The Project Gutenberg eBook of Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Author: Jules Verne

Release date: December 31, 2011 [eBook #38449]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA (2/2) ***


[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

Het Stoomhuis.

De Waanzinnige der Nerbudda.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
Wonderreizen.
Het Stoomhuis.
De Waanzinnige der Nerbudda.
Gevolgd door
Dokter Ox.
Rotterdam.—Jacs. G. Robbers.
[Inhoud]

Gedrukt bij G. J. Thieme te Arnhem. [1]

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda.

[Inhoud]

I.

De kraal.

De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland, is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden1.

Men heeft,—zeker uit kortswijl,—beweerd, dat er vroeger op Martinique geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd, toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig, en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.

Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.

Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging werd gretig aangenomen.

Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van »kraal,” die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van Zuidelijk-Afrika.

Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een lange hut van boomstammen en planken, die aan al de [2]bewoners der kraal tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld, ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.

De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.

De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van lieden van het vak, »chikaris” genaamd. Zij moeten de sporen der wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.

Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten, maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem, de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste streek der Himalaya een ongezond oord.

En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria” werden aangedaan als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken, die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.

Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.

Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.

»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi” noemen.

Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend, die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester, een tweede voor de chikaris, een [3]derde voor de voerlieden, en in elke kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal, die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand en verdiende met recht de benaming van houddi.

Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren behoorende,” bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.

Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje, te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek om de loge te bestormen.

Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt, is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren.”

De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten, die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren, naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers, twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.

Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting naar Bombay inslaan.

De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan, waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de geweldige slagen, die zij met de pooten [4]tusschen de op vele plaatsen verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.

Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.

»Arme dieren!” zei kapitein Hod.

»Arme dieren!” herhaalde Fox.

»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge doodt?” vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.

»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten vangen!” antwoordde kapitein Hod.

Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus, wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen, tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts,” die ze hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.

Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.

Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch, met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt, de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.

Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo goed als verloren is.

In het dichtst van het woud. Blz. 1.

In het dichtst van het woud. Blz. 1.

Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens, den bultigen rug,—die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen stamgenoot,—met de van den hoef tot [5]aan de knie toe witte pooten en die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt, bij troepen in het hooge gras [6]der vlakte weidende, vreeselijk voor iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.

Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te voorschijn haalden.

Overigens gaf de leverancier, als een man die zijn vak verstond, zijnen gasten slechts spaarzaam te eten. Eens per dag, te twaalf uur, werd hun vier of vijf pond vleesch uitgedeeld en niets meer. En zelfs,—het was toch zeker niet om den Zondag?—liet hij ze van Zaterdag tot Maandag vasten. Een hongerige Zondag voor de arme dieren! Als zij dan ook na acht en veertig uren hun bescheiden aandeel ontvingen, was het een moeielijk in te houden woede, een ontzettend gehuil, gepaard met geduchte sprongen, die de rollende kooien heen en weer schudden en deden vreezen dat ze totaal vernield zouden worden.

Jawel, arme dieren! is men geneigd met kapitein Hod te herhalen. Doch Matthias van Guitt handelde zoo niet zonder reden. Deze onthouding in hun toestand van opsluiting bespaarde zijnen wilden dieren allerlei huidaandoeningen en verhoogde den prijs op de markten van Europa.

Men kan zich intusschen gemakkelijk voorstellen, dat, terwijl Matthias van Guitt ons zijne verzameling vertoonde, meer als natuurkundige dan als dierenvertooner, hij zijn mond geen oogenblik stil hield. Integendeel. Hij sprak, hij vertelde, hij schilderde, en, daar de roofdieren van Tarryani het voornaamste onderwerp zijner wijdloopige redeneeringen uitmaakten, hoorden wij hem niet zonder belangstelling aan. Wij zouden de kraal dan ook niet verlaten, dan nadat ons de diepste geheimen van de zoölogie der Himalaya ontsluierd waren.

»Maar, mijnheer van Guitt,” zeide Banks, »hoe is het gesteld met de voordeelen van het vak, staan ze in verhouding tot de gevaren?”

»Mijnheer,” antwoordde de leverancier, »de voordeelen waren vroeger zeer aanzienlijk. Evenwel ben ik verplicht te erkennen, dat de wilde dieren in daling verkeeren. U kunt er zelf over oordeelen door de marktprijzen van de laatste koersnoteering. Onze voornaamste markt is de zoölogische tuin van Antwerpen. Gevogelte, slangvormige dieren, exemplaren van de familie der apen en hagedissen, vertegenwoordigers van de roofdieren der twee werelden, daarheen verzend ik gewoonlijk de opbrengst onzer avontuurlijke drijfjachten in de wouden van het schiereiland. Hoe het zij, de smaak van het publiek schijnt zich te wijzigen en de verkoopsprijzen zullen weldra minder bedragen dan de inkoopsprijzen! Zoo werd onlangs een mannetjes-struisvogel verkocht voor slechts elf [7]honderd franken en het wijfje voor slechts achthonderd. Een zwarte panter heeft slechts tegen zestien honderd franken een kooper gevonden, een tijgerin van Java tegen twee duizend vierhonderd, en een familie van leeuwen,—de vader, de moeder, een oom, twee veelbelovende jonge leeuwtjes,—tegen zeven duizend franken te zamen!”

»Dat is waarlijk voor niets!” antwoordde Banks.

»Wat de proboscidea betreft....” hernam Matthias van Guitt.

»Proboscidea?” zei kapitein Hod.

»We geven dien wetenschappelijken naam aan de dikhuiden, die door de natuur met een snuit voorzien zijn.”

»De olifanten dus!”

»Ja, olifanten, sedert het quaternaire tijdperk, mastodonten in de voorhistorische tijden....”

»Ik dank u,” antwoordde kapitein Hod.

»Wat dus de proboscidea aangaat,” hernam Matthias van Guitt, »men moet de vangst van die dieren opgeven, of men zou ze alleen moeten vangen om hunne slagtanden, want het verbruik van het ivoor is niet verminderd. Maar, sedert dramatische schrijvers, teneinde raad, verzonnen hebben ze in hunne stukken op te voeren, voeren de impressario’s ze van stad tot stad en dezelfde olifant, het land met den reizenden troep afloopende, voldoet aan de nieuwsgierigheid van een geheel land. De olifanten zijn dan ook minder gezocht dan vroeger.”

»Maar,” vroeg ik, »levert u dan alleen aan de Europeesche menagerieën die exemplaren van de Hindoesche dierenwereld?”

»U zult me toestaan,” antwoordde Matthias van Guitt, »dat ik me ten dezen opzichte, mijnheer, veroorloof, zonder nieuwsgierig te zijn, u een eenvoudige vraag te doen.”

Ik boog ten teeken van toestemming.

»Ge zijt Franschman, mijnheer,” hernam de leverancier. »Dat merkt men niet alleen aan uw accent, maar ook aan uw type, dat een aangenaam mengsel is van het gallo-romeinsche en het keltische ras. Als Franschman nu zult ge weinig neiging hebben tot het doen van verre reizen en ongetwijfeld hebt ge een reis om de wereld niet gemaakt?”

Hier maakte Matthias van Guitt het gebaar van een der groote cirkels van den aardbol.

»Ik heb dat genoegen nog niet gehad!” antwoordde ik.

»Ik moet u dus vragen, mijnheer,” hernam de leverancier, »niet of ge naar de Indiën gegaan zijt, want ge zijt er, maar of ge het Indisch schiereiland in den grond kent?”

»Nog onvolkomen,” antwoordde ik. »’k Heb Bombay, Calcutta, Bénarès, Allahabad, de vallei van den Ganges reeds bezocht. ’k Heb hunne monumenten gezien en bewonderd, ’k heb....”

»Welnu! wat geeft dat, mijnheer, wat geeft dat!” antwoordde [8]Matthias van Guitt, het hoofd afwendende, terwijl zijn hand, in koortsachtige beweging, de grootste minachting uitdrukte.

Daarna gaf hij een levendige en aanschouwelijke voorstelling van hetgeen in zijne herinnering opkwam en stroomden de woorden over zijne lippen.

»Ja, wat geeft het als ge de menagerieën niet bezocht hebt van die machtige rajahs, die de vereering bewaard hebben der prachtige dieren waarop het heilige grondgebied van Indië met recht trotsch mag zijn! Neem dan, mijnheer, den staf van den toerist weder op! Ga in Guicowar den koning van Baroda hulde bewijzen! Zie zijne menagerieën, die aan mij de meesten hunner gasten, leeuwen van Kattyawar, beren, panters, tchitas, losschen, tijgers, verschuldigd zijn! Woon de viering bij van het huwelijk zijner zestig duizend duiven, dat elk jaar met de grootste staatsie word ingezegend. Bewonder zijne vijfhonderd »boulbouls”, nachtegalen van het schiereiland, wier opvoeding men behartigt alsof ze de erfgenamen van den troon waren! Aanschouw die olifanten, waarvan een, belast met de betrekking van beul, de taak is opgedragen het hoofd van den veroordeelde op het blok te verpletteren! Begeef u vervolgens naar het verblijf van den rajah van Maïssour, den rijksten souverein van Azië! Treed het paleis binnen waar de rhinocerossen, de olifanten, de tijgers en al de wilde beesten van hoogen rang, die tot de dierenaristocratie van Indië behooren, bij honderden geteld worden! En wanneer gij dat alles zult gezien hebben, mijnheer, zult ge niet meer van onwetendheid kunnen beschuldigd worden ten opzichte van de wonderen van dat onvergelijkelijke land!”

Ik had slechts te buigen voor de opmerkingen van Matthias van Guitt. De hartstochtelijke wijze waarop hij de zaken voordroeg, liet niet toe ze rijpelijk te bespreken.

Evenwel ondervroeg kapitein Hod hem meer rechtstreeks omtrent de bijzondere fauna van deze streek van Tarryani.

»Eenige inlichtingen, als ’t u blieft,” vroeg hij hem, »betreffende de roofdieren, die ik in dit gedeelte van Indië ben komen opzoeken. Hoewel ik slechts een jager ben, zal ik u niet in de wielen rijden, mijnheer van Guitt en zelfs wil ik u gaarne de hand reiken als ik u kan helpen om de tijgers te vangen, die nog aan uwe verzameling ontbreken. Maar, is eenmaal uw menagerie voltallig, dan zult ge ’t mij niet euvel duiden dat ik me voor mijn persoonlijk genoegen aan de vernieling dezer dieren wijd!”

Matthias van Guitt nam de houding aan van iemand, die zich getroost te ondergaan wat hij anders afkeurt, maar niet kan beletten. Hij stemde overigens toe, dat Tarryani een aanzienlijk aantal boosaardige dieren bevatte, die gewoonlijk weinig gevraagd worden op de markten van Europa en waarvan de uitroeiïng hem geoorloofd toescheen. [9]

»Het klimt in de boomen.” Blz. 10.

»Het klimt in de boomen.” Blz. 10.

»Dood de wilde zwijnen, ’k heb er vrede mee,” antwoordde hij. »Hoewel deze zwijnen, van de orde der dikhuidigen, geen vleeschetende dieren zijn....” [10]

»Vleeschetende dieren?” zei kapitein Hod.

»’k Meen daarmee dat zij plantetende dieren zijn; ze zijn zoo woest, dat zij de jagers, die de stoutmoedigheid hebben ze aan te vallen, aan het grootste gevaar blootstellen!”

»En de wolven?”

De wolven zijn talrijk door het gansche schiereiland verspreid en zeer te duchten, als ze in troepen op een eenzame landhoeve losstormen. Die dieren gelijken op den vaalrooden wolf van Polen en ze zijn mij evenveel waard als de jakhalzen of de wilde honden. Ik ontken trouwens de verwoestingen niet, die ze aanrichten, maar, daar ze geen waarde hebben en niet waard zijn onder de hoogere klassen der zoogdieren te worden opgenomen, laat ik u die ook, kapitein Hod.”

»En de beren?” vroeg ik.

»De beren hebben veel goeds, mijnheer,” antwoordde de leverancier, toestemmend met het hoofd knikkende. »Al mogen de Indische beren niet zoo gretig gezocht zijn als hunne stamgenooten onder andere hemelstreken, zoo bezitten zij toch een zekere handelswaarde, die hen aan de welwillende aandacht der kenners aanbeveelt. De smaak kan verschillen tusschen de twee typen uit de valleien van Cashmir en de heuvels van Raymahal. Doch, uitgenomen misschien in het tijdperk van overwintering, zijn deze dieren genoegzaam onschadelijk en kunnen zij het jagersinstinct van een echten jager, zooals kapitein Hod mij toeschijnt, niet in verzoeking brengen.”

De kapitein boog met een veelbeteekend air, te kennen gevende, dat hij met of zonder toestemming van Matthias van Guitt, zelf in die bijzondere quaesties zou beslissen.

»Daarbij komt,” voegde de leverancier er bij, »dat ook deze beren plantetende dieren zijn en niets dan kruiden eten en dus niets gemeen hebben met de woeste soorten, waarop het schiereiland met recht roem draagt.”

»Rekent ge het luipaard onder deze wilde dieren?” vroeg kapitein Hod.

»Ongetwijfeld, mijnheer. Dit tot het kattengeslacht behoorende dier is vlug, stoutmoedig, klimt in de boomen en is daardoor somtijds geduchter dan de tijger....”

»Kom!” zei kapitein Hod.

»Mijnheer,” antwoordde Matthias van Guitt op drogen toon, »als een jager niet meer verzekerd is een schuilplaats in de boomen te vinden, dan scheelt het niet veel of hij wordt op zijn beurt gejaagd!”

»En de panter?” vroeg kapitein Hod, die een einde aan dit gesprek wilde maken.

»Prachtig, de panter,” antwoordde Matthias van Guitt, »en u [11]kunt u overtuigen, mijne heeren, dat ik er heerlijke exemplaren van heb! Verwonderlijke dieren, die door een zonderlinge tegenstrijdigheid, een antilogie, om een minder gewoon woord te gebruiken, voor de jacht kunnen afgericht worden! Ja, mijne heeren, vooral in Guicowar oefenen de rajahs de panters in deze edele lichaamsoefening! Men vervoert ze in een palankijn, de kop in een kap gehuld als een giervalk of een krem! ’t Zijn echte valken met vier pooten! Zoodra de jagers in de verte een kudde antilopen zien, wordt den panter de kap afgenomen en werpt hij zich op de vreesachtige dieren, wier vlugge beenen ze niet aan hunne vreeselijke klauwen kunnen onttrekken. Ja, ja, mijnheer de kapitein, ge zult panters in Tarryani vinden! Ge zult er meer vinden, dan u misschien lief is, maar ’k voeg er de christelijke waarschuwing bij, dat die niet tam gemaakt zijn!”

»’k Hoop het van harte,” antwoordde kapitein Hod.

»Evenmin als de leeuwen, trouwens,” voegde de leverancier er bij, die dit antwoord niet goed kon verkroppen.

»De leeuwen!” zei kapitein Hod. »Wees zoo goed en vertel ons eens wat van de leeuwen!”

»Welnu mijnheer, hernam Matthias van Guitt, »’k beschouw die gewaande koningen van het dierenrijk als beneden hunne stamgenooten van het oude Lybië. Hier dragen de mannetjes de manen niet, die de trots uitmaken van den Afrikaanschen leeuw en ’t zijn, naar ’t mij voorkomt, slechts jammerlijk geschoren Samsons! Ze zijn trouwens bijna geheel uit Centraal-Indië verdwenen om een schuilplaats te zoeken in Kattyawar, de woestijn van Theil, en in Tarryani. Deze ontaarde dieren, nu als kluizenaars levende, kunnen in den omgang met hunne gelijken, de oude geestkracht niet terug erlangen. Ik plaats ze dan ook niet op den eersten rang onder de viervoetige dieren, want, dat verzeker ik u, mijne heeren, den leeuw kan men ontsnappen, maar den tijger, nooit!”

»O! die tijgers!” riep kapitein Hod uit.

»Ja! die tijgers!” herhaalde Fox.

»Den tijger de kroon,” antwoordde Matthias van Guitt, zich opwindende. »Men spreekt van den koningstijger en niet van den koningsleeuw, en dat is juist. Indië hoort hem geheel toe en gaat in hem op! Is hij niet de eerste bewoner van den bodem geweest? Heeft hij het recht niet, niet alleen de vertegenwoordigers van het Anglo-Saksische ras, maar ook de zonen van het zonneras als veroveraars te beschouwen? Is hij het echte kind niet van het heilige land der Argavarta? Ook ziet men die prachtige dieren over de gansche oppervlakte van het schiereiland verspreid en hebben zij geen enkel distrikt hunner voorvaderen verlaten, van kaap Comorin af tot de Himalaya-keten toe!”

En, nadat Matthias van Guitt met zijn arm in de richting van [12]het Zuiden een vooruitstekend voorgebergte had beschreven, wendde hij hem naar het noorden om een heele reeks bergen af te teekenen.

»In den Sonderbund,” hernam hij, »zijn zij thuis! Daar heerschen zij als meesters, en wee hem die hun dit grondgebied zou willen betwisten! In de Nilgheries zwerven ze in menigte rond, als wilde katten,

»Si parva licet componere magnis!”2

»Ge zult daarom licht begrijpen, waarom deze prachtige, tot het kattengeslacht behoorende dieren op al de markten van Europa zoo sterk gevraagd zijn en den trots uitmaken der dierentemmers. Wat is het voorwerp der grootste belangstelling in de openbare of bijzondere menagerieën? De tijger! Wanneer siddert ge voor het leven van den dierentemmer? Als hij in het hok van den tijger treedt? Welk dier betalen de rajahs zijn gewicht aan goud voor de versiering hunner koninklijke tuinen? De tijger! Welk dier wordt het duurste betaald op de beurzen van Londen, Antwerpen en Hamburg? De tijger! Bij welke jachten onderscheiden zich de Indische jagers, officieren van het koninklijke leger of die van de inlandsche armée? Bij de tijgerjachten! Weet ge, mijne heeren, welk genot de vorsten van het onafhankelijk Indië hunnen gasten verschaffen? Men voert een koninklijken tijger in een hok aan. Het hok wordt geplaatst te midden van een uitgestrekte vlakte. De rajah, zijne genoodigden, zijne officieren, zijne wachters, zijn gewapend met lansen, revolvers en karabijnen en berijden meestal vurige solidungula3.”

»Solidungula?” zei kapitein Hod.

»Hunne paarden, als ge de voorkeur geeft aan dit wel wat alledaagsche woord. Doch deze solidungula, verschrikt door de nabijheid van den tijger, den eigenaardigen reuk dien het dier afgeeft, zijne vurige oogen, steigeren, en de berijders hebben al hun behendigheid noodig om ze te bedwingen. Plotseling wordt de deur van het hok geopend. Het monster springt te voorschijn, hij vliegt, hij werpt zich op de hier en daar verspreide groepen, hij offert een menigte slachtoffers aan zijn woede op. Moge het hem een enkele maal gelukken door den kring van ijzer en vuur, die hem omvat, heen te breken, meestal bezwijkt hij, een tegen honderd! Maar zijn dood is althans roemrijk en is vooruit gewroken!”

»Bravo! mijnheer Matthias van Guitt,” riep kapitein Hod uit, die op zijn beurt vuurvatte! »Ja, dat moet een prachtig schouwspel zijn. Ja! de tijger is de koning der dieren!”

»Een koningschap dat de omwentelingen tart!” voegde de leverancier er bij.

»En gij moogt er gevangen hebben, mijnheer van Guitt,” antwoordde [13]kapitein Hod, »ik heb er gedood en ’k hoop Tarryani niet te verlaten, voordat de vijftigste onder mijne schoten gevallen is!”

Eenige bergbewoners kwamen ons een bezoek brengen. Blz. 15.

Eenige bergbewoners kwamen ons een bezoek brengen. Blz. 15.

[14]

»Kapitein,” zei de leverancier, de wenkbrauwen fronsende, »’k heb u de wilde zwijnen, de wolven, de beren, de buffels gelaten! Is dat dan nog niet genoeg om uw jagerswoede te koelen?”

Ik merkte, dat onze vriend Hod zich met evenveel vuur als Matthias van Guitt over die netelige vraag ging uitlaten.

Had de een meer tijgers gevangen dan de andere er gedood had, welk een stof ter bespreking! Was het beter ze te vangen dan ze om te brengen? Wie zou deze quaestie beslissen!

Beiden, de kapitein en de leverancier, begonnen reeds driftige woorden met elkander te wisselen, en zelfs tegelijk te spreken zonder elkander meer te begrijpen.

Banks kwam nu tusschenbeiden.

»De tijgers,” zeide hij, »zijn de koningen der schepping, dat is zeker, mijne heeren, maar ’k ben zoo vrij er bij te voegen dat het zeer gevaarlijke koningen voor hunne onderdanen zijn. In 1862 als ik me niet bedrieg, hebben deze lieve diertjes al de telegrafisten op het eiland Sangor verslonden. Men verhaalt ook van een tijgerin, die in drie jaren niet minder dan honderdachttien slachtoffers gemaakt heeft, en van een ander, die in hetzelfde tijdsverloop honderdzevenentwintig personen heeft omgebracht. Dat is te veel, zelfs voor koninginnen! Ja zelfs zijn sedert de ontwapening der Sipayers, in een tijdvak van drie jaren, twaalfduizend vijfhonderd vierenvijftig individus onder den aanval van tijgers bezweken.”

»Maar, mijnheer,” antwoordde Matthias van Guitt, »u schijnt te vergeten, dat deze dieren omophagen zijn.”

»Omophagen?” zei kapitein Hod.

»Ja eters van rauw vleesch, en zelfs beweren de Hindoes dat, zoo zij eens menschenvleesch geproefd hebben, ze geen ander vleesch meer willen!”

»Welnu, mijnheer?...” zei Banks.

»Welnu, mijnheer?” antwoordde glimlachend Matthias van Guitt, »het is hun aard! ... Zij moeten immers eten!”


1 In 1877 zijn 1677 menschelijke wezens door den beet van slangen omgekomen. Uit de door het gouvernement betaalde premieën voor de uitroeiing dezer kruipende dieren blijkt, dat er in datzelfde jaar 127,295 gedood zijn.

2 Als het kleine met het groote mag vergeleken worden.

3 Eenhoevigen.

[Inhoud]

II.

Een koningin van Tarryani.

Deze opmerking van den leverancier eindigde ons bezoek aan de kraal. Het was tijd om het Stoomhuis weder op te zoeken.

Om de waarheid te zeggen, scheidden kapitein Hod en Matthias [15]van Guitt niet als de twee beste vrienden van de wereld. De een toch wilde de roofdieren van Tarryani ombrengen, terwijl de ander ze wilde vangen en evenwel waren er genoeg om beiden tevreden te stellen.

Men kwam niettemin overeen, dat de bewoners van de kraal en het sanitarium elkander druk zouden bezoeken. Men zou elkander waarschuwen als er een mooie slag te slaan was. De chikaris van Matthias van Guitt, goed op de hoogte van deze soort van tochten, bekend met de omwegen en schuilhoeken van Tarryani, konden kapitein Hod veel diensten bewijzen, door hem de sporen van dieren aan te wijzen. De leverancier stelde hen welwillend ter zijne beschikking en meer bijzonder Kâlagani. Hoewel deze Hindoe eerst onlangs in het personeel der kraal was opgenomen, deed hij zich als zeer kundig kennen en kon men vast op hem rekenen.

Kapitein Hod van zijn kant beloofde, zooveel hem mogelijk was, bij de vangst der wilde dieren, die nog aan den voorraad van Matthias van Guitt ontbraken, zijn hulp te verleenen.

Alvorens de kraal te verlaten, bedankte Sir Edward Munro, die waarschijnlijk geen plan had er drukke bezoeken te maken, nogmaals Kâlagani, wiens tusschenkomst hem gered had. Hij zeide hem, dat hij altijd welkom in het Stoomhuis zoude zijn.

De Hindoe boog zich koel. Welk gevoel van voldoening hem ook bezielde den man, die hem het leven verschuldigd was, zoo te hooren spreken, liet hij er niets van blijken.

Wij hadden gezorgd vóór het etensuur thuis te zijn. Men kan zich voorstellen, dat Matthias van Guitt de stof tot het gesprek leverde.

»Sakkerloot! wat maakt die leverancier mooie gebaren!” herhaalde kapitein Hod »Welk een woordenschat! Welke uitgezochte uitdrukkingen! Maar als hij nu in de wilde beesten niet anders ziet dan voorwerpen om te laten zien, dan bedriegt hij zich!”

De volgende dagen, 27, 28 en 29 Juni regende het zoo hard, dat de jagers, hoe verzot op de jacht ze ook waren, het Stoomhuis niet konden verlaten. Bij zulk vreeselijk weer zijn trouwens de sporen onmogelijk te herkennen en verlaten de roofdieren, die evenmin van water houden als de katten, niet gaarne hunne schuilplaatsen.

Den 30n Juli was het weer gunstiger en zag de lucht er beter uit. Dinsdag maakten kapitein Hod, Fox, Goûmi en ik onze toebereidselen om naar de kraal af te zakken.

In den loop van den morgen, kwamen eenige bergbewoners ons een bezoek brengen. Zij hadden vernomen, dat een wonderbaarlijke pagode in het Himalayagebergte verschenen was en werden nu door een levendig gevoel van nieuwsgierigheid naar het Stoomhuis gedreven.

Het waren recht schoone menschen, van het ras op de grenzen [16]van Thibet, krijgshaftige inboorlingen, eerlijk en getrouw, op ruime schaal de gastvrijheid beoefenende en zedelijk en lichamelijk verheven boven de Hindoes der vlakte.

De gewaande pagode verbaasde hen wel is waar, maar de IJzeren Reus maakte zulk een overweldigenden indruk op hen, dat zij zich in aanbidding voor hem nederbogen. Hij bevond zich evenwel in rust. Wat zouden de goede lieden opgekeken hebben, als zij gezien hadden, hoe hij rook en vlammen uitspuwende, met vasten tred de ruwe hellingen hunner bergen beklom!

Kolonel Munro bereidde dezen inboorlingen, waarvan eenigen gewoonlijk het grondgebied van Népaul, op de Indo-Chineesche grens doorloopen, een goede ontvangst. Het gesprek liep een oogenblik over dat gedeelte der grenzen waar Nana Sahib een schuilplaats gezocht had, na de nederlaag der Sipayers, toen hij over het geheele grondgebied van Indië werd nagezeten.

Deze bergbewoners wisten eigenlijk niets meer dan ’t geen wij zelven wisten. Ook tot hen was het gerucht van den dood van den nabob doorgedrongen en zij schenen hem niet te betwijfelen. Wat de metgezellen betreft, die hem overleefd hadden, zij waren spoorloos verdwenen. Misschien hadden zij een schuilplaats tot Thibet opgezocht, maar het zou moeilijk geweest zijn hen daar te achterhalen.

Indien kolonel Munro, met zijn reis naar het noorden van het schiereiland, werkelijk het plan gehad had alles op te helderen wat van verre of dichtbij aan Nana Sahib herinnerde, was dit antwoord wel geschikt er hem af te brengen. Evenwel bleef hij, na deze bergbewoners gehoord te hebben, in gedachten verdiept en nam hij geen deel meer aan de gesprekken.

Wat kapitein Hod aangaat, deze stelde hun eenige vragen, maar met geheel andere beweegredenen. Zij meldden hem dat werkelijk door wilde dieren, en meer bijzonder door tijgers, vreeselijke verwoestingen in de onderste streek der Himalaya werden aangericht. Landhoeven en zelfs geheele dorpen waren door de bewoners verlaten moeten worden. Reeds waren verscheidene kudden geiten en schapen verslonden, en men telde ook talrijke slachtoffers onder de inlanders. Niettegenstaande de aanzienlijke premie, door het gouvernement uitgeloofd,—driehonderd ropijen per tijgerkop,—scheen toch het aantal dezer dieren niet te verminderen, en men vroeg zich af, of de mensch niet weldra verplicht zou zijn plaats voor hen te maken.

De bergbewoners voegden er ook nog deze bijzonderheid bij: dat namelijk de tijgers zich niet alleen tot in Tarryani terugtrokken. Overal waar de vlakte hun hoog gras, jungles, struikgewas aanbood waarin zij op de loer konden gaan liggen, ontmoette men ze in grooten getale.

»Kwaadaardige dieren!” zeiden zij. [17]

Matthias van Guitt ons deftig groetende. Blz. 18.

Matthias van Guitt ons deftig groetende. Blz. 18.

Die brave menschen koesterden, en met recht, zooals men ziet, ten opzichte der tijgers niet dezelfde denkbeelden als de leverancier Matthias van Guitt en onze vriend kapitein Hod. [18]

De bergbewoners gingen heen, zeer ingenomen met de ontvangst door hen genoten en beloofden hun bezoek aan het Stoomhuis te herhalen.

Na hun vertrek waren wij weldra met onze toebereidselen gereed en daalden wij, kapitein Hod, onze beide metgezellen en ik, goed gewapend, op elke ontmoeting voorbereid, naar Tarryani af.

Op de open plek in het bosch, waar de val gesteld was, waaruit wij Matthias van Guitt zoo gelukkig verlost hadden, deed deze zich, niet zonder eenige plechtigheid aan ons voor.

Vijf of zes zijner lieden, waaronder Kâlagani, hielden zich bezig met uit den val een tijger, die zich des nachts had laten vangen, in een rollend hok te doen overgaan.

Werkelijk een prachtig dier, dat door kapitein Hod met wangunst werd aangezien!

»Één minder in Tarryani!” mompelde hij met een zucht, die een weerklank vond in de borst van Fox.

»Eén meer in de menagerie,” antwoordde de leverancier. »Nog twee tijgers, een leeuw, twee luipaarden en ’k zal vóór het einde der campagne aan mijne verplichtingen kunnen voldoen. Gaat ge met mij mede naar de kraal, mijne heeren?”

»We zeggen u dank,” zei kapitein Hod, »maar van daag jagen we voor eigen rekening.”

»Kâlagani is ter uwe beschikking gereed, kapitein Hod”, antwoordde de leverancier. »Hij kent het bosch en kan u nuttig zijn.”

»We nemen hem gaarne als gids aan.”

»Nu, mijne heeren,” voegde Matthias van Guitt er bij, »veel geluk! Maar beloof me niet alles te dooden!”

»Wees gerust, we zullen u nog wat overlaten!” antwoordde kapitein Hod.

En Matthias van Guitt verdween, ons deftig groetende, onder de boomen, het rollend hok na.

»Op marsch,” zei kapitein Hod, »op marsch, mijne vrienden. Naar mijn twee en veertigsten!”

»Naar mijn acht en dertigsten!” antwoordde Fox.

»Naar mijn eersten!” voegde ik er bij.

Maar de toon waarop ik deze woorden sprak deed den kapitein glimlachen. Blijkbaar miste ik de noodige bezieling.

Hod had zich naar Kâlagani omgewend.

»Ken je Tarryani goed?” vroeg hij hem.

»’k Heb het twintigmaal doorkruist, nacht en dag, in alle richtingen,” antwoordde de Hindoe.

»Heb je hooren zeggen, dat een tijger meer bijzonder gezien is in den omtrek van de kraal?”

»Ja, maar die tijger is een tijgerin. Men heeft haar op twee mijlen van hier gezien, boven in het bosch en sedert eenige dagen tracht men zich van haar meester te maken. Wilt u dat....” [19]

»Of we willen!” antwoordde kapitein Hod, zonder den Hindoe den tijd te laten den zin te eindigen.

Wij hadden inderdaad niets beters te doen dan Kâlagani te volgen, hetgeen dan ook gedaan werd.

Het is niet twijfelachtig dat de wilde dieren zeer talrijk zijn in Tarryani en daar, gelijk elders, hebben zij niet minder dan twee runderen per week noodig voor hun bijzonder gebruik! Ga eens na wat dit »onderhoud” het geheele schiereiland kost!

Maar al zijn de tijgers er in menigte voorhanden, moet men zich daarom niet voorstellen, dat zij zonder noodzaak het land doorloopen. Zoolang de honger ze niet aandrijft, blijven ze in hunne schuilhoeken verborgen en men zou zich vergissen als men denkt, dat men ze bij elken voetstap ontmoet. Hoevele reizigers hebben niet de bosschen of de jungles doorloopen, zonder er ooit een ontmoet te hebben! Is er dus een jacht op touw, dan moet men beginnen met de gewone toegangen dezer dieren op te sporen en vooral de beek of de bron ontdekken waarin zij gewoonlijk hun dorst gaan lesschen.

En dit is dikwijls nog niet voldoende, men moet ze nog lokken. Men doet dit vrij gemakkelijk door een stuk ossenvleesch, aan een paal gebonden, op een open plek te brengen, omringd door boomen of rotsen, die den jagers ter beschutting kunnen dienen. Op deze wijze gaat men althans in het bosch te werk.

Op de vlakte gaat het anders toe en wordt de olifant de nuttigste helper van den mensch bij de gevaarlijke drijfjachten. Doch deze dieren moeten hiertoe volkomen afgericht zijn en toch in weerwil hiervan worden zij soms door een paniek overvallen, hetgeen den toestand der jagers, die op hun rug zitten, somtijds zeer gevaarlijk maakt. Ook moet hier gezegd worden, dat de tijger niet aarzelt zich op den olifant te werpen. De worsteling tusschen den mensch en hem heeft dan plaats op den rug van het reusachtige dikhuidige dier, dat zich driftig maakt en het is zeldzaam, dat zij niet ten voordeele van het wilde dier beslist wordt.

Op die wijze evenwel hebben de groote jachten der rajahs en der rijke sportsmen van Indië plaats, waardig om in de jaarboeken der jacht te worden opgenomen.

Doch dit was de wijze niet waarop kapitein Hod wilde tewerkgaan. Te voet ging hij de tijgers opzoeken, te voet was hij gewoon ze te bestrijden.

Intusschen volgden wij Kâlagani, die flink doorstapte. Terughoudend als een Hindoe, praatte hij weinig en bepaalde hij zich kort te antwoorden op de vragen, die hem gedaan werden.

Een uur later, hielden wij halt bij een schuimende beek, welker boorden de nog versche sporen van dieren vertoonden. Te midden eener kleine open plek in het bosch was een paal opgericht waaraan een groot stuk rundvleesch was vastgebonden. [20]

Het lokaas was niet geheel gespaard gebleven. De jakhalzen, de gauwdieven der Indische dierenwereld, altijd op eenige prooi uit, al is de prooi niet voor hen bestemd, hadden er juist even van geproefd. Een dozijn van die roofdieren ging bij onze nadering op de vlucht en liet ons volle vrijheid.

»Kapitein,” zei Kâlagani, »hier zullen we de tijgerin afwachten. U ziet dat de plek gunstig is.”

Werkelijk was het gemakkelijk zich in de boomen of achter de rotsen te verschuilen, zoodanig, dat men zijn vuur op de alleenstaande paal in het midden der open plek kon kruisen.

Dit werd dan ook onmiddellijk gedaan. Goûmi en ik hadden op denzelfden tak plaatsgenomen. Kapitein Hod en Fox, beiden op de eerste vertakking van twee groote groene eiken geplaatst, zaten recht tegenover elkander.

Kâlagani had zich half verscholen achter een hooge rots, die hij ingeval van dreigend gevaar kon beklimmen.

Het dier zou dus van alle kanten bestookt worden en het moeielijk kunnen ontloopen. Alle kansen waren dus tegen hem, alhoewel men rekening met onvoorziene omstandigheden moest houden.

Wij hadden nu niets anders te doen dan te wachten.

De jakhalzen, hier en daar verspreid, deden altijd hun schor geblaf in het naburig kreupelhout hooren, maar zij dorsten zich niet meer aan het stuk vleesch te wagen.

Nauwelijks was er een uur verloopen, of dit geblaf eindigde plotseling. Bijna op hetzelfde oogenblik, sprongen twee of drie jakhalzen uit het kreupelhout voor den dag, doorkruisten de open plek en verdwenen in het dichtst van het woud.

Een teeken van Kâlagani, die op het punt stond om de rots te beklimmen, waarschuwde ons op te passen.

Inderdaad was geen andere oorzaak voor deze overhaaste vlucht der jakhalzen te vinden dan de nadering van een wild dier,—de tijgerin ongetwijfeld,—en elk oogenblik kon men verwachten haar op een of ander punt der open plek in het bosch te zien verschijnen.

Onze wapenen waren gereed. De karabijnen van kapitein Hod en zijn oppasser, reeds gericht naar de plek van het kreupelbosch waaruit de jakhalzen ontvlucht waren, wachtten slechts op een vingerdruk om los te branden.

Weldra meende ik de bovenste takken van het kreupelhout even te zien bewegen. Op hetzelfde oogenblik deed zich een gekraak van droog hout vernemen. Duidelijk hoorde men nu een dier, welk dan ook, naderen, maar voorzichtig, zonder zich te haasten. Van de jagers, die, onder dicht gebladerte verscholen, hem beloerden, kon hij blijkbaar niets zien. Nochtans moest zijn instinct hem doen gevoelen, dat de plaats niet veilig voor hem was. Zeer zeker [21]zou, indien hij niet door den honger ware gedrongen en het stuk vleesch hem door den reuk niet had verlokt, zich niet verder gewaagd hebben.

Wij lieten haar tot aan de paal naderen. Blz. 22.

Wij lieten haar tot aan de paal naderen. Blz. 22.

[22]

Hij vertoonde zich evenwel, half door de takken van een struik verborgen en bleef zich alleen nog uit een gevoel van wantrouwen ophouden.

Het was wel degelijk een tijgerin, groot van stuk, met een prachtigen kop en een lenig lichaam. Zij kwam langzaam langs den grond voortglijdende, met de golvende beweging van een kruipend dier vooruit.

Algemeen kwam men daarin overeen, haar tot aan de paal te laten naderen. Zij rook den grond, ze richtte zich op, kromde den rug als een énorme kat, die niet van plan is een sprong te nemen.

Eensklaps barstten twee karabijnschoten los.

»Twee en veertig!” riep kapitein Hod.

»Acht en dertig!” riep Fox.

De kapitein en zijn oppasser hadden te gelijkertijd geschoten, en zoo juist, dat de tijgerin, getroffen door een, zoo niet door twee kogels, over den grond rolde.

Kâlagani was op het dier toegesneld en ook wij waren op den grond gesprongen.

De tijgerin bewoog zich niet meer.

Doch wien kwam de eer toe haar doodelijk getroffen te hebben? Den kapitein of Fox? Men kan zich voorstellen, dat dit een punt van gewicht was!

Het dier werd geopend. Het hart was door twee kogels doorboord.

»Kom,” zei kapitein Hod, niet zonder eenigen spijt, »ieder de helft!”

»De helft, kapitein!” antwoordde Fox op denzelfden toon.

En ik geloof, dat noch de een nog de ander gaarne het deel had afgestaan, dat hem toekwam.

Dit was het merkwaardige schot, waarvan het beste resultaat was, dat het dier zonder worsteling bezweken was en bijgevolg zonder gevaar voor de aanvallers,—een resultaat, dat bij de jachten dezer soort zelden voorkomt.

Fox en Goûmi bleven op het slagveld achter, om het dier van zijn prachtige huid te ontdoen, terwijl Hod en ik naar het Stoomhuis terugkeerden.

Het is mijn voornemen niet de voorvallen onzer tochten in Tarryani tot in de minste bijzonderheden te vermelden, tenzij zij iets merkwaardigs opleveren. Het zij genoeg al dadelijk te zeggen, dat kapitein Hod en Fox zich niet te beklagen hadden.

Den 10n Juli, bij een jacht uit de houddi, namelijk uit de hut, hadden zij opnieuw een gelukkige kans, zonder dat zij werkelijk gevaar geloopen hadden. De houddi, trouwens, is zeer geschikt om de groote roofdieren te belagen. Het is een soort van gecreneleerd fortje, welks muren, door schietgaten doorboord, de oevers [23]van een beek beheerschen, waar de dieren gewoon zijn te gaan drinken. Gewoon aan het gezicht dezer kleine gebouwen, hebben zij geen wantrouwen en stellen zij zich rechtstreeks aan het moorddadig lood bloot. Maar ook daar als overal, komt het er op aan hen doodelijk met het eerste schot te treffen, of de worsteling wordt gevaarlijk, want de houddi behoedt den jager niet altijd voor de geduchte sprongen dezer dieren, die gewond, woedend zijn geworden.

Dit was het nu juist wat gebeurde, zooals men weldra zien zal.

Matthias van Guitt vergezelde ons. Misschien hoopte hij wel, dat een licht gewonde tijger naar de kraal medegenomen zou kunnen worden, waar hij dan de zorg op zich zou nemen hem te verzorgen en te genezen.

Nu had onze troep jagers dien dag met drie tijgers te doen, die door de eerste losbranding niet weerhouden werden de muren van de houddi te bespringen. De twee eerste werden, tot groot verdriet van den leverancier, met een tweeden kogel gedood, toen zij over de gecreneleerde omheining sprongen. Wat den derden betreft, hij nam een sprong tot in het inwendige van het gebouwtje, den schouder gewond, maar overigens niet doodelijk getroffen.

»Dien zullen we dan toch hebben!” riep Matthias van Guitt uit, die zoo sprekende wel wat veel waagde, »we zullen hem levend hebben!....”

Nauwelijks had hij deze onvoorzichtige woorden gesproken, of het dier stortte zich op hem, wierp hem omver en het ware gedaan geweest met den leverancier, had een kogel van kapitein Hod den kop des tijgers niet geraakt, die als door den bliksem getroffen neerzeeg.

Matthias van Guitt was weder snel op de been.

»Hé! kapitein,” riep hij uit, in plaats van onzen vriend te bedanken, »u hadt wel kunnen wachten!....”

»Wachten.... wat?....” antwoordde kapitein Hod, »totdat het dier je de borst met zijn klauwen had opengereten?”

»Zoo’n krab is nog niet doodelijk!...”

»Goed!” antwoordde bedaard kapitein Hod. »Een andermaal zal ik wachten!”

Wat er van zij, het dier was buiten staat in de menagerie der kraal te figureeren en had alleen om zijn vel nog eenige waarde; maar deze gelukkige tocht bracht het getal der door den kapitein en zijn oppasser gedoode tijgers op twee en veertig en acht en dertig, zonder de reeds vermelde halve tijgerin mede te rekenen.

Men denke nu niet dat deze groote jachten ons de kleine deden vergeten. Daar zorgde »Monsieur” Parazard wel voor. Een groote verscheidenheid van allerlei wild, zooals patrijzen, hazen, antilopen, gemzen, trapganzen, dat in den omtrek van het Stoomhuis rijk vertegenwoordigd was, prijkte op onze tafel. [24]

Zelden gebeurde het dat Banks ons bij onze tochten in Tarryani vergezelde. Mochten die tochten mij belang beginnen in te boezemen, hem bevielen ze niet bijzonder. Voor hem hadden de hoogere streken der Himalaya meer aantrekkelijkheid, vooral als kolonel Munro hem wilde vergezellen.

Maar een of twee malen slechts hadden de wandelingen van den ingenieur op deze wijze plaats. Hij had opgemerkt, dat Sir Edward Munro in den laatsten tijd weer meer in zich zelven gekeerd en bezorgder geworden was. Hij sprak minder, hield zich meer afgezonderd en had somtijds drukke gesprekken met sergeant Mac Neil. Zouden zij met hun beiden eenig nieuw plan beramen, dat ze wilden verbergen, zelfs voor Banks?

Den 13n Juli kwam Matthias van Guitt ons een bezoek brengen. Hij was minder gelukkig geweest dan kapitein Hod en had zijn menagerie met geen nieuwen gast kunnen verrijken. Geen tijgers, noch leeuwen, noch luipaarden schenen geneigd te zijn zich te laten vangen. De gedachte zich in het verre westen te laten tentoonstellen lachte hun ongetwijfeld niet toe. Vandaar dat de leverancier een ergernis gevoelde, die hij niet trachtte te ontveinzen.

Kâlagani en twee chikaris van het personeel vergezelden Matthias van Guitt bij dit bezoek.

De vestiging van het sanitarium in die bekoorlijke streek behaagde hem buitengemeen. Kolonel Munro noodigde hem te blijven eten. Hij nam het gretig aan en beloofde onze tafel eer aan te doen.

Voor het diner wenschte Matthias van Guitt het Stoom-House te bezoeken, waarvan de geriefelijke inrichting zoo oneindig verschilde met de eenvoudigheid zijner kraal. De twee rollende huizen lokten een kompliment van hem uit, maar ik moet bekennen, dat de IJzeren Reus hem onverschillig liet. Een natuurkundige, zooals hij, moest wel ongevoelig blijven voor dit meesterstuk van werktuigkunde. Hoe kon hij de schepping van dit kunstmatige dier, hoe merkwaardig ook, goedkeuren.

»Denk geen kwaad van onzen olifant, mijnheer van Guitt!” zeide Banks tot hem. »’t Is een machtig dier, en als het moest, zou hij er volstrekt niet over in zitten om tegelijk met onze twee wagens, al de hokken uwer rollende menagerie voort te trekken.”

»Daarvoor heb ik mijn buffels,” antwoordde de leverancier, »en ik geef de voorkeur aan hun bedaarden en zekeren stap.”

»De IJzeren Reus vreest noch de klauwen, noch de tanden der tijgers!” riep kapitein Hod uit.

»Dat moge waar zijn, mijne heeren,” antwoordde Matthias van Guitt, »maar waarom zouden de wilde dieren hem aanvallen? Ze geven niet veel om vleesch van plaatijzer!” [25]

Het ware gedaan geweest met den leverancier. Blz. 23.

Het ware gedaan geweest met den leverancier. Blz. 23.

Mocht de natuurkundige zijn onverschilligheid voor onzen olifant niet ontveinzen, zijne Hindoes en vooral Kâlagani hielden daarentegen niet op hem met de oogen te verslinden. Men gevoelde, dat [26]hunne bewondering van het reusachtige dier gemengd was met een zekere dosis bijgeloovigen eerbied.

Kâlagani scheen zelfs zeer verbaasd toen de ingenieur herhaalde, dat de IJzeren Reus machtiger was dan de geheele bespanning der kraal. Dit gaf kapitein Hod aanleiding, niet zonder eenige fierheid ons avontuur met de drie »proboscidea” van prins Gourou Singh te vertellen.

Een ongeloovig glimlachje speelde om de lippen van den leverancier, maar hij wachtte zich wel het feit te betwisten.

Het diner liep in de beste orde af en vooral Matthias van Guitt deed het alle eer aan. Het menu was uitmuntend en bestond uit de voortbrengselen onzer laatste jachten; werkelijk mag men zeggen, dat »Monsieur” Parazard zich zelven overtroffen had.

Ook de wijnkelder van het Stoomhuis bleek goed voorzien te zijn en vooral schenen een paar glazen Franschen wijn onzen gast uitmuntend te smaken, want elk slokje werd gevolgd door een eigenaardig gesmak van de tong tegen het verhemelte.

Na den maaltijd, op het oogenblik van scheiden, kon men uit de onzekerheid van zijn gang opmaken, dat de wijn hem niet alleen naar het hoofd gestegen, maar ook naar zijne beenen gezakt was.

Bij het vallen van den avond, scheidde men als de beste vrienden van de wereld, en dank zij zijne tochtgenooten, kwam Matthias van Guitt zonder ongelukken in zijn kraal terug.

Evenwel had er den 16n Juli een voorval plaats, die de goede verstandhouding tusschen den leverancier en kapitein Hod dreigde te verstoren.

Op het oogenblik dat een tijger in een der wipvallen zou gevangen worden, werd hij door den kapitein gedood. Maar, mocht deze al zijn drie en veertigste zijn, hij was niet de achtste van den leverancier.

Nochtans werd na eenige wederzijdsche ophelderingen, waarbij het vrij scherp toeging, de zaak in der minne geschikt, dank zij de tusschenkomst van kolonel Munro, en kwamen zij overeen, dat kapitein Hod de wilde dieren zou eerbiedigen, die »van plan waren” zich in de vallen van Matthias van Guitt te laten vangen.

De volgende dagen was het afschuwelijk slecht weder. Men moest tegen wil en dank in het Stoomhuis blijven. Wij verlangden naar het einde van den regentijd, die niet lang meer kon duren, daar hij reeds voor meer dan drie maanden begonnen was. Indien het programma van onze reis gevolgd werd, zooals Banks het van te voren had vastgesteld, bleven ons nog slechts zes weken verblijf in het sanitarium over.

Den 23n Juli kwamen eenige bergbewoners van de grenzen den kolonel Munro een tweede bezoek brengen. Hun dorp, Souari genaamd, was slechts vijf mijlen van ons kamp verwijderd, bijna aan de bovenste grens van Tarryani. [27]

Een van hen deelde ons mede, dat een tijgerin sedert eenige weken vreeselijke verwoestingen in die streken aanrichtte. De kudden werden vernield en men sprak er reeds van om Souari, onbewoonbaar geworden, te verlaten. Er was geen zekerheid meer, noch voor de huisdieren, noch voor de menschen. Allerlei middelen om het dier te belagen, vallen, strikken, drijfjachten, niets had het wreede dier, dat reeds onder de geduchtste roofdieren begon te tellen waarvan de oude bergbewoners ooit hadden hooren spreken, kunnen verjagen of dooden.

Men kan zich voorstellen, dat dit verhaal zeer geschikt was om kapitein Hod in koortsachtige spanning te brengen. Hij bood dadelijk den bergbewoners aan hen naar het dorp van Souari te vergezellen, volkomen bereid zijn ondervinding als jager en de zekerheid van zijn blik ter beschikking van die goede menschen te stellen, die, naar het mij toescheen, wel een weinig op dit aanbod rekenden.

»Ga je mee, Maucler?” vroeg kapitein Hod mij, op den toon van iemand, die geen invloed op een eenmaal genomen besluit wenscht uit te oefenen.

»Wel zeker,” antwoordde ik. »’k Zou niet gaarne zulk een merkwaardigen tocht mankeeren!”

»Ook ik wilde je ditmaal vergezellen,” zei de ingenieur.

»Dat is een heerlijk idée van je, Banks.”

»Ja, Hod! ’k Wensch zeer je daar eens aan ’t werk te zien.”

»Mag ik niet van de partij zijn, kapitein?” vroeg Fox.

»O! die intrigant?” riep kapitein Hod uit. »Hij zou gaarne zijn halve tijgerin willen aanvullen! Ja, Fox! ja! je kunt meegaan!”

Daar men nu dus voor een drie of vier dagen het Stoomhuis ging verlaten, vroeg Banks den kolonel of ook hij ons niet naar het dorp Souari zou vergezellen.

Sir Edward Munro bedankte hem, daar hij van plan was van onze afwezigheid gebruik te maken om met Goûmi en den sergeant Mac Neil de middelste streek of zone van de Himalaya, boven Tarryani te bezoeken.

Banks drong niet verder aan.

Er werd dus bepaald, dat wij denzelfden dag naar de kraal zouden vertrekken, om van Matthias van Guitt eenigen zijner chikaris te leenen, die ons nuttig zouden kunnen zijn.

Een uur later, tegen twaalf uren, waren wij aangekomen. De leverancier werd op de hoogte onzer plannen gebracht. Toen hij de heldendaden van die tijgerin vernam, kon hij zijne geheime voldoening niet verbergen. Dat dier toch, zeide hij, was wel geschikt om bij de kenners den roem der dieren van het schiereiland te verhoogen. Daarna stelde hij drie zijner Hindoes ter onze beschikking zonder Kâlagani mede te rekenen, die altijd gereed was zich in het gevaar te begeven. [28]

Het werd evenwel goed afgesproken met kapitein Hod, dat, zoo onverhoopt de tijgerin zich levend liet vangen, zij rechtens tot de menagerie van Matthias van Guitt zou behooren. Welk een uitlokkend bericht, dat, aan de traliën van het hok gehangen, in welsprekende cijfers de heldendaden zou vermelden van »een der koninginnen van Tarryani, die niet minder dan honderd acht en dertig personen van beide seksen verslonden heeft!”

Onze kleine troep verliet de kraal tegen twee uren van den namiddag. Voor vier uren, kwam hij, na schuins naar het oosten bergopwaarts te zijn gegaan, zonder ongelukken te Souari aan.

De paniek was daar tot het hoogste geklommen. Dien zelfden morgen was een ongelukkige Hindoesche vrouw, onverwacht bij een beek door de tijgerin verrast, naar het bosch medegesleept.

Een der bergbewoners, een rijke Engelsche landeigenaar, nam ons gastvrij in zijne woning op. Onze gastheer had meer dan een ander zich over het geduchte dier te beklagen gehad en gaarne had hij zijn huid met vele duizenden ropijen betaald.

»U moet weten, kapitein Hod,” zeide hij, »dat eenige jaren geleden een tijgerin in de centrale provinciën de bewoners van dertien dorpen verplicht heeft op de vlucht te gaan, zoodat twee honderd vijftig vierkante mijlen beste grond braak moesten blijven liggen!

»Heb je alle mogelijke middelen beproefd om het dier te dooden?” vroeg Banks.

»Alles, mijnheer de ingenieur, vallen, kuilen en zelfs lokazen met strychnine toebereid! Niets heeft geholpen!”

»Mijn goede vriend,” zei kapitein Hod, »ik verzeker niet, dat het ons zal gelukken je te voldoen, maar we zullen ons best doen!”

Zoodra we ons te Souari eenigszins hadden ingericht, werd dien zelfden dag een drijfjacht ondernomen. Een twintigtal bergbewoners, die het grondgebied waarop we ons zouden bewegen, volkomen goed kenden, voegden zich bij ons, bij onze lieden en bij de chikaris der kraal.

Hoe weinig jager Banks ook ware, scheen het mij toe, dat ook hij onzen tocht met de meeste belangstelling zou medemaken.

Drie dagen achtereen, den 24n, 25n en 26n Juli, werd dit geheele gedeelte der bergachtige streek doorzocht, zonder dat onze nasporingen eenig resultaat hadden opgeleverd, geen ander immers dan dat twee andere tijgers, waaraan men weinig dacht, door den kapitein werden neergeveld.

»Vijf en veertig!” vergenoegde zich Hod te zeggen, zonder er anders eenig gewicht aan te hechten.

Eindelijk, den 27n, deed de tijgerin door een nieuwe wandaad van zijn tegenwoordigheid blijken. Een buffel, die onzen gastheer toebehoorde, verdween uit een bij Souari gelegen weide en men vond er een kwart mijl van het dorp niets meer dan de overblijfselen [29]van terug. De moord,—moord met voorbedachten rade, zou een rechtskundige gezegd hebben,—had even voor het opkomen der zon plaats gehad, zoodat de moordenaar onmogelijk ver af kon zijn.

Wij gingen langzaam in stilte vooruit. Blz. 30.

Wij gingen langzaam in stilte vooruit. Blz. 30.

[30]

Doch zou de bedrijver van de misdaad wel de tijgerin zijn, die men tot nog toe tevergeefs had trachten op te sporen?

De Hindoes van Souari twijfelden er niet aan.

»’t Is mijn oom, niemand anders dan hij kan de dood bedreven hebben!” zei een der bergbewoners tot ons.

»Mijn oom!” Zoo noemen de Hindoes in de meeste streken van het schiereiland gewoonlijk den tijger. Zij gelooven namelijk, dat ieder hunner voorouders voor eeuwig verblijf houdt in het lichaam van een dezer leden van de familie van het kattengeslacht.

In dit geval zouden zij juister hebben kunnen zeggen: »’t Is mijn tante!”

Onmiddellijk werd het besluit genomen het dier te gaan opzoeken, zonder zelfs den nacht af te wachten, omdat hij zich ’s nachts beter aan de nasporingen zou kunnen onttrekken. Hij moest trouwens verzadigd zijn en zou zijn leger niet voor twee of drie dagen verlaten.

Men ging op marsch. Van de plek waar de buffel door de tijgerin gedood was, toonden bloedige sporen den weg aan, door haar ingeslagen. Deze sporen voerden naar een klein kreupelbosch, dat reeds meermalen was afgeloopen, zonder dat men er iets kon ontdekken. Men besloot dus dit kreupelbosch te omringen, teneinde op die wijze een kring te vormen, die niet door het dier zou kunnen overschreden worden, althans niet zonder gezien te worden.

De bergbewoners verspreidden zich nu eerst, om zich langzamerhand naar het midden terug te trekken, hun kring daarbij verkleinende. Kapitein Hod, Kâlagani en ik bevonden zich aan een kant, Banks en Fox aan den anderen, doch in voortdurende gemeenschap met de lieden van de kraal en met die van het dorp. Elk punt van dezen omtrek was natuurlijk gevaarlijk, daar de tijgerin op elk punt kon trachten hem te verbreken.

Het leed overigens geen twijfel of het dier bevond zich wel degelijk in het kreupelbosch. Inderdaad werden de sporen, die er aan eenen kant op uitliepen, aan den anderen kant niet teruggevonden. Dat daar haar gewone schuilplaats was, was niet bewezen, want men had er haar tevergeefs gezocht, doch op dit oogenblik was het algemeene vermoeden, dat dit kreupelbosch haar werkelijk tot schuilplaats diende.

Het was toen acht uren ’s morgens. Nadat alle voorzorgen genomen waren, gingen we langzaam in stilte vooruit, den kring van insluiting allengs vernauwende. Een half uur later, bevonden wij ons bij de eerste boomen.

Tot nog toe was er niets bijzonders voorgevallen, niets verkondigde de tegenwoordigheid van het dier en wat mij aangaat, begon ik te gelooven, dat al onze moeite tevergeefs was.

Op dit oogenblik was het niet meer mogelijk elkander te zien dan voor hen, die in elkander’s onmiddellijke nabijheid waren en evenwel was het van belang den onderlingen samenhang niet te verliezen. [31]

Men was dus vooraf overeengekomen, dat een geweerschot het oogenblik zou aankondigen waarop de eerste van ons het bosch zou binnentreden.

Het teeken werd gegeven door kapitein Hod, die altijd vooraan was en de zoom van het bosch werd overschreden. Mijn horloge raadplegende, zag ik dat het toen acht uren vijf en dertig minuten was.

Een kwartier later, toen de kring zich vernauwd had, raakte men elkander met de elbogen aan en hield men halt in het dichtste gedeelte van het kreupelhout, zonder iets ontmoet te hebben.

Tot nog toe had niets de stilte gestoord dan het gekraak der droge takken, die niettegenstaande al onze voorzorgen onder het gaan verbroken werden.

Op dit oogenblik deed zich een gehuil hooren.

»Daar is het dier!” riep kapitein Hod uit, naar de opening van een hol wijzende in een opeenhooping van rotsen, die door een groep hooge boomen bekroond werd.

Kapitein Hod bedroog zich niet. Al was het niet het gewone leger der tijgerin, was het althans daar dat zij de wijk genomen had toen zij zich door een talrijke bende jagers vervolgd zag.

Wij allen, Hod, Banks, Fox, Kâlagani, verscheidene lieden der kraal, wij waren de nauwe opening genaderd, waar de bloedige sporen eindigden.

»We moeten daarin doordringen,” zei kapitein Hod.

»Een gevaarlijke onderneming!” deed Banks opmerken. »De eerste, die binnentreedt, loopt gevaar ernstig verwond te worden...”

»Niets zal mij toch weerhouden naar binnen te gaan,” zei Hod, zich verzekerende, dat zijn karabijn gereed was vuur te geven.

»Na mij, kapitein!” antwoordde Fox, die zich naar de opening van het hol bukte.

»Neen, Fox, neen!” riep Hod uit. »Dat gaat mij aan!”

»Och, kapitein!” antwoordde Fox zacht, op verwijtenden toon, »’k ben er zes ten achteren!...”

Op zulk een oogenblik telden zij waarlijk het aantal tijgers, die zij geschoten hadden!

»Geen van beiden zult ge daar binnen gaan!” riep Banks. »Neen! Nooit zal ik toestaan...”

»Er zou misschien wel een middel zijn,” zeide Kâlagani toen, den ingenieur in de rede vallende.

»Welk?”

»Het dier door rook trachten te verdrijven,” antwoordde de Hindoe. »We zouden dan minder gevaar loopen en het gemakkelijker buiten kunnen dooden.”

»Kâlagani heeft gelijk,” zeide Banks. »Komt, mijne vrienden, dood hout, droog gras en gebladerte! Stopt de opening behoorlijk dicht! De wind zal de vlammen en den rook naar binnen jagen. [32]Het beest zal zich moeten laten roosteren of trachten te ontvluchten!”

