The Project Gutenberg EBook of Sagen van Koning Arthur en de Ridders van
de Tafelronde, by Nelly Montijn-De Fouw

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Author: Nelly Montijn-De Fouw

Illustrator: Arthur Rackham

Release Date: December 7, 2007 [EBook #23759]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING ARTHUR ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[Inhoud]

SAGEN VAN KONING ARTHUR
EN DE RIDDERS VAN DE
TAFELRONDE.

[Inhoud]

AAN MIJN MAN.

[Inhoud]

Koning Arthur trekt voor de eerste maal zijn zwaard Excalibur uit de scheede.

Koning Arthur trekt voor de eerste maal zijn zwaard Excalibur uit de scheede.

SAGEN VAN
KONING ARTHUR


EN DE RIDDERS VAN
DE TAFELRONDE

ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.

[V]
[Inhoud]

ALGEMEENE INLEIDING.

Ornamentale Leeuw.

Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op mij genomen.

Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn opgenomen—de toekomst zal het leeren!

Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook hieraan ontleend.

Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den Franschen hofdichter uit de 12e eeuw, wiens groote verdiensten voor de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen.

De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen.

De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik daarom in mijn verhaal gevolgd heb.

Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere sagenbundels zijn verschenen.1 Beide behooren tot den [VI]Arthur-cyclus; de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met dien van Koning Arthur2 en het verhaal van zijne liefde voor de schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als deze moeilijk zou kunnen missen.

Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene beschrijving wordt gegeven van Arthur’s Komst en Arthur’s Dood, bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot oud-Fransche dicht- of prozawerken.

In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12e en 13e eeuw verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter eene beperkte keuze noodzakelijk.

In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal heb overgenomen.

Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.

Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.

Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof van [VII]Vlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.

Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.

Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, welke in het begin der 14e eeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur’s Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael,3 waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, een Walewein-boek, een roman “van den Ridder metter Mouwen”, en een “van de Wrake van Ragisel” benevens nog enkele andere. Deze verhalen, oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den Franschen roman Fergus.

Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de 13e eeuw door de dichters Penning en Vostaert.

Jacob van Maerlant (± 1235–± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de jaren 1257–1264.

“De Historie van den Grale” en “Merlijns Boeck” vormen te zamen de vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem “het boek van Koning Artur”, dat zich bij Maerlant’s “Merlijn” aansluit en de vertaling is van een Fransch “Livre du Roi Artus.” [VIII]

Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te beschouwen.

Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding van de volgende verhalen: “Tristan en Isoude”, “Octaviaan”, “Madocs Droom” en “Amadas en Ydoine”, van deze zijn echter geen Nederlandsche bewerkingen bewaard gebleven.

Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.

In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der verschillende verhalen. Deze inleidingen maken allerminst aanspraak op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.

Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk omgeeft. En toch—ondanks al hun pogen—zijn zij slechts gedeeltelijk geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.

Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor de Germaansche overweldigers, die in de 5e en 6e eeuw [IX]hun land kwamen binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de “Historia Brittonum”, waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.

Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.

De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet die van koning, maar van “dux bellorum”. Dit was een militaire titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche overheersching. Als “dux bellorum” moet Arthur in de 5e eeuw de Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon—Mons Badonis—waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met wonderbaarlijke kracht en dapperheid.

Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude verhalen van Wales bekleed zien met den rang van “imperator”, moeten wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield macht te bezitten over Brittannië4, het volk als vanzelfsprekend zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door de Romeinen was ingesteld.

Van den aanvang af schijnt Arthur’s naam verbonden te zijn geweest met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. “Mirabilia” bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijn [X]zeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren gebracht. Wij lezen hier van Arthur’s hond: Cabal of Cavall, die met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is.5

Verder wordt ons in de “Mirabilia” verteld van het graf, dat Arthur bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm en grootte.

Vreemd genoeg komt Arthur’s naam niet voor in het oudste werk over de Britsche geschiedenis: “De Excidio et Conquestu Brittanniae” geschreven door een monnik: Gildas in de 6e eeuw. Wel noemt hij den slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred (871—901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.

In eene andere kroniek, de “Annales Cambriae”, welke in een handschrift uit de 6e eeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur’s naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft medegevochten. De slag van Mons Badonis wordt [XI]hierin genoemd voor het jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag bij Camlan geleverd werd: “in which Arthur and Medraut fell”. Hier vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig einde van Arthur’s roemrijk bestaan.6

Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is, dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste ridders der Christenheid.

Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken, als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden “Mabinogion”, maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in de Welsche “Triaden”7, die volgens Sir John Rhys8 de eerste vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem, hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen, van Modred’s verraad, van den slag bij Camlan, van Arthur’s dood en—dit is zeer belangrijk—van zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach.9

In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschap [XII]voor hem overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken, hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark van Cornwall.

Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van Tristan met dien van Arthur verbonden is.

Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden, dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen moeten worden beschouwd.

Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn: “Historia Regum Brittanniae” het eerste volledige verslag gaf van de Arthur-geschiedenis10. Het vraagstuk van Geoffrey’s bronnen is nog steeds onopgelost; of hij ooit het “most ancient book in the British language” gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij, zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van geschiedkundige—of quasi-geschiedkundige—en romantische bestanddeelen erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de meest beminde helden van zijn tijd11. Het boek had een zeer groot succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in Anglo-Normandische [XIII]verzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt.

Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht “Brut” voltooide, waarin wij de gebeurtenissen uit de “Historia” vermeld zien, met bijvoeging van vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van onzen held.

Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld: niet alleen, dat hij—zooals wij reeds in de “Historia” lazen—naar het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in Arthur’s onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. “hope of Britain”, vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen.

Ook spreekt Wace in zijn “Brut” het eerst over de Ronde Tafel, welke zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij doet dit in de volgende woorden:

“Por les nobles barons qu’il ot,

Dont cascuns mieldre estre quidot.....

Fist Artus la roonde table,

Dont Breton dient mainte fable:

Ilve seeient li vassal

Tuit chevalment et tuit ingal.”12

In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als volgt:

Pour les nobles barons qu’il avait

Dont chacun voulait être meilleur (que l’autre)

Arthur faisait la ronde table

Dont les Bretons racontent beaucoup de fables. [XIV]

Là s’asseyaient les vassaux,

Tous vaillants et tous égals.

Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12e eeuw, behalve het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders.

In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: “Brut” treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens van den schrijver en heeft ten doel om de “noble deeds of England” te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland, als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren.

In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude, Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning in dapperheid overtreffen.

Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug13.

Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter Chrétien de Troies14, hebben aan den Arthur-cyclus den vorm gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde, van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker, omdat Arthur’s koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich onder Arthur’s vanen schaarden.

Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in versmaat, valt in de tweede helft der 12e eeuw, het tweede: dat der proza-romans, in de eerste helft der 13e eeuw. [XV]

In Engeland werden in de 13e en 14e eeuw eveneens romantische gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele uitzondering15 staan deze echter verre ten achter bij de Fransche gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid.

Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers, waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de hoogere kringen.

Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken16.

Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen17 van ridderromans uit die dagen.

Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven?

M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: “Tennyson’s Idylls of the King and Arthurian Story from the XVIth Century”, Glasgow, 1894, vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden, stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven, dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam, terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is de ridderlijkheid [XVI]in den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan.

De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid.

Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans aantreffen.

Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te kunnen boeien.

In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.

Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.

Het einde der 15e eeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval der ridderschap.

Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving van het kasteel was gekomen.

Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en het [XVII]gevolg was, dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den riddertijd begon te verflauwen.

Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde en bekoring.

Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de “Morte d’Arthur”, het standaardwerk van Sir Thomas Malory.

Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15e eeuw (1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend aan de Fransche ridderromans18 en naverteld op eene wijze, welke ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het geschreven werd. Malory’s boek zal altijd een der standaardwerken blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.

Vanaf het einde der 15e eeuw komen, zooals hierboven reeds werd aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.

In de 19e eeuw valt eene opleving van de waardeering voor de Arthur-legenden waar te nemen.

De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor het voetlicht.

Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om de [XVIII]oude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne verzen.

In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:

“Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!”

Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling gaande te houden.

Houten, (U.), 1920. N. M.—d. F. [1]

Ridders in gevecht.


1 “Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen”, door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.—Zutphen.—W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.

2 Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.

3 Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.

4 In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.

In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.

5 Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest, Everyman’s Library, London, Dent. De naam “Mabinogion” is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.

Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: “Keltische Mythen en Legenden”, door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.—Zutphen.—W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.

6 De naam Camlan wordt ook genoemd in “Kulhwch and Olwen” en in “The Dream of Rhonabwy”, twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.

7 De Welsche “Triaden” danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.

8 Zie John Rhys: “Studies in the Arthurian Legend”, Oxford, 1891.

9 Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur’s heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.

10 De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.

11 In Geoffrey’s werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is van [XIIIn]het Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12e eeuw.

In de “Historia” vinden wij eene beschrijving van Modred’s verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur’s omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: “Vita Merlini”, geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de “Historia” voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey’s hand te zijn.

12 Brut: regel 9994 e. v.

13 Zie: Inleiding tot de Sage van Parcival.

14 Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.

15 Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.

16 Zie Inleidingen tot de sagen van den Leeuwenridder, Tristan en Isolde, Erec en Enide, Parcival.

17 Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn “Chanson de Saisnes” aldus worden aangeduid:

“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,

De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”

18 De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: “the French book says.” Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d’Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie de Inleiding tot die Sage).

Het vijfde boek, waarin Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht “Morte Arthure”, geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14e eeuw.

[Inhoud]

ARTHURS KOMST.1

Ornamentale Leeuw.

Ornamentale Draak.

Van de geboorte van koning Arthur. In lang vervlogen tijden werd het volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop te dragen.

Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eene [2]beslissende nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.

Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.

Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.

Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te wenschen over.

Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden benevelde, gingen de blikken van den [3]vorst steeds vaker naar de overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.

Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.

Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde hij het niet, tusschenbeide te komen.

Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.

De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht voor de schoone hertogin liet hem geen rust; ’s nachts kon hij den slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar te bevredigen. [4]

Eindelijk had hij een besluit genomen—hij moest, hij zou Igerna de zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet zonder Igerna huiswaarts te keeren.

Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte de zware muren met zijne balken en stormrammen.

Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem te vragen, wat hem thans te doen stond.

Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, met plechtige stem:

“Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, die [5]diepe wonden slaat in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen.”

Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens een volgeling van Gorlois.

Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.

Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den strijd op de wallen gedood. De burcht werd [6]door de belegeraars geheel verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.

Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.

Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.

Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene als haar eigen kind opnam en verzorgde. [7]

Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.

Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.

[9]

Kasteeltoren.

Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen. Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, om de orde in het rijk te herstellen.

Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te spotten viel.

Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.

Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hun [10]vorst gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou weten te beschermen.

Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte.

Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.

Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde in de morgenzon.

Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in. [11]

Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den maaltijd.

Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, dat hem als ’t ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep en ziet—zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. “Van wien?” herhaalde de jongeling lachend, “wel, van niemand! [12]Toen ik op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!”

In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde er iets wonderlijks.

Ridder met zwaard.

Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd. De bejaarde ridder viel voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde van aandoening: “Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen van roem en eer!”

Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak ten deel zou vallen. [13]

Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.

Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en stroomde het veld binnen onder de kreten van: “Den koning heil! Leve Arthur! Leve de koning!” Het was een grootsch oogenblik in het leven van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn volk in ontvangst mocht nemen.

De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel—naar alle zijden strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.

Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd zijner troepen en ziet—het scheen of deze met een onweerstaanbaren moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren. [14]

Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.

Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van het meer.

Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend zwaard omhoog hief.

Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand stond de naam van het zwaard te lezen: Excalibur. [15]

Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.

Jonge edelman en jonkvrouw onder boom.

Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra. Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.

Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op zijne veldtochten placht te dragen.

De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.

Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door een [16]groepje personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.

Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn verderen tocht.

Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.

Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de zegewenschen der gansche bevolking.

Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.

Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn. [17]

De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij den mond tot spreken en zeide: “Sire, liever, duizendmaal liever had ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar u geen geluk brengen. Integendeel,” hier werd zijne stem luider en nadrukkelijker, “ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur geven boven al hare zusteren?”

Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden lach. “Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,” riep hij uit, “en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!”

Merlijn haalde gelaten de schouders op. “Tegen den overmoed der jeugd en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden,” zeide hij, “de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft.” Maar Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra’s hand en de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde hij niet te aarzelen, [18]Lanceloet, den dappersten zijner ridders, zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.

Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, vervulde hem met trots en vreugde.

Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis met zich brengen zou!

Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.

Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet bij zich en sprak tot hem: “Heer ridder! morgen zult gij onze woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een passend bruidsgeschenk [19]willen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?”

Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis naar Camelot ondernomen.

In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.

Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.

De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeer [20]eenvoudig en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.

En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de sombere wouden om haar vaderlijk slot!

Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!

Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders genadiglijk tot den handkus toeliet.

Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.

Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.

De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het fraais, waarmede men haar omringde, [21]haar als ’t ware bedwelmden, gelijk een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met “Hooge Vrouwe”, voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en—dit kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor—die den ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had aan de strenge etiquette van het hof.

Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse verschuldigd was. Maar wanneer hij [22]haar dan had ingehaald en zij zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.

Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich af kon schudden en jong kon zijn met haar.

Ornamentale tak.

Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten. Zoo verliepen de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra’s vroolijk gesnap werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. ’s Avonds viel ze niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei vreemde gestalten voor haar verscheen.

Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en vermeed hij Ginevra’s gezelschap zooveel hij maar kon.

Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden, [23]toen plotseling als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, eens en voor altijd.

Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.

Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van zijn schoonsten droom had toegestaan.

Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.

Ornamentale tak.

Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken. Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep bewogen stem smeekte [24]hij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het heil van zijn land en zijn volk.

Dankbaar ging zijn oog over de schare in ’t wit gekleede ridders, die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.

Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.

Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden zich voor ’t eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.

Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, toen hij hen smeekte, hem tot steun te [25]willen zijn bij zijn pogen, om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.

Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen in de oogen kreeg.

Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking van zijne idealen. Plechtig klonk het “ja! dat zweren wij” uit hunne monden en een glans van voldoening gleed over ’s konings gelaat.

Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken, dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet, toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in den rug hunner zetels gegrift.

In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen het geboomte van het slotpark.

Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijk [26]woord en hij vervulde zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.

Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld, die jong en schoon was als hij.

Kasteel.

[27]


1 Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: “De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage.”

[Inhoud]

INLEIDING TOT DE SAGE VAN “HEER WALEWEIN EN DE GROENE RIDDER”.

Ornamentale leeuw.

Onder de volgelingen van koning Arthur, die uitmunten door kracht en behendigheid, is er één, die meer dan alle anderen geprezen wordt als een voorbeeldig ridder, in wien de ridderlijke deugden van eerlijkheid, offervaardigheid, zachtheid, nederigheid en hoffelijkheid hare hoogste volmaking hadden bereikt en wiens moed en dapperheid hem tot een bijkans onoverwinlijk tegenstander in het gevecht maakten. Dit is Walewein, de neef van koning Arthur. Wij vinden zijn naam voor ’t eerst vermeld in William of Malmesbury’s werk, getiteld: “Gesta Regum Angliae”. In deze pseudo-historische kroniek, dagteekenend uit de eerste helft der 12e eeuw lezen wij eene beschrijving van het graf van Walewein, dat te vinden moet zijn in Ross in Pembrokeshire. Daarbij maakt de schrijver melding van het feit, dat onze held de zoon was van Arthurs zuster Morgawse, gehuwd met Lot, koning der Orcadische eilanden, en dus een neef van den grooten koning.

In de “Historia Regum Brittanniae” van Geoffrey of Monmouth, die slechts een tiental jaren jonger is dan bovengenoemd werk, speelt Walewein eene belangrijke rol. Als afgezant van koning Arthur trekt hij naar het hof van keizer Lucius om aldaar te onderhandelen over eene schatting, die door de Romeinen geëischt wordt. Zijn optreden aan het hof te Rome is van dien aard, dat de oorlogsverklaring aan koning Arthur niet lang op zich laat wachten en in den daarop volgenden veldtocht onderscheidt [28]Walewein zich door zijne trouw en dapperheid. Ook in den strijd tegen Modred treedt hij op den voorgrond als de kampioen van zijn oom en vorst.

In zijne Anglo-normandische vertaling van de “Historia Regum Brittanniae” weet Wace niets aan de geschiedenis van Walewein toe te voegen; toch blijkt uit zijn werk, dat hij zijn held reeds uit andere verhalen kent en dat de roem van Walewein reeds ver was doorgedrongen. Terzelfdertijd wordt die roem bevestigd door Béroul, die in zijn “Tristan” aan Walewein de rol toekent van een intiemen vriend van den held en hem beschrijft als een voorbeeldig ridder, toegerust met alle deugden, die deze behoort te bezitten.

In de werken van Chrétien de Troies stijgt Walewein tot het toppunt van zijne glorie. Hoewel geen enkel gedicht naar hem genoemd is, wordt hij in alle werken van dien schrijver beschreven als een onoverwinlijk strijder, een dapper en hoffelijk edelman, wiens gaven van verstand en hart hem vaak doen uitblinken boven den eigenlijken held van het gedicht. Walewein is het toonbeeld van wat een ridder moet zijn en het kan niet anders of deze volmaaktheid zijner deugden doen hem een weinig te kort schieten in persoonlijkheid. Hij wordt min of meer het “type” der volmaakte ridderschap, maar verliest daardoor aan individualiteit. Een gevolg hiervan is, dat hij niet, zooals andere beroemde Arthurridders—men denke slechts aan Parcival en Tristan—eene eigen levensbeschrijving heeft; ook is zijn naam niet steeds verbonden aan dien van eene zelfde geliefde. Walewein is bij uitstek de held der “romans épisodiques”, die in tegenstelling met de “romans biographiques”, slechts eene zekere periode uit het leven van den held tot onderwerp hebben.

De latere Fransche schrijvers zijn minder hoffelijk geweest in hunne opvatting van Waleweins karakter. In de prozaromans, die dagteekenen uit het einde der 12e eeuw, zien wij onzen held eene gedaanteverwisseling ondergaan, die hem gansch onherkenbaar maakt. [29]

Niet langer wordt hij ons voorgesteld als een dapper ridder, wiens onkreukbare trouw en groote hoffelijkheid hem tot een steun der zwakken en een bestrijder der boozen maken—integendeel: wij worden ingelicht over zijne valschheid en onbetrouwbaarheid en over de lafhartigheid van zijne gedragingen. De oorzaak van dezen grooten ommekeer in de houding der romanschrijvers is niet met juistheid vast te stellen. Bijna zeker is het, dat Walewein oorspronkelijk de held der Graal-sage was, voordat deze een werktuig werd in de handen der geestelijkheid tot verspreiding der Christelijke leerstellingen. Ook als minnaar van koningin Ginevra vinden wij zijn naam genoemd vóór dien van Modred en Lanceloet; waarschijnlijk moest hij voor dezen de plaats ruimen, toen eene dergelijke onwettige liefde onvereenigbaar bleek te zijn met zijn ridderlijk karakter. Of dit laatste ten slotte te gunstig heeft afgestoken bij dat van Tristan en Lanceloet, wier beider eer was bevlekt door hunne zondige verhouding tot Isolde en Ginevra, en men hem daarom van het voetstuk heeft pogen af te lichten, waar hij praalde als de “chevalier sans peur et sans reproche”—zeker is het, dat hij in de latere ridderromans geheel en al van karakter is veranderd. Ook de moderne dichters, die hunne werken op deze romans gegrond hebben, volharden in de ongunstige opvatting van Waleweins karakter en Alfred Tennyson begaat in zijne Koningsidyllen eene groote fout, door zich bij deze onrechtvaardige beschouwing van den geliefkoosden held der middeleeuwsche ridderromans aan te sluiten.

Dat wij Walewein inderdaad zoo mogen noemen blijkt onder meer uit het feit, dat hij in de Middel-Engelsche letterkunde de eenige figuur is, behalve dan koning Arthur zelf—die een kring van ridderromans om zich heen verzameld heeft, bestaande uit niet minder dan elf gedichten. Daarbij dient nog vermeld, dat hij bovendien eene rol speelt in vele andere gedichten, waar aan de beschrijving zijner lotgevallen dikwijls meer plaats wordt toegekend dan aan die van den held van het verhaal.

Onderstaande sage mag met recht beschouwd worden als de [30]hoogststaande, zoowel wat taal als inhoud betreft, der Middel-Engelsche letterkunde en wij moeten den schrijver er dankbaar voor zijn, dat hij door zijn werk een verheffend en blijvend eerbetoon heeft bewezen aan een der schoonste figuren der ridderliteratuur.

Wie de schrijver van het gedicht geweest is, valt niet met zekerheid te zeggen. Wel kan worden vastgesteld, dat het gedicht geschreven werd omtrent 1370 in het Noord-Westen van Engeland.

Het handschrift, waarin het tot ons is gekomen, bevat drie andere gedichten, die vele punten van overeenstemming vertoonen met het gedicht van Walewein en daarom door vele geleerden worden beschouwd van dezelfde hand te zijn.

De geschiedenis, zooals zij hieronder vermeld staat, is op geen andere wijze tot ons gekomen dan in bovengenoemde Middel-Engelsche vertolking. Toch heeft de schrijver van “Syr Gawayne and the grene Knyght” geen oorspronkelijk werk geleverd. Zooals hij zelf in zijn werk zegt, het verhaal bestond al en was reeds sinds langen tijd “locked in lettered lore” geweest. Men kan dan ook bijna zeker zeggen, dat hij zijne stof ontleend heeft aan een Franschen of Anglo-Franschen ridderroman, die voor ons verloren is gegaan. Welke hiervan de juiste vorm is geweest, wanneer en door wien de oorspronkelijke roman geschreven is en welke de verhouding was tusschen het Engelsche gedicht en zijne oorspronkelijke bron—deze vragen wachten tot nu toe op een stellig antwoord, al hebben vele geleerden zich beijverd om eene oplossing voor het vraagstuk te vinden. De eerste schreden op den weg, die tot deze oplossing leidt, werden vergemakkelijkt door het feit, dat de twee hoofdthema’s, waarin het verhaal reeds bij eene eerste lezing uiteenvalt, ieder afzonderlijk in verscheidene andere sagen en legenden voorkomen. Die twee hoofdthema’s kunnen wij kortheidshalve “de onthoofdingsproef” en “de getrouwheidsproef” noemen. De “onthoofdingsproef” vermeldt, hoe een ridder uit eene betoovering wordt bevrijd, doordat eerst hemzelf het hoofd wordt afgeslagen en daarna een ander ridder zich goedschiks eveneens aan eene onthoofding blootstelt. De [31]“getrouwheidsproef” geeft ons de beschrijving van hetgeen een ridder ondergaat bij het getrouwelijk nakomen der verplichtingen, die hij jegens zijn gastheer verschuldigd is.

Over den oorsprong dezer beide thema’s en over de wijze waarop zij tezamen zijn gebracht, bestaan natuurlijk verschillende opvattingen, waarvan hieronder enkele zijn aangestipt.

Sir Frederick Madden, de eerste uitgever van het Middel-Engelsche gedicht, Richard Morris, die eene uitgave ervan bewerkt heeft voor de Early English Text Society, en ten Brink, de schrijver van een Duitsch boek over Engelsche literatuurgeschiedenis, nemen aan, dat “Syr Gawayne and the grene Knyght” gegrond is op eene episode uit de eerste voortzetting van Chrétien de Troies, “Conte del Graal”, waar de held niet Walewein, maar Caradoc, eveneens een neef van koning Arthur is. Daartegenover dient gesteld de meening van Jessie Weston, die in haar werk, getiteld “The Legend of Sir Gawain”, met den grootsten nadruk verklaart, dat bovengenoemde episode nooit ten oorsprong kan hebben gelegen aan het Middel-Engelsche gedicht.

Behalve in de reeds vermelde voortzetting van de “Conte del Graal” komt het eerste hoofdthema: dat der “onthoofdings-proef”, voor in verscheidene oud-Fransche gedichten. Deze bevatten evenwel niet de oudste wedergave van de sage, daar deze reeds voorkomt in een oud-Iersch heldendicht: “Fled Bricrend” of “het Feest van Bricrin”, waarin zelfs twee vermeldingen van de proef worden gevonden. Het handschrift van dit epos dagteekent uit het einde der 11e eeuw, maar het werk zelf moet veel ouder zijn, daar het zelfs geen sporen van Christelijke beginselen vertoont. Bovengenoemde sage moet op een vroeg tijdstip doorgedrongen zijn tot het vasteland, waar wij in vijf verschillende ridderromans eene min of meer getrouwe navolging ervan aantreffen.

Deze zijn: “La Mule sanz Frain”, door Paiens de Maisières (begin 13e eeuw), welk verhaal werd opgenomen door den Duitschen dichter Heinrich von dem Türlin in zijn onsamenhangend [32]en lang gedicht: “Diu Crône”, hetwelk waarschijnlijk geschreven werd omstreeks 1210. Vervolgens werd de onthoofdingsperiode opgenomen in het Fransche of Anglo-normandische gedicht, dat ten grondslag lag aan “Syr Gawayne and the grene Knyght”, in de bovengenoemde voortzetting van de “Conte del Graal” en in de prozaroman “Perlesvaus”.

Volledigheidshalve dient hier nog vermeld de ridderroman getiteld “Gauvain et Humbaut”, waar hetzelfde verhaal, zij het in een zeer gebrekkigen vorm, wordt verteld.

Wat het tweede hoofdthema: de “getrouwheidsproef” aangaat, ook dit treffen wij elders aan. Het vindt eveneens zijn oorsprong in oude volkssagen en overleveringen, waar veelvuldig melding wordt gemaakt van eene soortgelijke proef, waaraan bovennatuurlijke wezens hunne menschelijke gasten of bezoekers onderwerpen, alvorens hun toegang te verleenen tot hun rijk. In den oud-Franschen ridderroman “Ider” (eerste helft der 13e eeuw) komt eene episode voor, die groote overeenstemming toont met de episode uit de Walewein-sage, al treft ons terstond het verschil in toon tusschen den beide verhalen. In den “Ider” heerscht eene ruwheid in zeden en gewoonten, die bijna aan het barbaarsche grenst, de Walewein-sage daarentegen ademt een geest van hoffelijkheid en beschaving.

Twee andere ridderromans: de Middel-Engelsche “Carl of Carlisle” en de Fransche “Chevalier à l’Epée” vermelden eene soortgelijke getrouwheidsproef; zij zijn waarschijnlijk gegrond op eenzelfde Fransch gedicht.

Ten slotte vinden wij eene dergelijke gebeurtenis beschreven in twee korte Italiaansche gedichten uit de 14e eeuw; het eene, waarvan de schrijver onbekend is gebleven, is getiteld “Morale”, het andere, waarin de held een Romeinsch edelman is en geenerlei melding wordt gemaakt van de Ronde Tafel, is getiteld: “Dà un exempli” en werd geschreven door Antonio Pucci. Waarschijnlijk wijzen ook deze beide terug naar hetzelfde Fransche gedicht, waar de “Carl of Carlisle” en de “Chevalier à l’Epée” aan ontleend zijn. [33]

Op welke wijze moeten wij nu aannemen, is uit deze hier en daar voorkomende episoden de met recht zoo hoog geprezen roman van “Walewein en de groene Ridder” voortgekomen?

Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de studie over onze sage, getiteld: “A Study of Gawain and the green Knight”, door George Lyman Kittredge. Harvard University Press, 1916.

De schrijver stelt als zijne meening voorop, dat de beide hoofdthema’s der sage geheel onafhankelijk van elkander zijn in oorsprong en geschiedenis en slechts in deze sage tot één verhaal zijn vereenigd. Vervolgens gaat hij nauwkeurig het ontstaan en de ontwikkeling der beide thema’s na en beproeft steeds de ontbrekende schakels in den ontwikkelingsgang, dien hij aanneemt, aan te vullen. Deze is ongeveer als volgt: in de 12e eeuw werd, waarschijnlijk in Engeland, een korte episodische roman over Walewein samengesteld, die ontleend was aan de onthoofdings-episode uit het oud-Iersche heldendicht “Fled Bricrend”. Deze episodische Walewein-roman, geschreven in het Anglo-Normandische dialect, is verloren geraakt, maar de sage van de onthoofdingsproef werd er uit overgenomen in drie Fransche romans: 1e de “Mule sanz Frain”, 2e de proza “Perlesvaus”, waarin het verhaal een anderen held krijgt, n.l. Lanceloet en 3e “Gauvain et Humbaut”, waar het zich in een eigenaardigen vorm vertoont. Om en bij 1200 of een weinig vroeger werd de bovengenoemde Walewein-roman herzien of geheel opnieuw geschreven door een Fransch dichter in een dialect van het vastelands-Fransch. Deze bewerking van het oude verhaal was veel beschaafder en verfijnder dan de oorspronkelijke en hieraan was het, dat de stof werd ontleend voor de Caradoc-episode in de eerste voortzetting van Chrétien’s Conte del Grael. Ten slotte was het ook uit deze bewerking, dat de Fransche dichter putte, die de onthoofdings-episode verbond aan een geheel verschillende sage omtrent onzen held en uit de samensmelting van die beide thema’s een nieuw en samenhangend geheel deed ontstaan, dat weliswaar zelf verloren [34]is geraakt, maar waarvan wij de vrije en oorspronkelijke bewerking in “Syr Gawayne and the grene Knyght” kunnen bewonderen. Het Fransche gedicht wordt door Kittredge geacht omstreeks 1250 tot stand te zijn gekomen.

De schrijver toont vervolgens aan, in welke opzichten de Engelsche dichter van zijne bron is afgeweken. Dit is vooral merkbaar aan het slot der geschiedenis; het is geheel tegen den geest der oud-Fransche ridderromans, om Walewein anders dan zegevierend uit eene onderneming te voorschijn te doen treden en in ons verhaal keert onze held min of meer schuldbewust en boetvaardig naar het hof van koning Arthur terug. Waarschijnlijk is de ontknooping eerst geweest als volgt: doordat Walewein, getrouw aan zijne belofte, den zwaardslag uit de hand des groenen ridders heeft afgewacht, is de laatste uit een toestand van betoovering bevrijd en tot zijn menschelijken vorm teruggekeerd. Vol vreugde over zijne bevrijding besluit hij Walewein te volgen en deze keert zegevierend naar het hof terug, waar de groene ridder onder de vazallen des konings wordt opgenomen.

Dat dit inderdaad de ontknooping van het verhaal is geweest, bewijst de schrijver uit twee andere Engelsche gedichten: “The Turk and Gawain”, hetwelk dateert uit het einde der 14e eeuw1 en uit eene ballade, getiteld: “The grene Knyght”, welke voorkomt in het Percy H. S. van 1765. Beide gaan volgens den schrijver terug op hetzelfde Fransche gedicht, waaraan “Syr Gawayne and the grene Knyght” ontleend is en toonen aan, waar laatstgenoemd gedicht van het oorspronkelijke verhaal is afgeweken.

Eene andere opvatting omtrent het ontstaan en den groei van de sage vinden wij in eene studie, door J. R. Hulbert; getiteld: “Syr Gawayne and the Grene Knyght”, die verschenen is in Modern Philology (December 1915, April 1916). De schrijver tracht aan te toonen, in tegenstelling met de algemeen gehuldigde meening, dat de beide hoofdthema’s der sage, hoewel logisch [35]onafhankelijk, dit toch niet geschiedkundig zijn. Tot bewijs dezer stelling toont schrijver aan, dat in drie der verhalen, waarin de onthoofdingsproef voorkomt, deze dienen moet om den held te helpen in het veroveren zijner geliefde, die geen menschelijk wezen, maar eene fee is.

Waartoe nu, zoo zegt schrijver, dient die beproeving bij Walewein? Zeker niet, om den held te vernederen, want—en dit is inderdaad een onverklaarbaar element in het verhaal—Morgan, de bekende toovenares, die in vele Arthur-verhalen voorkomt en ook in deze geschiedenis hare macht doet gelden, moet als toovenares vooruit hebben geweten, wat het resultaat zou zijn van de wraakneming, die zij wenschte te volvoeren. Welnu dan, zegt schrijver, indien het niet was om Walewein en in hem de ridders van de Ronde Tafel te vernederen, dan was het ook hier, om hem de hand zijner geliefde te doen winnen. De feiten, die tegen de houdbaarheid eener dergelijke veronderstelling schijnen te spreken, zijn 1e dat de schoone vrouw van Heer Bernlak slechts voorwendt haren gast lief te hebben en 2e dat Walewein de beproeving van den bijlslag eerst ondergaat, nadat de dame hem hare liefde heeft aangeboden. Deze punten verklaart de schrijver door aan te nemen, dat het oorspronkelijke verhaal gewijzigd is, om te kunnen dienen als dichterlijke verklaring voor de stichting eener orde. Inderdaad hebben vele geleerden verband gezocht tusschen het dragen van den groenen gordel en de stichting der orde van den Kouseband door Richard III in 1345.

Dit verband wordt bevestigd door het feit, dat wij aan het einde van het M. S., als later daaraan toegevoegd, het devies van deze orde geschreven vinden. Bovendien zien wij hoe in den reeds genoemden 15e eeuwschen ridderroman “The grene Knyght” hetzelfde verhaal gebruikt wordt, om den oorsprong van de Bath-orde te verklaren.

Mr. Hulbert is eveneens van meening, dat het Middel-Engelsche gedicht voor dit doel gebruikt is, d.w.z. als verklaring voor de [36]stichting van eene orde, echter niet, zooals wij zullen zien van die van den Kouseband. Om die reden, zoo zegt hij, werden de gebeurtenissen in het verhaal gewijzigd. Doordat de dichter de orde wilde verbinden aan het begrip van trouw en eerlijkheid, stelde hij de liefdesbetuigingen der burchtvrouwe voor als eene zware verleiding, waartegen de held te strijden had en verplaatste hij de tooneelen tusschen hen naar het gastvrij slot, waar volgens de oude overleveringen de held verblijf houdt alvorens zich door de onthoofdingsproef den toegang tot de andere wereld en de daarin verblijf houdende geliefde te verschaffen. Daardoor komt nu de onthoofdingsepisode achteraan en kan zij dienen als een blijk van Waleweins trouw aan zijn gegeven woord. De ballade van “The grene Knyght”, die volgens den schrijver gegrond is op een ouderen vorm van de sage, bewijst volgens hem, dat er grond bestaat voor de juistheid zijner opvattingen daaromtrent. Hier koestert de slotvrouwe inderdaad liefde voor Walewein, hoewel zij hem nooit gezien heeft, een veelvuldig voorkomend feit in de oude ridderromans. Daarbij vinden wij hier geenerlei melding van Morgan le Fay, die in het latere gedicht zulk eene vreemde en bijkomstige rol speelt, dat het voor de hand ligt om aan te nemen, dat hare figuur eerst later door den dichter is ingeschoven. Ten slotte wordt in “The grene Knyght” de uitdaging tot onthoofding gebruikt om Walewein naar het slot te lokken van de dame, die hem liefheeft.

Deze drie punten nu verklaren volgens J. R. Hulbert, dat de sage van Walewein en den groenen Ridder oorspronkelijk ten doel had om de avonturen te beschrijven, die voorafgaan aan het winnen eener geliefde uit het feeënrijk.

Wat nu de orde betreft, voor welker stichting onze sage de verklaring moest leveren, zoo is dit volgens Hulbert in geen geval die van den Kouseband. De groene kleur, waarin de vreemde bezoeker is uitgedost, terwijl de kleur van de Kouseband-orde blauw is—het feit, dat in het gedicht steeds sprake is van Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, terwijl de viering van de orde op [37]den naamdag van St. George valt en ten slotte de omstandigheid, dat bedoelde viering steeds in Windsor geschiedde, terwijl het gedicht geschreven is in een Noord-Westelijk dialect—al deze dingen wijzen er volgens den schrijver op, dat onze sage geen verband kan houden met de stichting van deze orde. Wel meent hij zulks te ontdekken in het geval van de Bath-orde. Tot deze veronderstelling wordt hij gebracht door het feit, dat in oude beschrijvingen van het tot ridder slaan van deze orde, melding wordt gemaakt van een groen kleed, waarmede de geridderden werden omhangen. Verder dient vermeld, dat hoewel de Bath-orde zelf eerst in 1725 werd gesticht, er reeds in oude tijden melding wordt gemaakt van ridders van dien naam. Is de schrijver juist in zijne veronderstelling, dan zou deze sage, evenals die van “The Grene Knyght”, reeds van den aanvang af verband houden met de legende omtrent het ontstaan van de Bath-orde.

De nadruk, die in het gedicht gelegd wordt op de viering der Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, doen den schrijver aan het slot van zijn artikel de veronderstelling opperen, dat de romance bestemd was om bij een dier beide feestgelegenheden te worden voorgedragen.

De slotsom van zijne studie is dus volgens den schrijver, dat “Syr Gawayne and the green Knight” niet eene samensmelting is van twee afzonderlijke verhalen, maar eene eenigszins gewijzigde bewerking van één enkele oude sage; verder, dat het gedicht niets uitstaande heeft met de stichting van de Orde van den Kouseband en dat bij het zoeken van eenig verband tusschen de sage en het ontstaan eener orde de groene kleur van den gordel en de tijd, waarin de gebeurtenissen, in het verhaal vermeld, zich afspelen, in aanmerking moeten worden genomen.

Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche dichter van het oorspronkelijke [38]is afgeweken, laten wij hier buiten beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in ’t minst te schaden.

Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven, terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn tijd waardig zouden doen zijn.

[39]


1 Gaston Paris in tome XXX der Histoire Littéraire de la France vermeldt het gedicht als behoorend tot de 16e eeuw.

[Inhoud]

DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER.

“Entre toz les bons chevaliers

Doit estre Gauvains li premiers.”

(Chrétien de Troies: Erec 1690–91).

Wanneer het jaar ten einde spoedde, waren de ridders der ronde tafel gewoon, zich naar Camelot te begeven, om aldaar met hun vorst het kerstfeest te vieren. Reeds in den aanvang zijner regeering had koning Arthur den wensch te kennen gegeven, om ter herdenking van dit plechtig geboortefeest een zoo groot mogelijk aantal zijner getrouwen om zich heen verzameld te zien. Geen wonder dus, dat de ridders, voor wie elke wensch van hun geliefden heer een gebod was, elk jaar in grooten getale naar Camelot optrokken, onverschillig waar zij zich op dat tijdstip bevonden of welke moeilijkheden de lange tocht door het besneeuwde land hun in den weg legde. Een woord van welkom uit den mond van hun koning vergoedde hun ten volle de doorstane ontberingen en na een tijd van vertrouwelijk samenzijn met vrienden en bekenden, van wier bijzijn zij in dit jaargetijde uit den aard der zaak meer konden genieten dan in den zomer, als het gezelschap zich verspreidde in veld en bosch, plachten zij gesterkt naar lichaam en geest, naar hunne haardsteden terug te keeren. Zoo ging er van dit rustig samenzijn in den barren wintertijd een verheffende invloed uit en in de vertrouwelijke gesprekken tusschen den [40]vorst en zijne volgelingen, scheen er in de harten der ridders iets neer te dalen van den vrede van het Kerstfeest, waardoor de gedachten aan roem en eer, aan vrouwenliefde en vorstengunst voor eene wijle op den achtergrond werden gedrongen.

Maar de ridders brachten niet al hun tijd door met het voeren van ernstige gesprekken, de koning wenschte vóór alles, dat het Kerstfeest een tijd zou zijn van ontspanning voor hen, wien mogelijk in het Nieuwe Jaar eene zware taak of eene harde beproeving wachtte.

Daarom droeg hij zorg, dat in die dagen vreugde en jolijt den boventoon voerden aan zijn hof, hij liet er bekwame harp- en luitspelers ontbieden, beroemde minnezangers en geestige potsenmakers vonden er een gastvrij onthaal en een vorstelijk loon en zoo bracht elke dag den gasten nieuwe verstrooiing.

De dag, waarop de gebeurtenissen, in dit verhaal vermeld, een aanvang namen, was de eerste van het Nieuwe Jaar en een talrijk gezelschap van rijk gekleede ridders en edelvrouwen was in de groote feestzaal van het koninklijk paleis verzameld, gereed om zich aan tafel te begeven.

De dienst in de slotkapel was zoo juist afgeloopen, de plechtige kerkgezangen waren verstomd en nadat het gezelschap in het paleis was teruggekeerd, had men elkander op vroolijken toon gelukgewenscht met het Nieuwe Jaar, onder het aanbieden der gebruikelijke geschenken. De zaal was vervuld met een blij gegons van stemmen en een zacht ritselen van zijden vrouwenkleeren, terwijl zoo nu en dan het gekletter van een zwaard of het rinkelen van riddersporen weerklonk.

Eindelijk bliezen herauten het sein tot den maaltijd en onder vroolijk gelach en gepraat schikten de gasten zich aan weerszijden van de lange tafels, waar een keur van spijzen stond opgediend. Aan het hoofd der eeretafel, die dwars op de richting der andere stond, zou het vorstelijk echtpaar aanzitten met de edelsten onder de ridders. Koningin Ginevra had reeds plaats genomen in haren hoogen gebeeldhouwden stoel. Een nauwsluitend, [41]groen kleed omsloot hare ranke gestalte, de wijd afhangende mouwen waren rijk geborduurd in helder glanzende kleuren en de breede gordel, dien zij om het midden droeg, was bezaaid met fonkelende edelsteenen. In het blonde haar droeg zij een gouden kroontje. De uitdrukking van haar gelaat was minzaam, en vroolijk straalden haar grijze oogen bij den aanblik van dit gezelschap van edele ridders en schoone vrouwen, die allen hier waren gekomen om haar en haren gemaal hulde te brengen. Aan de zijde der vorstin waren de dapperste en meest geziene ridders van het hof gezeten: Walewein, de zoon van koning Loth en de eigen neef van koning Arthur, Iwein, bijgenaamd de Leeuwenridder, Lanceloet en eenige anderen. De koning zelve had nog steeds geen plaats genomen op zijn zetel aan de zijde der koningin. Pratend en gekscherend liep hij op en neer, nu eens tot dezen, dan weer tot dien ridder het woord richtend. Het was in het begin zijner regeering, dat de te melden gebeurtenissen zich afspeelden, in den tijd, toen hij nog jong en krachtig was en het besef zijner hooge roeping hem het bloed sneller door de aderen deed vloeien. In die dagen bruiste het in hem van moed en levenlust en de gedachte aan de heldendaden en wapenfeiten, die hij zou verrichten, deden zijne oogen fonkelen en een onrust in hem ontwaken, die het hem onmogelijk maakte om langen tijd op een plek te vertoeven. Ook nu kon hij geen rust vinden; de wereld daarbuiten riep hem met lokkende stem en gaarne zou hij uit zijn gereden, de bosschen in, waar de prikkel der jacht hem gelegenheid zou geven zijn lust tot avontuur te botvieren. Lachend zwoer hij, dat hij zich niet aan tafel zou begeven, alvorens hem eene of andere heldendaad of gevaarlijk waagstuk zou zijn ter oore gekomen om het Nieuwe Jaar waardig in te zetten. Intusschen liepen de knechten ijverig heen en weer om de dampende schotels aan te brengen. Een geur van gebraad en andere kostelijke spijzen steeg op in de zaal, de wijn vloeide klokkend uit de gouden en zilveren kannen in de sierlijke bokalen en het geluid der stemmen vermengde zich met de zachtklinkende muziek der [42]luitspelers, die in een hoek der zaal hadden plaatsgenomen. Toen de eerste gerechten waren rondgediend, verstomde het gepraat allengs en hoorde men een tijdlang niets dan het getik der lepels tegen de borden en het neerzetten van een beker op de tafel.

