The Project Gutenberg eBook of De economische toestand der vrouw

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De economische toestand der vrouw

Author: Charlotte Perkins Gilman

Translator: Aletta H. Jacobs

Release date: April 20, 2009 [eBook #28582]

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ECONOMISCHE TOESTAND DER VROUW ***



De economische toestand der vrouw.

De economische toestand der vrouw.


Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie

Haarlem
H. D. Tjeenk Willink & Zoon
1900

[V]

Voorbericht van de schrijfster.

Dit boek is geschreven om een eenvoudige en natuurlijke verklaring te geven van een der meest bekende en meest verwarde vraagstukken van het menschelijk leven,—een vraagstuk dat zich bijna aan elkeen ter praktische oplossing opdringt en dat de ernstige aandacht vraagt van den moralist, den medicus, en den socioloog—

Om aan te toonen hoe eenige van de ergste kwalen waaronder wij gebukt gaan, kwalen die lang verondersteld werden onafscheidelijk van onzen aard te wezen en onuitroeibaar te zijn, slechts het gevolg zijn van zekere willekeurige toestanden, toestanden van eigen maaksel, en hoe wij, door deze toestanden te veranderen, de daaruit voortspruitende kwalen kunnen verwijderen—

Om aan te duiden hoever wij reeds het pad ter verbetering betreden hebben en hoe onweerstaanbaar de sociale krachten ons dwingen verder te gaan, zelfs [VI]zonder ons weten en tegen ons krachtig verzet in,—een voortgaan dat door onze erkenning en met onze hulp zeer versneld kan worden—

Om in het bijzonder de denkende vrouw van heden te bereiken en haar een nieuw besef te geven, niet alleen van haar maatschappelijke plichten als individu, maar van haar onmetelijk belang voor het ras als maakster van menschen.

Tevens wordt de hoop gekoesterd dat de ontvouwde theorie suggestief genoeg zal werken, om aanleiding te geven tot zulke verdere studie en bespreking, waardoor haar dwaling aangetoond of haar waarheid bevestigd zal worden.

Charlotte Perkins Stetson. [VII]

Met liefde en toewijding volbracht ik de vertaling van dit belangrijk werk, met zijn diepgaande studie van de menschelijke samenleving en zijne breede grondslagen voor de hervormingen die onze maatschappij heeft te ondergaan.

Niets schijnt mij noodiger bij de duidelijk waarneembare kentering in onze begrippen omtrent de sexueele verhoudingen, dan het kennis nemen van beschouwingen daarover, die getuigen van zelfstandig onderzoek, vrij van alle doctrinairisme, en van volkomen onafhankelijkheid bij de beoordeeling der verkregen resultaten.

Het is waar dat de schrijfster bij haar arbeid het oog gevestigd had op toestanden in Amerika, maar met hier en daar slechts geringe wijzigingen zijn hare beschouwingen ook op de meeste Europeesche landen toepasselijk. De bijzondere waardeering die het werk in Amerika en vooral in Engeland ten deel viel zal het ook hier te lande ongetwijfeld ondervinden. Vooral nu hier in de laatste jaren zooveel geschreven en geredetwist is over het geslachtsleven van de vrouw in verband [VIII]met haar maatschappelijk optreden, zal dit werk van Charlotte Perkins Stetson zeer velen tot nadenken aansporen en hun het antwoord geven op verschillende toen gerezen vragen.

De schrijfster, een zeer gunstig bekende dichteres en begaafd spreekster, werd in 1860 in New-England geboren. Zij is, zoowel van vaders’ als van moeders’ zijde, aan vele beroemde en om hun vooruitstrevende denkbeelden en handelingen bekende mannen en vrouwen verwant, waarvan voorzeker de schrijfster van “de negerhut van Oom Tom”, Harriet Beecher Stowe, hier te lande de meest bekende is.

In 1888 werd zij in Californië, waar zij toen woonde, voor haar schitterend artikel over de arbeidersbeweging met goud bekroond en in 1896 bood de Fabian Society te Londen haar, voor het vele goede zaad dat zij door haar verschillende werken uitgestrooid had, het eerelidmaatschap aan.

Deze geestelijk zoo rijk begaafde vrouw bezit een hoogst aangenaam uiterlijk en doet hare gesprekken van humor tintelen. Op het internationale vrouwencongres te Londen, in den zomer van 1899, waar ik het voorrecht had haar persoonlijk te leeren kennen, fonkelde zij te midden van de élite der vrouwenbeweging als een ster van de eerste grootte.

Aletta H. Jacobs.

Amsterdam, Juni 1900. [IX]

Inleiding.

In de donkere en vroege tijden, nog vóórdat het licht in den voor-historischen nacht begon te schijnen, waren in de oorspronkelijke wouden de tweevoudige menschen elkaars gelijke; zij waren innige, hartelijke vrienden, die in onberekend genot wild en vrij tezamen leefden.


Vóórdat het verstand ontwaakte,—en bewustzijn kwam in die tijden langzaam,—vóórdat het verstand ontwaakte in den man, maar ook in de vrouw; nog vóór hij den Boom der Kennis vond, dien verschrikkelijken doch heiligen boom, reeds vóór hij wist was hij gevallen en begreep toen dat hij wist.


Toen sprak hij tot Smart: “Thans ben ik wijs en ken U! maar zoolang macht en wijsheid duren, wil ik niet meer lijden!” En tot Genot sprak hij: “Ik ben sterk en ik zal U bewijzen dat mijn mannenwil U in bezit kan nemen,—o, en U vast houden ook!”


Voedsel at hij voor zijn genoegen en wijn dronk hij voor zijn pleizier. En de vrouw? O, de vrouw, het toppunt van [X]genot! Zij was nu de zijne,—ja, hij wist het! En sterk als een krankzinnige werd hij in de vroege schemering na den voor-historischen nacht.


Hem toebehooren,—de zijne voor eeuwig! welk een heerlijke, teedere overwinning! O, wat zou hij haar liefhebben! En zij zou slechts hem beminnen! Hij wilde werken en strijden voor haar, hij wilde haar beschutten en beschermen.—En zij zou hem nooit meer verlaten, vóórdat haar oogen door den dood gebroken werden.


Nauw, nauw sloot hij haar op, opdat zij hem nooit kon verlaten; zwak hield hij haar, opdat zij de kracht zou missen hem te ontvluchten. En de verdoovende vlam der passie hield hij steeds vlammend, door al de kunstgrepen en krachten die aarde en hemel en zee hem boden.


Doch o, die lange tocht! Die langzame en verschrikkelijke jaren die zij te zamen, blind en kreupel en ten laatste geheel verdwaald, doorworsteld hebben! Welk een machtig boekdeel, met millioenen schandelijke bladen, van de vrijheid der wouden tot in de gevangenissen van heden!


Voedsel at hij voor zijn genoegen en het bracht hem ziekte aan! Wijn dronk hij voor zijn pleizier en het baande hem den weg tot misdaad! En de vrouw? Hij wilde haar vasthouden,—hij wilde haar hebben als het hem behaagde,—En hij heeft haar nooit terug gezien, sedert den voor-historischen tijd! [XI]


Verdwenen was de vriendin en makker uit den vroegeren levenstijd; Zij die koesterde en troostte, zij die hulp en redding bracht. Hij zoekt haar nog steeds met onstilbaren honger vergeefs; Alleen staat hij thans, onder zijn tyrannen, alleen boven zijn slaven.


Zwoeger, gebogen en vermoeid door den zwaren last dien gij u zelf hebt opgelegd! Gij, die treurig en eenzaam zijt, ofschoon slechts eenzaam in schijn! Gij, die Genot hebt trachten te overwinnen om het steeds voor het grijpen te hebben, Gij hebt ondervonden dat Genot slechts was een andere naam voor Smart.


Natuur heeft uwe dwaling hersteld, uwe dwaasheid vergeven! God heeft niet vergeten, indien de menschen het ook nog niet inzien. De geest der vrouw verheft zich, in weerwil van uw schennis. Bevrijd haar nu en vertrouw haar! Zij wil u nog liefhebben!


U liefhebben? Ja, zij zal u liefhebben met een liefde, zooals alleen de vrijheid kweekt. U liefhebben? Ja, zij zal u liefhebben, omdat alleen liefde doet leven! Vrees het hart der vrouw niet! Het zal geen bitterheid toonen! Het eeuwenlange lijden heeft haar geleerd te vergeven.

[1]

I

Sedert wij geleerd hebben de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch evenals de overgangsvormen in het dierenrijk te bestudeeren, hebben zich eenige bijzondere verschijnselen, die langen tijd den philosoof en moralist op een dwaalspoor brachten, in een nieuw licht vertoond. Wij beginnen te begrijpen dat vele bezwaren en moeilijkheden in ons leven, in plaats van onoplosbare vraagstukken te zijn, die een ander leven eischen om verklaard te kunnen worden, slechts het natuurlijk gevolg van natuurlijke oorzaken zijn en dat er zoodra wij die oorzaken hebben vastgesteld, veel kan gedaan worden om ze uit den weg te ruimen.

Niettegenstaande de individueele wil tegen invloeden kan strijden, deze voor een tijd kan weerstaan en ze somtijds overwinnen, blijft het toch waar dat de omgeving op den mensch, als op ieder ander levend wezen, haren stempel drukt. De macht van den individueelen wil om natuurwetten te weerstaan, is duidelijk bewezen door het leven en den dood van den asceet. Bij enkele van deze zelfmoordende martelaren kan men zien hoe de wil, door een ziekelijken geest misleid, het lichaam dwingt elken natuurlijken prikkel weerstand te bieden,—tot zelfs aan den rand van het graf en er in.

Mogen zulke uitzonderingen ook aantoonen wat de menschelijke wil vermag, het leven der menschheid in het algemeen bewijst daarentegen den onverbiddelijken invloed der omstandigheden. Van deze omstandigheden deelen wij met andere levende wezens de invloeden van [2]het stoffelijk heelal. Wij ondergaan wijzigingen door het klimaat en de plaatselijke gesteldheid, door physische, chemische, electrische machten, zoo goed als alle dieren en planten. Met de dieren deelen wij verder de gevolgen van onze eigen werkzaamheid, de terugwerkende kracht van lichaamsbeweging. Wat wij doen, even goed als wat men ons doet, maakt ons tot wat wij zijn. Maar buiten en behalve deze machten, staan wij nog bloot aan de inwerking van een derde reeks invloeden, alleen de menschheid eigen, namelijk die van de maatschappelijke toestanden. In het organisch leven onzer maatschappij oefenen wij grooter invloed op elkander uit dan ooit, zelfs bij de meest in kudden samenlevende dieren, gevonden is. Deze derde factor, de maatschappelijke omgeving, wijzigt met zeer groote macht het menschelijk leven. Uit al deze ons omringende invloeden, veroorzaken degene welke onze economische behoeften raken, de sterkste uitwerking.

Stellen wij den invloed der maatschappelijke toestanden ter zijde, en beschouwen dus den mensch als een dierlijk wezen, dan ontdekken wij dat de mensch evenals ieder ander dier de sterkste wijziging ondergaat door zijn economische levensvoorwaarden. Mogen de dieren ook verschillen in kleur en grootte, in kracht en spoed, in meerder of minder aanpassingsvermogen aan slechter toestanden, toch hebben alle grasetende en alle vleeschetende dieren onderscheidingsteekens gemeen, zóó onderscheidend en zóó gemeen, dat zij door hun tanden, door hun digestie-orgaan in het geheel, in klassen verdeeld worden, in plaats van door hun verdedigings- of bewegingsmiddelen. De behoefte aan voedsel is bij het dier de grootste passieve macht in zijn ontwikkeling; de wijze waarop het in deze behoefte voorziet is de grootste actieve macht in zijn ontwikkeling. Het zijn deze werkzaamheden, de [3]onophoudelijke herhaling van de krachtige pogingen om zijn voedsel te verkrijgen, welke het meest zijn vorm wijzigen en zijne functiën ontwikkelen. Het schaap, de koe, het rendier verschillen in het vermogen om zich aan te passen aan het weder, in de snelheid om zich voort te bewegen, in de verdedigingsmiddelen; zij stemmen evenwel overeen in de voornaamste kenteekenen, omdat hun voeding op gelijke wijze geschiedt.

De mensch als dier maakt op dezen regel geen uitzondering. Het klimaat oefent invloed op hem uit, het weder oefent invloed op hem uit, vijanden oefenen invloed op hem uit; de sterkste wijziging ondergaat hij evenwel, evenals ieder ander levend wezen, door hetgeen hij doet voor zijn levensonderhoud. Niettegenstaande het individu allen invloed ondergaat van zijn later en breeder leven, al de tegenwerkende macht van maatschappelijke instellingen, toch ondergaat het onverbiddelijk wijzigingen door de middelen die het aanwendt om in zijn levensonderhoud te voorzien: “aan de hand van den blauwverver ziet men wat hij verwerkt.” Als een zuiver, wereldbekend voorbeeld van den invloed der economische omstandigheden op den mensch, voer ik de duidelijke rasverandering der Joden aan, onder de gedwongen beperkingen van de laatste 2000 jaren. Hier treedt een volk op den voorgrond, eerst als een herdersvolk, dan als een landbouwende natie, alleen voor een deel koophandel drijvende, voor zoover het in relatie stond met de Phoeniciërs, de eerste kooplieden der wereld. Onder de sociale macht van een vereenigd Christendom,—vereenigd ten minste in deze meest onchristelijke daad—werden de Joden gedwongen hun levensonderhoud voornamelijk in den handel te verwerven. Men kan aantoonen dat vele hunner eigenschappen een gevolg zijn van den wreeden druk der sociale omstandigheden [4]waaraan zij onderworpen waren: de sterke familieband van een volk zonder vaderland, zonder koning; zonder gelegenheid voor ontspanning of tot voldoening aan hun eerzucht, behalve in het familieleven; de verminderde lichaamsmaat en de verschrikkelijke levensvatbaarheid en levensduur van de meedoogenloos uitverkoren overblijvenden van het Ghetto; de herhaalde uitbarstingen van geniale geesten zoo onmenschelijk onderdrukt. Maar kenmerkender nog is het gevolg der economische omstandigheden;—de kunstmatige ontwikkeling van een ras kooplieden en geldhandelaars, van het minste pandjeshuis tot het huis van Rothschild; een bijzonder soort volk, uitgebroeid door de economische omgeving waarin zij gedwongen waren te leven.

Een ruw doch bekend voorbeeld, waarbij wij gelijke oorzaak met gelijk gevolg kunnen opmerken, is het opvallend verschil van een veeteelend, een landbouwend, en een fabrieksvolk in dezelfde natie, waarbij al de andere omstandigheden dus gelijk zijn.

Uit dezelfde zuivere redeneering dat functiën en organen door het gebruik zich ontwikkelen, dat de organen die het meest gebruikt worden ook het meest zich ontwikkelen, en dat het dagelijks moeten voorzien in onze economische behoeften deze functiën tot de meest gebruikte maakt, volgt, dat waar wij een bijzondere volksklasse vinden onder bijzondere economische omstandigheden, wij dan mogen uitzien naar bijzondere gevolgen en die ook zullen vinden.

Met het oog op deze feiten wordt thans de aandacht gevestigd op een zeer in het oog loopenden en eigenaardigen economischen toestand waarin het menschengeslacht verkeert en die in de organische wereld geen tegenhanger vindt. Wij zijn de eenige diersoort waarbij het vrouwtje van het mannetje afhankelijk is voor haar voedsel, de eenige [5]diersoort waarbij de geslachts-verhouding tevens een economische verhouding is. Bij ons leeft een geheele sekse in economische afhankelijkheid van de andere sekse en de economische verhouding is vereenigd met de geslachts-verhouding. De economische staat van de vrouw houdt verband met de geslachts-verhouding.

Dikwijls wordt aangenomen dat deze toestand ook voorkomt bij andere diersoorten, maar dit is niet het geval. Er zijn verschillende vogels, waar het mannetje het vrouwtje gedurende den broeitijd helpt de jongen te voeden en dan gedeeltelijk ook haar voedt, en ook bij sommige hooger ontwikkelde carnivoren helpt het mannetje de jongen voeden en voedt dan gedeeltelijk ook het vrouwtje. In geen geval is “zij” evenwel uitsluitend afhankelijk van “hem”, zelfs niet in den broeitijd. Alleen de hoornvogel maakt hierop een uitzondering. Zoodra zijn vrouwtje in een hollen boom op het gemaakte nest is gaan zitten omringt hij haar met een muur van klei, zoodat alleen haar snavel vrij blijft en dan voedt hij haar tot de eieren uitgebroeid zijn. Maar zelfs het hoornvogelvrouwtje verwacht niet dat zij op eenig ander tijdstip gevoed zal worden. Het vrouwtje van bij en mier zijn economisch afhankelijk, maar niet van het mannetje. De arbeiders zijn ook vrouwtjes, tot economische werkzaamheden bepaald aangewezen. En bij de vleesch-etende dieren kunnen de jongen, indien zij één van de ouders moeten missen, beter den vader dan de moeder verliezen, want de moeder is volkomen in staat alleen de zorg voor hen op zich te nemen. Bij vele diersoorten, zooals bijv. bij de kat, voedt het vrouwtje niet alleen zich zelf en de jongen, doch zij moet tevens de jongen verdedigen tegen het mannetje. In geen enkel geval wordt het vrouwtje gedurende haar geheele leven door het mannetje onderhouden. [6]

Bij de menschen is deze toestand algemeen en aanhoudend, al zijn er ook uitzonderingen en al is deze eeuw ook getuige van een groote verandering ten goede. Toch zijn we nog niet gewend dit feit te beschouwen buiten de grens van eenige losse algemeenheden, wij meenen dat de oude toestand «natuurlijk» is en dat andere dieren ook zoo doen.