»Het zal zich willen redden,” hernam de Hindoe.

»Goed!” antwoordde kapitein Hod. »We zullen het in het voorbijgaan onze groeten overbrengen!”

In een oogwenk was een groote hoop brandbare zelfstandigheden, als bladeren, droog gras, dood hout, waaraan in dit kreupelbosch geen gebrek was, voor den ingang van het hol opgehoopt.

Niets had zich tot nog toe in het inwendige bewogen. Niets vertoonde zich in den donkeren gang, die vrij diep moest zijn. Toch hadden onze ooren ons niet kunnen bedriegen en was het gehuil stellig van daar gekomen.

Nu werden al die droge zaken in brand gestoken en stond weldra alles in vlam. Tegelijk ontwikkelde zich een scherpe, dichte rook, die door den wind werd nedergeslagen en de lucht van binnen verstikkend moest maken.

Nu deed zich een tweede gebrul, woedender dan het eerste hooren. Het dier gevoelde zich tot in zijn laatsten schuilhoek teruggedrongen en om niet te stikken zou hij spoedig gedwongen worden zich naar buiten te storten.

Wij wachtten hem af, tegen de zijdelingsche helling van de rots geplaatst, gedekt door boomstammen, teneinde den schok van den eersten sprong te vermijden.

Wat de kapitein betreft, deze had een andere plaats gekozen en, het moet erkend worden, de gevaarlijkste. Deze bevond zich namelijk bij den ingang van een opening in het kreupelhout, de eenige waardoor de tijgerin kon ontvluchten. Hod zat met één knie op den grond, teneinde zekerder van zijn schot te zijn, terwijl hij zijn karabijn stevig tegen den schouder had aangedrukt; zijn geheele wezen had de onbeweeglijkheid van een marmeren beeld aangenomen.

Er waren nauwlijks drie minuten verloopen sedert het oogenblik dat de hoop hout in brand was gestoken, toen voor de derde maal een gehuil of liever ditmaal een gereutel van verstikking aan de opening van het hol weerklonk. In een oogwenk werden de brandbare voorwerpen terzijde geworpen en verscheen er een énorm lichaam te midden van de dwarrelende rookkolommen.

Het was de tijgerin.

»Vuur!” schreeuwde Banks.

Tien geweren brandden los, maar later konden wij ons verzekeren, dat geen enkele kogel het dier getroffen had. Zijn verschijning was te kort geweest. Hoe had men te midden van den rook, die het omgaf, met eenige juistheid kunnen mikken?

Doch, als de tijgerin na haar eersten sprong, den grond had aangeraakt, was dit slechts geweest om een steunpunt te zoeken voor een tweeden nog verderen sprong, die haar in het kreupelhout zou brengen. [33]

Kapitein Hod wachtte het dier af. Blz 33.

Kapitein Hod wachtte het dier af. Blz 33.

Kapitein Hod wachtte het dier met de grootste koelbloedigheid af en als in de vlucht zond hij het een kogel na, die het slechts in het dikke van den schouder raakte. [34]

Snel als de bliksem, was de tijgerin op onzen metgezel toegesprongen, had hem omver geworpen en was op het punt hem met een slag van zijn ontzaglijke klauwen den schedel te verpletteren, toen Kâlagani met een groot mes in de hand op hem toevloog.

De schreeuw, dien wij uitten, was nog niet verstomd of de moedige Hindoe had het woeste dier bij de keel gepakt op het oogenblik dat zijn rechterklauw op het hoofd van den kapitein zou nederkomen.

Het dier, door dien plotselingen aanval afgeleid, wierp den Hindoe met een zijdelingsche beweging omver en viel woedend op hem aan.

Maar kapitein Hod was met één sprong op de been en het mes, dat Kâlagani had laten vallen, oprapende, stak hij het met vaste hand tot aan het heft in het hart van het dier.

De tijgerin rolde op den grond.

Niet langer dan vijf minuten had dit gansche ontzettende tooneel ons in koortsachtige spanning gehouden.

Kapitein Hod lag nog steeds geknield toen wij bij hem kwamen. Kâlagani had zich met bebloeden schouder zoo even opgericht.

»Bag mahryaga! Bag mahryaga!” schreeuwden de Hindoes,—’t geen beteekende: de tijgerin is dood!

Ja, werkelijk dood! Welk een prachtig dier! Tien voet lang van den snuit tot het uiteinde van den staart, grootte naar verhouding, ontzaglijke pooten, gewapend met lange, scherpe klauwen.

Terwijl wij het roofdier bewonderden, overlaadden de Hindoes, die zeer haatdragend van aard zijn, hem met scheldwoorden. Wat Kâlagani aangaat, hij was kapitein Hod genaderd.

»Bedankt, kapitein!” zeide hij.

»Hoe! bedankt?” riep Hod uit. »Als iemand danken moet, dan ben ik het, want zonder je hulp was het gedaan geweest met een der kapiteins van het 1e eskadron der karabiniers van de koninklijke armée.”

»Zonder u zou ik dood geweest zijn!” antwoordde de Hindoe koud.

»Wel, bij alle duivels! Heb je niet, met het mes in de hand je op de tijgerin geworpen, op het oogenblik dat zij me den schedel zou verpletteren!”

»U hebt haar gedood, kapitein, en dat is dus uw zes-en-veertigste!”

»Hoera! hoera!” riepen de Hindoes! »Hoera voor kapitein Hod!”

En inderdaad had de kapitein wel het recht de tijgerin op zijn rekening te schrijven, maar hij betaalde Kâlagani met een stevigen handdruk.

»Kom mee naar het Stoomhuis,” zei Banks tot Kâlagani. »Je schouder is deerlijk gehavend, maar we zullen in onze reisapotheek wel iets vinden om je wond te verzorgen.”

Kâlagani boog ten teeken van goedkeuring en allen richtten we ons, na afscheid genomen te hebben van de bergbewoners van Souari, die hunne dankzeggingen niet spaarden, naar het sanitarium.

De chikaris verlieten ons om naar de kraal terug te keeren. Ook [35]ditmaal kwamen zij met ledige handen weder, en indien Matthias van Guitt gerekend had op deze »koningin van Tarryani,” moest hij rouw voor haar dragen. Het is zeker, dat het onder deze omstandigheden onmogelijk zou geweest zijn, haar levend te vangen.

Tegen twaalf uren, waren wij in het Stoomhuis terug. Daar had zich iets onverwachts voorgedaan. Tot onze groote teleurstelling waren kolonel Munro, sergeant Mac Neil en Goûmi vertrokken.

Een briefje, aan Banks gericht, meldde hem zich niet over hunne afwezigheid te verontrusten, dat, Edward Munro, een verkenning naar de grens van Népaul begeerende te maken, nog eenige twijfelachtige omstandigheden wilde ophelderen betrekkelijk de metgezellen van Nana Sahib en dat hij terug wilde zijn vóór het tijdperk waarop wij de Himalaya moesten verlaten.

Bij het lezen van dit briefje, kwam het mij voor, dat aan Kâlagani een teeken van bijna onwillekeurige teleurstelling ontsnapte.

Waarom die teleurstelling? Ik vergiste mij ongetwijfeld.

[Inhoud]

III.

Nachtelijke aanval.

Wij maakten ons zeer ongerust over het vertrek van den kolonel. Het had blijkbaar betrekking op een verleden, dat wij voor altijd voorbij hadden gewaand. Maar wat te doen? Het voetspoor van Sir Edward Munro volgen? Wij wisten niet welken weg hij was ingeslagen en welk punt van de Népaulsche grens hij zich voorstelde te bereiken. Wij konden ons van den anderen kant niet ontveinzen dat, zoo hij zich niet aan Banks had uitgelaten, dit was omdat hij de aanmerkingen van zijn vriend vreesde, waaraan hij zich wilde onttrekken. Het speet Banks zeer ons op dezen tocht gevolgd te zijn.

Men moest er dus in berusten en afwachten. Kolonel Munro zou zeker vóór het einde van Augustus terug zijn, want die maand was de laatste, die wij in het sanitarium zouden doorbrengen, alvorens door het zuidwesten, den weg naar Bombay te kiezen.

Kâlagani werd zoo goed door Banks verzorgd, dat hij slechts vierentwintig uren in het Stoomhuis bleef. Zijn wond was spoedig genezen en hij verliet ons om zijn dienst in de kraal te gaan hervatten.

Ook de maand Augustus begon onder hevige regenbuien,—een weer om kikkers verkouden te maken,—zei kapitein Hod, maar [36]toch zou het minder regenachtig zijn dan in Juli en bijgevolg gunstiger voor onze tochten in Tarryani.

Evenwel was de gemeenschap met de kraal zeer druk. Matthias van Guitt was niet bijzonder in zijn schik. Ook hij rekende het kamp in de eerste dagen van September op te breken. Nu ontbraken er nog altijd een leeuw, twee tijgers en twee luipaarden aan zijn menagerie en hij wist niet of hij zijn troep voltallig zou kunnen maken.

Om hem nog meer uit zijn humeur te maken kwamen inplaats van de acteurs, die hij voor rekening zijner lastgevers wilde aannemen, zich anderen aan zijn agentschap aanbieden, waarmede hij geen raad wist.

Zoo liet zich den 4n Augustus een prachtige beer in een zijner vallen vangen.

Wij bevonden ons juist in de kraal, toen zijne chikaris hem in het beweegbare hok een gevangene brachten van aanzienlijk lengte met een zwarte vacht, scherpe klauwen, lange ooren met haren voorzien,—wat eigenaardig is aan deze vertegenwoordigers van het geslacht der beren in Indië.

»Wat heb ik aan zoo’n onnutten zooltreder!” riep de leverancier, de schouders ophalende.

»Broeder Ballon! broeder Ballon!” riepen telkens de Hindoes.

Het schijnt wel, dat, zoo de Hindoes zich slechts de neven der tijgers, zij zich de broeders der beren noemen.

Matthias van Guitt evenwel, ontving broeder Ballon, niettegenstaande dezen graad van bloedverwantschap, met een gevoel van slecht verborgen tegenzin. Beren te vangen, als hij tijgers noodig had, dat beviel hem niet. Wat zou hij met dat lastige dier uitvoeren. Het leek hem niets het te voeden zonder hoop zijne kosten vergoed te zien. De Indische beer is weinig gevraagd op de markten van Europa en heeft niet de handelswaarde van den grijzen Amerikaanschen beer, noch die van den poolbeer. Daarom gaf dan ook Matthias van Guitt als een goed koopman niets om een lastig dier, waarvan hij zich slechts moeilijk zou kunnen ontdoen!

»Wilt u hem hebben?” vroeg hij kapitein Hod.

»En wat zou ik er mee doen?” vroeg de kapitein.

»U kunt er beefsteaks van maken,” zei de leverancier, »indien ik althans deze catachrese1 mag gebruiken!”

»Mijnheer van Guitt,” antwoordde Banks ernstig, »de catachrese is een geschikt woord, wanneer het uit gebrek aan iedere andere uitdrukking de gedachte behoorlijk wedergeeft. [37]

Terwijl wij het roofdier bewonderden. Blz. 34.

Terwijl wij het roofdier bewonderden. Blz. 34.

»Zoo denk ik er ook over,” hernam de leverancier.

»Welnu, Hod,” zei Banks, »neemt ge of neemt ge niet den beer van mijnheer van Guitt?” [38]

»Welzeker niet!” antwoordde kapitein Hod. »Beren-beefsteak te eten, wanneer de beer gedood is, laat ik nog daar, maar den beer te dooden alleen met het doel om zijn beefsteak te eten, bezorgt me geen eetlust!”

»Geeft dan den zooltreder de vrijheid,” zeide Matthias van Guitt, zich tot zijne chikaris wendende.

Men gehoorzaamde den leverancier. Het hok werd buiten de kraal gebracht. Een der Hindoes opende de deur en broeder Ballon, die zeer beschaamd scheen over zijn toestand, liet het zich geen tweemalen zeggen. Hij verliet bedaard het hok, gaf een klein knikje met het hoofd, dat men voor een bedankje kon houden en maakte zich onder een geknor van voldoening uit de voeten.

»U hebt daar een goede daad verricht,” zeide Banks. »Dat zal u geluk aanbrengen, mijnheer van Guitt.”

Banks had niet gedacht zoo juist gesproken te hebben. De dag van den 9n Augustus moest den leverancier beloonen, want hij schonk hem een der wilde dieren, die hem nog ontbrak.

Ziehier onder welke omstandigheden:

Matthias van Guitt, kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, den machinist Storr en Kâlagani, we doorkruisten, van zonsopgang af een dicht kreupelbosch van cactus en mastikboomen, toen zich een half gesmoord gehuil deed hooren.

Dadelijk hielden we onze geweren gereed om te vuren, alle zes goed geplaatst, teneinde ons voor elken afzonderlijken aanval gedekt te houden, en richtten we ons naar de verdachte plek.

Vijftig schreden verder liet de leverancier ons halt houden. Aan den aard van het gebrul scheen hij herkend te hebben wat er van de zaak was en, zich bijzonder tot kapitein Hod wendende, zeide hij:

»Vooral geen nutteloos schot.”

Vervolgens eenige schreden vooruit makende, terwijl wij op een wenk van hem achterbleven, riep hij uit:

»Een leeuw!”

En werkelijk deed een dier, dat aan het uiteinde van een sterk touw was vastgemaakt, wanhopige pogingen om los te komen.

Het was wel degelijk een leeuw, een van de soort zonder manen,—die zich door deze bijzonderheid van zijne stamgenooten van Afrika onderscheidde,—maar overigens een werkelijke leeuw, de leeuw waarnaar Matthias van Guitt zoo vurig gehaakt had.

Het woeste dier, dat aan een zijner voorpooten, omkneld door de schuiflis van het touw, was opgehangen, deed vreeselijke rukken, zonder dat het hem mocht gelukken zich los te wringen.

In weerwil van de aanbeveling van den leverancier was de eerste beweging van den kapitein, vuur te geven.

»Schiet niet, kapitein!” riep Matthias van Guitt. »’k Bezweer u, schiet niet!” [39]

»Maar....”

»Neen, neen! zeg ik u! Die leeuw is in een mijner strikken gevangen en hij hoort mij toe!”

’t Was inderdaad een strik, een zoogenaamde galgstrik, tegelijk zeer eenvoudig en zeer vernuftig.

Aan een sterken en buigzamen tak is een stevig touw bevestigd. Deze tak wordt naar den grond toe gebogen, totdat het van een schuiflis voorziene benedeneinde van het touw in de inkeping van een stevig in den grond geheiden paal kan geslagen worden. Op deze paal nu plaatst men een lokaas, zoodanig, dat ieder dier dat het wil aanraken, met den kop of een zijner pooten in de lis gevangen wordt. Doch nauwelijks heeft het dit gedaan of het lokaas, hoe zacht de aanraking ook geweest zij, schuift het touw uit de inkeping los, de tak richt zich weder op, het dier medesleurende, terwijl op hetzelfde oogenblik een zwaar cilindervormig stuk hout, langs het touw naar beneden glijdende, op de lis valt, haar vaster aandrukt en belet dat zij onder de pogingen van den gehangene losgaat.

Deze soort van strik wordt dikwijls in de bosschen van Indië gespannen en de roofdieren laten er zich veel meer in vangen, dan men geneigd zou zijn te gelooven.

Het meest gebeurt het, dat het dier om den hals gepakt en bijna onmiddellijk geworgd wordt, terwijl zijn kop half door den zwaren houten cilinder verpletterd wordt. Maar de leeuw, die onder onze oogen hing te spartelen, was slechts bij zijn poot gevangen en was dus levend, springlevendig en waardig zich onder de gasten van den leverancier te vertoonen.

Matthias van Guitt was verrukt over het avontuur en zond Kâlagani naar de kraal, met de order het beweegbare hok onder het geleide van een voerman te gaan halen. Inmiddels konden wij het dier, welks woede door onze tegenwoordigheid verdubbelde, op ons gemak gadeslaan.

Ook de leverancier verloor hem niet uit het oog. Hij draaide om den boom heen, daarbij evenwel zorgdragende zich buiten het bereik der klauwen van het woedende dier te houden.

Een half uur later kwam het hok aan, door twee buffels getrokken. Men liet er den gehangene, niet zonder eenige moeite in neder, waarna wij den weg naar de kraal insloegen.

»Ik begon werkelijk te wanhopen,” zeide Matthias van Guitt tot ons. »De leeuwen maken geen belangrijk cijfer uit onder de nemorale dieren van Indië....”

»Némorale?” zei kapitein Hod.

Ja, de dieren, die de bosschen bewonen, en ’k wensch mijzelven geluk dit roofdier te hebben kunnen vangen, dat mijne menagerie eer zal aandoen!” [40]

Trouwens had Matthias van Guitt van dezen dag af aan, geen reden meer zich over zijn tegenspoed te beklagen.

Den 11n Augustus werden twee luipaarden tegelijk in den tijgerval gevangen, waaruit wij den leverancier verlost hadden.

Het waren twee tchitas, gelijk aan dien, die zoo stoutmoedig den IJzeren Reus in de vlakten van Rohilkhande had aangetast en waarvan wij ons niet hadden kunnen meester maken.

Er ontbraken nog slechts twee tijgers aan den voorraad van Matthias van Guitt.

Het was de 15e Augustus. Kolonel Munro was nog niet weder te voorschijn gekomen en ook hadden wij niet de minste tijding van hem gehoord. Banks maakte zich meer ongerust dan hij het wilde doen voorkomen. Hij ondervroeg Kâlagani, die de Népaulsche grens kende, naar de gevaren, die Sir Edward Munro kon loopen in die onafhankelijke landstreken. De Hindoe verzekerde hem, dat er geen enkele partijganger van Nana Sahib op de grenzen van Thibet overbleef. Nochtans scheen het hem te spijten, dat de kolonel hem niet tot gids gekozen had. In een land welks minste voetpaden hem bekend waren, zouden zijne diensten hem zeer nuttig geweest zijn. Doch nu was er niet aan te denken hem op te zoeken.

Intusschen zetten kapitein Hod en Fox meer bijzonder hunne tochten in Tarryani voort. Met behulp van de chikaris der kraal gelukte het hem niet zonder groot gevaar nog drie tijgers van gemiddelde grootte te dooden. Twee van die roofdieren werden op rekening van den kapitein, de derde op die van den oppasser geschreven.

»Acht en veertig!” zeide Hod, die gaarne, alvorens de Himalaya te verlaten, het ronde cijfer van vijftig had willen bereiken.

»Negen en dertig!” had Fox gezegd, zonder een geduchten panter te rekenen, die onder zijn schot gevallen was.

Den 20n Augustus liet de voorlaatste der tijgers, door Matthias van Guitt benoodigd, zich in een der kuilen vangen, waaraan zij tot nog toe, hetzij uit instinct, hetzij bij toeval ontkomen waren. Zooals meestal gebeurt, verwondde zich het dier in zijn val, ofschoon de wond volstrekt niet ernstig was. Eenige dagen van rust zouden voldoende zijn om zijne genezing te verzekeren en op het tijdstip dat de levering voor rekening van Hagenbeck van Hamburg moest plaats hebben, zou er niets meer van blijken.

Het gebruik dezer kuilen wordt door de deskundigen als een barbaarsche methode beschouwd. Als het slechts te doen is om de dieren te dooden, zijn natuurlijk alle middelen goed, maar als men ze levend wil vangen, is de dood maar al te dikwijls het gevolg van hun val, vooral als ze in de vijftien tot twintig voeten diepe kuilen vallen, die bestemd zijn voor de vangst van olifanten. Op tien kan men er nauwlijks een vinden, die niet doodelijk verwond wordt. In Mysore, waar dit systeem vooral in zwang was, [41]zooals de leverancier ons mededeelde, begint men er van af te zien.

Hij maakte zich onder een geknor van voldoening uit de voeten. Blz. 38.

Hij maakte zich onder een geknor van voldoening uit de voeten. Blz. 38.

Er ontbrak nu nog slechts één tijger aan de menagerie der [42]kraal en Matthias van Guitt wenschte meer dan ooit hem goed en wel in zijn bezit te hebben, want hij had groote haast om naar Bombay te vertrekken.

Weldra zou hij zich ook van dezen tijger meester maken, maar tegen welken prijs! Dit dient eenigszins breedvoerig vermeld te worden, want het dier werd duur,—te duur,—betaald.

Door de bijzondere zorg van kapitein Hod zou in den nacht van den 26n Augustus een tocht georganiseerd worden. Het was te voorzien, dat de jacht onder gunstige omstandigheden zou plaats hebben, een heldere lucht, een kalme atmosfeer en een afnemende maan. Bij groote duisternis, verlaten de roofdieren minder gaarne hun leger, terwijl een halve duisternis ze er toe uitnoodigt. Juist nu zou de meniscus of bolronde schijf der maan,—een woord van Matthias van Guitt,—na middernacht nog eenig schijnsel geven.

Kapitein Hod en ik, Fox en Storr, die er mede smaak in begon te krijgen, wij vormden de kern dezer expeditie, waarbij zich de leverancier, Kâlagani en eenigen zijner Hindoes zouden voegen.

Toen dus de maaltijd was afgeloopen, verlieten wij, na afscheid genomen te hebben van Banks, die voor de uitnoodiging om ons te vergezellen bedankt had, het Stoomhuis tegen zeven uren des ’s avonds en te acht uur kwamen wij zonder eenige bijzondere ontmoeting aan de kraal aan.

Matthias van Guitt had juist gesoupeerd. Hij ontving ons met zijn gewone komplimenten. Men raadpleegde met elkander en dadelijk werd het plan van de jacht ontworpen.

Men zou op de loer gaan liggen aan den oever van een stroom, op den bodem van een dier bergkloven, die men »nallah” noemt, op twee mijlen van de kraal verwijderd, op een plek, die vrij geregeld ’s nachts door een paar tijgers bezocht werd. Er was daar vooraf geen lokaas geplaatst, daar dit naar het zeggen der Hindoes onnoodig was. Een drijfjacht, die onlangs in dit gedeelte van Tarryani gehouden was, bewees dat de behoefte om hun dorst te lesschen voldoende was om de tijgers, op den bodem dezer nallah te lokken. Men wist ook, dat het gemakkelijk zoude zijn er zich met voordeel te plaatsen.

Wij zouden de kraal niet vóór middernacht verlaten en daar het nog pas zeven uur was, moesten wij dus zonder ons te veel te vervelen het oogenblik van vertrek afwachten.

»Mijne heeren,” zei Matthias van Guitt, »mijn woning staat geheel ter uwe beschikking. Ik raad u aan om te doen zooals ik en zoolang naar bed te gaan. We zullen zeer vroeg op moeten staan en eenige uren slaap zullen ons des te beter voor den strijd voorbereiden.”

»Heb je lust om te gaan slapen, Maucler?” vroeg mij de kapitein.

»Neen,” antwoordde ik, »en ’k wacht liever al wandelende den tijd af, dan gedwongen te zijn midden in mijn slaap op te staan.” [43]

»Zooals u wilt, mijne heeren,” antwoordde de leverancier. »Wat mij aangaat, ’k voel reeds het krampachtige knippen der oogleden, dat door de behoefte tot slapen wordt teweeggebracht. Ge ziet het, ’k begin me al uit te rekken!”

En Matthias van Guitt lichtte de armen in de hoogte, wierp het hoofd en den tronk door een onwillekeurige uitrekking der buikspieren naar achteren en liet een veel beteekenend gegeeuw hooren.

Toen hij zich dus op zijn gemak uitgerekt had, bracht hij ons zijn laatsten afscheidsgroet, trad in zijn kooi en sliep ongetwijfeld weldra in.

»En wat gaan wij nu uitvoeren?” vroeg ik.

»Laten we gaan wandelen, Maucler,” antwoordde mij kapitein Hod, »Laten we in de kraal gaan wandelen. ’t Is een prachtige nacht en ’k zal frisscher zijn als het tijd is te vertrekken, dan wanneer ’k een uur of wat sliep. De slaap moge bovendien onze beste vriend zijn, dikwijls is ’t een vriend, die op zich laat wachten.”

Zoo schreden wij dan langzaam door de kraal, nu eens in gedachten verdiept, dan weder druk pratende. Storr »dien zijn beste vriend niet gewoon was te laten wachten,” lag aan den voet van een boom en sliep reeds. Ook de chikaris en de voerlieden zaten in hun hoek neergehurkt, zoodat niemand binnen de omheining nog wakker was.

Dit was trouwens ook niet noodig, daar de kraal, door stevige palissaden omgeven, volkomen gesloten was.

Kâlagani overtuigde zich zelf, dat de deur zorgvuldig gesloten was; vervolgens begaf hij zich, na ons in het voorbijgaan goeden avond gewenscht te hebben, naar de algemeene woning voor hem en zijne metgezellen.

Kapitein Hod en ik waren nu geheel alleen.

Niet alleen de lieden van van Guitt, maar ook de huisdieren en de wilde dieren sliepen, deze in hunne hokken, gene in groepen onder de groote boomen, aan het uiteinde der kraal, uitgestrekt. Volkomen stilte, zoowel van binnen als van buiten.

Het eerst bracht onze wandeling ons bij de plek door de buffels ingenomen. Deze prachtige herkauwers, zoo zacht en gehoorzaam, waren zelfs niet eens gekluisterd. Gewoon onder het gebladerte van reusachtige ahornboomen te rusten, zagen we ze daar rustig uitgestrekt, met de pooten onder zich gevouwen terwijl een langzame en luide ademhaling uit die enorme massa’s voortkomende, tot ons oor doordrong.

Zij ontwaakten niet eens bij onze nadering. Een van hen slechts lichtte een oogenblik zijn grooten kop op, wierp den aan de dieren van dit geslacht eigenaardigen onzekeren blik op ons en was weldra weder in de slapende massa verloren.

»Zie tot welk een staat van tamheid deze dieren gebracht zijn,” zei ik tot den kapitein.

»Ja,” antwoordde Hod, »en toch zijn deze buffels vreeselijke [44]dieren, als ze in ’t wild leven. Maar zij bezitten wel kracht, doch geen levendigheid en wat vermogen hunne horens tegen het gebit der leeuwen of de klauwen der tijgers? Ongetwijfeld ligt het voordeel aan de zijde der roofdieren.”

Al pratende waren wij bij de hokken teruggekomen. Ook daar doodsche stilte. Tijgers, leeuwen, panters, luipaarden, sliepen allen in hunne afzonderlijke afdeelingen. Matthias van Guitt vereenigde ze slechts als ze door eenige weken gevangenschap tam geworden waren en hij had gelijk. Zeer zeker toch zouden deze woeste dieren in de eerste dagen hunner opsluiting elkander verslonden hebben.

De drie leeuwen, volkomen onbeweeglijk, lagen in een halven cirkel gebogen als groote katten. Men zag niets van hun kop, die als verloren was in een dikken mof van zwart bont, en ook zij sliepen den slaap des rechtvaardigen.

In de hokken der tijgers was de slaap zoo vast niet. Vurige oogen schitterden in het duister. Van tijd tot tijd werd er een groote poot uitgestoken, welks klauwen de ijzeren staven omklemden. Het was een slaap van roofdieren, die hun leed verkropten.

»Ze hebben benauwde droomen en ik begrijp het!” zei de medelijdende kapitein.

Ook de drie panters werden ongetwijfeld door eenige wroeging, of althans eenig berouw bezield. Op dit uur immers, zouden zij vrij van alle banden door de bosschen gezworven, of de weiden doorloopen hebben, naar levend vee zoekende.

Wat de vier luipaarden aangaat, geen nachtmerrie stoorde hun slaap. Zij waren in diepe rust. Twee van die tot het kattengeslacht behoorende dieren, het mannetje en het wijfje, bewoonden dezelfde slaapkamer en bevonden zich daar even goed als in hun hol.

Een enkele afsluiting was nog ledig,—die welke moest bezet worden door den zesden en onneembaren tijger, op welks vangst Matthias van Guitt alleen nog maar wachtte om Tarryani te verlaten.

Onze wandeling duurde nagenoeg een uur. Na de kraal van binnen te zijn rondgewandeld, zetten we ons neder aan den voet van een enorme mimosa.

Ook in het geheele woud heerschte een diepe stilte. De wind, die bij het vallen van den avond nog door het gebladerte ruischte, was gaan liggen. Geen blad bewoog zich. Beneden aan de oppervlakte der aarde, zoowel als in de hooge luchtstreken, waar de halve maan haren loop volbracht, overal was het even kalm.

Kapitein Hod en ik, bij elkander gezeten, ook wij zwegen. Geen slaap maakte zich evenwel van hem meester. Het was eerder die meer geestelijke dan lichamelijke afgetrokkenheid, onder welker invloed men gedurende de volkomen rust in de natuur verkeert. Men denkt, maar men kleedt zijne gedachte niet in. Men droomt als iemand zou droomen, die niet slaapt, terwijl de blik, [45]die door de oogleden nog niet overschaduwd wordt, zich in fantastische droombeelden verliest.

»Laten we gaan wandelen, Maucler.” Blz. 43.

»Laten we gaan wandelen, Maucler.” Blz. 43.

Toch was er een bijzonderheid, die den kapitein verwonderde [46]en, zacht sprekende, zooals men het bijna onbewust doet, als alles om ons heen zwijgt, zeide hij tot mij:

»Maucler, een dergelijke stilte verrast me! De wilde dieren brullen gewoonlijk in het duister en des nachts is er leven in het bosch. Uit gebrek van tijgers of panters zijn het jakhalzen, die zich nooit stilhouden. Deze kraal, met levende wezens opgevuld, moest ze bij honderden aantrekken en toch hooren we niets, niet het minste gekraak van dood hout, niet het minste gehuil in de wildernis. Als Matthias van Guitt wakker was, zou hij stellig niet minder verrast zijn dan ik en met de een of andere zonderlinge uitdrukking zijn verbazing te kennen geven.”

»Je aanmerking komt me juist voor, waarde Hod,” antwoordde ik, »en ’k weet waarlijk niet waaraan de afwezigheid van die nachtelijke zwervers moet toegeschreven worden. Maar we mogen wel oppassen of anders vallen we temidden van die kalmte ook in slaap!”

»Wakker blijven, wakker blijven!” antwoordde kapitein Hod, zich uitrekkende. »’t Is nu haast tijd om te vertrekken.”

En we sleepten het gesprek voort in door lange tusschenpoozen afgebroken zinnen.

Hoe lang die droomende toestand duurde, zou ik niet hebben kunnen zeggen, maar eensklaps werden wij uit onze slaperigheid gewekt door een dof geruisch, dat ons beiden tegelijk deed opspringen.

Al spoedig bleek het dat het geruisch voortkwam uit het hok der wilde dieren.

Leeuwen, tijgers, panters, luipaarden, straks nog zoo vreedzaam, deden nu een toornachtig gebrom hooren. Overeind in hunne hokken, met kleine schreden heen en weer loopende, snoven zij met kracht eenige lucht van buiten op en richtten zich op tegen de ijzeren stangen hunner hokken.

»Wat scheelt ze toch?” vroeg ik.

»’k Weet het niet,” antwoordde kapitein Hod, »maar ik vrees, dat ze de nabijheid geroken hebben van...”

Eensklaps barstte een vreeselijk gebrul om de omheining van de kraal los.

»Tijgers!” riep kapitein Hod uit, naar het slaapvertrek van Matthias van Guitt snellende.

Maar, zoo geweldig was het gebrul geweest, dat het gansche personeel der kraal reeds op de been was en de leverancier met al zijn bedienden naar buiten kwam stuiven.

»Een aanval!” riep hij uit.

»’k Geloof het ook,” antwoordde Hod.

»Wacht! We zullen zien!...”

»En zonder den volzin te eindigen, greep Matthias van Guitt een ladder en plaatste ze overeind tegen de palissade. In een oogenblik had hij er den hoogsten sport van bereikt. [47]

»Tien tijgers en een dozijn panters!” schreeuwde hij.

»Dat kan ernstig genoeg worden,” antwoordde Kapitein Hod. »Wij wilden ze gaan jagen en zij komen jacht op ons maken!”

»De geweren! de geweren!” riep de leverancier.

En allen waren op zijn bevel binnen twintig seconden gereed om vuur te geven.

Deze aanvallen van een bende wilde dieren zijn in Indië geenszins zeldzaam. Hoe dikwijls zijn niet de bewoners der door de tijgers bezochte streken en meer bijzonder die der Sunderbunds, in hunne woningen belegerd geworden! Een dergelijke gebeurtenis behoort niet tot de zeldzaamheden en maar al te vaak blijft het voordeel aan de aanvallers!

Intusschen had zich bij het gehuil van buiten, het gebrul van binnen gevoegd! De kraal beantwoordde het bosch. Men kon elkander binnen de omheining niet meer verstaan.

»Naar de palissaden!” schreeuwde Matthias van Guitt, die zich meer door gebaren dan door de stem deed begrijpen.

En allen snelden naar de omheining.

Op dit oogenblik deden de buffels, ten prooi aan den hevigsten schrik, wanhopige pogingen om de plek waar ze opgesloten waren met geweld te verlaten. De voerlieden beproefden te vergeefs ze te bedwingen.

Plotseling werd de deur, waarvan de houten boom zeker slecht bevestigd was, met geweld opengebroken en stormde een bende wilde dieren de kraal binnen.

Evenwel had Kâlagani die deur met de grootste zorg gesloten, zooals hij elken avond deed!

»Naar de hut! Naar de hut!” schreeuwde Matthias van Guitt, naar het huis snellende, dat alleen nog een schuilplaats kan aanbieden.

Maar hadden we den tijd er nog te komen?

Reeds waren twee chikaris, door de tijgers bereikt, op den grond geworpen. De anderen, die de hut niet meer konden bereiken, liepen door de kraal en zochten een schuilplaats waar ze haar vinden konden.

De leverancier, Storr en zes Hindoes waren reeds in het huis, waarvan de deur gesloten werd op het oogenblik dat twee panters er zich in wilden werpen.

Kâlagani, Fox en de anderen, hadden zich langs de boomen tot in de eerste takken opgeheschen.

Kapitein Hod en ik hadden noch den tijd, noch de mogelijkheid gehad zich bij Matthias van Guitt te voegen.

»Maucler! Maucler!” schreeuwde kapitein Hod, wiens rechterarm door den slag van een klauw verscheurd was.

Een énorme tijger had mij met een slag van zijn staart ter aarde geworpen. Ik richtte mij weder op juist op het oogenblik [48]dat het dier weder op mij toekwam en ik snelde naar kapitein Hod om hem ter hulp te komen.

Een enkele schuilplaats bleef ons toen nog over: het was de ledige afdeeling van het zesde hok. In een ommezien hadden we er ons in geworpen en stelde de onmiddellijk gesloten deur ons voor het oogenblik buiten het bereik der woedende dieren, die zich huilende tegen de ijzeren stangen wierpen.

Zoo groot was de verbittering dier razende beesten, gevoegd bij de woede der in de naaste afdeelingen gevangen tijgers, dat het hok, op de wielen waggelde en op het punt was om te slaan.

Doch gelukkig verlieten de tijgers het weldra om zich op een zekerder prooi te werpen.

Welk een tooneel, waarvan geen enkele bijzonderheid voor ons verloren ging, daar wij het tusschen de stangen onzer afdeeling gadesloegen!

»’t Is de omgekeerde wereld!” riep kapitein Hod, die zich zat te verbijten. »Zij buiten en wij binnen!”

»En je wond?” vroeg ik.

»Dat’s niets!”

Vijf of zes geweren brandden op dit oogenblik los. Zij kwamen uit de hut van Matthias van Guitt, die hardnekkig door twee tijgers en drie panters belegerd werd.

Een van die dieren viel doodelijk getroffen door een ontplofbaren kogel, waarschijnlijk uit de karabijn van Storr.

Wat de anderen aangaat, zij hadden zich dadelijk op de groep der buffels geworpen en deze ongelukkige herkauwers zouden zich weldra zonder verdediging tegen zulke tegenstanders bevinden.

Fox, Kâlagani en de Hindoes, die, om sneller in de boomen te klimmen, hunne wapens hadden moeten wegwerpen, konden hen niet ter hulp komen.

Kapitein Hod evenwel gaf tusschen de stangen van ons hok door vuur. Alhoewel zijn rechterarm, half verlamd door zijn wond, hem niet toeliet met zijn gewone juistheid te schieten, had hij toch het geluk zijn negen en veertigsten tijger te vellen.

Op dit oogenblik vlogen de buffels, razend van angst en schrik, loeiend door de omheining. Tevergeefs beproefden zij den tijgers het hoofd te bieden, die door geduchte sprongen aan hunne horens ontsnapten. Een van hen, met een panter op den rug, die hem met zijn klauwen den nek verscheurde, snelde, voor de deur aangekomen, naar buiten.

Vijf of zes anderen, door de wilde dieren achtervolgd, joegen hen na en verdwenen.

Enkele tijgers vervolgden hen, maar de buffels, die de kraal niet hadden kunnen verlaten, lagen met opengereten buik, op den grond.

Intusschen werden er nog andere geweerschoten door de vensters [49]van het houten huis gelost. Van onzen kant, deden wij, kapitein Hod en ik, ons best toen een nieuw gevaar ons kwam bedreigen.

»Tien tijgers en een dozijn panters,” riep hij uit. Blz. 47.

»Tien tijgers en een dozijn panters,” riep hij uit. Blz. 47.

De dieren, in de hokken opgesloten, razend door de hardnekkige [50]worsteling, den reuk van het bloed, het gehuil hunner natuurgenooten, trachtten zich met onstuimig geweld te bevrijden. Zou het hun gelukken de traliën te verbreken? We moesten het werkelijk vreezen.

Inderdaad werd een der hokken omvergeworpen. Ik geloofde een oogenblik, dat onze vrees zich bewaarheid had en ze werkelijk ontvlucht waren, maar gelukkig was het niet zoo en konden zelfs de vluchtelingen niet meer zien wat er buiten voorviel, omdat het hok met de getraliede zijde op den grond was nedergekomen.

»Er zijn er bepaald te veel!” mompelde kapitein Hod, terwijl hij zijn karabijn opnieuw laadde.

Op dit oogenblik nam een tijger een vervaarlijken sprong en met behulp zijner klauwen gelukte het hem zich aan den ondersten tak van een boom vast te klemmen, waarop twee chikaris een schuilplaats gezocht hadden.

Een dier ongelukkigen, bij de keel gepakt, beproefde te vergeefs weerstand te bieden en werd op den grond geworpen.

Een panter betwistte den tijger dit reeds van het leven beroofde lichaam, welks beenderen te midden van een plas bloed kraakten.

»Maar schiet dan toch, in Godsnaam!” schreeuwde kapitein Hod, alsof hij zich door Matthias van Guitt en zijne metgezellen had kunnen doen hooren.

Wat ons betreft, het was ons onmogelijk nu tusschenbeiden te komen! Onze voorraad patronen was uitgeput en we konden ons slechts bepalen tot de rol van onmachtige toeschouwers der worsteling! Maar zie, daar gelukt het een tijger, in het naast ons gelegen vak, die trachtte zijn traliën te verbreken, door het geven van een hevigen schok, het evenwicht van het hok te verstoren. Het wankelde even en viel bijna onmiddellijk omver.

Licht gekneusd door den val, hadden wij ons op de knieën opgericht. De wanden hadden weerstand geboden, maar wij konden niets meer zien van hetgeen buiten voorviel.

Mochten wij niets meer zien, wij hoorden althans! Welk een akelig gehuil binnen de omheining der kraal! Welk een reuk van bloed bezwangerde den dampkring! Het scheen dat de worsteling een heviger karakter had aangenomen. Wat was er toch voorgevallen? Waren de gevangenen der andere hokken ontsnapt? Vielen zij het houten verblijf van Matthias van Guitt aan? Wierpen de tijgers en panters zich op de boomen om de Hindoes er uit te rukken?

»En geen kans te zien om uit die doos te komen!” riep kapitein Hod woedend uit.

Een kwartier ongeveer,—een kwartier waarvan wij de eindelooze minuten telden, verliep in dezen toestand.

Toen nam het geraas der worsteling allengs af. Het gehuil verzwakte. [51]De sprongen der tijgers in de afdeelingen van ons hok werden zeldzamer. Zou de moord een einde genomen hebben?

Eensklaps hoorde ik dat de deur der kraal met geweld gesloten werd. Daarna riep Kâlagani ons met luide stem. Bij zijn stem voegde zich die van Fox, herhalende:

»Kapitein! kapitein!”

»Hier!” antwoordde Hod.

Hij werd gehoord en bijna dadelijk daarop voelde ik dat het hok werd opgelicht. Een oogenblik later waren wij vrij.

»Fox! Storr!” riep de kapitein, wiens eerste gedachte aan zijne metgezellen gewijd was.

»Present!” antwoordden de machinist en de oppasser.

Zij waren wonderdadig behouden gebleven en zelfs niet eens gewond. Ook Matthias van Guitt en Kâlagani waren ongedeerd. Twee tijgers en een panter lagen levenloos op den grond uitgestrekt. De anderen hadden de kraal verlaten, waarvan Kâlagani de deur gesloten had. Wij bevonden ons allen in veiligheid.

Het was geen van de wilde dieren der menagerie gelukt onder de worsteling te ontsnappen en zelfs telde de leverancier een gevangene meer. Het was een jonge tijger, zittende in het kleine rollende hok, dat over hem heen was gevallen en waaronder hij als in een val gevangen was.

De voorraad van Matthias van Guitt was dus eindelijk voltallig; maar het kostte hem duur! Vijf zijner buffels waren gedood, de anderen hadden de vlucht genomen en drie Hindoes, vreeselijk verminkt, zwommen in hun bloed op den bodem der kraal.


1 Catachresis is een redekunstige figuur waarbij men een woord gebruikt in den tegengestelden zin van zijn eigenlijke beteekenis.

[Inhoud]

IV.

Het afscheid van Matthias van Guitt.

Gedurende het overige van den nacht deed zich niets bijzonders meer voor, noch binnen, noch buiten de omheining. De deur werd ditmaal stevig bevestigd. Hoe had zij geopend kunnen worden op het oogenblik dat de bende wilde dieren de pâlissaden bestormde? Dit was inderdaad iets onverklaarbaars, daar Kâlagani zelf haar met de zware dwarsboomen gesloten had.

De wond van kapitein Hod veroorzaakte hem veel pijn, hoewel [52]het slechts een ontvelling was. Maar het scheelde weinig of hij had het gebruik van den rechterarm verloren.

Wat mij betreft, ik voelde niets meer van den hevigen slag met den staart, die mij ter aarde had geworpen.

Wij besloten dus met het krieken van den dag naar het Stoomhuis terug te keeren.

Wat Matthias van Guitt aangaat, behalve zijn oprecht gemeend verdriet over het verlies van drie zijner lieden, maakte hij zich overigens volstrekt niet ongerust over zijn toestand, alhoewel het verlies zijner buffels op het oogenblik van zijn vertrek hem in groote verlegenheid moest brengen.

»Dat zijn de kansen van het vak,” zeide hij, »en ’k had een soort van voorgevoel, dat me iets dergelijks zou overkomen.”

Daarna bezorgde hij de begrafenis der drie Hindoes, wier overblijfselen in een hoek ter aarde werden besteld, en wel diep genoeg om niet door de wilde dieren opgegraven te kunnen worden.

Intusschen verlichtte de dageraad weldra het benedenste gedeelte van Tarryani en na hartelijke handdrukken gewisseld te hebben, namen wij afscheid van Matthias van Guitt.

Om ons, althans op onzen tocht door het bosch niet onvergezeld te laten gaan, drong de leverancier er op aan Kâlagani en twee zijner Hindoes ter onze beschikking te stellen. Zijn aanbod werd aangenomen en te zes uur verlieten wij de kraal.

Geen enkel ongelukkig toeval kenmerkte onzen terugkeer. Van tijgers en panters was geen spoor meer te vinden. De volkomen verzadigde roofdieren hadden ongetwijfeld hunne schuilhoeken opgezocht en het was nu de tijd niet ze daar op te gaan sporen.

Wat de uit de kraal ontsnapte buffels betreft, ze waren of gedood en lagen in het hooge gras, of wel, verdwaald in de dichte wouden van Tarryani, mocht men er niet op rekenen, dat hun instinct hen naar de kraal zou terugvoeren. Zij moesten dus beschouwd worden voor den leverancier verloren te zijn.

Aan den zoom van het bosch, verlieten Kâlagani en de twee Hindoes ons. Een uur later kondigden Phann en Black door hun geblaf onze terugkomst aan het Stoomhuis aan.

Ik deed Banks het verhaal onzer avonturen. Hij wenschte ons hartelijk geluk er zoo goed te zijn afgekomen. Maar al te vaak kon niemand der aangevallenen bij dergelijke gevechten de heldendaden der aanvallers verhalen!

Wat kapitein Hod betreft, hij moest tegen wil en dank zijn arm in een draagband houden, maar overigens vond de ingenieur, die eigenlijk de dokter der expeditie was, de wond volstrekt niet ernstig en hij verzekerde, dat hij er over eenige dagen niet den minsten last meer van zou hebben.

In zijn binnenste was kapitein Hod zeer uit zijn humeur, dat hij [53]zich een wond had laten toebrengen, zonder haar te hebben kunnen wreken. Maar toch had hij een tijger gevoegd bij de acht-en-veertig die op zijn actief stonden aangeteekend.

»’t Is de omgekeerde wereld,” zei Hod. Blz. 48.

»’t Is de omgekeerde wereld,” zei Hod. Blz. 48.

[54]

Den volgenden dag, 27 Augustus, op den namiddag, deed zich een krachtig, maar vroolijk hondengeblaf hooren.

Het waren kolonel Munro, Mac Neil en Goûmi, die in het sanitarium waren teruggekeerd. Hunne terugkomst was een ware verlichting voor ons. Had Sir Edward Munro zijn tocht tot een goed einde geleid? wij wisten het nog niet. Hij kwam gezond terug en dat was het voornaamste.

Dadelijk liep Banks hem te gemoet, drukte hem de hand en ondervroeg hem met de oogen.

»Niets!” vergenoegde kolonel Munro zich met een eenvoudige beweging van het hoofd te antwoorden.

Dit woord beteekende niet alleen dat zijne nasporingen op de grenzen van Népaul niet het minste resultaat hadden opgeleverd, maar ook dat alle gesprekken over dit onderwerp nutteloos waren. Hij scheen er mede te kennen willen geven, dat het niet noodig was er over te spreken.

Mac Neil en Goûmi, die Banks dien avond ondervroeg, lieten zich wat meer uit. Zij deelden hem mede, dat kolonel Munro inderdaad dat gedeelte van Hindostan had willen terug zien, waar Nana Sahib vóór zijn wederverschijning in het presidentschap Bombay zich verscholen had. Zich verzekeren wat er van de metgezellen van den nabob geworden was, onderzoeken of op dit punt van de Indo-Chineesche grens geen sporen meer van hen overig waren, trachten te vernemen of in plaats van Nana Sahib, zijn broeder Balao Rao zich niet in dat land, dat nog niet onder Engelsche heerschappij stond, verborgen hield, ziehier het doel dat Sir Edward Munro zich voor oogen had gesteld. Nu was het resultaat zijner nasporingen, dat de opstandelingen ongetwijfeld het land verlaten hadden. Van hun kamp, waar de gewaande begrafenis, bestemd om aan den dood van Nana Sahib geloof te doen slaan, was gevierd geworden, was geen spoor meer overig. Van Balao Kae niet de minste tijding, noch ook van zijne metgezellen iets, dat aanleiding kon geven hun spoor te zoeken. Nu de nabob in de bergpassen van Sautpourra den dood gevonden had en de zijnen zeer waarschijnlijk aan gene zijde der grenzen van het schiereiland verspreid waren, bleef er voor den handhaver van het recht niets meer te doen over. Er stond ons dus niets anders te doen dan de grens der Himalaya te verlaten en eerst zuidelijk te gaan, om eindelijk onzen voorgestelden reisweg van Calcutta naar Bombay te vervolgen.

Het vertrek werd dus bepaald en tot over acht dagen, den 3n September, vastgesteld. Wij behoorden aan kapitein Hod den noodigen tijd te laten ter volkomen genezing zijner wond. Van den anderen kant had kolonel Munro, die zichtbaar vermoeid was van den lastigen tocht langs ongebaande wegen, eenige dagen rust noodig. [55]

Gedurende dien tijd zou Banks beginnen met het maken zijner toebereidselen. Het in order brengen van onzen trein om in de vlakte af te dalen en den weg op te zoeken van de Himalaya naar het presidentschap van Bombay, zou ons wel een geheele week bezig houden.

Wij begonnen met te bepalen, dat het reisplan nogmaals gewijzigd zou worden, in dien zin dat de groote steden van het noord-oosten, Mirat, Delhi, Agra, Gwalior, Jansie en anderen, waar de opstand van 1857 maar al te veel onheilen had nagelaten, zouden vermeden worden. Met de laatste opstandelingen van het oproer moest alles verdwijnen wat de herinnering er van in het geheugen van kolonel Munro kon terugroepen. Onze rollende woningen zouden dus door de provinciën gaan, zonder zich in de voornaamste steden op te houden, doch het land was de moeite waard bezocht te worden al was het alleen om zijne natuurlijke schoonheden. Het onmetelijk koninkrijk Scindia geeft aan geen ander land der wereld in dit opzicht iets toe. Onze IJzeren Reus zou dus de schilderachtigste punten van het schiereiland bezoeken.

De moesson was geëindigd met het regenseizoen, dat niet langer duurt dan de maand Augustus. De eerste dagen van September beloofden een aangename temperatuur, die dit tweede gedeelte minder moeielijk moest maken.

Gedurende de tweede week van ons verblijf in het sanitarium moesten Fox en Goûmi dagelijks in de behoefte der keuken voorzien. Vergezeld van de beide honden, doorliepen zij deze middelste streek der Himalaya, waar het wemelt van patrijzen, faisanten en trapganzen. Dit gevogelte, dat bewaard werd in de ijskamer van het Stoomhuis, moest later op weg een uitmuntend wild verschaffen.

Nog twee- of driemaal bracht men een bezoek aan de kraal. Daar hield ook Matthias van Guitt in eigen persoon zich bezig met de toebereidselen voor zijn vertrek naar Bombay, terwijl hij zijne tegenspoeden opnam als een philosoof, die zich verheft boven de kleine of groote kwellingen van ons bestaan.

Men weet, dat de menagerie door het vangen van den tienden tijger, die zooveel gekost had, voltallig was. Matthias van Guitt had dus nog slechts te zorgen, dat zijne buffelbespanningen in order waren. Geen der herkauwers, die gedurende den aanval ontvlucht waren, waren in de kraal teruggekeerd. Zeer waarschijnlijk waren zij, door het bosch verspreid, een gewelddadigen dood gestorven. Hij moest ze dus vervangen,—hetgeen in deze omstandigheden tamelijk moeielijk was. Met dit doel had de leverancier Kâlagani naar de naburige landhoeven en gehuchten gezonden en hij wachtte met ongeduld op zijn terugkomst.

Deze laatste week van ons verblijf in het sanitarium ging zonder [56]bijzondere voorvallen voorbij. De wond van kapitein Hod genas langzamerhand. Hij dacht er half over om nog eens op expeditie uit te gaan, maar op aandringen van kolonel Munro moest hij het opgeven. Waarom zich bloot te stellen nu zijn hand niet zoo vast was? Mocht hij op het overige gedeelte der reis een wild dier ontmoeten, dan was hij immers in de gelegenheid revanche te nemen.

»Daarbij komt, kapitein,” deed Banks hem opmerken, »dat ge nog in leven zijt, en negen-en-veertig tijgers door uwe hand gedood zijn, zonder de gewonden te rekenen. De weegschaal hangt dus in uw voordeel over!”

»Ja, negen en veertig!” antwoordde kapitein Hod met een zucht, »maar ’k had zoo gaarne het vijftigtal willen vol maken!”

Het ging hem blijkbaar ter harte.

De 2e September brak aan en wij zouden den volgenden dag vertrekken, toen Goûmi op den morgen van dien dag ons het bezoek van den leverancier aankondigde.

En werkelijk vervoegde zich Matthias van Guitt, vergezeld van Kâlagani aan het Stoomhuis. Ongetwijfeld wilde hij op het oogenblik van zijn vertrek, ons volgens de regelen der étiquette vaarwel komen zeggen.

Kolonel Munro ontving hem zeer hartelijk. Matthias van Guitt verviel zooals gewoonlijk in een reeks van breedsprakige volzinnen, maar het scheen mij toe dat er achter zijne komplimenten een bijbedoeling school, waarmede hij aarzelde voor den dag te komen.

En toevallig roerde Banks de rechte snaar aan, toen hij Matthias van Guitt vroeg of hij het geluk gehad had zijne bespanningen te vernieuwen.

»Neen, mijnheer Banks,” antwoordde de leverancier, »Kâlagani heeft te vergeefs de dorpen afgeloopen en hoewel hij van mijn volmacht voorzien was, heeft hij zich geen enkel span van die nuttige herkauwers kunnen verschaffen. Ik ben dus tot mijn spijt verplicht te bekennen, dat, om mijne menagerie naar het dichtstbijzijnde station te verzenden, de beweegkracht mij ten eenenmale ontbreekt. De verspreiding mijner buffels tengevolge van den plotselingen nachtelijken aanval van den 25n op den 26n Augustus, brengt mij dus in een zekere verlegenheid... Mijne hokken, met hunne vierbeenige gasten zijn zwaar... en...”

»En op welke wijze zult u ze dan naar ’t station brengen?” vroeg de ingenieur.

»’k Weet het waarlijk niet,” antwoordde Matthias van Guitt. »Ik zoek... ik overweeg... ik aarzel... en intusschen... is het uur van vertrek aangebroken en moet ik den 20n September, dat is binnen achttien dagen mijne bestelling te Bombay afleveren...”

»Over achttien dagen!” antwoordde Banks, »maar dan hebt u geen uur te verliezen!” [57]

Een van hen met een panter op den rug. Blz. 48.

Een van hen met een panter op den rug. Blz. 48.

»’k Weet het, mijnheer de ingenieur. Daarom ken ik slechts een middel, een enkel!...”

»En dat is?” [58]

»Dat is, zonder hem in het minst lastig te willen vallen, een zeer onbescheiden vraag... zeer zeker, tot den kolonel te richten...”

»Spreek vrij uit, mijnheer van Guitt,” zei kolonel Munro, »en als ik u kan verplichten, geloof me dat ik het met pleizier zal doen.”

Matthias van Guitt boog, en zijn rechterhand aan de lippen brengende, geraakte het bovenste gedeelte van zijn lichaam in een zachte beweging, terwijl zijn geheele houding die was van een mensch, die zich door onverwachte goedheden bezwaard gevoelt.

Om kort te gaan, de ingenieur vroeg of het met het oog op het trekvermogen van den IJzeren Reus, niet mogelijk zijn zou, zijne rollende hokken achter aan onzen trein te spannen en ze op sleeptouw te nemen tot Etawah, het naaste station van den spoorweg van Delhi naar Allahabad.

Het was een afstand van ongeveer drie honderd vijftig kilometers, op een vrij goeden weg.

»Zou ’t mogelijk zijn mijnheer van Guitt te voldoen?” vroeg de kolonel den ingenieur.

»’k Zie er niet de minste zwarigheid in,” antwoordde Banks, »en de IJzeren Reus zal zelfs niet eens iets van den meerderen last merken.”

»Toegestaan dus, mijnheer van Guitt,” zei kolonel Munro. »We zullen uw gansche materieel naar Etawah overbrengen. Onder buren moet men elkander helpen, zelfs in de Himalaya.”

»Kolonel,” antwoordde Matthias van Guitt, »ik kende uw goedheid, en, om de waarheid te zeggen had ik, om mij uit mijne netelige positie te redden, wel een weinig op uw dienstvaardigheid gerekend!”

»U hadt gelijk,” antwoordde kolonel Munro.

Nadat dus alles overwogen en bepaald was, maakte Matthias van Guitt zich gereed om naar de kraal terug te keeren, teneinde een gedeelte van zijn personeel, dat nu overbodig werd, te ontslaan. Hij dacht niet meer dan vier chikaris bij zich te houden, die noodig waren de hokken te onderhouden.

»Tot morgen dus,” zei kolonel Munro.

»Tot morgen, mijne heeren,” antwoordde Matthias van Guitt. »’k Zal in de kraal de aankomst van uw IJzeren Reus afwachten!”

En de leverancier, zeer gelukkig met den goeden uitslag van zijn bezoek aan het Stoomhuis, ging heen, niet zonder zijn afscheid genomen te hebben op de manier van een acteur, die geheel volgens de overleveringen der moderne komedie, tusschen de schermen treedt.

Kâlagani had een langdurigen blik op kolonel Munro geworpen, wiens reis naar de Népaulsche grens hem veel belang scheen te hebben ingeboezemd, en volgde den leverancier.

Onze laatste toebereidselen waren gereed. Het materieel was op zijn plaats gebracht. Van het Stoomhuis-sanitarium, was niets meer overgebleven. De twee wagens wachtten nog slechts op onzen [59]IJzeren Reus. Eerst moest de olifant ze naar de vlakte doen afdalen, daarna naar de kraal gaan om de hokken te gaan halen en ze terug te brengen ten einde den trein te vormen. Dan eerst zou hij zich rechtstreeks door de vlakte van Rohilkhande begeven.

Den volgenden dag, den 2n September, te zeven uur ’s morgens, was de IJzeren Reus gereed om de taak te hervatten, die hij tot nog toe met zooveel ijver en zorg vervuld had. Doch op dit oogenblik had er tot verbazing van allen een zeer onverwacht voorval plaats.

De vuurhaard van den stoomketel, in den schoot van het dier bevat, was met brandstof opgevuld, die door Kâlouth werd ontstoken, waarna hij op de gedachte kwam de rookkast te openen,—aan welker wand de buizen bevestigd zijn, bestemd om de producten der verbranding door den stoomketel te leiden,—teneinde zich te overtuigen dat niets het trekken belette.

Maar nauwelijks had hij de deuren dezer kast geopend, of hij trok zich snel terug en een twintigtal smalle riemen werden met een zonderling gefluit naar buiten geworpen.

Banks, Storr en ik, wij keken zonder iets van dit vreemde verschijnsel te begrijpen.

»Wel! Kâlouth, wat is dat toch?” vroeg Banks.

»Een slangenregen, mijnheer!” riep de stoker.

En inderdaad waren deze riemen slangen, die de buizen van den stoomketel tot woning gekozen hadden, zeker om er beter te slapen. De eerste vlammen van den vuurhaard hadden ze juist bereikt en eenige van die kruipende dieren, reeds verbrand, waren op den grond gevallen; als Kâlouth de rookkast niet bij toeval geopend had, zouden ze allen in een oogenblik gebraden geweest zijn.

»Wat!” riep kapitein Hod uit, die kwam toesnellen, »heeft onze IJzeren Reus een nest met slangen in zijn ingewanden?

»Ja, waarlijk! en van de gevaarlijkste, ’t zijn »whip snakes” of zweepslangen, »goulabis,” zwarte cobras, bril-najas, tot de vergiftigste soorten behoorende.

En op hetzelfde oogenblik stak een prachtige tijger-python of reuzenslang, van de familie der boa’s, zijn spitsen kop uit de bovenste opening van den schoorsteen, dat is te zeggen uit het bovenste uiteinde van den snuit des olifants, die zich te midden der eerste rookkolommen ontrolde.

De slangen, die levend uit de buizen gekomen waren, hadden zich snel en vlug tusschen het struikgewas verspreid, voordat wij tijd hadden ze te dooden.

Maar de python kon zoo gemakkelijk niet uit den ijzeren cilinder ontsnappen. Ook haastte zich kapitein Hod zijn karabijn te gaan halen, waarmede hij op hem aanlegde en den kop van het dier verbrijzelde.

Goûmi klom toen op den IJzeren Reus, heesch zich tot de bovenste [60]opening van den tromp en met behulp van Kâlouth en Storr gelukte het hem er het énorme dier uit te trekken.

Niets prachtiger dan deze boa, met zijn blauwachtig groen vel, versierd met regelmatig geplaatste ringen en die uit een tijgervel schenen gesneden te zijn. Zijne lengte bedroeg niet minder dan vijf meters bij een dikte als die van den arm.

