Project Gutenberg's Majoor Frans, by Anna Louisa Geertruida Bosboom-Toussaint This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Majoor Frans Author: Anna Louisa Geertruida Bosboom-Toussaint Release Date: March 10, 2007 [EBook #20794] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJOOR FRANS *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Mijn vrouw heeft bij haar optreden in de wereld zulk een gunstig onthaal gevonden, dat zij er niet genoeg dankbaar voor kan zijn. En toch.... brengt het haar in zekere verlegenheid.
Zij weet dat er eene indiscretie is gepleegd, en dat de belangstelling van het publiek eene derde uitgave vraagt van: Mijne vertrouwelijke mededeelingen aan een vriend in Indië. Zij is te bescheiden om die goede ontvangst aan zich zelve toe te schrijven en beweert dat zij die alleen dankt aan mijne wijze van haar voor te stellen! Daarbij had ik te kampen met hare kluchtige verontwaardiging, toen zij vernam van welke ruchtbaarheid haar pseudoniem het voorwerp was geworden. Zij stemt het mij toe dat zij erkentelijk behoort te zijn voor zooveel welwillendheid, maar zij schroomt zich te veel op den voorgrond te stellen, zoo zij in persoon die schuld der dankbaarheid afdeed, en wil dat ik alleen de verantwoordelijkheid zal dragen van eene publiciteit die zij niet heeft gezocht, en dat ik den plicht der openlijke dankbetuiging [6]van haar zal overnemen. Die eisch is billijk, naar het mij voorkomt, en het is mij een lust daaraan te voldoen. Maar zullen er veel woorden noodig zijn om het publiek te verzekeren van onze dankbaarheid voor zooveel waardeering, die ik nauwelijks had durven wachten voor eene persoonlijkheid, wier goede hoedanigheden vermomd waren onder zekere excentriciteit? Er was de scherpe blik der liefde noodig om die te onthullen. Voor deze liefde bovenal zijn wij dankbaar, wij hopen haar ook waardig te blijven. Ik zie dat ik mijn geliefd devies eenigszins wijzigen moet en meen het “succès oblige” voor oogen te houden.
Leopold van Zonshoven.
26 November 1875.
Beste vriend!
Als gij niet al te diep in ’t een of ander proces zijt verwikkeld, kom dan tot mij op de vleugelen der vriendschap, of meer op zijn negentiende-eeuwsch gesproken, met den eersten sneltrein den besten dien gij uit uw provinciestadje kunt bereiken; want ik zit deerlijk in de engte. Daar is mij iets overkomen, waarover de wereld mirakel zal roepen, als zij er van hoort. Maar vooreerst mag zij ’t nog niet hooren, et pour cause; daarom moet ik het aan de borst van een vertrouwd vriend uitstorten, of ik zou er aan stikken. Het is ook zoo iets ongewoons, zoo iets onwaarschijnlijks, zoo iets onmogelijks, zou mevrouw de Sévigné zeggen, maar dat toch waar is, [7]toch gebeurd is, ja! mij gebeurd is, mij, Leopold van Zonshoven, van der jeugd af bestemd om in de wereld de droevige figuur te maken van: een kalen jonker! Ook ben ik er van verbluft, of ik een knodsslag op mijn hoofd had gekregen. Verbeeld je! daar ben ik op eens aangewezen als de universeele erfgenaam van een kolossaal vermogen.
Eene oudtante mijner moeder, waarvan ik nooit gehoord had en die, naar het schijnt, met hare geheele familie gebrouilleerd was, is op het sublieme idée gekomen om bij mij voor toovergodin te spelen, en bij testamentaire dispositie al hare bezittingen aan mij na te laten. Aan mij! die alle macht van overleg en zelfbeheersching noodig heb gehad om van ’t oude jaar in ’t nieuwe te komen zonder schulden te maken, iets wat mij in mijne kwaliteit van arm edelman, niet geheel van zelf-respect misdeeld, absoluut ongeoorloofd is, op zulke wijze, dat ik mij geen enkele folie, geen enkele caprice kon permitteeren, ik zie mij op eens een millioen naar het hoofd geworpen. Is het te verwonderen, dat dit er van duizelt? De waardige overledene had verdiend getuige te zijn van de ontploffing harer Orsini-bom. Eerst sprong ik op en zou de petroleumlamp over het tafelkleed mijner hospita hebben omgeworpen, zoo de goede ziel zelve dat niet door een snellen greep voorkomen had. Toen viel ik op mijn stoel terug, met eene gewaarwording of mij de krachten ontzonken, en ik moet er zoo bleek en ontdaan hebben uitgezien, dat de juffrouw mij later gulweg bekende hoe zij suspicie vatte, dat het eene “exploisie” was van deurwaarderszaken. Zeker is het, dat zij wachten bleef op de tachtig cents port, die het pakket kostte, of zij vreesde er een bankroetje aan te lijden. Geprikkeld door dat blijven, door dat zekere indringende en onbescheidene in hare houding, dat zoowel van wantrouwen als van nieuwsgierigheid getuigde, hoewel er eenige meewarigheid in gemengd was, wees ik haar de deur met een gebaar, dat een acteur in eene wanhoopscène [8]zou benijd hebben en dat ik alleen aan de inspiratie van ’t oogenblik dankte; ook bleek dit afdoende. In een wip was ze weg, en ik wierp de deur op slot, zonder recht te weten wat ik deed of waarom, alleen gedreven door een onbestemd verlangen om alleen, om ongestoord te zijn en mij te overtuigen, dat de mededeeling, die mij als een sprookje uit de Duizend-en-eene nacht in de ooren klonk, geen mystificatie was.
En werkelijk, toen ik de stukken met meer bedaardheid overlas, werd het ongeloofelijke mij tot ontwijfelbare zekerheid; maar in plaats dat die zekerheid mij rust en blijdschap gaf, werd ik bestormd door eene warreling van gedachten en gewaarwordingen, die onbeschrijfelijk is. Ik werd heen en weer geslingerd door duizenderlei strijdige plannen en voornemens, die ik als in een oogwenk vatte, en weer varen liet; ik wist den draad mijner denkbeelden niet meer te volgen of vast te houden. Mijn hart begon te kloppen of het zou bersten; ik kreeg een aandoening in de keel of ik geworgd werd, en een duldelooze hoofdpijn was het eerste profijt dat die toekomstige fortuin mij aanbracht! Zoo kon het niet blijven; ik rukte mijn das los, improviseerde een stortbad met behulp van mijn lampetkan, liep de kamer rond met driftige, ongeregelde voetstappen, dronk om de vijf minuten een glas water en begon eindelijk zoo ver te bekomen, dat ik om de thee schelde, die de juffrouw per extra-ordinaire zelve bracht, de zaak van het porto met haar afdeed en haar op de vraag: “of mijnheer nu wat beter was,” geruststelde met de verzekering, dat een plotseling doodsbericht van eene verwante mij wat sterk had aangegrepen. Hoe zij de mededeeling opnam en wat zij er verder bij dacht, laat ik daar; zij vertrok, zichtbaar verlicht en al vast gerustgesteld omtrent de kamerhuur, die met primo April moet worden voldaan. Ik wist, dat ik mijn aplomb tegenover haar had hervat, maar ik vraag u mijnheer de scepticus, is het geen teeken dat het geld uit den booze is, als het een fatsoenlijk jongmensch, [9]die zijne gezonde hersens heeft en niet aan de kwaal van gouddorst placht te lijden, in zulk eene verwarring brengt, dat hij zich zelf moet afvragen, of hij niet door eene plotselinge razernij werd aangetast? Denkelijk zult gij antwoorden, dat de schuld bij mij ligt en dat een ander, gij zelf bij voorbeeld, de zaak vrij wat kalmer zou hebben opgenomen. Ik stem dit vooruit toe; ik ben geen stoïcijn en heb zelfs nooit getracht er de houding van aan te nemen, en, zie je Willem, ik zat juist bij mij zelven te overleggen wat ik toch beginnen zou om de jammerlijke positie die mij in de maatschappij ten deel was gevallen, eenigszins te verbeteren, en ik vond niets—niets dan dit eene: mij met mijn oom den minister te verzoenen, om door hem bij ’t een of ander gezantschap als attaché ingeschoven te worden. Schrale uitkomst (zelfs indien zij verkregen werd), en die mij zoo iets als een laagheid zou kosten, want Zijne Excellentie had mij zijn huis verboden, omdat ik artikels geschreven had in een oppositieblad! Ik zat mij de nagels stomp te bijten van ergernis, dat ik niet zoo lang had kunnen studeeren om dr. of mr. voor mijn naam te zetten, twee letters bij wier gemis alles wat voor anderen open staat, door eene onverzettelijke barrière is afgesloten voor mij! Op mijn leeftijd (ik ben in ’t noodlottige laatste jaar van de twintig) op mijn leeftijd is er geen reetje meer, waar ik door kan sluipen om carrière te maken. En nù—terwijl ik mij suf zat te peinzen op al die “terug’s” die ik op vingers kon narekenen, komt daar op eens de tijding, dat ik grondeigenaar ben geworden, dat ik “bosschen en beemden, duinen en heidegronden” in bezit mag nemen—dan vraag ik u, kloeke, kalme, onwrikbare wetgeleerde, of dat niet meer dan genoeg is om een gewoon sterveling, zooals ik, zijn evenwicht te doen verliezen, en in eene vervoering te brengen waarover gij voorzeker het hoofd schudt. Kom dan maar gauw zelfs om mij te beknorren en met mij te praten; dat zal mij zeker tot kalmte brengen, en te eer, daar er een punt is, waarover [10]ik u raadplegen moet, eer ik de erfenis definitief aanvaard; want gij moet weten, er is een maar bij mijne plotselinge fortuin, een maar die als altijd tergend achteraan komt hinken; mogelijk ziet uw juridische blik er geen rechtskwestie in, maar voor mij .... ligt er eene gewetensvraag achter, althans eene kwestie van kieschheid, waardoor mijne gouden bergen wel eens tot stuifzand kunnen vervliegen, en dat arme dierbare millioen, dat mij al zoo duchtig in de war heeft gebracht, gereduceerd worden tot niets meer dan eene luchtspiegeling, die mij voor eene wijle de oogen heeft verblind. Om die reden heb ik geen schepsel deelgenoot gemaakt van het mirakel, noch zal dit doen, voor ik uwe opinie heb gehoord, in afwachting van uw advies heb ik den notaris, die eene procuratie verlangde om in mijn naam te handelen, zulk een document toegezonden, maar onder reserve. Fais ce que dois, advienne que pourra is mijn mot d’ordre, al luid het devies mijner familie meer brutaal dan eerlijk: de fortuin is met den stoute. Onder de roofridders der middeleeuwen mocht dat gelden, maar sinds het aanbreken der 18de eeuw zie ik niet dat niemand van de onzen zich meer naar dat devies heeft gericht. Integendeel, al die achtbaar gepruikte hoofden van de laatste serie onzer familieportretten toonen gelaatstrekken, die eer van deftige flauwheid en onnoozele goedrondheid getuigen dan van stoute ondernemingszucht, en naar de uitkomsten te oordeelen; de gène waarin wij sinds drie generatiën verkeeren, getuigt dat de physionomiën niet liegen! Nu, het zij zoo. Ik ben er niet rouwig om dat ik ten minste geen schitterende deugniet in de dichtst nabijzijnde graden heb aan te wijzen!
Wat men tot kalmte komt als men zich eens kan uitspreken, al is het maar op het papier! Ik voel mij nu zoo verlicht, dat ik u rustig onze geheele familiegeschiedenis zou kunnen vertellen, en onder dat relaas mijn millioen in spe zou vergeten, alsof er geen kwestie meer van was; maar ’t is nog beter u niet langer op te [11]houden, en te wachten tot we de cœur a cœur kunnen praten. Stel mij daartoe zoo spoedig mogelijk in de gelegenheid. Ik heb hier kennissen genoeg, maar geen enkel vertrouwd vriend, aan wien ik alles uit kan leggen, zonder de vrees van misverstaan en uitgelachen te worden, en ’t is een onuitstaanbare kwelling, een bezwaar als dit, tweemaal vierentwintig uur alleen te moeten dragen.
En nu vaarwel tot ziens. Met of zonder millioen.
Semper idem.
Uw Leopold v. Z.
’s Hage, Maart 186 .
Met dezelfde post die hem een brief van Leopold van Zonshoven aanbracht, ontving Mr. Willem Verheyst een biljet van eene hem onbekende hand van den volgenden inhoud:
Mijnheer!
Na een onderzoek, ingesteld omtrent de relatiën van Jonker Leopold van Zonshoven, achten wij het waarschijnlijk, dat hij u raadplegen zal in eene zaak, voor hem zelven van groot belang. Uit vriendschap voor hem, help hem heen over alle bezwaren die hij zou kunnen maken tegen de aanvaarding van zekere erfenis, en laat hij geen voorstel, hem gedaan, afwijzen zonder ernstig onderzoek.
Het is onnoodig hem met dit ons schrijven bekend te maken; wij vertrouwen het uwer ervaring en voorzichtigheid toe. Iemand die ten volle bekend is met de intentiën der waardige erflaatster en die den Jonker van ganscher harte hare fortuin gunt.
N. N.
“O wee!” riep de goedhartige Willem, het naamloos geschrift ineenfrommelend, “het begint er, vrees ik, slecht uit te zien voor Leopold. Het zou toch jammer zijn zoo [12]hij ze moest opgeven, die fortuin, die hem daar als een lokaas wordt voorgehouden, met.... wie weet welke hinderlijke conditiën. Die voorzorg van onbekenden, om zijn raadsman om te koopen, bevalt mij niet. Zij moeten niet denken dat ik er in zal loopen; als er eene clause gesteld is, onbestaanbaar met recht en billijkheid of met zijne eer, zullen zij zien, dat ik geen meester in de rechten ben voor niet. En ze vleien mij met mijne ervaring, mijne voorzichtigheid. Ja! ja! wees er gerust op, die zal ik gebruiken om hem goeden raad te geven in den besten zin. Als de zaak loensch is, kan zijne keuze niet twijfelachtig zijn; men kan nog wel buiten bosschen en landerijen; maar Leopold is een te ferme jongen om zich iets te laten aanleunen, dat tegen de eer strijdt. Laat hem dan liever nog wat rondsukkelen; mogelijk ben ik zelf in staat hem voort te helpen eer wij een jaar of wat verder zijn. Arme jongen, hij weet niet, hoezeer zijn voorstel mij op dit oogenblik ongelegen komt.... ’t Is waar, ik moet toch nog eens naar den Haag vóór mijne afreis; dan maar morgen de diligence genomen van half drie, die correspondeert met den trein naar den Haag; ’t is wel eerst een paar uur rijdens, maar dan ben ik er ook binnen de driekwartier.”
Zoo gezegd, zoo gedaan; Willem Verheyst bleek een oprecht vriend en geen sammelaar; hij kwam bijtijds op den trein, en vijf minuten na zijne aankomst zien wij hem op de stoep van het huis, waar Jonker van Zonshoven logies had.
Hij behoefde maar één trap te klimmen. Eene ruime voorbovenkamer met alkoof in een gesloten huis op eene der zijgrachten, ziedaar het rustige en zedige verblijf van den jongen edelman, te schraal door de fortuin bedeeld, om een deftig appartement te kunnen betalen, en te fatsoenlijk om op kosten van lichtgeloovige burgers een staat te voeren boven zijn vermogen.
En toch had zijne kamer een air van élégance, dat zoowel voor den smaak getuigde van den jonkman van [13]geboorte en goede opvoeding, als de behoeften kenschetste van iemand die geene gewoonte maakt van uithuizigheid, en die in zijn thuis al de comforts wenscht te vereenigen, waarvoor het vatbaar is. Behalve de onmisbare meubels, die tot de eischen van eene “gemeubileerde kamer” behooren, en die meer proper dan modern waren, zag men er eene kloeke schrijftafel, een gemakkelijken armstoel, eene antieke gebeeldhouwde boekenkast en zekere kleine voorwerpen van kunst en weelde, die in disharmonie waren met het stijf burgerlijk huisraad en met het goedkoop “grijsje” dat voor behangsel was gekozen; maar van dit laatste kwam juist niet veel te zien, daar het rondom bedekt was met familieportretten, sommigen in statig ebbenhout gevat, anderen in die schrale vergulde lijsten, die van een later tijdperk getuigden, waarin het grandiose tot het weeke en laffe was gezonken, zoowel in de kunst zelve als in de wijze van haar voor te doen. Miniatuurportretten in ivoor en photographieën van verschillende grootte hingen overal, waar er maar een plekje te vinden was geweest. De jonker had er kennelijk zijn lust in gevonden, hier zooveel doenlijk zijne geheele familie in beeltenis vertegenwoordigd te zien.
“Het was voor de gezelligheid,” placht hij te antwoorden, als men hem over deze drukke expositie zijner vaderen en voorvaderen onderhield. “Ja, ja!” werd hem wel eens tegengevoerd, “’t is allermeest omdat gij trotsch zijt op al die mooie wapenschilden.”
“Waarom niet, als ik meen te weten, dat zij onbesmet zijn bewaard, en als ik zelf mij heb voorgenomen, er nooit een vlek op te werpen?” antwoordde hij dan vast en met fierheid.
Waarheid is, dat hij het “noblesse oblige” in den besten zin opvatte. Het was nooit in hem opgekomen, als een voorname leeglooper rond te slenteren en op de beurzen zijner aanzienlijke kennissen en verwanten te teren. Hij had talent, al had hij geen academischen graad kunnen verwerven, en hij had niet geschroomd met dat talent [14]te woekeren op iedere voegzame wijze. Hij was vlug, hij had orde; al had hij geene vaste inkomsten, hij wist rond te komen en, zooals hij het zelf noemde, het hoofd boven water te houden, en sinds de nood hem de deugd van zuinigheid oplegde, wist hij haar te oefenen met een gemak, of het simpel uit liefhebberij geschiedde. Zijne opgeruimdheid had tot hiertoe door die leefwijze niet geleden. En wellicht bracht de fortuin, die hem zoo plotseling voor de voeten werd gelegd, hem in grooter bezwaren, dan hij tot hiertoe had behoeven te trotseeren. Eene beproeving van zijn karakter was het zeker.
Hij zat voor zijne schrijftafel en was druk aan den arbeid, toen Willem Verheyst zijne kamer binnentrad. Onder een luid gejubel vloog hij op, vatte Willems beide handen in de zijne en riep uit:
“Braaf gedaan! Maar dat had ik ook wel van je verwacht, dat je komen zoudt op mijn eersten alarmkreet. Wat een dwazen brief heb ik je geschreven, niet waar? Later ben ik weer gansch mij zelf geworden, en weet je hoe?” Hij keerde zich weer naar de schrijftafel en liet Verheyst een handvol papieren zien, deerlijk met inkt bemorst. “Dezelfde beweging waarmee ik op dien gedenkwaardigen avond mijne lamp zou hebben omgeworpen, zoo niet de reddende hand van juffrouw Joosting tusschenbeide ware gekomen, was tegelijk van de noodlottigste uitwerking geweest op mijn inktkoker; de goede ziel had maar op het noodigste gelet, maar die inktkoker, helaas! was hare opmerkzaamheid ontsnapt. Eerst moest ik wat bekomen, toen mijn hart uitstorten aan u, den brief zelf op de post brengen en rondloopen tot ik als een gewoon mensch naar bed kon gaan; ziedaar alles waartoe ik bekwaam was, en eerst den volgenden morgen ontdekte ik, welke verwoesting er was aangericht. Drie stukken, die al in ’t net waren overgeschreven en genummerd klaar lagen om afgeleverd te worden, waren reddeloos verloren en moesten overgeschreven worden. Een lief werkje voor een millionair, niet waar? Maar al [15]ware men het twintigmaal, men moet zijn woord houden, en ik was zoo goed niet, of ik moest aan den arbeid, en nu ben ik er bijna door. Het is mij tot heilzame afleiding geweest. Ziedaar al den eersten last, dien mijne versche fortuin mij aanbrengt, en ’t zal denkelijk wel niet de eenige, niet de zwaarste zijn. Maar hoe het ook zij, ik heb nu mijn avond vrij en we kunnen praten.”
“Ja, dat zal noodig zijn, althans als gij nog niet van de zaak hebt afgezien.”
“Afgezien! Waarom zou ik daar zoo in eens toe gekomen zijn? En ik heb je uitdrukkelijk geschreven, dat ik mij tot niets decideeren zou, voordat ik uw advies had ingewonnen.”
“Het gebeurt meer dat men raad vraagt zonder het antwoord af te wachten.”
“Ja, maar zóó inconsequent handel ik niet; en mij dunkt, eene fortuin als deze is wel eenigen tijd van kalm beraad waardig. Ziehier de akten: de kennisgeving van den notaris, de copie op zegel van het testament, den inventaris van de roerende en onroerende goederen; de laatsten zijn nogal wat uiteen gelegen, in drie verschillende provinciën, maar ’t geheel vormt eene uitgebreide bezitting, en met ’t geen er aan effecten in portefeuille is, wordt de fortuin op meer dan een millioen geschat. Zoo ver ik zien kan zijn de stukken in orde.”
“De stukken zijn in orde,” antwoordde Verheyst, nadat hij een tijd lang zwijgend de akten een voor een had ingezien, “en als deze copie van het testament juist is, waaraan ik niet twijfel, dan zal de meest teleurgestelde onder de nabestaanden der erflaatster nog moeite hebben om chicane te maken op hare beschikking. Mejonkvrouw Roselaer tot de Werve benoemt u, jonker Leopold van Zonshoven, tot haar universeelen erfgenaam, behoudens eenige legaten, onbeteekenend in verhouding tot hare fortuin en waarvan de uitkeering aan de zorg van haar executeur is opgedragen, in overleg met haar erfgenaam. De zaak is gezond en zoo helder als glas, maar ik zie [16]niets van die noodlottige clause, waarvan, zooals gij mij schreef, de aanvaarding van die erfenis afhangt.”
“Zulk eene clause bestaat niet. Er is van ’t geen door mijne oud-tante begeerd wordt volstrekt geene conditie gemaakt, en zoo ik u iets dergelijks heb geschreven, moet gij het alleen wijten aan den roes, die mij was aangezet. Maar, ziet gij, dat wat ik bedoel en waarover ik u wilde spreken, is eenvoudig een verzoek aan mij, een wensch van de erflaatster, in dezen brief vervat, dien gij doorlezen moet eer gij mij uwe opinie zegt. Mij komt het voor, dat ik de geheele erfenis moet opgeven, als ik niet aan haar verlangen kan voldoen.”
“Rechtens zeker niet; maar het kan een cas de conscience zijn voor u, dat wil ik wel gelooven. En is hetgeen van u gevergd wordt dan zoo moeilijk om in te willigen?” vroeg Verheyst nog, zonder den brief te openen.
“Ça dépend! Het zou een zeer aangename plicht kunnen zijn. Mijn oud-tante wil, dat ik trouwen zal.”
“Dat’s zoo’n onredelijke wensch niet, sinds zij u in staat stelt eene huishouding te bekostigen.”
“Neen; maar zij vindt goed, mij voor te schrijven wie ik tot vrouw moet nemen.”
“O wee! dat’s nogal erg.”
“Ja! al heel erg, want zij schijnt het meisje zelve niet te kennen. Het moet eene kleindochter zijn van zekere Generaal von Zwenken, die indertijd met hare oudste zuster is getrouwd geweest; de jonkvrouw in kwestie woont bij haar grootvader, en het schijnt bovenal uit rancune tegen dezen, dat de slimme oud-tante deze vondst heeft bedacht, om aan die nicht het genot harer fortuin te verzekeren zonder eenig ander lid van hare familie daarin te doen deelen. Daarvoor wordt ik gebruikt en daartoe wordt die fortuin in mijne hand gegeven, opdat ik die zal leggen in de hand van de schoone.... Niets schijnt meer gemakkelijk en natuurlijk; maar onderstel nu eens dat die schoone eene leelijke is, of eene gebochelde, of eene ondeugende heks, of eene [17]lastige coquette, of op eenige andere wijze onmogelijk is, althans voor mij, die nog alzoo mijne eigene begrippen heb over vrouwen en huwelijk; wat moet ik dan beginnen; van de erfenis afzien?”
“Afzien.... afzien.... op zijn ergst zoudt gij een voorstel kunnen doen om te deelen.”
“Ziedaar wat precies tegen den uitdrukkelijken wil van de erflaatster zou zijn. Lees toch den brief, en gij zult er u van overtuigen.”
Dit schrijven, dat Verheyst nu met gezetheid doorlas, was van den volgenden inhoud.
Zeer waarde Neef!
Ofschoon ik eene onbekende ben voor u, zijt gij het geenszins voor mij. Persoonlijk ken ik u niet, maar ik ben vrij goed onderricht van hetgeen gij zijt en niet zijt. Door allerlei brouilleries in onze familie en de inconsequente handelwijze van mijne oudste zuster, ben ik verplicht geweest in geheele vervreemding te leven (en zal ook desgelijks sterven) van al mijne verwanten; die mij de naaste waren, zijn trouwens sinds jaren overleden, en de overigen zijn hier en daar verspreid; en zelfs al woonden zij in dezelfde stad waar ik hoop te verscheiden, toch zouden zij zich nauwelijks herinneren, dat zij aan mij geparenteerd zijn, daar hunne grootouders, na al het mogelijke gedaan te hebben om mij het leven te verbitteren, het aan hunne kinderen en kleinkinderen hebben overgelaten, mij te vergeten en zich zoo weinig om de oude tante Roselaer te bekommeren, of zij nooit had bestaan, die zelve, dit wil zij erkennen, van hare zijde niets heeft willen doen, om hun geheugen op te frisschen en een rapprochement te weeg te brengen. Maar een mensen moet op zijn einde letten; ik ben nu in mijn vijf-en-zeventigste jaar en heb reeds eene attaque van beroerte gehad, die mij eene waarschuwing is geweest om zoodanige order op mijne zaken te stellen, dat er geene [18]twist kan rijzen omtrent mijne nalatenschap, en bovenal dat deze niet zou kunnen vallen in handen van dezulken, die mijn leven verbitterd hebben; evenmin wil ik dat een heirleger van verre neven en nichten als haaien op mijne fortuin zullen aanvallen om die onder elkaar te verdeelen en alles te verbrokkelen, wat mijne ouders en ik zelve door orde, zuinigheid en wijs overleg hebben bijeenverzameld. Zoo heb ik dan besloten, een hunner tot mijn universeelen erfgenaam te benoemen, en die eenige moet gij zijn. Eerstens omdat uw moeders moeder degene mijner zusters is geweest, die mij het minste verdriet heeft aangedaan. Zij huwde een man van haar stand in goede positie, met volle toestemming harer ouders, en zij kon het niet helpen dat haar echtgenoot het slachtoffer is geworden van die afschuwelijke Belgische revolutie, waarbij hij leven en welvaart inboette, nalatende zeven dochters, van welke een uwe moeder is geworden, die zich evenmin als de andere nichten ooit om tante Sophie Roselaer heeft bekommerd, ’t geen echter verschoonlijk is, daar bij hare terugkomst in ’t vaderland de noodlottige familie-gebeurtenissen reeds hadden plaats gevonden, die mij besluiten deden met al de mijnen voor goed de gemeenschap af te breken. En de tweede reden—de voornaamste, waarom ik juist U onder al de anderen onderscheid, is deze: dat ik een goed gevoelen heb gekregen omtrent uw karakter en zelfstandigheid van geest. Ik heb op verschillende wijzen en tijden, bij vrienden zoowel als vreemden, naar u geïnformeerd, en de narichten zijn altijd van dien aard geweest, dat ik u den meest geschikte dacht om uit te voeren wat mijn eenigste wensch is, dien ik u dringend verzoek te vervullen, indien het u eenigszins mogelijk is, namelijk: het eenig nagelaten kleinkind mijner oudste zuster tot vrouw te nemen en haar op die wijze dat aandeel te geven aan mijne nalatenschap, dat ik haar, uit aanzien van de treurige verdeeldheid in onze familie, nu moet onthouden. Ik had dat meisje in hare vroege jeugd tot mij willen [19]nemen; om haar eene goede opvoeding te geven en aan dien jammerlijken soldatenboel te ontrukken, waarin zij nu is opgegroeid; maar het is mij bot af geweigerd, en de generaal von Zwenken, haar grootvader, heeft daarmee de toekomstige fortuin zijner kleindochter roekeloos verspeeld, om zijn ouden wrok tegen mij satisfactie te geven. Ook heb ik mijn testament gemaakt met het vaste voornemen om hem, noch iemand der zijnen, ooit een penning van mijn vermogen te laten genieten; maar bij later inzien wil ik het kleinkind niet straffen om de misdragingen harer grootouders. Ik wensch integendeel haar na mijn dood tot de erkentenis te brengen, dat die oude tante, wier naam zij zeker nooit dan met toorn en minachting heeft hooren noemen, nog zoo kwaad niet was en het althans met haar niet slecht heeft gemeend, ja zelfs na den dood nog het mogelijke heeft willen doen om haar te leiden door de hand van een edeldenkend man, die haar gelukkig zal maken, als zij het verdient. Aan haar zelve een deel van mijne fortuin toe te kennen, zou gelijk staan met het den grootvader in handen te spelen, die het voorzeker zou doorbrengen op dezelfde wijze als hij het vermogen mijner zuster heeft verspild en doorgebracht. Zoo kwam ik op het denkbeeld om U, neef Leopold, dien ik uit al de mijne bij mijne jongste beschikkingen heb uitverkoren om de onafhankelijke bezitter te zijn van al mijn wereldsch goed. U die ik weet een jongmensch te zijn van karakter en goede beginselen, U dit eene verzoek te doen, waarmee gij een onrecht dat ik genoodzaakt ben te plegen, zult goedmaken. De vraag is nu maar of gij in deze schikking genoegen zult nemen, en of het u mogelijk zal zijn aan mijne begeerte te voldoen. De bezwaren zouden kunnen voortkomen van de zijde die er het grootste belang in heeft, dit redmiddel, dat ik heb uitgedacht, aan te grijpen. In dat geval smeek ik u, de zaak niet dan op het uiterste op te geven. In ’t andere geval, uw eigen tegenzin om u door eene lastige bemoeial als uwe oudtante blijkt te zijn, eene vrouw [20]te laten opdringen, die u om de eene of andere reden niet convenieert, onthef ik u bij voorbaat van dien dwang, want ik wil dat er ten minste één lid van mijne familie zal zijn, die mijne nagedachtenis niet in afschuw houdt; maar als het daartoe komt kent de notaris van Beek mijne intentiën, waarnaar gij u zult te schikken hebben, zoo gij u niet van de gansche nalatenschap wilt verstoken zien, waardoor deze, zeer tegen mijn wil en wensch voor al mijne nabestaanden zou verloren gaan om aan industrieele ondernemingen te worden besteed. Dan, ik wacht wat beters van uw goed oordeel en wijs overleg, om niet te zeggen dat ik reken op uw goed hart, dat zich ontfermen zal over een jong meisje, reeds als kind door de kwaadwilligheid harer verwanten verstoken van de voorrechten die een deftig en gegoed geslacht haar scheen te waarborgen, en die haar volgaarne waren gegund door hare en uwe
liefhebbende oud-Tante
Sophie Roselaer tot de Werve.
P. S. Dat ik mij simpellijk Roselaer tot de Werve moet schrijven en niet van de Werve, is de schuld van den generaal; maar zijn koppigheid en dwarsdrijverij zal hem duur te staan komen.
“Nu, wat zegt gij?” vroeg Leopold, toen Verheyst na volbrachte lectuur het geschrift langzaam toevouwde met een bedenkelijk gezicht.
“Wat ik zeg? wel dat het een echte vrouwenbrief is: het punt dat bij haar het zwaarste weegt ligt in ’t post-scriptum.”
“Hm! dat kan waar zijn; hoe is ’t mogelijk dat een christenmensch, dat eene vrouw, reeds met den eenen voet in ’t graf, nog met zoo’n bitteren familiewrok is bezield geweest, en mogelijk om een bagatel!” [21]
“Wat zal men zeggen .... uit de wissewasjes komen de felste processen voort, als men den wortel der bitterheid niet bij het eerste opschieten uitroeit. Maar ik had voor u wel gewenscht, dat deze dame met andere gevoelens ware bezield geweest jegens hare verwanten; de zaak ware dan zoo licht gevonden. Convenieerde u de jonge dame, dan: het huwelijk; viel het anders uit, dan: de verdeeling; gij bleeft beiden vrij, en met een half millioentje zoudt gij het ook wel kunnen doen.”
“Och! dat het haar behaagd had mij een dertig duizend gulden te maken zonder conditie,” verzuchtte Leopold, “dan ware ik van al dat geharrewar af.”
“Dat zou zeker wel het gemakkelijkste zijn geweest voor u!” hernam Verheyst, even glimlachend; “maar ziet gij, men heeft niets voor niet, en als nu de wraakzuchtige oude dame u heeft uitgekozen om het instrument harer wraakzucht te zijn, dan kunt gij niet anders dan dien lastpost aanvaarden.”
“Dat zie ik nog niet in....”
“Ik ben er zeker van dat zij zich op haar sterfbed heeft verkneukeld bij de gedachte, dat zij eene kampioen voor hare grieven heeft achtergelaten.”
“Heel goed, maar als zij zich verbeeldt dat ik, ter wille van haar geld, de laagheid zal plegen, zoo maar blindweg hare kwade intentiën te dienen, dan heeft zij zich zonderling in mij vergist, of men heeft haar al zeer verkeerde berichten omtrent mijn karakter aangebracht.”
“Vooreerst weet gij immers niet of er werkelijk iets van u verlangd wordt, dat met uw karakter in strijd is. Voorts moet ik u zeggen, dat de beschikkingen eener overledene niet bediscussiëerd mogen worden, en dat men er zich zooveel doenlijk naar voegen moet. Blijkt u dat inderdaad onmogelijk bij nader onderzoek, welnú, dan is het nog niet te laat om terug te treden.”
“Voorloopig heb ik in dien zin aan den notaris, geschreven. Ik voel wel dat ik beproeven moet of er iets van dat huwelijk kan komen; ik ben het in de eerste [22]plaats aan het jonge meisje verplicht maar om de waarheid te zeggen: ik zou zoo graag willen dat een ander dan ik, gij bij voorbeeld, de eenige wien ik op dat punt volkomen vertrouwen kan, eens een kijkje kon nemen van de familie von Zwenken, van de jonge dame allermeest, eer ik zelf optrad, ’t geen zoo heel decisief zou zijn....”
“Hoe gij u nu reeds de airs geeft van een millionair!” viel Verheyst in. “De preliminairen van zijn huwelijk te laten openen per ambassadeur! Jammer, waarde patroon, dat ik volstrekt niet in de gelegenheid ben uwe opdracht te aanvaarden. Wie weet hoe ver de serviliteit voor uw aanstaanden rijkdom mij anders nog vervoerd zoude hebben!” Er was eene mengeling van spot en gekrenktheid in den toon van dit antwoord, die Leopold deed opschrikken.
“Dit verwijt is immers geen meenens?” vroeg hij getroffen. “Gij weet wel dat ik niets kon bedoelen dan een vriendendienst vragen aan den eenige, wiens scherpzinnigheid en helder oordeel ik beter vertrouwen zou dan mijn eigen blik, door allerlei strijdige aandoeningen licht beneveld!”
“Wees gerust, zóó heb ik het ook opgenomen; ik wilde u slechts een weinig plagen, maar ongelukkig is het beletsel dat ik aanvoerde geen scherts maar strenge ernst. Ik moet morgen hier in den Haag blijven voor mijne eigene zaken, en daarna heb ik geen dag, geen uur meer te verliezen, om de laatste aanstalten te maken voor mijne groote reis.”
“Van welke groote reis spreekt gij?”
“’t Is waar ook, wij hadden het zoo druk met uwe zaken, dat ik vergat u van de mijne te vertellen. Als gij mij niet uitgenoodigd hadt bij u te komen, zou ik u toch morgen in den loop van den dag eens opgezocht hebben om u mede te deelen wat mij is overkomen....”
“Toch geen kwaad?” vroeg Leopold, hem ernstig aanziende. [23]
“Neen, neen! ontstel maar niet. Gij zijt niet de eenige wien de fortuin toelacht. Mij is het aanbod gedaan door den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, om hem als particulier secretaris te vergezellen. Behalve het aanzienlijk jaargeld dat hij mij biedt en de uitnemende gelegenheid om op de meest comfortable wijze den overtocht naar Java te doen, dat ik altijd verlangd heb te leeren kennen, zijn de vooruitzichten, die dáár voor mijne toekomst geopend worden, zoo verlokkend, dat ik aan de verzoeking geen weerstand heb kunnen bieden, en veel liever dan in mijne provinciestad te blijven wachten op schrale processen, of naar de eene of andere rechterlijke betrekking,—mij voor een jaar of wat expatrieer, om eenmaal terug te keeren in al de wichtigheid van een Oosterschen nabob,” eindigde hij met eene poging tot scherts, die blijkbaar niet van harte ging, want geen vroolijke glimlach verhelderde zijn, gelaat bij die schoone voorstelling.
“Ik kan u geen ongelijk geven,” hernam Leopold, die ook zijn best deed om zich goed te houden, schoon het hem even slecht gelukte, want zijn verbleeken reeds verried hem, “maar toch, het spijt mij; ik kan u niet zeggen hoe het mij ook spijt, dat gij heengaat, juist nu ik in de gelegenheid zou zijn, uw leven als het mijne te veraangenamen. Denk toch eens, Willem! Ik krijg bosschen en heidegronden in mijn bezit, en gij, die zooveel van jagen houdt....”
“Ik zal nu maar wachten tot ik de groote tijgerjachten op Insulinde bijwoon....”
“En hebt ge waarlijk nog maar zóó weinig tijd voor u, eer we voor goed afscheid nemen?” viel Leopold in, met eene zachte stem, waaruit zijne aandoening sprak.
“Wat zal ik je zeggen! Zijne Excellentie heeft besloten met den eersten mail te gaan, die half April vertrekt. Wij moeten dus zorgen tijdig te Marseille te zijn, en met alles wat er nog te schikken en te regelen [24]valt, ziet gij wel dat er niet veel tijd voor vriendschapsdiensten meer overblijft.”
“Hoe komt die Gouverneur-Generaal er toch toe, om juist u voor dat baantje uittekippen?” vroeg Leopold verdrietelijk.
“Dat is licht te verklaren. Hij is wat aan mijne familie geparenteerd, daarbij uit onze provincie herkomstig. Hij kende mij reeds vóór hij in de Kamer optrad; hij had mij sinds lang zijn invloed toegezegd als er sprake was van zijne bevordering, en nu hij zoo’n hooge betrekking kreeg, was het juist niet vreemd, dat hij aan mij dacht. Hij kon niet weten, dat ik voor mijn Leopold zóó onmisbaar zou zijn.”
“Sla den nagel maar niet dieper in, Willem! Ik voel wel, dat ik mij den schijn geef van een grof egoïsme; maar geloof mij, uw besluit om ’t vaderland te verlaten treft mij niet het meest om mijns zelfs wil, al word ik daardoor verstoken van uw vriendenraad en hulp; maar bij de voorstellingen, die ik mij maakte van de toekomst, bij de plannen, die ik bouwde op mijne toekomende fortuin, waart gij zoozeer mede begrepen, dat ik mij niet zoo op eens gewennen kan aan het denkbeeld, dat gij u nú juist voor goed van mij gaat losmaken, om ’t geluk te gaan zoeken in den vreemde, dat ik als ’t ware in de hand had u te bieden. Gij verlangt te reizen.... Wij hadden het immers samen kunnen doen?”
“En uwe vrouw!”
“Mijne eerste conditie zou geweest zijn, dat zij zich aan mijn vriend had te gewennen.”
“’t Is nog beter, dat gij zulke conditie niet behoeft te stellen. Mogelijk zijn er bezwaren genoeg te overwinnen zonder dat. En begrijpt gij dan niet, gij, die liever in bekrompenheid hebt willen leven dan uwe onafhankelijkheid prijs te geven, dat ik op mijne beurt ook eene onafhankelijke positie verkies boven de meest welgemeende aanbiedingen van een vriend? Hoe zou het mij zijn, zoo ik op uwe fortuin zou gaan teeren?” [25]
“Een onafhankelijke positie! de dienstman te wezen van een satraap!”
“Satraap zooveel gij wilt, hoewel mijn chef nog niets gedaan heeft om hem in die categorie te rangschikken. Maar om alleen op mij zelven te komen. Ik zal niet altijd in die ondergeschikte positie blijven. Mijn beschermer, die een man van zijn woord is, zal mij spoedig genoeg voorthelpen, als hij mijne geschiktheid heeft beproefd, en dan.... het is nog niet gezegd, Leo! wie van ons beiden den zwaarsten kamp zal moeten voeren, om de fortuin te veroveren....”
“Wel zeker! Naar de Oost trekken, maken dat men er gauw rijk wordt, en dan naar Holland weerkeeren om in den Haag eene villa in ’t Willemspark of een Geldersch landgoed te gaan bewonen, dat is in een ommezientje geklaard; maar ik kan juist niet zeggen, dat ik het prijselijk vind, en ik zou het waardiger en dankbaarder achten, dat men zijne schatten ten minste ging verteeren waar men ze heeft opgezameld.”
“Het is waar, Leopold; van de tien handelen minstens zeven op die wijze; maar waarom verdenkt gij mij, dat ik juist tot de zeven zou behooren? Waarom ben ik zoo plotseling in uwe schatting gedaald?”
“Waarom! waarom!” riep Leopold, opstaande en zijn stoel met drift ter zijde schuivende, “omdat het mij is, of ik zelf gedaald ben in de uwe; dat kwelt mij en maakt mij wrevelig. Luister, Willem! ik neem een kort en goed besluit: ik ga aan dien van Beek schrijven, dat ik van zijn verwenscht millioen afzie, en dan ga ik met u mee naar Indië; daar zal voor mij toch ook nog wel plaats zijn.”
“Ik had er werkelijk aan gedacht, u iets dergelijks voor te stellen eer ik uw brief had ontvangen, maar nù zou dat dwaasheid zijn.”
“Geene dwaasheid; want ik voel dat de demonische macht van dat geld mij al gaat beheerschen en dat ik er hoe langer hoe meer onder zal raken als ik er mij [26]niet met één forsche daad aan ontworstel. Ik ben al zoo ver, dat ik anderen voor mij zelven vergeet, en aan niets weet te denken dan aan mijne eigene bezwaren, en dat om dit ellendig geld.”
“Dat blijkt; want gij vergeet, dat het niet enkel eene geldkwestie is. Gij vergeet dat jonge meisje, dat gij daar zoo bot weg in den steek zoudt laten, zonder te onderzoeken, of zij ook waardig is, dat gij haar uw steun biedt en of gij haar niet willekeurig versteken gaat van ’t geen haar is toegedacht.”
“Gij hebt goed praten, maar.... als gij in mijne plaats waart....”
“Zou ik handelen en mij zelf overwinnen, om te zien wat er in dezen te doen viel. Gij ziet op tegen den strijd, dien u wacht, tegen de bezwaren, die uwe rust gaan verstoren, ziedaar alles; en nu meent gij eene grootsche daad te doen met het hoofd af te wenden en uw gewonen weg te gaan, of er u geen nieuwe plichten waren opgelegd. Mis, vriendje! Met mijne toestemming zult gij zulke ongerechtigheid niet plegen. Gij moet den strijd aanvaarden; niet tegen den berg opzien, waarachter het onbekende ligt, en als een echt paladijn den kruistocht ondernemen tegen de reuzen en draken, die uwe dame in gevangenschap houden.”
“Gij hebt, op mijn woord, gelijk. Ik mag dat meisje niet zoo willekeurig op zij schuiven, al zou ik ook vrijheid hebben om zelf arm te blijven uit gemakzucht. Het blijft er bij, Willem! Ik zal niet lafhartig teruggaan in dezen kamp, al moet het er een zijn tegen mijzelven. Ik ben gelukkig geen vreemdeling in zulken strijd; maar ziet gij, een vriend als gij, die bijtijds waarschuwt, zou mij zoo noodig zijn. Maar het zij zoo; ik sta u af, al is ’t noode. Ik weet, waar ik mijne sterkte zal zoeken. Ja! glimlach maar.... gij, die zoo vast in uwe schoenen staat, dat gij nooit behoefte gevoelt aan hooger hulp.”
“Dat heb ik nooit gezegd, Leopold. Ik glimlachte, het is waar, over de levendigheid en de snelle wisseling uwer [27]aandoeningen; maar ik ben er verre af, in u te bespotten wat ik hoogacht, al kan ik uwe religieuse opinies niet deelen.”
“Waarom niet? Is het dan zoo moeielijk, te gelooven aan krachten en machten, die men niet zien, niet ontleden kan; wordt het leven niet een jammerlijk terre à terre, als men het opvat zonder iets aan ’t bovenzinnelijke te hechten; in één woord; hebt gij, gij, die een ernstig en zedelijk mensch zijt, gansch geene behoefte aan geestelijk leven, aan godsdienst?”
“Wat zal ik je zeggen, Leopold! Wij leven in een tijd van spoorwegen en stoommachines, waarin iedereen op zijn eigen terrein zoo wordt voortgejaagd en gedreven, dat men waarlijk lust noch tijd overhoudt om veel, om diep na te denken. En de theologie is een akelige doolhof, vol doornstruiken en wespennesten, waarin ik niet graag zou ronddolen. Ik weet wel, er is een gemakkelijke weg om voor religieus door te gaan en zich zelf wijs te maken, dat men het werkelijk is. Men heeft alleen maar binnen ’t cirkeltje te treden, dat eens en voor goed is afgebakend. Maar .... dat is mijne zaak niet, al weet ik que c’est très bien porté in zekere côteriën....”
“Gij weet van mij, dat ik mijne overtuiging niet van côteriegeest heb afhankelijk gemaakt,” viel Leopold in, vast, maar zonder gekrenktheid.
“Als ik dit niet van u wist, zou mijn uitval eene opzettelijke krenking zijn, Leo! En al houd ik er van, u eens een weinigje te plagen ik zou u nooit willen grieven in ’t geen ik weet dat u zeer na aan ’t harte ligt. Wat ik zeide, was voor mij zelven, omdat men mij juist in dezen tijd wel eens lastig is gevallen op zeker punt. Wat u betreft, gij hebt u nu eenmaal vastgezet in eene overtuiging, die ik niet zal bestrijden, te minder, daar gij er uw leven naar hebt gericht. Maar juist daarom, Leopold, kan ik niet inzien, dat ik U zoo onontbeerlijk zou zijn dat ik mijne vermoedelijke fortuin aan de eischen uwer vriendschap zou moeten opofferen.” [28]
“Bij dieper nadenken zou ik dat ook niet gevergd hebben, Willem; alleen.... gij hebt daarin gelijk.... ik ben wat snel, wat levendig in mijne opvatting, en mijne eerste opwelling was die van teleurstelling. Gij weet, ik ben er nu overheen, en gij zult zien dat ik niet meer weifelen zal in mijn voornemen om de aangeboden fortuin te aanvaarden met al hare baten en schaden, al drukt mij nu reeds de groote verantwoordelijkheid die zij zal opleggen.”
“Maar vergeet dan ook niet de groote voorrechten, welke zij geeft; ware ’t maar alleen de gelegenheid om veel goed te doen. Komaan, schep moed! Uwe schouders zijn krachtig genoeg om den last van een millioentje te dragen; uw hoofd is niet te zwak om groote bezittingen te beheeren. Gij hebt eene reine, werkzame jeugd achter u. Het tijdperk, dat gij nu intreedt, is dat van mannelijke kracht. Uw vastheid van wil is reeds gerijpt in menige beproeving, die gij zegevierend hebt doorgestaan. Is er dan vrees dat gij versagen zoudt voor het te veel, gij, die het zoo vorstelijk met het te weinig hebt weten op te nemen?”
“Nu nog mooier! Gij gaat mij vleien,” sprak Leopold lachend. “Gij wilt eens zien, hoe ik dat opnemen zal; maar wees gerust. Tegen vleierij heb ik een ferm waterproefje aan; ik ken mij zelf een weinig....”.
“Nog niet genoeg, als gij twijfelt of ik hier in vollen ernst spreek. Ik ben acht jaar ouder dan gij, Leopold! en sinds wij elkaar leerden kennen, heb ik uwe worsteling met het leven en de omstandigheden met belangstelling gadegeslagen, en zoo mag ik zeggen: gij zijt voor die moeielijke taak opgewassen. Gij hebt het ‘adeldom verplicht’ zóó goed weten op te vatten, dat gij het ‘rijkdom verplicht’ ook in de beste beteekenis zult toepassen.”
“Het moeten sterke beenen zijn, die de weelde dragen. Mijn hoofd heeft reeds geduizeld bij de voorspiegeling van een millioen.
“Wie zegt u, dat bij ’t werkelijk bezit mijn voet niet zal wankelen, niet zal uitglijden....” [29]
“Reeds uwe eigen bezorgdheid op dit punt is mij de beste waarborg. Indien ik er anders over dacht, geloof mij, dan nam ik u liever mee als mijn adjunct naar Indië. Maar nu.... luister. Ik ben er in zekeren zin bij geïnteresseerd, dat gij het er goed afbrengt met die erfenis. Toen ik de hand van dien notaris zag, kreeg ik een vermoeden, en toen ik in den brief van uwe oudtante las, dat zij op iedere wijze naar u had geïnformeerd, ging mij het volle licht op. Ik herkende de hand als die van iemand, die in ’t voorgaande jaar mij geschreven had, om informaties te nemen naar u. Er was bijgevoegd, dat de navraag geschiedde met geene andere dan goede intentiën en dat mijn antwoord voor den persoon in kwestie geheim zou blijven. Ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn antwoord was ingericht, en ik heb grond om te gelooven, dat mijne getuigenis heeft medegewerkt tot het besluit van jonkvrouwe Roselaer tot de Werve. Stel mij dus niet ten toon als een valschen berichtgever, door uit overdreven nauwgezetheid te eeniger tijd de zaak te laten varen. Had nadere kennis van de eischen der testatrice mij doen zien, dat men bedoelde u een valstrik te spannen of tot eene laagheid te bewegen, dan zeker zou ik mij geene moeite gegeven hebben uwe bezwaren te bekampen en het eenvoudig op uw instinct van eerlijkheid laten aankomen. Nu blijkt dit niet het geval, en ik zeg u: zet door; wie weet welk een parel van eene vrouw u, dus in ’t goud gezet, wordt aangeboden. Apropos, weet gij al hoe uwe aanstaande heet en waar zij gezocht moet worden?”
“Ik heb van ochtend juist een briefje gekregen van den notaris, met verzoek om zoo spoedig mogelijk bij hem te Utrecht te komen, daar hij in de gelegenheid is, mij inlichtingen te geven omtrent den generaal von Zwenken en zijne kleindochter Francis Mordaunt.”
“Mordaunt! Heet zij Francis Mordaunt?” riep Verheyst, kennelijk onaangenaam verrast.
“Ja! Hebt gij wat tegen den naam? Hebt gij dien [30]meer gehoord?” vroeg Leopold als in één adem; want de strakke, verdrietelijke plooi op het gelaat van zijn vriend stond hem niet aan.
“Meer gehoord, nu ja .... veel gehoord zelfs, als die van een Engelsch officier op retraite, die jaren geleden ergens in mijne provincie heeft gewoond; een man, waar, zoover ik weet, niets op te zeggen viel....”
“Nu ja! Maar de persoon waar ’t hier op aankomt is de dame in kwestie. Kent gij haar?”
“Niet persoonlijk, en op praatjes en geruchten kan men toch eigenlijk niet afgaan; en hetgeen mij van haar is ter oore gekomen, kan .... onjuist zijn. Maar als dit niet zoo is, zou het weinig geruststellend wezen voor u, dat mag ik je niet verbergen.
“Daarom, onderzoek, onderzoek streng en vertrouw niets dan uwe eigene oogen en bevindingen.”
“Heeft zij een lichaamsgebrek, is zij afzichtelijk?” vroeg Leopold met onrust.
“Neen, dat niet; ik geloof zelfs, dat zij er niet kwaad uitziet; althans goed genoeg om pretendenten te lokken; maar....”
“Welnu, wat aarzelt gij! Geef mij den genadeslag. Is ’t eene coquette?”
Verheyst haalde de schouders op. “Daarover heb ik niet hooren klagen; het zou ten minste eene coquetterie moeten zijn van een vreemde soort.”
“Martel mij niet; zeg in eens uit wat kwaad gij van haar weet.”
“Niets eigenlijk wat men kwaad kan noemen; althans in uwe oogen zal het geen misdaad schijnen. Ik weet alleen, dat een mijner bekenden, een vriend van mijn jongsten broer, die smoorlijk op haar verliefd is geweest en bot af een blauwtje heeft geloopen, mij eene voorstelling heeft gegeven van haar, die .... enfin, niet heel aanmoedigend is voor u. Zij moet eene brutale heks zijn, die niet wil trouwen, omdat zij geen heer of meester over zich wil erkennen. Ze heeft dien armen Karel [31]Felters, den goedhartigsten sukkel die er op twee beenen loopen kan, zoo gerudoyeerd dat hij van schrik het hazenpad heeft gekozen, en nota bene naar Afrika is vertrokken, om zeker te zijn, dat hij haar nooit weer zou ontmoeten; overigens niet slechts in alle opzichten een goede jongen, maar in vollen zin dat, wat men eene goede partij noemt. Ik zeg ’t niet om u af te schrikken, maar....”
“Wel, dat schrikt mij in ’t geheel niet af,” sprak Leopold rustig. “Dat zij geen sukkel wil hebben, die voor een vrouw wegloopt, bewijst voor haar karakter; ik vind het piquant dat zij geene flauwe onbeduidendheid is.”
“Ja! piquant moet ze zijn in de hoogste mate.”
“Zooveel te beter. Een weerloos slachtoffer vellen trekt mij in ’t geheel niet aan.”
“Ik ben blij dat gij er zoo over denkt. Ik voor mij zou geen lust hebben in zulken kamp; maar gij, die zedelijk verplicht zijt den aanval te wagen....”
“Al ware die verplichting er niet, ik zou er mij nu toch toe opgewekt gevoelen.”
“Om een helleveeg te trouwen?” vroeg Verheyst, zelf gerustgesteld door de luchtigheid, waarmee Leopold zijne slechte berichten opnam. “Een prettig baantje voorwaar!”
“Het doet er niet toe; dat is juist een kolfje naar mijne hand. Ik zal er Shakespeare’s Taming of the shrew nog eens op nalezen.”
“As you like it! maar bedenk dat zijne middelen geantiqueerd zijn.”
“Ik ben geen gentleman uit den ruwen tijd van old merry England; ik ben een edelman van de 19de eeuw...”
“Dat bewijst niet veel. Of vindt gij dat onze moderne jongelui zoozeer uitblinken in wellevendheid en galanterie?”
“Nu, om je gerust te stellen, die ridderlijkheid van de preux chevaliers die ik onder mijne voorvaderen tel, is .... meer dan wellicht voor deze occasie noodig zal zijn, in mijn bloed overgegaan. Mijn moeder placht te zeggen, [32]dat ik geleek op dien ridder van Zonshoven, ook een Leopold, die, om de eer zijner dame op te houden, zich de linkerhand heeft laten afkappen. Zie, deze hier is het; de legende is te lang om nu te vertellen, maar de verminkte arm wijst het uit, dat er iets waars aan is en dat het portret moet gemaakt zijn nà de catastrophe;” en Leopold wees met de hand en blik naar eene der oudste beeltenissen, in zwart ebbenhouten lijst. Verheyst zag beurtelings naar de oude in harnas gehulde gestalte, en naar het jeugdige frissche gelaat van Leopold, en sprak eindelijk, met een glimlach het hoofd schuddend:
“Uwe goede moeder heeft haar eenigen zoon dan toch niet geflatteerd; ’t is waar, er is eenige gelijkenis in dat hooge voorhoofd met het uwe, en uit dit donker blauwe oog spreekt stoutheid en zachtheid tevens, zelfs zou men in den vorm van ’t gelaat, en in de wat laatdunkend vooruitstekende onderlip, desnoods den familietrek kunnen ontdekken, maar toch, de meester schilder, die deze beeltenis vermoedelijk in ’t begin van de vijftiende eeuw heeft geconterfeit, is zeker geen groot man in zijn vak geweest; ’t is alles zoo hard en stijf, die ridder poseert zoo brutaal met zijn verminkt lid, dat ik mij wel verklaren kan waarom gij het juist in dien hoek hebt gehangen.”