Ornament.

Van de plotselinge verschijning des groenen ridders. Plotseling werd de deur, die toegang gaf tot de zaal met een luiden slag opengeduwd en op den drempel verscheen een ruiter, bij wiens aanblik alle aanwezigen ophielden met eten en elkander in stomme verbijstering aanstaarden. De ridder namelijk, die zoo juist was binnengekomen, was een reusachtige gestalte en vertoonde bovendien—en dit was ’t vreemdst van alles—van het hoofd tot de voeten eene groene kleur. Alles aan hem was groen: zijn wambuis en schoudermantel, de edelgesteenten, die glinsterden op zijn gordel en zijne sporen, het dekkleed over zijn paard en het ros zelf eveneens. De ridder droeg geene wapenrusting en speer noch schild, maar in de eene hand hield hij een hulsttak, terwijl de andere eene zware strijdbijl torste, waarvan de snede vlijmscherp geslepen was.

Zonder een woord te spreken stuurde hij zijn ros in de richting der eeretafel en vroeg toen met luider stemme, wie de heer en meester van het gezelschap was.

Doodsche stilte heerschte in de zaal, waar alle aanwezigen in stomme verbazing de vreemde verschijning gadesloegen. Vanwaar kon hij zoo plotseling gekomen zijn, deze zonderlinge ridderfiguur en wat beduidde die groene kleur? Eensdeels scheen het, of hij met vriendschappelijke bedoelingen kwam, want hij droeg harnas noch helm, maar waarom dan die scherp geslepen bijl? Al deze vragen woelden om in het brein der aanwezigen en in spanning richtten zij hun blik op den koning om te zien welke houding hij tegenover dezen ongenooden gast zou aannemen.

Koning Arthur evenwel scheen geen oogenblik zijne kalmte te verliezen. Met rustigen tred deed hij eenige schreden in de [43]richting van den vreemdeling en sprak: “Wees welkom in mijn paleis, heer ridder! In mij ziet gij den heer van dit gezelschap; mijn naam is Arthur en deze uitgelezen schaar van dappere mannen zijn mijne ridders! Zet u neder in hun midden, wat ik u bidden mag en deel met ons dezen maaltijd. Na afloop zult gij ons dan vertellen, wat er van uw verlangen is!”

“Neen, waarlijk niet”, antwoordde de vreemdeling, “dat is niet, hetgeen ik hier zoek! Het is niet om van uwe gastvrijheid te genieten, dat ik hierheen ben gekomen, maar wel om de veel geroemde dapperheid uwer ridders op de proef te stellen. Wanneer zij werkelijk de moedigste en edelste mannen ter wereld zijn, zullen zij mijn verzoek niet weigeren.”

“Spreek vrij uit”, hernam koning Arthur op trotschen toon, “en wanneer gij een sterken arm of een scherp zwaard behoeft, om uwe kracht mede te meten, zoo zijt gij hier op de rechte plaats om die te vinden!”

“Ik zoek geen strijd”, antwoordde de groene ridder, en zijn blik dwaalde met eene uitdrukking van minachting over de aanwezigen, “gij ziet immers aan mijne kleeding en aan den hulsttak, dien ik draag, dat ik met vreedzame bedoelingen herwaarts gekomen ben. Ware dit niet het geval, dan zoudt ge mij in volle wapenrusting gezien hebben, met den helm op ’t hoofd, en mijne lange strijdspeer in de hand. En geen dezer baardelooze knapen zou dan in staat zijn geweest, mij uit den zadel te lichten. Neen, mijn verlangen is van gansch anderen aard. Het is een Kerstgrap, die ik wensch, eene dolle scherts, die past in dezen tijd van boert en kortswijl. Daarom vraag ik u, of er één is onder uwe ridders, koen en stout genoeg, om mij een slag toe te brengen in ruil voor een anderen? Zoo ja, dan zal ik hem als belooning deze kostbare strijdbijl schenken en mij bovendien beschikbaar stellen om den eersten slag uit zijne hand af te wachten. In ruil daarvoor behoud ik mij echter het recht voor, om hem op mijne beurt een slag toe te brengen, waartoe ik hem twaalf maanden uitstel geef. Wie uwer neemt mijn voorstel aan?” Nadat hij deze woorden [44]gesproken had, steeg de groene ridder van zijn paard en, leunend op zijn wapen, liet hij zijne rollende oogen met eene uitdrukking van spot en minachting over het gezelschap gaan.

Stom zaten de ridders bijeen; het vreemde voorstel en de reusachtige gestalte van den groenen ridder vervulden hen met angst en wantrouwen. Dit was geen gewone uitdaging, zooals zij die gewend waren van vreemde ridders, die aan het hof te Camelot kwamen, om hunne krachten te beproeven tegen de ridders der Ronde Tafel; dit was een voorstel, dat oogenschijnlijk gunstig voor hen leek, maar waarachter zij, als door eene natuurlijke ingeving, vermoedden, dat een groot gevaar stak. Daarom was niemand belust er op in te gaan en wachtte elkeen eerst af, of zijn buurman wellicht die taak van hem zou overnemen. De groene ridder evenwel barstte uit in een luid en smadelijk lachen. “Zijn dit de hoog geprezen en veel geroemde ridders der Ronde Tafel? deze bloodaards, die bij het noemen van ’t gevaar zich reeds schuchter terugtrekken? Waar zijn nu uwe dapperheid en strijdlust, waar uw moed en ondernemingsgeest? Met een enkel woord heb ik ze tot leugen gemaakt en u getoond wie ge zijt; een troep laffe knapen, gemakkelijk uit het veld te slaan door wapengekletter en krijgsgerucht.”

Maar verder kwam de vreemdeling niet, want koning Arthur viel hem in de rede met een donderend: “Zwijg! Niet ongestraft zult gij mijne ridders beleedigen! Meen niet, dat zij bevreesd zijn voor uwe geheimzinnige uitdaging. Indien zij zwijgen, dan doen zij zulks, omdat het een wijs man past, eerst met zijn verstand te rade te gaan, alvorens hij een besluit neemt. Voorwaar, dit zeg ik u! in de harten mijner ridders schuilt geen vrees of angst! Ik zelve zal u bewijzen, dat wij in staat zijn aan uw wensch te voldoen. Geef mij uw wapen en ik zal u den slag toebrengen, dien gij verlangt te ontvangen.” Daarop sprong de vorst op den vreemdeling toe, die hem met eene nijging van het hoofd de strijdbijl overhandigde en daarna in gebogen houding den slag scheen af te wachten. [45]

Plotseling ontstond er beweging aan de eeretafel, waar Heer Walewein, zich half oprichtend uit zijn zetel, den koning aansprak met de volgende woorden: “Sire, het zou niet stroken met uwen koninklijken staat, indien gij uw leven waagdet in deze onderneming, waarvan wij de strekking nog niet kunnen doorgronden. Waar zoovelen aanwezig zijn, om dit werk van u over te nemen, is het onnoodig, dat gij u in het gevaar begeeft. Daarom smeek ik u mij toe te staan, dit avontuur op mij te nemen. Vergun mij, de tafel te verlaten en laat mij in deze uw kampioen zijn. Al ben ik onwaardig om u te vervangen, toch hoop ik met Gods hulp en de kracht mijner vuist, deze taak te volbrengen, indien ge mij steunen wilt met uw vertrouwen!” De andere ridders waren getroffen door den plechtigen ernst, waarmede Walewein deze woorden sprak en toen hij zweeg en den koning smeekend aanzag, viel een koor van stemmen hem bij, die allen poogden Arthur over te halen om Waleweins bede in te willigen.

Met een minzaam handgebaar wenkte de vorst den jongen ridder om van tafel op te staan; deze gaf daaraan gehoor, deed een paar haastige schreden in de richting van zijn koning en knielde eerbiedig voor hem neer. Arthur overhandigde hem toen de strijdbijl en voegde hem op ernstigen toon toe: “Mogen God en alle heiligen u bijstaan in de zware taak, die gij vrijwillig op uwe schouders hebt genomen. Mogen zij uw hart en lichaam sterken en u behouden doen wederkeeren tot allen, die u dierbaar zijn!”

Walewein begaf zich nu met de bijl in de hand naar den groenen ridder en zeide tot hem:

“Spreek, wat wilt gij, dat ik doen zal?”

“Vóór wij verder gaan, moet ge mij uw naam zeggen”, antwoordde de vreemdeling. “Daarna zullen wij nader de voorwaarden vaststellen, waaronder ik wensch te handelen.”

“Mijn naam is Walewein, en ik verbind mij u een slag toe te brengen, waarvoor ge mij in ruil een anderen slag moogt geven, wanneer wij twaalf maanden verder zijn”, antwoordde de jonge ridder trotsch. [46]

De groene ridder zag zijn jeugdigen tegenstander vriendelijk aan en zeide op zachteren toon, dan hij tot nu toe gebezigd had: “Gij spreekt als een dapper man, Heer Walewein, en van niemand liever dan van een edel ridder als gij, zou ik den slag wenschen te ontvangen. Eén ding moet gij mij echter beloven, en wel, dat ge mij, wanneer het jaar verstreken is, zelve zult komen zoeken, waar ge slechts denkt mij te kunnen vinden”. “Indien ik dat doen zal, dient ge mij eerst te zeggen, wie gij zijt en vanwaar gij komt”, gaf Walewein hem ten antwoord, “want hoe zal ik u vinden, indien ik zelfs den naam niet weet van hem, dien ik zoek?” De groene ridder lachte en sprak: “Mijn naam zal ik u zeggen, wanneer ge mij met de bijl geraakt hebt en mocht het gebeuren, dat ik niets meer zeg, welnu, zooveel te beter dan voor u! En nu, wat ik u verzoeken mag, sla toe!” Daarop boog hij zich voorover, schudde zijne lange lokken weg van zijn hals en legde dien bloot. Walewein greep met vaste hand de zware strijdbijl om het handvat, zwaaide het wapen omhoog en deed het toen met snelle vaart neerdalen op den nek van den gebogen ridder. Zoo hevig was de kracht, waarmede de slag aankwam, dat het hoofd van den ongelukkige met één slag van den romp gescheiden werd. Met een luiden bons viel het op den vloer der zaal, waar de ridders het verachtelijk wegschopten. Wie beschrijft echter hunne ontzetting, toen de romp recht overeind bleef staan, hoewel het bloed omhoog spoot en de heldergroene kleeding rood kleurde.

In twee passen was de ijselijke gestalte bij de plek gekomen, waar het hoofd lag, bukte zich tot ieders verbazing, raapte dit op van den vloer en sprong toen in het zadel, het hoofd in de rechterhand bij het haar vasthoudend. Daarna keerde het gelaat zich naar de eeretafel toe en ziet: de oogleden gingen omhoog en de levenlooze mond begon te spreken: “Nog éénmaal herinner ik u aan uwe belofte, heer ridder! Over twaalf maanden wacht ik u om op uwe beurt een bijlslag te ontvangen en wee u! indien ik tevergeefs wacht! Wanneer ge mij zoekt, vraag dan [47]den weg naar de groene kapel, daar zult ge mij vinden. Men noemt mij den groenen ridder, een anderen naam kan ik u niet zeggen. Wees getrouw aan uw woord, vaarwel!”

Daarna gaf de vreemdeling zijn paard de sporen en stoof met zulk eene vaart het paleis uit, dat de hoeven van het strijdros vonken sloegen uit de vloersteenen.

Verstomd en met afgrijzen zagen de ridders elkander aan; Arthur was de eerste, die zijne kalmte herwon. Hoewel hij inwendig niet geheel gerust was over den afloop der onderneming wist hij zich te beheerschen en zeide tot koningin Ginevra, die bleek en bevend in haren stoel zat: “Wees niet ontsteld, liefste! Zulk eene grap past immers bij een vroolijk feest als dit! Eén ding is zeker! Met een vrij geweten kan ik mij nu aan tafel begeven, want aan mijn wensch om een avontuur te beleven, is voldaan!” Daarop wendde hij zich tot Walewein en voegde hem toe: “Hang uwe strijdbijl op aan gindschen muur, waarde neef! voor heden heeft zij u voldoende diensten bewezen en zij heeft hare rust wel verdiend!”

Walewein voldeed aan zijn verzoek en schikte zich opnieuw aan de tafel, waar ook koning Arthur plaats nam en waar zich weldra een stroom van knechten en volgelingen verdrong om hun de uitgezochtste spijzen en kostelijkste dranken aan te bieden. Onder vroolijk gekout verdween spoedig de schaduw, die de vreemde verschijning een oogenblik op het feest geworpen had en scherts en boert hernamen den boventoon. Tot laat in den nacht duurde het feest; onder zang en dans vlogen de uren om en eerst tegen den morgen scheidde men om zich ter ruste te begeven.

De winter verstreek. De dagen werden lichter en langer en weldra naderde de lente met hare wonderschoone belofte van nieuw, jong leven. Als de ridders in de schemering huiswaarts reden, het lichaam zwaar van eene gezonde vermoeidheid, zagen zij, hoe in de bosschen een zacht groen waas zich spreidde over boom en struik en in de velden om Camelot klonk het [48]klagelijk geblaat der jonge lammeren. Weldra deden de zonnestralen en de malsche lenteregens bloem en blad ontluiken en was het alom in de natuur een feest van geuren en kleuren, zooals alleen de lente ons brengen kan! De menschen wierpen hunne donkere winterkleeren van zich af en tooiden zich in lichte, kleurige gewaden om zich één te voelen met al die bloeiende, frissche tinten daarbuiten. De ridders voelden een drang tot daden in zich ontwaken, zij lieten hunne schildknapen zorgvuldig de harnassen en wapens nazien, en zij zelven trokken naar buiten om zich te oefenen in speerwerpen en schijfschieten, waardoor hunne spieren weer los en krachtig werden.

Op hare beurt maakte de lente plaats voor den zomer. De zon brandde fel op veld en akker, en verschroeide het gras in den paleistuin, waar tegen den avond een zware rozengeur opsteeg. Onder het dichte gebladerte der boomen klonk het zachte kirren der woudduiven, de bijen gonsden van bloem tot bloem, maar verder verbrak geen geluid de stilte. Eene algemeene loomheid scheen zich van de natuur meester gemaakt te hebben, waaraan ook de mensch zich niet kon onttrekken. Wie niet noodzakelijke bezigheden te verrichten had, waagde zich niet van huis vóór het avond werd en de zon als eene vlammende schijf aan den horizon verzonk. In de lange zomeravonden werden verre ritten te paard ondernomen door het welig bloeiende zomerland. Na afloop bleef men langen tijd bijeen aan den avondmaaltijd, die in de open lucht werd opgediend. De liederen, die men den zangers dan opdroeg te zingen, waren zangen van liefde en hartstocht en in het vallend duister droomden de jonge ridders van schoone vrouwen, in wier dienst zij daden van ongehoorden moed en stoutmoedigheid zouden verrichten.

Maar ook de zomer vlood voorbij en werd gevolgd door den herfst. Toen klonk reeds vroeg in den morgen, als de blauwe nevels nog tusschen de boomen hingen, het geschal der jachthoorns door de wouden en menig onschuldig dier viel ten prooi aan de scherpe pijlen der ridders. Eene algemeene bedrijvigheid [49]heerschte in huis en hof. Terwijl het zweet hun tappelings langs het gelaat liep, waren de landbouwers bezig de laatste karrevrachten van den kostbaren oogst binnen te halen; in de keukens van het paleis hadden de koks met hunne knechts druk werk om het wild, dat in groote hoeveelheden werd binnengebracht, voor den middagdisch te bereiden en intusschen hadden in het strijdperk de groote tournooien plaats, die jaarlijks duizenden menschen naar Camelot lokten. Met lauwerkransen getooid, kwamen de ridders ’s avonds in het koninklijk slot, waar de tegenstanders van dien dag zich aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigden en zich uitputten in wederzijdsch eerbetoon. Tot laat in den herfst duurden de wedstrijden en steekspelen, daarna keerden de vreemde gasten naar hunne woonplaatsen terug en werd het allengs stil in Camelot. Ook in de natuur was een tijdperk van rust aangebroken. De hevige najaarsstormen hadden de boomen van hunne bladeren beroofd, die als een bruin tapijt den woudbodem bedekten. Geen vogelgefluit weerklonk meer, nu en dan vloog een kraai met krassend geluid door de lucht, verder hoorde men niets dan het suizen van den wind door de kale takken en het ritselend geluid van een enkel blad dat zich nog hardnekkig aan een twijg had vastgeklemd.

Voor wie het vrije leven in bosch en veld liefheeft, is er iets beklemmends in dit langzaam afsterven van al wat leeft in de natuur en in het vooruitzicht van den langen, somberen winter. Ook Walewein kende dit gevoel en meer nog dan andere jaren kwam het hem ditmaal overvallen. Wanneer zijne makkers om hem heen lachten en schertsten, kon hij plotseling stil voor zich uit zitten staren, tot een vroolijke uitroep van een zijner vrienden hem tot de werkelijkheid terugbracht. Geen wonder ook dat hij ditmaal met eenige beklemming den winter zag naderen. Hem wachtte geen vroolijk Kerstfeest, waarop zang en snarenspel en het gezelschap zijner vrienden de donkere winteravonden zouden doen omvliegen. Tegen den tijd dat de elders wonende ridders zich gereed maakten om den tocht naar het hof te ondernemen, [50]moest hij zich op reis begeven naar de geheimzinnige groene kapel, waar, dat voelde hij zeker, een gevaar hem wachtte, dreigender dan hij nog ooit onder de oogen had gezien. De herinnering aan den groenen ridder, welke in den loop der maanden wat was vervaagd, herleefde te sterker naarmate de tijd van zijn vertrek naderde en hoewel hij geen oogenblik berouw had over het feit, dat hij diens uitdaging had aangenomen—besefte hij eerst nu, tot welk eene gevaarlijke onderneming hij zich verbonden had.

Vier vliegende vogels.

Hoe Walewein vertrok om den groenen ridder te gaan opzoeken. De weken verliepen en weldra naderde Allerheiligen, op welken dag koning Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een afscheidsfeest ter eere van zijn geliefden neef. Na het gastmaal begaf Walewein zich naar zijn vorst en sprak: “Sire, vergun mij, dat ik mij morgen op weg begeef, om den groenen ridder te zoeken. Gij weet tot welke afspraak ik mij verbonden heb, gij kent de voorwaarden ervan en zult het mij niet euvel duiden, indien ik reeds nu van hier ga. Tot geenen prijs zou ik te laat op de plaats van samenkomst willen verschijnen!”

Deze woorden van Walewein maakten diepen indruk op alle aanwezigen. Bij de gedachte aan de gevaren, die hunnen dierbaren vriend bedreigden, drongen velen de tranen naar de oogen. Sommige edelvrouwen snikten luide, anderen wischten in ’t geheim een traan weg en verscheidene ridders verdrongen zich om Walewein om hem door een handdruk of een opwekkend woord hunne deelneming te betuigen. Onze held echter drong met kracht de angstige voorgevoelens terug, die hem vervulden en met een vroolijken lach riep hij uit: “Mijne vrienden, vanwaar die sombere stemming? Is het dan voor het eerst, dat ik mij in ’t gevaar begeef? Zijn mijne oogen niet scherp als die van een valk en heeft mijn strijdros Gringalet mij tot heden niet steeds [51]ter overwinning gevoerd? Weg dan die tranen en zuchten! Ik strijd voor de eer van mijn koning en Hij, die de Koning der koningen is, zal mij niet verlaten!

Den volgenden morgen vroeg werden hem in tegenwoordigheid van den vorst en de gansche hofhouding zijne wapenen gebracht. In het midden der zaal legde men een kostbaar tapijt neer, waarop Walewein plaats nam. Hij was gekleed in een buis van blauwe zijde, dat zijne fiere gestalte ten volle deed uitkomen. Eerst bukten twee knechten zich voor hem neer om zijne stalen voet- en beenbekleedselen aan te gespen, aan de laatste werden de dijstukken bevestigd. Vervolgens kwamen twee anderen aandragen met den glinsterenden maliënkolder, waarvan elk schakeltje vooraf nauwkeurig was nagezien. De armen werden bedekt met passende stalen platen en de handen beschut door handschoenen van hetzelfde metaal. Over dit alles werd het zware harnas bevestigd, waarna de gouden sporen en het zwaard, dat door een zijden gordel vastgehouden werd, des ridders uitrusting kwamen voltooien. Toen Walewein aldus voor de reis gereed was, begaf hij zich naar de kapel om de mis bij te wonen. Hij zond een vurig gebed op tot God om hem sterkte te verleenen in de komende gevaren. Daarna nam hij afscheid van den koning en van zijne mede-ridders, die hem allen volgden naar het slotplein, waar zijn paard, Gringalet, vastgehouden door twee stalknechten, hem wachtte. Ongeduldig stampte het edele dier met de vóórvoeten op de steenen en bij elke beweging van den kop rinkelden de bellen aan het hoofdstel en glinsterde het goudkleurig dekkleed in de juist doorbrekende morgenzon. Uit de handen van een zijner trouwste dienaren nam Walewein zijn helm aan, kuste het helmteeken en drukte den helm toen vast op het hoofd. Langs de achterzijde hing een linnen doek, waarop rijk geborduurde vogels in de bontste kleuren te zien waren, de rand van den helm was bezet met schitterende diamanten. Toen Walewein te paard was gestegen, ontving hij als laatste toevoegsel aan zijne uitrusting zijn schild met den pentagoon, welk [52]teeken hem beschermen moest tegen de aanvallen van booze geesten. In zuiver goud teekenden de lijnen van den vijfhoek zich af tegen den donkeren achtergrond van het schild en wel paste het Walewein, dit heilige teeken te dragen, want hij muntte uit in de vijf deugden, die het sieraad zijn der ridderschap, te weten: offervaardigheid, eerlijkheid, nederigheid, zachtheid en hoffelijkheid. Daarbij waren de vijf zintuigen bij hem op edele wijze ontwikkeld en stelde hij zijn hoogste vertrouwen in de vijf wonden van Christus en in de vijf genietingen, die de Heilige Maagd van haren zoon mocht smaken. Daarom ook prijkte het beeld van Maria boven den pentagoon op zijn schild en scheen ze neer te zien op de vijf lijnen die in en door elkander liepen, gelijk de deugden van zijn gemoed elkander raakten en aanvulden. Toen onze held zijn schild had omgegespt, greep hij met de rechterhand den lans met de vlijmend scherpe punt, drukte zijne sporen in de flanken van zijn strijdros en reed met een laatst “Vaarwel!” de poort van het kasteel uit. Zij, die hem nastaarden, zuchtten luid en bejammerden het wreede lot, dat zulk een edel ridder veroordeelde om door de handen van een dergelijke verschijning te sterven. Dien avond heerschten er rouw en droefheid in de zalen van het paleis. Met bedrukte stem spraken de ridders over hun afwezigen vriend; zij brachten elkander Waleweins deugden in herinnering en prezen zijne voortreffelijke eigenschappen van geest en hart. Aan den toon van hun gesprek kon men bemerken, dat geen van hen er op rekende den vertrokkene ooit weer te zien.

Walewein’s tocht door het besneeuwde landschap.

Walewein’s tocht door het besneeuwde landschap.

Inmiddels reed onze held onversaagd zijns weegs door het wintersche landschap. De Novemberstormen gierden en bliezen hem om het hoofd, de zware herfstnevels deden hem het pad bijster raken, de fijne jachtsneeuw sloeg hem in het gezicht en verblindde zijne oogen—toch reed hij voort, al dieper het eenzame land in. Dagen gingen voorbij zonder dat hij een menschelijk wezen ontmoette, zijn trouwe Gringalet was de eenige metgezel op zijn pad. Nu en dan dreigde hij moedeloos te worden, wanneer hij bij het vallen van den avond tevergeefs [53]eene schuilplaats zocht om den nacht door te brengen en zich eindelijk tevreden moest stellen met de beschutting, die een overhangend rotsblok of een vochtige bergspelonk hem boden. Dan, terwijl hij neergehurkt zat bij een vuur, waarvoor hij, vermoeid als hij was, zelf de brandstof had moeten bijeenrapen, dwaalden zijne gedachten heen naar Camelot, waar men nu gezellig bijeen zat om het helder brandende vuur in de schouw van de groote feestzaal. Het scheen hem een droom toe, dat ook hij tot voor korten tijd had aangezeten aan sierlijk aangerechte tafels en zich op zijne wenken had laten bedienen. Wanneer hij dan nu neerzag op zijne verroeste wapenrusting, op zijne vuile en gescheurde kleederen en op zijn met modder bespat rijpaard, voelde hij zich als een verschoppeling, als iemand, die voorgoed het recht verbeurd heeft om zich onder een gezelschap van goed gekleede en wel verzorgde menschen te bewegen. Het ergste van alles was, dat hij nog steeds geen spoor kon ontdekken van het oord zijner bestemming. Iedereen, die hij op zijne tocht ontmoette, ondervroeg hij angstvallig of zij ooit gehoord hadden van eene groene kapel, waar hij, dien men den groenen ridder noemde, verblijf hield, maar het scheen wel, of de laatste op onzichtbare wieken naar Camelot was komen aandrijven—niemand kende zijn naam en geen mensch kon zeggen, waar zijne woonplaats was.

Moedeloos trok Walewein voort in de richting van Noord-Wallis en vandaar steeds verder het Noorden in. Eens op een morgen ontwaakte hij in eene witte wereld, de winter was ingetreden! Van nu af aan werden zijne ontberingen steeds grooter. Slechts met moeite wist Gringalet zich een weg te banen door de sneeuw, die verscheidene voeten hoog lag, de hevige koude deed het bloed in de aderen zijns meesters bijna verstijven en al meer en meer geraakte Walewein buiten het bereik van menschelijke hulp. Niemand of niets kwam hij meer op zijn eenzaam pad tegen dan wolven en beren en nu en dan een wild zwijn, dat, door honger gedreven, hem aanviel en hem met zijne slagtanden dreigde te [54]verscheuren. Steeds moeilijker viel het Walewein om met zijne uitgeputte krachten zich tegen een dergelijken aanval te verdedigen en soms vroeg hij zich af, of hij niet beter deed met zich ergens in de sneeuw neer te leggen en daar den dood af te wachten. Maar dan drong hij weer met verontwaardiging eene dergelijke gedachte terug. Zoolang er leven was, was er hoop en zulk eene lafheid mocht een ridder van koning Arthur slechts in den uitersten nood begaan. Al zijne wilskracht bijeenrapend, vervolgde hij zijne reis en alsof de natuur hem beloonen wilde voor zijn moed, kwamen er nu dagen van zonneschijn en frissche, wintersche kou. De hemel was blauw en onbewolkt, en de zonnestralen verlichtten de besneeuwde vlakten van het Noorderland. De sneeuw kraakte onder de hoeven van Gringalet en de prikkelende winterlucht deed het bloed van den held sneller stroomen. Op zulke dagen voelde hij de hoop in zijn hart weer ontwaken en vaster zette hij zich in het zadel. Maar na korten tijd werd de lucht weer grauw, een kille mist trok over de velden en een fijne ijsregen begon te vallen. Zoo bleef het tot den avond vóór Kerstmis. Toen Walewein ditmaal zijne schuilplaats voor den nacht had gevonden en met veel moeite een vuur had aangelegd, knielde hij, alvorens zich ter ruste te begeven, neer en zond een vurig gebed omhoog naar de Maagd Maria, Haar smeekend, dat Zij hem althans naar eene plek zou voeren, waar hij de plechtige mis ter herdenking van de geboorte van zijn Heer zou kunnen bijwonen. Daarna begaf hij zich ter ruste.

De volgende morgen brak aan, koud en grijs. Bij het ontwaken zag Walewein de hooge stammen der boomen zich in vage omtrekken tegen den grauwen winterhemel afteekenen. Geen geluid van Kerstklokken—slechts het ruischen van den wind in de kale takken en het klagelijk gesjilp van een enkelen vogel. Met een gevoel van weemoed herdacht Walewein de Kerstfeesten van vorige jaren: de blijde stemming, die alom heerschte, het vroolijk wederzien van vrienden en bekenden en de gemeenschappelijke dienst in de groote kathedraal, waar de koren [55]omhoog werden gedragen op wolken van wierook en de priesters in hun rijk bestikte gewaden zich om het altaar verdrongen.

Huiverend zag hij om zich heen in de grijze kilte, maar plotseling herinnerde hij zich zijn gebed van den vorigen avond en in vast vertrouwen op de goedertierenheid der Heilige Jonkvrouw, maakte hij tot drie maal toe het teeken des kruises en zeide met plechtige stem: “Heilige Moeder Gods, sta mij bij, ter wille van Hem, die aan het kruis voor ons stierf.”

En ziet, op hetzelfde oogenblik geschiedde een wonder, bij het zien waarvan de adem hem in de keel stokte. In het midden van het woud, op een heuvel, waar een oogenblik geleden nog slechts kale boomstammen hun armen ten hemel hieven, verrees plotseling, als door eene tooverspreuk omhoog gedreven, een prachtig kasteel. De zon, die zoo juist was doorgebroken, bescheen de spitse torens en speelde over de gekanteelde muren, waar de schildwachten liepen met hun scherp gepunte hellebaarden. Op de vier hoektorens stonden de onbeweeglijke gestalten der wachters, die tuurden naar alle richtingen, of er ook gevaar dreigde. Om het kasteel boog eene breede slotgracht, de brug was opgehaald en de groote hoofdpoort gesloten. Op de hoogste toren wapperde een standaard, bewogen door den morgenwind; hieruit viel af te leiden, dat het slot bewoond was.

Ornamentale zeemeermin.

Van Waleweins ontvangst in het vreemde ridderslot. Met verbazing staarde Walewein naar dit plots verschenen beeld. Aanvankelijk kon hij niet gelooven, dat het werkelijkheid was, wat hij zag, maar toen hij de gedaanten op den slotmuur zag heen en weer bewegen, begreep hij, dat inderdaad zijne bede verhoord was. In dankbare ontroering viel hij op de knieën neer en stortte zijn hart uit in een vurig dankgebed. Daarna besteeg hij zijn paard en stuurde [56]het in de richting der slotpoort. Aan den rand der slotgracht gekomen, riep hij met luider stem den poortwachter toe en gebood hem zijn meester te verzoeken, of hij een zwervend ridder eenige dagen huisvesting wilde verschaffen. Met groote bereidwilligheid gaf de aangesprokene aan zijn wensch gehoor en verdween uit het gezicht, om na korten tijd opnieuw te verschijnen, gevolgd door eene schaar van ridders en knechten. Toen de poort was geopend en de zware ophaalbrug was neergelaten, stroomden deze allen naar buiten en begroetten Walewein op eerbiedige wijze. Eenigen van hen vielen op de knieën neer en heetten hem uit naam van hun heer welkom in het kasteel, anderen namen zijn paard bij de teugels en voerden het over de brug, waar opnieuw eenige ridders gereed stonden om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn. Toen namen de knechten zijn paard van hem over en leidden het weg met de belofte, het goed te zullen verzorgen. Een van de ridders kwam op Heer Walewein toe en verzocht den held op hoffelijken toon, hem te volgen. Daarop geleidde hij hem over het breede slotplein, het kasteel binnen. Weldra kwamen zij in een ruim vertrek; de muren waren behangen met warmgetinte bekleedsels, jachttafereelen voorstellend. Op den grond lagen zware tapijten, die hunne voetstappen dempten en aan beide zijden der zaal brandde een groot vuur onder een zwaar gebeeldhouwden schoorsteen. Om één dier vuren stond een groep ridders verzameld, die zich bij het openen der deur haastig omwendden. Eén van hen trad eenige stappen naar voren, stak Walewein beide handen toe en zeide met diepe stem: “Wees welkom, edele heer, in mijne woning!” Hij, die deze woorden sprak, had een lang, forsch figuur; zijn gelaat met de fonkelende oogen was frisch getint, als van iemand, die zich veel in de open lucht beweegt, een lange blonde baard golfde hem over de borst en zijne hand omsloot die van Walewein als een ijzeren greep. In antwoord op Waleweins verzoek om eenige dagen huisvesting, gaf de slotheer hem ten antwoord, dat hij het zich tot eene eer rekende, zulk een edel ridder zijn gast [57]te mogen noemen en dat zijne woning te allen tijde en voor zoolang hij dit wenschte, voor hem open stond. Daarop beval hij een der aanwezige ridders om zijn gast naar een vertrek te brengen, waar hij zich van zijne zware wapenrusting kon ontdoen. De ridder voerde Walewein thans naar eene kamer in een anderen vleugel van het kasteel, waar twee pages gereed stonden om hem te ontvangen. Als in een droom liet onze held toe, dat zij hem ontdeden van wapenrusting en helm. Daarna bracht men hem welriekend water en zachte linnen doeken om zich te wasschen en ten slotte kwamen de pages aandragen met zijden kleederen, die hem als aan het lichaam gegoten zaten. Toen zij hem eindelijk den rijk geborduurden riddermantel omhingen, was er in heel Brittannië geen schooner, mannelijker gestalte denkbaar dan Heer Walewein, zooals hij met opgeheven hoofd en de baret met de wuivende veer in de hand, opnieuw het vertrek binnentrad, waar de heer van het slot zich bevond. Deze kwam hem met eenige vriendelijke welkomstwoorden tegemoet en geleidde hem naar eene gedekte tafel, die ter zijde van den schouw voor den vreemden gast was aangericht. Met een gevoel van welbehagen zette Walewein zich aan den disch en liet zich de keur van gerechten goed smaken. Met lange teugen dronk hij den fonkelrooden wijn, die hem als vuur door de aderen vloeide en de overgang tusschen de koude en ontberingen daar buiten en deze feestelijke ontvangst in het verwarmde slot deden zijne oogen schitteren van een nieuwen levenslust. Toen hij gegeten en gedronken had, verzocht zijn gastheer hem plaats te nemen op een hoogen zetel. Hij zelf ging tegenover hem zitten en vroeg toen zijn gast in de hoffelijkste bewoordingen hem te zeggen, wie hij was.

Walewein sprak als volgt: “Mijn naam is Walewein en de vorst, dien ik dien is Arthur, hij, die de Ronde Tafel heeft ingesteld tot bevordering van den bloei der ridderschap”.

Alle aanwezigen hoorden verheugd op bij het vernemen van des vreemdelings naam en herkomst, want de roem van zijne [58]dapperheid was wijd en zijd verspreid. Vol blijdschap riepen zij uit: “Meer nog dan anders zij deze dag gezegend, nu hij dezen held in ons midden brengt, die onze schreden kan geleiden op het pad van fijne beschaving en hoofsche gebruiken! Wees welkom, Heer Walewein! gij die de edelste onder de edelen genoemd moogt worden!”

Toen de avond begon te vallen, begaven allen zich naar de slotkapel, om de heilige Kerstmis bij te wonen. Het was een gewemel van bonte kleuren in het ruime kerkgebouw, dat verlicht werd door honderden kaarsen. De heer van het kasteel verzocht zijn gast om in zijne bank plaats te nemen. Eerbiedig boog deze het hoofd in de handen alvorens te gaan zitten en prevelde een innig dankgebed aan de Moeder Gods, die hem uit zoo grooten nood bevrijd had. De oogen opslaand zag hij, hoe in de bank tegenover hem twee vrouwen hadden plaats genomen. Eene van haar was oud en gebogen, hare haren waren vergrijsd aan de slapen en de vingers, waarmede ze het gebedenboek omknelde, beefden. Toch lichtten hare oogen scherp en boosaardig, wanneer zij haren blik liet gaan over de geknielde menigte en eene valsche grijns trok om haar tandeloozen mond. Naast haar zat de schoonste vrouw, die Walewein ooit gezien had. In het warme kaarslicht vonkten haar oogen met een betooverenden glans, haar gelaat en hals waren niet minder blank dan de sneeuwwitte halsdoek, dien zij droeg, en in de kroon van vlechten op haar hoofd straalden en flikkerden de diamanten bij elke beweging. Het scheen den held toe of zij in schoonheid zelfs koningin Ginevra overtrof en toch kende hij voordien gene, van wie dit met waarheid gezegd kon worden. Na één blik op hem geworpen te hebben, scheen de bekoorlijke vrouwe slechts aandacht te hebben voor den plechtigen dienst, maar Waleweins oogen zwierven telkens naar de overzijde, waar zij zat.

Na afloop traden de beide vrouwen op den slotheer toe, die zijn gast aan haar bekend maakte, en Walewein bemerkte, dat de schoone vrouw de echtgenoote van den burchtgraaf was. Eerbiedig [59]viel hij voor haar op de knie en drukte hare hand aan zijne lippen.

Vervolgens begaf het gansche gezelschap zich naar een ander vertrek, waar bekers met gekruiden wijn werden rondgediend. De stemming werd gaandeweg vroolijker. Schertsend en lachend zat men in een wijden kring om het vlammend vuur, nu en dan werd een lied aangeheven en door allen uit volle borst meegezongen, dan weer vertelde een der aanwezigen van een vreemd avontuur, dat hem was overkomen of van een dollen streek dien hij in zijne jonge jaren had uitgehaald. Dan schalde het lachen door de zaal en de verteller moest zich verdedigen tegen een kruisvuur van nieuwsgierige vragen en plagerijen. Tegen middernacht ging men uiteen en Walewein werd naar zijn slaapvertrek geleid, waar een donzen rustbed hem tot slapen noodde.

Den volgenden morgen heerschte de Kerstvreugde opnieuw in het kasteel. Langs de met groen omkranste trappen daalden de gasten omlaag om gezamenlijk het noenmaal te nuttigen. Den ganschen dag bleef men in huis, daar de barre koude weinig tot uitgaan lokte, maar de uren vlogen om. De slotheer bleef steeds in de nabijheid der oude, gerimpelde vrouw, die Walewein in de kapel bemerkt had, op gedempten toon spraken zij met elkaar en schenen gewichtige zaken te verhandelen. Aan Walewein werd eene plaats toegewezen aan de zijde der jonge slotvrouwe en ook zij vonden elkander genoeg te zeggen. Op haar aandringen vertelde hij haar zijn levensloop en beschreef de avonturen, die hij beleefd had en de vreemde landen, die hij gezien had. En al hield hij daarbij steeds zijne eigen persoonlijkheid angstvallig op den achtergrond, toch kon het niet anders of het moest haar blijken welk een dapper held daar aan hare zijde zat. Hare oogen straalden van bewondering en steeds meer wilde zij weten, altijd meer! Ook over de vrouwen, die hij had liefgehad, verlangde zij te hooren en toen hij lachend zwoer, dat zijn hart aan zijn vorst behoorde en aan niemand anders, weigerde zij hem te gelooven. Onder haar lokkend oogenspel en de onmiddellijke nabijheid harer bloeiende schoonheid voelde Walewein zijn hart [60]warm worden. Zijn bloed klopte met feller slag in zijne slapen en steeds dieper boorden zijne oogen in die zijner schoone gastvrouw.

Zoo verliepen de Kerstdagen in een roes van feestgedruisch. Toen zij verstreken waren, maakten de talrijke gasten in het slot zich gereed om te vertrekken. Ook Walewein begaf zich naar zijn gastheer om afscheid van hem te nemen en hem te danken voor zijn gastvrij onthaal, maar deze wilde van geen afscheid weten. Den held terzijde nemend betuigde hij hem, hoe trotsch en verheugd het verblijf in zijn kasteel van zulk een beroemd man als Heer Walewein hem gemaakt had en verzocht hem ten slotte om hem nog eenige dagen langer het genoegen van zijn gezelschap te schenken. Walewein echter verzekerde zijn gastheer met de meeste beslistheid, dat dit onmogelijk was, wilde hij niet in de verplichtingen, die hij op zich genomen had, te kort schieten en op de verwonderde vraag van den ridder, welke dan die dringende verplichtingen waren, vertelde hij hem het avontuur met den groenen ridder en zwoer, dat hij liever sterven zou dan te verzuimen, op tijd bij de groene kapel te zijn. Toen hij uitgesproken had, barstte zijn gastheer in luid lachen uit. “Voorwaar, gij kondt het niet beter getroffen hebben!” riep hij uit, “want de groene kapel, die gij zoo ijverig zoekt, is slechts twee mijlen van hier verwijderd en ikzelf zal een mijner dienaren gelasten u er heen te geleiden, wanneer de afgesproken tijd is aangebroken. Tot zoolang echter moet ge mijn gast zijn en de laatste dagen van het jaar benutten om uwe krachten te verzamelen voor den komenden strijd.” Met beide handen nam Walewein dit gastvrij aanbod aan. Nu het doel van zijne reis zoo nabij bleek te zijn, kon hij zich met een gerust hart overgeven aan het genot van dit gezellig samenzijn—het laatste misschien, dat hem op aarde ten deel zou vallen. Met volle teugen wilde hij daarom nog eenmaal genieten! en zijn stem klonk nog helderder, zijn stap was nog fierder dan gewoonlijk, toen hij zich tot zijne gastvrouw wendde om ook haar zijnen dank te betuigen voor de vriendelijke uitnoodiging. Maar de heer van het kasteel vroeg [61]opnieuw zijne aandacht. “Waarde vriend”, sprak hij, “want zoo mag ik u immers wel noemen, sta mij één verzoek toe, wat ik u bidden mag!” “Spreek, gij hebt slechts te bevelen”, antwoordde Walewein. “Welnu dan”, hernam de ander, “beloof mij, dat gij in de eerstvolgende dagen gedurende de vroegmis het bed zult houden, opdat gij geheel versterkt en uitgerust den tocht naar de groene kapel zult kunnen ondernemen. Gij kunt u dan na afloop van den dienst met mijne gemalin aan tafel begeven en haar den verderen dag gezelschap houden tot mijne thuiskomst. Ik zelf zal mij namelijk ’s morgens op jacht begeven en het wild, dat ik als jachtbuit huiswaarts breng, is voor u, op voorwaarde dat, wat gij in den loop van den dag als buit zult behalen, aan mij wordt afgestaan. Wat dunkt u hiervan?” Walewein lachte vroolijk. “Mij dunkt dat dit voor mij eene alleszins voordeelige afspraak is!” riep hij uit, “en gaarne neem ik haar aan!” Daarop brachten de dienaren van den ridder twee bekers met schuimenden wijn en werd de overeenkomst door den gebruikelijken dronk bekrachtigd. Toen ging men onder scherts en gelach voor den nacht uiteen.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag heerschte er reeds eene bedrijvige drukte in de omgeving van het kasteel. In de grijze morgenschemering kon men op het voorplein slechts vaag de gestalten onderscheiden van de schildknapen en de stalknechts, die haastig heen en weer liepen om alles voor de jacht in gereedheid te brengen. De paarden werden gezadeld en stampten ongeduldig op den leemen vloer der stallen. Bij de hondenhokken waren de dienaren van den graaf bezig den dieren hun ochtendmaal toe te dienen en deze verdrongen zich voor de hekken om het voedsel machtig te worden. Gretig hapten en snapten zij naar de groote stukken rauw vleesch, die de knechten hun vóórhielden en trachtten elkander de lekkerste beten afhandig te maken. Hun keffend geblaf vervulde de lucht en gulzig slokten zij het eten naar binnen. [62]

Rennend hert.

