jelui, maar toch.... iedereen wist het, iedereen vroeg: wanneer zouden die twee toch eens trouwen, en daar hoor ik nu op eens dat zij.... foei, neen! ’t is leelijk, dàt kan geen inclinatie zijn, dàt niet.”
»Wat niet, wat is er, wat valt er voor met.... juffrouw Verburg?” vroeg Frits, op het pijnlijkst verrast en wien ’t onmogelijk viel zijne brandende nieuwsgierigheid te beheerschen.
»Wel, ik dacht dat je ’t wist.... ze gaat trouwen met een schatrijk heer uit Oost-Indië; een man van haars vaders leeftijd bijna.”
»Nu al!” zuchtte Frits, terwijl hij de hand naar ’t hart bracht, als voelde hij dáár de pijl die getroffen had; maar bij een oogenblik nadenkens herstelde hij zich, en hoewel bleek van aandoening, sprak hij met vuur: »Neen! neen! dat is onmogelijk, dat is logen en laster, Bram! Niet van u, dat geloof ik wel, maar.... ze zijn zoo babbelachtig in dit stadje!”
»Leugen en laster! ik wenschte voor je dat het zóó ware, maar ’t is de waarheid; zij teekent van avond aan. Om zeven uur moet ik er heen, om hen in te schrijven!”
»Nu, het is zóó goed, heel goed!” sprak Frits, met sidderende lippen, terwijl hij de tranen trachtte terug te houden, die hij voelde opwellen.
»Kon ik ook denken dat gij daar niets van wist!” riep Bram getroffen door het zien van eene smart, die hem ter harte ging, »waarom heb ik mijn mond niet gehouden....”
»Dat zou het gebeurde niet veranderd hebben,” antwoordde Frits zachtmoedig, »en.... weten moest ik het immers toch....”
»Nu ja, maar ze heeft je dan wel slecht behandeld, niet eens haar woord teruggenomen! dat heeft de mijne ten minste gedaan. Neen zie, ik meende dat je uit baloorigheid mee uittrekken gingt.”
»Daar is wat van aan,” bekende Frits, »maar zij heeft geene schuld; ik heb.... haar afgestaan; zij is.... vrij; maar ik wist niet, ik had niet kunnen wachten, dat zij zooveel haast zou gemaakt hebben met.... met.... dat andere.” [170]
»Ja, wat zal ik je zeggen, Frits! daar wordt zoo wat gemompeld, dat de oude heer Verburg wrak staat, en het is heel wel mogelijk dat zij het om haar vader doet. De Nabob moet een doordrijver zijn, die alles kan krijgen wat hij hebben wil. Verleden zomer heeft hij hier een huis gekocht, het mooiste van de stad, en van den grond af laten hernieuwen. Meubelen, tapijten, behangsels, alles is uit den vreemde gekomen, het moet er zijn of je in een paleis komt. Al onze jonge meisjes hebben dezen winter zoo wat half om hem gevrijd, hij zelf maakte juffrouw Verburg het hof; hij moet zóó verliefd zijn geworden op hare mooie stem, en hij zal haar zulke schitterende voorstellen hebben gedaan, dat zij zich heeft laten verblinden en meeslepen; maar mooi vind ik het niet!”
Bram had nog heel lang kunnen doorpraten, zonder dat Frits hem zou gestoord hebben, die roerloos neerzat om met den heldenmoed van een zedelijken Winkelried al de spietsen van de smart samen te vatten en zich in de borst te laten drukken. Hij wilde alles weten, alles hooren, niet om Claudine te haten en te verachten, maar om haar zacht te beoordeelen, om haar vrij te spreken zoo het mogelijk ware.
»Ja, zoo zal het zijn, ik begrijp nu alles!” sprak hij overluid, hoewel niet voor zijn toehoorder. »Die haast die Verburg had.... hare gedruktheid, haar verlangen dat ik zou komen.... zij wordt opgeofferd, ik ben er zeker van, en ik... ik kan, ik mag er niets tegen doen!” En de handen voor de oogen drukkend bleef hij in diepe zwijgende neerslachtigheid zitten.
De goede Bram was er verlegen mee; hij wist niet wat hij zeggen zou om die bittere droefheid te troosten.
»Gelukkig dat het leven kort is!” riep Frits opspringende en de tranen afwisschende, die hij nu toch lucht had gegund; »gelukkig dat we weten waar we heengaan, waar we balsem vinden voor zulke smarten.”
»Frits, jongelief, beste vriend! wat gaat er in je om?” vroeg Bram verschrikt, en zijne beide handen vattende; »je wilt toch je leven niet verkorten; als je daarom dienst zoekt, dan.... dan.... gooi ik je papieren zóó in de war, dat je ze in geen drie maanden krijgt.”
»Neen, wees gerust!” antwoordde Frits met een kalmen glimlach, hoewel nog met vochtige oogen, »zóó bedoel ik het niet; [171]maar de tijd is kort, altijd kort voor iedereen, meest voor hen, die aan wat anders kunnen denken, en die den zwaren, bangen droom die men leven noemt vergeten kunnen voor....”
Daar trad Dumos binnen, met zegevierende hand de stukken in de hoogte houdend.
Frits keerde zich haastig naar den muur en bekeek de kaarten en tabellen die er hingen met eene attentie of hij ze instudeeren moest. Waarheid is, dat hij ze niet eens onderscheidde!
»Mijnheer Duinstee! daar zijn ze nu allen. Verjuus is klaar gekomen en de Secretaris heeft geteekend!” riep Dumos met schitterende oogen, in de volle fierheid van zijn triomf.
»Nu, Mosje! dat’s een meesterstuk van je, maar ik wachtte zoo iets,” zei Bram met voldoening. »Ziezoo, dat’s in order, nu teeken ik ze ook, en dan moet de Burgemeester er aan; ’t is nog geen elf, het komt precies uit,” en in ’t voorbijgaan fluisterde hij Frits in: »Stop hem nu een paar drieguldens in de hand!”
Werktuigelijk haalde Frits zijne beurs uit, en gaf het eerste stuk geld het beste dat onder zijne vingers kwam aan Dumos, die verrast en diep buigend de kamer verliet.
»Drommels, een tientje!” juichte de klerk, toen hij buiten was, »die schilders! dat’s me een volkje, die hebben ’t goud maar voor ’t opscheppen, en dan nog zoo van tijd tot tijd hun naam in de krant met allerlei moois er bij. Ja! dat’s voor arme sukkels als wij zijn niet weggelegd.”
Weer kwam de misnoegde trek op zijn gelaat; de afgunst had de vreugd over het extraatje bedorven!
Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe, want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd; hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg haar »geluk” noemde [172]in den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch—had hij zelf haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart; moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde, hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn; zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen, om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven, dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn, zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen, al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.
»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?” met die vraag van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht.”
»Als ik hier blijven moet,” antwoordde hij, nog niet recht bij de kwestie, in eenige verwarring.
»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen.”
»Wordt hier table d’hôte gehouden?” vroeg Frits die zijn best deed om zich in de situatie van ’t oogenblik te voegen.
»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en in [173]de kermis is er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden, in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden, want ik heb eene goede kokkin—al zeg ik het zelf. Maar wat helpt me dat nu, de commis-voyageurs,—als ze er zijn, maar dit jaar zijn die ook al schaarsch,—de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om met den Engelsman mee te doen die nog hier is—want hij kwam te laat voor de diligence—en die tusschen twaalf en half een zijn tweede ontbijt gebruikt, dat hij luns noemt, en daar we weer wat warms voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen....”
»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde,” viel Frits in om er af te wezen.
»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw gaat trouwen.”
Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.
»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?” vroeg hij op eens met een plotseling besluit.
»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence; als wij die benadeelen dan doen zij ’t ons ook!”
»Wat moet het kosten?” vroeg Frits dringend, zonder zich om die praatjes te bekommeren.
»Als meneer zoo’n haast heeft, tien gulden!”
»Alleen naar halfweg, dat’s afzetterij! maar dat doet er niet toe, laat inspannen,” hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.
De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischt [174]werd, beweerde Frits, wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde en de gelagkamer verliet.
Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette, nam deze par manière de contenance eene courant in handen en ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.
Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen, hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:
»’t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en daar komt nog niets.”
»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom, en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?”
Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was de scène tusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan, en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval, zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:
»Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir—and he charges so much as it is bad,” eindigde hij in zijne eigene taal. [175]
Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken; want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar,” vervolgde hij nu weer in ’t Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en bestel het bij een ander.” Al sprekende had hij zijn horloge op tafel neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.
»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen,” hernam deze brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen; ’t is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt.”
Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.
De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen, terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:
»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt, wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!”
Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling toegekeerd. [176]
»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te maken van uw aanbod?” vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.
»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!” antwoordde de vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere paarden bespannen die, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed waarborgden.
»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan,” sprak Frits, geheel gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak uit het gelaat van den Brit.
»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?”
»Rosemeijer!”
»Your health master Rosemeijer!” sprak nu de vreemdeling, terwijl hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote nauwkeurigheid teruggaf.
»De uwe, master Wilkinson!” riep Frits, met levendigheid zijn voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog op te houden.
Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een trouwhartig shakehands.
»Denkt meneer ook te gaan?” vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren laat!” mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie van dat gemor.
»Yes we are going! pay yourself,” en Wilkinson wierp hem een Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.
Frits vroeg ook naar zijne vertering.
»Dat heeft nog geen haast,” gaf Koppelman ten antwoord met eene bedoeling die licht te raden was.
»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee.”
»Zoo, dat’s ’n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder moment komen kan.”
»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en verklaag je van afzetterij,” sprak Frits nu met vastheid maar [177]zonder drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort: »Neem daar af wat je toekomt.”
»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee rijdt,” sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf, de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig en wat meer gedwee.
Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen, daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.
»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen,” sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!” en hij stelde het hem ter hand.
Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.
»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn,” sprak hij het zorgvuldig bij zich stekende.
»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk, zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude repetities, ze maken die nu beter.”
»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie is?” vroeg Frits wat verwonderd.
»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te onderstellen, die ik u zeggen zal als we confortable in ons rijtuig zitten!”
»Klaar koetsier!” en de staljongen-kellner sloeg het portier dicht dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.
Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden, kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.
»Komt van?” vroeg Koppelman schrijvende.
»Van mijnheer Verburg,” antwoordde de knecht.
»Voor wie?” vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het bureau der diligence.
»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam, cito-cito.” [178]
»Nou! dat’s al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart, had hij het zelf kunnen meenemen!”
Bram Duinstee had geen logens verteld. Dien eigen avond tegen zeven ure ging hij, in een plechtigen zwarten rok gekleed en met zijne ambtelijke portefeuille onder den arm, naar het huis van den heer Verburg om den eersten schakel te smeden van de keten, die Claudine voor het leven aan den heer Veere binden zou.
Er wachtte hem echter eene ontvangst, waarop hij wel niet had kunnen rekenen.
Eerst liet men hem een kwartier lang op de stoep staan, en toen hij door een herhaald bellen zijn ongeduld had getoond, werd er niet geopend door den ouden huisknecht in ’t ceremoniëele Zondagspak, zooals hij zich voorgesteld had, maar door eene zoogenaamde noodhulp-keukenmeid, die in plaats van hem behoorlijk binnen te laten, op het punt stond de deur voor zijn neus dicht te slaan, zeggende: »dat mijnheer bij de juffrouw was, en geen mensch kon spreken!”
Op zijn aandringen en bij de luide verzekering dat hij de ambtenaar van den burgerlijken stand was, die ontboden en op ditzelfde uur te dezen huize verwacht werd, liet ze hem in de spreekkamer en ging den knecht waarschuwen.
De oude getrouwe kwam langzaam, bijna op de teenen aansluipen, zag er zeer gedrukt en verlegen uit, en vroeg met eene zachte trillende stem, verschooning: »dat men mijnheer niet had afgezegd; in de drukte was dat vergeten, mijnheer moest het niet kwalijk nemen.”
»Maar wat is dat dan voor drukte?” vroeg Bram half korzel, half nieuwsgierig, »waarbij zoo iets vergeten wordt; ik dacht dat jelui het vandaag met niets druk zoudt hebben, dan met de partij.”
»Dat was ook zoo, mijnheer! maar de juffrouw is van der zelve gevallen toen ze zich zou gaan kleeden, en nu is ze ziek, zoo [179]ziek dat de dokter er al tweemaal geweest is, en mijnheer niet van haar bed wijkt.”
»Wel, wel! dat’s eene teleurstelling voor den bruigom op het tipje,” zei Bram zelf wat in zijn wiek geschoten, »dat aanteekenen zal dan wel voor lang uitgesteld zijn?”
»Als het maar niet afgesteld is voor goed?” zuchtte de goede, oude man, nu zijne smart niet langer beheerschend, »want ze komt er niet door, ze komt er niet door, dat geloof ik vast!”
»Kom, zie maar moed te houden, de juffrouw is nog zoo jong, wat ziekte is het?”
»Ze zeggen erge zenuwkoortsen, zij ijlt, zij is buiten kennis, met ons tweeën hebben wij haar haast niet....”
Een schrille, snerpende gil werd nu uit een der bovenvertrekken gehoord. Jacob bracht den volzin niet ten einde, maar vloog naar boven en liet Bram in den steek, die stillekens wegsloop met de overtuiging, dat hij hier vooreerst niet weer behoefde te komen. »Had Frits nu maar zoo’n haast niet gemaakt,” sprak hij bij zich zelven, »dan zou ik hem dat toch nog kunnen meedeelen, maar ook.... waartoe. Hij kan haar toch niet meer krijgen.”
Zoo de heer Verburg had kunnen berekenen aan welke zielverscheurende smart hij zijne dochter ten prooi gaf, toen hij op hare scheiding van Frits aandrong en haar bewoog aan de wenschen van den hartstochtelijken Oosterling gehoor te geven, zou hij zeker zijn innig geliefd, eenig kind niet op zulke proef hebben gesteld. Maar hare zelfbeheersching, hare zedelijke kracht om onder uiterlijke kalmte de smartelijkste aandoeningen te verbergen en iedere heftige uiting daarvan te beheerschen, tot ze in eenzaamheid op hare kamer neerzat, deze kracht, die naar zijn gevoelen boven haar vermogen ging, had hem misleid. Het is nu eenmaal het lot van diepe, fijnvoelende naturen, die gewoon zijn naar binnen te leven en haar lijden weten te verbloemen, dat zij minder gespaard worden dan degenen wier indrukken zich terstond in een tranenvloed lucht geven of met sprekende gebaren en roepingen van wanhoop.
Ware Claudine met een kreet van smart in onmacht gevallen op het eerste gezicht van het onheilspellend pakket, op het eerste woord eener beschuldiging tegen Frits, haar vader zou haar met zijne eischen en bezwaren niet verder vervolgd hebben. Hij zou [180]niet aangedrongen hebben op een offer dat allermeest voor zijne belangen werd gebracht. Maar toen zij die eerste schokken doorstond, als eene die wel diep getroffen is, maar niet ten bloede toe gewond, toen begreep hij dat de pijnlijke operatie maar in eens moest worden doorgezet, wel gerust dat zij er niet aan zoude doodbloeden en in gemoede overtuigd dat hij de wijste partij koos die er te nemen viel, in haar belang en in het zijne. Het verdere van dien dag bracht Claudine door in strenge afzondering, den ganschen nacht waakte zij en worstelde met zich zelve en streed met het onverbiddelijk wapen van den plicht tegen hare innigste wenschen, hare lievelingsdroomen en de teerste genegenheid des harten en meende na dien strijd de overwinning gebracht te hebben aan de zijde waar die behoorde, toen zij des anderen daags met een bleek en mat gelaat, maar toch met eene houding waaruit kalmte en berusting sprak, haar vader de morgengroete bracht.
Toen Veere gekomen was, had zij hem ernstig maar minzaam ontvangen en de sidderende hand in de zijne gelegd, die hij terstond had gekust met eene hartstochtelijkheid waaronder zij van innerlijken weedom trilde. Gelukkig voor haar dat hij zich welhaast tot haar vader keerde om met dezen de materiëele belangen te bespreken, op zulke wijze dat het den goeden Verburg voor de oogen schemerde bij al de schatten die hij blinken liet. Bruidsgave voor Claudine, speldegeld voor Claudine, douairie voor mevrouw Veere, dat alles werd door hem met Oostersche vrijgevigheid vastgesteld; het was of hij versmaadde met duizenden te rekenen en of alleen tonnen gouds de uitdrukking konden zijn zijner liefde, als het Claudine gold.
En Claudine? Zij zat het al zwijgend en roerloos aan te hooren, maar zij zou er niets van kunnen navertellen; zij had niet geluisterd.
En toen Veere, die heimelijk op eene uitroeping van verrassing, op een blik of een woord van dankbaarheid had gerekend, haar vroeg of zij tevreden was, »of zij ook iets meerders, iets anders bedoelde?” klonk haar antwoord wel wat vreemd.
»Verschoon mij, mijnheer! ik heb geen verstand van handelszaken!”
Mogelijk ware alles goed gegaan, zoo men de wonde van haar hart tijd gelaten had om te genezen, zoo men haar althans tijd had [181]gelaten om te bekomen van den eersten schrik en zich te gewennen aan het denkbeeld eener lotswisseling, die onvermijdelijk scheen geworden. Maar de hartstocht van den Indiër en de gejaagdheid waarin haar vader verkeerde, lieten haar tijd noch rust, en Veere, die reeds de ervaring had dat hij alles met zijn geld kon dwingen, zag nergens zwarigheid in; hij belastte zich met alle voorloopige schikkingen en wist het door te drijven dat de ondertrouw reeds de volgende week zoude plaats hebben.
Claudine, onverschillig voor alles sinds ze Frits had moeten opgeven, had geen tegenstand geboden, zij liet anderen voor haar schikken en handelen; wat zeide het haar, het offer waartoe zij zich bereid had verklaard, iets vroeger of later te brengen, er was toch niet aan te ontkomen, en hoe eerder het dan volbracht was hoe beter; in het onherroepelijke zou zij het beste kunnen berusten, stelde zij zich voor en verbeeldde zich dat zij die kille lijdelijkheid zou behouden onder alles en tot het einde.
Maar zij had te veel van haar hart gevergd, te veel van hare krachten gewacht.
Op denzelfden voormiddag toen Frits in smartelijke gedachten verdiept haar huis was voorbijgegaan, dat hij in ’t eerst opzettelijk had vermeden, stond zij voor hare kaptafel om zich te kleeden. Veere zou dien middag met enkele vrienden en de wederzijdsche getuigen bij haar vader dineeren; na de formaliteit van het aanteekenen, dat volgens den bruigom in spe, onder de thee kon plaats vinden, zou hij eene schitterende partij geven in zijn huis, en voor het eerst zijne bruid zijne prachtige salons binnenleiden, op het schitterendst verlicht en feestelijk met bloemen en draperieën getooid, opdat zij van hare aanstaande woning den gunstigsten en behagelijksten indruk zoude krijgen.
Claudine, die eene verbintenis des harten zeker liefst in den stillen huiselijken kring zou gevierd hebben, vond in luidruchtig feestgewoel geen bezwaar, maar veeleer zekere veiligheid, daar het haar gelegenheid liet om zich als in zich zelve te isoleeren te midden van de drukte rondom haar; maar voor een bruidsfeest moet men zich tooien en Veere had haar ’s avonds te voren een juweelkistje aangeboden van het fijnste Japansch verlakt, met zilver beslag, waarin onder allerlei sieraden van diamanten en gesteenten een parelsnoer werd gevonden van zeldzame grootte en zuiverheid. Hij verlangde dat zij zich daarmee zou [182]sieren op dien dag; zij had het hem beloofd met een zacht pijnlijk glimlachje en zij wilde woord houden. In doffe onverschilligheid had zij zich laten kappen, een kostbare kam in den vorm van een diadeem met diamanten sterren was haar in de blonde vlechten gestoken, maar toen de kapper vertrokken was, had zij ook hare kamenier weggezonden, onder voorwendsel dat zij zich zelve wel konde kleeden voor het diner, en dat er beneden nog allerlei te schikken was waarbij dier hulp te pas kwam. Zij was gelukkig dit voorwendsel gevonden te hebben om alleen te blijven. Het moiré zijden kleed, dat later door een avondtoilet van Indische goudstof zou vervangen worden, lag op de canapé uitgespreid; zij zelve viel daarnevens op de knieën en bad, bad vurig voor haar vader, voor haar zelve, bad allermeest om kracht, slechts kracht om met kalmte te lijden en dat lijden voor anderen te kunnen verbergen; zij smeekte niet om aardsch geluk, zij had met dien wensch afgerekend, maar slechts om moed om haar kruis te dragen, want zij voelde reeds nu dat zij bijkans onder de zwaarte er van bezweek.