Het was dus een prachtexemplaar uit de Indische slangenwereld en zou een voortreffelijk figuur gemaakt hebben in de menagerie van Matthias van Guitt, in aanmerking genomen den naam van tijger-python, dien men hem geeft. Evenwel moet ik bekennen, dat kapitein Hod hem niet onder de door hem gevelde tijgers meetelde.

Na aldus de machine van dit ongedierte bevrijd te hebben, sloot Kâlouth de rookkast, begon het vuur van den vuurhaard, door den tochtwind aangewakkerd, goed te branden, de stoomketel deed weldra zijn dof gebrom hooren en drie kwartier later wees de manometer een voldoenden stoomdruk aan. Wij konden dus nu vertrekken.

De twee wagens werden aan elkander gespannen en de IJzeren Reus stelde zich aan het hoofd van den trein.

Nog een laatsten blik geworpen op het bewonderenswaardige panorama, dat zich in het Zuiden ontrolde, voor het laatst het oog gewend naar die trotsche keten welker profiel als kantwerk tegen den helderen blauwen hemel in het Noorden afstak, een laatsten groet aan den Dawalaghiri, die met zijn top het geheele grondgebied van Noordelijk-Indië beheerschte en daarna gaf de stoomfluit het sein tot vertrek.

De daling langs den bochtigen weg ging zonder de minste moeielijkheid. De atmosfeerische remtoestel hield op de al te steile hellingen de wielen onweerstaanbaar terug. Een uur later hield onze trein aan de onderste grens van Tarryani, aan den rand der vlakte stil.

De IJzeren Reus werd toen losgemaakt en onder geleide van Banks, den machinist en den stoker ging hij langzaam een der breede wegen van het bosch op.

Twee uren later liet zijn gebriesch zich hooren en kwam hij uit het dichte geboomte te voorschijn, de zes hokken der menagerie achter zich aan sleepende.

Zoodra Matthias van Guitt was aangekomen, hernieuwde hij zijne dankzeggingen aan kolonel Munro. De hokken, voorafgegaan door een rijtuig met den leverancier en zijne lieden, werden aan onzen trein gespannen,—een wezenlijk konvooi, samengesteld uit acht wagens.

Nadat Banks wederom een signaal gegeven had en de stoomfluit zich op nieuw had laten hooren, stelde zich de IJzeren Reus in beweging en ging majestueus voorwaarts op den prachtigen weg, die naar het Zuiden afdaalde. Het Stoomhuis en de hokken van Matthias van Guitt, met wilde dieren beladen, schenen voor hem niet zwaarder te zijn dan een eenvoudige verhuiswagen. [61]

Het gelukte Goûmi er de énorme slang uit te trekken. Blz. 60.

Het gelukte Goûmi er de énorme slang uit te trekken. Blz. 60.

»Welnu, wat dunkt u er van, mijnheer de leverancier?” vroeg kapitein Hod.

»Me dunkt, kapitein,” antwoordde niet geheel ten onrechte [62]Matthias van Guitt, »dat die olifant nog buitengewoner zou zijn, als hij van vleesch en beenderen was!”

Deze weg was niet die, welke ons naar den voet der Himalaya had gebracht. Hij liep schuin naar het zuidwesten naar Philibit, een klein stadje, dat honderdvijftig kilometers gelegen was van het punt waarvan we vertrokken waren.

Deze afstand werd rustig, met matige snelheid, zonder eenige onaangename ontmoeting afgelegd.

Matthias van Guitt zat dagelijks mede aan de tafel van het Stoomhuis, waar zijn gezonde eetlust de keuken van »mijnheer” Parazard alle eer aandeed.

Ter voorziening van de keuken moesten dan ook weldra de gewone spijsbezorgers weder in functie treden, zoodat ook kapitein Hod, nu goed van zijn wond genezen,—het schot op den python had het bewezen,—zijn jachtgeweer weder ter hand moest nemen.

Daarenboven moesten niet alleen het geheele personeel, maar ook de talrijke gasten der menagerie gevoed worden. Deze taak was den chikaris opgedragen. Deze bekwame Hindoes, onder het bestuur van Kâlagani, die zelf een handige schutter was, zorgden steeds voor een goeden voorraad bison- en antilopevleesch. Die Kâlagani was werkelijk een bijzonder mensch. Ofschoon hij gewoonlijk stil en afgetrokken was, behandelde kolonel Munro hem zeer vriendschappelijk, daar hij niet tot de menschen behoorde, die licht een bewezen dienst vergeten.

Den 10n September ging de trein om Philibit henen, zonder er zich op te houden, maar men kon niet voorkomen, dat een groot aantal Hindoes hem een bezoek kwamen brengen.

Zeer zeker konden de wilde dieren van Matthias van Guitt, hoe merkwaardig overigens ook, de vergelijking met den IJzeren Reus niet doorstaan. Men keek ze zelfs niet aan door de traliën hunner hokken en al de bewondering was den mechanischen olifant voorbehouden.

De trein zette zijn tocht over de uitgestrekte vlakte van Noord-Indië voort, eenige mijlen ten westen van Bareille, een der voornaamste steden van Rohilkhande. Nu eens bewoog hij zich te midden van bosschen, bewoond door een wereld van vogels, wier schitterend gevederte Matthias van Guitt ons deed bewonderen, dan weder over vlakten, door kreupelbosschen van doornachtige acacia’s, van twee tot drie meters hoog, door de Engelschen »wait-a-bit-bush” genoemd. Daar werden in groote menigte wilde zwijnen aangetroffen, verzot op de geelachtige bes, die deze struiken voortbrengen. Eenigen dezer dieren werden niet zonder gevaar gedood, want het zijn werkelijk wilde en gevaarlijke dieren. Bij verschillende gelegenheden hadden kapitein Hod en Kâlagani gelegenheid een koelbloedigheid en behendigheid aan den dag te leggen, die er twee buitengewone jagers van maakten. [63]

Tusschen Philibit en het station Etawah moest de trein een gedeelte van den boven-Ganges passeeren en even daarna, een zijner belangrijke bijstroomen, den Kali-Nadi.

Het geheele rollende materieel der menagerie werd losgemaakt en het Stoomhuis, in een drijvend toestel herschapen, werd gemakkelijk op de oppervlakte van den stroom van den eenen oever naar den anderen overgebracht.

Met den trein van Matthias van Guitt ging dit niet zoo gemakkelijk. Men moest hiertoe een pont gebruiken, waarmede de hokken over de beide stroomen een voor een werden overgezet. Er ging met dezen overtocht wel eenige tijd verloren, maar toch had hij zonder groote moeielijkheden plaats. De leverancier had reeds ondervinding van dergelijke overtochten opgedaan, daar zijne onderhoorigen op hun reis naar de Himalaya reeds verscheidene stroomen hadden moeten passeeren.

Kortom, zonder ter vermelding waardige voorvallen, hadden wij den 17n September den spoorweg van Delhi naar Allahabad, geen honderd schreden van het station Etawah verwijderd, bereikt.

Daar zou ons konvooi zich in twee gedeelten splitsen, die niet bestemd waren weder samen te komen.

Het eerste moest zijn reis naar het Zuiden door het uitgestrekte koninkrijk Scindia voortzetten, teneinde de Vindhyas en het presidentschap Bombay te bereiken.

Het tweede, geplaatst op de rolwagens van den spoorweg, nam zijn reis naar Allahabad en vandaar per spoorweg van Bombay, naar de kust der Indische Zee.

Men hield dus halt en richtte het kamp voor den nacht in. Den volgenden morgen, met den dageraad, onderwijl de leverancier den weg naar het zuidoosten zou inslaan, zouden wij, dezen weg rechthoekig snijdende, nagenoeg de zeven-en-zeventigste meridiaan volgen.

Doch, terwijl hij ons verliet, moest Matthias van Guitt ook scheiden van het gedeelte van zijn personeel, dat hij nu niet meer kon gebruiken. Uitgezonderd twee Hindoes, die noodig waren voor den dienst der hokken op een reis die slechts twee of drie dagen zou duren, had hij niemand noodig. In de haven van Bombay aangekomen, waar een schip, zeilree voor Europa, hem wachtte, zou de overscheping van zijn koopwaar door de gewone bevrachters der haven plaatshebben.

Dientengevolge werden eenigen zijner chikaris weder vrij en in het bijzonder Kâlagani.

Men weet hoe en waarom wij ons werkelijk aan dien Hindoe gehecht hadden, sedert de diensten, die hij kolonel Munro en kapitein Hod had bewezen.

Toen Matthias van Guitt zijne onderhoorigen ontslagen had, [64]meende Banks op te merken, dat Kâlagani niet recht wist wat te beginnen en vroeg hij hem daarom of het hem zou aanstaan ons tot Bombay te vergezellen.

Na een oogenblik nagedacht te hebben, nam Kâlagani het aanbod van den ingenieur aan, waarna kolonel Munro hem zijn genoegen te kennen gaf hem bij deze gelegenheid zijne diensten wel te willen verleenen. De Hindoe zou dus nu deel van het personeel van het Stoomhuis uitmaken en kon door zijne bekendheid met dit geheele gedeelte van Indië ons zeer nuttig zijn.

Den volgenden dag was het kamp opgebroken en bestond er geen enkele reden meer waarom wij onzen halt zouden verlengen. De IJzeren Reus bevond zich onder de noodige drukking. Banks gaf Storr order zich gereed te houden.

Er bleef nog slechts over afscheid van onzen vriend den leverancier te nemen. Dat was van onze zijde een zeer eenvoudige zaak, maar van de zijne was het natuurlijk meer theatraal.

De dankzeggingen van Matthias van Guitt voor den dienst, hem door kolonel Munro bewezen, waren natuurlijk zeer overdreven. Hij »speelde” dit laatste bedrijf meesterlijk en was volmaakt in het groote afscheidstooneel.

Door een beweging van de spieren van den voorarm, bracht hij zijn rechterhand in pronatie, op die wijze dat de palm der hand naar den grond gekeerd was. Dit moest beteekenen, dat hij hier beneden nooit zou vergeten wat hij kolonel Munro schuldig was en dat, indien de dankbaarheid uit deze wereld verbannen was, zij een laatste schuilplaats in zijn hart zou vinden.

Daarna bracht hij zijn hand door een omgekeerde beweging in supinatie, dat wil zeggen, hij keerde de palm om en richtte haar naar boven, hetgeen beteekende dat zijne gevoelens zelfs daar boven niet bij hem zouden uitgedoofd worden en dat een gansche eeuwigheid van dankbaarheid, de verplichtingen, die hij had aangegaan, nooit zou kunnen afdoen.

Kolonel Munro dankte Matthias van Guitt op eenigszins eenvoudiger manier en eenige minuten later, was de leverancier van de huizen van Hamburg en Londen uit onze oogen verdwenen.

[Inhoud]

V.

De overtocht van de Betwa.

Ziehier onze juiste positie, berekend van het punt van vertrek, van het punt van halt en van het punt van aankomst, op den 18n September. [65]

Eenigen dezer wilde zwijnen werden gedood. Blz. 62.

Eenigen dezer wilde zwijnen werden gedood. Blz. 62.

1o. Van Calcutta, dertien honderd kilometers;

2o. Van het sanitarium der Himalaya, drie honderd tachtig kilometers; [66]

3o. Van Bombay zestien honderd kilometers.

Wat den afstand aangaat, hadden wij de helft van onzen reisweg nog niet afgelegd; maar de zeven weken mederekenende, die het Stoomhuis in het Himalayagebergte had doorgebracht, was meer dan de helft van den tijd, die aan deze reis moest besteed worden, verloopen. Wij hadden den 6n Maart Calcutta verlaten en binnen twee maanden, rekenden wij, zonder tegenspoed, de westkust van Hindostan bereikt te hebben.

Onze reisweg zou trouwens in zekere mate verkort worden. Het besluit om de groote steden, die in den opstand van 1857 verwikkeld waren geweest, te vermijden, verplichtte ons meer rechtstreeks naar het zuiden af te zakken. Door de prachtige provinciën van het koninkrijk Scindia liepen schoone rijwegen en de IJzeren Reus zou geen enkelen hinderpaal ontmoeten, althans tot aan de bergen van het centrum. Er was dus alle hoop, dat de reis gemakkelijk en veilig zou worden afgelegd.

Daarenboven zou de tegenwoordigheid van Kâlagani, die onder het personeel van het Stoomhuis was opgenomen, de reis nog gemakkelijker maken. Deze Hindoe toch was verwonderlijk goed met dit geheele gedeelte van het schiereiland bekend, waarvan Banks zich reeds dienzelfden dag kon verzekeren. Na het ontbijt, onder het middagslaapje van kolonel Munro en kapitein Hod, vroeg Banks hem in welke hoedanigheid hij zoo dikwijls deze provinciën bezocht had.

»’k Maakte deel uit,” antwoordde Kâlagani, »van een dier talrijke karavanen van Banjaris, die, hetzij voor rekening van het gouvernement, hetzij voor die van partikulieren, door middel van ossen graan vervoeren. Als zoodanig ben ik twintigmaal door de streken van Centraal- en Noord-Indië getrokken.”

»Trekken deze karavanen nog door dit gedeelte van het schiereiland?” vroeg de ingenieur.

»Ja, mijnheer,” antwoordde Kâlagani, »’t zou me zeer verwonderen, als we in dezen tijd van ’t jaar geen troep Banjaris ontmoeten op marsch naar het noorden.”

»Welnu, Kâlagani,” hernam Banks, »je bekendheid met deze streken zal ons zeer nuttig zijn. Inplaats van de groote steden van het koninkrijk Scindia te doorreizen, zullen wij door het open veld gaan en gij zult onze gids zijn.”

»Gaarne, mijnheer,” antwoordde de Hindoe op den koelen toon, die hem eigen was en waaraan ik mij nog niet had kunnen gewennen.

Daarna voegde hij er bij:

»Wilt u, dat ik u in ’t breede de richting aanwijs, die we moeten nemen?”

»Als ’t u blieft.”

Dit zeggende spreidde Banks een kaart met groote punten van dit gedeelte van Indië op de tafel uit, teneinde de juistheid der inlichtingen van Kâlagani na te gaan. [67]

»Niets eenvoudigers,” hernam de Hindoe. »In bijna rechte lijn zullen we gaan van den spoorweg van Delhi naar den spoorweg van Bombay, die te Allahabad samenloopen. Van het station Etawah, dat we op de grenzen van Bundelkund verlaten hebben, zal er slechts één belangrijke stroom zijn over te trekken, de Jumna, en van deze grens naar de Vindhyasbergen, nog een water, de Betwa. In het geval zelfs dat deze twee rivieren tengevolge der vele regens in het regenseizoen mochten overloopen, zal toch immers de drijvende trein geen moeite hebben om van den eenen oever naar den anderen over te steken?”

»Dat zal geen ernstige moeielijkheid geven,” antwoordde de ingenieur, »en wanneer we nu eenmaal aan de Vindhyas zijn aangekomen...”

»Dan zullen we iets naar het zuidoosten moeten afwijken, om een toegankelijken bergpas te kiezen. Ook daar zal geen hinderpaal onzen marsch vertragen. Ik ken een passage met zachte hellingen. Dat is de Sirgourpas, die bij voorkeur door rijtuigen genomen wordt.”

»Zou overal waar paarden kunnen gaan,” zei ik, »onze IJzeren Reus niet kunnen passeeren?”

»Zeker kan hij dat,” antwoordde Banks, »maar, aan de andere zijde van de Sirgourpas, is het land zeer bergachtig. Zouden wij de Vindhyas niet kunnen aandoen, door onzen weg door Bhôpal te nemen?”

»Daar zijn de steden talrijk,” antwoordde Kâlagani, »’t zal moeielijk zijn ze te vermijden en de Sipayers hebben zich in den onafhankelijkheidsoorlog daar bijzonder onderscheiden.”

Ik was wel een weinig verwonderd over die benaming van »onafhankelijkheidsoorlog,” die Kâlagani aan den opstand van 1857 gaf. Doch men moest niet vergeten, dat het een Hindoe en geen Engelschman was, die sprak. Uit niets bleek overigens, dat Kâlagani deel aan den opstand genomen had, of althans had hij nooit iets gezegd waaruit het was op te maken.

»Goed,” hernam Banks, »we zullen de steden van Bhôpal ten westen laten liggen en als ge er zeker van zijt, dat de Sirgourpas ons toegang tot een begaanbaren weg verleent...”

»Een weg, dien ik dikwijls begaan heb, mijnheer en die, na om het meer Puturia te zijn heengegaan, veertig mijlen van daar op den spoorweg uitloopt van Bombay naar Allahabad, bij Jubbulpore.”

»Inderdaad,” antwoordde Banks, die op de kaart de door den Hindoe gegeven aanwijzingen volgde; »en van dit punt af?...”

»De groote weg wendt zich naar het zuidwesten en loopt om zoo te zeggen langs den spoorweg naar Bombay.”

»Begrepen,” antwoordde Banks. »’k Zie geen enkele ernstige reden waarom we de Vindhyas niet zouden doortrekken en deze reisweg komt ons goed te pas. Bij de diensten, die ge ons reeds bewezen hebt, Kâlagani, voegt ge er nog een bij, dien we nooit zullen vergeten.” [68]

Kâlagani boog en wilde heengaan, toen hij, zich bedenkende, op den ingenieur toetrad.

»Wilde je me iets vragen?” zei Banks.

»Ja, mijnheer,” antwoordde de Hindoe. »Mag ik u vragen waarom u er zoo bijzonder op gesteld zijt de voorname steden van Bundelkund te ontwijken?”

Banks keek mij aan. Er bestond geen enkele reden om aan Kâlagani iets omtrent Sir Edward Munro te verbergen en de Hindoe werd op de hoogte van den toestand des kolonels gebracht.

Kâlagani luisterde zeer oplettend naar hetgeen de ingenieur hem mededeelde. Daarna zeide hij op een toon, die eenige verwondering verried:

»Kolonel Munro,” zeide hij, »heeft niets meer te vreezen van Nana Sahib, althans in deze provincies.”

»Noch in deze provincies, noch ergens anders,” antwoordde Banks. »Waarom zegt ge, »in deze provincies?””

»Omdat, als de nabob werkelijk eenige maanden geleden in het presidentschap Bombay is weder verschenen, zooals men beweerd heeft,” zei Kâlagani, »de nasporingen zijn schuilplaats niet aan den dag hebben kunnen brengen, en het is zeer waarschijnlijk, dat hij opnieuw de Indo-Chineesche grens overschreden heeft.”

Uit dit antwoord scheen te blijken, dat Kâlagani niet wist wat in het Sautpourragebergte was voorgevallen en ook niet dat, in de maand Mei ll., Nana Sahib door de soldaten van de koninklijke armée bij den pâl van Tandit was gedood geworden.

»’k Zie, Kâlagani,” zei daarop Banks, »dat het nieuws uit Indië niet gemakkelijk tot de bosschen van de Himalaya doordringt!”

De Hindoe keek ons strak aan, zonder te antwoorden, als iemand, die niet begrijpt.

»Ja,” hernam Banks, »je schijnt niet te weten, dat Nana Sahib dood is.”

»Is Nana Sahib dood?” riep Kâlagani uit.

»Ongetwijfeld,” antwoordde Banks, »en het gouvernement heeft doen weten onder welke omstandigheden hij gedood is.”

»Gedood?” zei Kâlagani, het hoofd schuddende. »Waar zou Nana Sahib dan gedood zijn?”

»Bij den pâl van Tandit, in de Sautpourrabergen.”

»En wanneer?...”

»Reeds bijna vier maanden geleden,” antwoordde de ingenieur, »den 25n Mei ll.”

Kâlagani, wiens blik mij op dit oogenblik zonderling toescheen, had zich de armen gekruist en stond zwijgend daar.

»Heb je redenen,” vroeg ik hem, »om niet aan den dood van Nana Sahib te gelooven?”

»Geene, mijne heeren,” vergenoegde zich Kâlagani te antwoorden. »’k Geloof wat u me zegt.” [69]

Hij was volmaakt in het groote afscheidstooneel. Blz. 64.

Hij was volmaakt in het groote afscheidstooneel. Blz. 64.

Een oogenblik later, waren Banks en ik alleen en de ingenieur voegde er niet zonder reden bij:

»’t Is met alle Hindoes hetzelfde liedje! Het opperhoofd der [70]opgestane Sipayers is de held der legende geworden. Nooit zullen die bijgeloovigen gelooven, dat hij gedood is, omdat ze ’m niet hebben zien ophangen!”

»’t Is met hen,” antwoordde ik, »als met de oude »grognards” van het Keizerrijk, die twintig jaren na zijn dood, volhielden dat Napoleon nog altijd leefde!”

Sedert den overtocht van den Boven-Ganges, door het Stoomhuis voor veertien dagen volbracht, legde een vruchtbaar land zijne prachtige wegen voor den IJzeren Reus open. Het was Doâb, begrepen in den hoek, gevormd door den Ganges en de Jumna, vóór hunne vereeniging bij Allahabad. Alluviale vlakten, twintig eeuwen voor de christelijke jaartelling door de Brahmanen ontgonnen, een nog zeer onvolkomen wijze van akkerbouw bij de boeren, grootsche werken van kanalisatie door Engelsche ingenieurs, velden met katoenboomen, die meer bijzonder in dezen bodem gedijen, het zuchten der katoenpersen, die bij elk dorp in werking zijn, het gezang der werklieden, die ze in beweging brengen, dat zijn de indrukken, die mij van dit Doâb, waar de eerste christenkerk gesticht werd, zijn bijgebleven.

De reis werd onder de beste omstandigheden voortgezet. Het landschap wisselde af, men zou kunnen zeggen, naar de luim onzer fantasie. De woning verplaatste zich, zonder eenige vermoeienis, alleen voor het genot onzer oogen. Was dat dus niet, zooals Banks beweerd had, het laatste woord van den vooruitgang in de kunst der plaatsverandering? Ossenwagens, rijtuigen door paarden of muilezels getrokken, spoorwegwaggons, wat zijt gij allen, vergeleken met onze rollende huizen!

Den 19n September hield het Stoomhuis stil op den linkeroever van de Jumna. Deze belangrijke stroom bakent in het centrale gedeelte van het schiereiland, het land der Rajahs eigenlijk gezegd of Rajasthan, af van Hindostan, dat meer uitsluitend het land der Hindoes is.

Een eerste was begon de wateren van de Jumna te doen rijzen. De stroom was sneller geworden, maar al was daardoor onze overtocht een weinig minder gemakkelijk, een beletsel was dit toch niet. Banks nam eenige voorzorgen. Men moest een geschikter punt vinden om te landen. Men vond het en een half uur later besteeg het Stoomhuis den tegengestelden oever van den stroom. Voor de spoorwegtreinen zijn met groote kosten gebouwde bruggen noodig en zulk een brug is dan ook over de Jumna bij de sterkte van Selimgarh, in de nabijheid van Delhi gespannen. De stroomen nu boden onzen IJzeren Reus en de twee wagens, die hij voorttrok, een weg aan zoo gemakkelijk als de schoonste macadamwegen van het schiereiland.

Aan de andere zijde van de Jumna telt het grondgebied van [71]Rajasthan een zeker aantal van die steden, welke de voorzorg van den ingenieur gaarne van zijn reisweg wilde verwijderd houden. Links was het Gwalior, aan den oever van de rivier Sawunrika, gevestigd op haar basaltrots, met haar trotsche moskee Musjid, haar paleis Pâl, haar zonderlinge poort der Olifanten, haar beroemde sterkte, haar Vihara van bouddhistischen oorsprong; een oude stad, waarmede de moderne stad Lashkar, een paar kilometers verder gebouwd, nu sterk concurreert. Daar, binnen in dat Gibraltar van Indië, had de Rani van Jansi, de toegenegen gezellin van Nana Sahib heldhaftig tot het laatste oogenblik gestreden. Men weet, dat zij in de ontmoeting met twee escadrons huzaren van het 8e der koninklijke armee, eigenhandig gedood werd door kolonel Munro, die met een bataillon van zijn regiment aan het gevecht had deelgenomen. Van dien dag af aan, men weet het ook, dateerde die onverzoenbare haat van Nana Sahib, naar welks voldoening de nabob tot zijn laatsten snik was blijven haken! Ja! het was beter, dat Sir Edward Munro zijne herinneringen voor de poorten van Gwalior niet ging verlevendigen!

Voorbij Gwalior, ten westen van onzen nieuwen reisweg, was het Antri en haar uitgestrekte vlakte, vanwaar hier en daar talrijke bergen met hunne spitse toppen ten hemel reiken, als zoovele eilandjes van een archipel. Het was Duttiah, dat nog geen vijf eeuwen bestaan telt en waarvan men de sierlijke huizen, de centrale sterkte, de tempels met hunne verschillende torens, het verlaten paleis van Birsing-Deo, het arsenaal van Tôpe-Kana bewondert,—’twelk alles te zamen de hoofdstad vormt van het koninkrijk Duttiah, afgezonderd liggende in den noordelijken hoek van Bundelkund en dat zich onder de bescherming van Engeland gesteld heeft. Evenals Gwalior, hadden ook Antri en Duttiah een ernstig aandeel genomen aan de oproerige beweging van 1857.

Het was eindelijk Jansi, dat wij den 22n September op een afstand van minder dan veertig kilometers passeerden. Deze stad is het belangrijkste militaire station van Bundelkund en vooral bij het mindere volk is de oproerige geest aldaar levendig gebleven. Jansi is een betrekkelijk moderne stad en drijft een belangrijken handel in inlandsche moesselines en blauwe katoenen stoffen. Er bevindt zich geen monument van oudere dagteekening dan hare stichting, die slechts van de zeventiende eeuw dateert. Evenwel is het belangrijk haar citadel te bezoeken, welker buitenmuren de Engelsche projectielen niet hebben kunnen verwoesten, alsmede haar begraafplaats der rajahs, die een buitengewoon schilderachtig gezicht aanbiedt. Daar was de voornaamste vesting der opgestane Sipayers van centraal Indië. Daar verwekte de stoutmoedige Rani het eerste oproer, dat weldra geheel Bundelkund in vuur en vlam zou zetten. Daar zou Sir Hugh Rose een slag leveren, die niet [72]minder dan zes dagen duurde en waarin hij vijftien percent van zijn macht verloor. Daar moesten, niettegenstaande hunne verbittering, Tantia Topi, Balao Rao, broeder van Nana Sahib, de Rani zelve, alhoewel ondersteund door een garnizoen van twaalf duizend Sipayers en geholpen door een leger van twintig duizend, voor de voortreffelijkheid der Engelsche wapenen bukken. Daar, zooals Mac Neil het ons verhaald had, had kolonel Munro zijn sergeant het leven gered door hem den laatsten druppel water te gunnen, die hun overbleef. Ja! Jansi, meer dan eenige andere dier steden vol noodlottige herinneringen, moest buiten den reisweg gelaten worden waarvan de beste vrienden van den kolonel de rustpunten gekozen hadden!

Den volgenden dag, 23 September, zou een ontmoeting, die ons gedurende eenige uren ophield, een der vroeger door Kâlagani gemaakte opmerkingen rechtvaardigen.

Het was elf uren ’s morgens. Na het ontbijt hadden wij ons allen nedergezet om de gewone siesta te houden, sommigen onder de veranda, anderen in het salon van het Stoomhuis. De IJzeren Reus bewoog zich tegen negen à tien kilometers per uur. Een prachtige weg, beschaduwd door schoone boomen, slingerde zich schilderachtig tusschen velden met katoenboomen en granen. Het weder was fraai en een schitterende zon bescheen alles met hare koesterende stralen. Men moet erkennen dat een besproeiing van dien grooten weg niet te versmaden zou geweest zijn, want het fijne, witte stof, dat de wind voor onzen trein opwoei, maakte het ons somtijds vrij lastig.

Doch het was nog geheel iets anders toen in een uitgestrektheid van twee of drie mijlen, de dampkring ons met zulke dichte stofwolken vervuld scheen, dat een hevige simoun geen dikkere wolken in de Lybische woestijn had kunnen opwaaien.

»’k Begrijp niet hoe dat verschijnsel kan ontstaan,” zei Banks, »omdat er zulk een licht windje waait.”

»Kâlagani zal ons dat verklaren,” antwoordde kolonel Munro.

Men riep den Hindoe, die naar de veranda trad, den weg langs keek en zonder aarzelen zeide:

»’t Is een lange karavaan, die naar het noorden trekt,” zeide hij, »en, zooals ik u reeds mededeelde, mijnheer Banks, is het zeer waarschijnlijk een karavaan van Banjaris.”

»Welnu, Kâlagani,” zei Banks, »je zult er zeker nog wel eenige oude bekenden onder aantreffen?”

»Zeer mogelijk, mijnheer,” antwoordde de Hindoe, »omdat ik lang onder die zwervende stammen geleefd heb.”

»Ben je dus nu van plan ons te verlaten om je bij hen te voegen?” vroeg kapitein Hod.

»Volstrekt niet,” antwoordde Kâlagani.

De Hindoe had zich niet vergist. Een half uur later was de IJzeren [73]Reus, hoe onweerstaanbaar overigens, wel gedwongen op te houden voor een muur van herkauwende dieren.

Het was Gwalior. Blz. 71.

Het was Gwalior. Blz. 71.

Maar hij had zich over deze vertraging niet te beklagen. Het [74]schouwspel, dat zich aan onze blikken voordeed, was de moeite waard gadegeslagen te worden.

Een kudde van minstens vier of vijf duizend ossen versperde den weg naar het zuiden, verscheidene kilometers ver. Zooals Kâlagani gezegd had, behoorde dit konvooi rundvee aan een karavaan Banjaris.

»De Banjaris,” vertelde ons Banks, »zijn de wezenlijke Zingaris van Hindostan. Het is meer een volk dan een stam, zonder vaste woonplaats, des zomers onder tenten, des winters in hutten levende. Het zijn de lastdragers van het schiereiland en ’k heb ze gedurende den opstand van 1857 aan ’t werk gezien. Door een soort van zwijgende overeenkomst tusschen de oorlogvoerende partijen, liet men hunne konvooien de door den opstand geteisterde provincies door trekken. Zij waren inderdaad de voorraadbezorgers van het land en ze voorzagen zoowel het koninklijke leger als dat der inboorlingen van voedsel. Moest men ze volstrekt ergens in Indië ’t huis brengen, dan zou het in Rapoutana zijn en meer bijzonder misschien in het koninkrijk Milwar. Maar, daar ze voorbij ons heen gaan defileeren, mijn waarde Maucler, recommandeer ik je deze Banjaris eens goed op te nemen.”

Onze trein had zich voorzichtig aan een der kanten van den grooten weg geschaard. Hij zou tegen dezen stroom van horenvee, waarvoor de wilde dieren zelve niet aarzelen zich uit de voeten te maken, niet hebben kunnen opwerken.

Zooals Banks mij had aanbevolen, sloeg ik den langen stoet met aandacht gade, maar vooraf moet ik op het eenigszins zonderlinge feit wijzen, dat het Stoomhuis bij deze gelegenheid de gewone uitwerking niet scheen teweeg te brengen. De IJzeren Reus, anders zoo gewoon de algemeene bewondering te wekken, trok nu nauwlijks de aandacht van deze Banjaris, die ongetwijfeld gewoon waren zich over niets te verwonderen.

Mannen en vrouwen van dit Boheemsche ras waren bewonderenswaardig;—de eerste, groot, krachtig gebouwd, met fijne trekken, een adelaarsneus, gekrulde haren, bronskleurig, gekleed met het lange onderkleed en den tulband op het hoofd, gewapend met de lans, het schild en den grooten degen;—de vrouwen, rijzig van gedaante, evenredig van vormen, fier als de mannen van hun klan, het bovenlijf gevat in een keurslijf, het beneden gedeelte des lichaams gehuld in de plooien van een wijden rok, en het geheel, van het hoofd tot de voeten gewikkeld in een sierlijken mantel, juweelen in de ooren, een snoer van parelen om den hals, braceletten om de armen, ringen aan de enkels van goud, ivoor of schelpen.

Bij deze mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen liepen met bedaarden stap duizenden ossen, zonder zadel of halster, terwijl zij de roode eikels aan hunne koppen schudden of de belletjes om [75]den nek deden weerklinken, daarenboven op den rug een dubbelen zak dragende, die het koren of andere graansoorten bevat.

Het was een gansche stam, vertrokken als karavaan, onder het bestuur van een bij meerderheid van stemmen verkozen opperhoofd, den »naik,” wiens macht gedurende den tijd van zijn mandaat onbegrensd is. Aan hem is de taak opgedragen het konvooi te besturen, de uren van rust te bepalen, en voor de inrichting van het kamp zorg te dragen.

Vooraan ging een énorme stier, met fieren tred, behangen met schitterende stoffen, versierd met een tros schelletjes en andere sieraden van schelpen. Ik vroeg Banks of hij mij kon zeggen welke taak dat prachtige dier had te vervullen.

»Kâlagani zou het ons met zekerheid kunnen zeggen,” antwoordde de ingenieur. »Waar is hij toch?”

Kâlagani werd geroepen, maar hij kwam niet te voorschijn. Men zocht hem overal, doch hij was niet meer in het Stoomhuis.

»Hij is zeker oude kennissen gaan opzoeken,” zei kolonel Munro, »maar voordat we vertrekken, zal hij wel weder bij ons zijn.”

Niets natuurlijkers en werkelijk was er ook niets verontrustends in de kortstondige afwezigheid van den Hindoe, maar toch kon ik mij niet van eenige bezorgdheid onthouden.

»Welnu,” zei Banks, »als ik me niet vergis, dan is die stier in de karavanen der Banjaris de vertegenwoordiger hunner godheid. Waar hij heen gaat, volgt men hem. Wanneer hij ophoudt, kampeert men, maar ’t zou me niet verwonderen, dat hij in ’t geheim aan de ingeving van den naik gehoorzaamt. Om kort te gaan, in hem is de geheele godsdienst dezer zwervende stammen saamgevat.”

Twee volle uren hield het voorbijtrekken van den onafzienbaren stoet aan. Ik zocht Kâlagani in de achterhoede, toen hij eensklaps voor ons stond, vergezeld van een Hindoe, die niet tot den Banjari-type behoorde. Het was ongetwijfeld een van die inlanders, die zich tijdelijk in dienst der karavanen stellen, zooals ook Kâlagani het meermalen gedaan had. Beiden praatten koel, als met half gesloten lippen. Van wien en waarover spraken zij? Waarschijnlijk over het land, dat de reizende stam doorkruist had,—het land, dat ook wij onder de leiding van onzen nieuwen gids zouden bezoeken.

De inlander, die in de achterhoede der karavaan gebleven was, hield, het Stoomhuis voorbijgaande, een oogenblik op. Hij bekeek met belangstelling den trein, voorafgegaan door zijn kunstmatigen olifant en naar het mij voorkwam, nam hij meer in ’t bijzonder kolonel Munro op, maar hij sprak geen woord tot ons. Daarna groette hij Kâlagani, voegde zich bij den stoet en was weldra in een wolk van stof verdwenen.

Toen Kâlagani bij ons was teruggekomen, richtte hij zich tot kolonel Munro, zonder af te wachten totdat hij ondervraagd werd en zeide alleen: [76]

»Een mijner vroegere kameraden, die sedert twee maanden in dienst van de karavaan staat.”

Dit was alles. Kâlagani hernam zijn plaats in onzen trein en weldra rolde het Stoomhuis wederom over den weg, doorwoeld door de breede sporen van de hoeven dier duizenden ossen.

Den volgenden dag, den 24n September, hield de trein op om den nacht door te brengen op vijf of zes kilometers ten oosten van Ourtcha, aan den linker oever van de Betwa, een van de voornaamste takken der Jumna.

Van Ourtcha valt tegenwoordig niets meer te zeggen. Het is de oude hoofdstad van Bundelkund en een stad, die in de eerste helft der zeventiende eeuw bloeide. Maar de Mongolen aan den eenen kant, de Maharatten van den anderen, brachten haar geduchte slagen toe, waarvan zij zich nooit herstelde. En nu, is een der groote steden van Centraal-Indië slechts een gehucht, dat eenige honderden boeren tot een ellendige schuilplaats verstrekt.

Ik zeide, dat wij aan den oever der Betwa ons kamp hadden opgeslagen. Het is juister te zeggen, dat de trein stil hield op zekeren afstand van haar linkeroever. Want deze belangrijke stroom, sterk wassende, trad toen buiten zijn bedding en overstroomde zijn oevers. Vandaar misschien eenige moeielijkheden om onzen overtocht te bewerkstelligen. Daar de duisternis evenwel reeds te groot was, kon Banks geen raad geven en moesten wij onze plannen tot den volgenden dag uitstellen.

Bij gevolg zochten we dus allen, dadelijk na de gewone avondsiesta, onze vertrekken op en legden ons ter ruste.

Nooit, tenzij bijzondere omstandigheden er ons toe noopten, lieten wij ’s nachts het kamp bewaken. En waartoe ook? Kon men onze rollende huizen wegnemen? Neen! Kon men onzen olifant stelen? Evenmin. Zijn zwaarte alleen was reeds verdediging genoeg. Wat betreft de mogelijkheid van een aanval der nachtelijke zwervers, die deze provinciën onveilig maken, dit was zeer onwaarschijnlijk. En al werd er geen wacht gehouden ’s nachts, dan hadden wij toch onze honden Phann en Black, die ons tijdig genoeg van elk verdacht bezoek zouden verwittigd hebben.

En dit nu was juist hetgeen dezen nacht gebeurde. Tegen twee uren ’s morgens, werden wij door luid geblaf gewekt. Ik stond dadelijk op en vond ook mijne metgezellen reeds op de been.

»Wat is er toch?” vroeg kolonel Munro.

»De honden blaffen,” antwoordde Banks, »en ze doen dat stellig niet zonder reden.”

»’t Zal een panter zijn, die in ’t naburige kreupelbosch gehoest heeft,” zei kapitein Hod. » Spoedig naar beneden, den zoom van het bosch doorzocht en uit voorzorg onze geweren medegenomen.” [77]

Deze inlander hield een oogenblik op. Blz. 75.

Deze inlander hield een oogenblik op. Blz. 75.

Sergeant Mac Neil, Kâlagani, Goûmi, allen bevonden zich reeds buiten het kamp, pratende, overleggende en trachtende te weten te komen wat er in het duister voorviel. Wij voegden ons bij hen. [78]

»Welnu,” zei kapitein Hod, »’t zijn zeker een paar dieren, die hun dorst zijn komen lesschen?”

»Kâlagani denkt het niet,” antwoordde Mac Neil.

»Wat denkt ge dan dat het is?” vroeg kolonel Munro den Hindoe.

»’k Weet het niet, kolonel Munro,” antwoordde Kâlagani, »maar stellig hebben we met geen tijgers, panters of zelfs jakhalzen te doen. ’k Meen daar onder de boomen een verwarde massa te onderscheiden.”

»We zullen ’t gauw weten!” riep kapitein Hod, steeds denkende aan den vijftigsten tijger, die hem nog ontbrak.

»Wacht Hod,” zei Banks. »In Bundelkund is het altijd goed zich te wachten voor nachtelijke zwervers.”

»We zijn talrijk en goed gewapend!” antwoordde kapitein Hod. »’k Wil er het mijne van weten!”

»Mij goed!” zei Banks.

De twee honden blaften altijd, maar zonder eenig bewijs te geven van de boosheid, die de nabijheid van wilde dieren bij hen zou hebben opgewekt.

»Munro,” zei Banks toen, »blijf in het kamp met Mac Neil en de anderen. In dien tijd gaan Hod, Maucler, Kâlagani en ik op verkenning uit.”

»Ga je mee?” riep kapitein Hod, die terzelfder tijd Fox wenkte om hem te vergezellen.

Phann en Black, reeds onder het eerste geboomte, wezen den weg aan. Men had ze slechts te volgen.

Nauwlijks waren wij onder de boomen, of het geluid van voetstappen deed zich hooren. Duidelijk verkende een talrijke troep op den zoom van het bosch ons kampement. Men zag ter loops eenige stille schaduwen, die de vlucht door het kreupelbosch namen.

De twee honden, liepen, blaften en vlogen eenige schreden voor ons uit heen en weder.

»Werda?” riep kapitein Hod.

Geen antwoord.

»Een van beiden, die lieden willen niet antwoorden,” zei Banks, »of zij verstaan geen Engelsch.”

»Wel, dan verstaan ze zeker Hindoesch,” antwoordde ik.

»Kâlagani,” zei Banks, »roep eens in het Hindoesch, dat, als ze niet antwoorden, we vuur geven.”

Kâlagani gebruikte den eigenaardigen tongval van de inlanders van Centraal-Indië en beval den zwervers te naderen.

Evenmin een antwoord als de eerste keer.

Nu barstte een geweerschot los. De ongeduldige kapitein Hod had op goed geluk af geschoten op een schaduw, die zich tusschen de boomen door uit de voeten maakte.

Een blijkbare opschudding werd door de losbranding der karabijn teweeggebracht. Het was alsof een gansche troep individuen, van [79]welke soort dan ook, zich naar rechts en links verspreidde. Dit vermoeden werd zekerheid, toen Phann en Black, die vooruit gevlogen waren, bedaard terugkwamen en geen enkel blijk van ongerustheid meer gaven.

»Wie zij ook mogen zijn, roovers of landloopers,” zei kapitein Hod, »die lieden zijn al heel spoedig op den loop gegaan!”

»Dat schijnt zoo,” antwoordde Banks, »en er blijft ons niets anders over dan naar het Stoomhuis terug te keeren. Maar uit voorzorg, zullen we wacht laten houden, totdat de dag aanbreekt.”

Eenige oogenblikken later waren wij bij onze metgezellen teruggekeerd. Mac Neil, Goûmi en Fox maakten toebereidselen om bij beurten de wacht van het kamp op zich te nemen, terwijl wij ons weder naar onze vertrekken begaven.

De nacht verliep zonder verdere stoornissen. Er was dus alle reden om te denken, dat de bezoekers, het Stoomhuis zoo goed verdedigd ziende, het hadden opgegeven hun bezoek te verlengen.

Terwijl den volgenden dag, den 25n September, de toebereidselen tot het vertrek gemaakt werden, wilden wij, kolonel Munro, kapitein Hod, Mac Neil, Kâlagani en ik, een laatste maal den zoom van het bosch onderzoeken.

Evenwel was er geen spoor meer te vinden van de bende, die ons den vorigen nacht verontrust had. Er bestond dus in elk geval niet de minste noodzakelijkheid meer er ons mede bezig te houden.

Toen wij teruggekomen waren, nam Banks zijne beschikkingen om den overtocht van de Betwa te bewerkstelligen. Deze rivier was ver buiten hare oevers getreden en stuwde hare geelachtige wateren met dolle vaart ver buiten haar bedding voort. De stroom was buitengewoon sterk en de IJzeren Reus moest hem het hoofd bieden, teneinde niet te ver stroomafwaarts medegevoerd te worden.

De ingenieur hield zich eerst bezig met het kiezen van de gunstigste plaats om te ontschepen. De oogen met een verrekijker gewapend, trachtte hij het punt te ontdekken waar de rechteroever het best zou te bereiken zijn. De Betwa verbreedde zich in dit gedeelte van haren loop tot ongeveer een mijl. Dit zou dus de verste afstand te water zijn, dien de drijvende trein tot nog toe zou af te leggen hebben.

»Maar,” vroeg ik, »hoe leggen de reizigers of de kooplieden het aan, als ze bij een dergelijken was door stroomen als deze worden opgehouden? Me dunkt dat ponten moeielijk dergelijke stroomingen kunnen weerstaan.”

»Welnu,” antwoordde kapitein Hod, »niets eenvoudiger! Ze steken niet over.”

»Ja wel,” antwoordde Banks, »ze gaan over als ze olifanten ter hunner beschikking hebben.”

»Wat! kunnen olifanten dan zwemmende zulke afstanden afleggen?” [80]

»Wel zeker, en ziehier hoe men te werk gaat,” antwoordde de ingenieur. »Men plaatst al de bagage op den rug van deze.....”

»Proboscidea!...” zei kapitein Hod, om met zijn vriend Matthias van Guitt te spreken.

»En de mahouts dwingen ze zich in den stroom te begeven,” hernam Banks. »In ’t eerst aarzelt het dier, gaat terug en doet een gebriesch hooren; maar, weldra zijn besluit nemende, stapt hij in den stroom, zet zich aan ’t zwemmen en steekt flink de rivier over. ’t Gebeurt evenwel, dat er een wordt medegesleept en voor altijd verdwijnt, maar, als ze door een behendigen mahout bestuurd worden, komt dit zelden voor.”

»Nu, goed!” zei kapitein Hod, »al hebben we geen »olifanten,” we hebben er toch een.....”

»En met dien eenen hopen we ’t te volbrengen,” antwoordde Banks. »Hij is licht zoo goed als de Oructor Amphibolis van den Amerikaan Evan, die in het jaar 1804, op het land rolde en dreef op het water? Iedereen nam zijn plaats in den trein in, Kâlouth bij zijn vuurhaard, Storr in zijn torentje, Banks bij hem, het ambt van stuurman waarnemende.

Men moest een vijftigtal voeten op den overstroomden oever afleggen, alvorens den eigenlijken stroom te bereiken. Zachtjes stelde de IJzeren Reus zich in beweging en begon te loopen. Zijn dikke pooten werden nat, maar hij dreef nog niet. De overgang van het vasteland op de vloeibare oppervlakte moest met voorzorg geschieden.

Eensklaps kwam het geluid van dezelfde nachtelijke opschudding tot ons over.

Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten trekkende, kwamen uit het bosch te voorschijn.

»Wel drommels! ’t Waren apen!” riep kapitein Hod uit, hartelijk lachende.

En inderdaad naderde een gansche troep van die vertegenwoordigers van het apengeslacht in een dichte groep het Stoomhuis.

»Wat willen ze?” vroeg Mac Neil.

»Ons aanvallen, zeker!” antwoordde kapitein Hod, die zich altijd ter verdediging gereed hield.

»Neen! Er is niets te vreezen,” zei Kâlagani, die den tijd gehad had de bende apen waar te nemen.

»Maar wat willen ze dan toch?” vroeg sergeant Mac Neil ten tweeden male.

»De rivier in ons gezelschap oversteken en niets anders!” antwoordde de Hindoe.

Men zag terloops eenige stille schaduwen. Blz. 78.

Men zag terloops eenige stille schaduwen. Blz. 78.

Kâlagani vergiste zich niet. Wij hadden niet te doen met gibbons met lange behaarde armen, lastige en brutale dieren, noch met »leden der aristocratische familie” die het paleis van Bénarès bewoont. Het waren apen van de soort der Langours, de grootste van [81]het schiereiland, lenige vierhandige zoogdieren, zwart van vel, glad van gelaat, omgeven met een witten ringbaard, die hun het voorkomen gaf van oude mannen. Wat hunne vreemde houdingen en [82]onnatuurlijke gebaren aangaat, overtroffen zij zelfs Matthias van Guitt. Hun vel was als dat van het Peruaansche stinkdier, grijs op den rug, wit aan den buik, terwijl zij den staart opgericht droegen.

Ik vernam bij deze gelegenheid, dat die Langours door gansch Indië als heilig beschouwd worden. Volgens een legende stammen zij af van de krijgslieden van Rama, die het eiland Ceilon veroverden. Te Amber bewonen zij een paleis, Zenanah, alwaar de toeristen vriendschappelijk door hen ontvangen worden. Het is streng verboden ze te dooden en de overtreding dezer wet heeft reeds aan verscheidene Engelsche officieren het leven gekost.

Die apen, die vrij zacht van aard en gemakkelijk te temmen zijn, zijn zeer gevaarlijk als men ze aanvalt, en zoo ze slechts gekwetst zijn, doen zij, zooals Louis Rousselet terecht gezegd heeft, in woestheid niet onder voor hyena’s of panters.

Maar natuurlijk was er geen sprake van deze Langours aan te vallen en kapitein Hod wendde dan ook zijn geweer af.

Had Kâlagani dan gelijk toen hij beweerde, dat die geheele troep den fellen stroom niet dorst te trotseeren, en daarom van ons voertuig wilde gebruik maken, om de Betwa te passeeren?

Het was mogelijk en wij zouden het spoedig zien.

De IJzeren Reus, die het water buiten den oever doorwaad had, was nu in de bedding der rivier gekomen. Weldra dreef de geheele trein hem na. Een kromming van den oever vormde op deze plek een stilstaand water en in het eerst bleef het Stoomhuis genoegzaam onbewegelijk.

De troep apen was dichterbij gekomen, en plaste reeds in het ondiepe water rond, dat de helling van den oever bedekte.

Hun houding was volstrekt niet vijandig en plotseling, daar kwamen ze aan, mannetjes, wijfjes, ouden, jongen, allerlei kromme sprongen makende, elkander bij de hand vattende, en eindelijk op den trein springende, die hen scheen af te wachten.

Binnen weinige seconden waren er tien op den IJzeren Reus, dertig op ieder der huizen, in ’t geheel een honderdtal, vroolijk, gemeenzaam, men zou haast zeggen praatachtig,—althans onder elkander,—en ongetwijfeld in hun schik, zoo recht van pas een vaartuig ontmoet te hebben, waarmede zij de reis konden vervolgen.

De IJzeren Reus stapte dadelijk in den stroom en, zich stroomopwaarts wendende, zette hij zich er tegen in.

Een oogenblik was de gedachte bij Banks opgekomen of de trein misschien niet te zwaar zou zijn met dien overlast van passagiers, maar zijn vrees bleek gelukkig ongegrond. De apen hadden zich met de grootste schranderheid over den geheelen trein verdeeld. Er waren er op het kruis van den olifant, op het torentje, op den nek, tot aan het uiteinde van zijn tromp en, vreemd genoeg, zij waren volstrekt niet verschrikt door den stoom, die er zich met [83]het bekende zuchtend geluid aan ontwrong. Dan waren er verder op de ronde koepeldaken onzer pagoden, deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten, terwijl nog anderen, zelfs onder de veranda der balkons aan den staart hingen. Maar het Stoomhuis dreef statig voort, dank zij de gelukkige inrichting zijner luchtkasten, en er was niet het minste gevaar voor het buitengewone overwicht te duchten.

Kapitein Hod en Fox stonden werkelijk verbaasd, vooral de oppasser. Hij had gaarne dien grijnzenden en ongegeneerden troep met alle eerbewijzen in het Stoomhuis ontvangen. Hij sprak tot die Langours, hij drukte hun de hand, hij nam zijn hoed voor hen af en zou ze gaarne met suikergoed overladen hebben, zoo »mijnheer” Parazard, geërgerd dat hij zich in zulk gezelschap bevond, er geen schotje voor geschoten had.

Intusschen werkte de IJzeren Reus hard voort met zijn vier pooten, die het water sloegen en dienst deden als groote pagaaien. Al afdrijvende, volgde hij de schuinsche lijn, die ons naar de landingsplaats zou brengen.

Een half uur later, had hij deze bereikt, maar nauwelijks was hij aangeland of de geheele troep vierhandige clowns sprong op den oever en was met talrijke kromme sprongen spoedig uit het gezicht verdwenen.

»Ze hadden wel dankje mogen zeggen!” riep Fox uit, ontevreden over de lompheid van zijn vrienden.

Een luid gelach was het antwoord op de opmerking van den oppasser, die niets meer verdiende.

[Inhoud]

VI.

Hod tegen Banks.

De Betwa was overgetrokken. Reeds honderd kilometers waren wij van het station van Etawah verwijderd.

Vier dagen gingen zonder bijzondere avonturen voorbij,—zelfs zonder jachtavonturen, want wilde beesten waren niet talrijk in dit gedeelte van Scindia.

»’k Vrees maar al te zeer,” herhaalde kapitein Hod niet zonder groote spijt, »dat ik te Bombay zal aankomen, zonder mijn vijftigsten gedood te hebben!”

Kâlagani geleidde ons met bewonderenswaardige schranderheid [84]door dit minst bevolkte gedeelte van het grondgebied, welks topographie hij zeer goed kende, en, den 29n September begon de trein de noordelijke helling der Vindhyas te beklimmen, teneinde door den pas van Sirgour de reis voort te zetten.

Tot zoover was onze tocht door Bundelkund zonder hindernis volbracht. Dit land, evenwel, is een der meest verdachte van Indië. De misdadigers zoeken er gaarne een schuilplaats, en landloopers worden er in overvloed aangetroffen. Daar ook geven de Dacoits zich bij voorkeur aan hun dubbel bedrijf van gifmengers en dieven over. Het is dus voorzichtig, ernstig op zijn hoede te zijn, als men dit land bereist.

Het slechtste gedeelte nu van Bundelkund is juist deze bergachtige streek der Vindhyas, waarin het Stoomhuis nu zou doordringen. De afstand was niet groot,—honderd kilometer hoogstens,—tot Jubbulpore, het dichtstbijzijnde station van den spoorweg van Bombay naar Allahabad. Doch wij konden niet rekenen, zoo snel en gemakkelijk vooruit te komen, als wij gedaan hadden door de vlakte van Scindia. Vrij steile hellingen, half gebaande wegen, een steenachtige bodem, plotselinge krommingen, zekere smalle gedeelten van den weg, alles liep samen onze snelheid tot beneden het gemiddelde te verminderen. Banks dacht niet meer te verkrijgen dan vijftien tot twintig kilometers in de tien uren, die onze reisdagen uitmaakten. Daarbij kwam, dat de toegangen tot de wegen en kampementen dag en nacht met de uiterste zorg moesten bewaakt worden.

Kâlagani was de eerste geweest om ons dezen raad te geven. Nu waren wij talrijk genoeg en daarbij goed gewapend. Onze kleine troep, met zijn twee huizen en het torentje,—een echte kazemat, door den IJzeren Reus op den rug gedragen, bood een zeker »weerstandsvermogen” aan, om een uitdrukking naar de mode te gebruiken. Straatroovers, Dacoits of andere, zelfs Thugs,—indien er in dit woeste gedeelte van Bundelkund nog waren overgebleven,—zouden ongetwijfeld geaarzeld hebben ons aan te vallen. Doch, het kan nooit kwaad voorzichtig te zijn en het was beter dat wij op alle mogelijkheden gewapend waren.

Des morgens van dezen dag werd de Sirgourpas bereikt, waarin de trein zonder veel moeite zich een weg baande. Enkele malen, bij het bestijgen van steile hellingen, moest men den stoom versterken, maar de IJzeren Reus ontwikkelde onder de hand van Storr onmiddellijk het noodige vermogen, en beklom enkele hellingen van twaalf tot vijftien centimeters per meter.

Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten trekkende. Blz. 80.

Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten trekkende. Blz. 80.

Ook behoefde men niet te vreezen zich in den weg te vergissen. Kâlagani was volkomen bekend met de bochtige bergpassen der Vindhyas en meer bijzonder met den Sirgourpas. Hij twijfelde dan ook nooit, zelfs als verscheidene wegen op een kruisweg ergens tusschen hooge rotsen, in diepe bergkloven, uitliepen, te midden van [85]dichte bosschen, die den blik tot twee of driehonderd schreden beperkten. Verliet hij ons tusschenbeiden eens en ging hij nu eens alleen, dan vergezeld door Banks, door mij of door een ander onzer [86]metgezellen vooruit, dan was dit om niet den weg, maar zijn begaanbaarheid te verkennen.

Inderdaad hadden de regens, gedurende het regenseizoen, dat nauwelijks geëindigd was, de paden bedorven, den bodem omgewoeld,—omstandigheden waarvan rekening moest gehouden worden, alvorens zich op wegen te begeven, waarop de terugkeer hoogst moeielijk zou geweest zijn.

Ten opzichte alleen van ons vervoer, ging dus alles zoo goed mogelijk. De regen had geheel opgehouden. De hemel, half door lichte nevels bedekt, die de zonnestralen lieten doorschemeren, dreigde niet met een van die donderbuien, waarvan men in het centrale gedeelte van het schiereiland de vreeselijke hevigheid ducht. Ofschoon de hitte niet hevig was, deed zij toch gedurende eenige uren van den dag vrij sterk aan; maar, over het geheel bleef het een gemiddelde temperatuur, zeer goed te verdragen voor reizigers, die zich in de schaduw aan haren invloed konden onttrekken. Aan klein wild was geen gebrek en onze jagers voorzagen in de behoefte der tafel, zonder zich ver van het Stoomhuis te verwijderen.

Alleen kapitein Hod,—en ook Fox zeker,—betreurde misschien de afwezigheid der wilde beesten, die in Tarryani zoo overvloedig werden aangetroffen. Maar konden zij ook verwachten leeuwen, tijgers, panters te ontmoeten in streken waar aan de voor hun voedsel benoodigde herkauwende dieren gebrek was?

Doch, mochten deze roofdieren al aan de fauna der Vindhyas ontbreken, zoo kwamen wij in de gelegenheid om op ruimer schaal kennis te maken met de olifanten van Indië,—ik meen met de wilde olifanten, waarvan wij tot nog toe slechts enkele exemplaren gezien hadden.

Den 30n September, tegen twaalf uren zagen wij voor den trein uit een paar van die prachtige dieren. Bij onze nadering wierpen zij zich ter zijde van den weg, teneinde de voor hen nieuwe equipage, die hun zeker schrik aanjoeg, te laten voorbijgaan.

Waartoe ze zonder noodzaak uit loutere liefhebberij te dooden? Kapitein Hod dacht er zelfs niet aan. Hij vergenoegde zich die heerlijke dieren te bewonderen, die in volle vrijheid tusschen de bergen rondliepen, waar beken, stroomen en weiden in al hunne behoeften voorzagen.

»Wat een schoone gelegenheid,” zei hij, »voor onzen vriend van Guitt, om ons een les in de zoölogie te geven!”

Men weet, dat Indië bij uitnemendheid het land der olifanten is. Deze dikhuiden behooren allen tot een zelfde soort, die een weinig beneden die der Afrikaansche olifanten staat,—zoowel zij die de verschillende provincies van het schiereiland bewonen, als die waarvan men de sporen in Birmanië, in het koninkrijk Siam en in al de streken ten oosten van de golf van Bengalen kan vinden. [87]

Hoe vangt men ze? Meestal in een »kiddah,” een ruimte door palissaden omgeven. Wil men een geheele kudde vangen, dan drijven de jagers, ten getale van een drie à vierhonderd, aangevoerd door een »djawadar” of inlandschen sergeant, ze langzamerhand in de kiddah, sluiten ze er in op, scheiden ze met behulp van opzettelijk daartoe afgerichte tamme olifanten van elkander af, kluisteren de achterpooten, en de vangst is gemaakt.

Doch deze methode, die tijd en een zekere machtsontwikkeling vordert, is meestal vruchteloos, als men zich van de groote mannetjes wil meestermaken. Deze toch zijn meer bij de hand en schrander genoeg om den kring der drijvers te verbreken en hunne gevangenneming in de kiddah te vermijden. In dat geval worden tamgemaakte wijfjes belast deze mannetjes gedurende eenige dagen te volgen. Zij dragen hunne mahouts op den rug in donker gekleurde dekkleeden gehuld en, als de olifanten, die niets merken, zich aan een gerusten slaap overgeven, maakt men zich van hen meester, worden zij geketend en medegevoerd, zonder zelfs den tijd gehad te hebben tot zich zelve te komen.

Zooals ik reeds vroeger gelegenheid had te zeggen, ving men de olifanten in kuilen, op hun spoor gegraven, en een vijftiental voet diep, maar in zijn val verwondde of doodde zich het dier en heeft men daarom bijna algemeen dit barbaarsche middel opgegeven.

Eindelijk wordt in Bengalen en Népaul de lasso nog gebruikt. Dit is een ware jacht, somtijds vol belangwekkende avonturen. Men gebruikt daartoe goed afgerichte olifanten, die door drie mannen bereden worden. Op hun nek zit een mahout, die ze bestuurt, op het kruis een drijver, die ze met den hamer of met den haak aanport; op den rug, de Hindoe, die belast is met het werpen van den lasso, voorzien van een schuifknoop. Zoo uitgerust, vervolgen deze dikhuiden den wilden olifant uren achtereen, somtijds door vlakten, door bosschen tot groot nadeel somtijds van hen, die ze berijden en eindelijk als het beest den lasso om den kop geslingerd is, valt hij plomp op den grond, aan de jagers overgeleverd.

Op deze verschillende wijzen worden er jaarlijks in Indië een groot aantal olifanten gevangen. Het is geen slechte speculatie. Een wijfje wordt verkocht tegen zeven duizend franken, een mannetje tegen twintig duizend en zelfs tegen vijftig duizend franken als hij van zuiver bloed is.