“Toch het meest omdat het vuil en hier en daar gebarsten is,” sprak Leopold; “maar als ik het eens laat opknappen, en het werk tot zijn recht komt, zal het zich zeker gunstiger voordoen, en wie weet, aan welk groot schilder het dan niet zal worden toegeschreven; de naam staat er wel niet op, en het jaartal evenmin, maar toch....”
“Wie weet of ’t nog niet uitkomt, dat het een Memling is”, spotte Verheyst, er nog dichter vóór tredende.
“En Mijnheer de ridder draagt het kruis der Tempeliers” ging hij voort; “zoo heeft hij zijn schoone dan niet eens gewonnen door zijn offer.”
“Neen! zijn roman had een treurigen afloop.”
“Ik wensch dan van harte dat de gelijkenis van het [33]leven niet sterker moge doorgaan, dan die ik waarneem in de physionomie. Want zonder je te vleien, de jonker van de 19de eeuw bevalt mij vrij wat beter dan die van de 15de. Al hebt gij niet de forsche gestalte van dien pourfendeur, gij zijt toch slank en rap genoeg, en in uwe fijne blanke hand zit kracht genoeg, al zou die zwarte gantelet haar al zeer slecht ganteeren, en dan die akelige strakke trekken, die ijzige glimlach; terwijl bij u alles leven en bewegelijkheid is. Neen! neen! de uitdrukking van die tronie bevalt mij volstrekt niet, al stellen wij nog zooveel van dat kille en fletsche op rekening van den conterfeiter, en voorwaar, die man met zijn hoog opgetrokken wenkbrauwen ziet op ons neer met zoo’n trotschen, laatdunkenden blik, of hij zich boos maakt dat wij niet aan zijne voeten vallen, la face contre terre. Foei! ik word er krekelig om, en wel het meest op uwe moeder, die zeker uit adeltrots, juist den vinnigsten en fiersten van al deze hooge en machtige heeren uitkipte, om er u mee te vergelijken.”
Leopold lachte luid en onbedwongen.
“Wat sta je door te slaan, Willem; en om je te beschamen, moet ik je zeggen, dat mijne moeder, die wel stille huiselijke deugden, maar geen greintje geboortetrots heeft bezeten, juist in de uitdrukking van de oogen, in den fellen hooghartigen blik, de gelijkenis meende te hebben gevonden.”
“Il ne s’agit que de bien voir la chose, maar als gij mij zóó stondt aan te kijken, zou ik je vierkant den rug toedraaien, om je nooit weer op te zoeken.”
“Ik ben u de toelichting schuldig,” hervatte Leopold, goelijk lachend. “Moeder maakte mij wijs, dat ik op den ridder geleek als ik mijn booze, weerbarstige buien had en de—onbeschaamdheid pleegde.... (lieve, arme moeder, wat hebt gij mij veel te vergeven gehad, hoe kondet gij mij liefhebben),” viel Leopold zich zelf met weemoed in de rede, “haar zoo fier en uittartend aan te zien; dan was ’t altijd: ‘foei Leo! de oogen van den [34]Tempelier,’ en ik werd bij de hand voor ’t portret gebracht te mijner beschaming, en dan, ja, ik belijde het, dan was er waarheid in de gelijkenis.”
“O ho! is ’t er zóó mee gelegen, dan kunt gij ’t mij toch niet kwalijk nemen, dat ik niet gecharmeerd was van uw hoog-adellijk evenbeeld!”
“Te minder daar ik, om billijk te zijn jegens mij zelven, u mag verzekeren, dat er na mijne vlegeljaren geene aanleiding meer heeft bestaan tot zulke boetpredikatie en action; het lot heeft mij zoowel ootmoed als ernst geleerd. En ik betreur dat niet: ijdele hoogmoed brengt ons zeker ten val, en het is ijdelheid, als men, zelf arm aan verdiensten, op de voorvaderlijke grootheid stoft; nog ééns, zoo ik mij wel herinner, heeft het symptoom der booze gelijkenis zich weer voorgedaan, en wel bij gelegenheid van eene woordenwisseling, die ik had met mijn oom den minister. Maar ik was toen in mijn recht, want hij beschimpte mijn vader nog in zijn graf, omdat deze eene arme freule had getrouwd, die hem niets had aangebracht dan familiebezwaren, terwijl hij, naar zijn voorbeeld, zijn jonkheerstitel had moeten gebruiken als het lokaas voor eene schatrijke burgerlijke bruid. Toen voelde ik het bloed van den Tempelier nog weer eens in mijne aderen bruisen, en de gloed der verontwaardiging moet uit mijne oogen gelicht hebben, zooals die daar ginds schitteren, want Zijne Excellentie was kennelijk niet zeer op zijn gemak; hij verbleekte en tastte naar zijn schel, of hij hulp wilde roepen en vreesde dat ik andere wapens zou gebruiken tegen hem dan die van mijn blik; toch bedacht hij zich, toen hij mij zag glimlachen over zijne onrust, en van toon veranderend, bracht hij mij met eene hoffelijke wending van ’t gevaarlijke chapitre af, mompelde eenige onbestemde betuigingen van belangstelling enz. enz. en geleidde mij al pratende tot in zijn antichambre, waar wij reeds niet meer alleen waren. Maar ik wist, dat ik voor goed aan zijn kamerdienaar geconsigneerd was, en mij de moeite [35]om bij hem aan te schellen voortaan kon sparen. En nu genoeg riddergeschiedenis voor heden; vertel mij nog liever wat van mijne aanstaande vrouw....”
“Ik wensch voor u en voor haar dat zij uw ridderlijk bloed niet in al te groote beweging zal brengen, en daarom moet ik u vooruit waarschuwen, dat zij ruw is en.... slechte manieren heeft.”
“Tantes brief deed mij reeds onderstellen, dat het haar aan eene goede opvoeding heeft ontbroken. Maar dat is immers hare schuld niet. Het arme kind! Welnu, ik zal daarin dan wat te verhelpen hebben, en ik zal tegelijk de echtgenoot en de gouverneur mijner vrouw moeten zijn; mogelijk, wie weet het, nog wel voor muziek- en dansmeester moeten spelen!”
“Niet voor schermmeester althans, want zij kan handig genoeg met den degen omgaan, altijd volgens de getuigenis van Karel!”
“Drommels!” riep Leopold lachend, “dat’s om bang van te worden....”
“Karel is werkelijk bang geworden, en, om u ’t al te zeggen: zij was destijds nog maar een aankomend meisje, en toch werd haar in de kleine garnizoensplaats, waar zij woonde, algemeen de niet zeer vleiende bijnaam gegeven van: Majoor Frans.”
“Dat klinkt niet aantrekkelijk! daar hebt ge gelijk in, maar toch.... ik zal zien dien majoor onder mijn vaandel te enroleeren, en ben ik eens zoo ver, dan zal hij in die kwaliteit zijn ontslag moeten nemen om in ’t civiele over te gaan.”
“’t Is goed dat gij het zoo luchtig opneemt, want in trouwe, er zit voor u niets op dan het te beproeven....”
“Faire contre fortune bon coeur, is altijd mijne leus geweest en—mijn lot,” hernam Leopold met eene mengeling van zwaarmoedigheid en scherts.
“Maar, mijnheer! doe dan asjeblieft open, ik heb al driemaal geklopt met het theewater.”
’t Was de snibbige stem van Kaatje de dienstmeid, wier [36]bescheiden tikken onder het levendige gesprek niet was gehoord geworden.
Leopold deed open en Kaatje zette het theeblad klaar met “z’n toebehooren,” maar Verheyst trok een gezicht dat comische wanhoop uitdrukte bij die aanstalten, en toen het meisje was afgetrokken, sprak hij: “Zet maar geen thee voor mij, want om de waarheid te zeggen, ik ben veel te flauw om uw lauw water te drinken; ik heb maar zoo wat geluncht met een stuk brood en vleesch; mijn diner is bij de reis ingeschoten.”
“Ondankbare egoïst die ik ben, u zóó aan den praat te houden en daar niet op te denken; wacht, ik geloof dat mijn kok vandaag ook wat slapjes was met zijn soep. Ik zal mij eens een extraatje permitteeren; ’t is half acht, de tafels in de hotels zijn afgeloopen; maar wij gaan een apart dineetje nemen bij Pijl.”
“Waarom niet in de Witte? Daar moet het nogal goed zijn, en mogelijk ontmoet ik daar nog dezen of genen, dien ik spreken moet, ware ’t maar alleen om afspraak te maken tegen morgen: dat zou mij tijd uitwinnen.”
“Zoo gij daar wezen wilt, mij goed, dan zal ik iemand opzoeken om u te introduceeren; maar laten wij dan eerst elders gaan eten, want dààr kan ik uw gastheer niet zijn. Ik ben geen lid meer.”
“Dat’s kras, Leo!”
“Wat zal ik je zeggen. Toen mijn vader stierf, en mijne moeder, schoon ze van een schraal pensioentje moest leven, niet besluiten kon den Haag te verlaten, begreep ik voor mij dat ik het snoeimes flink ter hand moest nemen, om al wat naar luxe geleek, ferm uit te snijden. De contributie moest op mijn budget geschrapt worden, en hoewel ik vrienden genoeg had die mij begrijpen lieten, dat ik daarover niet denken moest, wees ik die aanbiedingen ruiterlijk af. Geen valsche schaamte weerhield mij om te zeggen waar het op stond, dat de kleine geldzaak hier niet eens het grootste bezwaar was, maar dat men het Haagsche leven niet ten halve kon [37]meedoen; dat ik er den lust zoowel als de gelegenheid voor verloren had, dat ik voortaan dacht thuis te blijven en mij niet in den omgang met vroegere vrienden tot soupeetjes en avondpartijtjes wou laten verlokken. Daarbij onder ons gezegd, onder drinkers en spelers heb ik mij nooit recht thuis gevoeld, zelfs niet dien korten tijd, dat ik student mocht zijn, en ik berekende, dat als men mij nergens meer zag, invitaties voor diners en partijen vanzelven zouden ophouden, die tot allerlei extraatjes leiden van fijne handschoenen, verlakte bottines, en in de verplichting brengen om er een éléganten rok op na te houden; mijne abdicatie, zooals men dat noemde, werd begrepen, mogelijk hier en daar bepraat en afgekeurd; maar ik had er spoedig geen last meer van. Jongen! men wordt zoo makkelijk vergeten, als men vergeten wil zijn! Toch moet ik ter eere van mijne Haagsche kennissen zeggen, dat ik bij toevallige ontmoetingen nooit anders dan achting en welwillendheid heb gevonden. Ze hebben het mij heusch niet kwalijk genomen dat ik kluizenaar ben geworden, en het niet eens een onvergefelijke dwaasheid geacht, dat ik, arm zijnde, niet om den bluf, den schijn heb willen bewaren en toch meedoen, ware het ten koste van anderen, om ’t geen sommigen noemen: hunne eer op te houden! En nú, laten we gaan zien dat we wat te eten krijgen.” Al sprekende had Leopold zijn overjas aangetrokken, zijn hoed en handschoenen genomen, en beiden stormden nu met gezwinden pas de trap af.
Al had ik niet beloofd u een getrouw verslag te doen, beste Willem! van mijn wedervaren en bevindingen op mijn avontuurlijken tocht ter verovering eener bruid, toch [38]zou ik er behoefte aan hebben, dat alles mede te deelen aan iemand, die luisteren wilde zonder repliek. En daar ik er vooralsnog geen sterveling, behalve den eenigen, die er niet buiten kon blijven (de notaris), inhalen wil, is het waarlijk een kansje voor mij, dat gij nu mogelijk al door de Roode Zee glijdt, en ik dus alles aan ’t papier kan toevertrouwen, met de zekerheid, eenmaal door een vriend gelezen te worden, zonder dat ik mijn geheim verklap.
Ons afscheid was zoo brusk en gejaagd tusschen al die heele en halve kennissen in, waar we bij Paulez mee dineerden en waarvan enkelen u meenamen naar de sociëteit, dat ik niet meer in de gelegenheid was, om u kennis te geven van mijn besluit om reeds des anderen daags met den eersten trein naar Utrecht te vertrekken, om mijn verkenningstocht aan te vangen. Uwe mededeelingen hadden mijne nieuwsgierigheid geprikkeld, meer nog dan mijne hebzucht het was door het blinkend millioen, en ik kon mijn ongeduld niet bedwingen tot uwe terugkomst van die particuliere audiëntie die u op zulk eene geheimzinnige wijze, op zulk een ongewoon vroeg uur, was toegezegd. Ik hoopte altijd, dat ik u vóór uw definitief vertrek nog eens zou kunnen zien, om u vaarwel te zeggen; maar gij waart altijd par voies et par chemins in de laatste dagen en ik .... neen, ik was niet op reis, maar zoo wat in een betooverd slot geraakt, waar ik wel niet door draken en reuzen, maar door mijn eigen wil en zucht tot volharding werd vastgehouden. Mogelijk nog wel door iets anders .... maar daar ben ik nog niet zoo zeker van.
Om nog even op uwe zaken te komen. Gij zult nu zeker beter weten, dan ik het vatten kan, hoe uw patroon staat met zijne zenders, en hoe dezen het op hunne beurt zullen maken met hunne dwarskijkers. Als ik aan dat alles denk, komt de wensch bij mij op, dat gij liever aan mijn voorstel haddet gehoor gegeven, om mijn wel en wee te deelen, dan u mee te laten vangen [39]in dat striknet der intrigue, waaruit geen van de partijen, die er in betrokken zijn ongeschonden te voorschijn kan komen. Maar gij zult mij antwoorden, dat gij volkomen onkundig waart van deze valsche verhouding, toen gij uw woord gaaft, en dat het overige uwe zaak niet is, en daarin hebt gij gelijk. Uw patroon kan de stormen aan deze zijde van den Oceaan onbekommerd zien opsteken; zijn hoofd zullen ze toch niet treffen: zijne positie is voor het bepaalde getal jaren verzekerd, en—de uwe evenzeer. Gij hebt intusschen van de gelegenheid geprofiteerd, om Indië te leeren kennen, en kunt met die kennis veel goeds doen en veel kwaads voorkomen, als men naar u zal willen luisteren, voilà la question. Iemand die dat zeker zou gedaan hebben, en die hoog noodig zou gehad hebben dat gij hem uwe voorlichting bleeft geven, is schrijver dezes, die waarlijk onder zeer bezwaarlijke en gecompliceerde omstandigheden tot handelen zal worden gedwongen. Naar mijn eigen gevoelen is de zaak mijner fortuin nogal vlottende. Wel is door de waardige erflaatster alles gedaan, wat noodig was, om die voor goed te verzekeren; maar er zijn oogenblikken, waarin mij de onweerstandelijke lust overvalt, om mij van alles af te maken, liever dan het instrument te zijn, om de wraakzucht d’outre tombe van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve te dienen: een grijsaard uit zijn erfgoed te verdrijven en eene arme zwerfster te maken van eene weeze, die door hare afkomst een recht heeft op de nalatenschap harer oudtante, al blijkt de wetgeving zulke rechten lager te stellen dan de luim eener knorrige, oude vrouw, die de behendigheid heeft gehad een onaantastbaar testament te maken.
Gij ziet, Willem! dat ik nog in ’t geheel niet verzoend ben met de beschikkingen van tante Roselaer, maar ’t is ook ergerlijk voor iemand, die een ingeboren gevoel van billijkheid heeft en een hart, dat—ja, ik mag het hier zeggen,—dat op de rechte plaats zit, om de exécuteur [40]des hautes oeuvres te zijn eener ingeroeste familieveete. En toch, zoo vaak ik de opwelling in mijne chevalereske gevoeligheid—die gij mogelijk romaneske zwakheid zoudt noemen—heb bekampt met de nuchtere, klare beschouwing der feiten, komt het mij voor, dat ik mij niet onttrekken mag aan dien plicht, en dat de nood mij is opgelegd, het aangewezene te volbrengen, liever dan lafhartig de handen te laten zakken en alles over te laten aan den notaris-executeur, een uiterst braaf man, ik wil ’t gaarne gelooven, maar zoo punctueel op de letter van de wet, dat hij geenerlei menagementen zou gebruiken, noch van verzachtende maatregelen, noch van uitstel van executie zou willen hooren; en dat alles staat ten minste nog in mijne macht, als ik het lastig baantje niet moedwillig laat varen.
Een enkel geval kan zich voordoen, waarbij mij het koninklijk prerogatief is toegekend, om gratie te geven, namelijk: als het huwelijk doorgaat; maar ik begin te vreezen, dat er hinderpalen bestaan, die iemand van mijn karakter met den besten wil der wereld niet kan overstappen; dan—ik wil geregeld vertellen en niet beginnen met hetgeen wellicht het einde zal moeten zijn. Ik ga u mijne indrukken en ontmoetingen mededeelen—dag voor dag—zooals zij mij zelf toegekomen zijn, te beginnen met mijn bezoek bij den notaris van Beek op den 28sten Maart. De waardige fonctionaris is een klein mager persoontje, met een naturel op, en een paar kleine levendige oogen, die met zijn fijnen, langen neus en de dunne lippen van den toegeknepen mond het perfect model levert van een slim, capabel, maar onverbiddelijk wetgeleerde. Hij ontving mij eerst in zijn kantoor, in zijn klassieken armstoel gezeten, met zijn grijs huisjasje en statelijke witte das, die zijn dunne hals met onverbiddelijke wreedheid omwrong. Ik had hem wel lucht willen bezorgen, zóó greep het aanschouwen van die beklemming mij aan, maar hij zelf voelde zich daardoor blijkbaar niet in de engte—het scheen hem alleen een steun [41]zijner wichtigheid. Opstaande groette hij mij met eene deftige buiging, en eerst toen ik mijn naam had genoemd en mijn besluit had te kennen gegeven, om, indien eenigszins mogelijk, de intentiën der erflaatster te vervullen, zweefde een fijn glimlachje om zijn mond, of hij zeggen wilde: “Gij zijt er dan toch toe gekomen, al valt gij wat aarzelachtig.” Na eene korte woordenwisseling over het eenigszins plotseling afsterven zijner cliënte, en haar uitdrukkelijk verlangen om in alle stilte en zonder samenroeping harer familieleden ter ruste te worden besteld, vertelde hij mij, dat hij sinds dertig jaren met het vertrouwen van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve was vereerd geweest, en met het beheer harer zaken was belast, en dus ten volle in staat was mij alle verlangde inlichtingen te geven omtrent hare verhouding tot den generaal von Zwenken, en hare intentiën met deze en zijne kleindochter. Ik spare u en mij zelven de optelling van de jammerlijke reeks tracasseriën en reciprociteiten, waarmee, al vóór de geboorte van Francis, de generaal en tante Sophie elkaar hebben vervolgd en elkanders leven hebben verbitterd. Dat zij dien man niet met het bezit harer fortuin wil begunstigen, kan ik mij best begrijpen, en ik moet het zelfs goedkeuren met het oog op Francis, die het eerste slachtoffer zou zijn van die onvoorzichtigheid. Uit alles blijkt, dat hij een verkwister moet zijn, of ten minste een zóó slecht financier, dat de staat zijner zaken, dien de notaris op zijn duimpje kent—beter wellicht dan de man zelf—, te vergelijken is bij een zinkput, waarin men schatten bij schatten zou kunnen wegwerpen, zonder die te dempen. Maar tusschen het onthouden van zijne nalatenschap van een verwant, wien men gelooft niets schuldig te zijn, of het smeden van een onverbiddelijk wraakzwaard, dat men nog uit het graf boven zijn hoofd weet op te heffen, ligt toch eene wijde klove, en dit getuigt van een onchristelijken geest, van eene woeste haatdragendheid als men onder wilden en heidenen nauwelijks zou vinden, maar die men [42]allerminst had kunnen verwachten van een statige dame in een stijf kostelijk zwart zijden japon, met zilvergrijze haren onder een zwart kanten mutsje, en een snoer zuivere paarlen om den hals zooals zij zich vertoont op haar portret, nog in het laatste jaar van haar leven geschilderd, en dat zij aan haar notaris gelegateerd heeft, omdat zij zich in ’t hoofd had gezet, dat niemand harer bloedverwanten het met welwillendheid zoude aanzien. En ik geloof, dat zij zich in dezen niet bedroog; want ik zelf, haar hoog begunstigde erfgenaam, moet ronduit verklaren, dat er nog veel zal moeten gebeuren, veel zal dienen opgehelderd te worden, wat mijne indrukken van dit oogenblik wijzigt, eer ik met een opgeruimden en dankbaren blik die toegeknepen lippen, die kleine, felle oogen en die scherpe gelaatstrekken zal kunnen aanstaren, sinds ik weet, welk een Shylocks geest deze fijne magere vrouwenfiguur heeft bezield. De notaris getuigde van haar, dat zij “goed arms was;” maar wat singulier van leef- en denkwijze. Als een wettisch, orthodox man, die hij zelf is, schreef hij dat toe aan de bijzonderheid, dat zij nog altijd veel op had met de denkbeelden en gevoelens der achttiende eeuw, dat zij eene groote vereerster was van Rousseau—ja, zelfs dat zij eene statuette van Voltaire in hare kamer had en zich had laten afbeelden met een deeltje van diens brieven in de hand, al wist zij, dat de toekomende bezitter juist niet bijzonder gesticht zou zijn door dit détail, Maar zij hield er van, mij een weinigje te plagen, voegde hij er met een sluw glimlachje bij, en ik liet haar begaan; zij had overigens zooveel goeds.—“Zij had vele goederen althans,” vulde ik in gedachte aan, terwijl ik luisterde, “het beheer waarvan, waardige homme d’affaires, u jaarlijks een mooi rond sommetje opbrengt, ’t geen u noodwendig tot grootmoedigen accomodatie-zin stemt.”
“Ja, ja, jonker!” ging de man voort, “sinds gij mij de waarheid vraagt omtrent het leven en bestaan der overledene, moet ik u zeggen, dat ze uiterst zelden ter [43]kerk ging, en dan nog wel bij de Franschen, schoon zij niet tot die gemeente behoorde; dat ze jaarlijks groote sommen ten beste had voor allerlei inrichtingen van weldadigheid of industrie; dat zij deelnam aan alles wat er werd uitgedacht om het lot van den minderen man te verlichten, maar dat zij voor kerk en kerkelijke zaken, zelfs voor zendelingen en christelijke scholen, geen kwartje verkoos af te staan. Ik kon het nooit van haar verkrijgen, en als ik mij verplicht achtte, een weinig aan te dringen, met haar voor te houden, dat het voor iemand van hare middelen eene consciëntiezaak was om dergelijke pogingen te ondersteunen, dan voegde zij mij toe, dat het voor haar eene consciëntiezaak was, het ras der Tartuffes niet te helpen vermenigvuldigen. En daarmee was het dan uit. Gij begrijpt, jonker, dat ik in mijne kwaliteit tegenover haar mij voortaan onthouden moest. Zij gebruikte overigens hare schatten voor zich zelve niet dan met uiterste matigheid. Zij bewoonde een klein buitentje hier dicht bij de stad, dat ik voor haar heb moeten koopen, terwijl zij haar prachtig huis binnen Utrecht, haar fraai buitengoed in Gelderland, aan vreemden verhuurde. Zij hield geene andere bedienden dan een huisknecht, eene kamenier van leeftijd en eene keukenmeid. De tuinman, die het lapje moesgrond van de plaats had gepacht, leverde haar de groenten en moest voor haar tuin en bloemen zorgen. Een koetsier hield zij er niet op na. Zij had rijtuig van een stalhouder, bij de maand; maar zij gebruikte het zelden; zij wandelde weinig en kwam weken aaneen niet van de plaats af. Zij had geen conversatie, wees in den regel alle bezoeken af, behalve die van dokter D., haar vriend, die haar dagelijks moest komen zien en die geregeld tweemaal in de week met zijne ongetrouwde zuster een partijtje bij haar kwam maken. Ik kwam zoo vaak de zaken het eischten, en eens in de maand vroeg zij mij met mijne vrouw en dochter te dineeren. Dokter D. en zijne zuster waren er dan ook; maar ik herinner mij niet, dat ik ooit iemand [44]anders bij haar ontmoet heb dan dien schilder, dien zij op haar ouden dag nog haar portret heeft laten maken en wien zij een mooi legaat heeft toegekend, een jongmensch met schalksche oogen en fraaie kneveltjes, dien ik verdenk van haar een weinig het hof gemaakt te hebben à force van aardigheden en piquante gezegden à la Voltaire; want ze kocht teekeningen van hem, die zij nooit aanzag, en ze was altijd een beetje meer geneigd mij te plagen met mijne religieuse gevoelens en mijn ouderlingschap, als hij bij haar was geweest. Overigens een beste jongen, die voor zijn moeder had te zorgen; en ’t kapitaal, dat zij nu nalaat, jonker, is groot genoeg om niet op die caprice te zien....”
“Neen, voorwaar!” viel ik in; “ik ben blij, te hooren dat er iemand geweest is, die dat eenzaam en als in de engte gedreven leven nog in den laatsten tijd wat heeft kunnen opvroolijken.... Maar na ’t geen gij mij daar hebt medegedeeld omtrent hare stemming tegenover kerkelijke en christelijke instellingen, begin ik te twijfelen, of ik wel recht heb, hare nalatenschap te aanvaarden; want schoon ik heel goed weet dat er maar al te veel kaf onder ’t koren schuilt en niet van zins ben in den blinde en op den klank van vroomluidende woorden af, tantes goud rond te strooien, toch zou ik niet kunnen nalaten, zekere belangen, die mij na ter harte gaan, ook door materiëele ondersteuning te bevorderen, zoodra ik mij daartoe in de gelegenheid zie gesteld, hetgeen natuurlijk lijnrecht in strijd moet zijn met hare intentiën.”
Dat geloof ik niet; want zij heeft heel goed geweten, wie jonker van Zonshoven was en wat zij ook op dit punt van hem zou te wachten hebben, en het heeft haar niet afgeschrikt, zooals gij ziet; daarbij, behalve dat zij wat kwelziek viel, was zij vrijgevig genoeg omtrent het gevoelen van anderen. Hare oude kamenier was streng orthodox, en ging niet ter kerke dan bij de meest rechtzinnige dominés, en toch was het rijtuig Zondags altijd tot hare beschikking en is zij door hare meesteres ruim [45]bezorgd voor haar leven. Dat getuigt toch niet van zoo groote vijandschap als hare harde uitvallen tegen mij soms deden onderstellen. Mogelijk heeft zij in u iemand gezien, die doen zal wat zij heeft nagelaten en uit valsche schaamte of stijfhoofdigheid, zelfs bij beter inzicht, zelve niet heeft willen goedmaken. Als zij ’t anders gemeend had, was zij wel de vrouw geweest om te zorgen, dat hare bedoelingen in dezen niet miskend konden worden, geloof mij daarin, jonker!
En ik moet hem gelooven, Willem! Want uit alles blijkt, dat zij volmaakt goed berekend heeft wat zij wilde en van mij wilde. Al zou het je nog zoo vervelen, ik moet u de hoofdkwestie mededeelen, waarin ik verplicht ben hare rancune te dienen. Gij moet dan weten dat het huis de Werve, een oud kasteel op de grenzen van Gelderland en Overijsel gelegen, met zijne uitgestrekte bosschen, heidegronden en landerijen, dat nu door den generaal von Zwenken wordt bewoond, heeft toebehoord aan de ouders van jonkvrouw Sophie Roselaer; dat aan ’t bezit van het kasteel (eene riddermatige hofstede, zooals de notaris zich uitdrukt) tevens de heerlijke rechten verbonden zijn, die in ònzen tijd wel is waar hunne beteekenis verloren hebben, maar waaraan ik zeer wel begrijpen kan dat eene vrouw als tante Sophie nog kon hechten.
Jonker Roselaer van de Werve had geen zoon, ’t geen hem zeker leed genoeg zal gedaan hebben, maar wel drie dochters, waarvan tante Sophie de tweede en mijn moeders moeder de jongste is geweest. De oudste freule, Marie-Anna, werd na den dood harer ouders aangewezen als rechtmatige erfgename van het huis de Werve met alles wat er bij behoorde. Dit viel tante Sophie zeer uit de hand, daar zij eene geheel andere beschikking had verwacht en goede reden had voor die verwachting.
Hare zuster had de oude lieden veel verdriet aangedaan. Zij had in stilte een liefdesroman aangeknoopt met een jong Zwitsersch officier, den kapitein von Zwenken, [46]en daar zij vreesde, nooit de toestemming harer ouders te zullen verkrijgen voor dit huwelijk, ontvluchtte zij heimelijk hun huis en liet zich door von Zwenken naar zijne familie in Zwitserland voeren, waar zij getrouwd zijn. Eene verbintenis, die volgens den man van de wet en naar het gevoelen van tante niet als wettig kon beschouwd worden, hoewel later de zwakke ouders zich met den opgedrongen schoonzoon verzoenden en hun verloren kind, toen het in alles behalve gunstige positie tot hen terugkeerde, met opene armen ontvangen hebben.
Bij dit familietafereel schijnt tante Sophie de rol te hebben vervuld van den oudsten broeder in de gelijkenis. Zij had zich toch al niet best met hare romaneske zuster kunnen verstaan, wilde in den zich noemenden zwager niets zien dan een verleider, een indringer, en bleef onverzoenlijk, terwijl zij de vergevingsgezindheid harer ouders laakbare zwakheid achtte. Het oponthoud van de jongelui in ’t ouderlijk huis was dan ook slechts van korten duur, maar de weinige dagen die zij er bleven waren stormachtig en strekten allermeest om de onderlinge verdeeldheid der bewoners van de Werve te doen overslaan op den verderen kring der uitgebreide familie, wier leden vóór en tegen de von Zwenkens partij kozen. Als machine de guerre tegen haar zwager gebruikte tante Sophie de onregelmatigheid van zijn huwelijk, op vreemden bodem gesloten. Wie dat niet met haar eens waren, wie den Zwitserschen kapitein, in dienst der toenmalige Bataafsche Republiek, voor aanverwant erkenden, konden geen goed meer bij haar doen, terwijl die in dezen hare partij hielden, door den ouden heer Roselaer en zijne vrouw met de uiterste koelheid werden bejegend. Kortom, het was de geschiedenis der Montecchi en der Capulets op kleinere schaal en op achttiende-eeuwsch Hollandsch terrein overgebracht. Men belaagde elkaar niet met dolk of vergift, maar met het venijn der tong. Men kwelde, men brutaliseerde elkaar zooveel men kon; het waren haarkloverijen en représailles sans trève ni merci, die hier [47]en daar tot processen leidden, en onder de handen van procureurs en advocaten werden de kwestiën noch klaarder, noch lichter op te lossen. Daar kwam de oude mevrouw Roselaer te overlijden, en hare dochter Sophie meende nu, dat er eene verandering zoude plaats hebben in het gevoelen van haar vader omtrent zijne “schuldige” dochter, daar het bovenal de moeder was geweest, die hem tot het verleenen van vergiffenis had aangezet. Daarbij geraakte zij nu zelve aan het hoofd der huishouding en gebruikte die stelling om het haar zwager en zijne vrouw zoo onaangenaam te maken in de korte dagen van hun bezoek in het ziek- en sterfhuis, dat zij afscheid namen van den heer Roselaer met de betuiging, dat zij niet zouden terugkeeren. Sophie triomfeerde. Zij dacht de scheiding, de uitbanning voltooid, maar zij vergat dat hare zuster kinderen had en dat het haars vaders vreugd en trots was een kleinzoon te bezitten, al uitte hij die gevoelens niet tegen haar.
Een grijsaard heeft de rust lief, en al gaf hij haar in ’t heimelijk de schuld dezer nieuwe verwijdering, hij liet het haar niet blijken, en getroostte zich den last, zijne kinderen te gaan bezoeken in de naburige vestingstad, waar von Zwenken in garnizoen lag. Sophie wist niet beter of hij deed bij zulke gelegenheid zijne gewone rondreize met zijn rentmeester om zijne verschillende bezittingen op te nemen en zich met pachters of boschbazen te verstaan. Het bleek welhaast dat de von Zwenkens partij hadden getrokken van deze uitstapjes om zijne genegenheid te winnen, in dezelfde mate, waarin tante Sophie die verloor, en dat hij, vrijwillig, of daartoe door hen overgehaald, zijn testament veranderde; want toen hij kwam te overlijden, had hij zijne dochter mevrouw von Zwenken en hare kinderen zooveel bevoorrecht als dat maar eenigszins zijn kon, en haar aangewezen als de erfgename van het kasteel de Werve met de Heerlijkheid en de aankleve van dien. De teleurstelling, de ergernis van jonkvrouw Sophie bij deze [48]ontdekking laat zich begrijpen. O zeker, haar gewerd het rechtmatige deel van het ouderlijk goed, maar juist dàt, waar het haar het meest om te doen was, het ouderlijk huis, waar zij was geboren en opgevoed, dat zij nooit eigenwillig had verlaten, waar zij altijd als meesteresse had geheerscht, dat zij steeds als haar welverzekerd eigendom had beschouwd, werd haar nu ontnomen en overgegeven in de handen van hen, die zij het meest onwaardig, het minst geschikt keurde voor dat bezit. Een zwager, dien zij nauwelijks tot dien naam gerechtigd achtte, dien zij altijd had gehaat en geminacht, en die deze gevoelens met woeker teruggaf; eene zuster, die door haar misstap de eer van ’t ouderlijk huis had bevlekt, die de rust harer ouders, den vrede in de gansche familie had verstoord, werd dus, als lag er niets tusschen, in de rechten eener oudere erkend en boven háár gesteld, die beter dan iemand wist, wat zij hen had doen lijden, en die zelve het hare had gedaan om die smart te verzachten. De rustelooze haat, de onverzoenlijke bitterheid, die daarna alle handelingen en overleggingen van tantes leven heeft bestuurd, laat zich verklaren uit deze krenkende terugzetting, waarin zij niet het meest des vaders hand, des vaders wil zag, maar de list, den intriguegeest van een misdadig echtpaar.
Zelfs al had men haar eene schikking voorgesteld, waardoor zij op het kasteel had kunnen blijven, zou zij die toch niet hebben aangenomen, daar zij te diep gekrenkt was, om concessies van hare tegenpartij aan te nemen; maar het werd haar niet eens voorgeslagen, en slechts de kortstmogelijke tijdruimte werd haar gegund, om zich op de verandering van woonplaats voor te bereiden. Dat was te meer grievend, daar de kapitein niet, zooals zijn schoonvader had gewenscht, den dienst verliet om op het kasteel te gaan wonen en zijne goederen te beheeren. Gebonden nu eens aan deze, dan weer aan gene garnizoensplaats, mogelijk bij het opsteken der oorlogsstormen bestemd om naar den vreemde te [49]trekken, was hij de laatste die genot kon hebben van het erfgoed. Zijn vrouw en de beide kinderen kwamen er van tijd tot tijd een poos vertoeven, maar de eerste stierf een paar jaren na den dood van haar vader, de kinderen bleven bij den vader, totdat zij den leeftijd bereikt hadden, de dochter om op eene Zwitsersche kostschool hare opvoeding te krijgen, de zoon onder opzicht van een gouverneur tot hij rijp was voor de hoogeschool.
Ik moet tante Sophie gelijk geven in hare bewering, dat von Zwenken volstrekt niet the right man on the right place was. Hij utiliseerde zijne bezitting niet, liet het kasteel in handen van een vreemden huisbewaarder, verwisselde den ouden bekwamen rentmeester met een ander, die even onkundig als ongetrouw was in zijn beheer, kwam niet naar de Werve omzien dan in den jachttijd met een troep drukke vrienden en jachtliefhebbers, en lette er niet op dat het landgoed meer en meer in verwaarloosden staat geraakte. Wie er wèl op lette was tante Sophie. Schoon zij zelve naar eene andere provincie had moeten verhuizen, waar het haar toegewezen deel der vaderlijke goederen was gelegen, had zij haar hart noch haar aandacht kunnen aftrekken van het ouderlijk huis. De voormalige rentmeester, zelf niet weinig verbitterd tegen den nieuwen eigenaar, trad in haar dienst als haar zaakwaarnemer en spion. Te dien einde bleef hij in de nabuurschap wonen, en sloeg met valkenblik de faits et gestes van zijn plaatsvervanger gade, terwijl hij tevens zooveel mogelijk acht nam op die van diens heer en meester. Majoor von Zwenken, want hij was inmiddels tot dien rang geklommen, scheen druk te leven en veel geld noodig te hebben, hetzij voor zich zelf, of wel voor zijn zoon, een heertje dat lang en woest studeerde. Het rechte daarvan schijnt de notaris van Beek zelf niet te weten, want gij begrijpt dat het door hem is dat ik achter al deze bijzonderheden ben gekomen; zeker alleen is het, dat hij niet genoeg had aan zijne inkomsten en [50]hypotheek nam op een deel zijner uitgestrekte goederen, dat hij bij het huwelijk zijner dochter met een Engelsch officier, Sir John Mordaunt, een deel zijner landerijen en bosschen te gelde maakte, om haar het moederlijk vermogen te kunnen meegeven, en dat hij het overige gedeelte van jaar tot jaar meer bezwaarde, zoodat hij ten laatste, alleen om in dien drukkenden rentelast te voorzien, genoodzaakt was weer een deel van het goed te verkoopen. Zoo ging het voort, en toen hij ten laatste als kolonel, gepensionneerd met den rang van generaal, (ongelukkig voor hem zonder bezwaar voor de schatkist!), zich voor goed op het kasteel de Werve ging vestigen was het zoover gekomen, dat hij van die gansche uitgestrekte bezitting niets meer als vrijen eigendom overhield dan het huis alleen met den tuin, en de wandelingen die er bij hoorden!
Tante Sophie, die eene handige en scherpzinnige vrouw is geweest, dát moet men haar nageven, had inmiddels het geheim gevonden haar fortuin te verdubbelen, terwijl zij daarenboven de eenige erfgename was geworden eener schatrijke nicht, die zich hare grieven had aangetrokken. Tante Sophie had, zooals ik reeds zeide, den gehaten schoonbroeder niet vergeten. De haat heeft een scherp geheugen en even scherpen blik. Zij wist wie zij in de nabuurschap der Werve had gelaten om de wacht te houden over alles wat er geschiedde. De verjaagde rentmeester, die hare bedoelingen had geraden, had met de waakzaamheid eener vlammende wraakzucht von Zwenken’s nadeelige financiëele operatiën gadegeslagen, en er haar steeds nauwkeurig kennis van gegeven.
Op die aanwijzingen afgaande, had zij door tusschenpersonen langzamerhand zich meesteresse gemaakt van alles wat hij verkocht. Een procureur in de naast bij de Werve gelegen stad, die hem zonder aarzeling de groote sommen geld opschoot, waarmee hij zijn goed bezwaarde, maar die onverbiddelijk was waar het rentebetaling gold, was haar executeur, deed niets zonder hare [51]orders, en hield haar zoo goed op de hoogte, dat zij met zekerheid dag en uur wist te berekenen, waarop von Zwenken in geldverlegenheid moest verkeeren.
Eens toen zij het gunstig oogenblik daartoe gekomen achtte, zond zij van Beek op hem af als bemiddelaar, niet juist van den vrede, want tot verzoening neigde zij niet, maar toch met een zeer aannemelijk voorstel. Hij zou haar het huis met de Heerlijkheid, die niets meer dan een ledige titel was, verkoopen, voor eene hoogst aanzienlijke som, die niemand er voor geven zou dan zij, reeds in ’t geheim eigenares van al de omliggende gronden; maar de generaal was te fier en te veel verbitterd op zijne schoonzuster, om in dat voorstel te treden. Hij liet antwoorden dat hij tot geen prijs de Heerlijkheid zou afstaan, en wat het huis aanging: dat hij zijne overledene vrouw had beloofd er hare zuster buiten te houden, en dat hij liever het dak boven zijn eigen hoofd zou zien instorten dan er haar recht van intrede te geven. Had hij toen kunnen weten, wat hem nog onbekend is gebleven, welke maatregelen zij reeds had genomen om zijn lot in hare macht te houden, waarschijnlijk zou hij zich tweemaal hebben bedacht eer hij haar voorslag zoo botaf had geweigerd. Maar de generaal schijnt wat brusk uitgevallen en scheen zich overtuigd te houden, dat er wel nooit kwestie kon zijn van zoo diepen val.
Hij moet echter sinds zijne retraite op de Werve zijne leefwijze zoozeer vereenvoudigd hebben, dat zijn pensioen toereikend bleek voor zijne behoeften, terwijl de hooge interesten die hij moest betalen van dat deel zijner bezittingen, dat nog zijn eigendom heette, bij een beter beheer en minder verwaarloozing betaald konden worden uit hetgeen zij opbrachten. Maar weldra werd hij opnieuw in de verplichting gebracht, ook zijn huis te bezwaren tot tweemaal toe; men heeft niet kunnen ontdekken uit welke oorzaak, maar zeker is het dat de persoon, die de bewijzen van deze voor hem onbetaalbare schuld in handen houdt, hem dwingen kan zijn kasteel met de [52]rechten der Heerlijkheid en ál te verkoopen of eene rechterlijke vervolging tegen hem in te stellen, die tot dezelfde resultaten zou leiden, nog verergerd door een publiek schandaal, en daar de Werve, naar men zegt, reeds zoo in verval is geraakt, dat zij allermeest tot afbraak geschikt is, en alleen hoogere waarde kan hebben voor den persoon, die tegelijk eigenaar is van het omliggende goed, spreekt het wel vanzelf, dat de verkoop minder zou opbrengen dan de zware schuldenlast bedraagt die er op drukt. Daarmee is de ongelukkige grijsaard niet slechts tot een zwerver gemaakt, maar ook tot den bedelstaf gebracht; want een onbarmhartig schuldeischer zou beslag kunnen leggen op zeker deel van zijn pensioen.
Ik behoef u niet te zeggen, dat het tante Sophie is, die alle deze bewijzen in handen heeft weten te krijgen, dat tante Sophie in het kritiek oogenblik, dat zij zelve in hare macht had te bepalen, als eenige schuldeischeresse en bezitster van alle verkochte goederen kon optreden. Waarom zij, na zoo behendig met zulk eene jarenlange volharding hare maatregelen te hebben genomen, niet reeds bij haar leven dit vonnis over haar vijand heeft voltrokken, om hare wraaklust die afschuwelijke voldoening te geven, dat is mij onbegrijpelijk. Zij had alles daartoe voorbereid en berekend, en toch heeft zij uitgesteld, tot ná haar dood. Mij dacht, haar triomf over hem zou het geweest zijn, voor zijne oogen in zijn onteigend kasteel te trekken, en van Beek zeide mij dat zij werkelijk dit plan moest gekoesterd hebben; maar er is iets tusschen gekomen, iets wat hem zelf onverklaarbaar is en waarover zij zich nooit heeft uitgelaten; zeker is het dat zij drie maanden vóór haar dood, op het tijdstip zelf dat van Beek hare orders wachtte tot den aanval, hem roepen liet, zich door hem een zijner collega’s deed aanwijzen, om haar testament te veranderen, en de U bekende schikkingen te maken, waarbij van Beek als executeur werd aangewezen en waarvan ik [53]het slachtoffer ben, zou ik haast zeggen als het niet zoo paradoxaal klonk.
“De groote plaats in Gelderland, de Runenburg, is met ultimo October vrij en te uwer dispositie, jonker,” viel van Beek in, den loop mijner gedachten storende; “maar wat het huis in de stad betreft, dat slechts tot Mei toe is verhuurd, de bewoners houden zich zeer gerecommandeerd te continueeren, zoo dat niet met uwe intentiën strijdt; het zijn respectabele lieden; hoe wilde de jonker dat ik daarin handelen zal?”
Ik schrikte op, en keek hem wat verbaasd en verbijsterd aan.
Het is eene zonderlinge gewaarwording, Willem, als men nooit een steen in eigendom heeft gehad en altijd blij was als de kamerhuur om de drie maanden klaar lag, te moeten beslissen wat er met huizen en buitenplaatsen zal geschieden. Ik vond dan ook maar beter geen besluit te nemen.
“Mij dunkt, mijnheer van Beek, alles moest blijven zooals het is, tot ik weet, of ik Francis zal kunnen huwen.”
“De jonker vergeet, dat het geene absolute conditie is....”
“Niet volgens de letter van het testament, dat weet ik wel, maar toch, voor mij....”
“Verlangt de jonker, nu hij toch te Utrecht is, het huis niet eens te zien? ’t Is een kapitaal perceel, gelegen aan ’t St. Janskerkhof; wel de moeite waard dat verzeker ik u.”
“Dank je, mijnheer. Alleen, zoo ’t niet te veel omhaal is, zou ik gaarne het kleine buitentje zien, waar tante heeft geleefd en gestorven is. Iemands omgeving leert ons zoo licht iets naders omtrent zijn persoon....”
“’t Is geheel tot uw dienst, jonker! Alleen .... ik meen reeds het genoegen gehad te hebben u te zeggen,” hernam van Beek met eenige verlegenheid, “dat de oude freule aan mij heeft gelegateerd, zooals reeds in ’t voorgaande [54]testament was beschreven, met dit servituut er bij, dat de kamenier er wonen blijft tot aan haar dood. Het is een kostbaar legaat, ik ontken het niet, maar considereer, dat ik haar dertig jaar met alle mogelijke zaken en niet altijd zonder groote bezwaren heb gediend, geraden en hare belangen voorgestaan, en dat er voor mijn executeurschap geen extra gelden zijn gestipuleerd, terwijl mij daarentegen is aanbevolen, den erfgenaam in alles bij te staan, voor te lichten en naar mijn beste vermogen met raad en hulp te dienen.”
“Maar mijn goede heer!” viel ik in, “wie zou tante geweest zijn, zoo zij u niet in alle ruimte had bedacht? Het is mij volstrekt niet te doen om u in iets te beknibbelen, ’t Is voor mij zooveel als een pelgrimaadje....”
“Die heel licht te volbrengen is, als gij mij het genoegen wilt doen hier te eten. Na den middag rijden wij er even heen; ’t is geen half uur van de stad. De freule heeft beschreven, dat de gansche huishouding drie maanden na haar dood zou blijven gaan op denzelfden voet, dat hare kleederen onder hare bedienden moeten verdeeld worden, behalve de kleinoodiën, die aan u verblijven, en dat ik alles wat mij geschikt voorkomt van het huisraad tegen taxatie mag overnemen; het overige moet verkocht worden. Mogelijk vindt de jonker echter een of ander, dat hij behouden wil als souvenir.”
“Wel zeker! de statuette van Voltaire,” zeide ik lachende, en daarbij bleven voor ’t oogenblik de mededeelingen. Wij gingen koffiedrinken met zijne vrouw en dochter en na den eten reden wij naar Doornhove.
Het interieur van tantes woning gaf mij niet veel meer licht over haar persoon en karakter, dan ik reeds ontvangen had. De oude kamenier verkondigde met ijskoude trekken en droge oogen haar lof in vrome termen. De jongere keukenmeid vond stroomen tranen om den “jonker” te begroeten, die zeker ook zoo bedroefd moest zijn. De huisknecht keek mij aan of hij meende dat ik in zijne rechten kwam treden, en de kamers [55]waren gemeubeld zooals ik mij reeds had voorgesteld zoomin antiek als modern. Daar waren nog wat meubels style empire, maar het meeste was uit den goelijk karakterloozen tijd van Willem I, toen zij zich hier inrichtte, en sinds was er niet veel bijgekomen. Op comfort scheen ze niet bijzonder gesteld; er was maar één groote canapé in ’t heele huis en een armstoel à la Voltaire, dien zij alleen ’s middags een uurtje gebruikte. Het moet eene wakkere werkzame vrouw zijn geweest tot in hare laatste levensdagen. Zij beheerde zelf met behulp van van Beek al hare goederen, beschikte persoonlijk over interesten en geldbeleggingen en liet zich maandelijks rekenschap geven van alles. “Ze zat altijd te cijferen en te schrijven, als ze niet zat te lezen of te breien,” zei de oude kamenier.
“En wat las ze?” vroeg ik.
“Meest in de ongeloovige boeken, daar uit die kleine boekenkast, een enkele maal wel eens in den Bijbel, maar niet gezet. In een leesgezelschap was zij niet; zij wilde niets weten van den grooten strijd dezer dagen en geen krant zien dan de Haarlemmer.”
“Die ongeloovige boeken” waren Fransche, Duitsche en Engelsche klassieken. Ik beduidde van Beek, dat ik wel wat zwak zou hebben op die kleine, uitgezochte boekerij, alles keurig gebonden, maar blijkbaar niet als onnut sieraad aanwezig.
Onder de “ongeloovige boeken” had ik Fénélon, Bossuet en Pascal opgemerkt, in minzame ruste gerangschikt nevens Voltaire en de Encyclopedisten, terwijl Gellert, Lessing en Klopstock met Lavater hunne ruime plaats hadden gevonden nevens Goethe en Schiller en de tooneelspelen van Iffland en Kotzebue!
“De boeken kunnen niet geacht worden tot het huisraad te behooren,” sprak van Beek met eene deftige buiging, “en, al ware dat zoo, het spreekt vanzelf, dat de jonker in alles de preferentie heeft.”
Ge moogt me gelooven of niet, Willem, maar ik moet [56]u bekennen, dat ik voor ’t eerst eene onvermengde gewaarwording van blijdschap had, toen ik opnieuw den blik richtte op dat bibliotheekje en het aanzag met de oogen van den eigenaar. Al de ontzaggelijke geldsommen, die van Beek mij in zijne notarieele akten had voorgesteld, al de papieren, die vele duizenden vertegenwoordigden, hadden mij, ik zal niet zeggen koud, maar vreemd gelaten. Ik kon er mij nog niet in zetten als mijn eigendom, maar Shakespeare en Molière, la Fontaine en Pascal kon ik mij denken als de mijnen, en met eene onwillekeurige beweging greep ik een deeltje, als om er feitelijk bezit van te nemen.
Van Beek glimlachte, en knipoogde met zijne slimme kijkers. De kamenier, die er bij stond, keek mij aan of ik heiligschennis pleegde.
“Ik zou eer gedacht hebben, dat de jonker zwak had op den Bijbel van de freule,” zei ze bij wijze van critiek.
“Het eene belet het andere niet, juffrouw Jones, althans zoo gij zelve daaraan niet hecht.”
“Och neen, jonker. Zoo’n wereldsch, nieuwerwetsch boek daar hecht ik niemendal aan; dat acht ik Gods woord niet, en ik begreep het nooit, hoe mijne freule daarin hare stichting heeft kunnen vinden.”
“Wat hapert er aan dien Bijbel?” vroeg ik van Beek.
“Niets, volstrekt niets. ’t Is een gewone Staten-Bijbel, slechts niet met de verouderde Duitsche letter gedrukt.”
Op mijn woord, tante moet in den besten zin liberaal zijn geweest, dat zij zoo’n dienares van de letter jarenlang om zich heeft kunnen dulden!
Den volgenden dag aanvaardde ik mijne reis naar het kleine stadje Z., van waar uit ik op de Werve zou losrukken. Doch er gaat van avond een mail, en het pakket is zóó groot genoeg voor eene eerste toezending. [57]Gij zult er heel wat aan te lezen hebben. Moge U tijd en opgewektheid daartoe niet ontbreken bij uwe aankomst!
Wees gegroet tot nader.
Uw Leopold.
April.
Kasteel de Werve, April 186 .
Zie zoo, beste Willem! ik ben doorgedrongen tot het binnenste van de vesting, maar ik ben nog geen meester van ’t garnizoen.... Verre van daar, hoewel ik reeds slaags geweest ben met den Majoor. Maar ik wil niet vooruitloopen; ik ga u eerst vertellen, hoe ik hier ben aangekomen, en onder welke indrukken.
Door van Beek voorzien van de noodige indicaties van een credietbrief voor zijn collega Overberg, procureur en notaris in het kleine stadje Z., trad ik diens woning binnen. Gij ziet, ik word gebousculeerd van den eenen man der wet op den anderen; maar dat kan nu eenmaal niet anders. Overberg was in de gelegenheid om mij de beste diensten te bewijzen bij mijn aanval op de Werve. Hij is een man van gewicht in zijne standplaats en de hoofdagent geweest van freule Roselaer, bij haar toeleg om zich in ’t geheim meesteresse te maken van von Zwenkens bezittingen. Hij is (voor hare rekening) de altijd gewillige geldschieter geweest, die den generaal in zijne chronische kwaal van geldverlegenheid bijstond. Wel bezien is het nog zoo kwaad niet, dat zij zich zoo geheel van den toestand heeft meester gemaakt. Zonder dat zouden die kostbare goederen op allerlei wijze verbrokkeld en geruïneerd zijn, terwijl de ongelukkige, die ze moest afstaan of beleenen, in woekeraarshanden zou gevallen zijn, die hem reeds veel eer in ’t verderf zouden gebracht hebben. Dit is nu niet het geval geweest. De mandataris van tante moest strikt het billijke vorderen, maar ook niets daar boven. Dit maakte dan ook, dat von Zwenken [58]niet in gebreke bleef zich in allen nood tot hem te wenden, zoodat hij zijn volle vertrouwen bezit en zeer zeker op diens aanraden de transactie, die hem eens door van Beek werd voorgesteld, zou hebben aangegaan (het afstaan van zijn huis en de Heerlijkheid), zoo niet de voorslag van zijne schoonzuster ware gekomen. Ook ried Overberg mij, zoo ik toegang wilde verkrijgen tot het kasteel, niet als de erfgenaam van freule Roselaer op te treden, hetgeen terstond alles voor goed zou bederven.
Als jonker van Zonshoven, door mijn moeders moeder aan den generaal geparenteerd, zou ik vermoedelijk niet onwelkom zijn, hoewel von Zwenken zich geheel heeft teruggetrokken uit de conversatie en noch gasten noch bezoekers meer ontvangt.
Ik zou een voorwendsel bedenken dat mijn verblijf in het naburige stadje wettigt, en van daar uit was de aanleiding tot eene visite licht gevonden; het verdere zou dan van de ontvangst afhangen. Maar ik wilde niet zoo onvoorbereid aankloppen; ik moest zooveel doenlijk weten, wie en wat ik er vinden zou, allereerst wie eigenlijk Francis was, waar het mij voornamelijk op aankwam. Toen ik Overberg vroeg, of hij freule Mordaunt persoonlijk kende, haalde hij de schouders op.
“Ik heb slechts eenmaal de eer gehad haar te spreken. De generaal komt altijd zelf bij mij, de freule komt hier nooit meer. Eens slechts had zij in een zaak, haar persoonlijk betreffende, mijn raad noodig, en toen is zij bij mij geweest; maar dat is lang geleden. Toen woonde de generaal met zijne kleindochter nog in de stad en was hij commandant van de vesting.”
Daar Overberg niets van tantes beschikkingen weet, dan dat ik haar erfgenaam zou zijn, was ik met van Beek afgesproken, hem van het huwelijksplan niet te spreken voor er kans scheen dat het zou doorgaan, en zoo wachtte ik een antwoord zonder menagement.
Mijne teleurstelling moet zich op mijn gelaat hebben geteekend, want de goedhartige man hernam met zekere [59]meewarigheid en als verontschuldigde hij zich over zijne onkunde op dit punt:
“Weet gij, Jonker! de overste leefde destijds op een grooten voet en er bestond toen nog zekere afscheiding tusschen den militairen kring en den burgerlijken, die nu is weggevallen. Ik, bij mijne drukke bezigheden en weduwnaar, hield mij buiten de conversatie. Sinds ik hertrouwd ben doe ik zoo wat mee, en ’t is hier met diners en partijen druk genoeg—en nu wij hiervan spreken, van avond is er een soiréetje bij mij aan huis; daar komen jonge dames, die met freule Mordaunt hebben geconverseerd. Wees heden mijn gast; gij kunt den tocht naar de Werve toch moeilijk in den middag ondernemen. Ik zal u voorstellen als iemand die hier naar een buitentje in den omtrek komt rondzien. Want gij begrijpt, in een stadje als het onze moet men de reden kennen van uw oponthoud, of men gaat er allerlei gissingen over maken van eigen vinding. Ik zal ’t gesprek op de von Zwenkens brengen, en gij kunt toeluisteren; dat is het beste wat ik er op weet.”