Dat hare tranen stroomden onder dat gebed, dat ze de prachtige robe bevochtigden, waaraan zij niet eens dacht, is niet te verwonderen; maar toen zij oprees voelde zij zich gesterkt en dacht zich bekwaam om een offer te brengen dat zij haar bruidegom achtte schuldig te zijn. Dat vorstelijke paarlsnoer moest een fijn gouden kettingje vervangen waaraan een klein medaillon hing, haar door Frits gegeven, dat een vlechtwerk van zijn haar bevatte, en dat zij altijd gedragen had van den dag af, dat hij het zelf met van aandoening bevende vingers om haar hals had gehecht; nu moest het weg, nu moest het.
Zij mocht het niet eens behouden, zij zou het in het pakketje doen, dat zij voor Frits had bestemd; maar hij moest het weten dat zij het niet dan op het uiterste had afgelegd. In zenuwachtige haast voegde zij nog eenige regelen bij den langen brief, die aan Frits moest gezonden worden, deed het geliefde kleinood af, legde het in ’t foudraaltje en sloot dat bij het overige in. Nu zou alles wel gaan, meende zij, nu kon zij alles; nu had zij met het verledene, met den band harer liefde gebroken voor altijd. Voor altijd!—zij drukte de tranen weg die nog weer wilden uitbarsten, en liet het gloeiende hoofd even rusten tegen de glasruiten als om het te verkoelen. [183]
Hare kamer op de eerste verdieping zag op straat uit, eene lieve vroolijke kamer voor de dochter des huizes en geheel naar haren smaak ingericht.
Die ook moest zij verlaten, die ook, voor een prachtig boudoir, voor een rijk salon, dat is waar, maar—dat zij met een vreemde zou deelen. Was het vreemd dat zij eenige minuten lang half bedwelmd van aandoening in dezelfde houding bleef—naar buiten starende, zonder te zien,.... dan, wat was dat, wat gaf op eens weer haar oog leven en bezieling? was het de wilde gloed van een heftigen schrik?
Frits! Frits, was hij het, die haar voorbijging, hij zelf? Was hij voorbijgegaan, in dezen oogenblik, hij zelf! en toch niet dezelfde meer, zoo bleek, zoo vermagerd, het hoofd gebukt als in diep gepeins, achteloos gekleed; met den ongeregelden stap van den waanzin schreed hij daar voort vlak langs hare woning heen, zonder opzien of omzien, eene schim van zich zelf! Maar het was ook slechts eene schim, hij kòn het niet zijn, hij niet, had hij dus kunnen voorbijgaan! Onmogelijk! hare opgewekte verbeelding tooverde haar dit schrikbeeld voor, zij had zich zelve dus verdiept in ’t verledene, waarvan zij nu scheiden moest, dat zij in den eersten voorbijganger den besten, den vriend meende te herkennen met wien zij zich bezighield. Deze gedachten schoten haar als met de snelheid des lichts door het hoofd, terwijl zij zonder het te weten of te willen een kreet had geslaakt van schrik en verbazing, die haar kamermeisje bewoog zich opnieuw te vertoonen, met de vraag of de juffrouw iets scheelde?
»Niets, Mientje! niets, je moest me nu maar helpen,” sprak Claudine, zich zelve trachtende te beheerschen en in de hoop dat de tegenwoordigheid van eene andere haar het best zou beschermen tegen een vernieuwd spel harer verbeelding.
»Ja juffrouw, ’t is ook hoog tijd; mijnheer Veere zou komen koffiedrinken, en die is niet te houden van ongeduld als hij de juffrouw niet beneden vindt.”
En al pratende ving het meisje hare taak aan. Claudine liet zich opschikken, zwijgend, lijdelijk, gevoelloos bijkans; »niet anders dan of ik een wassen pop had aan te kleeden,” getuigde Mientje later; »ik zag toen al dat zij niet wel was en dat ze al bleeker en bleeker werd, en dat zij de oogen vol tranen had toen ik haar de mooie japon met die kostbare kanten toehaakte; [184]zij meende dat ik het niet zag, omdat ik achter haar stond, maar ik had slechts even in den spiegel te kijken om haar gezicht te zien en ik schrikte er van.”
Tot zoover Mientje. Daar voelde het slachtoffer dat men sierde, op eens de zware koude paarlen op hals en schouders neervallen, als hagelslag op het donzig lelieblad!
Daar gleed haar eene rilling over de leden alsof reeds de koude hand des doods haar aanraakte, daar barstte ze los in een luid zenuwachtig snikken, en moest zich leunen op het kamermeisje, dat verrast en ontsteld over die heftige aandoening, haar moed trachtte in te spreken.
»Kom, juffrouw! kom, een beetje couragie, een schreiend bruidje maakt een lachend vrouwtje; zie toch, ze staan zoo erg mooi die groote parels.”
»Weg er mee! weg er mee! het zijn geen paarlen, het zijn slangen! Slangen, die mij omkronkelen, die mij verworgen!” riep Claudine op schrillen, verwilderden toon. »Ik kan ze niet dragen, ik wil niet, ik wil niet! ze benauwen mij, ze wringen mij de keel toe!” En in hare verbijstering, in haar angst rukte zij het paarlsnoer af met zulk eene heftigheid, dat de zijden koord brak en de kostbare kralen den grond bestrooiden.
Claudine zelve zou ook zijn neergestort, zoo niet Mientje haar uit alle macht vastgehouden had, tot ze met de stuipachtig tegenspartelende de canapé had bereikt, waar ze na de overspanning bewusteloos neerviel.
Men riep Verburg, men haalde den dokter, die verklaarde dat zich hier al de verschijnselen voordeden van eene gevaarlijke zenuwziekte, die de uiterste behoedzaamheid, de meest mogelijke rust vorderde. Toen Veere kwam was hij wrevelig van teleurstelling, meer nog dan getroffen over den treurigen toestand zijner verloofde. Men vergunde hem niet haar te zien en daaruit maakte hij op, dat het zoo erg niet met haar was als men voorgaf!
Knorrig verliet hij het huis, waar angst en zorg heerschten, om in zijne eigene woning orders te geven tot het staken van de feestelijke aanstalten en tot het afzeggen der genoodigden.
Zijne smart loste zich op in kwaad humeur, waarvan ieder, die met hem te doen had, de onaangename terugwerking ervoer.
Het was dan ook wel hard! Duizenden had hij ten koste gelegd, [185]anderen en zich zelven had hij zonder eenige verschooning rusteloos voortgejaagd, alles wat hem omringde had moeten draven en vliegen, om op een bepaald oogenblik een kring van vrienden en bekenden door een ongekend vertoon van pracht en weelde te verblinden en tegelijk met de schoonste bruid op te treden, en door allen om al deze voorrechten benijd te worden,—en dan die kostbare toren van Babel op eens te zien instorten en door de overgevoelige zenuwen eener jonge dame!
»Het had zooveel niet te beteekenen! Een flauwte, een weinig de zenuwen in ’t spel!” verzekerde hij aan ieder, die hem meewarig naar ’t ongeval vroeg.
»Het zou wel spoedig weer over zijn, maar Verburg was zoo zwak voor zijne dochter, hij maakte er te veel beweging van, hij heeft haar veel te weekelijk opgebracht; hij voor zich had alles voor eene vrouw over, maar in grillen en kuren kon hij zich niet schikken!”
Niets is zoo wreed als het teleurgesteld egoïsme.
Des anderen daags meldde hij zich nogmaals aan, in de verwachting dat de zenuwachtigheid bedaard zou zijn, en hij zelf kon ontvangen worden; maar de dokter die begreep, dat niets de lijderes minder dienen zou dan een bruigom op het tipje in kwaad humeur, beduidde hem dat zich eene zeer ernstige, zeer gevaarlijke typheuse koorts had geopenbaard, en dat er zeer weinig hoop was op herstel.
»Een typheuse koorts, maar die is immers besmettelijk?” vroeg hij ras en kennelijk in de grootste onrust. Er werd toestemmend geantwoord, en men zag Veere vooreerst niet weer!
Verburg week niet uit de ziekenkamer zijner dochter. Hij kon zich niet langer vergissen in de oorzaak van haar vreeselijk zenuwlijden. In hare ijlende koortsen riep zij hem telkens toe, zonder hem zelf te herkennen, dat zij bereid was haar plicht te doen, dat zij den heer Veere zou huwen en trouw houden, maar dat ze eerst Frits moest spreken en dat Frits ook wel spoedig komen zou, om haar de parels af te nemen die haar zoo zwaar drukten. In hare verbijstering stelde zij het zich altijd voor, dat Frits verschijnen zou om haar vader te helpen; dat hij over millioenen te beschikken had en alleen wegbleef omdat zij ziek was en omdat hij haar laatste schrijven niet ontvangen had. Te pijnlijker viel het Verburg zulke klachten door de lijderes te hooren [186]uiten, daar hij werkelijk het pakket had laten bezorgen, dat zij hem in een oogenblik van helder bewustzijn overhandigd had, en waarvan zij hem, als een dure dure plicht, de bezorging had aanbevolen. Dan eerst zou ze rust hebben, verzekerde zij, want dát voltooide de scheiding. In de onderstelling dat Frits zelf het ook daarvoor hield en in de hoop dat het weerzien van den ondanks alles geliefde tot hare herstelling zou kunnen meewerken, had de vader, allen trots en alle gramschap en alle kleingeestige bijbedenkingen ter zijde zettende, zelf nog eens aan Frits geschreven, met de verzekering dat zijne liefste wenschen nog zouden kunnen verhoord worden, zoo hij wilde medewerken tot het behoud van zijne Claudine.