Zijn ze nu werkelijk nuttig, die dieren, dat men ze tegen zulke hooge prijzen betaalt? Ja, en als men ze maar behoorlijk voedt,—namelijk zes à zeven honderd pond groen voeder in de achttien uren geeft, dat is nagenoeg het gewicht, dat ze op een gewoon traject kunnen dragen,—bewijzen ze werkelijk goede diensten, waaronder vervoer van artillerie in bergachtige landen, of in de voor paarden ontoegankelijke jungles, zwaar werk voor rekening [88]der particulieren, die ze gebruiken, als trekdieren. Deze machtige en zachte reuzen, gemakkelijk en snel te dresseeren, tengevolge van een bijzonder instinct, dat ze tot gehoorzaamheid aanzet, zijn in de verschillende provinciën van Hindostan algemeen gezocht. Daar zij zich nu in tammen toestand niet vermenigvuldigen, moet men onophoudelijk jacht op hen maken, om aan de aanvraag van het schiereiland en van den vreemde te voldoen.

Ook vervolgt men ze, sluit men ze in, vangt men ze op de zooeven vermelde wijzen. En toch schijnt hun getal, niettegenstaande hun verbruik, niet te verminderen; nog altijd blijft er in de verschillende streken van Indië een aanzienlijk getal ever.

Zelfs moet ik er bijvoegen dat er »te veel” overblijven, zooals men weldra zien zal.

De twee olifanten hadden zich, zooals ik reeds zeide, terzijde van den weg geschaard, teneinde onzen trein te laten passeeren, waarna zij hun een oogenblik afgebroken marsch hervat hadden. Bijna dadelijk daarop kwamen andere olifanten in de achterhoede te voorschijn en voegden zich, hunne schreden versnellende, bij de twee, die wij voorbij gegaan waren. Een kwartier later, kon men er een dozijn tellen. Zij hielden het Stoomhuis in het oog, zij volgden ons, zich op een afstand van hoogstens vijftig meters houdende. Zij schenen evenmin begeerig ons in te halen, als ons te verlaten. Nu was dit hun gemakkelijk, omdat de IJzeren Reus op de hellende wegen, die om de voornaamste toppen der Vindhyas heen loopen, zijn gang niet kon versnellen.

Een olifant kan trouwens sneller loopen dan men wel denken zou,—en wel met een snelheid, die, volgens Sanderson, een zeer bevoegde beoordeelaar in deze zaak, somtijds vijf en twintig kilometers per uur overtreft. Voor hen dus, die ons op dat oogenblik volgden, was niets gemakkelijker dan of ons te bereiken, of ons vooruit te komen.

Doch dit scheen niet in hun plan te liggen,—op dit oogenblik althans. Zeker wilden zij zich eerst in grooter getale vereenigen, en werkelijk deden zij uit hun enorme keel zekere kreten hooren, als een sein, dat door kreten van achterblijvers, denzelfden weg volgende, beantwoord werd.

Tegen een uur na den middag werden wij door een troep van een dertigtal olifanten achtervolgd. Het was een geduchte bende geworden. Niets bewees, dat hun aantal niet nog zou aangroeien. Gewoonlijk bestaat een troep van die dikhuiden uit dertig of veertig individus, die een familie vormen van meer of minder naverwante leden, maar niet zelden ontmoet men verzamelingen van een honderdtal dier dieren, iets wat den reizigers wel eenige ongerustheid inboezemt. [89]

Deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten. Blz. 83.

Deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten. Blz. 83.

Kolonel Munro, Banks, Hod, de sergeant, Kâlagani en ik, waren onder de veranda van het tweede rijtuig gezeten en letten op ’t geen achter ons plaatsgreep. [90]

»Hun aantal neemt steeds toe,” zei Banks en zal ongetwijfeld aangroeien met al de olifanten uit de geheele streek!”

»Maar,” deed ik opmerken, »ze kunnen toch elkander niet zoo bijzonder ver hooren.”

»Dat is waar,” antwoordde de ingenieur, »maar ze ruiken elkander en ze hebben zulk een fijnen reuk, dat tamme olifanten de wilde zelfs drie of vier mijlen ver weten te ontdekken.”

»’t Is een wezenlijke verhuizing, zei toen kolonel Munro. »Zie eens! Er is daar achter onzen trein een gansche kudde, in groepen van tien tot twaalf olifanten van elkander gescheiden en die groepen zullen spoedig aan de algemeene beweging deelnemen. We zullen ons wat dienen te haasten, Banks.”

»De IJzeren Reus doet wat hij kan, Munro,” antwoordde de ingenieur. »We hebben al vijf atmosfeeren drukking en de weg is zeer steil!”

»Maar waarom ons zoo gehaast?” riep kapitein Hod uit, die bij dergelijke voorvallen altijd vroolijk werd. »Laat die lieve beestjes ons vergezellen! ’t Is een stoet, onzen trein waardig! Het land was eenzaam en verlaten, dat kunnen we nu niet meer zeggen, want we worden nu geëscorteerd als een rajah op reis!”

»We zullen ze hun zin wel moeten laten,” antwoordde Banks, »want ik zie niet in hoe we ze zouden kunnen beletten ons te volgen!”

»Maar wat vrees je eigenlijk toch?” vroeg kapitein Hod. »Je weet toch wel, dat een kudde altijd minder geducht is dan een enkele olifant! ’t Zijn werkelijk lieve dieren!... Schapen, groote schapen, voorzien van een tromp, anders niet!”

»Komaan! Hod windt zich op!” zei kolonel Munro. »’k Geef gaarne toe dat, als de kudde maar op een respectabelen afstand blijft, we niets te duchten hebben; maar als ze ’t in den zin krijgt ons op dien smallen weg voorbij te komen, zou er voor het Stoomhuis meer dan één nadeel uit kunnen voortvloeien!”

»Zonder nog te rekenen,” voegde ik er bij, »dat, als ze zich voor den eersten keer tegenover onzen IJzeren Reus bevinden, ’k niet weet hoe ze hem zullen ontvangen!”

»Ze zullen hem groeten, voor den drommel!” riep kapitein Hod uit. »Ze zullen hem groeten zooals de olifanten van prins Gourou Singh hem gegroet hebben!”

»Dat waren tamme olifanten,” merkte sergeant Mac Neil terecht aan.

»Welnu,” antwoordde kapitein Hod, »ook deze zullen tam worden, of liever, ze zullen voor onzen reus verstomd staan van verbazing, die spoedig in eerbied zal overgaan!”

Men ziet dat onze vriend niets van zijn enthusiasme verloren had voor den kunstmatigen olifant, »dat meesterstuk van mechanisme, voortgebracht door de hand van een Engelschen ingenieur!”

»Trouwens,” voegde hij er bij, »deze proboscideën,—hij was [91]werkelijk op dat woord gesteld,—deze proboscideën zijn zeer schrander, ze redeneeren, ze oordeelen, ze vergelijken, ze denken aaneengeschakeld en geven bewijzen van een menschelijk verstand!”

»Dat is op zijn minst zeer overdreven,” antwoordde Banks.

»Wat, overdreven!” riep kapitein Hod uit. »Hij, die zoo spreekt, heeft niet in Indië gewoond! Laat men de schrandere dieren niet allerlei huiswerk verrichten? Is er een met hen te vergelijken? Is de olifant in het huis van zijn meester niet gereed tot het verrichten van allerlei diensten? Weet je dan niet, Maucler, wat de schrijvers, die hem het best gekend hebben, van hem zeggen? Volgens hen is de olifant voorkomend voor hen die hij liefheeft, hij ontheft ze van hunne lasten, hij gaat bloemen of vruchten voor hen plukken, hij zamelt aalmoezen in voor de armen als de olifanten voor de beroemde pagode van Willenoor, bij Pondicherie, hij betaalt in de bazars den suiker, de bananen of de mango’s, die hij voor eigen rekening koopt, hij beschermt in Sunderbund de kudden en de woning van zijn meester tegen de wilde dieren, hij pompt water uit de putten, hij past met meer zorg op de kinderen, die men hem toevertrouwt, dan de beste kindermeid van gansch Engeland! En menschelijk, dankbaar, want hij heeft een verbazend geheugen, vergeet hij evenmin de weldaden als het onrecht, dat hem gedaan wordt! Ja, mijne vrienden, die menschelijke reuzen,—’k zeg menschelijke reuzen, zullen niet licht een onschadelijk insect verpletteren! Een mijner vrienden,—en dat zijn trekken, die men niet licht vergeet,—zag dat men een lievenheersbeestje op een steen zette en een tammen olifant beval het te verpletteren! En wat deed de goede dikhuid? Hij lichtte, telkens als hij over den steen heen ging, zijn poot op en noch bevelen, noch slagen zouden hem er toe gebracht hebben hem op het insect te plaatsen! In tegendeel, toen men hem beval het op te nemen en aan te reiken, nam hij het met die soort van wonderhand, die hij aan de punt van zijn snuit heeft, op en stelde het in vrijheid! Zeg nu nog eens, Banks, dat de olifant niet goed, niet edelmoedig en niet boven alle anderen dieren verheven is, zelfs boven den aap, zelfs boven den hond en moeten we niet erkennen, dat de Hindoes gelijk hebben, als zij hem bijna evenveel verstand toekennen als den mensch!”

Nadat hij met vuur deze woorden had uitgesproken, vond kapitein Hod niets beters te doen dan zijn hoed af te nemen om de geduchte kudde, die ons met afgemeten schreden volgde, te groeten.

»Goed gesproken, kapitein Hod!” antwoordde kolonel Munro glimlachende. »De olifanten hebben in u een warmen verdediger!”

»En heb ik dan niet volkomen gelijk, kolonel?” vroeg kapitein Hod.

»’t Is mogelijk, dat kapitein Hod gelijk heeft,” antwoordde Banks, »maar ik hecht meer aan het oordeel van Sanderson, een [92]olifantenjager en een volleerde meester in alles wat hen betreft.”

»En wat zegt die Sanderson dan toch?” riep de kapitein op vrij minachtenden toon uit.

»Hij beweert, dat de olifant slechts een zeer middelmatig verstand heeft en dat de verwonderlijkste zaken, die men die dieren ziet volbrengen, slechts het resultaat zijn van een vrij slaafsche gehoorzaamheid aan de bevelen, die hunne cornac’s meer of minder in ’t geheim hun geven!”

»Nu, die is mooi!” antwoordde kapitein Hod, die zich begon warm te maken.

»Zoo doet hij ook opmerken,” hernam Banks, »dat de Hindoes nooit den olifant als een zinnebeeld van verstand, voor hun beeldhouwwerk of hunne heilige teekeningen gekozen hebben en de voorkeur gaven aan den vos, den raaf, en den aap!”

»’k Protesteer!” riep kapitein Hod uit, wiens arm de golvende beweging van een tromp nabootste.

»Protesteer, kapitein, maar hoor me aan!” hernam Banks. »Sanderson voegt er nog bij, dat, wat den olifant meer bijzonder onderscheidt, de knobbel der gehoorzaamheid is, die een uitwas van belang op zijn schedel moet vormen. Hij merkt ook aan, dat de olifant zich op een zeer gemakkelijke manier laat vangen,—dat is het juiste woord, zooals in kuilen met bladeren bedekt, en dat hij niet de minste moeite doet om er uit te komen! Hij doet verder uitkomen, dat hij zich in omheiningen laat drijven, waartoe met geen mogelijkheid andere wilde dieren zouden te brengen zijn! Eindelijk is het volgens hem een feit, dat de gevangen olifanten, wien het gelukte te ontkomen, zich met een gemakkelijkheid laten hernemen, die hun schranderheid geen eer aandoet! De ondervinding leert hun niet eens voorzichtig te zijn!”

»Arme dieren!” antwoordde kapitein Hod op komieken toon, »wat takelt die ingenieur je toe!”

»Als een laatste bewijsgrond ten gunste van mijn stelling, moet ik er nog bijvoegen,” antwoordde Banks, »dat de olifanten niet zelden zeer moeielijk zijn tam te maken, uit gebrek aan voldoende verstandelijke vermogens en dikwijls is het zeer moeilijk ze te bedwingen, vooral als ze jong zijn of tot de zwakke sekse behooren!”

»Dat is een overeenkomst te meer met de menschelijke wezens!” antwoordde kapitein Hod. »Zijn de mannen niet veel gemakkelijker te leiden dan de kinderen en de vrouwen?”

»Me dunkt, kapitein, dat we beiden al te zeer celibatair zijn om in een dergelijke aangelegenheid juist te oordeelen!”

»Goed geantwoord!”

»Om er een eind aan te maken,” voegde Banks er nog bij, »ik beweer, dat men niet te veel moet vertrouwen op de al te zeer geroemde goedheid van den olifant en dat het onmogelijk zou zijn een troep [93]van die reuzen weerstand te bieden, als de een of andere reden ze woedend maakte en ’k had wel zoo lief, dat zij, die ons op dit oogenblik vergezellen, iets in het noorden te doen hadden, omdat wij zuidelijk gaan!”

De twee olifanten hadden zich terzijde van den weg geschaard. Blz. 88.

De twee olifanten hadden zich terzijde van den weg geschaard. Blz. 88.

[94]

»Zooveel te meer nog, Banks,” antwoordde kolonel Munro, »omdat, terwijl ge ’t zamen zoo druk hadt, Hod en gij, hun aantal onrustbarend is toegenomen!”

[Inhoud]

VII.

Honderd tegen een.

Sir Edward Munro vergiste zich niet. Onze trein werd nu door een massa van vijftig of zestig olifanten gevolgd. Zij liepen in dichte rijen en reeds bevonden zich de eerste zoo dicht achter het Stoomhuis—op een afstand van minder dan tien meters,—dat het mogelijk was ze nauwkeurig waar te nemen.

Aan het hoofd liep toen een van de grootste uit de groep, ofschoon zijn grootte, vertikaal tot aan den schouder gemeten, stellig niet meer dan drie meters bedroeg. Zooals ik reeds zeide, is dit een grootte beneden die van de Afrikaansche olifanten, waarvan eenige vier meters bereiken. Zijne slagtanden ook, niet zoo lang als die van zijn Afrikaanschen stamgenoot, waren niet langer dan een meter vijftig aan de buitenste kromming, en veertig van de beenachtige spil af, die tot basis dient. Op het eiland Ceilon ontmoet men een zeker aantal dezer dieren zonder slagtanden, overigens een geducht wapen waarvan zij zich met behendigheid bedienen, doch in Hindostan komen deze »mucknas,”—zoo worden ze genoemd—zeer zelden voor.

Achter dezen olifant kwamen verscheidene wijfjes, die de eigenlijke bestuursters der karavaan zijn. Ware het Stoomhuis er niet geweest, dan zouden zij de voorhoede hebben uitgemaakt en ware dit mannetje stellig achter in de rijen zijner metgezellen gebleven. Inderdaad verstaan de mannetjes niets van de leiding der kudde. Zij hebben niet voor hunne jongen te zorgen en kunnen niet weten wanneer het noodig is halt te houden voor de behoeften dezer »zuigelingen” en ook niet welk soort van kampementen ze noodig hebben. Het zijn dus zedelijk de wijfjes, die de »slagtanden” in het huisgezin dragen en de groote verhuizingen besturen.

Om nu de vraag te beantwoorden waarom die geheele troep nu zoo opbrak, of de behoefte uitgeputte weilanden te verlaten, de noodzakelijkheid den steek van zekere noodlottige vliegen te ontvluchten, of misschien de lust onze vreemde equipage te volgen, ze door de bergengten der Vindhyas dreef, zou moeielijk geweest [95]zijn te beantwoorden. Het land was tamelijk vlak en volgens hunne gewoonten reisden deze olifanten, zoodra zij zich niet meer in boschachtige streken bevinden, op klaarlichten dag. Zouden zij ophouden bij het aanbreken van den nacht, zooals wij zelven verplicht waren het te doen? De tijd zou het leeren.

»Kapitein Hod,” vroeg ik onzen vriend, »je ziet die achterhoede van olifanten, die steeds in aantal toeneemt! Blijf je er bij, geen vrees te hebben?.....”

»Kom!” riep kapitein Hod. »Waarom zouden die beesten ons kwaad willen? ’t Zijn geen tijgers, niet waar, Fox?”

»En niet eens panters!” antwoordde de oppasser, die het natuurlijk eens met zijn meester was.

Doch bij dit antwoord zag ik Kâlagani het hoofd schudden ten teeken van afkeuring. Hij scheen de volkomen gerustheid der beide jagers niet te deelen.

»Je schijnt niet gerust te zijn, Kâlagani,” zei Banks tot hem, die hem op hetzelfde oogenblik aankeek.

»Zou de gang van den trein niet een beetje te verhaasten zijn?” vergenoegde de Hindoe zich te antwoorden.

»Dat zal niet gemakkelijk gaan,” hernam Banks. »We kunnen ’t evenwel beproeven.”

En Banks begaf zich van de achterveranda naar het torentje waar Storr zich bevond. Bijna op hetzelfde oogenblik deed het gebriesch van den IJzeren Reus zich sneller hooren en verhaastte zich de gang van den trein.

Maar al had men den gang van den trein verdubbeld, zou er toch geen verandering in den toestand der reizigers gekomen zijn. De kudde olifanten zou eenvoudig hare schreden verhaast hebben. Dit geschiedde ook werkelijk en de afstand tusschen haar en het Stoomhuis bleef dezelfde.

Verscheidene uren gingen op deze wijze voorbij, zonder belangrijke verandering. Na het diner hernamen wij onze zitplaatsen onder de veranda van het tweede rijtuig.

Op dit oogenblik bood de weg van achteren een rechtlijnige richting van minstens twee mijlen aan, en was de blik dus niet begrensd door plotselinge bochten.

Tot onze ernstige ongerustheid zagen wij dat het aantal olifanten sedert een uur al weer was toegenomen! Wij konden er nu minstens een honderd tellen.

Deze dieren liepen toen in twee- of driedubbele gelederen, al naar de breedte van den weg, in alle stilte, met gelijken pas, zou men zeggen, deze met opgerichten tromp, gene met de slagtanden in de lucht. Het was als het geklots der baren, die door groote grondgolven worden opgelicht. Niets bruischte nog op, om de gelijkenis voort te zetten, maar als een storm deze bewegelijke massa met [96]woest geweld deed uiteenspatten, zou het gevaar waaraan we bloot stonden, vreeselijk zijn.

Intusschen begon de nacht langzamerhand te vallen,—een nacht waaraan het licht van de maan en de glans der sterren zouden ontbreken, want een soort van nevel hulde de hoogere hemelstreken in diepe duisternis.

Zooals Banks voorspeld had, zou men in zulk een donkeren nacht onmogelijk op deze moeielijke wegen kunnen voortgaan, men zou wel moeten stilhouden. De ingenieur besloot dus halt te houden, zoodra een verwijding der vallei of een uitholling in een minder nauwe bergengte de dreigende kudde zou toelaten ter zijde van den trein heen te gaan, en haar verhuizing naar het zuiden voort te zetten.

Maar zou de kudde dit doen, en zou zij niet liever kampeeren op de plek waar wij zelve zouden kampeeren?

Dat was de groote quaestie.

Het werd trouwens merkbaar, dat de olifanten met het vallen van den nacht eenige vrees uitten, waarvan wij op den dag geen enkel verschijnsel hadden waargenomen. Een soort van machtig maar dof geloei ontsnapte aan hunne enorme longen. Op dit verontrustend leven volgde een ander geluid van bijzonderen aard.

»Welk geluid is dat nu?” vroeg kolonel Munro.

»Dat is het geluid, dat deze dieren voortbrengen,” antwoordde Kâlagani, »als ze zich in tegenwoordigheid van een vijand bevinden.”

»En dat zijn wij, ’t kan niet anders zijn dan wij, die ze als zoodanig beschouwen?” vroeg Banks.

»Ik vrees het!” antwoordde de Hindoe.

Het was alsof het in de verte donderde en het herinnerde aan het geluid, dat men achter de schermen van een tooneel voortbrengt door een stuk opgehangen ijzerblik in trilling te brengen. Terwijl de olifanten het uiteinde hunner tromp op den grond wreven, ontlastten zij zich van énorme hoeveelheden lucht, die zij door een langdurige opsnuiving in hunne longen geborgen hadden. Dat was de oorzaak van dien machtigen en diepen klank, die het hart toekneep als het gerommel van den donder.

Het was toen negen uren ’s avonds.

Op deze plek diende een soort van kleine, bijna ronde vlakte, een halve mijl in omtrek, tot uitgang van den weg, die naar het Puturia meer geleidde, in welks nabijheid Kâlagani ons kamp meende op te slaan. Maar dit meer bevond zich nog op een afstand van vijftien kilometers, en wij moesten opgeven het voor den nacht te bereiken.

Banks liet nu halt houden. De IJzeren Reus bleef staan, maar men spande hem niet uit. De vuren werden zelfs niet uitgedoofd en Storr kreeg bevel zich altijd onder drukking te houden, teneinde den trein op het eerste signaal te kunnen doen vertrekken. Men moest zich op alle mogelijkheden voorbereid houden. [97]

Zij liepen in dichte rijen. Blz. 94.

Zij liepen in dichte rijen. Blz. 94.

Kolonel Munro trok zich in zijn kamer terug. Wat Banks en kapitein Hod aangaat, zij wilden liever niet naar bed gaan en ik verkoos bij hen te blijven. Het geheele personeel was trouwens op de been. [98]Doch wat vermochten wij, als het den olifanten in den zin kwam zich op het Stoomhuis te werpen?

Gedurende het eerste uur van ons waken hield een dof geruisch om het kamp aan. Blijkbaar verspreidden de groote massa’s zich over de kleine vlakte. Zouden ze haar oversteken en hun weg naar het zuiden vervolgen?

»’t Blijft altijd mogelijk,” zei Banks.

»’t Is zelfs waarschijnlijk,” voegde kapitein Hod er bij, die er altijd het beste van bleef denken.

Tegen omstreeks elf uren, nam het geraas allengs af en tien minuten later, had het geheel opgehouden.

De nacht was toen volkomen stil. Het minste vreemde geluid zou ons oor getroffen hebben. Men hoorde niets dan het doffe gerommel van den IJzeren Reus in het donker. Men zag niets dan den vonkenregen, die nu en dan uit zijn tromp ontsnapte.

»Welnu,” zei kapitein Hod, »had ik geen gelijk? Zij zijn vertrokken, die goede olifanten!”

»Goede reis!” antwoordde ik.

»Vertrokken!” antwoordde Banks, het hoofd schuddende. »Dat zullen we gauw te weten komen!”

Daarna den machinist roepende, zeide hij:

»Storr, de lichten.”

»Dadelijk, mijnheer Banks!”

Twintig seconden later sprongen twee electrische bundels stralen uit de oogen van den IJzeren Reus, die door een zelfwerkend mechanisme alle punten van den horizont in vollen gloed zette.

En tot hunne ontsteltenis zagen zij nu, dat de olifanten in een wijden kring om het Stoomhuis gelegerd waren, onbeweeglijk, als ingeslapen, slapende misschien. Het electrische vuur, dat hunne dichte massa’s onduidelijk verlichtte, scheen ze met een bovennatuurlijk leven te bezielen. Door een eenvoudig gezichtsbedrog namen die monsters, welke meer rechtstreeks door de schitterende stralen getroffen werden, reusachtige afmetingen aan, waardig om met die van den IJzeren Reus te wedijveren. Verschrikt vlogen ze op, alsof ze door een vurigen prikkel waren gestoken geworden. Hun tromp stak naar voren uit, hunne slagtanden richtten zich op. Men zou gezegd hebben, dat zij den trein gingen bestormen. Een schor gebrom ontsnapte aan hun énormen muil. Spoedig zelfs deelde zich deze plotselinge woede aan allen mede en klonk een oorverdoovend concert ons kampement in het rond, alsof honderd klaroenen tegelijk een wijdklinkend appél hadden aangeheven.

»Doof uit!” schreeuwde Banks.

De electrische stroom werd plotseling afgebroken en het getier hield bijna onmiddellijk op. [99]

»Ze zijn in een kring gelegerd,” zei de ingenieur, »en zullen zich daar morgen ochtend nog bevinden!”

Uit de gelaatstrekken van kapitein Hod meende ik op te maken, dat zijn vertrouwen nu toch eenigszins aan het wankelen gebracht was.

Hoe te handelen? Kâlagani werd geraadpleegd en deze verborg zijne ongerustheid niet.

Kon men er aan denken het kampement in het midden van dezen donkeren nacht te verlaten? Dat was onmogelijk. Waartoe zou dat trouwens ook gediend hebben? De troep olifanten zou ons zeker gevolgd hebben en stellig waren de moeielijkheden grooter dan op den dag.

Men kwam dus overeen, dat men eerst met het krieken van den dag op weg zou gaan. Men zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid en snelheid vooruitgaan, maar zonder den geduchten stoet vrees aan te jagen.

»En als nu die dieren ons hardnekkig blijven volgen?” vroeg ik.

»Dan zullen we beproeven een plek te bereiken waar het Stoomhuis zich buiten hun bereik kan stellen,” antwoordde Banks.

»Zullen we die plek vinden, voordat we de Vindhyas verlaten hebben?” zei kapitein Hod.

»Er is er een,” antwoordde de Hindoe.

»Welke?” vroeg Banks.

»Het Puturiameer.”

»Hoe ver is dat nog?”

»Nog ongeveer negen mijlen.”

»Maar de olifanten zwemmen,” antwoordde Banks, »en misschien beter dan één ander viervoetig dier! Men heeft er gezien, die meer dan een halven dag lang op de oppervlakte van het water verbleven! Is het daarom niet te vreezen, dat ze ons op het Puturiameer volgen en dat het Stoomhuis daardoor nog meer in gevaar wordt gebracht?”

»’k Zie geen ander middel om ons aan hun aanval te onttrekken!” zei de Hindoe.

»We zullen het dan beproeven!” antwoordde de ingenieur.

Het was werkelijk het eenige wat we doen konden. Misschien zouden de olifanten het niet durven wagen, om in deze omstandigheden te zwemmen en misschien ook konden we ’t in snelheid van hen winnen!

Men verbeidde met ongeduld den dag, die dan ook eindelijk aanbrak. Men had niet de minste vijandige beweging gedurende het overige van den nacht bespeurd; maar bij het opgaan der zon was geen enkele olifant van plaats veranderd en het Stoomhuis van alle kanten ingesloten.

Er had toen een algemeene opschudding op de plek van het kamp plaats. Het was alsof de olifanten aan een wachtwoord gehoorzaamden. Zij schudden hun snuit, wreven hunne slagtanden tegen [100]den grond, maakten hun toilet, door zich met water te besproeien, haastten zich nog hier en daar eenige mondvollen gras tot zich te nemen, waarmede de bodem dik bezet was en begaven zich eindelijk dichter bij het Stoomhuis, zoo dicht zelfs, dat men ze uit de vensters met pieken zou hebben kunnen verwonden.

Banks beval ons evenwel ten sterkste aan, ze niet te tergen. Het kwam er vooral op aan geen voorwendsel tot een plotselingen aanval van hunne zijde te geven.

Intusschen begonnen enkele olifanten onzen IJzeren Reus al meer en meer op de hielen te zitten. Blijkbaar wilden zij te weten komen wat dat énorme dier was, dat zich tot nog toe onbeweeglijk gehouden had. Beschouwden zij het als een hunner stamgenooten? Vermoedden zij, dat er een verwonderlijke macht in hem school? Den vorigen dag hadden zij geen gelegenheid gehad hem aan ’t werk te zien, omdat hunne eerste rangen zich altijd op een zekeren afstand achter den trein hadden gehouden.

Maar wat zouden zij doen als zij hem hoorden zuchten, als zijn tromp wolken stoom uitwierp, als zij hem zijne dikke gelede pooten zagen oplichten en weder neerzetten, voortloopen en de twee rollende wagens achter zich aan sleepen?

Kolonel Munro, kapitein Hod, Kâlagani en ik hadden voor op den trein plaatsgenomen. Sergeant Mac Neil en zijne metgezellen bleven achter.

Kâlouth stond voor den vuurhaard van zijn stoomketel, dien hij met brandstof bleef voorzien, niettegenstaande de stoom reeds vijf atmosfeeren drukking bereikt had.

Banks, in het torentje bij Storr, hield de hand aan den regulateur.

Het oogenblik van vertrek was daar. Op een wenk van Banks, liet de machinist de stoomfluit haar doordringend schel geluid hooren.

De olifanten spitsten het oor; daarna, een weinig achteruitgaande, lieten zij den weg eenige passen ver open.

De stoom werd in de cilinders gelaten, en met geweld baande hij zich door den tromp een weg naar buiten, de wielen der machine brachten de pooten van den IJzeren Reus en daardoor den geheelen trein in beweging.

Men zal mij wel willen gelooven als ik verzeker, dat er zich in het eerst een levendige verbazing openbaarde bij de dieren, die elkander in de eerste rangen verdrongen. De doorgang tusschen hen in verwijdde zich en de weg scheen nu vrij genoeg om het Stoomhuis een snelheid te doen aannemen, die gelijk kon gesteld worden met die van een paard in den draf.

Maar onmiddellijk zette zich ook de geheele »proboscideaansche massa,”—een uitdrukking van kapitein Hod,—zoowel voor als achter, in beweging. De eerste groepen stelden zich aan het hoofd [101]van den stoet, de laatste volgden den trein. Allen schenen vastbesloten hen niet te verlaten.

Het begon langzamerhand nacht te worden. Blz. 96.

Het begon langzamerhand nacht te worden. Blz. 96.

Terzelfder tijd werden wij aan de zijde van den weg, die hier [102]breeder was, door andere olifanten vergezeld, als ruiters aan de portieren van een staatsiekoets. Mannetjes en wijfjes, alles liep door elkander. Er waren er van allerlei grootte, van allerlei leeftijd, jongelingen van vijfentwintig jaren, volwassenen van zestig, oude dikhuiden van meer dan honderd jaren, zuigelingen bij hunne moeders, die met de lippen aan hunne borsten en niet met hun tromp—zooals men het wel eens geloofd heeft,—onder het loopen, zogen. De geheele troep hield hierbij een zekere orde in acht, haastte zich niet meer dan noodig was en regelde zijne schreden naar die van den IJzeren Reus.

»’k Heb er vrede mee, dat ze op ons die wijze tot aan het meer vergezellen,” zei kolonel Munro.

»Ja,” antwoordde Kâlagani, »maar hoe zal ’t gaan als de weg weder smaller wordt?”

Daarin was het gevaar gelegen.

Niets bijzonders had er plaats in de drie uren, die besteed werden om twaalf kilometers af te leggen van de vijftien, die de afstand bedroeg van het kamp naar het Puturiameer. Twee of drie keeren slechts, hadden zich eenige olifanten dwars op den weg gesteld, alsof het hun plan was geweest hem te versperren, maar de IJzeren Reus liep met zijn slagtanden in horizontale richting vooruit op hen toe, spuwde hun zijn stoom in het gezicht en dwong hen te wijken om hem den doorgang vrij te laten.

Ten tien ure ’s morgens bleven nog vier à vijf kilometers over om het meer te bereiken. Daar,—men hoopte het althans,—zouden wij betrekkelijk in veiligheid zijn.

Het spreekt van zelf, dat, indien de houding van de énorme kudde niet vijandiger werd vóór onze komst aan het meer, Banks dit westelijk liet liggen, zonder er zich op te houden, teneinde den volgenden morgen uit de streek der Vindhyas te komen. Van daar naar het station Jubbulpore zou het dan nog slechts een quaestie van eenige uren zijn.

Ik voeg hier nog bij, dat het land niet alleen zeer woest, maar volkomen verlaten was. Geen enkel dorp, geen enkele landhoeve,—tengevolge van het gebrek aan weiden,—geen enkele karavaan, zelfs geen reiziger. Sedert onze komst in dit bergachtige gedeelte van Bundelkund, hadden wij geen levende ziel ontmoet.

Tegen elf uren begon de vallei, door het Stoomhuis gevolgd, tusschen twee machtige zijgebergten der keten, zich te vernauwen en zooals Kâlagani gezegd had zou de weg zeer smal worden tot de plaats waar hij op het meer uitliep.

Onze toestand, die reeds zeer verontrustend was, zou zich dus nog verergeren.

Inderdaad zou, indien de rijen olifanten zich voor en achter den trein eenvoudig verlengden, de moeielijkheid niet toegenomen zijn. [103]Maar de dieren die aan de zijden liepen, konden er niet blijven, want zij zouden tegen de rotsachtige wanden van den weg verpletterd zijn geworden, of in den afgrond, die hem op vele plaatsen begrensde, gestort zijn. Uit instinct beproefden zij dus zich òf voor- òf achteraan te plaatsen. Het gevolg was, dat het al spoedig niet meer mogelijk was noch achteruit, noch vooruit te gaan.

»Nu wordt de zaak ingewikkeld,” zei kolonel Munro.

»Ja,” antwoordde Banks, »en nu zijn we in de noodzakelijkheid die massa overhoop te werpen.”

»Welnu, ’t zij zoo!” riep kapitein Hod uit. »Wat duivel! De stalen slagtanden van onzen reus zijn opgewassen tegen de ivoren slagtanden van die malle beesten!”

Dus waren nu die proboscideaansche dieren al niet meer dan »malle beesten” voor den levendigen en veranderlijken kapitein!

»Ongetwijfeld,” antwoordde sergeant Mac Neil, »maar we zijn een tegen honderd!”

»Vooruit, in allen gevalle!” riep Banks uit, »anders gaat de gansche kudde over ons heen!”

Eenige stoomslagen deelden den IJzeren Reus een snellere beweging mede. Zijne slagtanden bereikten het achterdeel van een der olifanten, die zich vóór hem bevonden.

Het dier slaakte een kreet van pijn, die beantwoord werd door het woeste geschreeuw van den ganschen troep. Nu zou het dan toch eindelijk tot een worsteling komen, waarvan men den uitslag niet voorzien kon.

Wij hadden onze wapenen ter hand genomen, de geweren met puntkogels geladen, de karabijnen met ontplofbare kogels, de revolvers voorzien van hunne patronen. Wij moesten ons op alles gereed houden.

De eerste aanval kwam van een reusachtig mannetje, van een woest voorkomen, die met de slagtanden vooruit, de achterpooten stevig op den grond geschoord, zich tegen den IJzeren Reus keerde.

»Een »gunesh,” riep Kâlagani uit.

»Kom! hij heeft maar één slagtand!” merkte kapitein Hod aan, die ten teeken van minachting de schouders ophaalde.

»Hij is er slechts te vreeselijker om!” antwoordde de Hindoe.

Kâlagani had dezen olifant met den naam bestempeld, dien de jagers hem geven om de mannetjes met één slagtand aan te duiden. Het zijn dieren, die bijzonder door de Hindoes geëerd worden, vooral als de rechter slagtand hun ontbreekt. Zoodanig een nu was deze, en werkelijk was hij, zooals Kâlagani terecht gezegd had, zeer geducht, zooals allen zijner soort.

Men zag het dadelijk. Deze gunesh stootte een langen trompettoon uit, boog zijn tromp terug, waarvan de olifanten zich nooit bedienen om te vechten, en stortte zich op den IJzeren Reus.

Zijn slagtand trof het plaatijzer van de borst en doorboorde het [104]geheel; maar toen hij tegen het dikke bekleedsel van den inwendigen haard aanstootte, brak hij door den schok glad af.

De geheele trein schudde, maar de eenmaal medegedeelde beweging dreef hem vooruit en duwde den gunesh terug, die, hem het hoofd biedende, te vergeefs beproefde weerstand te bieden.

Maar zijn oorlogskreet was gehoord en begrepen. De geheele voorste massa der kudde bleef staan en bood een onoverkomelijken hinderpaal van levend vleesch. Op hetzelfde oogenblik drongen de groepen van achteren, hun marsch voortzettende, met geweld tegen de veranda aan. Hoe een dergelijke verpletterende kracht te weerstaan!

Terzelfder tijd klemden zich eenigen van hen, die ter zijde liepen, met opgerichte trompen, aan de rijtuigen vast, die zij met geweld heen en weer schudden.

Men moest niet ophouden, of het was met den trein gedaan, doch men moest zich verdedigen. Er viel nu niet meer te aarzelen. Geweren en karabijnen werden op de aanvallers aangelegd.

»Laat geen enkel schot verloren gaan!” riep kapitein Hod. »Mijne vrienden, mikt op het punt waar de tromp begint, of op de holte onder het oog. Dat is ’t best!”

De raad van kapitein Hod werd gevolgd. Er vielen verscheidene geweerschoten, die door kreten van smart gevolgd werden.

Drie of vier olifanten, op de goede plek geraakt, waren gevallen, zoowel achter als terzijde,—een gelukkige omstandigheid, omdat hunne lijken nu den weg niet versperden. De eerste groepen waren een weinig achteruit gegaan en de trein kon zijn weg vervolgen.

»Laadt weder en wacht af!” riep kapitein Hod.

Indien wat hij kommandeerde »af te wachten” de aanval was der geheele kudde, dan werd hun geduld niet op de proef gesteld. Hij kwam en met zulk een geweld, dat we ons verloren waanden.

Een concert van woedende en schorre kreten barstte eensklaps los. Men zou gezegd hebben, dat het de olifanten waren, die de Hindoes door een bijzondere behandeling ten strijde africhten en tot een onkenbare woede, »musth” genaamd, weten op te hitsen. Niets vreeselijkers en de stoutmoedigste olifantendooders, die in Guicowar worden afgericht om tegen deze geduchte dieren te strijden, zouden voor de aanvallers van het Stoomhuis stellig teruggedeinsd zijn.

»Vooruit!” schreeuwde Banks.

»Vuur!” schreeuwde Hod.

En met het snellere zuchten der machine paarden zich de losbarstingen der vuurwapenen. Nu werd het in deze verwarde massa moeilijk juist te mikken, zooals de kapitein had aanbevolen. Iedere kogel vond wel een stuk vleesch te doorboren, maar hij trof niet doodelijk. Ook nam de woede der gekwetste olifanten nog toe en zij beantwoordden onze geweerschoten met nieuwe slagen [105]hunner slagtanden, die de wanden van het Stoomhuis aan flarden scheurden.

De olifanten waren om het Stoomhuis gelegerd. Blz. 98.

De olifanten waren om het Stoomhuis gelegerd. Blz. 98.

Intusschen voegde zich bij de losbarstingen der karabijnen, die [106]van voren en achter aan den trein werden afgeschoten, bij de ontploffing der springkogels in het lichaam der dieren, het gefluit van den stoom, vreeselijk verhit door de kunstmatige trekking. Steeds klom de drukking. De IJzeren Reus stormde op den hoop toe en dreef hem uit een. Terzelfder tijd deed zijn beweeglijke tromp dienst als een geduchte knods en sloeg op de vleeschmassa los, die door zijn slagtanden verscheurd werd.

En op die wijze ging men op den smallen weg vooruit. Een enkele maal draaiden de wielen rond zonder vooruit te gaan, maar weldra sloegen zij met hunne gegroefde vellingen weder in den weg en kwamen wij in de richting van het meer vooruit.

»Hoera!” schreeuwde dan kapitein Hod, als een soldaat, die zich in het dichtst van den strijd stortte.

»Hoera! hoera!” herhaalden we na hem.

Maar nu daalt een tromp op de voorveranda neder en ik zie het oogenblik aankomen, dat kolonel Munro, door den levenden lasso opgenomen, onder de pooten der olifanten geworpen wordt. En werkelijk zou dit gebeurd zijn, zonder de tusschenkomst van Kâlagani, die met een krachtigen bijlslag den tromp doorhakte.

Terwijl dus de Hindoe, met ijver aan de algemeene verdediging deelnam, verloor hij Sir Edward Munro niet uit het oog. Bij de toewijding aan den persoon van den kolonel, die zich nooit verloochend had, scheen hij te begrijpen, dat hij het was, dien men boven allen moest beschermen.

Nu eerst bleek het welk een macht onze IJzeren Reus in zijn schoot verborgen hield! Met welk een zekerheid hij zich een weg in de levende massa maakte als een wig waarvan het doordringingsvermogen om zoo te zeggen oneindig is! En daar tegelijkertijd de olifanten der achterhoede ons met den kop vooruitduwden, ging de trein zonder ophouden, zooal niet zonder schokken vooruit, en wel sneller dan wij het hadden kunnen hopen.

Eensklaps deed zich te midden van het ontzettende rumoer een nieuw geraas hooren.

Het was het tweede rijtuig, dat een groep olifanten tegen de rotsen van den weg verbrijzelde.

»Springt over! springt over!” riep Banks onzen makkers toe, die het Stoomhuis van achteren verdedigden.

En gelukkig waren Goûmi en sergeant Fox in allerijl van het tweede rijtuig in het eerste overgegaan.

»En Parazard?” zei kapitein Hod.

»Hij wil zijn keuken niet verlaten,” antwoordde Fox.

»Ontvoert hem! ontvoert hem!”

Onze kok dacht zeker dat het schande voor hem was den post te verlaten, die hem was toevertrouwd. Maar weerstand te bieden aan de krachtige armen van Goûmi, als deze armen zich aan het werk [107]zetten, zou even vruchteloos geweest zijn als zich te willen ontwringen aan de kaken van een kaaiman. »Mijnheer” Parazard werd dus eenvoudig in de eetzaal nedergezet.

»Allen present?” schreeuwde Banks.

»Ja, mijnheer,” antwoordde Goûmi.

»Snijdt de verbindingsstrengen door!”

»Wat! de helft van den trein achterlaten!....” riep kapitein Hod uit.

»Het moet!” antwoordde Banks.

Nadat de verbinding verbroken, het brugje met bijlslagen vernield was, bleef ons tweede rijtuig achter.

Het was tijd. Dit rijtuig werd heen en weer geslingerd, opgelicht, toen op zijde geworpen, waarna de olifanten er zich met hunne gansche zwaarte op wierpen en het eindelijk totaal verbrijzelden. Het was niets meer dan een vormlooze massa, die nu den weg van achteren versperde.

»Wat blieft je!” zei kapitein Hod, op een toon waarom we gelachen zouden hebben als de toestand anders geweest ware, »en nu zeggen ze nog, dat die dieren zelfs geen lievenheersbeestje kwaad zouden gedaan hebben!”

Indien die olifanten, woest geworden, het eerste rijtuig behandelden, zooals zij het tweede behandeld hadden, dan hadden we ons geen illusie te maken over het lot, dat ons wachtte.

»Stook op, Kâlouth!” schreeuwde de ingenieur.

Nog een halven kilometer, een laatste krachtsinspanning en het Puturiameer was misschien bereikt!

En die laatste krachtsinspanning, die men van den IJzeren Reus verwachtte, werd door het machtige dier door de hand van Storr verricht, die den regulateur geheel opende. Hij baande zich een weg door dat bolwerk van olifanten, waarvan de achtergestellen zich boven de massa afteekenden als die der paarden op de schilderijen van Salvator Rosa. Daarenboven vergenoegde hij zich niet hen met zijne slagtanden toe te takelen, hij overstelpte ze met stralen brandenden stoom, zooals hij de pelgrims van Phalgou gedaan had, hij zweepte ze met stroomen kokend water!... In een woord, hij was prachtig!

Eindelijk vertoonde zich het meer bij de laatste kromming van den weg.

Als onze trein het nu nog tien minuten kon uithouden, zou hij er betrekkelijk in zekerheid zijn.

De olifanten merkten dit zeker,—’t geen een bewijs was hunner schranderheid, waarvoor kapitein Hod partij had getrokken. Een laatste maal trachtten zij ons rijtuig omver te werpen.

Maar opnieuw donderden de vuurwapenen. Als hagel sloegen de kogels op de eerste groepen neder. Nauwlijks versperden nog vijf of zes olifanten den doorgang. De meesten vielen en de raderen knersten op den met bloed gedrenkten grond. [108]

Op honderd schreden van het meer verwijderd, moest men de dieren, die een laatsten hinderpaal in den weg stelden, met geweld wegduwen.

»Stoom! stoom!” riep Banks den machinist toe.

De IJzeren Reus snorde alsof hij een werkplaats mechanische garenwinders in zijn schoot verborgen droeg. De stoom spoot uit de veiligheidskleppen onder een drukking van acht atmosfeeren. Ze te belasten, met hoe weinig ook, zou den ketel, wiens wanden trilden, hebben doen springen. Het was gelukkig onnoodig. De kracht van den IJzeren Reus was nu onweerstaanbaar. Wat van den trein overbleef, sleepte hem na en verbrijzelde de ledematen der op den grond geworpen olifanten, op gevaar af zelf omver te vallen. Indien een dergelijk ongeluk gebeurd was, ware het met al de gasten van het Stoomhuis gedaan geweest.

Het ongeluk gebeurde evenwel niet, de oever van het meer werd eindelijk bereikt en de trein dreef weldra op de stille wateren.

»God zij geloofd!” zei kolonel Munro.

Twee of drie olifanten, verblind van woede, stortten zich mede in het meer en beproefden hen, die zij op vasten grond niet hadden kunnen vernietigen, te vervolgen.

Maar de pooten van den Reus volbrachten hunne taak. De trein verwijderde zich langzamerhand van den oever en eenige laatste, goed gerichte kogels verlosten ons van de woedende dieren op het oogenblik dat hunne trompen op de achterveranda zouden neder komen.

»Wel, kapitein,” riep Banks uit, »wat zeg je nu van de zachtaardigheid der Indische olifanten?”

»Nu, ’t zou wat!” zei kapitein Hod, »met verscheurende dieren zou ’t toch nog heel wat anders geweest zijn! Stel eens een dertigtal tijgers maar, in de plaats van die honderd dikhuiden en ’k mag mijn aanstelling verliezen, als er op dit oogenblik nog een van ons over was om het avontuur te vertellen!”

[Inhoud]

VIII.

Het Puturiameer.

Het meer Puturia, waarop het Stoomhuis voorloopig een schuilplaats gevonden had, is ongeveer veertig kilometers gelegen ten oosten van Dumoh. Deze stad, hoofdplaats van de Engelsche provincie waaraan zij haar naam gegeven heeft, neemt in bloei toe en [109]beheerscht met haar twaalf duizend inwoners, nog versterkt door een klein garnizoen, dit gevaarlijk gedeelte van Bundelkund. Maar buiten hare muren, vooral naar het oostelijk gedeelte van het land, [110]toe, in de meest onbebouwde streek der Vindhyas, waarvan het meer het middelpunt inneemt, doet haar invloed zich slechts moeielijk gevoelen.

Nadat het brugje met bijlslagen vernield was. Blz. 107.

Nadat het brugje met bijlslagen vernield was. Blz. 107.

Wat kon ons nu ook erger overkomen dan deze ontmoeting met olifanten, waaruit we ons heelhuids hadden gered?

Toch was onze toestand ver van geruststellend, daar het grootste gedeelte van ons materieel verloren was gegaan. Een der rijtuigen, die den trein van het Stoomhuis uitmaakten, was vernietigd. Er was geen middel het te »kalefateren,” om een zeeterm te gebruiken. Omver gevallen, tegen de rotsen verbrijzeld, moest er van zijn karkas, waarover de gansche massa olifanten had moeten heen gaan, niets dan vormlooze overblijfselen zijn overgebleven.

Ongelukkig bevatte dit rijtuig, behalve dat het diende om het personeel der expeditie te herbergen, niet alleen de keuken en de voorraadkamer, maar ook de bergplaats van het voedsel en de ammunitie. Van deze laatste bleef ons niets meer over dan een dozijn patronen, maar het was niet waarschijnlijk, dat we van onze vuurwapenen gebruik behoefden te maken, vóór onze aankomst te Jubbulpore.

Wat het voedsel betreft was het een andere vraag, die niet zoo gemakkelijk was op te lossen.

Inderdaad was er niets meer over dan de eetwaren der provisiekamer. Aannemende, dat wij den avond van den volgenden dag het nog zeventig mijlen verwijderde station konden bereiken, zouden wij ons vier en twintig uren van eten moeten onthouden.

Welnu, men zou zich ook dit getroosten!

Hij, die in deze omstandigheid het meest hiervan wist, was natuurlijk »mijnheer” Parazard. Het verlies van zijn provisiekamer, de verwoesting van zijn laboratorium, de verspreiding van al zijn voorraad, hadden hem tot in de ziel getroffen. Hij verborg zijn wanhoop niet en was slechts bezorgd over den persoonlijken toestand, waarin hij zich gebracht zag, terwijl hij de gevaren vergat, waaraan wij bijna wonderdadig ontsnapt waren.

Op het oogenblik dus dat wij, in het salon vereenigd, zouden gaan overwegen wat ons in deze omstandigheden te doen stond, verscheen de altijd deftige »mijnheer” Parazard op den drempel en verzocht »een mededeeling van het uiterste belang te doen.”

»Spreek, »mijnheer” Parazard,” antwoordde kolonel Munro hem, hem uitnoodigende binnen te treden.

»Mijne heeren,” zei onze zwarte chef ernstig, »het is u bekend dat het geheele materieel, door de tweede woning van het Stoomhuis medegevoerd, door deze ramp vernietigd is geworden! In het geval zelfs dat er eenige levensmiddelen voor ons overgebleven waren, zou ik uit gebrek aan een keuken, zeer in de verlegenheid geweest zijn, u een maaltijd te bereiden, hoe eenvoudig ook. [111]

»We weten het, »mijnheer” Parazard,” antwoordde kolonel Munro. »Dat is zeker te betreuren, maar we zullen doen zooals we kunnen, en we zullen vasten als er gevast moet worden.”

»Het is inderdaad dáárom nog te meer te bejammeren, mijneheeren,” hernam onze chef, »omdat op het gezicht van die groepen olifanten, die ons aantastten en waarvan er meer dan een onder uw moordend lood gevallen is....”

»Prachtig uitgedrukt, mijnheer Parazard!” zei kapitein Hod. »Met eenige lessen, zoudt u je al gauw even sierlijk kunnen uitdrukken, als onze vriend Matthias van Guitt.”

»Mijnheer” Parazard boog bij dit kompliment, dat hij zeer ernstig opnam, en ging na een zucht, op deze wijze verder:

»’k Zei dus, mijneheeren, dat mij een gelegenheid was aangeboden, eenig in haar soort, om mij te onderscheiden. Het vleesch van den olifant, is, wat men er zich ook van moge voorstellen, niet goed in al zijn deelen, waarvan eenige ontegenzeglijk hard en taai zijn; maar het schijnt dat de Schepper van alle dingen, in die vleeschmassa twee stukken heeft willen uitkiezen, van bijzondere hoedanigheid, waardig te verschijnen op de tafel van den onderkoning van Indië. Ik meen de tong van het dier, die buitengewoon smakelijk is, indien ze wordt toebereid volgens een recept, dat niemand anders dan ik kan klaarmaken en verder de pooten van den pachydermus....”

»Pachydermus?... wel, zeer goed, ofschoon proboscideër sierlijker is,” zei kapitein Hod, zijne goedkeuring met een gebaar te kennen gevende.

»....De pooten,” hernam »mijnheer” Parazard, »waarmede men een der beste schotels maakt in de edele kookkunst, waarvan ik de vertegenwoordiger ben in het Stoomhuis.”

»U doet ons watertanden, mijnheer Parazard,” antwoordde Banks. »Ongelukkig aan den eenen kant, gelukkig aan den anderen, hebben de olifanten ons niet op het meer gevolgd, en ik vrees maar al te zeer, dat we, althans voor eenigen tijd, die fijne schotels zullen moeten missen.”

»Zou ’t niet mogelijk zijn,” hernam de chef, even naar den oever terug te keeren, om ons te proviandeeren!”

»Dat is niet mogelijk, mijnheer Parazard. Hoe volmaakt uwe schotels ook zouden geweest zijn, zoo iets mogen we niet wagen.”

»Welnu, mijneheeren,” hernam onze chef, »ontvangt dan de uitdrukking van mijn innigen spijt, dien ik gevoel over dit betreurenswaardige avontuur.”

»We nemen gaarne uwe gevoelens van spijt aan, mijnheer Parazard,” hernam kolonel Munro, »en zeggen er u dank voor. Wat het diner en het déjeuner betreft, maak er u niet bezorgd over voor onze aankomst te Jubbulpore.” [112]

»Er blijft me dus niet anders over dan me te verwijderen,” zei »mijnheer” Parazard, zich buigende, zonder iets van zijn gewonen ernst te verliezen.

Wij zouden gaarne over de houding van onzen chef gelachen hebben, indien wij geen andere zorgen gehad hadden.

Er deed zich namelijk een omstandigheid op, die onzen toestand nog hachelijker maakte. Banks meldde ons, dat niet het gebrek aan levensmiddelen, noch aan ammunitie op dit oogenblik het meest te betreuren was, maar het gebrek aan brandstof. En werkelijk was hier niets vreemds in gelegen, want het was sedert acht en veertig uren niet mogelijk geweest het voor de voeding der machine noodige hout te vernieuwen. De geheele voorraad was bij onze aankomst aan het meer uitgeput. Een uur later zou het onmogelijk geweest zijn het te bereiken, en het eerste rijtuig van het Stoomhuis zou hetzelfde lot gedeeld hebben van het tweede.

»En nu,” voegde Banks er bij, »hebben we niets meer te verbranden, de drukking vermindert, ze is reeds tot twee atmosfeeren gedaald, en er is geen middel haar te verhoogen!”

»Is dan werkelijk de toestand zoo ernstig als u schijnt te meenen, Banks?” vroeg kolonel Munro.

»We zouden wel naar den oever kunnen terugkeeren, waarvan we niet ver meer af zijn,” antwoordde Banks. »Binnen een kwartier zouden we er zijn, maar ’t zou toch al te onvoorzichtig zijn naar de plek terug te keeren, waar de kudde olifanten ongetwijfeld nog vereenigd is. Neen, we moeten in tegendeel het meer oversteken en aan den zuidelijken oever een punt opzoeken waar we kunnen ontschepen.”

»Hoe groot is de breedte van het meer op deze plaats?” vroeg kolonel Munro.

»Kâlagani schat dezen afstand op zeven of acht mijlen ongeveer. In de omstandigheden waarin we ons nu bevinden, zouden we verscheidene uren noodig hebben dezen afstand af te leggen, maar ’k zeg nog eens, voordat er veertig minuten verloopen zijn, is de machine niet meer in staat te werken.”

»Welnu,” antwoordde Sir Edward Munro, »laten we gerust den nacht op het meer doorbrengen, we zijn er in zekerheid, dan kunnen we morgen raad schaffen.”

Er was op dit oogenblik niets beters te doen en we hadden overigens zeer rust noodig. Op de laatste rustplaats, omringd door dien kring van olifanten, had niemand in het Stoomhuis kunnen slapen en was dus de nacht wakende doorgebracht.

En zou ook dezen nacht de lang gewenschte rust genoten worden?

Eindelijk werd de oever van het meer bereikt. Blz. 108.

Eindelijk werd de oever van het meer bereikt. Blz. 108.

Tegen zeven uren begon een lichte mist zich over het meer te verspreiden. Men herinnert zich, dat den voorgaanden nacht reeds dikke nevelen de hoogere streken der lucht bezochten. Hier nu was een wijziging voorgevallen tengevolge van het verschil van plaats. [113]Mochten op de plaats waar de olifanten kampeerden deze dampen op eenige honderden voeten boven den grond zijn blijven hangen, dit was niet het geval op de oppervlakte van het Puturiameer, [114]dank zij de uitwaseming van het water. Na een vrij warmen dag, was er vermenging van de hooge en lage luchtlagen en weldra was het geheele meer in een mist verdwenen, niet dik in het begin, maar die toch elk oogenblik dikker werd.

Dit was dus, zooals Banks gezegd had, een van die omstandigheden waarvan rekening moest gehouden worden.

Zooals hij mede had aangekondigd, deden tegen half acht uur, de laatste zuchten van den IJzeren Reus zich hooren, de zuigerslagen werden minder snel, de gelede pooten hielden op het water te slaan, de drukking daalde beneden een atmosfeer. Geen brandstof meer en geen middel het zich te verschaffen.

De IJzeren Reus en het eenige rijtuig, dat hij nog op sleeptouw had, dreven vreedzaam op de wateren van het meer, doch verplaatsten zich niet meer.

In deze omstandigheden zou het te midden van den nevel moeielijk geweest zijn onze positie nauwkeurig te bepalen. Gedurende den korten tijd dat de machine gewerkt had, had de trein zich naar den zuidoostelijken oever van het meer gericht, teneinde er een punt van ontscheping op te zoeken. Daar nu het meer de gedaante van een vrij verlengd ovaal heeft, was het mogelijk, dat het Stoomhuis niet ver van den een of anderen oever verwijderd was.

Het spreekt van zelf, dat het geschreeuw der olifanten, dat ons omstreeks gedurende een uur vervolgd had, zich nu niet meer deed hooren.

Wij spraken dus over de verschillende mogelijkheden, die deze nieuwe toestand ons konde brengen. Banks liet Kâlagani roepen, dien hij wilde raadplegen.

De Hindoe verscheen dadelijk en werd verzocht zijne meening te zeggen.

Wij waren toen bijeen in de eetzaal, die, het licht van boven krijgende, geen zijdelingsche vensters had. Op deze wijze kon het licht der lampen niet naar buiten uitstralen. Dit was een nuttige voorzorg, want het was beter, dat de positie van het Stoomhuis onbekend bleef voor de zwervers, die misschien de oevers van het meer bezochten.

Het scheen mij toe dat Kâlagani in het eerst aarzelde de vragen, die hem gesteld werden, te beantwoorden. Het gold de bepaling van de positie, die de drijvende trein dat oogenblik op de wateren van het Puturiameer innam, en ik moet zeggen, dat het antwoord wel eenigszins moeielijk was. Misschien had een zwakke bries uit het noordwesten haren invloed op de massa van het Stoomhuis doen gelden? Misschien voerde een lichte strooming ons naar de onderste punt van het meer?

»Kom, Kâlagani,” zei Banks, aandringende, »je bent volkomen bekend met de uitgestrektheid van het Puturiameer?”

»Wel zeker, mijnheer,” antwoordde de Hindoe, »maar ’t is moeielijk, te midden van dien dikken mist.....” [115]

»Kunt ge bij benadering den afstand bepalen, waarop we ons op dit oogenblik van den dichtst bij zijnde oever bevinden?”

»Ja,” antwoordde de Hindoe, na eenigen tijd nagedacht te hebben. »Die afstand moet niet verder zijn dan een en een halve mijl.”

»Oostelijk?” vroeg Banks.

»Oostelijk.”

»Zoo we dus aan dezen oever aanlandden, zouden we dichter bij Jubbulpore dan bij Dumoh zijn?”

»Voorzeker.”

»We zouden ons dus te Jubbulpore moeten proviandeeren,” zei Banks. »Doch, wie weet wanneer en hoe we den oever zullen kunnen bereiken! Dat kan een, twee dagen duren en onze voorraad is uitgeput!”

»Maar,” zei Kâlagani, »zou men niet kunnen beproeven nog dezen zelfden nacht aan wal te komen?”

»En hoe?”

»Door zwemmende den oever te bereiken.”

»Anderhalve mijl, te midden van dien dikken mist!” antwoordde Banks. »Dat zou te gewaagd zijn....”

»Dat is geen reden om het niet te probeeren,” antwoordde de Hindoe.

Ik weet niet waarom, maar het kwam me op nieuw voor, dat de stem van Kâlagani niet zoo rond was als gewoonlijk.

»Zoudt ge willen beproeven het meer zwemmende over te steken?” vroeg kolonel Munro, die den Hindoe aandachtig gadesloeg.

»Ja, kolonel, en ’k heb alle reden te gelooven, dat het me zou gelukken.”

»Wel, mijn vriend,” hernam Banks, »je zoudt ons een grooten dienst daarmede bewijzen! Eenmaal aan wal, zou ’t je makkelijk vallen het station van Jubbulpore te bereiken en er de hulp te halen, die we noodig hebben.”

»’k Ben gereed om te vertrekken!” antwoordde Kâlagani eenvoudig.

Ik wachtte totdat kolonel Munro onzen gids bedankte, die zich aanbood om zulk een gevaarlijke taak te ondernemen; maar, na hem met nog meer aandacht te hebben aangekeken, riep hij Goûmi.

Goûmi verscheen dadelijk.

»Goûmi,” zeide Sir Edward Munro, »je kunt goed zwemmen?”

»Ja, kolonel.”

»Zou je kans zien om dezen nacht een anderhalve mijl op het meer zwemmende af te leggen?”