Ik vond het ook zoo kwaad niet. In het logement, waar ik verblijf had genomen (het eenige dragelijke), had men mij gezegd, was het niet vroolijk den avond door te brengen, en eene gezellige bijeenkomst had in eene kleine stad, nevens de eigenaardige bezwaren, toch ook hare voordeelen, in dezen althans voor mij.
Ik nam aan, dineerde geheel en famille met den heer Overberg en zijne vrouw, gulle joviale lieden, wie men het niet zou aanzien dat zij behooren tot het gilde:
“De petits avocats.
Qui se sont fait des sous
En rognant des ducats.”
En toch was mr. Overberg een geducht man op zijn terrein. Hij was er voor bekend, dat hij zijne schapen niet vilde, maar zachtkens schoor. Toch raakten zij hunne vacht kwijt als ze eens in zijne handen kwamen. [60]Waarheid is, dat hij ze niet lokte noch valstrikken spreidde, dat hij integendeel waarschuwde voor processen waar men zijne hulp als procureur inriep. Hij hield niet van uitersten, niet van geweld; hij hield van middelen en schikken, en het goelijk glimlachje waarmee hij zijne cliënten ontving, het zachte lijntje dat hij hun steeds aanprees, of hij vreesde dat een ruwe aanval zijne blanke, gevulde handen niet passen zou, bewezen, dat hij de man van zijn tijd was, de beschaafde, wel opgevoede practizijn, die zijne partij zoetjes aan bracht waar hij haar hebben wilde, sans avoir l’air d’y toucher.
Tante Sophie schatte hem hoog om zijne discretie en voorzichtigheid, maar zij heeft zich wel gewacht hem le fin fond van hare bedoelingen te laten doorzien, daar hij de man niet was voor snelle, gewelddadige maatregelen. Tot eene ontknooping, zooals zij die in ’t eerst bedoeld heeft, zou zij zeker van Beek hebben ingeroepen, die met den code in de eene en het zwaard zonder genade in de andere hand zou zijn opgetreden om rechtuit op zijne prooi af te gaan. Overberg daarentegen, meenende dat ik uit mij zelven en krachtens mijn recht als erfgenaam bezit wilde nemen van de mij ten deel gevallen goederen, geloofde mij te moeten vermanen tot geduld; temporiseeren en uitstel van betaling geven waar het mijne vorderingen gold; niet alle hypotheken tegelijk opzeggen, maar op verschillende en ver verwijderde termijnen, opdat alles langzaam maar zeker en zonder opzien te verwekken als en famille kon worden afgedaan. De generaal moest er toe komen, dat was zeker, al wat nog het zijne heette en dat hij nimmermeer kon vrijmaken, bij wijze van minnelijke schikking over te doen. De goede naam van een militair, van een man die in een oud patricische familie gehuwd was, al was hij vreemdeling van afkomst, zou op die wijze gespaard blijven, en uit lankmoedigheid kon in geen geval schade volgen, terwijl het opeischen van alles tegelijk den man tot het uiterste zoude brengen, hem mogelijk in vertwijfeling [61]zijn toevlucht zou doen nemen tot een anderen practizijn, die kwaden raad kon geven in deze wanhopige zaak; en als men doorzette en den onbarmhartigen schuldeischer speelde, was er kans dat men schade leed, daar ’t verkoopen van onroerend goed zeer uit de hand kon vallen en ’t geheel eigenlijk sinds lang bezwaard was boven de waarde.
De goede man wist niet, qu’il prêchait un converti, en dat mijn innigste wensch was, alle mogelijke verschooning te gebruiken; alleen de intentie der erflaatster was juist eene geheel andere: deze was het te doen om te verpletteren, niet om opgericht te houden; op de schade die er uit volgen kon, mocht niet worden gezien; de verdrijving van den generaal uit al het zijne was het hoofddoel, tenzij de reddende hand werd aangegrepen die ik mocht toesteken; maar ik beken u gulweg, Willem, dat ’t geen ik op die soirée hooren moest, mij gansch niet gunstig stemde voor die aanbieding. Het verleden van dat jonge meisje moet toch al heel duister en zonderling zijn, als maar iets waar is van de praatjes die hier over haar worden gehouden. Ik weet wel, men moet veel op rekening stellen van de kwaadsprekendheid en de bekrompen uitleggingen eener kleine stad, maar toch .... oordeel zelf: Onder de dames aan wie ik werd voorgesteld, was er eene, een alleraardigst jong weeuwtje met gitzwarte oogen en levendige gelaatstrekken, die mij werd aangeduid als een verre nicht van de Roselaers, en waarvan het mij in ’t eerst speet, dat zij niet Francis Mordaunt heette en de uitverkoren nicht was van tante Sophie. Maar toen zij door vriend Overberg, zooals ter loops, op het chapitre der von Zwenkens werd gebracht, was ik heel blij, dat ik mij volkomen vreemd aan haar mocht houden. Ik kreeg zelfs eene opwelling van haat en bitterheid tegen haar, zoo onbarmhartig als zij op de arme Francis lostrok.
“Ja, zij waren goede kennissen geweest in den tijd toen haar grootvader de commandant was van ’t garnizoen, en [62]zij had het huis van den overste gefrequenteerd, maar vriendschap, neen, vriendschap had er nooit bestaan tusschen haar en dat jonge meisje: daarvoor was zij al te bizar en te ongemanierd. Verbeeld u, jonker! ze kwam eens op een avond bij ons op een jongelui’s partijtje, waar men wist dat muziek gemaakt en gedanst zou worden, invallen zoo cavalièrement als ’t maar mogelijk was, met een donkeren merinoschen japon aan, hoog aan den hals, met een omgeslagen boordje en een zijden dasje, als een aankomende jongen, en haar schoeisel! bottines de roulier! Op mijn woord, ik geloof, dat zij er spijkers in had; geen onderofficier zou de onbeschoftheid hebben gehad met zulke laarzen in een salon te komen....”
“Onbekendheid met de omstandigheden wellicht....” verontschuldigde ik.
“Wel neen! Ze was acht dagen vooruit gevraagd. In dien tijd kan men wel een toilet prepareeren, zou ik meenen! Daarbij, zij was niet au dépourvu, dat bleek heel duidelijk, daar zij twee dagen daarna, bij een simpel damespartijtje, waar we tegen tien ure, door onze bedienden geëscorteerd, weer naar huis gingen, en grande toilette verscheen, gedecolleteerd of ze had moeten dansen, ébloissant door hare parure en met kostbare diamanten spelden in haar kapsel! Nu vraag ik u eens, was dat niet om ons allen te railleeren en bloedig te krenken?”
“Het komt mij voor, dat zij hare vriendinnen meer eer wilde aandoen dan hare cavaliers.”
“Waarheid is, dat zij al heel weinig complimenten maakt met de heeren,” viel eene schrale ouderwetsch gekleede oude juffer in, die zeker de laatste had moeten zijn om partij te trekken voor een geslacht, dat haar blijkbaar verwaarloosd had.
“En dezen hebben haar wis die nonchalance gereciproceerd?” vroeg ik. “Zij heeft denkelijk den ganschen avond tapisserie gemaakt nevens de dames van leeftijd.”
“Omdat zij zelve het dus wilde,” viel het weeuwtje [63]weer in. “Hoe zij er ook uitzag, zij was zeker dat zij dansers kon krijgen. Alle jonge officieren zijn als vanzelf verplicht de dochter, nicht of kleindochter van hun kolonel zoo wat het hof te maken. Daarenboven verstond Francis Mordaunt heel goed de kunst om aan te trekken door af te stooten. Ondanks al hare bizarrerie en al hare caprices was zij nooit om een cavalier verlegen. Nauwelijks trad zij ergens binnen of zij wist de opmerkzaamheid tot zich te trekken. De heeren omringden haar, zij werd gevleid, gecourtiseerd....”
“Ja! gecourtiseerd, dat kan wel zijn, maar niet geconsidereerd, dat is zeker!” viel de oude vrijster in. “Het was meest om haar gerisqueerde aardigheden te ontlokken, of zulke uitvallen, waardoor ze befaamd is geworden.”
“Waarheid is, dat iedereen zich amuseerde met hare bijtende reparties.”
“Die de dames vreesden,” sprak een der heeren half schertsend, half verwijtend, “omdat ze in den regel even juist waren als scherp.”
“In den regel koos zij de heeren tot point de mire van hare raillerie.”
“Hoe vreemd dan toch, dat de dames zoo weinig hare partij trekken,” kon ik niet nalaten aan te merken.
“Dat is niet vreemd, jonker! De eigenaardigheden waardoor zij opgang wist te maken zijn juist die, welke wij in onze sexe niet kunnen uitstaan. In al hare overwinningen zagen wij nederlagen; de goede toon ging er bij onder.”
“En hoe liep de partij voor freule Mordaunt af in dat curieuse danstoilet?” viel ik in, want ik had minder belang bij een combat d’esprit met het précieuse weeuwtje, dan bij eene meer voltooide karakterschets van Francis, al was die ook door een tintje kwaadsprekendheid gekleurd.
“Juist zooals zij het hebben wilde, denk ik. Zij werd dien avond wel wat gedelaisseerd, en blijkbaar was dat haar oogmerk, want zij deed niets om er in te voorzien; [64]integendeel, zij heeft haar besluit om niet te dansen zoo luid en zoo forsch te kennen gegeven aan de gastvrouw zelve, dat er geen kwestie meer kon zijn van haar te vragen.”
“Zoo slim was ze wel,” viel nu de oude juffer in. “Zij nam het initiatief om niet beschaamd te blijven zitten als er geen danser kwam opdagen.”
“Waarheid is, dat er meer zedelijke moed toe behoorde dan onze heeren in den regel bezitten, om eene dame op te leiden, die zich zoo heeft toegetakeld,” hervatte de weduwe.
“De gewoonte om ons niet te sparen schijnt hier aanstekelijk,” fluisterde mij een officier in, die mij als kapitein Sanders was voorgesteld. Ik knikte zwijgend, want ik wilde luisteren toen mevrouw X vervolgde:
“Ten laatste, toen de cotillon werd afgeroepen, moest ze toch meedoen, en de ongelukkige leider van den dans moest zich opofferen. Luitenant Wilibald, de adjudant van haar grootvader, was gedwongen haar op te slepen; hij nam son courage à deux mains, en, na eenigen weerstand, die wel serieus scheen gemeend te zijn, liet zij zich meevoeren, maar deed niets om hem de corvée te verlichten; integendeel, zij was zoo recalcitrant, zoo onopmerkzaam en zoo links, dat er telkens eenige verwarring ontstond en haar cavalier de grootste moeite had om hare méprises en distracties goed te maken. Ook werd de hoffelijke jonkman door iedereen beklaagd, te eer omdat men wist, dat hij zich eigenlijk uit dienstplicht opofferde, daar hij geëngageerd was met een allerliefst meisje, dat om een rouw in hare familie thuis moest blijven.”
“Pardon, mevrouw! Vergun mij te zeggen dat uwe voorstelling wat onjuist is uitgevallen,” viel nu kapitein Sanders in, met wien ik terstond was ingenomen om zijn ernstig en schrander voorkomen. “Permitteer mij een en ander te rectificeeren, want ik ben een vriend van luitenant Wilibald, en ik weet dat het hem hinderen zou, [65]als zulke scherts voor de ware werd uitgegeven. Het was voor hem volstrekt geen corvée freule Mordaunt op te leiden, in welk toilet zij ook goedvond zich te vertoonen, want hij hield genoeg van haar om niet wat bizarrerie over ’t hoofd te zien.... Ja, ik durf zeggen, had het aan hem gestaan, zijne allerliefste future, een piepjong stijfburgerlijk opgevoed poppetje zou nooit zijne vrouw geworden zijn; maar de omstandigheden dwongen hem, en freule Mordaunt schijnt er het hare toe gedaan te hebben, om hem eene fortuin te doen trouwen.”
Ik dankte den kapitein in mijn hart, dat hij zoo ridderlijk de handschoen opvatte voor de waarheid tegen dat valsche tongetje, en ik had hem graag openlijk bedankt en de hand gedrukt, maar ik moest voorzichtig zijn en mijne belangstelling verbergen, wilde ik meer hooren.
“En is freule Mordaunt later nog getrouwd?” vroeg ik en trachtte de vraag zoo onverschillig mogelijk van de lippen te laten vallen.
“Wel neen!” riep de schrale oude juffer met een triomfeerenden glimlach. “Zij heeft hier, zoover men weet (en men weet hier nogal alles in dezen kring), nooit een serieusen pretendent gehad.”
“Hé! dat is toch vreemd; eene jonge dame die zooveel attracties scheen te hebben,” merkte ik aan.
“Dat is in ’t geheel niet vreemd,” viel het weeuwtje in, op een coquet sentimenteelen toon. “Aanbidders en vleiers van ’t oogenblik om zich heen te lokken, viel haar niet moeielijk; maar door ’t hart alleen wint eene vrouw ernstige genegenheid en achting en niemand heeft ooit Francis Mordaunt au sérieux kunnen nemen, n’en déplaise den kapitein, want zij had geen hart; zij heeft nooit van iets gehouden dan van paarden en honden.”
“Gij vergeet haar grootvader,” pleitte weer de kapitein.
“Nu ja! daar was ze idolaat van; maar tot haar ongeluk vergold hij het haar op eene vreemde wijze.”
“Wat bedoelt ge, mevrouw?” vroeg Overberg, wiens joviaal gelaat wat betrokken was. [66]
“Dat hij het jonge meisje veel te veel aan haar eigen wil en luimen overliet.”
“Wat zal men zeggen, chère amie! Hij was bang voor haar.” (Het was de oude juffrouw die toebeet.) “Hij bulderde tegen zijne officieren, maar eene scène met Francis durfde hij niet afwachten.”
“Nogmaals verschooning voor tegenspraak, freule! De overste von Zwenken bulderde niet tegen zijne officieren, ik weet het bij ondervinding; maar waarheid is het, dat hij schitterde door zijne afwezigheid als Francis Mordaunt in de wereld ging. Hij liet haar uitgaan zóó en met wien zij wilde, en zat, helaas, aan de speeltafel, en de dusgenaamde adellijke societeit, als Francis zich door onbezonnenheid en zekere eigenaardigheden van haar karakter ter prooi gaf aan laster en verkeerde uitleggingen.”
“Bravo, kapitein! Dat’s loyaal de afwezende te verdedigen.”
“Het spijt mij maar, dat het niet kon zonder een anderen afwezende aan te klagen; maar hetgeen ik zeg is bekend, óver bekend in dezen kring.”
“Even bekend als de excentrieke allures van Majoor Frans. Wat kapitein Sanders ook zeggen moge, wij vonden niets uit op dit punt, wij geven het zooals wij het hebben beschouwd.”
Ik begreep maar al te goed wie er door majoor Frans bedoeld werd, om opnieuw eene vraag te durven doen.
“Dat moet men toestemmen,” sprak eene oude dame, die tot hiertoe gezwegen, maar met schitterende oogen toegeluisterd had. “Denk maar wat een opzien het gaf, toen zij zich zoo compromitteerde voor dien vreemdeling die in de ‘Gulden Zalm’ logeerde, wien het huis van den kolonel was ontzegd en dien zij rendez-vous gaf buiten diens weten. Heeft zij niet ons aller blaam getrotseerd door op klaarlichten dag met den onbekende in de plantage te wandelen? Ten laatste, ’t is mij voor vast verzekerd door iemand die het weten kon, heeft zij [67]hare diamanten spelden beleend om de kosten van zijn verblijf te betalen. Ze heeft ze zelfs willen verkoopen, want ze zijn iemand van mijne kennis gepresenteerd.”
De vroolijke blos op het frissche, volle gelaat van Overberg verschoot tot een vaal bleek; maar hij zeide niets; de kapitein daarentegen viel in:
“Het is maar al te waar dat zij alles risqueerde als zij zich iets in ’t hoofd had gezet.”
“En dat om een persoon, die in ’t geringste logement herberg nam, niet eens zijn waren naam opgaf, zooals later verteld werd, en die stellig een oplichter of valsche munter is geweest.”
“Indien dat gebleken ware, zou de politie er zich mee hebben bemoeid,” bracht Overberg in ’t midden.
“Zoo komt het mij ook voor,” sprak de kapitein, “en ik houd voor waar, wat Wilibald Smeekens er van geloofde: dat het iemand was, die zich vroeger in den dienst niet goed had gedragen en dien zij uit medelijden naar het buitenland wilde voorthelpen.”
“Hm! uit medelijden!” sprak de oude mevrouw. “Eene jonge dame behoorde zich toch waarlijk in acht te nemen voor zulk soort van medelijden. Zich met intriganten in te laten! Ik verzeker u, dat er destijds algemeen sprake van was, haar uit onze conversatie te verbannen.”
“Maar men waagde het niet, dat banvonnis uit te voeren om den wille van den kolonel, die ’t in zijne macht had het casino onmogelijk te maken en de militaire muziek te weigeren aan de buiten-sociëteit, en die ’t zeker zou gedaan hebben als hij maar iets had geraden van ’t geen er tegen zijne kleindochter broeide,” sprak de kapitein. “Maar de dames legden het voorzichtiger aan; zij executeerden de arme Francis achter haar rug en.... en détail....”
“Met dat gevolg,” voegde de oude juffer er bij, “dat zij zich weldra uit haar zelve terug trok.”
“Neen, dàt had eene andere oorzaak,” zei nu het weeuwtje met een veelbeteekenend hoofdschudden; “dat [68]kwam niet door onze bejegening, maar omdat hare eigene consciëntie tegen haar getuigde na dat geval met haar koetsier.”
“Ja, dat’s waar; dat was eene fatale historie,” stemde de kapitein toe, tot mijne smartelijke verbazing.
De loyale man, die blijkbaar tegen lasterzucht en verkeerde uitleggingen kampte, moest hier zwijgen.
Wat was er dan toch gebeurd? vroeg ik bij mij zelven; maar de stem stokte mij in de keel, toen ik de vraag luide wilde herhalen. Zij werd mij gespaard.
“Maar wat is er dan toch gebeurd met die dame en haar koetsier?” vroeg een gebrild heertje, dat, nieuwelings aangekomen, met het ambt van postdirecteur was belast.
De tongen der dames trilden van ongeduld om te antwoorden.
“Ongelukkig weet men er het rechte niet van,” hief de oude juffer aan, wier schrille, scherpe stem haar de gelegenheid gaf het woord te bemachtigen, “maar algemeen wordt geloofd, dat zij zich door haar koetsier wilde doen schaken. Mogelijk zou dat gelukt zijn, doch.... de man had eene bruid, en toen dat uitkwam....”
“Heeft zij hem op een woesten rijtoer van den bok geworpen,” viel de oude dame in met een glimlach van demonisch genot.
“Anderen, die ’t meenen te weten, zeggen, dat zij hem met de karwats heeft doodgeslagen,” voegde het weeuwtje er bij, dat er toch ook het hare van hebben moest. “Horrible, most horrible!” kwam er met een gemaakt sentimenteel oogverdraaien achter.
Ja, wel horrible! dacht ik, dat jonge en oude vrouwen al te zamen wedijveren in boozen lust om eene van haar die gevallen is, of mogelijk slechts gestruikeld, met de tong den genadeslag toe te brengen.
Ik kan u wel zeggen, Willem, dat ik in dien oogenblik overmeesterd werd door afschuw en walging tegen heel het vrouwelijk geslacht, en dat het mij nauwelijks de [69]moeite waard was verder te luisteren, toen nog weer eene andere in zijde en kant gedoste harpij uitviel:
“Ik heb hooren zeggen, dat zij met hem gevochten heeft en dat de paarden toen zijn doorgegaan, waarbij het slachtoffer onder de voeten zou zijn geraakt.”
“Hoe dat ook zij, de waarheid zal wel nimmer uitkomen, de man ligt op het kerkhof.”
“Ja, dat is hier zonder beeldspraak de waarheid,” schertste de weduwe, “en daarmee is de misdaad voor goed bedekt.”
“Met uw verlof, dames! Als er van zoo iets kwestie ware geweest, zou immers de justitie er zich mee bemoeid hebben,” merkte Overberg aan; “en ik weet voor zeker, dat er van zoo iets geen sprake is geweest.”
“Dat wil ik wel gelooven,” repliceerde de weduwe. “De officier van justitie was een goed vriend van den kolonel, die dagelijks met hem aan de ombretafel zat, en hij heeft, om de zaak te bemantelen en tegelijk aan het publieke wraakgeschrei iets toe te geven, eene officieuse visite afgelegd bij den commandant. Francis Mordaunt moet toen in ’t verhoor zijn genomen, en, zooals vooruit te berekenen was, is zij er zwaanwit uitgekomen; naar ’t getuigenis van den rechterlijken ambtenaar althans,” eindigde zij met een satyriek schouderophalen.
“Maar, mevrouw!” viel Overberg in met zichtbare ergernis, “als men nu zelfs de onpartijdigheid van de justitie gaat verdenken!”
“Och, ik verdenk niet, ik vertel slechts hoe ’t afgeloopen is, namelijk dat de zaak gesmoord is en aan de familie van den ongelukkige het stilzwijgen werd opgelegd. Lieden van dat slag laten zich licht bang maken. Enfin, hoe het daar ook mee zij, Majoor Frans heeft zich na dat avontuur niet weer in onze côterie durven vertoonen, en haar grootvader schijnt er aanleiding uit genomen te hebben om zijn ontslag uit den dienst te vragen.”
“Hij had den leeftijd,” voegde de kapitein er bij; “en [70]zoo hij zijn ontslag kreeg, was het met eervolle onderscheiding: bevordering tot generaal, vergunning tot het blijven dragen van de uniform.”
“Waarvan wel niet druk gebruik zal gemaakt worden; want de generaal retireerde zich naar het huis de Werve,” merkte de oude dame aan.
“Waar nu Majoor Frans het commando heeft,” liet de oude dame er op volgen.
“En zich den tijd verdrijft met paardrijden en jagen,” voegde het weeuwtje er bij, met een opgetrokken neusje.
“Wat het laatste betreft, dat kan ik, als onjuist, tegenspreken,” hernam Overberg; “want de generaal heeft geene jachtakte genomen, dat weet ik zeker, en het jachtrecht over zijne velden en bosschen is sinds lang overgedragen op.... een van mijn cliënten, die echter hazen en patrijzen in vollen vrede laat.”
Hierdoor kwam het praatje tusschen de heeren op de jacht en visscherij; terwijl de dames hare tong scherpten tegen andere slachtoffers.
Ondanks mijne poging om het te ontveinzen, moet Overberg het mij hebben aangezien dat de harde oordeel-velling over Francis dieper indruk op mij maakte dan salonpraatjes behoorden te doen; hij nam mij ter zijde en fluisterde mij in: “Morgenochtend vóór uw vertrek kom ik nog een paar woorden spreken over dit gehoorde; hecht er intusschen niet te veel aan; dit alles weegt zoo zwaar niet als het luid klinkt.”
Hij had goed praten; hij kende de oorzaak mijner belangstelling niet, en al tilde ik het nòg zoo licht, het was toch te veel voor de betrekking, waarin ik tot de freule moest komen. Ik begon te twijfelen of ik wel naar de Werve zou gaan, en of ik niet beter deed mij ter zijde te houden en van Beek met Overberg te laten handelen. Het oordeel over den generaal en zijne kleindochter zou dan voltrokken worden; maar het scheen toch gansch niet onverdiend.
Onder overleggingen van den onaangenaamsten aard [71]begaf ik mij ter ruste, die ik niet vond. Ik had een ellendigen nacht en was op het punt na mijn ontbijt het rijtuig, dat mij naar de Werve moest brengen, te gebruiken om naar een der dichtst gelegen stations van den spoorweg te rijden, daar het stadje nog buiten het net der rails ligt, en naar den Haag terug te keeren, waar mijne kamer nog niet is opgezegd en waar ik mijn eigen rustig en werkzaam leven kon hervatten, om mij voor goed af te wenden van tante Roselaers fortuin en hare beschikkingen; maar Overberg kwam tusschenbeide met consideratie en advies.
“Ik meen uwe nobele intentie geraden te hebben,” ving hij aan. “Gij wilt freule Mordaunt leeren kennen, en als zij u aanstaat een voorslag doen, die allerlei moeielijkheden door eene enkele overeenkomst bij minnelijke schikking uit den weg ruimt. Ik kan u niet zeggen, hoe prijselijk, hoe verstandig ik dit voornemen vind, en het verwondert mij zelfs, dat de erflaatster u in dezen niet een wenk heeft gegeven, want zij was iemand, die de zaken zeer helder inzag.”
“Dien wenk heeft ze gegeven; ik wil het u niet langer verhelen; en ’t was wel mijn voornemen dien op te volgen, maar na het gehoorde van gisterenavond moet ik er van afzien.”
“Gekheid! Hecht toch niet zooveel gewicht aan die praatjes. Denk aan de lasterzucht en de kleingeestigheid van de lieden eener kleine stad, die alles op het bekrompenste uitleggen.”
“Heel goed; maar in een kleine stad, waar men elkander, om het zoo eens te zeggen, oog in oog ziet en alles van elkander kan weten, durft men toch zoo grof niet liegen en lasteren als er niets van aan is.”
“Dàt wil ik ook niet beweren; maar zekere ongewone voorvallen, zekere excentrieke handelingen zijn meestal voor tweeërlei uitlegging vatbaar; en wie zegt ons, dat de slechtste, door naijver en ergdenkendheid gegeven, juist de ware is? Ik voor mij, dit beken ik, ik ben niet [72]in de gelegenheid geweest om de gedragingen van freule Mordaunt te controleeren. Ik had genoeg aan de zaken met haar grootvader, die altijd met hooge ingenomenheid van haar sprak. Daarom wilde ik ook geene getuigenis voor of tegen haar geven op uwe vraag. Had ik echter kunnen denken dat onze dames het zóó bont gemaakt zouden hebben, dan had ik het niet op hare praatjes laten aankomen en zou ernstige navraag hebben gedaan bij personen, die billijk en betrouwbaar waren.”
“Kent gij dezulken hier?”
“Ze moeten hier te vinden zijn. En ik verzeker u, in mijne praktijk is het mij zoo dikwijls voorgekomen dat men de boosaardigste beschuldigingen, tot de grootste proportiën opgeblazen, als een zeepbel zag uiteenspatten bij ferme, mannelijke aanraking, dat ik niets meer geloof, wanneer ik niet met eigen oogen gezien, niet met eigen handen getast heb, of waarvoor ik althans waarborgen heb, die met eigen aanschouwen gelijk staan.”
“Op het punt der verkochte of beleende juweelen hebt gij dan toch zeker eenig duchtig bewijs in handen,” viel ik in, mij zijn verbleeken herinnerend.
“Gij hebt gelijk; juist in die zaak ben ik betrokken geweest. De freule had meer geld noodig dan die woekeraar van een goudsmid hier bij ons er haar op wilde voorschieten. Verkoopen wilde zij ze niet dan op het uiterste, en hoewel het mogelijk is dat de juwelier, die ze een paar uur onder zijne berusting heeft gehad, er zaken mee heeft willen doen, met hare toestemming en voorkennis zijn ze niemand te koop aangeboden. In hare verlegenheid nam zij hare toevlucht tot mij, van wien ze wist dat haar grootvader altijd met raad en hulp werd gediend. Nu behoort het wel niet tot mijn vak, geld te leenen op edelgesteenten, maar zij bekende mij, dat zij in de uiterste verlegenheid verkeerde, hoe ze een paar duizend gulden zou bijeenkrijgen buiten haar grootvader om. Zij was pas meerderjarig en hare voogden hadden haar nog geene rekening en verantwoording gedaan van [73]hun beheer over haar vaderlijk erfdeel; zelve wist ze nog niet, wàt ze bezat, en geloofde dat haar vermogen geheel op het Grootboek was geplaatst om bepaalde redenen, die ik licht doorzag; men had den generaal de gelegenheid willen benemen om zijne kleindochter, wier fortuin bij het overlijden van haar vader toch al zeer gereduceerd zal zijn, totaal te ruïneeren. Wat daarvan zij, eene parure in paarlen en de prachtige diamanten spelden was alles wat zij kon missen op dit oogenblik, maar zij had er die dan ook voor over. Mejonkvrouw Roselaer had mij eens voor al opgedragen de von Zwenkens in allen nood bij te staan, moyennant degelijk onderpand. Ik meende dit geval in dat voorschrift te moeten begrijpen en ik schoot het geld voor tegen billijke rente, op mijn eigen risico, zoo de oude freule de zaak niet mocht goedkeuren; maar het tegendeel bleek, en de sieraden zijn nog onder mijne berusting, daar ze tot hiertoe nog niet zijn opgevorderd.”
“En de rente?”
“De freule schijnt daar niet aan te denken,” hernam Overberg met een goelijk glimlachje; “die laten we maar stilletjes oploopen tot tijd en wijle.... Als het met uwe intentiën strookt, kunnen wij dat aparte zaakje onder ons afdoen.”
“Wij zullen zien, mijnheer Overberg. In elk geval kan het mij te pas komen dit te weten. En hebt gij niet vernomen welk gebruik de jonge dame dacht te maken van dat geld?”
“Zij moest er iemand mee helpen, die zich niet tot den kolonel kon wenden (onder ons gezegd, zou het dezen ook niet licht zijn gevallen die hulp te verleenen). In welke betrekking zij zelve stond tot den persoon in kwestie, kwam ik niet te weten. Hij is maar een dag of vier hier gebleven; zelf heb ik hem niet ontmoet, maar zooals gij gehoord hebt, was er geen gebrek aan sprookjes over zijne faits et gestes. Sommigen beweerden hem gezien te hebben in de kleeding en de manieren [74]van een gentleman; anderen wisten voor zeker, dat hij er als een schooier uitzag, zich in een gemeene herberg bedronk en niets beters was dan een brutale avonturier, ’t geen wel zou kunnen zijn, want het mededoogen der vrouwen is wel eens zeer slecht geplaatst.”
“En ’t voorval met den koetsier? Blinkt daarin ook hare vrouwelijke meewarigheid uit?” vroeg ik, niet zonder wat bitterheid.
“Dat zal ik niet zeggen; maar er kon toch wel eens minder kwaad achter schuilen dan de beminnelijke dames er in willen zien. In uw geval zou ik den tocht naar de Werve niet uitstellen tot ik daar het rechte van wist. Ik heb freule Mordaunt wel hooren beschuldigen van bruske manieren en onvoorzichtige gedragingen, maar zij is bekend om hare oprechtheid, die door hare dusgenoemde vriendinnen als impudentie wordt beschouwd, want zij heeft niet als onze nufjes den tact om met zoete woordekens impertinenties te zeggen. Mogelijk komt gij achter de waarheid, als gij haar die zelve ronduit vraagt. Een enkel bezoek verbindt daarbij tot niets, en gij zult toch in elk geval een onderhoud met den generaal moeten hebben over de zaken.”
Overberg had gelijk. Ik moest niet veroordeelen zonder eigen onderzoek, en ik stapte in het wagentje met een paard, dat in deze streken het traditioneele voertuig is voor buitentoertjes. Ik had in ’t logement gewaarschuwd dat ik dien dag uit zou blijven, maar wij wel gewacht te zeggen waar ik heenging, om alle gissingen en willekeurige uitleggingen af te snijden.
Ik deed of ik mij aan den koetsier overgaf voor een toertje in de omstreken; alleen bij de eerste halt aan het tolhek gaf ik mijn verlangen te kennen om naar ’t kasteel de Werve te rijden.
“Dan zijn we de verkeerde poort uitgereden!” knorde de boersche voerman, “en dan doen we beter den tol niet door, maar links af langs het bosch te rijden;” ’t geen echter den tolbaas niet aanstond, die verzekerde [75]dat men de Werve evengoed kon bereiken als men een kwartier later links af draaide, “een makkelijk schulppad, zoo hard als een steenweg, zouden we vinden, met hooge populieren tot aan het dennenbosch, en dan wees de weg zich vanzelf.” De voerman onderwierp zich en wij reden door; maar “de weg die zich zelf wijst” is wel eens een zeer onbetrouwbare indicatie; wij zouden het tot onze teleurstelling ondervinden. Inmiddels gleden wij werkelijk over het schulppad of het eene railroute was. Het was een droge koude lentedag, zonder zon; de lucht had iets zwaars, dat bijna een sneeuw- of hagelbui liet verwachten. Het hoog, nog slechts knoppend geboomte schonk weinig afwisseling, en de huif van het wagentje, dat ter eener zijde dicht moet blijven om den schralen noordenwind, liet mij niet veel anders zien dan den breeden rug van den voerman. Ik had dus alle mogelijke gelegenheid om tot mij zelven in te keeren en mijn plan de campagne te maken, dat ik toch weer varen liet zoodra het geëmbaucheerd was; want het terrein was mij nog altijd onbekend, en ik begreep dat ik met een vijand zou te doen krijgen, die weerbaar genoeg was om partij te trekken van een onhandigen aanval; het was dus beter, vooruit geene manoeuvres te bepalen, die door de eerste caprice de beste van “den Majoor” onuitvoerbaar konden worden gemaakt.
Het beste was maar “voir venir” en handelen naar omstandigheid. Het veni, vidi, vici, zou hier toch niet te pas komen. Menig ander ware wellicht niet eens op de conquête uitgegaan na een soireetje zooals ik had moeten bijwonen; maar nu de nevelen van den nacht wat opgeklaard waren, voelde ik mij, ondanks alles, geprikkeld door iets dat sterker was dan alle vooroordeel. Het spreekt wel vanzelf, dat ik mijne eer hoog genoeg houde om met Cesar te zeggen, dat mijne vrouw onverdacht moet zijn;—onbesproken is de arme Majoor Frans zeker niet,—maar als de verdenking eens bleek niet op deugdelijke gronden te berusten, als men die logenstraffen [76]kon, door de feiten tot hunne rechte proporties terug te brengen, dan, ik vroeg het mij zelven af in die verhängnissvolle ure, is het dan niet de plicht van een edelman om de publieke opinie te braveeren waar zij dwaalt, en met der daad haar den rechten weg te toonen? Is zulk een triomf niet een meer waardige dan het schuchter terugwijken voor de meening van wie weet wien? die zich door wie weet wàt heeft gevormd? Is het niet een wat al te plompe heerschappij, die het vormlooze schepsel mee voert over de gemoederen? Wordt het geen tijd in onze dagen, waarin men alle gezag in kwestie stelt en niets onaangevochten laat, ook dit aanmatigend veemgericht te controleeren en er zich niet voor te buigen? Ik althans zal den moed hebben het te doen en alle lastertongen te laten klappen. Ik zeg niet: als Francis mij bevalt, want de kwestie van hare meerdere of mindere beminnelijkheid kan ik in deze niet meetellen, daar het een plicht geldt; maar als ik voor mij zelven in mijne consciëntie overtuigd ben, dat zij geen misstap heeft begaan, geene betrekkingen heeft aangeknoopt die vlekken hebben geworpen op haar leven en waardoor werkelijk de eer van een echtgenoot kan worden gekwetst. Dit voornemen schijnt roekeloos, en gij glimlacht als gij dit leest, bij de gedachte dat ik wel van besluit veranderen zal eer het er toe komt; maar ’k moet u herinneren aan de eerste dagen onzer kennismaking te Leiden, toen gij, reeds oud student en Mr. op het tipje, mij als armen groen onder uwe hoede naamt en welhaast de hand der vriendschap reiktet, toen die niet meer noodig was ter bescherming. Weet gij nog wel, als onder ons jongelui het gesprek op de vrouwen viel, dat ik mij er dan niet of alleen terloops in mengde, en alleen dan als men mij verweet reeds verliefd te zijn en te zitten droomen terwijl de anderen schertsten. Ik redde mij dan voor het oogenblik door eens ferm mee door te slaan en te snoeven van allerliefste meisjes- en vrouwengunst, of ik er diep in doorgedrongen was. Ik deed zoo [77]om de waarheid te verbergen, dat dit alles voor mij woorden zonder beteekenis moest blijven. De bekrompen omstandigheden mijner familie, die mij deze aanvankelijke studiën nauwelijks vergunden, waren mij maar al te goed bekend; de tijd dat ik er aan zou kunnen denken eene vrouw te onderhouden uit mijne eigene ressources was zoo eindeloos verre,—en de gedachte met mijn jonkheerstitel te speculeeren op eene rijke vrouw was mij nog meer verre en vreemd dan deze. Ik had mij zóó vast gezet in het denkbeeld dat ik leven moest als een Benedictijn die de drie geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid aan den onverbiddelijken plicht der werkzaamheid heeft afgelegd, dat het niet eens in mij opkwam luchtkasteelen te bouwen en zekere illusies te kweeken. Zoo is het mij gelukt, aan de beroeringen van den hartstocht te ontkomen, zoodat ik met waarheid van mij zelven mag getuigen, dat ik dat ledig tot hiertoe niet heb gevoeld; ik had er geen tijd toe in mijn werkzaam en met zorgen vervuld leven. Toch weten mijne vrienden, dat dit hart noch koud, noch zelfzuchtig is: alleen het onverbiddelijk “terug!” hield er alles buiten wat daar binnen stoornis had kunnen brengen. Maar zelfs hij die zich illusies verbiedt, kan nog wel eens idealen scheppen, en zoo heb ik in die korte en zeldzame oogenblikken waarin mij het mijmeren geoorloofd was, wel eens gefantaseerd over de vrouw die voor mij zou passen, als de omstandigheden veranderden en ik naar eene levensgezellin zou mogen omzien. Ik ben er nooit toe gekomen mij dit ideaal in eene bepaalde gestalte voor te stellen; of zij bruin dan wel blond zou moeten zijn, fijn van tint of sprekend van kleur en trekken, daarover liet ik den sluier der onbestemdheid rusten, die dit nevelachtige mijner fantasie het ruimste spel liet; allerminst kwam ik er toe om dit ideaal in freule B. of juffrouw A. belichaamd te wanen, maar de eigenschappen van geest en hart, van humeur en karakter, die het wezen zou [78]moeten bezitten, waarmee ik voor het leven zou willen verbonden zijn, die de verbintenis iets meer zijn dan een uiterlijken band, heb ik wel eens bij mij zelven bediscussieerd, en ik was het gansch niet met van Lennep eens, dat de grootste verdienste eener vrouw juist daarin bestaat, dat er niets van haar te zeggen valt, dan dat zij met volharding kousen maast en de teerste zorg koestert voor de groote wasch. Als mevrouw de Witt zekeren zachten invloed had weten te oefenen op haar gemaal, zou de gerechtelijke moord van Buat vermoedelijk zijn voorkomen, en deze vlek niet hebben gerust op het karakter van den eminenten leider der oligarchische republiek, ik wil daarmee niet gezegd hebben, dat iedere vrouw, of zij er aanleg voor heeft of niet, zich zou moeten mengen in de zaken van staat; ik meen alleen, dat die absolute onbeduidendheid mij voor mij zelven als vis-à-vis voor het leven iets vreeselijks vervelends en ledigs zou toeschijnen, en dat ik het oordeel van Jean Paul over de blijdschap der mannen, als de kortstondige dichteres, die hunne bruid was, spoedig na het huwelijk in eene spinnende huispoes veranderd, niet deelen kan. Als er geest en hart is, kan dat uitkomen in alle détails van het leven, om dat te sieren en te verheffen. De vrouw die dat wist te vatten, wie zij dan ook overigens ware, musicienne of kousenstopster, bezield met liefde voor de kunst en litteratuur, of simpellijk haar lust vindend in ’t volbrengen harer huiselijke plichten, zou zeker kunnen zijn van mijne duurzame genegenheid. Alleen heb ik mij nooit verveeld, maar de verveling à deux moet, dunkt mij, de afschuwelijkste kwelling zijn, die tot uitspattingen zou voeren.
En nu, ik moet het u eerlijk opbiechten, Willem! al hadt gij het misschien niet uit ons vroeger gesprek geraden,—in al de zonderlingheden die mij van Francis ter oore komen zie ik iets van dat ideaal. Zij heeft karakter, zij schijnt geest te bezitten, al wordt haar hart ontzegd. Zij durft zich zelve zijn, en juist dit faalt onze [79]meeste jonge dames, die allen op iets anders willen gelijken, dat zij eigenlijk niet zijn; die geene eigene opinie hebben, maar als zekere insecten de kleur aannemen van het blad waarop zij rusten. Dit geeft iets onwaars, iets onbestemds aan geheel haar bestaan, dat ik niet betrouwbaar acht. In die allerliefste modepoppetjes, op alles afgericht, behalve steun te zoeken in eigen vaste beginselen, schuilen soms kuren en grillen, die niet te voorschijn komen dan te laat om er nog wat tegen te doen. Ze zijn niets, maar als hare pluimen en linten worden zij door iederen wind meegevoerd. Vandaag willen ze dit, morgen weer wat anders; in den regel weten zij zelven niet wat ze eigenlijk willen, en men zou zich in duizend bochten kunnen wringen zonder haar eigenlijk nog te voldoen, als men zich daartoe wilde zetten.
“Wat mij betreft, dàt nooit!” placht ik wel eens overluid uit te roepen bij zulke mijmeringen, en ik ben er nu niet meer toe gedisponeerd dan voorheen; Francis n’a qu’à bien se tenir. Ik wil haar ridderlijk ter zijde staan en ik zal haar beschermen envers et contre tous, als zij het waard is, maar kniebuigingen voor zotte exigenties zal zij mij nooit zien maken. Terwijl ik mij in dergelijke voornemens en gedachten verdiepte, had de koetsier zijn werk gedaan, zooals dat meer gaat bij dergelijke lieden, zonder er veel bij na te denken, en had den “weg die zich zelf wees” ingeslagen, zonder op te letten in welke richting die liep en of er ook op verderen afstand een andere ware te volgen, die meer zeker tot het doel leidde; hoe dat zij, wij waren een tamelijk breed boschpad ingeraakt, dat tot niets voerde dan een rond-point met eene vervallen rustique bank; wij moesten wenden en zien langs een andere zijde een uitweg te vinden. Wij meenden dien gevonden te hebben, toen wij aan den uitersten zoom van het bosch genaderd, daar een smal zandpad opmerkten langs een watertje, waarover in de verte een ruwe brug, die met één paard en ’t lichte wagentje wel zou zijn over te rijden, naar [80]mijne gissing; maar toen wij er bij gekomen waren bleek het, dat ik mij bedrogen had. De brug was breed genoeg, maar slechts door twee of drie waggelende verrotte planken gedekt; een voetganger, die zich aan de leuning kon vasthouden, had er zich mogelijk over kunnen werken, maar met paard en wagen was dit ondoenlijk.
“Wij zijn aan den verkeerden kant het bosch ingereden,” zei de voerman, “dat bemerk ik nu! die laan over de brug voert naar het dorp, en dan is het maar een stijf kwartiertje tot de Werve; dit dennenbosch hoort al tot de plaats.” Terwijl hij nog sprak, hoorden wij den hoefslag van een paard dat in vollen galop achter ons aankwam en snel als de gedachte voorbijschoot, eer het ons mogelijk was door een woord of eene vraag onze verlegenheid uit te drukken; de cavalier—of de cavalière—voor mij was dit niet uit te maken, daar hij juist voorbij draafde aan de zijde waar het zeildoek neerhing,—was in een oogwenk uit het gezicht; maar de koetsier had kunnen opmerken, welke richting hij nam.
“Dat is Majoor Frans,” sprak hij, zich naar mij toe keerend.
“Majoor Frans!” herhaalde ik met eene mengeling van verrassing en wrevel, “wien bedoel je daarmee?”
“Wel, de Freule van ’t kasteel, zoo noemen ze der allemaal in mijn dorp, als ze der jongen komt zien.”
“Wat malle historie wilt gij mij daar wijs maken?” sprak ik op een toon die forsch en onverschillig moest klinken; maar dat ging mij slecht af, de stem stokte mij bijkans in de keel.
“Lang niet mal! maar heel akelig! Zij zou geen kostgeld betalen voor den jongen, als zij geen schuld had.”
“En is dat kind in den kost in het dorp, zoo dicht bij de Werve?” vroeg ik verlicht.
“Wel neen, heerschap! te Oldeberkoop, wel twee uren wijd van stad, daar hoor ik thuis en daar komt ze om [81]een haverklap, op d’r mooie paardje. Maar nou zij deur het bosch rijdt, moet er een uitweg zijn, en die zullen wij zien te vinden.”
Hij wendde in de richting dien hij de Freule had zien nemen; ik liet hem begaan, het was mij bijkans onverschillig geworden of wij aankwamen àl dan niet. Eenige minuten lang liep het smalle boschpad nog door, dat de stoute rijdster gevolgd was; toen liep het te niet in een dicht kreupelbosch, dat wel nog geen ander groen toonde aan boom en struik dan wat knoppen en aankomende blaadjes, maar evenmin een pad om door te komen; de grond was week en drassig en met dicht mos begroeid; het was onbegrijpelijk hoe het paard met zijne berijdster daar over heen waren geraakt; alleen de grootste rapheid en behendigheid, tegelijk met volmaakte eenswillendheid van het dier met zijne meesteres, had dat mirakel kunnen bewerken!
Mijn suffer van een koetsier, wiens verstand er bij stilstond, trok een verbaasd en verdrietig gezicht; dat was door ons niet na te volgen. Hij verzocht mij uit te stappen, en verliet zelf den bok; hij bond zijn rossinant aan een boom; wij moesten trachten het spoor te vinden, dat ons betere kansen bood, en werkelijk, na eene wijle speurens en ronddolens, ontdekte ik eindelijk wat meer achterwaarts een smal zandpad, dat nog de indruksels droeg van paardehoeven en waar wij mogelijk nog doorkomen konden, mits de voerman het paard bij den toom leidde; ik vooruit, om den weg te verkennen. Helaas! toen we het pad op die wijze ten einde gebracht hadden, bevonden wij ons aan den uitersten zoom van het bosch, tegenover omgeploegd bouwland, dat vrij uitgestrekt was, en waarvan wij gescheiden waren door een half uitgedroogde sloot, waarin afgevallen bladeren lagen te rotten en waar allerlei moerasplanten welig opschoten. Geene mogelijkheid voor ons om daarover te komen, en, waar waren wij dan nog? Rechts heidegronden, de hoogten en laagten met spar- en dennenboomen bezet, links ook [82]weer door akkerslooten en greppels vaneengescheiden—aardappelenland, waarvan het zacht groene loof even bovenkwam, achter ons het bosch dat wij reeds hadden doorkruist zonder een uitgang te vinden. Ik keek op mijn horloge; het was ongeveer twaalf uur; de schofttijd van de boerenarbeiders, die vermoedelijk nog op het land hadden te werken. Geene terechtwijzing was er te krijgen; ons restte niets dan terugkeeren langs denzelfden weg dien wij gekomen waren, tot aan den tol, en daar weer den tocht van nieuws aan te beginnen, zooals de koetsier voornemens was eer de dwaze raadgeving van den tolbaas hem op een dwaalweg had gevoerd. Behalve het onaangename van die teleurstelling en zooveel tijdverlies, was het voor het arme paard nauwelijks te doen zonder rust en verkwikking; de voerman onbarmhartig als de lieden van zijn gild, hield staande dat het niemendal was; ik aarzelde om dat besluit te nemen en zag toch nergens eene betere uitkomst. Op eens hoorden we dicht in onze nabijheid een schaterend gelach dat mij tergend in de ooren klonk; het geluid kwam eenigszins van uit de hoogte. Ik zag op en naar de heuvelachtige heide heen; op den top van eene begroeide zandhoogte stond de persoon die zich zoo vroolijk maakte over onze misrekening.
“Majoor Frans!” riep de koetsier met zijne schetterende stem, zonder zich te geneeren in zijne verbazing en ergernis.
Zij zelve! Francis Mordaunt was het, die zoo onbarmhartig den spot dreef met onze verlegenheid. Op zulke ontvangst van hare zijde had ik wel niet verdacht kunnen zijn.
Zooals zij daar stond, eenige voeten boven mij, maar toch vrij dicht in de nabijheid, kon ik haar goed opnemen, en ik kan niet zeggen, dat die aanblik mij verzoende met hare persoonlijkheid, die mij toch al zooveel ergernis, zooveel onaangename gewaarwordingen had veroorzaakt. [83]
Dàt was mogelijk hare schuld niet, maar wel dat zij zich zoo dwaas had toegetakeld, dat men bij ’t eerste aanzien twijfelde of men een man, dan wel eene vrouw voor zich had. Zij had hare Amazone-rok getrousseerd op eene wijze, die aan een Zouavenbroek deed denken, en daarbij had zij over het engsluitend jakje van haar rijkleed een wijde vareuse geworpen met lang ruig haar, zeker heel doeltreffend tegen de scherpe voorjaarslucht, maar die, tot den hals toe dichtgeknoopt, zeer weinig geschikt was eene gracelijke gestalte te doen uitkomen, voor ’t geval dat ze die werkelijk bezat. Het hoofd was gedekt door een grijzen flambard met slap neerhangende randen, de blauwe of groene voile, die in den regel aan zulk een mannelijk hoofddeksel, als de dames goedvinden bij haar rijkostuum te dragen, nog eenige vrouwelijke distinctie geeft, ontbrak; alleen een bosje haneveeren, dat er losjes op gehecht was door een groen zijden lint, gaf er een air aan of de draagster den wilden jager uit de oude tooversprookjes had willen nadoen, en om het al te kronen, had zij een roodzijden doek over den bol heengeslagen en onder de kin toegeknoopt. Zoover dit onbehagelijk fantasie-kostuum mij de mogelijkheid liet over haar voorkomen te oordeelen, moest zij eer fijn en slank van gestalte zijn dan ruw en forsch, en haar uiterlijk was bepaald in contrast met de voorstelling die ik er mij van gedroomd had. Ik had mij vastgezet in het denkbeeld, dat zij gelijken zou op Ristori in het karakter van Medea, met gitzwarte kroeze haren en sterksprekende trekken. Van het haar was door den neervallenden rand van den flambard niets te zien, maar zoover ik oordeelen kon uit dat gedeelte van haar gelaat dat niet door de ongracelijke bedekking overschaduwd werd, was zij eene blondine, met fijne trekken en een romeinschen neus; er behoorde meer goeden wil toe, dan in dat oogenblik de mijne was, om een aangenamen indruk te ontvangen van dit gezicht onder haar schaterend gelach en den akeligen roodzijden kiespijndoek die [84]het omgaf. Ik voelde mij er door getergd, en, zeer weinig gestemd om égards te toonen voor eene vrouw die zoo blijkbaar het zelfrespect vergat, riep ik haar toe: “Luister eens! gij daar! die u zoo vroolijk maakt over uws naasten ongeval. Gij zoudt beter doen ons den weg te wijzen om verder te komen.”
“Daar is hier geen verder komen, dat is, dunkt me, wel te zien. Wie in ’t bosch komt anders dan om rond te rijden heeft een domme streek begaan. Ziedaar alles.”
“En gij dan?”
“Ik!” Zij lachte weer, “ik ben met mijn paard over de droge sloot gesprongen daar tusschen de struiken door, en zoo ben ik op de heide gekomen. Doe het mij na als gij lust hebt, maar met paard en wagen zal het niet best gaan! Waar wilt gij eigenlijk heen?”
“Naar het Huis de Werve!”
“Naar de Werve!” herhaalde zij, en verledigde zich nu eerst van hare hoogte af te dalen en tot op den zoom van de sloot te naderen, van waar ik haar stond toe te spreken.
“Wat hebt gij op het kasteel te doen, mijnheer?” vroeg zij nu op geheel anderen toon, niet meer de luchtige, ongegeneerde van somebody, die zich tegen nobody niet behoeft te ontzien.
“Een bezoek brengen aan den generaal von Zwenken en aan de Freule Mordaunt, zijne kleindochter.”
“De generaal wacht geene bezoeken meer af, en wat gij aan zijne kleindochter te zeggen hebt, kunt gij aan mij richten. Ik ben de freule Mordaunt.”
“Ik kan het nauwelijks gelooven, maar indien het waar is, verzoek ik de freule mij eene minder ongeschikte plaats aan te wijzen voor een onderhoud, dan deze hier; dat wat ik te zeggen heb kan niet uitgeschreeuwd worden over eene droge sloot en ten aanhoore van een koetsier.”
“Zoo rijd met het wagentje terug tot aan den tol, dáár vindt men den weg naar het dorp en naar ’t kasteel, als dat bezoek zoo noodig is.” [85]
“Opdat gij mij mogelijk aan de poort zoudt laten afwijzen, Majoor!” zeide ik in mijzelven; “neen, de gelegenheid is er nu, en ik zal die niet laten glippen.” Ik gaf den koetsier order om terug te rijden, die zich dit geen tweemaal liet zeggen, zette den stevigen wandelstok, waarvan ik mij voorzien had, zoo goed mogelijk in den weeken mosgrond, en kwam op de andere zijde, zonder dat ik zelf recht wist hoe; het was mij een oogenblik groen en geel voor de oogen; zoo ik het ongeluk had gehad mijn sprong te missen en in ’t moerassige slijk terecht te komen, zou ik opnieuw een gek figuur gemaakt hebben tegenover Francis, die zeker zonder eenige verschooning met mijn ongeval zou hebben gespot. Ik waagde veel, dat voelde ik, maar het moest gewaagd worden. Het devies van mijne voorzaten bleek profetie: de stoutheid was mij gelukt.
“Bravo! ferm gedaan!” riep Francis mij toe met hare volle altstem, die mij voor ’t eerst niet hard en tergend in de ooren klonk, en zij klapte in de handen met eene joligheid en schalkschheid, die haar goed afging.
Nu op het bouwland geraakt, had ik maar weinig schreden meer te doen, en nog eene smalle droge greppel over te springen, en ik was bij haar!
Ik nam mijn hoed af, en zij salueerde met haar rijzweep.
“Dat’s een kluchtig avontuur, mijnheer,” sprak zij weer lachend. “Als gij er nu nog aan hecht op de Werve aan te landen, moet gij de hei over wandelen.”
“Is het eene verre wandeling?”
“Neen; ’t is veel korter dan de rijtoer; maar sinds gij over de hei den weg niet kent, loopt gij gevaar weer te verdwalen!”
“Gij vergeet dat ik een recht heb, op uw gezelschap te rekenen, bij die wandeling.”
“Een recht! een recht! gij zijt wel als de anderen, om een recht te nemen uit een los woord dat mij ontvallen is.” [86]
“De freule Mordaunt had mij een onderhoud toegezegd; is het vreemd dat ik haar bij het woord houd, en de eerste gelegenheid de beste aangrijp?”
“Nu goed, maar ik ken zelve op zijn best het rechte pad over deze gronden. Ik had terug willen rijden, maar mijn paard heeft een ijzer verloren, en ik heb het gestald bij den boschbaas daar ginds;” zij wees naar een boerenhuis, dat wat in de laagte lag, en als verscholen tusschen dennen- en sparrenhout; “die zal het naar den hoefsmid brengen in het dorp, en zoo doolde ik hier maar wat rond; bij ’t kasteel komen wij binnen ’t half uur als wij maar oplettend zijn en altijd door links houden, maar ik zou vooraf willen weten of gij daar werkelijk noodig hebt; de generaal is volstrekt niet gesteld op gasten, dat kan ik u verzekeren.”
“Ik kom geene gastvrijheid vragen. Ik wilde hem alleen een bezoek brengen om zijne en uwe kennis te maken, daar ik mij eenigen tijd in de nabuurschap moet ophouden, en mij herinner dat ik door mijne moeder aan de familie von Zwenken geparenteerd ben.”
“Zooveel te erger; op de Werve lijdt men niet bijzonder aan familiezwak.”