Hoe de graaf met zijne ridders op de hertenjacht ging. Nog vóór de dag goed en wel was aangebroken, verscheen de graaf met zijne ridders in de kapel om den ochtenddienst bij te wonen, na afloop waarvan zij in de groote slotzaal, staande een haastig maal nuttigden. Toen begaven zij zich naar buiten, waar de knechten aan kwamen draven met de jachtpaarden aan den teugel. Onder luid gepraat en gelach steeg men te paard, de honden werden losgelaten en renden onder een oorverdoovend geblaf de brug over, het bosch in, op den voet gevolgd door den langen jachtstoet. In het stille bosch, waar de sneeuw kraakte en knerpte onder de hoeven der paarden en de takken zwaar neerhingen onder hunne witte vracht, was het plotseling een bont gewemel van kleuren en klanken. De vroolijke tonen van den jachthoorn vermengden zich met het schelle hondengeblaf en het bosch scheen een oogenblik te ontwaken uit zijn doodschen winterslaap. Na eenigen tijd verdeelde de stoet zich; de speurders trokken vooruit om hunne standplaatsen in te nemen en het verdere gezelschap volgde de honden, die op den reuk van het wild afgingen.

Opgeschrikt door hun geblaf snelden de herten uit het dal de hoogten op, maar werden daar teruggeschrikt door de jagers, die met een luid hallo-geroep uit de struiken te voorschijn sprongen. Doodelijk ontsteld stoof het wild opnieuw het dal in, maar onderweg viel er menig hert terneer, getroffen door de scherpe pijlen der ridders. Nu ging het in wilden galop het dal door, voorop de herten, die de sneeuw nauwelijks schenen te raken met hunne slanke pooten, daarachter de jachthonden, de lichamen tot het uiterste gestrekt, de tongen uit den bek, hijgend en blaffend en ten slotte de jagers, die, voorovergebogen hunne paarden tot den grootst mogelijken spoed trachtten aan te sporen. Eindelijk kwam de dolle rit tot stilstand en lag het meerendeel [63]van het edele wild op den grond te zieltogen, terwijl de sneeuw zich rood kleurde met hun bloed. Alvorens de buit nader te bezichtigen werd er halt geblazen, de ruiters stegen af en rekten de stijfgeworden ledematen, de honden kwamen kwispelstaartend op hunne meesters toe, om een prijzend woord te ontvangen voor hunnen arbeid en in opgewonden stemming besprak men de spanning en den goeden uitslag der jacht. Intusschen beijverden de dienaren zich, om uit de meegebrachte tasschen en manden den mondvoorraad te voorschijn te halen en weldra konden de jagers zich verkwikken aan een teug wijn en een smakelijk maal van brood en gebak.

Het was een vroolijke maaltijd in het stille bosch; de voldoening over den rijken jachtbuit maakte de tongen los en uitte zich in menigen scherts of vroolijk jachtverhaal. De honden lagen aan den voet hunner meesters en deelden in het maal en ook de vogels van het woud waagden zich naderbij om de vallende kruimpjes weg te pikken. Alleen de donkere plek daarginds op de sneeuw getuigde, dat dit vroolijk gezelschap met andere bedoelingen hier was gekomen dan enkel onschuldig schertsen.

Toen allen verkwikt waren, toog men aan den arbeid om het wild te ontweien. Onder toezicht der ridders begaven de bekwame jagermeesters zich aan het werk, dat verscheidene uren duurde. Ten slotte echter waren de herten in stukken gesneden, de onbruikbare deelen verwijderd en de overige op hoopen gestapeld. Nu werden fluks draagbaren gemaakt van saamgevlochten twijgen en de buit met koorden hierop bevestigd. Eerst daarna werd de terugtocht ondernomen en de lange stoet reed huiswaarts, langzamer dan zij gekomen was, want mensch en dier waren vermoeid van den langen dag en de inspanning der jacht. Daarbij vereischte het meedragen van den buit ook eenige voorzichtigheid. Toen men eindelijk het kasteel naderde, was de vroege schemering reeds gedaald, met luid hoorngeschal kondigden de jagers hunne komst aan en dreunend viel de zware ophaalbrug voor hen neer. De poorten van het slot werden wijd geopend om het gezelschap [64]binnen te laten en met luide welkomstkreten werden de thuiskomenden begroet.

Wat was er nu dien dag met Walewein geschied?

Terwijl de overige ridders zich naar de vroegmis begaven en zich vervolgens voor de jacht gereed maakten, lag onze held in diepe rust verzonken tusschen de zijden kussens van zijne legerstede. Toen onder zijn venster het hondengeblaf en de hoornsignalen het vertrek van den jachtstoet aankondigden, bewoog hij even onrustig in zijn slaap, maar weldra verzonk zijn geest opnieuw in het rijk der droomen en sluimerde hij rustig verder. Plotseling echter werd hij met een schok wakker. Zijn waakzame geest, die door de ondervinding geleerd had, steeds op een mogelijken onverhoedschen aanval bedacht te zijn, deed hem werktuigelijk de hand uitstrekken naar zijn zwaard, dat naast hem in de scheede hing. Wat was er gebeurd? Hij voelde, meer nog dan hij hoorde, dat er zich iemand bewoog aan de deur van zijn vertrek, maar nu scheen het weer, alsof hij het zich verbeeld had, want hij zag geene beweging aan den deurknop en diepe stilte heerschte om hem heen in het slot, dat wel uitgestorven leek te zijn.

Maar neen, daar hoorde hij opnieuw eenig geluid, hij liet de opgeheven hand zakken, overtuigd als hij nu was, dat zijn wapen zich binnen zijn onmiddellijk bereik bevond en liet zijn hoofd weer in het kussen zinken. Door de half geloken oogen zag hij echter scherp toe. Wie beschrijft zijne verbazing, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en op den drempel zijne schoone gastvrouw bemerkte, die geruischloos de kamer binnenkwam en, na de deur behoedzaam achter zich gesloten te hebben, op het bed toetrad? Bij hare nadering sloot Walewein zijne oogen geheel en wendde voor in diepen slaap verzonken te zijn. Toen de gravin bij de legerstede gekomen was, sloeg zij een der bedgordijnen terug en zette zich op den rand, de oogen op den slapende gericht. Deze was een oogenblik in twijfel, welke houding hij zou aannemen, maar eindelijk besloot hij, dat hij beter deed met [65]zijne bezoekster ronduit te vragen naar het doel harer komst. Zoo natuurlijk mogelijk sloeg hij daarom de oogen op, alsof hij nu eerst uit eene diepe sluimering ontwaakte en bij het zien der gestalte, die zich naar hem overboog, maakte hij eene beweging van schrik en richtte zich ten deele op uit zijne liggende houding, alsof hij het bed wilde verlaten. De gravin legde echter hare hand op zijnen arm en sprak, vriendelijk lachend: “Goeden morgen, Heer Walewein, gij zijt inderdaad een onbezorgd slaper, dat gij u aldus laat verrassen. Maar nu zijt gij dan ook mijn gevangene en laat ik u niet meer vrij!”

“Goeden morgen, schoone Vrouwe”, antwoordde Walewein, “ik geef mij onvoorwaardelijk aan u over, doe met mij, wat gij wilt, in alles wil ik uw getrouwe dienaar zijn. Sta mij slechts toe, dat ik het bed verlaat en mij in passender kleeding steek om u te ontvangen.” De gravin schudde lachend het hoofd. “Neen, edele heer,” sprak zij, “mijn gevangene laat ik niet los. Het gebeurt slechts zelden dat ik zulk een dapper man als Heer Walewein voor mij alleen heb, hem, dien men niet zonder reden den edelsten, schoonsten en hoffelijksten ridder der Ronde Tafel noemt. Mijn echtgenoot is op de jacht, de bewoners van het kasteel zijn nog in diepe rust verzonken en zullen ons niet storen. Alles is stil in huis, wij beiden zijn alleen en de deur, die toegang geeft tot dit vertrek, heb ik stevig gegrendeld. Weet dan, dat ik u liefheb en dat ik hierheen ben gekomen, om u dit te zeggen. Handel met mij naar verkiezen!”

“Vrouwe”, sprak Walewein, “ik ben onwaardig, om zulke woorden van u te vernemen, maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik u dienen wil met alle middelen, die in mijn vermogen zijn!”

“Heb dank”, antwoordde zij, “voor uw aanbod. Het zou mij slecht passen om het niet met dankbaarheid te aanvaarden, maar meer nog dan op de kracht van uwe vuist stel ik prijs op een blik van liefde uit uwe oogen. Geloof mij, dat er vele vrouwen zijn, die uw gezelschap zouden verkiezen boven al het [66]goud, dat de aarde haar schenken kon! Indien ikzelve vrij was om te kiezen, zou ik geen ander dan u tot mijn echtgenoot begeeren en het zou mij een genot zijn om al uwe wenschen te vervullen.”

Het kon niet anders, of deze woorden uit den mond van zulk eene schoone spreekster moesten Walewein diep treffen en de toon, waarop hij haar antwoordde werd dan ook steeds warmer en inniger. Zij spraken over de liefde, over de vreugde en droefenis, die zij brengen kan in het leven der menschen, en steeds dieper boog de gravin zich over hem heen, steeds dringender zagen hare oogen in die van Walewein. Deze laatste echter wist met schrander beleid het gesprek telkens weer in andere banen te voeren. De gedachte aan zijn afwezigen gastheer en ook aan het naderend avontuur met den groenen ridder vervulden zijne ziel en deden hem tegen het uitlokkend optreden zijner schoone bezoekster eene zekere terughouding in acht nemen. Ten slotte stond de gravin met een lichten zucht op van den rand der legerstede en maakte aanstalten om heen te gaan. Bij de deur gekomen wendde zij het hoofd om, zag hem over den schouder aan en sprak schertsend: “Vaarwel, heer ridder! Schoon zijt gij en welsprekend als geen ander, maar toch twijfel ik er aan, of gij Walewein zijt!”

“Waarom twijfelt gij daaraan?” vroeg de held haastig, bevreesd dat hij in hoffelijkheid van houding en manieren te kort was geschoten. De gravin bleef hem lachend aanzien en zeide: “Mij dunkt, dat een ridder als Heer Walewein, die zóó geschoold is in hoofsche zeden en gebruiken, niet zulk een langen tijd in gezelschap eener dame vertoefd zou hebben, zonder haar om een kus te verzoeken!” “Wanneer ik wist, dat ge mij die schenken zoudt”, antwoordde de held, “zou ik niet aarzelen u er om te vragen!” Nauwelijks had hij dit gezegd of de gravin kwam terug, boog zich naar hem over en kuste hem op het voorhoofd. Het volgende oogenblik was zij verdwenen.

Walewein bleef eenige oogenblikken peinzend liggen, daarop [67]sprong hij het bed uit en riep zijn kamerdienaar om hem bij het kleeden behulpzaam te. zijn. Vervolgens begaf hij zich naar de kapel, waar hij den dienst bijwoonde. Den ganschen middag bleef hij daarop in gezelschap van de gravin en hare vrouwen, die hij met luchtigen scherts en vroolijke verhalen wist te vermaken.

Tegen den avond keerde de graaf met zijne ridders van de jacht terug. Walewein ging zijn gastheer tot aan de slotpoort tegemoet en de beide ridders begroetten elkander hartelijk. Daarop beval de graaf om den buit in de groote feestzaal te brengen en in tegenwoordigheid van alle bewoners van het kasteel, voerde hij Walewein tot vóór den hoogen wildstapel en sprak: “Ziehier mijn buit, dien ik volgens afspraak hierbij aan u overdraag. Wat dunkt u van deze verzameling, loont zij de moeite van het jagen niet en heb ik niet stipt woord gehouden?”

Vol bewondering liet Walewein zijn blik gaan over de prachtige hertebouten, krachtig schudde hij zijn gastheer de hand en sprak: “Gij hebt woord gehouden, zooals dat een edelman betaamt, maar ook ik zal dat doen. Ziehier de buit, dien ik veroverd heb vandaag.” Daarop boog hij zich naar zijn gastheer toe en kuste hem. “Uw geschenk is wel van gansch anderen aard als het mijne!” riep de graaf vroolijk uit, “maar vertel mij eens, waarde vriend, bij welke gelegenheid gij het ontvangen hebt? ik ben verlangend om dat te vernemen!” Walewein echter schudde het hoofd. “Dat was niet in onze afspraak begrepen”, zeide hij lachend, “en daarom behoef ik het u niet te zeggen. Wat ik heden ontving, heb ik u eerlijk teruggegeven, verder reikt onze overeenkomst niet!”

Daarop begaven allen zich aan den gemeenschappelijken maaltijd en onder het genot van zang en dans verliep de avond snel. Alvorens zich ter ruste te begeven, hernieuwden de graaf en zijn gast hunne afspraak voor den volgenden dag. [68]

Rennende hond.

Hoe de graaf met zijne ridders op jacht ging om een wild zwijn te vangen. Nauwelijks had de haan zijn schel gekraai doen hooren of de heer van het kasteel en zijne ridders hadden hunne paarden bestegen en waren uitgereden op jacht naar een wild zwijn. Met luide kreten vuurden de jagers hunne honden aan, die weldra het spoor van den ever ontdekten en in vollen ren hem trachtten te volgen. Hun zwaar geblaf vervulde de lucht en weerkaatste tegen de hooge rotsen.

De jagers vuurden hen aan met hun schallende jachtkreten en in eene bonte mengeling joeg de gansche stoet door de bosschen. Plotseling maakten de honden halt bij een vooruitstekend rotsblok aan den rand van een half bevroren poel. Begeerig snuffelend verdrongen de honden zich om den rots en om het hooge struikgewas, dat daar naast groeide. De schildknapen stegen van hunne paarden en sloegen met stokken op de struiken om het dier, dat zich naar alle waarschijnlijkheid daarin bevond, te bewegen om te voorschijn te komen. Hun pogen had het gewenschte gevolg. Met een luid geknor stoof een groot zwijn uit de struiken te voorschijn, zijne borstels stonden dreigend overeind, zijne kleine oogen glinsterden boosaardig en zijne vreeselijke slagtanden zagen er onheilspellend uit. Bij den eersten stoot vielen drie der honden onder klagelijk gejank ter aarde, daarna stoof de ever door de springende, bassende massa heen het bosch in en verdween in wilde vlucht tusschen de struiken. De jagers en honden volgden hunnen prooi evenwel op den voet en in ijlende vaart ging het nu er op los, over omgevallen boomstammen, door struik en bosch, over bevroren plassen en besneeuwde velden, achter het wild aan. Tegelijkertijd suisden de pijlen door de lucht, die nu en dan doel troffen, doch welke niet meer deden dan slechts de buitenste huidlaag van het dier doorboren. Na eene lange jacht werd het zwijn echter zóó geprikkeld door de scherpe pijlpunten en geraakte het zóó uitgeput van den dollen wedloop, [69]dat het plotseling stand hield om daarna met zijne scherpe slagtanden dreigend op de honden af te komen. Vreeselijk was de slachting, die hij onder hen aanrichtte, met opengereten buiken vielen de arme dieren neer en wentelden zich huilend in de sneeuw. Het zwijn maakte van een oogenblik van aarzeling onder zijne aanvallers gebruik om de vlucht te nemen in een rotsspelonk aan den oever van eene beek. Het schuim stond hem op den bek, zijne oogen waren rood beloopen en zóó afschrikwekkend zag het dier er uit, dat niemand der jagers het waagde om het te lijf te gaan. De graaf, die bemerkte dat zijne ridders aarzelden om tot den aanval over te gaan, steeg van zijn paard, trok zijn lang slagzwaard uit de scheede en naderde voorzichtig de spelonk, waarin het ondier zich verscholen hield. Zoodra het zwijn bespeurde van welken kant het gevaar dreigde, schoot het uit zijne schuilplaats te voorschijn en kwam met gebogen kop op den graaf af. Deze was echter op den aanval bedacht. Op het oogenblik, dat het zwijn den kop omhoog hief om den stoot te wagen, stak hij hem de punt van zijn zwaard in den buik, zoodat een straal bloed te voorschijn spoot. Onder een vreeselijk gebrul viel het dier zijdelings op den grond en nauwelijks hadden de honden dit gezien, of zij schoten luid blaffend op hem af en beten hem met hunne scherpe tanden de strot door. Met een luid gejuich begroetten de ridders het slagen van hun tocht en vele rappe handen haastten zich om het zwijn te ontweien. Eerst werd de kop afgeslagen, en daarna de romp overlangs in tweeën gesneden. De ingewanden werden verwijderd en op de asch van een inmiddels aangelegd vuur gebraden, daarna wierp men ze voor de honden, die met graagte er op aanvielen. De beide helften van den romp werden met de pooten aan een stok gebonden en door twee knechten op de schouders genomen. Den kop bracht men aan den graaf als jachttropee en deze haastte zich met zijne ridders huiswaarts.

Laat ons thans zien, wat inmiddels in het slot was voorgevallen. Getrouw aan de afspraak met zijn gastheer had Walewein zijn [70]schildknaap last gegeven hem niet te roepen en zoo sliep hij ongestoord voort, terwijl de andere ridders zich voor de jacht in gereedheid brachten. In zijne droomen zwierf hij rond in een groot bosch op zoek naar den groenen ridder, maar bij iedere kromming van den weg, verscheen inplaats van hem, dien hij zocht, de gestalte van zijne bevallige gastvrouw, die hem wenkte tot haar te komen. Wanneer hij dan op haar toesnelde en op het punt was haar bij de hand te vatten, verdween zij plotseling voor zijne oogen en liet hem alleen in het onherbergzame woud, om kort daarop weer tusschen de struiken op te rijzen. Onrustig bewoog de held zich op zijne legerstede, tot plotseling—hoor! daar drong het geluid van eene deur, die openging in zijne droomen door en de oogen opslaand, zag hij in die der gravin. Met zachten tred kwam deze zijn slaapvertrek binnen en zette zich, evenals den vorigen dag op den rand van zijn rustbed.

Minzaam lachend zag zij op hem neer en sprak:

“Heer Walewein, een ieder roemt u als een wijs, verstandig man en toch moet ik bemerken, dat gij nu reeds vergeten zijt, wat ik u gisteren heb trachten te leeren. Hoe rijmt gij dat?”

“Wat ge mij gisteren hebt trachten te leeren”, herhaalde de ridder verbaasd, “wat kan dat zijn? Zeg het mij spoedig, wat ik u bidden mag, want ik zou niet gaarne onachtzaam schijnen tegenover u!”

Daarop boog de gravin zich nog dieper over hem heen, zag hem in de oogen en zeide: “Ik trachtte u te leeren, hoe een ridder de vrouw kust, die hem haren voorkeur toont en nu schijnt het of gij u die les gansch niet meer herinnert.”

Walewein richtte zich half overeind en sprak toen zacht: “Schoone Vrouwe, vergeef mij, indien ik u voorkom, in hoffelijkheid te zijn te kort geschoten. Hoe gaarne zou ik u om een kus vragen, wanneer ik niet vreesde, eene weigering te zullen ontvangen!” “Eene weigering”, antwoordde zij lachend, “en wat dan nog? Zijt ge niet sterk genoeg om datgene, wat gij verlangt, desnoods met geweld af te dwingen?” “Gij spreekt [71]waarheid, edele Vrouwe,” hervatte Walewein, “zeer zeker zou ik daartoe in staat zijn, maar in het land, waar ik vandaan kom, zou men mij zulk eene handelwijze euvel duiden en bovendien: eene gift, die ongaarne geschonken wordt, verliest hare waarde voor hem, die ze ontvangt! Daarom wil ik mij in dit geval onvoorwaardelijk aan uwen wil onderwerpen, slechts dan, wanneer het werkelijk uw verlangen is, wil ik u kussen.”

Toen hij uitgesproken had, boog de gravin zich voorover en kuste hem op de wang, waarna zij beiden nog langen tijd op fluisterenden toon met elkander spraken.”

“Hoe komt het toch”, sprak zij na eenigen tijd, “dat gij, die zoo jong en levenslustig zijt en zoo goed bekend met de wetten der liefde, mij nooit over die liefde gesproken hebt? Was het niet eene fraaie gelegenheid om een jong ding als ik ben, een weinig onderricht daarin te geven? Mijn echtgenoot is afwezig en niemand zal ons storen.”

Walewein voerde in zijn binnenste een harden strijd. De gelegenheid was inderdaad gunstig! Hij had slechts de armen uit te strekken en de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, zou de zijne zijn. Waarom zou hij niet genieten van wat de omstandigheden hem zoo verleidelijk aanboden. Nog weinige dagen en hij zou een strijd moeten aanbinden, waarin hij bijna zeker den dood zou vinden. Was het niet dwaas om nu niet toe te grijpen en te genieten van wat jeugd en schoonheid hem zoo willig boden? Maar er was eene andere stem in zijn hart, die sprak van eer en ridderlijkheid en van de verplichtingen, die de gastvrije ontvangst in het kasteel hem oplegde. Wat! zou hij, Walewein, een ridder van de Ronde Tafel, een vertrouwd vriend van koning Arthur, de wetten der gastvrijheid schenden en zijn gastheer bedriegen, die hem vol vertrouwen in het slot had achtergelaten? En was hij dan vergeten, met welk doel hij hierheen was gekomen, dat hem binnenkort een zware strijd, misschien de dood wachtte, waarvoor hij zijn arm sterk en zijn geweten zuiver moest houden? Waar hij zoo spoedig de eeuwigheid in zou kunnen gaan, paste [72]het hem voorwaar aan andere dingen te denken dan aan ijdel minnekoozen met schoone vrouwen en hoe zou hij voor den rechterstoel van God durven verschijnen met een dergelijken trouwbreuk op zijn geweten? Allengs werd de stem der eer luider en bracht die andere stem tot zwijgen.

Walewein omvatte met zijne beide handen die der gravin, zag haar recht in de oogen en sprak ernstig: “God is mijn getuige, dat ik niets liever doe dan met u spreken, en dat ik u dankbaar ben voor de gunsten, die ge mij bewijst, maar om u te onderrichten in het spel der liefde is een kundiger man noodig dan ik ben. Daarom, bid ik u, houd het mij ten goede, wanneer ik hierover zwijg en laat mij u in alle andere dingen mogen dienen.” De gravin, die inzag dat zij ook ditmaal haar doel niet bereiken zou, schikte zich met een zucht in het onvermijdelijke en nadat zij zich nog eenigen tijd met haren gast onderhouden had, verliet zij het vertrek.

In den loop van den middag keerde de graaf van de jacht terug. Het was inmiddels gaan sneeuwen, een fijne jachtsneeuw, die de jagers deed rillen onder hunne zware mantels. Half verkleumd kwamen zij binnen, in de ruime hal van het slot, waar het vuur knetterde en de vlammen oplaaiden in den ruimen haard. Met trots vertoonde de graaf den geweldigen kop van het zwijn en bood hem lachend aan Walewein. Deze sloeg den arm om de schouders van zijn gastheer en kuste hem met den uitroep: “Ziehier mijn buit!” Daarop verzocht hij den graaf hem de lotgevallen van dien dag mede te deelen, aan welk verzoek deze gaarne voldeed. In opgewonden bewoordingen deed hij Walewein verslag van de jacht op het wilde zwijn en beschreef hem de gevaren, die hij en zijne ridders daarbij getrotseerd hadden. Vol lof verklaarde onze held, dat hij nog nimmer zulk een reusachtigen kop gezien had, als die, welken de graaf als zegeteeken meegebracht had en prees de dapperheid en behendigheid van de jagers.

Weldra kondigden drie bazuinstooten aan, dat de avondmaaltijd [73]gereed was en de gasten schikten zich om den welvoorzienen disch, dien zij alle eer bewezen. ’s Avonds zat men onder gezelligen kout te zamen en menig jachtverhaal deed de ronde. Walewein was opnieuw de eereplaats aangewezen naast de bekoorlijke gravin en deze deed al wat zij kon om hem te behagen. Alvorens een ieder zich naar zijn slaapvertrek begaf, wendde Walewein zich tot den graaf en gaf zijn verlangen te kennen om den volgenden morgen te vertrekken, maar deze wilde er niets van hooren!

“De groene kapel bevindt zich slechts een halfuur gaans van hier”, sprak hij. “Wanneer gij u dus op Nieuwjaarsmorgen tijdig daarheen begeeft, kunt gij er zeker van zijn, daar niet te laat te komen. Vertrouw op mij, ik zal zorgen, dat gij uw afspraak houdt!”

Zoo liet Walewein zich overhalen, om nog een nacht in het slot te vertoeven en de overeenkomst tusschen hem en den graaf werd hernieuwd.

De laatste was opnieuw vroeg uit de veeren en bij het aanbreken van den dag reed hij met zijne ridders uit op de vossenjacht. Er heerschte eene doodsche stilte in de natuur; na de sneeuwjacht van den vorigen avond was het gaan vriezen en de ruiters moesten de uiterste voorzichtigheid gebruiken om hunne paarden voor vallen te behoeden. De lucht was grijs en strak, nu en dan viel een enkele sneeuwvlok als aankondiging van een nieuwe bui. Langzaam reed het gezelschap de poort uit, een vlugge draf was voorloopig onmogelijk, maar tusschen de boomen, waar het meer beschut was, werd de grond zachter en kwamen de paarden vlugger vooruit. Plotseling kondigde een luid geblaf aan, dat de honden het spoor van den vos ontdekt hadden en in versnelden draf ging het nu voorwaarts. Na verloop van eenigen tijd kwam de vos in het gezicht en nu werd het een dolle wedren: voorop de vos, als een donker stipje tegen de witte sneeuwvlakte, daarachter een verward kluwen van honden, wier hijgend blaffen zich vermengde met de uitroepen der jagers, die ze tot meerderen spoed aanspoorden. De vos gaf zich echter niet spoedig gewonnen; zonder zijne vaart te verminderen snelde hij [74]door het struikgewas, over oneffenheden in den bodem en afgewaaide takken en de afstand, die hem van zijne vervolgers scheidden werd niet kleiner. Tenslotte zonderde de graaf zich af van het overige gezelschap en reed in een wijden boog in de richting, die de vos moest nemen. Toen deze het gevaar bemerkte dat hem dreigde, maakte hij eene zijwaartsche zwenking, maar geraakte hierdoor binnen het bereik der honden. Een van hen greep hem tusschen de tanden en beet hem dood. De graaf echter nam hem het wild uit den bek en, den vos triomfantelijk boven het hoofd zwaaiend kondigde hij met een luid hallo-geroep het welslagen van de jacht aan. Allen snelden toe en prezen den buit, daarop werd Reinaert ontdaan van zijne vacht en voerde men deze als zegeteeken mee naar huis.

In het slot wachtte men in vroolijke stemming de thuiskomst der jagers af. ’s Morgens vroeg, eer de achtergebleven slotbewoners ontwaakt waren, was de gravin tot een laatst bezoek in het slaapvertrek van Walewein binnengeslopen. Deze had ditmaal hare komst wakend afgewacht. Het hoefgetrappel der jachtpaarden had hem uit een diepen, droomloozen slaap gewekt en de spanning of zijne schoone gastvrouw opnieuw zou komen, had hem belet weer in te sluimeren. Hij behoefde trouwens niet lang te wachten. Nauwelijks waren de geluiden der vertrekkende jagers verstomd, of hij zag, hoe de deurknop voorzichtig werd omgedraaid en in de grijze ochtendschemering sloop een slanke gedaante het vertrek binnen.

De gravin droeg een wijden karmozijnrooden mantel, met kostbaar bont omzoomd, die haren hals en armen geheel vrij liet. Om den hals droeg zij een snoer paarlen en edelsteenen lichtten tusschen hare donkere vlechten. Op het venster toetredend, schoof zij de gordijnen opzij om het morgenlicht door te laten, daarna bukte zij zich over den ridder, die bij hare binnenkomst de oogen had gesloten en kuste hem op den mond, zeggend:

“Ontwaak, edele heer! de morgen is aangebroken en uwe dienares is hier, die u vaarwel wil zeggen, eer gij uw gevaarvollen [75]tocht gaat ondernemen. Het is ons laatste samenzijn, laat ons ervan genieten zoolang het duurt, want morgen zijt ge ver van hier!”

Bij het voelen harer warme lippen op de zijne, doortrilde Walewein een schok van blijde verrassing en toen hij daarna de oogen opsloeg en hare schoonheid en lieftalligheid in zich opnam, moest hij zich geweld aandoen, om haar niet in zijne armen te nemen. Met kracht balde hij de vuisten samen onder het dek en zijn stem klonk onvast, toen hij zeide: “Goeden morgen, liefste! Hoe zal ik u danken voor de eer en gunst, die ge mij betoont, door ten derden male mij te bezoeken!”

“Er is slechts ééne wijze, waarop ge mij uwe dankbaarheid kunt betoonen,” sprak de gravin, “en die kan ik u niet zeggen, gijzelve moet die raden!”

Maar al te goed wist Walewein, waar zijne schoone bezoekster op doelde, maar tevens wist hij dat, zoo hij haren wenk opvolgde, hij in de oogen van zichzelven en allen, die het hoorden, een eerloos man zou zijn. Daarom trachtte hij, hoeveel moeite het hem ook kostte, het gesprek eene andere wending te geven. Voor eene wijle gelukte het hem, maar spoedig bracht een teedere blik van de gravin hem opnieuw in verwarring en er viel eene pijnlijke stilte.

“Zeg mij, Heer Walewein”, sprak de gravin, “of gij op aarde eene liefste hebt, die gij boven alle andere vrouwen vereert en bemint? Zoo ja, noem mij haar dan eerlijk!” “Op mijn woord, schoone vrouwe, antwoordde Walewein, “in heel de wijde wereld ken ik geene vrouw, die schooner of lieftalliger is dan gij. Ik ben echter geen meester van mijn hart, daar ik gezworen heb vóór alle dingen deze onderneming tot een goed einde te brengen. Ik mag dus geene andere gedachten hebben dan die, welke het avontuur met den groenen ridder betreffen”.

Zuchtend boog de gravin het hoofd.

“Welnu dan”, sprak zij, “indien wij werkelijk scheiden moeten, geef mij dan een aandenken aan onze vriendschap, dat mij de uren van verlangen naar u zal helpen verlichten; eene kleinigheid, [76]zij het slechts een handschoen, dien gij gedragen hebt, zal mij troosten in uwe afwezigheid.”

“Helaas”, antwoordde de ridder, “wat zal ik u geven? Bij het aanvaarden van mijn eenzamen en gevaarvollen tocht heb ik alles, wat ik aan kostbare kleinoodiën bezat, aan het hof achtergelaten. Had ik slechts mijne koffers hier, dan zou ik een schat van sieraden aan uwe voeten uitschudden en u verzoeken het mooiste en kostbaarste eruit als eene herinnering aan mij te willen aannemen. Eene vrouw als gij, biedt men toch immers niet een simpelen handschoen als aandenken aan?”

“Bekommer u niet langer over mijne vraag”, antwoordde de gravin, “ook zonder tastbaar aandenken zal ik u niet vergeten! Wanneer ge mij echter geene gedachtenis schenken wilt, zoo kunt ge toch zonder bezwaar een klein geschenk van mij aannemen. Ziehier een ring, dien ik nacht en dag aan den vinger draag. Mag ik u dien geven als herinnering aan uw verblijf te mijnent?” Maar Walewein schudde afwijzend het hoofd. “Zulk een kostbaar geschenk kan ik niet van u aannemen, zonder u daar mijnerzijds iets voor terug te geven,” sprak hij. “Vergeef mij, indien ik onhoffelijk schijn, maar onder deze omstandigheden zou uw geschenk mij geen genoegen doen!” “Het zij zoo”, antwoordde de gravin, “en tegen uwe bezwaren kan ik niets inbrengen, maar ziehier dan een ander geschenk, dat eenvoudiger schijnt en bijkans onwaardig om het aan een edel ridder, als gij zijt, aan te bieden. Moge het echter al eene simpele gift schijnen, zoo bevat zij voor hem, die ze kent, hoedanigheden van onschatbare waarde!” Onder het spreken had zij haren mantel teruggeslagen en gespte nu een groen zijden gordel los, die haar middel omsloot. Toen zij hem aan Walewein voorhield, werd zijn oog verblind door de schitterende kwartsen, waarmede hij bezet was. In alle tinten en kleuren glinsterden zij hem tegen, maar de meesten waren groen als de zijde zelf, van eene eigenaardige, doorschijnend groene tint. Weer schudde Walewein het hoofd, maar vóór hij iets zeggen kon, sprak de gravin op nog dringerder toon dan te [77]voren: “Weiger mijn geschenk niet, alvorens ik u de verborgen hoedanigheden ervan heb medegedeeld. Hij, die dezen gordel draagt is onkwetsbaar, geen lans- of pijlpunt kan hem deren, geen zwaardslag kan hem eenig letsel toebrengen. Denk aan den naderenden strijd en neem den gordel aan, die u beschermen zal tegen de aanvallen van den groenen ridder! Eén ding moet ge mij echter beloven: dat gij niet aan mijn echtgenoot zult verraden, welk geschenk ik u gegeven heb!”

Mythologische vogel.

Hoe Walewein van de gravin een gordel ten geschenke kreeg. Walewein dacht eenige oogenblikken na over hare woorden en kon het zich niet verhelen, dat de gordel hem in de komende dagen van groot nut zou kunnen zijn. Hoe zou hij zonder een dergelijk beschermmiddel eenige kans hebben om den slag, dien de groene ridder hem volgens afspraak mocht toebrengen, te overleven? Mocht hij dan deze gelegenheid voorbij laten gaan, die hem een uitkomst bood? Hij was toch nog te jong om te sterven; het leven beloofde hem nog zooveel schoons en heerlijks! Roem, liefde, eerbetoon en macht, alles hield de toekomst nog in haren schoot verborgen en dat alles zou hij moeten missen door deze toevallige overeenkomst met een bloeddorstigen vreemdeling? Neen, een dwaas zou hij zijn om niet het middel aan te grijpen, dat hem tot redding geboden werd, en vriendelijk lachend nam hij den gordel uit de handen zijner schoone bezoekster aan, zeggend: “Zulk een geschenk en op zulk eene wijze aangeboden, mag ik niet weigeren. Ontvang daarom mijn dank, schoone vrouwe, voor uwe waardevolle gift en wees overtuigd, dat ik bij het dragen steeds de bevallige geefster zal gedenken.”

Nog langen tijd nadien bleven beiden te zamen en toen de gravin afscheid nam had zij Walewein tot drie malen toe gekust.

De morgen verstreek en in den middag kwam het gezelschap [78]van de jacht terug. Met blijde voldoening overhandigde de graaf zijn gast de buit van dien dag en ontving daarvoor van Walewein drie kussen. Van den groenen gordel werd echter met geen woord gerept.

De laatste avond van Waleweins verblijf in het kasteel werd met grooten luister gevierd. Een keur van uitgezochte spijzen wachtte op den feestelijk gedekten tafel, en na afloop van den maaltijd werd het gezelschap vermaakt door de zoetvloeiende liederen der minstreelen. Maar al te gauw was de avond voorbij en brak het oogenblik van scheiden aan. Toen allen zich gereed maakten om zich naar hunne slaapvertrekken te begeven, naderde Walewein zijn gastheer en betuigde hem zijnen dank voor zijn gastvrij onthaal. Nooit, zoo zeide hij, zou hij de genotvolle dagen vergeten, die hij op het slot had mogen doorbrengen en die hem na de geleden ontberingen van zijn wintersche reis, dubbel schoon waren voorgekomen. Hij gaf hem zijn leedwezen te kennen over het feit, dat hij den volgenden morgen vertrekken moest en herinnerde zijn gastheer aan zijne belofte om hem een dienaar als gids aan te wijzen. De graaf beval daarop een zijner schildknapen zich gereed te houden om met Walewein mede te gaan en toen deze met hem was overeengekomen, op welk uur zij zouden vertrekken, begaf onze held zich naar het gezelschap der edelvrouwen om ook van haar afscheid te nemen.

Eenmaal nog zag hij in de schoone oogen der gravin en kuste haar de hand, daarna wendde hij zich af en begaf zich naar zijn slaapvertrek. Hij kon echter den slaap niet vatten, de gebeurtenissen der laatste dagen trokken als een bonte stoet van kleurige tafereelen door zijn brein. Nu eens hoorde hij de zachte stem der gravin, die hem teedere woorden toefluisterde, dan weer klonk hem het hoorngeschal der terugkeerende jagers in de ooren. Voor zijne oogen zag hij de zaal van het kasteel met de sierlijk gekleede ridders en edelvrouwen, waartusschen telkens het donkergelokte hoofd zijner gastvrouw in hare bloeiende schoonheid opdook. Wanneer hij dan met geweld zijne gedachten in de toekomst [79]liet gaan, rees voor zijne verbeelding het sombere woud zijner omzwervingen omhoog, en hij rilde onder de donzen dekens bij de gedachte aan wat hem daarginds te wachten stond.

Toen hij eindelijk insliep, was zijn slaap onrustig, in zijne droomen streed hij tegen den groenen ridder, die steeds grooter en grooter werd, naarmate het gevecht voortduurde. Wanhopig zwaaide hij zijn zwaard, maar het scheen, of hij al verder en verder in ’t niet zonk tegenover de reusachtige afmetingen van zijn tegenstander. Badende in zijn zweet werd hij bij het eerste morgenkrieken gewekt door den schildknaap van den graaf. Huiverend zag hij rond in het grauwe morgenlicht van zijn vertrek. Hoe geheel anders was zijn ontwaken de laatste dagen geweest, toen de lieflijke stem eener schoone vrouw hem uit den slaap gewekt had en de dag hem een onafgebroken reeks van genotvolle uren beloofde! Maar niet lang gaf hij zich over aan dergelijke overpeinzingen. Zijn lichaam voelde hij versterkt na de dagen van rust, zijn geest was helder en de spieren van zijn arm waren krachtig en lenig: wat zou hij dan vreezen? Zijne oude strijdlust werd bij hem wakker, met voldoening bezag hij zijne glimmend gepoetste wapenen en greep zijne hand naar het gevest van zijn zwaard. Was hij niet Walewein, de gevreesde, die nog nooit in den strijd het onderspit had moeten delven? En zou hij nu opzien tegen de ontmoeting met dezen onbekenden vreemdeling, hij, tegen wien de vermaardste ridders ter wereld den strijd hadden moeten opgeven?

Met een gevoel van krachtigen overmoed daalde Walewein de trappen af en begaf zich na een haastig ontbijt genuttigd te hebben naar buiten, waar Gringalet hem wachtte. Hij steeg te paard en reed, gevolgd door den dienaar, de slotpoort uit, nog eenmaal zag hij omhoog naar de bovenvensters van het kasteel en onwillekeurig tastten zijne vingers naar zijne linkerzijde, waar onder zijne wapenrusting de groene gordel verborgen was, daarop richtte hij zijn blik vooruit en vervolgde zijn weg zonder verder om te zien. Eene dichte sneeuwjacht belette hem verder dan [80]enkele passen voor zich uit te zien, een hevige stormwind joeg de sneeuw te zamen in de holten en kuilen terzijde van den weg, de takken der boomen kraakten en zuchtten onder den zwaren sneeuwlast, maar verder verbrak geen geluid de stilte; de dieren van het woud hielden zich schuil tot de storm bedaard zou zijn.

De weg, dien de schildknaap hem aanwees, voerde de ruiters omhoog tusschen de heuvels, waarvan de toppen in een dikken mist gehuld waren. Juist op dat oogenblik hield het op met sneeuwen en brak de zon door, die het gansche landschap met hare schitterende stralen overgoot. Als een glinsterend wit kleed lag de sneeuw over de bosschen en velden, waartegen een vlucht van donkere vogels scherp afstak.

Waleweins gids maakte nu een teeken met de hand om den held aan te duiden, dat zij hier stil moesten houden en sprak: “Edele heer, wij zijn hier op eene plek gekomen, die niet ver van de groene kapel verwijderd is. Aan uw wensch is dus voldaan. Van hier uit kunt gij verder ook zonder mijne hulp de plaats uwer bestemming bereiken. Vóór gij u echter daarheen begeeft, moet ik u waarschuwen tegen hem, dien gij daar vinden zult. De groene ridder, zooals hij zich noemt, is een monster in menschengedaante. Niets en niemand is veilig voor hem. Een ieder, die aan zijne woning voorbijgaat: heer of knecht, oud of jong, rijk of arm, allen doodt hij met een slag van zijn zwaard. Bezin u dus goed, alvorens u in zijne nabijheid te wagen. Het ware te betreuren, indien een edel ridder als gij, ook als slachtoffer van zijn wreed begeeren zou moeten vallen. Daarom raad ik u dit: verlaat dit oord, eer het te laat is en ik zweer u, bij alles wat mij heilig is, dat ik geen sterveling zal verraden, dat gij het gevaar ontvlucht zijt!” Walewein echter schudde lachend het hoofd: “Heb dank, beste vriend, voor uwe goede bedoeling, maar wat uw raad betreft: nog nooit heeft Walewein de vlucht genomen en ook ditmaal zal hij het niet doen! Nooit zal men mij van lafhartigheid kunnen beschuldigen, ook nu niet. Daarom ben ik vast besloten den groenen ridder op te zoeken en hem, [83]getrouw aan mijne belofte, mijn hoofd tot den zwaardslag aan te bieden.” “Het zij zoo”, hervatte de schildknaap, “gij weet nu, dat ik u gewaarschuwd heb, moge God u bijstaan! Wanneer gij dus tot elken prijs uw leven wilt wagen, rijd dan dit pad af tot ge in het dal komt. Daar zult gij spoedig de groene kapel ontdekken. Vaarwel!”

Walewein komt bij de groene kapel.

Walewein komt bij de groene kapel.

Walewein sloeg het aangewezen pad in, dat met vele kronkelingen langs een hoogen rotswand de heuvel afdaalde. Hier en daar had hij moeite zijn paard op de been te houden op den gladden, besneeuwden rotsbodem, maar ten slotte belandde hij veilig en wel in het dal, dat aan alle zijden door hooge heuvels was ingesloten. Op deze beschutte plek voelde men bijkans geen wind en de donkere stammen der denneboomen staken onbeweeglijk omhoog in de ijle winterlucht. Behoedzaam spiedde Walewein om zich heen, of hij ergens een spoor van eene kapel kon ontdekken, maar nergens trof zijn oog iets anders dan besneeuwde boomen en struiken. Door het dal stroomde een beekje, aan welks oever de ridder op eenigen afstand eene kogelvormige verhevenheid ontdekte. Getroffen door den eigenaardigen vorm van deze oneffenheid in den bodem begaf Walewein zich er heen, bond zijn paard aan een naastbijzijnden boom en ging voorzichtig op den vreemden heuvel af.