Hij twijfelde geen oogenblik aan het goed gevolg van dit schrijven. Frits zou in allerijl tot hen komen, en die blijde verrassing zou de gelukkigste wending geven aan de ziekte.
Maar Frits kwam niet, Frits antwoordde zelfs niet, Frits liet niets meer van zich hooren!
Dies ondanks herstelde Claudine. Hare jeugd, haar sterk gestel weerstonden zegevierend de heftige aanvallen der koorts en de vlagen van wilde geestverbijstering, welke nu werden vervangen door doffe matheid en uitputting; maar het bewustzijn, de kalmte keerden terug, een aanvang van herstel gaf den goeden Verburg zulk eene onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne dochter zelve er de terugwerking van onderging en zich mede verblijdde over het weerkeeren tot het leven, dat haar nauwelijks meer aanlachte sinds zij reeds gemeend had met allen strijd en allen last te hebben afgerekend.
Op zekeren dag in het midden van Juni zien wij haar, leunende op den arm van haar vader, langzaam den tuin rondwandelen onder de koesterende stralen van de liefelijke ochtendzon. Zij was nog zeer zwak en geen vroolijk blosje kleurde nog de matte bleekheid van haar vermagerd gelaat. Zij scheen verouderd, hare trekken waren scherper geworden, hare oogen stonden flauw en het was of zij met hun vroolijken glans ook hun liefelijk blauw hadden verloren. Hare prachtige blonde lokken waren afgesneden op raad van den geneesheer, hoe hard het ook Verburg was gevallen aan dezen eisch toe te geven. Een dicht stemmig négligé-mutsje vergoedde geenszins het gemis van dien natuurlijken tooi. Sinds zij herstelde, had zij den naam van Frits niet weer genoemd; [187]toch had zij ook nog niet naar Veere gevraagd; nu verzekerde zij haar vader op kalmen, ernstigen toon, dat zij los was van alles wat haar verhinderen kon den heer Veere weer te zien en hem behoorlijk te ontvangen.
Toen begreep Verburg dat hij haar langzaam moest voorbereiden op groote veranderingen, die er waren voorgevallen en die haar offer onnoodig maakten.
Daags na de mislukte ondertrouw bevestigden zich de geruchten aangaande het failliet van het huis Heerdt en Comp. en Verburg zag zich als koopman geruïneerd, daar het hem niet mogelijk was uit eigen fondsen de verliezen te vergoeden, die hij leed door dit bankroet.
De associatie met Veere was nog niet wettelijk aangegaan, daar de voorgenomen overeenkomst eerst zou geteekend worden tegelijk met het huwelijkscontract. Nu kon er geene sprake meer zijn van die vennootschap; de eenige beweegreden waarom Veere haar had willen aangaan, hield op te bestaan. Claudine verkeerde in ernstig gevaar, en Verburg, die zich voorstelde dat zij mogelijk nog te redden zou zijn door Frits, wilde niet meer aan Veere gebonden zijn. Hij had reeds genoeg de ervaring gekregen van diens koud egoïstisch bestaan, om zich met de hoop te vleien, dat de Indiër gratis de eer eener firma zou willen redden, waarbij hij niet meer geïnteresseerd was. En Verburg had hem juist beoordeeld. De hartstochtelijke Creool, door de schoonheid van Claudine verlokt, had schatten willen geven voor haar bezit. Maar de teleurstelling, die zij hem haars ondanks had bereid, werkte als een stortbad, dat hem verkoelde en ontnuchterde na dien schoonen droom. Nu ja! er werd wel hoop gegeven op Claudine’s herstel, maar toch, maanden lang te moeten wachten op eene zwakke, verbleekte, vermagerde bruid, die van het minste schokje weer zou kunnen instorten, dat, hij erkende het voor ieder wie ’t hooren wilde, dát was zijne zaak niet. Zijn huis was klaar en geheel voor eene somptueuse leefwijze ingericht; hij wilde menschen zien, partijen geven; tot dat alles behoorde eene vrouw; hij achtte het zijn recht om eens rond te zien in de meisjeswereld, of hij eene waardige bezitster vond voor den bruidskorf en de juweelen, die Verburg had laten terugzenden.
Zijn oog viel op eene piquante brunette, eene vriendin van Claudine uit hare schooljaren, die coquet genoeg was om het [188]reeds vroeger op deze verovering te hebben toegelegd en die haar nu trachtte te verzekeren door zijne verbittering tegen Claudine te prikkelen, door telkens met zijdelingsche wenken en schijnbaar achtelooze uitvallen terug te komen op die teedere betrekking, die al van jongs af tusschen Claudine en den jongen Frits Rosemeijer had bestaan. Zij sprak niet dan met achting en belangstelling van Claudine, maar eindigde altijd met te zeggen, deze te goed te kennen om te gelooven, dat zij ooit tot een huwelijk met een ander dan Frits zou zijn overgegaan, al ware ’t ook dat zij er een tijdlang den schijn van had aangenomen om haar vader genoegen te geven!
Deze inblazingen kwetsten niet slechts op het pijnlijkst de eigenliefde van den Creool, maar wekten in hem de verdenking op, dat men hem dupe had willen maken, dat het Verburg zelf nooit ernst was geweest met de voorgenomen verbintenis, en dat men alleen eene comedie met hem had gespeeld om te lichter over zijne beurs te kunnen beschikken. Hij vergat dat hij zelf de eerste was geweest om zekere voorschotten op te dringen eer er nog sprake was geweest van Claudine’s hand, en dat hij het alleen aan de kieschheid van Verburg dankte, dat de onderling overeengekomen vennootschap niet was gelegaliseerd, hetgeen hem als associé in het bankroet zou betrokken hebben.
Hij vergat dat hij op den dag van het engagement die associatie reeds openlijk had willen aangaan, en dat Verburg daarentegen uitstel had gewenscht tot den avond van de ondertrouw, of zóó hij er aan dacht, was het om uit die handelwijze venijn te zuigen en de loyauteit van den koopman te verdenken, wien het ernst was geweest met de betuiging, dat hij alleen aan een schoonzoon zulke verplichtingen wilde hebben, waarmee Veere den vriend had willen verlokken. Genoeg, in eene samenkomst die de beide mannen nog moesten hebben, liet de laatste niet na, zijn boos vermoeden lucht te geven, met bijvoeging: dat hij nog gezind was Verburg uit zijne verlegenheid te redden, zoo hij in dezen schuld wilde belijden en vergiffenis vragen. Maar Verburg antwoordde met toorn en verontwaardiging, dat hij nooit zulke verklaring zou doen, dat hij zijne positie niet redden wilde door een leugen en ten koste van zijne eer en die zijner dochter, en dus liever terstond zijn bankroet zou verklaren dan zich door zulk eene hulp staande te houden; zóó scheidden zij, en toen Claudine [189]herstelde, was Clara de bruid van Veere, en deze laatste een der gedelegeerden in het bankroet van de firma Verburg.
De liefhebbende vader was er gerust op dat het zijne convalescente niet deren zou, zoo hij haar met de eerste helft van die waarheid bekend maakte, doch hij schrikte terug voor de tweede; maar Claudine, met de verhoogde intuïtie eener zieke, die haar juist als ingeeft wat men het zorgvuldigst voor haar tracht te verbergen, had zich op eigene wijze voorbereid op het laatste.
»Moge Clara Veere gelukkig maken, en.... het zelve met hem zijn,” sprak zij zacht en met volkomen kalmte. »Zij heeft daarop meer kans dan ik, want haar bekoorde altijd datgene, wat voor mij sinds lang de grootste aantrekkelijkheid verloren heeft, uiterlijke glans, luidruchtige vermaken en de verfijnde genietingen der weelde.”
»Dat verheugt mij, mijn kind!” sprak Verburg met een zucht, »want gij begrijpt wel, nu de compagnieschap met Veere niet tot stand is gekomen.... en bij allerlei verliezen die ik geleden heb in den laatsten tijd, ben ik niet meer een rijk man!”
»Och! wat doet dat er toe, vader!” hernam zij met een rustig glimlachje, »maar veroorloof mij eene vraag. Gij hebt Veere immers dat geld wel teruggegeven, dat gij vroeger van hem geleend hebt?”
»Nog niet!” antwoordde hij met verduisterden blik, »maar.... dat zal later met al het andere wel geschikt worden.”
»Wat is er dan nog meer dat geschikt moet worden, waar dit noodige naar wachten moet?” vroeg zij ernstig, en hem met een uitvorschenden blik aanziende, waaronder hij het hoofd afwendde.
»Arm kind! dat ik het u bekennen moet, nu reeds, daar gij het mogelijk nog niet dragen kunt!” riep hij onder tranen. »Datgeen wat mij dreigde vóór uwe ziekte, heeft getroffen; ik kon mijn krediet niet langer staande houden, ik heb mijne onmacht om aan mijne verplichtingen te voldoen openlijk moeten belijden, en nu is de zaak in handen van scheidrechters, die alles zullen regelen!”
»Zoo iets lag me bij!” hernam Claudine, zonder eenigen schrik of verwondering te toonen; »er moest iets bijzonders zijn voorgevallen, dit wist ik.... ik kan niet recht meer zeggen uit welke waarnemingen; maar reeds de bijzonderheid dat gij, anders geheel door uwe drukke kantoorzaken bezet, altijd om en bij mij zijt, deed mij zoo iets verwachten.” [190]
»Ja, ik heb nu den tijd!” sprak hij smartelijk; »ik heb mijne zaken, mijne boeken, mijne kas zelfs, zoover die ’t kantoor aangaat, in handen gesteld van de gelastigden mijner crediteuren. Veere is een van hen, en daar hij juist eene belangrijke pretensie op mij heeft van voorgeschoten gelden....”
»Moet die pretensie dunkt mij hoe eer hoe beter worden afgedaan,” viel zij in met zekere levendigheid.
»Ja, melieve! Maar dat hangt niet meer van mij af; door allerlei oorzaak blijft die zaak nog wat hangende, ook omdat er wel hoop is op het inkomen van zekere posten, die mijn deficit aanmerkelijk zouden verminderen.”
Zonder iets te antwoorden, wandelde Claudine aan zijn arm den tuin rond, als in nadenken verzonken. Eindelijk verbrak zij dat zwijgen.