“Daar heb ik wel van gehoord; maar ik ben geen Roselaer, ik ben een van Zonshoven, freule! Leopold van Zonshoven.”
“Ik heb nooit gehoord, dat mijn grootvader relatiën heeft gehouden met heeren van dien naam. Maar als gij geen Roselaer zijt, is er reeds minder kwaad bij, en om de vreemdigheid dat een lid der familie zich aan ons gelegen laat liggen, zult gij misschien succes hebben bij den generaal. ’t Is immers wel zeker, dat gij niet voor zaken komt?”
“In dat geval zou ik een procureur of notaris hebben gezonden en zorg dragen, dat men er freule Mordaunt niet mee ging bemoeien.”
“Dat zou toch verkeerd zijn,” hernam zij ernstig. “De generaal is diep in de zeventig en heeft veel verdriet [87]gehad in zijn leven. Ik wil het u niet verhelen dat hij in velerlei zorgen en bezwaren zit en dat ik, zoo vaak ik kan, tracht te voorkomen, dat men hem daarmee lastig valt.”
“Met het afwenden van hetgeen lastig is, heeft men het echter nog niet uit den weg geruimd, zou ik meenen,” antwoordde ik, terwijl ik haar met zekere opzettelijkheid aanzag. Het waren diepe, donkerblauwe oogen, dien toen mijn blik troffen.
“Aan wie zegt gij het?” hernam zij met een zucht, terwijl zij die sprekende oogen neersloeg en zich een trek van lijden op haar gelaat teekende. “Maar toch, ik doe daarin àl wat ik kan, al is ’t niet alles wat ik zou willen; daarom, ik herhaal het, als er iets onaangenaams schuilt voor hem achter uw bezoek, zeg het dan liever ronduit aan mij; mogelijk kan ik er nog iets op vinden.”
“Ik kan u alleen zeggen, dat ik uwe pogingen om den generaal leed en last te besparen, uit al mijne macht zou willen steunen.”
“Dat doet uw hart eer aan; maar als gij er zoo over denkt, aarzel ik u als een lid der familie te erkennen, want dat strijdt geheel tegen onze traditiën.”
“Dat is wel mogelijk, maar noem mij gerust neef, want er zijn excepties, en ik hoop te bewijzen dat ik er toe behoor.”
“Als dàt waar is, zult gij welkom zijn op de Werve, ook bij exceptie, want in den regel laten wij er geen nieuwe gezichten meer toe.”
“Dat is toch jammer. Mij dunkt, het kan toch uwe begeerte niet zijn, om in zoo volstrekte afzondering te leven.”
“Juist de mijne!” viel zij in met zekere hoogheid. “Ik heb al genoeg ondervinding van de menschen, om heel weinig op hun omgang gesteld te zijn.”
“Zoo jong nog en reeds zulk eene misanthropische opvatting van de wereld!” merkte ik aan.
“Ik ben zoo jong niet meer: ik ben zes en twintig [88]jaar, neef, en daaronder zijn campagnejaren, zooals mijn grootvader zeggen zou, die voor het dubbele gelden. Gij kunt gerust met mij praten of ik eene vrouw van veertig ware.—Ik heb er de levenservaring van.”
“Ik zal mij wel wachten, u hier bij ’t woord te vatten; zoo iets zeggen de dames maar om tegengesproken te worden.”
“De dames!” riep zij met onuitsprekelijke minachting. “Ik verzoek u zeer ernstig, neef, om mij niet te begrijpen onder dat soort van wezens, die in den regel door de heeren als ‘de dames’ worden aangeduid.”
“Onder welke rubriek moet ik u dan stellen, nicht? Waarheid is, dat ik op het eerste gezicht niet recht wist waar ik u voor houden moest.”
“Het is waar,” zei ze glimlachend, “voor iemand die mij niet kent, moet ik er nu wel wat vreemd uitzien.... Maar zeg op, waar gij mij eigenlijk voor aanzaagt? Ik houd van oprechtheid: dat is ten minste wat mij van ‘de dames’ onderscheidt.”
“Welaan, ik zal oprecht zijn. (Het woord van Gremio: ‘He will kill her in her own humour’ stond mij gestadig voor den geest). Ik hield u bij den eersten aanblik voor....” De courtoisie begon mij een part te spelen; het harde woord wilde er niet uit.
“Voor eene verschijning van den zwarten jager?” vroeg zij lachend.
“Eene verschijning? Zeker neen! Dat is te etherisch. Ik hield u voor eene treurige realiteit.... Voor een boschwachter die kiespijn had.”
Zij scheen een oogenblik getroffen en beet zich op de lippen; hare wangen gloeiden.
“Dat’s grof,” sprak zij eindelijk, en zag mij aan met een blik of er een pijl uit haar oogen zou schieten.
“Gij hebt oprechtheid gewild en zegt die te kunnen verdragen,” gaf ik ten antwoord.
“Gij hebt gelijk, en gij zult ondervinden dat ik de [89]waarheid sprak. Sla toe, neef! daar is mijne hand; ik geloof dat wij vrienden zullen worden.”
“Zoo hoop ik, nicht! Maar wees nu niet ten halve edelmoedig. Laat mij u werkelijk de hand drukken; niet die grove rijhandschoen.”
“Gij zijt een fat,” zei ze, het hoofd schuddend; “maar gij zult uw zin hebben; ziedaar!” En eene fijne, blanke hand lag in de mijne, die ik een minuut langer vasthield dan volstrekt noodig was; zij scheen het niet op te merken.
“Maar noem mij Francis, ik zal Leo tegen u zeggen. Dat ‘neven en nichten’ tegen elkaar is zoo vervelend,” sprak zij op gullen toon.
“Volgaarne!” en ik drukte opnieuw de hand, die zich nu eerst vrij maakte, terwijl zij voortging met een mengeling van schalkschheid en ernst, die haar goed afging; “maar de koetsier moet u toch gezegd hebben dat hij Majoor Frans had herkend.”
“Dat is maar al te waar; en gij, Francis, vindt gij het niet uiterst krenkend, dat men zich verstout u zóó te noemen?”
“Och neen, dat trek ik mij volstrekt niet aan; ik weet nu eenmaal dat ze mij dien bijnaam gegeven hebben. Ik ben er niet beter en niet slechter om. Ik weet heel goed, dat ze mij hier in den omtrek nawijzen als een kozak of een cavalerie-officier, omdat ik met meer gemak paard rijd dan de steedsche nufjes, en dat ze mij overal aangapen als een kermiswonder, omdat ik de vrijheid neem mij te kleeden naar mijne conveniëntie, en niet naar hun smaak.”
“Maar eene vrouw behoort zich toch wel eenigszins te bekommeren om het effect dat zij maakt op anderen.”
“Ik zie niet waarom, als anderen haar niet kunnen schelen.”
“De eerste plicht eener vrouw jegens zich zelve is, dunkt mij, zich behagelijk voor te doen.”
“Dat maken ‘de dames’ hare mannen wijs, voor wie [90]zij niets willen zijn dan objets de luxe, opdat deze haar alles zullen inwilligen wat de buitensporigheid der mode en der weelde eischt.”
“Ik vrees wel dat er zoodanigen zijn, en te veel; maar zijn daarmede allen veroordeeld, die trachten zich goed voor te doen? Gebiedt niet het zelf-respect, men zij man of vrouw, dat men eenige zorg drage voor zijn uiterlijk, en kan men niet goeden smaak toonen ook in het eenvoudigste, als men smaak heeft?”
Zij kleurde een weinig.
“Gij gelooft dus, dat ik gansch geen smaak heb, omdat ik mij tegen den guren lentedag heb gewapend met eene vareuse?” vroeg zij, eenigszins gekrenkt.
“Ik zal mij wel wachten u te beoordeelen naar een enkel kleedingstuk; ik sprak alleen van het ensemble, en daar eene vrouw, die volstrekt onverschillig is voor haar uiterlijk, eene abnormaliteit is, moet men wel eene slechte opinie krijgen van den smaak eener jonkvrouw, die goedvindt haar gezicht in een leelijken rooden doek te wikkelen.”
“Welke haar het voorkomen geeft van een boschwachter die kiespijn heeft,” herhaalde zij ras en stout. “Welnu, is dat de ergernis, dan kan men die wegruimen; als nu maar de wind niet al te veel vrijheid gaat nemen met mijn flambard.”
Al sprekende had zij den doek losgeknoopt en nam tegelijk den speld weg, die haar amazonenkleed trousseerde. De deftige sleep stond goed bij de fijne, slanke gestalte. Ik kon nu voor het eerst, niet meer gehinderd door die nijdige foulard, het ensemble van haar gelaat opmerken.
Neen voorwaar! zij was niet leelijk, al had zij het mogelijke gedaan om er recht onbehagelijk uit te zien. Hare trekken waren onregelmatig en scherp, dat is waar, maar gansch niet ruw of grof; er lag eene uitdrukking van fierheid en vastheid op dit gezicht, die van zelfbewuste kracht en een onafhankelijk karakter getuigde, [91]maar verre was van laagheid of zinnelijkheid. Slechts een flauw blosje kleurde de bleekheid dier wangen, die wat schraal en ingevallen waren. Het was haar aan te zien, dat zij door strijd en lijden was heengegaan, zonder dat hare levendigheid en opgewektheid van geest daarbij te veel hadden geleden. De groote blauwe oogen hadden iets opens, dat vertrouwen wekte; dat zij flikkeren konden van verontwaardiging of gloeien van geestdrift, had ik reeds opgemerkt.
Nu zij zoo naast mij voortging, bemerkte ik dat zij kleiner van gestalte was dan zij mij eerst was voorgekomen, van de hoogte af gezien; maar er zat pit in die vrouwelijke figuur, dat was niet te ontkennen, al was het niet juist de kloeke mannin die ik mij had voorgesteld te zullen aantreffen, afgaande op de mededeelingen van anderen en den heroïeken bijnaam, die haar volstrekt niet scheen te ergeren! Het was het oogenblik niet haar te vragen hoe zij daaraan gekomen was; ik was reeds voldaan dat ik eene overwinning op haar had behaald, die niet geheel zonder beteekenis scheen. Dat zij mij zekere concessies had gedaan, bewees dat zij niet zoo onverschillig was omtrent den indruk dien zij op anderen maakte, als zij mij wilde doen gelooven. Toch moest ik toestemmen, dat zij wèl en wijs had gedaan toen zij hare slepende amazone had getrousseerd, al was het op wat onbevallige manier, want nu hinderde die haar in het loopen door het mulle zand en bleef telkens haken aan een tak of een struik; eens zelfs struikelde zij er door en zou neergevallen zijn, zoo ik niet schielijk haar arm had gevat om haar opgericht te houden.
“Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt,” zei ze lachend. “Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht even, ik weet er nog wel wat op.” Zij nam den sleep over haar arm en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquette japon voor den dag kwam, met keurige plissés of geborduurde strooken, zooals onze dames niet ongaarne laten zien, [92]maar een effen blauw merinosje, dat er tamelijk verkleurd uitzag.
Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.
“Dankje wel, neef!” zei ze wat bits. “Ik kan best alleen loopen, zooals ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze schepselen zooals gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd laten steunen en geleiden.”
“Ik moet u doen opmerken, dat gij het zijt die mij in dezen tot gids strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?”
“Gij zijt vast advocaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert.”
“Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen: une fois ne fait pas loi; het is allermeest voor de gezelligheid.”
“Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig zóó ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben, moet ik weten wat het beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren.”
“Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit tot later.”
“Ook goed,” zei ze droogjes. “Ik ben niet nieuwsgierig; en ik mocht mij eens vergissen in het pad, als uwe vertelling interessant werd en te veel mijne aandacht boeide.”
“Ik ben ’t met u eens,” antwoordde ik op denzelfden toon, “dat wij zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de Werve aan te komen.”
“Dat wil ik wel gelooven; de tocht is juist niet erg meegevallen,” merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.
“Integendeel; want ik had niet kunnen verwachten dat ik zoo spoedig en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht, freule Francis Mordaunt.”
“De kennis maken, de kennis maken,” herhaalde zij [93]bijna grommend; “men kent mij zoo maar niet uit een eerste samenzijn; en wat de verrassing betreft, zoo gij dat eene aangename noemt, zie ik niet, waar uwe hooggeroemde oprechtheid is gebleven.”
“Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken, dat men ook van eene verrassing kan spreken, al is zij verre van aangenaam; en ik wil gaarne bekennen, als gij er op gesteld zijt het te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch geen behagelijken indruk op mij maakte.”
“Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval.”
Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar voortgaan.
Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle levendigheid: “Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelachen. Wil gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar.... wàt zal ik u zeggen, ik heb er altijd zoo’n pleizier in als ik een van de zich genoemde heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog zoo duur te staan gekomen.”
“Het spreekt immers wel vanzelf, dat ik u daarover geene rancune houd, Francis!” sprak ik ernstig. “Maar ’t geen mij leed doet om uwentwil als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk spreekt uit uwe gedragingen, en waarvan die Schadenfreude over mijn misavontuur slechts de uiting was.”
“Kan ik het helpen, dat ik dat mannenvolkje zie zooals het is? Zij noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen, hoewel het den meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstochten en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en onnoozel, dat men ze om den vinger kan [94]winden, als men maar de moeite neemt hun zwak uit te vinden en dat te vleien. Wie daarentegen onder hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip waarop haar hart zal breken.”
“Dat’s een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog niet het recht hebt om het met zooveel beslistheid te vellen.”
“Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid geweest is die heeren in de kaart te maken.”
“Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer heeft laten verblinden door blinkende uniformen; dat bij later scherp toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde; met die uitkomst, dat nu civiel en militair beiden in dezelfde schaal worden gewogen en.... te licht bevonden?”
“Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zich niet aan fraaie uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met commiesbrood grootgebracht en heeft alle graden, van den korporaal af tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt; ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen gadeslaan, om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de slotsom deze; dat de discipline nog wel het beste middel is om wat er goeds in een man is tot zijn recht te laten komen, terwijl zij het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief, dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet zeggen, dat de krijgstucht verlaagt: integendeel, zij houdt opgericht wat niet op zich zelf kan staan, terwijl de [95]serviliteit die bij de bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft, gesteld altijd dat er karakter ware.”
“Het tafereel is voor beide categoriën niet vleiend. Het schijnt Majoor Frans moeielijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen.”
“Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan, om suprematie te erkennen.”
“Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante eischen te stellen.”
“Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich in den regel tevreden houdt.”
“Geen gunstig vooruitzicht voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!”
“Mijn aanstaande echtgenoot!” Zij lachte luid, maar er was iets schrils en schrijnends in dien lach. “Ik merk wel, goede Leopold, dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand zal last hebben van mijn overvragen.... ik zal niet trouwen.”
“Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen samenloopen, dat....”
“Dat ik een echtgenoot nam om ze te bezweren,” viel zij in met sprekende verontwaardiging. “Luister, Leo! gij weet niets van mij; en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóó spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan materiëele belangen, van wien ook. Dat zou er nog aan mankeeren! een mariage de raison, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat er zijn kan! En toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vast staan, en niets of niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijne [96]vrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn, en ik wil eene vrije vrouw blijven.”
“Vrijvrouwe van de Werve!” Arme Francis! ik had maar één woord te spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve kon zij nooit worden, tenzij ze mij die hand schonk die zij zoo hoog ophief, boven aller bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong, die eenigszins op het doel afging.
“Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij, Francis,” sprak ik, “en die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard: juist op de zich roemende ‘vrije vrouw’ wetten laster en logen hunne pijlen...”
“En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild, om zich daarachter te bergen!” riep zij met heftigheid. “Neen, Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt hebt leeren kennen, zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze te verschuilen; daarbij heb ik ze dikwijls genoeg rondom mij hooren snorren, om te weten van welke kracht zij zijn; en daarom weet ik dat het schild niet eens zou dekken: het zou maar een dubbel wit aanwijzen, en liever dan een tweede, een onvoorzichtige die zich met don Quichots heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze alle alleen op mijne borst opvangen: mij doen ze toch niets meer,” eindigde zij met een minachtend schouderophalen. Daar sprak niet enkel trots en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden, die blijkbaar meer dan woorden waren; dat las ik uit haar blik, al had ik het niet verstaan uit den vasten, zielvollen toon harer stem, die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn heengegaan, om zoo te kunnen spreken; [97]reeds wilde ik in mijn antwoord iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte, met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was: “maar er is geen gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden: het ras der don Quichots en der Ridders van de Ronde Tafel is in onze eeuw verloren gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om Majoor Frans ten huwelijk te vragen; en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou mij graag wat hij noemt ‘geëtablisseerd’ zien vóór zijn dood; de goede man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis toetreden, om er mij toe over te halen; en dat zou maar onrust en tweespalt geven zonder goede uitkomst; want mijn besluit staat vast.”
Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn tocht, en zij was geen nufje van negentien jaar dat “neen” zegt, als ze “ja” meent; maar zij gaf mij toch, zonder het te weten of te willen, wenken en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken. Un homme averti en vaut deux; ik begreep dat ik met de meeste voorzichtigheid te werk moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit dat vaste besluit los te wrikken, maar het kon toch geen kwaad om eens een schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar pas vooruit geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak: “En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een dergelijk voorstel te doen?”
“Wat meent gij daarmee?” vroeg zij met gefronste wenkbrauw; “een voorstel! welk een voorstel?”
“Nu, datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo onwaarschijnlijk hield, dat het iemand zou invallen u te doen.”
“Een huwelijksvoorstel, en door u?” vroeg zij met evenveel verbittering als verrassing, “dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is,” riep zij met heftigheid. [98]
“Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij antwoorden?”
“Ik wil die onderstelling niet eens maken; gij bevalt mij als neef om der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als advocaat in zulk een kwade zaak, liet ik u doodeenvoudig in de hei staan; dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen; ziedaar mijn antwoord.” En als begon zij reeds uitvoering te geven aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of ik was met een paar stappen weer bij haar.
“Een antwoord meer oprecht dan beleefd, zooals men het van freule Mordaunt wachten kan,” hernam ik; “maar op mijne beurt moet ik u zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen met welk voorstel ook, ondanks mijne weerbare nicht, dat ik mij dan aan dit détail niet zou storen. Ik val óók wat koppig als ik mijn doel wil bereiken, en ik zou ’t niet opgeven, al moest ik den ganschen dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen vleier, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woord even gebruik) te kwetsen in hare teerste en hoogste rechten; bijgevolg zou ik mij wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk een bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het minstens in consideratie zou worden genomen.”
“Welnu, zoo ’t geval zich mocht voordoen, zijt gij gewaarschuwd, maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts, moet ik u toch zeggen, dat ik beter van u verwacht had dan eene aardigheid waar noch geest noch vinding aan is.”
Dat was meer dan een coup d’éventail: dat was een ferme tik met de rijzweep; maar daar ik mij bewust was dien niet verdiend te hebben, nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlachend: “wat recht ik haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?”
“Gij zijt lastig,” hernam zij, “met dat uitvragen,” half [99]verlegen, half met onwil en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weer moeite had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had: de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte dien in eene woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte neerviel. Prachtige goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen, en in den hoed weggestopt, en die nu als een golvende sluier van gloeiend goud rondom haar hals en schouders neervielen en het leelijke matrozen-buis bijkans onzichtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd aanschouwen, en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats had. Was dit Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zooveel en met zoo weinig achting gesproken werd? Het was bijkans onmogelijk: dit hooge, edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij diep gevoel, bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke, echt vrouwelijke figuur, met haar stralenkrans van lokken, die men eer voor eene Madonna zou laten poseeren dan voor eene Xantippe; moest ik daar die ruwe weerbarstige mannenhaatster in zien, die zij zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen van verrassing en bewondering beide; en werkelijk, ik vond geen woord om uit te drukken wat ik gevoelde.
Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen, en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling riep zij half lachend, half knorrend: “Gij zijt galant, dat moet ik zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje ver voortgejaagd is;” en vlug als de wind zelf ving zij aan, haar flambard na te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven. [100]
Ik liet mij niet voor de tweede maal porren om deel te nemen aan de kluchtige harddraverij; ik had zelfs het geluk haar vóór te zijn en het leelijke hoofddeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in het zanddal neer te storten.
Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven, maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust. Wat was het? In hare vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te houden, die aan den scherpen dorren doornstruik was blijven hangen en haar had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken, in de takken verward, tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek van schrik wilde ik haar helpen om op te staan; zij sloeg het af, en toch, toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijn dienst wel aannemen. “Mag ik?” vroeg ik met eene stem waarin ontroering trilde. “Ik moet het wel toestaan!” antwoordde zij met een knorrig gezicht, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zij mijne hulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neer en trachtte zoo voorzichtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten los te winden uit den doornstruik, zonder ze te beschadigen. Het duurde een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte vereischt werden, en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam, en wat mij betreft: met den besten wil om mij te haasten, ging het niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te werk gaan, en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of zij ze uit wilde trekken; dus bedierf ze in ééne seconde door hare drift wat ik in minuten tobbens had veroverd. Intusschen praatte en knorde zij voort.
“Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mij [101]gebracht heeft, ziet gij wel hoe practisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk, dat erken ik, maar hij beveiligde tegen een ongeval als dit hier; dàt komt er van dat ik van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen dan wat mij zelve paste. Daar lig ik nu als een hopeloos wezen aan de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn, dat hij mij zoo’n kostelijken dienst bewijst.”
“Trotsch wezen zal hij niet; maar heel dankbaar, dat het eindelijk is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan,” sprak ik in blijden triomf, en stak haar zooals ik mijn recht achtte de handen toe om haar behulpzaam te zijn; maar schichtig als een eekhoorntje was zij opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan: zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed opnieuw vastzetten. Het was hard maar billijk, ik mocht geen toeschouwer zijn als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden niet gaande te maken.
Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn naam, opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt, en ik kon er ditmaal niet tegen protesteeren. Uit zich zelve vatte zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen toon:
“Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u niet gewroken hebt.”
“Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?”
“Gij hebt mij niet uitgelachen om dat zotte ongeval, zooals ik het u heb gedaan om het uwe.”
“U uitlachen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoozeer verschrikt.”
“Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik verdiend had aan u: belachelijk te [102]zijn en bespot te worden. ’t Is waar,” ging zij voort met een minachtend schouderophalen, “daar is Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen; maar toch, van uwe zijde zou het wettige represaille zijn geweest, en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt.”
“Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen met uw deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade had kunnen lijden.”
“O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is mij meer gebeurd,” hervatte zij met zekere luchthartigheid, “want ik heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat de anderen elkander nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten haar cirkeltje, waarbinnen men veilig is tegen de schampschoten der raillerie, en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan.”
“Verschoon de oprechtheid: een weinig door eigen schuld, naar ik vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik, en de publieke opinie te braveeren.”
“Als de publieke opinie een dwalende is, zie ik niet in waarom eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen, Een degelijk man, die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van ’t heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor uit te komen.”
“Zwakheid en beginselloosheid in een man is verachtelijk, ik erken het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel lichter vergeven dan [103]bizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices, mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft; maar men staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch, het heeft zijne goede zijde.... de wereld is nu eenmaal niet anders, en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet....”
“Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen?” riep zij opstuivend. “Daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar ik verkies nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigentie, ziedaar alles.”
“Heel goed! maar wat brengt u dat verzet, dat op geen beginsel rust en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?”
“Dat heb ik u al gezegd: vogelvrijverklaring, uitbanning; een vonnis dat ik nooit rechtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb aanvaard. À vrai dire, niemand legde mij ballingschap op, maar er zijn omstandigheden waaronder men die uit zich zelve kiest,” eindigde zij, terwijl de toon van overmoed, dien zij even te voren gevoerd had, tot dien van doffe neerslachtigheid daalde.
“Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder dien drang was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil, blijft en staat voor zijne zaak; wie heengaat, verlaat haar en geeft haar op.”
“Aan hervormen heb ik in ’t geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht hebben was alleen het recht mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis; maar de zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten.”
“Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige wapenen. Bataille de dames is een allerliefst blijspel.”
“Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen.”
“Dat bedoel ik ook niet; alleen die wordt behaald door [104]echt vrouwelijke middelen: niet met alles te braveeren met een air de matamore aan te nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminlijk voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken strijd, en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van rechten en de eisch der gelijkstelling die door sommigen uwer zoo onvoorzichtiglijk wordt gedaan, en die op de bitterste teleurstelling zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!”
“Advocaat!” sprak zij hoofdschuddend, “en nog wel voor eene zaak die niet aan de orde is!”
“Hoe meent gij dit?”
“Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen; maar ’t is niet meer het oogenblik om daarover te praten, want daar ginds ligt de Werve; als we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen vijf minuten.”
Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide afstegen, een ouden stompen toren zonder spits; de ruïne van het middeleeuwsch kasteel, dat men ter zijde had laten liggen toen men het nieuwe ging opbouwen, vertelde Francis. Daarop hield zij mij even staande. “Luister, Leo! ik heb nog een en ander met u te spreken eer ik u binnenleid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke rede is van uw bezoek aan den generaal!”
“Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie mijner moeder.”
“En als die kennismaking niet meevalt?”
“Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken tot.... verzoening....”
“Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal uitstrekken tot u,” hernam zij met zekere goelijkheid, “als gij maar niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen....” [105]
“Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur zou gebruiken.”
“Nu, kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officier en retraite, is bij ons ingekwartierd op de Werve; mogelijk komt hij u wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin die geene opvoeding gehad heeft, dan in de kazerne; maar zijn hart is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem.”
“En gij dan?”
“Och, mij hindert dat niet: ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn kapitein Rolf niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers en Jagers. Hij is een oud gediende, die eigenlijk als onderofficier met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten gepensionneerd zijn, ware hij niet, met de Willemsorde begiftigd, uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensionneerd. Onze wijze van met elkaar om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren, maar.... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was, en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nóg, zooveel zijn stijf been en zijn rheumatisme het toelaten, in één woord: hij is mijn factotum. Visschen is zijn hartstocht sinds hij de jacht er aan heeft moeten geven; ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van de keukenmeid zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van het eerste nummer. Sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het groote vraagstuk: ‘wat zullen wij eten?’ na te denken, is het bij hem hoofdzaak geworden, en helaas bij mijn grootvader niet minder.”
“En er is dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?” [106]
“Wie anders zou er zijn? Wij gaan hier met niemand om, en daar zijn goede redenen voor; de dominé komt eenmaal ’s jaars, en de burgemeester, al zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is een vijand en een spion! Hunne vrouwen en dochters zie ik niet en wil ik niet zien; ’t is al erg genoeg als zij mij ’s Zondags in de kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neerkomt voor mij. Ik leef tusschen de beide grijsaards in, dat kan niet anders, en.... dat is ook heel goed,” eindigde zij met eene berusting, die zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen mij de diepste meewarigheid inboezemde.
“Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin waarmee gij sympathiseert?”
“Dat zou er nog aan mankeeren—dames! logées hier binnen te halen!” sprak zij met bitterheid; “en wat vriendinnen aangaat, die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben; ik weet te veel wat de vriendschap der vrouwen is.”
“Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus het gansche menschelijke geslacht?”
“Op zulke wijze, dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet. Ik wil enkelen niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik nogal scherp zie, en ’t geen ik heb waargenomen bij de exemplaren die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie op hen die zeggen dat ze de heeren der schepping zijn, en met niet de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare waarheid zegt, dat de engelen schreien om de jammerlijke trekken die de menschen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd dat ik, die geen engel ben, maar die evengoed allerlei jammerlijks aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven, Leo! dat er nobele mannen, en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties; en ik behoor tot de misdeelden, die deze onschatbare [107]uitzonderingen niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor die lichtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft....”
“Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis,” sprak ik zacht maar met nadruk; “gij hebt verkeerd gezocht, of zijt niet op de rechte wijze met uw onderzoek aangevangen.”
“Hoe meent gij dat?” vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.
“Is het wel zeker, dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt begonnen?”
Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte; daarop hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij mijne innigste gedachten wilde peilen: “Gij schijnt een ernstig man te zijn; gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg; het is zeldzaam genoeg om gewaardeerd te worden, waar men het vindt; nu dan, ik zal u vertellen, hoe ik begonnen ben, maar.... nu niet, want daar ligt het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat één uur. Ik vrees dat men mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. ’t Is lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd. Nú, dat doet er niet toe; volg mij, deze brug over, die poort door; gij ziet, de brug is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen uithouden.” Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit met zoo’n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat langzaam haar na, eene feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand verkeerde de groote poort; de zware geheel met ijzeren bouten en scherpe pinnen bezette deur hing in de verroestte hengsels, zonder dat men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van verval te verbergen. Waartoe ook? De dikke, bijkans in puin vallende ringmuur, was al niet meer aan de poort [108]verbonden, en de voormalige schietgaten waren tot wijde spleten opengesperd, waardoor een reus kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het voorplein optredende, viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog, dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen indruk maakte. Het moet vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen, al was het ook wat gemanireerden stijl dier dagen, en toen was het uit eene ruime hand gegaan; maar de nazaten van die onbekrompen bouwheeren hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen gerust, en de degelijkheid van den achttiende-eeuwschen bouwtrant, niet hunne zorg, was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte dat en rotonde gebouwd was en eenigszins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden, maar kennelijk uit eene schrale beurs; de rijke ornamenten boven de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moeten geweest zijn, waren nu met een dun geel verfje overtogen, en de glanzige kleine ruiten van purper spiegelglas waren door gewoon vensterglas vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven aan eene verwaarloozing, die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verveloos was, en waar de ruiten, door tijd of toeval gebroken of gebarsten, niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig met grauw papier toegeplakt; voor anderen was die moeite niet eens genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!
Maar het spreekt wel vanzelve, dat ik alleen vluchtige opmerkzaamheid kon geven aan hout en steen; reeds vóór ik het breede perron optrad, met de gebroken vazen waarin Aloés vegeteerden, kwam het “halve garnizoen,” zooals Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den persoon van den kapitein, dien ik terstond als den oud-militair [109]zou herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon:—het vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn persoon, zooals zijne Willemsorde en zijn metalen kruis,—zijne rechte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van een stok noodzakelijk maakte, en de politiemuts die hij wàt kranig op één oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan, die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een donkeren knevel, lang en puntig à la Napoléon en stijf uitstaande à force van cosmetiek. Zijne hoogroode kleur en bruine brutale oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking, vooral door de dikke, roode lippen en de zware korte kin, gaven iets ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoodat hij werkelijk veel meer had van een sergeant-majoor, die na eerlijk gepasporteerd te zijn, een baantje bij de politie heeft gekregen, dan van een officier, die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene eervolle rust geniet. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd dat ik niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne waarnemingen te kunnen doen.
Leunende op zijn stok, en eene lange duitsche pijp in den mond, waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bracht even de hand aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij ons verwelkomde:
“Wel weergaasch, Majoor! wat is dàt? Hebt gij een krijgsgevangene gemaakt? of krijgen we inkwartiering?”
“Een bezoek aan den Generaal, kapitein,” hernam Francis, voortstappende en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen mij voor te stellen. [110]
“Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule gewacht, de eieren te hard, de biefstuk als leer, Zijne Excellentie uit zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen tijd uit te rijden, ridder te voet thuis te komen en den held van dat mooie avontuur in triomf mee te brengen in de vesting,” bromde de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:
“En dat alles, omdat uw Majoor,” zij drukte zonderling op den titel, “het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten, haar neef; laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt, brengt het dan maar op het rapport.”
Wij stapten de vestibule binnen, waar wij den huisknecht vonden, die de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaire wijze de hand aan de muts brengende; ondanks zijn livreirok droeg hij nog de soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling, dat hij vroeger den generaal als oppasser had gediend; na even aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al vrij dicht genaderd waren, want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik had er te veel belang bij, hem op mijn gemak gade te slaan, om niet haar voorbeeld te volgen; maar de luidruchtige stap van den kapitein, die goed vond ons achterna te loopen, wekte hem uit zijne siësta.
Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld van den kloeken onhandelbaren pourfendeur, die oud-tante Roselaer op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij een kleinen mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns en gedistingueerds had. Een lange rechte neus, dunne [111]bleeke lippen, niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, dat mogelijk slechts tijdelijk was, maar dat ook wel het gevolg kon zijn van afmatting en gedruktheid; zilvergrijze haren hingen in lange eenigszins krullende vlokken om zijne slapen; hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak, waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot cachet konde dienen en dien hij met zekere zenuwachtige beweging heen en weer schoof onder het spreken.
Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik nu voor mij zag, dan alleen eene zekere deftige wellevendheid, die bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.
Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neergebogen grijsaard, een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op hare eigenaardige wijze.
“Grootvader, ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien gij eens hartelijk welkom moet heeten, want hij is eene curiositeit in de familie!”
“Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp,” antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was; maar toch, hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten kon met zekere hartelijkheid te drukken.
“Neem toch plaats, Jonker,” sprak hij, naar een stoel wijzende, waartegen de kapitein stond te leunen met een air of hij plan had mij dien te betwisten. [112]
“Excuseer, grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de heide rondgesukkeld, wij zijn bek af en rammelen van den honger; wij komen bij u praten als wij eerst gezien hebben of de kapitein ons nog wat van het déjeuner heeft overgelaten.... Is er nog gedekt, Frits?” vroeg zij, zich tot den bediende richtend, die tot hare orders wachtend was blijven staan.
“’t Is bij half twee, freule!” antwoordde deze, met zekere verlegenheid de schouders ophalend.
“Gij hebt gelijk, Frits, ’t is de regel van het huis: wie niet op het appèl is wordt niet meegeteld; breng ons hier dan maar wat brood en koud vleesch....”
“En een glas port voor de heeren,” voegde de kapitein er bij.
Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de kapitein vlak voor mij staan, terwijl hij sprak:
“Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen; een jonkman die zoo in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt moet al heel wat bijzonders zijn.”
Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne impertinentie te beantwoorden; dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had, toen de generaal inviel:
“Kapitein!” er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte stem van den grijsaard, “er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen, maar gij schijnt te vergeten dat wij nu niet onder ons zijn, en dat gij Freule Mordaunt mankeert....”
“Omdat ik haar Majoor noem, nu zij ons op eens met iemand van de familie in de flank valt; excuseer mij, Excellentie, maar dan had men mij vooruit de consigne moeten geven, nu.... zal de memorie mij parten spelen.” [113]
“Het komt er niet op aan, grootpa!” viel Francis in, “op zijn leeftijd zal hij toch wel bij al zijne kwade gewoonten blijven, al zou men kunnen eischen dat hij het respect voor de kleindochter van generaal von Zwenken niet vergat, omdat hij haar als kind de exercities heeft geleerd. Maar als gij naar ’t consigne van den dag vraagt, kapitein! let er op, het is dit: beleefdheid jegens mijn gast, die, naar ik meen, nooit een degen heeft gedragen, maar toch, daar geef ik u mijn woord op, niet van ’t humeur is om met zich te laten spotten.”
Ik boog tegen Francis, ’t geen mij de gelegenheid gaf, den kapitein den rug toe te keeren zonder kennelijk opzet, daar het mij duidelijk werd, dat de gemeenzame voet waarop hij met Francis stond van hare kindsheid af, en de zonderlinge manier waarop zij met hem omsprong, zijne ongepaste aardigheden bijkans wettigden; dat men zijne uitvallen zoomin als de hare in vollen ernst moest opvatten, en dat zijne bedoeling beter was dan zijne wijze van die uit te drukken.
Toen Frits met den portwijn was gekomen, schonk de kapitein drie glazen boordevol, presenteerde het eerste aan mij en den generaal, en het zijne opheffende sprak hij ruw goedhartig: “de gezondheid van onzen waardigen commandant en uw welkomst, Jonker! ’t Is van harte gemeend; geloof dat wij hier snakken naar een nieuw gezicht, maar.... de Majoor heeft niet alle dagen zulk eene luim van gastvrijheid, daar kan je staat op maken.”
Ik trachtte Francis aan te zien, om den indruk waar te nemen dien deze opmerking bij haar zou teweegbrengen—maar zij had zich van mij afgekeerd om wat brood en koud vleesch voor mij klaar te maken en wipte daarop de kamer uit, zonder meer notitie te nemen van ’t geen Rolf zeide dan van ’t gebrom eener vlieg.
Wat mij aangaat, ik had te veel behoefte aan eenige verkwikking, om niet met den kapitein aan te stooten en gebruik te maken van ’t geen hare zorg mij had bereid. Toch haastte ik mij, want ik achtte het onbeleefd [114]den generaal dus zonder toespraak te laten, die inmiddels opnieuw wat sluimerziek scheen geworden; maar het bleek mij toch dat hij sluimerde als een poes die niet op haar gemak is, met half geopende oogen. Zoo ras hij waarnam, dat mijn eetlust genoegzaam was voldaan, wenkte hij den kapitein, die niet naliet mij opnieuw in te schenken, en fluisterde dezen iets in, waarop hij zich verwijderde, na mij nog eens met een onrustigen en nieuwsgierigen blik te hebben gadegeslagen.
Toen wij alleen waren, richtte de generaal zich op uit zijne lustelooze houding en sprak mij toe met zekeren deftigen ernst:
“Een woordje onder ons, Jonker! als ’t u belieft.”
Ik boog mij.
“Maar wees zoo goed hier naast mij te gaan zitten; ik ben een weinig hardhoorig.”
Toen ik voldaan had aan zijn verlangen, ving hij aan:
“Vergeef mij dat ik u een vraag moet doen, die u eenigszins ongepast kan voorkomen.... Is het voor de eerste maal dat gij mijne kleindochter hebt ontmoet?”
“Ja, generaal! en de ontmoeting, die zeer toevallig was, was heel gelukkig voor mij.” Ik gaf hem eene kleine schets van mijn kruistocht naar de Werve.
“Nu! dat verheugt me,” sprak de grijsaard met een zucht van verlichting. “Ik vreesde, om u de waarheid te zeggen, dat er iets achter stak. Mijne kleindochter heeft veel goeds, dat mag ik met waarheid zeggen, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden; zij kan wel eens wat brusk uitvallen en heeft zekere zucht om alles te wagen en alles te braveeren, die haar al menige ongelegenheid heeft berokkend, al menige vijandschap op den hals gehaald heeft; ik vreesde dat er tusschen u en haar iets voorgevallen was, dat zij nu trachtte goed te maken, zooals dat haar meer gebeurt.”
“De Freule heeft niets bij mij goed te maken, generaal! en de welwillendheid waarmee zij mij hier eene goede ontvangst heeft toegezegd, moet ik te meer waardeeren, [115]sinds zij niet de gewoonte heeft uit banale hoffelijkheid te handelen.”
“Ik wenschte wel dat zij die gewoonte wilde aannemen,” hervatte de grijsaard met een zacht hoofdschudden, “doch wat u betreft, wees verzekerd, dat ik hare toezegging niet te schande zal maken; gij zijt mij van harte welkom; maar verklaar mij toch iets: Francis zegt dat gij van de familie zijt, en ik herinner mij wel dat ik indertijd een van Zonshoven heb hooren noemen, die aan mijne overledene vrouw was geparenteerd, maar ’t is al zoo lang geleden, dat ik waarlijk niet meer weet hoe dat in elkander zit!”
“Mijne grootmoeder was eene freule van Roselaer, generaal!”
“Ah! juist, van moeders zijde alzoo; zij moet getrouwd zijn met een Fransch edelman, zoo ik mij niet vergis.”
“De baron d’Hermaele was van Belgische afkomst, generaal!”
“Nu ja, maar wij waren toen midden in den Franschen tijd, en men nam het zoo straf niet op met de nationaliteiten. Ik herinner mij nu heel goed de bezwaren die mijne vrouw maakte om ter receptie te gaan, uit oorzaak van brouillerie met freule Sophie.... Ik zette het door, omdat men de convenances in acht moest nemen, uit aanzien van den baron d’Hermaele, die aan onzen prefect was geparenteerd. Het jonge paar vertrok naar een der zuidelijke departementen, en ik heb er niet meer van gehoord. Later, tijdens de regeering van Koning Willem I, vernam ik van derden, dat de baron d’Hermaele in hooge gunst was geraakt bij den Koning.”
“Die gunst heeft de ongelukkige edelman duur genoeg geboet, daar zij oorzaak was dat hij trouw hield aan zijn vorst tijdens den Belgischen opstand, ’t geen hem door zijne familie zeer kwalijk werd genomen, en, wat erger was, den haat van het gepeupel op hem vestigde, in die mate dat men zijn kasteel in de nabijheid van Laeken plunderde en verbrandde en hem zelven, die zich [116]kloekmoedig tegen die baldadigen verzette, op gruwelijke wijze vermoordde.”
“Weer een van die feiten uit dien tijd van jammer en verwarring, die ik mij nog zoo goed kan voorstellen. Mijne soldaten brandden van verlangen om de muiters en plunderaars naar verdienste te straffen, maar ongelukkig werd hun lang, veel te lang werkeloosheid opgelegd; dan, ik wil mij nu niet meer in die ergernissen verdiepen. Wat is er van de weduwe en hare kinderen geworden?”
“Zij was het met de haren ontkomen en keerde naar Holland terug met haar zoon en zeven dochters, waarvan de oudste verloofd was met jonker van Zonshoven. Het huwelijk ging door ondanks de bezwarende tijdsomstandigheden; ik ben hun eenigen zoon.”
“Wel, dan ben ik zooveel als uw oud-oom, jonker!”
“Die berekening heb ik ook gemaakt! en daarom....”
“Komt gij mij toch niet over familiezaken spreken, wil ik hopen?” vroeg hij in zichtbare onrust.
“Maar mijn waarde heer oud-oom! men kan immers wel over familieaangelegenheden spreken, zonder dat het juist onaangename moeten zijn?”
“Hm, ja! ik merk wel dat gij een van Zonshoven zijt, en sinds lang vreemd aan de jammerlijke veeten die de Roselaers hebben verdeeld. Zij hebben elkander in letterlijken zin niets gedaan dan bijten en vereten, op zulke wijze dat er schatten verloren zijn gegaan in processen, en dat Francis en ik nòg lijden onder de naweeën.”
“Ik wil het gelooven, beste oom! maar....”
“Maar uwe moeder was al eene d’Hermaele, dat stelt mij gerust; doch zoo ’t anders ware, zoo gij een ander bericht kwaamt brengen, dat voor Francis pijnlijk zou kunnen zijn of beschamend voor mij; ik weet het, men betwist tot de geldigheid toe van mijn huwelijk in Zwitserland; of zoo het geldzaken betreft, waarin ik of iemand der mijnen betrokken kon zijn, dan bid ik u, wees zoo edelmoedig en spaar het haar zoolang het haar [117]gespaard kan worden. Ik ben oud en al zoo gebogen onder den last des levens, dat ik er nog wel wat bij dragen kan, al ben ik er bijkans onder versuft; mogelijk weet ik er wel iets op te vinden om een gat te stoppen of iets dat dreigt af te leiden; alleen wees oprecht met mij en zegt het mij ronduit in vertrouwen.”
“Wel, generaal! ik zou daar veel op kunnen antwoorden, maar verschoon mij voor dit oogenblik. Freule Mordaunt heeft mij dezelfde vraag gedaan, met de goede bedoeling om u zelf mogelijke onaangenaamheid te sparen, en ik heb haar geantwoord naar waarheid, dat ik kennis kwam maken in de hoop de familiebetrekkingen, die al vrij los geworden zijn, nader aan te binden. Zij heeft mij de eer gedaan zeker vertrouwen te stellen in mijne loyauteit en mij eene exceptie genoemd in de familie. Wil gelooven dat ik een oprecht verlangen koester om mij dat vertrouwen en die gunstige onderscheiding waardig te maken en ik verzeker u dat het mijn grootste triomf zoude zijn, zoo een van Zonshoven het geluk mocht hebben de wonden te heelen, voorheen door de Roselaers geslagen.”
“Dan zou er veel moeten gebeuren, mijn beste jonker!” hernam von Zwenken met een zwaarmoedig hoofdschudden, “maar toch, reeds de wensch is prijzenswaardig.” Na een oogenblik peinzens hervatte hij: “De waarheid, dat geld de zenuw is van den oorlog, moet in dezen ook gelden voor den vrede. Uwe ijverigste pogingen zouden vruchteloos zijn, zoo dit element ontbrak, en toch .... houd mij ten goede zoo ik mij vergis, en toch vrees ik dat de van Zonshovens op dit punt schraal zijn bedeeld. In mijne herinnering werden zij geacht te behooren tot de specialiteit die men la noblesse besoigneuse noemt. Waardige lieden, maar die in de noodzakelijkheid waren geraakt om naar winstgevende ambten en bedieningen te staan, ten einde te kunnen leven.”
“Dat is volkomen waar, generaal! en mijn vader maakte in dezen gansch geene exceptie; daarbij was hij [118]zooals ik gezegd heb, getrouwd met eene dier zeven freules d’Hermaele, die bij den Belgischen opstand alles had verloren, en leven moesten van het pensioen, dat hare moeder genoot en dat welhaast met dier overlijden voor haar verloren ging.”
“En deed de Koning niets voor de freules?”
“Wat wilt gij, beste oom? De eenige zoon was vorstelijk voortgeholpen, maar stierf in den bloei des levens en liet zelf een gezin na. Wat verdienstelijks hadden die meisjes nog voor Koning Willem II, dat deze geheugen moest houden van de trouw door haar vader den zijnen bewezen?”
“Dat is wel zoo, maar toch, het behoort tot de naaste plichten der vorsten, om de digniteit van den adel te helpen ophouden; en wat brengt in dieper vernedering dan de armoede?”
“Ik ben het met u eens dat de armoede eene zware beproeving is voor elk mensch, en niet het minst in onzen stand, beste oom! maar eene vernedering behoeft zij voor niemand te zijn. Het geheim om rijk te worden wordt dikwijls niet gevonden, dan met het verlies van zekere achting voor zich zelven, en het komt naar mijn gevoelen allereerst den adel toe om hier op het noblesse oblige te letten en zich zelf niet te kort te doen. Ook daarom kan ik het niet goedkeuren, dat men als edelman liever alles wacht van vorstengunst, en alles afwacht wat deze oplegt, dan zich mannelijk boven zekere ingeroeste vooroordeelen te verheffen en door eigen energie en werkkracht te verwerven, wat men juist om zijne digniteit te handhaven, niet met de hand op te houden, moest willen aftroonen. Ik voor mij heb daar ten minste zoo over gedacht, en naar dat beginsel gehandeld.”
“Met die uitkomst dat gij, volgens de traditiën uwer voorzaten, naar den een of anderen post hebt gestaan?” vroeg von Zwenken wat verdrietelijk.
“Tot hiertoe niet.”
“Maar daar valt mij iets in, op dit oogenblik is er een [119]van Zonshoven minister van buitenlandsche zaken,” hervatte de generaal; “dat moet, indien ik mij niet bedrieg, een vermogend man zijn; in welken graad zijt ge met hem verwant?”
“Hij is mijn oom.”
“Welnu, dat is zoo kwaad niet; met een post bij het een of ander gezantschap derogeert men niet, en bij wat talent en goede relaties komt men dan licht verder.”
“Dat stem ik u toe, en ik beken u dat ik in zekere zwakke momenten er wel eens over gedacht heb; maar die oom is juist de man, die, om maar eene zaak te noemen, door zijn huwelijk met een meisje dat noch geest, noch hart, noch beschaving had: den koffiekleurige dochter van een schatrijken Oosterling, zich de millioenen van den nabob heeft toegeëigend, zonder de arme vrouw iets meer te geven dan zijne hand en zijn naam.”
“Dat is inderdaad eene jammerlijke mésalliance; maar waaruit volgt voor u, dat gij een oom hebt die schatrijk is en kinderloos?” eindigde hij vragenderwijze.
“Zeker, en nu al op leeftijd; maar met wien ik gebrouilleerd ben en zal blijven zoolang ik het eene laagheid zal achten, om kniebuigingen te maken voor hem ter verzoening.”
De generaal schudde het hoofd. “Nog altijd wat bloed van de Roselaers.”
“Neen! de van Zonshovens waren nooit haatdragend, maar fier, en ziet gij, generaal! al heb ik in de wieg niet met tientjes kunnen spelen, ik heb geleerd dat er betere trots is dan adeltrots; ik heb geleerd dat men geen Cresus behoeft te zijn om zijne onafhankelijkheid te bewaren, die ik had moeten opgeven als ik mij in de armen geworpen had van dien oom, maar die ik nu heb behouden door eigen werkzaamheid, door sober te zijn en met overleg te handelen, door mij geene behoeften te scheppen dan die ik met mijn matig inkomen wist te voldoen. Zoo ben ik nu vrij man gebleven tot hiertoe, [120]en, om u mijne volle meening te zeggen, dat is mij meer waard dan mijn adeldom.”
“Bravo! Bravissimo!” Het was de diepe volle altstem van Francis, die zich achter mij hooren liet, en de handen die mij zoo dapper hadden toegejuicht, legden zich nu vertrouwelijk op mijne schouders. Door de half geopende porte-brisée, die het groote salon van de ruime eetzaal scheidde, onopgemerkt binnengekomen, daar wij met den rug naar die deur toegewend zaten, was zij stil blijven staan om ons gesprek niet te storen, maar toen zij hoorde wat hare instemming vond had zij, die zoo geheel de premier mouvement was, zich niet kunnen onthouden.
“Gij ziet het, jonker!” sprak de generaal wat verdrietelijk met gefronste wenkbrauw, “met zóó te spreken hebt gij mijne kleindochter in haar zwak getast. Zij droomt van onafhankelijkheid; het is hare illusie niets of niemand noodig te hebben.”
“Niet mijne illusie, grootpapa! Mijn beginsel is het: liever vrij en arm te zijn om mij zelf te blijven; liever ontberingen te lijden en offers te brengen, dan laagheden te doen om behoeften en begeerten in te willigen die men mannelijk behoort te overwinnen. Ik zeg mannelijk, Leopold! al is hier kwestie van mij zelve, want wat vastheid van wil en kloekheid van daad betreft, op punten als deze—daar behoort eene vrouw voor geen man te wijken, ja, ik houd mij verzekerd, dat wij daarin de meesten uwer vóór zijn.”
Von Zwenken beet zich op de lippen, sloot de oogen en dook neer in zijn armstoel of hij een knodsslag ontvangen had, maar verslagen achtte hij zich toch niet, want na eenige oogenblikken hief hij zich weer op en sprak tot Francis: “Ik geef het u toe dat gij het mij afwint in kracht om ontberingen te dragen; maar gij zoudt toch niet kwalijk doen, u van tijd tot tijd toe te leggen op eenige zelfbeheersching. Op mijn leeftijd valt het hard, onder iederen vorm zekere beschuldigingen te moeten hooren, als men toch al zooveel geleden heeft en [121]zulke harde slagen van het noodlot had door te staan. Zeker had het hier anders kunnen en moeten zijn, maar ik.... ik zie helaas! geen kans meer op redres. Ik ben niets meer dan een gebogen grijsaard, onmachtig zich op te heffen uit het stof der vernedering waarin wij zijn weggezonken; ik kan nu eenmaal niet anders leven, al weet ik dat gij u om mijnentwille getroost, wat gij niet behoordet te dragen.”
“Kom, kom, grootpa! gij weet wel dat mijne uitvallen harder klinken dan ze gemeend zijn; gij weet wel dat ik veel wat mij tegen is met luchtigheid drage om uwentwil; maar van mij te eischen dat ik goedkeuren zoude wat mij ergert, of niet toejuichen wat zoo geheel mijne instemming heeft als Leo’s uitspraak van daareven, dat is te veel gevergd, zulke zelfbeheersching zal ik nooit kunnen oefenen.”
“Dat’s wel ongelukkig,” viel de generaal in, niet zonder wat bitterheid; “want wat zal neef Leopold van ons denken, als hij u bij iedere aanleiding zekere verwijten hoort uitspreken?”
“Hij zal denken, oom! dat hij in eene familie is gekomen, die zich niet voor hem tracht te vermommen, en dat acht hij eene eer en een voorrecht.”
“Hm! dat’s een avantage dat gij ruimschoots zult genieten, jonker! als gij hier wat lang blijft,” viel nu de kapitein in, die weer binnen was gekomen; “onze Majoor vooral heeft de loffelijke gewoonte, iedereen zonder aanziens des persoons terstond te zeggen waar het op staat; hare opinies, van welken aard ze ook zijn, onverwijld lucht te geven, en als er iets wordt gezegd of gedaan dat Haar Hoog Edel Gestrenge niet bevalt, parate executie hoor! evenals bij de vonnissen van den krijgsraad.”
Het was von Zwenken aan te zien dat deze plompe aardigheid over zijne kleindochter hem hinderde, maar toch weer sloot hij de oogen en klemde de lippen opeen, als wilde hij er liefst niet mee te doen hebben. [122]
“Mij dunkt, kapitein! dat er toch wel eens gratie wordt bewezen, anders zoudt gij immers al lang uw congé hebben gekregen,” zei Francis schertsend; maar toch getuigde die scherts meer van bitterheid dan van vroolijke luim.
“Dat bewijst alleen maar mijne lankmoedigheid, freule Majoor. Gij weet wel dat ik mij door u laat troeven als een conscrit door zijn korporaal. Ik zou van den Prins-Veldmaarschalk niet hebben afgewacht wat ik van u verduur.”
“Gij begint er zwak en vervallen uit te zien van al dat lijden en die mishandelingen,” spotte Francis.
“Kapitein!” sprak nu de generaal, die met gebogen hoofd, en in zekere zenuwachtige verlegenheid, naar dit katjesspel had zitten luisteren, niet zonder onrust zeker hoe het zou afloopen, “kapitein! ik had u meen ik mijn wensch te kennen gegeven om en famille te blijven.”
“En ik, Excellentie, niet radende dat het onderhoud en famille zooveel aantrekkelijks voor u zou hebben, kwam het gewone middel tegen melancholie voorstellen: een partijtje piquet.”
“Dank je, kapitein, nù geen kaarten. Ik wensch van het gezelschap van mijn neef te profiteeren.”
“En gij komt als een spelbreker invallen, terwijl deze juist op het propos was van zijne Lebensbekentnisse, die mij groot belang inboezemen,” beet Francis hem toe. “Gij zoudt veel beter doen met eens rond te zien naar mijne rijzweep, die ik ergens op de hei verloren heb—aan den zoom van het bosch. Toen ik neef Leo ontmoette, had ik haar nog.”
“’t Is geen lichte corvée, zoo’n ding weer te vinden in het zand,” bromde Rolf.
“Maar gij weet wel.... ik ben er zoo mede ontriefd, en als gij haar weerbrengt.... doet gij mij pleizier.”
“Nu! daar ik niet van dienst behoef te zijn bij den generaal, zal ik het probeeren....”
“Malicieuse despoot!” kon ik niet nalaten tegen Francis te zeggen, haar met den vinger dreigend. [123]
Zij kleurde even en glimlachte.
“Och Jonker! dat is nog zoo erg niet,” zuchtte de deemoedige vazal; “toen freule Majoor nog een kind was, hadt gij het eens moeten bijwonen: in die dagen heb ik wel wat anders te doen en te lijden gehad.”
“Precies!” zei Francis, “toen hebt gij mij mee bedorven en meer dan de anderen; zachts dat ge er nu ook wat harder voor boet.”
“Als ik zoo zware penitentie doe, moet ik ook absolutie hebben,” sprak hij deemoedig.
“Absolutie nooit! maar wapenschorsing, voor den geheelen dag; mij dunkt dat is mooi genoeg; ziedaar mijne hand daarop.”
Hij nam die met een zacht hoofdschudden en een aarzelenden blik, als had hij geen groot vertrouwen in de overeenkomst. Ik zag iets vochtigs in zijn oog schitteren, dat mij met zijne brutale gemeenzaamheid verzoende, maar waarover hij zich blijkbaar schaamde, want hij onttrok zich aan onze opmerkzaamheid door een schielijken aftocht; toch keerde hij terug op het oogenblik zelf, dat wij ons voor een vertrouwelijk onderhoud hadden gezet, en wendde zich rechtstreeks tot Francis:
“Ik weet wel dat ik u weer storen kom, freule! maar het is, geloof ik, nog beter ik—dan Frits. Ik ontmoette aan de brug den koetsier van den Jonker, die vragen komt, wanneer hij vóór moet zijn?”