Naderbij gekomen bemerkte hij, dat er zich aan ééne zijde eene opening bevond, die toegang scheen te geven tot een donker hol. De rotsspelonk, want dit scheen het te zijn, was geheel begroeid met gras, nu bedekt met sneeuw, dat zich als een koepelvormig dak er over heen welfde. Hoever het hol zich daarbinnen uitstrekte kon men van buiten af niet bepalen, het eenige wat men door de opening zag, was een donkere afgrond, waaruit een kille aardlucht naar buiten drong. Het geheel maakte zoo’n somberen indruk, dat de held bij het zien ervan haastig een kruis sloeg en uitriep: “Eene geschikte plaats voor den groenen ridder om zijne godsdienstoefeningen te houden! Hij kan er zeker van zijn, dat de duivel in eigen persoon tegenwoordig zal zijn!” [84]

Nauwelijks waren deze woorden over zijne lippen gekomen, of een doordringende kreet drong van de overzijde der beek tot hem door en zich omwendend zag hij tusschen de hooge struiken den groenen ridder te voorschijn komen. Onheilspellend rolden zijne oogen en dreigend zwaaide hij eene gloednieuwe, glinsterende strijdbijl in zijne rechterhand. Aan de beek gekomen, sprong hij er over heen en schreed met lange stappen op Walewein toe. Deze wachtte hem rustig af, de vuist om het gevest van zijn zwaard geklemd en toen de vreemdeling hem genaderd was, sprak Walewein met vaste, rustige stem: “Goeden dag, heer ridder! Getrouw aan onze overeenkomst, die wij heden voor een jaar gesloten hebben, ben ik hier gekomen om een slag van u te ontvangen in ruil voor dien, welken ik u een jaar geleden gaf!”

De groene ridder boog groetend het hoofd en zeide:

“Gij hebt uwe belofte gehouden, zooals dit een edelman betaamt. Het oogenblik is aangebroken, waarop ik u den slag kan teruggeven, dien ik van u mocht ontvangen. Daarom verzoek ik u, om uwen hals te ontblooten.”

Walewein voldeed aan zijn verlangen. Hij zag nog eenmaal omhoog in de helderblauwe lucht, die hij dacht nooit weder te zien, daarna boog hij het hoofd en sloot de oogen. Hij hoorde hoe de groene ridder met boosaardig lachen de bijl omhoog zwaaide en die toen duizelend door de lucht neer deed komen. Toen het wapen aldus op zijn nek dreigde neer te komen, maakte Walewein onwillekeurig eene terugtrekkende beweging met de schouders, maar zoodra zijn vijand dit bespeurde, stuitte hij het wapen in zijne vaart en riep toornig uit: “Schaam u, Heer Walewein! gij, die beroemd zijt om uwe dapperheid en die toch reeds beeft van vrees, nog eer gij eenig letsel hebt bekomen. Toen gij mij geslagen hebt, toonde ik in geene enkele beweging, dat ik uwen aanval vreesde, en zelfs toen ik mijn hoofd moest verliezen, heb ik nog niet het hazenpad gekozen. Daarom durf ik zeggen, dat ik dapperder ben dan gij en dat men ten onrechte u prijst als een der onversaagdste ridders van het land.” [85]

Diep beschaamd hoorde Walewein zijne woorden aan en na eenig stilzwijgen sprak hij: “Gij hebt gelijk, het was laf en onridderlijk van mij om angst te toonen, maar geloof mij, het zal mij geen tweede maal overkomen. Daarom, sla toe, wat ik u bidden mag!” “Welnu dan,” antwoordde de groene ridder, “uw wensch worde vervuld!” Onder het zeggen van deze woorden hief hij zijne bijl omhoog en zwaaide hem door de lucht, maar alvorens hij den hals van zijn vijand aanraakte, hield hij opnieuw het wapen tegen en sprak goedkeurend tot Walewein: “Inderdaad, nu zie ik, dat gij een dapper ridder zijt, want uwe schouders verroeren zich niet, hoewel het wapen des doods er boven zweeft!” Onze held echter, die slechts door de uiterste wilsinspanning zijne kalmte wist te bewaren, ontstak in toorn over dit nieuwe oponthoud en sprak heftig: “Draal niet langer, heer! maar breng mij den slag toe, die voor mij bestemd is. Daarna kunnen wij verder spreken!”

“Ziehier dan!” riep de groene ridder met donderende stem en nog eens hoorde Walewein het duizelend geluid, waarmee het wapen de lucht doorkliefde. Hij sloot de oogen, klemde de vuisten opeen en bereidde zich voor op den dood. Wie beschrijft echter zijne verbazing, toen hij voelde, hoe de bijl slechts aarzelend zijn hals scheen aan te raken. Wel drong de scherpe snede van het wapen door de opperhuid en zag hij, hoe zijn bloed in langzame druppels op de sneeuw neerviel, maar daarna scheen het of eene hand de bijl terugtrok uit de wonde en ongedeerd kon hij het hoofd omhoog heffen. Toen was het ook met zijn geduld gedaan. Bliksemsnel richtte hij zich op uit zijne bukkende houding, met vaste hand omknelde hij het gevest van zijn zwaard en het scheen, of alle vreugde om het verloren gewaande en nu herwonnen leven zich uitte in zijne stem, toen hij zegevierend uitriep: “Tot hiertoe en niet verder, edele heer! Aan de bepalingen onzer overeenkomst is voldaan en van nu af aan behoud ik mij het recht voor, om uwe aanvallen met het zwaard in de vuist af te wachten. Nauwelijks had hij deze [86]woorden gesproken, of tot zijne groote verbazing barstte de groene ridder los in een luid gelach, dat de lucht met een schallend geluid vervulde en door de kale rotswanden werd weerkaatst. Het scheen of er geen eind aan zijne vroolijkheid kon komen, blazend en proestend leunde hij op zijne bijl en schudde heen en weer, telkens uitbarstend in een nieuwen aanval van lachen. Eindelijk bedaarde hij en sprak, zich de tranen van ’t lachen uit de oogen wisschend: “Houd het mij ten goede, heer ridder, dat ik aldus uiting geef aan mijn gevoel, maar het spel, dat wij hier gespeeld hebben, is ook zóó kostelijk, dat ik moet lachen, of ik wil of niet, en gij zult hetzelfde doen, daar ben ik zeker van, wanneer ik u verteld heb, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Maar alvorens ik hiertoe over ga, moet ik u verzoeken, uw zwaard in de scheede te steken en het daar te laten tot zich eene betere gelegenheid voordoet om het te gebruiken. Geloof mij, hij, dien gij voor u ziet, is uw vriend en elke vijandige bedoeling is verre van hem.”

Aarzelend stak Walewein zijn zwaard in de scheede. Het gansche tooneel leek hem een verwarde droom, waaruit hij zoo straks tot de werkelijkheid zou ontwaken. Waarom had de groene ridder hem gespaard, inplaats van zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen en vanwaar thans die uitbundige vroolijkheid en die vriendschappelijke bejegening, waar zij toch kort geleden als vijanden tegenover elkander hadden gestaan?

De groene ridder bemerkte zijne verwarring en kwam lachend op hem toe. “Gij staat verbaasd, Heer Walewein en dat niet geheel zonder reden,” sprak hij, “maar wat u thans zoo zonderling toeschijnt, kan ik u met een enkel woord verklaren. Weet dan allereerst, dat mijn naam is Bernlak de Hautdesert en dat het kasteel, waar gij de laatste week hebt doorgebracht, het mijne is. Dat ge mij niet herkendet, toen ik u bij uwe aankomst begroette en dat gij in mij ook thans niet de gelijkenis met uw gastheer terugvindt, dank ik aan de tooverkunst van Morgan Le Fay, de vermaarde toovenares, die, zoo zegt men, bij den grooten Merlijn [87]in de leer is geweest. Zij was het, die mij de gestalte verleende van den groenen ridder en die mij naar het hof des konings zond, deels om de dapperheid der ridders van de Ronde Tafel op de proef te stellen, deels om hare aartsvijandin, koningin Ginevra, een schrik te bezorgen, die haar wellicht noodlottig zou zijn. Morgan Le Fay, met wie ik in verre bloedverwantschap sta, vertoeft als gast in mijn huis en is niemand anders dan de oude vrouw, in wier gezelschap gij mijne gemalin voor ’t eerst begroettet. Toen zij mij voorstelde, om haar in haar plan behulpzaam te zijn, heb ik gaarne toegestemd, want ook ik verlangde, om de beroemde ridderschap der Ronde Tafel eens met eigen oogen te zien en bovendien was elke afleiding mij welkom. De winter is lang in eene woeste, eenzame streek als deze en een tocht naar het hof van koning Arthur bood eene niet te versmaden afwisseling. Ziedaar dus, hoe ik er toe kwam om als tooverfiguur aan het hof te verschijnen en er schrik en ontsteltenis te verspreiden. Reeds dadelijk trof mij aldaar uw moedig optreden en het deed mij genoegen, dat gij het waart, die mijn gast zou zijn dezen winter, want ook dit was door Morgan vooraf bepaald. Van wat gedurende uw verblijf ten mijnent zich tusschen u en mijne vrouw heeft afgespeeld, ben ik geheel op de hoogte. Ikzelf gaf haar bevel om u te bezoeken, ten einde uwe gevoelens van eer en trouw op de proef te stellen. Gij hebt het vertrouwen, dat ik in u stelde niet beschaamd gemaakt, maar u gedragen als een edel ridder behoort te doen. Daarom heb ik u heden gespaard en u slechts in schijn den slag teruggegeven, die u krachtens onze overeenkomst toekwam. De eerste twee slagen, die ik voorwendde u te geven, waren eene straf voor de kussen, die gij van mijne vrouw ontvingt, maar omdat gij ze mij des avonds eerlijk terug hebt gegeven, waren mijne slagen slechts geveinsd. De derde maal echter hebt gij tegen onze afspraak gezondigd door te verzwijgen, dat gij den groenen gordel als geschenk van haar hadt aanvaard. Om u daarvoor te straffen, heb ik u met de punt van mijne bijl geraakt, echter zonder u ernstig verwonden, want ik wist dat uw zwijgen [88]slechts voortkwam uit den natuurlijken drang tot zelfbehoud, die elk mensch is aangeboren. Thans weet ge alles en rest mij slechts, u te verzoeken, mij te volgen naar mijn kasteel en aldaar met mij en de mijnen het Nieuwjaarsfeest te blijven vieren.”

Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, waarmede Walewein naar de woorden van den groenen ridder geluisterd had. Gevoelens van schaamte, vernedering, toorn en gekrenkten hoogmoed streden met elkaar om den voorrang in zijn gemoed, maar het gevoel van schaamte en bittere vernedering was sterker dan alle andere en toen Bernlak de Hautdesert gedaan had met spreken, barstte hij los in een stroom van hevig zelfverwijt. “Vervloekt zijn lafheid en begeerigheid,” riep hij uit, “want die zijn de bron van alle kwaad!” Daarop gespte hij zijn harnas los, wond den groenen gordel van zijn middel en wierp dien den ridder toe onder het uiten van heftige verwenschingen. De laatste echter sprak: “Gij maakt u zelven ten onrechte een verwijt van wat geschied is en bovendien is een mensch, die zoo openhartig als gij zijne fouten erkent, in mijne oogen even rein van hart als een die nooit gezondigd heeft. Wat den gordel aangaat, zoo zou ik u willen verzoeken, dien van mij aan te nemen als herinnering aan uw avontuur bij de groene kapel. Behoud hem dus en laat ons thans huiswaarts keeren, waar men onze terugkomst met verlangen tegemoet ziet.”

Walewein schudde het hoofd en terwijl hij zich opnieuw de groene zijde om de heupen wikkelde, sprak hij ernstig: “Uw geschenk wil ik gaarne aanvaarden als eene herinnering aan onze kennismaking en eene waarschuwing om mij niet opnieuw door schoone vrouwenoogen tot lafheid en eerverzuim te doen brengen. Wanneer de trots om eene volbrachte heldendaad mij dreigt te overmeesteren, zal een enkele blik op dezen gordel mij tot een helderder besef mijner tekortkomingen terugbrengen. Aan uwe vriendelijke uitnoodiging om met u naar uw kasteel terug te keeren, kan ik echter geen gehoor geven. Mijn weg voert thans naar Camelot, waar mijn vorst mij wacht en in spanning den [89]uitslag van mijn avontuur verbeidt. Vaarwel dus en heb dank voor de les, die ge mij gegeven hebt.”

Hierop scheidden de beide ridders en reden in tegenovergestelde richtingen heen. Bernlak de Hautdesert keerde terug naar zijn kasteel en Walewein vond met veel moeite den weg, dien hij gekomen was en die hem na wekenlange omzwervingen weer naar Camelot terugvoerde.

Kasteel.

Van Waleweins terugkeer aan het hof van koning Arthur. Tegen het einde van Februari, op een zoelen namiddag, terwijl het landschap om hem heen reeds de eerste sporen vertoonde van het naderend voorjaar, zag hij de trotsche torens van Arthurs paleis tegen den gezichtseinder oprijzen. Met een gevoel van innige dankbaarheid blikte onze held om zich heen. Hoe verschilde de stemming, waarin hij zich thans bevond, van die, waarin hij eenige maanden te voren door de hem welbekende streek gereden was. Toen had hij zich gevoeld als een ten doode opgeschrevene en de natuur om hem heen had met hem mede gerouwd onder haar grijze sluiers van mist en regen. Thans echter keerde hij behouden en wel uit zijne gevaarlijke onderneming huiswaarts, zijn woord had hij gehouden en toch leefde hij! Al brandde de groene gordel hem als vuur om de leden, wanneer hij dacht aan het oogenblik, waarop de groene ridder hem zijne geheimhouding daarover verweet—toch waren zulke gedachten niet bij machte om de vreugde over zijne behouden thuiskomst uit zijne ziel te verbannen. Het scheen hem toe, alsof hij een weerklank van die vreugde vond in de ontwakende natuur om zich heen. Het zingen der vogels, het ruischen van den wind door de boomen, waar de knoppen zwollen, het klaterend geluid der beekjes, die, gevoed door de smeltende sneeuw, van de heuvels stroomden, het scheen hem of het zoo vele stemmen waren, die met hem juichten over zijne wonderbaarlijke redding en hem in [90]herinnering brachten, wat al schoons en heerlijks hem nog in zijn jonge leven te wachten stond!

In opgeruimde stemming bereikte hij het paleis en niet zoodra was het bericht van zijne thuiskomst in de zalen doorgedrongen, of van alle zijden stroomden de ridders tezamen om hun vriend, dien zij verloren waanden, te begroeten. In een oogwenk zag Walewein zich omringd door lachende gezichten en elkander verdringende gestalten, vroolijke uitroepen en blij gelach vervulden de lucht en getuigden, hoezeer hij bij allen aan het hof geëerd en bemind was.

Toen de eerste vreugde van het wederzien bedaard was, namen de ridders onzen held in hun midden en voerden hem zegevierend naar binnen, waar in de groote slotzaal koning Arthur hem wachtte. Diep ontroerd omhelsde de vorst zijn neef, dien hij als een zoon liefhad, en verzocht hem toen aan zijne zijde plaats te nemen en hem verslag te doen van zijn wedervaren.

Walewein gaf gehoor aan zijn verzoek en verhaalde zonder omwegen, wat er sinds den dag van zijn vertrek met hem gebeurd was. Daarbij spaarde hij zichzelf niet, ook de lotgevallen in het kasteel, de gesprekken met zijne schoone gastvrouw en de gevoelens, die gedreigd hadden hem daarbij te overmeesteren, deelde hij mede aan zijn aandachtig luisterend gehoor. Wel brandden zijne wangen van schaamte, toen hij het voorval met den gordel vermeldde, maar hij hield zijne oogen vast gericht op het gelaat van zijn vorst en verzweeg niets. Toen hij aan het einde van zijn verhaal was gekomen, haalde hij van onder zijne kleederen den gordel te voorschijn en toonde hem aan den koning. Deze nam hem aan, bezag hem langen tijd en sprak toen ernstig: “Mijn zoon! Hij, die zijne fouten bekent als een waar en eerlijk man, is waard dat zij hem vergeven worden. Zoo zij het ook met u! Moogt gij ook al gezondigd hebben uit zucht tot zelfbehoud, zoo hebt gij uw verzuim eerlijk opgebiecht en daarom is het overbodig, u er verder voor te straffen. Daar het echter voor elk mensch nuttig is, om aan zijne fouten herinnerd [91]te worden, zoo stel ik voor, dat allen, die hier aanwezig zijn, een groenen gordel zullen dragen, die hen moge behoeden voor verkeerde neigingen. Wanneer een hunner dan te eeniger tijd de eischen van eer en ridderlijkheid uit het oog dreigt te verliezen, dan zal een blik op den gordel hem uw avontuur in herinnering roepen en hij zal de kwade ingevingen van lafheid en begeerigheid geen gehoor schenken. Zoo zal uw voorbeeld hun een les zijn en hun ten slotte ten zegen strekken.”

Het geschiedde gelijk de koning bevolen had. Van dat oogenblik af droegen alle ridders der Ronde Tafel, die Waleweins verhaal hadden aangehoord, een groen zijden gordel en zóózeer spoorde deze hen aan tot het bestrijden van alle onridderlijke eigenschappen dat de ridders van den groenen gordel weldra bekend stonden als de beste en edelste der Christenheid. Zoo werd de groene gordel spoedig beschouwd als een eereteeken en zij, die hem droegen, werden geëerd en geroemd als geen anderen. Onder hen was er echter één, die, zoo zeide men, meer dan alle overige ridders deze onderscheiding verdiende, en dat was Heer Walewein.

[92]

[Inhoud]

INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

Ornamentale leeuw.

De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den Arthur-cyclus. Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden, toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element, anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke werk zich heeft schuldig gemaakt.

En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor wie heeft geleerd den held—want er is feitelijk slechts één hoofdpersoon: Balin—naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en tekortkomingen—misschien juist ter wille van deze—bevat het tragische verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons, dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders, die onvergelijkelijken moed paarden [93]aan hoofsche verfijndheid en die door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten.

Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet, dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt, en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne zaak verloren.

Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk, slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was, door elkanders hand sterven.

Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest?

Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld, de voorspelling, dat Balin met het [94]zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat—zooals wij lezen—hem geen ander wapen ter verdediging overblijft.

Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op, welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken.

Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid.

De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het de voorspellingen [95]van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot beheerschen en hem ten val brengen.1

Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote sprongen voort te bewegen.

Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze, waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold, offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin, op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van eene somtijds ontroerende schoonheid.

Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier vermeld, dat John Rhys in zijn “Studies in the Arthurian Legend” tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het derde boek van Geoffrey of Monmouth’s “Historia Regum Brittanniae” verschijnen de broeders onder de [96]namen Belinus en Brennius als twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen, die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het tweede boek van zijne “Morte d’ Arthur”, dat waarschijnlijk in 1469 geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd, eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel die, welke onder den titel van “Merlin” is bewaard gebleven in een handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den algemeen bekenden “Merlin” van Robert de Borron, wordt hij veelal aangeduid met den naam: “Suite de Merlin”.

In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage, één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman, getiteld: “El baladro del Sabio Merlin”, die in 1498 te Burgos gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te Toledo verscheen onder den titel: “Demanda del sancto Grial con les maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo.”

Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in den dichtbundel “Tiresias and other Poems”, een gedicht, dat onder den titel “Balin and Balan” aan den kring van Tennyson’s Koningsidyllen werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk van Thomas Malory, maar—dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te worden—wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde voeren van de allegorie in zijn werk. [97]

Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles Swinburne in zijn “Tale of Balen”, dat in 1896 verscheen. Zijne bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed, den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en waartegen niet te strijden valt.

Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent tot deze aanpassing aan Swinburne’s levensopvatting en dat het wezen der sage er niet door geschaad wordt.

De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de “Morte d’Arthur” van Thomas Malory.

Ridder voor boom.

[98]


1 Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit vóór-Christelijke tijden.

[Inhoud]

DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

....“two brethren of Northumberland,

in life and death good knights.”

(Swinburne: “The Tale of Balen.”)

Ornamentale leeuw.

Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe de eerste tot ballingschap veroordeeld werd. Onder de ridders van koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder, vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht, hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel [99]geworden, hij was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur, trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te laten meesleepen door zijne booze driften.

Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid!

Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te [100]maken, deden zij beter met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde.

Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden onder ’s konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het, of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning, die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen, waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente, en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in de velden bij Camelot. ’s Avonds, wanneer allen [101]teruggekeerd waren en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof, die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten, die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht, schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn.

Vechtende griffioenen.

Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw. Eens op een dag, toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij: “Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken, mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, [102]zulk eenen te vinden!” Daarop antwoordde de koning trotsch: “Indien gij een ridder zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen, want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!” Nadat hij deze woorden gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard, dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht, tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood.

Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen aan hare zijde vastgeklonken.

Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die zich norsch afwendde en eenige verwenschingen [103]mompelde, terwijl hij zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon: “Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!”

Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal, vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders, die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu—na dezen wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst—voelde hij plotseling dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten, hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: “Wat nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp, vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over aan uwe meerderen!” “Schoone jonkvrouw”, antwoordde Balin, “meerdere waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen.” [104]

Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: “Heer koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven, waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!” Maar vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend tusschenbeide en sprak tot Balin: “Heer ridder! groot is mijn dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag, geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal u ongeluk aanbrengen—geloof mij—ik smeek er u om!” Maar wat zij ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van het noodlot het hoofd te bieden. “Geef mij het zwaard terug,” smeekte de jonkvrouw nog eens, “het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag, want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het te laat is!” Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet afstaan. “Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal,” zoo sprak hij ernstig, “dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand.”

Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor zijn vertrek. [105]

Opvliegende zwaan.

Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde. Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar, die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had, toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: “Sire! gij herinnert u, hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken heb?” “Ik herinner het mij zeer goed”, antwoordde de koning, “en zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne macht ligt.” “Welnu dan”, hernam zij, “ik vraag van u het hoofd der jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den ridder die haar bevrijdde.” Het gelaat van den koning betrok. “Dat kan ik u niet geven”, sprak hij, “elken anderen eisch, dien gij mij stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen.” Maar de Meervrouwe schudde het hoofd. “Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik,” sprak zij, “dan het hoofd te bezitten van [106]haar, die de oorzaak is geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het aan uwe eer verplicht.” Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd, dat hij ten slotte uitriep: “Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!” en met een enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders.

Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame en nog wel ééne, die onder ’s Konings hooge bescherming stond, onder zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: “Heer Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u door mijne daden te bewijzen!”

Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden en zijnen vrienden [107]en magen te melden, onder welke omstandigheden en ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem: “Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld vergeven.” Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder, de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was, gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht en de hoop van ’s konings vijand te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien—de zon scheen zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd.

Rennende hond.

Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen. Eenige uren nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden de geruchten van Balin’s heldendaden, die zelfs tot aan het hof van zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar vernam, [108]wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak: “Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan, op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen, zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!”

De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt, gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar, tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen, zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was, zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden, “want”, zoo voegde hij aan zijne woorden toe, “hij, die het zwaard uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven.”

De geliefde van Prins Launceor verwijt Balin haar minnaar gedood te hebben.

De geliefde van Prins Launceor verwijt Balin haar minnaar gedood te hebben.

Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van [109]het kasteel uit en sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien hij zocht en wat zijn verlangen was. “Wat mijn verlangen is?” riep Launceor spottend: “dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht op leven en dood!”

“Zoo zij het!” sprak Balin, “al gevoel ik geen berouw over wat ik deed, toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!” Met gevelde lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde, de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan, zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde, stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven, tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen. [110]

Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu, zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee gelieven. Maar Balan troostte hem: “Wat gij deedt, deedt gij omdat ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht, naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw goeden naam bij koning Arthur herstellen.”

Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen, hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: “Helaas! wat hebt gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe, teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!” Toen Balin hem antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: “Desalniettemin zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw gedompeld worden.” “Helaas”, riep Balin uit, “indien uwe voorspelling waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik [111]gevallen ware in plaats van Launceor!” Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde dit naast het zijne aan zijnen gordel.

Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden, kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. “Waar voert uw weg heen, edele heeren?” zeide hij met bevende stem. “Wie zijt gij en waarom vraagt gij ons dit?” was het antwoord. “Wie ik ben, kan ik u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven, want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience van Wallis te zoeken en hem te dooden.” “Indien gij dat weet,” sprak Balin, “kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden.”

“Welnu dan,” sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, “luistert! Gij zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde, de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem dooden.” De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af.

Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud, dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden liet hij zijne metgezellen aan den ingang van [112]het woud achter en gaf dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen, sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus gekneveld herwaarts had gevoerd. “Sire”, antwoordde koning Rience, “ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden.”

“De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder”, herhaalde de koning, “die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders zijn geweest!” “Sire”, sprak toen Merlijn, “vergun mij, dat ik u hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben, om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven, want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero, den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!”

En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters, dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van ’t gevecht, op de gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken en steeds [113]bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: “Zoo ik u om een dienst mag verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij.”

“Sire, gij hebt slechts te bevelen”, antwoordde Balin, sprong in het zadel en reed in de richting van het bosch. Toen hij het woud nog slechts even was binnengedrongen vond hij den ridder, dien hij zocht, op den mosbodem neergeknield, het hoofd verborgen in den schoot eener jonkvrouw, in eene houding, [114]welke de diepste smart en wanhoop scheen uit te drukken. Hij bracht hem de boodschap van koning Arthur over, maar had de grootste moeite, om hem over te halen, zich naar het kamp des konings te begeven. Eindelijk, toen Balin hem plechtig beloofd had, met zijn leven borg te blijven voor zijne veiligheid, stond de treurende ridder op en volgde hem met langzame schreden in de richting van het kamp. Toen zij voor den koning waren gekomen en de laatste den vreemdeling vriendelijk gebood, te zeggen, wat hem deerde, wilde de ridder juist met spreken beginnen, toen plotseling eene lans, door eene onzichtbare hand gericht, hem het hart doorboorde en hem aan de voeten des konings ineen deed zinken. Vóór hij den laatsten adem uitblies, smeekte hij Balin om tot de jonkvrouw te gaan en haar in zijne plaats te begeleiden op den moeilijken en gevaarvollen tocht, waartoe zij eerst hem uitverkoren had. Tevens vroeg hij hem, zoo mogelijk zijn dood te wreken en noemde als zijn moordenaar Garlon, een boosaardig ridder, die de macht bezat, zich onzichtbaar te maken en zoodoende op sluwe en verraderlijke wijze menig edel hart den doodsteek had toegebracht. Balin beloofde den stervende gehoor te geven aan zijne bede en met een bezwaard gemoed steeg hij weer te paard en zocht de jonkvrouw op, om haar de treurige tijding van den dood van haren geliefde mede te deelen. Vóór zij te zamen verder reden, overhandigde hij haar de schacht van de speer, waarmede de moord op haren minnaar was gepleegd, en ried haar aan goed zorg te dragen, dat zij die steeds bij zich hield, om haar later misschien als bewijsmiddel, te kunnen gebruiken.

Na eenigen tijd ontmoetten zij een ridder te paard, die hun verwonderd vroeg, wat toch wel de reden mocht zijn, dat zij er zoo somber en mistroostig uitzagen. Na eenige aarzeling vertelde Balin hem het gebeurde, waarop de vreemdeling, die zeide Perin de Mountbeliard te heeten, verontwaardigd over zulk eene lafhartige handelwijze, zwoer, dat hij met hen zou gaan en hen niet zou verlaten, alvorens zij den listigen sluipmoordenaar [115]gevonden en hem de straf toegebracht hadden, welke hij zoo ruimschoots verdiende. Maar nauwelijks had hij dit gezegd, of opnieuw schoot eene lans, als door tooverkracht gedreven, uit de struiken te voorschijn en met een luiden kreet stortte Perin de Mountbeliard levenloos ter aarde.

Nadat zij den vreemden ridder een graf gedolven hadden en hem daarin hadden neergelegd op een bed van mos en bladeren, vervolgden Balin en zijne gezellin hunnen weg, maar zij waren blijde, toen zij in de verte de tinnen van een kasteel zagen oprijzen uit het geboomte. Het was nu volle dag geworden en de vermoeienissen van hunnen nachtelijken rit, gepaard aan de treffende gebeurtenissen, welke zich op hun tocht hadden afgespeeld, deden hen reikhalzend uitzien naar eene plaats waar zij eenige uren rust zouden kunnen nemen. Zij gaven dus hun paarden de sporen en reden weldra de poorten van het slot binnen. Wie beschrijft echter Balins ontsteltenis, toen hij, zijne gezellin enkele stappen vooruit gereden zijnde om haar bij het afstijgen behulpzaam te kunnen zijn, plotseling met een luiden slag de poort achter zich hoorde dichtvallen en met een blik door het kijkvenster bemerkte, hoe de jonkvrouw omringd werd door ruwe strijdknechten, die dreigden haar van het paard te trekken. Met één sprong was Balin op de borstwering, die om het vóórplein liep en stortte zich zonder aarzelen in de breede slotgracht, die hij met enkele krachtige slagen overzwom. Met het zwaard in de vuist liep hij op de mannen toe, die de jonkvrouw omringden en beval hun met luider stem haar met rust te laten. Een van hen wendde zich tot Balin en sprak: “Heer! het ligt niet in de bedoeling, uwe dame eenig letsel aan te doen, wees dus niet vertoornd op ons! Wij verzoeken haar slechts om de gewoonte te volgen, waaraan elke jonkvrouw, die dit slot binnentreedt, zich moet onderwerpen.” Toen Balin hem vroeg, welke die gewoonte was, kreeg hij ten antwoord: “Sinds vijf lange jaren is onze Vrouwe lijdende aan eene doodelijke krankheid, waarvan zij slechts genezing kan vinden door het bloed eener reine maagd. Daarom moet iedere [116]jonkvrouw, die hier binnenkomt, in een zilveren schotel eenige druppels van haar bloed storten. Maar helaas! tot op heden heeft het onze Vrouwe nog steeds niet gebaat.” “Als dat zoo is”, sprak Balin, “dan zal ook deze jonkvrouw bereid gevonden worden, om van haar bloed te offeren”, en spoedig daarna traden allen het slot binnen, waar Balin en zijne reisgenoote een gastvrij onthaal vonden. Helaas kon ook echter ditmaal het bloed der jonkvrouw de slotvrouwe geen genezing brengen, eerst veel later zou de zuster van Parcival, zij, die door hare onbevlekte reinheid den heiligen Graal mocht aanschouwen, er in slagen de krankheid van haar weg te nemen.

Toen zij geheel versterkt en uitgerust waren, verlieten Balin en zijne gezellin het slot om hunnen tocht te vervolgen. Overal, waar zij kwamen, hoorden zij verhalen over de wandaden en wreedheden van Garlon, tot eindelijk Balin nog slechts één wensch koesterde: om dien sluwen booswicht te dooden. Zoo kwamen zij ook op hun weg aan een kasteel, waar de zoon van den slotheer wegkwijnde aan de gevolgen eener verwonding, die hij in den strijd tegen een vreemden ridder ontvangen had, welke wonde slechts zou kunnen genezen door het bloed van zijn tegenstander. Daar hij echter niet wist, wie de onbekende ridder was, tegen wien hij gestreden had, scheen het, of hij aan zijne wonden zou moeten sterven en groote droefenis heerschte daarom in het kasteel zijns vaders. Toen Balin hoorde, dat de onbekende ridder de macht bezat om zich onzichtbaar te maken, begreep hij terstond, dat het niemand anders kon zijn dan zijn aartsvijand Garlon en plechtig zwoer hij zijn gastheer, dat hij alles zou doen, wat in zijn vermogen lag, om diens zoon het geneesmiddel te bezorgen, dat hij behoefde.

“Wanneer dit inderdaad uw voornemen is”, sprak de slotheer, “dan kan ik u eene gelegenheid verschaffen, om dezen Garlon, dien gij zegt te haten als geen ander op aarde, te ontmoeten. Weet dan, dat hij de broeder is van koning Pellam van Listeneise, een edel en godvruchtig man, die onder zijne voorvaderen den [117]vromen Jozef van Arimathea telt, van wien vermeld wordt, dat hij het bloed van Christus in eene schaal heeft opgevangen. Deze koning Pellam nu, heeft een groot tournooi uitgeschreven, waaraan alleen ridders, die in gezelschap van eene dame zijn, mogen deelnemen. Wanneer gij nu besluit om derwaarts te gaan, kunt gij er zeker van zijn, Garlon op het steekspel aan te treffen.”

Ornamentale planten.

Balins besluit om aan het tournooi van Koning Pellam deel te nemen en van zijn bezoek aan het slot van dien vorst. Balin behoefde geene verdere aansporing en den volgenden morgen maakten zij zich met hun gastheer, die hen zou vergezellen, reisvaardig. Na een rit van eenige uren kwamen zij bij het slot van koning Pellam. Het was een oud en verweerd gebouw, dat gelegen was in het midden van een dicht en bijkans ondoordringbaar woud. De muren waren begroeid met mos en slingerplanten, waarvan de lange ranken een dicht netwerk vormden voor de hooge boogvensters. Hier en daar dreigde een muur ineen te storten; tusschen de steenen op het voorplein schoot het onkruid welig omhoog en de kettingen van de ophaalbrug maakten een akelig knarsend geluid, toen deze neergelaten werd om Balin en zijne beide gezellen binnen te laten. Toegelaten in de groote slotzaal, vonden zij daar een talrijk gezelschap bijeen. Vele ridders met hunne jonkvrouwen, die van heinde en ver gekomen waren, om het steekspel bij te wonen, hadden zich aan de lange tafels geschaard en deden zich te goed aan de spijzen, welke door de knechten van koning Pellam in groote hoeveelheden werden binnengedragen. Ook Balin werd eene plaats aangewezen, waar hij zich met zijne dame kon neerzetten, maar alvorens plaats te nemen zwierf zijn blik langs de rijen der gasten tot hij bleef rusten op hem, dien hij zocht.

Aan het hoofd der lange tafel zat koning Pellam, eene grijze, eerbiedwaardige figuur, die met het hoofd in de hand peinzend [118]voor zich uit staarde. Aan zijne rechterhand zat Garlon met een boosaardigen lach op het gelaat, waarin de sluwe oogen onrustig flikkerden, terwijl zij van den een naar den ander zwierven, als wilde hij het gehalte peilen van hen, die morgen tegen hem in het strijdperk zouden treden. Zoo ontmoetten zij den blik van Balin, en toen deze de oogen niet neersloeg, riep Garlon hem toe met spottende stem: “Hei daar! gij ridder, die het laatst zijt binnengekomen, zie mij niet zoo aan, want dat past u niet! Eet liever van wat u hier gegeven wordt, want dat is het immers, waarom gij hier gekomen zijt!” Bij het hooren van deze woorden voelde Balin zulk eene hevige woede in zich opbruisen, dat hij alles om zich heen vergat. Met den kreet van: “Ik zal u toonen, waarom ik hier gekomen ben!” rende hij op Garlon toe en doodde hem met zijn zwaard. Daarop nam hij de speerschacht uit de handen der jonkvrouw en sloeg ermede op het lichaam van Garlon, terwijl hij uitriep: “Ziehier uwe straf voor den verraderlijken moord, dien gij op een edel en onschuldig ridder pleegdet!”

Groote ontsteltenis en verwarring ontstonden in de zaal, alle ridders grepen naar hunne wapenen en wilden Balin te lijf, maar deze sloeg zoo wild en onstuimig om zich heen, dat niemand het waagde hem te naderen. De oude koning Pellam evenwel, die diep geschokt was door het gebeurde, greep het zwaard van zijnen gestorven broeder en zwoer, dat hijzelve den smadelijken dood van Garlon wilde wreken. Hij liep op Balin toe en sloeg zóó hevig met zijn zwaard op dat van zijn tegenstander, dat het in tweeën brak. Toen Balin zag, dat zijn wapen onbruikbaar was geworden, rende hij de zaal uit, om een ander te zoeken, achtervolgd door den koning en zijne volgelingen. Eene wilde jacht volgde, langs trappen en portalen, door lange rijen van vertrekken tot Balin eindelijk in eene ruime zaal kwam, behangen met zware tapijten. In het midden stond een rijk versierd praalbed en daarnaast eene tafel, waarvan het blad, vervaardigd uit zuiver goud, rustte op zilveren pooten. Op de tafel lag eene lange speer van vreemd bewerkt metaal. Toen Balin het wapen zag, dat hem zoo [119]onverwachts geboden werd, greep hij de speer van de tafel en zich omwendend, sloeg hij er koning Pellam zóó hard mede op het hoofd, dat deze bewusteloos ineenzonk. Op hetzelfde oogenblik werd de lucht vervuld van een vreeselijk gekraak en stortte het geheele slot boven Balins hoofd ineen, hem en allen, die er in waren, onder zijne puinhoopen begravend.

Na drie dagen werd Balin uit zijn bewusteloozen toestand opgewekt door Merlijn, die hem op zijn dringend vragen naar de oorzaak en beteekenis der ramp, antwoordde, dat hij zelve er de aanleiding toe geweest was. De speer, waarmede hij Pellam den slag had toegebracht, was dezelfde, met welke Longinus de zijde van Christus doorboord had. Bovendien had in de zaal, waar Balin de speer had gevonden, de heilige Graal gestaan en op het praalbed rustte hij, die dezen wonderschotel, gevuld met het bloed van Christus, naar Engeland had overgebracht, de vrome Jozef van Arimathea. Door dezen noodlottigen slag hadden allen, die met Balin in het kasteel waren, ook zijne reisgenoote den dood gevonden en waren drie rijken in droefenis en rouw gedompeld. Toen Merlijn dit alles verklaard had, nam hij afscheid van Balin met woorden: “Vaarwel! in deze wereld zullen wij elkander niet meer zien!”

Balin steeg te paard en reed alleen verder. Overal, waar hij kwam, zag hij tooneelen van smart en verwoesting. De dorpen en steden op zijn weg waren verwoest en ingestort, de bewoners waren gedood en enkele overlevenden zaten luid weeklagend op de puinhoopen hunner woningen en overlaadden Balin als hij voorbijreed met de bitterste verwijten. Het leek hem alles een vreeselijke droom, waarin het bewustzijn van zijne schuld hem drukte als een zware last. Toen hij eindelijk de grenzen van Pellams rijk overschreden had, ademde hij ruimer en durfde hij voor het eerst na vele dagen het hoofd weer vrij omhoog te heffen. Toch kon hij de herinnering aan het gebeurde niet van zich af zetten en het was hem, alsof hij een willoos slachtoffer dreigde te worden in de handen van het noodlot, dat hem aanzette [120]tot vreeselijke daden, waarvan hij de beteekenis niet vermocht te doorgronden, dat hem voortjoeg, altijd voort, eene onbekende toekomst tegemoet, waarin hij overgeleverd zou worden aan duistere machten.

Kasteel.

Balin komt aan een kruispunt, waar een Grijsaard hem aanraadt terug te keeren. Na vele dagen kwam hij aan een viersprong, waar een glinsterend gouden kruis stond, met eenige letters erin gegrift. Toen Balin naderbij kwam, las hij de volgende woorden: “Laat hij, die alleen is, het niet wagen verder te gaan!”

Op hetzelfde oogenblik verscheen een oud man aan den rand van het pad, die Balin met aandrang verzocht, terug te keeren, daar er een groot gevaar was, dat hem bedreigde indien hij het waagde, verder te gaan. Terwijl hij sprak, klonken uit het [121]geboomte langs den weg drie hoornsignalen, zooals die geblazen worden om den dood van het opgejaagde wild aan te kondigen. En het scheen Balin toe, alsof hij zelve een stuk wild was, dat in den dood gedreven werd. Half schertsend, half weemoedig sprak hij: “Hoor! daar blaast men reeds ten teeken van mijn dood en toch leef ik nog en ben sterk en gezond. Waarom zou ik het gevaar ontvluchten, indien het zich op mijn weg plaatst? Mijn leven is in Gods hand, Zijn wil geschiede!” Met deze woorden reed hij verder tot hij bij eene kromming van den weg een gezelschap fraai gekleede jonkvrouwen en ridders te paard ontmoette, die hem in hun midden namen en hem meevoerden naar een trotsch kasteel, waar hij rijkelijk onthaald werd. ’s Avonds bleef men in vroolijke stemming bijeen, maar alvorens zich ter ruste te begeven sprak de slotvrouwe tot Balin: “Edele heer! morgen bij het aanbreken van den dag moet gij u gereed maken ten strijde. Niet ver van hier is een klein eiland, dat bewaakt wordt door één enkelen ridder. Tegen dien moet elke gast, die in mijn kasteel komt, den strijd aanbinden, alvorens ik hem kan toestaan zijnen weg te vervolgen.” “Voorwaar eene vreemde gewoonte”, antwoordde Balin, “om uwen gasten zulk een dwang op te leggen, maar het zij zoo!” En den volgenden morgen bij het krieken van den dag maakte hij zich tot het gevecht gereed. Toen hij geharnast en gespoord op het slotplein verscheen, waren alle inwoners van het kasteel daar verzameld, om hem uitgeleide te doen en één der aanwezige ridders zeide tot hem: “Heer ridder! Sta mij toe, u mijn schild te leenen. Het is grooter en sterker dan het uwe en zal u in den strijd goede diensten bewijzen.” Getroffen door dit vriendelijk aanbod, gespte Balin zijn schild los en nam met eenige woorden van dank dat van den vreemden ridder aan.

Spoedig daarna reed hij de slotpoort uit. De aanwijzingen zijner gastvrouw volgend, kwam hij aan een breed water met een eilandje in het midden. Hij sprong in eene boot, welke aan den oever lag vastgemeerd, en roeide zichzelven en zijn paard [122]naar den overkant. Daar ontmoette hij eene jonkvrouw, die tot hem zeide: “Helaas, edele ridder, waarom liet gij uw schild achter en naamt een vreemd met u mede? Dit maakt u onherkenbaar en zal daardoor de oorzaak zijn van uwen val.” Het was Balin, alsof hetzelfde angstige voorgevoel van den vorigen dag, zich opnieuw van hem meester maakte, maar hij sprak moedig: “Wat ik op mij genomen heb, zal ik volbrengen!” en reed het bosch binnen, waar het eiland mee begroeid was. In het midden daarvan kwam hij aan eene open plek, waar een ridder in roode wapenrusting op hem scheen te wachten. Het was niemand anders dan Balan, die zich daar bevond en die, toen hij Balin uit het bosch op zich zag toerijden, één oogenblik dacht, in hem zijnen broeder te herkennen. Een blik op het vreemde schild hield echter den uitroep van blijdschap terug, dien hij op de lippen had en met gevelde speren reden de beide ridders op elkander toe. Spoedig waren zij in een heet gevecht gewikkeld, waarin nu de één, dan weer de ander, de overhand scheen te krijgen.

Het zweet gutste den strijdenden van het voorhoofd, hun adem ging snel en onregelmatig, maar toch bleven zij op de been en de hitte van het gevecht spoorde hen aan tot steeds grooter krachtsinspanning. Zij hadden elkaar reeds menige diepe wond toegebracht, toen eindelijk Balan, afgemat van den strijd, zich terugtrok, om eenige rust te nemen, alvorens het gevecht opnieuw te beginnen.