»Zeg, vader! heb ik niet wel eens van u gehoord, dat mijn moederlijk vermogen buiten uwe zaken is gebleven?”
»Ja, gelukkig! Zoo is het. Hare huwelijksvoorwaarde ten bedrage van vijftigduizend gulden, is te uwen behoeve op het grootboek geplaatst na haar overlijden; die zijn in elk geval voor u gered.”
»Maar is uwe eer als koopman daarmee ook gered, vader?”
»Niemand zal eenige fraude vinden in mijne boeken, niemand zal mij van deloyale handelingen kunnen beschuldigen,” hernam hij met zekere vastheid, na een oogenblik zwijgens.
»En Veere?”
»Die heeft geen recht zich te beklagen zoo hij verlies lijdt door een bankroet, dat hij met eenige edelmoedigheid had kunnen voorkomen. Zoo hij mij in deze crisis had willen bijstaan, zonder mij vernederende voorwaarden op te leggen, zou hij het geleende geld nevens het andere eenmaal met winst hebben terugbekomen; nu heeft hij zelf mij de gelegenheid benomen om mij met hem afzonderlijk te verstaan.”
»Maar als ik nu die vijftigduizend gulden afstond, om onder uwe crediteuren verdeeld te worden, zou dat dan de schikking niet bespoedigen? Zou vriend en vijand u dan niet den lof geven van een loyaal koopman en een volkomen eerlijk schuldenaar te zijn?”
»Ik ken er die mij een gek zouden noemen, maar.... ik stem het u toe, ook zouden er zijn, en van de besten, die deze [191]handelwijze zouden weten te waardeeren.... doch.... laat ons daar niet meer van spreken, Claudine! er kan toch niets van komen.”
»Waarom niet, vader? Ik ben immers.... meerderjarig geworden en heb vrijheid over dat geld te beschikken?”
»Dat is wel zoo, maar als gij, ik zou eigenlijk moeten zeggen als wij dit offer brengen, rest ons niets meer dan eene lijfrente, die uwe tante voor u kocht en die nog geen zeshonderd gulden bedraagt.”
»Laat ons trachten van die lijfrente te leven, vader! en toon u een onberispelijk eerlijk man, zooals gij zijt in uw harte,” sprak Claudine met eene edele geestdrift, waarbij een zachte blos hare bleeke wangen overtoog.
»Zoo ik alleen in de wereld ware, zou ik het zeker doen, geloof dat van mij!” sprak hij, haar met tranen in het oog de hand drukkende, »maar u arm en behoeftig te zien, u ontberingen te moeten opleggen van allerlei aard, dát.... dat gaat boven mijn vermogen.”
»Doe u zelven dan eenig geweld aan, vader! want het moet zoo zijn, nu wij eens weten wat wij hier te doen hebben, mogen wij het niet laten.”
»Gij spreekt zoo, mijn kind! omdat gij den jammer niet overziet, waarin gij u storten zoudt, bedenk toch, als gij dit offer brengt, houden wij niets, niets meer over....”
»Ja toch, vader! dan houden wij wel iets over, en iets zeer kostelijks zelfs, dat bij alles te pas komt, de getuigenis onzer consciëntie dat wij onzen plicht hebben gedaan!”
»Die zullen wij hebben, dat is waar!” hernam hij met zekere bitterheid; »maar wij zullen doodarm zijn!”
»Het zij zoo! arm maar vrij! Men kan een vernieuwd leven niet beter aanvangen,” hernam zij met vastheid, en de schoone, zwakke oogen schitterden met een liefelijken glans, en de edele uitdrukking van haar gelaat had iets zóó wegslepends, dat Verburg haar met verrukking in zijne armen sloot, en als buiten zich zelven gebracht instemde met hare beslissing.
Hierbij bleef het, en alzoo deden zij.
Al hunne bezittingen werden den schuldeischers overgeleverd. Hun huis, hunne prachtige meubelen werden verkocht, en zij behielden er niets van dan de piano, die Claudine liet inkoopen, [192]omdat zij er een plan mede had, en een schilderijtje van Frits, dat deze haar vader geschonken had en dat in het kleine stadje geen kooper vond.
Daarna trokken zij weg, zonder iemand met hunne voornemens of met hunne toekomstige verblijfplaats bekend te maken.
Men keurde deze geheimzinnigheid af. Zij behoefden zich immers niet te schamen, zij waren verarmd en vernederd, dat is waar; maar geen vlek bleef rusten op hun naam. Het bankroet was een ongeluk, geen schandaal!
Integendeel, de schuldeischers hadden reden van tevredenheid, en er waren onder hen die gaarne de handen ineen zouden gelegd hebben, om er Verburg weer op te helpen; maar deze was niet meer de man om iets te beginnen, hij had er den lust en den moed toe verloren. Veere noemde hem een dwaas en beschuldigde Claudine van roekeloosheid en trots, omdat zij de vijftigduizend gulden, die haar toebehoorden, zoo onberaden in den draaikolk van eene failliete massa had geworpen.
Claudine glimlachte met zachten weemoed, toen dit oordeel haar werd overgebracht. »Hoe weinig pasten die man en zij bij elkander! maar zij dankte God in ’t harte, dat zij bewaard was gebleven voor die andere roekeloosheid; haar leven te werpen in den draaikolk van zulk een ongelijk huwelijk!”
Wij hebben Frits met den Engelschman in de berline laten stijgen, en ons daarna van hem afgewend, maar wij moeten hem toch nog vergezellen op dat tochtje.
Eerst zal het goed zijn een blik te slaan op zijn reisgezel.
»Een Engelsche kapitein,” had de kastelein uit de Zon gezegd, en daaronder werd door hem een dier gezagvoerders van koopvaardijschepen verstaan, die hij in zijne kleine havenstad gewoonlijk steenkolen zag aanvoeren, om boter en kaas mee terug te nemen, meestal lieden die een goed bestaan, maar daarom nog geen beschaafden geest hebben, en die, al schijnen ze iets meer heeren dan de gewone Hollandsche vrachtschippers van de buitenvaart, toch inderdaad huns gelijken zijn in stand en afkomst. De kleeding van Wilkinson onderscheidde hem dan ook in niets [193]van dezulken, onder wier rubriek baas Koppelman hem bracht. Zware, plompe laarzen met dikke zolen, zooals toenmaals nog geen Hollandschen voet schoeiden; vest, pantalon en korte nauwsluitende zeemansjekker van bruin mollig laken; een hooge witte boord met een zwart zijden stropdas; voor overkleed een dusgenoemde macintosh, een paletot van zwaar grein met impermeable voering; over den kraag heen een schotsch geruite wollen bouffante en een lage zwarte hoed met breede randen; de handen meest weggedoken in de groote wijde zakken van den paletot, maar toch geschoeid met castoren handschoenen, meer solide dan fijn; en ’t geen den kastelein het allerminst beviel, hij droeg maar een zilver horloge, vastgehecht aan een zwaren geschakelden ketting van hetzelfde metaal; door deze bijzonderheid was hij zeer gedaald in diens schatting, en zoo de vreemdeling naar zijne eigene getuigenis niet zoo iets »heerachtigs” over zich gehad had, zou hij hem zeker voor een eersten of tweeden stuurman hebben gehouden. Werkelijk kenschetste het bruin verweerd gelaat hem als iemand, die veel aan den invloed van de buitenlucht is blootgesteld geweest, terwijl de trekken bij eene oppervlakkige beschouwing niets gedistingueerds hadden; zij waren grof en goelijk; om den grooten, gullen mond speelde een welwillende glimlach, die echter verre was van zekere stereotype weekheid en het wenkbrauwfrondsen, het voorhoofdsrimpelen niet belette als er oorzaak voor was. Niet groot van gestalte, maar forsch en gespierd, met een paar breede krachtige schouders, scheen hij inderdaad de type van een kloek zeeman, en de rosachtige bakkebaard, waaraan wel wat al te weelderige groei werd gegund, voltooide zoozeer de gelijkenis, dat men in verzoeking kwam om naar zijne ooren te kijken, of ze wellicht ringen droegen in den vorm van ankertjes of scheepjes; maar men zou alleen een litteeken gezien hebben, dat voortging over een deel van het achterhoofd, mogelijk de oorzaak waardoor hij bijna geheel kaal was, en slechts enkele dunne vlokjes langs de slapen het absente haar vertegenwoordigden. Zijn leeftijd?... kon zijn tusschen de veertig en vijftig, en zoowel zijn goede eetlust, die wij opmerkten, als zijn goed humeur getuigden dat hij was in ’t volle bezit van gezondheid en krachten. Hij bleek een origineel die zijn eigen invallen volgde meer dan de gewone convenances, want in plaats van Frits in te lichten zooals deze verwachtte omtrent zijne [194]vermeende kennis aan diens horloge, vroeg hij hem in eens lakoniek weg: »Of hij het hem verkoopen wilde?”
»’t Is niet te koop, mijnheer!” was het antwoord, ook wat kort, want Frits voelde zich een weinigje geprikkeld door het sans gêne van die inleiding.
»Oh, my dear! dat’s nu achteruitgaan om beter toe te springen,” hervatte Wilkinson lachende, »maar dat is niet noodig met mij, ik zou er zulk eene som voor kunnen bieden, dat gij bewogen werdt het af te staan, al is het nog zoo’n geliefd familiestuk.”
»Ik begrijp wel dat gij mij niet voor een rijk man aanziet, en daarin hebt gij gelijk; maar gij vergist u, zoo gij meent dat de verlokking van ’t geld mij tot iets zou kunnen brengen, dat mij niet geoorloofd is....”
»Niet geoorloofd! het zal toch wel uw eigendom zijn?”
»Ik heb het van mijne moeder gekregen onder voorwaarde, dat ik mij er nooit van zou ontdoen, en zij moest mij dit opleggen, omdat wij het in zekeren zin niet als ons eigendom mogen beschouwen. Mijn vader, mijnheer Wilkinson! was horlogemaker en heeft het in den tijd gekocht van iemand, die in geldverlegenheid was, onder conditiën, die naar onze meening niet verjaren kunnen....”
»Dat is wat anders!” hernam Wilkinson, en zweeg eenigszins getroffen.