Velen zal dit inzicht niet dadelijk helder voor den geest staan en zij zullen werkende boerinnen of vrouwen uit wilde volksstammen en vooral de huishoudelijke werkzaamheden der vrouw als voorbeelden daartegenover stellen. Eenige met zorg gekozen voorbeelden zijn noodig om voor ons zelf het essentieele der feitelijke verhouding, ook in deze gevallen duidelijk te maken. Het paard, in zijn vrijen natuurstaat, is economisch onafhankelijk. Het verkrijgt zijn voedsel door eigen inspanning, zonder hulp van een ander schepsel. Het paard, in zijn tegenwoordigen slaventoestand, is economisch afhankelijk. Het ontvangt het voedsel uit de hand van zijn meester; zijn inspanning, hoe krachtig ook, staat niet in onmiddellijk verband tot zijn levensbehoeften. Integendeel, de paarden die het best gevoed en verzorgd worden zijn niet de paarden die het hardst werken. Het paard werkt, dat is waar; maar wat hij te eten krijgt hangt af van de macht en den wil van zijn meester. Zijn levensbenoodigdheden verkrijgt het door een ander. Het paard is economisch afhankelijk. Zoo ook de hardwerkende wilde of de boerin. Hun arbeid is het eigendom van een ander, zij werken onder den wil van een ander en wat zij ontvangen hangt niet af van hun werk, maar van de macht en den wil van een ander. Zij zijn economisch afhankelijk. Dit geldt voor de vrouw zoowel individueel als collectief.

Door den economischen toestand van de seksen in hun geheel te bestudeeren komt het verschil het sterkst [7]uit. Als maatschappelijk dier berust de economische staat van den mensch op de gezamenlijke en uitgewisselde diensten van groote getallen op den voorgrond tredende bijzondere individuen. De economische vooruitgang van een ras, zijn bestaan op zeker tijdstip, zijn bestendige vooruitgang sluit in zich de gezamenlijke werkzaamheden van al de ambachten, beroepen, kunsten, fabrieken, handel, uitvindingen, ontdekkingen en al de burgerlijke en militaire instellingen, waarvan het volk zich onderhoudt. De economische staat van eenig ras op eenig tijdstip, met zijn daarin opgesloten gevolgen op al de bestaande individuen, hangt af van hun over de geheele wereld zich uitbreidenden arbeid en hun vrij onderling verkeer. Economische vooruitgang is evenwel bijna uitsluitend mannenwerk. De economische werkzaamheden die de vrouwen mochten verrichten zijn van den vroegsten tijd en van de eenvoudigste soort. Indien mannen geen andere economische diensten bewezen hadden, dan die ook thans nog door vrouwen worden verricht, de staat van ons ras zou in economisch opzicht tot de pijnlijkste grenzen teruggebracht worden.

Wanneer men uit een gemeenschap al de mannen-werkers verwijderde zou dit in economisch opzicht veel verlammender werken dan wanneer daaruit al de vrouwen-werkers verwijderd werden. Het werk dat nu gedaan wordt door vrouwen, kan door mannen verricht worden, het vereischt alleen de terugzetting van goede werkkrachten tot een vroegeren vorm van voortbrenging; doch het werk nu door de mannen verricht, zou niet door de vrouwen verricht kunnen worden, zonder geslachten van inspanning en aanpassing. Mannen kunnen koken, reinigen, naaien, zoo goed als de vrouwen; maar het maken en besturen van de groote machines der moderne industrie; het doorbanen van land en zee met [8]uitgebreide stelsels van vervoer, de behandeling van onze saamgestelde beroeps-, handels-, en regeeringsinstellingen, deze zaken kunnen door vrouwen in haar tegenwoordigen staat van economische ontwikkeling niet zoo goed gedaan worden.

Dit is niet te wijten aan gebrek aan de essentieele menschelijke bekwaamheden die voor zulke handelingen noodzakelijk zijn, noch aan een aangeboren ongeschiktheid van het geslacht, maar zij is een gevolg van de tegenwoordige positie der vrouw, waardoor zij verhinderd wordt zich tot dien graad van economische bekwaamheid te ontwikkelen. Bij den mensch is de man in economischen staat de vrouw duizenden jaren vooruit. In het algemeen gesproken kan men zeggen dat mannen goederen voortbrengen en zorgen voor de verdeeling en dat vrouwen die van hen ontvangen. Als mannen jagen, visschen, veehoeden of het land bebouwen, dan eten de vrouwen wild, visch, biefstuk of koren. Als mannen over de zee gaan en koffie, specerijen, zijde en edelgesteenten medebrengen uit verre landen, dan krijgen de vrouwen haar deel van de koffie en specerijen en zijde en edelgesteenten, die de mannen gebracht hebben.

De economische staat van het menschelijk ras in eenig volk op zeker tijdstip is in hoofdzaak afhankelijk van de werkzaamheden van den man; de vrouw verkrijgt haar aandeel in den vooruitgang enkel en alleen door hem.

Deze feiten zijn zelfs nog duidelijker merkbaar, meer algemeen bekend, indien men ze individueel bestudeert. Van de vrouw van den dagwerker tot die van den millionnair, spreekt het versleten kleed of schitterend edelgesteente, de hut of het kasteel, de vermoeide voet of de rijke equipage, van de economische bekwaamheid van den echtgenoot. De comfort, de weelde, de noodzakelijkste levensbehoeften zelfs, welke de vrouw ontvangt, [9]zijn door den man aangebracht en haar door hem gegeven. En zoodra de vrouw aan haar zelf overgelaten, zonder man om haar te “onderhouden”, in haar eigen economische behoeften tracht te voorzien, dan bewijzen de moeilijkheden die zij ondervindt voldoende wat in het algemeen de economische staat van de vrouw is. Niemand kan deze duidelijke feiten ontkennen,—de economische staat der vrouwen individueel hangt af van de mannen individueel, van de mannen tot welke zij in betrekking staan.

Maar onmiddellijk wordt daar tegenover geplaatst de algemeen gehuldigde meening dat, ofschoon moet worden toegegeven dat de mannen de economische goederen voortbrengen en verdeelen, toch de vrouwen hun aandeel daarin verdienen als echtgenooten. Dit veronderstelt òf dat de echtgenoot in de positie verkeert van werkgever en de echtgenoote van werknemer, òf dat het huwelijk een vennootschap is en de vrouw een gelijk aandeel neemt in de voortbrenging als de man.

Economische onafhankelijkheid is ten slotte een betrekkelijke toestand. In ruimen zin opgevat zijn alle levende wezens van elkander economisch afhankelijk, de dieren van de planten en de menschen van beide. In engeren zin is het geheele maatschappelijke leven economisch onderling afhankelijk; de mensch brengt collectief voort wat hij onmogelijk afzonderlijk kan voortbrengen. Maar vat men dit begrip zoo eng mogelijk op, dan veronderstelt individueele economische onafhankelijkheid, dat het individu betaalt voor hetgeen het ontvangt, werkt voor wat het krijgt, aan een ander een gelijke waarde geeft voor hetgeen de ander hem geeft. Ik ben afhankelijk van den schoenmaker voor schoenen en van den kleermaker voor kleederen, maar geef ik den schoenmaker en kleermaker genoeg van mijn arbeid [10]als timmerman om de schoenen en kleeren die zij mij geven te betalen, dan behoud ik mijne persoonlijke onafhankelijkheid. Ik heb hun arbeid niet genomen zonder daarvoor iets van mijn arbeid te geven. Zoolang hetgeen ik ontvang betaald is door hetgeen ik geef, ben ik economisch onafhankelijk.

Vrouwen verbruiken economische goederen. Welk economisch product geven zij in ruil voor wat zij verbruiken? De bewering dat het huwelijk een vennootschap is, waarin de twee gehuwde personen zooveel voortbrengen als geen van beiden afzonderlijk kan voortbrengen, kan den toets der kritiek niet doorstaan. Een man die gelukkig is en zonder zorgen, kan meer voortbrengen dan een die ongelukkig en vol zorgen is, maar dit geldt evenzeer van een vader of een zoon als van een echtgenoot. Ontneemt men een man eenige van de voorwaarden waardoor hij gelukkig en zonder zorg is, dan verlamt men, in het algemeen gesproken, zijn ijver. Maar die verwanten die hem gelukkig maken zijn daarom niet zijn arbeids-vennooten en worden niet geacht deel te nemen aan de vermeerdering van zijn inkomen.

Een dankbare belooning voor aangebracht geluk is geen ruilmiddel in een vennootschap. Het gemak dat een man door een vrouw heeft ligt, evenmin als haar zuinigheid en werkzaamheid, in den aard der bedrijfs-vennootschap. Een huishoudster in haar plaats kan even zuinig en even werkzaam zijn, maar zou daarom toch geen deelgenoot zijn. Man en vrouw zijn ware vennooten in hunne onderlinge verplichting tegenover hunne kinderen,—hun gemeenschappelijke liefde, plicht en hulp. Maar een fabrikant die huwt, of een geneesheer, of een advokaat neemt geen deelnemer in zijn zaak, wanneer hij een deelgenoot in zijn ouderschap neemt, tenzij zijne vrouw ook een fabrikant, doctor of advocaat is. Zij kan [11]hem zelfs nog geen goeden raad in zijne zaken geven, zonder oefening en ondervinding. Dat zij haar man, den componist, liefheeft, maakt haar niet bekwaam tot componeeren. Als een man zijn vrouw verliest, dan mag zijn hart breken, maar het bedrijf lijdt er niet onder, tenzij zijn geest ziek wordt door verdriet. Zij is in geen opzicht een arbeids-vennoot, of zij moet kapitaal of ondervinding of arbeid aanbrengen, evenals een man zou doen in dezelfde betrekking. Vele mannen zullen zich eerst zeer ernstig bedenken, voordat zij in een bedrijfs-vennootschap treden met een of andere vrouw, echtgenoote of niet.

Indien dus de vrouw geen werkelijke deelgenoot in zaken is, op welke wijze verdient zij dan van haar man het voedsel, de kleeding, de huisvesting, die zij uit zijn handen ontvangt? Door huiselijke bezigheden, zal onmiddellijk geantwoord worden. Dit is het algemeen vage begrip van deze zaak,—dat vrouwen alles verdienen wat zij ontvangen, en meer zelfs, door huiselijke diensten. Hier komen wij op een zeer praktisch en ten slotte economisch terrein. Ofschoon geen voortbrengers van goederen, dienen zij in het eindproces, bij de bereiding en verdeeling daarvan. Haar arbeid in het huisgezin heeft werkelijk economische waarde.

Een zeker percentgehalte personen die anderen dienen, zoodat die anderen meer kunnen voortbrengen, leveren inderdaad een bijdrage die niet over het hoofd mag gezien worden. Het werk dat de vrouwen in huis doen stelt de mannen zeer zeker in staat, meer goederen voort te brengen dan zij anders konden doen; en in zoo ver zijn vrouwen economische factoren in de maatschappij. Maar aldus ook de paarden. Het werk van de paarden stelt de menschen in staat meer goederen voort te brengen dan zij anders konden doen. Het paard is [12]een economische factor in de maatschappij. Maar het paard is niet economisch onafhankelijk, evenmin als de vrouw. Indien een man met een knecht meer nuttig werk kan verrichten dan zonder knecht, dan doet de knecht nuttig werk. Maar indien de knecht het eigendom van den man is, verplicht wordt dat werk te doen zonder betaling, dan is hij niet economisch onafhankelijk.

Het werk dat de vrouw in het huisgezin verricht, geeft zij als een deel van haar functioneele taak, niet als beroepsbezigheid.

De vrouw van een arm man die in haar klein huisje hard werkt, alles alleen doet voor het huisgezin, of de vrouw van den rijkaard die aardig en bevallig haar paleis bestuurt en de werkzaamheden leidt, beiden hebben aanspraak op behoorlijke betaling voor bewezen diensten.

Als men dezen grondslag aanneemt en daaraan consequent vasthoudt, dan maken huisvrouwen, die door huishoudelijke werkzaamheden haar levensonderhoud verdienen, aanspraak op de loonen van keukenmeiden, werkmeiden, kindermeiden, naaisters of huishoudsters en niets meer. Dit zou natuurlijk de uitgaven van de rijke huisvrouwen verminderen en het voor den armen man onmogelijk maken om een vrouw “te onderhouden”, tenzij dat die arme man de onderlinge verhouding goed inzag, zijn vrouw betaalde als dienstbode, en zij hun gezamenlijke inkomsten bij elkaar voegden om daarvan hun kinderen op te voeden. Hij zou dan een meid houden en zij zou haar aandeel betalen in de huishouding. Maar dan zou er op de geheele wereld geen “rijke vrouw” te vinden zijn. Zelfs de beste huishoudster, hoe nuttig ook haar diensten mogen zijn, brengt geen fortuin bij elkaar. Zoo iemand koopt geen juweelen en parelen, of houdt equipage. Zulke dingen verdient men niet door huiselijke bezigheden. [13]

Maar wat het merkwaardige in deze bespreking is, hoe groot ook de economische waarde van de huiselijke bezigheden mogen zijn, de vrouwen krijgen ze niet uitbetaald. De vrouwen die het hardst werken, ontvangen het minst en de vrouwen die het meest verteren werken het minst. Haar arbeid is noch gegeven noch genomen als een factor in den economischen ruil. Men gaat uit van de meening dat het haar plicht als vrouw is om dit werk te doen, en er bestaat geen verhouding tusschen de hoeveelheid van dit werk en haar economischen staat, tenzij een omgekeerde. Doch bovendien, als de vrouwen aldus eerlijk betaald werden en men haar gaf wat zij verdienen en niets meer, dan zouden alle vrouwen die dezen arbeid verrichten teruggebracht worden tot den economischen staat van dienstboden. Er zijn niet veel vrouwen, mannen ook niet, die deze voorwaarden aandurven.

De basis dat vrouwen haar levensonderhoud verdienen door huiselijk werk wordt dan ook onmiddellijk los gelaten en de bewering volgt, dat zij haar onderhoud verdienen als moeders. Dit is een eigenaardige toestand. Wij spreken genoeg hierover en dikwijls met diep gevoel, zonder dit echter voldoende te ontleden.

Wanneer men het als een economischen ruil behandelt en men vraagt, wat geven de vrouwen in goederen of arbeid terug voor de goederen en arbeid die haar gegeven worden,—hetzij aan het geheele ras of aan haar echtgenooten individueel,—wat betalen de vrouwen voor haar kleederen en schoenen en meubelen en voedsel en huisvesting, dan zal men antwoorden dat de plichten en diensten van de moeder haar het recht geven op onderhoud.

Indien dit waar is, indien het moederschap een wisselbaar handelsartikel is, dat vrouwen in ruil geven voor [14]kleederen en voedsel, dan moeten wij natuurlijk eenige betrekking vinden tusschen de kwantiteit en kwaliteit van het moederschap en de kwantiteit en kwaliteit van de betaling. Dan zouden de vrouwen die geen kinderen hebben in ’t geheel geen economischen staat bezitten en van de moeders zou moeten kunnen aangetoond worden dat haar economische staat in verhouding staat tot haar moederschap. Dit is klaarblijkelijk onzin. De kinderlooze echtgenoote heeft even veel geld te verteren als de moeder van veel kinderen,—meer, want de kinderen van de laatste verteren nog, wat anders het hare zou zijn, en de zwakke moeder ontvangt niet minder dan de krachtige.

Het is immers duidelijk dat de economische welvaart van een vrouw geen verband houdt met haar moederschap. Onder de oorspronkelijke volkeren, in het patriarchale tijdperk bijvoorbeeld, was er iets waars in. De vrouwen bezaten toen geen andere waarde dan alleen om kinderen te baren en de voorrechten en gunsten die zij ontvingen stonden in direct verband tot het moederschap; de vrouwen hadden toen meer dan één reden om te juichen wanneer zij een zoon ter wereld brachten. Heden ten dage is evenwel het onderhoud van de vrouw daarop niet meer gebaseerd. Een man heeft geen recht zijn vrouw te verstooten op grond dat zij geen kinderen krijgt. De aanspraak van het moederschap om beschouwd te worden als een factor voor economischen ruil is heden ten dage ongerijmd. Maar veronderstel eens dat het waar was. Zijn wij bereid dezen grondslag, zelfs in theorie, aan te nemen? Zijn wij bereid toe te stemmen dat het moeder-zijn een bedrijf is, een vorm van ruilhandel? Zijn de zorgen en plichten van de moeder, haar werk en haar liefde, handelsartikelen die voor brood te koop zijn? [15]

Zulke overwegingen zijn stuitend. Indien wij onze gedachten durven volgen en ze doorvoeren tot een logische gevolgtrekking, dan zullen wij zien dat er niets terugstootender voor het menschelijk gevoel kan zijn, of meer maatschappelijk en individueel beleedigend, dan het moederschap te maken tot een bedrijf. Weg daarom met deze aangevoerde reden van de economische onafhankelijkheid der vrouwen! Er is aangetoond dat vrouwen als een klasse geen goederen voortbrengen, noch verdeelen; dat vrouwen als individuen hoofdzakelijk werken als dienstboden, niet als zoodanig betaald worden en niet tevreden zouden zijn met haar economischen staat, indien zij wel als zoodanig betaald werden; dat vrouwen geen bedrijfs-vennooten of mede-voortbrengers van goederen met haar mannen zijn, tenzij zij werkelijk hetzelfde vak uitoefenen; dat zij niet als moeders gesalarieerd worden en dat, indien dit het geval was, dit onuitsprekelijk vernederend zou zijn,—wat hebben nu degenen nog in te brengen die niet willen toegeven dat vrouwen onderhouden worden door mannen? Dit (en dit is een zeer vermakelijke toestand), dat de functie van het moederschap een vrouw ongeschikt maakt voor economische voortbrenging en dat het daarom billijk is dat zij door haar man onderhouden wordt.

Wij zijn begonnen met de stelling dat bij de menschen de vrouw economisch afhankelijk is, dat zij gevoed wordt door den man. Om dit te loochenen heeft men eerst beweerd dat zij economisch onafhankelijk is, doordat zij zich onderhoudt door haar werkzaamheden in de huishouding. Daarop werd aangetoond dat er geen verband bestond tusschen den economischen staat der vrouw en den arbeid dien zij in het huisgezin verricht, toen werd aangevoerd dat zij niet als dienstbode, maar als moeder haar levensonderhoud verdient. Nadat aangetoond was [16]dat de economische staat der vrouw geen verband houdt tot haar moederschap, noch in de kwantiteit, noch in de kwaliteit, toen werd beweerd dat het moederschap de vrouw ongeschikt maakt voor economische productie en dat het daarom rechtvaardig is dat de vrouw door haar man onderhouden wordt. Voordat wij verder gaan, kunnen wij dus vaststellen,—dat de vrouw wordt onderhouden door haar echtgenoot.