Ik aarzelde met mijn antwoord, in ’t ongewisse of mijn wensch om zoolang mogelijk te vertoeven niet in strijd zou zijn met de inrichting van het huis, toen ik den kapitein halfluid tot Francis hoorde zeggen:
“Ik heb al eens naar de kalkoenen omgezien; daar is er wel één klaar voor de keuken, maar.... niet voor vandaag, daar moet gij op rekenen, ’t is jammer voor le cher cousin, maar....”
“Le cher cousin, als gij mij daarmee bedoelt,” viel ik in, dit punt van overleg aangrijpende, “zou ik niets liever wenschen dan den dag hier te mogen doorbrengen; [124]alleen, hij maakt niet de minste aanspraak op een fijn diner.”
“Wel! het spreekt vanzelf dat gij blijft eten, neef Leopold, à la fortune du pot,” sprak de generaal, na Francis te hebben aangezien, die nog altijd scheen te aarzelen eer zij instemde met de uitnoodiging.
“Het kan niet anders!” sprak zij eindelijk besloten, “wie komt er voor een paar uur naar de Werve; daarbij, wij hebben nog zoo weinig aan elkaar gehad, maar eigenlijk moest het niet zijn, wij behoorden niemand aan onze tafel te nooden....”
“De vraag is maar of gij mij den geheelen dag hier houden wilt, Francis,” viel ik in, onderstellende dat zij over een schraal menu tobde. “Het overige beteekent niets, ik kan het desnoods met een koud maal doen....”
“Nu ja! ik ken dat, gij zijt gerust dat men u niet bij het woord zal vatten.”
“Heusch, Francis, ik....”
“Als gij het meent zijt gij een phenomeen,” riep zij lachend, “maar genoeg, het blijft er bij. Kapitein wilt gij het eens goed overleggen met den koetsier, want het zal noodig zijn dat de jonker niet te laat door het bosch rijdt.”
“Waarom toch, er zijn hier geen roovers, denk ik? Of vreest ge mogelijk dat ik den wilden jager in werkelijkheid zal zien verschijnen?”
“Neen, dat wel niet, maar er zijn doolwegen en....”
“Als gij mij voor zoo bête houdt, rijd ik niet weg vóór midden in den nacht....”
“Waartoe die fanfaronnade. Wij zullen vroeg eten en.... om zeven ure het rijtuig, kapitein!” sprak Francis met gezag.
“Gij beschaamt mij, Francis, met zoo povere hospitaliteit,” viel de generaal in, “is ’t niet veel beter, dat neef van Zonshoven dezen nacht hier logeeren blijft, om morgen op zijn tijd terug te rijden?”
“Een logeergast! grootpapa, gij weet dat zoo niet, maar.... daar zijn wij waarlijk niet op ingericht.” [125]
“Nota bene!” riep de kapitein met een luiden lach, “wij zouden eene halve compagnie kunnen herbergen.”
“Uwe compagnie zeker!” viel Francis uit, meer bits dan edelmoedig tegenover den man, die als 1ste luitenant was gepensionneerd.... Het bleek wel dat hij ontzag had voor zijn Majoor, want hij werd bleek van ergernis, maar hij verbeet zich de lippen om een antwoord terug te houden en zweeg. Francis scheen toch te goedhartig om de krenking niet weer goed te maken: “ik meende, kapitein, dat er plaats genoeg zoude zijn voor een half regiment, maar zooals men soldaten huisvest; terwijl de Jonker van Zonshoven, aan Haagsche weelde gewoon...”
“Gewoon aan een kamer met alkoof op de tweede verdieping in een burgerhuis,” repliceerde ik. “Luister, Freule Francis! als gij Jonker van Zonshoven niet herbergen wilt om redenen, die voor u hare wettigheid kunnen hebben, zeg het dan maar ronduit. Maar maskeer ze niet onder zulke uitvluchten; kamers zijn er genoeg, dat is onwedersprekelijk, en nu, ik slaap op de eerste stroomatras de beste die gij ergens laat neerleggen.”
“Ik schaam mij voor u, Francis,” sprak de generaal met zachte verlegene stem; “dat is weer een van die caprices....”
“Als gij dan volstrekt blijven wilt,” sprak Francis, mij aanziende met een koel en verdrietelijk gezicht, “zal ik trachten eene slaapkamer uit te zoeken waar de ruiten heel zijn. Kom, kapitein, arrangeer dat met den koetsier. Van de corvée om de rijzweep te zoeken zijt gij verschoond; vandaag fungeert gij als maréchal de logis;” en haar slaaf bij den arm nemende, zonder een blik op mij te werpen, verliet zij met hem het vertrek.
De generaal scheen zijn best te willen doen om den ongunstigen indruk weg te nemen, dien hij meende dat ik van Francis moest hebben opgevat.
“Geloof toch,” sprak hij, toen wij alleen waren, “dat zij het wezenlijk goed met u meent, maar.... er wordt hier niet meer op logeergasten gerekend; gij treft haar [126]au dépourvu, en dit hindert haar, daar zij er zich zeker een genoegen van maken zou, het hier recht comfortable voor u in te richten. Eene andere zou den schijn weten te bewaren, en u zekere particulariteiten trachten te verbergen, die u konden doen twijfelen, of gij hier welkom waart; maar ziet gij, dit juist kan Francis niet; mijne kleindochter heeft een uitmuntend verstand, een goed hart, een vast karakter, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden, die haar veeltijds in een ongunstig licht stellen.”
“Welke dame heeft niet hare caprices, hare opvattingen?” viel ik in.
“Ja, maar anderen weten die te kleuren en te dekken met wat blanketsel en wat fijn vernis. Francis verstaat niets daarvan; zij heeft ongelukkig geene opvoeding gehad zooals die had moeten zijn voor eene jonge dame van haar stand. Sergeant.... ik wil zeggen kapitein Rolf en zijne zuster hebben haar van jongs aan een weinigje bedorven. Zij heeft hare moeder niet gekend, mijn schoonzoon was vreemdeling en begreep niets van de eischen eener deftige Hollandsche éducatie. Ik was in effectieven dienst en zelden lang genoeg in zijn huis om veel acht te kunnen geven op mijne kleindochter, maar er zijn oogenblikken waarin ik mij zelf verwijt dat ik, aan zekere rancune toegevende, het voorstel niet heb aangenomen van hare oud-tante, die voor hare opvoeding wilde zorgen; zij zou dan wel geene vroolijke jeugd hebben gehad, dat is waar, maar zij zou ook niet als een wilde rank zijn opgeschoten, ongesnoeid en onbuigzaam zooals wij haar nu zien, en daarenboven zou hare toekomst verzekerd zijn. Voor dat alles had ik mijne persoonlijke grieven moeten ten offer brengen,” en de generaal liet in diepe moedeloosheid het hoofd op de borst zinken.
Tante Sophie zou zeker hare satisfactie hebben gehad, zoo zij die bewijzen van leedgevoel en naberouw bij den gebogen grijsaard had kunnen gadeslaan. Ik, als [127]haar representant, meende hem troost te mogen geven.
“Kom, Generaal! niet zoo mismoedig. Van eene jonge dame even in de twintig is toch waarlijk het laatste woord niet gezegd; dat de edele plant wat in ’t wilde is opgeschoten, maakt haar te frisscher en krachtiger, dat’s beter dan de broeikastplanten die onze gedistingueerde kostscholen leveren; mogelijk zal de hand van een welmeenend echtgenoot nog veel kunnen ombuigen en ten goede leiden....”
“Dat’s juist een der groote bezwaren, Jonker; Francis zal nooit hare hand leggen in die van een man, dien zij van zulke voornemens verdacht hield.”
“Juist gezien, grootpapa! Majoor Frans zal te geener stond het commando afstaan aan haar mindere; zij wil niets om zich zien dan slaven en vazallen, en Jonker Leopold zal wel doen zich naar dit gebruik te schikken, zoo hij lust heeft hier conspiraties tegen hare vrijheid te smeden,” sprak nu Francis zelve, gansch niet op schertsenden toon, maar met koelen, bijna minachtenden ernst; en mij een allesbehalve vriendelijken blik toewerpende, ging zij voort: “dat is tegen onze conventie, neef, dat gij hier het zwak van mijn grootvader vleien zoudt met onuitvoerbare plannen te vormen.”
“Ik verzeker u, nicht, dat er geen opzet lag in ’t geen ik zeide, en dat het alleen volgde uit den loop van mijn gesprek met uw heer grootpapa, hoewel ik blijf volharden in mijne meening dat een degelijk echtgenoot, die zich weet te doen achten, gansch geen verwerpelijke gave is voor iedere vrouw in ’t algemeen en bovenal voor Majoor Frans in ’t bijzonder. Als gij dit comploteeren noemt, ben ik hier een samenzweerder.”
Al sprekende zag ik haar aan met een vasten, uitdagenden blik, dien zij fier en vermetel beantwoordde, terwijl een gloeiend rood, als van toorn, voorhoofd en wangen overtoog; maar op eens zag ik haar bleek worden, het gelaat afwenden, en ’t was alleen met een gedwongen lachje, dat zij ten antwoord gaf: [128]
“Een samenzweerder die te minder gevaarlijk is, daar de generaal u bij de eerste aanleiding de beste zeggen zal, dat freule Mordaunt geen anderen dan een schatrijken echtgenoot kan aannemen, en zooals gij zelf ons hebt medegedeeld, staan de van Zonshovens niet op de lijst der hoogstaangeslagenen in de belasting.”
“Maar Francis?” viel de generaal in.
“Wel ja, bon Papa! dat is immers de standmeter waarnaar de heeren elkander heden ten dage schatten, en dit zult gij met mij eens zijn: als Majoor Frans verkocht moet worden, dan moet het zijn tot den hoogsten prijs. En nu, neef Leo! gij valt gelukkig niet in de termen, wij kunnen vrienden blijven; loop eens met mij naar buiten, ik zal u wat van het terrein laten zien; grootvader kan mee wandelen, de wind is gaan liggen, de zon is doorgeschoten, het is bijna zacht lenteweer; ik heb ter eere van onzen gast mijn tuinhoed opgezet, en hier is uwe muts, grootpa; de chambercloak maar wat toegeknoopt, mijn arm genomen en opgemarcheerd. Die donkere, vochtige zaal geeft maar muffe en sombere denkbeelden,” en reeds sleepte zij den generaal mee, terwijl ik in alle gewilligheid volgde. En ziedaar het waar en waarachtig verslag van mijne installatie op de Werve, die ik sinds, het zal nu al drie weken zijn, niet weer verlaten heb!”
Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande, luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde plekken van de Werve bloot.
“Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelf [129]gauw genoeg opmerken, al wees men hem die niet aan,” gaf zij den generaal ten antwoord, die minder gulle bekentenissen had gewenscht.
“Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden; daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn, maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op.”
De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren, bestemd om voor de tafel te dienen, “eene liefhebberij van Rolf, die er zelf voor zorgt.”
Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18de eeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het geheel bedorven, bekende de generaal, “en daar het onze tijd niet was om zoo iets op te knappen,” voegde Francis er bij, “liet ik een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek, al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten, de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd.” [130]
Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.
Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik raadde ze, al sprak hij ze niet uit.
Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten, die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands, geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen, in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene ruïne, indien nog maar eene “ruïne!” moest hij zich zelf zeggen, als hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos, mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.
“Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?”
Francis lachte luid. “Grootpapa, die op eens belangstelling toont in het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat’s nogal sterk!”
“Spot niet, kind!” gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij: “ik bedoel de zes freules d’Hermaele, die zusters uwer moeder.”
“Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk te worden,” viel Francis weer in, [131]met de haar eigene clairvoyance en vermetelheid; “dat’s mis, grootpapa, daar is niet één erftante bij. Heb ik het geraden, Leo?”
“Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eene mesalliance opzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag.”
“Tante Sophie!” herhaalde de generaal. “Hadden de Hermaeles de handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?”
“Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen; mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?”
“Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van onze oude kwelgeest freule Roselaer.”
De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.
“Zeker niet!” riep zij met hare gewone levendigheid, “want dan zou Leo het ons terstond wel gezegd hebben.”
“Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons, en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?”
“Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar notaris ten grave is geleid.”
“Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn,” sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn onderzoek bij mij opgevend. “Ik voor mij had niet anders verwacht; wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnen [132]verkrijgen, om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven.”
“Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?” waagde ik aan te merken; “in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden.”
“Maar toch zeker niet voor de erfgenamen,” viel de generaal in; “neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten en dan zou zoo’n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen onschuldig is, er dus onder lijden moet.”
“Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend,” viel Francis in, “moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-rancune heeft begrepen.”
“Waartoe verwondert u dat?” vroeg von Zwenken, haar aanziende; “gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?”
“Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals ’t mij meer gebeurt bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan), een kwaden dunk van mij heeft gekregen.”
“Dat lijkt op u,” gromde de generaal, “de eenige kans die u mogelijk gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te veronachtzamen.”
“Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is voorgevallen?”
“Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben medegedeeld.”
“Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond u opnieuw te verbitteren.” [133]
“Wat zal ik u zeggen, kind!” hernam de generaal met eene zachte bewogene stem, “ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter verzoening; maar toch gij, ja ’t is een zwakheid, ik beken het voor u als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst, dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben.”
“Jammer dat ik dit niet geweten heb,” zei Francis met een luchtig schouderophalen, “want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar testament ware afgekomen!”
“Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij die oude hebt gezien en gesproken?”
“Och, ’t is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft.”
“Zij wil ’t nooit weten als zij wat goeds doet!” viel de generaal in.
“Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had; ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm, naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden, onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn meester nu en famille dejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong er [134]op aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten, tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou men en tête à tête besogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette, en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn, maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans, dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn strijdlust; van repartie tot repartie liep het bijkans op een twist uit en....”
“Daar heb je ’t al!” riep de generaal; “die oude juffrouw zal zeker een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze niet op de vriendelijkste manier overgebriefd.”
“Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt de [135]pointe van mijn relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had de malice gehad van haar eigen naam en persoon in ’t gesprek te mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling, dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik, meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte, over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug.”
“Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel,” werd mij toegevoegd.
“Integendeel!” viel ik uit, “het duel is eene onmisbare zaak in eene maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet, zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden.” Die wakkerheid scheen de andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen, maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede, en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf. [136]
“Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!” viel de generaal in met een hoofdschudden.
“Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de schikkingen die ik te treffen had noodig maakten.”
“Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem dat gij niet trouwt,” voegde zij mij toe; “of heb ik het mis, en is er reeds een pretendent?” ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.
Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon papa! zeer geruststellend voor u,” voegde Francis er met een ondeugend glimlachje bij; “hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer, kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is, dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschen boiteux, ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaam attraits hebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg, sloten een kring om ons heen [137]onder het toewerpen van allerlei ongepaste benamingen, waarvan “ohé! slappe juffrouw!” “ohé! mamsel boiteux!” en “hoed! hoed!” nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig woordje zou moeten spreken: je nomme un chat, un chat, als het er op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa, dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte, en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best in gamins kon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn, waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. “Encore une victoire et me [138]voilà perdue!” antwoordde ik lachend. “Het ware zeker welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen, maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!” en hierop scheidden wij. “Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van.”
“En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?” vroeg von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.
“Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar, grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen.”
De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden: “Och van dat wijf kan men alles verwachten.”
Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood, in ’t belang van Francis en niet om zich te wreken, dit bleek mij duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tot [139]haar mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar, Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid, met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg, wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was; maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen groet: “Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet.” [140]
“Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal zorgen.” Toen tot mij: “Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen, en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst heb.” Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.
“En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken,” sprak de generaal opstaande. “Ik dineer nooit in mijne kamerjapon, tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer wel willen zien? Holà Frits! Frits!”
Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde tot ons terug.
“Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?”
“Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht.”
“Zoo! hadt gij een reistasch bij u?” vroeg de generaal met een glimlach, mij met eenig opzet aanziende.
“Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?”
“Wel, volstrekt niet, mijn jongen!” viel hij met gulheid uit; “en wat mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je ’t met Francis....”
“De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te wijzen,” sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat hij ons volgde.
“Dat’s juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik niet zelf de trappen met je oploop,” en hiermede scheidden wij, daar wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime, oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij het [141]eerst in ’t oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten, wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.
Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:
“Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven, anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen....”
“O! dat zegt niets, doe maar open.”
“Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen, is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier op het dorp is geen glazenmaker.”
Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. “Nu, dan is het goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam,” en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl de boiseries en de dessus de porte mede geschilderd en verguld waren, alles style Louis XV, maar kennelijk door geene meesterhand uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene prachtige sofa, die in een hoek [142]stond, was niet slechts verbleekt, maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed, niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten; daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.
Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met lichtgroene randen, die hier zeker à mon intention was neergezet, vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch, dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid, en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed, en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve: Vervallen Grootheid, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot, reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die vroeger [143]de gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.
De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table d’hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present, nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in een [144]tooverballet zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij willen zeggen: “Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij vindt!” Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor, sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen: “qu’ils sont pris au dépourvu,” en die daarenboven in gène leven, kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men het niet had kunnen wachten.
Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde groenten, “het surrogaat van de primeurs,” zooals de generaal zich uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotel poulet au riz, waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde “dat hij hem in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren.”
Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, in [145]welks belang Francis zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.
De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken, en onze gastheer zoowel als zijn aide de camp zorgden wel dat ik deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding, die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.
Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies, noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde tijdperk als de meubelen en ’t goudleer behangsel, had blijkbaar veel aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en ’t ontbrekende was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde, had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn, maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld, uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: “Ik voor mij hecht niet aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier gedronken uit een [146]melknap en champagne uit boeren theekommetjes, en het smaakte er mij niet slechter om.”
“Mits de kommetjes maar niet te klein waren,” vulde Francis aan.
“Maar de generaal,” ging Rolf voort, zonder de hatelijkheid te releveeren, “de generaal is zoo gesteld op alles wat exquis is, dat hij liever geen IJquem zou drinken, als hem geschonken werd uit een schellings glas! en daar onze majoor.... ik wil zeggen de freule oppergebiedster, steeds eene verregaande onverschilligheid toont op dit punt, heb ik mij eens en voor altoos belast met de zorg om het buffet van Zijne Excellentie in goede orde te houden.”
Ik kon niet anders dan hem een compliment maken over zijn zêle in dezen, maar toch was er iets in de wijze waarop hij soms den generaal zijn titel gaf, dat mij niet beviel, iets sarcastisch dat den grijsaard treffen moest, naar ik mij voorstelde, hoewel deze zich hield of de speldeprik hem niet raakte. De inferioriteit van zijn middelen bij zijne superieuren rang, die vermoedelijk de heimelijke jaloezie opwekte van zijn voormaligen krijgsmakker, werd hem dus voelbaar gemaakt op eene wijze waarbij elk ander met verontwaardiging zou zijn opgesprongen of zich door een scherpe repartie hebben gewroken; maar het scheen dat aan von Zwenken daartoe geest- of wilskracht ontbrak, of dat hij uit rustliefde het hoofd daaronder boog en de lichte kwetsuur ontveinsde.
Francis daarentegen was meer fijnvoelend en gansch niet gezind zulke lankmoedigheid te oefenen; ook liet zij niet na telkens represailles te nemen op eigenaardige wijze.
“Foei, kapitein!” viel zij in, “gij moet dat niet zoo aan de klok hangen, dat gij hier foeriersdienst doet! Zijt gij misschien bang dat Jonker van Zonshoven niet zal opmerken hoe gij u verdienstelijk maakt! Maar ziet gij, als iedereen hier zich wilde getroosten mijn régime te volgen en zich wist te vergenoegen met ons kristalhelder [147]bronwater, dan zouden al die ijver en zorg voor kelderprovisie en kostbaar drinkgeschir overbodig zijn.”
Werkelijk had ik opgemerkt dat Francis niets dan water dronk en dat er op dit punt tusschen haar en den kapitein meermalen een geheimzinnig gebarenspel plaats vond, waarna hij telkens met kennelijk verdriet en teleurstelling zich onthield. Nu geprikkeld door haar rechtstreekschen aanval, viel hij uit: “Precies, freule! daartoe zoudt gij het graag willen brengen, opdat welhaast keldermeester en foerier zelf als overcompleet op retraite kon worden gesteld, en dan zou het hier de volmaaktheid wezen, niet waar?” eindigde hij met eene mengeling van bitterheid en weemoed, waarbij zijne lippen trilden.
“Gij weet wel dat het zoo niet gemeend is, kapitein!” gaf Francis ten antwoord met zekere norschheid, waarin toch goedhartigheid den boventoon had. “Gij weet wel dat wij u hier niet kunnen missen, en dat ook niet wenschen, al blijf ik er bij dat het ons allen goed zou zijn zekere overdaad te besnoeien.”
“Le luxe c’est le nécessaire,” verzuchtte von Zwenken. “Mij ten minste, dat wil ik wel erkennen, neef!” ging hij voort, tot mij gewend; “en ongelukkig is Francis dat in ’t geheel niet met mij eens; of ’t al niet erg genoeg ware, hier op de Werve in volstrekte afzondering te leven, zou zij mij ook wel willen beduiden, dat ik het recht niet meer heb op eene tafel naar mijn smaak en rang, sinds ik mijn pensioen heb genomen.”
“Het recht daarop, grootpapa! betwist ik volstrekt niet,” viel Francis in met een pijnlijken glimlach; “alleen....”
“Als we onzen commandant in dezen lieten begaan,” hervatte kapitein Rolf met eene poging om door scherts eene afleiding te maken, “dan zoudt gij zien, dat wij welhaast op half rantsoen gesteld werden. Zij verbeeldt zich altijd dat de Werve eene omsingelde vesting is, die een hard beleg zal hebben uit te staan, en dat men niet spaarzaam genoeg kan zijn met de vivres, alsof zij niet [148]een actief adjudant had, die er goed slag van heeft om de noodige fourage binnen te brengen.”
“Ik ontzeg u zoomin goeden wil als behendigheid, kapitein!” hernam Francis, zijne intentie steunende; “ik zeg alleen: men moet met de krijgskas te rade gaan, en dan....”
“Ah bah! wij hebben een Minister van Oorlog die het zoo uitmuntend met de Kamer kan vinden, dat er een schitterend budget te gemoet wordt gezien,” viel de kapitein in; “ik verwed er mijn eerste luitenants-pensioen onder, dat er met nieuwjaar voor hoofdofficieren verdubbeling van tractement en verhooging van pensioen is te wachten.”
“Zoudt ge ’t waarlijk denken, Rolf?” vroeg de generaal met eene naïeve levendigheid, die ons allen glimlachen deed.
“Wel zeker, Uwe Excellentie! en als de Majoor mij dan maar met de administratie laat begaan, sta ik er voor in, dat er nog wel een toertje naar Wiesbaden op over zal schieten.”
Het diner had den generaal wat geanimeerd; reeds waren zijne bleeke wangen meer gekleurd en stonden zijne oogen minder dof; nu schenen ze op eens als van onnatuurlijken gloed te schitteren; het bloed steeg hem naar het voorhoofd en de aderen zwollen op.
“Nu, kapitein,” ving hij aan, “als gij dat mirakel wist te bewerken....”
Maar plotseling zweeg hij, verbleekte en sloeg de oogen neer voor den scherpen, bestraffenden blik, dien Francis hem toewierp, terwijl zij inviel:
“Dankje kapitein, ik houd niet van kunstmiddelen, en mijn grootvader is niet meer van den leeftijd om te reizen....”
“Dat zoudt gij wel beter zien, Majoortje, als wij maar eens zoo ver waren.... want gij zoudt het bataillon toch wel willen begeleiden....” plaagde Rolf.
“Dat zou een waar genot voor me zijn, het toezicht te houden over een paar groote kinderen, die niet wijs [149]genoeg waren om alleen te loopen....” beet Francis hem toe, maar op gedempten toon, zoodat de generaal bij zijne hardhoorendheid de woorden niet verstond; doch hij raadde den zin, en zich tot mij keerende sprak hij wrevelig:
“Mijne kleindochter heeft de manie om mij altijd ouder en zwakker voor te stellen dan ik werkelijk ben,” en in één teug ledigde hij zijn glas, dat de kapitein onverwijld weer vulde, terwijl von Zwenken voortging: “niet om mijn ouderdom, maar om haar drijven heb ik mij uit den dienst teruggetrokken!”
“Grootpapa!” sprak Francis gekrenkt, maar toch met kennelijke zelfbeheersching, “ik zou daar veel op kunnen antwoorden.... zoo wij alleen waren, maar, wij zijn niet alleen en het is beter dit chapitre maar te laten rusten, dat alles behalve amusant is voor neef Leopold.”
“En ik moet Zijne Excellentie herinneren, dat wij nog niet eens de gezondheid gedronken hebben van onzen gast....” viel de kapitein in, zichtbaar in onrust over de wending die het discours had genomen.
Ik voor mij dacht aan de uitspraak, dat een droge bete en rust daarbij beter is dan een huis vol geslachte beesten met twist.... en tegenover hunne délices herinnerde ik mij de spinasie van mijn kok met slechte boter en een dor stukje vleesch en de kalmte die ik daarbij genoot in mijne eenzaamheid; maar toch gaf ik Francis in mijn hart gelijk dat zij zich ergerde aan een overdaad en verfijning van tafelgenot, die zoo weinig voegde bij dit in puin zinkend huis.
De toast, door den kapitein als pare-tonnerre voorgesteld, bleef toch niet achterwege.
Ik moest mij dit laten welgevallen en mijn glas aan de lippen brengen, ware ’t ook alleen om de goede intentiën van Rolf te steunen. Francis knikte mij vriendelijk toe, legde met zekere drift hare hand op den arm van den kapitein, die deze gelegenheid wilde aangrijpen om haar in te schenken, en achtte zich nu gerechtigd [150]op te staan, daar zij geen deel wilde nemen aan het dessert, ondanks het wrevelig hoofdschudden van den generaal; zij schelde Frits, die sigaren presenteerde, en trok zich terug in de suite, waar ik haar, juist omdat ik vlak tegenover den spiegel zat, kon gadeslaan, zonder dat zij het bemerkte.
Zij wierp zich in een hoek van de breede oud-modische canapé en wrong beide handen boven haar hoofd samen, terwijl zij zich de lippen verbeet om geen kreet te slaken. Door de snelle en forsche beweging, waarmee zij het hoofd liet neervallen, gleed het zijden net af, en de zware lokken vielen weer in vollen rijkdom neer over hals en schouders, bijkans tot op den grond; zij scheen het niet te bemerken, maar bleef in dezelfde houding liggen met gesloten oogen en samengeklemde lippen, een beeld der diepste mismoedigheid; ik wendde mijn blik niet van haar af, terwijl ik voorgaf naar den kapitein te luisteren, die nu eerst recht op zijn praatstoel geraakte en mij een glorieus tafereel ophing van zijn krijgstocht naar Hasselt en Leuven, waarbij hij de Willemsorde verdiende, en dientengevolge in lateren tijd tot den luitenantsrang werd bevorderd; hij had een geduldig, maar niet zeer opmerkzaam toehoorder in mij, terwijl de generaal zachtjes aan indommelde, als onder het snorren der kogels en den kruitdamp van de mélée, waarbij Rolf zijne lauweren won, en die hij zoo plastisch mogelijk voorstelde.
Francis lag daar intusschen kennelijk worstelend in een zwaren innerlijken strijd, die voor mij veel meer beteekenis had dan de heldendaden onzer dapperen, die al dertig jaren in ’t verleden lagen. Juist toen Rolf een Belgisch vaandel aan flarden reet en een hoop “muiters” op de vlucht joeg, scheen de zielesmart van Francis tot haar hoogste punt gekomen; zij barstte in tranen uit, en hield haar zakdoek voor ’t gelaat, als om haar snikken te smoren. Ik kon het niet langer uithouden; gekomen in het vaste denkbeeld dat ik eene Xantippe zou moeten temmen, zag ik meer en meer in, dat er een slachtoffer [151]was te redden. Ik liet den kapitein aan de oude cognac, die hij zeide noodig te hebben tegen de verkoeling van de vruchten, zag even naar den generaal, die de hoorbare bewijzen gaf van de diepste ruste, en liep met zachte, snelle schreden naar Francis toe, terwijl ik mijne sigaar wegmoffelde.
Snel hief zij zich op, blijkbaar wat onthutst door mij in hare mismoedige bui verrast te worden; maar zij hervatte terstond haar aplomb.
“Gij kunt gerust rooken, neef, als gij met mij praten wilt,” voegde zij mij toe, met eene poging om te glimlachen.
“Dat is mijne gewoonte niet tegenover....” dames mocht ik niet zeggen, ik bleef in mijne phrase steken.
“Kom! gekheid, zoo’n nuf ben ik niet, dat weet gij nu wel. Wilt gij dat ik koffie voor u zal zetten? De heeren dáár gebruiken die niet, zij blijven rooken en drinken tot dat....”
Op hare beurt was zij wat verlegen om te voleinden, dus viel ik in:
“Ik wil niets dan een oogenblik vertrouwelijk met u spreken; gunt gij mij dat?”
“Wel zeker, dat zal mij pleizier doen; neem dien fauteuil en ga over mij zitten, dat praat het gemakkelijkst.”
Ik volgde hare aanwijzing en zij ging voort:
“Zeg me allereerst of gij nu begrepen hebt, waarom ik hier geen gast wil hebben?”
“Zoo ongeveer.... ik onderstel dat gij vereenvoudiging wenscht, die de heeren niet goed vinden, en den omslag dien gasten noodzakelijk maken liefst wilt vermijden.”
“Nu, voorwaar! gij zult niet weer eerst raden, dat’s slim van u, dàt uitgevonden te hebben na ’t geen gij hier reeds hebt bijgewoond!” en de ondeugende lachte mij helder uit; maar zij was weer in goede luim geraakt, en dat was altijd iets; hetgeen ik giste durfde ik niet uitspreken. [152]
“Ik zie wel, ik moet u zelve op de hoogte brengen, anders komt gij er niet. En dàn studeeren de mannen voor rechters en advocaten! en zien niet verder dan hun neus lang is! Wat Shakespeare gelijk had, dat hij Portia gebruikte om een pleidooi te winnen, waarbij het op menschenkennis en scherpzinnigheid aankwam.”
“Ondanks mijn respect voor Portia en mijne bewondering voor Shakespeare, moet ik u toch doen opmerken, dat ik niet heb gestudeerd, hoewel ik overtuigd ben dat mijn gebrek aan doorzicht in dezen daarmee niet in verband staat.”
“Niet gestudeerd! ’t is waar ook, hoe komt dàt? gij zoudt mij dat verteld hebben?”
“Dat zal ik u vertellen, Francis; maar laten we eerst van u zelve spreken; hoe kortzichtig gij ook meent dat ik ben, toch heb ik doorzien, dat gij niet gelukkig zijt, en dat grieft mij; schenk mij uw vertrouwen; mogelijk vinden wij samen het middel om uit den weg te ruimen, wat u tegen is....”
“Met de lamp van Aladin in de hand, en het Sésame ouvre toi! als parool, niet waar?” sprak zij met een minachtenden lach, waarin bitterheid school. “Neen, beste Leo, onderneem dat maar niet, gij zoudt menschen en toestanden beiden moeten veranderen, en nòg! Neen, vertel mij liever van u zelven; dat zal mij afleiding geven, en die heb ik allereerst noodig. Eilieve! zie ginds die heeren der schepping, mijn dagelijksch gezelschap, mijne eenige omgeving,” ging zij voort, even den blik naar de eetzaal wendende; “zij zijn op het hoogtepunt van hun levensgenot gekomen, de generaal is met de sigaar in den mond in slaap gevallen, en de kapitein heeft genoeg van zijn cognac; hij stopt zijne groote duitsche pijp en waggelt naar de billardkamer om in zijn eentje te smoken! Zij komen niet weer bij vóór de thee; wij hebben een goed rustig uurtje voor ons. Kom aan, biecht eens op,” ging zij voort, nu tot mij op een gansch anderen toon dan die van laatdunkende bitterheid, [153]waarmee zij over “die heeren der schepping” gesproken had, “en zeg mij waarom gij geen advocaat zijt geworden?” Zij vestigde al sprekend hare groote blauwe oogen op mij, met eene mengeling van belangstelling en wantrouwen, of ze mij verdacht een gesjeesde student te zijn.
“Eenvoudig omdat mijn goede vader al te vroeg gestorven is....”
“Een goede vader sterft altijd te vroeg voor iedereen,” hernam zij met een licht schouderophalen; “zelfs een slechte, die zich niet om zijn kind bekommert, is nog een verlies; de uwe liet dus niets na?”
“Dan eene weduwe die gewoon was van een vrij goed tractement te leven, en die nu plotseling op een pensioen werd gesteld dat slechts een derde daarvan bedroeg. Wij bezaten niets daarnevens dan een titel en antecedenten, die allerlei eischen stelden, waaraan wij niet meer konden voldoen. Mijne moeder, Brusselsche van geboorte en sinds haar huwelijk in den Haag overgeplant, voelde zich daar recht thuis, en had zich een schrikbeeld van Leiden gemaakt, dat ik haar niet uit het hoofd konde praten; zich bekrimpen, zich behelpen wilde ze, desnoods op eene kamer van eene derde verdieping, maar den Haag te verlaten om te Leiden samen te gaan wonen met mij, dat scheen haar eene ondragelijke ballingschap. Ook wachtte ik mij wel het haar voor te stellen, want zij zou het om mijnentwille hebben aangenomen; en zwak en teergevoelig als zij was, kon het haar dood zijn geweest. Zij verbeeldde zich dat ik toch wel kon blijven studeeren; zij wilde zoo graag heel zuinig zijn voor mij, en ik had immers nooit zulke groote sommen noodig gehad. Dat was waar. Met de bewustheid, dat er geene fortuin voor mij was weggelegd en dat mijne ouders het hunne best konden gebruiken, had ik altijd getracht hen het minst mogelijke te kosten, en had met copieeren en werken voor anderen aangevuld wat er aan mijne toelage te kort kwam. Maar nu! de kosten van tweeërlei huishouding [154]konden niet bestreden worden met haar schraal pensioen, zelfs al leefde ik te Leiden zooals ik geleefd had. Er werd nu veeleer van mij gevorderd te werken voor haar, zou zij niet allerlei lasten en ontberingen lijden. Zoo gaf ik er de studie aan en wendde voor dat ik den lust tot studeeren verloren had, allereerst tegen mijne moeder zelve en hield die rol vol zelfs tegenover vrienden en academie-kennissen. Ik wilde niet, dat men haar verwijten zoude doen, evenmin dat men mij zoude beklagen! Ik beproefde wat ik met mijne nog weinig geoefende talenten als auteur vermocht. Ik begon met vertalen, en de hemel weet wat al onbeduidende romans ik op boekverkoopers-bestelling in den kortst mogelijken tijd heb afgeleverd; intusschen klopte ik hier en daar aan om aan een ambt of in eene betrekking te geraken, die wat betere uitzichten voor de toekomst beloofde; tevergeefs: altijd stiet ik het hoofd omdat ik geen Mr. voor mijn naam kon zetten. Zoo tobde ik een tijdlang, eer ik zekere litterarische connexiën had aangeknoopt, die mij op weg hielpen; maar toen eens mijn pseudoniem een goeden klank had gekregen, ging het vrij goed; niet zonder inspanning, niet zonder offers, dat is zoo, maar toch geene die mij te zwaar vielen. Mijne moeder leed geene al te groote ontberingen, behoefde zich niet op eene derde verdieping te verschuilen, noch aan alle gezellig verkeer te onttrekken, en ik kon haar van tijd tot tijd laten deelen in genoegens en uitspanningen, die haar tot behoefte waren geworden. Toch bleek het dat hare zwakheid niet bestand was om den schok te dragen, dien zij had moeten doorstaan; tevergeefs trachtte zij het voor mij te verbergen dat zij leed, ik bemerkte het aan alles dat zij de smart van haar verlies niet te boven kon komen. Zij verviel langzamerhand tot eene diepe melancholie, waaruit niets haar meer konde opwekken, die haar geest benevelde, hare krachten ondermijnde, ondanks alles wat er beproefd werd tot hare herstelling, en na enige maanden van dit aandoenlijk lijden bezweek zij, [155]zonder in eigenlijken zin ziek geweest te zijn. Hoezeer verblijdde ik mij toen, dat ik haar het zwaarste offer niet had gevergd en die teedere plant niet om mijnentwille had losgerukt uit den grond waar zij wortelen had geschoten. Haar afsterven, reeds in den vroegen herfst des levens zou mij dan als eene zware schuld op het geweten hebben gedrukt. Nu had ik ten minste het mijne gedaan om haar te behouden, ik kon haar nastaren met stille berusting, al was het met diepen weemoed. Zoo is het gekomen, Francis, dat ik geen Mr. voor mijn naam kan zetten....”
“Nu! gij zijt er mij te liever om,” viel zij onbedacht uit; “een man die geen egoïst is en zijne ambitie ten offer kan brengen aan de zwakheid van eene moeder, van eene vrouw, is eene zeldzaamheid; laat mij u daarop goed in de oogen zien, Leo! om de uitdrukking van uw gelaat in mijn geheugen te prenten; dus zal ik u in gedachten houden, en dat zal mij goed zijn; want om de waarheid te zeggen, ik heb mijne redenen om geen al te hoogen dunk te hebben van uwe soort.”
Wonderlijk schepsel! op het oogenblik zelf, dat zij zich betuigingen liet ontvallen die een onvoorzichtige tot eene declaratie zouden hebben verleid, die ik althans had kunnen opvatten om er haar mee in de war te brengen, de geweldige mannenhaatster! gaf ze mij te verstaan, dat zij vast op mijn heengaan rekende, zonder aan weerzien te denken.
“Hebt gij dan zooveel haast om mij weg te zenden, dat gij nu al op een afscheid peinst?” vroeg ik, haar verwijtend aanziende.
“Maar, Leo! gij hebt immers zelf wel begrepen, dat gij hier niet blijven kunt, nu gij gezien hebt hoe het hier toegaat?”
“Wat zal ik u zeggen. Ik begrijp wel dat het voor u geen stichtelijk schouwspel is, een paar heeren van leeftijd, die zich eene fijne flesch goed laten smaken, maar toch, wat mij aangaat, niet zóó afschrikwekkend om er mij terstond door te laten verjagen.” [156]
“Het kwam mij toch voor, dat gij bij exempel de uiterste matigheid hebt gepredikt.”
“Niet vreemd. Ik kan niet zoo in eens met mijne gewoonte breken, maar als ik luxe hebben kan, zal ik er mij zoo goed in schikken als een ander; ik zal hier wel gewennen,” sprak ik koeltjes, al zag ik dat zij van ongeduld trappelde met de kleine voeten, tot mijne verrassing elegant geschoeid.
“Gij houdt van schertsen,” sprak zij, na mij even te hebben aangezien, kennelijk zich zelve beheerschend om niet een van die uitvallen te doen, die de kapitein parate executie noemde, “maar ik vraag u in vollen ernst, of gij gelooft dat men de Werve bewonen kan met een kolonelspensioen en er zulk eene tafel op nahouden?”
“Wat mij betreft, het is niet aan mij om mijn gastheer en vrouwe de rekening te maken; ik kan alleen zeggen, dat ik het jammer zou vinden als gij zooveel omslag zoudt maken om mij, al scheen de generaal er pleizier in te hebben om mijne welkomst wat te fêteeren; ik heb u immers terstond gezegd, dat ik met een schotel groente en wat koud vleesch tevreden ben.”
“Gij! dat is wel mogelijk, maar vraag eens wat de kapitein daarvan zeggen zoude?”
“Wat doet dat er toe? Zijt gij het niet die hier de huishouding bestuurt? De generaal heeft toch niet het voorkomen van zoo’n tyran te wezen.”
“Helaas, neen! het is niet zijne geweldenarij, maar zijne zwakheid, zijne jammerlijke zwakheid, die mij zoo diep ongelukkig maakt,” viel zij in, met een smartelijk hoofdschudden; “geloof niet dat ik den grijsaard geen goed hart toedrage, dat ik hem niet iedere sier des levens zou gunnen,—zou willen geven met opoffering van al het mijne,—maar dat is de groote grieve, die ik tegen hem heb, dat hij zich zoo afhankelijk heeft gemaakt van den kapitein.”
“Het komt mij toch voor dat gij waarlijk nog al cavalièrement met uw kapitein omspringt; hij zelf noemt [157]u immers zijne gebiedende vrouwe, zijn majoor! En gij zoudt zijne toestemming noodig hebben om hier bezuinigingen in te voeren die gij noodig acht; op dit punt geloof ik dat iedere vrouw het recht heeft hare autoriteit te laten gelden.”
“Ziedaar juist wat ik niet kan, niet mag; maar het schijnt wel dat gij mij niet met een half woord wilt verstaan. Zoo zal ik u den sleutel van dit raadsel in handen geven! dat zal mij tegelijk verlichten; want ik ga onder door verdriet en ergernis, die ik altijd moet verkroppen, en ik heb niemand, niemand waaraan ik mijn hart eens kan uitstorten; gij, gij schijnt mij toe een oprecht, een edelmoedig mensch te zijn; ’t is waar, ik heb mij in mijne opinie van een man wel eens meer bedrogen, maar toch, met u wil ik het er nog eens op wagen,—eene teleurstelling meer komt er zooveel niet op aan.”
“Schenk mij gerust uw vertrouwen, Francis! Wees er zeker van, dat ik een eerlijk man ben, die een oprecht verlangen heeft uw leed te verlichten.”
“Dat verlang ik niet van u; het zal mij genoeg zijn zoo gij het kunt begrijpen en mee gevoelen; maar trek even de porte-brisée toe, dan kan niemand in de schemering binnenkomen, zonder dat wij het bemerken.”
Ik volgde haar wenk, en toen ik mij weer tegenover haar had nedergezet, ving zij aan: “Ziet gij, Leo! toen mijn grootvader zijn pensioen had genomen en wij ons hier op de Werve terugtrokken, was het ons dringend noodig op bezuiniging bedacht te zijn. Voormaals hadden wij een rijkelijke en omslachtige huishouding gehad; de eischen van zijn rang, de verplichting als commandant van de kleine vestingstad om de autoriteiten, zoowel als zijne officieren, bij zich te ontvangen, en, laat ik het bekennen, ons beider gewoonte om in zekere ruimte en gulheid te leven, waren oorzaak dat wij bijkans open tafel hielden en er altijd op gasten gerekend was; maar door verschillende oorzaken, door smartelijke familieomstandigheden [158]niet het minst, was onze fortuin in de laatste jaren zoo geslonken, dat het niet mogelijk was op dezen voet voort te gaan. Grootpapa zag het toenmaals in zoowel als ik; zich verminderen en in werkelijken dienst te blijven ging niet, maar hier buiten konden wij leven zooals wij wilden. Wij behoefden niemand te zien, wij sneden in één houw alle parasieten af, en hoewel het eene hachelijke onderneming was, een kasteel als dit te gaan bewonen met eene enkele dienstbode en een oppasser, besloten wij toch daartoe, omdat wij slechts twee of drie kamers in gebruik zouden nemen en het mij niet te veel was, zelve de handen uit de mouw te steken. Bedrijvigheid was mij noodig; ik rekende op den moestuin en den boomgaard, op de boerderij, die toen nog bij de plaats behoorde, om in bijna al onze behoeften te voorzien, en ik had in stilte de bijgedachte om bij zoo zuinige leefwijze zekere bezwaren weg te ruimen en de Werve te eenigen tijd uit haar staat van verval op te richten. In den eersten tijd ging alles vrij goed; wij waren hier in den zomer gekomen; de rust, waaraan wij beiden behoefte hadden, de prachtige natuur vol afwisseling, die ons verlokte tot gezamenlijke rijtoertjes, alles werkte mee om ons de afzondering te veraangenamen. Maar helaas! toen de herfst kwam met hare gure dagen en lange avonden, toen de generaal, door zijne rheumatiek gekweld, niet meer te paard kon stijgen, kwam de verveling over hem als een gewapend man, eene plaag, waartegen ik te vergeefs trachtte te strijden door lectuur en muziek. De laatste trok hem weinig aan, hij hield niet van lezen en zag zelfs niet graag boeken in de handen van anderen dan de prachtwerken die in een salon worden tentoongesteld. Als de courant gelezen was, waren wij uitgepraat. Iederen avond het dominospel of een piquet à deux; mij was het haast onuitstaanbaar, en hem was het nog niet genoeg. Wij hadden hier niemand, waaraan wij ons konden of wilden aansluiten. Wie hier de notabelen genoemd worden, zijn plompe [159]lieden, die daarenboven tot de partij van den burgemeester behooren; de dominé is geen man voor ons, en al ware dat, het genot dat men vindt in datgene wat men een degelijk discours noemt, valt niet in den smaak van grootpapa, al placht hij bij uitnemendheid de man te zijn voor het gezellige leven in ruimen kring; en nu hij dat alles miste, werd hij knorrig, lusteloos, ving aan te kwijnen en wist zich hoe langer hoe minder te schikken naar de eenvoudige leefwijze, die ik had ingesteld. Zelve werd ik bijna moedeloos hem dus te zien, zonder de middelen te hebben om hem te helpen. Toen noodigde een zijner vroegere krijgsmakkers, die eveneens zijn pensioen had genomen, maar met het oogmerk om eens recht van zijne fortuin te kunnen genieten, hem uit, om eenigen tijd bij hem te logeeren; dat zou afwisseling geven, dus zou hij zonder eenige bekommeringen kunnen ademen in een atmosfeer naar zijn smaak. De bedoelde kolonel had zich te Arnhem op schitterenden voet ingericht en behoorde tot den kring, die er den toon gaf. Grootpapa was er volkomen in zijn element; hij bleef er de drie wintermaanden.”
“En gij?”
“Ik! o, ik bleef hier, dat sprak wel vanzelve; men had vergeten ‘Majoor Frans’ te inviteeren, en toen men er aan dacht, was het zoozeer eene invitatie du bout des lèvres, dat ik niet zou aangenomen hebben, al ware dat mogelijk geweest, maar het kon toch niet, al had men mij met nog zooveel gulheid gevraagd. Gij begrijpt wel, Leo! dat ik, mij hier verschuilende, eens vooral alle overbodige luxe van toilet had afgeschaft; en zonder eene kostbare uitrusting zou ik geen winter in de stadswereld kunnen doorbrengen.”
“Dat stem ik toe, Francis; maar toch, zelfs hier zou een weinigje toilet maken niet overbodig zijn,” viel ik in, de gelegenheid aangrijpend, om haar op dit chapitre mijn gevoelen te zeggen, om eens te zien hoe zij het opnam. [160]
“Och! voor mij komt het er niet meer op aan.”
“Foei! zoo moogt gij niet spreken; gij zijt nog jong, gij moet zelve weten, dat gij bevallig kunt zijn, als gij maar wilt.”
“Daar wil ik niet eens aan denken. Ik zeg met zekere Fransche coquette: ‘du temps que j’étais femme’ had ik zekere eischen voor mijn uiterlijk, dat’s voorbij: het komt er niet meer op aan, hoe Majoor Frans er uitziet.”
“Dat ben ik volstrekt niet met u eens, al wilt gij nog zoo’n Amazone zijn. De Amazones zelven weten hare gratie in ’t volle licht te stellen. Gij maskeert die met opzet; gij doet alles wat gij kunt om er onbehagelijk uit te zien, en ik moet u ronduit zeggen, dat gij er ditmaal volkomen in geslaagd zijt. Eene jonkvrouw van uwe geboorte moest zoo niet aan tafel gaan; gij zaagt er letterlijk uit als....”
“Nu toch niet als een boschwachter,” viel zij in met een ondeugend lachje; “eerder als eene keukenprinses, die maar even uit haar werk is geloopen om inderhaast mee te eten, en dat is maar weinig bezijden de waarheid; ik moet tot het laatste oogenblik zorgen voor de délicatesses, die noodig worden geacht, en zoo ontbreekt mij de lust zoowel als de tijd om toilet te maken.”
“Niet eens tijd om een frisch kraagje om te doen, Francis? Dat is toch wat sterk.”
“Zijt gij zoo’n fat, Leo, om daarop te letten? Nu ja! ik wil het wel bekennen, aan lingeries doe ik niet veel meer, ’t is hier buiten zoo lastig en zoo kostbaar, het is al veel als ik de exigenties van den generaal in dezen kan bevredigen; daarbij, voor wie zou ik mij opknappen? De heeren daar ginds”—zij wees met een gebaar van minachting naar de zaal—“vragen het allereerst of de ommelet goed is gesauteerd en of de farci van den kalkoen genoeg haut goût heeft.”
“Mij dunkt gij moest het doen omdat gij het u zelve schuldig zijt, en ditmaal toch ook voor mij—ja, glimlach maar, ik wil het u toch zeggen, dat ik mij aan [161]tafel over u geërgerd heb, al is het waarschijnlijk, dat gij deze ergernis hebt beoogd.”
“Gij zijt vindingrijk, Leo.”
“Gij hebt zoo even met mijn gebrek aan scherpzinnigheid gespot, ge zult mij nu toestemmen, dat ik u doorzien heb.”
“À peu près; gij zijt zoo gul met mij lessen te geven, dat ik u op mijne beurt wilde doen verstaan....”
“Dat ik u eigenlijk niet welkom ben....”
“Gij weet wel beter....”
“Eene gastvrouw, die zulk eene opzettelijke nonchalance toont....”
“Wil er mee zeggen, dat zij van alle coquetterie heeft afgezien.”
“Coquetterie is ook zoo uitsluitend eene eigenschap van ‘de dames,’ dat ik die bij Majoor Frans nooit gewacht zou hebben,” hernam ik; “maar de zucht voor betamelijkheid is eene mannelijke eigenschap, die men met recht van dezen zou mogen eischen; of moet ik Majoor Frans aan de strikte eischen der militaire tenue herinneren?”
“Als gij het nu zoo kras opneemt met mijn majoorstitel!” sprak ze met zekere gekrenktheid, terwijl haar kleine voet opnieuw met ongeduld trappelde.
“Ik althans ben het niet, die hem u gegeven heb—maar in elk geval moet gij kiezen: Majoor Frans, die en règle behoort te zijn, welke uniform hij zich ook kiest, of Freule Francis Mordaunt, die geene vrijheid heeft om zich aan een neef, een gast, met opzettelijke achteloosheid te vertoonen.”
“Met er die uitlegging aan te geven, Leo, brengt gij mij waarlijk in groote verlegenheid; want al wilde ik—ik kan u in dezen niet voldoen. Sinds wij hier op de Werve zijn, heb ik niets nieuws laten maken.”
“Maar dat is toch zoo lang nog niet.”
“’t Is reeds het derde voorjaar, en....”
“Dan zijn uwe toiletten niet meer naar de mode, dat [162]wil ik toegeven; maar zij kunnen toch smaakvol zijn. En ik ben er zeker van, dat gij u vroeger elegant hebt gekleed.”
“Dat geloof ik zelve, hoewel ik niet zelden het verwijt kreeg van bizarrerie, omdat ik zoo mijne eigene ideeën had op dit punt, en er zekere modes waren, die ik niet verkoos na te volgen.”
“Nu, ik houd van originaliteit. Kies uit uwe kostumes er een waar de uwe het sterkste in uitkomt, en ik geloof, dat gij er even gracieus als interessant zult uitzien.”
“En ik ben zeker, dat het juist andersom zou zijn; gij hebt mij gezien in het kleed, waarin ik mij het meest mij zelve gevoele, en herinner u welk eene figuur ik in uwe oogen heb gemaakt!”
“Neen, dat rekent niet meê, gij hadt u toen zoo toegetakeld....”
“Als de guurheid van dit seizoen het eischte.”
“Al verbergt gij u nog zoo voor mij, Francis, ik heb toch al reeds te veel echt vrouwelijke kwaliteiten bij u waargenomen om mij te laten wijsmaken, dat gij juist in uwe amazone het meest op uw gemak zoudt zijn.”
“Als gij mij zoo kwelt, dringt gij mij tot de bekentenis, dat ik alles weggegeven heb, wat ik te missen had, in dien winter, dien ik alleen op de Werve doorbracht; eene arme officiersdochter, die als gouvernante in eene deftige familie moest optreden, en die geen voldoende trousseau bijeen kon brengen, wendde zich tot mij, die zij rijk waande, om hulp. Ik kon geen geld missen; maar ik had toch wat te geven. Ik berekende dat ik hier al heel weinig kleedij noodig had, en behield niets dan eene enkele zijden japon als zondagskleed, en mijne baltoiletten, die haar evenmin te pas kwamen als mij, doch waar ik nog aan hechtte als souvenir. En nu, Leo! zijt gij ingewijd in ’t geheim mijner ledige garderobe. Oordeel nu zelf, wat ik in dezen voor u doen kan; gij zult toch niet van mij vergen, dat ik hier in danskostuum aan tafel zal verschijnen.” [163]
“Hm! hm! wie weet waar ik u nog om plagen zal, als wij eens op de Werve feest vieren!”
“Men viert geen feest op de Werve, daartoe hebben we geene gelegenheid en geene aanleiding,” sprak zij wat knorrig en kortaf.
“Druk er niet te veel op, Francis!” plaagde ik, “gij kunt niet vooruit weten wat er nog gebeuren kan; ik ben een stijfkop, zooals gij zelve hebt gezegd, en een origineel op mijne wijze zoowel als gij; maar om te beginnen zal ik mij tevreden houden met dien zekeren zijden japon, die u goed zal staan, dat weet ik vooruit; mits gij wat werk maakt van dat prachtige haar en u de moeite geeft de eene of andere parure aan te doen!”
“Gij moet weten, Willem, dat ik à tout hasard de sieraden die zij bij Overberg te pand had gegeven, in mijne reistasch had gestoken; maar ik bemerkte wel dat zij nog vooreerst niet te pas zouden komen. Zij vloog op of eene wesp haar gestoken had; hare oogen fonkelden van toorn, en al kon ik hare trekken niet meer onderscheiden, ik ben zeker dat een gloed van verontwaardiging haar op het voorhoofd steeg, terwijl zij op heftigen toon uitviel:
“Ik heb geene parures meer: en ik wil ze niet hebben, verstaat gij Jonker van Zonshoven! en dit zeg ik u: als ’t u schelen kan of wij vrienden blijven àl of niet, vervolg mij dan nooit weer met uwe zotte invallen. Ik mag wel eens railleeren; dat geeft wat zout aan de conversatie, maar het moet geen bijtend loog worden; en dit is kwetsende ironie, mij van mijne diamanten te spreken, terwijl ik bezig ben u te vertellen, dat ik alles aan mijne relatiën heb opgeofferd.” Ik begreep dat ik werkelijk eene pijnlijke wonde had aangeraakt. Ik had niet van diamanten gesproken, maar zij herdacht aan de hare die voor haar verloren waren, en zij betreurde ze, dat was zeker! Ik had te veel deernis met haar om met hare zwakheid mijn voordeel te doen en te toonen hoezeer zij zich verraden had; ik antwoordde koeltjes: [164]
“Maar, beste freule Mordaunt! hoe kon ik dat raden? Al vertelt gij mij dat gij uwe garde-robe hebt geplunderd ten behoeve van een behoeftig jong meisje, dan volgt daaruit immers nog niet.... dat alles wat gij mij daar in één adem mededeelt.”
“Gij hebt gelijk; met u moet men les points sur les I zetten, zult gij verstaan, en ik was er aan bezig; maar gij hebt mij zelf van het droevig relaas afgebracht. Grootpapa dan, vond het zorgeloos en tegelijk weelderig leven bij zijn vriend te A. zeer naar zijn smaak en bleef er tot in het voorjaar; hij kwam tot mij terug, geheel genezen van zijne melancholie, maar toch, het bleek dat de kuur wat heel veel had gekost, meer dan hij eigenlijk gerechtigd was er voor te geven. Het leven onder rijken en aanzienlijken is duur, zelfs al geniet men de ruimste gastvrijheid. De generaalsuniform had hij zich niet behoeven aan te schaffen, daar hij nooit als zoodanig in werkelijken dienst was geweest, maar de kolonelstenue was beneden zijn rang, dus hadden wij moeten voorzien in allerlei politieke kleeding, voor ochtend en avond, voor groot en klein diner.... en dan, wat er aan handschoenen en fooien opgaat, als men met de groote wereld moet meedoen! Gij, die in de residentie woont, gij zult er alles van weten, Leo!”