»Wel twee, kolonel.”

»Welnu,” hernam kolonel Munro, »Kâlagani hier biedt zich aan om zwemmende den naasten oever bij Jubbulpore te bereiken. Nu hebben, zoowel op het meer als in dit gedeelte van Bundelkund, twee schrandere en stoutmoedige mannen, die elkander hulp kunnen verleenen, meer kans op slagen.—Wil je Kâlagani vergezellen?” [116]

»Dadelijk, kolonel,” antwoordde Goûmi.

»’k Heb niemand noodig,” antwoordde Kâlagani, »maar als kolonel Munro er op staat, neem ik gaarne Goûmi als metgezel aan.

»Gaat dan, mijne vrienden,” zei Banks, »en laat je moed je niet tot onvoorzichtige stappen leiden!”

Nadat dit was afgesproken, gaf kolonel Munro, die Goûmi ter zijde nam, hem eenige korte aanbevelingen. Vijf minuten later, lieten de twee Hindoes, met een bundel kleeren op het hoofd, zich in het water van het meer glijden. De mist was toen zeer dik en eenige vademen ver waren zij reeds buiten het gezicht.

Ik vroeg toen kolonel Munro waarom hij er zoo op gesteld was geweest Kâlagani een metgezel mede te geven.

»Mijne vrienden,” antwoordde Sir Edward Munro, »de antwoorden van dezen Hindoe, wiens getrouwheid ik tot nog toe nooit betwijfeld had, kwamen me niet oprecht voor!”

»’k Heb denzelfden indruk gehad,” zei ik.

»Wat mij betreft, ik heb niets opgemerkt...” zei de ingenieur.

»Hoor eens, Banks,” hernam kolonel Munro. »Toen hij zich aanbood aan land te gaan, had Kâlagani daar eenig doel mede.”

»Welk?”

»’k Weet het niet, maar stellig had hij met zijn vraag om naar den wal te gaan, het doel niet hulp te Jubbulpore te gaan vragen!”

»Wat zeg je!” riep kapitein Hod uit.

Banks keek den kolonel aan, de wenkbrauwen fronsende. Vervolgens zei hij:

»Munro, tot nog toe heeft die Hindoe zich zeer welwillend en getrouw betoond en meer bijzonder jegens u! Heden beweer je, dat Kâlagani ons verraadt! Welk bewijs heb je er voor?”

»Terwijl Kâlagani sprak,” antwoordde kolonel Munro, »heb ik gezien, dat zijn huid zwart werd, en als de menschen met koperkleurige huid zwart worden, liegen ze! Twintigmaal heb ik daardoor Hindoes en Bengalis kunnen ontmaskeren en nooit heb ik me er bedrogen in gezien. ’k Zeg dus nog eens dat Kâlagani, niettegenstaande de schijn vóór hem is, de waarheid niet gezegd heeft.”

Deze opmerking van Sir Edward Munro was,—’k heb er mij dikwijls van overtuigd,—werkelijk gegrond.

Wanneer de Hindoes liegen, worden zij een weinig zwart, even als de blanken rood worden. Dit verschijnsel had den scherpzinnigen kolonel niet kunnen ontgaan en men moest zijn opmerking niet in den wind slaan.

»Maar welke plannen zou die Kâlagani dan toch hebben,” vroeg Banks, »en waarom zou hij ons verraden?”

»Dat zullen we later weten...” antwoordde kolonel Munro, »te laat misschien!” [117]

Eenige vademen ver waren zij reeds uit het gezicht. Blz. 116.

Eenige vademen ver waren zij reeds uit het gezicht. Blz. 116.

»Te laat, kolonel!” riep kapitein Hod uit! »Wel, we verkeeren toch niet in gevaar, verbeeld ik me!”

»In alle geval, Munro,” hernam de ingenieur, »heb je goed gehandeld [118]hem Goûmi mede te geven. Die toch is ons getrouw tot in den dood. Behendig, schrander, zal hij, zoo hij eenig gevaar vermoedt, weten....”

»Zooveel te meer,” antwoordde kolonel Munro, »nu hij gewaarschuwd is en zijn metgezel in ’t oog zal houden.”

»Goed,” zei Banks. »Nu hebben we niets anders te doen dan den dag af te wachten. De mist zal zeker met de zon wel optrekken en dan kunnen we zien, wat we doen zullen.”

Wachten, inderdaad! Ook deze nacht zou dus geheel slapeloos worden doorgebracht.

De mist was wel dikker geworden, maar niets voorspelde slecht weder. En dat was gelukkig, want al kon onze trein drijven, hij was niet gemaakt om »zee te bouwen!” We moesten dus hopen, dat al die blaasjes damp zich bij het opgaan der zon zouden verdichten, wat voor den volgenden dag prachtig weer zou beloven.

Terwijl ons personeel dus in de eetzaal plaatsnam, vleiden wij ons op de divans van het salon neder, weinig pratende, maar het oor leenende aan al de geruchten van buiten.

Eensklaps, tegen twee uren na middernacht, verstoorde een concert van wilde dieren de stilte van den nacht.

Daar was dus de oever, in de richting van het zuidoosten, maar hij moest nog vrij ver af zijn. Dit gehuil was nog zeer verzwakt door den afstand, en Banks schatte dezen afstand op niet minder dan een goede mijl. Een troep wilde beesten was zeker hun dorst komen lesschen aan de uiterste punt van het meer.

Maar weldra ook bleek het, dat onder den invloed eener lichte bries, de drijvende trein langzaam en gestadig naar den oever afdreef. Werkelijk kwamen die kreten niet alleen duidelijk tot ons gehoor, maar men onderscheidde reeds het statige gebrul van den tijger van het schorre gehuil der panters.

»Sakkerloot!” kon kapitein Hod niet nalaten te zeggen, »wat een prachtige gelegenheid om daar zijn vijftigsten te dooden!”

»Een anderen keer, kapitein!” antwoordde Banks. »Als de dag aanbreekt, zal, op het oogenblik dat we aanlanden, die troep wilde dieren wel plaats voor ons gemaakt hebben!”

»Zou er iets tegen zijn,” vroeg ik, »de electrische vuren te ontsteken?”

»Me dunkt, niet,” antwoordde Banks. »Dit gedeelte van den oever wordt zeer waarschijnlijk slechts bezocht door dieren, die willen drinken. Er is dus geen reden om niet te beproeven het te verkennen.”

En op bevel van Banks werden twee lichtbundels in de richting van het zuidoosten uitgeworpen. Maar het electrische licht, niet bij machte den dikken nevel te doorboren, kon slechts een klein eind voor het Stoomhuis verlichten, zoodat de oever volkomen voor onze blikken verborgen bleef. [119]

Intusschen nam de hevigheid van het gehuil allengs toe, waaruit bleek dat de trein voortging op de oppervlakte van het meer af te drijven. Zeker moesten de op die plaats verzamelde dieren zeer talrijk zijn, en dit was ook niet te verwonderen, omdat het Puturiameer voor de wilde beesten van dit gedeelte van Bundelkund tot een natuurlijke drinkplaats diende.

»Als Goûmi en Kâlagani maar niet te midden van den troep verzeild zijn!” zei kapitein Hod.

»De tijgers vrees ik niet voor Goûmi!” antwoordde kolonel Munro.

Toen eenmaal de vermoedens in het hart van den kolonel waren wakker geschud, was er geen houden meer aan en wat mij betreft, ik begon ze te deelen. En toch de goede diensten van Kâlagani sedert onze komst in het Himalayagebergte, zijne onbetwistbare verdiensten, zijne toewijding in de twee omstandigheden waarbij hij zijn leven voor Sir Edward Munro en kapitein Hod gewaagd had, alles getuigde in zijn voordeel. Maar, als eenmaal de geest zich door kwade vermoedens laat medesleepen, neemt de waarde der vroeger gebeurde feiten af en veranderen zij van voorkomen, men vergeet het verledene, men vreest de toekomst.

En toch, welke drijfveer bewoog dien Hindoe om ons te verraden? Had hij redenen van persoonlijken haat tegen de gasten van het Stoomhuis? Voorzeker niet! Waarom ze dan in een hinderlaag gelokt? ’t Was onverklaarbaar. Iedereen gaf zich dus aan zeer duistere gedachten over en met ongeduld wachtten wij de ontknooping van dezen toestand af.

Tegen vier uren van den ochtend hielden de dieren plotseling met hun gehuil op en hetgeen ons allen trof, was, dat zij zich niet langzamerhand schenen verwijderd te hebben, het een na het ander, na een laatste teug een laatst gehuil doende hooren. Neen, het was oogenblikkelijk. Men zou gezegd hebben, dat een onvoorziene omstandigheid ze in hun bezigheid gestoord had en ze op de vlucht had gedreven. Blijkbaar zochten ze hunne holen weder op, niet als dieren, die ze rustig weder betreden, maar als dieren, die op de vlucht gaan.

De stilte was dus zonder overgang op al dat leven gevolgd. Het was een feit waarvan de oorzaak ons nog niet helder was, maar dat onze ongerustheid nog slechts deed toenemen.

Uit voorzichtigheid deed Banks de lichten uitdooven. Mochten de dieren op de vlucht zijn gegaan voor een bende landloopers, die Bundelkund en de Vindhyas bezoeken, dan moest men zorgvuldig de tegenwoordigheid van het Stoomhuis verborgen houden.

De stilte werd nu niet eens meer gestoord door het lichte gekabbel der golfjes. De bries was gaan liggen. Het was onmogelijk te weten of de trein onder den invloed van een stroom bleef afdrijven. Maar spoedig zou nu de dag aanbreken, die ongetwijfeld [120]de nevelen zou verdrijven, welke slechts de onderste lagen van den dampkring innamen.

Ik keek op mijn horloge. Het was vijf uren en zonder den mist, zou de dageraad den gezichtskring reeds tot een omtrek van eenige mijlen verwijd hebben. De oever zou dus in het gezicht geweest zijn, maar de nevelsluier scheurde niet vaneen en—men moest nog geduld hebben.

Kolonel Munro, Mac Neil en ik, voor in het salon, Fox, Kâlouth en »mijnheer” Parazard, achter in de eetzaal, Banks en Storr in het torentje, kapitein Hod op den rug van het reusachtige dier, bij de tromp, als een matroos op den uitkijk voor in een schip, we wachtten allen totdat een onzer de kreet deed hooren van: land!

Tegen zes uren stak er een kleine bries op, nauwlijks voelbaar, maar ze wakkerde weldra aan. De eerste zonnestralen doorboorden den nevel en de horizont lag voor onze blikken open.

De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Hij vormde aan het uiteinde van het meer een soort van scherpen inham, zeer boschrijk op den achtergrond. De dampen stegen langzamerhand op en lieten in de verte een rij bergen zien, welker toppen zich snel tegen de lucht afteekenden.

»Land!” had kapitein Hod geroepen.

De drijvende trein bevond zich toen nog slechts op twee honderd meters van den achtergrond der kreek van het Puturiameer en hij dreef af, voortgestuwd door de bries, die uit het noordwesten woei.

Niets was er op dezen oever te zien, noch dier, noch menschelijk wezen. Hij scheen volkomen verlaten te zijn. Geen woning overigens, geen landhoeve onder het dichte gebladerte der eerste boomen. Men scheen dus zonder gevaar te kunnen landen.

Met den wind van achteren ging de landing gemakkelijk op den platten, zandigen oever. Doch, uit gebrek aan stoom, was het niet mogelijk er tegen op te komen, noch ons vooruit te begeven op een weg, die, na de richting door het kompas aangegeven, geraadpleegd te hebben, de weg naar Jubbulpore moest zijn.

Zonder een oogenblik te verliezen, hadden wij kapitein Hod gevolgd, die het eerst op den oever gesprongen was.

Nu, dadelijk aan het verzamelen van brandstof! »Binnen een uur,” riep Banks, »zijn we onder stoom en op weg!”

De oogst was gemakkelijk. Overal op den grond was hout in overvloed verspreid, en het was droog genoeg om onmiddellijk gebruikt te worden. Het was dus meer dan genoeg om er den vuurhaard mede te vullen en er den tender mede vol te laden.

Twee lichtbundels werden uitgeworpen. Blz. 118.

Twee lichtbundels werden uitgeworpen. Blz. 118.

Iedereen ging aan het werk. Kâlouth alleen bleef voor zijn stoomketel, terwijl wij voor vier en twintig uren brandstof inzamelden. Het was meer dan genoeg om het station van Jubbulpore te bereiken, waar steenkool ons niet zou ontbreken. Wat het voedsel [121]betreft, waaraan de behoefte zich deed gevoelen, welnu!—het was immers den jagers der expeditie niet verboden er onderweg in te voorzien. »Mijnheer” Parazard zou gebruik maken van het vuur [122]van Kâlouth en we zouden zoo goed mogelijk onzen honger stillen.

Drie uren later had de stoom de noodige drukking, de IJzeren Reus stelde zich in beweging, klom tegen de helling van den oever op en bevond zich aan den ingang van den weg.

»Naar Jubbulpore!” riep Banks.

Maar Storr had den tijd niet gehad den regulator half om te draaien of woeste kreten deden zich aan den zoom van het bosch hooren. Een bende van minstens honderd vijftig Hindoes stortte zich op het Stoomhuis. Het torentje van den IJzeren Reus, het rijtuig, van voren en van achteren, werden overmeesterd, voordat wij den tijd gehad hadden tot ons zelve te komen!

Bijna onmiddellijk voerden de Hindoes ons tot op vijftig schreden van den trein mede en werden wij in de onmogelijkheid gesteld te vluchten!

Men stelle zich onzen toorn, onze woede voor bij het tooneel van verwoesting en plundering, dat nu volgde. De Hindoes bestormden met de bijl in de hand het Stoomhuis. Alles werd geplunderd, verwoest, vernietigd. Van het ameublement bleef weldra niets meer over! Toen voltooide het vuur het werk der verwoesting en binnen eenige minuten was alles wat van ons laatste rijtuig overbleef, door de vlammen vernield!

»Die deugnieten, die schoeljes!” schreeuwde kapitein Hod, dien verscheidene Hindoes moeite hadden te bedwingen.

Maar, zooals ons, bleven ook hem slechts nuttelooze beleedigingen over, welke die Hindoes niet eens schenen te begrijpen. En, om hun, die ons bewaakten, te ontkomen, daar was geen denken aan.

De laatste vlammen waren uitgedoofd en weldra bleef er niets meer over dan het vormlooze geraamte van de rollende pagode, die de helft van het schiereiland had afgelegd!

Vervolgens hadden de Hindoes zich op onzen IJzeren Reus geworpen. Ook hem wilden ze vernielen, maar daartoe waren zij onmachtig. Noch de bijl, noch het vuur vermochten iets tegen het dikke harnas van plaatijzer, dat het lichaam van den kunstmatigen olifant vormde, noch tegen de machine, die hij in zich droeg. Niettegenstaande al hunne pogingen, bleef hij ongedeerd, tot verrukking van kapitein Hod, die hoera’s van pleizier en van woede te gelijk uitbracht.

Op dit oogenblik kwam er een man te voorschijn. Hij moest het opperhoofd dezer Hindoes zijn.

De geheele bende schaarde zich dadelijk om hem heen.

Een andere man vergezelde hem. Alles werd duidelijk. Die man was onze gids, het was Kâlagani.

Van Goûmi geen spoor. De getrouwe was verdwenen, de verrader was overgebleven. Ongetwijfeld hadden de trouw en opoffering [123]van onzen braven dienaar hem het leven gekost en zouden wij hem niet terugzien! Kâlagani liep op kolonel Munro toe en koel, zonder de oogen neer te slaan, zeide hij, op hem wijzende:

»Deze!”

Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept, en hij verdween te midden der bende, die den weg naar het zuiden weder insloeg, zonder ons nog voor de laatste maal de hand te hebben kunnen drukken, noch ons een laatst vaarwel te hebben kunnen toeroepen!

Kapitein Hod, Banks, de sergeant, Fox, allen, we hadden hem zoo gaarne aan die Hindoes willen ontrukken, maar vijftig armen hielden ons aan den grond gekluisterd en ééne beweging meer was voldoende om ons het leven te benemen.

»Geen wederstand!” zeide Banks.

De ingenieur had gelijk. Wij vermochten op dit oogenblik niets om kolonel Munro te verlossen. Beter was het dus zich in te houden met het oog op latere gebeurtenissen.

Een kwartier later, verlieten de Hindoes ons op hunne beurt en volgden de sporen van de eerste bende. Hen te volgen zou een ramp teweeggebracht hebben, zonder eenig voordeel voor kolonel Munro op te leveren en toch was onze eerste opwelling hem te volgen...

»Geen stap verder,” zei Banks.

Men gehoorzaamde hem.

Het was dan ten slotte wel degelijk kolonel Munro en hem alleen dien deze Hindoes, door Kâlagani gewaarschuwd, op het oog hadden. Wat was het plan van dezen verrader? Hij handelde blijkbaar niet op eigen gezag. Maar wien gehoorzaamde hij dan?... Daar kwam plotseling de naam van Nana-Sahib bij mij op!...


Hier houdt het handschrift op, door Maucler bezorgd. De jonge Franschman zou niets meer zien van de gebeurtenissen, die de ontknooping van dit treurspel zouden verhaasten. Doch deze gebeurtenissen zijn later bekend geworden en, vereenigd onder den vorm van een verhaal, voltooien zij de beschrijving van deze reis door Noord-Indië. [124]

[Inhoud]

IX.

Van aangezicht tot aangezicht.

De Thugs, bloediger gedachtenis, waarvan Hindostan verlost schijnt te zijn, hebben evenwel opvolgers nagelaten hunner waardig. Het zijn de Dacoits, een soort van Thugs in een andere gedaante. De wijze van executie dezer boosdoeners is veranderd, het doel der moordenaars moge niet meer hetzelfde zijn, het resultaat is het wel: het is de moord met voorbedachten rade.

Er wordt nu niet meer, zooals vroeger, een slachtoffer aan de wreede Kâli, de godin van den dood aangeboden. Deze nieuwe dweepers gaan nu niet meer door worging te werk, zij vergiftigen om te stelen. Op de worgers zijn meer praktische, doch even geduchte misdadigers gevolgd.

De Dacoits, die in zekere streken van het schiereiland afzonderlijke benden vormen, nemen alles op wat de Engelsch-Indische rechtspleging aan moordenaars door de mazen van haar net doet ontsnappen. Zij zwerven dag en nacht langs de groote wegen, vooral in de meest afgelegen woeste streken en men weet, dat in Bundelkund de geschiktste plaatsen gevonden worden voor zulke tooneelen van geweld en plundering. Niet zelden vereenigen deze bandieten zich in grooten getale om een afgelegen dorp aan te tasten. Het eenige wat dan voor die bevolking overblijft, is de vlucht te nemen, maar de pijniging met al hare verfijnde wreedheden, wacht hen, die in de handen der Dacoits achterblijven. Onder hen zijn de overleveringen in zwang gebleven van de voetschroeiers uit het verre westen. Volgens Louis Rousselet overtreffen de »listen dier ellendigen, de wijze waarop zij te werk gaan, alles wat ooit in het meest fantastische brein eens romanschrijvers is opgekomen!”

En het was nu in handen van zulk een bende Dacoits, door Kâlagani overgehaald, dat kolonel Munro gevallen was. Voordat hij tijd gehad had tot bezinning te komen, gewelddadig van zijne metgezellen gescheiden, was hij op den weg naar Jubbulpore medegevoerd.

Het gedrag van Kâlagani was van den dag af aan, dat hij met de bewoners van het Stoomhuis betrekkingen had aangeknoopt, slechts dat van een verrader geweest. Nana Sahib was de man geweest, die hem had afgezonden, hij alleen had hem uitgekozen om zijn wraak voor te bereiden.

De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Blz. 120.

De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Blz. 120.

Men herinnert zich, dat de nabob den 24n Mei ll., te Bhopal, gedurende de laatste feesten van Moharum, die hij de stoutmoedigheid gehad had bij te wonen, het vertrek van Sir Edward Munro [125]naar de noordelijke provinciën van Indië vernomen had. Op zijn bevel had Kâlagani, een der aan zijne zaak en zijn persoon innig verknochte Hindoes, Bhopal verlaten. Den kolonel op het spoor [126]te komen, hem weder te vinden, hem te volgen, hem niet meer uit het oog te verliezen, zijn leven, als het moest, te wagen om zich in de omgeving te doen aannemen van den onverzoenbaren vijand van Nana Sahib, dat was zijn zending.

Kâlagani was onmiddellijk vertrokken in de richting van de noordelijke streken. Te Cawnpore had hij den trein van het Stoomhuis kunnen achterhalen. Sedert dat oogenblik had hij, zonder zich ooit te laten zien, naar gelegenheden gezocht, die zich niet voordeden. Toen kolonel Munro en zijne metgezellen zich in het sanitarium van het Himalayagebergte vestigden, besloot hij in dienst te treden van Matthias van Guitt.

Het instinct van Kâlagani zeide hem, dat tusschen de kraal en het Stoomhuis noodzakelijk bijna dagelijksche betrekkingen zouden aangeknoopt worden. Dit was ook werkelijk het geval en van den eersten dag af aan was hij zoo gelukkig, niet alleen dat de aandacht van kolonel Munro op hem viel, maar ook, dat hij zich het recht op zijne dankbaarheid verwierf.

Hij was dus door het ergste heen. Men weet het overige. De Hindoe kwam dikwijls het Stoomhuis bezoeken. Hij werd op de hoogte van de latere plannen zijner meesters gebracht, hij was bekend met den reisweg, dien Banks zich voorstelde te volgen en van dat oogenblik af aan beheerschte een enkel denkbeeld al zijne daden: zich te doen aannemen als gids der expeditie, als deze naar het zuiden zou afzakken.

Ter bereiking van dit doel, verzuimde Kâlagani niets. Hij aarzelde niet alleen niet het leven van anderen te wagen, maar ook het zijne. In welke omstandigheden? Men heeft het nog niet vergeten.

De gedachte toch was bij hem opgekomen dat, indien hij de expeditie dadelijk na het begin der reis vergezelde en onderwijl in dienst van Matthias van Guitt bleef, dit alle verdenking zou verijdelen en kolonel Munro misschien aanleiding zou geven hem aan te bieden wat hij juist wilde verkrijgen.

Doch, om daartoe te geraken, moest de leverancier, van zijne buffelbespanningen beroofd, in de noodzakelijkheid gebracht worden de hulp van den IJzeren Reus in te roepen. Van daar dien aanval der wilde dieren,—een onverwachte aanval, weliswaar,—maar waarvan Kâlagani partij wist te trekken. Op gevaar af een groot onheil te doen ontstaan, ontzag hij zich niet, ongemerkt de slagboomen, die de deur der kraal gesloten hielden, te verwijderen. De tijgers, de panters, snelden nu binnen de omheining, de buffels werden verspreid of vernietigd, verscheidene Hindoes bezweken, maar het plan van Kâlagani was gelukt. Matthias van Guitt zou nu wel genoodzaakt zijn zijn toevlucht te zoeken bij kolonel Munro, teneinde met zijn rollende menagerie Bombay te bereiken.

En inderdaad, in deze bijna verlaten streek van het Himalayagebergte [127]zijne bespanningen te vernieuwen, zou moeielijk geweest zijn. In alle geval was het Kâlagani, die zich voor rekening van den leverancier met deze zaak belastte. Het spreekt van zelf, dat hij hierin niet slaagde en zoo geschiedde het, dat Matthias van Guitt, door den IJzeren Reus op sleeptouw genomen, met zijn geheele personeel tot het station Etawah afdaalde.

Daar zou de spoorweg het materieel der menagerie verder vervoeren. De chikaris werden dus afgedankt en Kâlagani, wiens diensten mede vervielen, zou hun lot deelen. Toen zat hij er zeer over in, wat er verder van hem worden zou. Banks liep er in. Het kwam bij hem op, dat die schrandere en trouwe Hindoe, zoo door en door bekend met dit gedeelte van Indië, wezenlijke diensten zou kunnen bewijzen. Hij bood hem dus aan tot Bombay hun gids te zijn, en van dien dag af aan lag het lot der expeditie in de handen van Kâlagani.

Wie zou in dien Hindoe, altijd gereed zijn leven te wagen, een verrader gezocht hebben.

Een oogenblik had Kâlagani zich bijna verraden. Dit was, toen Banks hem over den dood van Nana Sahib sprak. Het was hem onmogelijk zijn twijfel te verbergen en hij schudde het hoofd als iemand, die er niet aan kon gelooven. Maar zou dit niet met elken Hindoe het geval zijn geweest, voor wien de nabob een van die bovennatuurlijke wezens was, dien de dood niet kon bereiken!

Kreeg Kâlagani hieromtrent de bevestiging dezer tijding, toen,—het was geen toeval,—hij een zijner oude metgezellen in de karavaan der Banjaris ontmoette? Men weet het niet, maar men mag veronderstellen, dat hij nauwkeurig op de hoogte was, waaraan zich te houden.

Hoe het zij, de verrader verloor geen oogenblik zijne verfoeielijke plannen uit het oog, alsof hij de ondernemingen van den nabob voor zijn rekening had willen ten uitvoer brengen.

Daarom zette het Stoomhuis zijn weg door de bergpassen der Vindhyas voort en na de vermelde avonturen kwamen de reizigers aan de oevers van het Puturiameer aan, waar men een schuilplaats moest zoeken.

Toen Kâlagani daar den drijvenden trein wilde verlaten, onder voorwendsel zich naar Jubbulpore te begeven, liet hij zich doorgronden. Hoezeer hij zich zelven ook kon beheerschen, had een eenvoudig physiologisch verschijnsel, dat niet aan de scherpzinnigheid van den kolonel kon ontsnappen, hem verdacht gemaakt en men weet nu, dat het wantrouwen van Sir Edward Munro maar al te zeer gerechtvaardigd was.

Men liet hem vertrekken, maar gaf hem Goûmi mede. Beiden stortten zich in het meer en hadden een uur later den zuidoostelijken oever bereikt.

Nu vervolgden zij in dien donkeren nacht te zamen hun weg, [128]de een den ander wantrouwende, deze niet wetende, dat hij gewantrouwd werd. Het voordeel was dus toen aan de zijde van Goûmi, dezen tweeden Mac Neil van kolonel Munro.

Gedurende drie uren bewandelden de twee Hindoes op die wijze den grooten weg, die de zuidelijke ketens der Vindhyas doorkruist om uit te komen aan het station van Jubbulpore. De mist was veel minder dik in het open veld dan op het meer. Goûmi hield steeds een wakend oog op zijn metgezel gevestigd. Hij droeg een flink mes in zijn gordel en, vrij driftig van aard had hij zich voorgekomen om bij de eerste verdachte beweging zich op Kâlagani te werpen en hem buiten staat te stellen zijne kwade voornemens in praktijk te brengen.

Ongelukkig had de getrouwe Hindoe den tijd niet om te doen zooals hij hoopte.

De nacht was, zonder maan, zeer duister. Op twintig passen afstand was geen loopend mensch te onderscheiden.

Daar liet zich, aan een der krommingen van den weg gekomen, eensklaps een stem hooren, Kâlagani roepende.

»Ja, Nassim!” antwoordde de Hindoe.

En op hetzelfde oogenblik weerklonk links van den weg een scherpe, zeer vreemde kreet.

Deze kreet was de »kisri” van de woeste stammen van Gondwana, dien Goûmi wel kende!

Goûmi stond verbaasd en kon niet handelen. En wat had hij ook, al was Kâlagani dood, kunnen uitvoeren tegen een geheele bende Hindoes, voor wie deze kreet tot wachtwoord moest strekken. Een voorgevoel gaf hem in op de vlucht te gaan, teneinde te beproeven zijne metgezellen te waarschuwen. Ja! trachten vrij te blijven, daarna naar het meer terugkeeren en beproeven zwemmende den IJzeren Reus te bereiken om hem te beletten aan wal te gaan, er was op dat oogenblik niets anders te doen.

Goûmi aarzelde niet. Op het oogenblik dat Kâlagani zich bij den Nassim vervoegde, die hem geantwoord had, sprong hij op zijde en verdween in de jungles, die den weg bezoomden.

En toen Kâlagani met zijn medeplichtige terugkwam, om zich van den metgezel te ontdoen, hem door kolonel opgedrongen, was Goûmi er niet meer.

Nassim was het opperhoofd van een bende Dacoits, de zaak van Nana Sahib toegedaan. Toen hij de verdwijning van Goûmi vernam, liet hij zijne lieden de jungles doorzoeken. Tot elken prijs wilde hij zich weder meester maken van den stoutmoedigen dienaar, die zooeven ontsnapt was.

De nasporingen waren vruchteloos. Goûmi had zich òf door de duisternis begunstigd òf door zich in een of ander hol te verschuilen, uit de voeten kunnen maken en men moest het zoeken opgeven.

Maar wat hadden ook die Dacoits van Goûmi te vreezen, van [129]Goûmi, aan zich zelven overgeleverd te midden van dat woeste land, drie uren gaans reeds van het Puturiameer verwijderd, dat hij, hoe groot zijn spoed ook was, niet vóór hen zou kunnen bereiken?

Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept. Blz. 122.

Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept. Blz. 122.

[130]

Kâlagani berustte er dan ook in. Hij beraadslaagde een oogenblik met het opperhoofd der Dacoits, die zijne bevelen scheen af te wachten. Daarna sloegen allen denzelfden weg weder in en liepen met groote schreden in de richting van het meer.

En waarom had nu deze troep de bergpassen der Vindhyas verlaten, waar zij sedert eenigen tijd kampeerden? Eenvoudig omdat Kâlagani de aanstaande komst van kolonel Munro in de omstreken van het Puturiameer had kunnen boodschappen. Door wien? Door dien Hindoe, die niemand anders was dan Nassim en die deel uitmaakte van de karavaan der Banjaris. Aan wien? Aan hem, wiens hand den geheelen aanslag in het duister leidde!

Want, wat reeds voorgevallen was en toen nog voorviel, was het resultaat van een vooraf beraamd plan, dat kolonel Munro en zijne metgezellen niet konden verijdelen. Daarom konden op het oogenblik dat de trein aan de zuidelijke punt van het meer aanlandde, de Dacoits hem onder de bevelen van Nassim en van Kâlagani aanvallen.

Maar men had het op kolonel Munro gemunt, op hem alleen. Zijne metgezellen, aan hun lot overgelaten en wier laatste huis vernield was, waren niet meer te vreezen. Hij werd dus medegevoerd, en te zeven uur ’s morgens, was hij reeds een afstand van zes mijlen van het Puturiameer verwijderd.

Dat Sir Edward Munro door Kâlagani naar het station van Jubbulpore zou geleid worden, was niet aan te nemen. Hij zeide dan ook bij zich zelven, dat hij de streek der Vindhyas niet zou verlaten en dat, eenmaal in de macht zijner vijanden, hij er misschien nooit uit zou geraken.

Evenwel had de moedige man niets van zijn koelbloedigheid verloren. Hij hield zich te midden van die woeste Hindoes op elke gebeurtenis voorbereid. Hij deed zelfs alsof hij Kâlagani niet opmerkte. De verrader had zich aan het hoofd van den troep gesteld en hij was er inderdaad het hoofd van. Vluchten was niet mogelijk. Hoewel niet geboeid, zag kolonel Munro noch voor, noch achter, noch op de flanken van zijn geleide, een enkele opening, die hem een doortocht had kunnen verleenen. Trouwens zou hij ook onmiddellijk weder gevat zijn.

Hij dacht dus na over de gevolgen van zijn toestand. Moest hij gelooven, dat Nana Sahib de hand in dit alles had? Neen, hij dacht niet anders of de nabob was wel werkelijk dood. Maar had niet een vriend of bloedverwant van het oude opperhoofd der opstandelingen, Balao Rao misschien, besloten zijn haat te koelen, door deze wraak te volvoeren, waaraan zijn broeder zijn leven gewijd had? Sir Edward Munro vermoedde een streek van dezen aard.

Terzelfdertijd dacht hij aan den ongelukkigen Goûmi, die geen gevangene der Dacoits was. Had hij kunnen ontsnappen? het was [131]mogelijk. Was hij niet dadelijk bezweken? het was waarschijnlijker. Kon men op zijn hulp rekenen, in geval hij zich gezond en wel bevond? het was moeielijk.

Indien Goûmi toch eerst naar het station van Jubbulpore had gemeend te moeten gaan om er hulp te zoeken, zou hij te laat komen.

Indien hij daarentegen zich bij Banks en zijne metgezellen aan de zuidelijke punt van het meer was gaan vervoegen, wat zouden zij beginnen bijna geheel van ammunitie ontbloot? Zouden zij den weg naar Jubbulpore inslaan?... Maar, voordat zij hem hadden kunnen bereiken, zou de gevangene reeds naar een ontoegankelijken schuilhoek der Vindhyas gevankelijk zijn weggevoerd!

Van deze zijde dus geen straal hoop!

Kolonel Munro zag zijn toestand koelbloedig in. Hij wanhoopte niet, want hij was geen man om zich te laten neerslaan, maar hij zag de dingen liever in de werkelijkheid, inplaats van zich over te geven aan een illusie, onwaardig een geest dien niets kon ontstellen.

Intusschen ging de troep met groote snelheid voorwaarts. Blijkbaar wilden Nassim en Kâlagani vóór het ondergaan der zon een voorafbepaald rendez-vous bereiken, waar het lot van den kolonel zou beslist worden. Niet alleen de verrader had haast, maar ook Sir Edward Munro was niet minder gejaagd er een eind aan te maken en ongeduldig te weten, welk het einde was dat hem wachtte.

Een enkele maal, tegen twaalf uren, liet Kâlagani gedurende een half uur halt houden. De Dacoits waren van levensmiddelen voorzien en aten aan den rand eener kleine beek.

Een weinig brood en gedroogd vleesch werd ter beschikking van den kolonel gesteld, die niet weigerde er iets van te gebruiken. Sedert den vorigen dag had hij niets genomen en hij gunde zijnen vijanden het genoegen niet hem in het laatste oogenblik lichamelijk te zien verzwakken.

Op dit oogenblik had men bij dezen geforceerden marsch ongeveer zestien mijlen afgelegd. Op bevel van Kâlagani, ging men weder op weg, steeds in de richting van Jubbulpore.

Eerst ten vijf ure ’s avonds, verliet de bende der Dacoits den grooten weg, om links een zijpad in te slaan. Mocht dus kolonel Munro nog een schijn van hoop bewaard hebben, zoolang hij den grooten weg bleef houden, toen begreep hij, dat hij zich in de hand van God bevond.

Een kwartier later trokken Kâlagani en de zijnen door een nauwen bergpas, die de uiterste grens vormde van de vallei der Nerbudda, naar het meest woeste gedeelte van Bundelkund toe.

De plaats was gelegen op drie honderd vijftig kilometers ongeveer van den pâl van Tandit af, in het oosten der Sautpourrabergen, die men kan beschouwen als de westelijke verlenging der Vindhyas. [132]

Daar verhief zich op een der laatste zijbergen de oude sterkte van Ripore, sedert lang verlaten, omdat zij niet geproviandeerd kon worden, bijaldien de bergpassen van het westen door den vijand bezet waren.

Deze sterkte bestreek een der laatste vooruitspringende bergen der keten, een soort van natuurlijk bolwerk, vijf honderd voet hoog, dat over een aanzienlijke verwijding van den bergpas, te midden der naburige bergruggen hing. Het was niet te genaken dan langs een smal voetpad, dat kronkelend in de rotsmassa was uitgehouwen, een pad, nauwelijks voor voetgangers toegankelijk.

Op dat bergvlak bevonden zich nog eenige bouwvallen van vestingwerken. Op het midden der vlakte, door een steenen borstwering van den afgrond afgesloten, stond een half verwoest gebouw, dat vroeger voor het kleine garnizoen van Ripore tot kazerne diende en nu als stal zelfs niet bruikbaar meer zou geweest zijn.

Op het midden van het centrale vlak, was nog een stuk geschut overgebleven van de velen, die vroeger door de schietgaten der borstwering te voorschijn kwamen. Het was een enorm kanon, gericht naar de voorzijde der vlakte. Te zwaar om te worden afgelaten, te sterk beschadigd overigens om nog eenige waarde te hebben, had men het daar laten liggen op zijn affuit, overgeleverd aan den roest, die zijn ijzeren omhulsel verteerde.

Het mocht wel, door zijn lengte en dikte, de waardige tegenhanger heeten van het vermaarde bronzen kanon van Bhilza, dat ten tijde van Jehanghir gegoten werd, een enorm stuk, van zes meters lang, met een kaliber van vier en veertig. Men had het ook kunnen vergelijken met het niet minder beroemde kanon van Bidjapour, welks ontbranding, volgens het zeggen der inlanders, geen enkel van de monumenten der stad overeind had gelaten.

Dit was de sterkte van Ripore, waarheen de gevangene door den troep van Kâlagani gevoerd werd. Het was vijf uren ’s avonds, toen hij er aankwam, na een dagmarsch van meer dan vijf en twintig mijlen.

Tegenover wien zijner vijanden zou kolonel Munro zich eindelijk bevinden? Hij zou het maar al te spoedig weten.

Een groep Hindoes bewoonde toen het vervallen gebouwtje, dat zich te midden van het bergvlak verhief. Deze groep kwam er uit te voorschijn, terwijl de bende der Dacoits zich in een kring langs de borstwering plaatste.

Kolonel Munro nam het midden van dezen kring in. Met gekruiste armen wachtte hij.

Kâlagani verliet de plaats, die hij in de rij innam en deed eenige stappen vooruit.

Een Hindoe, eenvoudig gekleed, liep aan het hoofd.

Kâlagani bleef voor hem staan en boog zich. De Hindoe reikte [133]hem een hand, die Kâlagani eerbiedig kuste. Een beweging van het hoofd betuigde hem dat men over zijne diensten tevreden was.

Goûmi sprong terzijde en verdween in de jungles. Blz. 128.

Goûmi sprong terzijde en verdween in de jungles. Blz. 128.

Daarna stapte de Hindoe op den gevangene toe, langzaam, maar [134]het oog in vuur, met al de verschijnselen van een nauwlijks ingehouden toorn. Het was als een roofdier, dat op zijn prooi los ging.

Kolonel Munro liet hem naderen, zonder een stap terug te treden, hem even strak aankijkende, als hij zelf aangekeken werd.

Toen de Hindoe nog slechts vijf schreden van hem af was, zei de kolonel, op een toon, die de diepste minachting te kennen gaf:

»’t Is Balao Rao maar, de broeder van den nabob!”

»Kijk beter!” antwoordde de Hindoe.

»Nana Sahib!” riep kolonel Munro uit, ditmaal ondanks zich zei ven terugtredende. »Nana Sahib in leven!...”

Ja, de nabob zelf, het oude opperhoofd van den opstand der Sipayers, de onverzoenbare vijand van Munro!

Doch wie was dan bij de ontmoeting in den pâl van Tandît bezweken? Het was Balao Rao, zijn broeder.

De buitengewone gelijkenis dezer twee mannen, beiden in het gelaat door de pokken geschonden, beiden denzelfden vinger van dezelfde hand missende, had de soldaten van Lucknow en van Cawnpore bedrogen. Dezen hadden niet geaarzeld den nabob te herkennen in hem, die slechts zijn broeder was, en het zou onmogelijk geweest zijn deze vergissing niet te maken. Toen dan ook aan de regeering bericht van den dood des nabobs gezonden werd, leefde Nana Sahib nog en was het Balao Rao, die gedood was.

Nana Sahib had zich gehaast van deze nieuwe omstandigheid partij te trekken. Opnieuw bezorgde zij hem een bijna volstrekte veiligheid. Immers zou zijn broeder door de Engelsche politie niet met dezelfde hardnekkigheid vervolgd worden, en werd het ook werkelijk niet. Niet alleen werd de moord van Cawnpore hem niet geweten, maar hij had ook op de Hindoes van het centrum niet den noodlottigen invloed, dien de nabob bezat.

Toen Nana Sahib zag, dat men hem zoo dicht op de hielen zat, nam hij het besluit zich dood te houden tot het oogenblik, dat hij eindelijk zou kunnen handelen, en tijdelijk zijne revolutionnaire plannen latende rusten, had hij zich geheel aan zijne wraak gewijd. Nooit, trouwens, waren de omstandigheden zoo gunstig geweest. Kolonel Munro, steeds door zijne agenten bespied, had Calcutta verlaten om een reis te ondernemen, die hem naar Bombay zou brengen. Zou het niet mogelijk zijn hem in de streek der Vindhyas te lokken, door de provinciën van Bundelkund? Nana Sahib dacht er over na en zond hem met dit doel den schranderen Kâlagani.

De nabob verliet toen den pâl van Tandît, die hem geen zekere schuilplaats meer toescheen. Hij drong door tot de vallei der Nerbudda, tot de laatste bergengten der Vindhyas. Daar verhief zich de sterkte van Ripore, die hem een schuilplaats voorkwam, waar de politie hem niet licht zou opsporen, omdat zij wel moest aannemen dat hij dood was. [135]

Nana Sahib vestigde er zich dus met de weinige aan zijn persoon verknochte Hindoes. Hij versterkte deze weldra met een bende Dacoits, waardig zich onder de bevelen van zulk een opperhoofd te stellen, en wachtte nu op de dingen, die komen zouden.

Maar wat wachtte hij sedert vier maanden? Dat Kâlagani zijn taak vervuld had en hem de op handen zijnde komst van kolonel Munro in dit gedeelte der Vindhyas, alwaar hij zich in zijn macht zou bevinden, boodschapte.

Eene vrees, evenwel, maakte zich van Nana Sahib meester. Deze, dat de tijding van zijn dood, door het geheele schiereiland verspreid, ook ter oore van Kâlagani kwam. Zou deze er geen geloof aanslaan en zijn verraderlijke plannen tegen kolonel Munro laten varen?

Van daar dus de zending van een anderen Hindoe naar Bundelkund, van dien Nassim, die, deel uitmakende van de karavaan der Banjaris, den trein van het Stoomhuis op den weg van Scindia ontmoette, zich in gemeenschap met Kâlagani stelde, en hem met den waren staat van zaken bekend maakte.

Nadat dit geschied was, keerde Nassim, zonder een uur te verliezen naar de sterkte van Ripore terug en berichtte Nana Sahib alles wat er gebeurd was sedert den dag toen Kâlagani Bhopal verlaten had. Kolonel Munro en zijne metgezellen begaven zich in kleine dagmarschen naar de Vindhyas, Kâlagani leidde hen, en het was in de omgeving van het Puturiameer, dat men hen moest afwachten.

Alles was dus gegaan, zooals de nabob het gewenscht had. Zijn wraak kon hem niet meer ontsnappen.

En werkelijk bevond zich kolonel Munro dienzelfden avond, alleen, ontwapend, in zijn tegenwoordigheid, aan zijne genade overgeleverd.

Na de eerste gewisselde woorden, keken deze twee mannen elkander een oogenblik aan, zonder een enkel woord te uiten.

Maar plotseling kwam levendiger dan ooit het beeld van lady Munro bij den kolonel op en steeg hem het bloed naar het hoofd. Hij sprong op den moordenaar van de gevangenen van Cawnpore toe!....

Nana Sahib vergenoegde zich twee schreden achterwaarts te doen.

Drie Hindoes wierpen zich onmiddellijk op den kolonel, die hem niet zonder moeite bedwongen.

Intusschen was Sir Edward Munro weder meester van zich zelf geworden. De nabob begreep het ongetwijfeld, want met een wenk verwijderde hij de Hindoes.

Opnieuw bevonden zich de twee vijanden van aangezicht tot aangezicht tegenover elkander.

»Munro,” zei Nana Sahib, »de uwen hebben voor den mond hunner kanonnen de honderd twintig gevangenen van Peschawar [136]vastgebonden en sedert dien dag zijn meer dan twaalf honderd Sipayers op die vreeselijke wijze ter dood gebracht! De uwen hebben onmeedoogend de vluchtelingen van Lahore vermoord, zij hebben na de inneming van Delhi, drie prinsen en negen en twintig leden der koninklijke familie gedood, zij hebben te Lucknow zes duizend der onzen om het leven gebracht en drie duizend na den veldtocht van Pentjab! In het geheel hebben door het kanon, het geweer, de galg of de sabel, honderd twintig officieren of inlandsche soldaten en twee honderd duizend inlanders met hun leven dezen opstand voor de nationale onafhankelijkheid betaald!

»Dat ook hij sterve!” riepen de Dacoits en de Hindoes om Nana Sahib geschaard.

De nabob lag hun met de hand het stilzwijgen op en wachtte totdat kolonel Munro hem op deze beschuldigingen antwoordde.

De kolonel antwoordde niet.

»Wat u aangaat, Munro,” hernam de nabob, »ge hebt met eigen hand de Rani van Jansi, mijn getrouwe gezellin gedood... en ze is nog niet gewroken!”

Geen antwoord van kolonel Munro.

»Eindelijk, voor vier maanden,” zei Nana Sahib, »is mijn broeder Balao Rao gevallen onder de Engelsche kogels, tegen mij gericht... en mijn broeder is nog niet gewroken!”

»Dat hij sterve! Dat hij sterve!”

Deze kreten barstten met steeds meerdere hevigheid los en de geheele bende maakte een beweging om zich op den gevangene te werpen.

»Stilte!” riep Nana Sahib uit. »Wacht het uur der gerechtigheid af!”

Allen zwegen.

»Munro,” hernam de nabob, »het is een uwer voorouders, het is Hector Munro, die voor het eerst deze verschrikkelijke straf heeft durven opleggen, waarvan de uwen in den oorlog van 1857 zulk een vreeselijk gebruik gemaakt hebben! Hij is het, die het bevel gaf, Hindoes, onze bloedverwanten, onze broeders, levend voor den mond zijner kanonnen vast te binden...”

Nieuwe kreten, nieuwe blijken den gevangene te lijf te willen, die Nana Sahib ditmaal niet zoo licht had kunnen verhoeden. Ook voegde hij er bij.

»Wraak roept wraak! Munro, ge zult sterven, zooals zoovelen onzer gestorven zijn!”

Zich toen omkeerende:

»Zie dat kanon!” zeide hij.

En de nabob wees op het enorme stuk, meer dan vijf meters lang, dat het midden van het bergvlak innam.

»Ge zult vastgebonden worden voor den mond van dat kanon! Het is geladen, en morgen bij het opgaan der zon, zal zijn losbarsting, die tot in de verre bergpassen der Vindhyas zal weergalmen, [137]iedereen verkondigen, dat de wraak van Nana Sahib eindelijk gekoeld is!”

Daar verhief zich de oude sterkte van Ripore. Blz. 131.

Daar verhief zich de oude sterkte van Ripore. Blz. 131.

Kolonel Munro keek den nabob strak aan met een kalmte, die [138]de aankondiging van zijn op handen zijnde dood, niet kon verstoren.

»Het is goed,” zeide hij, »ge handelt zooals ik zou gehandeld hebben, als ge in mijn handen gevallen waart!”

En uit eigen beweging ging kolonel Munro zich voor den mond van het kanon plaatsen, waaraan hij met de handen op den rug met sterke touwen werd vastgebonden.

En toen kwam, een heel uur achtereen, de gansche bende Dacoits en Hindoes hem op laffe wijze beleedigen. Men zou gezegd hebben, dat het Sioux waren uit Noord-Amerika, om een gevangene geschaard, die aan den martelpaal was vastgeklonken.

Kolonel Munro bleef ongevoelig voor smaad, zooals hij ongevoelig voor den dood wilde zijn.

Toen daarna de avond viel, trokken Nana Sahib, Kâlagani en Nassim zich in de oude kazerne terug. De geheele bende, eindelijk moede geworden, verliet de plaats en voegde zich bij hare opperhoofden.

Sir Edward Munro bleef alleen, in tegenwoordigheid van den dood en van God.

[Inhoud]

X.

Voor den mond van een kanon.

De stilte hield niet lang aan. Niet alleen waren levensmiddelen ter beschikking van de bende der Dacoits gesteld, maar zij maakten ook een bovenmatig gebruik van sterke arak, onder welker invloed men ze kon hooren schreeuwen en vloeken.

Doch al dat leven hield allengs op. Het zou niet lang duren of de slaap zou zich meester maken van die dieren in menschengedaante, die daarenboven reeds afgemat waren door een langen, vermoeienden dag.

Zou Sir Edward Munro dan nu zonder wachter gelaten worden tot het oogenblik dat zijn doodsuur zou slaan? Zou Nana Sahib zijn gevangene niet laten bewaken, al was hij stevig vastgebonden met driedubbele dikke koorden, die armen en borst omgaven en hij daardoor volkomen buiten staat was de minste beweging te maken?

De kolonel vroeg het zich af, toen hij tegen acht uren een Hindoe de kazerne zag verlaten en zich naar het bergvlak begeven.

Deze Hindoe had het bevel, den geheelen nacht in het gezelschap van kolonel Munro te blijven. [139]

Na schuin het bergvlak te zijn overgestoken, kwam hij recht op het kanon af, teneinde zich te overtuigen, dat de gevangene zich nog altijd daar bevond. Met krachtige hand onderzocht hij de touwen, die hem stevig genoeg voorkwamen. Daarna, zonder zich rechtstreeks tot den kolonel te wenden, maar in zich zelven sprekende, zeide hij:

»Tien pond kruit! In langen tijd liet het oude kanon van Ripore niets van zich hooren, maar morgen zal het spreken!...”

Deze opmerking bracht een glimlach van minachting op het fiere gelaat van kolonel Munro. De dood kon hem niet versagen, onder welken verschrikkelijken vorm hij hem ook zou genaken.

De Hindoe bekeek eerst het voorste gedeelte van den vuurmond, trad toen een paar stappen terug, streek met de hand over den dikken kulas, terwijl hij den vinger een oogenblik op het zundgat liet rusten, dat tot aan den rand toe met slagkruit gevuld was.

Daarna bleef de Hindoe dood op zijn gemak, tegen de druif aangeleund staan. Hij scheen geheel vergeten te hebben, dat de gevangene zich daar nog bevond als een lijder aan den voet der galg, wachtende, dat het valluik zich aan zijne voeten onttrok.

Hetzij uit onverschilligheid, hetzij als een gevolg van de arak, die hij dien avond gedronken had, neuriede de Hindoe half binnensmonds een oud refrein van Goundwana. Hij brak telkens af en begon dan opnieuw, als iemand, die, onder den invloed van een half dronken toestand, langzamerhand zijne gedachten begon te verliezen.

Een kwartier later, richtte de Hindoe zich weder op. Zijn hand gleed over het achterste gedeelte van het stuk. Hij ging er om heen en voor kolonel Munro blijvende staan, keek hij hem aan, onder het prevelen van onsamenhangende woorden. Uit instinct grepen zijne vingers een laatste maal de touwen, als om ze nog vaster aan te trekken; daarna ging hij met het hoofd knikkende, als iemand die gerust is, een tiental schreden verder, links van den vuurmond, over de borstwering leunen.

Gedurende nog tien minuten, bleef de Hindoe in deze positie, nu eens naar het bergvlak gekeerd, dan weder naar buiten over de borstwering heen gebogen en zijne blikken gericht in den afgrond aan den voet der sterkte.

Duidelijk deed hij een laatste, wanhopige poging om niet voor den slaap te bukken. Maar eindelijk was hij door vermoeidheid overwonnen en liet hij zich op den grond zakken, strekte er zich op uit en was nu volkomen onzichtbaar door de schaduw der borstwering.

Het was intusschen reeds zeer donker geworden. Dikke, onbeweeglijke wolken strekten zich over den hemel uit. De dampkring was zoo stil alsof de luchtmoleculen aan elkander gesoldeerd waren. [140]De geluiden uit de vallei drongen niet tot op deze hoogte door. Het was doodstil.

Hoe kolonel Munro dien benauwden nacht doorbracht, moet ter eere van dien man vol geestkracht hier vermeld worden. Geen oogenblik dacht hij aan die laatste seconde van zijn leven waarin de weefsels van zijn lichaam, met geweld vaneen gescheurd, zijne vreeselijk verspreide ledematen zich in de ruimte zouden verliezen. Het zou slechts een bliksemslag zijn en dat was niet iets, dat in staat was hem van zijn stuk te brengen en hem zijne gewone koelbloedigheid te doen verliezen. Eenige uren slechts had hij nog te leven; zij behoorden nog tot dat bestaan, dat voor het grootste gedeelte zoo gelukkig geweest was. Zijn leven ging tot in de minste bijzonderheden voor hem voorbij, zijn geheele verleden doemde in zijn geest op.

Het beeld van lady Munro stond voor hem. Hij zag haar weder, hij hoorde haar, de ongelukkige, die hij nog als in de eerste dagen beweende, niet meer met de oogen, maar met het hart! Hij vond haar terug als jong meisje, te midden dier noodlottige stad Cawnpore, in die woning waar hij haar voor het eerst gekend, bewonderd, bemind had! Die weinige jaren van geluk, zoo plotseling afgebroken door de vreeselijkste der rampen, herlevendigden zich in zijn geest. Al de bijzonderheden dier jaren, hoe gering ook, kwamen zoo juist in zijn geheugen terug, dat ze niet door de werkelijkheid hadden kunnen overtroffen worden! Reeds was de halve nacht verstreken, zonder dat Sir Edward Munro er iets van gemerkt had. Hij had geheel in zijne herinneringen geleefd, daar, bij zijn aangebeden vrouw, zonder dat iets er hem van had kunnen afbrengen. In drie uren had hij als in een droom de drie jaren doorleefd, die hij bij haar had doorgebracht! Ja! zijn verbeelding had hem onweerstaanbaar van het bergvlak der sterkte van Ripore weggetooverd, zij had hem losgerukt van den mond van dat kanon, waarvan de eerste zonnestraal, om zoo te zeggen, de lont zou doen ontvlammen!

Maar toen kwam de vreeselijke ontknooping van het beleg van Cawnpore hem voor den geest, de gevangenneming van lady Munro en hare moeder in Bibi-Ghar, de moord hunner ongelukkige gezellinnen en eindelijk die put, het graf van twee honderd slachtoffers, waarop hij vier maanden geleden, een laatste maal was gaan weenen.

En die verfoeielijke Nana Sahib, die zich daar op eenige schreden van hem af, achter de muren van die bouwvallige kazerne ophield, hij, de lastgever van die moorden, de moordenaar van lady Munro en van zoovele andere ongelukkigen! En in zijne handen was hij gevallen, hij, die als rechter had willen optreden van den moordenaar, dien het gerecht niet had kunnen bemachtigen! [141]

»Kijk beter!” antwoordde de Hindoe. Blz. 134.

»Kijk beter!” antwoordde de Hindoe. Blz. 134.

Sir Edward Munro, door een blinde woede bezield, deed een bovenmenschelijke poging om zijn banden te verbreken. De touwen kraakten en de nog vaster gesnoerde knoopen drongen hem in het [142]vleesch. Hij uitte een kreet, niet van smart, maar van onmachtige woede.

Bij dien kreet lichtte de Hindoe, in de schaduw der borstwering uitgestrekt, het hoofd op. Het gevoel van zijn toestand kwam bij hem terug. Hij herinnerde zich, dat hij de bewaker van den gevangene was.

Hij stond dus op, trad aarzelend op kolonel Munro toe, legde hem de hand op den schouder, om zich te verzekeren, dat hij zich nog altijd daar bevond en zeide op den toon van iemand in half slapenden toestand:

»Morgen, bij het opgaan der zon... Boem!”

Daarna ging hij naar de borstwering terug, teneinde er zijn steunpunt te hernemen. Zoodra hij haar had teruggevonden, strekte hij zich weder op den grond uit en sliep spoedig geheel in.

Na deze vergeefsche poging had kolonel Munro zijn gewone kalmte teruggekregen. Zijne gedachten namen een andere richting, zonder dat hij meer dacht aan het lot dat hem wachtte. Door een natuurlijken samenloop van gedachten, kwamen hem zijne vrienden, zijne metgezellen voor den geest. Hij vroeg zich af of zij ook in de handen eener andere bende van Dacoits gevallen waren, waarvan het in de Vindhyas wemelt, of men hun geen dergelijk lot als het zijne voorbereidde, en die gedachte deed hem het hart ineenkrimpen.

Maar bijna onmiddellijk daarop, zeide hij zich zelven, dat dit niet kon zijn. Immers, indien de nabob ook hun dood had gewild, zou hij ze met hem in dezelfde straf vereenigd hebben. Neen! aan hem, aan hem alleen,—hij beproefde het te hopen,—wilde Nana Sahib zijn hart koelen!

En evenwel, indien het mocht zijn, dat Banks, kapitein Hod, Maucler reeds vrij waren, wat deden ze dan nu? Waren zij op weg naar Jubbulpore met den IJzeren Reus, dien de Dacoits niet hadden kunnen vernielen? Aan hulp zou het hun daar niet ontbreken! Maar waartoe? Hoe zouden zij geweten hebben waar kolonel Munro zich bevond? Niemand kende het fort van Ripore, den schuilhoek van Nana Sahib. En buitendien, waarom zou de naam van den nabob hun in de gedachte gekomen zijn? Was Nana Sahib niet dood voor hen? Was hij niet bezweken bij den aanval van den pâl van Tandît? Neen, ze konden werkelijk niets voor den gevangene doen!

Van de zijde van Goûmi was evenmin hoop te verwachten. Kâlagani had er alle belang bij gehad zich van dien getrouwen dienaar te ontdoen en hoogst waarschijnlijk was Goûmi zijn meester in den dood vooruitgegaan!

Het ware dus nutteloos geweest op eenig reddingsmiddel te rekenen. Kolonel Munro was de man niet zich daaromtrent eenige illusie te maken. Hij bekeek de dingen in het ware licht en [143]kwam geleidelijk tot zijne eerste gedachten terug, tot de herinnering der gelukkige dagen, die zijn hart vervulde.

Het zou hem moeielijk geweest zijn te berekenen hoeveel uren er verloopen waren sedert hij zich op die wijze in zijne herinneringen verdiept had. De nacht was altijd donker. Niets vertoonde zich nog op de toppen der bergen in het oosten, dat de eerste stralen der opgaande zon verkondigde.

Evenwel zal het omstreeks vier uren van den morgen geweest zijn, toen de aandacht van kolonel Munro gewekt werd op een vrij zonderling verschijnsel. Tot op dat oogenblik, gedurende dat terugkeeren tot zijn verleden, had hij meer een blik in zijn binnenste dan wel in de wereld buiten hem geslagen. De uitwendige voorwerpen, die zich te midden van die diepe duisternis slechts onduidelijk aan hem voordeden, zouden hem niet hebben kunnen aftrekken, maar toen vestigden zijne oogen zich op één punt, en al de beelden, in zijne herinnering opdoemende, verdwenen eensklaps voor een soort van verschijning, even onverwacht als onverklaarbaar.

Kolonel Munro toch was niet meer alleen op het bergvlak van Ripore. Het was alsof er zich een licht, onzeker, weifelend nog, aan het uiteinde van het pad, aan de poort van het fort vertoonde. Het kwam en ging ongestadig, dof, dreigende uit te gaan, dan weder opflikkerende, alsof het door een onvaste hand werd gedragen.

Alles in den toestand van den gevangene kon van belang zijn. Zijne oogen waren dus onafgewend op deze vlam gericht en hij merkte op, dat zij een dikken damp van zich gaf en beweeglijk was. Hij besloot dus, dat de vlam niet in een lantaarn was opgesloten.

»Een mijner metgezellen zeker,” zei kolonel Munro in zich zelven. »... Goûmi misschien! Maar neen! Die zou met geen licht rondloopen, dat hem zou verraden.... Wat kan ’t dan zijn?”

Het licht kwam langzamerhand dichter bij. Eerst gleed het langs den muur der oude kazerne en Sir Edward mocht met recht vreezen, dat het door eenigen der daar binnen slapende Hindoes zou opgemerkt worden.

Gelukkig was dit niet het geval en het licht ging voorbij zonder opgemerkt te worden. Somtijds, als de hand, die het droeg in koortsachtige beweging geraakte, flikkerde het op en schitterde met levendiger glans.

Weldra had het licht den muur der borstwering bereikt en liep er langs, als het St.-Elmusvuur in een stormachtigen nacht.

Toen begon kolonel Munro een soort van spooksel te onderscheiden, zonder duidelijken vorm, een »schaduw”, die onduidelijk door dat licht beschenen werd. Het wezen, welk dan ook, dat zich [144]op die wijze voorwaarts spoedde, moest gehuld zijn in een lang overkleed, waaronder zich de armen en het hoofd verborgen.