Zonder thans in zedelijkheids- of in noodzakelijkheidsbeschouwingen te treden, hebben wij ten minste dezen vasten grond onder den voet: Het wijfje van het geslacht mensch wordt onderhouden door het mannetje. Terwijl bij andere diersoorten het mannetje en vrouwtje gelijkelijk grazen en weiden, jagen en dooden, klimmen en zwemmen, graven, rennen of vliegen voor hun levensbehoeften, zoekt in onze soort het vrouwtje haar eigen levensonderhoud niet, door de gebruikelijke werkzaamheden van ons geslacht, maar wordt gevoed door het mannetje.

Nu kan de aangevoerde noodzakelijkheid nagegaan worden. Het wijfje-mensch zou door haar moederplichten onbekwaam zijn om in haar eigen onderhoud te voorzien. Aangezien de moederplichten van andere wijfjes deze niet ongeschikt maken om in eigen onderhoud en dikwijls ook in het onderhoud der jongen te voorzien, schijnt het dat de moederplichten van den mensch eischen dat de totale krachten van de moeder in dienst worden gesteld van het kind en dat wel gedurende geheel haar volwassen leeftijd, of dat er zoo’n groot gedeelte van noodig is dat er niet genoeg overblijft om de individueele belangen der moeder te behartigen.

Indien zulk een toestand bestond, zou hij natuurlijk de beklagenswaardige afhankelijkheid van het wijfje-mensch [17]en haar onderhoud door het mannetje verontschuldigen en rechtvaardigen. Evenals de koningin-bij, geheel voor het moederschap bestemd, onderhouden wordt—niet door het mannetje, wees daarvan overtuigd—door haar medewerksters, de “oude vrijsters” de onvruchtbare werkbijen, die geduldig en lief op hare wijze arbeiden voor de moederplichten van den bijenzwerm, zoo zou ook het wijfje-mensch, dat geheel bestemd werd voor het moederschap, ongeschikt worden voor elke andere inspanning en hulpeloos afhankelijk zijn.

Is dit de toestand van het menschelijk moederschap? Verliest de vrouw door haar moederschap de macht over haar geest en haar lichaam, verliest zij de gave, de geschiktheid, den lust en de kracht voor elk ander werk? Zien wij het menschelijk geslacht voor ons met al de wijfjes, alleen bestemd voor het moederschap, zich wijden, afzonderen, bijzonder ontwikkelen en elke gave der natuur besteden in dienst hunner kinderen?

Neen. Wij zien de mensch-moeder harder werken dan een merrie, levenslang werken in dienst, niet alleen van haar kinderen, maar ook van vele menschen, echtgenooten, broeders en vaders en verdere mannelijke verwanten; ook voor moeders; voor de kerk een beetje, als het haar veroorloofd wordt; voor de maatschappij, indien zij daartoe in staat is; voor liefdadigheid en opvoeding en hervormingen; werken in verschillende richtingen, die niet speciaal de richting van het moederschap zijn.

Het is niet het moederschap dat de huisvrouw van den vroegen morgen tot den laten avond op de been houdt, het is huishoudwerk, geen werk in dienst van het kind. Vrouwen werken langer en harder dan de meeste mannen, doch niet enkel in dienst van het moederschap. Bij de wilde volksstammen draagt de moeder [18]zware lasten en doet al de werkzaamheden voor den stam. De boerin-moeder werkt op het land en de werkmansvrouw in de fabriek of te huis. Vele moeders verdienen zelfs nu geld voor het gezin, dat zij tegelijkertijd onderhouden en besturen. Vindt men misschien bij de vrouwen die niet zoo veel doen, vrouwen die rijken mannen toebehooren, een volledige toewijding aan het moederschap, waardoor de economische afhankelijkheid der vrouw gerechtvaardigd en geduld zou moeten worden? Wij vinden haar zelfs daar niet. Rijke, in weelde levende vrouwen laten dikwijls meer zorg aan haar kinderen besteden dan de arme moeder kan doen, doch zij zelf wijden aan hen niet meer tijd, noch meer liefde en toewijding. Zij hebben andere bezigheden.

Ondanks haar veronderstelde bestemming voor het moederschap, werkt de mensch-moeder over de geheele wereld dagelijks uren lang aan werk dat met het moederschap niets te maken heeft, lang genoeg om haar een onafhankelijk levensbestaan te verschaffen en toch wordt de onafhankelijkheid onmogelijk verklaard op grond dat het moederschap haar het werken verhindert!

Als deze grond houdbaar was, dan zouden wij een wereld vol vrouwen vinden die nooit een vinger verroerden dan alleen ten dienste harer kinderen, en een wereld vol mannen die al het overige werk deden en bovendien de vrouwen bedienden, omdat dezen door het moederschap verhinderd waren zich zelf te bedienen. Dit is niet het geval. De gezonde, flinke vrouw heeft 25 levensjaren alvorens zij moeder is en zal over 25 jaren te beschikken hebben na de periode waarin zulke moederdiensten van haar verwacht worden. De plichten van het grootmoederschap zullen toch zeker haar economische onafhankelijkheid niet in den weg staan? [19]

De werkkracht van de moeder is altijd een voorname factor in het menschelijk leven geweest. Zij is de werker “bij uitnemendheid”; maar haar werk oefent geen invloed uit op haar economischen staat. Haar levensonderhoud, dat is alles wat zij noodig heeft:—voedsel, kleeding, sieraden, weelde, amusementen, staat niet in verhouding tot haar productievermogen, haar huiselijke diensten of haar moederschap. Deze dingen staan alleen in verband tot den man dien zij huwt, den man waarvan zij afhankelijk wordt; namelijk van hoeveel hij bezit en hoeveel hij bereid is haar te geven.

De vrouwen wier opvallende levenswijze de wereld verblindt, die de grootste weelde genieten, zijn dikwijls geen huisvrouwen, noch moeders, maar eenvoudig de vrouwen die de grootste macht uitoefenen over mannen die het meeste geld hebben.

Het wijfje van het geslacht mensch is afhankelijk van het mannetje. Hij voorziet haar van voedsel. [20]

II

Nu wij weten welk een belangrijke factor de economische verhouding in de evolutie der diersoorten is en wij in het menschengeslacht een zoo bijzondere economische verhouding vinden, moeten wij natuurlijk op gevolgen rekenen, die alleen aan ons ras eigen zijn. Wij mogen verwachten dat er zich in de geslachts-verhouding en in de economische verhouding van de menschen verschijnselen zullen voordoen, eenig in haar soort,—verschijnselen die niet uit de menschelijke superioriteit verklaard kunnen worden, doch zonderling genoeg deze superioriteit afbreuk doen; verschijnselen zoo kenschetsend, zoo ziekelijk, dat zij tot vele bespiegelingen aanleiding hebben gegeven.

Zijn deze voor de hand liggende gevolgtrekkingen juist? Zijn deze bijzonderheden in de geslachts-verhouding en in de economische verhouding in het menschelijk leven aanwezig? Zonder twijfel zijn zij het,—en wel zóó duidelijk, zóó in ’t oog loopend, zóó gebiedend de aandacht vergend, dat de menschelijke geest van zijn eerste ontwaken af er door werd bezig gehouden en getracht heeft er zich op de een of andere wijze rekenschap van te geven. Deze verschijnselen uiteen te zetten en te verklaren,—met afscheiding van wat moet toegeschreven worden aan een normale ras-ontwikkeling van datgene wat een gevolg is van abnormale sexueel-economische verhoudingen,—is het doel van de hier gegeven studie.

Aangezien het ras-kenmerk van de menschheid in haar maatschappelijke verhouding ligt, moeten wij de kenmerkende [21]voor- en nadeelen van het menschenras ook zoeken in haar maatschappelijke verhouding. Onze betrekking tot elkander oefent meer invloed op ons uit dan onze physische omgeving.

Nadeelen van het klimaat, gebrek aan voedsel, mededinging van andere diersoorten,—al deze voorwaarden kan de maatschappij met haar krachtig organisme gemakkelijk overwinnen of regelen. Maar in onze onderlinge menschelijke verhoudingen zijn wij niet zoo voorspoedig. Ernstige gevaren en bezwaren in het menschelijk leven zijn meer een gevolg van de moeilijkheid om te wennen aan onze maatschappelijke, dan aan onze physische omgeving. Deze moeilijkheden, voor zoover zij bestaan, hebben als een aanhoudende rem aan den maatschappelijken vooruitgang gewerkt. Hoe volkomener een natie over physische toestanden getriumfeerd heeft en hoe gunstiger zij stond in haar overmacht tegenover physische vijanden en hindernissen, des te meer kracht legde zij in haar maatschappelijke macht, waardoor zij ten laatste vernietigd werd en het werd aan anderen overgelaten om den langen weg opwaarts op nieuw te doorloopen.

De moraal uit alle verhalen aan de menschheid ontleend

Zegt dat het Verleden zich steeds op dezelfde wijze herhaalt,—

Eerst Vrijheid en dan Zege; wanneer dat ontbreekt,

Dan volgt op Rijkdom, ondeugd en verderf,—Barbaarschheid op het eind.

En Geschiedenis met hare groote boekdeelen.

Beslaat dan slechts één pagina.1

Het pad der geschiedenis ligt bezaaid met fossielen en zwakke overblijfselen van uitgestorven rassen,—rassen die stierven aan wat de sociologen liever inwendige ziekten dan natuurlijke oorzaken willen noemen. [22]Ook dit is voor den opmerker door alle eeuwen heen duidelijk geweest. Het was gemakkelijk te zien dat er iets in ons eigen gedrag was, waardoor ons meer schade berokkend werd dan eenige invloed van buiten kon teweegbrengen; wij zagen echter de natuurlijke oorzaak van ons onnatuurlijk gedrag niet en wisten zoodoende niet hoe allergemakkelijkst het te veranderen zou zijn.

Wanneer wij de voornaamste moeilijkheden van het menschelijk leven ten ruwste klassificeeren, dan vinden wij dat een groot gedeelte er van moet toegeschreven worden aan de geslachts-verhouding en een ander deel aan de economische verhouding tusschen de leden der maatschappij. Plastisch voorgesteld kan men zeggen dat de levensbezwaren bijna altijd teruggebracht kunnen worden tot het hart of de portemonnaie. De andere kwaal van ons leven—ziekte—is dikwijls een gevolg van dezelfde oorzaken, iets verkeerds in onze economische verhouding of in onze geslachts-verhouding. Ziek-gevoed of ziek-gebroed of beide, is hoofdzakelijk de oorzaak van ons ziekelijk bestaan. Wat zijn de voornaamste kenmerken van deze verkeerde voortplanting, deze averechtsche geslachts-verhouding in de menschheid? Wij zien in de maatschappelijke ontwikkeling in dit deel van het leven twee hoofdzakelijk werkende krachten. De een is een langzamerhand geordende ontwikkeling van monogame huwelijken, als de vorm van geslachts-vereeniging die het best berekend is om de belangen van het individu en van de maatschappij te bevorderen. Men moet duidelijk begrijpen dat dit een natuurlijke ontwikkeling is, die onvermijdelijk was in den loop van den maatschappelijken vooruitgang, geen kunstmatige toestand ons door wetten van eigen maaksel opgedrongen. Monogamie wordt gevonden onder vogels en zoogdieren; het is een even natuurlijke toestand als [23]polygamie of gemengde geslachtsvereeniging of welke andere vorm van geslachts-vereeniging ook. Haar duurzaamheid en volledigheid werden ingevoerd en uitgebreid door de behoeften der jongen en de voordeelen voor het ras, om dezelfde reden dus als elke andere vorm van voortplanting werd ingevoerd. Onze zedelijkheidsbegrippen rusten voornamelijk op feiten. De zedelijke hoedanigheid van een monogaam huwelijk hangt af van het werkelijk voordeel dat het individu en de maatschappij er bij hebben. Wanneer het voor ons ras niet de beste huwelijksvorm was, zou hij geen recht van bestaan hebben. Door alle tijden heen, van de verwarde horden der wilde volksstammen, met hunne verscheidenheid in paring, tot aan de levenslange toewijding van romantische liefde, is ten slotte in het sociale leven een type van geslachts-vereeniging ontstaan, het meest geschikt voor de ontwikkeling en verbetering van het individu en het ras. Deze overgang kwam op regelmatige en zeer aangename wijze tot stand, alleen in zoover pijn en moeilijkheid veroorzakende als deze bij aanneming van nieuwe en uitroeiïng van oude processen altijd gevoeld worden, doch in dit geval leverde het meer genoegen dan pijn op.

Met het natuurlijk proces van maatschappelijken vooruitgang ging echter een onnatuurlijk proces gepaard, een ongeregelde, ziekelijke handeling, die de geslachts-verhouding der menschheid tot een vreeselijke bron van ellende maakte. Deze ziekelijke handelingen met haar slechte gevolgen drongen zoo op den voorgrond, dat oppervlakkige denkers ten allen tijde gemeend hebben dat de geheele zaak slecht en onthouding de hoogste deugd was. Zonder de macht van volkomen ontleding, zonder kennis der sociologische tijdperken die het wezenlijke deel van zulk een ontleding uitmaken, hebben wij het in zijn geheel zeer sterk veroordeeld, omdat wij [24]gemakkelijk inzagen dat het verbonden was met zooveel pijn en verdriet. Maar evenals alle natuurlijke verschijnselen moet ook de geslachts-verhouding bestudeerd worden, zoowel de normale als de abnormale, de physiologische als de pathologische; dan zijn wij volkomen in staat den slechten toestand waarin wij verkeeren te begrijpen en uit te maken hoe wij betere toestanden kunnen verkrijgen.

Tot zoover heeft de studie van dit onderwerp berust op de veronderstelling dat de mensch juist zoo moet zijn als wij hem vinden, dat de mensch handelt zooals hij verkiest en, indien hij niet wenscht te handelen zooals hij doet, hij het dan kan nalaten. Toen wij dan ook ontdekten dat de menschelijke gedragslijn ten opzichte van de geslachts-verhouding niet de juiste was en kwaad veroorzaakte, werd de mensch vermaand die gedragslijn niet langer te volgen en deze vermaning werd door verschillende geslachten heen herhaald. Door wet en godsdienst, door opvoeding en gewoonte hebben wij getracht het menschelijk individu te dwingen zich te gedragen als volgens ons maatschappelijk gevoel noodzakelijk was.

Maar de ziekelijke daad bleef steeds bestaan. Wat ook de uiterlijke vorm van de geslachts-vereeniging was waaraan wij maatschappelijke sanctie gaven, of de Bijbel, de Koran en de Vedas ons wilden onderwijzen, een geheime oorzaak heeft voortdurend gewerkt om den waren loop van maatschappelijke ontwikkeling, tegen te gaan, om de natuurlijke neiging naar een hoogere en betere geslachts-verhouding in verkeerde richting te leiden en lager vormen en slechter toestanden van zeer schadelijken aard te handhaven.

Ieder ander dier bezigt die wijze van geslachts-vereeniging die het meest geschikt is voor de voortplanting [25]van zijn soort en brengt die vredig in toepassing. Wij brengen in toepassing wat het best voor ons past, het best voor de betrokken personen, voor het kind dat geboren wordt en voor de maatschappij in haar geheel; maar wij doen dat niet langs vreedzamen weg. Dit is zoo’n tastbaar feit dat wij gewoonlijk aannemen en voor uitgemaakt houden, dat de geslachtsverhouding een aanhoudende bron van verdriet moet zijn. “Het huwelijk is een loterij”, is een gewoon gezegde. “Trouwe liefde loopt nimmer over effen paden.” En zalvend geven wij den raad van ”Punch” aan hen die trouwen willen: “Doe het niet.” Die bijzondere bijverhouding, welke ons gedurende den tijd dat de monogame huwelijken in wording waren naar beneden trok en de aangenomen vorm voor onze geslachts-vereeniging werd,—de prostitutie—hebben wij aanvaard en een “sociale noodzakelijkheid” genoemd. Wij noemen haar tevens een “sociaal kwaad.” Wij hebben stilzwijgend toegestemd dat de sexueele verhouding bij de menschen meer of minder onaangenaam en slecht moest zijn, dat het in onzen aard ligt om het zoo te hebben.

Laat ons nu de zaak eens eerlijk en bedaard onderzoeken en zien of zij zoo onnaspeurlijk en onveranderlijk is als tot op heden geloofd werd. Hoe zijn de toestanden? Wat zijn de natuurlijke en wat de onnatuurlijke kenmerken der kwestie? Om dit uit te maken, dient een kleine studie van het voortplantingsproces vooraf te gaan.

Door de langzame, doch zekere proeven der natuur was het reeds zeer vroeg in de ontwikkeling der diersoorten bewezen dat het in haar belang was, dat de twee geslachten in twee afzonderlijke organismen zetelden en van elkaar verschilden. Te dien einde groeiden door het gebruik uit de min of meer protoplasma massa’s de drijvende cellen, de vroege amorphe levensvormen, het [26]onderscheid in de geslachten,—de trapsgewijze ontwikkeling van mannelijke en vrouwelijke organen en functiën in twee verschillende lichamen. Door het gebruik ontwikkeld en toegenomen, nam ook bij de evolutie der diersoorten het onderscheid in geslacht toe. Hoe meer het verschil in geslacht toenam, hoe meer ook de onderlinge aantrekking toenam, tot wij in al de hooger ontwikkelde rassen twee duidelijk verschillende seksen hebben, die zich sterk tot elkaar voelen aangetrokken en in de voortplanting van de soort hun plicht vervullen. Dit zijn de natuurlijke kenmerken van geslachts-onderscheid en geslachts-vereeniging, die zoowel in het ras der menschen als in dat van andere diersoorten gevonden worden. Het onnatuurlijke kenmerk waardoor ons ras zich niet benijdenswaardig onderscheidt, bestaat in een ziekelijke buitensporigheid in de uitoefening van deze functie.

Deze buitensporigheid is het, hetzij in het huwelijk of daarbuiten, die de gezondheid en het geluk der menschen in dezen zoo hoogst onzeker maakt. Het is deze buitensporigheid, die altijd gemakkelijk waar te nemen was, die wet en godsdienst gepoogd hebben te beteugelen. Buitensporige geslachts-bevrediging is kenmerkend voor de menschheid.