Frits hield hem voor geslagen en meende nu op zijne beurt eene vraag te doen, toen de Engelschman opnieuw inviel:
»Maar als nu de voormalige bezitter zich aanmeldde?”
»Als dát gebeurde! hoewel het onwaarschijnlijk is, dan.... dan spreekt het vanzelf, maar dan zou het niet de vraag wezen van verkoopen, dan zou het eenvoudig eene teruggave moeten zijn tot den prijs, die daarvoor eenmaal betaald is en die mijn vader zelf....”
»Uw vader was een nobel, was een eerlijk man, mijnheer Rosemeijer! en gij.... zijt zijn waardige zoon!” riep de Engelschman op een gullen, blijmoedigen toon; »ik had dat wel vooruit kunnen berekenen, en niet noodig gehad u op de proef te stellen; verschoon mij deswege, maar een man, die veel in de wereld heeft gezworven, een koopman, een industrieel, heeft al zoodanige ervaringen van de menschen opgedaan, dat een weinigje [195]omzichtigheid in hem geene onvergefelijke fout moet geacht worden. Vergeef mij!” eindigde hij, hem de hand biedende.
»Ik neem die met dankbaarheid voor uwe getuigenis omtrent mijn vader!” sprak Frits, de aangeboden hand drukkende met vochtige oogen, »maar verschoon mij.... op mijne beurt moet ik zekerheid hebben, eer ik mij scheide van een aandenken, dat mij zoo dierbaar is geworden, eer ik onrecht plege tegen den rechtmatigen eigenaar; eene vergissing zou hier zeer.... zeer.... noodlottig zijn.... de persoon van wien mijn vader het horloge kocht, heette niet Wilkinson....”
»Dat is ook mijn naam niet, dat is eigenlijk maar de naam van de firma, waaraan ik geassocieerd ben, en die ik op deze reis vertegenwoordig.”
»Dat wil ik aannemen, maar.... gij noemt u koopman en industrieel, een burgerman in ’t eind, en de andere was....”
»De andere was edelman, officier in Engelschen zeedienst en krijgsgevangen op zijn woord van eer tijdens het Fransche keizerrijk. Het kleine stadje, dat wij nu achter den rug hebben, was hem tot verblijfplaats aangewezen. Hij heeft het er niet best gehad, dat kan ik u verzekeren. Maar dien naam, niet waar, dien naam wilt gij hooren? Welnu, hij heette Reginald Peter Wilmot; zijn vader was baronet, maar hij zelf had destijds nog geen titel, daar zijn oudste broer leefde en dien voerde. Hij heeft voor het horloge ontvangen driehonderd francs, zooals gij uit deze eigenhandig door Herman Rosemeijer geteekende nota kunt zien,” en de Engelschman nam het bewuste stuk uit zijne portefeuille en gaf het Frits in handen.
»Mijn vader, mijn goede, mijn ongelukkige vader!” riep Frits terwijl hij op het geschrift staarde met oogen vol tranen, zonder dat hij eigenlijk las; daarop tot Wilkinson nog met bewogene stem: »Verschoon mij, Sir! die letters.... mijns vaders eigen hand.... ik.... ik ben ten volle overtuigd,... maar dit.... dit laat gij mij, niet waar?”
»Dat spreekt vanzelf, gij zult daarentegen mijne handteekening gevonden hebben onder de papieren van uw vader; zoo gij ’t verlangt zal ik mijne identiteit constateeren door opnieuw mijn naam te schrijven, dan kunt gij vergelijken.”
»Ik zou mij schamen zoo ik nog een oogenblik kon aarzelen,” viel Frits in, terwijl hij reeds het horloge te voorschijn bracht. [196]
»Nu! nu! het heeft immers zoo’n haast niet,” sprak Wilkinson goedhartig, daar hij zag hoe Frits met eenigszins bevende vingeren het horloge losmaakte van het fijne in haar gevlochten kettingje, waaraan het vastgehecht was.
»Verschoon mij, mijnheer! het heeft wél haast!” zei nu Frits, zich over die aandoenlijkheid heenzettende, en hem het kleinood overreikend, dat Wilkinson dan ook welgevallig aannam en met kennelijke voldoening aan alle zijden bekeek, terwijl hij sprak:
»Geef nu wel acht! en ik zal u het bewijs leveren, dat dit tikkertje en ik oude kennissen zijn;” al sprekende had hij even gedrukt op een bijna onzichtbaar knopje, dat in den geciseleerden als een koord gedraaiden rand, die de zware gedreven kas omgaf, verborgen was. Het sloeg open en niet de dekplaat van het werk vertoonde zich, maar een miniatuurportret op ivoor geschilderd, dat tusschen het dubbele deksel was vastgezet. Het stelde voor eene vrouwenfiguur in een prachtig toilet naar de mode van ’t laatst der 18de eeuw.
»Om dit portret was het mij voornamelijk te doen,” ging Wilkinson voort. »Het is de beeltenis mijner moeder Lady Augusta, eenig kind van Lord Thurloë van Desborough, een Schotsch edelman. Zij is voorgesteld in bruidstoilet, en liet het miniatuur in ’t horloge zetten, opdat haar echtgenoot het altijd bij zich zou dragen. Daarin is hij ook getrouw geweest tot aan zijn dood; maar hij stierf vóór ik mijn zestiende jaar had bereikt; mijne moeder gaf mij het geliefde kleinood tot een aandenken, daar ik toen op het punt stond als midshipman mijne eerste zeereis te doen. Zoo bezat ik haar afbeeldsel, zelve zag ik haar nooit weer; zij bezweek eenige weken na mijn vertrek; het verlies van haar echtgenoot had haar een schok toegebracht, waarvan zij niet weer bekwam.”
»Hoe is het mogelijk dat gij u ooit van dat dierbare pand hebt kunnen scheiden!” sprak Frits met de openhartigheid, die hem eigen was, hoewel die opmerking klonk als eene afkeuring van de handelwijze des vreemdelings; maar deze nam het niet kwalijk, integendeel, hij drukte hem de hand en hervatte:
»Ik waardeer het fijn gevoel dat u dus spreken doet, maar geloof van mij, dat er vrij wat gebeuren moest en dat ik door allerlei leed en ontbering heengegaan was eer het er toe kwam. Een aankomend zee-officier, die acht broers en zusters heeft, en [197]van zijn oudsten broer afhankelijk is, die zijne redenen had om niet heel vrijgevig te zijn; zulk een jong officier heeft tijden van nijpende geldverlegenheid, zooals gij wel kunt nagaan, jonge man! maar toch, ik hield dit aandenken zóó hoog in eere, dat ik mij liever als een schraalhans, als een saaie uilskuiken door mijne kameraden bespotten liet, dan mijn horloge te verkoopen of te verpanden, zooals ik menig kameraad zonder schroom met het zijne zag doen. Ook heb ik mij er nooit van gescheiden tot in 1811, maar toen.... krijgsgevangen zonder eenige hulpbron in een vreemd land, door mijne familie, die hare eigene bezwaren had, verlaten of vergeten, moest ik tot een maatregel overgaan, die alleen door den hoogsten nood kon worden opgelegd. Uw vader heeft het mij zeker kunnen aanzien in welke smartelijke ontroering ik tot hem kwam, al deed ik mijn best het hem te verbergen. Hij was zoo voorkomend, zoo meewarig, zoo loyaal, dat ik het er met hem op durfde wagen eene conditie te stellen, die een ander waarschijnlijk niet zou hebben aangegaan. Als men een horloge verpandt, krijgt men er nauwelijks een derde van de waarde voor; ik had om mijn leven te rekken, om mijne eer op te houden, driehonderd francs noodig, meer dan de volle waarde, naar de berekening van een horlogemaker althans; en toch, hij gaf ze mij, op eene voorwaarde, die geheel in zijn nadeel was en die mij nog eene kans liet om het eens weer terug te krijgen. Het tijdstip mijner uitlevering was nog onzeker en daarna zou hij nog een vol jaar geduld moeten nemen om mij gelegenheid te laten tot de lossing van dit pand, voor hem een non valeur, 300 francs, die deze kleinhandelaar als een dood kapitaal moest laten liggen! O! ’t was generous, utmost generous indeed!” herhaalde Wilkinson, kennelijk bewogen als in zich zelven. »Ja, mijnheer Rosemeijer!” ging hij voort, »als ik bedenk dat gij de zoon zijt van dezen vader, in zijne principes opgevoed en ze nalevend, dan neem ik mijn hoed voor je af!” hij voegde de daad bij het woord en de indruk dien zijn eigen voorkomen maakte, won er bij. Inderdaad nu die sailors-beaver dat hooge edele voorhoofd niet meer verborg, scheen het of die helderblauwe oogen, waar een tintje van echte Engelsche humour in blonk (goedhartigheid met diep gevoel doormengd), scheen het of die schrandere, vroolijke oogen dat gansche gelaat verlichtten en veredelden. [198]
Ja, bruin verbrand waren de trekken, grof en ongeregeld, maar ze hadden niets ruws noch laags, het was John Bull in zijne forschheid, maar tegelijk Sir Reginald Wilmot de Engelsche edelman in zijne fierheid, bij wien de ingezogen vooroordeelen der geboorte zoo niet uitgewischt, dan toch gelenigd waren door een langen strijd met het leven, in alle zijne hoogten en diepten. Een strijd waarbij de overwinning aan zijne zijde was gebleven, dit sprak uit alles. Uit dien vrijen en rustigen blik, uit zijn opgeruimden glimlach, uit zijn lossen en gullen toon, uit zijne houding en manieren, zelfs waar hij voor ’t oogenblik goedvond den eenvoudigen burgerman uit te hangen, bleek nog iets anders, iets dat baas Koppelman zijns ondanks als bij instinct had gevoeld, namelijk, dat hij gewoon was te gebieden en gehoorzaamd te worden op zijn wenk. Deze had hem ook daarom »kapitein” genoemd en bij zich zelven gezegd: »Ja, die zeelui zijn zoo wat kortaf, en geene tegenspraak, daar zijn ze niet aan gewoon.”