“Zoo goed, beste Francis, dat ik mij eens voor al van uitgaan heb onthouden....”
“Grootpapa kon dat natuurlijk niet, en daarbij kwam dan nog het spel,” ging zij voort, terwijl zij hare stem nog dieper liet dalen, “het spel waarbij men in één winteravond onder gelach en gejuich sommen verliest, waarmee een gezin voor het gansche seizoen had kunnen onderhouden worden. Helaas! iets dergelijks was met hem gebeurd, zoodat hij keerde met bezwaren die.... oogenblikkelijk voorziening noodig hadden. Ik, die anders nog al raad wist, stond hem als eene verwezene aan te zien, bij die bekentenis. Hij zelf gevoelde veel leed over de zorg en ’t verdriet dat hij mij op den hals had [165]gehaald, en hij redde zich door de boerderij onder de hand te verkoopen, die ons echter, ik weet niet uit welke oorzaak, niet veel meer opbracht dan het effenen van de gemaakte schulden. En ik! die de stille hoop had gevoed, dat wij hier door zuinigheid en goed overleg wat zouden sparen om de noodige herstellingen aan ’t kasteel te laten doen. Och Leo!” zij drukte mij de hand in hare smartelijke gemoedsbeweging, “dit hoort onder de bitterste teleurstellingen van mijn somber leven. Vol zelfverwijt, en zich bewust dat hij te zwak was om zekere verzoekingen weerstand te bieden, zwoer hij alle verkeer met de wereld af, en hij heeft woord gehouden; maar welhaast verviel hij opnieuw tot de diepste neerslachtigheid, en ik vreesde dat hij van verdriet zou verkwijnen onder het régime dat ik hem moest opleggen, sinds hij mij bekende, dat hij maar twee derden van zijn pensioen in handen kreeg; op het overige was door een onbarmhartigen schuldeischer beslag gelegd. Toen kwam de man ons te hulp, die ik u niet meer behoef te noemen. Luitenant Rolf had zijn pensioen gekregen, en kwam zijn ouden chef opzoeken eer hij zich ergens voor goed vestigde. In de laatste jaren was hij door verandering van regiment van ons verwijderd geweest, maar hij was niet van ons vervreemd. Mijn grootvader had hem geprotegeerd en vele goede diensten gedaan, zonder welke hij nooit tot den officiersrang had kunnen bevorderd worden, ondanks zijne bravoure in den tiendaagschen veldtocht. Al vóór mijne geboorte bekleedde hij in ons huis alle mogelijke functiën die met zijne dienstplichten te vereenigen waren. Zijne zuster was mijne min, en meer, veel meer dan dat; zij bleef mij bij tot in lateren leeftijd, en daar mijne moeder weinige dagen na mijne geboorte bezweek, deed zij al wat in hare macht was om mij moederliefde en moederzorge te betoonen. Ongelukkig ontbrak het haar aan beschaving, aan geestkracht, om de opvoeding van een kind zooals ik was te leiden. Ook heeft zij met de beste intentiën ter wereld mij ridderlijk [166]bedorven, daarin dapper geholpen door sergeant Rolf, die geen grooter pleizier had dan op mijne wenken te vliegen, en die eerder insubordinatie zou hebben begaan tegenover zijn kolonel, dan te weigeren iederen dollen inval van zijn ‘kleinen Majoor,’ zooals hij mij noemde, te gehoorzamen. Is het vreemd, dat ik nog tegen hem den despoot speel?”
“Neen! maar nu gij dat zelve toch zoo inziet....”
“Zou er betering kunnen zijn, meent gij, doch.... wat zal ik u zeggen; c’est plus fort que moi.... nu, hij heeft het er wel naar gemaakt om wat van mij te lijden.... In vollen ernst, zoo ik hem niet van tijd tot tijd op zijn voorman zette, zou het niet lang duren of hij zou ons naar zijne hand stellen, en het is juist daarop dat ik komen wilde.
Zijn bezoek was grootpapa eene welkome afleiding; nu tot kapiteinsrang geklommen, en niet meer in werkelijken dienst, evenals deze zelf, was de distantie genoegzaam weggevallen, om op zekeren voet van gelijkheid met elkaar om te gaan. Ik begreep hoezeer een derde persoon de gezelligheid zou aanbrengen; een persoon meer was zoo’n groot verschil niet bij onze nu eenvoudige leefwijze, een kamer in de dichte nabijheid van grootpapa’s appartement was licht te arrangeeren; als Rolf van zijn pensioen moest leven, kwam die schikking hem zeker te stade; wij sloegen het hem voor en het werd dadelijk aangenomen. Ik hernam mijn commandement over hem, zooals hij zich uitdrukte; hij trachtte zich nuttig te maken op iedere wijze, en zijne goede luim vervroolijkte den generaal, al waren zijn aardigheden noch frisch noch fijn van gestalte; genoeg, ik was tevreden met deze uitkomst: een winter die zich bezwaarlijk had laten aanzien, ging nu vrij rustig en zonder al te groote verveling om; daar kreeg Rolf de tijding, dat hem eene niet onbelangrijke erfenis te beurt was gevallen van een zijner Noord-Brabantsche verwanten. Na eene korte absentie keerde hij tot ons terug en stelde voor te blijven, [167]mits hij zijn aandeel mocht bijdragen tot de menage. Hij was nu bemiddeld en kon geen genadebrood eten, zooals hij het noemde; integendeel, de generaal moest hem toestaan, zoo eens het zijne te doen ter veraangenaming van het leven. Dit scheen billijk, en ik moest wel toestemmen, daar ik wist hoezeer grootpapa, die een verfijnden smaak heeft en op zijne aisances gesteld is, zekere ontberingen met heimelijk leedgevoel droeg; ik gaf dus toe, dat Rolf op zijne eigene hand zekere luxe zou invoeren, maar ik had niet kunnen voorzien welke proportiën deze zucht om het zich goed te maken zoude aannemen. Rolf had nooit levensgenot gekend, en hij achtte nu zijn tijd gekomen om te genieten; de eenige genietingen waarvoor een man op zijn leeftijd, en die voor geenerlei intellectueel genot zin had, nog vatbaar was, waren die van de tong, en grootpapa was het in dezen volkomen met hem eens. Zoo zeer zelfs, dat hij hem in allerlei dwaze verkwistingen liet begaan, zonder zich daar tegen te stellen, ja, die aanmoedigde zooals gij gehoord hebt, zoodat ik hier dagelijks smulpartijen en zwelgerijen moet bijwonen à deux, die mij onuitsprekelijk tegenstaan; ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn grootvader zich daarbij verlaagt en vernedert op eene wijze die....” Zij zweeg plotseling; de porte-brisée ging open; Frits, die de tafel had afgenomen in de eetzaal, trad nu binnen en zette de lamp klaar.
“Heeft de freule niet om het theeblad gescheld?” vroeg hij.
“Is het al zeven uur, Frits?”
“Kwartier er over, Freule, en de Generaal is wakker....”
“Goed, breng dan het theewater binnen!” Francis keek mij aan met een bitteren lach en beet zich op de lippen over de teleurstelling, dat zij voor ’t oogenblik hare ergernis moest inhouden. Welhaast ook kwam de kapitein binnenrukken; de conversatie aan de theetafel vlotte niet best; de heeren waren wat dof; Francis wat stug en [168]onwillig om aan ’t gesprek deel te nemen, en de kapitein, op hare los neerhangende lokken wijzende, maakte de opmerking, dat de leeuwin hare manen schudde, om ons schrik aan te jagen.
“’t Is waar ook!” zei Francis koeltjes; “ik heb verzuimd mijne vlechten in het net te arrangeeren; excuseert mij, heeren!” en weg was zij naar hare kamer; zeker om er hare opgekropte aandoeningen lucht te geven.
“’t Is toch zonderling, hoe Francis soms hare buien heeft van nonchalance,” bromde de generaal binnensmonds, haar naziende, toen zij de kamer verliet.
“En juist nu er een gast is,” stemde de kapitein in, “dien zij zelve heeft ingehaald! Dat’s onbegrijpelijk!”
“Zij weet, dat het eene impolitesse is, en dat zij mij er mee ergert, en toch volgt zij haar eigen hoofd, zonder iets te ontzien,” knorde de generaal nu met luider stem.
“Zooals we dat van haar gewend zijn, Excellentie!” zei Rolf lachend; “maar daarvoor is zij ook onze commandant.”
Ik wilde met dat koor niet instemmen, zooals gij denken kunt, en toen men dit onderwerp in ’t gesprek liet vallen, zaten wij met ons drieën alles behalve gezellig bijeen, en de generaal had geen ongelijk, toen hij, na nog eene mislukte poging om het discours gaande te houden, een partijtje proponeerde.
Ik achtte het voorstel eene uitkomst, en de kapitein had het fiche-doosje al klaar gezet en Frits gescheld, die het theegoed wegnam, eer ik mijne toestemming had gegeven. Er werd een massief mahoniehouten speeltafeltje uit een hoek gehaald, de lamp in ’t midden gezet, daar volgens Frits “de freule geene waskaarsen had uitgegeven,” en ons spel ving aan; het sprak vanzelf dat wij ombre speelden, en de generaal stelde den prijs van het fiche nog al hoog, naar ’t mij voorkwam.
Gij weet, Willem! dat ik volstrekt niet van het spel houd, en dat ik er mij nooit toe laat bewegen, dan op het uiterste. Sinds den dood mijner moeder, die mij nog [169]wel eens in haar whistpartijtje betrok, had ik geene kaarten in handen gehad; ik kan mij dus niet beroemen een geoefend speler te zijn; maar toch eens aan den slag, ben ik niet onverschillig voor de satisfactie, die men heeft van eene moeielijk behaalde overwinning, en ik zag terstond dat ik tegenspelers had, die mij elke zegepraal duur zouden betwisten, en met iedere distractie of onhandigheid lustig hun voordeel zouden doen.
Ik behoefde hen maar een paar trekken te zien maken om te weten, dat zij niet slechts geoefende spelers waren, maar ook, dat het spel hun iets anders was dan de uitspanning, die men aangrijpt in een verlegen oogenblik; dat het spel hun ernst was, ja, meer nog dan dat: hun hartstocht was geworden. De generaal vooral bleek zoo gecharmeerd op het spel, dat ik mijns ondanks het mijne verwaarloosde om hem te observeeren, eene belangrijke, maar smartelijke studie, die mij tegelijk een licht deed opgaan over veel wat mij raadselachtig was geweest.
De grijsaard onderging als eene gedaanteverwisseling, toen hij de kaarten in handen had. Zijne doffe, slaperige oogen glansden van intelligentie en schoten vonken van geestdrift. Alles aan hem vibreerde; zijne vingertoppen trilden, en toch hielden zij met vaste hand zijn spel gevat, dat hij als met valkenblik overzag en er de leemte van het onze met geometrische zekerheid uit berekende. Zijne fletsche wangen kleurden zich met een flammend rood: zijne neusvleugels zwollen op en trokken zich in, naar de wisseling der kansen, en de zwakke, fijne man, die als gedrukt en gebogen neerzat, was plotseling als aangegrepen door een geest van overmoed en vermetelheid, van waaghalzerij, waaraan hij niet zelden een schitterend succes dankte, en die mij denken deed aan het devies: de fortuin is met den stoute, ook met den stouten speler!
“Zeer zeker!” luidde het antwoord van von Zwenken, “de fortuin is eene vrouw die men overheerschen moet, zal ze u dienen.” [170]
In het gewone leven merkte ik niet, dat hij dezen regel in praktijk bracht: want blijkbaar vreesde hij Francis, daar hij zich alleen zijdelings durfde beklagen over ’t geen hem in haar mishaagde; maar bij het spel maakte hij dien tot waarheid, en met goed geluk.
De kapitein, die bij evenveel routine minder vermetelheid had, en vooral minder passie, liet niet na, hem van tijd tot tijd zijne waagstukken te verwijten, maar zij gelukten, en dat was zijn triomf.
Ik begreep nu waarom een toertje naar Wiesbaden hem zoo zeer aangelachen had en waarom Francis er zich zoo heftig tegen had verklaard. Het hazardspel aan de groene tafel, de groote winsten door eene enkele wending van het rad, moest zulk een man aantrekken en hij zou er meer voor willen wagen dan hij te missen had. Mij ging nu ook een nieuw licht op over het lijden van Francis, die zeker gedoemd was, elken avond de derde te zijn bij deze overprikkelende uitspanning van haar grootvader, en die dat zeker jammerlijke tijdverspilling achtte; want zij hield van lectuur, dat had ik reeds opgemerkt.
Gij kunt berekenen, Willem! dat ik onder deze aanmerkingen en bijgedachten niet altijd zoo scherp op mijn spel lette, of ik beging fouten en bévues, terwijl de heeren mij uitlachten en beknorden, maar niettemin hun voordeel deden met mijne distractiën en mijne inferioriteit, ’t geen ik hun niet ten kwade konde duiden, en de belangwekkende studie, die ik maakte, was mij dat verlies wel waard; dit alles spande mij zoo in, dat ik niet eens over de langdurige afwezigheid van Francis dacht, toen de deur openging en zij zelve binnentrad in groot toilet, en met een glimlach van voldoening mijn uitroep van verbazing, van bewondering, beantwoordend.
Onwillekeurig wierp ik mijn kaarten neer en stond op, haar te gemoet. De generaal, die rugwaarts naar de deur zat, keek mij verbaasd en wrevelig aan, niet radend, waaraan mijne onbeleefdheid toe te schrijven; de kapitein [171]zag om, en stiet een gros mot uit van verrassing, eer hij sprak:
“Onze Majoor in gala tenu?”
“Gij vergist u, kapitein,” repliceerde Francis, “de freule Mordaunt die ter eere van haar neef haar avondtoilet heeft gemaakt.”
“Chère cousine, welk eene verrassing! Sta mij toe, u de hand te kussen voor die allerliefste inschikkelijkheid.”
“Wel zeker; behandel mij maar eens als eene dame, daarbij vindt uwe courtoisie zich het meest op haar gemak.”
“Als gij mij dat toestaat, zal ik mij de eer geven u naar de canapé te geleiden,” sprak ik, haar den arm aanbiedend, dien zij ditmaal niet afwees.
“Ik hoop nu maar, dat ik goed in mijne rol zal blijven,” zei ze met een malicieus lachje.
“Wat wonderlijke gril is dit nu weer?” bromde de Generaal, grimmig van spijt, want hij had juist een vole in de kleur te declareeren, waarop nu geen acht werd geslagen; “den geheelen dag hebt ge hier rondgeloopen als asschepoester, en nu....”
“Is de toovergodin tusschenbeide gekomen, en ik verschijn als prinses! Dat’s de geleidelijke gang van het sprookje, niet waar Leo?”
“En het fameuse glazen muiltje ontbreekt zeker niet,” gaf ik ten antwoord naar hare snoezige salonschoentjes ziende, die ik reeds vroeger had opgemerkt, “en ’t is blijkbaar, dat het niemand zal passen, dan onze gracieuze Cendrillon zelve.”
“Dat is zoo, maar zij zal zorgen het niet te verliezen.”
“Waarom niet?” vroeg ik stoutweg, haar diep in de oogen ziende.
“Omdat het ongeraden is den roman van een uur tot eene levenskwestie te maken voor u en voor mij,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zich afwendde.
Een levenskwestie! zij wist niet hoezeer zij de waarheid raakte. [172]
“Als gij op zulk eene schrale ontknooping denkt, is het dan wel de moeite waard de eerste bladzijde op te slaan?” vroeg ik zacht en mij even tot haar buigende.
“Och, waarom niet? ’t is maar eene scène om den avond te korten, die anders geheel aan de speeltafel zou gesleten zijn.”
De speeltafel? Het viel mij in, dat ik die voor mijn part in staat van failliet had verlaten; de generaal liet mij niet lang tijd om over dit gebrek aan de orde na te denken.
“Dat alles moge nu heel galant en heel geestig zijn, neef! wat gij daar met Francis praat,” riep hij mij toe op knorrigen toon; “maar ’t is geen manier, om zoo van de speeltafel op te staan.”
“Excuseer mij, generaal, hier ben ik tot uwe orders,” en met een wenk aan Francis, die mijn leedwezen genoeg uitdrukte, nam ik mijne plaats weer in.
“Als de Freule nu mee wilde doen, konden wij precies een partijtje quadrille maken,” sprak Rolf.
“Dankje kapitein. Ik wil wel eens vrij van dienst wezen; bepaal liever toertjes; ik ga wat muziek maken in de eetzaal; dat zal niemand hinderen.”
Frits had de porte-brisée opgeschoven en er was licht bij de piano. Ik had een Vandaal moeten zijn, zoo ik niet opnieuw eene échappade van de speeltafel had gemaakt om Francis op te leiden. Zij had mij gewaarschuwd, dat onze roman maar kort zoude duren, en ik mocht geen scène van de voorstelling laten verloren gaan. Blijkbaar was zij dat met mij eens; de capricieuse, die voorgaf van alle coquetterie te hebben afgezien, kwam geheel in mijne bedoeling; zij liet zich door mij wegvoeren, en terwijl zij met zekere bevallige achteloosheid haar arm in den mijnen liet rusten, sprak zij op een toon van vertrouwelijkheid, die mij als echte damesgeveinsdheid in de ooren klonk:
“Gij ziet nu, hoezeer mijn toilet uit den smaak is.”
“Maar toch naar een zeer goeden smaak,” kon ik [173]mij niet onthouden te antwoorden; “en dat weet gij wel, grillige Célimène, al wilt gij mij wijsmaken, dat de vrouw bij u onder gegaan is in....”
“Ik weet wat gij meent; spreek het niet uit,” viel zij met zekere gejaagdheid in, en leunde met hare hand op mijn arm om mij te doen zwijgen; “ik zeg u dat ik een oogenblik wil vergeten.... ben ik zoo naar uw zin, dat is alles wat ik wil weten.”
Een gul antwoord lag mij op de lippen, maar nog intijds hield ik het terug bij de overweging dat men met haar op niets rekenen kon en dat wijze terughouding in dezen noodzakelijk was.
“Ik zou wel moeielijk moeten zijn zoo ik het tegendeel zei,” bracht ik uit, mij zelven tot laconisme dwingende, “want gij hebt u waarlijk gekleed als voor een hofbal, op het decolleté na.”
Inderdaad, bij al de élégance van haar toilet, dat uit roze gaze de chambéry bestond, met schitterende zilverlovertjes bezaaid, was haar kleed maar even om den hals vierkant uitgesneden, en nog door eene witte blonde pelerine gedekt, terwijl de wijde mouwen tot over den elleboog hingen en daar weer in witte blonde eindigden, met rosestrikken bezet; een tweede rok van dezelfde luchtige schitterende stof hing in losse plooien als een peplum over den eersten en gaf wat gevuldheid aan het slepende gewaad, die niet door eene crinoline werd opgehouden. Zij had het prachtige haar met zorg gekapt in vlechten, en eenige loshangende lokken, een paar grisanticums die er losjes waren ingestoken, maakten de eenige parure uit; zij droeg geen enkelen diamant, hetzij zij werkelijk niets van dien aard meer bezat, hetzij ze zulken opschik versmaadde. Zeker is het, dat die mengeling van élégance en zedigheid, dat versmaden van sieraad bij zooveel pracht, een fijnen tact verrieden,—of de behendigste coquetterie. Bij vollen dag zou haar toilet zeker het effect hebben gemist: het rose moest wat verflenst zijn en de glimmende lovertjes waren stellig [174]tot koper verkleurd; zelfs bij avond was het op te merken, dat er wat frischheid aan ontbrak, dat zekere met één woord, wat de nuffige dames doet zeggen dat een balkleed geen tweemaal gebruikt kan worden, omdat het reeds bij de eerste maal gechiffoneerd is, en hetgeen de heeren zulke lange gezichten doet trekken, bij de rekeningen der modiste. Bij daglicht zou Francis er gewis hebben uitgezien als eene actrice bij een repetitie in kostuum, zonder de voetlichten en als de zon op het tooneel schijnt; maar het was nu avond, en er was niet te veel licht, en men moest òf kwaden wil òf alleen zucht tot kritiek hebben, om niet voldaan te wezen met den eersten indruk, die allerbekoorlijkst was. Toch merkte ik nu op, juist nu zij voor ’t eerst in een elegant vrouwentoilet, voor mij stond, wat mij bij haar vroegere wonderlijke manier van zich te kleeden ontgaan was: dat hare schoonheid iets bijzonders karakteristieks had, zooals maar zelden bij blondines wordt waargenomen. Ik spreek van schoonheid, ik moest eigenlijk bevalligheid zeggen, want de trekken waren niet geregeld, maar zoo fijn en sprekend, dat ze, vooral bij zekere schraalheid van ’t gelaat, iets scherps hadden. Zoo de groote blauwe oogen het niet goed gemaakt hadden door hunne liefelijkheid, men zou er te veel vermetelheid, te veel beslistheid in hebben opgemerkt, maar dat toch weer vergoed werd door de bewegelijkheid die een opgewekte geest, voor allerlei indruk ontvankelijk, aan het vrouwelijk gelaat kan mededeelen. In hare slechte gewoonte om bij iedere aanleiding met opzet de houding en manieren aan te nemen die haar martialen bijnaam rechtvaardigden, al was die er niet van afkomstig, lag mogelijk meer dan in haar oorspronkelijken aanleg de schuld van die zekere stoutheid, die hare vijandelijke vriendinnen met den naam van impertinentie bestempelden. Levensomstandigheden en opvoeding, men zou liever moeten zeggen: gebrek aan opvoeding hadden haar in zekeren zin misvormd tot hetgeen zij niet had moeten zijn; zooals vruchtboomen [175]worden geleid en verwrongen tegen hunne natuurlijke richting in. Hoe dat ook zij, gij begrijpt wel, dat dit alles meer reflexies zijn après coup, toen ik ’s avonds rustig op mijne kamer de voorvallen en indrukken van den dag kon recapituleeren, dan dat ik ze maakte in de zeer korte oogenblikken, waarin dat onvergetelijk tooneeltje tusschen ons werd afgespeeld; en toch duurde het veel te lang, althans voor den generaal, die mij toeriep:
“Als gij bij de piano blijft, jonker Leopold, wees dan zoo goed het ons te zeggen, want uwe partij zoo in den steek te laten is toch wel wat al te onbeleefd.”
“Verschoon mij, generaal!” in een wip was ik weer op mijn post bij de speeltafel, na Francis een blik te hebben toegeworpen, waaruit zij mijn leedwezen moest verstaan.
“Als gij plan hebt om nog eens te deserteeren, moest gij liever verlof vragen,” sprak de kapitein lachende, “dan zullen wij u behoorlijk uw paspoort geven.”
Maar de aardigheid scheen niet in den smaak te vallen van den generaal, want ik zag dezen verbleeken bij het woord deserteeren, en hij wierp den armen Rolf een blik vol verwijt toe over zijne jovialiteit.
“Ik beloof den heeren, dat ik mijn best zal doen om mijne geheele aandacht bij het spel te bepalen,” antwoordde ik met meer goeden wil dan vast geloof in ’t volbrengen, want Francis speelde harerzijds een spel, dat mij vrij wat meer interesseerde dan de matadors van den generaal, die een sans prendre had in de “favorite!”
Francis fantaseerde; het was een wilde, bonte fantasie, als had zij al de warrelingen harer strijdige indrukken en gedachten in tonen willen uitspreken; het was schril en onharmonisch, zooals het daar zeker in haar toeging, maar het bewees zekere meesterschap op het instrument.
Hoezeer men hare opvoeding ook mocht hebben verwaarloosd, aan leermeesters scheen het haar toch niet te hebben ontbroken. Want dat zij veel wist, veel had gelezen en onderscheidene talen machtig was, had ik [176]reeds opgemerkt, en zij moest van een goed musicus geleerd hebben, dat zij bij machte was over de difficulteiten te zegevieren, die zij zich zelve schiep. Langzamerhand scheen het onweer in haar binnenste af te trekken bij de verluchting die zij zich gaf in die forsche, bijna woeste tonen, en begon zij zich in liefelijker melodieën te uiten, die van zachten weemoed getuigden en daartoe stemden.
“Als ze nog maar eens wat aardigs wilde spelen,” fluisterde de kapitein mij toe, “zoo’n marsch uit Robert le Diable of eens iets uit de Muette; in mijn jongen tijd moest ieder die gaan hooren, daar was nog wat aardigheid aan, maar....”
“Francis! om ’s Hemels wil, schei uit, of wij moeten er uitscheiden,” riep nu de generaal als in wanhoop; “ondanks mijne hardhoorendheid, word ik er toch wee van. Is dat een getik en geklinkel! Eerst die akelige snijdende tonen, en nu dat sentimenteel gesuis en getril; de kapitein wordt er roesig van, en wat het ergste is, het geeft den jonker zulke distractie, dat hij allerlei flaters begaat, en zijn eigen, ja, ons beider spel bederft. Neen! mon cher, ik spreek niet te sterk,” zei hij, mij aanziende met zulk een sérieux en zulk een wrevelig hoofdschudden, dat ik moeite had een glimlach te bedwingen toen hij voortging: “de kapitein heeft daareven een sans prendre gewonnen, die hij had moeten verliezen, als gij u maar de moeite gegeven hadt op te letten, welke kleur ik uitspeelde.”
Ik moest het bekennen: ik beging fout op fout; het was voor mij geen spel meer; het was eene marteling.
Francis had het begrepen; zij kwam mij te hulp.
Zij staakte haar spel, voegde zich bij de speeltafel en sprak tot den generaal:
“Willen wij een compromis sluiten, grootpapa? Gij staat mij Leo af, om mij te accompagneeren; ik zal wat zingen, en gij continueert met den kapitein uw gewoon partijtje piquet.” [177]
“Hm, hm, ik zou u dat genoegen willen doen, Francis, maar de jonker heeft zooveel verloren; hij dient toch in de gelegenheid gesteld te worden, om zijne revanche te nemen.”
“Gekheid! daar komt toch niets van, dat weet gij vooruit, grootpa!” duwde Francis hem toe, met zekere hardheid.
“Om de waarheid te zeggen, generaal, ik hecht er niet aan,” sprak ik, “als het mij gegund wordt, in dezen mijne opinie te zeggen; maar mijn heele doosje is leeg, laat ons afrekenen.”
“Afrekenen, onder ons, dat’s malligheid, dat zal niet gebeuren,” viel Francis in, met iets gedecideerds in stem en houding dat mij tegenstond.
“Als ik gewonnen had, zou ik er aan hechten mijne winsten te berekenen, Freule!” zei ik, tot haar gewend, op een toon, die haar ongepast voorkwam.
“Nu! gijlieden zult ook wel niet om een gulden het fiche hebben gespeeld,” hernam zij wat gedwongen, en trad een stap of wat terug.
Dat was waar, maar toch hoog genoeg, om mijn verlies bij guldens te berekenen. Ik reikte den kapitein een muntje toe en verzocht de zaak voor mij met den generaal en hem zelven in orde te maken. Francis zag dit aan met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van misnoegen. Zij drukte de lippen opeen en werd gloeiend rood, om terstond weer te verbleeken; zij fronste onheilspellend de wenkbrauwen; zij trad opnieuw toe en strekte de hand uit om het papier aan Rolf te ontweldigen, maar ik wierp haar een blik toe, die haar van deze intentie deed afzien.
“Mij dacht, freule, dat gij reeds begrepen zoudt hebben hoe onwelvoegelijk in dezen uwe tusschenkomst is,” voegde ik haar toe op korten, strengen toon.
“Ook goed! mij is ’t wel, als gij geplunderd wilt worden!” viel zij uit en keerde zich af naar hare piano.
De roman van een uur, was al aan de ontknooping, [178]en geen schitterende voorwaar! De generaal was onder dit alles merkwaardig om aan te zien. Hij zweeg; hij zweeg, waar alle convenances hem geboden hadden te spreken; hij zweeg, maar met eene uitdrukking van gelaat, met eene flikkering in het oog, die mij een pijnlijken blik gaven te werpen in zijn karakter. De man van opvoeding, van geboorte, die een eervollen rang in het leger had bekleed, was een speler, een speler niet slechts uit liefhebberij in het nietige spel, maar een speler, wien het om winst was te doen, op welke wijze ook verkregen, klein of groot, van wien ze hem ook toekwam; voor hem was ik een arme verwant, het deed er niets toe, hij had gewonnen! hij moest zijne winst opstrijken, de lage hartstocht moest zijne voldoening hebben!
Ik voelde wel hoe zeer het fier en onbaatzuchtig gemoed van Francis hieronder lijden moest, maar zij zelve had mij op hare wijze ontstemd. Zij had zich zoo meesterachtig aangesteld met over mij te beschikken als over iets, waarmee zij handelen kon naar welgevallen, dat ik het noodig vond haar te toonen, hoezeer zij zich in dezen in mij had vergist.
Ik volgde haar wel naar de eetzaal, maar ik stelde niet voor haar te accompagneeren, en zij, die er vast op rekende, dat haar wil te verstaan en te gehoorzamen voor mij hetzelfde moest zijn, vroeg het mij niet.
Eindelijk mij aanziende met zekere mengeling van spijt en laatdunkendheid: “Dus speelt gij niet?”
“Ja wel, op mijn tijd, als ik er toe gedisponeerd ben.”
“En dat zijt ge nu niet?” hernam zij op een toon, waaruit verrassing en gekrenktheid spraken.
“Juist nù niet!”
“O zoo!” bracht zij uit, keerde mij den rug toe en sloeg de toetsen zoo forsch aan, dat wij opnieuw wilde, stormachtige klanken moesten verduren.
Ik greep eene oude krant en wijdde daaraan geheel mijne opmerkzaamheid; daar liet zij de handen weer [179]lusteloos in den schoot rusten, en nam den spiegel te baat om mij aan te zien, zonder dat ik het merkte, maar ik wilde haar die satisfactie niet geven, en wij fixeerden elkaar nu om strijd, of er niets beters in de wereld te doen viel.
Eindelijk preludeerde zij weer, zong het groote alt van Betly, uit de Châlet, en accompagneerde daarbij zich zelve. Zooals ik wel vermoed had, bezat zij een diepe, volle altstem, maar zij deed volstrekt niet haar best, om die te doen uitkomen; zij zong met tergende bravoure het refrein:
Liberté chérie,
Seul bien de la vie,
Règne toujours là!
Tra la, la, tra la, la, la, la!
Tant pis pour qui s’en fâchera!
Ik begreep heel goed waarom; ik wist, hoe haar te vergelden.
Ik wierp mijn krant weg, ging bij haar staan naast de piano en fluisterde haar in: “Denkt ge er wel aan hoe de aardige operette afloopt?”
“Heel goed! zooals dat altijd geschikt wordt in de komedie; maar in ’t werkelijke leven is het juist omgekeerd, en ik.... ik hecht aan de realiteit!”
Juist kwam Frits binnen, om het avondbrood klaar te zetten; er werd gelukkig niet gesoupeerd.
De beide heeren waren opgeruimd, de kapitein was luidruchtig en op zijne wijze aardig, al waren zijne aardigheden juist niet van den besten smaak; ik trachtte met hem in te stemmen, al ging het niet van harte, want Francis bleef droog en kortaf tegen ons allen, en toonde mij haar humeur, zelfs nog in de wijze, waarop zij mij even hare vingertoppen toestak, toen wij elkaar goedennacht wenschten. [180]
Huis de Werve.
Hoe weinig romanesk het ook klinken moge, Willem! ik sliep dien eersten nacht heerlijk in het overruime ledikant en op het overzachte bed, waar wie weet welke mijner moederlijke voorzaten hunne leden op hadden uitgestrekt. Daar er geen oude familie-portretten hingen, wier gestalten kwamen rondspoken, stoorde niets mijne nachtrust dan wat geknaag van ratten en muizen, dat ik waarnam tusschen de bonte en verwarde droomen in, waarin Francis onder allerlei gedaanten de hoofdrol speelde, en vreemd, de slaap was mij overvallen, terwijl ik mij in gissingen verdiepte over dit zonderlinge wezen, dat mij toch aantrok ondanks, neen, zelfs door hare gebreken, die mogelijk slechts de overdrijving waren van degelijke kwaliteiten.
Toen ik ontwaakte drong het daglicht in ongetemperde kracht tot mij door; want ik had een der blinden niet willen sluiten, om zoo vroeg mogelijk iets te genieten van het ongewone schouwspel dat mij hier wachtte: een Geldersch landschap, door een lente-ochtendzon verlicht. Zonder er op te durven rekenen, hoopte ik zelfs de zon te zien opgaan, iets wat bij drukken, nachtelijken arbeid in den Haag niet precies tot mijne gewoonte behoort. Maar dit mislukte; want zij stond reeds hoog aan den hemel en schoot grillige lichttinten uit over het eerwaardige Smyrnasch tapijt, toen ik de oogen uitwreef om mij te bezinnen waar ik mij bevond. Toen alles mij weer helder voor den geest stond, maakte ik mij op om eens eene fiksche wandeling te doen in de buurt van het kasteel. Ik wist, dat men niet matineus was op de Werve; het ontbijt althans was op geen al te vroeg uur bepaald. De vraag was dus maar, hoe naar buiten te komen zonder den goeden Frits in zijne rust te bekorten; dan, mijne bezorgdheid bleek ijdel, want reeds zag ik hem in de vestibule bezig. En de groote dubbele deur, die op het perron uitkwam, stond wagenwijd open. Zwijgend bracht [181]hij de hand aan de muts, toen ik voorbijkwam, en op mijne vraag hoe ik tot de boerderij moest komen, die ik uit mijn raam in de verte had zien liggen, wees hij mij lakoniek maar afdoend den weg dien ik te nemen had.
Ik genoot van de frissche, nog wel wat scherpe ochtendlucht, onder de hooge denneboomen, waarlangs mijn pad ging. Toch kon ik niet, zooals ik mij voorgesteld had, de schoone natuur geheel genieten; te veel bijgedachten drongen zich aan mij op. De pachthoeve die ik wilde bezoeken behoorde reeds aan mij, krachtens de beschikkingen van tante Sophie, sinds de generaal die had moeten verkoopen en Overberg gezorgd had er de kooper van te zijn; maar dezelfde bewoners waren er gebleven, voor welke niets was veranderd dan alleen dat zij de huurpenningen moesten brengen bij den procureur, en dat zij betere reparatie kregen dan onder het beheer van von Zwenkens ontrouwen rentmeester. Overberg had mij aangeraden er eens heen te gaan en met de goede lieden kennis te maken; als gast van de Werve kon ik er licht een glas versche melk vragen en een praatje aanknoopen, dat mij mogelijk een en ander omtrent Francis deed te weten komen, wat ik deze zelf niet kon vragen.
Eens op ’t chapitre van Francis, raakte ik zoo aan ’t mijmeren, aan ’t fantaseeren, aan ’t berekenen der kansen vóór en tegen, dat ik niet meer op of omzag, maar alleen met een gejaagden stap voortliep, nauwelijks wetende dat ik zoo deed, toen ik op eens Francis zelve zag aankomen. Zij kwam reeds van de zijde waar de pachthoeve lag, en zij moest er geweest zijn; zij hield een mandje in de hand. Zij scheen een oogenblik te aarzelen of zij een anderen weg zou nemen, mogelijk wel omdat zij, in eene oude grijze sjaal gewikkeld en met een ongracieusen tuinhoed op, zich bewust was weer geen goed figuur te maken, mogelijk ook omdat zij mij nog rancune hield. Hoe dit zij, hare weifeling duurde maar zeer kort, en zij kwam snel en beslist naar mij [182]toe met een opgewekten morgengroet en reikte mij gulweg de hand.
“Zoo, zijn we weer vrienden?” vroeg ik, die hartelijk drukkende en haar half lachend, half ernstig in de oogen ziende.
“Ik wist niet dat wij een oogenblik opgehouden hadden dat te zijn,” hernam zij, toch wat kleurende, en niet met hare gewone cordaatheid.
“Hm, hm! op het laatst van den avond hebt gij mij geboudeerd, trots het beste nufje.”
“Zeg dan liever: trots het slechtste, want die vrouwengrillen staan heel leelijk, dat ben ik volmaakt met u eens. Maar geloof mij, neef Leo!” hier legde zij vertrouwelijk hare hand op mijn arm, “ik stelde mij niet knorrig aan uit grilligheid; ik was bezorgd en had verdriet. Ik zag wel, dat gij boos op mij waart, en dat mijne wijze van doen u ongepast voorkwam, maar, ziet gij, ik kan geen onrecht en geene laagheid zien zonder daartegen op te komen. Ik vreesde dat gij, om het zwak van mijn grootvader te vleien, u zelf tot dupe liet maken, en.... en....”
“Al ware dat, gij hebt toch notie genoeg van ons point d’honneur om te begrijpen, dat ik hier niemands tusschenkomst kon aannemen.”
“Gij hadt mij bekend dat gij arm waart, dat gij u zelven ontberingen moest opleggen, en nu zulke nuttelooze verspilling, hier in ons huis! Het was bijna een guet-apens.”
“Neen, neen, dat was het niet; maar al zou het dat geweest zijn, voelt gij niet dat het beneden mijn karakter zou zijn om hier gratie aan te nemen van wie ook! Ik ben er zeker van, gij hebt tact genoeg om mij te begrijpen.”
“Gij hebt gelijk; wij zijn het beiden veel te veel eens om zoo te harrewarren. Maar ik heb het immers vooruit gezegd dat ik slechte manieren heb!”
“Om u de waarheid te zeggen, hier zijn minder [183]slechte manieren in het spel dan wel zekere aanmatiging, zekere heerschzucht.”
“Welnu! vergeef mij dan die aanmatiging, die heerschzucht!” sprak zij schertsenderwijs, maar er trilde iets in hare stem, dat mij aanmoedigde om mijne overwinning in dezen voor goed te constateeren.
“Als gij maar bekennen wilt, dat het mijnerzijds geene onjuiste opvatting is....”
“Dat kon toch wel zijn, zoo gij er mijn goed hart in hebt miskend; want ik begreep dat gij u wildet opofferen om den generaal te believen, en ik wilde u vrijmaken.”
“Juist, door over mij te beschikken als over iets, dat het uwe was, en dat gij naar willekeur kondet draaien en wenden; verschoon mij, zoo iets ben ik niet, noch zal dat ooit zijn voor wie ook, en gij, die als vrouw zoo fier zijt, en zoo zelfstandig, dat het u tegen is ook maar den arm van een man aan te nemen, die u als de meest gewone beleefdheid geboden wordt, wat zoudt gij denken van den man die, om aan eenige verveling te ontkomen, zich liet beschermen door eene vrouw?”
“Dat is waar!” sprak zij ras en levendig, “zoo’n man.... zou mij.... te veel op de anderen lijken om hem niet te minachten; maar nu blijkt het mij, dat gij nog rancune houdt van zekere weigering, doch als ik nu toestem, dat gij in uw recht waart, en dat ik deze correctie verdiend heb, zult gij dan ook niet erkennen, dat gij dat kleine vergrijp wel wat hoog opneemt?”
“Niet te hoog, Francis; het plantje onzer vriendschap is nog zoo teer en daarbij zoo kostbaar, dat het wel waard is met wat zorg gekweekt te worden, en als wij het eens eene verkeerde plooi laten nemen, zou het nooit gezond en krachtig kunnen opgroeien.”
“Als gij het zóó ernstig opvat met die vriendschap,” hernam zij, terwijl een vluchtige blos hare wangen kleurde, “wil ik toegeven dat gij in uw recht waart met mij te kapittelen; maar na zulke concessie moet het kibbel [184]partijtje van gisteravond óók vergeten en vergeven worden, zonder arrière pensée, niet waar?”
“Geene andere nagedachte dan die...... aan uwe echt vrouwelijke beminnenswaardigheid, die de oprechte verzoening verzekert,” riep ik uit, verrukt, weggesleept door den indruk dien zij in dat oogenblik op mij maakte, en hare hand vattende, die ik met innige teederheid kuste.
“Leo! wat doet gij!” riep zij, bleek en met tranen in de oogen; hare trekken hadden iets lijdends, of ik haar pijn had gedaan.
“Onze vriendschapsbond verzegelen; laat u dat niet verschrikken noch ontrusten; van nu aan neem ik de leiding daarvan op mij, en—ik ben een eerlijk man; daar kunt ge staat op maken!”
“Leo! Leo! gij weet niet wat gij doet,” sprak zij zacht en dof, de beide handen op het hart drukkende, als wilde zij dat verbieden te kloppen, “gij vergeet aan wien gij dat alles zegt, ik ben—Majoor Frans.”
“Ik wil van Majoor Frans niet meer hooren; mijne nicht Francis Mordaunt moet mij toestaan haar den steun van mijn arm te geven,” en hare hand nemende, schoof ik met zacht geweld haar arm in de mijne. Zij liet mij zwijgend begaan, er was iets mats en kwijnends in hare meegevendheid, of zij den tegenstand moede was, of haar de rust der lijdelijkheid behoefte was voor het oogenblik, want ik gevoelde wel dat ik hier niets had behaald dan de zege in een voorpostengevecht, en dat er nog gansch anders slag zou moeten geleverd worden, eer ik in eene volkomen overwinning kon roemen; ik begreep het reeds uit de wijze waarop zij hervatte:
“Ik ben het met u eens, Leo! het zal mij goed zijn, zoo eens met u te wandelen en te praten, zij het dan ook voor de eerste en eenige maal, maar.... weet gij al waar gij met mij gaan zult?”
“Naar gindsche boerderij; die was het doel van mijn tocht.”
“Ik kom er vandaan, maar dat doet er niets toe; ’t is [185]een aangename weg en wij kunnen er rusten; het zijn boerenlieden, waar ik zoo goed als thuis ben.”
“En waar gij uw eieren vandaan haalt, naar ik zie; laat mij dat mandje dragen....”
“Volstrekt niet, het zou ons kunnen gaan als Pierrette in de fabel. Ik had er niet op gerekend versche eieren mee te krijgen, maar de goede zielen drongen ze mij op; ik was er eigenlijk naar een patiënt gaan zien.”
“Een patiënt? speelt gij voor docteresse?”
“Ik doe zoo wat van alles; maar de patiënt in kwestie is een hond, een lief, trouw dier, mijn arme Veldheer, die zijn poot heeft gebroken, en die van niemand geholpen wil zijn dan van mij alleen! Nu, ik ben er ook de naaste toe; het wakkere beest heeft het ongeluk gekregen toen het mij volgde op een wandelrit; ik kreeg den inval met mijn paard over een heg te springen, en hij wilde mij na; maar ongelukkig had hij den sprong niet zoo goed berekend, als ik den mijne met Tancred, en ziet, hij brak een der voorpooten waarop hij neerkwam; het gebeurde dicht bij de hoeve, en ’t was maar best dat hij daar bleef tot zijn herstel; de veearts geeft er hoop op, schoon hij zal blijven hinken! Dat’s alweer een verdriet, dat ik mij zelve heb berokkend.... en toch.... kon al het andere nog zoo terecht komen! maar.... helaas!”
Zij zuchtte diep.
“Bij zoo sprekend zelfverwijt mag men u niet hard vallen.... anders zou ik zeggen, zijt gij niet wat al te stout en overmoedig bij het rijden? Ik heb u te paard gezien, of eigenlijk, ik heb slechts de stofwolk gezien, die uw wilde vaart opjoeg.”
“Zoo is ’t; ik weet maar al te goed: ik ben een razende Roeland te paard; ’t is me dan of al wat er van gloed en kracht in mij zit, zich gelden doet en tot zijn recht wil komen. ’t Is of mijn bloed sneller en gunstiger vloeit, ik gevoel mij leven, ik geniet, ik vergeet, en toch, Leo! toch,” voegde zij er in diepe zwaarmoedigheid [186]bij, “toch had ik bijna de gelofte gedaan, nooit weer een teugel in handen te nemen, want.... Gij spreekt van zelfverwijt, wat zoudt gij zeggen als het met veel zwaarder woord moest genoemd worden, wat ik mij door mijne onbedwingbare hartstochtelijkheid voor het leven op den hals heb gehaald....”
“Ik zou zeggen, dat erkenning van schuld reeds berouw insluit en een aanvang is van beterschap, van herstel.”
“Spreek zoo niet, Leo!” viel zij in met smartelijke bitterheid, “ik word verscheurd door wroegingen die nooit, nooit zullen uitslijten.”
“Dàt neem ik nog niet aan, wroeging, die tot niets leidt dan tot wanhopige berusting, is onvruchtbare zelfkwelling; beter is het naar genezing te trachten; er is immers niets onherstelbaars gebeurd?”
“Ja, ’t is onherstelbaar; en ’t zal mij altijd blijven drukken als eene zware schuld, en toch.... God weet dat er geen opzet bestond en.... dat ik er toe gekomen ben mijns ondanks.”
Ik raadde waarop zij doelde; een smartelijke twijfel, eene vreeselijke onrust overviel mij, eene vraag brandde mij op de lippen, maar ik verloor den moed die te uiten, toen ik haar aanzag; zij was doodsbleek geworden, hare lippen sidderden, en, als gejaagd, haar arm uit den mijnen trekkende, bleef zij even stilstaan en liet zich toen neervallen op een omgehouwen boomstam, terwijl zij de beide handen voor de oogen drukte als om de tranen te weerhouden die mildelijk vloeiden. Ik bleef voor haar staan: “Spreek het uit Francis,” drong ik met zachten ernst, “dat zal u verlichten.”
“Ja, dat zal het,” hernam zij kalmer; “eens moet ik het meedeelen aan iemand, wat ik geleden heb, maar niet nu. Ik wil mij nu dezen vriendelijken morgenstond niet bederven met mij dat afgrijselijk tooneel voor den geest te halen, en dat zou ik toch moeten doen om u.... begrijpelijk te maken, wat ik zelf nauwelijks begrijp, [187]hoe dat mogelijk is geweest, dat ik, ik, die met al mijn drift geen beest kan zien lijden, schuldig ben aan den dood van een mensch!”
“Het schrikkelijk beeld staat u nu toch voor den geest; werp het van u, door het aan mij toe te vertrouwen,” smeekte ik met al den drang van het diepste meegevoel.
“Neen! niet nú!” riep zij opspringende; “waartoe zou het baten! het kan alleen maar deze korte oogenblikken samenzijns vergallen.”
“Indien het alleen deze ure van samenzijn betrof, zoudt gij gelijk hebben, Francis! maar.... gij begrijpt toch wel, dat ik mij niet met zóó voorbijgaande kennismaking tevreden stel, en daarom hecht ik er aan, alles van u te weten, ook datgene, waarover gij smart of.... berouw voelt. Mag ik uitvinden wat u moeite schijnt te kosten uit te spreken; is er niet zeker ongelukkig voorval met uw koetsier....?”
“Precies, dat is het!” sprak zij nu, op eens weer stout en met bitterheid, mij fier en uittartend aanziende, haar arm weer uit den mijnen losmakende, zonder dat ik nu lust gevoelde mij daartegen te verzetten. “Heel goed; als gij daar meer van weten wilt hebt gij het maar aan de boerenlieden te vragen waar wij heengaan; zij weten er alles van.”
“Ik zal mij wel wachten, Francis! naar uwe geheimen te vorschen achter u om....”
“Mijne geheimen!” viel zij nu uit, met eene stem die van toorn en gekrenktheid trilde. “Hoe komt het in u op, dat daar een geheim achter zou steken? Het betreft immers een schrikkelijk ongeluk op den publieken weg, dat maar al te veel gerucht heeft gemaakt, en dat in een oogwenk menigte van toeschouwers had. Maar,” ging zij voort, met den voet stampend van ergernis, “ik begrijp wel dat men niet zal nagelaten hebben, zelfs op hetgeen klaar was als de dag, sprookjes en lasteringen te bouwen, om daarmee de publieke opinie tegen mij op [188]te hitsen; het geldt immers maar Majoor Frans, die de dingen niet doet zooals iedereen; Majoor Frans, de vogelvrije; en ’t zou jammer zijn geweest, zoo men de occasie niet bij de haren had gevat, om wie weet met welke lasteringen nog hare fout zwarter te maken, alsof het al niet genoeg was dat hare woestheid en overmoed een mensch het leven hadden gekost, en een andere de eer en het levensgeluk! Hoe kon ik zoo onnoozel zijn, te wanen, dat u daar niets van zou zijn ter oore gekomen, dat men u niet daarvan eene voorstelling zou gegeven hebben, die genoeg was, om u zóó nieuwsgierig te maken, dat gij mogelijk alleen herwaarts heen zijt getrokken om de heldin van zoo’n romanesk avontuur eens in al haar doen en laten te leeren kennen. Welnu! het zou jammer zijn, dat zoo’n nobele kruistocht geen doel trof. Daar vóór u ligt de boerderij, ga daar botweg aan de lieden vragen, wat er is van het geval met Majoor Frans en den koetsier Blount; de man en de vrouw zijn er beiden getuigen van geweest, zij kunnen u op de hoogte brengen of liever op de laagte van die gansche jammerlijke geschiedenis, en daarna, Jonker van Zonshoven, keer terug naar de Werve om afscheid te nemen.”
Al sprekende wees zij met een gebiedende geste naar het boerenerf dat voor ons lag, en terwijl ik er het oog op richtte, ijlde zij weg en liet mij staan in eene onbeschrijfelijke verwarring en beschaming. Ik wist niet meer wat ik er van denken moest; slechts kwam het mij voor, dat zij voor mij verloren was. Ik stond besluiteloos.... haar volgen.... inhalen.... was het verstandig, zou het niet vruchteloos zijn? Zij scheen zoozeer beslist om mij niets meer te zeggen. Toch moest ik weten. In deze verhouding tot haar kon ik niet op de Werve blijven, en ik kon evenmin heengaan met zulken twijfel in het hart.
Ik zou dan maar doortasten, hare aanwijzing volgen en daarna zien wat mij te doen stond. Het was niet te verwonderen, dat zij haar mandje met eieren, bij den [189]boomstam neergezet, in hare driftige vlucht had vergeten. Ik nam het op, bij wijze van introductie in de boerderij; ik kon mij zelven daar toch niet voorstellen als den aanstaanden landheer, en ik wist niet of Francis van haar gast had gesproken; binnen eenige minuten was ik er tegenover de boerin gezeten, die mij een glas schuimende melk aanbood, dat ik hoog noodig had na de wandeling met hindernissen in den vroegen morgen.
“Ja, zij wist al van den Jonker! en zij vond het niemendal vreemd dat de freule hem naar de boerderij had verwezen om uit te rusten en melk te drinken, en haar jongen zou maar eens vlugjes naar de Werve gaan met het mandje; ’t was er weer een van de freule om dat te laten staan,” voegde zij er hoofdschuddend bij, “toch een goed mensch, daar was er geen tweede zoo onder den heelen adel, zoo gemeenzaam en goedhartig, maar.... als ze der buien had, br, dan was er geen houden aan, dan stoof ze door als een ‘leukemetief,’ zel ik maar zeggen.” Ik vond de vergelijking heel juist, maar ik zal me niet vermoeien met het patois van de Geldersch-Overijselsche boerin weer te geven; ik had moeite genoeg om het zelf te verstaan. Eens daar, kon ik het niet over mij verkrijgen eene vraag te doen. Nu ik Francis persoonlijk kende, stuitte het mij, achter haar om anderen uit te vragen over ’t geen haar kennelijk tegen was uit te spreken. En boerenlieden, al waren zij aan haar gehecht, konden zoo grof zijn in hunne wijze van zich uit te drukken; ik was zwak in die ure, Willem! ik voelde dat ik de ruwe, naakte waarheid niet zoo plompweg uit den mond eener vreemde kon hooren. Daarbij de toon waarop Francis mij had gezegd, dat ik bij het terugkomen afscheid had te nemen, klonk niet slechts als eene dreiging; er was eene diepte van weemoed in gemengd, die uit de bitterheid zelve sprak; ik voelde het aan mijn eigen tegenzin, dat zij onheelbaar gegriefd zoude zijn, zoo ik haar bij het woord vatte en geen geduld, geen vertrouwen genoeg toonde, om hare [190]ure van expansie af te wachten; neen, ik wilde niet meer vragen, ik wilde evenmin door een omweg mededeelingen uitlokken. De lust om de hoeve rond te loopen en te bezichtigen met een air de propriétaire was mij nu ook vergaan. Ik ging den hond zien, een prachtigen bruingevlekten jachthond, die mij met zijne schrandere melancholieke oogen aankeek of hij mijne belangstelling in zijne meesteres raadde. Hij liet zich streelen, draaide mij den kop toe, en kreunde alleen zachtjes, toen ik mij verwijderde, alsof het hem speet mij niet te kunnen volgen. Vrouw Pauwels, die mij steeds bijbleef, had intusschen haar hart opgehaald met praten. “Ja! het speet haar wel dat de generaal haar landheer niet meer was, maar mijnheer Overberg was lang geen kwaad eigenaar; hij had heel wat aan het huis laten doen en zelfs eene nieuwe schuur beloofd, iets wat de generaal maar niet had willen toestaan. Jammer van den man! een goed heer, maar hij had geen hart voor het boerenbedrijf; de hoeve zou deerlijk vervallen en verminderd zijn (want wij konden ook al niet meer doen, als de grond je eigen niet is....), zoo de generaal niet tot verkoopen was overgegaan, eer het te laat was: de Freule had er wel spijt van, want zij mocht er wel over, ze had zelve wel willen melken, en ze praat met de koeien of het menschen waren, en de paarden dan! Ja jonker: al zijn het maar boerenpaarden, die op der tijd voor den ploeg moeten, zij is er niet te grootsch voor om er mee om te gaan! Mijn man is in zijn jonkheid palfrenier geweest bij der grootvader; ik zie nog de appelgrauwe schimmels, dat haar grootste pleizier was die zelve te mennen, en dan Blount de koetsier! die den koning te rijk was als hij naast haar zat met de armen over elkaar! of hij de mijnheer was wien het spul toe kwam! Och ja, mensch! en al die grootheid is nou verdwenen als de dauw bij zonneschijn, de mooie koetspaarden verkocht, en de freule heeft niets meer dan haar Engelschen vos, dien mijn man nog oppast, en als de [191]generaal rijden wil, spannen wij onzen bles voor het tentwagentje.
“Wat een zonde en jammer als de heerschappen zoo in verval raken! En de familie is al van oudsher de eerste geweest in deze streken, en ze waren goed voor hun volk. Mijne ouders en grootouders hebben er altijd mee te doen gehad; maar och, och! sinds het huwelijk van de oudste freule Roselaer is er geen rust en geen zegen meer geweest; wat zal men zeggen.... een huis dat tegen zich zelf verdeeld is, kan niet bestaan, zooals de Schrift zegt. De Jonker heeft er zeker ook wel van gehoord.”
“Genoeg, vrouw Pauwels! meer dan genoeg,” viel ik in, niet zonder wat humeur; want het doorrammelen der goede vrouw, die ieder oogenblik de corde sensible aanraakte, welke ik besloten had te laten rusten, veroorzaakte mij een zelfstrijd, die mij norsch en verdrietig stemde. Ik kon haar het zwijgen niet opleggen; ik kon alleen heengaan; en dat werd tijd ook, wilde ik niet als achterblijver beschouwd worden bij ’t ontbijt. Zoo nam ik wat gehaast mijn afscheid, met een “tot weerziens,” dat haar eenigszins verbaasd deed opkijken. Blijkbaar had Francis over mij gesproken als de gast van één dag.
In mijne gejaagde gemoedsstemming had ik zeker wat hard geloopen, want ik trof Francis nog alleen in de ontbijtkamer, druk bezig met thee zetten; maar zoodra ik binnenkwam, wilde zij de kamer verlaten, onder pretext dat het water niet goed kookte.
“Heeft de kleine Louw u de eieren gebracht?” vroeg ik, om haar te doen blijven.