Het is niet moeilijk te bepalen wat “buitensporigheid” in dezen wil zeggen. Alle natuurlijke functiën die voor hare vervulling onze bewuste medewerking vereischen, dringen zich door een gebiedende begeerte aan onze aandacht op. Wij behoeven niet te wenschen te ademen of het bloed te laten circuleeren, want dat geschiedt zonder onzen wil; maar wij moeten wenschen te eten of te drinken, omdat de maag anders het noodige niet verschaffen kan zonder op de eene of andere wijze het geheele organisme in de war te brengen. Daarom beschouwen wij het gevoel van [27]honger als een voornamen factor in het voedingsproces. Op dezelfde wijze is geslachts-aantrekking een voorname factor in de vervulling van het voortplantings-proces. In normalen toestand is de hoeveelheid honger die wij voelen in volkomen overeenstemming met de hoeveelheid voedsel die wij noodig hebben. De honger waarschuwt ons wanneer wij eten moeten en wanneer wij bevredigd zijn. In sommige ziekelijke toestanden treedt “een onnatuurlijke eetlust” op, dan worden wij als ’t ware gedreven om meer te eten dan de maag verteren of het lichaam opnemen kan. Dit is een buitensporige honger.

Wij toonen als ras een buitensporigen geslachtslust te bezitten, die gevolgd wordt door een buitensporige bevrediging en de onvermijdelijke slechte gevolgen daarvan. Hij drijft ons tot een graad van bevrediging welke niet in verhouding staat tot de oorspronkelijke behoeften van het menschelijk organisme en die even bespottelijk overdreven is als dat hij ongunstig terugwerkt op het toevallig bijkomend genot; een buitensporigheid die zoowel strekt om de begeerte uit te dooven en op verkeerde wegen te leiden als om de geheele voortplanting te benadeelen.

Het menschelijk dier openbaart een overdrevenheid in den geslachtslust, die niet alleen het ras benadeelt door hare ziekelijke werking op het natuurlijk verloop der voortplanting, maar die ook het geluk van het individu in den weg staat door hare ziekelijke terugwerking op eigen begeerten.

Wat is de oorzaak van dezen buitensporigen geslachtslust bij den mensch? De onmiddellijke oorzaak van geslachts-aantrekking is geslachts-verschil. Hoe meer de geslachten uiteenloopen, des te krachtiger voelen zij zich tot elkaar aangetrokken. Hoe hooger het geslachts-verschil zich in ieder organisme ontwikkelt, hoe sterker de [28]aantrekking van het eene geslacht tot het andere wordt. In het menschenras vinden wij het geslachts-onderscheid tot een buitensporige hoogte ontwikkeld. Geslachts-onderscheid komt zoo sterk uit bij de menschen, dat het ras-onderscheid er door op den achtergrond treedt, de individueele onderscheiding er door belemmerd en het ras ernstig benadeeld wordt. Gewend als wij zijn om het leven maar steeds te nemen zooals wij het vinden, de menschen te beschouwen als vaste typen, in plaats van hen te zien als een heel ras dat aanhoudend verandert, naarmate verschillende machten daarop inwerken, schijnt het ons eerst vreemd om onderscheid te maken tusschen bekende uitingen van geslachts-onderscheid en te zeggen: “dit is normaal en mag niet tegengegaan worden; dit is abnormaal en moet verwijderd worden.” Maar dat is juist hetgeen gebeuren moet.

Het normale geslachts-kenmerk openbaart zich bij alle diersoorten in wat wij noemen, primaire en secondaire kenteekenen. Onder primaire geslachts-kenteekenen vatten wij al die organen en functiën samen, die voor de voortteling wezenlijk noodig zijn. De secondaire geslachts-kenteekenen daarentegen zijn de verschillen in vorm en functie van de organen die bij de voortteling slechts een ondergeschikten rol spelen en daarbij geen directe diensten bewijzen; bijv. de horens van het hert zijn secondaire geslachts-kenteekenen, omdat zij alleen van dienst zijn in den geslachts-strijd; evenzoo de veerentooi van den pauw-haan, die in den onderlingen geslachts-wedijver der pauw-hanen van nut is. Zoo zijn ook al de ondergeschikte kenteekenen, zooals baard, manen, kam, sporen, schitterende kleuren of meerdere grootte, waardoor het mannetje zich van het vrouwtje onderscheidt, secondaire geslachts-kenmerken. Zij zijn bij de verschillende diersoorten alleen voor de voortplanting van nut in de processen [29]van ras-behoud. Voor het proces van zelf-behoud hebben zij geen waarde. Geen schepsel heeft persoonlijk voordeel van zijn manen, zijn kam of zijn staartveeren; zij zullen hem zijn diner niet verschaffen noch zijn vijanden dooden.

Integendeel, zij zijn in zijn persoonlijk nadeel, indien zij bijv. door te groote ontwikkeling zijn werkkracht verminderen of hem een in ’t oogloopende prooi voor zijne vijanden maken. Zulk een ontwikkeling zou een overdreven geslachts-kenmerk zijn, en dezen toestand treffen wij juist bij de menschen aan. Onze geslachts-kenmerken zijn tot zulk een hoogte ontwikkeld, dat zij op den vooruitgang der individuen zoowel als op dien van het ras een nadeeligen invloed uitoefenen. In onze diersoort verschillen de geslachten niet alleen genoeg om hun primaire functiën te kunnen uitoefenen, of genoeg om alle secondaire geslachts-kenteekenen voldoende te openbaren en aan hun doel te doen beantwoorden door genoegzame geslachtsaantrekking tot stand te brengen, maar ze zijn zoo sterk dat zij ernstig het proces tot zelf-behoud belemmeren, en erger nog, zelfs op het proces van ras-behoud, dat zij verondersteld worden te dienen, een ongunstigen invloed uitoefenen. Ons buitensporig geslachts-onderscheid, waardoor de eigenaardigheden van het geslacht tot een buitengewone hoogte zijn opgevoerd, heeft tot zulk een groote aantrekking der geslachten aanleiding gegeven, dat het een geslachtsbevrediging ten gevolge heeft, waardoor het moederschap en het vaderschap rechtstreeks worden benadeeld. Wij zijn geen beter ouders, noch beter menschen, omdat onze geslachten zoo sterk verschillen, maar blijkbaar slechter. Waar moeten wij de oorzaak voor deze verschijnselen zoeken?

Laat ons eerst onderzoeken, waardoor deze twee groote processen—zelf-behoud en ras-behoud—in de wereld [30]in evenwicht worden gehouden. Zelf-behoud sluit in het verbruik van energie in die handelingen, en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van bouw en functie, die strekken tot behoud van het individueele leven. Ras-behoud sluit in het verbruik van energie in die handelingen en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van bouw en functie, die strekken tot behoud van het ras-leven, zelfs indien het individueele leven daarbij geheel moet worden opgeofferd. Dit op den voorgrond tredend verschil moet duidelijk in het oog worden gehouden. De processen die tot zelf-behoud en tot ras-behoud leiden zijn in geen enkel opzicht gelijk, dikwijls staan zij lijnrecht tegenover elkander. De natuurkeus, in het proces van zelf-behoud op het individu inwerkende, brengt die bijzonderheden tot ontwikkeling, waardoor het individu “den strijd om het bestaan” beter kan voeren, door die organen en functiën door gebruik het sterkst te doen toenemen waarbij het rechtstreeks voordeel heeft. De teeltkeus, in het proces van ras-behoud op het individu inwerkende, brengt die bijzonderheden tot ontwikkeling, waardoor het individu, wat Drummond genoemd heeft “de strijd om het bestaan van anderen” beter kan voeren, door die organen en functiën door gebruik het sterkst te doen toenemen, waarbij de jongen direct of indirect voordeel hebben. Het individu wijzigt zich niet alleen, onder de inwerking der natuurkeus naar zijn omgeving, maar onder de inwerking van de teeltkeus wijzigt het zich ook naar zijn makker. Wanneer men de keuze eenvoudig vrij laat, dan ontwikkelt elk geslacht die eigenschappen die door den ander begeerd worden, en doordat de individuen met de beste geslachts-eigenschappen dan het eerst gekozen worden, brengt geslachts-ontwikkeling ras-ontwikkeling voort.

De orde der zoogdieren is ontstaan doordat een primair [31]geslachts-kenmerk zich door de natuurkeus ontwikkeld heeft; maar de prachtige staart van den pauwhaan is het gevolg van de ontwikkeling van een secondair geslachts-kenmerk door teeltkeus. Nam de pauwenstaart echter zoo sterk in grootte en pracht toe, dat hij een akker gronds bedekte en schitterde als de zon,—laat ons veronderstellen dat hij een neiging vertoonde om zoo toe te nemen,—dan zou zulk een overdreven geslachts-kenmerk het persoonlijk belang van den pauwhaan zoodanig in den weg staan, dat hij ten slotte zou uitsterven en zijn staart met hem. Ook omgekeerd, indien de pauw-hen, wier geslachts-kenmerk in tegenovergestelde richting aantrekt door niet groot te zijn noch te schitteren, maar klein en stemmig,—indien zij zoo klein en zoo stemmig werd dat zij zich zelf en haar jongen niet meer kon voeden en verdedigen, dan zou zij sterven, en er zou op andere wijze belemmering door een overdreven geslachts-onderscheid zijn. In kudden van rendieren en runderen is het mannetje grooter en sterker, het wijfje kleiner en zwakker; maar het wijfje blijft altijd groot en sterk genoeg om met het mannetje haar voedsel te zoeken of te kunnen vluchten voor vijanden, want anders zou zij eenvoudig sterven, het mannetje bleef dan alleen over en daarmede zou de diersoort geheel verdwijnen. Hoezeer zij ook in geslacht mogen verschillen, in soort moeten zij gelijk blijven, elkaar’s gelijke in ras-ontwikkeling, anders gaan zij te gronde. De kracht der natuurkeus, die slechts dezelfde ras-eigenschappen vraagt en voortbrengt, werkt belemmerend op de teeltkeus, die juist het ontstaan van verschil in ras-eigenschappen bevordert. Als seksen vervullen zij verschillende functiën en neigen daardoor tot verschil in ontwikkeling. Als diersoort vervullen zij dezelfde functiën en neigen daardoor tot gelijke ontwikkeling. [32]

Aangezien geslachts-functiën slechts nu en dan en ras-functiën geregeld uitgeoefend worden, omdat paren slechts eens in het jaar of eens in de drie maanden en eten dagelijks en zelfs elk uur geschiedt, werken de processen om voedsel te verkrijgen of om geregeld vijanden af te weren aanhoudender dan de voortplantings-processen en veroorzaken daardoor een grooter uitwerking.

Dientengevolge vinden wij bij de orde der zoogdieren, die hunne jongen op gelijke wijze voortbrengen en zogen, toch een groote verscheidenheid van diersoorten, die op verschillende wijzen in hun levensonderhoud voorzien. Het kalf, het veulen, de welp, het katje worden op dezelfde wijze geboren; maar de koe en het paard, de beer en de kat worden op verschillende wijze groot gebracht. En mogen koe en bul, merrie en hengst ook in geslacht verschillen, in soort zijn zij toch gelijk, terwijl de gelijkheid in soort het verschil in geslacht overtreft. Koe, merrie en kat zijn allen wijfjes uit de orde der zoogdieren en in zoover gelijk, maar toch is hun verschil veel grooter dan hun overeenkomst.

Door natuurkeus ontwikkelt zich het ras. Door teeltkeus ontwikkelt zich het geslacht. Geslachts-ontwikkeling is in al zijn verschillende vormen hetzelfde, zij strekt alleen om voort te planten wat reeds bestaat. Maar ras-ontwikkeling stijgt steeds in hooger en hoogere uiting van energie. Ons verschil in geslacht deelen wij, nagenoeg van den oorsprong van leven af, met het dierenrijk en zelfs met de plantenwereld. Maar de rassen verschillen in opklimmenden graad en het menschenras heeft daarbij het hoogste standpunt ingenomen.

Wanneer het nu kan aangetoond worden dat het geslachts-verschil in het menschenras zoo buitensporig groot is, dat daardoor niet alleen zijn eigen optreden [33]wordt bemoeilijkt, maar dat daardoor ook de vooruitgang van het ras wordt tegengehouden of in verkeerde banen geleid, dan wordt het een zaak die ernstige overweging verdient. Onder onze sexueel-economische verhouding is het echter onvermijdelijk. Doordat in het menschengeslacht de vrouw economisch afhankelijk is van den man, is het evenwicht der krachten verbroken. Natuurkeus beteugelt hier niet langer de teeltkeus, maar werkt met haar samen. Waar beide seksen hun voedsel verkrijgen door gelijke inspanning, uit dezelfde bronnen, onder dezelfde voorwaarden, daar werken op beide dezelfde invloeden en worden beide door hun omgeving gelijk ontwikkeld. Doch waar beide seksen hun voedsel verkrijgen op verschillende wijze en dat verschil beteekent dat een van beide gevoed wordt door den ander, daar wordt het voedende geslacht de omgeving van het gevoede. De man wordt, door de vrouw te onderhouden, haar economische omgeving. Door de natuurkeus wordt ieder schepsel naar zijn omgeving gewijzigd, doordat het noodzakelijkerwijze die hoedanigheden moet ontwikkelen die het noodig heeft om in zijn levensonderhoud in die omgeving te kunnen voorzien. De man als voeder der vrouw wordt de sterkst wijzigende macht van haar economischen toestand. Door de teeltkeus wijzigt het menschelijk wezen zich natuurlijk evenals alle schepselen naar zijn makker. Wordt de makker tegelijkertijd de meester, zoodat economische noodzakelijkheid gevoegd wordt bij geslachts-aantrekking, dan werken de twee groote evolutionaire krachten samen voor denzelfden uitslag, om namelijk in de vrouw het geslachts-onderscheid tot ontwikkeling te brengen. Want in haar positie van economische afhankelijkheid in de geslachts-verhouding is het geslachts-onderscheid voor haar niet alleen het middel om te kunnen paren, zooals bij alle [34]andere schepselen, maar het is voor haar tevens het middel om in haar levensonderhoud te voorzien, hetgeen bij geen ander wezen op aarde gevonden wordt. Door haar economische afhankelijkheid van den man wordt de vrouw in een buitensporig geslachts-wezen veranderd. Deze overdreven verandering brengt zij op haar kinderen over en zoo wordt in het menschelijk lichaam aanhoudend de ziekelijke neiging tot excessen in deze verhouding voortgeplant, welke, ondanks al onze pogingen om die tegen te gaan, steeds zoo sterk op ons allen heeft ingewerkt. Het is geen normale geslachts-neiging, die alle schepselen eigen is, maar eene abnormale geslachts-lust, opgewekt en onderhouden door de abnormale economische verhouding, waarbij het eene geslacht gevoed wordt door het andere en dat nog wel ter vergoeding voor de uitoefening harer geslachts-functiën. Dat is het rechtstreeksche gevolg van de bijzondere sexueel-economische verhouding die onder ons bestaat. [35]


1 Childe Harold’s Pilgrimage, Canto IV. CVIII.

III

Na te hebben vastgesteld dat het buitensporig geslachts-onderscheid (de over-sexualiteit) in het menschenras bestaat, dienen wij den gewonen lezer nog duidelijk te maken, wat met dezen term bedoeld wordt. Volgens de volksmeening, zoowel in ruw-gemeenzame als in overbeschaafde kringen, beteekent “sexueel” (geslachtelijk) meestal “sensueel” (zinnelijk), en meent men iemand, die den last der over-sexualiteit te dragen heeft, daarvan een verwijt te moeten maken. Deze meening kunnen wij onmiddellijk ter zijde stellen, want zij toont duidelijk aan dat men de beteekenis van den gebruikten term niet kent. Een man toch voelt zich niet beleedigd als men hem “mannelijk” noemt, of een vrouw als men haar “vrouwelijk” noemt. En toch is alles wat mannelijk of vrouwelijk aan hen is sexueel. Zich door vrouwelijkheid te onderscheiden, beteekent niets anders dan zich sexueel te onderscheiden. Over-vrouwelijk te zijn is over-sekst te zijn. Door op de een of andere wijze de onderscheidingsteekens van het geslacht, de primaire zoowel als de secondaire, in overmaat te vertoonen, bewijst men over-sekst te zijn. Om bij ons voorbeeld van den pauwhaan te blijven, eene te groote en te schitterende staart zou bewijzen dat hij over-sekst was, doch dit zou voor zijn zedelijk karakter geen beleediging zijn!

De primaire geslachts-kenmerken zijn in ons ras zoowel als in andere rassen alleen in de organen en functien aanwezig die een werkelijke rol bij de voortplanting vervullen. De secondaire kenmerken,—en hier moeten wij [36]onze grootste overmaat zoeken,—zijn te vinden in al die kenmerken in orgaan en functie, in gelaatsuitdrukking en beweging, in gewoonte, manieren, wijze van doen, bezigheid, gedrag, waardoor mannen en vrouwen uiterlijk van elkaar onderscheiden worden. Ziet men een troep paarden op een kleinen afstand dan kan men de geslachten niet van elkander onderscheiden. In een kudde rendieren zijn de mannetjes door hun gewei onmiddellijk te herkennen. De leeuw onderscheidt zich door zijn manen, de kater alleen door wat zwaarder bouw. In sommige soorten van insekten verschillen het mannetje en het vrouwtje uiterlijk zooveel van elkaar, dat zelfs natuuronderzoekers gemeend hebben dat zij tot afzonderlijke soorten behooren. Boven deze verschillen staat het verschil in gedrag. Elke sekse bezit zekere psychische eigenschappen. De krachtige moederlijke hartstocht is even goed een geslachts-kenmerk als de manen van den leeuw of de horens van het hert. Het oorlogzuchtige en heerschende in het karakter van den man zijn geslachtskenmerken; de bescheidenheid en bedeesdheid der vrouw zijn geslachts-kenmerken. De zucht om te broeden is een geslachts-kenmerk van de hen; de zucht om trots en deftig te stappen is een geslachts-kenmerk van den haan. De neiging tot vechten is een geslachts-kenmerk der mannen in het algemeen; de neiging om te beschermen en te verzorgen is een geslachts-kenmerk der vrouwen in het algemeen.