Nog een bewijs van goede afkomst en opvoeding, dat echter aan de opmerkingsgave van Koppelman was ontgaan, maar niet aan die van Frits, leverden zijne handen, wel niet week en mollig als die van een leegloopenden fat, maar fijn en welgevormd en met aristocratische zorg onderhouden; men begreep het, forsch als ze waren, hadden zij zich niet ontzien om een scheepstouw aan te vatten of een zeil te reven als het nood deed; maar men moest er geen pek op zien kleven, dát was zeker een punt van zijne ambitie geweest zoolang hij in zeedienst was. Niet langer onder de zware reishandschoenen verborgen, getuigden ze nu tegen eene dwaling, die hij zelf met zeker opzet had gevoed.
Maar Frits, al erkende hij nu ook in hem den edelman jusqu’au bout des ongles, scheen toch niet willens den vrijen en gemeenzamen toon te laten varen, die van begin aan tusschen de reisgenooten was gevoerd.
Hij glimlachte zijns ondanks over de geste, waarmee de hoed was afgenomen, nam op zijne beurt ook de reismuts af, dankte nogmaals voor die uitdrukking van hoogachting voor zijn vader, maar kon toch niet nalaten zijne verwondering uit te drukken, dat Sir Reginald, al ware het ook dat hij zich door drang van omstandigheden genoodzaakt had gezien, om van zulk een kostbaar familiestuk tijdelijk afstand te doen, zooveel jaren had laten [199]verloopen zonder er werk van te maken het terug te krijgen, terwijl hij het bezit daarvan nu dankte aan eene toevallige ontmoeting....
»Gij hebt gelijk!” viel Sir Reginald in, »dit lange tijdsverloop getuigt tegen mij; ik geloof wel dat ik »not guilty” zou kunnen pleiten, althans verzachtende omstandigheden kan laten gelden, maar dat zou nu een verre omweg zijn; alleen mag ik ter mijner verschooning aanvoeren, dat ja! ons samentreffen in die ellendige herberg inderdaad is hetgeen men gewoonte heeft toevallig te noemen; maar toch, mijne komst in het stadje E. had geen ander doel dan het bewuste, en al ware mij het genoegen ontgaan heden met u te zamen te reizen, zou ik u toch uitgevonden en opgezocht hebben, want sinds ik het er eens op gezet had, ben ik niet de man om het licht op te geven. Gij moet weten, mijnheer! ik ben nu op reis naar Amsterdam, om den zoon van Herman Rosemeijer op te zoeken! Maar terwijl ik u verslag doe van mijne nasporingen, konden wij, dunkt mij, eene sigaar rooken. Ik heb hier echte Manilla’s, zooals er niet veel naar Europa verzonden worden, probeer maar eens.”
Frits liet zich niet lang noodigen om uit de fijne buigzame sigarenkoker van Indisch maaksel, die hem werd aangeboden, zijne keus te doen, en terwijl zij zich verkwikten met den fijnen tabaksgeur, dien zij al rookend rondom zich verspreidden, sprak Sir Reginald:
»Gij kunt wel denken, dear Sir! dat ik bij mijne komst in uw stadje al spoedig naar de oude bekende horlogemakerswinkel informeerde, niet zonder vrees dat ik er noch dezelfde bewoners, noch dezelfde affaire zou vinden, maar er in elk geval het een of ander van de eersten zou kunnen vernemen. Mijn vermoeden werd bewaarheid. In hetzelfde huis werd nog hetzelfde beroep gedreven, maar een zeer jong mensch, die Fries of de Vries heette, woonde er nu. Hij was gehuwd met de dochter van Koenraad Busch, de persoon die de zaak van de Weduwe Rosemeijer had overgenomen; deze Fries wist natuurlijk niets van de overeenkomst tusschen mij en Herman Rosemeijer; zijn schoonvader had er hem ook nooit iets van gezegd; maar het kon toch zijn, dat deze er iets van gehoord had en zich dat herinnerde. Deze rentenierde zoo wat uit noodzakelijkheid, omdat zijn gezicht zeer verzwakt was, en hij bewoonde ter verbetering [200]zijner gezondheid een klein buitentje in de nabijheid van de stad. Het was maar eene fiksche wandeling en door Fries vergezeld ondernam ik die. Ik trof den man thuis, hij wist mij echter geene inlichtingen te geven in de zaak, die mij tot hem voerde; maar hij kon toch mijne belangstelling bevredigen op een punt, dat mij mede zeer ter harte ging. Het lot van uw vader, den belangloozen hulpvaardige, die mij een vriend in nood was geweest. Bij de treurige omstandigheden, waarin zijne weduwe achterbleef, was het niet waarschijnlijk dat zij na zooveel tijdverloop zich nog verplicht zou gerekend hebben een pand te bewaren, waarvan de waarde in gereed geld haar zoo best kon te pas komen en het is wel gebleken, dat uwe moeder geene alledaagsche vrouw moet geweest zijn; maar integendeel, de waardige wederhelft van haar edelen, onbaatzuchtigen echtgenoot!”
»Gij weet niet hoe goed het mij doet, u zóó over mijne ouders te hooren spreken,” viel Frits in met schitterende oogen.
»Ik vernam dus ook dat er van dit gezin nog een zoon was overgebleven, die zooals Busch meende een voornaam kunstschilder was geworden en te Amsterdam woonde. Ik verzocht Busch in mijn naam aan dezen te schrijven om informaties omtrent het punt in kwestie; mogelijk zou hij zich nog kunnen herinneren waar het horloge gebleven was, en kon hij ons misschien aanwijzingen doen hoe het op te sporen. Ik bleef hier twee dagen wachten op antwoord, hetgeen mij nu niet meer bevreemdt; gij waart op reis.... een kunstreisje misschien?”
»Neen, ik ben eerst gisteren uit Amsterdam vertrokken en rechtstreeks naar E., maar dat schrijven van Busch zal verloren zijn gegaan of nog zwerven; want ik ben sinds eenigen tijd verhuisd en mijn nieuw adres is hier niet bekend,” sprak Frits met gedempte stem, en na eenige aarzeling voegde hij er bij: »om de waarheid te zeggen heb ik op het oogenblik geene woning meer te A. Ik heb mijn atelier opgebroken en mijn goed staat gepakt bij een vriend op mijne terugkomst te wachten.”
»Dan verwondert het mij niet dat ik, van ochtend nog eens voor ’t laatst naar Busch gaande, om te hooren of er ook antwoord gekomen was, weer tevergeefs kwam. Toen nam ik het besluit mijn tijd hier niet langer met wachten te verliezen en naar Amsterdam terug te keeren, vanwaar ik, nota bene! pas gekomen was! U daar zelf op te zoeken en mondelinge berichten [201]in te winnen die de voorname kunstenaar mogelijk geen lust gehad had om aan den voormaligen collega zijns vaders mee te deelen; den vreemdeling die tegelijk zijne kunst kwam bewonderen zou hij eerder te woord staan, stelde ik mij voor; gij ziet hoe verkeerd ik u beoordeelde en hoe onjuist mijne veronderstellingen waren.... Vergeef het mij, maar gij begrijpt wat ik moest gevoelen toen ik dezen morgen in dat logement een jonkman, die mij geheel onbekend was, een horloge voor den dag zag halen dat ik terstond voor het mijne hield: die gedreven kast, die gekartelde rand, die ongewone dikte voor onzen tijd, alles scheen het te bewijzen; toch kon het een idée fixe zijn van mij, om bij eenige gelijkvormigheid, juist het voorwerp mijner nasporingen te willen zien, dat mij in ’t hoofd speelde, en ik vreesde nog mij bedrogen te hebben, maar ik nam mij terstond voor om tot elken prijs zekerheid te krijgen. Van toen aan beschouwde ik u, om mij zoo eens uit te drukken, als mijne prooi die ik niet weer dacht los te laten. Mijn aanbod om samen de reis te doen was dus niet geheel onbaatzuchtig, en toen gij mij later uw naam bekend maaktet, werd ik versterkt in mijne meening, dat ik gevonden had wat ik zocht; ik kreeg er de bevestiging van door uwe gelukkige onachtzaamheid, die mij in de gelegenheid stelde om het horloge in handen te nemen en te bezichtigen eer ik het u teruggaf, maar indeed my dear! het had slecht kunnen afloopen zoo mijn blik niet even snel en scherp ware geweest als uwe voeten gejaagd om weg te komen. Gij zoudt mij eene geduchte poets hebben gespeeld, als dat dierbare kleinood daar was blijven liggen, u zelven ook, want die afzetter van een kastelein was zeker niet veel te vertrouwen, en ’t zou onvergefelijk zijn geweest zoo wij het door zulk eene achteloosheid waren kwijtgeraakt. Met uw verlof zal ik het dan nu ook maar in bezit nemen, gij mocht u weer eens boos maken tegen den een of anderen herbergier!” eindigde hij schetsenderwijs en borg het horloge in het leeren geldtasje dat en sautoir op zijne borst hing.
»Ik verzoek u te gelooven dat het mijne gewoonte niet is, zoo opvliegend te zijn,” sprak Frits, niet zonder eenige verlegenheid; »maar ik bevond mij dien ganschen morgen door allerlei smartelijke herinneringen en een samentreffen van verschillende onaangenaamheden in een zeer geprikkelden toestand. Om weer mij [202]zelf te worden was niets mij zoo noodig, als mijne geboorteplaats, werwaarts ik alleen uit nooddwang gekomen was, zoo schielijk, mogelijk te verlaten. Met iedere minuut blijvens groeide mijn ongeduld, mijne overprikkeling aan, toen het na zooveel ergernissen, na zooveel oponthoud, er eindelijk toe kwam, dacht ik aan niets dan om maar weg te komen....”
»En in al uwe haast vondt gij nog gelegenheid om den vreemdeling te verplichten door hem zijn goed na te dragen, terwijl gij het uwe vergat!” sprak Wilkinson, even het hoofd schuddend, terwijl een glimlach om zijn mond speelde.
»Dit verwijt....” viel Frits in.