Toen vroeg Balin hem, wie hij was en vanwaar hij kwam, want nog nooit had hij zulk een hardnekkigen tegenstand ondervonden als in dezen kamp. Balan sloeg het vizier van zijn helm op en sprak: “Mijn naam is Balan; ik ben een broeder van den grooten Balin, van wien gij wel hebt hooren spreken.” Toen nu Balin hoorde, dat hij gestreden had tegen zijn eigen broeder, die hem van alle menschen het dierbaarst op aarde was, wierp hij zijn zwaard van zich af, hief de handen ten hemel en stortte ter aarde. Balan, die geheel uitgeput was door het hevige bloedverlies, kroop op handen en voeten naar hem toe en beproefde [123]zijn helm los te gespen. Toen hij het geliefde gelaat daaronder zag, haast onherkenbaar door het bloed en de stof, die eraan kleefden, barstte hij in luid snikken uit. Te zamen beweenden zij het noodlot, dat hen aldus had samengevoerd; Balin verwenschte den ridder, die hem het vreemde schild had gegeven, waardoor hij voor zijn broeder onherkenbaar was geworden, en het toeval, dat hem in de nabijheid van het kasteel gevoerd had. Toen de slotvrouwe met haar gevolg op het eiland was gekomen, om den afloop van den strijd te zien, waren allen diep getroffen door het treurige schouwspel, dat hun daar geboden werd, en zelfs de hartelooze vrouwe kon hare tranen niet bedwingen. Balin smeekte haar, om hen beiden in één graf te leggen, zoodat zij in den dood vereenigd zouden zijn en verzocht haar om op dat graf hunne droeve geschiedenis te vermelden, zoodat een ieder, die het zag, voor hunne zielen zou bidden. Zij beloofde zulks te zullen doen en alle aanwezigen snikten luide, zóózeer waren zij van medelijden vervuld bij het zien van dit droevig tooneel. Balan stierf spoedig daarop, maar de oudere broeder bleef nog dien ganschen dag in leven. Terwijl hij daar zoo lag en het leven langzaam uit zich voelde wegvloeien, trokken de verschillende gebeurtenissen uit zijn kortstondig leven aan het oog zijner verbeelding voorbij. Zijne gedachten gingen terug naar zijne zonnige jeugd in het land zijner vaderen, naar zijn ouderlijk huis, waar hij zoo gelukkig en onbezorgd leefde. Hij herdacht de lange tochten langs de rotsige kust en door de dichte bosschen, welke hij met zijn vader en broeder gewoon was te doen. Daarna doorleefde hij opnieuw zijne jongelingsjaren, het genot van den eersten jachtrit, dien hij meemaakte, de trots in zijne toenemende kracht en behendigheid. Vervolgens verwijlden zijne gedachten bij den tijd, waarin hij droomde van macht en roem, en het plechtig oogenblik, waarop hij door zijn vader tot ridder geslagen werd. Toen had hij zichzelf gezworen, om steeds te strijden voor het goede en schoone, om de zwakken te helpen en de boozen te verslaan. Kort daarop was hij aan het hof van koning Arthur gekomen en [124]na dien tijd scheen zijn leven hem één strijd geweest te zijn tegen de onverbiddelijke macht van het Noodlot, hetwelk zich verbonden had met de kwade hartstochten in zijn binnenste en hem gedwongen had tot eene reeks van daden, die zijn ondergang ten gevolge hadden gehad. Nu was het met strijden gedaan en lag hij te sterven, maar zijne ziel kwam niet in opstand tegen dezen vroegtijdigen dood. Toen de zon onderging en de schemering langzaam over de aarde daalde, strekte Balin zich uit met een zucht en stierf met een glimlach op de lippen, als een kind dat slapen gaat. Den volgenden dag kwam Merlijn en vond de beide broeders slapend in elkanders armen en nadat zij begraven waren, schreef de oude toovenaar hunne namen met gouden letters op hun graf en ging toen peinzend heen om de droeve tijding aan koning Arthur te melden.

Ridderduel in bos.

[125]

[Inhoud]

INLEIDING TOT DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.

Ornamentale leeuw.

Over den oorsprong dezer legende, gelijk over dien van zoovele andere Arthur-verhalen, valt niets met zekerheid te zeggen. De eerste vorm, onder welken wij haar kennen, is een Fransch gedicht: “Yvain” uit de tweede helft der 12e eeuw (waarschijnlijk uit de jaren 1172–’73), geschreven door den beroemden dichter Chrétien de Troies. In tegenstelling met zijne andere gedichten, wordt in zijn “Yvain” geen “livre” of “conte” genoemd, waaraan hij verklaart de stof voor zijn werk te hebben ontleend; volgens Prof. Foerster, den bewerker der bekende uitgave van Chrétien’s werken, behoeven wij daar ook niet verder naar te zoeken. In de oogen van dezen geleerde is “Yvain” eene vrije schepping van den grooten hofdichter, die het verhaal opbouwde uit eenige bestaande legenden en overleveringen, die oorspronkelijk geheel los van elkander waren en waarop wij later terug hopen te komen.

De naam van Chrétien de Troies heeft voor hen, die de Arthur-sage in haar groei en ontwikkeling hebben gadegeslagen en haar op prijs stellen, een vertrouwden klank! Men moge lang twisten over de meerdere of mindere oorspronkelijkheid zijner gedichten, zijne beteekenis voor de letterkundige en vooral voor de artistieke ontwikkeling der oude Arthur-verhalen wordt er niet minder belangrijk om. Hij en niemand anders heeft er een toon van hoofsche beschaving in aangebracht en meer nog, hij [126]heeft de karakters, die er in beschreven worden, voor ons ontleed tot in de fijnste zielkundige schakeeringen, zoodat de beschrijvingen van het gevoelsleven zijner helden en heldinnen, van de aandoeningen, die hunne zielen doorkruisten, een belangrijk aandeel vragen van de belangstelling, die wij voor hunne levensgeschiedenis gevoelen.

Meer nog heeft de Fransche dichter ons gegeven: hij maakte van het hof van koning Arthur—en wie was deze anders dan de vorst van een overwonnen volksstam, die door de vreemde heerschers was teruggedrongen tot in de verste hoeken van zijn rijk—het schitterendste hof der Christenheid, waar de dapperste ridders vertoefden, waar een pracht en praal heerschten als aan geen ander. Als zoodanig zien wij het beschreven in de werken der velen, die na Chrétien dit onderwerp hebben behandeld; als zoodanig leeft het daarom in onze verbeelding, maar wij mogen niet vergeten, aan wien wij deze voorstelling te danken hebben.

Aan dit hof, rijk aan al het schoons, dat eene weelderige verbeelding en een romantische geest het konden schenken brengt Chrétien de ridders, wier namen hij met dien van Arthur verbonden heeft, en wier lotgevallen in belangrijkheid veelal uitsteken boven die van hun vorst. Arthur wordt het middelpunt, dat hen allen te zamen houdt. Zijn eigen persoon geraakt echter daardoor eenigszins op den achtergrond, daar onze belangstelling nu eens door dezen, dan weer door genen onder zijne ridders wordt opgeëischt.

Als laatste en belangrijkste bestanddeel, door Chrétien in de Arthur-romans aangebracht, noemen wij het begrip der liefde, of beter gezegd der hoofsche liefde, de “Amour courtois”, zooals die in de 12e eeuw in Frankrijk werd verheerlijkt. Om te begrijpen, hoezeer onze dichter doordrongen moet zijn geweest van wat deze kunst—want liefhebben werd in dien tijd tot eene kunst opgedreven—van hare discipelen eischte, behoeven we ons slechts te herinneren, dat hij geleefd heeft aan de hoven van Vlaanderen en Champagne, welke de brandpunten waren van [127]het letterkundig leven in die dagen en waar de beroemde “Cours d’amour” gehouden werden.

Geen wonder dus, dat Chrétien, als een rechtgeaard kind van zijn tijd, de hoofsche liefde in zijne werken verheerlijkte en haar maakte tot een kunstig weefsel van fijn uitgesponnen gewaarwordingen en aandoeningen, een teeder spel van wisselende stemmingen, waarbij de spelenden er behagen in schepten zich te wagen in een doolhof van grillen en gevoeligheden, waarin zij soms den weg dreigden kwijt te raken. Zij dienden de liefde door nachtelijke samenkomsten, door heimelijke blikken en listig verzonnen teekens, want meestal was het een verboden hartstocht, die hunne harten in vlam had gezet. Men ging in dien tijd zelfs zoover te beweren, dat de ware liefde onvereenigbaar was met den huwelijksband. Dat Chrétien deze inzichten niet geheel deelde, staat vast; hij verheerlijkt dan ook slechts in één enkel zijner bewaard gebleven gedichten: “Lancelot ou le Roman de la Charrette”1 de onwettige liefde en dit gedicht schreef hij op bevel van zijne meesteres, gravin Marie van Champagne.

Wat hem in het gezelschapsleven van zijn tijd het meest getroffen moet hebben is de strijd om de opperheerschappij tusschen liefde en eer in het leven van den ridder. Beide eischen van hem algeheele overgave; als een trouw volgeling van de wetten der hoofsche liefde, moet hij in een staat van voortdurende aanbidding verkeeren voor zijne “dame”, haar geheimste wenschen vervullen, nog vóór zij die uiting heeft gegeven en altijd op zijn post zijn om hare bevelen te gehoorzamen. Aan den anderen kant moet hij vóór alles zijne eer hoog houden en zich roem zien te verwerven door het verrichten van dappere daden. Hoe nu die beide verplichtingen met elkander te vereenigen? Ziedaar het vraagstuk, dat Chrétien zich stelde en waarvan hij ons in elk zijner gedichten eene verschillende keerzijde voor oogen houdt. In drie zijner werken: “Cligés”, “Lancelot” en “Yvain” (“Tristan”, een verloren gegaand jeugdwerk, [128]worde hier als zoodanig buiten beschouwing gelaten) heerscht de liefde boven alle andere aandoeningen in het hart des ridders, de wil der vrouw bepaalt als hoogste wet al zijn doen en denken.

In “Cligés” ontvangt de held eene even groote genegenheid van de zijde der vrouw; ook zij heeft lief met haar gansche hart en zinnen. In “Lancelot” is die overeenstemming in de gevoelens der beiden reeds verbroken, daar vinden wij voor ’t eerst het beeld der aangebedene, die de liefde beschouwt als een spel, waarin zij haar grillen kan botvieren; waarin zij alles eischt en niets geeft. In “Yvain” vinden wij ten slotte het verzet van den man tegen de dwingelandij der liefde, maar het is een verzet, dat vruchteloos blijkt te zijn en hem na eindeloos lijden weer aan de voeten der geliefde terugbrengt. In dit opzicht is “Yvain” te beschouwen als een tegenhanger van “Erec”2 het eerste Arthur-gedicht van Chrétien’s hand, dat voor ons bewaard is gebleven. In “Erec” wint de eer het van de liefde, hoewel deze laatste reeds macht genoeg bezit om den held tot een tijdelijk niets doen te bewegen. Voor deze verheerlijking der liefde ten koste zijner ridderplichten moet Erec echter even zwaar boeten als Yvain, wanneer hij zich aan de tegenovergestelde fout schuldig maakt. In “Erec” is de heldin de trouwe gade, die zelve erkent, dat de eischen der riddereer machtiger zijn dan hare eigen rechten, in “Yvain” wordt haar gevoel van eigenwaarde bevredigd, wanneer zij haren echtgenoot boetvaardig voor zich ziet nederknielen en beseft, dat hij voortaan vóór alles haar zal dienen. Dat het karakter der vrouw moet lijden onder eene alles gevende en niets eischende aanbidding van de zijde des echtgenoots voelde Chrétien, fijn besnaard dichter als hij was, natuurlijk heel goed, daarom treffen ons in “Yvain” sommige regels, waaruit eene zekere geringschatting van de heldin spreekt. Hier en daar is zijn toon bitter en niet zonder ironische bijbedoeling weidt hij uit over den grooten, alles beheerschenden hartstocht van den held voor eene vrouw, die hem in den grond onwaardig is. Hiertoe [129]had volgens hem de vrouwendienst geleid: het karakter der vrouw, die slechts hulde en aanbidding kreeg, was er armer, dat van den man, die slechts te geven had, was er rijker door geworden.

Welke waren nu de bronnen, waaruit de dichter geput heeft voor de samenstelling van zijn verhaal? Als eerste dient genoemd te worden de sage van de tooverbron, die in de plaatselijke legenden van verschillende landen veelvuldig voorkomt. Wij vinden haar het eerst genoemd in het Normandische gedicht: “Le Roman du Brut” van Wace, waar sprake is van de beroemde bron van Berenton, gelegen in het tooverwoud van Broceliande in Bretagne. Deze bron wordt de eigenschap toegekend, regen te veroorzaken, wanneer men een daarnaast gelegen steen met water bevochtigt. Met zekerheid kan gezegd worden, dat Chrétien zijn denkbeeld van eene tooverbron aan Wace heeft ontleend. Dat hij het verder met de geographie in zijn gedicht niet al te nauw neemt, blijkt uit het feit dat, hoewel het hof van koning Arthur in Engeland en de tooverbron in Bretagne is gelegen, er nergens sprake is van eene zeereis. Hiervan wordt geenerlei melding gemaakt bij de drie tochten van den held en evenmin bij die, welke Calogrenant en koning Arthur naar de bron ondernemen. Waarschijnlijk heeft Chrétien de sage van de wonderbron alleen willen benutten om zijn held en zijne heldin tot elkander te brengen. Immers, wanneer Iwein zijne jonge vrouw verlaat, om aan het hof terug te keeren, hooren wij niets meer over de bron en hare verdediging, tot Iwein haar opnieuw gebruikt om eene verzoening met Laudine tot stand te brengen.

De geschiedenis der heldin, haar huwelijk met den moordenaar van haren echtgenoot, ontleende de dichter aan eene algemeen verspreide overlevering, die van de gemakkelijk te troosten weduwe, welke haren oorsprong vindt in het bekende verhaal van de weduwe van Ephese. Hier dient opgemerkt, dat het karakter van Laudine in vele opzichten afwijkt van dat der oorspronkelijke heldin uit de geschiedenis. Ten slotte merken wij het bestaan eener derde sage op, die Chrétien zich bij de samenstelling van zijn gedicht [130]van nutte heeft gemaakt, n.l. die van den leeuw van Androcles. De trouw van den leeuw doet de wankelbaarheid der menschelijke gevoelens dubbel sterk uitkomen. Deze drie sagen zijn door den dichter op meesterlijke wijze tezamengebracht en dooreen gevlochten. Alle drie werden zij dienstbaar gemaakt aan het hoofddoel van zijn werk: het aantoonen van de almacht der liefde, die boven alle andere gevoelens in het hart der menschen troont. Ook andere motieven werden door Chrétien gebruikt, maar deze kunnen hier worden weggelaten, als hebbende geene betrekking op de hoofdlijn van het verhaal.

Hoe zeer “Yvain” de algemeene belangstelling trok, blijkt ten eerste uit het feit, dat wij van het gedicht niet minder dan acht volledige handschriften bezitten en vervolgens uit het groot aantal vertalingen en bewerkingen, die er van bestaan. Ook blijkt uit de omstandigheid, dat we in andere gedichten en ook in de latere prozaromans veelvuldige toespelingen aantreffen op de geschiedenis van den Leeuwenridder, hoe veel gelezen en hoe geliefd deze sage in dien tijd was.

Onder de vertalingen van “Yvain” dient als eerste genoemd te worden, die van den Duitschen dichter Hartmann von Aue, denzelfden, die ook reeds een ander gedicht van Chrétien: “Erec”3 bij zijne landgenooten had ingeleid. Zijn “Iwein” toont echter in het karakter der heldin een aanmerkelijk verschil in opvatting met het Fransche werk. Of de wijzigingen, die door den Duitschen dichter zijn aangebracht in den aard en het wezen van Laudine, steeds in overeenstemming zijn met het oorspronkelijk karakter van het gedicht, blijft de vraag. Eene figuur moet beschouwd worden in de omlijsting van haren tijd en al moge het verleidelijk zijn, om haar naar onze wenschen te vervormen en haar te tooien met eigenschappen, die ons sympathiek zijn, toch blijft dit een gevaarlijk werk.

Ongeveer honderd jaar jonger dan Hartmann’s “Iwein” is de Noorsche prozabewerking van “Yvain”, die op hare beurt de [131]bron werd voor een Zweedsch en Deensch gedicht. Het laatste werd onmiddellijk uit het Zweedsche gedicht vertaald.

Bovendien treffen wij de geschiedenis van den Leeuwenridder aan onder de verhalen van den “Mabinogion”4, eene verzameling Welsche verhalen, welke in 1849 door Lady Charlotte Guest in het Engelsch werden overgebracht. Drie dezer verhalen, waarvan het handschrift uit de 14e eeuw dagteekent, maar die waarschijnlijk van veel ouderen datum zijn, toonen in hun inhoud groote overeenkomst met drie gedichten van Chrétien de Troies, n.l. met “Erec”, “Yvain” en “Conte del Graal”.

Of inderdaad de drie Welsche verhalen navolgingen zijn van de Fransche gedichten, zooals Professor Foerster en met hem vele andere geleerden meenen te moeten veronderstellen—of dat in dit geval het Welsche prozaverhaal en het Fransche gedicht tot eene gemeenschappelijke bron terug te brengen zijn, zooals een aantal Fransche geleerden met Gaston Paris aan het hoofd, trachten te bewijzen, worde hier verder in het midden gelaten. Het verhaal, dat met onze sage overeenstemt is getiteld “The Lady of the Fountain” en verschilt in zooverre van het Fransche gedicht, dat de lotgevallen van den held er aanmerkelijk in bekort zijn; de verzoening tusschen hem en zijne jonge vrouw vindt reeds plaats, nadat hij Luned van den brandstapel heeft gered. Over de wijze, waarop deze verzoening tot stand komt, wordt daarbij met geen woord gerept.

Ten slotte dient genoemd de Middel-Engelsche bewerking van “Yvain”, getiteld “Ywain and Gawain”, welke in het begin der 14e eeuw in het Noorden van Engeland door een tot nu toe onbekend gebleven dichter geschreven werd. Wat het verhaal betreft, houdt het Middel-Engelsche gedicht zich nauwkeurig aan zijn oorspronkelijk, wij missen er echter geheel de fijne zielkundige beschouwingen, die het Fransche dichtwerk zoo bizonder aantrekkelijk maken. Daarentegen bezit het Engelsche gedicht een bekoorlijken eenvoud, die het gunstig doet afsteken bij de niet [132]te loochenen gekunsteldheid van het Fransche. Ook in het karakter der hoofdpersonen, voornamelijk in dat der heldin, bespeuren wij eene merkbare verandering, die ten doel schijnt te hebben om haar meer in overeenstemming te brengen met den nieuwen kring van lezers, waarin de Engelsche dichter haar binnenleidt. Geen dezer bewerkingen overtreft echter over het geheel genomen het werk van den Franschen meester. Terecht wordt “Yvain” beschouwd als staande op het hoogtepunt der hoofsche epiek. Het verhaal der lotgevallen van den held en bovenal de beschrijving van zijn bitter berouw en zijne boetedoening houden onze aandacht gespannen als weinig andere verhalen en de wijze, waarop de dichter ons de gevoelens en den gedachtengang zijner hoofdpersonen kenbaar maakt, doet ons hem beschouwen als een meester op het gebied van zielkundig waarnemen en begrijpen. [133]


1 Zie Inleiding tot de Sage van Lanceloet en Elaine.

2 Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.

3 Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.

4 Voor de verklaring van den naam “Mabinogion”, zie Algemeene Inleiding.

[Inhoud]

DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.

....“this es the knight with the liown,

that es halden of so grete renown.”

(“Ywain and Gawain”, Middel-Engelsch gedicht uit de 14e eeuw).

Ornamentale leeuw.

Ornament.

Hoe heer Colgrevance aan het hof verslag uitbrengt van wat hem op zijne reizen overkomen is. Eens gebeurde het, dat koning Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een groot feest in zijn slot te Cardiff. Uit alle streken des lands waren de hooge gasten met hun gevolg komen aanrijden, want de feesten aan het hof van koning Arthur waren wijd en zijd beroemd om hun gullen overvloed en ongedwongen, vroolijke stemming. Na het gastmaal, dat aangericht was in de groote slotzaal, verspreidden de aanwezigen zich in de aangrenzende vertrekken en in de tuinen om het paleis. De koning en koningin begaven zich intusschen naar hunne eigen vertrekken om enkele oogenblikken rust te nemen, alvorens zich opnieuw in het feestgewoel te mengen. Enkelen onder ’s konings vertrouwde ridders betrokken de wacht voor zijne vertrekken. Onder hen waren Segramore, bijgenaamd de Begeerige, Colgrevance, Key, de seneschalk en Iwein, de zoon van koning Uriens van Wallis. Om den tijd te korten, verzochten de ridders Heer Colgrevance, die eenige dagen tevoren na eene lange afwezigheid aan het hof was teruggekeerd, om hun de avonturen te vertellen, welke hem op zijn tocht overkomen waren. Na eenige overreding stemde [134]Colgrevance er in toe zulks te doen, maar juist toen hij met zijn verhaal beginnen wilde, ging de deur van het vertrek des konings geruischloos open en verscheen koningin Ginevra op den drempel. Colgrevance was de eenige der ridders, die haar bemerkte; terstond verhief hij zich uit zijne zittende houding en groette zijne vorstin eerbiedig. De anderen volgden dra zijn voorbeeld, maar Key, wiens booze, ijverzuchtige natuur het niet kon verkroppen, dat Colgrevance hem vóór was geweest in het verschuldigde eerbetoon, sprak spottend tot de koningin: “Edele Vrouwe! gij komt juist intijds om het verslag te hooren van de avonturen, die Colgrevance op zijne reis beleefd heeft. Wij kunnen er zeker van zijn, dat hij ons wondere verhalen zal doen van zijne heldendaden en wapenfeiten!”

Colgevrance beet zich op de lippen, om zijne ergernis over deze hoonende woorden niet te uiten, maar toen allen hem verwachtend aanzagen, wendde hij zich tot koningin Ginevra en zeide op kalmen toon: “Vergun mij, schoone Vorstinne, dat ik mijn verhaal uitstel tot een volgend keer, want ik vrees dat, hetgeen ik te vertellen heb, u weinig belang zal inboezemen. Het zijn geen heldendaden, die ik ga vermelden en Heer Key vergist zich, wanneer hij denkt, dat het verslag van wat mij is overkomen, strekken moet om mijn aanzien aan het hof te vergrooten!” De koningin, wier nieuwsgierigheid geprikkeld werd door deze toespelingen, gaf den spreker vriendelijk ten antwoord: “Wat ik u bidden mag, let niet op de woorden van Heer Key; wij allen weten immers, dat zijne woorden vaak boozer schijnen, dan zij werkelijk bedoeld zijn en wat uw verhaal betreft, zoo verzoek ik u, ons dat niet te onthouden. Indien uwe ontmoetingen tijdens uwe rondzwervingen u geen roem en glorie gebracht hebben, valt het dubbel in u te prijzen, wanneer gij ze ons niettemin mededeelt. Het strekt een ridder tot eer, wanneer hij openlijk erkennen durft, dat hij overwonnen is!” Met eene eerbiedige hoofdbuiging dankte Colgrevance zijne vorstin voor haar welwillende woorden en sprak toen als volgt: “Indien het uw wil is, Hooge Vrouwe, en ook de [135]uwe, mijne vrienden, zoo zal ik u naar waarheid vertellen, wat mij overkomen is. Gelijk gij allen weet, heb ik van mijne prilste jeugd af een drang in mij gevoeld, om vreemde landen en streken te bezoeken. Toen ik een man was geworden, voelde ik dien lust steeds sterker in mij oprijzen en weldra werden de grenzen van mijns vaders graafschap mij te eng en besloot ik de wijde wereld in te trekken op jacht naar avontuur. Zoo vroeg ik eenigen tijd geleden den koning verlof om een tocht te mogen ondernemen naar verre streken. Koning Arthur gaf mij genadiglijk zijne toestemming en op een schoonen najaarsmorgen verliet ik mijn vaderlijk kasteel, waar mijne moeder mij met betraande oogen omhelsde en mijn vader mij zijne beste zegewenschen op mijne reis medegaf.

Ik zou u vervelen, wanneer ik u al de avonturen moest melden, welke ik op mijne zwerftochten beleefde; ik wil u slechts dit zeggen, dat ik vreemde landstreken bezocht, waar de wetten en gebruiken geheel verschillen van de onze. Ik streed onder vreemde vorsten, indien het mij toescheen, dat zij het recht aan hunne zijde hadden, en wanneer het mij gelukte in den strijd eenigen roem te behalen, dan kende ik de verdienste daarvan toe aan mijn koning, die mij steeds op het pad der dapperheid was voorgegaan. Zoo verliep de winter en toen de lente kwam, maakte ik mij gereed om naar mijn land terug te keeren, want mijn hart begon te verlangen naar mijne vrienden en stamgenooten. Het was op mijne terugreis naar het hof, dat ik het avontuur beleefde, waarover ik u wilde vertellen. Ik had reeds verscheidene dagen gereden, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten, toen ik tegen den avond in eene smalle vallei kwam. Links en rechts van mij verhieven zich hooge heuvels, dwars door het dal stroomde eene rivier en langs den oever daarvan liep een smal pad met boomen beplant. Het scheen mij toe een veel bereden weg te zijn en daaruit afleidende, dat hij wellicht naar de eene of andere woning voerde, waar ik den nacht zou kunnen doorbrengen, besloot ik hem te volgen. En inderdaad [136]zag ik spoedig de muren van een kasteel door de boomen schemeren. Op de brug stond een ridder met een valk op de hand; hij beantwoordde mijn groet op vriendelijke wijze en was mij bij het afstijgen behulpzaam. Daarop noodigde hij mij uit, hem te volgen. Het slotplein lag geheel verlaten, nergens trof mijn oog een spoor van menschelijk leven, maar toen mijn gastheer driemaal op een schild had geslagen, dat naast de poort hing, verscheen als bij tooverslag een leger van knechten en volgelingen uit de deuren van het kasteel. Uit het bonte gewemel van mannelijke en vrouwelijke bedienden in hunne kleurige livreien, trad eene bevallige jonkvrouw op mij toe, nam mij bij de hand en leidde mij het slot binnen. Zij bracht mij naar een ruim en luchtig vertrek, waar ik gelegenheid vond mij te ontdoen van het stof en vuil, waarmede ik door den langen rit bedekt was. Eigenhandig bracht de jonkvrouw mij water om mij te wasschen in een sierlijk bewerkte kom, daarbij doeken van het fijnste linnen en ten slotte legde zij een volledig stel kleederen, uit de kostbaarste stoffen vervaardigd, voor mij neer. Toen ik geheel gereed was, kwam zij om mij te halen en geleidde mij naar de slotzaal, waar een rijk voorziene disch stond gespreid. De ridder, dien ik op de brug had gevonden en die de heer van het kasteel bleek te zijn, heette mij met eenige hoffelijke woorden welkom en noodigde mij uit plaats te nemen. Na afloop van den maaltijd verzocht hij mij om, indien het niet onbescheiden was zulks te vragen, hem mede te deelen, vanwaar ik kwam en wat het doel was van mijn tocht. Toen hij nu hoorde, dat ik op reis was gegaan uit zucht naar avontuur, staarde hij eenige oogenblikken peinzend voor zich uit en sprak eindelijk: “Heer ridder, indien gij belust zijt op vreemde avonturen, zoo zou ik er u een aan de hand kunnen doen, dat moeilijker te volbrengen is dan één dergene, die u tot nu toe op uwen weg zijn overkomen. Ik aarzel evenwel, om het u te zeggen, want gij zijt jong en wellicht onervaren en er is nog nooit een ridder geweest, die de onderneming, waarop ik doel, tot een goed einde heeft [137]gebracht.” Gij begrijpt, mijne vrienden, dat deze woorden voldoende waren om het vuur van mijn ondernemingsgeest, dat door het naderend weerzien van mijne vrienden en bloedverwanten een weinig verkoeld was, tot nieuwen gloed aan te wakkeren en ik smeekte mijn gastheer dringend, om zich nader te verklaren. Daarop zeide hij, dat het niet in zijne macht lag, om mij den juisten aard van het avontuur te omschrijven, maar, indien ik er meer van weten wilde, moest ik mij naar een naburig bosch begeven, waar ik verdere aanwijzingen omtrent datgene, wat er van mij geëischt werd, zou vinden.

Met deze eenigszins vage aanduidingen moest ik mij tevreden stellen en den volgenden morgen vroeg verliet ik het gastvrij slot en sloeg den weg in, dien mijn gastheer mij aanwees. Vóór mijn vertrek moest ik hem echter beloven dat, indien ik heelhuids van de gevaarlijke onderneming, die mij wachtte, terug zou komen, ik hem persoonlijk verslag zou komen uitbrengen van mijn wedervaren.

Het pad, dat ik was ingeslagen, voerde mij al spoedig naar een dicht woud en toen ik eenigen tijd tusschen het geboomte had voortgereden, scheen er licht door de stammen en kwam ik weldra op eene open plaats. Wie beschrijft mijne ontzetting, toen ik zag, dat alle wilde dieren van het woud: leeuwen, tijgers en nog vele andere diersoorten, zich in grooten getale op die plaats verzameld hadden. In hun midden, op eene kleine verhevenheid zat een man en één blik op hem vervulde mij met nog meer ontzetting dan het gezicht der wilde dieren. Zijne gestalte was reusachtig van omvang, zijne haren hingen tot op zijn gordel, waarin een zware knots stak. Zijne wenkbrauwen waren dicht en stekelig, zijne tanden geleken op die van een wolf. Zijn rug was gebogen, zoodat zijn hoofd bijna op zijn borst hing en met zijne boosaardige oogen keek hij mij uitdagend aan. Toen de wilde dieren mij bemerkten, begonnen zij vervaarlijk te brullen, maar op eene handbeweging van den reus, verstomde dit en met een klagelijk gehuil vielen alle dieren hem ten voet. De reus [138]verhief zich daarop moeizaam van zijn zetel en vroeg mij met donderende stem, wie ik was en waarheen ik ging. Ik vertelde hem toen, hoe men mij naar het woud had gezonden om nadere aanwijzingen te ontvangen omtrent een avontuur, dat in de nabijheid op mij wachtte. Tevens vroeg ik hem, wie hij was en waarom hij daar omringd zat door de dieren van het woud. Hij gaf mij ten antwoord, dat hij hun aller heer en meester was, dat zij hem moesten gehoorzamen en dienen en dat hij eene onbeperkte macht over hen bezat. Daarna gebood hij mij een zeker pad te volgen, dat mij op eene vlakte brengen zou. Op die vlakte zou ik eene bron vinden met een steen er naast. Wanneer ik een avontuur zocht, moest ik water uit die bron op den steen sprenkelen, de rest zou dan van zelf wel volgen. Hij waarschuwde mij echter, mij vooraf goed te bedenken, want nog nooit had hij een ridder levend van die plek zien wederkeeren. Ondanks zijne vermaningen sloeg ik zonder eenige aarzeling het aangeduide pad in en weldra stond ik aan den rand van eene onafzienbare vlakte.

Eenige schreden voor mij uit ontdekte ik de bron, waar de reus over gesproken had. Zij bevond zich onder een boom, welks dicht gebladerte een heerlijken schaduw bood aan den voorbijganger. Naast de bron lag een groote platte steen en aan een der laagste takken van den boom hing een gouden schotel aan een langen ketting. Het water in de bron was helder als kristal en borrelde met een zacht klaterend geluid omhoog. Vol gespannen verwachting schepte ik met behulp van den schotel eenig water uit de bron en sprenkelde toen met de hand enkele druppels op den steen. De uitwerking was vreeselijk. De zon werd met een dicht floers overtrokken, zware wolken pakten zich samen aan den hemel, en ontlastten zich weldra in een vreeselijk onweder. Aan alle kanten zag ik den bliksem flitsen en het doffe gerommel van den donder vervulde de lucht. Daarbij viel er een zware regen van hagelsteenen, zoo groot als duiveneieren, op mij neer. Met moeite wist ik mijn paard te bedwingen, [139]dat sloeg en steigerde van schrik. Toen ik het eenigszins tot kalmte had gebracht, legde ik mijn schild over zijn rug en poogde zooveel ik kon, er ons beiden mee te beschermen tegen de woedende elementen. Gelukkig duurde de bui niet lang; weldra brak de zon door de wolken, de hagelregen werd minder dicht en het onweer trok af. Toen ik echter opzag uit mijne bukkende houding, bemerkte ik, dat de boom, waaronder ik geschuild had, geheel ontbladerd was. Een oogenblik daarna streek een vlucht vogels op de kale takken neer en hun lieflijk gezang vervulde mij met nieuwen moed. Spoedig zou ik dien noodig hebben, want in de verte naderde een ridder te paard, wiens houding en gebaren mij deden vermoeden, dat er opnieuw gevaar voor mij dreigde. Toen hij naderbij was gekomen, daagde hij mij uit tot een tweegevecht, na mij ervan beschuldigd te hebben, dat door mijn toedoen zijne landerijen verwoest waren en zijn veestapel gedood was. De ridder droeg eene wapenrusting van zwart gepolijst staal, zijn strijdros was bedekt met een zwart kleed en van dezelfde kleur was ook de wuivende vederbos op zijn helm. Zonder een antwoord van mij af te wachten, reed hij met gevelden lans op mij in en bracht mij zulk een geweldigen stoot toe, dat ik uit het zadel werd geworpen. Alvorens ik tijd had, om mij op te richten, stak de vreemdeling de punt van zijn lans door de teugels van mijn paard en voerde het aldus met zich mee, zonder zelfs eene poging aan te wenden om mij gevangen te nemen of althans te ontwapenen. Er bleef mij niets anders over dan langs denzelfden weg terug te keeren, dien ik gekomen was, maar wie zal mijn gevoel van schaamte en vernedering beschrijven, toen ik opnieuw voorbij de open plaats in het bosch kwam, waar de reus verblijf hield en diens spottende woorden moest aanhooren! In vertwijfeling rende ik het boschpad af, tot ik mij plotseling de belofte herinnerde, die ik aan mijn vriendelijken gastheer gedaan had. Ik besloot na eenige aarzeling,—want ik zag er tegen op, om het verhaal van mijne smadelijke nederlaag aan anderen mede te deelen—opnieuw een beroep [140]te doen op zijne gastvrijheid, vóórdat ik mijne reis vervolgde. Het was reeds tegen den nacht, toen ik het kasteel bereikte, maar ik werd er ondanks het late uur met dezelfde welwillendheid ontvangen als bij mijn eerste bezoek. Allen betuigden mij hunne vreugde over het feit, dat ik gezond en wel tot hen was teruggekeerd en zij slaagden erin, het onteerende gevoel, dat mijne ontmoeting bij mij had achtergelaten, door hunne hartelijke ontvangst eenigermate te verzachten. Den volgenden morgen vond ik bij mijn vertrek een edel strijdros op het plein voor het kasteel, en mijn gastheer verzocht mij met eenige vriendelijke woorden, dit als een geschenk van hem te willen aannemen. Kort daarop bereikte ik Cardiff en daarmede is mijn verhaal ten einde. Gelijk gij ziet, strekt het mij niet tot eer!”

Ridder in harnas.

Hoe Iwein besluit om zijn vriend te wreken en hoe hij in stilte van het hof vertrekt. Nadat hij deze laatste woorden op half schertsenden, half bitteren toon gesproken had, zweeg Colgrevance stil. Alle aanwezigen hadden in gespannen aandacht naar hem geluisterd, vooral Iwein, wiens warme genegenheid voor den spreker, die bovendien een eigen neef van hem was, hem het verhaal van zijne avonturen dubbel belangwekkend deed voorkomen. Toen Colgrevance dan ook ophield met spreken, barstte Iwein los met den uitroep: “Gij deedt wel, waarde neef, met ons te vermelden, wat u overkomen is en ik zweer u bij onze vriendschap, dat ik den smaad, u aangedaan, zal wreken!” Nauwelijks had hij deze woorden gezegd, of opnieuw kwam Key tusschenbeide. “Hoort gij het allen goed?” riep hij uit. “Iwein zal zijn vriend wreken, maar zeggen en doen is twee, bedenk dat wel, edele heer!” Ten tweeden male mengde koningin Ginevra zich in het gesprek en sprak tot Key: “Gij moest u schamen, om zulke woorden te zeggen tegen een dapper ridder als Heer Iwein! Gij weet immers even goed als wij allen, dat het [141]niet in zijn aard ligt om groote woorden te spreken, zonder dat het hem ernst daarbij is!” en zich tot Iwein wendend, voegde zij er vriendelijk aan toe: “Wij allen hopen en vertrouwen, dat gij in de onderneming, die gij op u denkt te nemen, slagen zult. Onze beste wenschen zullen u op uw gevaarvollen tocht vergezellen!”

Intusschen was ook koning Arthur uit zijne vertrekken te voorschijn getreden en had zich bij de groep gevoegd en nu verzocht hij de koningin, hem omtrent het onderwerp van gesprek in te lichten. Toen hij het gebeurde vernomen had, verklaarde ook hij Heer Colgrevance te zullen wreken.

Bij de heilige nagedachtenis van mijn Vader, den grooten Uther Pendragon,” sprak hij plechtig, “zweer ik u, dat ik over twee weken, op den vooravond van het St. Jansfeest, uit zal trekken, om dien overmoedigen vreemdeling te toonen, dat hij niet ongestraft een ridder van Arthurs hof kan beleedigen. Allen, die mij op dien tocht willen vergezellen, geef ik gaarne daartoe mijne toestemming!” Iwein gevoelde bij die woorden wel eenige teleurstelling; het ware hem immers veel liever geweest, indien hij alleen had uit mogen gaan, om zijn neef en vriend in zijne eer te herstellen en nu zou het nog kunnen zijn, dat een ander die taak van hem overnam. Heimelijk besloot hij daarom, den koning vóór te zijn en toen des avonds het feest opnieuw in vollen gang was, wist hij onbemerkt weg te sluipen naar den stal, waar hij zijn schildknaap opdroeg, zijn paard te zadelen. In alle stilte maakte hij zich verder gereed voor de reis en nog vóór het feestgedruisch in de zalen van het paleis verstomd was, had hij door eene zijpoort het slot verlaten. Zonder veel moeite vond hij het rivierdal, waar het kasteel van den gastvrijen ridder zich bevond en van dat oogenblik af waren zijne ondervindingen dezelfde als die van Colgrevance. Ook hem werd de weg naar het bosch gewezen, waar hij den reus nog steeds vond tronen, temidden der wilde dieren. Zijne aanwijzingen volgend bereikte hij de bron, waar, toen hij den steen met water bevochtigde, de verschijnselen [142]zich herhaalden, waarvan zijn vriend hem verteld had. Een onweer verduisterde het uitspansel, de hagel kletterde neer op het land, de bliksem lichtte om hem heen, maar een oogenblik later werd de lucht ook weer blauw en zonnig en zongen de vogels hun jubellied in de kale takken van den boom. Kort daarop zag Iwein de gedaante van den zwarten ridder in de verte verschijnen en op zijne korte uitdaging volgde het tweegevecht. Na een verwoeden strijd, die eenige uren duurde, slaagde Iwein er in, zijn vijand in het hart te treffen. Doodelijk gewond wist deze met zijne laatste krachten zijn paard te doen keeren en alsof het trouwe dier begreep, wat er van hem verlangd werd, droeg het zijn meester in gestrekten draf huiswaarts. Iwein volgde hem op den voet en zoo bereikten beiden een statig slot, dat de woonplaats bleek te zijn van den zwarten ridder. De laatste, die zich nauwelijks meer in het zadel overeind kon houden, verdween juist door de valpoort, toen Iwein door de steenen buitenpoort de brug over de slotgracht opreed. Schielijks gaf hij zijn paard de sporen om zijn onbekenden tegenstander in te halen, toen plotseling met een luiden slag de beide poorten dicht vielen en hem als een rat in den val tusschen zich in sloten. Goede raad was duur, hij kon vóór, noch achteruit en daarbij begreep hij, dat de dienaren van den zwarten ridder, zoodra zij den toestand bemerkten, waarin hun meester zich bevond, het kasteel zouden verlaten om diens moordenaar te zoeken. Hij wist maar al te goed, wat dan zijn lot zou zijn en er bleef hem dus niets anders over, dan den naderenden dood kalm en onverschrokken af te wachten.

Hoe groot was zijne verbazing, toen hij opeens eene zachte stem hoorde, die van gene zijde der valpoort scheen te komen en die tot hem zeide: “Schoone ridder! nooit waart gij in grooter gevaar dan op den dag van heden. Weet wel, dat gij den heer van dit slot een stoot hebt toegebracht, die hem het leven kosten zal. Mijne meesteres weent en jammert, alsof haar hart zal breken en hare ridders en volgelingen zweren bij alle heiligen, dat zij zijnen dood zullen wreken. Wanneer zij u hier vinden, vrees ik [143]voor uw leven. Er is slechts één, die u helpen kan, en dat ben ik.” Iwein, die in verbazing naar deze woorden geluisterd had, ontwaarde door de tralies van de valpoort vóór hem, de gestalte van eene bevallige jonkvrouw in een lang slepend kleed. Zij opende een deurtje in de poort en trad op hem toe, daarop ging zij voort met spreken: “Ik zie wel, dat gij mij niet herkent en toch heb ik u vroeger aan het hof van koning Arthur ontmoet. Het gebeurde eenige jaren geleden, dat ik derwaarts werd gezonden om eene boodschap van mijne meesteres aan den koning over te brengen. Toenmaals was ik nog dwaas en onverstandig, zooals men dat in zijne jonge jaren pleegt te zijn en onder de hovelingen waren er velen, die misbruik maakten van mijne jeugd en onwetendheid. Gij echter, Heer Iwein, waart van al de ridders de eenige, die mij steeds hoffelijk en voorkomend bejegende en daarom wil ik u nu redden uit het gevaar, dat u dreigt. Gij ziet dezen ring? Welnu, hij heeft de macht u onzichtbaar te maken, evenals in den herfst de nevel met zijne dichte sluiers de boomen van het woud aan het menschelijk oog onttrekt. Wanneer gij dus de dienaren van het kasteel hoort naderen, steek dan fluks dien ring aan uw vinger en gij zijt veilig. Ik zal op het slotplein op u wachten. Wanneer uwe vervolgers vertrokken zijn, moet gij naar mij toekomen en uwe hand op mijn schouder leggen, want ook voor mij zult gij onzichtbaar zijn. Ik zal u dan verder helpen, zooveel in mijn vermogen is.”

Ten zeerste getroffen door dit vriendelijk hulpbetoon, nam Iwein den ring van de jonkvrouw aan, die daarop verdween zooals zij gekomen was. Spoedig daarop hoorde onze held verwarde kreten uit het slot tot zich doordringen, die naderbij schenen te komen en het duurde niet lang of de valpoort werd op ruwe wijze geopend om een leger van ridders en lansknechten door te laten. Iwein had zich echter op hunne komst voorbereid en den ring van Luned, zooals de jonkvrouw zeide te heeten, aan den vinger gestoken. Bij gevolg stormden zijne vijanden hem in woeste vaart voorbij, zonder hem te bemerken en waren [144]weldra door de hoofdpoort verdwenen. Toen trad Iwein het slotplein op, waar hij Luned op zich vond wachten.

Ornamentale slang.