De beginnende neiging tot geslachts-onderscheid is bij de menschen, wier voornaamste werkzaamheden van socialen aard zijn, in allerlei functiën merkbaar. Wij hebben onze industrieele werkzaamheden, onze verantwoordelijkheid, onze ware deugden, door geslachtslijnen in tweeën gedeeld. Het is daarom duidelijk dat het buitensporig geslachts-kenmerk in de menschheid, en in de [37]vrouw in het bijzonder, geen bepaald “zedelijk” verwijt in zich sluit, ofschoon het in ruimer beteekenis aantoont dat het op den vooruitgang der menschheid een beslist slechten invloed uitoefent.

In de primaire kenmerken is onze buitensporigheid niet zoo merkbaar als in de verdere en fijnere ontwikkeling; doch zelfs daar zijn de bewijzen duidelijk aanwezig. Geslachts-drift uit zich bij den man ten eerste veel sterker dan noodig is voor de voortplantings-processen, zoo sterk inderdaad, dat het geheele proces er door tegengegaan of benadeeld wordt. Het directe nadeel aan de voortplanting door den overdreven geslachts-lust van den man, het indirecte nadeel door zijn verzwakkenden invloed op de vrouw, met het verschrikkelijk kwaad door buiten-echtelijke geslachts-gemeenschap aan de maatschappij berokkend—deze zijn de bijna algemeen bekende gevolgen. Eeuwenlang kenden wij ze reeds en wij hebben het kwaad trachten te beteugelen door burgerlijke, maatschappelijke en zedelijke wetten. Maar wij hebben het altijd als een daad van vrijen wil beschouwd en niet als een toestand van ziekelijke ontwikkeling. Wij hebben altijd gemeend dat het juist was dat mannen zoo waren, maar dat het verkeerd was dat zij zoo handelden. Op die wijze werkt de natuur niet. Wie zoo moet zijn, moet ook zoo handelen. Wie anders moet handelen, moet ook anders zijn. De overdreven eisch naar geslachts-gemeenschap in den man is een buitensporig geslachts-kenmerk. Wij vinden in een zeker soort ruwheid en hardheid, in een te groote heerschzucht en trots, in een te sterk toegeven aan de macht tot geslachts-lust, de voornaamste kenteekenen van een buitensporig geslachts-kenmerk in mannen. Dit werd in hen steeds beteugeld en tegengewerkt door de gezonde werkzaamheden van het ras-leven. Hunne krachten werden gebruikt en hun [38]talenten ontwikkeld langs de geheele linie van den menschelijken vooruitgang. Met den vooruitgang van industrie, koophandel, wetenschap, fabrieken, regeering, kunst, godsdienst, werd de man van ons ras mensch, veel meer dan man. Hoe sterk deze hartstocht in hem is en hoe buitensporig hij er ook aan toegeeft, toch is hij een veel normaler dier dan het vrouwtje van zijn ras, veel minder over-sekst. Voor hem is dit veld van bijzondere werkzaamheid slechts een deel van zijn leven,—een voorbijgaand iets. De geheele wereld staat daar buiten. Voor haar daarentegen is het de geheele wereld. In het bekende gezegde van madame de Staël:—“Liefde is voor den man een episode, voor de vrouw een geschiedenis,”—is dit zeer goed weergegeven. In de vrouw vinden wij het buitensporig geslachts-onderscheid van het menschenras, lichamelijk, geestelijk, maatschappelijk, het volledigst uitgedrukt.

Eerst het lichamelijk onderscheid. Door een voorbeeld zal ik trachten het verschil tusschen een normaal en een abnormaal geslachts-kenmerk duidelijk te maken. Beschouw voor dat doel een wilde koe en een “melkkoe” zooals wij die gemaakt hebben. De wilde koe is een vrouwtje. Zij heeft gezonde kalveren en melk genoeg om hen te voeden; dat is al de vrouwelijkheid die zij noodig heeft. Overigens is zij meer rund dan vrouwelijk. Zij is een licht, sterk, vlug, gespierd schepsel, in staat als het noodig is te rennen, te springen, te vechten. Voor ons economisch voordeel hebben wij de eigenschap van de koe om melk te kunnen voortbrengen, kunstmatig ontwikkeld. Zij is een wandelende melk-machine geworden, aangefokt en opgeleid voor dat uitsluitend doel, zoodat haar waarde in liters berekend kan worden. Melk-afscheiden is een moederlijke functie, een geslachts-functie. De koe is over-sekst. Breng haar in haar natuurlijken [39]toestand terug en indien zij de verandering overleeft, dan zal zij na eenige generaties weder in een eenvoudige koe veranderd zijn, die al haar energie gebruikt in de algemeene werkzaamheden van haar ras, in plaats van op te gaan in het produceeren van melk.

Lichamelijk behoort de vrouw tot een groot, krachtig schoon diersoort, dat in staat is tot groote inspanning van allerlei aard. In elk ras en op elk tijdstip waar zij gelegenheid had aan de werkzaamheden van het ras deel te nemen, ontwikkelde zij zich in overeenstemming daarmede en zij werd niet minder vrouw door een gezond menschelijk wezen te zijn. In elk ras en op elk tijdstip waar men haar deze gelegenheid ontnam,—en haar jaren van vrijheid waren inderdaad zeer weinige,—heeft zij zich in die richting ontwikkeld waarvoor men haar bestemde, en die richting was altijd geslachts-werkzaamheid. Daardoor treedt het geslachts-onderscheid bij de vrouw zeer sterk op den voorgrond.

De vrouwelijkheid der vrouw,—en “das ewig weibliche” beteekent eenvoudig het eeuwig sexueele,—treedt in evenredigheid tot haar menschelijkheid meer op den voorgrond, dan de vrouwelijkheid van andere dieren in evenredigheid tot hun hond- of kat- of paard-zijn. Een “vrouwenhand” of een “vrouwenvoet” is altijd te herkennen. Wij hooren echter nooit spreken van een “vrouwenpoot” of een “vrouwenhoef.” Een hand is een grijporgaan en een voet een bewegingsorgaan. Zij zijn geen secondaire geslachts-organen. De betrekkelijke kleinheid en zwakheid van de vrouw is een geslachts-kenmerk. Wij hebben het tot zulk een uiterste gebracht dat de vrouwen gewoonlijk aangeduid worden als “het zwakke geslacht.” In geen ander hoog ontwikkelde diersoort bestaat zulk een beschamend verschil tusschen het mannetje en het vrouwtje. Op de lange zwerftochten der [40]trekvogels, in de onophoudelijke beweging der grazende kudden die het geheele jaar door over de velden trekken, of in de wilde, diepe reizen van de zalmen is nooit sprake van een zwak geslacht. En bij de hoogere carnivoren, die door hun langdurige zorg voor de jongen dichter bij ons staan, vreest de jager den aanval van het vrouwtje meer dan van het mannetje. De ongeëvenredigde zwakheid is een buitensporig geslachts-kenmerk. Haar schadelijke gevolgen kunnen duidelijk aangetoond worden bij de Oostelijke natiën, waar de vrouwen in gesloten harems geheel alleen voor geslachts-functiën bestemd zijn en de uitoefening van elke ras-functie haar verboden is. Bij zulke volkeren wordt de zwakheid, de fijne beenderenbouw en de sterke vetontwikkeling van de over-sekste vrouw op den man overgebracht en bewerkt zoodoende achteruitgang van het geheele ras. Omgekeerd, bij de vroegere Germaansche stammen brachten de betrekkelijk vrije en menschelijk ontwikkelde vrouwen,—die groot, sterk en moedig waren,—op hunne zonen een grootere hoeveelheid menschelijke krachten en veel minder ziekelijken geslachts-lust over.

De graad van zwakheid en plompheid aan vrouwen eigen, de betrekkelijke moeilijkheid om te staan, te loopen, te rennen, te springen, te klimmen, en om andere ras-functiën, die voor beide seksen gelijk zijn, te verrichten, is een buitensporig geslachts-onderscheid, en de daaropvolgende overplanting van deze betrekkelijke zwakheid op hare kinderen, zoowel op de jongens als op de meisjes, houdt de ontwikkeling van het menschdom tegen. Sterke, vrije, werkzame vrouwen, de stoere op-het-land-werkende boerin, de last-dragende wilde, zijn niet minder goede moeders omdat zij zoo krachtig zijn. Maar onze beschaafde “vrouwelijke teerheid”, die zich iets minder teer voordoet [41]zoodra zij erkend wordt als een uitdrukking van buitensporige seksualiteit, maakt geen betere moeders van ons, maar slechtere. De betrekkelijke zwakheid der vrouwen is een geslachts-kenmerk. Zij heeft dien graad bij hen bereikt dat het moederschap, de huwelijksstaat en het individu er door benadeeld worden. Het nut dat vrouwen als sekse en als menschen doen, haar algemeene menschenplicht, wordt door dezen graad van distinktie zeer sterk aangetast. In elk opzicht oefent de over-sekste toestand der vrouw een ongunstigen invloed uit op haar zelf, haar man, haar kinderen en het ras.

Het geestelijk verschil der beide seksen is even duidelijk. De aanvankelijke behoefte aan geslachts-bevrediging heeft zich onder den invloed van sociale krachten langzamerhand ontwikkeld tot een bewusten hartstocht van enorme macht, een innige, levenslange toewijding, die in zijn kracht overweldigend is. In beide seksen is dit overdreven, maar toch meer in vrouwen dan in mannen; niet zoo erg in zijn eenvoudigen physischen vorm, maar in de onredelijke kracht der emotie, die voor geen rede vatbaar is en degenen, die in haar macht zijn, voortdrijft om alles aan dit ééne doel op te offeren. Oppervlakkig beschouwd, lijkt het niet gemakkelijk en het is misschien een oneerbiedige en ondankbare taak om hier uit te maken wat in “meester-hartstocht” goed en wat slecht is, vooral nu het eene geslacht meer van dit gevoel eischt dan het andere; maar het kan toch geschieden.

Het is voor het individu en voor het ras goed de hartstochtelijke en bestendige liefde tot zulk een graad ontwikkeld te hebben als noodig is om het geluk der individuen en de voortplanting van het ras te bevorderen. Het is voor het individu en voor het ras niet goed, dat dit gevoel zoo krachtig is geworden dat het alle andere [42]menschelijke eigenschappen overschaduwt, dat het den spot drijft met de opgedane wijsheid van vele eeuwen en de voorhanden wilskracht, om het individu—tegen zijn eigen volle overtuiging—tot een vereeniging te drijven, welke zeker op kwaad uitloopt of hem hulpeloos in een ongewenschte verhouding houdt.

Zoo is de toestand der menschheid, de slechtste gevolgen voor zijne nakomelingen en voor zijn eigen geluk medebrengende. En hoewel bij de mannen de onmiddellijk op den voorgrond tredende kracht van den hartstocht misschien meer de aandacht trekt, toch heerscht hij algemeener onder de vrouwen. Want de man heeft tegelijkertijd andere krachten en eigenschappen in volle werking, waardoor hij de macht der hartstochten kan ontvluchten; maar de vrouw, die opzettelijk tot geslachts-wezen gevormd en aan wie elke ras-werkzaamheid ontzegd wordt, stort haar geheele leven in haar liefde uit en wordt zij hier gekwetst, dan is zij onherstelbaar gewond. Bij den man is de liefde doorgaans licht en vergankelijk, en wanneer zij het krachtigst is duurt zij meestal het kortst.

Bij de vrouw is het een innige, alles-opslorpende kracht, onder wier macht zij alles wat het leven aanbiedt opoffert, elk gevaar trotseert, elke ontbering geringschat, elke pijn verdraagt. Zelfs na levenslang verwaarloosd en misbruikt te zijn, blijft de liefde in haar voortleven. Dagelijks komt het op de politie-bureaux voor, dat de wreed mishandelde vrouw weigert tegen haar man te getuigen. Deze toewijding, tot zulk een hoogte opgevoerd dat het tot paring van niet bij elkaar passende individuen leidt, met de daaruit voortvloeiende persoonlijke en maatschappelijke nadeelen, is een buitensporig geslachts-onderscheid.

Maar in onze gewone maatschappelijke verhoudingen komt het overheerschen van het geslachts-onderscheid der [43]vrouwen het duidelijkst uit. Het feit dat de vrouwen, in het algemeen gesproken, uitdrukkelijk “de sekse” genoemd worden, toont onbetwistbaar aan, dat dit de voornaamste indruk is, dien zij op waarnemers en geschiedschrijvers gemaakt hebben. Men behoeft geen verder bewijs te leveren, maar slechts den lezer te herinneren aan de onafgebroken reeks feiten en gevoelens aan ieder volkomen bekend, doch tot nu toe beschouwd als volmaakt natuurlijk en rechtvaardig. Zoo geheel heeft men den staat van de vrouw als een sexueelen beschouwd, dat het aan de vrouwenbeweging der 19e eeuw werd overgelaten om te strijden voor den eisch, dat vrouwen ook als personen beschouwd zullen worden. Dat vrouwen behalve wijfjes ook burgers zijn—welk een ongehoorde eisch!

In een “Handboek met Spreekwoorden van alle Volken”, vele duizenden bevattende, zijn deze feiten opgemerkt: 1e dat de spreekwoorden over vrouwen veel minder talrijk zijn dan die over mannen; 2e dat de spreekwoorden op vrouwen van toepassing bijna altijd haar in het algemeen treffen. Die op mannen toegepast worden, bepalen zijn hoedanigheid, begrenzen, beschrijven of specializeeren hem. Het is een “luie man”, “een driftige man”, “een dronken man”. Hoedanigheden en handelingen worden den man individueel toegerekend en niet het geheele geslacht, tenzij hij gunstig tegenover de vrouw wordt gesteld, zooals in “Een man van stroo is een vrouw van goud waard”, “Mannen zijn daden, vrouwen zijn woorden”, of “Man, vrouw en duivel, zijn de drie trappen van vergelijking.” Maar wanneer er sprake is van een vrouw, is het altijd en alleen “de vrouw”, eenvoudig het wijfje bedoelende, zonder eenig persoonlijk onderscheid te maken: “Het is even hard een vrouw te zien weenen als een gans blootvoets [44]te zien gaan”. “Het is even gemakkelijk een aal bij zijn staart als een vrouw aan haar woord te houden”. “Een vrouw, een hond en een ezelijn, hoe meer men ze slaat, hoe beter zij zijn”. Nu en dan wordt er verschil gemaakt tusschen een “blondine” en een “brunette” en Salomo’s “deugdzame vrouwen”, die zulk een hoogen prijs bedongen, zooals ons allen bekend is. Maar gewoonlijk is het “een vrouw”, eeuwig en altijd. Het bluffen van den losbol dat hij “de vrouwen” kent, werd niet lang geleden door een der jonge dichters aldus bezongen: “De zaken die men leert bij negervrouwen en kleurlingen, bevorderen het succes bij blanken”; iemand die afgewezen is klaagt verdrietig “dat alle vrouwen precies gelijk zijn”; dat de publieke opinie ten allen tijde hierin overeenstemde bewijst, dat de eigenaardigheden van het geslacht de eigenaardige verschillen van het individu hebben overtroffen,—geen geringe buitensporigheid in het geslachts-onderscheid.

Van het oogenblik dat onze kinderen geboren worden, wenden wij alle bekende middelen aan om in jongen en meisje beiden het geslachts-onderscheid te doen uitkomen; de reden dat de jongen er niet zoo hopeloos door bedorven wordt als het meisje, ligt daarin, dat de jongen nog het heele veld van menschelijke uiting voor zich open vindt. In ons bestendig drijven om het geslachts-onderscheid te doen uitkomen, hebben wij ons aangewend de meest menschelijke eigenschappen als mannelijke eigenschappen te beschouwen en wel om de eenvoudige reden, dat zij voor mannen geoorloofd en voor vrouwen verboden waren.

Het verschil tusschen ras-eigenschappen en geslachts-eigenschappen moet helder en scherp uiteengezet worden. Het leven bestaat uit daden. Het gedrag van een levend wezen is onder twee hoofdlijnen te brengen,—zelf-behoud [45]en ras-behoud. Tot de daden van zelf-behoud behooren al de levensprocessen die dienen om het individu in leven te houden, van de onwillekeurige werking der inwendige organen tot de willekeurige daden der uitwendige organen, van het ademhalen tot het op de jacht gaan voor voedsel, alles dus wat het in stand houden van het individueele leven bevordert. Tot de daden van ras-behoud behooren al die processen die dienen om het ras in leven te houden, van de onwillekeurige werking der inwendige organen, tot de willekeurige daden der uitwendige organen; van de ontwikkeling der kiem-cellen tot het verzorgen der kinderen, alles dus wat het in stand houden van het ras-leven bevordert. Voor ras-behoud hebben mannen en vrouwen verschillende organen, verrichten zij verschillende functiën, en doen verschillende handelingen. Voor zelf-behoud hebben mannen en vrouwen dezelfde organen, verrichten zij dezelfde functiën, en doen dezelfde handelingen. De processen van ras-behoud hebben bij de menschen een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, maar de processen van zelf-behoud zijn reeds veel en veel verder gegaan.

Allerlei werkzaamheden van economische voortbrenging en verdeeling, alle kunsten en industrieën, beroepen en bedrijven, onze vooruitgang in wetenschap, ontdekkingen, regeering, godsdienst,—die alle onder de daden van zelf-behoud gerangschikt moeten worden, deze worden, of moesten worden uitgevoerd door beide geslachten. Te onderwijzen, te regeeren, te maken, te decoreeren, te verdeelen,—dit zijn geen geslachts-functiën, het zijn ras-functiën. Doch zoo buitensporig is het geslachts-onderscheid in het menschenras dat het geheele veld van menschelijken vooruitgang als een mannelijk prerogatief werd beschouwd. Is er sterker bewijs voor een buitensporig [46]geslachts-onderscheid in het menschenras denkbaar? Dat dit onderscheid al de natuurlijke grenzen overschreed en over iedere levensdaad werd uitgebazuind, zoodat elke stap van het menschelijk wezen gestempeld wordt als “mannelijk” en “vrouwelijk”, zekerlijk, dat is genoeg om onzen over-seksten toestand aan te toonen.