“Ja, in orde,” sprak zij, terwijl een vluchtig rood even hare wangen kleurde en zij wilde doorgaan.
“Blijf, Francis; ik meen recht te hebben op eene betere ontvangst.”
Zwijgend trad zij naar de tafel terug; toen, mij fier en uittartend aanziende, bracht zij uit met een doffe stem: [192]
“Waarop grondt gij dat recht; omdat gij nu naar hartelust uwe nieuwsgierigheid bevredigd hebt?”
“Het was geen nieuwsgierigheid, freule Mordaunt; het was belangstelling.”
“Dat’s een bescheiden woord, waardoor iedere onbescheidenheid wordt gerechtigd. En zijt gij nu voldaan, nu gij alles weet?”
“Ik weet niets, want ik heb niets gevraagd.”
“Niets gevraagd! waarlijk niets? op uw woord als edelman?” vroeg zij op eens met levendigheid.
“Ik heb geen tweeërlei woord, Francis! ik heb niets gevraagd, ik heb zelfs niet willen hooren.”
“Hm! dat is voorwaar meer zelfbeheersching dan ik van een man had kunnen verwachten.”
“Zijn de vrouwen dan zoo sterk op dit punt?” repliceerde ik, niet zonder wat bitterheid.
“Als het noodig is kunnen wij zwijgen,” gaf zij ten antwoord met een zijblik op den kapitein, die nu binnentrad met een luid en joviaal “goedenmorgen!” niet vermoedend hoezeer hij fâcheux troisième was in dezen oogenblik.
“Zijne Excellentie volgt immediaat,” ging hij voort, zich heenzettend over de weinig toeschietelijke wijze waarop zijn ochtendgroet werd beantwoord, daar Francis het bijzonder druk had met het theewater, “dat niet kookte,” en ik hem op zijn: “Wel geslapen, Jonker?” afscheepte met een: “Uitmuntend, kapitein en gij?” natuurlijk om niet te luisteren naar zijn antwoord.
Intusschen kwam de generaal binnen, en wij gingen ontbijten. Francis was stil en zelfs wat gedwongen. Mij toonde zij zekere ootmoedige goedwilligheid, als wilde zij mij stilzwijgend verschooning vragen voor haar wantrouwen en hare heftigheid, en ik zag mij beloond voor mijne onthouding door den blik vol diepe verslagenheid, dien zij soms op mij wierp, terwijl zij mij steelsgewijze aanzag. Zij wilde voor mij en voor ieder verbergen dat er iets in haar omging dat haar neerslachtig maakte, maar zij [193]was te zeer eene expansieve natuur om met goed gevolg te veinzen. Zij was daarbij zoo verstrooid, dat zij allerlei bévues beging bij de bezorging van het ontbijt. De generaal kreeg dubbel suiker in zijne thee, ’t geen hem een uitroep van ergernis ontlokte; de kapitein moest het doen met een kopje zonder melk, eene omissie waarin hij de vrijheid nam op eigen gezag te voorzien, zonder dat Francis het bemerkte, die zich naar het buffet had gekeerd.
“Onze Majoor is met het verkeerde been uit bed gestapt,” fluisterde hij mij in. “Wij mogen wel koest zijn, anders komt er een strenge dagorder, die....”
“Maar Francis! gij zijt vandaag niets en veine; de eieren zijn te hard,” gromde de generaal.
“Hoe jammer! juist nu we een gast hebben,” verzuchtte de kapitein; “ze zijn anders precies van gaarte.”
”À propos Leo! tegen wanneer is uw rijtuig besteld?” viel de generaal in.
“Wel oom! dat moet ik zelf aan den kapitein vragen?” hernam ik, mijn best doende om den onaangenamen indruk van die herinnering te verbloemen.
“’t Is waar ook, gij hebt het op Francis en den kapitein laten aankomen! Wat is er bepaald, Rolf?”
Terwijl hij nog sprak hoorde men een rijtuig over de brug rollen en ’t voorplein oprijden. Ik zag tersluiks naar Francis; zij werd bleek en vloog op om voor het raam te gaan uitkijken.
“Nu al! dat is toch veel te vroeg,” sprak de generaal verwijtend tot Rolf.
“Niets te vroeg, Excellentie! dat zult gij mij zoo aanstonds toestemmen,” antwoordde Rolf met een snaakschen glimlach, terwijl ik mij naar Francis begaf, die in de vensterbank was gaan zitten.
“Moet ik zóó heengaan?” vroeg ik haar zacht en bewogen.
“Gij kunt niet blijven; dat weet gij zelf wel,” gaf zij ten antwoord, met eene stem, die zij vast trachtte te doen klinken, doch waarin hare aandoening trilde. [194]
“En toch kan ik zoo niet heengaan....”
“Waarom niet?” riep zij op eens, terwijl een gloed haar voorhoofd overtoog, en zij mij weer met fierheid en vastheid aanzag.
“Omdat.... ik het niet wil! Zal ik weerkeeren, Francis?” vroeg ik, haar een smeekenden blik toewerpend.
“Zeker neen! waartoe zou dat dienen....?”
“Laat mij dan het rijtuig wegzenden....”
“Neen! neen!” riep zij hard en met heftigheid, als om op eens een eind te maken aan eene onbeslistheid, die haar beklemde: “neen, een kort en goed vaarwel, dat is voor ons beiden het beste,” en zij stak mij de hand toe.
Daar reed een wagen het voorplein op; het was een vrachtkarretje met mijn eigen, dommen koetsier tot voerman.
Francis deed een forschen uitroep van verbazing hooren; de kapitein lachte luid en zegevierend.
“De Jonker heeft het aan mij overgelaten, en ik was zoo overtuigd van zijn goeden wil om te blijven, dat ik eenvoudig zijn koffer heb laten komen.”
“Laat gij zoo met u spelen?” verweet Francis mij.
“Waarom niet? als het spel den loop neemt dien ik wensch?”
“Gij blijft mijns ondanks, bedenk dat wel,” fluisterde zij mij in.
“Het zij zoo! Ik vraag maar wat de generaal er van zegt,” sprak ik, mij tot dezen keerende, die zich vergenoegd de handen wreef.
“Wel neef, gij zijt de gast van den kapitein,” sprak hij lachend.
“Grootpapa zegt de waarheid; gij zijt de gast van den kapitein,” herhaalde Francis met nadruk. “Denkt gij er nu nog aan te blijven?”
“Toch, Francis, toch! Ik ben een weinig als Columbus; ik laat den ontdekkingstocht niet varen om een bezwaar meer, of wat tegenwerking van vriend of vijand.”
Zij schudde zwijgend het hoofd en keerde zich van [195]mij af. Ik liep naar buiten om met mijn voerman af te rekenen.
Als een waardige majordomo was de kapitein al in de weer om mijn koffer te helpen afladen; maar er waren nog allerlei stukgoederen, pakjes, fleschjes en blikjes, die de vrachtrijder uit de stad meebracht en die de goede Rolf triomfantelijk neerlegde, niet aan de voeten van Francis, maar op een tafel waarbij zij stond in zeker geanimeerd gesprek met haar grootvader. De laatste kreeg een glans van vergenoegen op het gelaat bij het zien van de rijke provisie, die hem de eenige genietingen beloofde, welke nog onder zijn bereik waren. De kapitein, tevreden met dat welgevallen, liet zelfs met de tong een smakkend geluid hooren, als genoot hij reeds in verbeelding de kostbare lekkernijen, die hij had weten machtig te worden, en klopte den generaal gemeenzaam op den schouder, met een blik van zelfvoldoening, terwijl hij sprak:
“Nu, wat zegt Zijne Excellentie er van; heb ik niet kostelijk gefourageerd?”
“Excellentie nu maar zoo niet, dat’s weergasche malligheid,” barstte Francis los, terwijl haar oogen flikkerden en een vlammende gloed hare wangen kleurde. “Gij voelt wel dat gij hier niet meer de inferieur zijt, damned rascal! anders zoudt gij hier niet zoo te werk gaan. Bless me! wat een dolle verkwisting is dit nu weer! Perdrix rouges, pâté de foie gras, allerlei visch in gelei, allerlei vruchten en compôtes! Het lijkt hier wel eene uitstalling van comestibles. Wat al nuttelooze lekkerbekkerij is dat nu weer?” En zij sloeg met de vuisten op tafel dat alle potten en flesschen er van rinkinkten. “’t Is waarachtig of we hier de bruiloft te Camacho gaan vieren! De generaal moest je de deur wijzen voor goed, dolle Sancho Pança als gij zijt; en hij zou het doen, zoo zijn tong zijn eergevoel niet had verstompt.”
“Francis, Francis!” stamelde de generaal met eene klagende stem. [196]
“Neen, grootpapa!” ging zij voort, altijd luider en ruwer, “’t Is een schandaal zooals het hier toegaat, dat zeg ik; en gij moest er een eind aan maken, als gij nog hart genoeg in uw lijf hadt om een cordaat besluit te nemen.”
“Majoor, Majoor!” viel Rolf in op smeekenden toon, om haar te bedaren.
“Zwijg, ellendige lekkerbek! Ik ben uw majoor niet; ik heb genoeg van die kwasie aardigheden om mij te paaien. Als hier op mijn wil en wensch geacht werd, zou het heel anders toegaan; maar ik heb hier niets meer te zeggen, dat’s klaar als de dag; jelui laat mij praten en....”
“Schreeuwen meent gij,” verbeterde von Zwenken met bevende stem.
“En gij blijft uw gang gaan,” hervatte Francis met nog meer stemverheffing, altijd tegen den ongelukkigen Rolf gewend, “of ge hier alleen het commando hadt! Ik heb je in ’t eerst te veel voet gegeven, dat zie ik te laat in; maar ik zal die infamie niet langer dragen, noch dulden dat mijn grootvader die draagt; en zoo hij zelf er geen order op stelt, en je de deur wijst met al je kostelijkheden op den koop, zal ik er voor zorgen dat je hier als schelm uit het vaandel wordt gejaagd.”
“Infamie!” herhaalde de kapitein langzaam, terwijl hij zeer bleek werd en een veel beduidenden blik wierp op de plaats waar—gelukkig zijne Willemsorde niet aanwezig was, omdat de grijze ochtendjas er geene gelegenheid toe liet. “Uit het vaandel jagen! mij? Waarachtig, Majoor, dat noem ik doordraven! Mij dacht, dat ik het mijne deed om hier op de Werve de eer van het vaandel op te houden; die anderen....”
“Zeg om den schoorsteen te doen rooken! Ja! dat is waar, daar heb je weergaasch goed den slag van, dat erken ik; maar de eer van het vaandel, de eer van onzen rang, om de zaak bij haar naam te noemen, die op te houden, daar heb je zoomin besef van als de [197]domste boerenslungel die in de conscriptie valt. Zelf stelt gij uwe eer in ’t geen uwe schande is. Het zal nog zoo ver met je komen, dat gij uwe Willemsorde in den lommerd zet om een lekkeren schotel.”
“Neen, freule Mordaunt! wees er gerust op, eer het zoo ver komt, zal ik u waarschuwen,” antwoordde Rolf, nu ook bits en toornig.
“Ik zeg dat we dien weg opgaan; ons eigen oud-modisch zilver is er al, dat weet gij wel, om van al het andere niet te spreken.”
“Om ’s hemels wil, Francis!” smeekte von Zwenken, “bind toch uw tong in; bedenk dat jonker van Zonshoven getuige is van uwe onwelvoegelijke uitvallen.”
“Zooveel te beter! De jonker verkiest onze huisgenoot te zijn, dan moet hij ook maar weten wat een beroerde gemeene boel het hier is. Ik wil niet, dat men hem een blinddoek over de oogen zal trekken.”
“Tusschen dit of zoo ruw de windsels losscheuren, die de bloedende wonden van een gezin bedekken, is nog een groot verschil, freule Mordaunt!” sprak ik met nadruk.
“Wel mogelijk, jonker! maar voor zulk een menagement ben ik niet berekend. Ik behoor niet tot hen, die onwelvoegelijke dingen onder mooie woorden weten weg te sluiken. Ik zeg ronduit waar het op staat, en wie dat ergert heeft zich te schamen, niet over de woorden maar over de zaken, en te eer daar de ergernis in dezen licht was weg te nemen. Als wij maar moeds genoeg hadden om commiesbrood te eten en water te drinken, zouden wij fatsoenlijke lieden zijn, al golden wij dan ook bij iedereen voor arme stakkers.”
“Ik meende, Francis!” sprak nu de generaal met eene zachte, trillende stem, “dat gij zelve u in de overeenkomst met den kapitein had geresigneerd.”
“Ja, zooals men zich resigneert als men de schurft heeft; maar het krabben kan men toch niet laten!”
Dat was de slag op den vuurpijl, en met dit knaleffect trok zij af, mij in ’t voorbijgaan een uittartenden blik [198]toewerpend, als vreesde zij dat ik de bedoeling van haar grove uitvallen zou misverstaan. Ik beantwoordde dien blik met een zwijgend hoofdschudden en zag haar aan op eene wijze, die van mijne afkeuring en tegenzin getuigde.
Terwijl wij mannen elkaar wat verbluft stonden aan te kijken, stak zij nog even het hoofd door de deur.
“Kapitein! gij kunt vandaag voor de menage zorgen; ik ga paardrijden!”
“Tot uwe orders, commandant!” gaf Rolf ten antwoord, de hand aan de muts brengende.
Ik was er verbaasd over, dat hij dit alles zoo koeltjes opnam, en kon niet nalaten het met een woord uit te drukken.
“Wat zal ik u zeggen, jonker! Ik heb zulke buien meer bijgewoond. Ik zag het van ochtend al, dat de barometer op storm stond. Hoe sneller en heftiger de bui aankomt, zooveel te eerder is hij over; en ziet ge, een oud soldaat is tegen regen en onweer gehard.”
“Ik ben blij dat ik u vooruit gewaarschuwd heb, neef! dat mijn kleindochter wat heftig van aard is,” sprak nu de generaal met eene diepe verzuchting, zonder het hoofd naar mij op te heffen. “Als zij eens een opvatting heeft, is er niets tegen in te brengen; dan holt zij maar door op haar stokpaardje; zij redeneert niet.”
“Zij redeneert wat al te logisch voor u,” zei ik bij mij zelven, en hij voelde dit zeer zeker, want hij was staande de scène met een gebogen hoofd blijven zitten, altijd maar zijn ring zenuwachtig heen en weer schuivende met bevende vingeren.
“Komaan, generaal! wees niet al te mismoedig,” sprak de kapitein goedhartig. “Wij zullen onze alliantie handhaven tegen den algemeenen vijand, en de wind zal later wel weer omslaan.”
Al sprekende was hij er in geslaagd een langwerpig in wasdoek gewikkeld pakket los te krijgen. “Ik vrees wel dat het oogenblik slecht gekozen is om haar een van deze fraaie karwatsen aan te bieden; en toch, zij [199]zal er om verlegen zijn, want zij heeft de hare verloren. Wie weet of zij er niet nog toe komt dit aan te nemen!”
“Ik hoop van neen,” dacht ik; “dat zou mij tegenvallen.”
“Ze had eigenlijk verdiend dat men er haar eens ferm mee kastijdde,” viel de generaal uit, nù de opgekropte woede lucht gevende die hij zoolang verbeten had.
“Ja, Excellentie! dat hadden we twintig jaar vroeger moeten doen. Ziet ge, we hebben haar tot commandant bevorderd vóór zij als recruut de discipline had geleerd; dat’s een groote fout geweest, maar daar is nu niets meer aan te verhelpen.”
“Ja, wèl een groote fout!” verzuchtte de generaal in de diepste neerslachtigheid.
Rolf ging zich bezighouden met het plaatsen der provisie, die zulk een storm had doen opsteken; de generaal vroeg mij of ik een plan had voor mijne morgenuren.
“Ik wenschte mij te installeeren, en ik moet brieven schrijven,” antwoordde ik. Al ware het slechts een pretext geweest, ik was gelukkig het gevonden te hebben, want ik verlangde alleen te zijn, om over de ontvangen indrukken te kunnen nadenken.
Zoover was ik gekomen met mijne confidenties op het papier, beste vriend, toen ik vernam dat er weer een mail gaat, die dit pakket zal medenemen als ik zorg dat het nog hedenavond te Z. op de post wordt bezorgd. De vorige moest ik laten passeeren, omdat ik geen tijd en rust had om ’t geen ik inderhaast dag voor dag opgeteekend had, in den vorm van een brief over te schrijven. Nu zend ik dit gedeelte maar al vast weg en beloof u het vervolg, zoodra ik van u zelf vernomen heb, dat het journaal van den kluizenaar op de Werve u niet verveelt.
Inmiddels als altijd de uwe.
L. v. Z.
Huis de Werve.
Gij wilt er dus meer van hooren, Willem? Gij zegt dat het u ontspant na uw drukke werkzaamheid in het afmattend klimaat, en dat het u meer dan ooit behoefte is, als aan mijne zijde te staan om met mij mee te voelen, te hopen en te vreezen. Ik was bezorgd dat mijne uitvoerigheid u langwijlig mocht schijnen, en toch het geldt hier geene wereldgebeurtenissen, die men met enkele groote trekken kan schetsen; het is de analyse van eene vrouwengestalte, die niet als een marmeren beeld uit één stuk gehouwen is, dat men in ettelijke seconden kan laten photographeeren. Het zijn waarnemingen omtrent een karakter dat uit zeer verschillende, bijna tegen elkaar inloopende trekken is samengesteld; het zijn ontdekkingstochten in een vrouwenhart, dat diep en bewegelijk is als zekere onpeilbare waterkolken, en waarvan men alle verschijnselen met oplettendheid moet gadeslaan; fijne schakeeringen en schijnbaar nietige détails mogen niet worden overzien, en wij staan voor onoplosbare raadsels. Heb dus geduld met mij, want terwijl ik ze voor u tracht te ontcijferen, worden zij mij zelf meer en meer helder. Heb er geduld mee, Willem; want ik moet het nù reeds belijden, al schudt gij mogelijk het hoofd over mijne inconsequentie; mijn levensgeluk, meer nog dan mijn fortuin, hangt af van de uitkomst die ik zoek. Mijn hart heeft gesproken, maar al te luid en levendig voor mij zelven, en het kost mij een voortdurenden strijd om al wat het mij zegt te haren gunste voor haar verborgen te houden. En toch, dat moet zijn. Zoo zij het weten kon dat ik reeds nù haar verwonneling ben, zou zij mijne zwakheid bespotten, mogelijk zelfs mijn karakter verdenken, en ik zou al het overwicht verliezen, dat ik op haar meen verkregen te hebben. Zij is fijn genoeg om iets te raden van ’t geen er in mij omgaat, en ik gun haar die voldoening, waardoor zij zich tot mij voelt aangetrokken; maar zij moet [201]bovenal zien, dat ik er mij niet door laat beheerschen, dat ik meester wil blijven van mij zelf tot op het oogenblik, waarin zij zelve hare zwakheid zal hebben erkend, neen, beter—haar hart voor mij zal hebben geopend. Ik heb allermeest behoefte aan hare achting; want ik ben zeker dat dit de veiligste weg is naar haar hart. Haar hart! roept gij uit, en de virago die gij mij beschreven hebt, die gij gekomen zijt om te temmen! Waar is uw verstand dat gij u dùs liet medesleepen? De virago! o zeker, zij tracht zich in die gestalte te hullen; zij hecht er aan dat men dit voor hare wezenlijke gedaante houdt, maar ik weet dat de kern, onder dit ruwe hulsel verborgen, eene teere en echt vrouwelijke is, zooals de zoete Oostersche vrucht die gij nu geniet, door eene harde schaal wordt beschermd. Ik weet dat zij een hart heeft, en ’t is met een schrijnend wee, dat zij het vermomt, verloochent, mogelijk juist omdat het door al te pijnlijke kwetsuur nog bloedt. Dit laatste uit te vinden en te weten of die te heelen is neemt nu mijne geheele aandacht in. Ik bestudeer haar als een wondheeler zijn patiënt ter genezing; maar daarom ook kalm en nuchter; zonder dàt wordt het oog verduisterd en zou de hand beven als er kwestie moet zijn van eene pijnlijke kunstbewerking.
Op dien gedenkwaardigen dag waarop ik mij, onder zulke dreigende symptomen van des Majoors zijde, voor goed op de Werve installeerde, was het heerlijk lenteweer. Na mijne zaken in de groote leegstaande commode te hebben gearrangeerd, zette ik mij op mijn gemak, wierp mijn das af, deed mijn jas uit, haalde mijn schrijfgereedschap te voorschijn, en na een paar woorden aan Overberg te hebben gericht, die in het logement mijn wegblijven moest verklaren, nam ik mailpapier om mijn hart uit te storten aan u, de beste wijze om mij te retrempeeren, toen er driftig op mijne kamerdeur werd getikt, en ik bij ’t opendoen niemand meer of minder voor mij zag staan dan Majoor Frans in hoog eigen persoon. [202]
Zooals zij daar binnenkwam in haar amazonekleed (gelukkig zonder de vareuse), met een inktkoker in de hand dien zij voor mij op tafel zette; terwijl zij den eersten stoel den besten naar zich toe trok om er op neer te vallen, als besloten te blijven, hoewel zij uit het sans gêne van mijn toilet wel kon opmaken dat zij mij nogal overviel, was er zeker effort toe noodig om in haar eene jonkvrouw van geboorte te zien; en dit, gevoegd bij den indruk dien de laatste scène bij mij had nagelaten, stemde mij zeer weinig tot hoffelijkheid en voorkomendheid. Ik schoot inderhaast mijn jas aan, en eerst toen mij tot haar wendend, vroeg ik, wat zij hier doen kwam.
“Grootpapa heeft mij gezegd dat gij schrijven wilt, Leo! en ik herinnerde mij, dat er niet voor inkt is gezorgd,” sprak zij, zonder mij aan te zien; want de weinige voorkomendheid, die ik haar toonde, maakte het haar duidelijk, dat de verrassing mij niet bijzonder welkom was.
“Dat is ook niet noodig; ik zorg altijd zelf voor mijn schrijfgereedschap,” antwoordde ik koeltjes, en zette mij neer of ik met schrijven dacht voort te gaan.
“Ik zie dat ik u stoor; ik had u anders een dienst willen vragen.”
Ik zweeg.
“Hebt gij bijgeval een badientje of zoo iets meegebracht?”
“Wat wilt gij daarmee doen? Hebt gij uwe vazallen nog niet genoeg gestriemd?”
“Ik wilde eene rijzweep improviseeren; ik heb de mijne verloren, en....”
“Ik heb niets dan een liniaal en een penhouder.”
Zij werd bloedrood, beet zich op de lippen, en wendde het hoofd af. “Ik merk wel,” hervatte zij na eenige seconden zwijgens, “dat gij niet in eene luim zijt om mij den dienst te doen, dien ik had willen vragen.”
“Ik ben altijd tot den dienst eener dame, als zij de [203]privilegiën harer sexe wil laten gelden. Waarom hebt gij mij niet laten roepen als gij mij iets te vragen hadt?”
“Ah! zoo!” riep zij op ietwat gerekten toon. “Dat humeur geldt dus mijn manque d’étiquette; overzie dat: gij weet immers, ik ben zoo weinig “eene dame.”
“Dat’s maar al te waar, Majoor!”
“Majoor!” herhaalde zij met ergernis, en zette groote oogen op van verbazing. “Ik meende Leo! dat die bijnaam u tegen was.”
“Nu niet meer, sinds ik dat soldateske personage en action heb gezien. Alleen zou ik willen weten, welk soort van majoor gij eigenlijk voorstelt: tamboer-majoor? sergeant-majoor? Want de commandant van een bataillon behoort, zoo ik mij niet bedrieg, zekere mate van beschaving te bezitten, zekere vormen te eerbiedigen, zekere waardigheid in toon en manieren aan den dag te leggen, die hem terstond als een fatsoenlijk man doen kennen; en uit alles wat ik van u waarnam bij het tooneel van dezen morgen, moet ik gelooven dat gij aan geen dezer eischen weet te beantwoorden.”
“Leo!” stamelde zij, doodsbleek en met trillende lippen, “dit is een bloedige beleediging! Bedoelt gij dit?”
Het verwonderde mij, dat zij niet in woede opstoof en op mij lostrok. Ik had eigenlijk op een forschen aanval gerekend! Het tegendeel vond plaats. Zij bleef stokstijf zitten, als aan haar stoel genageld.
“Ik bedoelde alleenlijk de onbehagelijke figuur te treffen, die gij goedvindt voor te stellen; wil freule Mordaunt zich identificeeren met die persoonlijkheid, en het daarvoor opnemen, mij wèl; ik ben geen geoefend duellist, maar ik kan toch een fleuret hanteeren; mij dacht, dat ware wel de beste manier u de zoogenaamde revanche te geven, tenzij gij schieten wilt; gelukkig heb ik pistolen; wij gebruiken los kruit, niet waar? dat’s afgesproken; gij begrijpt toch wel dat men het met een majoor van uwe soort niet in vollen ernst kan opnemen.”
Ik kreeg geen antwoord, en dat ontrustte mij; boos [204]worden en mij ferm riposteeren, had ik van haar gewacht; maar dat zwijgend blijven zitten met strakken blik en doodsbleek, als versteend en verstomd van smartelijke verbazing, stond mij niet aan; de arm, dien zij even driftig had opgeheven, viel slap en als machteloos neer. Ik begon nu zelf verlegen te worden met mijne houding; ik kreeg de gewaarwording van iemand die een kapel wil vangen, maar die te hard heeft toegetast en een vleugel in de hand houdt. Vooral toen zij eindelijk haar zwijgen verbrak; want het klonk als eene klacht; meer nog dan verwijt, wat zij mij toevoegde:
“Deze vlijmende ironie gaat dieper dan gij vermoedt, Leo!”
“Ik hoop wel dat zij treffen zal, waar zij nut kan doen, Francis! Want geloof mij, mijne bedoeling was niet om te wonden, maar om te genezen,” hernam ik op gansch veranderden toon, want ik zag dat zij al haar zelfbeheersching noodig had om niet in snikken uit te barsten. Ik stond op, ging naar haar toe en wilde hare hand nemen, maar nu rees zij op, als door een electrieken schok getroffen; er kwam weer kleur op de marmerbleeke wangen, en de oogen vonkelden van toorn terwijl zij sprak:
“Ik wil van u niet gecureerd worden; mij scheelt niets; ik ben wel zóó als ik ben. Verspil uwe nobele kunst niet aan zoo’n avontuurlijk, zoo’n onhebbelijk schepsel als gij in mij meent te zien.”
“Moet ik u dan niet zien, Francis, zooals gij zelve goedvindt u te toonen? Maar gelukkig bedrieg ik mij niet zóó zeer in u, als gij denkt; ik zal uwe genezing beproeven ondanks u zelve; wilt gij, dat ik u de uitlegging zal geven van de ergerlijke scène die gij in mijn bijzijn aan die heeren hebt vertoond?”
Zij haalde even de schouders op en bleef zwijgen.
“Het is deze,” ging ik voort; “gij hebt aan mij willen zeggen: ‘Gij wilt hier blijven om Majoor Frans te leeren kennen, zoo zal ik hem u toonen in al zijne grofheid en onbehagelijkheid en dan zullen wij zien, hoelang gij [205]dat uithouden zult;’ en daarop, freule Mordaunt, is mijne houding van dit oogenblik. Gij zult het weten dat ik u doorzie, dat ik mij niet laat afschrikken door het ruwe masker dat gij goedvindt voor te doen om.... de oorspronkelijke trekken uit te vinden, die.... ongetwijfeld liefelijker indruk zullen maken,” wilde ik er bijvoegen. Dan.... zij liet mij niet uitspreken; ze stampvoette van ergernis, terwijl zij inviel:
“Een masker! ik een masker! men moet maar uit den Haag komen, waar men zich zeker nogal druk maskeert, om mij zulk een verwijt te doen! Voorwaar Jonker van Zonshoven! achterdocht die onder alles list wil zoeken is geene scherpzinnigheid; de uwe maakt hier al eene heel droevige figuur. Gij, die voor goed gebroken hebt met alle sociale huichelarij, en die daarom als met vingers wordt nagewezen, mij, wier grootste fout het is, of wellicht wier beste hoedanigheid (ik kan het niet uitwijzen) om er alles maar uit te flappen wat mij invalt, als er iets is wat mij ergert of treft, wie het altijd heeft ontbroken aan datgene wat men in de wereld tenue noemt, mij, mij te betichten van een mom voor te doen! en dat nog wel op een oogenblik, waarin ik, gloeiend van toorn en ergernis, aan die heeren zeg waar het op staat, zonder menagement! Ik geef toe dat ik in uwe tegenwoordigheid geene oorzaak vond om mij in te houden; wij waren immers zoo goed als en famille, en het kwam mij hoog noodig voor, dat gij u niet zoudt vergissen in het gehalte van ons personeel.”
“Ziet gij wel!” viel ik glimlachend in, “dat ik niet zoo erg mis zag, en dat gij uws ondanks ten slotte toch tot de bekentenis komt, dat ik de waarheid tastte, toen ik beweerde dat er opzet lag in de hagelbui van gros mots, en dat gij de kreten uwer ergernis eenige noten hooger stemdet dan absoluut noodig was, om die twee verdeemoedigde mannen de les te lezen,—het al met de bedoeling om een derde op de vlucht te drijven of.. voor goed te terrifieeren! Wees oprecht Francis, vindt [206]mijn argwaan uit, of ligt deze opvatting voor de hand?”
Tevergeefs trachtte ik haar aan te zien, terwijl ik sprak; zij wendde het hoofd af, en toen ik zweeg om haar antwoord te hooren riep zij knorrig, terwijl zij haar stijgend ongeduld op den poot van de tafel wreekte:
“Ik merk het niet voor het eerst,—gij kunt lastig zijn en onaangenaam als gij er u op toelegt.”
“Ik geloof het zelf, maar eene uitvlucht is geen antwoord, Francis!”
“Nu ja, dan, ja! het is waar; ik had u liever zien heengaan, om bestwille; maar geloof niet, Leo! wat gij ook van mij hoort of ziet, dat ik arglistig ben, en eene rol speelde. Ik was wat ik mij toonde toen ik dat standje maakte: woest, boos en gloeiend van verbittering; ik heb mijne luimen, dat weet ik wel; maar ik doe niets om te schijnen wat ik niet ben, dat zou mij slecht afgaan; ik wil in alles mij zelve zijn, in ’t kwade en ook in ’t goede; want ik mag niet erger van mij zelve spreken dan de waarheid is; ik heb ook wel goeds, ik heb dit goeds dat ik niet valsch ben, en toch is er zooveel tegenstrijdigs in mij, dat ik er zelve over verbaasd sta. Zie, Leo! ik heb nooit voor het gulden kalf van het decorum willen knielen (zij sloeg met de vuist op de tafel ter bekrachtiging van hare bewering), maar toch.... als de lust mij beving, zou ik mij nog heel wel met uwe Haagsche dames kunnen meten, als het op kennis en ontwikkeling aankwam....”
“Daarvan ben ik overtuigd, Francis, en daarom....”
“Maar vernis en blanketsel zou ik mij nooit laten opleggen,” viel zij in; “evenmin zal ik aannemen, dat juist daarin de ware beschaving bestaat....”
“Dat ben ik geheel met u eens.”
“En ik wist mij toch wel als freule Mordaunt te doen erkennen, toen ik nog in de wereld ging, en zoo mij dat nu weer inviel, zou men mij niet moeten verwijten, dat het maar eene vertooning was; want ik haat alle aanstelling als de pest, het zou dan alleen zijn: toegeven [207]aan iets onweerstandelijks binnen in mij; zooals ik mij daareven aangedreven voelde door iets dat sterker was dan ik, om eens ferm den Majoor Frans te spelen in uwe tegenwoordigheid.”
“Maar hoe kan freule Mordaunt het dan zoo hoog opnemen, als men haar bij het woord vat, laat ik liever zeggen, als men invalt in den toon, dien zij zelve heeft aangegeven?”
“Dat treft mij niet van anderen, maar van u, en juist op dit oogenblik;—want ik kwam om bij u heul en troost te zoeken; van u, ik wil ’t wel bekennen, trof het mij als een bliksemstraal uit de heldere lucht.”
“Zoo oprechte bekentenis verdient volle absolutie,” sprak ik opgeruimd; “geeft mij de hand ter verzoening.”
“Neen, Jonker! neen! daar zijn wij nog niet,” hernam zij fier. “Ik moet eerst weten wat ik aan u heb. Hoe het komt weet ik niet maar ik heb er behoefte aan, niet door u te worden miskend. Als gij laag op mij neerziet, omdat ik niet ben als de anderen, zeg het dan maar in eens uit, dan weet ik waar ik op rekenen kan; maar, als ik bij u kom aankloppen, in het volle vertrouwen dat ik mijn hart eens kan uitstorten aan een vriend, teruggestooten te worden om.... een gebrek in de vormen, dan voel ik mij bitter teleurgesteld, en dan vraag ik mij zelve af: heb ik mij weer vergist? is ook deze niet de betere van de soort? is ook deze een van die fatten, die bang zijn de punten hunner verlakte bottines aan het slijk te wagen, die schermen met groote woorden, maar klein en bekrompen als het op handelen aankomt, die een heiligen afschuw hebben van gemeene woorden, grof linnen en vuile handen, maar er volstrekt niet tegen opzien iets laags en gemeens te doen, en die zelfs niet schromen zouden de blankheid hunner vingeren te besmetten door eene vrouw te souffletteeren!” Nu was de beurt aan mij om van innerlijke woede te trillen, en het scheelde werkelijk niet veel of ik had aan eene geweldige uitbarsting daarvan toegegeven; maar intijds [208]nog bedacht ik mij, en overwoog dat de bataille voor mij verloren was, zoo ik handgemeen werd met den Majoor op het terrein waar zij mij heenlokte.
Na een oogenblik zwijgens viel ik in:
“Pardon, Freule! ’t Is voor mij moeilijk te berekenen wat gij in mij àl of niet meent te zien. Ik kan alleen zeggen, dat ik zeer zeker niet behoor tot de specialiteit dáár door u geschetst. Als er kwestie is van eene vrouw die beleedigd wordt, zou ik de eerste zijn om den laaghartige te slaan, die zich, op welke wijze ook, aan haar vergreep; dat kan ik u verzekeren. Ik ben de nakomeling van een man, die zich de rechterhand afkapte om de eer zijner dame te redden; iets van dat bloed vloeit nog wel in mijne aderen, en al zijn wij niet meer in de dagen der reuzen en gedrochten, ik zou toch de ridderlijke beschermer kunnen zijn der zwakheid die mijne hulp inriep; ik zou de diepste meewarigheid kunnen toonen voor eene vrouw, die mij leed en last wilde klagen; ik zou haar die ik zag wankelen met vaste hand steunen en staande houden; ik ben niet van hen die vernis en blanketsel voor reinheid aanzien, en ik zou de paarl niet minder achten om haar ruwe schelp; ik zou zelfs niet schromen mijne hand te besmetten, om deze uit het slijk op te rapen, als het zijn moest; maar, zoo ik mij niet bedrieg, is tusschen ons sprake van Majoor Frans; Majoor Frans, die boos wordt als men hem aan het prerogatief der schoone sekse herinnert, omdat hij niet tot ‘de dames’ wil gerekend worden, en die evenmin gelijkstelling wil met ‘de soort,’ waartoe ik nu eenmaal het ongeluk heb te behooren; Majoor Frans, dat hybridische wezen, dat daar bij mij is komen invallen, nadat hij zoo pas twee beklagenswaardige wezens van ‘mijn soort’ door zijn invectieven had neergeveld; en vraag dan u zelve, of het geen tijd werd dat de derde, die toch mee in de oorlogsverklaring begrepen was, den strijd opnam met eenigszins gelijke wapenen, om de nederlaag van de anderen te wreken en het heldhaftige [209]personage de overtuiging te geven, dat hij.... minstens zijn portuur zal vinden als het er op aankomt, om elkaar zonder menagement de waarheid te zeggen!”
Onder ons gezegd, Willem! de majoor hield zich kras: zij oefende al hare zelfbeheersching om de verschillende indrukken, die zij bij mijn spreken onderging, niet te toonen; maar zij is te impressionabel om er niet alles van gevat te hebben wat ik bedoelde. Zij was opgestaan en scheen met de grootste opmerkzaamheid de gebroken glasruiten te bekijken, om zich eene houding te geven; eensklaps keerde zij zich nu om, met hoogen blos op ’t gelaat; maar er was geen toorn in den blik dien zij op mij vestigde, geene uittarting meer, al trad zij mij kloek en fier onder de oogen terwijl zij sprak:
“Ik moet zeggen, Leo! dat gij ferm afrekening gehouden hebt, en nu, mij dunkt, wij zijn quitte. Zijn wij weer vrienden?”
“Ik verlang niet beter, maar dan moet ik ook weten wie ik vóór heb, anders komt er weer misverstand....”
“Lastig mensch! gij schenkt mij ook niets;” en zij stampvoette van ongeduld, terwijl zij het hoofd afwendde.
“Enkel uit voorzorg, geloof mij. Heb ik met Majoor Frans te doen? of....”
“Nu, nu! Francis Mordaunt vraagt uwe vriendschap!” en zij stak mij beide handen toe en hare oogen vulden zich met tranen, die niet langer waren te bedwingen. Hoe gaarne had ik ze weggekust; hoe gaarne had ik haar aan mijn hart gesloten, en alles uitgezegd wat daar reeds voor haar sprak; maar het mocht, het moest niet zijn. Zij was opgeschrikt en ik had haar zien verbleeken, toen ik haar in den ochtend met zekere hartstochtelijkheid de hand kuste; ik mocht mijne aanvankelijke overwinning niet prijsgeven uit gebrek aan zelfbeheersching.
“Is het noodig te zeggen, Francis! dat gij reeds hebt wat gij vraagt? Zou ik het gewaagd hebben tot u te spreken zooals ik deed, zoo ik niet een oprecht, een trouw vriend voor u had willen zijn?” [210]
“Dat zie ik in, en daar heb ik behoefte aan. En nu, wil mij eens gul uit zeggen, of gij mij, ondanks alles, niet in uw hart gelijk geeft tegen grootpapa en den kapitein; en ziet gij, dàt kwam ik u vragen. De wijze waarop gij het tegen mij opnaamt, bracht mij met mij zelve in strijd, en toch.... het waren geen verwijten uit de lucht gegrepen, die ik hun deed, en het is werkelijk wat ik zie komen: de kapitein ruïneert zich voor ons en mijn grootvader laat het zich aanleunen. Dat’s ergerlijk, niet waar?”
“Zeer verkeerd, ik stem het toe.”
“Rolf teert van den hoogen boom, ik ben er zeker van; en als de generaal mij ontvalt, blijf ik levenslang met den kapitein opgescheept!”
“Levenslang! dat zou erg zijn.”
“Ja! heel erg, maar het kan toch niet anders, want als de man zich arm gemaakt heeft voor ons, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat ik hem niet verstooten kan; ik mag hem er eens mee dreigen, als hij overmoedig is en meent dat wij hem niet missen kunnen, maar doen zal ik het nooit, al zie ik al het verdriet en bezwaar vooruit van zoo’n blok aan het been. En nu vraag ik u, heb ik bij dat alles zoo groot ongelijk, dat ik eens boos word en uitbarst?”
“In den grond hebt gij gelijk; maar gij hebt groot ongelijk in den vorm.”
“Och kom! altijd met uwe vormen....”
“Het spijt mij zelf dat ik weer la corde sensible moet aanslaan. Ik ben niet van de leer que la forme emporte le fond, dat stel ik op den voorgrond; maar toch, eene vrouw die er zich zoo grof tegen vergrijpt, heeft ongelijk, al ware zij overigens nog zoozeer in haar recht.”
“Als ik het den kapitein niet eens duchtig zeg, baat het niets.”
“Ik heb niets tegen duchtig zeggen waar de verontwaardiging tot spreken dwingt. Maar wie ruw uitvaart, overtuigt zeer zeker zijne partij niet en beleedigt allereerst [211]zich zelf; en zoo het eene vrouw is die in hare drift woorden uitflapt, die een fatsoenlijk man zich schamen zou in hare tegenwoordigheid op zijne lippen te nemen, dan heeft zij zich tegen hare eigene waardigheid vergrepen en moet er op rekenen dat zij met dezelfde munt betaald kan worden, die zij uitgeeft. Ik zou geen oprecht vriend zijn, zoo ik u hier niet waarschuwde. Verbeeld u eens wat het geweest zou zijn, zoo de kapitein u geantwoord had in de kazernetaal, die hij zelf zeker nog niet heeft verleerd?”
“Dat had hij eens moeten probeeren!”
“Het zou toch niets meer geweest zijn dan zijn recht. Meent gij dan het privilegie te hebben om tegen iedereen uit te varen zonder dat er la peine du talion op volgt? Dat bewijst minder cordaatheid dan ik in u wachtte; er maar op los te trekken als gij weet dat niemand u aandurft!”
“Het komt mij voor,” sprak zij glimlachend, “dat gij uw best gedaan hebt om mij dien waan te ontnemen.”
“En daarom zeker hebt gij zooveel haast om mij weg te zenden niet waar?”
“Neen Leo!” viel zij gulgauw uit, en een blos overtoog haar gelaat; “dàt is het niet, geloof mij; dàt niet; maar ik zie toch niet in, waarom gij u juist behoeft op te werpen als de wreker der verdrukte onnoozelheid van mijne vazallen, zooals gij ze noemt; en ik beken u ronduit dat het mij zeer zou doen, zoo gij alliantie maaktet met hen tegen mij; want in vollen ernst, ik ben hun slachtoffer, al schijnt de verhouding uiterlijk omgekeerd.”
“Dat heb ik reeds begrepen, Francis, en het is juist daarom dat ik nog hier blijf. Het is zeer verre van mij, het met hen eens te zijn. Aan uwe zijde is het recht en de gezonde, verstandige opvatting van het leven, dat men op de Werve behoort te leiden in uwe omstandigheden...”
“Nu, wat gij daar zegt doet mij goed; want ik beken u dat gij mij in strijd had gebracht met mij zelve, door [212]dien blik van minachting dien gij mij hebt toegeworpen.”
“Die gold enkel de wijze waarop gij hier verbetering en hervorming meendet in te voeren; juist dat uitvoeren is glad verkeerd.”
“Ik weet heel goed dat het niets helpen zal, wat ik ook doe of zeg. Daarbij, ik beklaag mijn grootvader te veel om hem àl te groote ontberingen op te leggen; maar als de verkwisting met den dag stijgt, en waar ik weet dat ik zelve geen offers meer heb te brengen, omdat.... andere plichten mij binden, dan is het niet te verwonderen dat ik eens uitval.”
“En toch zou ik u raden het eens op andere wijze te beproeven. Ik heb een vast geloof in de macht der zachte vrouwelijke overredingskracht; oefen die en zie eens wat zij zal uitwerken.”
“Tegen behoeften en hebbelijkheden die tot eene tweede natuur zijn geworden!” viel zij in met schouderophalen.
“Welnu, indien gij er niet veel mee wint bij hen, dan zult gij er toch groote winst van wegdragen voor u zelve, daar ben ik zeker van. Gij hebt mij zelf gezegd, dat uwe opvoeding verwaarloosd is, niet zóó zeer toch of gij hebt Schiller gelezen.”
“Die Räuber,” viel zij ondeugend in.
“Dus niet zijne Macht des Weibes; niet het:
“Was die Stille nicht wirkt, wirket die Rauschende nie!”
Zij schudde ontkennend het hoofd.
“Dan is dit punt in uwe vorming althans verwaarloosd.”
“Dat ontken ik niet,”
“Maar c’est à refaire; mag ik er u op wijzen en zult gij naar mij luisteren?”
“Zeker als gij Schiller reciteert, en vooral, als gij goed voordraagt.”
“Ik zal mijn best doen.” [213]
“Maar nu niet, want ik heb u al veel te lang opgehouden en.... en.... gij blijft nu toch hier?”
“Zoolang gij mij houden wilt, Francis!”
“Blijf zoolang gij zelf kunt, als maar hetgeen gij hier waarneemt u niet al te veel tegen de borst stuit.”
“Ik zal de cotte de mailles van mijn voorzaat te baat nemen, om daartegen geharnast te zijn.”
“Goed zoo; dus tot het naaste uurtje rustig samenzijn! Ik ga paardrijden; ik moet frissche lucht en beweging hebben.”
“Apropos! en de dienst dien gij mij te vragen hadt?”
“Och, ik kan er wel buiten: het was maar.... de kapitein wilde mij een rijzweep present doen, en....”
“En die zoudt gij liever willen aannemen van mij, niet waar?” vroeg ik lachend.
“Neen, neen! Zóó is ’t niet gemeend. Ik zou graag tien gulden van u leenen, als gij ze missen kunt; over een paar dagen heb ik zelve weer geld.”
“Is ’t gedecideerd dat ik u geen cadeau mag doen vandaag, bij wijze van souvenir?”
Zij gaf een beslist “neen” ten, antwoord. Toen reikte ik haar mijn portemonnaie, en zij nam er uit wat zij goedvond.
Eene kluchtige uitkomst van den geleverden slag, niet waar? Maar het komt mij toch voor dat ik terrein heb gewonnen.
Daar ik ook behoefte gevoelde aan frissche lucht, en de lust tot schrijven mij voor ’t oogenblik vergaan was, besloot ik mijn biljet aan Overberg zelf naar de brievenbus te brengen, indien het bleek, dat er zoodanige inrichting op het dorp bestond. Beneden vond ik den generaal ook gereed om uit te gaan, en op mijne vraag, waar men hier de brieven bezorgde, bood hij mij aan met mij op te wandelen. Het ging de rechte, breede laan door, en wij bereikten den straatweg die door het dorp liep. Aan een van de eerste huizen bevond zich de brievenbus van het [214]hulpkantoor, dat door een der functionarissen van de gemeente werd geadministreerd. Von Zwenken moest er zelf heen, want hij had een brief te bezorgen (ook aan Overberg denk ik) dien hij liefst aan de opmerkzaamheid van Francis onttrok, zooals hij mij zeide. Hij hoopte daarbij een pakket te vinden, dat hij zelf moest afhalen en dat ook werkelijk werd overhandigd; maar het scheen niet aan zijne verwachting te beantwoorden, want toen hij het met zekere zenuwachtige haast had geopend, stak hij het met eene beweging van verdriet en teleurstelling in zijn zak en zuchtte diep. Bij het terugwandelen meende hij zich daarover eenigszins te moeten verklaren en deed mij verstaan, dat het onnoodig was er met Francis over te spreken. “Ik heb zoo mijne eigene zaken, die buiten haar moeten omgaan, want zij zou er toch niets van begrijpen en het denkelijk niet met mij eens zijn, en nu gij haar reeds kent in hare eigenaardigheden, zult gij het natuurlijk vinden dat ik liefst discussies met haar vermijd. Op mijn leeftijd, en als men de rust lief heeft.. gij verstaat mij?”
“Heel goed, maar Francis is toch te verstandig om altijd zoo door te draven.”
“Ja, zij heeft gezond verstand, dat is waar, maar als zij eene opvatting heeft en haar grand cheval de bataille bestijgt, dan hebt gij zelf gezien hoe zij er op voortholt door dik en dun, zonder na te denken wie zij er mee kwetst of bespat. ’t Is toch heel natuurlijk dat de kapitein, die zijn heele positie aan mij dankt, eenige attenties voor mij heeft, en gij hebt gehoord hoe averechts zij dat opneemt. Zoo is het met alles; in plaats van mij dank te weten dat ik mij om harentwille in deze woestijn heb geretireerd, doet zij niets om mij hier het leven dragelijk te maken. Ik heb nog vrienden genoeg, die hier graag nog eens een dag wilden komen passeeren, maar freule Mordaunt schrikt ze allen af sinds de kapitein hier is. Zij is zeker bang dat hij zich vergrijpen zal tegen den goeden toon.” [215]
Er was iets pijnlijks in de machtelooze bitterheid van dien grijsaard; maar wekte hij mijn medelijden, mijne achting won hij niet: ik voelde te zeer waar het haperde en hoe zijne voorstelling juistheid miste. Liever dan met zijne klachten over Francis in te stemmen, beproefde ik eene afleiding te maken.
“De Werve ligt toch in eene heerlijke streek, oom!”
“Dat geef ik u toe, en het is voormaals eene mooie possessie geweest, maar als men niet eigenlijk zin heeft voor het landleven en van alle jachtvermaak moet afzien, zooals ik, den winter en zomer blijven moet en geen rijtuig kan houden, dan is men tot het uiterste isolement gedoemd. Het dorp zelf biedt niet de minste ressources; te voet kan men niet in de stad komen, en de omliggende plaatsen zijn allen veel te verwijderd om er eenige conversatie mee te houden; daarbij met Francis en in mijne veranderde positie zou dat ook niet best gaan.”
“Om de waarheid te zeggen, oom! verwondert het mij eenigszins dat gij u niet van dat oude kasteel ontdoet, sinds gij toch geen smaak vindt in het landleven en de gelegenheid mist om partij te trekken van de gronden.”
“Voor dat laatste, beste jongen, moet men geld hebben, veel geld, waaraan het mij altijd heeft ontbroken en wat het eerste betreft, dat zou ik graag willen, want ik kan beter en goedkooper wonen in de eene of andere kleine stad; maar er zijn voor mij ontzaggelijke bezwaren verbonden aan den verkoop van dit goed; ik zou er eene enorme som voor moeten vragen, omdat het, onder ons gezegd, nogal bezwaard is, en niemand kon er veel voor geven, daar ik door allerlei tegenspoed de bezittingen deerlijk heb moeten verbrokkelen. Iemand die een kasteel koopt, met zijne heerlijke rechten, wil tegelijk bezitter worden van de bosschen, van de omliggende gronden, en.... ik ben daarvan niet meer de eigenaar.”
“Mogelijk zou iemand die in de nabijheid zijne eigendommen had er nog wel toe komen kunnen om u bijzonder voordeelige condities toe te staan.” [216]
“Hm! gij zegt daar zoo wat. Mijne schoonzuster heeft eenige jaren geleden het groote buitengoed aangekocht de Runenberg genaamd, vlak bij de uiterste grens gelegen van hetgeen eens het mijne was, en zij heeft mij toen een dergelijk voorstel laten doen, dat ik verworpen heb uit familiehaat, uit zucht om haar te contrarieeren, en allermeest omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon voor háár, juist voor háár plaats te moeten maken.”
“Dàt bezwaar is nu althans uit den weg geruimd.”
“Ja, Goddank! Maar gij weet niet, wat ik van die nabuurschap geleden heb, hoewel zij zelve zich nooit op haar landgoed heeft vertoond; maar zij had hare handlangers, die al ras begonnen met twist te zoeken over de rechte grensscheiding; er ontstond een proces uit om het bezit van een handbreed land, waar wij geen van beiden iets aan hebben, dat mij duizenden heeft gekost. Het spreekt van zelf dat zij het won, de slimme feeks; en toen het eens uitgemaakt was, begon zij nieuwe chicanes te maken en betwistte mij het recht van overtocht over een bruggetje, dat tot het strookje land in kwestie had behoord tot algemeen nut en gebruik, maar door haar uitsluitend eigendom van den Runenberg werd ondermijnd. Opnieuw moest er met procureurs en advocaten gebesogneerd worden, maar tot een proces kwam het ditmaal niet, daar ik al te zeer geplunderd was om het tegen haar vol te houden; maar weer behield zij het veld, en al wat hier rondom de erve woont heeft er den last van, want wij moeten nu een verren omweg maken om te bereiken wat vroeger door die brug nabij lag. Zoo is ’t met alles gegaan, en zij heeft in alles gezegevierd. O dat wijf! dat’s de kanker die mijn leven heeft verteerd.”
“Maar indien zich nu iemand opdeed, die hare rechten had verkregen op de aangrenzende bezittingen....”
“Gij meent op den Runenberg? Dat zou haar erfgenaam moeten zijn! Hebt gij reden om te denken dat deze lust zou hebben het kasteel met zijn toebehooren, [217]zooveel en zoo weinig als het nog is, onder de hand van mij te koopen?” vroeg de generaal, en er kwam leven en gloed in zijne doffe oogen, toen hij die vraag deed.
“Overberg, die wist dat ik hier heen ging, heeft mij opgedragen u te verwittigen dat er weldra gelegenheid zal zijn om de Werve op het voordeeligst over te doen.”
“Over te doen! Dus onderhands, zooals met de boerderij, dat hij ook voor mij heeft bered! Want om redenen kan er van publieken verkoop geen kwestie zijn.”
“Dat meent Overberg ook; de vraag is maar, of gij tot het eerste zoudt kunnen besluiten.”
“Ik! Wel, van ganscher harte; maar Francis.... dat is wat anders! Zij hecht aan dit oude rattennest, aan familie-tradities, aan, de Hemel weet wat, tot zelfs aan de heerlijke rechten, die God betere ’t, in niets meer bestaan dan den titel, en waarvan zij zich nog heel wat voorstelt. Zij heeft zich in ’t hoofd gezet eenmaal vrijvrouwe van de Werve te zijn, en ’t is hare illusie die leelijke oude cavalje nog weer eens een goed aanzien te geven.”
“Dat’s toch zoo’n kwaad voornemen niet.”
“Neen! Maar zij heeft nooit goed gevonden het eenige middel aan te grijpen om tot de fortuin te komen waardoor zij dat ideaal zou kunnen verwezenlijken. Zij heeft indertijd maar te kiezen gehad uit menige goede partij, maar zij heeft al die kansen lichtzinnig verachteloosd. Nu, bij de afzondering waarin wij leven, zal er wel niets van een huwelijk komen. En toch obstineert zij zich om de toekomstige ruïne met beide handen vast te houden of er een schat in verborgen lag.”
“Maar gij zijt immers zelf heer en meester van ’t kasteel en hebt hare toestemming niet te vragen.”
“Rechtens niet, dat is waar, maar er zou geen huis met haar te houden zijn zoo ik dat deed. Daarbij, zij heeft wel recht om er in gekend te worden. Ziet gij, neef! toen zij meerderjarig was geworden, moest ik er [218]voor uitkomen dat een goed deel van haar moederlijk vermogen nog bij ’t leven van hare ouders als tot niets was gereduceerd. Dat was mijne schuld niet. Sir John Mordaunt hield van eene schitterende leefwijze en had zijn huis ingericht op Engelschen voet, zonder Engelsch geld, want hij was maar een tweede zoon, en zijn pensioen als marine-officier was niet toereikend. Even voor zijn dood echter was er een oud-oom gestorven, die aan Francis voor haar naam een niet onaanzienlijk legaat had toegekend; ware zij een zoon geweest, dan zou de geheele schitterende fortuin van den ouden baronet met landgoederen en tot den titel toe haar ten deel zijn gevallen; nu waren eenige honderden ponden sterling al wat zij kreeg. Eer mijn schoonzoon nog tijd had gehad om over dat geld te beschikken, stierf hij aan eene beroerte. Ik werd voogd; maar de toeziende voogd, die er zich op scheen te zetten om het mij lastig te maken, nam een procureur in den arm, die met den code in de hand mij verplichtte om alles wat Francis toekwam, van haar legaat zoowel als van de niet veel beduidende ouderlijke nalatenschap, op het grootboek te plaatsen, eene zekere, dat wil ik wel toegeven, maar toch eene zeer schraal rendeerende plaatsing voor onzen tijd. Ik genoot de renten voor de opvoeding en het onderhoud mijner kleindochter, die meer dan dat kostte, omdat zij de caprice had den geheelen stoet bedienden van het huis haars vaders, zijn stal en equipage aan te houden, en ik, die met haar leven moest, te zwak een voogd was om de zeventienjarige iets te weigeren, wat zij met zulk eene vastheid van wil doorzette. Eindelijk bij hare meerderjarigheid en toen het mij door allerlei tegenspoed zeer slecht gegaan was, reduceerden wij onze huishouding tot het strikt noodige, naar mijn rang en positie, zooals vanzelf spreekt. Maar een allernoodlottigst samentreffen van omstandigheden maakte het noodig dat ik op eens over eene groote som gelds kon beschikken om eene gapende wonde te dekken, die, openlijk blootgelegd, [219]ongeluk in schande zou hebben verkeerd, en mij verplicht zou hebben reeds toen mijn ontslag te nemen. Francis is heftig en eigenzinnig, dat is waar, maar zij heeft een grootmoedig karakter en een liefderijk hart voor lijdenden. Zij zelve bood mij aan, zooveel noodig mocht zijn van haar vermogen los te maken om de dreigende ramp te voorkomen. Ik moest aannemen, ik kon niet anders; maar ik nam aan als een voorschot, als een schuld die ik eenmaal hoopte te voldoen en waarvoor ik haar bij mijn overlijden het bezit van de Werve toekende.”