Hoe Iwein getuige is van de plechtige begrafenis van den slotheer en hoe hij in liefde ontbrandt voor diens schoone Weduwe. Luned gebood hem haar te volgen en bracht hem door een doolhof van gangen naar een achthoekig torenvertrek, dat uitzag op het plein vóór het kasteel. In een der hoeken stond een bed, welks dekkleed, vervaardigd van zijden damast, afhing tot op den grond, en waarop eenige met goud bestikte kussens lagen. Luned noodigde haren gast uit zich ter ruste te leggen en daar Iwein uitgeput was door den strijd en den langen rit, gaf hij gaarne gevolg aan haar verzoek. Toen hij eenigen tijd gesluimerd had, werd hij opgeschrikt door een luid gezang en zich tot Luned wendend, die in een hoek van het vertrek bezig was een maaltijd voor haren gast te bereiden, vroeg hij: “Wat beduidt het luide gezang, dat ik hoor?” Luned antwoordde: “Het zijn de liederen der geestelijken, die mijnen heer het laatste oliesel toedienen.” Iwein sliep opnieuw in, maar na korten tijd wekten de geluiden, die uit het kasteel oprezen, hem ten tweeden male uit zijne droomen. Weer zeide hij tot Luned: “Wat beduidt al dat gejammer en geklaag?” en Luned antwoordde: “Het zijn de treurzangen en het geween der slotbewoners om mijnen heer, die gestorven is.” Toen Iwein de spijzen had genuttigd, die Luned voor hem bereid had, begaf hij zich opnieuw ter ruste en ontwaakte eerst vroeg in den morgen uit een diepen, verkwikkenden slaap, Toen hij luisterend het hoofd ophief, troffen opnieuw klanken zijn oor en hij sprak tot Luned, die nog steeds de wacht bij het venster hield: “Wat beduidt het rumoer op het slotplein?” “Heer”, sprak zij, “het zijn de klaagzangen bij het lijk van mijnen heer, dat naar de kerk gedragen wordt.” [145]

Iwein sprong op van zijne legerstede en ging aan het venster staan, om te zien, wat daar beneden geschiedde. Toen hij zich voorover boog, om beter te kunnen zien, trof zijn oog een schouwspel dat hem diep ontroerde.

In groote plechtigheid werd het lijk van den slotheer naar de kapel gedragen. Aan beide zijden van den af te leggen weg stonden zijne getrouwen geschaard, die in eerbiedig gebogen houding en met ontbloot hoofd den treurigen stoet aan zich lieten voorbijgaan. Voorop ging met langzamen tred de huiskapelaan in zijn slepend overkleed, die in de opgeheven handen een gouden kruis droeg, dat schitterde in de morgenzon. Achter hem liepen eenige andere geestelijken, die hem bij den lijkdienst behulpzaam zouden zijn, en daarna volgde het lijk op een baar, gedragen door de vier oudste volgelingen van den dooden ridder, lieden, die in den dienst van zijn huis vergrijsd waren. Het lichaam rustte op een schild en werd voorafgegaan door twee koorknapen, die zilveren wierookvaten in de hand droegen, waaruit blauwe wolken opstegen en de lucht met hunnen zoeten geur vervulden. Achter de lijkdragers gingen twee ridders, waarvan de één de lans en de ander den helm van hunnen meester droeg. Daarachter liep met wankele schreden en aan weerszijden ondersteund door eene dienares, eene wonderschoone vrouw, de weduwe van den overledene en één enkele blik op haar gelaat deed in het hart van Iwein een gevoel ontwaken, dat hij nog nooit gekend had. Als geboeid volgden zijne oogen de gebogen gestalte, die een toonbeeld was van diepe, troostelooze smart. Haar prachtige gouden haren vielen los en wanordelijk om haar heen, haar schoone oogen waren rood en gezwollen door het weenen, haar blanke handen had zij tot bloedens toe gewrongen. Toch voelde Iwein bij het zien van die door smart verteerde gedaante, wat hij tot dusver voor geen enkele vrouw, hoe schoon zij ook wezen mocht, gevoeld had en zijn hart kende maar één wensch meer: die vrouw de zijne te mogen noemen. Zich tot zijne gezellin keerend, vroeg hij met bevende stem: “Zeg mij, Luned, [146]wie is die schoone vrouw, die ginds achter het lijk van uwen meester gaat?”

“Helaas! arme vrouw!” sprak Luned, “dat is mijne meesteres, die half waanzinnig van smart is over den dood van haren geliefden echtgenoot. Zij is niet alleen de schoonste, maar ook de edelste en verstandigste vrouwe ter wereld en God zende haar troost in haar smartelijk verlies!”

“De hemel gave, dat ik nooit geboren was, om deze smartelijke tijding van u te vernemen”, sprak Iwein, “want deze vrouw is het, die ik boven alles bemin!” “Indien dit werkelijk zoo is”, antwoordde Luned, “dan zal ik uw voorspraak zijn bij mijne meesteres. Blijf gij hier en wacht, tot ik terugkom”.

Hierop verliet zij het vertrek en een oogenblik later zag Iwein, die in droef gepeins verzonken aan het venster bleef staan, haar de binnenplaats oversteken en door een der deuren van het hoofdgebouw verdwijnen. In de vertrekken van hare meesteres gekomen, bleef Luned wachten tot deze uit de kapel was teruggekeerd. Toen verzocht zij om een onderhoud met haar, wat haar gereedelijk werd toegestaan, daar zij tot de meest vertrouwde dienaressen van Laudine, dit was de naam der slotvrouwe, behoorde. Luned vond hare meesteres uitgestrekt op eene rustbank, het hoofd in de armen verborgen, ten prooi aan de diepste wanhoop.

“Waarom weent gij zoo, Vrouwe?” vroeg Luned op zachten toon. Driftig hief Laudine het hoofd omhoog en zeide, met door tranen verstikte stem: “Hoe kunt gij mij zoo iets vragen? Weet gij dan niet, dat gij hier de rampzaligste vrouw ter wereld voor u ziet? Zijt gij dan doof en blind geworden, dat gij niet gehoord en gezien hebt, hoe mijn echtgenoot, de dapperste en edelste ridder, die op Gods wijde wereld te vinden was, door een sluwen moordenaar gedood is? En vraagt gij mij dan nog, waarom ik ween? Ik had andere taal uit uw mond verwacht en reeds bevreemdde het mij, dat gij niet eerder tot mij waart gekomen, om mij uwe deelneming te betuigen in mijn onherstelbaar verlies!” “Onherstelbaar?” hervatte Luned op den zelfden zachten toon. [147]“God geve, dat dit niet zoo zij, want wie zal in de toekomst uwe landen en eigendommen verdedigen, wanneer gij blijft treuren over iets, dat nu eenmaal gebeurd is? Mijn meester was een edel man en moedig in den strijd, maar de wereld kent nog dapperder en sterker ridders dan hij!” “Ik gebied u te zwijgen!” riep Laudine haar met fonkelende oogen toe. “Nooit zag ik in mijn leven een ridder, die uwen heer in moed en behendigheid overtrof en het past u allerminst om hem aldus te belasteren, nu hij niet meer in ons midden is!” “En de ridder dan, die hem versloeg?” hervatte Luned, “gij zult toch niet willen ontkennen dat hij sterker moet geweest zijn dan uw echtgenoot! Wat baat het u, om te treuren over den doode? Wanneer straks koning Arthur met zijne ridders aan de bron komt en hij niemand vindt om hem te weerstaan, zal hij uwe bezittingen verbeurd verklaren, omdat gij niet in staat zijt, ze te verdedigen. Daarom moet gij zoo schielijk mogelijk uitzien naar een ridder, die de plaats van uw gestorven echtgenoot in zal nemen”. “Ga weg uit mijne nabijheid, hartelooze vrouw!” riep Laudine “en kom mij nooit meer onder de oogen! Liever verloor ik al mijne have en goed, dan dat ik zulk eene trouwbreuk pleegde aan de herinnering van hem, die mij boven alles dierbaar was!” “Het zij zoo”, antwoordde Luned, “wat ik zeide, was voor uw eigen bestwil, maar gelijk meestal het geval is: onbaatzuchtige raad vindt zelden een goed gehoor”. Met deze woorden verwijderde zij zich langzaam in de richting der deur, maar alvorens zij deze bereikte, riep Laudine, die zich de vele diensten herinnerde, welke Luned haar reeds bewezen had, haar terug en zeide: “Ga niet zoo heen! Ik weet het, uwe bedoeling is goed, maar gij moet toch inzien, dat het onmogelijk voor mij is, uwen raad op te volgen? Waar zou ik een ridder vinden, die mij en de mijnen zou willen beschermen en verdedigen?” “Laat dat maar aan mij over”, riep Luned op verheugden toon uit, “ik zelve zal naar het hof van koning Arthur rijden en den edelsten en machtigsten ridder aldaar zal ik verzoeken, om u te helpen. Vertrouw op mij; ik zal niet zonder [148]hem terugkeeren!” Half ongeloovig zag hare meesteres haar aan. “En indien gij eens te laat mocht komen”, sprak zij, “wat moet ik dan beginnen, die hier alleen en zonder bescherming achterblijf?” “Dat zal niet gebeuren”, stelde Luned haar gerust. “Binnen drie dagen kan ik van mijne reis teruggekeerd zijn en vóór dien tijd kan het leger van koning Arthur onmogelijk de bron bereikt hebben. Wees gerust, alles zal in orde komen!” Dienzelfden avond maakte Luned zich met veel vertoon van haast voor haren tocht gereed; in werkelijkheid echter hield zij zich drie dagen achtereen verscholen in hare torenkamer en op den avond van den derden dag begaf zij zich opnieuw, ditmaal echter in gezelschap van Iwein, naar de vertrekken harer meesteres. Zij verzocht hem in de gang op haar te wachten en trad alleen de kamer van Laudine binnen. Deze liep haar in angstige spanning tegemoet, greep haar bij den arm en sprak: “Welnu, wat brengt gij voor nieuws?” “Goed nieuws breng ik u, edele vrouwe!” antwoordde Luned, “want den dappersten held aan Arthurs hof heb ik bereid gevonden om u bij te staan en voor uwe belangen te strijden!” “Wie is dat dan? zeg het mij, vlug! opdat ik uit de vreeselijke spanning dezer laatste drie dagen bevrijd worde!” “Het is Iwein, edele vrouwe! de zoon van koning Uriens van Wallis, een der hoogst aangezetenen van Arthurs ridderschap!” “Wanneer komt hij?” “Vrouwe, hij is reeds hier en wacht met ongeduld het oogenblik af, waarop gij hem wilt ontvangen!” “Laat hem binnenkomen!” Daarop ging Luned naar de deur, opende die en verzocht Iwein om binnen te treden. Aarzelend en met neergeslagen oogen trad deze de kamer binnen, waar hij voor ’t eerst zijne geliefde zou ontmoeten. Een zekere schroom belette hem, de oogen naar haar op te slaan; hij kon het denkbeeld niet van zich afzetten, dat hij, zij het ook in een eerlijken strijd, haar echtgenoot gedood had en de gestalte van den zwarten ridder scheen zich tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad, te plaatsen. Daarbij hinderde het hem, dat Laudine van dit alles niets afwist en hij zoodoende onder een valschen schijn zijn doel zou bereiken. [149]

Laudine daarentegen vestigde hare oogen in gretige afwachting op den naderenden ridder en toen zij Iwein zag, werd zij onwillekeurig getroffen door zijn schoon en krachtig voorkomen. Hij was gekleed in een engsluitend karmozijnrood buis, om het midden droeg hij een breeden gordel, bezet met edelgesteenten en van zijne schouders golfde een wijde mantel van goudkleurig brocaat. De baret met de lange, wuivende veer hield hij in de rechterhand, de linker rustte op het gevest van zijn zwaard.

Toen hij voor den zetel van Laudine was genaderd, boog de ridder zich diep ter aarde en waagde het daarna eindelijk, de oogen tot haar op te slaan. Nog steeds echter sprak hij geen woord, totdat Luned, die door zijn zwijgen ongeduldig werd en voor het welslagen van haar plan begon te vreezen, hem toeriep: “Maar spreek dan toch, Heer! nooit tevoren zag ik een ridder, die in de tegenwoordigheid eener schoone vrouwe zoo goed het stilzwijgen kon bewaren! Zeg haar het geheim van uw hart en laat haar beslissen over uw lot!”

Daarop begon Iwein te spreken. Hij viel op de knieën voor Laudine neer en zeide met zachte, doch vaste stem: “Schoone Vrouwe, uw dienares heeft gelijk met zich te verbazen over mijn stilzwijgen, maar mijn hart is zóó vol, van alles wat ik u te zeggen heb, dat ik niet recht weet, waarmede te beginnen. Laat mij dan vóór alle dingen aan u bekennen, dat ik het ben geweest, die uw echtgenoot den doodsteek toebracht!” Bij het hooren van deze woorden deinsde Laudine achteruit, alsof zij door een vergiftig dier gestoken werd, maar uit den blik, dien Iwein naar haar opsloeg sprak zooveel eerbiedige bewondering en eerlijk zelfvertrouwen, dat zij besloot haar oordeel op te schorten, tot zij meer omtrent zijne geschiedenis wist en met eene enkele handbeweging beduidde zij hem, om verder te gaan.

“Oordeel niet te hard over mij, wat ik u bidden mag”, vervolgde Iwein, “ik streed met hem in een eerlijk tweegevecht, [150]waartoe hij mij uitdaagde en ware de strijdkans hem gunstig geweest, dan zou hij misschien een volgend maal gevallen zijn. Daarom, smeek ik u, wees niet vertoornd op mij, maar aanvaard mijne diensten, die ik u aanbied!”

“Zoudt gij dan werkelijk bereid zijn, om voor mij te strijden en mijne eigendommen te verdedigen tegen de aanvallen, die er tegen ondernomen zullen worden?” vroeg Laudine. “Waarom zoudt gij zulks doen? Het is eene zware taak, die gij op uwe schouders neemt, bedenk dat wel, en niemand dwingt er u toe!” “Daarin vergist gij u”, gaf Iwein ten antwoord, “er is eene macht op aarde, sterker dan het gezag van koningen en keizers. Zij regeert over armen en rijken, over den vorst evengoed als over den bedelaar en haar gezag is onverbiddelijk als de dood. Deze macht is de liefde en zij is het, die mij aanspoort om u te dienen, want één ding moet ik u zeggen, al zou het mij mijn leven kosten: ik bemin u met geheel mijne ziel en mijn hoogste wensch op aarde is: u de mijne te mogen noemen!”

Laudine had met stijgende ontroering naar zijne woorden geluisterd en toen hij ophield met spreken en nog steeds geknield voor haar bleef liggen, stak zij hem beide handen toe en zeide blozend: “Het zou ondankbaar van mij zijn, indien ik uw vriendelijk aanbod beantwoordde met u te laten dooden en bovendien onverstandig ook, want waar zou ik een anderen ridder vinden, die mij op zulk eene onbaatzuchtige wijze wilde helpen? Neen, blijf liever voor mij leven en indien het u gelukkig maakt, kan ons huwelijk binnen korten tijd voltrokken worden.”

Dienzelfden avond riep Laudine hare edelen en volgelingen bijeen, om hunne goedkeuring over haar besluit te vernemen. Toen zij hoorden, dat Iwein, een prins van den bloede en een dapper ridder, om de hand van hunne meesteres was komen dingen en de gelofte had afgelegd, dat hij de bron zou verdedigen tegen alle aanvallen, gaven zij volgaarne hunne toestemming tot het huwelijk.

Dit werd dienzelfden avond nog voltrokken en in de zalen, die [151]eenige dagen tevoren getuigen waren geweest van den rouw en de droefenis om den gestorven meester, heerschten nu vreugde en feestgejoel om de komst van den nieuwen heer. De bruiloftsfeesten werden in alle pracht en praal gevierd en duurden verscheidene weken. Het was eene bonte aaneenschakeling van feestgelagen, ridderspelen en vroolijke samenkomsten in de zalen en parken van het prachtige kasteel en elke dag bracht nieuwe gelegenheid voor Iwein om zich bij zijne nieuwe vrienden gezien en bemind te maken. Plotseling evenwel kwam de tijding, dat het leger van koning Arthur bij de bron was aangekomen, en onmiddellijk nadat hij het bericht ontvangen had, maakte Iwein zich op ten strijde.

Zijne afwezigheid had inmiddels aan het hof groote verbazing en ontsteltenis gewekt. Wel dachten velen, dat hij, zooals inderdaad het geval bleek te zijn, vooruit was gegaan om zich de wraakneming voor zijn vriend niet te laten ontnemen, maar toen zij bij aankomst aan de bron geen spoor van hem ontdekten, begonnen zij aan de juistheid dier veronderstelling te twijfelen. “Ziet gij nu wel”, sprak Key triomfantelijk, “dat ik gelijk had, toen ik zeide, dat zeggen en doen twee zijn! Waarschijnlijk is Iwein in ’t geheel niet op deze plek geweest en was het slechts grootspraak van hem, toen hij zwoer, zijn neef te zullen wreken!” Maar Walewein voegde hem verontwaardigd toe: “Schaamt gij u niet, booze lasteraar, om zulke dingen te zeggen! De toekomst zal ons nog leeren, wat er van Iwein geworden is, maar dat zijne woorden slechts holle snoeverij bevatten, kan ik niet gelooven.” Intusschen was koning Arthur afgestegen en schepte met behulp van den schotel een weinig water uit de bron, waarmede hij den steen bevochtigde. Onmiddellijk daarop barstte het onweer los en toen de lucht weer klaar en onbewolkt was geworden, zagen de verbaasde ridders eene zwarte figuur te paard naderen. Niemand herkende daarin Iwein en Key smeekte den koning om hem ’t eerst tegen den vreemdeling te laten strijden, wat hem werd toegestaan. Toen Iwein zag, wie zijn tegenstander [152]zou zijn, zette hij zich met een gevoel van voldoening vaster in het zadel, drukte zijne sporen dieper in de flanken van zijn strijdros en reed met gevelde lans op Key toe. Deze laatste moest weldra in den strijd het onderspit delven en het duurde niet lang of Iwein wist hem met een krachtigen lansstoot uit het zadel te lichten. Daarop nam hij Key’s paard bij de teugels, geleidde het naar den koning en overhandigde hem de leidsels met de woorden: “Sire, neem gij dit paard, dat ik in den strijd veroverd heb en behoud het als eene herinnering aan hem, die geen anderen wensch koestert dan uw dienaar en trouwe onderdaan te mogen zijn.”

“Ik wil uwe gift gaarne aannemen,” sprak de vorst, “doch slechts op ééne voorwaarde: dat gij mij zegt, wie gij zijt.”

Als eenig antwoord sloeg Iwein het vizier van zijn helm omhoog en met een kreet van vreugde herkenden de ridders hunnen vriend. Vooral Walewein toonde groote blijdschap over deze ontmoeting en bracht op zegevierenden toon Key de voorbarigheid van zijne voorspellingen onder het oog, zich verheugend over de schitterende wijze, waarop Iwein deze gelogenstraft had. De laatste vertelde inmiddels aan den koning en een breede kring van aandachtige toehoorders het verhaal van zijne avonturen en eindigde met zijn vorst te verzoeken hem met zijne ridders te volgen naar zijn kasteel en aldaar zijn gast te zijn. Volgaarne namen alle aanwezigen deze uitnoodiging aan en weldra reed een schitterende stoet de ophaalbrug van het slot over. Op het voorplein wachtte Laudine, omgeven door hare dienaressen, de hooge gasten op, van wier komst zij door een boodschapper verwittigd was. Toen zij den gouden draak op den helm des konings herkende, liep zij op hem toe en bukte zich eerbiedig, om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn, maar de vorst wees met hoffelijk gebaar haar hulp van de hand, steeg af en kuste haar op beide wangen. Groot was de vreugde van Laudine, toen zij haren echtgenoot ongedeerd terugzag en met luide welkomstkreten werd onze held door zijne ridders en onderhoorigen begroet. [153]

Ornamentaal monster.

Hoe Iwein met zijne vroegere vrienden aan het hof terugkeert en hoe hij langzamerhand zijne jonge vrouw vergeet. Nu brak er een tijd van blijdschap en jolijt aan. Ter eere van koning Arthur werden op het kasteel schitterende feesten gegeven, waartoe de gansche ridderschap uit den omtrek met hunne dames uitgenoodigd werden. Elken avond weergalmden de zalen van het luide gejoel der feestende gasten, de tafels schenen gebukt te gaan onder den last van kostelijke spijzen, de wijn vloeide bij stroomen en eerst laat in den nacht werden de lichten in het slot gedoofd. Toen dit leven van pret maken eenige weken geduurd had, begon de koning van heengaan te spreken, daar ernstiger plichten aan het hof hem wachtten. Ondanks de gastvrije uitnoodiging van Iwein om nog eenigen tijd onder zijn dak te vertoeven, werd de dag van vertrek spoedig bepaald. Er heerschte eene koortsachtige drukte in het kasteel om alles voor de reis gereed te maken, in de stallen draafden de stalknechts heen en weer tusschen de stampende rossen, op het voorplein waren de smeden bezig de wapenen der vertrekkende ridders na te zien, in de keukens stonden de koks met hoogrood gelaat voor de groote ovens om voor den mondvoorraad te zorgen, die den reizigers zou worden meegegeven.

Temidden van al die drukte kwam Walewein bij zijn gastheer en vroeg hem om zich op den dag van vertrek bij het gevolg des konings te voegen en zijne vrienden naar het hof te vergezellen, waar hem nieuwe roem en hulde wachtten. “Laat het niet van u gezegd kunnen worden”, sprak hij dringend tot zijn vriend, “dat gij na uw huwelijk uwen tijd slechts doorbrengt in dienst uwer schoone vrouw. Hij, die terwille eener jonkvrouw zijn roem en eer vergeet, is hare liefde niet waard en zij zelve zou er u ten slotte een verwijt van maken. Ga daarom met ons mee en tracht nieuwe lauweren te verwerven in den dienst van uw vorst!” [154]

Iwein had aandachtig naar de woorden van zijn vriend geluisterd en besloot zijn raad op te volgen, hoe veel het hem ook kostte om zijne vrouw reeds nu te verlaten. Daarom begaf hij zich naar Laudine en vroeg haar verlof om voor eenigen tijd heen te gaan. Aanvankelijk wilde zij niets van zijn plan weten, maar toen hij haar in zijne armen nam en haar onder de innigste liefdesbetuigingen smeekte, zijn verzoek in te willigen, daar het hun beider eer betrof, stemde zij er ten slotte in toe, hem voor een jaar aan den koning af te staan. Zij bezwoer hem echter om, wanneer die termijn verstreken zou zijn, tot haar weder te keeren. “Wanneer gij uwe belofte niet gestand doet”, sprak zij ernstig, “is uwe liefde slechts spel en hartstocht geweest! Gij behoeft dan nimmer hier terug te keeren, want mijn geloof en vertrouwen hebt gij dan voor altijd verloren.”

Iwein zwoer haar bij alles wat hem dierbaar was, dat hij woord zou houden en spoedig daarna verliet hij het kasteel in het gevolg van den koning.

In de eerste maanden van zijne afwezigheid werd hij dikwijls gekweld door het verlangen naar zijne jonge vrouw, maar gaandeweg drongen de bonte tafereelen van het hofleven het beeld van Laudine op den achtergrond. Na den tijd van feesten en genietingen boden de avontuurlijke tochten en gevaarvolle ondernemingen hem een nieuwen prikkel, die hem aanzette tot steeds grooter onversaagdheid. Hij onderging de bekoring van het gezelschap zijner vrienden als iemand, die na lange afwezigheid in het land zijner vaderen terugkeert en toch was het slechts luttele maanden geleden, dat hij uit was getrokken om de wonderbron te zoeken.

Zoo verstreken de maanden; de herinneringen aan zijne liefste werden steeds flauwer en flauwer, en de gestalte van Laudine vertoonde zich slechts af en toe in vage omtrekken voor het oog zijner verbeelding. Toen nu de tijd naderde, dat hij tot zijne vrouw zou wederkeeren, gebeurde het, dat de koning een groot steekspel uitschreef en in de toebereidselen daarvoor, die al zijn tijd in beslag namen, vergat Iwein geheel en al zijne belofte. Eenige [155]weken later, toen het steekspel reeds aan den gang was en men des avonds bijeen zat om Iwein, den held van dien dag, te huldigen, trad plotseling Luned de feestzaal binnen, neeg eerbiedig voor den zetel des konings en zeide: “Sire, wees gegroet! en ook gij, edele ridders, die hier aanwezig zijt, allen behalve Iwein, de trouwelooze, die het hart mijner meesteres gebroken heeft. Valsch en bedriegelijk waren de schoone woorden, waarmede hij haar van zijne liefde sprak en nadat hij haar door listige vleitaal overreed had, de zijne te worden, trok hij heen en liet haar achter in een toestand, die nog treuriger is dan het lot eener weduwe. Hij, die zoo handelt, is niet waard, ridder genoemd te worden. God straffe hem voor zijne trouweloosheid.”

Na deze woorden gesproken te hebben, trad zij op Iwein toe, trok hem den ring, dien Laudine hem als afscheidsgeschenk gegeven had van den vinger en verliet het kasteel.

Iwein bleef achter in een staat van groote verslagenheid. De verwijten, welke Luned hem had toegeslingerd, waren als scherpe pijlen doorgedrongen tot in ’t diepst van zijne ziel en deden zijn hart bloeden van schaamte en berouw. Voor zijne oogen herrees klaar en duidelijk het beeld van Laudine, zooals zij bij het afscheid in zijne armen had gelegen, het schoone gelaat nat van tranen, de oogen smeekend en vol liefde op hem gericht en hij hoorde weer de trillende tonen harer stem, die hem bad, tot haar terug te keeren.

En hij, in den roes van roem en eerzucht had haar vergeefs naar hem doen uitzien. In zijn overspannen geestestoestand riep hij zich voor oogen, hoe zij keer op keer den toren van het slot beklommen moest hebben, om naar hem uit te zien en hoe zij dan telken male teleurgesteld de trappen was afgedaald om in de eenzaamheid harer vertrekken zijne trouweloosheid te beweenen! Nu was alles voorbij! Hij herinnerde zich hare afscheidswoorden en begreep dat hij nooit den moed zou hebben om een poging tot verzoening te wagen. Neen, nooit meer zou hij die oogen vol innige teederheid op zich voelen rusten, nooit meer zou [156]hij dien schoonen mond kussen of die glanzende haren streelen. Voorbij! voorbij! en dat alles door eigen schuld! Als een getemd dier liep Iwein heen en weer op eene eenzame plek achter in den slottuin, met zijne gebalde vuisten sloeg hij zich tegen het hoofd en slechts stamelende klanken kwamen over zijne lippen. Wat zijne vrienden ook zeiden, het hielp niets, hij wilde naar geen rede luisteren en weigerde hardnekkig alle voedsel.

Toen deze toestand eenige dagen geduurd had, gebeurde het ’s morgens, dat een bode van den koning hem tevergeefs zocht in zijne vertrekken, ook in de nabijheid van het kasteel was hij nergens te vinden.

De wanhoop over het verloren geluk had zijn verstand verbijsterd en als een waanzinnige zwierf hij rond in de bosschen. Zijne kleederen scheurde hij aan takken en doornen, zijne haren hingen hem verwilderd om het hoofd en een lange baard golfde hem weldra op de borst. Eens op een dag ontmoette een houthakker hem, maar toen de man hem zag, ontstelde hij zóó van Iwein’s verwilderd en woest voorkomen, dat hij pijl en boog, die hij in de hand had, wegwierp en het hazenpad koos. Met behulp van deze wapenen doodde Iwein nu en dan een stuk wild, waarvan hij het vleesch rauw en in groote stukken verslond. Verder voedde hij zich met wortelen en wilde vruchten en leschte zijn dorst met bronwater. De dagen en weken verliepen, zonder dat hij er zich van bewust was; nog steeds was zijn brein vervuld van verhitte koortsphantasieën, nog steeds stamelden zijne lippen den naam van Laudine. Soms, wanneer de smart en wroeging hem te machtig werden, sloeg hij als een razende om zich heen, zoodat de vogels onder verschrikt gekrijsch wegvlogen uit de naburige boomen en struiken. Na zoo’n aanval viel hij meestal neer op het mos in een toestand van halve verdooving. Zoo lag hij eens op een dag onder de schaduw van een grooten eik, toen de stilte van het bosch verbroken werd door helder opklinkende stemmen en het getrappel van paardenhoeven. Weldra verschenen om de kromming van het boschpad drie vrouwengestalten [157]te paard. Het waren drie adellijke dames, de eigenaresse van een naburig kasteel, tot wier gebied het bosch behoorde, waarin Iwein op zijne zwerftochten was verdwaald geraakt, en twee harer dienaressen. Toen zij voorbij den boom kwamen en een menschelijke gedaante ontwaarden, die daar als levenloos op den grond lag uitgestrekt, hielden zij nieuwsgierig hare rossen in en de burchtvrouwe beval één harer gezellinnen om af te stijgen en de zaak nader te onderzoeken. Op de teenen sloop de jonkvrouw naderbij, want het uiterlijk van den vreemdeling boezemde haar niet veel vertrouwen in. Toen zij echter dicht aan den slapende genaderd was, en hem in het gelaat had gezien, boog zij zich met een uitroep van verrassing over hem heen, streek hem de lange haren uit het gezicht en keerde zich toen tot hare meesteres met den uitroep: “Wie denkt gij, dat hier ligt? Het is Heer Iwein, de zoon van koning Uriens van Wallis, één der dapperste ridders van Arthurs hof. Ik herken hem aan het litteeken boven den linkerslaap, dat hij in een tournooi, waar ook ik bij tegenwoordig was, heeft opgedaan.

Maar wat ziet hij er vreeselijk uit! Zijn kleeren hangen hem als lompen om het lijf, zijn gelaat en handen zijn vol schrammen en geheel bebloed, wat kan er met hem gebeurd zijn? Helaas! dat wij hem zoo moeten vinden! Ik zeg u, indien hij gezond was, zou geen ridder ter wereld u beter van dienst kunnen zijn in den komenden strijd tegen den valschen graaf Aliers dan hij, die hier ligt!”

Hare meesteres keek peinzend eenige oogenblikken voor zich uit en riep toen plotseling met blijde stem: “Ik heb het gevonden! Ga gij vlug met mij mede, mijn slot is immers slechts enkele mijlen hier vandaan en daar zal ik u eene kostbare zalf geven, waarmede gij den ongelukkige genezen kunt. Die zalf werd mij ten geschenke gegeven door de toovenares Morgan Le Fay en zij bezit de tooverkracht om genezing te brengen voor alle ziekten en kwalen, zoowel lichamelijke als geestelijke”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Spoorslags reden de drie jonkvrouwen naar [158]het naburig kasteel, waar de slotvrouwe hare dienares de vaas met de genezing brengende zalf overhandigde. “Wees er zuinig mee”, sprak zij, “en breng mij, wat er na gebruik overblijft, zorgvuldig terug”. Daarna beval zij haar een stel kleederen en wapenen, zooals die aan Iwein’s rang en stand pasten, mede te nemen, benevens een fraai rijpaard. Van dit alles voorzien, begaf de jonkvrouw zich opnieuw naar het bosch, waar zij Iwein nog in dezelfde houding vond liggen. Voorzichtig legde zij de kleederen naast hem op den grond, bond het paard met de teugels aan den boom vast, knielde toen bij den slapenden ridder neer en wreef zijn hoofd en lichaam in met de welriekende zalf. Daarop sloop zij voorzichtig heen, steeg te paard en wachtte op eenigen afstand den loop der verdere gebeurtenissen af.

Met een diepen zucht ontwaakte Iwein uit zijn bewusteloozen toestand. Toen hij de oogen opsloeg en om zich heen zag, gevoelde hij terstond, dat er iets met hem was voorgevallen. Het scheen hem toe, of er een drukkende band van zijne hersenen was weggenomen, en hij nu weer in staat was om helder te denken. Geen verwarde droombeelden trokken langer in bonte rij voor het oog zijner verbeelding voorbij, hij zag het groene woud om zich heen, hij hoorde het gekweel der vogels in de dicht bebladerde takken boven zijn hoofd en voor ’t eerst bezag hij zichzelven met een gevoel van schrik en afschuw. Daar viel zijn oog op de nieuwe uitrusting, welke voor hem gereed lag en op het ongeduldig stampende strijdros. Als in een droom ontdeed hij zich van de havelooze lompen, waarin hij gekleed was, en trok de fraaie kleeren aan, wier fijne, zachte stoffen hem bij de eerste aanraking vreemd aandeden. Daarna steeg hij te paard en toen hij den voet in den stijgbeugel stak en den rug van het dier onder zich gevoelde, trokken de laatste nevelen in zijn brein op om het licht der herinnering vrijen doortocht te verleenen. Alles stond hem nu weer helder voor den geest, zijn leven aan het hof, het bezoek van Luned, haar woorden van smaad—maar van wat daarna geschied was, had hij slechts eene verwarde herinnering, als van [159]een benauwden koortsdroom. Hij vroeg zich af, hoe hij zoo plotseling genezen kon zijn en wie de kleederen en het paard aan hem gezonden kon hebben. Terwijl hij aarzelde, welke richting hij uit zou rijden, ontwaarde hij tusschen de struiken de jonkvrouw te paard en weldra vernam hij van haar, hoe zijne redding zich had toegedragen. Gaarne voldeed hij aan haar verzoek om haar te volgen naar het kasteel harer meesteres en aldaar aangekomen, bedankte hij de burchtvrouwe in warme bewoordingen voor wat zij voor hem gedaan had. Hij eindigde met haar zijne diensten aan te bieden, indien zij haar van nut konden zijn. “Dat is helaas maar al te zeer het geval”, sprak zijne schoone gastvrouw zuchtend; “want mijne bezittingen worden bedreigd door een boozen graaf, en wat vermag ik, zwakke vrouw, tegen hem en zijne ridders?” “Welnu dan”, antwoordde Iwein, “sta mij toe, dat ik den strijd tegen uw vijand aanbind en zoo God wil, zal ik u uit zijnen dwang bevrijden”. Dit aanbod bleek te rechter tijd gedaan te zijn, want reeds den volgenden morgen meldden de torenwachters den aantocht van een groot leger, dat weldra zijne tenten rondom het kasteel opsloeg en alles voor eene belegering in gereedheid bracht. Den ganschen dag heerschte er groote bedrijvigheid in het vijandelijke kamp, maar Iwein wachtte bedaard zijne kans af en eerst toen de avond viel en de geluiden die uit de legerplaats van graaf Aliers opstegen, allengs verstomden achtte hij het oogenblik gekomen om zijn slag te wagen. In alle stilte wapende hij zich en gebood een tiental aanhoorigen van het kasteel om hetzelfde te doen. Daarop gaf hij bevel de ophaalbrug neer te laten en onder het aanheffen van een luiden strijdkreet draafde hij met zijne volgelingen de hoofdpoort van het kasteel uit. Alles wat hun in den weg kwam, werd terneergeveld en hun uitval was zóó onstuimig en tevens zóó verrassend, dat de dienaren van den graaf, die in de vallende duisternis het ware getal hunner aanvallers niet naar juistheid konden schatten, in aller ijl het hazenpad kozen. Links en rechts om zich heen slaand, baande Iwein zich een weg door den verwarden drom van strijdende en vluchtende [160]knechten en bevond zich weldra tegenover den graaf, die in aller haast te paard was gestegen om zijne manschappen te verzamelen.

Met een behendigen zwaardstoot sloeg Iwein hem de strijdspeer uit de hand en toen hij aldus zijn vijand in zijne macht had, dwong hij Aliers voor hem uit te rijden in de richting van het kasteel. Zoo bracht hij hem het slotplein op, waar de burchtvrouwe met haar gevolg in angstige spanning den afloop van den strijd verbeidde, en deed hem neerknielen voor haren zetel. De strijd was nu natuurlijk beslist. Graaf Aliers moest plechtig beloven de bezittingen van Iwein’s gastvrouw met rust te laten en de helft zijner landgoederen als losprijs aan haar af te staan. Eerst toen kreeg hij zijne vrijheid terug en mocht naar zijn graafschap wederkeeren, terwijl in het kasteel de heugelijke afloop van den strijd met blijden jubel werd gevierd. Den volgenden morgen kwam de Vrouwe van het slot tot Iwein en sprak: “Edele Heer! hoe kan ik u ooit genoeg danken voor wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt. Zonder uw hulp stond ik thans arm en van have en goed beroofd in de wereld, maar gij hebt mij gered uit de handen van dien booswicht. Daarom kom ik tot u om u te vragen welke belooning ik u geven kan voor uw menschlievend en dapper gedrag. Wanneer het voor u eenige waarde heeft, zoo bied ik u mijzelve en al mijne bezittingen aan. Indien gij in ons midden blijven wilt, zal ik u tot heer en meester maken van alles, wat ik bezit en ik zelve zal mijn leven wijden aan uw geluk”.

Iwein schudde het hoofd: “Gij zijt mij geen dank verschuldigd, schoone vrouwe”, sprak hij ernstig, “zonder u zwierf ik nog als een wild dier rond in de bosschen en het weinige, dat ik voor u deed, geschiedde uit diepe erkentelijkheid. Is het bovendien niet de plicht van iederen ridder om te strijden voor recht en billijkheid; om de zwakken te steunen en de boozen te bestrijden? Wat nu verder uw aanbod betreft, zoo dank ik u daarvoor uit het diepst van mijne ziel. Ik mag echter de wonderschoone gave, die gij mij aanbiedt, niet van u aannemen, want mijn hart is niet vrij, al ben ik ook veroordeeld om eenzaam, zonder liefde, rond [161]te dolen. Daarom moet ik verder gaan; mijne smart laat mij geen rust om langeren tijd ergens te vertoeven. Sta mij slechts toe om de uitrusting, die ge mij geschonken hebt, als loon voor wat ik deed, mede te nemen en nu—Vaarwel!”

Zittende leeuw.

Van Iwein’s verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den leeuw. Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.

Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting van haren tegenstander.

Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, de leeuw hem als een hond. [162]Op aandoenlijke wijze trachtte het dier zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.

Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.

Slapende jongeman onder boom.

Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne ontmoeting aldaar. Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine’s echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze bekende dingen terug zag, die in hem [163]de herinnering verlevendigden aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de smeeking daarvan niet kon weerstaan. “Dit arme dier heeft mij lief”, zoo dacht hij, “en ter wille van hem zal ik in ’t leven blijven.”

Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het volgende: “Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?” Daarop volgde een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij op de deur van de kapel [164]en vroeg dringend: “Wie zijt gij? en waarom klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u helpen”? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem weer te spreken, maar op geheel anderen toon. “Zou er werkelijk nog redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden”.

Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein’s gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in het [165]schoone verleden zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd was? Met ontroerde stem sprak hij: “Wees niet langer bevreesd, Luned, ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te worden. Morgen zien wij elkander hier!”

Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem toe, om zich voor ’t eerst na langen tijd aan een goed voorzienen disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige tranen weg.

Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: “Weliswaar [166]past het mij niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden”.

Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. “Ter wille van de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb ik mijn woord gegeven, om elders te strijden”. Groot waren de vreugde en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.

Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn borstelig haar stond recht overeind, [167]zijne oogen rolden onheilspellend en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.

Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppunt [168]genaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.

Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.

Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte haar bleek en beschreid gelaat.

“Gij komt juist op tijd, edele heer”, sprak zij, “ik vreesde reeds, dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den komenden strijd!”

Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen zijne tegenstanders den leeuw zagen, [169]die met dreigend opgeheven kop achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met den uitroep: “Zoo moge het allen verraders vergaan!”

Groot was de vreugde allerwegen over Iwein’s overwinning, want de hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging gevolg te geven. “Zeg mij dan tenminste uwen naam”, sprak Laudine, “opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!” “Vrouwe, men noemt mij den Leeuwenridder”, antwoordde Iwein, “meer kan en wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!” [170]

Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek wist hij nog in ’t geheim eenige woorden met Luned te wisselen. “Bewaar het geheim van mijn naam”, verzocht hij haar, “maar wanneer gij iets voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken”.

Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.

In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het land in beroering brachten.


In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, was geheel bezijden de [171]waarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.

Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.

Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, langs diepe ravijnen en gapende bergkloven. De regen sloeg haar in ’t gezicht en doorweekte hare kleederen. [172]de zon verblindde hare oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.

Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooals [173]afgesproken was, door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.

Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand met het schild erin omhoog en sprak: “Wakkere vijand! de vallende schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag van heden”. “Mij gaat het evenzoo”, antwoordde Walewein op hoffelijken toon, “nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wil [174]daar gaarne aan voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der Orcadische eilanden.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard en snelde op Walewein toe met de woorden: “Walewein, mijn dappere, edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats gehad! Zie mij aan, ik ben Iwein, uw neef!” Groot was de vreugde over deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.

Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: “Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den edelen redder van jonkvrouwen!”

Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte. [175]

Leeuw.

Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met Laudine verzoent. Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.

Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen en als Laudine’s beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, hij zou zekerheid hebben!

Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.

Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich in de verte.

Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoo [176]zeide men, was aan de bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende regen op veld en akker neervielen.

In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde ridder was, gaf haar ten antwoord: “Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling durft aanbinden?”

“Ach neen, Luned”, antwoordde Laudine weenend, “gij weet toch, dat velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar hij....” hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend sloeg zij de handen voor het gezicht.

“In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, dien men den Leeuwenridder noemt”, sprak Luned, “en gaarne zou ik hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult willen vervullen.” “Spreek! welke is die voorwaarde”, viel Laudine haar in de rede, “indien het in mijne macht staat haar te vervullen, zal ik niet aarzelen dit te doen.”

“Welnu dan, luister!” zeide Luned, “deze ridder leeft sinds langen tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans boven [177]alles liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking verleenen?” Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te vervullen eisch verwacht. “Welzeker wil ik dat”, antwoordde zij vriendelijk, “voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door eene vrouw verstooten te worden!” “Zweer mij dan op dit heilig boek”, sprak Luned, “dat gij uw woord zult houden”, en Laudine voldeed aan haar verzoek.

Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: “Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, die ge mij steldet, te vervullen!” [178]

Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: “Niemand kan dit beter dan gij”, sprak zij lachend, “en al moge dit u vreemd toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den Leeuwenridder eens goed in ’t gelaat ziet!”

Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:

“Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden, [179]maar vraag mij niets meer!” Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van ’t eene avontuur naar ’t andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.

Nu dan, zij zou goedertieren zijn en ze kon dit zijn, zonder gevaar voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.

Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, dat hij haar in zijne armen nam.

Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine’s bezittingen en leidde met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de donkere wolken heeft verjaagd. [180]

[Inhoud]

INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.

Wie kent niet de namen van Tristan en Isolde? Bij wien roepen zij niet een min of meer volledig beeld in het geheugen van de droeve geschiedenis dier beide gelieven? Of men zich hunne lotgevallen herinnert uit Wagners muzikaal-psychologisch drama, uit het Fransche prozagedicht van Joseph Bédier of uit de schoone verzen van Swinburne’s “Tristram of Lyonesse”, een ieder kent het verhaal van hartstocht en weemoed, dat door alle eeuwen heen de dichters en schrijvers heeft weten te bezielen.