De gevangene bewoog zich niet. Hij hield zijn adem in. Hij vreesde de verschijning schrik aan te jagen, de vlam te zien uitdooven, waarvan het licht haar in het donker geleidde. Hij hield zich even onbeweeglijk als het zware stuk metaal, dat hem in zijn enormen mond scheen te bevatten.

Intusschen gleed het spooksel steeds langs de borstwering voort. Zou het niet kunnen gebeuren, dat het tegen het lichaam van den slapenden Hindoe aanstootte? Neen. De Hindoe lag links van het kanon uitgestrekt en de verschijning kwam van de rechterzijde, nu eens stilstaande, dan weder met kleine schreden voortgaande.

Eindelijk was zij zoo dicht genaderd, dat kolonel Munro haar duidelijker kon onderscheiden.

Het was een wezen van gemiddelde lengte, welks lichaam werkelijk geheel door een lang overkleed bedekt was. Van onder dit overkleed kwam een hand te voorschijn, die een brandenden harsachtigen tak vasthield.

»Zeker een gek, die gewoon is de kampementen der Dacoits te bezoeken,” zei kolonel Munro in zich zelven, »en waarop men geen acht meer slaat! Waarom heeft hij geen dolk in de hand, in plaats van een fakkel!... Misschien zou ik dan?...”

Het was wel geen gek, maar toch had Sir Edward Munro het nagenoeg geraden.

Het was de waanzinnige van de vallei der Nerbudda, het in hare geestvermogens gekrenkte schepsel, dat sedert vier maanden door de Vindhyas ronddwaalde, altijd gevierd en gastvrij ontvangen door de bijgeloovige Gounds. Noch Nana Sahib, noch een zijner metgezellen wisten welk deel de »Dwalende Vlam” aan den aanval van den pâl van Tandît genomen had. Dikwijls hadden zij haar ontmoet in het bergachtige gedeelte van Bundelkund, en zij hadden zich nooit over hare tegenwoordigheid bekommerd. Meermalen reeds had zij op hare dagelijksche tochten hare schreden gericht naar het fort van Ripore en niemand was het in de gedachte gekomen haar er uit te verjagen. Alleen het toeval harer nachtelijke omzwervingen had er haar dezen zelfden nacht heen geleid.

Kolonel Munro wist niets van de waanzinnige af. Hij had nooit van de Dwalende Vlam hooren spreken en toch deed dat onbekende wezen, dat hem misschien zou aanraken, misschien tot hem zou spreken, zijn hart met een onverklaarbare hevigheid slaan.

Langzamerhand was de waanzinnige het kanon genaderd. Haar fakkel gaf nog slechts een zwak licht van zich en zij scheen den gevangene niet te zien, hoewel zij zich vlak voor hem bevond en hare oogen door het overkleed heen, dat als het boetkleed eens boetvaardigen door gaten doorboord was, bijna zichtbaar waren. [145]

Die gansche bende ellendelingen... Blz. 138.

Die gansche bende ellendelingen... Blz. 138.

Sir Edward Munro hield zich doodstil. Noch door een beweging met het hoofd, noch door een woord beproefde hij de aandacht van dit zonderlinge schepsel te trekken. [146]

Trouwens keerde zij bijna dadelijk op hare schreden terug, teneinde om het enorme stuk geschut heen te gaan, op welks oppervlakte haar fakkel kleine zwevende schaduwen afteekende.

Begreep ze, de krankzinnige, waartoe dit kanon, dat daar als een monster lag uitgestrekt, moest dienen, waarom die man voor den mond was vastgebonden, die bij de eerste stralen der opgaande zon bliksem en donder zou uitbraken?

Neen, ongetwijfeld. De Dwalende Vlam was daar, zooals ze overal was, zonder het zelve te weten. Zij dwaalde dien nacht, zooals zij het reeds zoo dikwijls gedaan had, over het bergvlak van Ripore. Daarna zou zij het verlaten, zij zou langs het kronkelende voetpad afdalen, zij zou de vallei weder bereiken en hare schreden daarheen richten, waar hare grillige verbeelding haar brengen zou.

Kolonel Munro, die vrij het hoofd kon omkeeren, volgde al hare bewegingen. Hij zag haar achter om het stuk heengaan. Van daar begaf zij zich in de richting van den muur der borstwering, zeker om deze te volgen tot het punt waar zij zich aan de poort aansloot.

En werkelijk liep de Dwalende Vlam juist zooals de kolonel vermoedde, doch op eenige schreden van den slapenden Hindoe af zich omgekeerd hebbende, keerde zij zich om. Belette een onzichtbare band haar verder te gaan? Hoe het zij, een onverklaarbaar instinct voerde haar naar kolonel Munro terug en wederom bleef zij onbeweeglijk voor hem staan.

Ditmaal sloeg het hart van Sir Edward Munro zoo onstuimig, dat hij het met de hand tot bedaren had willen brengen.

De Dwalende Vlam was naderbij gekomen. Zij had haar fakkel op de hoogte van het gelaat van den gevangene gebracht, alsof zij hem beter had willen zien. Door de gaten van haar boethemd heen, kon men hare oogen zien schitteren.

Kolonel Munro, onwillekeurig door die vurige oogen als betooverd, verslond haar met zijn blikken.

Toen trok de waanzinnige langzamerhand de plooien van haar overkleed van een. Weldra vertoonde zich haar gelaat ontbloot en op dit oogenblik schudde ze met de rechterhand de fakkel heen en weder, die een helderder glans verspreidde.

Een kreet!—een half gesmoorde kreet,—ontsnapte aan de borst van den gevangene.

»Laurence! Laurence!”

Hij meende op zijn beurt krankzinnig te worden!... Zijne oogen sloten zich een oogenblik.

Het was lady Munro! Ja! lady Munro zelve,—die daar voor hem stond!

»Laurence... gij... gij!” herhaalde hij. [147]

Lady Munro antwoordde niets. Zij herkende hem. Zij scheen hem zelfs niet te hooren.

»Laurence! Krankzinnig! krankzinnig, ja!... maar levend!”

Sir Edward Munro had zich niet kunnen vergissen door een gewaande gelijkenis. Het beeld zijner jonge vrouw was te diep in zijn hart gegrift. Neen! zelfs na een scheiding van negen jaren, die hij niet anders dacht dan dat eeuwig zou zijn, was het ongetwijfeld lady Munro, veranderd zeker, maar nog schoon, het was lady Munro, als door een wonder aan de beulen van Nana Sahib ontsnapt, die daar voor hem stond!

De ongelukkige, na al het mogelijke gedaan te hebben om hare moeder, onder hare oogen gedood, te redden, was gevallen. Gewond, maar niet doodelijk en onder zoovele anderen gemengd, werd zij een van de laatste in de put van Cawnpore geworpen, op de opgehoopte slachtoffers, die haar reeds vulden. Toen de nacht was aangebroken, deed een laatst instinct van zelfbehoud haar tot den rand der put voortsleepen,—het instinct alleen, want toen reeds had zij haar verstand tengevolge dezer vreeselijke tooneelen verloren. Na alles wat zij geleden had sedert het begin van het beleg, in de gevangenis van Bibi-Ghar, op het tooneel van den moord, na hare moeder te hebben zien ombrengen, had zij het hoofd verloren. Zij was krankzinnig, maar levend! zooals Munro er zich zooeven van overtuigd had. Krankzinnig had zij zich buiten de put gesleept, had in den omtrek rondgezworven, was zij buiten de stad kunnen komen, op het oogenblik dat Nana Sahib en de zijnen haar na de bloedigen executie verlieten. Krankzinnig had zij zich in het duister gered, steeds voor zich heen gaande, dwars over de velden. De steden vermijdende, de bewoonde streken ontvluchtende, hier en daar door arme raïots opgenomen, geëerbiedigd als een wezen van verstand beroofd, was de arme waanzinnige op die wijze tot de Sautpourrabergen, tot de Vindhyas gedwaald! En, sedert negen jaren dood voor allen, maar de geest altijd getroffen door de herinnering aan de verschrikkingen van het beleg, zwierf zij steeds overal rond!

Ja, zij was het wel!

Nogmaals riep kolonel Munro haar... Zij antwoordde niet. Wat zou hij niet hebben willen geven om haar te omarmen, haar op te nemen, mede te voeren, een nieuw leven met haar te beginnen, haar het verstand terug te geven door tal van zorgen en liefdeblijken!... En hij stond daar gebonden aan die metaalmassa, het bloed vloeide uit zijne armen door de diepe insnijdingen der touwen en niets kon hem met haar aan die gevloekte plek ontrukken!

Welk een foltering, zoo wreed als zelfs de verbeelding van een Nana Sahib niet had kunnen uitdenken! O! indien dat monster [148]daar geweest was, als hij geweten had dat lady Munro in zijn macht was, welk een vreeselijk genot zou hij gesmaakt hebben! Met welke verfijnde martelingen zou hij ongetwijfeld de wanhoop van den gevangene nog slechts vergroot hebben!

»Laurence! Laurence!” herhaalde Sir Edward Munro.

En hij riep haar met luide stem, op gevaar af den eenige schreden verder slapenden Hindoe te wekken, op gevaar af de Dacoits te lokken, in de oude kazerne gelegerd en Nana Sahib zelven!

Doch lady Munro bleef hem, zonder te begrijpen, met verwilderde oogen aanzien. Zij zag niets van het verschrikkelijk lijden van den ongelukkige, die haar terugvond op het oogenblik, dat hij zelf ging sterven! Haar hoofd schudde heen en weder alsof zij niet had willen antwoorden!

Eenige minuten verliepen op deze wijze; toen liet zij haar hand zakken, de kap viel weder over haar gelaat, en ze trad een schrede achteruit.

Kolonel Munro dacht, dat zij ging ontvluchten!

»Laurence!” riep hij een laatste maal, alsof hij haar voor eeuwig een afscheidsgroet toewierp.

Doch neen! Lady Munro dacht er niet aan het bergvlak van Ripore te verlaten en de toestand, hoe verschrikkelijk zij reeds ware, zou zich nog verergeren.

Werkelijk, lady Munro bleef staan. Blijkbaar had dit kanon haar aandacht getrokken. Misschien gloorde er een duistere herinnering aan het beleg van Cawnpore bij haar op! Zij keerde dus terug, met langzame schreden. Haar hand, waarin zij de fakkel hield, liet de vlam langs de metalen buis gaan en een vonk was genoeg om het slagkruit te doen ontvlammen en het stuk te doen afgaan!

Zou Munro dan door deze hand sterven?

Dit denkbeeld kon hij niet verdragen! Dan was het honderdmaal beter onder de oogen van Nana Sahib en de zijnen te sterven!

Munro was op het punt zijne beulen te roepen, hen wakker te maken!

Plotseling voelde hij uit het binnenste van het kanon een hand zijn handen op den rug gebonden, drukken. Het was de drukking van een vriendenhand, die zijne banden trachtte los te maken. Weldra waarschuwde hem de koude aanraking van een stalenlemmer, dat met voorzichtigheid tusschen de koorden en zijn polsen werd gestoken, dat zich in de ziel zelve van dit enorme stuk, maar door welk wonder! een bevrijder ophield.

Hij kon er zich niet in vergissen! Men sneed de touwen door, die hem vastgebonden hielden!...

Binnen een seconde was het verricht! Hij kon een schrede voorwaarts doen. Hij was vrij! [149]

»Morgen,” zeide hij, »Boem!” Blz. 142.

»Morgen,” zeide hij, »Boem!” Blz. 142.

Hoezeer meester van zich zelven, zou een kreet hem in het verderf storten!...

Een hand strekte zich buiten het stuk uit... Munro vatte haar, [150]trok haar naar zich toe en een man, die zich door een laatste krachtsinspanning uit de opening van het kanon ontwrongen had, viel aan zijne voeten neder.

Het was Goûmi!

De getrouwe dienaar was, na ontsnapt te zijn, den weg naar Jubbulpore blijven houden, inplaats van naar het meer terug te keeren, waarheen de troep van Nassim zich wendde. Aan den weg van Ripore aangekomen, had hij zich een tweede maal moeten verbergen. Er bevond zich daar een groep Hindoes, sprekende over kolonel Munro, dien de Dacoits, aangevoerd door Kâlagani naar de sterkte zouden brengen, waar Nana Sahib hem den dood door het kanon had toegezegd. Zonder een oogenblik te verliezen, was Goûmi in het donker naar het kronkelend voetpad geslopen en had het op dit oogenblik verlaten bergvlak bereikt. En toen was het heldhaftige plan bij hem opgekomen in het enorme kanon te kruipen, met de gedachte zijn meester te verlossen, indien de omstandigheden zich er toe leenden, of, zoo hij hem niet kon redden, met hem te sterven!

»De dag breekt aan!” zei Goûmi zacht. »Laat ons vluchten!”

»En lady Munro?”

De kolonel wees op de waanzinnige, overeind, onbeweeglijk. Haar hand lag op dit oogenblik op den kulas van het kanon.

»In onze armen... meester...” antwoordde Goûmi, zonder nadere verklaring te vragen.

Het was te laat!

Op het oogenblik, dat de kolonel en Goûmi haar naderden om haar op te nemen, hield lady Munro, hun willende ontsnappen, zich even met de hand aan het stuk vast, haar fakkel viel op het slagkruit en een vreeselijke losbarsting, weerkaatst door de echo’s der Vindhyas, klonk als een donderslag door de geheele vallei der Nerbudda.

[Inhoud]

XI.

IJzeren reus.

Bij het geweld dezer ontploffing was lady Munro in de armen van haar man in onmacht gevallen.

Zonder een oogenblik te verliezen, snelde de kolonel over het plein, door Goûmi gevolgd. De Hindoe, gewapend met zijn groot [151]mes, had in een oogwenk den verbijsterden bewaker, dien de losbranding op de been had gebracht, onschadelijk gemaakt. Daarna wierpen zij zich beiden op het smalle voetpad, dat naar den weg van Ripore voerde.

Nauwelijks waren Sir Edward Munro en Goûmi de poort gepasseerd of de troep van Nana Sahib, plotseling uit hun slaap gewekt, ijlde over het bergvlak.

Een oogenblik van aarzeling, dat den vluchtelingen misschien gunstig was, hield de Hindoes terug.

Nana Sahib toch bracht zelden den geheelen nacht in het fort door. Na den vorigen dag kolonel Munro voor den mond van het kanon te hebben laten vastbinden, had hij zich naar eenige hoofden van stammen uit Goundwana begeven, die hij nooit op klaarlichten dag bezocht. Maar het was het uur waarop hij gewoonlijk weder naar zijn verblijf terugkeerde en het kon niet lang duren of hij zou werkelijk verschijnen.

Kâlagani, Nassim, de Hindoes, de Dacoits, meer dan honderd mannen, stonden gereed den gevangene te vervolgen, doch ééne zaak hield hen nog terug, namelijk de volstrekte onwetendheid waarin zij verkeerden omtrent hetgeen er gebeurd was. Het lijk van den Hindoe, die gesteld was ter bewaking van den kolonel, kon hun niets leeren.

Van al de waarschijnlijkheden nu, moest dit voor hen het resultaat zijn: dat, door een toevallige omstandigheid het kanon was afgeschoten vóór het uur, voor de strafoefening bepaald en dat er van den gevangene op dit oogenblik niets meer bestond dan vormlooze overblijfselen!

De woede van Kâlagani en de anderen uitte zich door een concert van vervloekingen. Noch Nana Sahib, noch iemand hunner zou dus het genot hebben de laatste oogenblikken van kolonel Munro bij te wonen!

Maar de Nabob was niet ver meer af. Ook hij had de losbranding moeten hooren. In allerijl zou hij naar de sterkte komen toesnellen. Wat zoude men hem antwoorden, als hij hun rekenschap vroeg van den gevangene, die hij er had achtergelaten?

Van daar bij allen een aarzeling, die den vluchteling den tijd had gegeven iets vooruit te komen, voordat zij werden opgemerkt.

Sir Edward Munro en Goûmi waren dan ook na deze verwonderlijke verlossing vol hoop en daalden snel het kronkelend voetpad af naar beneden. Lady Munro lag in zwijm, maar woog toch niet zwaar in de sterke armen van den kolonel. Zijn dienaar stond trouwens ieder oogenblik gereed hem te helpen.

Vijf minuten na door de poort gegaan te zijn, bevonden beiden zich halfweg van het bergvlak naar de vallei. Maar de dag begon aan te breken en de eerste stralen der zon drongen door tot in de diepste schuilhoeken van den nauwen bergpas. [152]

Op dat oogenblik barstten luide kreten boven hun hoofd los.

Over de borstwering heen gebogen, kon Kâlagani juist nog even het profiel van het gelaat der twee mannen die vluchtten onderscheiden. Een van die mannen kon niemand anders zijn dan de gevangene van Nana Sahib!

»Munro, ’t is Munro!” riep Kâlagani woedend.

En, de poort uitsnellende, vloog hij ze na, gevolgd door de geheele bende.

»Ze hebben ons gezien!” zei de kolonel, zonder zijn schreden in te houden.

»’k Zal de eersten ophouden!” antwoordde Goûmi. »Ze zullen me dooden, maar dat zal u misschien den tijd geven den weg te bereiken!”

»Ze zullen ons beiden dooden, of we zullen hun samen ontkomen!” riep Munro uit.

Kolonel Munro en Goûmi hadden hun loop nog versneld. Toen zij onder op het voetpad waren aangekomen, konden zij met alle macht voortijlen. Nog een veertig schreden en zij hadden den weg van Ripore bereikt, die op den grooten weg uitliep en waarop het hun gemakkelijker zou vallen te vluchten.

Doch gemakkelijker zou dan ook de vervolging zijn. Een schuilplaats te zoeken was onnoodig, want zij zouden dadelijk ontdekt zijn. Het was dus van het meeste belang de Hindoes vooruit te komen en bovendien vóór hen uit den laatsten bergpas der Vindhyas te komen.

Oogenblikkelijk nam kolonel Munro het besluit niet opnieuw levend in de handen van Nana Sahib te vallen. Haar, die hem was teruggegeven, zou hij liever met den dolk van Goûmi dooden, dan haar den nabob overleveren en met dien zelfden dolk zou hij daarna zich zelven treffen!

De vluchtelingen hadden toen bijna vijf minuten op hunne vervolgers gewonnen. Op het oogenblik dat de eerste Hindoes de poort uitsnelden, zagen kolonel Munro en Goûmi van verre reeds den weg waarop het voetpad uitliep, terwijl de groote weg nog slechts een kwart mijl verwijderd was.

»Moed gehouden, meester!” zeide Goûmi, gereed den kolonel tot bolwerk van zijn lichaam te strekken. »Nog vijf minuten en we zijn op den weg naar Jubbulpore!”

»God geve, dat we er hulp vinden!” mompelde kolonel Munro.

De kreten der Hindoes werden allengs duidelijker.

Op het oogenblik dat de vluchtelingen den weg opsnelden, kwamen twee mannen, die snel liepen, onder aan het voetpad aan.

Het was toen licht genoeg om elkaar te onderscheiden en twee namen, met doodelijken haat uitgesproken, beantwoordden elkander tegelijk: [153]

»Laurence! Laurence!” Blz. 146.

»Laurence! Laurence!” Blz. 146.

»Munro!”

»Nana Sahib!”

De nabob was op het geluid der losbarsting toegesneld en besteeg [154]in allerijl het pad naar het fort. Hij begreep niet waarom zijne bevelen vóór den door hem bepaalden tijd waren uitgevoerd.

Een Hindoe vergezelde hem, doch voordat deze Hindoe een stap verder en zelfs een gebaar had kunnen doen, viel hij voor de voeten van Goûmi neder, doodelijk getroffen door het mes, dat de banden van den kolonel had losgesneden.

»Help!” schreeuwde Nana Sahib tot den troep, die het voetpad afdaalde.

»Ja, wacht!” antwoordde Goûmi.

En sneller dan de bliksem, wierp hij zich op den nabob.

Zijn plan was geweest, als het hem althans niet mocht gelukken hem dadelijk te dooden, dan toch zoolang met hem te worstelen, dat kolonel Munro den tijd zou hebben den weg te bereiken, maar de ijzeren hand van den nabob had de zijne afgewend en zijn mes was hem ontvallen.

Woedend zich ontwapend te zien greep nu Goûmi zijn tegenstander bij den gordel en hem tegen zich aan drukkende, nam hij hem in zijne krachtige armen op, vast besloten zich met hem in den eersten den besten afgrond te storten.

Intusschen waren Kâlagani en zijne metgezellen naderbij gekomen, ze hadden het onderste gedeelte van het voetpad bereikt en dan was er geen hoop meer hun te kunnen ontsnappen!

»Nog een poging!” herhaalde Goûmi. »’k Zal ’t nog eenige minuten zien uit te houden en me van hun nabob als een schild bedienen! Vlucht, meester, vlucht zonder mij!”

Maar nauwlijks drie minuten waren nu de vluchtelingen van hunne vervolgers verwijderd en de nabob riep Kâlagani met gesmoorde stem.

Plotseling klonken twintig passen verder kreten van:

»Munro! Munro!”

Daar was Banks, op den weg naar Ripore, met kapitein Hod, Maucler, sergeant Mac Neil, Fox, Parazard en honderd schreden van hen af, op den grooten weg, de IJzeren Reus, die wolken damp uitwerpende, hen met Storr en Kâlouth opwachtte!

Na de vernieling van het laatste huis van het Stoomhuis, hadden de ingenieur en zijn metgezellen slechts een besluit te nemen, den olifant namelijk, dien de bende der Dacoits niet had kunnen vernietigen, als voertuig te gebruiken. Dadelijk hadden zij dus op den rug van den IJzeren Reus het Puturiameer verlaten en waren zij den weg naar Jubbulpore ingeslagen. Maar juist op het oogenblik dat zij den weg, die naar het fort leidde, voorbijgingen, had een geduchte losbranding boven hunne hoofden weerklonken en hadden zij dadelijk halt gehouden.

Een voorgevoel, een instinct, als men wil, had hen aangezet dezen weg te volgen. Wat hoopten zij? Zij zouden het niet hebben kunnen zeggen. [155]

Zeker is het, dat eenige minuten later de kolonel voor hen stond, hun toeroepende:

»Red lady Munro!”

»En help me Nana Sahib overmeesteren, ditmaal den echten!” riep Goûmi uit.

Met een laatste wanhopige krachtsinspanning had hij den nabob ter aarde geworpen, die nu verder door kapitein Hod, Mac Neil en Fox bedwongen werd.

Vervolgens begaven Banks en de zijnen zonder verder eenige verklaring te vragen, zich naar den IJzeren Reus op den weg.

Op bevel van den kolonel, die hem aan de Engelsche rechtspleging wilde overleveren, werd Nana Sahib aan den hals van den olifant gebonden. Wat lady Munro betreft, men bracht haar in het torentje, alwaar haar man aan haar zijde plaatsnam. Geheel met de zorg voor zijne vrouw vervuld, die weder tot bewustzijn scheen te komen, trachtte hij eenige schemering van licht in hare verstandelijke vermogens te ontdekken.

De ingenieur en zijne metgezellen waren haastig op den rug van den IJzeren Reus geklommen.

»En nu »fullspeed” vooruit! riep Banks.

Het was toen dag geworden. Een honderd schreden achterwaarts verscheen reeds een eerste groep Hindoes. Tot elken prijs moest men vóór hen den vooruitgeschoven post van het militaire kantonnement van Jubbulpore, die den laatsten bergpas der Vindhyas bezet houdt, bereiken.

De IJzeren Reus had nu in overvloed water, brandstof, alles wat noodig was de noodige drukking te onderhouden en hem zijn maximum van snelheid te verleenen. Maar op dezen weg met zijne plotselinge krommingen, kon hij zich niet blindelings voortbewegen.

De kreten der Hindoes verdubbelden toen en de geheele troep won zichtbaar op hem.

»We zullen ons moeten verdedigen,” zei sergeant Mac Neil.

»Welnu, we zullen ons verdedigen!” antwoordde kapitein Hod.

Er bleef nog een twaalftal schoten over. Het was dus noodzakelijk geen enkelen kogel te verliezen, want de Hindoes waren gewapend en men moest ze vooral op een afstand houden.

Kapitein Hod en Fox plaatsten zich met de karabijn in de hand op het kruis van den olifant, achter het torentje. Goûmi voor, had zich zoodanig geplaatst, dat hij in schuinsche richting kon vuren. Mac Neil, bij Nana Sahib, in de eene hand een revolver, in de andere een dolk, hield zich gereed hem te dooden, als de Hindoes hem mochten naderen, Kâlouth en Parazard voor den vuurhaard, voorzagen hem onophoudelijk met brandstof. Banks en Storr bestuurden den gang van den IJzeren Reus.

De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Twee honderd [156]schreden op zijn hoogst, scheidden de Hindoes van Banks en de zijnen. Mochten zij sneller gaan, de kunstmatige olifant kon het langer uithouden dan zij. De geheele tactiek bestond dus daarin, hen te beletten vooruit te komen.

Op dit oogenblik barstten er een tiental geweerschoten los. De kogels passeerden fluitende boven den IJzeren Reus, uitgenomen een, die hem tegen het uiteinde van zijn tromp trof.

»Schiet niet, en als ge schiet, wees dan zeker van uw schot!” riep kapitein Hod. »Laten we onze kogels sparen! Ze zijn nog te ver af!”

Toen Banks nu een eind weg bijna in rechte lijn voor zich zag, draaide hij den regulateur wijd open, waarna de IJzeren Reus, zijn snelheid verdubbelende, de bende verscheidene honderd passen achter zich liet.

»Hoera! hoera! leve onze Reus!” riep kapitein Hod uit, die zich niet meer kon inhouden! »O! die schelmen, ze zullen hem niet hebben!”

Doch aan het einde van dit rechte gedeelte van den weg, zou een soort van opstijgenden en bochtigen hollen weg, laatste bergpas van de zuidelijke helling der Vindhyas, noodzakelijk den gang van Banks en zijne metgezellen vertragen. Kâlagani en de anderen wisten deze bijzonderheid en gaven de vervolging niet op.

De IJzeren Reus had snel deze vernauwing van den weg bereikt, die tusschen twee hooge hellende rotsen doorliep.

Men moest toen wel minder snel en slechts met de grootste voorzichtigheid vooruitgaan. Tengevolge van deze vertraging, wonnen de Hindoes het geheele verloren terrein terug. Al hadden zij de hoop opgegeven Nana Sahib te redden, althans wilden zij zijn dood wreken.

Weldra barstten nieuwe geweerschoten los, doch zonder een der berijders van den IJzeren Reus te treffen.

»Nu begint het ernstig te worden!” zei kapitein Hod, zijn karabijn aanleggende. »Attentie!”

Goûmi en hij vuurden tegelijk af. Twee der naastbijzijnde Hindoes, beiden in de borst getroffen, vielen neder.

»Twee minder!” zei Goûmi, zijn wapen opnieuw ladende.

»Twee percent!” riep kapitein Hod uit. »’t Is nog niet genoeg. We dienen ze nog meer af te nemen!”

En de karabijnen van den kapitein en van Goûmi, waarbij zich het geweer van Fox voegde, troffen doodelijk drie andere Hindoes.

Maar men kwam niet snel vooruit in den bochtigen bergpas. Niet alleen dat de weg zich vernauwde, men weet dat hij ook sterk helde. Evenwel nog een halve mijl en de laatste berghelling der Vindhyas was voorbij en de IJzeren Reus kwam uit op honderd passen van een post, bijna in het gezicht van het station van Jubbulpore! [157]

Een vreeselijke losbarsting... Blz. 150.

Een vreeselijke losbarsting... Blz. 150.

De Hindoes waren de menschen niet om voor het vuur van kapitein Hod en zijne metgezellen terug te deinzen. Zij gaven niets om hun leven als het er op aan kwam Nana Sahib te redden of [158]te wreken! Tien, twintig van hen zouden misschien sneuvelen, maar tachtig bleven er nog over om zich op den IJzeren Reus te werpen en den kleinen troep te overmeesteren wien hij tot een rollend bolwerk diende! Ook verdubbelden zij hunne pogingen hen, die ze vervolgden te bereiken.

Kâlagani wist trouwens, dat kapitein Hod en de zijnen aan hunne laatste patronen waren en dat weldra geweren en karabijnen slechts nuttelooze wapenen in hunne handen zouden zijn.

En werkelijk hadden de vluchtelingen de helft der ammunitie verbruikt, die hun nog overbleef, zoodat zij weldra in de onmogelijkheid zouden zijn zich te verdedigen.

Evenwel weerklonken nog vier geweerschoten en vier Hindoes beten in het stof.

Er bleven kapitein Hod en Fox nog slechts twee schoten over.

Op dit oogenblik kwam Kâlagani, die zich tot nog toe een weinig had schuil gehouden, meer naar voren dan met de voorzichtigheid overeenkwam.

»Hoera! nu heb ik hem!” riep kapitein Hod uit, terwijl hij met de grootste kalmte op hem mikte.

De kogel uit de karabijn van den kapitein trof den verrader midden op het voorhoofd. Zijne handen tastten een oogenblik in de ruimte, hij draaide in het rond en viel.

Op dit oogenblik kwam het zuidelijk uiteinde van den bergpas in het gezicht. De IJzeren Reus deed een laatste poging. Voor het laatst liet de karabijn van Fox zich hooren en een laatste Hindoe mat den bodem.

Maar ook bijna dadelijk daarop bemerkten de Hindoes, dat het vuren had opgehouden en als wanhopigen snelden zij ter bestorming van den olifant, waarvan zij slechts vijftig schreden verwijderd waren.

»Op den grond! op den grond!” schreeuwde Banks.

En werkelijk was het in de gegeven omstandigheden beter den IJzeren Reus te verlaten en naar den post te loopen, die niet veraf meer was.

Kolonel Munro, zijne vrouw in zijn armen nemende, zette den voet op den weg.

Ook kapitein Hod, Maucler, de sergeant en de anderen waren onmiddellijk op den grond gesprongen.

Banks alleen was in het torentje gebleven.

»En die schoelje daar!” riep kapitein Hod uit, op Nana Sahib wijzende, die nog altijd aan den hals van den olifant was vastgebonden.

»Laat me mijn gang eens gaan, kapitein!” antwoordde Banks op vreemden toon.

Daarna, voor het laatst den regulateur omdraaiende, klom hij op zijn beurt af. [159]

De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Blz. 155.

De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Blz. 155.

Allen gingen toen op de vlucht, met den dolk in de hand, gereed om zoo duur mogelijk hun leven te verkoopen.

Intusschen bleef de IJzeren Reus, door den stoom voortgedreven, [160]hoewel nu aan zich zelven overgelaten, tegen de helling opklimmen; doch, niet meer bestuurd wordende, stootte hij met vreeselijk geweld tegen de linker helling van den weg aan en plotseling stil blijvende staan, versperde hij den weg bijna in zijn geheele breedte.

Banks en de zijnen waren reeds een dertig schreden van hem af, toen de Hindoes zich in massa op den IJzeren Reus wierpen, om Nana Sahib te verlossen.

Eensklaps bracht een ontzettend geraas, gelijk aan de geweldigste donderslagen, de luchtlagen met een onbeschrijfelijke hevigheid in beweging.

Banks had, alvorens het torentje te verlaten, de veiligheidskleppen zwaar belast. De stoom bereikte dus zijn maximum van spanning en toen de IJzeren Reus tegen den rotswand aanbotste, deed deze stoom, zich niet meer door de cilinders kunnende ontlasten, den stoomketel springen, welks overblijfselen naar alle richtingen heen verspreid werden.

»Arme Reus!” riep kapitein Hod uit, »verloren om ons te redden!”

[Inhoud]

XII.

De vijftigste tijger van kapitein Hod.

Kolonel Munro, zijne vrienden, zijne metgezellen, hadden niets meer te vreezen, noch van den nabob, noch van de Hindoes, die hem aanhingen, noch van de Dacoits, waarvan hij in dit gedeelte van Bundelkund een geduchte bende gevormd had.

Op het geraas der ontploffing waren de soldaten van den post van Jubbulpore in aanzienlijken getale naar buiten gesneld. Wat van de metgezellen van Nana Sahib overbleef, zich zonder chef bevindende, was dadelijk op de vlucht gegaan.

Kolonel Munro maakte zich bekend. Een half uur later, bevonden allen zich aan het station, alwaar zij in overvloed vonden wat hun ontbrak en vooral de levensmiddelen, die zij het dringendst noodig hadden.

Lady Munro werd tijdelijk geherbergd in een comfortabel hotel, totdat de gelegenheid zich voordeed haar naar Bombay te vervoeren. Daar hoopte Sir Edward Munro haar, die nog slechts een lichamelijk leven leidde, het zieleleven terug te geven, want zoolang [161]zij haar verstand niet had teruggekregen, zou zij immers altijd dood voor hem zijn!

»Arme Reus!” riep kapitein Hod uit. Blz. 160.

»Arme Reus!” riep kapitein Hod uit. Blz. 160.

Trouwens, niemand zijner vrienden wanhoopte aan de aanstaande [162]genezing van lady Munro. Allen wachtten met vertrouwen een gebeurtenis af, die alleen in staat was een omkeering in het leven van den kolonel te brengen.

Men besloot, reeds den volgenden dag naar Bombay te vertrekken. De eerste trein zou al de gasten van het Stoomhuis naar de hoofdstad van West-Indië terugbrengen. Ditmaal zou het de gewone locomotief zijn, die hen zou medevoeren en niet meer de onvermoeide IJzeren Reus, waarvan nu nog slechts vormlooze overblijfselen hier en daar verspreid lagen.

Maar, noch kapitein Hod, zijn dweepende bewonderaar, noch Banks, zijn schrandere maker, noch iemand van de leden der expeditie, zouden ooit het »getrouwe dier” vergeten, wien zij eindelijk een werkelijk leven hadden toegekend. Nog lang zou het geraas der ontploffing, die hem vernietigd had, in hunne herinnering nablijven.

Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat Banks, kapitein Hod, Maucler, Fox, Goûmi, alvorens Jubbulpore te verlaten, eerst nog eens naar het tooneel der ramp wilden terugkeeren.

Er was blijkbaar niets meer van de bende der Dacoits te vreezen. Nochtans, toen de ingenieur en zijn metgezellen aan den post der Vindhyas kwamen, voegde zich uit overmaat van voorzichtigheid een detachement soldaten bij hen, waarmede zij tegen elf uren den ingang van den bergpas bereikten.

Al dadelijk vonden zij vijf of zes verminkte lijken over den grond verspreid. Het waren die der aanvallers, die zich op den IJzeren Reus geworpen hadden, om Nana Sahib te bevrijden.

Maar dat was ook alles. Van het overige der bende was geen spoor meer te vinden. Inplaats van naar hun oude schuilplaats van Ripore terug te keeren, die trouwens nu bekend was, hadden de laatste aanhangers van Nana Sahib zich overal door de vallei der Nerbudda verspreid.

Wat den IJzeren Reus betreft, deze was geheel door de ontploffing van den stoomketel vernield. Een zijner groote pooten was tot op verren afstand weggeslingerd. Een gedeelte van zijn snuit, tegen de berghelling geworpen, was er in vast blijven zitten en stak er uit als een reusachtige arm. Overal geblakerde stukken plaatijzer, krammen, klinkbouten, roosters, overblijfselen van cilinders, stukken geledingen. Op het oogenblik der ontploffing, toen de belaste veiligheidskleppen den stoom geen uitweg meer konden verschaffen, moet zijn spanning zeker vreeselijk geweest zijn en misschien twintig atmosfeeren hebben overtroffen.

En nu, van den kunstmatigen olifant waarop de gasten van het Stoomhuis zoo trotsch waren, van dien kolos, die de bijgeloovige bewondering der Hindoes uitlokte, van het mechanische meesterstuk van den ingenieur Banks, van dien verwezenlijkten droom [163]van den fantastischen rajah van Bouthan, bleef niets meer over dan een onherkenbaar karkas, zonder eenige de minste waarde!

»Arm dier!” kon kapitein Hod zich niet weerhouden uit te roepen bij het lijk van zijn waarden IJzeren Reus.

»We kunnen een ander vervaardigen... een ander, die nog machtiger zal zijn!” zeide Banks.

»Ongetwijfeld,” antwoordde de kapitein, een diepe zucht loozende, »maar onze IJzeren Reus zal het toch niet meer zijn!”

Terwijl zij zich met dit onderzoek bezighielden, kwam het den ingenieur en zijnen metgezellen in de gedachte rond te zien of niet hier of daar eenige overblijfselen van Nana Sahib zouden te vinden zijn. Bij gebrek van het gelaat van den nabob, overigens zoo gemakkelijk te herkennen, zou de hand waaraan een vinger ontbrak hun voldoende geweest zijn om de identiteit te bevestigen. Zij zouden dit onbetwistbare bewijsstuk van den dood van hem, dien men niet meer met zijn broeder Balao Rao kon verwarren, wel in hun bezit gehad willen hebben.

Maar geen der bloedige overblijfselen, die over den grond verspreid lagen, scheen hem te hebben toebehoord, die Nana Sahib was. Hadden zijne dweepzieke volgelingen tot het laatste spoor zijner overblijfselen medegenomen? Het was meer dan waarschijnlijk.

Het gevolg hiervan zoude zijn dat, daar er geen enkel zeker bewijs was van den dood van Nana Sahib, de legende hare rechten wederom zou doen gelden en dat, in den geest der bevolking van Centraal-Indië, de nabob altijd voor levend zou doorgaan, in afwachting dat men een onsterfelijken god van het oude opperhoofd der Sipayers maakte.

Doch Banks en de zijnen konden moeielijk gelooven, dat Nana Sahib de ontploffing had kunnen overleven.

Zij kwamen aan het station terug, evenwel niet zonder dat kapitein Hod een stuk van een der slagtanden van den IJzeren Reus had opgeraapt,—een kostbaar overblijfsel, dat hij als een souvenir wilde bewaren.

Den volgenden dag, 4 October, verlieten allen Jubbulpore in een waggon, die ter beschikking van kolonel Munro en zijn personeel gesteld was. Vier en twintig uren later passeerden zij de westelijke Ghâtes, deze Hindostansche Andes, die zich over een lengte van drie honderd zestig mijlen uitstrekken, te midden van dichte bosschen vijgeboomen, ahornboomen, teks, vermengd met palmboomen, kokosboomen, areks of pinangpalmen, peperboomen, sandelboomen, bamboes. Eenige uren later, zette de trein hen af op het eiland Bombay, dat met de eilanden Salcetti, Elephanta en anderen een prachtige reede vormt, aan welker zuidoostelijk uiteinde de hoofdstad van het Presidentschap gelegen is.

Kolonel Munro zou niet in deze groote stad blijven, waar Arabieren, [164]Perziërs, Banyanen, Abyssiniërs, Passis of Guèbres, Scindiërs, Europeanen van alle landen, en zelfs,—naar het schijnt,—Hindoes elkander verdringen.

De geneeskundigen, geraadpleegd over den toestand van lady Munro, rieden aan haar naar een villa in de omstreken te brengen, waar de kalmte, gevoegd bij hunne dagelijksche zorgen en de onophoudelijke toewijding van haren echtgenoot, ongetwijfeld een heilzame uitwerking moest tengevolge hebben.

Een maand ging op deze wijze voorbij. Geen enkele van de metgezellen van den kolonel, geen enkele zijner bedienden had er aan gedacht hem te verlaten. Op het tijdstip, dat niet ver meer verwijderd was en waarop zich verschijnselen van genezing bij de jonge vrouw begonnen voor te doen, wilden ze allen tegenwoordig zijn.

Eindelijk was die lang gewenschte dag daar. Langzamerhand kreeg lady Munro hare vermogens terug. Die rijk begaafde geest begon weder te denken. Van hetgeen eens de Dwalende Vlam geweest was, bleef niets meer over, zelfs niet de herinnering.

»Laurence! Laurence!” had de kolonel uitgeroepen, en lady Munro, hem eindelijk herkennende, was in zijne armen gevallen.

Een week later, waren de gasten van het Stoomhuis in den bungalow te Calcutta vereenigd. Daar zou een leven beginnen, zeer verschillend van dat, hetwelk tot nog toe in de weelderige woning geleid was. Banks moest er den tijd doorbrengen, dien zijne werkzaamheden hem vrij lieten en kapitein Hod de verloftijden waarover hij zou kunnen beschikken. Wat Mac Neil en Goûmi betreft, zij behoorden tot het huis en zouden zich nooit meer van kolonel Munro scheiden.

Op dit tijdstip was Maucler verplicht Calcutta te verlaten om naar Europa terug te keeren. Hij deed dit terzelfdertijd als kapitein Hod, wiens verlof om was en dien de getrouwe Fox naar de militaire kantonnementen van Madras ging volgen.

»Vaarwel, kapitein,” zei kolonel Munro tot hem. »Het doet me genoegen, dat ge geen berouw hebt over uw reis door Noord-Indië, of het zou moeten zijn dat ge uw vijftigsten tijger niet geschoten hebt!”

»Wel, hij is geschoten, kolonel.”

»Wat! Is hij geschoten?”

»Wel zeker,” antwoordde kapitein Hod. »Negen en veertig tijgers en... Kâlagani... is dat geen vijftig?” [165]

DOKTER OX.

[167]
[Inhoud]

I.

Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft op te zoeken, zelfs niet op de beste kaarten.

Zoo ge het stadje Quiquendone op een kaart van Vlaanderen mocht willen opzoeken, hetzij een oude of een nieuwe, zoudt ge het waarschijnlijk niet vinden. Is Quiquendone dan een van die steden, welke van de aarde verdwenen zijn? Niet? Een stad in haar opkomst dan? Ook niet. De stad bestaat, wat de aardrijkskundigen ook mogen beweren, en ze bestaat wel al acht of negen eeuwen. Ze telt zelfs twee duizend drie honderd drie en negentig zielen, aannemende dat ieder inwoner een ziel heeft. Quiquendone ligt dertien en een halve kilometer ten Noordwesten van Oudenaarde [168]en vijftien en een kwart kilometer ten Zuid-oosten van Brugge, in ’t hartje van Vlaanderen dus. De Vaar, een bijriviertje van de Schelde, loopt er midden door, en er zijn drie bruggen over geslagen in middeleeuwschen stijl, zooals men er ook te Doornik vindt. Verder kan men er een oud kasteel bewonderen, waarvan de eerste steen gelegd werd in 1197 door Graaf Boudewijn, den toekomstigen Keizer van het Ottomanische Rijk, en een stadhuis met gothische vensters, versierd met kanteelen en prijkende met een kolossalen klokketoren van drie honderd zeven en vijftig voet hoogte. Elk uur laat zich daar een klokkenspel van vijf octaven hooren; dat is een ware luchtpiano, nog vermaarder dan het beroemde carillon van Brugge. Als er vreemdelingen komen in Quiquendone—zoo dat al ooit gebeurd is—verzuimen zij nooit de zaal der stadhouders te bezoeken, waar het portret van Willem den Zwijger prijkt, door Brandon geschilderd; de kerk, een meesterstuk van bouwkunst uit de zestiende eeuw; de drinkwaterput met een bewonderenswaardig ijzeren hek van Quinten Metsys; het graf, vroeger bestemd voor Maria van Bourgogne, die thans in de Notre Dame te Brugge rust, en andere merkwaardigheden meer. De voornaamste tak van nijverheid te Quiquendone bestaat in de vervaardiging van zeker roomgebak, waarvoor zij beroemd is, en van suikerwerkjes op groote schaal. Sedert eeuwen staat de stad onder bestuur van de familie Van Tricasse, in welke familie die waardigheid van vader op zoon overgaat. Toch komt Quiquendone op de kaarten van Vlaanderen maar niet voor! Hebben de aardrijkskundigen haar vergeten, of misschien met opzet weggelaten? Dat zou ik u niet kunnen zeggen, maar wel weet ik, dat het stadje met zijn nauwe straten, zijn wallen, zijn Spaansche huizen, zijn stadhuis en zijn burgemeester bestaat,—en, wat boven alles bewijst dat het bestaat, is dat er zich onlangs verrassende, buitengewone, even onwaarschijnlijke als waarachtige tooneelen voordeden, waarvan ik u thans een getrouw verhaal zal leveren.

Men moet me geen kwaad spreken van de Vlamingen in West-Vlaanderen! Het zijn welgezeten, brave, spaarzame, gezellige, gastvrije lieden; misschien zijn ze niet erg rad van tong en vlug van geest, maar dat is nog geen reden, waarom een van hun meest belangwekkende steden nog altijd op een plaatsje in den atlas moet wachten.

Zij gaf haren vader een gestopte pijp. Blz. 171.

Zij gaf haren vader een gestopte pijp. Blz. 171.

Dat is een betreurenswaardig verzuim! Spraken nu nog maar de geschiedenis, of althans de kronieken, of zelfs maar de gewestelijke overleveringen van Quiquendone! Maar neen, noch atlassen, noch gidsen, noch reisbeschrijvingen spreken er van. Ieder gevoelt, hoe zeer dit den handel en de nijverheid eener stad moet benadeelen, doch we dienen gauw op te merken, dat Quiquendone noch nijverheid noch handel bezit en er best buiten kan. Ook ’t suikerwerk [169]en het roomgebak, die het vervaardigt, vinden hun man op de plaats zelve en gaan niet naar buiten. Kortom, de Quiquendoners hebben geen mensch noodig. Ze hebben maar weinig wenschen, [170]ze leven zeer eenvoudig, ze zijn kalm, matig, koel, flegmatisch, in een woord, echte Vlamingers!

[Inhoud]

II.

Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over de belangen der stad spreken.

»Zoudt ge dat denken?” vroeg de burgemeester.

»Ja, dat denk ik,” antwoordde de wethouder na eenige minuten zwijgens.

»Maar ’t zou zeer bedenkelijk zijn lichtvaardig een besluit te nemen,” hernam de burgemeester.

»Ja, dat is zoo, waarde Van Tricasse,” gaf de wethouder Niklausse ten antwoord. »Ik wil u wel zeggen, we zijn nu tien jaren over de gewichtige zaak bezig, maar ik kan er nog niet toe komen een besluit te nemen.”

»Ik kan mij zeer goed verklaren, dat gij aarzelt,” antwoordde de burgemeester, na zich een goed kwartier bedacht te hebben. »Ik kan mij verklaren dat ge aarzelt, en ik zelf aarzel ook. We zullen het best doen door nog niet te beslissen en eerst de zaak eens nauwkeurig te overwegen.”

»Zeker is het,” hernam Niklausse, »dat de plaats van commissaris van politie in een zoo rustige stad als Quiquendone overbodig is.”

»Onze voorganger,” gaf Van Tricasse op ernstigen toon ten antwoord, »onze voorganger zeide nimmer, zou nimmer hebben durven zeggen, dat dit of dat zeker was. ’t Is altijd mogelijk, dat het later berouwt zoo iets stelligs gezegd te hebben.”

De wethouder trok met een bevestigend gebaar de wenkbrauwen op en liet zich in ongeveer een half uur niet hooren. Al dien tijd verroerden de wethouder en de burgemeester geen vin. Daarna vroeg Niklausse aan Van Tricasse, of zijn voorganger, die een twintig jaar geleden gestorven was, ook nooit eens op de gedachte gekomen was, die commissaris-betrekking op te heffen, welke toch elk jaar de stad Quiquendone met een uitgaaf van dertien honderd vijf en zeventig frank en eenige centimes bezwaarde.

»Welzeker,” antwoordde de burgemeester, die met een gewichtig gebaar de hand aan zijn voorhoofd bracht, »welzeker, maar die waardige man stierf voordat hij een besluit genomen had, hetzij [171]ten opzichte van deze zaak, hetzij ten opzichte van eenige andere zaak van administratieven aard. Hij deed wijs. Waarom zou ik ook zoo niet doen?”

De wethouder Niklausse kon geen enkele reden bedenken, waarom de burgemeester niet ook zoo zou doen.

»De man die als hij sterft, zeggen kan nooit in zijn leven tot een besluit gekomen te zijn,” ging Van Tricasse op deftigen toon voort, »heeft in dit ondermaansche bijna het volmaakte bereikt.”

Toen de burgemeester dit gezegd had, drukte hij op de veer eener schel, die een nauw hoorbaar geluid gaf. Bijna op hetzelfde oogenblik gleed iemand met zachte schreden over de vloersteenen. Een muis had op een dik tapijt niet minder leven kunnen maken. De kamerdeur had op hare goedgesmeerde hengsels gedraaid, en een jong meisje met lange blonde vlechten was binnengekomen. Het was Suze Van Tricasse, de eenige dochter van den burgemeester. Zij gaf haren vader een gestopte pijp en zette een koperen komfoortje neer; zonder een woord te spreken verdween zij weder, even onhoorbaar als zij gekomen was.

De burgervader stak den eerbiedwaardigen inhoud van zijn rooktoestel aan en hulde zich weldra in een wolk van blauwen rook, terwijl de wethouder Niklausse in diep gepeins verzonken bleef.

Het vertrek, waarin deze beide bestuurders van Quiquendone hun gesprek voerden, was een spreekkamer, waarin rijke versierselen van snijwerk in donker hout waren aangebracht. Een geheele wand werd ingenomen door een geweldigen vuurhaard, waarop een os gebraden had kunnen worden; daartegenover bevond zich een venster met in lood gevatte ruitjes, welker schilderwerk het daglicht temperde. Boven den schoorsteen hing in een ouderwetsche lijst een portret, naar men zeide van Hemlïng, dat een der voorvaderen der Van Tricasses moest voorstellen, een geslacht, dat stellig opklimt tot de veertiende eeuw, in den tijd toen de Vlamingen strijd moesten voeren met Keizer Rudolf van Habsburg.

Die spreekkamer was een vertrek in het huis van den burgemeester, dat een der aangenaamste woningen van de stad was. Het was naar Vlaamschen trant gebouwd en had al het verrassende, grillige, schilderachtige van den spitsbogenstijl; het behoorde dan ook tot de merkwaardigste monumenten der stad.

In een klooster van Karthuizer monniken of een instituut voor doofstommen had het niet stiller kunnen zijn dan in dat huis. Niets verstoorde er de stilte; men liep niet, maar gleed over den vloer; men praatte niet, maar lispelde. Toch waren er vrouwen in huis, en wel de vrouw van den burgemeester, Mevrouw Brigitta Van Tricasse, hare dochter, Suze Van Tricasse, en een dienstmeisje, Lotje Janssen. Voorts woonde er nog de zuster van den burgemeester, Tante Hermance, een oude-jongejuffrouw, die nog luisterde [172]naar den naam van tantetje, zooals haar nichtje Suze, toen die nog een klein meisje was, haar noemde. Niettegenstaande er dus bouwstoffen te over waren voor oneenigheid, gedruisch en gebabbel, was het in de woning van den burgemeester rustig als in de woestijn.

De burgemeester was iemand van een vijftig jaren, niet dik en niet mager, niet groot en niet klein, niet blozend en niet bleek, niet vroolijk en niet somber, niet tevreden en niet pruilerig, niet ferm en niet flauw, niet trotsch en niet nederig, niet goed en niet kwaad, niet mild en niet gierig, niet dapper en niet laf, niet te veel en niet te weinig,—ne quid nimis,—een man die in alles de maat hield. De burgemeester Van Tricasse was het flegma in eigen persoon; dat had een gelaatskenner dadelijk gezien aan de onverstoorbare langzaamheid van zijne bewegingen, aan zijne eenigszins hangende benedenkaak, aan zijn voortdurend opgetrokken wenkbrauwen, aan zijn glad rimpeloos voorhoofd. Nimmer had, hetzij door toorn, hetzij door hartstocht, eenige aandoening dezen man het hart sneller doen kloppen of zijn gelaat doen kleuren, nooit waren zijne wenkbrauwen door drift samengetrokken, al ware het ook slechts voor een oogenblik. Hij had altijd goede kleeren aan, niet te wijd en niet te nauw, en kon ze ook niet verslijten. Hij droeg altijd groote schoenen met zilveren gespen en driedubbele zolen, die door hun groote duurzaamheid zijn schoenmaker tot wanhoop brachten. Zijn hoofd was bedekt met een breeden hoed, die nog dagteekende van den tijd toen Vlaanderen voor goed van Nederland gescheiden werd, zoodat dit hoofddeksel den achtenswaardigen leeftijd van veertig jaren bereikt had.

Hoe kon het ook anders? Hartstochten doen het lichaam zoowel als de ziel slijten, en de kleedingstukken zoowel als het lichaam, en onze kalme, rustige, onverschillige burgemeester had geen hartstochten. Hij zorgde wel, dat hij niet versleet en hij zorgde er ook wel voor, dat hij niet sleet; daardoor kwam hij zich zelf uiterst geschikt voor, om de stad Quiquendone en haar rustige inwoners te besturen.

De stad toch was niet minder rustig dan de woning van haar burgemeester, en in dat vreedzame verblijf dacht de waardige Van Tricasse zoolang mogelijk het einde zijner dagen af te wachten, in elk geval zoolang tot de goede Mevrouw Brigitta Van Tricasse, zijn vrouw, hem in het graf was voorgegaan, waar zeker haar rust niet grooter kon zijn dan die zij nu reeds sinds zestig jaren hier op aarde smaakte.

Dit vereischt een nadere uitlegging.

Ieder kent de geschiedenis van den man, die al wel vijfentwintig jaren éen mes gebruikt had, maar ook het hecht vernieuwde zoodra het niet meer deugde, en een ander lemmer nam als dit niet goed meer was. Precies iets dergelijks gebeurde ook sedert onheuglijke [173]tijden in de familie Van Tricasse, en de natuur had er zich met zeldzame welwillendheid in gevoegd.

Nu was Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevr. Brigitta Van Tricasse. Blz. 174.

Nu was Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevr. Brigitta Van Tricasse. Blz. 174.

[174]

Sedert het jaar 1340 was het onveranderlijk gebeurd, dat een Van Tricasse, zoodra hij weduwnaar was geworden, hertrouwd was met een jongere Van Tricasse, die, zoodra zij weduwe was geworden, een nieuw huwelijk aanging met een jongeren Van Tricasse, die, werd hij weduwnaar... enz. enz. in een oneindige reeks door. Ieder lid der familie stierf als het zijn beurt was.

Nu was de thans levende Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevrouw Brigitta Van Tricasse, die, wilde zij niet in al hare plichten tekortschieten, haar tien jaren jongeren echtgenoot naar de andere wereld moest voorgaan, teneinde plaats te maken voor een nieuwe Van Tricasse. Daar rekende de achtbare burgemeester stellig op, opdat de overleveringen der familie niet geschonden zouden worden.

Zoo zag het er uit in dat vreedzame en stille huis, waar de deuren niet piepten, de vensters niet rammelden, de vloeren niet kraakten, de schoorsteenen niet snorden, de windhanen niet knersten, de meubels niet knapten, de sloten niet klepperden, en waar de bewoners niet meer gedruisch maakten dan hun schaduw. Harpocrates, de God der stilzwijgendheid, had dit verblijf zeker voor den tempel der rust verkozen.

[Inhoud]

III.

Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als onverwachte manier komt binnenvallen.

’t Was kwart vóor drie, toen het hiervoren vermelde gewichtige gesprek tusschen den wethouder en den burgemeester begon, ’t was kwart vóor vier, toen Van Tricasse zijn gewone pijp opstak, waarin een kwart ons tabak ging. Vijf minuten over half zes had hij haar opgerookt, en al dien tijd was tusschen beide personen geen woord gewisseld. Tegen zes uren maakte de wethouder, die zijn onderwerp niet gemakkelijk losliet, de opmerking:

»Besluiten we dus?...”

»Met niets te besluiten, ja,” was het antwoord van den burgemeester.

»’k Zou wel denken, dat ge ’t bij het rechte eind hadt, Van Tricasse.”

»Mij dunkt het ook, Niklausse. We zullen ten opzichte van den commissaris van politie wel eens een besluit nemen als wij beter op de hoogte zijn... later... ’t Komt er toch op geen maand aan...”

»O, zelfs op een jaar niet,” gaf Niklausse ten antwoord, terwijl [175]hij langzaam zijn zakdoek ontvouwde, waarvan hij overigens een bijna onmerkbaar gebruik maakte.

Het stilzwijgen werd wederom gedurende een uur tijds niet afgebroken. De rust werd door niets verstoord, zelfs niet door het binnenkomen van den hond Lento, die, even bedaard als zijn meester, zich door de kamer bewoog. Dat was een hond! Een waar model voor al zijn rasgenooten. Als hij van bordpapier geweest was met rolletjes onder de pooten, zou hij niet minder leven hebben kunnen maken.

Tegen acht uren, toen Lotje de ouderwetsche lamp had binnengebracht, zeide de burgemeester tot den wethouder:

»Is er geen andere dringende zaak af te doen, Niklausse?”

»Neen, Van Tricasse, zoover ik weet niet.”

»Wat ik zeggen wil; heb ik niet gehoord, dat de Oudenaardesche poort op inzakken stond?”

»Juist,” antwoordde de wethouder, »en wezenlijk, ’t zou mij niet verwonderen, als zij op den een of anderen dag boven een voorbijganger instortte.”

»Nu,” was het antwoord, »voordat dit gebeurt zullen we, hoop ik, daaromtrent wel een beslissing genomen hebben.”

»Dat hoop ik ook, Van Tricasse.”

»Er zijn zaken die meer haast hebben.”

»Zeker,” gaf de wethouder ten antwoord, »bijv. de zaak van het ledermagazijn.”

»Brandt dat nog altijd?” was de vraag.

»Nog altijd, sedert drie weken.”

»Hebben we in den Raad niet besloten het te laten branden?”

»Zeker, Van Tricasse, op uw voorstel nog wel.”

»Was dat niet het beste en eenvoudigste middel om den brand meester te worden?”

»Daar kan niemand iets tegen zeggen.”

»Wel, dan kunnen we ook wachten. Is dat alles?”

»Ja, dat is alles,” zeide de wethouder, met peinzend gelaat het hoofd krabbend, als om zich te vergewissen, dat hij niet de een of andere gewichtige zaak vergat.

»Wacht eens,” hernam de burgemeester, »hebt ge ook niet hooren spreken van een doorbraak, waardoor de laaggelegen wijk van St. Jacob dreigt onder te loopen?”

»Ja, juist,” was het antwoord. »Hoe jammer dat die doorbraak niet ontstond vlak boven het ledermagazijn! Dan was natuurlijk de brand gebluscht en bespaarde het ons vrij wat hoofdbrekens.”

»Och, die ongelukken kunnen zoo wonderlijk loopen,” sprak de waardige burgemeester. »Daar is hoegenaamd geen verband tusschen, en men kan maar niet van het eene gebruik maken om het andere te bestrijden.” [176]

De wethouder had eenigen tijd noodig om ten volle het fijne van die opmerking te beseffen.

»Maar hoe is het mogelijk,” riep een poos later de wethouder Niklausse uit, »hoe is het mogelijk, dat wij niet eens over de groote zaak spreken!”

»Welke groote zaak? Hebben wij dan een groote zaak?” vroeg de burgemeester.

»Wel zeker. De quaestie van de stedelijke verlichting immers!”

»O ja,” gaf de burgemeester ten antwoord. »Als mijn geheugen me niet bedriegt, bedoelt ge de verlichting door dien dokter Ox.”

»Juist.”

»Zoo; en hoe staat het er meê?”

»Best. De zaak marcheert goed. Men begint de buizen reeds te leggen; de fabriek is al klaar. Maar me dunkt, we haasten ons wel wat met die zaak,” zeide de wethouder, terwijl hij zijn schouders ophaalde.

»’t Kan zijn,” antwoordde de burgemeester, »maar we moeten niet vergeten, dat dokter Ox de proef geheel voor zijn rekening neemt. ’t Kost ons geen duit.”

»Ja, dat zegt heel veel. Men moet toch ook met zijn eeuw medegaan. Als de proef gelukt, zal Quiquendone de eerste stad van Vlaanderen zijn, die verlicht wordt met hydro-oxy.... Hoe heet dat gas ook weer?”

»Hydro-oxygeengas.”

»Nu, hydro-oxygeengas dan.”

Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Lotje den burgemeester zeggen, dat het avondmaal gereed stond. De wethouder Niklausse stond op om afscheid te nemen van den burgemeester, dien het nemen van zoovele besluiten en het behandelen van zoovele zaken geducht hongerig gemaakt hadden. Men besloot ten slotte over een vrij geruimen tijd den raad van notabelen bijeen te roepen, om te beslissen of men ook voorloopig eene beslissing zou nemen ten aanzien van den toren der Oudenaardesche poort.