Doch beetje bij beetje, zeer langzaam, onder den onrechtvaardigsten en wreedsten tegenstand en dikwijls ten koste van alles wat het leven dierbaar maakt, is trapsgewijze vastgesteld dat menschenwerk zoowel door vrouwen als door mannen kan geschieden. Harriet Martineau moest haar schrijfwerk onder haar naaiwerk verstoppen, wanneer er onverwacht bezoek kwam, want “naaiwerk” was vrouwelijk en “schrijfwerk” mannelijk werk. Mary Somerville moest zelfs haar werk voor vele familieleden verbergen, want “wiskunde” was een wetenschap voor mannen. Men heeft het zoover gebracht dat de geheele menschenwereld beheerscht wordt door het geslacht,—al de groote levens-uitingen zijn “mannelijk” genoemd en voor de vrouw heeft men het overgelaten een “wijfje” te zijn, niets anders.

Maar terwijl de zaken die de mannen dwaas genoeg als “mannelijk” beschouwden meestentijds “menschelijk” waren, wat zeer goed voor hen was, waren de weinige zaken die voor de vrouwen overbleven inderdaad “vrouwelijk”; en altijd hetzelfde deuntje te zingen, hoe mooi dan ook, is verschrikkelijk eentonig. In een kleeding, waarvan het hoofddoel is onmiskenbaar het geslacht aan te duiden; met een zucht tot opschik die overvloedig blijk geeft van geslachts-neiging; met een lichaam zoodanig vervormd tot een vrouwelijk lichaam dat het op betreurenswaardige wijze haar natuurlijke verrichtingen belemmert; met manieren en gedrag geheel in overeenstemming met haar geslachts-belang en dikwijls zeer [47]nadeelig voor eenig menschelijk belang; met een arbeidsveld zoo streng mogelijk beperkt tot de geslachts-verhoudingen; met haar over-gevoeligheid, haar overdreven zedigheid, haar “eeuwige vrouwelijkheid”,—is het wijfje van het geslacht mensch onloochenbaar over-sekst.

Dit buitensporig geslachts-onderscheid vertoont zich evenzeer in een opvallend vroegrijpe ontwikkeling. Onze kleine kinderen, de zuigelingen, vertoonen reeds kenteekenen van geslacht in uiterlijk en kleeding, wanneer de jongen van andere schepselen nog zuiver geslachtloos zijn. Wij merken deze vroegrijpheid verheugd op. Wij zijn er trotsch op. Door voorschrift en voorbeeld moedigen wij het zorgvuldig aan, wij doen moeite om het geslachts-instinkt bij het kind te ontwikkelen en denken aan geen kwaad. Een van de eerste dingen die wij het kind, bij het ontwaken van zijn bewustzijn, inprenten is het feit dat hij een jongen of dat zij een meisje is, en dat zij daarom elke zaak uit een verschillend oogpunt moeten beschouwen. Zij moeten verschillend gekleed worden, niet ter wille hunner persoonlijke behoeften, want die zijn in die levensperiode precies dezelfde, maar opdat zij niet zelf noch iemand anders een oogenblik zouden kunnen vergeten dat zij tot een verschillend geslacht behooren.

Onze eigenaardigheid om datgene wat gewoonlijk bij dieren gevonden wordt om te keeren, waar het mannetje opgesierd is en het vrouwtje er donker en eenvoudig uitziet, is waarlijk niet zoo zeer een bewijs van buitensporigheid als wel van onze bijzonder averechtsche positie in de kwestie van teeltkeus. Bij andere diersoorten wedijveren de mannetjes in opschik en de vrouwtjes kiezen. Bij ons wedijveren de vrouwtjes in opschik en de mannetjes kiezen. Indien deze theorie van sekse-tooi geen instemming vindt en wij geven er de voorkeur aan om den opschik der mannetjes meer als een vorm van overvloedige geslachts-lust [48]te beschouwen, die zich zelf in onproductieve overdaad verbruikt, dan is inderdaad het feit, dat bij ons de wijfjes met zulk een schitterenden tooi voor den dag komen een ander teeken van een buitensporig geslachts-kenmerk. In elk geval, om kleine meisjes met geweld zulke mooie kleederen aan te doen, dat haar lichaamsbewegingen en natuurlijke vrijheid er door belemmerd worden en een vroegtijdig geslachts-bewustzijn aangekweekt wordt, is een zoo klaar en dreigend bewijs van onzen toestand, als maar met mogelijkheid kan aangevoerd worden. Dat het kleine meisje zoo gekleed wordt dat het daardoor verschil in zorg en gedrag vereischt, alleen omdat het kind een meisje is, iets wat op dien leeftijd anders in haar geest niet zou opkomen, is een brutaal aandringen op geslachts-onderscheid, dat in zijn gevolgen zeer slecht is. Jongens en meisjes worden dus verondersteld zich verschillend tegenover elkander en tegenover de menschen in het algemeen te gedragen,—een gedrag dat wij kortheidshalve in twee woorden kunnen omschrijven. Tot den jongen zeggen wij “Doe”; tot het meisje “Doe niet.” Kleine broer moet zusje “beschermen”, zelfs als zus grooter is dan broer. “Waarom?” vraagt hij den eersten keer. Wel, omdat hij een jongen is. Om het geslacht. Als zij waarlijk sterker is, moet zij hem beschermen, al was het alleen daarom dat in een normaal ras het beschermend instinkt zuiver vrouwelijk is. Het duurt niet lang of de jongen kent zijn les. Hij is een jongen en zal een man worden, dat sluit alles in. “Ik dank God dat ik niet als vrouw geboren ben,” luidt het joodsch gebed. Zij is een meisje, “máár een meisje”, “niets anders dan een meisje” en zal een vrouw worden, alleen een vrouw. Jongens worden van het begin af aangemoedigd te toonen dat zij de gevoelens, die men veronderstelt mannelijk te zijn, bezitten. Wanneer de [49]kleine vent rondom zich slaat, schreeuwt en zijn speelgoed wegsmijt, dan zeggen wij trotsch: “het is een echte jongen.” Wanneer het kleine nufje met bezoekers coquetteert, of in moederlijk weeklagen uitbarst omdat broer haar pop heeft stuk gemaakt, wier zaag-meelig overschot zij met liefde verzorgt, dan zeggen wij trotsch: “zij is reeds op end’op een moedertje!” Wat weet een klein meisje van moederlijk instinkt? Niets meer dan een kleine jongen van vaderlijk instinkt. Dat zijn geslachts-instinkten, die zich niet moesten openbaren vóór de periode van geslachts-rijpheid. Het meest normale meisje is “de wildzang”, waarvan het aantal in deze wijzere dagen gelukkig toeneemt; een jong, gezond schepseltje dat door en door mensch is en niet vrouwelijk voordat de tijd daarvoor gekomen is. De meest normale jongen is evenzeer kalm en vriendelijk als levendig en moedig. Hij is een menschelijk wezen zoo goed als een mannelijk wezen, en niet opvallend mannelijk voordat de tijd daarvoor aangebroken is. De kindsheid is niet de periode voor deze kenmerkende geslachts-uitingen. Dat wij ze aan anderen toonen, ze bewonderen en aanmoedigen, bewijst hoezeer wij over-sekst zijn. [50]

IV

Nadat wij gezien hebben dat het geslachts-onderscheid in de menschheid buitensporig groot is en bij de vrouwen sterker op den voorgrond treedt dan bij de mannen en tevens bevonden hebben dat het wijfje van het menschengeslacht een éénige positie inneemt als economisch afhankelijk van het mannetje van haar diersoort, is het niet moeilijk een verband vast te stellen dat tusschen deze twee feiten bestaat. Reeds in het tweede hoofdstuk werd kort verwezen naar de algemeene wet die dezen toestand van buitensporige geslachts-ontwikkeling doet ontstaan. Hij ontstaat als volgt: De natuurlijke neiging van elke functie om door gebruik in kracht toe te nemen, is oorzaak dat de geslachts-functie toeneemt door de werking van teeltkeus. In de meeste diersoorten wordt deze neiging beteugeld door de kracht der natuurkeus, welke de energie langs andere kanalen voert en ras-functiën ontwikkelt. Waar het mannetje de economische omgeving van het vrouwtje is en haar economisch voordeel rechtstreeks bepaald wordt door haar geslachts-verhouding, daar wordt de kracht der natuurkeus gevoegd bij de kracht der teeltkeus en werken beide samen om de geslachts-functiën te ontwikkelen. In elk dier, wanneer geen andere omstandigheden aanwezig waren, zou zulk een verhouding onvermijdelijk het geslacht tot een buitensporige hoogte hebben ontwikkeld. Dit valt duidelijk waar te nemen in betrekkelijk overeenkomstige gevallen van sommige insekten, waar het wijfje, haar economische bedrijvigheid verliezende, [51]geheel in geslachtswezen verandert en enkel een eierzak wordt, een organisme dat geen vermogens tot zelf-behoud, alleen die tot ras-behoud bezit. Het eenige ras-vraagstuk bij deze insekten komt daarop neer, hoe zij het best hun diersoort in stand kunnen houden en voortplanten en zulk een toestand is niet noodzakelijk slecht; maar voor een ras als het onze, welks ontwikkeling tot menschelijke wezens nog maar betrekkelijkerwijze begonnen is, is hij wel slecht, omdat hij den individueelen en den ras-vooruitgang tegenhoudt. Buiten en behalve de zuivere instandhouding en voortplanting van ons ras, bestaan er voor ons nog andere doeleinden.

Het moest ieder die de werking der biologische wetten kent duidelijk zijn, dat elk levend organisme er naar streeft om in zijn ontwikkeling progressief te zijn en dat die progressieve ontwikkeling beteugeld wordt door de onderlinge werking der verschillende krachten. Elk levend wezen, met zijn op den voorgrond tredende eigenaardigheden, vertegenwoordigt een evenwicht van macht, een soort van compromis. De grootte van de voorwereldlijke monsterdieren der aarde werd begrensd door den voorraad voedsel. Zeemonsters konden grooter zijn, omdat het element waarin zij leefden, meer voor onderhoud aanbiedt. Vogels zijn kleiner om de omgekeerde reden. De koe bezit vele magen van tamelijke grootte, omdat haar voedsel een geringe voedingswaarde heeft en zij groote hoeveelheden moet eten om haar levensmachine gaande te houden. De grootte van op boomen levende dieren, zooals apen en eekhorentjes wordt begrensd door den aard van hun woonplaats: schepselen die op boomen leven, kunnen niet zoo groot zijn als die welke op den grond leven. Iedere hoedanigheid van elk schepsel staat in verhouding tot zijn toestand en streeft er naar om in overeenstemming daarmede toe of af te nemen; elke hoedanigheid [52]bezit een neiging om toe te nemen in evenredigheid tot haar bruikbaarheid en af te nemen in evenredigheid tot haar onbruikbaarheid. De oorspronkelijke man en zijn vrouwtje waren dieren, evenals andere dieren. Zij waren sterke, vurige, levendige beesten; en zij was even vlug en woest als hij; behalve dat de mannetjes in hun geslachts-wedstrijd bovendien zeer strijdlustig waren. In dien strijd vocht hij, evenals de andere mannelijke wezens, wild en woest met zijne harige medeminnaars; terwijl zij, even als de andere vrouwelijke wezens, met voldoening hun strijd gadesloeg en zich met den overwinnaar paarde. In andere tijden rende zij mede door de wouden, bediende zich zelf van ’t geen er te eten was even vrij als hij.

Er schijnt een tijd gekomen te zijn, waarin het aan het ontwaakte verstand van dezen beminnelijken wilde duidelijk werd dat het goedkooper en gemakkelijker was om een wijfje te bevechten en zich daartoe te bepalen dan telkens een man te bevechten, wanneer hij een vrouw wenschte. Daarom stelde hij tot regel om het wijfje tot slavernij te brengen, en toen zij haar vrijheid verloren had, kon zij niet langer haar eigen voedsel en dat voor haar jongen verkrijgen. De moeder-aap, na haar goed volbrachte moederlijke functie, vliedt springende door het woud, plukt haar vruchten en noten, verplaatst zich met den troep, haar jong op den rug of in een sterken arm houdende. Maar de moeder-vrouw, tot slavernij gebracht, kan dit niet doen. Toen zag de man, de vader, dat die toestand van slavernij hem verplichtingen oplegde; hij moest voor haar zorgen, omdat hij haar verboden had voor zich zelf te zorgen; anders zou zij onder zijn oogen sterven. Langzaam en met tegenzin nam hij de plichten van zijn nieuwe positie op zich. Hij begon haar te voeden en niet alleen dat, maar [53]hij moest nu ook de kinderen voeden, waaruit bleek hoezeer hij de plichten van het moederschap gedwarsboomd had. Het schijnt een eenvoudige regeling. Wanneer wij er over nadachten was dit met bewondering. De naturalist verdedigt haar op grond dat het voor de diersoort het voordeeligst is als de moeder, van alle andere zorgen bevrijd, zich geheel kan wijden aan de plichten van het moederschap. De dichter en novellist, de schilder en beeldhouwer, de priester en onderwijzer, allen hebben deze liefelijke verhouding hoog verheven. Den socioloog werd het overgelaten uit een biologisch oogpunt hare gevolgen op de lichaamsgesteldheid van het menschelijk ras op te merken, zoowel in het individu als in de maatschappij.

Naarmate de man de vrouw begon te voeden en te verdedigen, hield zij op, zich zelf te voeden en te verdedigen. Naarmate hij tusschen haar en haar physische omgeving stond, hield zij op, den invloed van die omgeving te voelen en er aan te beantwoorden. Naarmate hij haar onmiddellijke en almachtige omgeving werd, begon zij aan dezen nieuwen invloed te beantwoorden en veranderde in overeenstemming daarmede. In vrijen staat was spoed een even groot voordeel voor het vrouwtje als voor het mannetje, zoowel om haar prooi te bemachtigen als om aan haar vijanden te ontkomen; maar in haar nieuwen toestand was spoed een nadeel. Zij mocht geen mannen vangen, en het gaf haar het voordeel om door haar nieuwen meester gevangen te worden. Vrije wezens, die hun eigen voedsel zoeken en in hun levensonderhoud voorzien, ontwikkelen groote vlugheid om het noodige te verkrijgen. Parasieten, die hun levensonderhoud door de inspanning van anderen verkrijgen, ontwikkelen de hoedanigheden om zich vast te zuigen en vast te houden aan anderen, hoedanigheden [54]die hun het meeste voordeel aanbrengen. Het menschelijk wijfje werd aan de rechtstreeksche werking der natuurkeus onttrokken, dien machtigen invloed welke te voren op het mannetje en vrouwtje gelijkelijk had ingewerkt met onverbiddelijk en heilzaam gevolg, kracht, bekwaamheid, volharding, moed ontwikkelende,—in één woord, het ras ontwikkelende. Zij ondervond nu den invloed der natuurkeus indirect werkende door het mannetje en natuurlijk werden daardoor de eigenschappen ontwikkeld, die noodig zijn om een hoûvast aan hem te krijgen en te behouden. Onnoodig te zeggen dat deze eigenschappen, die van geslachts-aantrekking waren, de eenige macht die hem er toe gebracht heeft het wezen, waarop hij verliefd was, met graagte in alle mogelijke weelde te onderhouden. Vele, vele eeuwen had zij geen ander hoûvast, geen andere zekerheid om gevoed te worden. Het jonge meisje had een toekomstige waarde en werd onderhouden voor hetgeen zou volgen; de oude vrouw daarentegen had in vroeger tijden slechts een armoedig bestaan. De vrouw die haar heer het meest kon behagen was de lievelings-slaaf of de lievelings-vrouw en zij verkeerde in de beste economische omstandigheden.

Met het toenemen der beschaving hebben wij trapsgewijze de zichtbare noodzakelijkheid om het hulpelooze vrouwtje te voeden tot wet verheven; en zelfs oude vrouwen hebben nu een aangename zekerheid dat zij door hunne mannelijke verwanten zullen worden onderhouden. Maar tot op heden,—uitgezonderd natuurlijk het steeds grooter wordende leger loontrekkende vrouwen, die de wereld door haar aanhoudend voorwaarts schrijden naar economische onafhankelijkheid een ander aanzien zullen geven,—staat het persoonlijk voordeel der vrouwen nog steeds in een te nauw verband tot haar macht om de andere [55]sekse te winnen en er een hoûvast aan te krijgen. Van de odalisk met de meeste armbanden tot de debutante met de meeste bouquetten, blijft de verhouding steeds dezelfde,—het economisch voordeel der vrouw wordt verkregen door de macht van geslachts-aantrekking.

Wanneer wij dit feit moedig en eerlijk op de open markt van ontucht aanschouwen, dan walgen wij van afschuw. Doch zien wij diezelfde economische verhouding blijvend vastgesteld, bekrachtigd door de wet, gesteund en geheiligd door de kerk, bedekt onder bloemen en wierook en al het opeengehoopte sentiment, dan denken wij dat het onschuldig, liefelijk en juist is. Den kortstondigen handel beschouwen wij als slecht. Den verkoop voor het leven keuren wij goed. Maar het biologisch gevolg blijft hetzelfde. In beide gevallen ontvangt de vrouw haar voedsel van den man op grond van haar geslachts-verhouding tot hem. In beide gevallen, misschien zelfs meer in het huwelijk, omdat daar de stand van zaken volmaakter optreedt, verandert het wijfje van het menschenras, levende onder natuurwetten, onvermijdelijk in steeds toenemenden graad in een geslachts-wezen.

De inwerking der veranderde omgeving op vrouwen, in bepaalde bijzonderheden nagegaan, is in gegeven omstandigheden als volgt geweest: In de beteekenis van zuiver passieve omstandigheden is de vrouw onmiddellijk in haar levenscirkel beperkt geworden. Deze ééne factor heeft onmetelijke gevolgen zoowel op mensch als dier. Een volkomen éénvormige omgeving, één vorm, één grootte, één kleur, één geluid, zou het leven maken, indien eenig leven zoo kon zijn, tot een hopelooze, onveranderlijke zaak. Wanneer de omgeving grooter wordt en afwisselt, moet ook de ontwikkeling van het schepsel grooter worden en mede afwisselen; want het verkrijgt kennis en macht zoodra de stof voor kennis en de behoefte [56]aan macht verschijnt. Bij zwervende diersoorten is het vrouwtje vrij om dezelfde kennis als het mannetje op dezelfde wijze op te doen, dezelfde ontwikkeling door dezelfde ondervinding. Van den beginne af is het gebied waarop het menschelijk wijfje zich had te bewegen beperkt geworden. Zelfs onder de wilden is haar kennis van het land waarin zij leeft beperkter dan de zijne. Zij reist natuurlijk met den troep en oefent haar primitieve werkzaamheden in zijn nabijheid uit, maar het oorlogsveld en de jacht blijven voor den man. Hij leeft op veel ruimer gebied. Het leven van de vrouwelijke wilde is evenwel de vrijheid zelf, vergeleken met de toenemende gewoonte om de vrouw in huis op te sluiten, waar de beschaving vooruitgaat. Zeer sterk is dit uitgedrukt in het gezegde: “Een vrouw moet maar driemaal haar huis verlaten: als zij gedoopt wordt, als zij trouwt en als zij begraven wordt.” Of dit: “De vrouw, de kat, het fornuis, Verlaten nimmer het huis.” Het steeds thuiszitten van het wijfje en het vrij rondzwerven van het mannetje zijn duidelijk te onderscheiden menschelijke instellingen; achter ons volgen zulke laag georganiseerde wezens als de rondvliegende mot, wiens vrouwtje zich zelden meer dan een paar voet van de plaats waar zij pop-mot was verwijdert. Zij heeft afgeknotte vleugels en kan niet vliegen. Zij wacht ootmoedig op het gevleugelde mannetje, legt haar ontelbare eieren en sterft,—een prachtig voorbeeld van opgaan in geslachts-dier.