Wanneer men de sage in haren oorspronkelijken vorm leest, zooals zij in de volgende bladzijden is weergegeven, schijnt het, of het verhaal weinig of niets uitstaande heeft met den kring der Arthur-legenden. Immers, het tooneel der handeling ligt geheel buiten het hof van dien vorst, geen der ridders van de Tafelronde wordt ook zelfs maar genoemd en alleen koning Arthur zelve speelt eene, overigens zeer bijkomstige, rol in het drama. De reden, waarom de sage ondanks dit alles, toch gerekend mag worden te behooren tot den Arthur-cyclus, is hierin gelegen, dat zij de levens- en lijdensgeschiedenis geeft van een held, wiens naam in de Arthur-verhalen veelvuldig voorkomt en wiens lotgevallen daarin steeds eng verbonden zijn met die der andere Arthur-ridders. In de latere werken, die aan de verheerlijking van Tristan gewijd zijn, zien wij zelfs, dat zijne avontuurlijke tochten in gezelschap van andere Arthur-ridders en de rivaliteit [181]tusschen hem en Lanceloet de belangstelling van den schrijver meer hebben bezig gehouden dan het verhaal van zijn noodlottigen hartstocht voor koningin Isolde. In het zoogenaamde Fransche tijdperk van den Arthur-cyclus, toen Chrétien de Troies zijne gedichten schreef en de groote proza-romans ontstonden, werd Tristan geheel beschouwd als behoorende tot de ridders der Ronde Tafel en in bovengenoemde werken wedijvert hij dan ook met Walewein en Lanceloet in daden van moed en ridderlijkheid. Wel dient opgemerkt, dat Tristan in al deze verhalen slechts als gast aan het hof van koning Arthur verkeert. Hij is daar niet thuis, zooals de andere ridders, maar vertoeft er slechts voor korteren of langeren tijd, om deel te nemen aan een steekspel of rust te vinden na een zwaren krijgstocht. Toch is hij geen vreemdeling, wiens naam men eerst op een hoogeren ontwikkelingstrap van de Arthur-sagen met dien van den beroemden vorst verbonden heeft om dezen meerderen luister bij te zetten. Zooals wij zien zullen, wordt hij daarentegen reeds in de oudste overleveringen gerangschikt onder de volgelingen van koning Arthur.

Uit dit alles blijkt wel, dat er een alleszins gegronde reden bestaat, om de sage van Tristan en Isolde te rangschikken onder de in dit boek voorkomende verhalen. Terstond verrijzen nu twee vragen: wat is de oorsprong van deze beroemde legende en hoe is het te verklaren, dat zij, meer dan alle andere sagen uit het grijze verleden, de harten der menschen heeft weten te boeien met eene blijvende bekoring?

Laat ons voorloopig trachten, de eerste dier beide te beantwoorden. De vraag, waar wij de bakermat moeten zoeken van de Tristan-sage, heeft vele pennen in beweging gebracht. Verschillende theorieën zijn daarover opgeworpen, men heeft ze aangenomen, bestreden en na eenigen tijd zijn ze verworpen om plaats te maken voor nieuwe denkbeelden. Vele zijn de artikelen, die geschreven zijn, om de waarheid der verschillende zienswijzen aan te toonen of te weerleggen en eene lijst van de namen der geleerden, die ze hebben samengesteld, zou eene aanzienlijke [182]ruimte beslaan. Het is hier niet de plaats, om in bizonderheden op dit alles in te gaan; een ieder, die belang stelt in het vraagstuk van den oorsprong der Tristan-sage behoef ik slechts te verwijzen naar de verschillende jaargangen van de tijdschriften: “Romania”, “Revue de Paris” en “Zeitschrift für Romanische Philologie”, om hem ruimschoots gelegenheid te geven, zich met de verschillende meeningen daaromtrent vertrouwd te maken. Toch dienen enkele namen hier genoemd te worden, vóór alles die van Gaston Paris, den beroemden Keltoloog, die in de April-aflevering van de “Revue de Paris” voor het jaar 1894, een schitterend geschreven betoog hield voor den Keltischen oorsprong der Tristan-sage. Volgens hem moeten wij de eerste sporen van het verhaal zoeken onder de oudste Keltische poëzie, waar ons reeds verteld wordt van een liefdesdrank met noodlottige gevolgen. Om dit bestaande gegeven zouden zich dan, volgens Gaston Paris, episodische verhalen hebben gevormd, die door de rondreizende zangers van Wallis en Bretagne gezongen werden met begeleiding van de harp. Deze liederen, de bekende “lais bretons”, werden gewijzigd en verspreid door Fransche zangers, tot ze eindelijk in handen vielen van dichters, die ze omwerkten tot een samenhangend geheel. Zoodoende ontstonden de eerste Tristan-romans, waarvan, zooals we zullen zien, fragmenten zijn overgebleven.

Langen tijd hield de theorie van Gaston Paris stand, maar allengs begonnen zich stemmen daartegen te verheffen, die zelfs voortkwamen uit den kring van zijne eigen leerlingen. Deze legden hunne denkbeelden neer in eene reeks artikelen in “Romania” XV en XVI. Vooraan onder hen staat Joseph Bédier, wiens naam door allen, die de Tristan-sage kennen en bewonderen, met eerbied dient genoemd te worden. Zijne theorie omtrent het ontstaan der legende is te vinden in het tweede deel zijner uitgave van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, n.l. dat van Thomas, een Normandisch dichter uit de 12e eeuw. Bédier onderscheidt drie tijdperken in den ontwikkelingsgang der sage. Volgens hem [183]stamt onze held uit het hooge Noorden van Groot-Brittannië, waar wij zijn naam onder den vorm van “Drostân”1 aantreffen als dien van een geliefd held bij de volksstammen der Picten en Schotten. Aan de Kelten uit het Zuiden van Engeland, uit Wallis, komt de eer toe, den naam van dien Schotschen held te hebben verbonden met dien van koning Mark van Cornwallis en daardoor den eersten stoot te hebben gegeven tot de vorming der later zoo beroemd geworden Tristan-sage. Op welke wijze nu geraakte deze bekend onder de Fransche dichters, die haar in de 12e eeuw tot onderwerp hunner verzen maakten? Om Bédier’s verklaring hiervoor begrijpelijker te maken, brengt hij ons eerst in herinnering, welk eene nauwe gemeenschap in de 10e en 11e eeuw bestond tusschen Bretagne en Normandië. De regeerende huizen van deze beide landen waren onderling meerdere malen door huwelijken verbonden en jaar in jaar uit waren de Bretonsche “jongleurs”, zooals zij genoemd werden, naar het naburige hertogdom getrokken, waar zij eene warme ontvangst vonden in de kasteelen der Normandische edelen. Wie waren die Bretonsche jongleurs? Afstammelingen van de Kelten uit Groot-Brittannië, die in de 6e eeuw de wijk hadden genomen naar Bretagne, om te ontkomen aan de vervolgingen der Angelen en Saksen. Toen dus die “jongleurs” na den slag bij Hastings hunne meesters, de Normandische edellieden, die tot het gevolg van Willem den Veroveraar behoorden, naar Engeland volgden, sloten zij zich daar spoedig aan bij de volksdichters en zangers, aan wie zij zich door hunne afkomst nauw verwant voelden. Zij leerden van hen verscheidene oude legenden en overleveringen, waarmede zij hunne Bretonsche verhalen aanvulden en uit deze vermenging ontstond de beroemde “matière de Bretagne”, welke zulk eene hooge plaats inneemt in de middeleeuwsche letterkunde. Zoo ontstond ook volgens Joseph [184]Bédier, de Tristansage, zooals wij die kennen en bewonderen.

Uit het eerste, het Pictische tijdperk der legende, dagteekent, zooals reeds vermeld is, de naam van den held: “Drostân”. In het tweede, dat, waarin de Kelten uit Wallis en Cornwallis den grondslag legden tot de eigenlijke sage, vinden wij dien naam terug als “Drystan”. Deze “Drystan ab Tallwch” wordt in de Triaden van Wallis genoemd als een der kampioenen van Arthurs hof.2 Ook wordt hem de twijfelachtige eer toegekend van een der beste zwijnenhoeders van het land te zijn. In een der Triaden wordt beschreven hoe Drystan den zwijnenhoeder van koning March ab Meirchion met een brief naar koningin Essylt zendt. Hijzelve zal in dien tusschentijd zijne taak overnemen en zóó goed kwijt hij zich daarvan, dat nòch Arthur, nòch Mark, nòch Key erin slagen kunnen hem eene zijner zeugen afhandig te maken.

Welke zijn nu de Keltische, welke de Fransche bestanddeelen in de sage, zooals die door de eeuwen heen tot ons gekomen is? In zijne meening hieromtrent wijkt Bédier, en met hem andere geleerden, zooals Golther en Ferdinand Lot, af van de inzichten van Gaston Paris. Één voor één bestrijdt Bédier de vele voorbeelden, die zijn leermeester aanvoerde, om den Keltischen oorsprong der sage te bewijzen, tot er slechts enkele overblijven, welke door hem werkelijk als zoodanig worden erkend. De wijze, waarop hij dit doet en de houding, die hij daarbij tegenover de denkbeelden van zijn geliefden meester aanneemt, spreekt van eerbiedig ontzag voor de fijn gevoelde opvattingen van diens betoog, welken hij echter meer dichterlijke schoonheid dan volkomen betrouwbaarheid toekent.

Volgens Bédier betreffen de Keltische bestanddeelen slechts den uiterlijken vorm der sage. Wat deze aan dichterlijke waarde en innerlijke schoonheid bezit, ligt echter in den zielestrijd der [185]beide gelieven, die zich eensdeels gebonden voelen door de wetten en gebruiken van de samenleving, waarin zij leven, anderdeels, door hunnen hartstocht gedreven, die wetten steeds met voeten treden. Daar nu volgens Bédier de huwelijksband onder de Kelten zeer los was, wat hij bewijst door eene aanhaling uit de wetten van koning Howel den Goeden, moet datgene, wat de sage hare grootste bekoring gaf, eraan toegevoegd zijn in Frankrijk, in eene christelijke samenleving en door iemand met een fijn-besnaard, dichterlijk gemoed. In een volgend hoofdstuk van zijne studie toont Bédier aan, dat, dank zij de verschillende critische uitgaven der oude Tristan-gedichten, de theorie, dat de “lais bretons” de grondstof voor deze gedichten zouden hebben geleverd, meer en meer op den achtergrond wordt gedrongen. Uit eene vergelijking der bestaande gedichten blijkt het verband, dat tusschen deze onderling bestaat en daardoor wordt hunne schijnbare zelfstandigheid aanmerkelijk verminderd. Ten slotte komt de schrijver tot de gevolgtrekking, dat aan al die oude gedichten één enkel, verloren geraakt gedicht ten grondslag moet liggen, dat in het begin der 12e eeuw door een man van genie vervaardigd werd. Ook hierin, zien wij, is hij het oneens met Gaston Paris, die de “lais bretons” als bron voor de Fransche gedichten beschouwde.

Bovenstaande theorie van Bédier, die op heldere wijze door Professor van Hamel is uiteengezet in zijn Gidsartikel, getiteld: “Middeleeuwsche Tristan-romans” (Gids, 1905, 477–516), wordt in hoofdtrekken door vele andere geleerden gedeeld. Zoo pleit ook W. Golther in zijne studie: “Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelalters und der neueren Zeit” (Leipzig, Hirzel, 1907) voor de stelling, dat de verschillende fragmenten der eerste Tristan-romans terug te brengen zijn tot één oorspronkelijk werk, waar ze alle op berusten.

In de laatste jaren zijn de denkbeelden van Bédier en Golther van verschillende zijden aangevallen. Onder de velen, die over dit onderwerp geschreven hebben, noemen wij slechts M. J. Loth, [186]die in zijne “Contributions à l’étude des Romans de la Table Ronde” (Paris, Champion 1912) met kracht Bédiers bewering bestrijdt, als zouden de huwelijkswetten bij de Kelten weinig bindend zijn geweest. Integendeel, zoo zegt de schrijver, trouwbreuk werd bij hen als een ernstig vergrijp beschouwd en ook zeer streng gestraft. Bovendien tracht hij aan te toonen, dat de Tristan-legende stamt uit Cornwallis; hij verwerpt den Pictischen oorsprong van den naam Tristan, welken hij phonetisch onverklaarbaar acht. Ook de andere eigennamen, die in de sage voorkomen, zoomede het feit, dat men in de bestaande gedichten eene mengeling van Keltische, Angelsaksische en Fransche namen aantreft, bevestigen volgens hem de waarheid zijner stelling. Ten slotte zij hier nog vermeld het werk van Miss G. Schoepperle: “Tristan and Isolt, a Study of the source of the romance”, 2 vol., Frankfort en Londen, 1913. In dit lijvige boekdeel komt de schrijfster tot eene slotsom, die het midden schijnt te houden tusschen de theorieën van Gaston Paris en die van Bédier.

In tegenstelling met den laatste kent zij groote waarde toe aan de Keltische elementen in de sage, welke volgens haar veel talrijker zijn dan Bédier meent. Om te bewijzen, dat zij werkelijk aanspraak kunnen maken op den naam van Keltisch, toetst zij ze aan de oud-Iersche handschriften, welke aanmerkelijk ouder en daardoor betrouwbaarder zijn dan die uit Wallis en Cornwallis, welke bijna alle Franschen invloed vertoonen. De schrijfster vindt dan vele punten van overeenstemming tusschen de feiten, vermeld in de Tristan-sage en die, welke zij in de oud-Iersche handschriften beschreven ziet.

Zij komt dan tot de gevolgtrekking, dat de Tristan-legende ontstaan is in de Keltische letterkunde, maar dat zij in de gedaante, waarin zij in de gedichten tot ons is gekomen, beschouwd moet worden als eene zuiver Fransche schepping.

Welke zijn nu die gedichten?

Het oudste, bestaande gedicht over de Tristan-sage is dat van een Normandisch schrijver, Béroul genaamd, en dagteekent ongeveer [187]uit het jaar 1165. Zijn werk bleef onvoltooid, maar werd tegen het einde der 12e eeuw van een slot voorzien door een dichter, wiens naam onbekend is gebleven. Van Béroul’s werk is een fragment van ongeveer 3000 regels bewaard gebleven; dit werd de bron voor de eerste bewerking der sage in Duitschland. Hiermede wordt bedoeld het werk van Eilhart von Oberge, een vazal van Hendrik den Leeuw, hertog van Brunswijk, die zijn gedicht geschreven moet hebben tusschen 1190 en 1213.

Belangrijker dan het werk van Béroul is dat van den dichter Thomas, langen tijd genoemd Thomas van Brittannië, die omstreeks 1170 in Engeland zijn beroemd geworden, “poème de Tristan” schreef.3 Den inhoud van zijn gedicht kennen wij behalve uit de oorspronkelijke fragmenten4, uit vijf navolgingen. Deze zijn:

1e. eene Noorsche proza-vertaling, geschreven in het jaar 1226 door een zekeren broeder Robert, op verzoek van koning Haakon V van Denemarken (1217–1263). In tegenstelling met de andere navolgingen van het Fransche gedicht is deze vertaling een volledig geheel en geeft ons daardoor het meest getrouwe beeld van den oorspronkelijken tekst.

2e. Het groote romantische dichtwerk van Gottfried von Straszburg, geschreven in de eerste helft der 13e eeuw. Het beschrijft de geschiedenis tot het huwelijk van den held met Isolde van [188]Bretagne.5 Juist op dit punt beginnen de fragmenten van het oorspronkelijke gedicht, zoodat eene vergelijking tusschen het werk van Gottfried en dat van Thomas slechts over een honderdtal regels gemaakt kan worden.

3e. Als derde groote navolging van het Fransche werk dient genoemd het Middel-Engelsche gedicht: “Sir Tristrem”, dat geschreven werd in het Noorden van Engeland tegen het einde der 13e eeuw. Het werd voor de eerste maal uitgegeven in 1804 door niemand minder dan Sir Walter Scott. Hij gaf het den voormelden naam, verdeelde het in drie afdeelingen, voegde het ontbrekende slot er aan toe, geschreven in dezelfde versmaat als het overige gedeelte—en verklaarde ten slotte, dat de schrijver ervan was: Thomas van Ercildoune, ook wel genoemd Thomas de Rijmer. Deze verklaring is later meermalen in twijfel getrokken en thans neemt men algemeen aan, dat de schrijver onbekend gebleven is en dat de naam Thomas, die tot drie maal toe in het gedicht voorkomt, betrekking heeft op den Franschen schrijver.

De beide overige navolgingen zijn van minder belang dan de drie bovengenoemde.

Het zijn: 4e een kort gedicht, getiteld: “La Folie Tristan” (bewaard in het z.g. Douce H. S.) en eenige hoofdstukken 6 in het Italiaansche proza-werk “La Tavola Ritonda”.

Eene vergelijking tusschen de gedichten van Béroul en Thomas zou buiten het bestek dezer inleiding gaan, toch dient hier met een enkel woord vermeld, dat zij een geheel verschillenden geest ademen. Bérouls opvatting van het gegeven is eenvoudiger, primitiever dan die van Thomas. De eerste gevoelt eene behoefte om de beide gelieven te beschermen tegen de beschuldigingen, waaraan hunne zondige liefde hen blootstelt. Daarom laat hij den noodlottigen invloed van den liefdesdrank slechts vier jaren duren; [189]nadien, ontslagen van den bovennatuurlijken dwang, die op hen werd uitgeoefend, krijgen zij beiden berouw over wat zij gedaan hebben en beginnen een nieuw leven.

In het werk van Thomas daarentegen vinden we geen spoor van eenige poging tot verontschuldiging der beide hoofdpersonen. Zijn gedicht is eene verheerlijking der liefde, de liefdesdrank is het zinnebeeld van haar goddelijk recht. Ook spreekt er uit dit dichtwerk een geest van beschaving en hoofschen sier, die geheel ontbreekt in den eenvoudigen verhaaltrant van Béroul. Al wat ruw en onbeholpen was in de oude sage heeft Thomas zorgvuldig eruit verwijderd en de dichter verdiept zich met wellust in de spitsvondige woordspelingen en nauwkeurige gevoelsontledingen, welke zoo kenschetsend zijn voor den tijd, waarin hij schreef. Dat daardoor het verhaal dikwijls iets van zijn roerenden eenvoud en innige bekoring inboet, is licht te begrijpen, al staat daartegenover, dat het wint aan duidelijkheid en waarschijnlijkheid van gegeven.

Men kan zich voorstellen, dat de sage van Tristan en Isolde, de ontleding en beoordeeling van hunne gevoelens, spoedig na het verschijnen van het gedicht van Thomas, een geliefd onderwerp moet zijn geworden voor eindelooze besprekingen en beschouwingen. Dat velen aan het verhaalde aanstoot namen blijkt uit het feit, dat Chrétien de Troies, de beroemde Fransche hofdichter, een gedicht schreef: “Cligés”, waarin hij aantoonde, hoe Tristan en Isolde hadden behooren te handelen.7 Zooals reeds elders vermeld staat,8 deelde Chrétien, hoewel hij leefde aan het hof van gravin Marie van Champagne, niet de inzichten zijner meesteres, die meende, dat ware liefde onvereenigbaar was met het huwelijk. In zijne beste gedichten verheerlijkt Chrétien dan ook de echtelijke liefde, of die, welke hare hoogste [190]volmaking in het huwelijk vindt. Wel kunnen zijne bezwaren tegen het thema der Tristan-sage ook gedeeltelijk zijn voortgekomen uit eene zekere “jalousie de métier”, want ook hij had een gedicht over dit onderwerp geschreven, dat niet veel opgang schijnt te hebben gemaakt. Dit gedicht zelf is helaas verloren gegaan, wij vinden er slechts eenige toespelingen op in “Erec”, het eerste bestaande gedicht van Chrétien’s hand.

De werken van Béroul en Thomas vormen de bestaande dichterlijke vertolkingen van de Tristan-sage in de Fransche letterkunde der middeleeuwen.9

Daarnaast staat de groote Fransche proza-roman: “Tristan”. Hier wordt alle aandacht van den lezer gevraagd voor den wedijver tusschen Lanceloet en Tristan en voor een verward relaas van de avonturen dezer beide helden, waarin de meest aandachtige lezer meermalen den draad van het verhaal dreigt te verliezen.

De karakters der hoofdpersonen, vooral dat van koning Mark, hebben in den proza-Tristan eene merkbare verandering ondergaan. Isolde’s echtgenoot wordt erin beschreven als een booze tiran, die zich door lafhartig bedrog en slinksche streken den haat en verachting van zijne onderdanen op den hals haalt. Ook onze held wordt er eenigszins anders in voorgesteld, hij is niet zoo standvastig in zijne liefde voor Isolde als in de andere werken, de vijandschap tusschen hem en zijn oom ontstaat gedeeltelijk uit hun beider wedijver om de gunsten van de schoone vrouw van Heer Segwarides. Door deze veranderingen verliest de liefde tusschen Tristan en Isolde veel van hare noodlottige schoonheid, maar zij bekleedt ook niet langer eene eerste plaats in het verhaal, Tristans heldendaden en krijgsavonturen hebben haar daarvan verdreven. In den proza-roman missen we ook de ontroerende beschrijving van Tristans dood. Zijn einde vindt hier plaats onder geheel andere omstandigheden dan in het oude verhaal; hij wordt [191]door koning Mark in den rug gedood, terwijl hij op de harp zit te spelen voor koningin Isolde.

Onder de Middel-Engelsche gedichten is “Sir Tristrem” vreemd genoeg het eenige, dat aan de lotgevallen van onzen held gewijd is, alleen beslaat het verslag van zijne lotgevallen een belangrijk deel van de “Morte d’Arthur” van Thomas Malory, die zijne wedergave van de legende ontleent aan den Franschen prozaroman. Hij verhaalt echter slechts de helft van het verhaal, dan breekt hij den draad plotseling af om zich te verdiepen in de geschiedenis van den Graal. Eenige hoofdstukken verder vinden wij dan terloops het treurig einde van den held in een paar regels vermeld.

Na de 15e eeuw valt er over geheel Europa eene vermindering van belangstelling waar te nemen voor de oude ridderverhalen.10 In dit lot deelde ook de Tristan-sage; gedurende eenige eeuwen wordt het oude verhaal door de dichters en schrijvers veronachtzaamd. Toen echter gedurende de 18e eeuw de belangstelling voor alles wat de Middeleeuwen betrof, allengs herleefde, werden ook de oude sagen en legenden opnieuw ter hand genomen. Zoo mogen wij in de 19e eeuw spreken van eene wedergeboorte der Tristan-sage en de gelieven van Cornwallis werden op velerlei wijze door dichters van verschillenden landaard bezongen.

Het zou onmogelijk zijn, eene volledige opsomming te geven van alles, wat er in de afgeloopen eeuw over deze sage geschreven is, daarom noemen wij hier slechts een enkele onder de velen, die haar tot het onderwerp hunner scheppingen hebben gemaakt.

In Duitschland verschenen in de 19e eeuw niet minder dan drie vertalingen van Gottfried von Straszburg’s meesterwerk. De schrijvers hiervan zijn Karl Simrock, Hermann Kurz en Wilhelm Herz; vooral deze laatste moet geprezen worden om de meesterlijke [192]wijze, waarop hij zich van zijne taak heeft gekweten. Ook dient hier melding gemaakt van eene Engelsche prozavertaling van Gottfrieds werk, van de hand van Jessie Weston, welke bij David Nutt, Londen, in eene zeer aantrekkelijke uitgave is verschenen. De groote belangstelling, die men in de afgeloopen eeuw in Duitschland voor de Tristan-sage voelde, kwam op edele wijze tot uiting in Richard Wagner’s muziekdrama: “Tristan und Isolde”, waarvan de eerste opvoering in 1859 plaats vond. Met een te bewonderen inzicht heeft de dichter-componist drie episodes uit het oude verhaal gekozen en is erin geslaagd om ons in drie akten niet slechts de uiterlijke feiten van eene noodlottige liefdesgeschiedenis voor oogen te voeren, maar ons tevens een blik te doen slaan in den strijd en de aandoeningen van eene menschelijke ziel, die tot in haar diepste wezen geroerd wordt door de macht van eene allesoverheerschende liefde. Het nauwe verband tusschen die liefde en den dood kan beschouwd worden als het “Leitmotif” van deze kunst schepping. Als Isolde stervend neerzinkt op het doode lichaam van haren geliefde en hare ziel uitstort in een laatste lied van hartstochtelijke liefde, voelen wij, dat dit het hoogtepunt is van de handeling, waar al het gebeuren van den aanvang af op gericht is geweest.

In de Engelsche letterkunde vinden wij in de 19e eeuw de geschiedenis van Tristan en Isolde terug onder Tennyson’s Koningsidyllen. De wijze, waarop hij het schoone gegeven behandelt, doet den smaak en het letterkundig gevoel van den dichter geen eer aan. Hij gebruikt de legende om aan te toonen tot welk een toestand van verval en verdorvenheid het hof van koning Arthur is afgedaald en daarom beschrijft hij de liefde tusschen Tristan en Isolde als eene van die zondige verhoudingen, waartoe het slechte voorbeeld van Lanceloet en Ginevra aanleiding had gegeven. Dat hij het noodig heeft gevonden om daartoe eene der schoonste en teederste liefdesgeschiedenissen, die de wereld ooit gekend heeft, te verminken en te bederven, wekt niet alleen onze verbazing, maar ook onze verontwaardiging op.

Twee andere Engelsche dichters hebben in de afgeloopen eeuw [193]de liefde van Tristan en Isolde bezongen: Matthew Arnold in zijn gedicht: “Tristram and Iseult” en Algernon Charles Swinburne in “Tristram of Lyonnesse”. Onder hun bijna overeenstemmende titels vertoonen deze beide gedichten groote verschilpunten, die te verklaren zijn uit den verschillenden aanleg der beide dichters. Arnold’s gedicht is slechts een fragment; het beschrijft de laatste levensdagen van den held in zijn eenzaam slot aan de kust van Bretagne, de komst van Isolde van Ierland, het sterven der beiden en het eenzaam achterblijven der jonge weduwe: Isolde van Bretagne. Zijne opvatting van het oude verhaal wijkt af van die, welke algemeen door de dichters gehuldigd is. Arnold’s strenge opvatting van ’s menschen zedelijke plichten maakt het hem onmogelijk om deelneming te gevoelen voor het lijden en de smart der beide gelieven, zijne sympathie is geheel aan de zijde der andere Isolde, die hij beschrijft als eene zachte, teedere vrouw en eene liefhebbende moeder voor hare twee kinderen. Arnold’s pessimistische levensbeschouwing draagt er toe bij, dat hij ons niet den tijd voor oogen voert, toen de liefde het leven van Tristan en Isolde ondanks al hunne moeilijkheden tot iets schoons en heerlijks maakte, maar veeleer hun treurig einde toont als een bewijs, waartoe de mensch gedreven wordt, die zijne lusten en begeerten den vrijen teugel laat.

Geheel verschillend van opvatting is Swinburne’s “Tristram of Lyonesse”. Het gedicht bestaat uit negen zangen, voorafgegaan door eene inleiding, eveneens in dichtmaat, welke ons eene verheerlijking der liefde geeft.

Het gegeven is er een, dat bij uitstek geschikt is om door dezen dichter bezongen te worden. Met wellust stort hij er al den gloed en kleurenrijkdom van zijn woordenschat, de verrassende schoonheid zijner beeldspraak op uit. Het gedicht begint met Tristan’s reis van Ierland naar Cornwallis; van wat er daarvóór is geschied hooren wij niets, al de belangstelling van den lezer wordt samengetrokken op de liefdesgeschiedenis van den held. In regels van groote schoonheid beschrijft hij de [194]gevoelens der verschillende hoofdpersonen en door alle gebeurtenissen heen voelen wij hoe de invloed van den noodlottigen liefdesdrank hen voortdrijft door een leven van lijden en smart naar een ontijdigen dood, uiting van Swinburne’s fatalisme. Door het gansche gedicht klinkt als een achtergrond voor den zielestrijd der beide gelieven het ruischen der machtige zee, die de dichter boven alles liefhad. Dat hij dit motief telkens en telkens weer in zijn werk bezigt, is niet meer dan natuurlijk, want de zee speelt eene groote rol in het drama van Tristan en Isolde. Daarom is het zeer goed gezien van Swinburne, dat hij hen ten slotte laat rusten in den schoot der golven, grootscher en waardiger rustplaats zouden wij ons moeilijk kunnen voorstellen.

Voor een laatsten blik op het leven van onzen held keeren wij een oogenblik terug naar Frankrijk, het land, waar zijne lotgevallen voor het eerst werden bezongen. In 1900 verscheen aldaar een werk geschreven door denzelfden Joseph Bédier, wiens naam hierboven reeds meermalen vermeld werd, hetwelk een ieder in staat stelt de schoonheid der oude legende volop te genieten. De schrijver heeft getracht, en is er meesterlijk in geslaagd, om uit de verschillende middeleeuwsche fragmenten een proza-roman samen te stellen, geschreven in hedendaagsch Fransch, maar in den geest der oude tijden. Wie het werk niet kent, herstelle dit verzuim zoo spoedig mogelijk, want de schoone taal en inhoud maken het lezen ervan tot een hoog genot.11

Het boek bevat eene voorrede van Gaston Paris, waarin de belangstellende lezer eene uiteenzetting vindt van de wijze, waarop het werk tot stand is gekomen. Naar die inleiding verwijzen wij ook diegenen, die een antwoord verlangen op onze tweede vraag, waarom deze legende, meer dan alle andere verhalen uit vervlogen tijden, de bewondering der menschen telkens weder opnieuw [195]voor zich heeft weten te winnen. Wie zou hare zaak waardiger en schooner weten te bepleiten dan de man, die zich zoo zeer beijverd heeft om haar aan de vergetelheid te ontrukken en de belangstelling zijner tijdgenooten voor haar wakker te maken?


In de volgende bladzijden wordt de Tristan-sage in hoofdzaak weergegeven, zooals zij in de gedichten van Thomas en diens navolgers te vinden is.

De beschrijving, hoe Tristan, als nar vermomd, na zijn huwelijk naar Tintagel terugkeert, om Isolde nog eenmaal te zien, is eene toevoeging uit andere bron; dit feit wordt slechts vermeld in twee episodische gedichten, in het werk van Eilhart von Oberge en in den proza-roman. [196]


1 Deze ontdekking hebben wij te danken aan een Duitsch geleerde: Professor Heinrich Zimmer. Vgl. zijn artikel, getiteld: “Zur Namenforschung in den Altfranzösischen Arthurepen”. (Zeitschrift für franz. Sprache und Litteratur, t. XIII, p. 57 ss.). Zijne studies over dit onderwerp werden voortgezet door Ferdinand Lot, in: Etudes sur la provenance du cycle Arthurien (Romania XXIV et XXV).

2 Hieruit blijkt, dat reeds in den tijd der Triaden, die geacht worden zeer oude overleveringen te bevatten, de naam van Tristan verbonden was met dien van koning Arthur. Ook in “The Dream of Rhonabwy”, een der oudste verhalen uit den “Mabinogion”, dat ontstaan moet zijn vóór de Normandische invloed zich deed gelden, komt onze held voor als een der raadgevers van koning Arthur.

3 Hij beroept zich op het verhaal van een zekeren Bréri, die kende:

”—les gestes et les cuntes

de tuz les reis de tuz les cuntes

qui orent esté en Bretaingne.”

Deze Bréri is niemand anders dan Bledhericus, de beroemde sagenverteller uit Wallis, die door Giraldus Cambrensis in zijn werk: “Descriptio Cambriae” wordt genoemd. Zie voor nadere bizonderheden de noot voorkomend in de Inleiding tot de Sage van Parcival. Zie ook wat Gaston Paris en Ferdinand Lot over dezen Bréri schreven in Romania VIII p. 425 en Romania XXVIII p. 336.

4 Deze fragmenten, acht in getal, vormen de overblijfselen van vijf afschriften van het werk van Thomas. Verscheidene dekken elkaar en alle hebben zij betrekking op de laatste levensjaren en den dood van den held. Zij bevatten ruim 3000 regels en worden verondersteld, een zesde uit te maken van het oorspronkelijk geheel.

5 Twee andere Duitsche dichters hebben getracht het te voltooien, aan de hand van het Fransche origineel. Het zijn: Ulrich von Türheim en Heinrich von Freiburg, welke laatste er een aantal episoden aan toevoegde, die verband houden met het hof van koning Arthur.

6 Hoofdstuk 63–67.

7 Voor eene verdere vergelijking tusschen “Cligés” en “Tristan-romans” verwijs ik den lezer naar het artikel van Prof. A. G. van Hamel in “Romania” XXXIII (1904) p. 465 ss., hetwelk in het Hollandsch is verschenen in Taal en Letteren, Juni 1904.

8 Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.

9 Bovendien bezitten wij nog aanwijzingen omtrent een verloren geraakt gedicht, waarvan alleen de naam van den schrijver: Le Kiévre is bewaard gebleven.

10 Dit kan gedeeltelijk te wijten zijn aan den invloed der beroemde satire van Cervantes.

11 “Le Roman de Tristan et Iseut”, traduit et restauré par Joseph Bédier, Parijs 1901. Hier zij tevens melding gemaakt van de fraaie Nederlandsche vertaling door wijlen Dr. Marie Loke, lectrice a.d. Rijksuniversiteit te Groningen, waarvan eenigen tijd geleden een herdruk verscheen in de bekende serie der Wereldbibliotheek.

[Inhoud]

DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.

“Iseult ma drue, Iseult m’amie,

En vus ma mort, en vus ma vie.”

(Thomas: “Roman de Tristan”).

Ornamentale leeuw.

Ornamentale planten.

Hoe graaf Rivalin van Ermonie naar het hof van koning Mark kwam, om zich de hoofsche gebruiken eigen te maken. Lange jaren geleden leefde er in Ermonie, eene landstreek van het hertogdom Bretagne, een jong en dapper edelman, Rivalin genaamd. Ondanks zijn jeugdigen leeftijd werd hij alom geprezen als een toonbeeld van ridderlijke deugden en vele ridders trokken op naar zijn burcht, om onder zijne leiding zich te bekwamen in de kundigheden, die het een ridder past, zich eigen te maken. Behalve over het erfdeel zijner vaderen, voerde de jonge graaf het bestuur over een aanzienlijk grondgebied, dat behoorde aan zijn leenheer, hertog Morgan. Deze laatste nu werd door het gansche volk gehaat en gevreesd om zijne hardheid en wreedheid, geen wonder dus dat Rivalin steeds op middelen zon, om zich van den drukkenden last van zijn leenmanschap te bevrijden. Toen hij daarom den volwassen leeftijd had bereikt en zag, hoe zijne ridders en dienaren hem aanhingen in trouw en genegenheid, besloot hij eene kans te wagen om dien gehaten druk van zijne schouders te werpen. In alle stilte maakte hij zich op ten strijde en toen hij de kans schoon zag, deed hij geheel onverwachts een inval in het land van hertog Morgan. Zoozeer waren zijne volgelingen bezield met moed en bewondering voor [197]hunnen jongen heer en zóózeer haatten zij den boozen hertog, dat de in aantal veel sterkere strijdkrachten van dezen laatste in verwarring op de vlucht sloegen voor hun onstuimigen aanval. Weldra was Rivalin met zijn leger genaderd tot voor de poorten der hoofdstad en hertog Morgan, wilde hij eene smadelijke overgave voorkomen, moest wel toestemmen in de voorwaarden, die zijne belegeraars hem oplegden. Uiterlijk kalm, maar inwendig kokend van woede en wraaklust, teekende hij het gezegeld document, dat Rivalin’s onafhankelijkheid bekrachtigde. Daarop trok deze met zijn leger terug naar Ermonie, waar hij met gejuich en eerbetoon door het volk begroet werd.

Na eenige jaren rustig over zijn land geregeerd te hebben, voelde Rivalin een drang in zich ontwaken, om de wereld in te trekken en vreemde landen en volkeren te leeren kennen. Hij gevoelde zich beklemd door de enge grenzen van zijn graafschap en eene kwellende onrust maakte zich meester van zijn gemoed, waar tot heden slechts geluk en tevredenheid hadden gezeteld. De hulde en eerbied van zijne onderdanen voldeden hem niet langer; het verdroot hem om steeds de eerste te zijn, voor wien alles zich boog in nederige onderworpenheid, ook hij wilde op zijne beurt dienen, maar dan één, die hooger, machtiger en sterker was dan hij.

Daarom besloot hij het bestuur over zijn land voor eenigen tijd toe te vertrouwen aan Rohand, zijn trouwsten dienaar en zich met eenige volgelingen op reis te begeven naar het rijk van koning Mark van Cornwallis, aan wiens hof, zoo zeide men, de dapperste ridders ter wereld te vinden waren.

Hij koos dus een twaalftal zijner meest geliefde ridders uit en beval hen, zich reisvaardig te maken, tevens liet hij een schip uitrusten en bevrachtte het met eene lading van kostbare geschenken. Op een mooien lentemorgen ging het gezelschap aan boord en stevende met een gunstigen wind de haven uit. Na eene voorspoedige zeereis kondigden de wachters tegen het vallen van den avond aan, dat er land in ’t zicht was, men liet [198]het anker vallen, daar het onmogelijk was om in de vallende duisternis eene veilige landingsplaats te vinden, en eerst den volgenden morgen vroeg werd de reis voortgezet.

Steil en ongenaakbaar rezen de hooge rotsen van Cornwallis omhoog uit de zee, die zich als een onmetelijk blauw vlak tot aan den horizon uitstrekte. Geen windje beroerde den waterspiegel, slechts aan den voet der grijze rotswanden krulde een witte rand schuim. Hoog boven de zee op een der hoogste klippen, wier wanden schier loodrecht uit het water oprezen, lag het kasteel van Tintagel, waar koning Mark den langsten tijd van het jaar verblijf placht te houden. Trotsch en ontoegankelijk als de rots, waarop het rustte, bood het slot inderdaad eene geschikte woning aan voor een machtig vorst. De hooge muren waren opgetrokken uit den grijzen rotssteen, waarmede zij één geheel schenen uit te maken, de smalle vensters waren verscholen in diepe nissen en reeds bij den eersten aanblik zag men, dat noch de woede der elementen, noch de stormrammen van vijandelijke aanvallen in staat zouden zijn, om deze muren te doen bezwijken.

Eerbiedig staarden de schepelingen omhoog naar het fiere slot, van welks hoogsten toren de koninklijke standaard uithing. Nadat zij eenigen tijd heen en weer gekruist hadden, bemerkten zij, hoe op één punt, waar de rotsen een natuurlijken inham vormden, eene breede trap was uitgehouwen, welke toegang tot het kasteel scheen te verleenen. Weldra lag het schip voor anker en zond Rivalin twee boodschappers omhoog, die koning Mark zijn bezoek moesten aankondigen. Na verloop van eenigen tijd keerden zij terug, gevolgd door een aantal ridders, die den jongen graaf op de meest hoffelijke wijze verzochten, hen naar den koning te volgen.

Gaarne gaf Rivalin gehoor aan dat vriendelijke verzoek en steeg met zijne begeleiders langs de breede trappen omhoog. Hoe klopte daarbij zijn hart van vreugdevolle verwachting, nu hij op het punt stond zijne droomen en verlangens der laatste jaren in vervulling te zien gaan!

Op het ruime voorplein van het koninklijk slot stond een uitgelezen [199]gezelschap van hovelingen en ridders geschaard om den jongen koning, wiens tengere gestalte gehuld was in een ruim kleed van purperen zijde. Zijne gelaatstrekken waren scherp en onregelmatig, onder de zware, donkere wenkbrauwen lichtten de oogen met een onrustigen glans en om de smalle lippen speelde een weemoedige glimlach. Eerbiedig naderde Rivalin zijn koninklijken gastheer, wiens roem ook tot zijn afgelegen graafschap was doorgedrongen. Dit was dus koning Mark, hij, van wiens dapperheid en moed de rondreizende zangers plachten te gewagen en wiens hoffeesten zij in hunne gedichten in gloeiende kleuren bezongen.

In leeftijd verschilde hij niet veel van Rivalin, maar toch groefden zich reeds diepe lijnen om den mond van den jongen vorst, die schenen aan te duiden, dat eene kroon soms zwaarder drukken kan, dan men wel zou gelooven en dat de strijd en de zorgen van het leven ook een koning niet bespaard blijven. Thans echter, nu hij naar voren trad om zijn gast te begroeten, verdreef een vriendelijke glimlach den bitteren trek van Mark’s gelaat en zijne stem klonk opgewekt, toen hij Rivalin welkom heette in zijn kasteel.

Half beschroomd, half vrijmoedig, verhaalde deze toen, wat de reden was van zijne komst. Hij zeide, dat hij niet langer tevreden was geweest met de trouwe onderdanigheid zijner landgenooten, omdat zijne ziel wegkwijnde van verlangen naar ruimer landstreken, waar hij zich het gezelschap van dapperder, wijzer en hoffelijker mannen dan hij was, ten nutte zou kunnen maken.

Toen hij ophield met spreken, voerde Mark hem aan de hand naar binnen in het slot en verzocht hem aan zijne zijde plaats te nemen. Op een wenk van Rivalin droegen toen zijne dienaren de koffers met geschenken naderbij, die hij van zijn land had medegebracht. Gehoor gevend aan zijn bevel, stalden zij een schat van kostbare voorwerpen aan de voeten des konings uit: rijk geborduurde mantels en zijden stoffen; kannen en drinkbekers van het zuiverste goud; zwaardscheeden, bezet met fonkelende edelsteenen, alles hoopte zich op tot eene glinsterende [200]massa. Nadat de vorst zijne keuze gedaan en den gever zijn minzamen dank betuigd had, deelde Rivalin met kwistige hand de overigen geschenken uit onder de aanwezige vrouwen en ridders en deze mildheid, gevoegd aan het vriendelijk bescheiden optreden van den jongen graaf deden hem terstond een gunstigen indruk maken bij de volgelingen des konings. Met algemeene instemming begroetten zij dan ook Mark’s uitnoodiging aan Rivalin, om voor onbepaalden tijd op het slot te gast te zijn.

De weken vlogen om en allengs begon men toebereidselen te maken voor het Meifeest, dat steeds met grooten luister aan het hof gevierd werd. Naar alle zijden waren uitnoodigingen verzonden om de ridders op te wekken tot deelname aan het steekspel, dat de hoofdgebeurtenis der feestelijkheden was. Ten einde hierin uit te blinken oefenden de hovelingen zich iederen dag op het voorplein van het kasteel, waar zij door proeven in het schijfschieten en speerwerpen hun oog vast en hunne spieren krachtig en los poogden te maken. Rivalin was met hart en ziel betrokken bij de voorbereidselen tot dit groote feest; zijn vurigste wensch was om zich in het komende steekspel te onderscheiden en onvermoeid begaf hij zich elken dag opnieuw naar het terrein, waar de oefeningen gehouden werden. Wanneer hij dan des avonds met de andere ridders tezamen zat in de ruime slotzaal, schitterden zijne oogen van kracht en levenslust, een blos van gezondheid kleurde zijne wangen en zijn scherts en vroolijkheid sleepten het gansche gezelschap mede. Menige verstolen blik werd hem toegezonden vanuit den hoek der zaal, waar de edelvrouwen bijeen zaten, maar geene, die zóó vaak en zóó lang naar hem keek als Blanchefleur, de zuster des konings.