Daarna gingen de beide waardige magistraatspersonen naar de deur, die op de straat uitkwam en liet de burgemeester den wethouder uit. Deze ontstak zijn lantaarntje, dat hem veilig door de donkere straten van Quiquendone moest brengen, die nog niet verlicht waren door het nieuwe gas van dokter Ox. ’t Was een donkere Octobernacht en er hing een lichte nevel over de stad.

’t Duurde een goed kwartier, voordat de wethouder Niklausse gereed was tot vertrekken, want nadat hij zijn lantaarn had ontstoken, moest hij nog zijn slobkousen aandoen en zijn dikke wollen handschoenen aantrekken. Vervolgens zette hij den gevoerden kraag van zijn overjas op, sloeg de klep van zijn muts neer, nam zijn stevigen parapluie in de hand en was toen eindelijk klaar. [177]

»Wat er is, ik kom van de woning van dokter Ox!” Blz. 178.

»Wat er is, ik kom van de woning van dokter Ox!” Blz. 178.

Juist toen Lotje den sluitboom van de deur zou nemen, werd plotseling eenig gedruisch van buiten hoorbaar.

Ja, dat klinkt nu wel onwaarschijnlijk, maar er was toch gedruisch, [178]zooals misschien in de gansche stad niet gehoord was sedert de bezetting door de Spanjaarden in 1563, en dat gedruisch riep al de slapende echo’s in het oude huis Van Tricasse wakker. Men duwde tegen de deur, die tot dusver nog nooit door eene hand onbehoorlijk was aangeraakt! Men klopte herhaaldelijk met een klinkend voorwerp, waarschijnlijk een knoestigen stok door een krachtige hand in beweging gebracht! Tusschen de slagen hoorde men roepen, schreeuwen en duidelijk kon men deze woorden verstaan:

»Mijnheer Van Tricasse! Mijnheer de burgemeester! Doe open, doe eens gauw open!”

De burgemeester was al even onthutst als de wethouder, en beiden keken elkander aan zonder een woord te spreken. Van zoo iets hadden zij geen begrip. Als men vlak vóor hen de oude veldslang had afgeschoten die op het kasteel stond en sedert 1385 niet gebruikt was, zouden de bewoners in het huis van Van Tricasse niet meer uit de lijken geslagen zijn dan nu.

Het geklop en het geschreeuw werd inmiddels steeds sterker. Eindelijk was Lotje zichzelve genoeg meester geworden om te durven roepen:

»Wie is daar?”

»Ik ben het! Ik!”

»Wie is ik?”

»De commissaris Passauf!”

Dat leven werd dus gemaakt door den commissaris van politie, terwijl er al tien jaar van gesproken was of die betrekking eigenlijk wel noodig was! Wat was er dan toch gebeurd? Hadden de inwoners van Bourguignon de stad Quiquendone bestormd, evenals in de 14e eeuw? Minstens zoo iets moest er gebeurd zijn om den commissaris Passauf zoodanig op te winden, want anders was hij al niet minder kalm en flegmatiek dan de Burgemeester zelf.

Van Tricasse gaf een teeken, want spreken kon de waardige man niet, en de sluitboom werd weggenomen en de deur geopend.

De commissaris kwam als een hoos de kamer binnenstormen.

»Wat is er toch, mijnheer de commissaris?” vroeg Lotje, een flinke meid, die zelfs in de bangste oogenblikken het hoofd niet verloor.

»Wat er is!” riep de commissaris, wiens groote ronde oogen van ontroering schitterden. »Wat er is? Ik kom van de woning van dokter Ox; daar was partij, en daar...”

»Nu, en daar?” vroeg de wethouder.

»Daar ben ik getuige geweest van een woordenwisseling die... Mijnheer de burgemeester, er is daar over politiek gesproken!”

»Over politiek,” herhaalde Van Tricasse, terwijl hij de kuif van zijn pruik opstreek.

»Over politiek,” hernam de commissaris, waarmede hij iets berichtte, [179]dat stellig in geen honderd jaar te Quiquendone gebeurd was. »Het gesprek is steeds levendiger geworden. De advocaat André Schut en de geneesheer Dominicus Custos hebben zulk een heftige woordenwisseling gehad, dat misschien een uitdaging....”

»Wat! een uitdaging!” riep de wethouder uit. »Een duel! Een duel te Quiquendone! En wat hebben de advocaat Schut en de geneesheer Custos wel gezegd?”

»Woordelijk dit: »Mijnheer de advocaat,” heeft de geneesheer tot zijn tegenpartij gezegd, »gij gaat eenigszins te ver, dunkt mij, en het schijnt, dat gij er niet genoeg op bedacht zijt uwe woorden te wegen!”

De burgemeester Van Tricasse sloeg de handen ineen. De wethouder werd bleek en liet zijn lantaarn vallen. Zulke krasse woorden, en dat door twee van de notabelste inwoners!

»Die geneesheer Custos,” mompelde Van Tricasse, »is zonder twijfel een gevaarlijk man, een heethoofd; laat ons de zaak overwegen, mijne heeren!”

Hierop begaven de wethouder Niklausse en de commissaris zich met den burgemeester in de spreekkamer.

[Inhoud]

IV.

Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute proeven neemt.

Wie is toch die man met dien zonderlingen naam, die dokter Ox? Een zonderling stellig, maar tegelijkertijd ook een stout geleerde, een natuurkundige, wiens talent door gansch Europa gewaardeerd wordt, een gelukkig mededinger van mannen als Davy, Dalton, Bostock, Menzie, Godwin, Vierordt, kortom van al die knappe menschen, die de natuurkunde tot een van de voornaamste vakken der hedendaagsche wetenschap verheven hebben.

Dokter Ox was een vrij gezet man van middelbare grootte; hij telde... neen, hoeveel jaren hij telde, zouden wij niet precies kunnen opgeven, ook niet waar hij vandaan kwam. Dat komt er ook trouwens minder op aan. Hij was, en dat is voldoende, een ongewoon personage, warmbloedig, snel in zijn bewegingen, in één woord een levende tegenstelling van de bewoners van Quiquendone.

In zich zelf en in zijn leer stelde hij een onverstoorbaar vertrouwen. ’t Was een lust hem te zien loopen met zijn eeuwigen [180]glimlach, met opgerichten hoofde, de borst flink en vrij met elke ademhaling zoo krachtig uitzettende. Levendig was hij, zeer levendig zelfs; kwikzilver had hij in de aderen, en hij liep als op spelden. Hij trippelde altijd heen en weer en sprak haastig en met veel beweging.

Was die dokter Ox dan rijk, dat hij op zijn kosten een gansche stad ging verlichten?

Misschien wel, anders doet men zulke uitgaven niet. Meer kunnen we op die onbescheiden vraag niet antwoorden.

’t Zal een vijf maanden geleden zijn, dat de dokter te Quiquendone kwam; hij was vergezeld van zijn assistent, luisterende naar den naam van Gideon Ygeen. Dat was een lange, magere man, die echter even levendig was als zijn patroon.

Maar waarom had dokter Ox aangenomen op zijne kosten de stad te verlichten? En waarom had hij nu juist de vreedzame Quiquendoners gekozen, de rustigste aller Vlamingen; waarom wilde hij hunne stad de weldaden doen genieten van een uitstekende gasverlichting? Kon het ook zijn, dat hij een of andere groote natuurkundige proef op het oog had en die in anima vili wilde uitvoeren? Wat wilde die man toch?

Hierop moeten wij het antwoord schuldig blijven, want dokter Ox had maar één vertrouwde, zijn assistent Ygeen, en die gehoorzaamde hem blindelings.

Naar het schijnt, had dokter Ox aangenomen de stad te verlichten; zij had er behoefte aan, vooral ’s nachts, zooals de commissaris Passauf zeer ter snede opgemerkt had. De inrichting was bijna klaar, en gasbuizen waren gereed het gas te doen stroomen in de sierlijke gasbekken, die in eenige openbare gebouwen en in de woningen van eenige vrienden van den vooruitgang aangebracht waren.

Van Tricasse, als burgemeester, en Niklausse, als wethouder, hadden gemeend in hunne woningen die nieuwe verlichting te moeten doen aanleggen, en eenige andere autoriteiten hadden gemeend hun voorbeeld te moeten volgen.

Dat gas toch was iets nieuws; het was geen gewoon koolwaterstofgas, gas dat uit steenkool gestookt wordt, neen, het hydro-oxygeengas was twintig maal helderder en werd gevormd door eene vermenging van hydrogenium en oxygenium, dus waterstof met zuurstof.

»’t Is in ’t belang van de wetenschap!” Blz. 183.

»’t Is in ’t belang van de wetenschap!” Blz. 183.

De dokter had als bekwaam scheikundige en vernuftig natuurkundige er een middel op gevonden, om het gas op groote schaal te verkrijgen en langs veel goedkooper weg dan de gewone manier. Heel eenvoudig ontleedde hij het water, waarin een zwak zuur was opgelost, met een door hem uitgedachte batterij, uit nieuwe elementen bestaande. De dure hulpmiddelen waren dus vermeden; zoo waren [181]geen platina, geen retorten, geen brandstoffen, geen fijnbewerkte toestel om de beide gassen afzonderlijk daar te stellen, meer noodig. Een electrische stroom liep door groote bakken vol water, en [182]de vloeistof werd ontleed in hare samenstellende deelen: oxygenium en hydrogenium. Het oxygenium ging langs den eenen weg, het hydrogenium, welks volume dubbel zoo groot was als dat van zijn ouden makker, ging den anderen kant uit. Beide gassen werden in afzonderlijke reservoirs opgevangen, dat was noodig, want anders zou er een verschrikkelijke ontploffing gevolgd zijn, als het eens in vlam geraakte. Door pijpen werden ze vervolgens naar de verschillende gasbekken gevoerd, die zoo zouden ingericht zijn, dat er geen ontploffing kon ontstaan. Dat alles zou een prachtige vlam geven, minstens gelijk aan het electrisch licht, dat, zooals iedereen uit de proeven van Casselmann weet, een lichtkracht heeft van niet meer en niet minder dan elf honderd een en zeventig waskaarsen.

Zonder twijfel zou de stad Quiquendone door deze edelmoedige onderneming een heerlijke verlichting rijk worden; maar daar was het dokter Ox en zijn assistent toch minder om te doen, gelijk uit het volgende blijken zal.

Juist den dag nadat de commissaris Passauf op zoo luidruchtige wijze bij den burgemeester was komen binnenstuiven, waren Gideon Ygeen en dokter Ox aan het praten in hun gemeenschappelijk werkvertrek in de benedenverdieping van de fabriek.

»Wel Ygeen, wat zegt ge er van?” riep dokter Ox uit, terwijl hij zich tevreden in de handen wreef. »Ge hebt gisteren op de partij die goede, koudbloedige Quiquendoners eens gezien, die, wat hartstochtelijkheid betreft, het midden houden tusschen sponzen en koraalgewassen. Ge hebt nu gezien, dat ze al beginnen te redetwisten en elkander met woorden en gebaren uitdagen. In geestelijk en lichamelijk opzicht waren ze reeds veranderd. Dat is nog maar een begin! Wacht nu eerst totdat we hun een grootere dosis geven!”

»Ik kan niet anders zeggen, dokter,” antwoordde Gideon Ygeen, terwijl hij met den wijsvinger langs zijn spitsen neus wreef, »dan dat de proef goed begint, en als ik niet zoo voorzichtig was geweest om de kraan te sluiten, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn.”

»Ge hebt gehoord wat die advocaat Schut en die geneesheer Custos zeiden,” hernam dokter Ox. »Op zichzelf waren de woorden zoo erg niet, maar voor een Quiquendoner zijn ze wel zoo kras als de gansche reeks van vloeken, die de helden van Homerus elkander naar het hoofd wierpen voordat ze van leer trokken. Ha, die Vlamingen, ge zult eens zien wat we daar nog van maken!”

»We zullen hen tot ondankbaren maken,” antwoordde Gideon Ygeen, op den toon van iemand die de menschheid op haar rechte waarde schat.

»Kom, kom!” was het antwoord van den dokter, »wat kan het ons schelen of ze er ons dankbaar voor zijn of niet, als onze proef maar gelukt.”

»Maar dan is het nog de vraag,” voegde zijn assistent er glimlachend [183]bij, »of wij, door hunne ademhalingswerktuigen zoo in opschudding te brengen, niet de longen van die brave bewoners van Quiquendone eenigszins van streek maken.

»Des te erger voor hen,” gaf de dokter ten antwoord. »Het is in het belang van de wetenschap. Stel u eens voor, dat honden of kikvorschen zich eens niet langer tot de vivisectie wilden leenen!”

Hoogstwaarschijnlijk zouden de honden en kikvorschen, als ze geraadpleegd werden, wel eenige bezwaren inbrengen tegen de verrichtingen der heeren vivisectionisten; dokter Ox bekreunde zich evenwel om die gissing niet veel en gaf een zucht van voldoening over zijn onwederlegbaar argument.

»Alles wèl beschouwd, dokter, hebt ge gelijk,” gaf Gideon Ygeen met berusting ten antwoord. »We konden eigenlijk nergens beter terechtkomen dan bij deze inwoners van Quiquendone.”

»Neen, dat konden we zeker niet,” zeide de dokter met eenigen nadruk op elke lettergreep.

»Hebt ge den pols van die menschen wel eens gevoeld?”

»Wel honderd maal.”

»En hoeveel slagen gemiddeld?”

»Geen vijftig in de minuut. Maar begrijp ook eens; een stad waar sedert een eeuw geen schijn of schaduw van woordenwisseling bestond, een stad waar de karrelui niet vloeken, waar de koetsiers niet schelden, waar de paarden niet hollen, waar de honden niet bijten, waar de katten niet krabben! Een stad waar het kantongerecht het eene jaar in, het andere uit, geen politieovertredingen te behandelen heeft! Een stad waar men zich om geen enkele zaak warm maakt, om geen kunsten, om geen zaken! Een stad waar gendarmes tot de mythe behooren, waar in geen honderd jaar een procesverbaal is opgemaakt! Een stad ten slotte, waar in de laatste drie eeuwen geen klap of stomp toegediend is! Ge begrijpt nu toch, Ygeen, dat zoo iets niet langer kan voortduren, en dat wij daarin eens verandering zullen brengen.”

»Prachtig! Overheerlijk!” gaf de assistent met geestdrift ten antwoord. »Maar de lucht, dokter, hebt ge die onderzocht?”

»Natuurlijk. Negen en zeventig deelen stikstof en twintig deelen zuurstof, koolzuur en waterdamp in veranderlijke hoeveelheid. Dat zijn de gewone verhoudingen.”

»Best, dokter, best,” antwoordde Ygeen. »De proef zal grootsch zijn en beslissend.”

»En als ze beslissend is,” voegde dokter Ox er met een zegepralend lachje bij, »dan herscheppen wij de wereld!” [184]

[Inhoud]

V.

Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter Ox en hetgeen daaruit voortvloeit.

De wethouder Niklausse en de burgemeester Van Tricasse wisten nu eens wat een onrustige nacht was. Ze hadden letterlijk niet kunnen slapen van het ernstige voorval ten huize van dokter Ox. Welke gevolgen kon die zaak wel hebben? Ze konden het zich niet voorstellen. Moest er een besluit genomen worden? Zou het gemeentebestuur, in hunne personen vertegenwoordigd, genoodzaakt zijn tusschenbeide te komen? Moesten er besluiten afgevaardigd worden, om te zorgen dat een dergelijk schandaal niet meer voorkwam?

Die twijfel bracht natuurlijk een groote stoornis in hun vreedzaam karakter teweeg. Voordat zij scheidden evenwel, hadden de beide notabelen »besloten” er morgen nog eens over te praten.

Den volgenden dag, nog vóór tafel, begaf de burgemeester Van Tricasse zich in persoon naar den wethouder Niklausse. Hij trof zijn vriend in veel bedaarder gemoedstoestand aan. Hij zelf had weer al zijn waardigheid hernomen.

»Iets nieuws?” was zijn vraag.

»Sinds gisteren niet,” antwoordde Niklausse.

»Hoe is het met den geneesheer Dominicus Custos?”

»Ik heb er evenmin iets van gehoord als van den advocaat André Schut.”

Na een gesprek van een uur, waarvan de inhoud in drie regels zou te vermelden zijn en dat daarom nutteloos zou zijn over te brengen, hadden de burgemeester en de wethouder wezenlijk besloten dokter Ox een bezoek te gaan brengen, teneinde ongemerkt eenige inlichtingen uit hem te trekken.

Nadat, geheel tegen hunne gewoonte in, dit besluit genomen was, vonden de twee notabelen zich verplicht, het onmiddellijk uit te voeren. Zij verlieten het huis en richtten zich naar de fabriek van dokter Ox, buiten de stad, bij de poort van Oudenaarde gelegen,—dezelfde waarvan de toren bijna inviel.

De burgemeester en de wethouder liepen niet gearmd, maar zij liepen passibus aequis, met langzame en deftige schreden, die hen nauwelijks dertien duim per seconde vooruitbracht. ’t Was trouwens de gewone gang hunner onderhoorigen, die bij menschen geheugen, nooit iemand hard hadden zien loopen in de straten van Quiquendone.

Van tijd tot tijd hielden de twee notabelen op den hoek van een stille straat eens op om de menschen te groeten. [185]

»Wat, niet vlug!” Blz. 187.

»Wat, niet vlug!” Blz. 187.

»Goeden dag, mijnheer de burgemeester,” zei de een.

»Goeden dag, mijn vriend”, antwoordde Van Tricasse.

»Niets nieuws, mijnheer de wethouder?” vroeg de ander. [186]

»Niets nieuws,” antwoordde Niklausse.

Maar toch kon men aan zekere verwonderde gezichten, aan zekere vragende blikken merken, dat de woordenwisseling van den vorigen avond in de stad bekend was. Alleen reeds aan de door Van Tricasse gevolgde richting, kon de domste inwoner van Quiquendone raden, dat de burgemeester een ernstigen stap ging nemen. De zaak Custos en Schut hield aller gedachten bezig, maar men was er nog niet aan toe om partij voor den een of ander te trekken. Die advocaat en die geneesheer waren toch inderdaad beiden zeer geachte personages. De advocaat Schut, die nooit in de gelegenheid geweest was te pleiten in een stad, waar de prokureurs en de deurwaarders slechts voor de leus bestonden, had dus ook nooit een proces verloren. Wat den geneesheer Custos betreft, ’t was een achtenswaardige prakticus, die, op het voetspoor zijner collega’s, hunne zieken van alle ziekten genazen, uitgenomen van die waaraan zij stierven. ’t Was een noodlottige gewoonte, die, ongelukkig genoeg, aangenomen is door al de leden van al de Faculteiten, in welk land ze ook praktiseeren.

Toen ze bij de poort van Oudenaarde waren aangekomen, namen de wethouder en de burgemeester voorzichtig een klein omwegje om niet te dicht in den omtrek van den toren te komen, die dreigde omver te vallen; daarna bekeken ze hem met aandacht.

»’k Denk dat hij vallen zal,” zei Van Tricasse.

»’k Denk het ook,” antwoordde Niklausse.

»Of men moet hem stutten,” voegde Van Tricasse erbij. »Maar moeten we ’m stutten? Dat is de vraag.”

»Dat is juist de vraag,” antwoordde Niklausse.

Eenige oogenblikken later meldden ze zich aan de fabriek aan.

»Is dokter Ox te spreken?” vroegen zij.

Dokter Ox was voor de eerste magistraatspersonen der stad altijd te spreken en deze werden dan ook dadelijk in de spreekkamer van den beroemden natuurkundige ontvangen.

Het kan wel een uur zijn dat de twee notabelen moesten wachten, voordat de dokter verscheen. Er bestaat althans alle grond het te gelooven, want de burgemeester—en dit was hem nog nooit in zijn leven gebeurd—toonde zich wel een beetje ongeduldig, waarvan zijn collega ook niet was vrij te pleiten!

Eindelijk trad dokter Ox binnen en begon met zich te verontschuldigen de heeren te hebben laten wachten, maar een nieuw model van een gasmeter, het verbeteren van een vertakking van gasbuizen... Overigens, alles ging goed! De geleidingen voor het oxygenium waren al gesteld. Over eenige maanden zou de stad het voorrecht genieten eener prachtige verlichting. De twee notabelen konden de monden der buizen reeds zien, die in de spreekkamer van den dokter uitkwamen. [187]

Daarna verzocht de dokter de reden te mogen weten van de eer, die hij genoot den burgemeester en den wethouder bij zich aan huis te mogen ontvangen.

»Maar, enkel u eens te zien, dokter, u eens te zien,” antwoordde Van Tricasse. »’t Is al zoo lang geleden, dat we dat genoegen niet mochten smaken. We gaan weinig uit in ons goede Quiquendone. We tellen onze passen en meten onze schreden af. Gelukkig als niets de eentoonigheid komt verstoren...”

Niklausse keek ter sluiks zijn vriend eens aan. Zijn vriend had nooit zoo lang achtereen gesproken,—althans zonder tusschenpoozen en oogenblikken van plechtige stilte. Hij vond dat Van Tricasse zich met een zekere radheid van tong uitdrukte als hij nog nooit van hem gehoord had. Niklausse zelf gevoelde een onweerstaanbaren lust tot spreken.

Dokter Ox van zijn kant keek den burgemeester guitig aan.

Van Tricasse, die nooit redeneerde of hij moest zich eerst gemakkelijk in een goeden leunstoel gezet hebben, was ditmaal opgestaan. Een zekere zenuwachtige overspanning, geheel in strijd met zijn gewone kalme gemoedsstemming, had zich van hem meester gemaakt. Hij gesticuleerde nog wel niet, maar ook dat zou niet lang uitblijven. Wat den wethouder aangaat, hij wreef zich de kuiten en haalde lang en diep adem. Zijn oog verhelderde zich langzamerhand en hij was werkelijk »besloten” om, als het moest, zijn getrouwen vriend den burgemeester, het mocht gaan zoo het wilde, bij te staan.

Van Tricasse was opgestaan, hij had eenige schreden gedaan en was toen weder tegenover den dokter gaan zitten.

»En over hoeveel maanden,” vroeg hij hem met zekeren nadruk, »over hoeveel maanden denkt u met uw werkzaamheden gereed te zijn?”

»Over drie of vier maanden, mijnheer de burgemeester,” antwoordde dokter Ox.

»Over drie of vier maanden, dat is veel!” zeide Van Tricasse.

»Veel te veel!” riep Niklausse, die het op zijn plaats niet langer kon uithouden en bij hem was komen staan.

»Ja, zooveel tijd hebben wij noodig om met ons werk gereed te komen,” antwoordde de dokter. »We hebben onze werklieden hier uit de stad moeten halen, en die zijn niet vlug.”

»Wat, niet vlug!” schreeuwde de burgemeester, die dat woord als een persoonlijke beleediging scheen op te vatten.

»Neen, mijnheer de burgemeester,” hield dokter Ox vol. »Een Fransch werkman werkt op éen dag zoo hard als tien van de uwen. U begrijpt, ’t zijn echte Vlamingen!...”

»Vlamingen!” riep de wethouder Niklausse uit, wiens vingers begonnen te jeuken. »In welken zin, Mijnheer, vat gij dat woord op?” [188]

»Wel, in den zelfden... vleienden zin als ieder ander,” gaf de dokter met een glimlach ten antwoord.

»Hoor eens, Mijnheer!” zeide de burgemeester, terwijl hij met groote stappen heen en weer liep, »’k houd niet van die draaierijen. De werklieden van Quiquendone doen niet onder voor de werklieden uit welke stad ter wereld ook, begrijpt u, en Londen noch Parijs hebben we ons tot voorbeeld te stellen! Overigens verzoek ik u met het werk, dat u onderhanden hebt, haast te maken. Onze straten zijn opgebroken voor het leggen der gasbuizen; dat hindert het verkeer. De handel zal er over klagen, en ik, de verantwoordelijke bestuurder, verkies niet verwijten te hooren, waarvoor maar al te veel reden zou bestaan!”

Flink gesproken, burgemeester. Daar hoort moed toe, van handel, van verkeer te spreken, als men aan die woorden niet gewoon is. Maar wat scheelde hem toch?

»En dan,” voegde Niklausse er bij, »kan de stad ook niet langer van verlichting verstoken blijven.”

»Acht of negen eeuwen lang heeft men het toch wel zonder gedaan,” antwoordde de dokter.

»Reden te meer, Mijnheer,” sprak de burgemeester met veel nadruk: »Andere tijden, andere zeden! De wereld gaat vooruit, en wij willen niet achter blijven! Binnen een maand dienen onze straten verlicht te zijn, of ge zult voor elken dag vertraging een aanzienlijke schadeloosstelling te betalen hebben! Waar zou het heen, als in die duisternis eens ruzie ontstond?”

»Verschrikkelijk!” riep Niklausse. »Er is maar een kleinigheid noodig om den strijdlust van een Vlaming te doen ontvlammen! Vlam—Vlaming!”

»En wat dat betreft,” viel de burgemeester hierop in, »is ons door onzen commissaris van politie Passauf gerapporteerd, dat gisterenavond in uwe salons, mijnheer de dokter, een woordenwisseling gevoerd is. Is het zoo, dat het een gesprek over staatkunde was?”

»Zoo was het, mijnheer de burgemeester,” antwoordde dokter Ox, die moeite had een zucht van voldoening te smoren.

»En werd die woordenwisseling niet gevoerd tusschen den geneesheer Dominicus Custos en den advocaat André Schut?”

»Ja, mijnheer de wethouder, maar de woordenwisseling was nog al niet scherp.”

»Niet scherp!” riep de burgemeester uit, »is dat niet scherp als de eene man tot den ander zegt, dat hij zijn woorden niet schijnt te wegen! Maar van welk deeg zijt gij dan wel gebakken, Mijnheer? Weet gij dan niet, dat hier in Quiquendone niets meer noodig is om uiterst betreurenswaardige gevolgen te veroorzaken? Zie, Mijnheer, als gij of iemand anders zóo tegen mij durfdet spreken...”

Nu nam het jonge meisje den hengel. Blz. 192.

Nu nam het jonge meisje den hengel. Blz. 192.

»Of tegen mij...” riep ook Niklausse, en beide notabelen stonden [189]met gekruiste armen en te bergen gerezen haren vlak voor dokter Ox, die slecht van de reis zou gekomen zijn, als hij het ongeluk gehad had met een enkele beweging, of, nog minder, met een blik [190]slechts de bedoeling te verraden hun het geringste in den weg te willen leggen.

Gelukkig vertrok de dokter geen spier.

»In alle geval, Mijnheer,” liet de burgemeester er op volgen, »stel ik u aansprakelijk voor hetgeen in uwe woning voorvalt. Aan mij is de rust in deze stad toevertrouwd, en ik zal niet dulden dat zij verstoord worde. Hetgeen gisteren gebeurd is moet zich niet herhalen, of ik zal weten wat mij te doen staat. Begrepen? Maar geef dan toch antwoord, Mijnheer!”

Terwijl de burgemeester zich zoo door een buitengewone opgewondenheid had laten medesleepen, was zijn spreken in bulderen overgegaan. Hij was woedend, de waardige Van Tricasse, en buiten zou men hem stellig kunnen hooren. Toen hij eindelijk buiten adem was en zag dat de dokter op zijne uittartingen niet antwoordde, zeide hij tot den wethouder:

»Ga mede, Niklausse.”

De deur werd zoo hard dichtgeslagen, dat het huis dreunde, en de burgemeester was met den wethouder vertrokken.

Langzamerhand, toen zij een twintig pas geloopen hadden, kwamen de waardige vrienden tot bedaren. Zij liepen langzamer, hun stap werd gematigder. Hun gelaat schitterde niet meer zoo; van rood werd het blozend.

Een kwartier nadat zij de fabriek verlaten hadden, zeide Van Tricasse vriendelijk tot den wethouder:

»Wat een aardig man, die dokter Ox! ’k Zie hem altijd met het grootste genoegen.”

[Inhoud]

VI.

Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes voor de toekomst maken.

De lezers weten, dat de burgemeester eene dochter had, Suze geheeten. Voor hoe scherpzinnig ik hen nu ook houd, hebben zij toch zeker niet kunnen raden, dat de wethouder Niklausse een zoon had, die Frans heette, en dat die zoon de aanstaande was van Suze. Deze beide jongelieden waren trouwens voor elkaar geschapen, en ze beminden elkaar zooals men te Quiquendone bemint.

Men moet niet denken, dat in deze buitengewone stad de jonge [191]hartjes niet klopten; ze klopten alleen maar wat langzaam. Men trouwde er even goed als in alle andere steden van de wereld, maar men overhaastte zich niet. De verloofden wilden, voordat zij die vreeselijke banden smeedden, elkander leeren kennen en die studie duurde minstens tien jaren.

Tien jaren vrijde men, ja! Is dat dan te veel, als men zich voor het leven wil verbinden? Men studeert soms wel zoo lang om dokter of advocaat te worden, en zou men dan in minder tijd de kundigheden willen verkrijgen die een echtgenoot noodig heeft? Dat mag men niet aannemen, en of het nu wegens het temperament geschiedt of na rijpelijk nadenken, het komt ons voor, dat de Quiquendoners met hun lange studie geen ongelijk hebben. Als men in andere, vrije en vurige steden soms in enkele maanden een huwelijk ziet sluiten, moet men de schouders ophalen, en men zou wel doen, zijn jongens naar het college en zijne meisjes naar de kostschool te Quiquendone te zenden.

In een halve eeuw was het slechts eens voorgekomen, dat een huwelijk binnen de twee jaren tot stand kwam, en dat liep nog bijna slecht af!

Frans Niklausse beminde dus Suze Van Tricasse, maar kalmpjes, zooals men bemint, wanneer men tien jaren vóor zich heeft om het beminde voorwerp eenmaal het zijne te mogen noemen. Eenmaal ’s weeks kwam Frans op een bepaald uur zijn Suze afhalen, en ging met haar naar de oevers van de Vaar. Frans nam zijn hengel mede, en Suze vergat nooit haar stremien mede te nemen, waarop haar lieve vingeren de onmogelijkste bloemen tooverden.

We dienen ook nog te zeggen, dat Frans een jonkman van twee en twintig jaar was, dat zijne wangen zich met een licht perzikkendons begonnen te bedekken en ten slotte dat zijne stem nauwelijks meer dan een octaaf omvang had.

Suze was blond en had een rozenkleurtje. Zij telde pas zeventien zomers en had toch geen hekel aan het hengelen, welk een zonderling genoegen het ook moge zijn om de vischjes met een weerhaak te verschalken. Maar het kwam doordat Frans er van hield; ’t was juist een vermaak naar zijn aard. Hij was zoo geduldig als ’t maar kan, mocht gaarne een weinig droomerig op zijn dobber staren en had geduld genoeg om te wachten totdat, misschien na zes uren zittens, een voorntje zoo goed was, misschien uit medelijden met hem, zich te laten vangen; dan was hij gelukkig, maar altijd met gematigdheid.

Dien zelfden dag hadden de beide aanstaanden zich op den begroeiden oever neergevleid; eenige voeten beneden hen kabbelde de vreedzame Vaar. Suze trok achteloos haar naald heen en weer door het stremien. Frans slingerde werktuiglijk zijn sim van rechts naar links, en liet haar dan met den stroom van links naar rechts [192]drijven. De vorentjes sprongen lustig rond nabij den dobber, terwijl de haak, nog vrij, dieper in het water lag.

Nadat het een poos geduurd had, zei Frans:

»Ik geloof dat ik beet heb, Suze,” maar hij keek haar niet aan.

»Zoudt ge denken, Frans?” gaf Suze ten antwoord, terwijl ze voor een oogenblik haar werk liet rusten, en met bewogen oog den dobber van haar aanstaande volgde.

»Neen, toch niet,” zeide Frans weer, »ik dacht maar dat ik voelde trekken. Ik heb mij vergist.”

Eenigen tijd daarna merkte Suze met haar lieve, zachte stem op:

»Ze zullen wel bijten, Frans, maar vergeet niet tijdig op te halen. Ge zijt altijd eenige seconden te laat, en dan ontsnapt de visch.”

»Wilt gij den hengel eens houden, Suze?”

»Gaarne, Frans.”

»Geef mij dan uw tappiseriewerk. Ik zal zien of ik beter slaag met de naald dan met den angel.”

Nu nam het meisje met bevende hand den hengel, en de jongman haalde ijverig de naald door het stremien.

Zoo wisselden zij uren lang vriendelijke woordjes, en hunne harten klopten als er beweging in den dobber kwam. O, dat ze nooit de heerlijke uren mogen vergeten, waarin ze onder het gekabbel der golfjes bij elkander zaten!

De zon was dien dag reeds een goed eind gedaald, en ondanks de vereenigde talenten van Suze en Frans, had de visch nog maar niet gebeten. De vorentjes hadden ditmaal geen medelijden en lachten wat om de jongelieden, die trouwens veel te redelijk dachten om hun ongelijk te geven.

»Een ander maal zullen we gelukkiger zijn, Frans,” zeide Suze, toen de jonge visscher zijn haak weder op het plankje stak.

»Dat zullen we hopen, Suze,” gaf Frans ten antwoord.

Daarna sloegen beiden naast elkaar den weg naar huis in zonder een woord te spreken, even zwijgend als de lange schaduwen, die voor hen uitgingen. Suze werd groot, heel groot onder de schuine stralen der ondergaande zon; Frans werd mager, zoo mager als de hengel, dien hij in de hand hield.

Nu had men de woning van den burgemeester bereikt. Tusschen de straatsteenen wiesen geheele grasstruiken, maar men trok ze niet uit, want ze dempten het geluid der voetstappen.

Toen de deur stond geopend te worden, meende Frans tot zijn beminde te moeten zeggen:

»Denkt ge er wel eens aan, Suze, dat de groote dag nadert?”

»Ja, hij nadert zeker, Frans,” antwoordde het meisje met neergeslagen blik.

»Ja,” hernam Frans, »binnen vijf of zes jaar....”

»Tot ziens, Frans,” zeide Suze. [193]

»Tot ziens, Suze,” antwoordde Frans. Blz. 193.

»Tot ziens, Suze,” antwoordde Frans. Blz. 193.

»Tot ziens, Suze,” antwoordde Frans.

Daarop werd de deur gesloten, en de jonkman vervolgde met kalmen tred zijn weg naar het huis van den wethouder Niklausse. [194]

[Inhoud]

VII.

Waarin de »andantes” »allegro’s” worden en de »allegro’s” in »vivaces” overgaan.

De gemoederen waren bedaard na het voorgevallene tusschen den advocaat Schut en den geneesheer Custos. De zaak had geene gevolgen gehad. Men had dus reden om te hopen, dat Quiquendone tot zijn gewone kalmte zou terugkeeren, die een oogenblik door een onverklaarbaar voorval was gestoord.

Inmiddels vorderde men snel met het leggen der buizen voor het hydro-oxygeengas naar de voornaamste gebouwen der stad. Hoofdbuizen en zijbuizen werden onder de straten van Quiquendone steeds verder voortgeschoven. Branders waren er nog niet, want hunne vervaardiging vereischte bijzonder veel zorg en moest in het buitenland geschieden. Dokter Ox was hier en daar en overal, hij en zijn assistent Ygeen lieten geen oogenblik verloren gaan; zij spoorden onophoudelijk de werklieden aan, werkten aan de voltooiing der gasmeters en hielden dag en nacht de reusachtige electrische batterijen in werking waarmede het water ontleed werd.

De dokter was namelijk al aan het maken van zijn gas, ofschoon het buizennet nog niet voltooid was, iets wat, tusschen ons gezegd, wel wat vreemd scheen. Maar het zou niet lang duren, ten minste dat mocht men hopen, of dokter Ox zou voor het eerst in den schouwburg zijn prachtig licht laten schijnen.

Quiquendone bezat werkelijk een schouwburg, en inderdaad een fraai gebouw ook. In- en uitwendig had het iets van alle bouwstijlen; het had gelijkertijd iets van den Byzantijnschen, van den Romaanschen, van den Gothischen en van den Renaissance-stijl; deuren met rondbogen, spitsboogvensters, ster-rosetten, fantasie-klokketorentjes, kortom, het was een staalkaart van alle mogelijke stijlen. Verwonderen doet het niet, als men weet, dat het gebouw begonnen werd onder den burgemeester Lodewijk Van Tricasse in 1175 en voltooid in 1837 onder den burgemeester Natalis Van Tricasse. Het bouwen had zeven eeuwen geduurd, en achtereenvolgens hadden verschillende modes haar invloed laten gelden. Toch was en bleef het een mooi gebouw, en bij de Romaansche zuilen en Byzantijnsche gewelven, zou het nieuwe lichtgas in het geheel niet misstaan.

In dien schouwburg van Quiquendone werd zoo wat van alles gespeeld, vooral opera en opera-comique. ’t Zou evenwel de vraag zijn, of de componisten er wel hun eigen werk herkend zouden hebben, zoo zeer had men het tempo veranderd. [195]

In Quiquendone werd niets haastig gedaan, en dus moesten ook de dramatische werken naar het karakter der Quiquendoners geschikt worden. De schouwburg opende zijne deuren gewoonlijk te vier uren en sloot ze te tien uren, maar in die zes uren tijds waren er nooit meer dan twee bedrijven gespeeld. Voor Robert le diable, les Huguenots, Guillaume Tell, enz. had men gewoonlijk drie avonden noodig, vanwege de langzame wijze waarop die werken uitgevoerd werden. De vivaces ontaardden in den schouwburg van Quiquendone in ware adagio’s; de allegro’s werden tot in het oneindige gerekt. De vier en zestigste wonnen het van de heele noten in andere landen. Een vlugge roulade had, als ze naar den smaak der Quiquendoners uitgevoerd werd, den gang van een plechtige kerkmis. Een losse triller moest uiterst bedaard en volkomen gelijkmatig gespeeld worden, wilde hij de ooren der dilettanten niet kwetsen. Om een voorbeeld te noemen: het vlugge air, dat Figaro in de eerste acte van den Barbier de Séville bij zijn optreden zingt, werd genomen met nommer 33 van den metronoom; het duurde acht en vijftig minuten, en dan nog heette het, dat de zanger er flink achter heenzat.

De artisten, die van buiten de stad kwamen, hadden zich natuurlijk naar die mode moeten schikken, maar men betaalde hen goed en dus klaagden zij niet; zij gehoorzaamden stipt aan den strijkstok van den orkestdirecteur, die in een allegro nooit meer dan acht maten in de minuut sloeg.

Maar welke toejuichingen wachtten ook niet de artisten, die het publiek van Quiquendone in verrukking brachten, zonder zich ooit te vermoeien! Het geheele publiek sloeg met geregelde tusschenpoozen de handen in elkaar, hetgeen dan in de couranten »daverende toejuichingen” heette. Een of twee malen zelfs zou wellicht de zaal onder die bijvalsbewijzen ingestort zijn, indien men er niet in de twaalfde eeuw geenszins tegen opgezien had flinke fondamenten te leggen.

Om voorts die levendige Vlamingen niet al te zeer op te winden, werd er maar eens in den schouwburg gespeeld; dat gaf den acteurs gelegenheid dieper in hunne rollen door te dringen, en aan het publiek om langer te teren op de schoonheden der meesterwerken van dramatische kunst.

Op die manier ging het al langen tijd. De artisten van buiten waren gewoon te Quiquendone een contract te sluiten, als zij wilden uitrusten van de vermoeienis op andere tooneelen. Niets scheen eene wijziging in die ingewortelde gewoonte aan te duiden, toen twee weken na de zaak Schut-Custos een onverwachte gebeurtenis opnieuw de rust der bevolking kwam storen.

Het was op een Zaterdag, dag van de opera. Er was nog geen sprake van de inwijding van de nieuwe verlichting, zooals men allicht [196]zou denken; volstrekt niet, de pijpen kwamen wel reeds in de zaal uit, maar er stonden nog geen branders op, en daarom wierpen nog altijd waskaarsen haar zacht licht op het talrijk publiek dat de zaal vulde. Te half een waren de deuren geopend en te vier uren was de zaal reeds vol. Eén oogenblik was er een queue, die zich uitstrekte tot het einde van het Stefanusplein, voor den winkel van den apotheker Josse Liefrink. Zooveel belangstelling deed een prachtigen avond verwachten.

»Gaat ge van avond naar de comedie?” had dienzelfden ochtend de wethouder aan den burgemeester gevraagd.

»Wel zeker,” had Van Tricasse geantwoord, »en mevrouw Van Tricasse gaat mee, en ook onze dochter Suze en de oude tante, die allen dol zijn op muziek.”

»Komt mejuffrouw Suze dus ook?” vroeg de wethouder.

»Zonder twijfel, Niklausse.”

»Dan zal mijn zoon Frans wel maken, dat hij een van de eersten is,” hernam Niklausse.

»Een vurig jongeling, Niklausse,” merkte de burgemeester met waardigen ernst op; »een heethoofd! Ge moogt wel oppassen met dien jonkman.”

»Hij bemint, Van Tricasse; hij bemint uw bekoorlijke Suze.”

»Welnu, Niklausse; hij zal haar krijgen, zoodra wij besloten hebben dat dit huwelijk tot stand zal komen! Wat kan hij meer verlangen?”

»Hij verlangt niets, Van Tricasse; hij verlangt zeker niets, die beste jongen! Maar dat is zeker, en meer zal ik er niet van zeggen, dat hij niet de laatste zal zijn, die een plaatsbiljet haalt!”

»Ach, die ongeduldige, vurige jeugd!” riep de burgemeester, met een glimlach aan zijn verleden terugdenkend. »Zoo zijn wij ook geweest, waarde vriend! Ook wij hebben eenmaal bemind! Wij hebben in onzen tijd ook queue gemaakt! Tot van avond dus, tot van avond! Zeg eens, dat is een groot artist, die Fioravanti! Hij is hier dan ook prachtig ontvangen. Die toejuichingen van Quiquendone zal hij niet licht vergeten!”

Er was inderdaad sprake van den beroemden tenor Fioravanti, die door zijn uitnemend talent, zijn volmaakte methode, zijn sympathieke stem bij alle kunstliefhebbers in de stad ware geestdrift wekte.

Fioravanti had met de Hugenoten een ontzaglijk succes behaald. Blz. 196.

Fioravanti had met de Hugenoten een ontzaglijk succes behaald. Blz. 196.

In de laatste drie weken had Fioravanti met de Hugenoten een ontzaglijk succes behaald. De eerste acte, opgevoerd naar den smaak der Quiquendoners, had in de eerste week van deze maand een ganschen avond ingenomen. De week daarna had de volgende acte, door eindelooze andantes verlengd, den beroemden zanger een ware ovatie bezorgd. Met de derde acte van Meyerbeer’s meesterwerk was het succes nog toegenomen. Nu had men er zich echter [197]op gespitst Fioravanti in de vierde acte te hooren, en die vierde acte zou hij dezen eigen avond spelen voor een publiek, dat van ongeduld brandde. Dat was de acte met het duo van Raoul en [198]Valentine! Ach, die liefdezang voor twee stemmen, breed en statig voorgedragen, dit bruisend hartstochtelijke duet met zijn crescendo’s zijn stringendo’s, zijn animato’s, zijn piu crescendo’s, langzaam, regelmatig, sleepend gezongen, welk een genot!

Te vier uren dan, was de zaal vol. Loges, parterre, galerijen waren om ’t meest bezet. Vooraan zaten de burgemeester Van Tricasse, mejuffrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse en de goede oude tante met een lichtgroene muts op. Een klein eind verder zat de wethouder Niklausse met zijn familie, natuurlijk niet zonder den verliefden Frans. Men zag er ook nog de familie van den geneesheer Custos, van den advocaat Schut, van Honoré Syntax, de opperrechter, van Norbert Soutman, directeur der verzekeringmaatschappij, van den dikken bankier Collaert, die dol was op Duitsche muziek en ook zelf wat aan muziek deed, van den ontvanger Rupp, van den directeur der Academie, Jerome Resh, van den commissaris van politie en van tal van andere achtenswaardige personen uit de stad, die hier evenwel niet allen opgenoemd kunnen worden, als wij den lezer niet willen vervelen.

Gewoonlijk wachtten de Quiquendoners rustig het ophalen van het gordijn af, hetzij onder het lezen der courant, hetzij dat ze zachtjes eenige woorden onder elkander spraken; anderen weer zochten langzaam en zonder gedruisch hunne plaats op, en enkelen wierpen een beschroomden blik op de lieftallige schoonheden in het rond.

Op dezen avond echter, zou het voor een waarnemer duidelijk geweest zijn, dat zelfs voor het ophalen van het gordijn een ongewone levendigheid in de zaal heerschte. Men zag personen bewegingen maken die zich anders nooit bewogen. De waaiers der dames werden met zeldzame levendigheid gebruikt. Al die borsten schenen met een prikkelende lucht gevuld te zijn, men ademde dieper en langer. Bij sommigen schitterden de oogen, zelfs, om de waarheid getrouw te blijven, bijna even sterk als de lichten, die dezen avond al bijzonder helder waren; tenminste men zag helderder, ofschoon de verlichting niet sterker was dan anders. Ja, als de verlichting van dokter Ox nu al werkte, maar die werkte nog niet!

Het orkest was thans op zijn post en geheel voltallig. De eerste viool had bij de verschillende lessenaars de ronde gedaan en een bescheiden »a” aangegeven. De strijk- en de blaasinstrumenten stemmen. De orkestdirecteur wacht slechts op het schelletje om de eerste maat te slaan.

Daar klinkt de schel. De vierde acte begint. Het Allegro appassionato van de entr’acte is volgens gewoonte gespeeld, zoo majestueus langzaam, dat ’t voor Meyerbeer zou geweest zijn om razend te worden, maar de kunstliefhebbers van Quiquendone genoten er al de majesteit van. [199]

’t Duurt niet lang, of de orkest-directeur gevoelt dat hij zijne executanten niet meer geheel meester is. Hij heeft moeite hen in te toomen, dezelfde menschen die anders zoo gehoorzaam, zoo kalm zijn. De blaasinstrumenten leggen eene neiging aan den dag om de beweging te versnellen; ze moeten met vaste hand ingehouden worden, want anders zouden ze de strijkinstrumenten vooruitgeraken, ’tgeen aan de harmonie nog al zou schaden. De fagottist zelfs, de zoon van den apotheker Liefrinck, anders zoo’n welopgevoed jongmensch, wil ook jagen.

Inmiddels heeft Valentine haar recitatief begonnen:

»Je suis seule chez moi...”

maar ze haast. De orkest-directeur en al zijne muzikanten volgen haar—misschien zonder het te weten—in haar cantabile, dat breed genomen moest worden want het is een 12/8 maat. Raoul verschijnt in de deur op den achtergrond, maar nu verloopt tusschen het oogenblik waarop Valentine naar hem toegaat, en dat waarop zij hem in hare kamer ter zijde verbergt, geen kwartier, terwijl anders in den schouwburg van Quiquendone dit recitatief van zeven en dertig maten ook juist zeven en dertig minuten moest duren.

Saint-Bris, Nevers, Cavannes en de catholieke heeren zijn opgekomen, misschien wel wat haastig. Allegro pomposo teekende de componist bij dat gedeelte aan; nu gaan de heeren en het orkest wel allegro, maar in het geheel niet pomposo, en in het ensemble-gedeelte van de prachtige »samenzwering en zegening der wapenen” is er van geen matigen van het allegro sprake. Zangers en muzikanten houden een wedren. De directeur denkt er niet meer aan hen in te houden. Het publiek verlangt dat trouwens ook niet; integendeel. Het is medegesleept, het neemt deel aan de beweging, en die beweging komt overeen met de wenschen van zijn hart.

»Des troubles renaissants et d’une guerre impie,

Voulez-vous, comme moi, délivrer le pays?”

Men belooft, men zweert het. Ternauwernood heeft Nevers tijd om te protesteeren en te zingen, »dat hij onder zijn voorvaderen wel soldaten telt, maar geen moordenaars.” Men arresteert hem. Schout en schepenen komen aanloopen en zweren inderhaast »allen tegelijk te treffen.” Saint-Bris maakt een relletje van het recitatief, waarbij de catholieken tot wraakneming worden opgeroepen. De drie monniken, zwarte mantels dragende met witte sjerpen, komen de deur van het vertrek van Nevers binnenstormen, met verwaarloozing van de lessen van den regisseur, die hun leerde zacht voort te schrijden. Al de aanwezigen hebben reeds degens en ponjaarden getrokken, en het zegenen houdt de monniken maar een ommezien [200]bezig. De sopranen, tenoren en bassen schreeuwen het allegro furioso. Daarop vertrekken zij, al brullende:

A minuit

Point de bruit!

Dieu le veut!

Oui,

A minuit!

Het gansche publiek is opgerezen. In loges, parterre en galerijen is het erg woelig. Al de toeschouwers, met den burgemeester aan het hoofd, schijnen zich op het tooneel te willen storten, teneinde met de samenzweerders mee te doen en de Hugenoten te verdelgen, niettegenstaande zij de godsdienstige begrippen van deze deelen. Men juicht, men roept terug, men gilt. De oude tante trekt zenuwachtig aan haar lichtgroene muts. Het licht in de zaal straalt hoe langer zoo helderder.

Raoul komt weer op, en tilt niet zachtkens het gordijn op, maar scheurt het met een kloeke beweging vaneen en staat dan vlak tegenover Valentine.

Nu begint het groote duo, en wel allegro vivace. Raoul wacht de vragen van Valentine niet af, en Valentine wacht niet op de antwoorden van Raoul. De heerlijke passage:

»Le danger presse

Et le temps vole...”

wordt een van die snelle 2/4 maten, waarmede Offenbach naam gemaakt heeft als hij deze of gene samenzweerders laat dansen; het andante amoroso:

»Tu l’as dit!

Oui, tu m’aimes!”

is ten slotte een vivace furioso, en de violoncel in het orkest streeft er in de verste verte niet meer naar, om mede te gaan met de stem van den zanger, zooals zijne partij aangeeft.

Daar slaat de klok, maar welk een hijgend, gejaagd geluid! Degeen die slaat, is stellig zich zelf niet meer meester. Het is een donderende stormklok, welke in geweld wedijvert met het razend orkest.

Eindelijk komt het air, waarmede deze heerlijke acte eindigt:

»Plus d’amour, plus d’ivresse

O remords qui m’oppresse!”

door den componist als allegro con moto aangeduid, maar hier in een ontembaar prestissimo genomen. ’t Is alsof er een express-trein voorbij suist. Daar begint de stormklok weer. Valentine valt in zwijm. Raoul springt uit het venster!.... [201]

In de gangen verdringt men elkander. Blz. 202.

In de gangen verdringt men elkander. Blz. 202.

’t Was wel tijd. Het orkest, dat volslagen dronken scheen, had het niet langer kunnen volhouden. De dirigeerstok is tot op een klein gedeelte na stukgeslagen op het hokje van den souffleur. De [202]snaren der violen zijn gesprongen, de halzen verwrongen! De paukenslager heeft zoo woedend op zijn pauken geslagen, dat ze gebarsten zijn! De contrabassist is boven op zijn welluidend gebouw gekropen! De eerste klarinet zit op zijn mondstuk te bijten, en de tweede hobo heeft zijn rieten tongetje ingeslikt! De schuif van de trombone is vol bulten, en de ongelukkige hoornist eindelijk kan zijn hand niet meer loskrijgen, daar hij ze te ver in zijn instrument geduwd heeft!

En het publiek?—Het publiek hijgt, schreeuwt en brult! Ieder ziet vuurrood, alsof zijn lichaam van binnen in brand staat! Men stoot, men verdringt elkander om naar buiten te komen, de mannen zonder hoed, de vrouwen zonder mantel! In de gangen verdringt men elkander, bij de deuren drukt men elkander plat; men twist, men geraakt handgemeen! Geen sprake meer van autoriteiten, van burgemeester! Allen zijn gelijk voor deze helsche opgewondenheid...

Weinige oogenblikken later, terwijl allen buiten op de straat zijn, herneemt ieder zijn gewone kalmte en keert bedaard naar huis, met een onbestemde herinnering aan ’tgeen er gebeurd is.

De vierde acte van de Hugenoten, die anders op de klok af zes uren duurde, was nu begonnen te half vijf en afgeloopen twaalf minuten vóór vijven.

Ze had achttien minuten geduurd!

[Inhoud]

VIII.

Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt.

Wel herkregen de toeschouwers, nadat ze den schouwburg verlaten hadden, hun gewone kalmte; wel gingen ze rustig naar huis, alleen onder den indruk van een voorbijgaande versuftheid, maar toch had de buitengewone opgewondenheid hen geweldig van streek gebracht, en ze vielen in bed alsof zij bijzonder zwaar getafeld hadden.

Den volgenden dag was er voor ieder nog een souvenir van het gebeurde van den vorigen dag: van den een toch was de hoed bij het standje verdwenen, een ander miste een slip van zijn jas; deze dame had haar satijnen laarsje verloren, een andere haar zondagschen mantel. De herinnering aan het voorval werd bij die eenvoudige [203]menschen wakker, en met die herinnering zeker schaamtegevoel over hun onvergeeflijke buitensporigheid. ’t Was alsof zij aan een overdadig festijn hadden deelgenomen en er onbewust de helden van geweest waren! Zij spraken er niet over en wilden er liefst niet meer aan denken.

Niemand was evenwel zoo verbijsterd als de burgemeester Van Tricasse. Toen de waardige man den volgenden ochtend opstond, was hij zijn pruik kwijt. Lotje had overal gezocht, maar ’t hielp niets, de pruik was op het slagveld achtergebleven. Men zou haar kunnen doen uitroepen door Jan Mistrol, den beëedigden omroeper van de stad, maar dat ging niet; dan was het maar beter het hoofddeksel in den steek te laten, dan zich zoo ten toon te stellen, voor iemand die de eer had de eerste overheidspersoon van de stad te zijn.

Zoo nu peinsde de waardige Van Tricasse, terwijl hij met een zwaar hoofd, dikke tong en hijgende borst onder de dekens lag. Hij had geen den minsten lust om op te staan, wel het tegendeel, en in zijn hersenen ging dien morgen meer om dan anders in veertig jaren tijds. De achtbare magistraat overdacht nog eens alles wat bij die onverklaarbare voorstelling gebeurd was. Hij bracht het in verband met het voorgevallene op de partij ten huize van dokter Ox. Hij zocht naar de redenen van die zonderlinge opgewondenheid, die zich nu ten tweede male bij zijne rustige ingezetenen had voorgedaan.

»Maar wat gebeurt er dan toch?” vroeg hij zich zelf. »Hoe komen in mijn stille stad de zinnen zoo verbijsterd? Staan we op het punt gek te worden en moet de gansche stad een groot hospitaal worden? De gansche stad, want alle notabelen, wethouders, rechters, advocaten, geneesheeren, gestudeerden, allen waren er, en als ik mij goed herinner, zijn we allen even dol geweest! En hoe kwam het, dat die muziek zoo’n helsch spektakel maakte? Onbegrijpelijk! Ik voor mij weet zeker, dat ik niets gegeten, niets gedronken had, dat mij zoo kon opwinden! Och neen, gisteren at ik een doorgaar sneedje kalfsvleesch, een paar schepjes spinazie met suiker, geklutste eieren en ik dronk een paar glaasjes onschuldig bier. Dat stijgt niet naar het hoofd! Neen, er is iets onverklaarbaars in de geheele zaak, en daar ik toch de verantwoordelijke man ben voor hetgeen de ingezetenen van mijne stad doen, zal ik een onderzoek doen instellen.”

De stedelijke raad kon zich met dat onderzoek vereenigen, maar het leidde tot niets. De feiten waren niet te loochenen, de oorzaken echter gingen boven het verstand van de magistraten. Overigens waren alle gemoederen nu weer tot kalmte gekomen, en de buitensporigheden geraakten in het vergeetboek. De dagbladen vermeden ook er over te spreken, en in het verslag der voorstelling, [204]dat in de stadscourant verscheen, werd niet eens een toespeling gemaakt op de koortsachtige opgewondenheid van de geheele zaal.

Evenwel, de stad had wel weer haar gewone bedaardheid herkregen, en ze werd wel weer even Vlaamsch als te voren, maar toch was het merkbaar, dat het karakter en de geaardheid der bewoners langzamerhand eene wijziging ondergingen. ’t Was of ze meer zenuwen hadden gekregen, zooals de geneesheer Dominicus Custos opmerkte.

Dat vereischt eenige toelichting. De verandering, die onloochenbaar was en ook niet geloochend werd, openbaarde zich slechts in sommige gevallen. Wanneer de Quiquendoners op de straat waren of langs de Vaar wandelden, waren zij dezelfde kalme, geregelde menschen van vroeger. Zoo ook in hunne woningen, waar de een een handwerk uitoefende, de ander met het hoofd werkte, nog een ander niets deed en een vierde zelfs niet dacht. In hun privaat leven waren ze zwijgend, stil en leidden ze een plantenleven als voorheen. Geen twist, geen verwijt in huis; hun hart klopte niet sneller, hunne hersenen werden door niets aangedaan. De gemiddelde polsslag kwam overeen met dien uit den goeden ouden tijd: vijftig a twee en vijftig in de minuut.

Een volkomen onverklaarbaar verschijnsel was het evenwel, een verschijnsel waarop de knapste physiologen der eeuw zich stomp zouden gedacht hebben, dat de Quiquendoners, in hun particulier leven onveranderd dezelfden, merkbaar veranderden zoodra zij in het openbaar te zamen kwamen.

Zoodra zij zich in een openbaar lokaal vereenigden, »was het mis,” zooals de commissaris Passauf verklaarde. Op de beurs, op het stadhuis, in de academie, zoowel in raadsvergaderingen als in de bijeenkomsten van geleerden, kwam er meer leven onder de aanwezigen, werden ze aangetast door een vreemde opgewondenheid. Geen uur waren ze daar, of ze waren reeds scherp jegens elkander. Na twee uren was een beraadslaging een dispuut geworden; men werd warm en wierp elkaar persoonlijkheden naar het hoofd. In de kerk, zelfs onder de preek, konden de geloovigen niet meer bedaard naar dominé Van Stabel luisteren, die trouwens van zijn kant zich in zijn preekstoel niet meer zoo rustig als vroeger hield en zijn gehoor krachtiger toesprak dan anders.

In dezen stand van zaken ontstonden helaas nog ernstiger woordenwisselingen dan tusschen den geneesheer Custos en den advocaat Schut, en dat nooit de tusschenkomst der autoriteit werd vereischt, was alleen daaraan te danken, dat de twistenden, zoodra zij thuisgekomen waren, er rust vonden en weldra de beleedigingen van weerskanten vergaten.

’t Was een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Blz. 207.

’t Was een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Blz. 207.

Die bijzonderheid had echter nooit in het oog kunnen vallen [205]aan menschen, die volstrekt niet konden waarnemen hetgeen met hen gebeurde. Slechts één persoon in de gansche stad, en wel degeen wiens betrekking al sinds dertig jaren lang op de nominatie [206]stond opgeheven te worden, de commissaris van politie Passauf, had de opmerking gemaakt, dat de opgewondenheid, die in de particuliere woningen niet bestond, zich spoedig in publieke gebouwen openbaarde. Nu dacht hij er met zekere bezorgdheid over wat toch wel gebeuren zou, indien deze prikkelbaarheid eens tot de huizen der ingezetenen doordrong en indien de epidemie—want zoo noemde hij haar—zich tot de straat uitbreidde. Dan werden geen beleedigingen meer vergeten, dan waren er geen oogenblikken van kalmte meer in den waanzin, maar dan zou men voortdurend in de hoogste opgewondenheid verkeeren en met elkander in botsing komen.

»Wat dan?” vroeg de commissaris Passauf met schrik. »Hoe moesten die aanvallen van wilde woede te keer gegaan worden? Hoe moesten die prikkelbare gestellen in toom worden gehouden? Dan zal mijne betrekking waarlijk geen sinecure meer zijn, en dan zal de Raad mijne wedde wel dienen te verdubbelen,—tenminste, als hij mij niet laat oppakken... wegens inbreuk op de openbare orde!”

Die zeer rechtmatige vrees begon zich meer en meer te verwezenlijken. Van de beurs, de kerk, den schouwburg, de raadzaal was het kwaad tot de woningen der particulieren doorgedrongen, en wel twee weken na de verschrikkelijke voorstellingen van de Hugenoten.