Door de omgevings-ruimte zoo te verkleinen, heeft men de ras-ontwikkeling zeer sterk belemmerd; maar dit kan in zijne gevolgen niet vergeleken worden met de beperking van vrijwillige werkzaamheden waaraan men de vrouw heeft onderworpen. Haar beperkte indrukken, haar opsluiting tusschen de vier muren van het huis, heeft natuurlijk groote gevolgen gehad; daardoor [57]werden haar denkbeelden, kennis, gedachtengang en macht om te oordeelen begrensd en werd een onevenredig gewicht en belangrijkheid gegeven aan de weinige zaken waarvan zij iets afweet; maar dit alles werkt onschuldig vergeleken met haar beperkte uiting en het verbod om in vrijheid te handelen. Een levend wezen wordt veel minder gewijzigd door den invloed van uiterlijke omstandigheden en zijn verzet daartegen, dan door de gevolgen van zijn eigen inspanning. De huid mag langzamerhand dikker worden door blootstelling aan het weder, maar wordt veel sneller dik wanneer zij tegen iets gewreven wordt, bijv. tegen het handvat van een roeiriem of van een bezemsteel. Met mooie zaken omgeven te zijn oefent op het menschelijk wezen een grooten invloed uit; maar mooie zaken te maken veel meer. In een mooie omgeving te leven en leelijke zaken te maken verlaagt meer rechtstreeks, dan in een leelijke omgeving te leven en mooie zaken te maken. Wat wij doen verandert ons meer dan wat ons gedaan wordt. De vrijheid om zich te uiten is bij vrouwen meer beperkt geworden dan de vrijheid om in zich op te nemen, indien dat mogelijk ware. Zij heeft iets van de wereld waarin zij leeft door hare getraliede vensters gezien. Een beetje lucht kwam door de reten der deuren, een beetje kennis drong tot haar gretige ooren door uit de gesprekken der mannen. Desdemona leerde iets van Othello. Had zij meer geweten, dan had zij misschien langer geleefd. Maar in den steeds grooter wordenden menschelijken drang tot scheppen, de macht en den wil om te maken, te doen, nieuwe gedachten in nieuwe vormen uit te drukken, werd zij volkomen belemmerd. Zij mocht werken zooals zij van het begin af gewerkt had, aan den oorspronkelijken huishoudelijken arbeid, maar in de onvermijdelijke uitbreiding zelfs van deze [58]werkzaamheden tot beroeps-werkzaamheden, hebben wij getracht haar tegen te houden. Om met haar handen te werken voor niets, in rechtstreeksche dienstbaarheid bij haar eigen familie,—dit werd toegestaan, ja verplicht. Maar het werd haar verboden om iets anders te zijn, iets meer te doen. Haar arbeid was niet alleen begrensd in soort, maar ook in gehalte. Wat haar ooit werd toegestaan te doen, moest zij in stilte en alleen doen, de eenvoudige werkzaamheden uit onbeschaafde tijden.

Onze industrie is niet alleen in soort maar ook in rang vooruitgegaan. De bakker staat niet op denzelfden graad van industrie als de keukenmeid, ofschoon beiden brood bakken. Door een of ander soort van werk tot een bepaald vak te maken, verheft men het; door het te organiseeren, gaat men een stap verder. Specialiseeren en organiseeren zijn de grondslagen van den menschelijken vooruitgang, de organische stelsels van het maatschappelijk leven. Dit is den vrouwen nagenoeg geheel verboden geworden. De grootste en meest heilzame verandering in deze eeuw is de ontwikkeling der vrouwen op deze twee lijnen van vooruitgang. Het gevolg van de belemmering in industrieele ontwikkeling, vergezeld als zij werd door het onophoudelijk overerven van vermeerderde ras-macht, heeft de gevoelens en aandoeningen der vrouwen versterkt en een groote bedrijvigheid ontwikkeld op de toegestane arbeidswegen. De zenuwachtige haast, die zelfs tegenwoordig nog vele vrouwen voortdrijft om onophoudelijk iets te doen, zij het dan ook het onzinnigst handwerkje, is één kenteeken van dit effekt.

Dezelfde dooddoener heeft den vooruitgang der vrouwen in godsdienstige ontwikkeling door alle rassen en eeuwen tegengehouden. In de grijze oudheid nam de vrouw deel aan de geheimen en ceremoniën; maar bij de ontwikkeling [59]van den godsdienst, werd zij op zij geschoven, totdat Paulus haar beval in de kerken te zwijgen. En zij heeft gezwegen, tot op dezen dag. Zelfs nu, met al wat wij gewonnen hebben, staan wij nog maar aan het begin,—het langzaam afgedwongen en afgekeurd begin—van godsdienstige gelijkheid voor beide geslachten. Bij sommige natiën wordt de godsdienst nog beschouwd als een zuiver mannelijke eigenschap, en wordt het zelfs betwijfeld of vrouwen wel een ziel hebben. Een Christelijke Raad heeft vroeger deze belangrijke kwestie bij stemming uitgemaakt, gelukkig werd toen aangenomen dat zij een ziel hadden. Voor een kerk, wier voornaamste kracht altijd in de aanhankelijkheid der vrouwen gelegen heeft, zou het een droevige achteruitgang geweest zijn haar geen zielen toegekend te hebben.

Oude familie-vereering ging alleen op mannelijke afstammelingen over. Het was de zoon die de heilige voorvaders in hooge achting kon houden en plengoffers over hunne overblijfselen uitstortte. Wanneer een vrouw huwde, dan veranderde zij van voorouders, dan moest zij de voorvaders van haar man vereeren in plaats van haar eigen. Daarom moeten de Hindu en de Chinees en velen van gelijken aard een zoon hebben om hen in eere te houden,—een diep ingeworteld geslachts-vooroordeel, dat langzaam begint te verdwijnen nu de vrouwen in economische beteekenis stijgen.

Het is pijnlijk interessant de langzaam toenemende uitwerking van deze toestanden op vrouwen na te sporen. Eerst de werking van groote natuurwetten, die op haar evenals op elk ander dier inwerken, dan de evolutie van maatschappelijke gewoonten en wetten (met haar positie als de werkende oorzaak), die op dezelfde wijze als de zuiver physische krachten werken en deze zeer versterken. Bij toenemende beschaving komt dan de onafgebroken [60]opeenhooping van het voorafgaande, die door de grooter wordende kracht der opvoeding in elke generatie gegrift wordt, na eerst door de kunst verfraaid, door godsdienst geheiligd, door gewoonte wenschelijk gemaakt te zijn; en onveranderlijk van beneden af inwerkende, de niet afwijkende druk van economische noodzakelijkheid, waarop het geheele samenstel steunt. Dit zijn waarlijk zeer sterk wijzigende omstandigheden.

Het proces zou zelfs veel grooter uitwerking hebben en veel minder pijnlijk zijn, indien slechts één belangrijke omstandigheid ontbrak. Erfelijkheid kent geen Salische wet. Elk meisje erft van haar vader een zekere toenemende hoeveelheid menschelijke ontwikkeling, menschelijke macht, menschelijke neiging; en evenzoo erft elke jongen van zijn moeder een toenemende hoeveelheid geslachts-ontwikkeling, geslachts-macht, geslachts-neiging. Het erfelijkheidsproces heeft gelijk gemaakt, wat elke strekking van omgeving en opvoeding verschillend wilde maken. Dit heeft ons voor het lot van de mot beveiligd. Het heeft de vrouw hoog-, en den man laag gehouden. Het heeft ijzeren grenspalen geplaatst voor onze pogingen om een ras te vormen, waarin de eene sekse een millioen jaren achter de andere aankomt. Maar het heeft de smart en moeilijkheid van het menschelijk leven verschrikkelijk vergroot,—een moeilijkheid en smart die ons reeds lang geleerd moesten hebben dat wij naar valsche begrippen leefden. Elke vrouw die geboren wordt, vermenschelijkt door den stroom van ras-bekwaamheid door haar vader aangebracht en vervrouwelijkt door hare traditioneele positie, moet in haar eigen persoon nog eens datzelfde proces van beperking, terugstooting, verloochening, doorleven; het smorende “neen” hetwelk al haar menschelijke wenschen om te scheppen, te ontdekken, te leeren, te uiten, vooruit [61]te gaan, te niet doet. Daarnaast stond voor elke vrouw slechts een en dezelfde weg open om zich te uiten en haar doel te bereiken; dezelfde ééne weg waarlangs zij alleen tot stand mocht brengen wat zij kon en hebben wat zij kon krijgen. Alle andere deuren waren gesloten, deze ééne altijd open, terwijl de geheele last der vooruitgaande menschheid op haar drukte. Geen wonder dat de jonge Daniël in testamentische taal uitriep: “De koning is sterk! wijn is sterk! maar vrouwen zijn sterker!”

Voor den jongen man die het leven intreedt ligt de wereld open. De krachten die hij heeft mag hij aanwenden, moet hij aanwenden. Kiest hij eerst verkeerd, hij mag nog eens kiezen en nog eens. Is de fortuin hem niet gunstig op de eene wijze, dan beproeft hij haar op een andere. De aangroeiende, wisselende behoeften der geheele menschheid doen een beroep op hem voor alle diensten, waarin hij zich kan ontwikkelen. Wat hij wenscht te zijn, daarnaar mag hij streven. Wat hij wenscht te hebben, mag hij trachten te verkrijgen. Rijkdom, macht, maatschappelijke onderscheiding, eer,—wat hij begeert, kan hij beproeven te verkrijgen.

De jonge vrouw die het leven intreedt, staat tegenover dezelfde wereld met dezelfde menschelijke gaven en menschelijke wenschen en menschelijke eerzucht. Maar alles wat zij kan wenschen te hebben, alles wat zij kan wenschen te doen, moet door een enkel kanaal, door een enkele keus komen. Rijkdom, macht, maatschappelijke onderscheiding, eer,—niet deze alleen, maar een tehuis en geluk, reputatie, gemak en pleizier, haar boterham,—alles moet door een kleinen gouden ring komen. Dit is een zware last. Deze werd achter haar opgehoopt door erfelijkheid, rondom haar voortgezet door omgeving. Zij werd er door haar opvoeding langzaam aan gewend, tot [62]dat zij haar toestand is gaan beschouwen als den juisten, dien zij met grootere kracht op haar dochter over brengt. Is het dan te verwonderen dat vrouwen oversekst zijn? Ware het niet dat zij aanhoudend van den meer menschelijken man erfden, dan zouden zij inderdaad reeds lang koningin-bijen geworden zijn. Maar de dochter van den krijgsman en den zeeman, den artist, den uitvinder, den groothandelaar, heeft in elke generatie in lichaam en geest haar deel geërfd van zijn ontwikkeling, en is zoodoende iets menschelijk gebleven in al haar vrouwelijkheid.

Alle ziekelijke toestanden neigen tot uitsterving. Eén beletsel heeft onze onevenredige geslachts-ontwikkeling altijd in den weg gestaan,—de nimmer falende hulp der natuur, de dood. Was iets tot het uiterste opgevoerd, dan stierf het individu, het gezin stierf uit, de heele natie verdween, zooals Sodom en Gomorrha. Waar één functie tot onnatuurlijke buitensporigheid is opgevoerd, verzwakken andere functies en het organisme verdwijnt. In individueele gevallen is dit ons bekend, ten minste, de doctoren weten het. In de geschiedenis der natiën kunnen wij er iets van vinden. Elke nieuwe sprong in de geschiedenis kwam van jonger rassen, die nader tot de wilde toestanden stonden, nader tot de gezonde gelijkheid van de vóór-menschelijke wezens. Perzië was ouder dan Griekenland en zijn hoog opgevoerde sexualiteit heeft het onvermijdelijk gevolg gehad dat de ras-hoedanigheden verzwakten. Op het land, onder boeren-menschen, is er veel minder geslachts-onderscheid dan in steden, waar rijkdom de vrouwen in staat stelt om te leven in volmaakt niets-doen; zelfs de mannen openbaren daar dezelfde bijzonderheid. Het frissche bloed dat stroomt in de steden, komt van het land en de lagere volksklasse, maar keert door den invloed van de onnatuurlijke geslachts-onderscheiding [63]verzwakt daarheen terug, totdat er niets is overgebleven om de natie weder aan te vullen.

De onvermijdelijke neiging van het menschelijk leven is naar hoogere beschaving; maar aangezien die beschaving slechts tot één sekse is beperkt, vermeerdert het onvermijdelijk geslachts-onderscheiding, totdat het toenemende kwaad van deze omstandigheid sterker is dan al het goede dat door de beschaving wordt aangebracht en dan daalt de natie. Laat men niet vergeten dat beschaving niet bestaat in het verkrijgen van weelde. Sociale ontwikkeling is een organische ontwikkeling. In een beschaafden Staat leven de burgers in organische industrieele verhouding. Hoe vollediger, vrijer, fijner, gemakkelijker die verhouding; hoe volmaakter de verdeeling van arbeid en ruil van het voortgebrachte, met hunne wederkeerige instellingen,—des te hooger is de beschaving. Eten, drinken, slapen, zich warm houden,—deze werkzaamheden zijn eigen aan alle dieren, om het even of het dier zich te ruste begeeft in een bed van bladeren of een van eiderdons, in de zon slaapt en den wind vermijdt of een verwarmd huis bouwt, op de loer ligt voor wild of zijn diner bestelt in een hotel. Dit zijn slechts individueele dierlijke processen. Of men één ei of een millioen eieren legt, of men een kat, een kalf of een baby baart, of men zijn kuikens uitbroedt, zijn varkens hoedt, of een kinderkamer vol kinderen verzorgt, dit zijn slechts individueele dierlijke handelingen. Maar om elkander al meer en ruimer te dienen; alleen voor zulk een dienst te leven; bijzondere functiën te ontwikkelen, zoodat wij voor ons levensonderhoud afhangen van wat de maatschappij kan terug geven voor diensten die geen direct nut voor ons zelf opleveren,—dat is beschaving, onze menscheneer, ons ras-kenmerk. [64]

Deze geheele menschelijke vooruitgang is door mannen tot stand gebracht. Vrouwen zijn achter, buiten gelaten, omdat zij hoegenaamd geen maatschappelijke verhouding hebben, enkel de geslachts-verhouding waardoor zij leven. Laat ons niet vergeten dat alle teedere familiebanden, banden zijn van bloedverwantschap, van geslachtsverwantschap. Een vriend, een kameraad, een deelgenoot,—dat is een menschelijke verwant. Vader, moeder, zoon, dochter, zuster, broeder, echtgenoot, echtgenoote,—deze zijn geslachts-verwanten. Bloed is dikker dan water, zeggen wij. Dat is waar. Maar banden van bloed doen de wereld niet ruischen met de onstuimige golven van vooruitgaanden godsdienst, kunst, wetenschap, handel, opvoeding en alles dat ons tot menschen stempelt. De man is het menschelijk wezen. De vrouw is belemmerd, gekortwiekt, omgebracht geworden in menschelijken groei; de aanzwellende krachten van ras-ontwikkeling werden in elke generatie terug gedreven om in haar alleen door geslachts-functiën te werken.

Op deze wijze heeft de sexueel-economische verhouding in onze diersoort gewerkt, door ras-ontwikkeling in de eene helft van ons te belemmeren en geslachts-ontwikkeling in beide helften te verhoogen. [65]

V

De feiten in de vorige hoofdstukken genoemd zijn bekend en niet te loochenen, de redeneering is logisch. Toch verzet het verstand zich met geweld tegen de gevolgtrekkingen die het gedwongen wordt te aanvaarden en tracht steun te vinden in de gewone omstandigheden van het dagelijksch leven. Wij vluchten van het opdoemende spook van het over-sekste wijfje van het geslacht mensch met voldoening terug naar goede vrienden en bekenden,—naar mevrouw Smit en naar juffrouw Muller,—naar moeders en zusters en dochters, naar verloofden en echtgenooten. Wij meenen dat zulk een verschrikkelijke staat van zaken niet waar kan zijn zonder dat wij dien zouden hebben opgemerkt. Wij probeeren zelfs dezen acrobatischen toer te volbrengen, voor het verstand van velen zoo gemakkelijk,—toe te stemmen dat het hiervoor gestelde theoretisch waar, maar praktisch onjuist is!

Aan twee eenvoudige wetten van hersenwerking is het toe te schrijven dat de menschen moeilijk te overtuigen zijn van de een of andere groote algemeene waarheid die henzelf betreft. Eén van deze is aan elk brein eigen, aan alle zenuwgewaarwordingen zelfs, en blijde zijn wij hier te kunnen constateeren dat dit niets te maken heeft met de sexueel-economische verhouding. Het is dit eenvoudig feit, dat wij geen notitie nemen van hetgeen wij gewóón zijn te doen. Dit berust op de wet van aanpassing, het adaptatie-vermogen; den geregelden, onophoudelijken drang, die het organisme aan zijne [66]omgeving passend zoekt te maken. Een zenuw die voor den eersten keer door een zekeren prikkel getroffen wordt, voelt dezen eersten prikkel veel meer dan den honderdsten of duizendsten, zelfs wanneer hij den duizendsten keer veel krachtiger was dan den eersten. Indien een prikkel voortdurend en regelmatig werkt, dan worden wij er volkomen ongevoelig voor en beantwoorden er alleen onder bijzondere omstandigheden aan; zooals het tikken van een klok, het geluid van stroomend water of van de golven van de zee. Zelfs het ratelen van de spoortreinen wordt niet meer opgemerkt door degenen die het dagelijks hooren. Een individu is volkomen in staat zich aan de nadeeligste omstandigheden te wennen, zonder ze op te merken.