»Och kom, het is er geen. Ik ken ook zulke toestanden, men loopt zich zelf voorbij, wil nog daarenboven een ander helpen en.... raakt zijn horloge kwijt, zooals gij nu! Maar wees gerust, ik zal er u een ander voor in de plaats geven, ik kan niet ruilen met hetgeen ik nu bij mij heb, want dat is slechts een zilver. Op reis gebruik ik nooit anders, ’t is een time-keeper, een beste, maar een elegant jongmensch moet wat anders hebben.... nu, wij scheiden nog niet; wij moeten eerst afrekening houden, hebt gij al uitgerekend hoeveel geld ik u schuldig ben?”
»Wel, Sir! daar komt zooveel rekenen niet bij te pas; driehonderd francs, dat zal zoo ongeveer honderd vijftig gulden zijn; wij rekenen nu gelukkig weer met Hollandsche munt.”
»Ja, de Franschen en Belgen nemen graag de Hollandsche gulden voor twee francs, hoewel het een verschil is in hun voordeel; maar met u wil ik niet chicaneeren, wij nemen dus honderd vijftig gulden Hollandsch als wortel, en die is goed opgeschoten en heeft goede vruchten geleverd in die twintig jaar, want er zijn twintig jaar verloopen, mijnheer Rosemeijer! sinds ik dat geld van uw vader leende. Gij waart toen nog een blonde krulkop, die bij moeders schoot uw boterham stond te eten, toen ik met een kloppend hart dat winkelkamertje intrad, en uw vader te spreken vroeg!”
»Hebt gij dàt nog onthouden? Mij heugt er niets meer van?”
»Gij waart te jong; laat mij eens zien: vier, vijf jaar.”
»Ik ben in mijn zes-en-twintigste jaar, mijnheer!” zei Frits met zwaarmoedigheid.
»Nu, dat’s een mooie leeftijd, dat’s de ware om nog alles van uw leven te maken wat gij maar wilt.” [203]
Frits zuchtte en sloeg de oogen naar den grond tot eenig antwoord.
»Ik ben zes-en-veertig en niet afgeleefd genoeg om zwak van memorie te zijn; zooals gij ziet, ik kan ook nog goed rekenen, en zoo zou ik u kunnen voorcijferen, dat uwe driehonderd francs tot driehonderd gulden zijn aangegroeid, en nu stel ik alleen maar eene matige rente en geen rente van rente, zooals zeker geschied zou zijn, ware ik in woekeraars handen gevallen.”
»Als gij in uwe edelmoedigheid er zulke som van maken wilt, Sir! zal ik niet den hooghartige spelen en weigeren. Mijn vader heeft in zijn leven zooveel zaken gedaan, waar hij slecht mee gevaren is, dat het hem mogelijk nog in zijn graf verheugen zal zoo het eens anders uitvalt; maar ik erken dat het zijn zal door uwe welwillendheid en niet door ons recht. Ik moet u doen opmerken dat het nooit de intentie van mijn vader kan geweest zijn, om te speculeeren op de geldverlegenheid waarin een vreemdeling, een krijgsgevangene, zich buiten schuld zag gebracht, en ik houd het er dus voor, dat hij u geen intrest zou hebben berekend, zooals daarvan dan ook niets staat aangeteekend.”
»Omdat zoo iets vanzelf spreekt, een sous-entendu, waarvan men onder eerlijke lieden geen aparte clause behoeft te maken, en gij begrijpt dus ook dat ik mijnerzijds den nood, waarin ik op dat oogenblik verkeerde, niet als voorwendsel zou nemen om een edelmoedig man, die al te goed van vertrouwen was, jarenlang op voorgeschoten geld te laten wachten, dat hij best in zijne negotie gebruiken kon, zonder dat ik hem daarvoor vergoeding zou schuldig zijn, neen, mijne jonge vriend! ik mag u immers zóó wel noemen? Measure for measure, zeggen wij in Engeland onzen Shakespeare na, en ik heb van de familie Rosemeijer, vader, moeder en zoon, zooveel gemoedelijkheid, zooveel edele onbaatzuchtigheid, en zooveel voorkomende hulpvaardigheid ondervonden dat ik zeer in mijn schik ben nu ik geloof in de gelegenheid te zijn daarvan iets aan een hunner te kunnen vergelden. En daarom zeg het mij gul uit, als er iets zijn mocht waarmee ik u dienst kan doen?”
»Maar ik heb u immers gezegd dat ik de door u gestelde som aanneem, al komt mij de berekening wat te ruim voor.”
»Ta! ta! afrekenen is geen dienst bewijzen, les bons comptes font les bons amis, en daarom moeten wij op dit punt in ’t effen [204]zijn eer wij verder gaan.” En daar Frits niet antwoordde, ging hij voort: »Sta mij toe, eene gissing te wagen naar ’t geen gij geen lust schijnt te hebben mij zelf mee te deelen. Anderen hebben mij van u gezegd dat gij een voornaam kunstenaar zijt en ik wil dat gaarne gelooven; maar daarmee is me nog niet bewezen dat gij voorspoed hebt gehad. Men kan een zeer verdienstelijk man zijn, een talentvol kunstenaar, en toch geen geluk hebben—ik bedoel dit in den zin van geen goede zaken doen.... Uit uwe eigene woorden is het mij gebleken, dat gij althans nog geen fortuin hebt gemaakt. Heb ik dat geraden?”
»Dat is ongelukkig maar al te waar,” hernam Frits.
»Neen, dat is nog zoo heel ongelukkig niet; wat niet is kan komen; het zou erger zijn zoo gij rijk waart en toch nog onvoldaan en ziet gij, van ’t eerste oogenblik af dat ik mijne opmerkzaamheid op u vestigde, zonder nog iets van u te weten, zei ik in mij zelven: »die jonkman dáár heeft iets dat hem kwelt! Gij hadt niets van dat vroolijke, opgewekte, zorgelooze dat der jeugd, dat vooral den jeugdigen kunstenaar eigen is; gij waart somber, prikkelbaar, heftig, onverschillig voor alles wat u omringde, gij hadt honger noch dorst en dát in een logement! In een logement, jonkman! moet men altijd honger en dorst hebben of voorwenden, anders maakt men er een slecht figuur; de indruk dien gij op mij maaktet was deze: er hapert wat aan, er hapert zelfs veel aan, wat het zijn kon vermoeide ik mij toen niet uit te vinden, nu.... zal ik niet rusten voor ik er achter gekomen ben.”
»Ik heb met tegenspoed te kampen gehad, ik ben teleurgesteld in verwachtingen, die, mogelijk door de schuld van anderen, wat te hoog gespannen waren, ik ontveins het niet, mijnheer! maar geene schatten zijn in staat mij dátgene te vergoeden wat ik het meest betreur!” antwoordde Frits strak en somber.
»Dat spijt mij zeer, want ik zou anders wel in de gelegenheid zijn u een handje te helpen, als het de vraag ware van fortuin te maken, met uwe kunst. Welk genre hebt gij gekozen?”
»Figuur-, interieurs- en genrestukken, ik placht zoo wat van alles te ondernemen wat maar voorkwam.”
»Ook portretten?”
»Och ja, maar....”
»Zoudt gij u in staat achten om naar het miniatuur in ’t horloge een groot portret te schilderen?” [205]
»O ja! dat zou wel gaan. Ik ben geen ongelukkig kopiïst, maar ziedaar eene sterkte, die tegelijk eene groote zwakheid verraadt,” antwoordde Frits met zekere bitterheid, waar niet slechts spijt, maar ook dat tintje gemelijkheid uit sprak van iemand die zich ongaarne nuttelooze vragen ziet voorgelegd.
»Nu! ik zou het op die zwakheid wel durven wagen en dan zou ik al terstond werk voor u hebben.”
»Gij zijt wel goed, maar ik ben niet in de gelegenheid om het op mij te nemen.”
»Niet? En waarom niet? Geen lust meer in ’t werk? Waaraan kan dat liggen? Ah ja! nu ben ik er, niet genoeg gewaardeerd, misschien gekrenkte ambitie, ja! ja! dát zal het zijn, vandaar dat verlaten van het atelier, dat wegtrekken uit de hoofdstad, of het moest zijn om eene kunstreis te ondernemen?”
»O, neen! dát plan had ik niet.”
»Zoudt gij er lust in hebben, al lag het juist niet in uw plan?”
»Nu niet meer.... waartoe zou het dienen?”
»Waartoe! waartoe! wel om uw smaak, om uw geest te vormen, om aan de uitnemendste kunstgewrochten van anderen het oog te verlustigen, de geestdrift te ontvonken, er uit te leeren zien wat u zelf ontbreekt.”
»Och, dat alles zou mij toch niets meer baten,” hernam Frits op moedeloozen toon, daarop vervolgde hij na eene korte pauze: »Waarom zou ik het u niet bekennen, gij hebt het toch al geraden. Het is mij niet slechts tegengeloopen als schilder, maar ik ben tegengevallen! Niemand gelooft meer aan mijn talent, en ik zelf het allerminst; zoo heb ik allen lust verloren voor dat vak, en ik ben in het stadje E. geweest om er zekere officieele stukken te halen, die mij noodig waren omdat ik dienst wilde nemen.”
»Dienst nemen!” riep de Engelschman met meewarige verwondering, »gij! hoe moet ik dat verstaan, toch geen soldaat worden?”
»Niet juist dát, ik wilde als volontair uittrekken, onze schutterijen zijn mobiel verklaard, vrijwilligers uit iederen stand bieden zich aan om bij dat corps te dienen, men spreekt al luider en luider van den oorlog, het kwam mij voor, dat ik niets beters had te doen dan ook mee uit te trekken.” [206]
»Gij zegt dit op een toon, die niet precies getuigt van vurige geestdrift.”
»De geestdrift zal hoop ik later wel komen. Ik kan niet onwaar zijn en tegen u de houding aannemen van een held, door vurige vaderlandsliefde gedreven; helaas neen! ik heb met de kunst gebroken, andere pogingen om fortuin te verwerven zijn ook mislukt; ik verloor daarbij het weinige wat ik nog bezat, ik heb niets meer te hopen, niets meer te verliezen, en zoo wil ik mijn leven aan het vaderland geven, omdat dit het eenige is wat ik er nog mee weet te doen!”
»Op uw zes-en-twintigste jaar zoo radeloos verlegen wat aan te vangen, in zoo diepe moedeloosheid neergezonken!” sprak Wilkinson op een toon van afkeuring, die door diepe deernis verzacht werd, »en dat de zoon van den w