In de woning van den bankier Collaert werden de eerste verschijnselen der epidemie waargenomen.

Deze rijke bankier gaf aan de notabelen der stad een bal, of althans een soirée dansante. Eenige maanden te voren was hij er gelukkig in geslaagd eene leening van f 15,000 voor drievierden te plaatsen, en ter viering van dit finantieel succes gaf hij zijn stadgenooten dit feest.

Een feest in Vlaanderen loopt gewoonlijk bedaard en kalm af; bier en eenige zoetigheden vormen het onthaal. Men praat wat over het weer, over den stand van den oogst, over de bloemen in den tuin en vooral over de tulpen; van tijd tot tijd waagt men heel langzaam en bedaard een dansje, maakt een menuet, soms ook een wals, maar dan een van die Duitsche walsjes, waarbij men anderhalven keer omdraait in de minuut, terwijl onder den dans de walsers zoover van elkander afblijven als hunne armen gedoogen. Zoo gaat het gewoonlijk toe op een bal onder de voorname lieden van Quiquendone. Men had getracht er de polka in te voeren en ze daartoe in vier tempo’s gedanst, maar de dansende paren kwamen nog altijd bij het orkest achter, hoe langzaam men de maat ook nam, en daarom had men er van moeten afzien.

Deze vreedzame bijeenkomsten, waar jonkmannen en jongedochters zich eerlijk en rustig konden vermaken, hadden nooit [207]eenige schadelijke gevolgen gehad. Maar hoe kwam het dan nu, dat dien avond bij den bankier Collaert die zoete dranken veranderd schenen te zijn in schuimenden wijn, bruisenden champagne, vlammende punch? Hoe kwam het, dat tegen het midden van de partij alle gasten dronken schenen te zijn? Waarom werd de eerzame menuet een rondedans? Waarom verhaastten de muzikanten de maat zoo? Hoe kwam het, dat de kaarsen dien avond, evenals in den schouwburg, zulk een ongewonen glans hadden? Welke electrische stroom liep toch door de salons van den rijken bankier? Hoe kwam het, dat de paren veel dichter bij elkander kwamen, dat de handen elkander hartstochtelijker drukten, dat de »cavaliers seul” ditmaal eenige gewaagde sprongen vertoonden, hoewel ze anders zoo deftig, zoo ernstig, zoo majestueus waren?

Helaas, wie zou het antwoord kunnen geven op al die vragen? De commissaris Passauf was op de partij aanwezig, hij zag den storm aankomen, maar hij kon hem niet bedwingen, hij kon hem niet ontgaan, en zelfs hij voelde zich bevangen! Zijne begeerten en hartstochten werden gedurig sterker; men zag hem herhaaldelijk een aanval doen op het suikerwerk, men zag hem verscheidene schotels ledigen, alsof hij ik weet niet hoelang gevast had!

Inmiddels werd het bal hoe langer hoe geanimeerder. Men begon nu eerst met volle teugen van het dansen te genieten, want het mocht nu werkelijk dansen heeten. De voeten bewogen zich met koortsachtige snelheid. De gezichten werden rood van inspanning, de oogen glinsterden als vurige kolen. De algemeene opgewondenheid had haar hoogste toppunt bereikt.

En toen het orkest de wals uit den Freyschutz aanhief, toen die echt Duitsche en statige wals met dolle woestheid door de muziekanten gespeeld werd, was het meer een met onzinnige snelheid in de rondte draaien, een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Daarna verviel alles in een helschen galop, die niet kon gestuit worden en een uur lang duurde en niet alleen de salons maar al de vertrekken van het prachtige huis in opschudding bracht, waarin allen met hartstochtelijkheid deelden, jongelieden van beide seksen, oudere van iederen leeftijd, de dikke bankier Collaert en Mevr. Collaert, raadslieden, overheidspersonen, de kantonrechter en Niklausse en Mevr. Van Tricasse en de burgemeester Van Tricasse en de commissaris Passauf in eigen persoon, die zich daarna nooit kon herinneren, wie in dien dollen nacht zijne danseres geweest was.

Maar »zij” ze vergat het niet. En sedert dien nacht, zag »zij” in haar droomen den vurigen commissaris weder, haar met hartstochtelijkheid omkneld houdende! En »zij”, was niemand anders dan de oude tante! [208]

[Inhoud]

IX.

Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander slechts enkele woorden zeggen.

»Wel, Ygeen?”

»Wel, meester, alles is klaar! De buizen zijn gelegd.”

»Kom! Dan gaan we nu in het groot en op de massa’s werken!”

[Inhoud]

X.

Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad aantast en welke uitwerking zij teweegbrengt.

In de nu volgende maanden werd het van kwaad tot erger en breidde de epidemie zich van uit de huizen tot op de straat uit. De stad Quiquendone was onherkenbaar geworden.

En, wat nog het vreemdste natuurverschijnsel was, niet alleen het dierenrijk, maar ook het plantenrijk ontsnapte niet aan den algemeenen invloed.

Volgens den gewonen loop der dingen, zijn de epidemieën speciaal, want zij die den mensch treffen tasten de dieren niet aan en zij die de dieren treffen, verschoonen de planten. Heeft men ooit gezien, dat een paard door de pokken werd aangetast of een mensch door de runderpest en krijgen de schapen de aardappelziekte? Maar hier schenen al de wetten der natuur omgekeerd. Niet alleen waren het karakter, het temperament, de denkbeelden der bewoners en bewoonsters van Quiquendone veranderd, maar ook de huisdieren, honden of katten, koeien of paarden, ezels of geiten, alles verkeerde onder dezen epidemischen invloed, en ’t scheen dat zij volkomen van aard veranderd waren. De planken zelve »emancipeerden” zich, als men ons deze uitdrukking wel wil veroorloven.

Eén aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. Blz. 210.

Eén aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. Blz. 210.

In de tuinen, de moestuinen, de boomgaarden toch deden zich allervreemdste verschijnselen op. De klimplanten klommen met meer stoutmoedigheid. De struiken werden boomen. De zaden, nauwelijks gezaaid, vertoonden kleine groene puntjes en in hetzelfde tijdsverloop, wonnen ze in duimen wat vroeger, onder de gunstigste [209]omstandigheden, ze in strepen wonnen. De asperges werden twee voet hoog; de artisjokken werden zoo groot als meloenen, de meloenen zoo groot als pompoenen, de pompoenen zoo groot als de [210]groote klok uit den toren, die negen voet in diameter mat. De kolen waren kreupelboschjes en de paddestoelen parapluies.

Met de vruchten ging het denzelfden weg op als met de groenten. Één aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. De trossen druiven waren zoo groot als de enorme tros, die voorkomt op het zoo prachtig beschilderde doek van Poussin »de terugkeer der afgezondenen naar het beloofde land.”

Hetzelfde was het geval met de bloemen: de groote viooltjes verspreidden doordringerder geuren, de buitengewoon groote rozen schitterden met levendiger kleuren, de seringen vormden binnen weinige dagen ondoordringbare kreupelbosschen; geraniums, madelieven, dahlia’s, camelia’s, rhododendrons, maakten zich van de paden meester en verstikten elkander! Het snoeimes schoot hier te kort. En de tulpen, de vreugde der Vlamingen, wat brachten ze de liefhebbers in verrukking! De waardige Van Bistrom viel op zekeren dag van louter ontroering bijna omver, toen hij in zijn tuin een eenvoudige tulipa gesneriana van enorme, monsterachtige, reusachtige grootte zag, waarvan de bloemkelk tot nest diende van een gansche familie roodborstjes!

De geheele stad kwam toeloopen om die wonderbaarlijke bloem te zien en gaf haar den naam van tulipa quiquendonia.

Maar, helaas! al kwamen die planten, die vruchten, die bloemen zichtbaar vooruit, al toonden alle gewassen een voorliefde kolossale afmetingen aan te nemen, al bedwelmden de glans hunner kleuren en het doordringende hunner geuren den reuk en de blikken, zoo verwelkten zij daarentegen snel. De lucht, die zij opslorpten, verbrandde ze maar al te spoedig en ze stierven weldra, uitgeput, verwelkt, verteerd.

Dat was het lot van de vermaarde tulp, die na eenige dagen van glans en luister verkwijnde!

Op dezelfde wijze ging het al spoedig met de huisdieren, van den huishond tot de zwijnen in den stal, van het kanarievogeltje in de kooi tot den kalkoen in den hof.

Nu waren die dieren in gewone tijden al even flegmatiek als hunne meesters. Honden en katten leidden meer een plantenleven dan dat ze werkelijk leefden. Nooit sprongen ze in ’t rond van blijdschap, nooit werden ze door een aandoening van toorn in hunne kalmte gestoord. De staarten bewogen zich niet levendiger, dan alsof ze uit brons waren gegoten geweest. Sedert onheuglijke tijden had men van geen krabben of bijten gehoord. Wat de dolle honden betreft, deze beschouwde men als denkbeeldige dieren, die onder de griffoenen en andere fantastische dieren uit de Openbaring moesten gerangschikt worden.

Maar welk een verandering in die weinige maanden, waarvan we de geringste voorvallen trachten op te teekenen! Honden en katten [211]begonnen hunne tanden en klauwen te laten zien. Men was verplicht, tengevolge van herhaalde aanvallen, eenigen af te maken. Men zag voor het eerst in de straten van Quiquendone een paard op hol gaan, een os zich met de horens naar omlaag op een zijner natuurgenooten werpen, een ezel omvervallen met de pooten in de lucht en een gebalk uitgalmen, dat niets »dierlijks” meer had, een schaap, zelfs een schaap tegen het mes van den slager dapper de karbonaden verdedigen, die het in zich droeg!

De burgemeester Van Tricasse was verplicht politie-verordeningen uit te vaardigen tegen de huisdieren die, door razernij aangetast, de straten van Quiquendone onveilig maakten.

Maar, helaas! zoo de dieren gek waren, de menschen waren niet wijs meer!

Geen leeftijd was van de plaag verschoond.

De zuigelingen werden zeer spoedig onverdraaglijk, die wezentjes die tot nog toe zoo gemakkelijk waren groot te brengen en voor het eerst moest de kantonrechter Honoré Syntax zijn kroost met de roede straffen.

Op de school ging het ook vrij oproerig toe en wierpen de jongens elkander met dictionnaires naar het hoofd. Men kon ze niet meer op de banken houden en zelfs de onderwijzers, die ze met allerlei taakwerk overlaadden, deelden in de algemeene overprikkeling.

Nog een ander vreemd verschijnsel was het, dat al die inwoners van Quiquendone, die tot nog toe altijd zoo matig waren, en wier voornaamste voedsel uit melkspijzen en zoetigheidjes bestond, zich nu werkelijk in eten en drinken te buiten gingen. Hun gewone leefregel was hun niet genoeg meer. Iedere maag was een afgrond geworden, dien men met enorme hoeveelheden spijzen en dranken moest trachten te dempen. Het verbruik der inwoners was verdriedubbeld. In plaats van twee maaltijden, nam men er zes. De stoornissen in de spijsvertering waren ontelbaar. De wethouder Niklausse kon zich niet verzadigen. De burgemeester Van Tricasse kon zijn dorst niet stillen en was altijd half dronken.

Kortom, dagelijks openbaarden zich de meest verontrustende verschijnselen en deed zich de toekomst donker voor.

Onophoudelijk kwam men dronken menschen tegen en onder deze dronken lieden, dikwijls notabelen.

De geneesheer Dominicus Custos had het verschrikkelijk druk met allerlei maagstoornissen en zenuwachtige aandoeningen, wel een bewijs van de groote prikkelbaarheid, waaraan de zenuwen der bevolking leden.

De vroeger zoo stille straten van Quiquendone, die tegenwoordig zoo druk waren, want niemand kon thuis blijven, waren nu het tooneel van dagelijksche woordenwisselingen en zelfs twisten. [212]

De politie moest versterkt worden, teneinde de rustverstoorders in toom te houden.

Er moest een gevangenis in het gemeentehuis ingericht worden, die dag en nacht met oproermakers was opgevuld. De commissaris Passauf was bekaf.

Er gebeurde iets, dat nog nooit gebeurd was,—binnen den tijd van twee maanden werd er een huwelijk gesloten. Een ongehoord feit! De zoon van den ontvanger Rupp huwde met de dochter van de schoone Augustine de Rovère en dat binnen slechts zevenenvijftig dagen na haar hand gevraagd te hebben!

Nog andere huwelijken werden beslist, die anders jaren lang zouden uitgesteld zijn. De burgemeester kon er zich geen begrip van vormen en ook zijn dochter, de lieve Suze, leed aan dezelfde kwaal en zou spoedig aan zijn handen ontsnappen.

Wat onze waarde oude tante betreft, ze had waarlijk den commissaris Passauf durven polsen over een vereeniging, die haar toescheen alle elementen in zich te bevatten van geluk, fortuin, wederzijdsche achting, jeugd!...

Om de maat vol te meten, had er tot overmaat van ijselijkheid, een duel plaats! Een wezenlijk duel met pistolen, en nog wel met ruiterpistolen, op vijf en twintig pas! En tusschen wie? Onze lezers zullen ’t nauwlijks kunnen gelooven!

Tusschen den heer Frans Niklausse, den zachtaardigen hengelaar en den zoon van den rijken bankier, den jongen Simon Collaert.

En de onschuldige oorzaak van dit duel was niemand anders dan de dochter van den burgemeester, op wie Simon dol verliefd was en die hij aan niemand ter wereld wilde afstaan.

[Inhoud]

XI.

Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen.

Men ziet in welk een betreurenswaardigen toestand de bevolking van Quiquendone zich bevond. De hoofden verkeerden in een onnatuurlijke gisting. Men kende en herkende elkander niet meer. De vreedzaamste menschen waren twistziek geworden. Men moest hen niet met den nek aanzien, of ze zonden dadelijk getuigen op [213]uw dak. Velen lieten hun snorren staan en enkele echte vechtersbazen krulden ze aan de punten om.

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!” Blz. 218.

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!” Blz. 218.

Onder dergelijke omstandigheden werd het moeielijk de stad te [214]besturen en de orde op de straten en in de openbare gebouwen te handhaven, want de dienst was voor zulk een stand van zaken niet ingericht. De burgemeester, onze waardige Van Tricasse, dien we zoo zacht, zoo kalm en vreedzaam en zoo besluiteloos gekend hebben, was nu niet meer tot bedaren te brengen. Zijn huis weerklonk den ganschen dag van zijn bevelen. Onophoudelijk beknorde hij zijne agenten en zag in eigen persoon nauwkeurig toe dat zijne orders strikt werden uitgevoerd.

Helaas! Welk een verandering! Waar was de kalmte, die vroeger in het vriendelijke en rustige huis van den burgemeester, die goede Vlaamsche woning, heerschte? Welke treurige huiselijke tooneelen hadden daar nu plaats! Mevrouw Van Tricasse was kregelig, twistziek en kwalijknemend geworden. Mocht het haar man al gelukken haar te overschreeuwen, tot zwijgen kon hij haar niet brengen. De goede vrouw had met haar prikkelbaar humeur op alles en allen wat aan te merken. ’t Ging alles verkeerd! Niets werd op zijn tijd gedaan! Zij gaf Lotje en zelfs tante, haar schoonzuster de schuld, die, niet minder slecht gehumeurd, haar scherpe antwoorden gaf. Natuurlijk hield Van Tricasse zijn dienstbode Lotje de hand boven het hoofd, zooals men dat meermalen in de beste huishoudens ziet. Van daar dan voortdurende verbittering van mevrouw de burgemeesteres, hevige verwijten, woordenwisselingen, twisten, tooneelen tot in het oneindige!

»Maar wat scheelt ons toch?” riep dan de ongelukkige burgemeester uit. »Door welk vuur worden we toch verteerd? Zijn we dan van den duivel bezeten? O! mevrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse! Je verhaast mijn dood en zult maken, dat ik vóór u naar het graf gedragen word en hoe zullen dan de overleveringen der familie worden nagekomen!”

Want de lezer zal zeker de vreemde bijzonderheid niet vergeten hebben, dat de heer Van Tricasse weduwnaar moest worden en hertrouwen, om de eenmaal tot wet geworden gewoonte niet te breken.

Evenwel bracht die eigenaardige gesteldheid der gemoederen nog andere vrij zonderlinge uitwerkselen teweeg, die der vermelding over waardig zijn. Die zenuwachtige overspanning, waarvan de oorzaak voor als nog voor ons in het duister ligt, geleidde tot allervreemdste physiologische verschijnselen, die men niet zou verwacht hebben. Talenten, die anders verborgen zouden gebleven zijn, kwamen nu voor den dag. Bij velen openbaarde zich een bijzondere aanleg hier- of daarvoor. Kunstenaars met tot nog toe middelmatige talenten, stelden zich onverwacht in een nieuw licht. Zoowel in de politiek als in de letteren stonden eensklaps tot nog toe onbekende mannen op. Redenaars behandelden de belangrijkste en moeielijkste quaesties en deden een gehoor ontvlammen, dat trouwens [215]zeer vatbaar was om ontvlamd te worden. Uit de zittingen van den raad, ging de beweging over in de openbare bijeenkomsten: er vormde zich een club te Quiquendone, terwijl twintig dagbladen, de Guetteur de Quiquendone, de Impartial van Quiquendone, de Radical de Quiquendone, de Outrancier de Quiquendone, met vuur geschreven, de gewichtigste maatschappelijke vraagpunten behandelden.

Maar naar aanleiding waarvan? vraagt men niet zonder reden. Naar aanleiding van alles en van niets; naar aanleiding van den toren van Oudenaarde, die overhing en dien sommigen wilden afbreken en anderen wilden herstellen; naar aanleiding van de politieverordeningen, door den raad uitgevaardigd en die kwaadgezinde hoofden trachtten tegen te werken, naar aanleiding van het uitdiepen der beken en het schoonhouden der riolen, enz. En als die onstuimige redenaars nu alleen het stedelijk bestuur nog maar hadden aangevallen! Maar neen, door den stroom medegesleept, holden zij maar voort en zouden ze, als de Voorzienigheid niet tusschenbeide was gekomen, hunne stadgenooten, een oorlog op den hals hebben gehaald.

Wat was het geval? Sedert acht of negen honderd jaar smeulde er in de archieven van Quiquendone een zeldzaam schoone casus belli; maar zij bewaarde hem met de grootste zorg, als een reliquie, en werkelijk scheen hij eenige kans te hebben te verschimmelen en zijn kracht te verliezen.

Ziehier hoe die casus belli was in de wereld gekomen.

Het is niet algemeen bekend, dat Quiquendone, in dat hoekje van Vlaanderen, dicht bij de kleine stad Virgamen gelegen is. Het grondgebied beider gemeenten grenst aan elkander.

Nu gebeurde het in 1135, eenigen tijd voor het vertrek van graaf Baudouin naar het Heilige Land, dat een koe van Virgamen—wel te verstaan, geen koe van een inwoner, maar een koe der gemeente—zich verstoutte op het grondgebied van Quiquendone te gaan weiden. Nauwelijks had het ongelukkige dier drie mondjes vol gras verorberd, maar het wanbedrijf, de misdaad als men wil, was bedreven en geconstateerd bij procesverbaal van dien tijd, want te dien tijde begonnen de overheidspersonen de kunst van schrijven te leeren.

»Ter rechter tijd zullen we ons wreken,” zei eenvoudig Natalis Van Tricasse, de twee en dertigste voorganger van den tegenwoordigen burgemeester, »en uitstel is geen afstel!”

De inwoners van Virgamen waren bij tijds onderricht. Zij wachtten en dachten niet zonder reden, dat de tijd de herinnering der beleediging wel zou uitwisschen en werkelijk leefden zij gedurende verscheidene eeuwen in de beste verstandhouding met hunne buren van Quiquendone. [216]

Maar zij hadden buiten den waard gerekend, of liever buiten die zonderlinge epidemie, die, terwijl zij het karakter hunner buren ten eenenmale veranderde, het uitgedoofde vuur der wraak in die harten weder oprakelde.

Het was in de club van de Monstrelet-straat, dat de vurige advocaat Schut eensklaps de quaestie te berde bracht, en zijne toehoorders electriseerde door de uitdrukkingen en schilderingen te gebruiken, die in deze omstandigheden in zwang zijn. Hij herinnerde de overtreding, hij herinnerde het ongelijk, der gemeente Quiquendone aangedaan, en waarvoor een natie »naijverig op haar rechten” geen verjaring kon dulden; hij wees op de nog altijd gevoelde beleediging, op de nog altijd bloedende wond; hij sprak van zekere eigenaardige bewegingen van het hoofd der inwoners van Virgamen en die aantoonden hoezeer zij de inwoners van Quiquendone verachtten; hij smeekte zijne landgenooten, die misschien »onbewust” gedurende lange eeuwen die doodelijke beleediging verdragen hadden, hij bezwoer »de kinderen der oude stad” geen ander doel meer voor oogen te houden dan een schitterende voldoening te verkrijgen! Eindelijk deed hij een beroep op de levende strijdkrachten der natie!

Het is onmogelijk in woorden weer te geven met welk een geestdrift deze taal, die voor Quiquendonsche ooren zoo nieuw was, ontvangen werd. Het geheele auditorium was opgestaan en met luide kreten, de armen uitgestrekt, vroegen alle toehoorders den oorlog. Nooit had de advocaat Schut zulk een succes gehad en het moet erkend worden, dat hij prachtig geweest was.

De burgemeester, de wethouder, al de notabelen, die deze gedenkwaardige zitting bijwoonden, zouden zich vruchteloos tegen die vervoering van het volk hebben kunnen verzetten. Trouwens hadden zij er ook niet den minsten lust toe en, zooal niet harder, dan toch even hard, schreeuwden ook zij:

»Naar de grenzen! Naar de grenzen!”

Daar nu deze grenzen slechts drie kilometers van de muren van Quiquendone verwijderd waren, is het zeker, dat de inwoners van Virgamen werkelijk gevaar liepen, want zij konden overmeesterd zijn, alvorens den tijd gehad te hebben tot bezinning te komen.

Inmiddels scheen de achtbare apotheker Josse Liefrinck, onder deze ernstige omstandigheden, alleen zijn zinnen bij elkander gehouden te hebben, want hij maakte de opmerking dat er gebrek was aan geweren, kanonnen en generaals.

Men antwoordde hem en liet dit antwoord van eenige handtastelijke bewijsgronden vergezeld gaan, dat men die generaals, die kanonnen en geweren wel zou vinden en dat het goed recht en de liefde voor het vaderland voldoende waren en een volk onwederstaanbaar maakten. [217]

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer!” Blz. 220.

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer!” Blz. 220.

Daarop nam de burgemeester zelf het woord en brak in een sierlijke, voor de vuist uitgesproken redevoering den staf over die kinderachtige zielen, die achter het masker der voorzichtigheid [218]de vrees verbergen en dit masker rukte hij af met een vaderlandslievende hand.

Men zou op dit oogenblik gezegd hebben, dat de zaal onder de toejuichingen inviel.

Men vroeg stemming.

De stemming geschiedde bij acclamatie, en de kreten verdubbelden:

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!”

De burgemeester nam op zich om het leger mobiel te maken en in den naam der stad beloofde hij dengenen zijner aanstaande generaals, die als overwinnaar zou terugkeeren, de eerbewijzingen der zegepraal, zooals dit ten tijde der Romeinen plaatsgreep.

Evenwel wilde de apotheker Josse Liefrinck, die een eigen hoofd had, en zich niet voor geslagen hield, ofschoon hij het werkelijk was, nog een opmerking maken. Hij zei namelijk, dat te Rome de overwinnende generaals niet in triomf werden ingehaald, of ze moesten vijf duizend vijanden gedood hebben.

»Welnu! welnu!” schreeuwde het publiek in de grootste opgewondenheid.

»... En dat, daar de bevolking der gemeente Virgamen niet meer beloopt dan drie duizend vijf honderd vijf en zeventig inwoners, het moeielijk zou zijn, of men moest verscheidene keeren denzelfden persoon dooden...”

Maar men liet den ongelukkigen logischen apotheker niet uitpraten en gestompt en geslagen werd hij de deur uitgesmeten.

»Burgers,” zei daarop Sylvester Pulmacker, een klein kruideniertje, »burgers, laat dien laffen apotheker maar zeggen wat hij wil, ik neem aan vijf duizend Virgamenaars te dooden, als ge mijne diensten wilt aannemen.”

»Vijf duizend vijf honderd!” schreeuwde een nog onversaagder vaderlander.

»Zes duizend zes honderd!” hernam de kruidenier.

»Zeven duizend!” riep de banketbakker uit de Hemlingstraat, Jan Orbideck, die op weg was zijn fortuin in de roomgebakjes te maken.

»Toegewezen!” riep burgemeester Van Tricasse uit, toen hij zag, dat niemand hooger bood.

En zoo kwam het dat de banketbakker Jan Orbideck, de generaal, opperbevelhebber der troepen van Quiquendone werd. [219]

[Inhoud]

XII.

Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft, die driftig door Dr. Ox wordt van de hand gewezen.

»Wel! meester,” zei de assistent Ygeen den volgenden dag, terwijl hij emmers met zwavelzuur in den bak zijner enorme batterijen uitstortte.

»Wel!” hernam dokter Ox, »had ik geen gelijk? Daarvan hangt nu niet alleen de physische ontwikkeling van een geheele natie af, maar haar zedelijkheid, haar waardigheid, haar talenten, haar politieke zin! ’t Is maar een quaestie van moleculen.”

»Zeker, maar...”

»Maar?...”

»Vindt u niet, dat het nu al wel zoo is en dat die arme duivels nu genoeg overprikkeld zijn?”

»Neen! neen!” riep de dokter uit, »neen! ’k houd tot het einde toe vol.”

»Zooals u wilt, meester, ofschoon de proef, naar ’t me voorkomt, genoeg bewijst en daarom dunkt me, zou het tijd zijn om...”

»Om?...”

»De kraan te sluiten.”

»Nu nog mooier!” riep dokter Ox uit. » Probeer het eens als je ’t hart hebt!”

[Inhoud]

XIII.

Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle menschelijke nietigheden beheerscht.

»Wat zeg je?” vroeg burgemeester Van Tricasse den wethouder Niklausse.

»’k Zeg, dat deze oorlog noodzakelijk is,” antwoordde de wethouder op vasten toon, »en dat het tijd is om onze beleediging te wreken.”

»En ik,” antwoordde de burgemeester kwaad, »ik zeg, dat als de bevolking van Quiquendone niet van deze gelegenheid gebruik [220]maakte om haar recht te handhaven, ze onwaardig zou zijn haar naam te dragen.”

»En ik, ’k houd staande, dat we onmiddellijk onze troepenmassa moeten verzamelen en haar vooruit moeten brengen.”

»Ei! mijnheer, ei!” antwoordde Van Tricasse, »en spreekt u zoo tegen mij?”

»Tegen u, mijnheer de burgemeester, en u zult de waarheid hooren, hoe hard ze ook zij.”

»En u zult haar zelf hooren, mijnheer de wethouder,” gaf Van Tricasse buiten zich zelven ten antwoord, »want ze zal beter uit mijn mond komen dan uit den uwe! Ja! mijnheer, ja, nog langer te wachten zou schande zijn. Sedert negen honderd jaar wacht de stad Quiquendone op het oogenblik van weerwraak en zeg nu wat je wilt, of ’t je kan schelen of niet, maar we gaan op den vijand los.”

»O! praat je zoo?” antwoordde de wethouder Niklausse heftig. »Welnu! mijnheer, als ’t je niet bevalt mee te gaan, zullen we zonder u er op los gaan.”

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer.”

»En die van een wethouder ook, mijnheer.”

»Je beleedigt me met je woorden en werkt me onophoudelijk tegen,” riep de burgemeester uit, wiens vuisten zich balden.

»En je beleedigt wederkeerig door aan mijn vaderlandsliefde te twijfelen,” riep Niklausse uit, die zich ook slagvaardig stelde.

»’k Zeg u, mijnheer, dat het Quiquendonsche leger binnen twee dagen marschvaardig zal zijn!”

»En ik zeg nog eens, ik, mijnheer, dat er geen achtenveertig uren zullen verloopen, voordat we tegen den vijand optrekken!”

Men zal uit dit gesprek gemakkelijk zien, dat beide sprekers juist hetzelfde denkbeeld voorstonden. Beiden wilden den veldslag, doch hun overspannen gemoedstoestand bracht hen aan ’t twisten en Niklausse verstond Van Tricasse niet en Tricasse verstond Niklausse niet. Ware hunne meening omtrent deze ernstige aangelegenheid verdeeld geweest en de burgemeester had liever oorlog, de wethouder daarentegen liever vrede gehad, zou de twist niet heviger hebben kunnen zijn. De twee oude vrienden keken elkander verwoed aan. Aan de versnelde beweging van hun hart, aan hun rood gelaat, aan hunne vernauwde pupillen, aan het trillen hunner spieren, aan hun stem, bevende van ingehouden toorn, begreep men dat ze op het punt stonden zich op elkander te werpen.

Maar een groote klok, die sloeg deed gelukkig de tegenstanders tot bezinning komen op het oogenblik dat zij handgemeen zouden worden.

»Daar slaat het eindelijk,” riep de burgemeester uit.

»Wat slaat er?” vroeg de wethouder. [221]

En de twee vrienden wandelden gearmd rond. Blz. 224.

En de twee vrienden wandelden gearmd rond. Blz. 224.

»Wel, het uur om naar den klokketoren te gaan.”

»’t Is waar en of ’t u bevalt of niet, ik ga, mijnheer!”

»Ik ook.” [222]

»Laat ons gaan!”

»Laat ons gaan!”

Uit deze laatste woorden zou men allicht hebben opgemaakt, dat er een ontmoeting zou plaats hebben en de twee tegenstanders zich naar het terrein zouden begeven, maar dat was volstrekt het geval niet. Men was overeengekomen, dat de burgemeester en de wethouder—werkelijk de twee voornaamste notabelen uit de stad—zich naar het stadhuis zouden begeven, dat zij daar den zeer hoogen toren zouden beklimmen en van den omloop het omliggende land zouden verkennen, teneinde zoodanige strategische beschikkingen te nemen als dienstig zouden zijn voor de beweging hunner troepen.

Alhoewel zij het nu hieromtrent volkomen eens waren, hielden zij niet op elkander onderweg de grootste hatelijkheden toe te voegen. Men hoorde op straat hunne twistende stemmen, maar al de voorbijgangers verkeerden in dezelfde driftige stemming als zij en daarom lette men er niet op. In deze omstandigheden zou een bedaard mensch als een monster beschouwd zijn.

Toen de burgemeester en de wethouder in het portaal van den toren waren aangekomen, was hun woede ten top gestegen. Zij waren nu niet rood meer, maar bleek. Hoewel zij het steeds eens waren, had die vijandige woordenwisseling hun krampen in het lijf bezorgd en men weet dat bleekheid het bewijs is van een grenzenloozen toorn.

Onder aan den smallen trap had er een ware uitbarsting plaats. Wie zou voorgaan? Wie zou het eerst den wenteltrap beklimmen? De waarheid verplicht ons te zeggen, dat er een kleine schermutseling plaats had en dat de wethouder Niklausse, geheel uit het oog verliezende wat hij zijn meerdere, den eersten overheidspersoon der stad verschuldigd was, Van Tricasse ruw op zijde duwde en het eerst den smallen trap opvloog.

Beiden klommen nu naar boven, eerst vier treden tegelijk, elkander de gemeenste scheldwoorden naar het hoofd werpende. Men had waarlijk alle reden om te vreezen, dat boven op dien toren, die drie honderd zeven en vijftig voet hoog was, een noodlottige ontknooping zou plaatshebben.

Maar de twee vijanden waren spoedig buiten adem, en klommen na een minuut, bij de tachtigste trede, nog slechts met moeite, en al hijgende.

En toen,—’t was misschien een gevolg hunner kortademigheid,—was hun toorn nog wel niet bedaard, maar uitte ze zich niet meer in een stroom van onbehoorlijke benamingen. Zij zwegen nu, en vreemd genoeg, scheen het wel, dat hun drift bedaarde naarmate zij hooger klommen. Een zekere kalmte maakte zich van hun geest meester. Het opbruisen hunner hersenen bedaarde als dat van een koffiekan, die men van het vuur neemt. Hoe kwam dat? [223]

Wij kunnen geen antwoord hierop geven, maar waar is het, dat, toen de twee tegenstanders, op twee honderd zes en zestig voet boven het niveau, een zeker portaal bereikt hadden, zij gingen zitten en werkelijk veel bedaarder geworden, elkander niet meer boos aankeken.

»Wat is dat hoog!” zei de burgemeester, zijn rood gelaat met zijn zakdoek afvegende.

»Zeer hoog!” antwoordde de wethouder. »U weet, dat we veertien voet hooger zijn dan de St. Michiel van Hamburg?”

»Welzeker weet ik dat,” antwoordde de burgemeester op hoogmoedigen toon, te vergeven aan den eersten magistraatspersoon van Quiquendone.

Na eenige oogenblikken zetten de twee notabelen hun reis naar boven voort, onderwijl nieuwsgierige blikken door de schietgaten in den muur van den toren werpende. De burgemeester had zich aan het hoofd van de karavaan gesteld, zonder dat de wethouder de minste aanmerking gemaakt had. Toen Van Tricasse bij de drie honderd vierde trede geheel afgemat was, gebeurde het zelfs, dat Niklausse hem zeer dienstwillig een douwtje in de lendenen gaf. De burgemeester liet hem zijn gang gaan en boven op den omloop van den toren aangekomen, zei hij vriendelijk:

»Dank je, Niklausse, tot wederdienst bereid.”

Zooeven nog onder aan den toren, waren het twee wilde beesten, gereed elkander te verscheuren en nu boven gekomen, waren het twee vrienden.

Het was prachtig weer en men was in de Meimaand! De zon had alle dampen verdreven. Welk een reine, heldere lucht! De blik kon in een wijden omtrek de kleine voorwerpen onderscheiden. Op weinige mijlen slechts zag men de glinsterend witte muren van Virgamen, hare roode daken, en hare in den glans der zon schitterende torens. En dat was de stad, bij voorbaat gewijd aan al de verschrikkingen van plundering en brand!

De burgemeester en de wethouder zaten bij elkander op een klein bankje, als twee goede luidjes, wier zielen door nauwe vriendschapsbanden innig met elkander verbonden waren. Al hijgende, keken zij en toen riep na eenige oogenblikken van stilte de burgemeester uit:

»Hoe schoon!” waarop de wethouder antwoordde:

»Ja! ’t is prachtig. Dunkt u ook niet, mijn waarde Van Tricasse, dat het veeleer de bestemming is van de menschheid op zulke hoogten te wonen, dan op de korst van onzen aardbol rond te kruipen?”

»Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Niklausse,” antwoordde de burgemeester. »Men gevoelt hier beter de uitingen der natuur. Men geniet haar met zijn gansche wezen! Op zulke hoogten moesten [224]philosophen gevormd worden en daar, verheven boven de nietigheden dezer wereld moesten de wijzen wonen!

»Willen we den omloop eens rondgaan?” vroeg de wethouder.

»Laten we den omloop eens rondgaan,” antwoordde de burgemeester.

En de twee vrienden wandelden gearmd rond en, even als vroeger, elkanders vragen eerst na lange tusschenpoozen beantwoordende, richtten zij hunne blikken naar alle punten van den horizont.

»’t Zal minstens zeventien jaar geleden zijn, dat ik hier boven op den toren geweest ben,” zei Van Tricasse.

»’k Geloof niet, dat ik er ooit geweest ben,” antwoordde de wethouder Niklausse, »en ’t spijt me, want het gezicht is prachtig van deze hoogte! Ziet ge hoe bekoorlijk de Vaar zich daar tusschen de boomen heen slingert?”

»En verderop de heuvels van St.-Hermandad! Hoe schoon vertoonen ze zich in het verre verschiet! Ziet ge daar die boomen, door de natuur zoo schilderachtig gegroepeerd! O! de natuur, de natuur, Niklausse! Kunnen menschenhanden ooit met haar wedijveren!

»’t Is een verrukkelijk gezicht, mijn beste vriend,” antwoordde de wethouder. »Zie de kudden in de groene weiden grazen, die ossen, koeien, schapen...”

»En de landlieden, zich naar de velden spoedende, als herders van Arcadië. Er ontbreekt hun slechts een schalmei!”

»En boven dat uitgestrekte, vruchtbare land, welft zich de schoone, blauwe, onbewolkte hemel! O! Niklausse, men zou hier dichter worden! ’k Begrijp waarlijk niet dat St.-Simeon, de pilaarheilige, niet een van de grootste dichters der wereld geweest is.”

»Dat komt misschien omdat zijn zuil niet hoog genoeg geweest is!” antwoordde de wethouder met een zacht glimlachje.

Op dit oogenblik stelde zich het klokkespel in beweging. De helderklinkende klokken speelden een harer meest welluidende liederen. De twee vrienden waren verrukt.

Toen sprak de burgemeester op zijn ouden, bedaarden toon, »wat zijn we ook boven op den toren komen doen?”

»’k Geloof waarlijk,” antwoordde de wethouder, »dat we ons door onze droomerijen laten wegsleepen...”

»Wat zijn we hier toch komen doen?” herhaalde de burgemeester.

»We zijn hier de zuivere lucht komen inademen, die nog niet door de menschelijke zwakheden bedorven is,” antwoordde Niklausse.

»Welnu, willen we dan nu maar weder naar beneden gaan, vriend Niklausse?”

»Goed, vriend Van Tricasse, laten we weer naar beneden gaan.” [225]

De gansche Quiquendonsche armee werd ter aarde geworpen. Blz. 230.

De gansche Quiquendonsche armee werd ter aarde geworpen. Blz. 230.

De twee notabelen sloegen nog een laatsten blik op het prachtige panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde; toen ging de burgemeester vooruit en begon met langzamen en afgemeten tred [226]af te klimmen. De wethouder volgde eenige treden achter hem. De twee notabelen kwamen op het portaal waar ze zich bij het naar boven klimmen hadden opgehouden. Daar reeds begonnen hunne wangen te gloeien. Zij hielden een oogenblik stil en hernamen hunne afgebroken nederdaling.

Na verloop van een minuut, verzocht Van Tricasse Niklausse wat langzamer te loopen, aangezien hij voelde dat hij op zijn hielen zat en »hem dit hinderde.”

Het deed hem zelfs meer dan hinderen, want twintig treden lager, beval hij den wethouder te blijven staan, omdat hij eerst een beetje vooruit wilde gaan.

De wethouder antwoordde, dat hij geen lust had om voor het pleizier van den burgemeester te blijven staan wachten.

Van Tricasse van zijn kant antwoordde hierop niet zeer vriendelijk.

De wethouder maakte nu een beleedigende zinspeling op den leeftijd van den burgemeester, door familieoverleveringen bestemd om een tweede huwelijk aan te gaan.

De burgemeester klom nog twintig trappen naar beneden en waarschuwde Niklausse driftig, dat dat maar zoo niet ging.

Niklausse antwoordde, dat hij dan in alle geval vooruit zou gaan, en, daar nu de trap zeer smal was, had er een botsing tusschen de twee notabelen plaats, die zich nu in diepe duisternis bevonden.

De woorden domoor en lomperd waren nog de zachtste, die toen gewisseld werden.

»We zullen eens zien,” schreeuwde de burgemeester, »we zullen eens zien, welk figuur je in dien oorlog maken zult; ’k geloof niet, dat je een van de voorsten zijn zult!”

»In alle geval vóór jou, ingebeelde gek!” antwoordde Niklausse.

Op deze wijze ging het nog eenigen tijd voort en eindelijk was het alsof ze aan het vechten waren...

Wat gebeurde er toch weder? Hoe waren die gemoederen zoo schielijk veranderd? Waarom waren de schapen van den omloop twee honderd voet lager tijgers geworden?

Hoe het zij, toen de bewaarder van den toren zulk een helsch leven hoorde, opende hij de benedendeur, juist op het oogenblik dat de tegenstanders, gekneusd, met de oogen uit het hoofd, elkander wederkeerig de haren uittrokken, of liever de pruiken afrukten.

»Je zult me voldoening geven!” riep de burgemeester uit, met de gebalde vuist onder den neus van zijn tegenstander.

»Wanneer je maar wilt!” gilde de wethouder het uit, in dreigende houding.

De bewaarder, die zelf woedend was,—waarom is niet bekend,—vond niets vreemds in dit twisttooneel. ’k Weet niet welke persoonlijke overprikkeling hem drong partij te kiezen. Maar hij [227]hield zich in en verspreidde in de gansche buurt de tijding, dat er spoedig een ontmoeting zou plaats hebben tusschen den burgemeester Van Tricasse en den wethouder Niklausse.

[Inhoud]

XIV.

Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart nemen, dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver een onmiddellijke ontknooping vorderen.

Dit laatste voorval doet zien tot welk een hoogte de opgewondenheid van de Quiquendonsche bevolking gestegen was. Wie had ooit kunnen denken, dat de twee oudste vrienden der stad en daarbij de vreedzaamste,—vóór de treurige bezoeking,—zoo op elkander gebeten konden worden! En dat eenige minuten slechts nadat hunne oude sympathie, hun zacht karakter, hun kalme levensbeschouwing daarboven op den toren weder de overhand hadden gekregen!

Toen dokter Ox hoorde wat er al zoo in het stadje omging, kon hij zijn blijdschap niet inhouden. Hij was het volstrekt niet eens met zijn assistent, die zag dat het niet goed ging. Ook zij, trouwens, deelden in de algemeene overspanning. Zij waren niet minder overprikkeld dan de overige bevolking en geraakten waarlijk ook, evenals de burgemeester en de wethouder, aan het kibbelen.

Evenwel moet erkend worden, dat de voorname quaestie, de quaestie van den dag al de andere verdrong en de voorgenomen duels verschoof totdat de zaak met de inwoners van Virgamen was uitgemaakt. Niemand had het recht zijn bloed nutteloos te vergieten, want het behoorde immers tot den laatsten druppel aan het bedreigde vaderland.

Want inderdaad waren de omstandigheden ernstig en kon men niet teruggaan.

Niettegenstaande al het oorlogsvuur, dat in hem brandde, meende de burgemeester Van Tricasse den vijand niet te moeten aanvallen zonder hem te waarschuwen. Hij had dus den veldwachter, heer Hottering naar Virgamen gezonden en de inwoners gerechtelijk aangemaand hun voldoening te geven voor de overtreding in den jare 1195 op het grondgebied van Quiquendone begaan.

De overheid van Virgamen had er in het eerst geen flauw begrip [228]van gehad, waarvan er toch eigenlijke sprake was en den veldwachter, in weerwil van zijn officieel karakter zonder complimenten buiten de gemeente laten brengen.

Toen zond Van Tricasse een der aides-de-camp van den generaal-banketbakker, den burger Hildevert Shuman, een flinken vent, vol geestkracht, die aan de overheid van Virgamen het origineel bracht van het procesverbaal, opgemaakt in 1195 door den burgemeester Natalis Van Tricasse.

De regeering van Virgamen barstte uit in lachen en het ging met den aide-de-camp precies op dezelfde manier als met den veldwachter.

De burgemeester belegde toen een vergadering van de notabelen der stad. In deze vergadering werd besloten in den vorm van een ultimatum een flinken brief op te maken, waarin de casus belli duidelijk werd uiteengezet en een uitstel van vier en twintig uren aan de schuldige stad gegeven werd om de beleediging, Quiquendone aangedaan, te herstellen.

De brief werd verzonden en kwam eenige uren later terug, in kleine stukjes verscheurd, die als zoovele beleedigingen beschouwd werden. De inwoners van Virgamen kenden van langen datum de lankmoedigheid der Quiquendoners en gaven geen zier om hunne vorderingen, hun casus belli en hun ultimatum.

Er bleef dus nu niets anders over dan het lot der wapenen te laten beslissen, den god der veldslagen aan te roepen en, volgens Pruisische manier, de inwoners van Virgamen aan te tasten voordat zij nog geheel gereed waren.

Dit was het besluit van den raad in een plechtige zitting, waar het met ongekende hevigheid toeging, zoo zelfs, dat het in een vergadering van gekken, een vereeniging van bezetenen of een club van razenden niet oproeriger had kunnen toegaan.

Zoodra de oorlogsverklaring bekend was, verzamelde de generaal Jan Orbideck zijne troepen, twee duizend drie honderd drie en negentig zielen, want de vrouwen, de kinderen en de grijsaards hadden zich bij de strijdbare mannen gevoegd. Alle scherpe of kneuzende voorwerpen waren wapenen geworden. Al de geweren uit de stad waren opgevorderd. Men was er vijf meester geworden waarvan twee zonder hanen en zij werden aan de voorhoede uitgedeeld. De artillerie bestond uit de oude veldslang van het kasteel, genomen in 1339 bij den aanval op Quesnoy, een der eerste vuurmonden, in de geschiedenis vermeld, en die sedert vijf eeuwen geen schot gelost had. Gelukkig evenwel voor hen die het stuk zouden bedienen, waren er geen projectielen om het te laden, maar, zooals het daar was, kon dit oorlogstuig den vijand nog genoeg vrees aanjagen. Wat de blanke wapenen aangaat, deze waren geput uit het museum van oudheden, steenen strijdbijlen, knodsen, werpspiesen, [229]pertizanen, enz. en mede uit de bijzondere arsenalen, algemeen bekend onder den naam van keukens. Doch de moed, het gevoel van recht, de haat jegens den vreemdeling, de wraakzucht moesten in de plaats treden van tot meerdere volkomenheid gebracht oorlogstuig en—men hoopte het althans—de mitrailleuses en de achterlaadkanonnen van den tegenwoordigen tijd vervangen.

Bij de revue die gehouden werd, ontbrak geen enkele burger aan het appel. Generaal Orbideck, niet zeer vast op zijn paard, dat niet te vertrouwen was, viel driemaal voor het front van het leger er af, maar hij stond weder op zonder zich bezeerd te hebben, hetgeen als een gunstig voorteeken beschouwd werd. De burgemeester, de wethouder, de commissaris van politie, de vrederechter, de ontvanger, de bankier, de rektor, kortom al de notabelen der stad marcheerden aan het hoofd. Er werd geen traan gestort, noch door de moeders, noch door de zusters, noch door de dochters. Zij zetten hunne mannen, hunne vaders, hunne broeders tot den strijd aan en volgden hen zelfs in de achterhoede, onder kommando van de moedige Mevr. Van Tricasse.

De trompet van den omroeper Jan Mistrol klonk; het leger stelde zich in beweging, verliet het plein onder het uiten van woeste kreten en richtte zich naar de poort van Oudenaarde.


Op het oogenblik dat het hoofd der colonne buiten de muren der stad zou treden, vloog hem een man tegemoet.

»Houdt op! houdt op! gij dwazen!” riep hij. »Houdt de wapens op! Laat me de kraan sluiten! Gij dorscht nu naar bloed! Ge zijt goede, vredelievende burgers! Dat ge zoo vol vuur zijt, is alleen de schuld van mijn meester, dokter Ox! ’t Is een proefneming! Onder voorwendsel u een verlichting met oxy-hydrogeengas te geven, heeft hij....”

De assistent was buiten zich zelven, maar hij kon niet uitspreken. Op het oogenblik dat het geheim van den dokter hem zou ontsnappen, stortte zich dokter Ox zelf, in onbeschrijfelijke woede, op den ongelukkigen Ygeen en sloot hem den mond met vuistslagen.

Dat gaf een gevecht. De burgemeester, de wethouder, de notabelen, die op het gezicht van Ygeen waren blijven staan, op hunne beurt door hunne verbittering medegesleept, wierpen zich op de twee vreemdelingen, zonder een van beiden te willen hooren. Dokter Ox en zijn assistent, getrokken, geslagen, mishandeld, zouden op bevel Van Tricasse zoo naar de gevangenis gesleept worden, toen.... [230]

[Inhoud]

XV.

Waarin de ontknooping losbarst.

.... toen een vreeselijke ontploffing weerklonk. De geheele atmosfeer om Quiquendone scheen in vuur en vlam te staan. Een buitengewoon heldere, schitterende vlam steeg als een luchtverschijnsel tot in de wolken. Als het nacht geweest was, zou deze vuurgloed tien mijlen ver in het rond gezien zijn.

De gansche Quiquendonsche armee werd ter aarde geworpen... Gelukkig was er geen enkel slachtoffer gevallen, eenige krabben en bulten en anders niet. Alleen de pluim van den steek des banketbakkers, die bij toeval nu niet van zijn paard was gevallen, was geschroeid, maar overigens was hij er goed van afgekomen.

Wat was er gebeurd?

Heel eenvoudig was, zooals men spoedig hoorde, de gasfabriek in de lucht gesprongen. Waarschijnlijk was er in de afwezigheid van den dokter en zijn assistent, de een of andere onvoorzichtigheid begaan. Men weet niet hoe, noch waarom het reservoir met oxygenium met dat hetwelk het hydrogenium bevatte, in gemeenschap gekomen is, maar dat is zeker dat uit de vereeniging dezer beide gassen een ontploffend mengsel ontstaan is, dat bij vergissing met vuur in aanraking is gekomen.

Dit gaf een heele omkeering;—doch toen het leger weder op de been kwam, waren dokter Ox en zijn assistent Ygeen verdwenen.

[Inhoud]

XVI.

Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed geraden had, niettegenstaande al de voorzorgen van den schrijver.

Na de ontploffing was Quiquendone onmiddellijk weder de vreedzame, flegmatische en Vlaamsche stad van vroeger geworden.

Na de ontploffing, die trouwens geen bijzonder diepe ontroering teweegbracht, sloeg iedereen, zonder te weten waarom, werktuiglijk den weg naar huis weder in, de burgemeester gearmd met den [231]wethouder, de advocaat Schut met den geneesheer Custos, Frans Niklausse met zijn medeminnaar Simon Collaert, allen even bedaard en rustig, onbewust zelfs van ’t geen er was voorgevallen, en Virgamen en de wraak reeds vergeten hebbende. De generaal was tot zijn confituren en zijn aide-de-camp tot zijn suikergoed teruggekeerd.

Alles was dus weder tot kalmte gekomen, alles had het gewone leven hervat, menschen en dieren, dieren en planten, zelfs de toren van de Oudenaardsche poort, die de ontploffing,—die ontploffingen zijn dikwijls zulke verwonderlijke zaken,—die de ontploffing weder had opgericht!

En van dien tijd af aan, nooit één woord luider dan het andere, nooit een woordenwisseling in de stad Quiquendone. Geen politiek, geen club, geen proces, geen politieagenten meer! De betrekking van den commissaris Passauf was even als vroeger een sinecure, en dat men hem zijn honorarium niet onttrok, had hij alleen daaraan te danken, dat de burgemeester en de wethouder niet konden besluiten een beslissing ten zijnen opzichte te nemen. Overigens bleef hij, maar zonder er iets van te weten, van tijd tot tijd het onderwerp van de droomen der oude tante.

Wat den medeminnaar van Frans betreft, hij zag edelmoedig van de bekoorlijke Suze af ten behoeve van haren beminde, die zich, vijf of zes jaren na deze gebeurtenissen, haastte haar te huwen.

En wat Mevr. Van Tricasse aangaat, zij stierf tien jaren later juist op den gewenschten termijn en de burgemeester trouwde nu met Mejuffrouw Pélagie Van Tricasse, zijne nicht.

[Inhoud]

XVII.

Waarin de theorie van dokter Ox verklaard wordt.

Wat had die geheimzinnige dokter Ox dan toch gedaan? Niets meer of minder dan een fantastische proef.

Na zijn gasbuizen gelegd te hebben, had hij de openbare gebouwen, daarna de bijzondere huizen en eindelijk de straten van Quiquendone met zuiver oxygenium verzadigd, doch zonder ze ooit met een atoom hydrogenium te voorzien.

Dit gas, overigens zonder smaak of reuk, in zulk een groote hoeveelheid in den dampkring verspreid, brengt ingeademd, de ernstigste stoornissen in het organisme teweeg. Door in een met oxygenium [232]verzadigde ruimte te leven, wordt men opgewekt, overspannen, men brandt!

Nauwelijks in den gewonen dampkring teruggekomen, wordt men weder wat men vroeger was, zooals in het geval van den wethouder en den burgemeester, toen zij boven in den klokketoren gekomen, zich wederom in de gewone dampkringslucht bevonden, daar het oxygenium door zijn meerdere zwaarte in de onderste lagen bleef hangen.

Maar door in zulk een toestand te leven, door dit gas in te ademen, dat het lichaam zoowel als de ziel physiologisch verandert, sterft men spoedig, evenals de dwazen, die te sterk leven!

Het was dus gelukkig voor de Quiquendoners, dat een door de Voorzienigheid bewerkte ontploffing een eind aan deze gevaarlijke proefneming gemaakt had, door de fabriek van dokter Ox te vernietigen.

Maar zouden nu, om te besluiten, deugd, moed, talent, verstand, verbeeldingskracht, al die hoedanigheden of vermogens, afhangen van een meerdere of mindere hoeveelheid oxygenium in de atmosfeer?

Dat is de theorie van dokter Ox, maar men heeft het recht haar niet aan te nemen en wat ons betreft, we verwerpen haar in alle opzichten, niettegenstaande de fantastische proefneming, waarvan de achtbare stad Quiquendone het tooneel was. [III]

[Inhoud]

DOKTER OX.

I. Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft op te zoeken, zelfs niet op de beste kaarten 167
II. Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over de belangen der stad spreken 170
III. Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als onverwachte manier komt binnenvallen 174
IV. Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute proeven neemt 179
V. Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter Ox en hetgeen daaruit voortvloeit 184
VI. Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes voor de toekomst maken [IV] 190
VII. Waarin de »andantes” »allegro’s” worden en de »allegro’s” in »vivaces” overgaan 194
VIII. Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt 202
IX. Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander slechts enkele woorden zeggen 208
X. Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad aantast en welke uitwerking zij teweegbrengt 208
XI. Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen 212
XII. Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft, die driftig door Dr. Ox wordt van de hand gewezen 219
XIII. Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle menschelijke nietigheden beheerscht 219
XIV. Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart nemen, dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver een onmiddellijke ontknooping vorderen 227
XV. Waarin de ontknooping losbarst 230
XVI. Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed geraden had, niettegenstaande al de voorzorgen van den schrijver 230
XVII. Waarin de theorie van dokter Ox verklaard wordt 231
[Inhoud]

Noord-Indië.
 S. Lankhout & Co. Den Haag

Noord-Indië.

2e kaart.

[Inhoud]

Bij den Uitgever dezes zijn mede verschenen:

DE REIS OM DE WERELD IN 80 DAGEN. 6e druk. Met 52 houtgravuren. ƒ 1.50.

DE REIS NAAR DE MAAN IN 28 DAGEN en 12 UREN. 2e druk. Met 60 houtgravuren. ƒ 1.50.

DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Zuid-Amerika. Met 60 houtgravuren ƒ 1.50.

DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Australië. Met 50 houtgravuren ƒ 1.50.

DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Stille Z.-Zee. Met 52 houtgravuren ƒ 1.50.

20,000 MIJLEN ONDER ZEE. Oost. Halfrond. Met 50 houtgravuren ƒ 1.50.

20,000 MIJLEN ONDER ZEE. West. Halfrond. Met 60 houtgravuren ƒ 1.50.

VIJF WEKEN IN EEN LUCHTBALLON. Ontdekkingsreis in de Binnenlanden van Afrika. Met 75 houtgravuren. ƒ 1.50.

HET GEHEIMZINNIGE EILAND. De Luchtschipbreukelingen. Met 54 houtgravuren ƒ 1.50.

HET GEHEIMZINNIGE EILAND. De verlatene. Met 54 houtgravuren ƒ 1.50.

NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE. Met 53 houtgravuren ƒ 1.50.

MICHAEL STROGOFF. De Koerier van den Czaar. Met 60 houtgravuren ƒ 1.50.

HET ZWARTE GOUD. Met 55 houtgravuren ƒ 1.50.

HEKTOR SERVADAC. De Vulkaanbewoners. Met 51 houtgravuren ƒ 1.50.

HEKTOR SERVADAC. De terugtocht naar de aarde. Met 47 houtgravuren ƒ 1.50.

AVONTUREN VAN DRIE RUSSEN EN DRIE ENGELSCHEN. Gevolgd door de »Blokkadebrekers”. Met 64 houtgr. ƒ 1.50.

EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. De Walvischjagers. Met 51 houtgravuren ƒ 1.50.

EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. In slavernij. Gevolgd door »Een overwintering in het ijs”. Met 56 houtgravuren. ƒ 1.50.

DE SCHIPBREUK VAN DE CHANCELLOR. Gevolgd door »Martin Paz”. Met 56 houtgravuren. ƒ 1.50.

WONDERLIJKE AVONTUREN VAN EEN CHINEES. Gevolgd door »Muiterij aan boord der Bounty”. Met 54 houtgr. ƒ 1.50.

ELDORADO EN HET MONSTERKANON VAN STAALSTAD. Gevolgd door »Meester Zacharias”. Met 51 houtgr ƒ 1.50.

HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. De Pelterijhandel. Met 56 houtgravuren ƒ 1.50.

HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. Het Drijvende Eiland. Gevolgd door »Een Treurspel in de wolken”. Met 56 houtgravuren ƒ 1.50.

HET STOOMHUIS. De IJzeren Reus. Met 57 Houtgravuren ƒ 1.50.

HET STOOMHUIS. De Waanzinnige der Nerbudda. Gevolgd door dokter Ox. Met 56 houtgravuren ƒ 1.50.

[Inhoud]

Oorspronkelijke achterkant.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Documentgeschiedenis

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
2, 11, 28, 90, 103, 116, 155, 179, 224 [Niet in bron]
3, 8, 9, 12, 97, 112, 161 [Niet in bron] .
7 » [Verwijderd]
7, 99, 185 [Verwijderd]
8 Kattyvar Kattyawar
8 vijf honderd vijfhonderd
10 , ?
12 ”, ,”
15 sir Eduard Sir Edward
15 ! [Verwijderd]
15 welk »Welk
16 Thibeth Thibet
21 praal paal
23 ge-gedaan gedaan
23 tot dat totdat
24 - [Verwijderd]
24, 116, 129, 130 sir Sir
24 gespreken gesprekken
24 personel personeel
24 Geuns Guitt
27 gebruikt gebruik
28 tralieën traliën
28 ropyen ropijen
28 provincieën provinciën
28, 59 ! ?
28 ge-geheele geheele
31, 90, 115, 152, 156, 192 [Niet in bron] »
31 . ,
31 .. ...”
34 bezorgen verzorgen
35, 35 Eduard Edward
35, 58 Nepaulsche Népaulsche
36 z’oon zoo’n
39 onze onze onze
39 Indie Indië
42 nullah nallah
43 uifgerekt uitgerekt
43 , .
51 machanist machinist
51 was had
52 Tarryari Tarryani
52 onverzeld onvergezeld
52 Phaun Phann
58 politie positie
59, 99 « »
59, 60 tijger-phyton tijger-python
59 phyton python
59, 79, 96 ijzeren IJzeren
63 materiëel materieel
63 [Niet in bron] n
63 zeven-en zeventigste zeven-en-zeventigste
66 antwoorde antwoordde
66 Kalagani Kâlagani
66 ontmoetten ontmoeten
67, 78, 142, 218 , [Verwijderd]
74 Benjaris Banjaris
80 Mathias Matthias
80 [Niet in bron] Mac
83 geergerd geërgerd
83 gezelsehap gezelschap
87 Nepaul Népaul
88 aan vraagvan aanvraag van
90 zuik zulk
95 diné diner
95 zetsen zetten
96 s’ ’s
98 appel appél
103 ? !
107 Kalôuth Kâlouth
110, 176, 195 [Niet in bron] ,
111 ernige eenige
118 elektrische electrische
123 [Niet in bron] !
126 Himalaya-gebergte Himalayagebergte
126 men Men
127 bevesting bevestiging
130 Sid Sir
139 alsom als om
153 be-besteeg besteeg
154 aller ijl allerijl
160 comfortable comfortabel
163 iugenieur ingenieur
164 Perziëers Perziërs
183 docter dokter
183 negen en [Verwijderd]
184 onmiddelijk onmiddellijk
188 Ach Acht
188, 198 advokaat advocaat
196 Joost Josse
196 echte echter
208 assissent assistent
212 zeven-en vijftig zevenenvijftig
219 , »
228 aide-de camp aide-de-camp
231 gastbuizen gasbuizen