Fijngebouwd en slank was zij, de jonge prinses, en donker van haar, gelijk haar broeder, maar hare gelaatstrekken waren zacht en vriendelijk en hare oogen spiegelden in hunne kalme onschuld de reinheid harer ziel. Na den vroegtijdigen dood harer ouders, die zij nauwelijks gekend had, leefde zij aan het hof van haren broeder, waar zij in onbezorgde tevredenheid hare kinderjaren [201]gesleten had onder de trouwe zorg harer voedster. Steeds was zij gelukkig en tevreden geweest en had zij voldoening gevonden in de kalme genoegens van haar afgezonderd bestaan: de lange ritten te paard aan de zijde van haar broeder, die meestal zwijgend voor zich uitstaarde en haar vroolijk gepraat maar half scheen te hooren; het balspel in de tuinen van het kasteel met hare vrienden en vriendinnen, die de koning zorgvuldig voor haar uitkoos onder de jongere leden der hofhouding en—waar zij misschien nog ’t meest van genoot—de lange winteravonden, als zij in haar torenkamertje zat en luisterde naar de verhalen uit lang vervlogen tijd, die hare trouwe verzorgster haar placht te vertellen. Dan, terwijl de wind gierde en raasde om de muren van den ouden toren, terwijl de meeuwen krijschten en de golven tegen de rotsen van Tintagel beukten, zat Blanchefleur aan de voeten der oude vrouw en luisterde in gespannen aandacht naar de wonderverhalen over lang gestorven ridders en hunne geliefden. Wanneer de vertelster zich dan uitputte in wijdloopige beschouwingen over de ongehoorde dapperheid en volmaaktheid harer helden, gebeurde het wel eens, dat de gedachten van het jonge meisje afdwaalden naar de toekomst, waarin ook zij woorden van liefde zou hooren uit den mond van een schoon en edel ridder, die om harentwil zou wenschen uit te blinken door daden van grooten moed.

Zoo waren hare kinderjaren verloopen en nu was zij volwassen en sinds eenigen tijd had haar broeder haar toegestaan, om deel te nemen aan het hofleven met zijne feesten en partijen. Van het oogenblik af, dat zij voor de eerste maal, schuchter en blozend, aan de hand des konings in het openbaar was verschenen, had men haar gehuldigd zooals men dat aan haren rang verschuldigd was, maar het duurde niet lang, of zij had bovendien aller harten gewonnen door hare eenvoudige lieftalligheid. Spoedig waren van wijd en zijd mededingers naar hare hand komen opdagen, maar tot nu toe had zij ze allen vriendelijk, maar beslist afgewezen. Zij voelde zich volmaakt gelukkig in het slot te Tintagel, waar [202]iedereen zich vriendelijk en welwillend jegens haar betoonde en waar zij in kalme tevredenheid voortleefde, bewaakt en verzorgd door de vrienden harer kindsheid.

Maar vreemd, sinds eenigen tijd scheen het, of die rust en kalmte haar niet langer bevredigden. Wanneer zij met haar borduurraam was gezeten onder de groote boomen van het slotpark, dat aan de achterzijde van het kasteel langs de berghelling omlaag glooide, en luisterde naar de eentonige stem harer voedster, die de levensgeschiedenis van den een of anderen heilige voorlas, gebeurde het soms, dat zij, gedreven door een plotselingen tegenzin, het werk van haar schoot wierp, in eene bui van uitgelatenheid de arme vrouw om het middel greep en een wilden rondedans met haar uitvoerde. Dan weer kon zij urenlang met de handen in den schoot zitten peinzen, zij, die anders de ziel van het gezelschap was. Hare vrienden en bloedverwanten verbaasden zich weliswaar over de verandering, die in Blanchefleur had plaatsgegrepen, maar schreven die toe aan uiterlijke omstandigheden, zonder de ware oorzaak te vermoeden. Ook het jonge meisje zelve verkeerde daaromtrent geheel in ’t duister, zij gaf zich geen rekenschap van wat er in haar omging en liet zich slechts gaan op de stemming van het oogenblik.

Zoo brak de morgen van den eersten Meidag aan, den dag, waarop het groote steekspel zou beginnen. De rotsen van Tintagel baadden zich in het heldere morgenlicht, de zon goot hare stralen over den helderblauwen zeespiegel en over de groene weiden, die tusschen de rotsen waren gelegen, boven de glinsterende golfjes en tegen de kale rotswanden zwenkten de zeevogels en in de omgeving van het koninklijk slot heerschten leven en bedrijvigheid. Het middelpunt van al die ongewone drukte op dit vroege morgenuur was een groot veld, dat op eenigen afstand van het kasteel op de hoogvlakte lag. Daar draafden en zwoegden de knechten en werklieden, om het terrein voor het steekspel in gereedheid te brengen; daarheen begaven zich ook de poorters van de naburige kasteelen, die met hunne gezinnen naar het [203]schouwspel kwamen kijken. In het midden van het veld was een vierkant stuk land opengehouden, dat als strijdperk dienst zou doen, terwijl aan alle klanten eene flinke ruimte voor de toeschouwers beschikbaar bleef. In die ruimte, langs één der zijden van het strijdperk, werden de tenten opgeslagen voor de leden der hofhouding. In het midden prijkte die van den vorst, waar het purperen tentdoek het koninklijk wapen, in goud geborduurd, te zien gaf, aan weerszijden stonden de tenten der ridders en hovelingen. Toen te twaalf ure de herauten het sein gaven, dat de strijd zou beginnen, had zich eene dichte haag van toeschouwers rondom het strijdperk opgesteld en ook bij de tenten der hofhouding was het een gekrioel van belang. De edelvrouwen hadden zich op het gras buiten hare tenten neergezet en geleken in hare kleurige kleederen op bontgetinte bloemen. De ridders, die niet aan het tournooi deelnamen, of die eerst later op den middag in het perk zouden treden, hadden zich aan hare voeten uitgestrekt en poogden door onderhoudende scherts hare gunsten te winnen. Hier en daar schoolden eenige jonge knapen bijeen en bespraken ijverig de kansen der strijdenden, of betastten de wapenrusting der ridders met een gevoel van naijver en bewondering. Dichtbij de koninklijke tent troonde Blanchefleur temidden harer vrouwen. Nooit had de jonge prinses er schooner en lieftalliger uitgezien dan op dezen dag, nu de opwinding over den komenden strijd hare wangen zachtrood kleurde en hare oogen heller deed glanzen. Hare donkere lokken werden bijeengehouden door een krans van witte rozen en een tuiltje van dezelfde bloemen stak tusschen de plooien van haar lichtgroen kleed. Vroolijk praatte en lachte zij met hare vriendinnen; alle onrust en neerslachtigheid schenen uit hare ziel verdwenen te zijn. Indien hare oogen ook gedurig afdwaalden naar het strijdperk, vanwaar het gekletter der wapenen en het gestamp der paardehoeven tot haar doordrong, welnu, dan was dit toch slechts eene zeer verklaarbare belangstelling in den strijd, die aller aandacht vroeg en gold die belangstelling ook niet alle dappere helden, die eraan deel namen? [204]Zoo sprak en redeneerde het jonge meisje met zich zelve en wilde het zich niet bekennen, dat hare oogen onder de strijdenden slechts één ruiter zochten, dat hare ooren onder de uitroepen, waarmede de omstanders de vechtende ridders poogden aan te moedigen, slechts één naam onderscheidden, dien van Rivalin van Ermonie. Zij wilde zich verzetten tegen dien onweerstaanbaren drang van haar hart, die haar dwong om bij een jachtrit haar paard te sturen in de richting van het zijne, om zijne meening te stellen boven die der andere ridders en die haar elk feest, elk samenzijn doodsch en vervelend deden voorkomen, wanneer hij daarbij niet aanwezig was. En toch, naarmate de strijd in hevigheid toenam en ook het gevaar voor de deelnemers grooter werd, kon zij hare aandacht al minder en minder bepalen bij de luchtige gesprekken der toeschouwers. In angstige spanning hingen hare oogen aan die ééne ridderfiguur, wier wuivende vederbos hoog boven de verwarde kluwen van vechtende edellieden uitstak. Wanneer hij een oogenblik door de opjagende stofwolken aan het oog onttrokken werd, kromp haar hart ineen van angstige pijn en ademde zij eerst weer verruimd op, wanneer zij hem nog ongedeerd te paard bespeurde. Wat zij de laatste weken als eene kwellende onrust gevoeld en bestreden had, werd haar met het verstrijken der uren allengs duidelijker. Als eene heldere zekerheid drong zich de wetenschap aan haar op, dat zij dezen man lief had, zóó lief, dat, wanneer hij in den strijd den dood mocht vinden, het leven voor haar alle waarde verloren zou hebben.

Ten slotte was het gevecht beslist en onder de luide juichkreten der omstanders verliet Rivalin als overwinnaar het strijdperk. Minzaam buigend nam hij de huldebewijzen in ontvangst, en hoewel zijn hart onstuimig klopte van trots en voldoening, bleef zijn optreden kalm en bescheiden. Toen hij uit de handen des konings den kostbaren gouden beker in ontvangst had genomen, die als prijs voor den overwinnaar was uitgeloofd, moest hij op weg naar zijne tent voorbij de plek komen, waar Blanchefleur gezeten was. Een regen van bloemen begroette hem, toen hij [205]langs de groep van edelvrouwen ging en Blanchefleur, die hem in spanning had zien naderen, riep hem toe, half ernstig, half schertsend: “Heil u! overwinnaar, die den sterksten onder onze ridders te sterk is geweest! Vóór gij echter verder gaat, zeg mij één ding, waarom gij mij, arme, zwakke vrouw hebt willen kwetsen?” “Ik u kwetsen!” herhaalde Rivalin op verbijsterden toon, “wanneer en hoe zou ik dat gedaan hebben? Spreek, zoo bid ik u en zeg mij, hoe ik dit kwaad, zoo ik het wellicht onbewust bedreven heb, ongedaan kan maken!” “Het kwaad is geschied”, hernam Blanchefleur, “en geene macht ter wereld kan het ongedaan maken, maar let niet op mijne woorden, en ga kalm uws weegs. God zegene en behoede u!” Deze laatste woorden sprak zij op zachten, innigen toon, daarop boog zij het hoofd en Rivalin reed verder. Het was den jongen graaf, alsof hij droomde. Wat kon wel de beteekenis zijn van deze geheimzinnige woorden, waarin kon hij de prinses, zij die in zijne oogen boven alle vrouwen uitstak in liefelijke bekoorlijkheid, gekwetst hebben? En dan die zegewensch, op zoo teederen toon uitgesproken, die bijna klonk als een afscheid! Peinzend ontdeed Rivalin zich van zijne wapenrusting, en zijne vrienden, die naar de tent waren gekomen om hem met zijne overwinning geluk te wenschen, vonden hem verstrooid en afgetrokken.

Van dien dag af zocht Rivalin bij alle voorkomende gelegenheden het gezelschap van Blanchefleur en het duurde niet lang, of de eerbiedige bewondering, welke hij voor de schoone prinses koesterde, groeide aan tot liefde. Nog werd er tusschen hen met geen woord gesproken over den aard hunner gevoelens, maar nochtans wisten beiden met stellige zekerheid, dat hunne harten elkaar toebehoorden. Elke blik, elk woord, dat zij wisselden, kreeg eene nieuwe, diepere beteekenis en zoo leefden zij voort in een schoonen droom, zonder er zich rekenschap van te geven, dat op elken droom, hoe schoon hij ook zijn moge, een ontwaken volgt.

Ook bij hen bleef dit niet uit.

Eens op een dag werd koning Mark ontsteld door het bericht, dat een zijner machtigste vijanden een verraderlijken inval in zijn [206]land had gedaan, waar hij alles verwoestte, wat hem in den weg kwam. Indien de koning niet spoedig ingreep, zouden een groot aantal zijner onderdanen gedood en het grootste deel zijner bloeiende steden en dorpen in de asch gelegd worden. Met bekwamen spoed liet de vorst alles voor den veldtocht in gereedheid brengen en begaf zich in allerijl op weg om den indringer te weerstaan. Onder de ridders, die zich vol geestdrift hadden aangemeld om aan den komenden strijd deel te nemen, bevond zich ook Rivalin. Hij was het, die door zijne onweerstaanbare geestdrift de anderen wist te bezielen, en die zich, toen het tusschen de beide legers tot een treffen kwam, zonder aarzelen in het dichtst van het strijdgewoel waagde. Na een heet gevecht, hetwelk den ganschen dag duurde, slaagde het leger van koning Mark er in, om den vijand tot de vlucht te nopen. Een tijdlang zetten de ridders de vervolging voort, aangevoerd door Rivalin, en ziet, juist op het oogenblik, dat zij terug wilden keeren, trof een der door de vluchtenden achterwaarts geschoten pijlen, den jongen graaf in de borst. Doodelijk gewond stortte hij van zijn paard op den grond, hij, wiens leven den ganschen dag als door een wonder gespaard was gebleven.

In een oogwenk werd hij omringd door zijne vrienden, die hem voorzichtig opbeurden en hem, in zijn mantel gewikkeld, naar het slot van Tintagel terugdroegen. Daar heerschte inmiddels reeds eene feestelijke stemming over den goeden uitslag van den veldslag. In klinkende feestredenen en schallende krijgsliederen werd de overwinning gevierd, en de stemming werd steeds uitgelatener. In hun overwinningsroes vergaten de feestvierenden allengs hen, die in den strijd het leven hadden gelaten en ook over het lot der gewonden en stervenden bekommerden zij zich weinig. In een klein vertrek, in een afgelegen vleugel van het groote kasteel, lag Rivalin, verpleegd door een trouwen dienaar, te strijden met den dood. Zijn lichaam brandde van den koortsgloed, zijn hoofd bonsde en klopte en zijn adem kwam hijgend en moeilijk. Dof staarden zijne oogen voor zich uit en tevergeefs beproefde hij zich in de herinnering te roepen, wat er met hem geschied was en [207]wat de oorzaak was van deze duldelooze pijnen. Maar hij was het niet alleen, die uren van foltering doorleefde. In haar hooggelegen torenvertrek zat Blanchefleur en wrong hare handen in wanhoop. Toen zij Rivalin niet zag terugkeeren in den stoet van zegevierende ridders, was haar hart samengekrompen van angst en vrees, maar zij had zich staande weten te houden en eerst toen zij volkomen zekerheid had over het lot van haren geliefde, was zij heengevlucht naar hare eigen vertrekken om daar, waar zij hare schoonste toekomstdroomen gedroomd had, nu hare bitterste droefheid uit te weenen.

In den dollen feestroes had men hare afwezigheid niet opgemerkt en zoo kon zij dus ongestoord hare smart den teugel vieren en peinzen, wat haar te doen stond. Dat er voor Rivalin geene hoop op herstel was, had zij maar al te goed begrepen uit de berichten, die zij van de terugkeerende strijders vernomen had, en dus zou zij hem voortaan moeten missen, hem, die het geluk in haar leven had gebracht. Wat haar het meeste kwelde, was de gedachte, dat zij het hem nooit had gezegd en het hem nu ook nooit meer zou kunnen zeggen, hoeveel hij voor haar geweest was en dat hij aldus heen zou gaan met slechts eene vage hoop in ’t hart, dat hare liefde hem toebehoorde. Maar neen, dat was niet noodig! Nog leefde hij en daarom, vóór hij stierf en haar achterliet in eene wereld, waaruit alle zon en glans voorgoed verdwenen zouden zijn, kon zij hem nog zeggen, hoezeer zij hem liefhad en hoe haar gansche wezen hem voor altijd, ook na zijn dood, zou toebehooren. De grootste spoed was echter vereischt, elk oogenblik kon de dood hem aan haar ontnemen; daarom was er geen oogenblik te verliezen. In koortsachtige haast sloeg het jonge meisje zich een wijden, donkeren mantel om de schouders, die hare lichte feestkleederen geheel bedekte, daarop riep zij eene trouwe dienares en beval deze met haar mede te gaan en haar te brengen naar de plaats, waar men den gewonden graaf had nedergelegd. Als twee donkere schimmen gleden de beide vrouwen door de gangen van het kasteel en kwamen weldra aan de deur van het vertrek, vanwaar het kreunen van den stervende [208]tot haar doordrong. Blanchefleur gebood toen hare dienares om naar binnen te gaan en alle aanwezigen uit de kamer te verwijderen, onder voorwendsel, dat de prinses den held van dien dag alleen wenschte te spreken, om hem vóór zijn dood dank te zeggen voor wat hij gedaan had. Tegen den deurpost geleund, met kloppend hart en bevend over al hare leden wachtte Blanchefleur tot de deur opnieuw openging en hare dienares haar wenkte om binnen te treden. Even daarna was zij met den gewonde alleen. Een oogenblik staarde Blanchefleur in bange onzekerheid naar den hoek van het vertrek, vanwaar het zwakke gekreun tot haar doordrong en waar zij in het bleeke maanlicht, dat door de hooge vensters in het vertrek binnendrong, de gestalte van Rivalin ontdekte, uitgestrekt op eene smalle legerstede.

Het volgend oogenblik lag zij naast hem op de knieën, hare handen in de zijne en poogde door woorden van innige teederheid hem als het ware in het leven terug te roepen. En ziet, het was of hare stem inderdaad eene toovermacht bezat, die den held belette de grenzen te overschrijden van die duistere vallei, waaruit niemand terug kan keeren. Reeds bij de eerste woorden, die zij sprak, kwam er een glimp van bewustzijn in de oogen van den lijder, zijn adem werd rustiger en zelfs voelde Blanchefleur, hoe hij, schoon zacht, den druk van hare handen poogde te beantwoorden. Haast buiten zich zelve van vreugde, wist het jonge meisje zich toch in zooverre te beheerschen, dat zij alle middelen aanwendde, om dit vonkje van opflikkerende levenskracht aan te wakkeren. Zij goot den zieke een teug versterkenden wijn tusschen de tanden, zij wreef zijne slapen en handen om het langzaam stroomende bloed in snellere beweging te brengen en zij wiesch zijne wonden met een pijnstillend middel, van wonderbaarlijke genezingskracht, waarvan het geheim slechts aan weinigen bekend was. Spoedig reeds werd hare moeite beloond, Rivalin’s blik werd helderder en na eenige oogenblikken drong het licht van blijde herkenning de laatste nevelen van zijne oogen terug. Met een kreet van: “Liefste, gij hier!” strekte hij de armen uit [209]naar het jonge meisje, dat eenige schreden van het bed was teruggetreden en toen zij zich, half schuchter, half toegevend aan een innerlijken drang over hem heenboog, trok hij haar tot zich omlaag in eene hartstochtelijke omarming. Zoo vierden zij in den nacht, die zijn stervensnacht had dreigen te worden, het feest hunner liefde. Eerst tegen den morgen sloop Blanchefleur door het slapende slot naar hare eigen vertrekken terug.

De bezielende kracht der liefde had Rivalin in het leven gehouden; rust en eene goede verpleging deden het overige, zoodat hij na eenige weken weer geheel hersteld was. Toen volgden vele maanden van stil genieten voor de beide jonge menschen. In alle heimelijkheid—want niemand was er, die hun zoet geheim vermoedde—kwamen zij samen en steeds weer vonden zij nieuwe bekoring in elkanders gezelschap, telkens weer ontdekten zij nieuwe woorden om elkander hunne liefde toe te fluisteren. Zij leefden slechts in het heden; aan de toekomst, aan Rivalin’s plichten tegenover zijn land en volk en aan de gevoelens van koning Mark, wanneer hij het geheim hunner verhouding zou ontdekken, dachten zij niet, tot eindelijk de werkelijkheid hen met harde hand uit hun zoeten droom deed ontwaken.

Ornamentale draak.

Hoe Rivalin naar zijn land wordt teruggeroepen en van de geboorte van Tristan. Op een schoonen morgen landde een schip uit Frankrijk aan de rotsen van Tintagel, waarop zich eenige boodschappers uit Ermonie bevonden. Zij zeiden gewichtige mededeelingen te brengen aan graaf Rivalin en in het hun toegestane onderhoud meldden zij hem dan ook de onrustbarende tijding, dat hertog Morgan met een groot leger zijn graafschap was binnengedrongen, om zich over de hem aangedane beleediging [210]te wreken. Er stond onzen held niets anders te doen dan zich in aller ijl voor de thuisreis gereed te maken en afscheid te nemen van zijn koninklijken gastheer en al degenen, die hem in de maanden van zijn verblijf aan het hof tot trouwe vrienden waren geworden. Viel hem dit afscheid al niet licht, wie zal zijne gevoelens beschrijven, toen hij zich ten slotte naar het vertrek der prinses begaf, om ook haar vaarwel te zeggen. Blanchefleur wachtte hem geheel alleen in hare kamer; hare oogen waren rood van de tranen, die zij geschreid had, sinds zij het bericht van Rivalin’s vertrek had vernomen. Nu weende zij echter niet meer; in stomme wanhoop lag zij in zijne armen en kon geen woord spreken, zoo werd haar de keel dichtgesnoerd van angst en smart. Rivalin poogde haar te troosten door bezweringen van onwankelbare liefde en trouw; hij beloofde tot haar terug te zullen keeren, wanneer hij in de naderende gevaren het leven mocht behouden en spoorde haar aan, zich dapper te houden, opdat nòch haar broeder, nòch één der hovelingen iets van hare smart zouden bespeuren. Blanchefleur echter bleef als versteend van droefheid onder zijne vurige kussen en teedere woorden en eerst toen hij haar eindelijk bad en smeekte om hem ook eenige woorden van afscheid mede te geven, hief zij het hoofd op en sprak: “Geliefde! meen niet, dat ik als eene zwakke vrouw toegeef aan mijn verdriet, zonder daartegen te strijden; het is niet enkel de smart om uw heengaan, die mij het hart verstijft en het spreken belet, maar wat ik sinds eenigen tijd vreesde, is nu zekerheid geworden. Onze verhouding kan niet langer geheim blijven en de gedachte aan het kind, dat ik in smart en schande ter wereld zal brengen, doet mijne ziel ineenkrimpen van schaamte en wroeging. Wanneer mijn broeder ons geheim ontdekt, wacht u een smadelijke dood en ook mij en ons kind kan de toekomst slechts grondelooze verachting en groote ellende brengen. Daarom, hoeveel het mij ook kost, om u te laten gaan, toch verblijdt mij de gedachte, dat gij althans voor dit vreeselijk lot gespaard zult blijven en in eer en veiligheid naar uw land zult terugkeeren, waar een lang en roemrijk leven uw [211]deel moge zijn. Ik zelve kan slechts afwachten, wat er met mij geschiedt”. Na deze woorden gesproken te hebben, viel zij half bewusteloos in Rivalin’s armen. Deze had in klimmende ontroering toegeluisterd, nu echter overdekte hij haar gelaat en hare gesloten oogen met kussen en riep uit: “Geen gedachte werp ik verder van mij af, dan u hier alleen in het gevaar achter te laten! Wat ge mij verteld hebt, maakt u nog dierbaarder in mijne oogen, dan ge mij reeds waart. Kies! wat wenscht gij? óf wij blijven hier en ik zelve zal naar uw broeder gaan, om hem ons geheim te openbaren en den eersten storm van zijn toorn te trotseeren, of ik neem u mee naar mijn land, waar ik u voor de oogen van geheel mijn volk tot mijne wettige gemalin zal maken en met mijn leven voor uwe veiligheid zal waken! Wat is hierop uwe beslissing?”

Onmogelijk ware het, den indruk te beschrijven, dien Rivalin’s woorden maakten op het hart van Blanchefleur. Het was haar, of wat hij zeide een zwaren steen van haar gemoed wegnam. Weg angst en vrees! in plaats van smaad en verachting, wachtte haar nu een leven vol blijdschap en geluk, aan de zijde van den geliefden man. Zóó groot was de overgang tusschen den stijgenden angst der laatste weken en het geluk van dit oogenblik, dat zij zich moest vastklemmen aan Rivalin, om niet te vallen. Op fluisterenden toon spraken zij nu af, dat Blanchefleur, die heengaan verkoos boven blijven, den avond van Rivalin’s vertrek, hem heimelijk aan boord van zijn schip zou volgen en zoo geschiedde het. Zoodra het duister was gevallen slopen twee gesluierde gedaanten het kronkelend rotspad af, dat langs de klippen omlaag voerde en een oogenblik later werden de zeilen geheschen en verdween het schip in het nachtelijk donker. Groot was de vreugde in Ermonie, toen de tijding van Rivalin’s thuiskomst bekend werd en nog grooter werd zij, toen men vernam, dat de graaf van zijne reis eene schoone jonge vrouw, een prinses van vorstelijken bloede nog wel, had medegebracht.

Alvorens hij uittrok met zijn leger tegen hertog Morgan, liet de graaf in de groote slotkerk op plechtige wijze zijn huwelijk [212]inzegenen en toen hij aldus Blanchefleur voor de oogen der gansche wereld tot zijne vrouw had gemaakt, vertrouwde hij haar toe aan de zorgen van Rohand met de woorden: “Waak over haar, alsof zij uwe eigen vrouw was en mocht mij iets overkomen, wees gij dan haar trooster en beschermer.”

Na een hartroerend afscheid reed Rivalin heen aan het hoofd van zijn leger en nog geen drie dagen later kwam het tusschen hem en hertog Morgan tot een treffen, waarin de laatste de overwinning behaalde. De mannen van Rivalin’s leger vluchtten in wanorde terug naar hunne hoofdstad en helaas! met zich droegen zij het lijk van hun jongen meester.

Wie zal de smart beschrijven van Blanchefleur, toen haar de vreeselijke tijding bereikte? Waar bleven nu al hare droomen van toekomstig geluk? leeg en koud lag het leven voor haar, haar bestaan had allen inhoud verloren, nu Rivalin er niet meer was, om het te vullen. Kreunend van wanhoop lag zij op hare legerstede, half bezwijmd van verdriet. Deze toestand duurde eenige dagen en op den derden dag na Rivalin’s dood, bracht zij onder hevig lijden een zoon ter wereld. Toen was het echter met hare krachten gedaan en daar zij voelde, dat zij sterven ging, liet zij den trouwen Rohand tot zich roepen en sprak tot hem: “U, die de vriend en vertrouwde zijt geweest van mijn dierbaren echtgenoot, u vertrouw ik zijn zoon toe. Terwille van de liefde, die gij voor zijn vader koesterdet, smeek ik u, wees goed voor hem en neem hem aan als uw eigen kind. Ten slotte geef ik u dezen ring, mijn vader gaf hem aan koning Mark en deze schonk hem mij. Mocht er ooit een oogenblik komen, waarop gij mijns broeders hulp voor mijn zoon noodig mocht hebben, toon hem dan dezen ringen hij zal den jongen dadelijk herkennen als het kind zijner zuster.” Na deze woorden gesproken te hebben viel Blanchefleur uitgeput achterover en nog dienzelfden avond gaf zij den geest.

Getrouw aan zijne opdracht nam Rohand het kind van zijn heer als het zijne aan en hield zelfs zijne geboorte een diep [213]geheim, vreezend, dat hertog Morgan booze plannen jegens den zoon van zijn vijand zou kunnen smeden. Tegenover de menschen liet hij het voorkomen, als ware hem zelf een zoon geboren en hij omringde het kind met liefderijke zorgen. Toen de priester kwam om hem te doopen en Rohand den jonggeborene een naam moest geven, zag hij langen tijd zwijgend op hem neer en sprak toen ernstig: “Voor allen rouw en droefheid, waaronder hij geboren is, voor de smarten en beproevingen, die zijne komst op deze wereld voorafgingen, geef ik hem den naam van Tristan: dat is een mensch, die in droefheid leeft.”

Niemand, die het kind zag, wist, hoe toepasselijk die naam was en hoe hij reeds het grootste verlies had geleden, dat een kind treffen kan, dat zijner ouders. En zelfs hij, die hem zijn naam geschonken had, vermoedde niet, dat zijn gansche leven dien waar zou maken; dat hij, die onder lijden en smart ontvangen en geboren was, ook in lijden en smart de dagen zijns levens zou moeten slijten, tot de dood hem verloste. Slechts zij, die deze geschiedenis teneinde lezen, zullen ten volle beseffen, hoezeer deze naam voor hem geëigend was.

Jaren verliepen en Tristan groeide onder de liefderijke hoede van Rohand en zijne vrouw op tot een aanvalligen, schoonen knaap. Toen hij zes jaren oud was, koos zijn pleegvader met zorg een leermeester voor hem uit, die hem moest onderrichten in alles, wat de zoon van een edelman behoort te weten. Deze leermeester was Gouvernail, een braaf en edel mensch, die zijne taak met liefde en plichtsbetrachting vervulde. Hij onderwees Tristan in alle kunsten, die een ridder uit die dagen placht te beoefenen: hij onderrichtte hem in het schieten met pijl en boog, in het speerwerpen en zwaard vechten en leerde hem rijden, tot zelfs de meest wilde en ongetemde paarden tam en volgzaam werden onder zijne hand. Ook ging hij met hem op jacht, met valken of honden en wees hem, hoe hij volgens jagersgebruik den buit moest ontleden en behandelen. Maar niet alleen in vechten, rijden en jagen onderwees Gouvernail zijn leerling, ook in de [214]zangkunst en het harpspelen gaf hij hem onderricht en weldra was er in gansch Ermonie geen, die zóó schoon kon spelen en zingen als Tristan, de zoon van Rohand. Deze zag met genoegen hoe zijn pleegzoon alle deugden zijner ouders in ruime mate scheen te bezitten; hij was eerlijk en bescheiden, dapper en hoffelijk en door zijn minzaam optreden en zijn innemend uiterlijk nam hij allen, die hem zagen, terstond voor zich in. Elken dag ontdekte zijn trouwe verzorger nieuwe eigenschappen van geest en hart in den jongen Tristan, die hem herinnerden aan zijne overleden ouders en zoo kon het niet anders, of uit de houding, die hij tegenover zijn jeugdigen pleegzoon aannam, sprak zoowel eene vaderlijke genegenheid als een zekere eerbied jegens den zoon zijns meesters. Dat de andere zonen van Rohand zich somtijds beklaagden over de onderscheiding, waarmede hun jongere broeder door hem behandeld werd, spreekt van zelf, maar geen hunner vermoedde ook maar in ’t minst, dat deze uit iets anders voortsproot dan uit eene onbewuste voorliefde, welke men wel meer bij ouders aantreft. Wanneer zij dan ook den een of anderen wensch door hun vader wenschten ingewilligd te zien, waren zij gewoon om Tristan te verzoeken hunne zaak bij Rohand te bepleiten en meestal deed de jongeling, vriendelijk en welwillend als hij was, wat zij van hem verlangden, vaak met het gewenschte gevolg.

Op zekeren dag werd de stad in beroering gebracht door het bericht, dat een Noorsch schip, beladen met rijke en veelsoortige koopwaar in de haven was binnengeloopen en dat de vreemde handelaars reeds bezig waren, hunne waren ter bezichtiging uit te stallen. Daaronder behoorde ook, zoo zeide men, naast vele schoone en kostbare zaken, eene partij fraaie valken en haviken, welke voor de jacht waren afgericht.

Toen Rohand’s zonen, die hartstochtelijke jagers waren, deze tijding vernamen, begaven zij zich naar Tristan en smeekten hem hun vader vergunning te vragen, om een bezoek aan het schip te mogen brengen en daar eenige vogels te koopen. Rohand gaf gaarne [215]zijne toestemming en de jongelingen begaven zich in gezelschap van Gouvernail naar de haven, waar het vreemde vaartuig lag vastgemeerd. Aan boord vergaten zij weldra uur en tijd, zóó veel was er te zien en te bewonderen. De Noorsche kooplieden hadden hunne waren met smaak en overleg ten toon gespreid en menige koop werd er dan ook in den loop van den middag gesloten. Daarbij maakte Tristan zich steeds zeer verdienstelijk, daar hij tot de weinigen behoorde, die de Noorsche taal meester waren, en dus als tolk kon dienen tusschen de vreemdelingen en zijne landgenooten. Plotseling werd zijn oog getroffen door een schaakbord, waarvan de stukken uit blank ivoor gesneden waren. Verrast zag hij om zich heen en vroeg of wellicht een der vreemdelingen het spel verstond en eene partij met hem wilde spelen. Een der Noren verklaarde zich gaarne bereid en weldra zaten beiden onder een scherm van tentdoek, dat hen tegen de zonnestralen moest beschutten, in hun spel verdiept, omringd door een kring van nieuwsgierige toeschouwers.

De middag was nu allengs verstreken en het werd tijd om huiswaarts te keeren. Een der pleegbroeders van Tristan, ziende dat deze nog met alle aandacht bij het spel was, tikte hem op den schouder en zeide: “Broeder Tristan, het wordt tijd voor ons, om naar huis te gaan en wij hebben bovendien alles bezichtigd, wat wij wenschten te zien. Daarom gaan wij reeds vooruit, gij zult ons dan wel volgen, zoodra uw spel is afgeloopen.” Daarop namen zij afscheid van hem en verlieten het schip, slechts de trouwe Gouvernail bleef aan boord achter.

Toen nu alle koopers verdwenen waren, begonnen sommigen onder de kooplieden hunne hoofden bijeen te steken en te spreken over de buitengewone kundigheden van den jongen edelman, die daar in het schaakspel verdiept was. Zij prezen zijn aangenaam voorkomen, zijn vrijmoedig optreden en zijne hoofsche manieren en uitten hunne verwondering over het feit dat hij, ondanks zijn jeugdigen leeftijd, toch reeds hunne taal machtig was en met kennis van zaken de verschillende koopwaren wist te schatten. [216]Zulk een begaafde knaap, zoo meenden zij, zou beter op zijne plaats zijn aan het hof van een machtig vorst, die zijne diensten zou weten te gebruiken. Waarom zouden zij niet trachten, hem die plaats te verschaffen door hem weg te voeren uit zijne omgeving en hem tegen een hoogen losprijs aan den een of anderen rijken koning af te staan?

Dit plan vond algemeene instemming en toen zij zagen, dat Tristan slechts oog en oor had voor zijn spel, beval de kapitein, in alle stilte het anker te lichten en zee te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. De zeilen werden geheschen, de roeiriemen in het water nedergelaten en het schip zette zich langzaam in beweging. Nog bemerkte Tristan niets, maar toen zij reeds op eenigen afstand van de kust waren, deed eene plotselinge windvlaag het doek boven zijn hoofd klapperen en opziende van zijn spel werd hij tot zijne ontzetting gewaar, dat het schip zich in volle zee bevond en eene vage lijn aan den horizon het eenige was, wat er van zijn vaderland te bespeuren viel. Met een luiden kreet sprong hij overeind van zijn zetel en op de knieën vallend voor den kapitein, smeekte hij dien om hem terug te brengen naar zijne ouders en broeders. Maar deze bracht hem aan het verstand, dat zulks onmogelijk was en maande hem aan, zich kalm en rustig te gedragen, daar hem dan geen leed zou geschieden. Tristan echter hield niet op met klagen en weenen en ook Gouvernail stemde met zijne smeekbeden in. Toen hun geklaag den kapitein begon te vervelen, gaf hij bevel om Gouvernail in eene kleine boot, voorzien van eenige levensmiddelen, te plaatsen en hem aldus eene kans te geven, de kust te bereiken; den jongen Tristan echter beval hij aan boord te houden, zulk een kostbaren buit mocht men niet laten ontsnappen.

Het baatte niet, of Gouvernail al weigerde, zijn jongen meester alleen achter te laten, met ruwe handen grepen de matrozen hem vast en plaatsten hem in eene kleine boot. Daarop gaven zij hem een paar riemen en stieten hem van het schip af.

Men kan nagaan, onder welke gewaarwordingen Tristan zijn [217]trouwen vriend zag vertrekken; luid weenend strekte hij de handen naar hem uit en bad hem om hem niet alleen te laten. Tevergeefs!—Steeds wijder werd de afstand, die hem van den laatsten zijner landgenooten scheidde en weldra zag hij nog slechts een donker stipje, dat de plaats aanduidde, waar Gouvernail met de golven kampte. Ook dezen liepen de tranen over de wangen, toen hij bedacht, aan welk een onzeker lot hij zijn beschermeling moest overlaten, maar met alle macht verzette hij zich tegen zijne aandoeningen en trachtte het land te bereiken, vanwaar hij tenminste eenige kans had om Tristan te hulp te komen. Inderdaad gelukte het hem na groote inspanning, nog dienzelfden avond roeiend de haven binnen te loopen. Hier vond hij reeds Rohand met zijne zonen en vele andere bekenden in grooten angst heen en weder loopen; een kreet van vreugde steeg omhoog, toen zij in het vallend duister Gouvernail uit het ranke bootje zagen stijgen, maar bitter was hunne teleurstelling, toen zij vernamen, dat hij slechts alleen was. Deze teleurstelling nam nog toe, toen zij hoorden, welk een droevig lot hun geliefden Tristan was overkomen. Vooral Rohand was troosteloos van smart en wroeging; hij herinnerde zich de plechtige belofte, welke hij aan zijn gestorven meester en aan diens gemalin gedaan had. Hij had beloofd om steeds over hun zoon te blijven waken en nu was door zijne nalatigheid, doordat hij dien kostbaren schat aan de hoede van anderen had overgelaten, dit vreeselijke feit geschied en wachtte den knaap daarginds in het vreemde land eene bittere ballingschap en wellicht een gewelddadige dood. Zijn geweten liet hem geen vrede en hij rustte niet, alvorens hij een schip had uitgerust om Tristan te gaan zoeken. Na weinige dagen vertrok hij aan boord van dit vaartuig, vergezeld door de beste wenschen der achterblijvenden en zette koers naar vreemde streken in de hoop zijn pleegzoon terug te vinden. Eerst na lange jaren mocht hem dit gelukken. Waar en onder welke omstandigheden hun wederzien plaats vond, zullen wij later vernemen. Voorloopig keeren wij terug naar onzen jeugdigen held, zooals hij tegen den mast geleund, met [218]betraande oogen naar den gezichteinder staart, waar het laatste stipje van zijn geboorteland allengs achter de golven verdwijnt.

Eenigen tijd zette het vaartuig zijne reis naar het Noorden zonder verhindering voort, maar toen de duisternis gevallen was, wakkerde de wind aan tot een stevigen bries, die weldra overging in een hevigen storm. Den ganschen nacht loeide en kraakte het, als ware een leger van booze geesten rondom het vaartuig losgelaten; de masten steunden en bogen onder den druk van den wind, de riemen braken door de aanzwellende kracht van het water en de zeilen scheurden van de touwen af. Bij het eerste morgenschemeren dreef het schip als een ontredderd wrak rond op de baren, de storm woedde met onverflauwde hevigheid en het scheepsvolk school in angstige groepjes bijeen en mompelde iets over eene gerechte straf, die God hun oplegde voor hunne zonden. Dit onderdrukt gemompel werd langzaam aan luider en verspreidde zich ook onder de roeiers, tot eindelijk eenigen onder hen zich naar den kapitein begaven en van hem eischten, dat hij hun gevangene de vrijheid zou weergeven om de woede van het Opperwezen over dezen wreeden roof te doen bedaren. Hoezeer het den kapitein speet, zijn kostbaren buit te moeten laten ontsnappen, hij moest wel toegeven en zoo gaf hij order een der scheepsbooten in gereedheid te brengen en van proviand te voorzien. Zoodra hij daartoe bevel had gegeven, bedaarde als door een tooverslag het woeden der elementen. De wolken verdwenen van den hemel, de zon brak door en de lucht werd helder blauw; de wind ging liggen en het bruisen der golven bedaarde. Het scheepsvolk viel op de knieën en dankte God voor de wonderbare redding, daarna haastte een ieder zich om de geleden schade te herstellen en weldra sloegen de riemen weer met geregelden slag in het water en zwollen de nieuwe zeilen in de frissche morgenbries.

Het spreekt van zelf, dat men door den nachtelijken storm een flink eind uit den koers was geraakt en niemand kon dan ook zeggen op welke hoogte men zich bevond. Toen men [219]echter aan den horizon land ontdekte, achtte men het oogenblik gekomen om zich van den onheilbrengenden gast te ontdoen; men plaatste daarom Tristan in de gereed gemaakte boot, gaf hem een paar riemen in de hand en beval hem in de richting van het land te roeien, daarop liet men hem aan zijn lot over en beijverde zich, om door sneller roeien en het bijzetten van meer zeil den verloren tijd in te halen. Met angst en vrees in het hart stuurde onze jonge held intusschen aan op het vreemde land, waar zijne eenige, zij het ook onzekere, redding was gelegen.

Bij nadering bleek het eene steile, rotsachtige kust te zijn, waarvan de grijze klippen loodrecht uit zee omhoogrezen. Na eenig zoeken ontdekte Tristan echter eene kleine baai, waar hij zijn bootje veilig in kon sturen en zoo duurde het niet lang, of hij zette voet op den vasten wal. Toen rees echter de vraag: waar ben ik en waar moet ik heen? Huiverend zag de arme knaap om zich heen in het doodsche, verlaten landschap, dat door zijne verbeelding bevolkt werd met verschillende dieren en wilde volksstammen, zooals hij ze in avontuurlijke jachtverhalen had hooren beschrijven. Maar na eenigen tijd kregen zijn moed en ondernemingsgeest opnieuw de bovenhand en besloot hij te gaan onderzoeken, wat achter die hooge rotsen verborgen lag. Behendig klauterde hij omhoog en op den top aangekomen kreeg hij een ruimeren blik op het land en ontdekte hij op eenigen afstand een breeden heirweg, die zich als een lint door het landschap slingerde. Zonder veel moeite wist hij dien te bereiken en, zich aan den kant van den weg nederzettend, besloot hij de komst van voorbijgangers af te wachten, om zich door hen op de hoogte te laten brengen omtrent de streek, waar hij zich bevond. Hij behoefde niet lang te wachten. Na enkele oogenblikken verschenen aan de kromming van den weg twee gedaanten, die langzaam naderden en die Tristan weldra als pelgrims herkende. Zij droegen breedgerande hoeden, om zich tegen de hitte der zonnestralen te beschutten, hun lange, linnen kleederen waren bestikt met zeeschelpen en vreemde teekenen en op den rug droegen zij een [220]palmtak, om aan te duiden, dat zij naar het Heilige Land waren geweest. Hunne lange baarden golfden hun over de borst en onder het voortgaan leunden zij op hun staf en zongen pelgrimsliederen, die zij afwisselden door het prevelen van gebeden.

Toen Tristan zag, dat het vreedzame lieden waren, ging hij hen tegemoet, kruiste zijne handen voor de borst en boog eerbiedig voor hen neer. Daarna zeide hij: “Vrome vaders! Op de jacht zijnde ben ik van mijne metgezellen afgedwaald, mijn paard is met mij van een rots gevallen en ligt ginds met een gebroken rug; kunt gij mij zeggen, waar ik ben en waar deze weg heenleidt?” “Deze weg”, antwoordden de pelgrims, “voert naar Tintagel, het slot van koning Mark. Indien uw pad ook in die richting voert, kunnen wij een eindweegs samen gaan.” Vol vreugde nam Tristan hun aanbod aan en de drie vervolgden gezamenlijk hun weg. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden afgelegd, of vanuit het bosch weerklonk luid hoorngeschal, vermengd met hondengeblaf. Bij het hooren daarvan begon Tristan’s hart luider te kloppen en haastig sprak hij: “Hoort! daar zijn mijne metgezellen, die ik verloren had. Ik wil trachten ze zoo spoedig mogelijk in te halen!” Daarop wendde hij zich om en liep in de richting, vanwaar het geluid kwam. Toen hij het bosch een eind was binnengedrongen, ontwaardde zijn oog een bont jachttafereel. Op eene open plek in het woud streed een edel hert den doodsstrijd met de hem omringende honden. Onder luid gejubel omringden de jagers den kostbaren buit; met een behendigen spee