“Maar.... zij is immers uw eenig kleinkind; volgt dat dan niet vanzelf? Of.... ik meen gehoord te hebben dat gij een zoon hebt gehad, generaal! Is die gehuwd en heeft die kinderen?”
“Mijn zoon.... is dood!” bracht de generaal uit met haperende stem. “Hij is nooit getrouwd geweest daar ik van weet; hij heeft althans nooit mijne toestemming tot een huwelijk gevraagd noch verkregen, en zoo hij kinderen heeft nagelaten, zijn het bastaards—niets dan dat!”
“Waarom dan die voorzorg, beste oom? Verschoon mij de vraag, die wellicht onbescheiden is, maar uit belangstelling in Francis wordt gedaan.”
“Juist om de schuld die ik aan haar heb en waarvoor de Werve haar borg is. Na mijn dood zullen mijn schuldeischers het kasteel niet kunnen verkoopen zonder dat ze met Francis te rekenen hebben.”
Ziedaar waarop tante Sophie zelve zeker niet had gerekend. De straf die zij von Zwenken toedacht, zou dus eigenlijk op Francis worden toegepast.
“Gij begrijpt dus wel,” ging de generaal voort, daar ik zweeg, “dat ik bij mijn leven het kasteel niet verkoopen kan zonder hare toestemming, tenzij ik begon met dat geld terug te geven; en als dat zijn moest zou de geheele verkoop mij niet veel baten.”
De jammerlijke egoïst zag er dus niet tegen op zijne [220]kleindochter ganschelijk te berooven, als zij zelve maar in die plundering wilde toestemmen. Welk een man! En dit alles onder fijne vormen en eene bonhomie waarvan de scherpzinnigste dupe moest zijn. Was het wonder dat Francis zoo weinig menagement had voor de vormen, daar zij veel te helder zag om niet te weten wat er onder kon schuilen?
“En draagt Overberg kennis van die overeenkomst tusschen Francis en u?” vroeg ik.
“Neen; er waren redenen waarom ik bij die gelegenheid iemand anders gebruikte. Mijn testament ligt bij een notaris te Arnhem.”
“Maar vreest gij niet dat uwe kleindochter bedrogen zal uitkomen bij uw overlijden, sinds gij mij mededeeldet dat het kasteel bovendien nogal bezwaard is?”
“Wat zal ik u zeggen, mon cher! nood breekt wet, en ik heb altijd nog hoop mijne fortuin te redresseeren eer het zoo ver komt.”
Zijne fortuin te redresseeren op zijn leeftijd! Waarmee dacht de man dat te doen? vroeg ik mij zelve af; maar.... ik herinnerde mij het pakket, ik had even een blik op den inhoud kunnen werpen: het schenen lijsten, loten, vermoedelijk van eene buitenlandsche loterij. Als de ongelukkige daarop zijne hoop bouwde en daarvoor de weinige hulpmiddelen veil had, die hem nog ten dienste stonden, dan was het toch wel ver met hem gekomen, dan was het niet eens meer slim beleid—dan was hij tot idiotisme gezonken.
“Neef!” sprak hij op eenmaal met levendigheid, of hij een lumineusen inval kreeg, “als het waar is dat Overberg met mij over den verkoop van het kasteel wil onderhandelen, zou het niet kwaad zijn zoo gij Francis eens op het chapitre bracht en haar polste hoe zij er over dacht. Het komt mij voor, dat gij wel eenigen invloed hebt op haar. Wij zouden een heel eind gevorderd zijn zoo gij haar wist te bewegen om van dat idée fixe af te zien.” [221]
“Ik beloof het u, oom! dat ik met Francis spreken zal over die zaak!”
“Gij kunt nog als argument aanvoeren, dat het gezelschap van den kapitein mij minder noodzakelijk zou zijn, als ik eens in eene plaats gevestigd was, waar ik wat conversatie had.”
Gelukkig behoefde ik niet te antwoorden: wij waren bij het huis; de bel luidde voor het tweede ontbijt, de kapitein zelf kwam ons gulhartig te gemoet. Francis was nog niet terug; wij gebruikten het luncheon zonder haar.
Eerst bij het diner verscheen zij weer. Zij was gekleed in een grijze japon, even eenvoudig van fatsoen als van kleur maar die haar keurig zat; haar elegante taille kwam er goed door uit, en zij droeg een smal linnen boordje; het verkleurde sjaaltje was vervangen door een zwart fluweel lint. Het haar ook was met zekere zorg opgemaakt; het was of zij mij stilzwijgend wilde te kennen geven, dat majoor Frans voor Francis Mordaunt had plaats gemaakt. Al was het maar tijdelijk, mij gaf het eene gewaarwording van triomf of ik den slag van Nieuwpoort had gewonnen, en nooit, Willem, heeft een damestoilet mij met zooveel stille verrukking bezield als het echt vrouwelijk grijze kleedje en dat simpele boordje van Francis! Maar was het in de bewustheid dezer belangrijke concessie of uit eenige andere oorzaak, die ik niet doorgrondde, het scheen of zij nu ook de vrije, luchtige manieren van majoor Frans had afgelegd en iets van hare vroegere onbevangenheid miste, althans tegenover mij. Zij was stil en in zich zelve gekeerd, viel niet uit tegen den kapitein, die haar met hondendeemoed naar de oogen zag, en betoonde zelfs zekere meewarige goedwilligheid jegens den generaal, die echter wat strak en distrait bleef en alleen met zijne gewone verfijnde gulzigheid het enkele fijne schoteltje savoureerde dat ditmaal op tafel kwam. Het was zeker tusschen Francis en den kapitein tot eene wapenschorsing gekomen, [222]waarbij de preliminairen voor den vrede waren gesteld; aanvankelijk was er aan haar eisch tot vereenvoudiging voldaan; wij teerden heden op de resteerende vleezen van den vorigen dag, met eene voldoende hoeveelheid spinazie en een extraatje voor den generaal, die geen aanmerking maakte toen de fijne wijn achterbleef, maar zich nu op de kwantiteit wreekte en met meesterlijke gemakkelijkheid voor zoo’n bleek en schraal personage een paar flesschen naar binnen sloeg zonder dat men het hem aanzag. Zoo’n stille, taaie opeter, die niet eens de franchise had van zijn lage ondeugd, zooals de kapitein,—die er gul voor uitkwam dat hij geen hooger genot kende dan het tafelgenot, dat hij voor zijn buik leefde,—boezemde mij een afkeer in, die tot walging steeg, als ik dacht aan ons gesprek op de wandeling.
De gelegenheid om een afzonderlijk woordje met Francis te wisselen, werd mij aan tafel niet geschonken en toch had ik behoefte haar iets te zeggen van den indruk, dien haar lief toilet op mij maakte, wat tegenover eene andere vrouw eene impertinentie zou zijn; want een compliment te maken over hare kleeding op een bepaalden dag is immers het bewijs, dat men eene uitzondering constateert; maar tegenover Francis, die zelve hare gewone achteloosheid op dit punt had erkend, kon de courtoisie, kon het welgevallen zich uiten zonder gevaar.
Toen zij opstond, geneerde ik mij ook niet tegenover de oude heeren, weigerde de sigaar en volgde haar onverwijld naar het salon; maar ook de kapitein was gevolgd, en nu, over een stoel leunende vroeg hij ootmoedig:
“Wat zegt mijn majoor nu; heb ik geen pluimpje verdiend?”
“Welzeker,” gaf zij ten antwoord, maar haar gelaat betrok. Ik vatte waarom.
“Eilieve, kapitein!” nam ik de vrijheid halfluid tot dezen te zeggen, “begrijpt gij niet hoezeer het mijne [223]nicht ergert dat gij haar altijd met dien gehaten bijnaam aanspreekt? Ziet gij niet hoezeer zij eene freule Mordaunt is, van hare elegante chaussure af tot de toppen der fijne vingeren toe, als zij zich zelve wil zijn.”
“Och, ik ben ook een domkop om daar niet beter op te letten; maar ’t is waarheid wat gij zegt, jonker! Excuseer, freule! de gewoonte, de ingeroeste gewoonte!”
“Gij en ik moeten met onze gewoonten breken, kapitein!” sprak zij zacht, doch met nadruk; “want wij zijn op den verkeerden weg; is het niet zoo jonker?”
“Excuseer mij, freule! dat ik u dit niet kan toestemmen; reeds de erkenning daarvan is een stap vooruit;” en naar haar toegaande fluisterde ik haar in: “Mag ik u gelukwenschen met uwe gracieuse metamorphose?”
“Gelukwenschen? Neen!” hernam zij ras en zacht, “want ik voel mij niet thuis in mij zelve, en in gêne ligt het geluk niet.”
“Mag ik een woordje spreken, eer de freule met den jonker philosopheeren gaat?” viel de kapitein in; “als de generaal er bij is, kunnen wij er niet over praten. Hoe denkt de freule over het vieren van den verjaardag; ik had mij voorgesteld dat het ditmaal eens recht luisterrijk zou zijn; maar als ik hoor van een verkeerden weg en van veranderingen en zulk gesnor, dan word ik haast bang dat mijn plannetje in duigen zal vallen.”
“Een plannetje, een verjaardag! Wie is er dan jarig?” vroeg Francis in verstrooiing.
“Wel, de generaal overmorgen! Hij wordt zes-en-zeventig, en ik dacht zoo, de freule zal dat aardig vinden; maar van ochtend hadden mijne preparatieven al zoo weinig succes, dat....”
“O zoo, dàt was het dus?”
“Juist dàt, en nu de jonker blijft, hebben wij ten minste één gast meer!”
“Ga nu in ’s Hemels naam uw gang, Rolf! Grootpapa moet gefêteerd worden, daar hebt gij gelijk in, maar nù....” [224]
“Poets ik hem, dat spreekt vanzelf,” zei Rolf opgeruimd, en tot zijne eer zeg ik het, hij bleef ook niet langer aarzelen of om ons heendraaien toen hij eens carte blanche had voor de feestviering; maar schoof zorgvuldig de porte-brisée achter zich toe, als om ons van de eetzaal te isoleeren.... Ik trok een lange tabouret naar mij toe, en ging tegenover Francis zitten die het hoofd op de canapé liet rusten in diepe zwaarmoedigheid.
“Gij wilt niet van geluk hooren! Francis! Gij klaagt van gêne,” sprak ik zacht, “dat grieft mij; het was mij waarlijk niet te doen om u somber en ontstemd te zien; is het u dan in ernst zoo groot een dwang, om u te toonen wat gij inderdaad zijt; eene vrouw, eene beminnelijke vrouw?”
“Ik weet niet wat gij beminnelijks in mij zien kunt, jonker van Zonshoven! want ik voel mij stijf en gedwongen, en dat is zeker niet de conditie om te behagen.”
“Ik merk ook wel dat gij u daar niet op toelegt. Wat misdaad heb ik gepleegd, Francis! dat ik op eens jonker van Zonshoven voor u geworden ben, en het gemeenzame Leo verbeurd heb?”
“Het eene hangt samen met het andere: als ik u gulweg Leo noem, dan verval ik al heel licht tot mijne gewone wijze van zijn, en ik ben niet zeker dat er dan niet eens een uitval volgt, die....”
“Gij zijt in eene plaagzieke luim, Francis! gij wilt het mij doen berouwen, dat wij Majoor Frans op den achtergrond hebben gezet.”
“Neen, dat’s mijne intentie niet, want ik geef toe dat hij daar blijven moet; alleen ben ik niet zeker, dat hij niet telkens weer op den voorgrond zal komen, want ik moet u ronduit zeggen, Leo! kostschoolmanieren heb ik nooit kunnen aannemen!”
“Maar hoe komt het in u op dat ik die van u zou wachten of eischen. Oneindig liever Majoor Frans! in zijne ruwe oorspronkelijkheid!” [225]
“Onder privilege van hem tweemaal daags zonder menagement de waarheid te zeggen,” viel zij in, maar zonder den glimlach die de scherts temperde.
“Zelfs dat, als ’t niet anders zijn kon, zou nog gezonder zijn voor geest en gemoed van beide partijen, dan de dampkring van aanstelling, namaak, onnatuur en geconfijte huichelarij, van datgene wat men kostschoolmanieren noemt.”
“Dat’s gezegend dat gij dit zoo inziet, Leo!” viel zij in, gelukkig weer in haar ouden gemeenzamen toon; “want al wilde ik het beproeven, ik zou het toch niet kunnen volhouden; het strijdt te zeer met mijne natuur. Ik ben geen poesje, zooals die allerliefste nufjes, die zoo glad en zoo fijn voor den dag komen, niet dan fulpen pootjes toonen, kopjes geven en zoetelijk streelen, maar die boosaardig en valsch zijn, en die de nagels uitslaan als men dat het minst verwacht. Ik ben ook geen slanke hazewind, die zich tot kunstjes laat africhten en voor iedereen opzit; ik ben een eerlijke trouwe wachthond, die luid kan blaffen en ferm de tanden laat zien, maar die....” Zij zweeg in zekere verwarring, verlegen hoe de phrase te voltooien zonder zich in den strik te werken.
“Die gehecht is aan zijn meester, moet er op volgen, Francis! anders komt de vergelijking niet uit.”
“Nu, goed, als hij een meester gevonden heeft, en.... en.... daar ben ik gelukkig nog niet.”
“Gelooft gij dat, Francis?” vroeg ik, haar zacht maar doordringend in de oogen ziende.
“Zeker, zeer zeker! het is zooals ik zeg,” en met fierheid wierp zij het hoofd in den nek, onder een hoogen blos; toch hield zij mijn blik niet uit, toen zij voortging met al de heftigheid die uit innerlijken strijd voortkwam: “Ik wil geen meester erkennen, Leo! nooit, nooit, geloof dat. Ik wil mijne vrijheid, mijne onafhankelijkheid bewaren, ik moet het.... als gij meer van mij wist, zoudt gij de eerste zijn om dat toe te stemmen.” [226]
“Laat mij dan van u weten wat er noodig is om dat met u eens te zijn,” drong ik.
“Ja, ja, dat zult gij zeker, maar niet nu, niet hier; ’t is in dit vertrek duf en dompig: ik heb een gevoel van angst en beklemdheid of ik hier stikken zou; ik moet de vrije lucht in,” en met een afwerend gebaar, toen ik haar wilde tegenhouden, was zij in een wip de kamer uit.
Dat was mijn geluk, want ik was op het punt om, weggesleept door mijn gevoel, haar op mijne knieën te smeeken mij tot haar heer en meester te verheffen en ik zou mogelijk duur geboet hebben voor die voorbarigheid.
Als Francis de lucht in ging, was er voor mij geen reden om thuis te blijven; ik nam mijn hoed en steeg langzaam het perron af, in ’t onzekere welken weg ik zou nemen, toen Frits, die naast een der aloë-vazen stond te droomen, mij met een leuk gezicht vertelde, dat de freule in den tuin was: ik volgde die aanwijzing en trof haar op het punt om door de tuindeur weg te sluipen.
“Mag ik u vragen waar dat heengaat, genadige vrijvrouwe?” sprak ik schertsend.
“Naar de ruïne om de zon te zien ondergaan! ’t Is een heerlijke lente-middag; heeft jonker van Zonshoven lust om mee op te wandelen?”
“Het was, meende ik, de afspraak dat wij die samen zouden gaan zien. Wilt gij mijn arm?”
“Nog niet; wij hebben eerst nog een lastig eind weg en wij moeten zien heen te komen door struik en heg, door dik en dun, eer wij het mooie effene zandpad krijgen dat er heenleidt; maar dan kunnen wij gezellig praten.”
Zij had gelijk; in ’t eerst was het geene wandeling, het was slechts eene worsteling met allerlei hindernissen, door de natuur gesteld en waar de hand des menschen zich niet verledigd had iets tegen te doen. Daar was een gemakkelijke weg naar de ruïne als men de voorpoort [227]van ’t kasteel uitging, maar het was een wijde omweg en Francis hield van recht op haar doel af te gaan; zij hield evenzeer van het strijden met bezwaren, als zij van het gladde, gebaande pad zekeren instinctieven afkeer had. Ik plaagde haar met deze neiging, die ze ook in ’t gewone leven toonde, en kon mij niet weerhouden haar te waarschuwen, dat hier zeker de oorzaak lag waarom zij door velen zoo geheel verkeerd werd beoordeeld.
“Daar weet ik alles van,” gaf zij ten antwoord met een minachtend schouderophalen, “maar daar is niets meer aan te verhelpen, dat’s een gevolg van mijn kwâjongensnatuur. Ik laat me nooit onder één lijntje brengen met anderen, daar kunt gij staat op maken, très cher cousin!”
“Dat zou ik ook waarlijk niet verlangen; gedwongenheid waarbij uwe levendigheid, uwe opgeruimdheid moest ondergaan, zou u al heel slecht passen; als gij mij maar vergunt zeker personage tot de orde te roepen als hij in zijne onbesuisdheid freule Mordaunt te kort zou doen.”
“Gij schijnt er aan te hechten,” sprak zij met een zacht hoofdschudden,—“aan die freule Mordaunt; maar wij zullen zien. Daar hebben wij nu het gemakkelijke zandpad, en wij kunnen rustig voortwandelen.”
Zwijgend bood ik haar mijn arm, dien zij nam, terwijl zij aanving:
“Men zegt van mij, dat mijne opvoeding verwaarloosd werd, dat is in eigenlijken zin niet waar. Ik ben gansch niet in ’t wilde opgegroeid. Men heeft zelfs zeer veel werk gemaakt van mijne vorming; maar juist die leiding heeft mij ontbroken, waaraan ik de meeste behoefte had, want ik ben opgevoed als een jongen! Zooals gij reeds gehoord hebt, overleefde mijne moeder slechts weinige dagen mijne geboorte; zij althans heeft geen schuld aan ’t geen men tegen mij heeft gepleegd. De zuster van Rolf, slachtoffer eener lage verleiding, en ongehuwde moeder, maar overigens eene flinke, eerlijke boerendeern, werd [228]mijne min. Haar kindje was gestorven en al wat er van moederlijke liefde in haar hart school, werd op mij overgebracht. Ik was haar kind. Zij verstond het niet anders. Ook is zij mij bijgebleven tot haar dood, toen ik reeds geen kind meer was. Maar hare liefde was toch eene andere dan zij aan haar eigen kind zou hebben betoond. Onze vrouwen uit den boerenstand plegen geen zwakke moeders te zijn; en zij was dàt voor mij. Zij gaf mij in alles mijn zin, en haar argument voor die toegevendheid was altijd dat er geen mensch in de wereld was als zij om mij lief te hebben. Dat was overdrijving; want grootpapa, die destijds met mijn vader hetzelfde huis bewoonde hield van mij, hoewel het maar al te waar was dat Sir John Mordaunt zich al heel weinig om het kleine meisje bekommerde. Waarheid is, dat hij een zoon gewenscht had, niet alleen ter wille van zijn naam, maar ook omdat daaraan zijne toekomstige fortuin hing. Hij had een zoon gehad, evenals ik Francis gedoopt, op wiens bestaan groote verwachtingen waren gebouwd, doch die slechts een half jaar leefde. Twaalf maanden na dit verlies, waarover mijn vader zich nooit heeft kunnen troosten, werd hem die dochter geboren, die door hem met zoo weinig ingenomenheid werd begroet, dat de moeder zelve er smartelijk door werd getroffen. Na alles wat ik later heb ondervonden, moet ik onderstellen, dat leedwezen over de grievende teleurstelling die zijne koelheid haar veroorzaakte, de laatste levensuren mijner moeder heeft vergald, zoo niet haar dood heeft verhaast. Hoe dat ook zij, Sir John Mordaunt wilde niets van zijn kind weten, totdat op zekeren dag ‘Nurse,’ die deze onverschilligheid niet uitstaan kon, mij eens bij hem binnenbracht, om te laten zien welk een kloek ferm kind ik was, en hoezeer het meisje het in kracht en gezondheid won van het kwijnende jongske, dat geen zeven maanden had kunnen leven. ‘Waarachtig, dat kon best een jongen zijn!’ moet papa toen hebben uitgeroepen, naar ’t verhaal van Rolf, die tegenwoordig was. En van [229]dien dag af begon Sir John zich met mij bezig te houden dat wil zeggen aan mijne opvoeding een bijzondere richting te geven, die mij gemaakt heeft wat ik nu ben en die mij mogelijk tot nog veel ergers zou gebracht hebben, zoo niet tusschentredende personen en omstandigheden de uitwerking zijner ongewone opvoedingsmethode eenigszins gewijzigd hadden. Onder pretext van hygiëne en Engelsch gebruik liet men mij tot mijn zevende jaar een ruim en gemakkelijk kostuum dragen, dat Nurse met minachting ‘een jongenspak’ noemde, maar dat bijzonder geschikt was om mij tot allerlei lichaamsoefeningen in staat te stellen. Toen ik even loopen kon, kreeg ik al een meester in de gymnastiek; ik werd gehard tegen hitte en koude als een jonge Spartaan; Rolf werd gelast mij de exercities te leeren toen ik pas een kindergeweer kon dragen. Hij verzuimde evenmin mij les in het schermen te geven, en het ontbrak mij niet aan gelegenheid om mij in die nobele kunst te oefenen, daar alle jonge officieren die bij ons aan huis kwamen er pleizier in vonden, of dat uit complaisance voor papa voorwendden, om zich met mij te meten. Eene wezenlijke of eene gewaande triomf over hen werd mij door Sir John op het schitterendst beloond. Ik mocht ieder mijner invallen botvieren, als het maar wilde, brutale, jongensachtige caprices waren. Ik weet niet wanneer men begonnen is mij den bijnaam van den ‘kleinen majoor’ te geven, noch zelfs waarom; ik onderstel dat het Rolf is geweest die dit heeft bedacht, om mij bewijs te geven van zijne diepe vereering en tegelijk om mij te onderscheiden van grootpapa, die toen tot den rang van majoor was geklommen; maar ik weet wel dat papa smaak vond in die benaming en niet naliet haar telkens te gebruiken, en ik herinner mij nog zeer goed, hoe ik verbaasd stond toen een officier, denkelijk een new come, mij als freule Francis aansprak. Ik weet wel, dat ik het heel kwalijk opnam en een Engelschen vloek uitstiet van ergernis, dien ik Sir John meermalen had [230]hooren bezigen. Ik weet ook, dat papa mij toen van den grond tilde en mij al lachende kuste. Het was de eerste maal dat hij mij op die wijze zijne vaderlijke teederheid toonde. Was het mijne schuld dat ik dat grove woord een mooi woord achtte en niet naliet er meer van dien aard te baat te nemen als ik mijn zin wilde hebben of eenige kracht wilde leggen in mijne uitdrukking. Er werd altijd over gelachen, ik werd er voor gekust en toegejuicht.... hoe had het anders kunnen zijn!”
“’t Is zelfs te verwonderen dat de kwade gewoonte er u niet van bijgebleven is.”
“Lang genoeg, om u de waarheid te zeggen; en nog ben ik niet zoo heel zeker dat niet in drift.... Toch moet ik Nurse de eer geven, dat zij er op hare wijze tegen reageerde door te vertellen, dat vloeken zonde is; want zoodra ik eenigszins de portée van dat woord vatten kon, had zij mij daartegen een heilzamen afschrik ingeboezemd. ‘Maar mag papa dan zonde doen?’ vroeg ik.—‘O, voor heeren is dat wat anders.’—‘Dan wil ik ook geen meisje zijn!’ En dan volgde er doorgaans een gesprek waarbij de eerlijke vrouw op hare wijze moraal predikte. Het eindigde altijd daarmee, dat ik boos was geen heer te wezen, en werkelijk heeft de spijt van maar een meisje te zijn mijne onbezorgde kinderjaren vergald. En de woede waarmee ik witte neteldoeksche jurkjes en sierlijke hoedjes vernielde, die Nurse mij op zekeren tijd eigenmachtig te dragen gaf, bewees wel dat er al heel weinig een meisjesaard in mij zat.”
“Die school er wel in, Francis! ik ben er zeker van. Maar men heeft de natuur geweld aangedaan en....”
“Dat is zoo waar, dat ik nooit anders dan jongensspeelgoed kreeg: trommels, zweepen, soldaten, en toen grootpapa eens op het idee kwam om mij een pop te geven, werd die terstond met diepe minachting weggesmeten. De plooi had zich gezet; papa kon gerust zijn. Op kinderenpartijen liet men mij niet gaan; jongejuffrouwtjes kwamen bij ons niet aan huis; ik groeide op [231]in den kring van groote menschen, officieren, liefhebbers van de jacht en van paardrijden, eene oefening waarvan ik op mijn achtste jaar al kon meepraten, en van vrouwen merkte men bij ons niets dan de dienstboden en Nurse. Toen er kwestie was van leeren, kreeg ik meesters aan huis, en toen Nurse zich niet langer in staat verklaarde het wilde, eigenzinnige, onmanierlijk kind te regeeren, kreeg ik.... een gouverneur! Het was een schrander man, die veel kennis bezat, maar een laag karakter; een bruikbaar mensch, zooals men dat noemt, en die zich ook werkelijk heeft laten gebruiken om mij af te richten op de rol, die men mij wilde laten spelen in de mystificatie op groote schaal die men voor had. Het is mij later gebleken, dat Sir John den dood van zijn zoontje in Engeland geheim had gehouden, evenals de geboorte van zijn dochter; dat hij de laatste de plaats van den eerste wilde doen innemen aan gene zijde van ’t Kanaal, en dat hij de mogelijkheid voorbereidde mij daarvoor te doen optreden in zekeren bepaalden kring. De afzondering waarin men mij hield, het onderwijs dat men mij gaf, de bijzondere richting die Dr. Darkins en Sir John altijd aan hunne gesprekken gaven, strekten om mij te isoleeren van de personen mijner sekse, om mij een afkeer in te boezemen van hare levenstaak, en zekeren wrevel over de positie die ons in de maatschappij is toebedeeld, terwijl daarentegen mijne zucht tot onafhankelijkheid werd gevoed en gevleid, en men aan mijn geest, aan mijn karakter zekere eigenaardigheden trachtte te geven, die men kloeke, mannelijke vorming noemde, hoewel ik later die hooggeprezen hoedanigheid veel minder bij de meeste mannen dan bij enkele vrouwen heb waargenomen. Ik deed mijne winst met die opvoeding, maar niet op de wijze die het meest gunstig was voor hunne oogmerken, want ik haatte alle bedrog en onwaarheid, en achtte dat laagheid en lafheid, terwijl het mijn lust was mij kloek en open te vertoonen voor ieder, zooals ik was. [232]
“Ik houd mij overtuigd, dat grootpapa geen deel heeft genomen in dit komplot, hetzij hij er het gevaarlijke van inzag, of dat het streed tegen zijn principes, een meisje te zien opvoeden zoo geheel à contre sens van hare bestemming; maar hij beging de zwakheid om niet ronduit voor zijn gevoelen uit te komen en zich niet rechtstreeks te verzetten tegen hetgeen hij verkeerd achtte. Alleen zijdelings contrarieerde hij het plan van Sir John, schonk mij werkdoosjes en breimandjes, op een tijdstip dat ik naaien noch breien kon, en lag altijd met dr. Darkins overhoop, dien hij volstrekt niet lijden mocht en die het hem uit alle macht vergold. Er vielen dan tusschen hem en Sir John discussies voor, waarvan ik iets later de beteekenis begreep, maar die daarmee eindigden, dat grootpapa van garnizoen veranderde, denkelijk op eigen verzoek en dat wij ons niet als gewoonlijk met hem verplaatsten. Rolf trok mee weg, maar de officieren en de andere heeren van de stad (de hoofdstad van de provincie), die ons huis frequenteerden, vonden er een veel te gul onthaal om niet in de gewoonte te blijven, al gebood de plicht het hun niet meer tegenover een hoofdofficier. Want sir John leefde op den voet van een Engelsch baronet die drieduizend pond te verteren heeft. Voor mij echter had er weldra eene groote verandering plaats. Ik was mijn veertiende jaar ingetreden: dr. Darkins kreeg zijn afscheid, en ik werd op eene kostschool geplaatst; een voornaam dames-instituut. Ik moet er dit wel bij zeggen, want na alles wat ik u van mijns vaders handelwijze met mij heb verteld, zoudt gij in de war kunnen raken.”
“Toch niet; hetgeen gij over kostschoolmanieren gezegd hebt moet uit eigen ervaring zijn gegrepen.”
“Dat is maar al te waar! Ik rookte al dapper fijne sigaartjes, al had grootpapa mij gewaarschuwd, dat ik mijne tanden zou bederven, en nu werd op eens besloten dat ik onder de jonge meisjes moest, om een goeden toon te krijgen!—Ik dankte dezen plotselingen omkeer [233]aan het bezoek van mijns vaders zuster, aunt Ellinor, eene dame die met een bejaarden graaf was getrouwd en nu met hem het ‘continent’ bezocht. Mylord had voor het badseizoen een appartement te Scheveningen gehuurd en had geen lust the Dutch provinces dieper in te gaan. Mylady echter wilde haar broeder weerzien. Zij overviel sir John zonder waarschuwen, dat bleek uit alles. Zij bleef twee dagen bij ons logeeren met hare kamenier; maar hare eerste ontmoeting met mijn vader, waarbij ik tegenwoordig was, deed mij opeens een licht opgaan over ’t geen mij tot dusver onverklaarbaar was gebleven.
“En Francis moet nu al een flinke jongen zijn; wat zult gij van hem maken?” hoorde ik haar zeggen.
“Van Francis is niets te maken, want zij is maar een meisje,” antwoordde mijn vader knorrig en verlegen. “Het oudste kind, een zoon, is gestorven. Ik heb niets dan dit.”
“John, John!” riep de lady verwijtend, “en de heele familie verkeert in het denkbeeld dat gij een zoon hebt en gij hebt niets gedaan om ons uit de dwaling te helpen, en de oude baronet, die u jaarlijks de toelage uitkeert voor zijn erfgenaam, rekent er op dat deze eenmaal naar Engeland zal overkomen om hem te worden voorgesteld. Waar moet dat heen! Is dat gentlemanlike?”
Papa lispelde zoo wat van “absolute necessity” en scheen een beroep te doen op hare medewerking.
De fiere lady barstte los in verontwaardiging.
“Meent gij dat ik bij deze misleiding uwe handlangster zal zijn?”
Sir John, die mij nu eerst opmerkte, daar ik in eene vensterbank zat, half verscholen tusschen de zware gordijnen, liet eene krachtige verwensching hooren, die mij gold en die niets bewees dan zijne teleurstelling over het mislukt ontwerp. Hij beval mij, onverwijld de kamer te verlaten, daar hij met lady Ellinor had te spreken.
Maar ik was veel te weinig aan volgzaamheid gewoon om zoo onverwijld te gehoorzamen. Ik liep schielijk op [234]Lady Ellinor toe om haar te zeggen dat ik Francis was, en nam mij voor haar te vragen, waarom zij het eene misleiding noemde dat ik maar een meisje was. Doch er lag iets in den blik dien sir John op mij wierp, die mij schrik aanjoeg, iets dreigends, met angst en ontzetting gemengd, dat mij het zwijgen oplegde en mij tot een schielijken aftocht dwong.
Wat er verder tusschen hen voorgevallen is, kon ik alleen opmaken uit hetgeen volgde, daar ik te trotsch was om als laaghartige luisteraarster mij achter de deur te verschuilen. Integendeel, ik wierp die knorrig achter mij toe, hetgeen aunt Ellinor zeker niet onopgemerkt heeft gelaten. Zij was er wel de vrouw toe om mij in die paar dagen opmerkzaam gade te slaan en te leeren kennen, en ik was geen kind om mij te kunnen of te willen verbergen. Ze schonk mij bij het afscheid vijftig pond sterling voor mijn trouseau als ik naar de kostschool zou gaan, en de belofte dit geschenk jaarlijks te herhalen zoo ik mij daar goed gedroeg en de manieren aannam van eene jonge dame, zooals dat in mijn stand behoorde.
Ik antwoordde haar dat ik niets kon beloven, daar ik een hekel had aan meisjeskostscholen na alles wat ik er van had gehoord, en nog meer aan jonge dames, daar ik er nog nooit eene had ontmoet die mij beviel of waar ik op had willen gelijken; dat ik veel meer lust had om met dr. Darkins naar Engeland te reizen, zooals mij beloofd was.
“Van die reis zal nu nooit meer iets komen, my child!” verzekerde zij; “daar zal ik voor zorgen.” Meer opheldering kreeg ik van haar niet, en ik begreep, dat ik er sir John niet naar behoefde te vragen.
Het was gelukkig dat ik mijn woord niet gegeven had aan mylady omtrent mijn goed gedrag op de kostschool, want ik kon het er geen jaar volhouden! In zekeren zin was ik de oudste élèves vooruit, want ik had veel geleerd, waarvan zij nog niets wisten; maar op sommige punten was ik onhandiger en meer onkundig dan de [235]kinderen uit de laagste klasse. Ik maakte alle breiwerk in de war, brak de naalden uit ongeduld, vermorste stoffen en zijde als ik borduren moest en werd woedend als men mij om deze linkschheid uitlachte of bestrafte; om kort te gaan, men kon met mij niet terecht en ik kon niet overweg met de anderen. Ik vocht met de secondante, deelde klappen uit aan de scholieren, die mij al heel gauw Majoor Frans noemden, daar er ook stadgenooten onder waren, die den bijnaam hadden verraden; en juist van die meisjes verkoos ik dit niet te hooren. In één woord: binnen de zes weken liep ik weg, en teruggebracht onder de scherpste bedreigingen van Sir John’s zijde, bracht ik er nog eenige stormachtige maanden door, om ten laatste weggezonden te worden als een onhandelbaar, onverbeterlijk schepsel, als een slecht exempel dat men den overigen moest sparen.”
“Het kon niet anders uitvallen.”
“Maar de aanleiding van die terugzending was toch onrechtvaardig. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik al heel weinig leerde; maar toch had ik lust gekregen in muziek, en ik scheen aanleg te hebben zoowel voor zingen als piano-spelen. De muziekmeester was de eenige die niet over mij te klagen had, en die ook werkelijk niet klaagde; integendeel, hij prees mij, hij vleide mij, en op zekeren dag beloonde hij mijne ongemeene vorderingen met.... een kus!”
“De ellendeling!”
“Niet waar? Die radelooze onbeschaamdheid; alleen te vergelijken bij de roekeloosheid van een waanzinnige, maakte op eens bij mij wakker, wat ik nooit had leeren kennen: het gevoel van jonkvrouwelijke eigenwaarde. Ik wist op dat oogenblik maar één middel om die uit te drukken.”
“Een flinke oorveeg?”
“Geraden!” sprak zij lachend, vergezeld van een paar hartige woordjes, die niet eigenlijk in het vocabulaire van de pensionaires thuis hoorden. Het een en ander [236]gaf soortgelijke ergernis als de terugkomst van Vert-Vert in zijn klooster. De secondante, de geheele pianoklasse kwam er bij te pas. Madame zelf daagde op om rekenschap te vragen van het alarm. Aan den leermeester werd natuurlijk het eerst het woord gegeven. Hij pleegde de oneerlijkheid mijn heftigen uitval toe te schrijven aan eene terechtwijzing, die hij noodig had geacht bij eene verkeerde vingerzetting.
Ik begreep wel dat de ongelukkige liegen moest; het gold zijne kostwinning. Madame ondervroeg mij; ik verwaardigde mij niet met eene tegenbeschuldiging te antwoorden; het was voor het eerst van mijn leven, dat ik met logen en laster te doen kreeg; het zou niet voor het laatst zijn.”
“Bij minder edelmoedigheid had zich mogelijk de opinie te uwer gunste gekeerd.”
“Ach neen! men zou mij toch niet geloofd hebben. Madame verlangde dat ik mijne excuses zou maken aan den beleedigden musicus. ‘Dien schoft excuus vragen, dat nooit!’ was mijn antwoord, mijn vast besluit. Er werd gedreigd met alle mogelijke straffen, die in ’t pension voor weerbarstige élèves in gebruik waren. Het spreekt vanzelve dat men niets op mij verkreeg, zelfs toen zij in alle gestrengheid werden toegepast.”
De laaghartige virtuoos trad niet tusschenbeiden dan om den raad te geven een zoo slecht exempel uit de inrichting te verwijderen; “hij althans zou mij geen onderwijs meer geven; c’était le bouquet!” Weggestuurd worden was voor mij eene verlossing, maar ik had de reden van dien afloop liefst zelve het eerst aan sir John medegedeeld, en dat werd mij belet; ik was opgesloten, ik kon geen schrijfgereedschap machtig worden. De anderen knoeiden bij zulk eene gelegenheid met elkaar, maar Majoor Frans was de algemeene vijand; allen te zamen waren tegen hem verbonden.
Madame had dus de gelegenheid mij vóór te zijn, en onder een stortvloed van klachten over mij werd het [237]sir John aangezegd, dat zijne dochter de eere onwaardig was geworden om in haar gedistingeerd instituut hare opvoeding te voltooien.
Nurse werd gezonden om mij af te halen, en aan haar vertrouwde ik, onder tranen van gekrenkt gevoel, het geleden onrecht en de volle waarheid. Zij wilde met mij terugkeeren, om ten overstaan van de geheele kostschool “die Madam” te zeggen waar het op stond, maar ik weerhield haar: het zou toch niets baten en men zou mij uitlachen op den koop toe. Ik had reden om dat te onderstellen. Een der oudere meisjes, een allerliefst nufje met een paar sprekende zwarte oogen, had mij eenige deernis betoond.
“Chère amie!” sprak zij, toen ze mij alleen vond, “gij zijt dom geweest, aartsdom; gij hadt u niet zoo preutsch moeten aanstellen tegen monsieur Z.; ik ben zeker dat hij u heeft willen kussen!” Ik zweeg. “Dat doet hij mij ook,” ging zij voort, “en al de anderen die er lief uitzien zooals hij zegt. Wij zijn veel te verstandig om zoo’n drukte te maken over die kleinigheid, en hij loont het ons met allerlei lieve attenties; hij leent ons mooie Fransche romans, die madame niet zien mag; hij weet invitaties voor ons te improviseeren, als wij uit willen; voor mij heeft hij eens een biljet overgebracht aan een.... cher petit cousin; met één woord, hij presteert alle diensten, die geen der domestiques van ’t pension ons zou durven bewijzen; en u zoo’n man tot vijand te maken!” Ik zag duidelijk, dat ik niet deugde in zoo’n meisjeskring, en ik heb later al de voorrechten van die educatie begrepen, toen ik Leontine in de wereld ontmoette als de vrouw van een kolonel, met een tweeden luitenant tot cavaliere serviente; waarlijk, zij was een model van goeden toon, en eene distinctie! Men zag het in alles, dat zij perfect was opgevoed! Zij was allervriendelijkst jegens mij, maar executeerde mij achter mijn rug en pleine société. Men amuseerde zich zoo met “Majoor Frans,” die zoo grof durfde zondigen tegen de [238]étiquette, dat zij bij groot toilet een kanten pelerine droeg, terwijl het gebruik wilde, dat men, om recht gekleed te zijn, zich zooveel mogelijk decolleteerde.
Het ligt zeker aan mijn jongens-opvoeding, maar ik heb nooit recht begrepen, waarom de “dames” zich juist zoo blootgeven, als zij onder de wapenen moeten zijn, bij danspartijen en diners; en sinds ik eens bijgeval de gesprekken heb aangehoord, die de heeren zich onder elkaar veroorloven op dit chapitre, heb ik mij zelve beloofd, dat ik althans die dwaasheid niet zou meeplegen, tot groote ergernis, zooals gij wel begrijpen kunt, van alle gens comme il faut. Maar genoeg, ik zou niet zoo lang blijven stilstaan bij deze herinneringen mijner jeugd, zoo ze niet tegelijk de bron waren geweest waaruit alle mijne latere wederwaardigheden opwelden, en tegelijk als de voorspiegeling van ’t geen mij voortaan in de wereld zou te beurt vallen. Gij hebt mij eens gevraagd hoe ik begonnen ben: gij kunt nu zelf beoordeelen of het mijne schuld is, dat ik de samenleving niet en beau zie. Ik heb er deze ervaring opgedaan, dat werkelijk kwaad en diepe bedorvenheid, mits door den deftigen liefdemantel van het decorum bedekt, niet slechts met verschoonlijkheid bejegend, maar zelfs met welgevallen worden geaccueilleerd, terwijl ruwe vormen bij goede intentiën niets dan ergernis verwekken; dat het noemen van de dingen bij hun naam, het aanwijzen van een fielt of eene friponne, tot de onvergeeflijkste zonden behoort in het gezellige leven; en dat zijn, naar het mij voorkomt, ziekelijke verschijnsels, die het peil der moraliteit altijd dieper zullen doen zinken.”
“Het is waar, daar wordt een valsche maatstaf gebruikt en groot onrecht gepleegd, waar men zich zoo aan de vormen hecht, dat het wezen er onder verwaarloosd wordt en gij hebt daar werkelijk wonde plekken aangewezen, die een kloek geneesheer zouden eischen, gewapend met onwrikbaren wil en zedelijken moed en gesteund door een onmetelijken invloed; maar toch, [239]Francis! wat zal ik u zeggen, gij hebt mij eens de discipline genoemd als een der beste middelen om het diep gezonken heeren-personeel een zedelijken steun te geven. Hetzelfde mag men zeggen van het decorum en de vormen in het maatschappelijk leven; gelooft gij dat diezelfde kringen, die u nu reeds tegenstaan omdat gij raadt wat al kwaads er verheeld en verborgen wordt, u beter zouden bevallen, als alles wat er in rondwoelt zich in volle afzichtelijkheid vertoonde?”
“Men zou van schrik en walging de vlucht nemen; dat is zeker.”
“Maar daar toch iedereen niet wegloopen kan, is het gevaarlijk loslating en bandeloosheid te prediken, die het verkeer van menschen met menschen tot eene onmogelijkheid zou maken. Nu bindt men zich ten minste in, tracht zijne beste hoedanigheden te toonen, of den schijn aan te nemen die te bezitten, verbergt de slechtste onder den wijden mantel van het decorum, zooals gij het noemt en al is niemand er dupe van, het geheel heeft daardoor toch een beter aanzien; waar reeds veel bij gewonnen is.”
“Daarmee is Majoor Frans voor goed veroordeeld.”
“Majoor Frans, dezen nu eenmaal genomen als den vertegenwoordiger van die plompe oprechtheid, kan er als exceptie nog door; maar als een exceptie die de onhoudbaarheid van den regel bewijst.”
“Dan bega ik eigenlijk eene dwaasheid en eene onwelvoeglijkheid, waar ik u zoo ronduit alle mijne verkeerdheden opbiecht en den sluier wegruk die over mijn somber verleden rust; ik kan u niets moois laten zien, ik mag mijne confidenties wel binnenhouden.”
“Ik hoop waarlijk van neen! Zoo is het niet gemeend, dat men niet aan een vriend zou mogen uitstorten wat ons ergert of bezwaart, dat men daar zijn leed niet zou mogen klagen en zijne fouten blootleggen, waar men zeker is van deelneming; daarmee, al zou men ook het pijnlijkste hebben uit te spreken, wordt geen maatschappelijke [240]vorm gekwetst, en daarvan kan men opbeuring, verlichting wachten.”
“De eenige verlichting die ik er voor mij van wensch of verwacht is deze, dat gij mij geheel zult leeren kennen, zien zult zooals ik werkelijk ben, en mij dan mogelijk minder hard zult beoordeelen bij ’t geen er van mij geworden is.”
“Er is nog niets van u geworden, Francis! dan wat met eenigen goeden wil van uwe zijde tot alle goeds en liefelijks zou kunnen leiden.”
“Och, spreek zoo niet,” hernam zij op een toon van moedeloosheid en ontstemming, “niet vóór gij alles weet. Maar ik moet adem scheppen; laat ons eerst het oog verkwikken met het heerlijke schouwspel dat ons wacht, als wij ons haasten het hoogste punt van de ruïne te bereiken.”
Werkelijk waren wij aan den voet van den bouwval gekomen, en bij het bestijgen van de afbrokkelende trap hadden wij genoeg te doen om de minst onvaste punten voor onzen voet te zoeken, maar boven gekomen wachtte ons teleurstelling voor al die moeite.
Onder ons druk gesprek hadden wij niet opgemerkt, dat er een sterke mist was opgekomen, die het anders zoo ruime en grootsche uitzicht benevelde. De zon was reeds in die nevelen ondergegaan en teekende alleen hare aanwezigheid in donkere oranje- en schel roode strepen, die daar evenals bliksemflitsen door de dichte dampen heenschoten; maar over geheel het landschap lag niets dan een lange, dichte sluier van vochtige mist!
“Kom Leo!” zei Francis, “het is niet gezond hier in dien vochtigen damp te gaan zitten, en toch had ik mij voorgesteld hier te rusten; laten wij onder dien boog schuilen, die den toegang verschaft tot hetgeen er nog van dien toren overblijft. Er is daar wel een brok steen, waar niet al te verwende lieden, zooals gij en ik, zitten kunnen.” En reeds had zij den weg genomen naar dien boog, die, dicht met klimop begroeid, een schilderachtige [241]loofhut vormde. Francis legde eene oude grijze sjaal, die zij medegetorst had en die ik niet had mogen dragen, over een der massieve steenbrokken, en wij hadden werkelijk eene comfortabele zitplaats.
“En nu ga ik mijne historie vol jammer en bedrog voortzetten,” ving Francis aan. Kunt gij geene sigaar aansteken? Leo! Dan luistert gij vast en met minder ongeduld; ik heb mij zelve sinds lang die weelde ontzegd, anders gaf ik u het voorbeeld.”
“Ook ik ben geen slaaf van dat genot, Francis! en het zou mij onmogelijk zijn genoegelijk te zitten dampen, terwijl gij uwe smartelijke herinneringen voor mij oproept.”
“Wat zijt gij weinig een man, Leo! in den kouden egoïstischen zin van het woord,” gaf zij mij ten antwoord.
Ik schudde glimlachend het hoofd, en zij ving aan:
“Ondanks den muziekmeester, had ik den lust voor de muziek en den zang behouden, en wenschte dat talent aan te kweeken. Nurse, die voor alles raad wist als het mij gold, schommelde eene Zwitsersche gouvernante op, die buiten betrekking was en die bij nadere kennismaking zich ook vinden liet om mij eenig onderwijs te geven in de vrouwelijke handwerken, waarin ik zoozeer ten achteren was. Sir John liet mij met mij zelve begaan. Nu het plan om mij voor een jongen gentleman uit te geven geen gevolg kon hebben, begreep hij zelf dat er, zoo mogelijk, nog een dragelijk jong meisje van mij moest gemaakt worden, en daar ik te weinig in goeden toon en manieren gevorderd was om in de wereld op te treden, vond hij mijn inval goed om mademoiselle Chelles als gouvernante-externe aan te nemen, tevreden dat het hem niets zou kosten. Sinds ik niet meer geroepen werd jaarlijks die zekere brieven aan den ouden baronet te schrijven, waarin mijn paardrijden en schermen en alle andere mannelijke oefeningen op het voorschrift van Sir John telkens op den voorgrond werden gezet, bleven ook de wissels uit Engeland weg, die onze [242]kostbare huishouding hielpen in stand houden, hetgeen een wijs en voorzienig man gewis tot vereenvoudiging zou hebben bewogen; maar deze wijsheid oefende mijn vader niet, en ik houd het er voor, dat hij sinds zijn kapitaal gebruikte of het zijne renten waren.
Ik intusschen had het mijn plicht geacht lady Ellinor mede te deelen hoe het met mij op de kostschool was afgeloopen en hoe weinig ik aan hare intentiën had kunnen beantwoorden. Eerlijkheid drong mij daartoe, schoon ik wel vreesde van nu aan hare gunst verbeurd te hebben. Ditmaal toch werd de oprechtheid beloond. Aunt Ellinor antwoordde met de toezending van opnieuw vijftig pond en de verzekering dat ik die jaarlijks van haar zou ontvangen om er mee te doen wat ik wilde, met nog menig goed woord daarnevens, dat mij bewees hoezeer lady Ellinor voor mij eene waardige leidsvrouw had kunnen zijn, zoo ik in hare handen ware gevallen. Zij moedigde mij aan om zelve te voorzien in ’t geen mij ontbrak en mij door niets of door niemand tot onoprechtheid te laten verleiden. Zij hoopte mij later bij zich te zien in Londen.... en dan had zij mij nog veel mede te deelen. Daar is niets van gekomen. Nog in den loop van dat jaar overleed zij aan eene hartkwaal, en ook de vijftig pond zijn mij daarna niet meer toegezonden. Maar vooreerst had ik papa’s hulp niet in te roepen voor mijne wenschen en behoeften. Mademoiselle Chelles beviel mij; ook had zij er den slag van met mij om te gaan; zij bracht mij wat terug van de forsche onvrouwelijke oefeningen, die mijn lust waren geweest, deed groote wandelingen met mij, en gebruikte die rustige vertrouwelijke uren om mij het leven van zijne ernstige zijde te leeren zien,zooals niemand het mij nog had doen beschouwen. Zij sprak mij van lijdenden, van ongelukkigen wier lot soms met eenige opoffering zooveel kon verzacht worden; van plichten, die ik alleen uit luim had beoefend omdat mijn hart niet kwaad was maar zonder eenigen ernst of gevoel van verantwoordelijkheid. Daarbij wist [243]zij mij liefde in te boezemen voor de natuur, wekte in mij hoogere behoeften op, die alle sluimerden, daar niemand er zich nog over had bekommerd. Dr. Darkins had mij moeten voorbereiden om lid te worden van de Anglikaansche kerk, maar eer het zoover kwam was hij al uit zijne betrekking tot mij ontslagen, en ik was op het punt van godsdienst geheel in den steek gebleven. Dat kon de serieuse Zwitsersche niet dulden. Ik moest haar beloven mij tot een protestantsch kerkgenootschap te laten brengen, en daar het Sir John niet meer schelen kon, vond zij werkelijk een predikant die zich met die zaak belastte. Daarbij, het behoorde zoo, dat vond grootvader ook; maar als de goede Chelles er zich niet mee bemoeid had, zou niemand er aan gedacht hebben. In één woord, zij zou er in geslaagd zijn mij tot eene jonge dame te fatsoeneeren, daar het uiterlijke niet al te veel van de overigen verschilde, ofschoon het haar altijd ondoenlijk zou geweest zijn den “kleinen majoor” uit te roeien, die onder alles door met Francis Mordaunt was opgegroeid. Doch wat gebeurde? Nurse begon jaloersch te worden van haar invloed op mij, en tot overmaat van ramp kreeg Rolf, die als tweede luitenant met grootvader was teruggekeerd en nu van de kinderkamer naar het salon was bevorderd, om wat ontbolsterd te worden van zijne kazernemanieren. Rolf, die de eerste had moeten zijn om Chelles te respecteeren, kreeg den zotten inval om op haar verliefd te worden, en dat laat ik nog dáár, want zij was allerbeminnelijkst, maar hij gaf zich de luxe het haar te zeggen, en hare hand te vragen! Eene stommiteit zooals alleen Rolf die kon begaan; want behalve dat er voor hen geen uitzicht bestond ooit tot een huwelijk te komen, ontbrak ook het allernoodigste voor zoodanige verbintenis: wederkeerige genegenheid. De dame kon haar adorateur niet uitstaan, dien zij nooit anders noemde dan “le grand soudard,” of wel “l’ogre furieux;” want hij is nu door zijn leeftijd, zijn stijf been en mijne discipline tam geworden, maar [244]destijds was hij een woest, hartstochtelijk personage, die om een haverklap de hand aan den degen sloeg en alleen aan zijn grooten en kleinen majoor de verplichte subordinatie betoonde. In ’t kort, na de onstuimige declaratie wilde Chelles niet bij ons blijven, tenzij men luitenant Rolf het huis ontzegde. Dat vonden allen te sterk en te pretentieus. Grootpapa en Nurse handhaafden Rolf in zijne oude rechten. Papa ook hechtte heel weinig aan “maar een governess,” en ik.... ik moet het tot mijne schande bekennen, ik wist zelve nog niet genoeg wat ik wilde, om niet met de overigen in te stemmen, te eer, daar ik nog te jong was en te weinig vrouwelijken tact had om de scrupules van Chelles goed te begrijpen. Men noemde het aanmatiging, heerschzucht; en dat laatste was voor mij beslissend. Als ik haar liet heengaan was ik weer geheel vrij! Eerst later heb ik ingezien hoezeer ik mij zelve daarmede benadeeld heb, en het is onder de grieven die ik tegen Rolf heb juist die, welke ik het minst heb kunnen vergeven.”
“Sir John is, dunkt mij, meer te beschuldigen dan hij. Laat men een aankomend meisje vrij om te beslissen wat voor hare vorming dienstig is?”
“Wat zal ik u zeggen: sir John had gewenscht dat ik tot mijn achttiende jaar op de kostschool ware gebleven, om van daar in de wereld op te treden als eene ‘jeune fille accomplie,’ bereid op papa’s commando hare hand te schenken aan de eerste goede partij de beste. Toen dat zoo geheel anders uitviel, trok hij zijn hart geheel van mij af, en sinds de vijftig pond van Lady Ellinor ook vervielen, was de verwijdering van Chelles eene bezuiniging. Deze trok met eene familie naar Frankrijk, en het bleek welhaast dat ik haar niet had behoeven op te offeren, daar grootvader kort daarna in zijn rang naar de residentie werd overgeplaatst om ik weet niet welke oorzaak; het zou maar tijdelijk zijn en Rolf kon hem vergezellen. Nurse zegevierde, en in hare blinde liefde vergat zij welke schade zij mij had toegebracht. [245]Ik voelde het als bij ingeving; ook was mijne oude genegenheid voor haar zeer bekoeld. Toch had ik eene gewaarwording of ik zeker juk had afgeschud, want mijn onafhankelijkheidszin was niet geheel en al ongekwetst gebleven onder de zachte leiding van Chelles. Ik nam weer bezit van mij zelve in den kwaden zin. Ik kon niet meer met Chelles wandelen, ik ging met papa paardrijden, die eenigszins trotsch was op het goede figuur dat ik on horseback maakte en die er niets in vond dat ik hem vergezelde op jachtpartijen en rijtoeren met allerlei slag van heeren, jong en oud. Mijne ijdelheid vond hare rekening bij hunne bewondering voor mijne forschheid en vaardigheid. Ik gaf er de piano aan en de dameshandwerken en de goede boeken; ik werd zelfs weer Majoor Frans, en onder die soort van verwildering bereikte ik mijn zestiende jaar, toen er iets voorviel dat eene gansche verandering in mijne wijze van zijn teweegbracht. Nurse, die aan waterzucht leed, ontviel mij plotseling; ik voelde toen hoezeer ik haar had liefgehad en dat zij waarheid had gezegd dat er niemand meer overbleef om mij lief te hebben dan zij. Er was eene leegte in en om mij, die ik niet wist aan te vullen. Ik ontvluchtte het koude doodsche huis, ik doolde troosteloos rond, toen ik plotseling werd opgeroepen om de rol van gastvrouw te spelen en een logeergast te ontvangen.... Maar.... nu ik tot hiertoe gekomen ben, moet ik eens iets van u weten....” Zij zweeg eene wijle en bleef zitten met gebogen hoofd en de handen in den schoot over elkaar gevouwen, als in aarzeling hoe nu voort te gaan. Op eens echter vestigde zij hare oogen op mij met een onderzoekenden blik en vroeg:
“Leo, zeg mij, hebt gij veel met vrouwen omgegaan?&