Evenzoo is het mogelijk voor een ras, een natie, een klasse om gewend te raken aan de nadeeligste toestanden, zonder ze op te merken. Neem, als een individueel voorbeeld, het dragen van corsetten door vrouwen. Doe een krachtigen man of eene vrouw die nooit een corset droeg er eens een aan, een los corset maar, dan zullen zij het steeds onaangenaam voelen drukken. De gezonde spieren van den romp verzetten zich tegen zulk een druk, de werking van het geheele lichaam wordt in het midden belemmerd, de maag wordt vernauwd, het digestie-proces in de war gebracht en het slachtoffer vraagt: “Hoe kan men in ’s hemelsnaam zoo’n ding dragen?”

Maar de persoon die gewend is een corset te dragen voelt daarvan niets. Het bestaat wel, dat is zeker, de feiten zijn er, het lichaam wordt niet misleid; maar de zenuwen zijn aan dit onaangenaam gevoel gewend geraakt en beantwoorden er niet langer aan. De persoon “voelt het niet.” Werkelijk wordt de drager zoo aan dit gevoel gewend, dat het corset niet kan worden uitgelaten zonder dat hij er last van ondervindt. De zware [67]plooien van de das, stropdas en halsdoek, zooals de mannen vroeger droegen, de zware paardenharen pruik, de stijve hooge kraag van heden, het soort schoenen dat wij dragen, het zijn alle volmaakt bekende voorbeelden van de kracht der gewoonte bij het individu.

Dit is eveneens waar voor de gewoonten van een ras. Dat een koning moest regeeren, eenvoudig omdat hij geboren was, werd duizenden jaren als van zelf sprekend beschouwd. Dat de oudste zoon de titels en landgoederen moest erven, was een zelfde verschijnsel, evenmin in twijfel getrokken. Dat een schuldenaar in de gevangenis moest worden gezet en zoodoende heelemaal verhinderd werd om zijn schulden te betalen, was de wet. Zoo’n schandelijk kwaad als kettingslavernij was een onaangetaste maatschappelijke instelling uit de vroegste geschiedenis tot op onze dagen, onder de meest beschaafde natiën van de wereld. Zelfs Jezus merkte haar niet op. De afschuwelijke onrechtvaardigheid van de Christelijke kerk tegenover de Joden heeft vele eeuwen lang niemands aandacht getrokken. Dat de slaaf met den grond verkocht werd en de meester zich dien toeeigende, was in de middeleeuwen een van de grondslagen der maatschappij.

Men gewent op den duur zoowel aan sociale als aan individueele toestanden en dan worden zij niet meer opgemerkt. Dat is de reden waarom het zooveel gemakkelijker is de gebruiken van andere personen en van andere natiën te kritiseeren dan onze eigen. Het is tevens de reden waarom wij zoo gemakkelijk de aanvallen der kritiek kwalijk nemen en er de juistheid van ontkennen. Het is geen gevolg van eenige onrechtvaardigheid aan de eene zijde of onoprechtheid aan de andere, maar alleen een eenvoudige en nuttige natuurwet. De Engelschman die in Amerika komt, wordt in hooge mate getroffen [68]door de politieke verdorvenheid aldaar en met den ernstigen wensch zijn broeder te helpen, brengt hij hem dat onder ’t oog. Wat in zijn eigen land gebeurt ziet hij niet, omdat hij daaraan gewend raakte. De Amerikaan in Engeland vindt ook wel iets waartegen hij bezwaar heeft en vergeet dan ook niet om in gedachten vergelijkingen te maken met wat hij in eigen land zag.

Wanneer een toestand onder ons bestaat, die reeds aanving in die vroege tijden waarvan de overlevering zelfs niet spreekt, die in wisselenden graad bij elk volk op aarde aangetroffen wordt en die reeds bij de geboorte op het individu begint in te werken, dan zou het een wonder zijn dat alle begrip te boven gaat, indien menschen dien zouden opmerken. De sexueel-economische verhouding is zulk een toestand. Zij begon in de vroegste oudheid. Zij bestaat bij alle volken. Elke jongen en elk meisje is er in geboren, in opgevoed en moet er in leven. De vooruitgang der wereld in zaken als deze wordt verkregen door een langzaam en pijnlijk proces, maar een dat tot een goed einde leidt.

In den loop der maatschappelijke evolutie zijn er ontwikkelde individuen geweest, wier lichaamsgesteldheid niet passend kon worden gemaakt aan de bestaande toestanden, maar die organisch voor meer geavanceerde toestanden geschikt waren. Deze geavanceerde individuen reageeren in scherp en pijnlijk bewustzijn op de bestaande toestanden, en wat zij met hun helderziendheid opmerken, verkondigen zij luide. De geschiedenis der religieuse, politieke en sociale hervorming is vol van bekende voorbeelden hiervan. De ketter, de hervormer, de agitator voelt wat zijns gelijken niet voelen, ziet wat dezen niet zien, en natuurlijk, zegt wat zij niet zeggen. De groote massa van het volk houdt niet van het luid geschreeuw van deze onrustige geesten. In vroegere eeuwen werden [69]zij eenvoudig ter dood veroordeeld. Vooruitgang was langzaam en moeilijk in die dagen. Maar dit geweldig proces van uit-den-weg-ruimen ontwikkelde het soort van vooruitstrevende personen, die als martelaren bekend zijn, en deze merkwaardige sociologische wet openbaarde zich, dat de sterkte van een stroom van sociale kracht wordt vergroot door de opoffering van individuen, die bereid zijn voor de zaak te strijden en te sterven. “Het bloed der martelaren is het zaad der kerk.” Dit is tegenwoordig zoo algemeen bekend, ofschoon nog niet geformuleerd, dat de machthebbers aarzelen om te vervolgen, uit vrees dat zij ongewenschte ketterij in de hand werken. Men heeft bevonden dat een staatkunde van “vrije discussie” de meeste van de aanhoudende duwen en uitvallen van deze bewogen krachten doet voorbijgaan en tot een meer ordelijke uitwerking leidt. Onze groote anti-slavernij-beweging, de heldhaftige pogingen van de strijdsters voor “vrouwenrechten”, zijn nieuwe en krachtige bewijzen van deze waarneembare feiten: dat de massa van het volk bestaande toestanden niet opmerkt en dat zij niet veel houdt van hen die het wel doen. Dit is een van de voorname redenen waarom de sexueel-economische verhouding onopgemerkt onder ons heerscht en waarom eenige bespreking er van velen zoo onaangenaam is.

De andere wet van hersenwerking waardoor wij de algemeene waarheid niet zien is deze: het is gemakkelijker te personaliseeren dan te generaliseeren. Dit moet in de eerste plaats aan de wetten van verstands-ontwikkeling toegeschreven worden, doch wordt belangrijk versterkt door het verband met het hiervoren behandelde. De macht om op te merken en een persoonlijken indruk te onthouden bewijst een lageren graad van ontwikkeling, dan de macht om indrukken te klassificeeren en te ordenen en er algemeene gevolgtrekkingen uit te [70]maken. Er zijn wilden die zeggen kunnen “heet vuur”, “heete steen”, “heet water”, maar die niet zeggen kunnen “hitte”; dat kunnen zij niet denken. Evenzoo kunnen zij zeggen “goed mensch”, “goed mes”, “goed vleesch”, maar zij kunnen niet zeggen “goedheid”, omdat zij zich die niet denken kunnen. Zij hebben bepaalde voorbeelden opgemerkt, maar zijn niet in staat ze te ordenen, ze te generaliseeren. Eveneens worden in ons dagelijksch leven individueele voorbeelden van onrechtvaardigheid of wreedheid opgemerkt, lang voor dat de volksgeest in staat is te zien dat zij een gevolg zijn van een toestand en dat eerst de toestand veranderd moet worden, vóór dat de gevolgen verwijderd kunnen worden. Een slechte priester, een slechte koning, een slechte meester, waren reeds opgemerkt en scherp veroordeeld, lang voor men begon in te zien dat de monarchale toestand of de toestand der slavernij slechte vruchten moest dragen en, indien die vruchten ons niet smaakten, wij beter deden den boom te veranderen. Ieder slavenhouder zou toestemmen dat er onder de meesters voorbeelden waren van wreedheid, luiheid, trots, en onder de slaven voorbeelden van bedrog, vadsigheid, oneerlijkheid. De slavenhouder zag evenwel niet dat, gegeven de verhouding van kettingslavernij, dit onvermijdelijk deze gebreken moest voortbrengen en ook voortbracht, ondanks alle pogingen van het individu om ze te bestrijden. Het is gemakkelijk een individueel voorbeeld te zien. Het is moeilijker en vereischt een grooter verstands-ontwikkeling de algemeene oorzaak te zien. Wij, als een ras, hebben reeds lang den graad van algemeene ontwikkeling bereikt, die ons in staat moest stellen, breeder en wijzer over sociale vraagstukken te oordeelen; maar hier vertoont zich het ontaardings-effect [71]van de sexueel-economische verhouding.

De geslachts-verhouding is sterk persoonlijk. Al de functiën en verhoudingen die daaruit voortvloeien zijn sterk persoonlijk. De geest van “ik en mijn vrouw, mijn zoon Jan en zijn vrouw, wij met ons vieren en niet meer”, is de natuurlijke uiting van deze levensphase. Door de halve wereld tot deze ééne reeks van functiën te beperken, maakten wij ze tot absoluut persoonlijke functiën. En op den man, die uit de vrouw geboren wordt, door haar in deze zelfde atmospheer van geconcentreerde persoonlijkheid wordt groot gebracht, en er later een groot deel van zijn leven in doorbrengt, mist dit zijn uitwerking niet. Deze toestand leidt er toe om in onzen geest het persoonlijke te vergrooten en het algemeene te verkleinen, met de ons allen bekende gevolgen. De moeilijkheid om gezondheidswetten in te voeren, waar persoonlijk gemak aan de algemeene veiligheid moet opgeofferd worden, de grootte van het persoonlijk bezwaar tegenover het algemeen belang, de noodzakelijkheid van “alles tehuisgebracht te moeten hebben”, welke elken stap van openbaren vooruitgang in den weg staat en ons boos antwoord wanneer het “ons tehuisgebracht is”, zijn bekende waarheden. Voor zoover een vergelijking mogelijk is, zijn vrouwen in dezen zin persoonlijker dan mannen, meer persoonlijk gevoelig, minder bereid om “in ’t gelid te staan” en “mee te keeren”, minder in staat om in te zien waarom eene algemeene beperking juist is, wanneer die haar of haar kinderen raakt. Dit is natuurlijk genoeg, onvermijdelijk genoeg en wordt hier dan ook alleen aangehaald, omdat het voor een deel verklaart, waarom de menschen de algemeene feiten van onzen overseksten toestand niet zien. Toch zijn zij overal duidelijk zichtbaar en niet alleen duidelijk zichtbaar, maar zij doen pijnlijk aan. Wij merken ze niet op, omdat wij er aan [72]gewend zijn, of worden wij gedwongen ze op te merken, dan schrijven wij de pijn die wij ondervinden toe aan het slechte gedrag van een of ander individu en denken er nooit aan dat ze een gevolg zijn van een toestand die ons allen eigen is.

Indien wij onder ons een toestand hebben als gezegd is—een staat van ziekelijke en overdreven geslachtsontwikkeling,—dan moet zich die natuurlijk dagelijks op duizenden wijzen openbaren. De gedachtelooze, die van zulk een openbaring niets heeft opgemerkt, besluit dat er niets van dien aard bestaat en ontkent alzoo den hier besproken toestand; zegt dat het heel waar klinkt, maar dat hij er nergens een bewijs van gevonden heeft! Nu bedenke men wel dat, indien zulk een bewijs bestaat, dit in het gewone leven natuurlijk het gevolg zou zijn van een abnormaal geslachts-kenmerk; het kwaad zoo algemeen en voortdurend zou voorkomen, dat het onopgemerkt bleef. Wanneer onze aandacht er dan op gevestigd wordt, zien wij het alleen als iets van persoonlijken aard. Laat ons ondanks deze hindernissen zien, of de zichtbare gevolgen onder ons niet zoo zijn als uit zulk een oorzaak moet volgen en laat ons ze voornamelijk zoeken in de verschijnselen van het dagelijksche leven, zooals wij het kennen, en niet in de dieper liggende sexueele en sociale gevolgen.

Een concreet voorbeeld, algemeen bekend en met ongeloofelijk slechte gevolgen, is het gedrag der moeder tegenover haar kinderen ten opzichte van de geslachts-verhouding. Op weinig uitzonderingen na, geeft de moeder haar dochter geen waarschuwing voor of inlichting omtrent hetgeen het leven voor haar inhoudt en laat zoo onschuld en onwetendheid oorzaak worden van eeuwigdurende ziekte, zonde en smart, vele generaties door. Een normaal moederschap behoedt zijn jongen wijs en [73]waarachtig voor gevaar. Een abnormaal moederschap, overbang en minder wijs, vertelt het kind niets van zijn leed en levert het ongewapend aan het ergste kwaad over. Millioenen en millioenen weten dit. Maar slechts sedert kort denken wij er aan het openlijk te bespreken. Wij zien echter nog niet dat het niet de fout is van de individueele moeder, maar van haar economischen staat. Onze abnormale geslachtsontwikkeling is oorzaak dat deze geheele zaak een soort van misdaad geworden is,—iets wat geheim gehouden en ontkend moet worden, iets wat men voorbijgaat zonder opmerking of verklaring. Van daar deze dwaze tegenstrijdigheid dat moeders zich schamen over het moederschap; dat zij niet in staat zijn het te verklaren en,—vergeet dit niet,—haar kinderen voorliegen over het ontstaan van leven,—moeders die liegen tegen haar eigen kinderen over het moederschap!

De drang waaronder dit geschiedt is een economische. Het meisje moet trouwen, hoe zou zij anders leven? De toekomstige echtgenoot geeft de voorkeur aan een meisje dat niets weet. Hij is de markt, de vraag. Zij is het aanbod. En met de beste bedoelingen dient de moeder het economisch voordeel van het kind, door haar voor de markt geschikt te maken. Dit is een uitstekend voorbeeld. Het is bekend. Het getuigt van de slechte verhouding. Het is geheel uit onze sexueel-economische verhouding te verklaren.

Een ander voorbeeld van zoo’n grof onrechtvaardig, zoo’n voelbaar, zoo’n algemeen kwaad, dat het zelfs nu en dan met eenig protest ons slaperig geweten heeft doen ontwaken is dit: dat men de vrouw dwingt te huwen. Zooals reeds werd opgemerkt is voor het jonge meisje het huwelijk de eenige weg tot fortuin, tot het leven. Zij werd geboren in hooge mate aangelegd als [74]vrouw, zij werd zorgvuldig opgevoed en geoefend om op alle wijzen haar geslachts-beperkingen en geslachts-voordeelen te realiseeren. Wat zij zelfs als kind kan verkrijgen wordt voor een groot deel veroverd door vrouwelijke trekjes en bekoorlijkheden. Haar lectuur, zoowel geschiedenis als romans, schetst de positie der vrouwen evenzoo, terwijl de dichter en novellist haar meer bepaald op den voorgrond brengen. Schilderkunst, muziek, tooneelspeelkunst, maatschappij, alles vertelt haar dat zij is ”zij” en dat alles er van afhangt met wien zij trouwt. Waar jongens plannen maken wat zij zullen worden en verkrijgen, daar maken meisjes plannen wie zij zullen worden en verkrijgen. Kleine Ellie in haar zwanennest tusschen het riet is een bekende illustratie. Zij maakt haar plannen voor den minnaar op het bruine strijdros. Het is Lancelot die door het struikgewas rijdt om de Prinses van haar weefstoel te halen: ”hij”, is de komende wereld.

Met vooruitzichten als deze; met een lichaamsgestel dat voor dit doel speciaal ontwikkeld wordt; met een opvoeding die het natuurlijk instinkt nog versterkt door voorschrift en voorbeeld, door wijsheid en deugd; met een maatschappelijke omgeving die er geheel op ingericht is om het meisje een kans te geven om te zien en gezien te worden en haar “gelegenheid” te verschaffen; en met den geheelen druk van persoonlijk voordeel en eigen-belang gevoegd bij geslachts-instinkt,—kon men logisch verwachten in een maatschappij te leven, vol van wanhopige en begeerige mannenjaagsters, zonder dat iemand er aanstoot aan nam.

Toch is dit niet het geval! Het huwelijk is het eigen gebied der vrouw, haar heilig aangewezen plaats, haar natuurlijke bestemming. Zij wordt er voor geboren; zij wordt er voor opgevoed, zij wordt er voor tentoongesteld. [75]Meer nog, het is haar middel voor een eerlijk levensbestaan en om vooruit te komen. Maar—zij mag zelfs niet kijken alsof zij het wenscht. Zij mag er haar hand niet voor omdraaien. Zij moet lijdelijk zitten wachten, zelfs wanneer haar lentejaren voorbijgaan en haar “kansen” met elk jaar verminderen. Denk eens aan den zielsangst van een fijngevoelig zenuwachtig organisme, zoo sterk naar iets te verlangen, de mogelijkheid om het te krijgen elk jaar minder en minder te zien worden en dan ook niet één stap te mogen doen om het te bemachtigen. Dit moet zij met waardigheid en lieftalligheid tot het einde toe volhouden.

Tot welk einde? Zoo zij er niet in slaagt gekozen te worden, dan wordt zij op het einde een ding van medelijdende geringschatting, een menschelijk wezen zonder plaats in het leven, behalve misschien als een aanhangsel, een afhankelijke van meer gefortuneerde familieleden, een oude vrijster. De openlijke geringschatting en bespotting waarmede ongehuwde vrouwen gewoon zijn behandeld te worden, vermindert elk jaar, naarmate zij in economische onafhankelijkheid vooruitgaan. Maar het is nog niet zoo lang geleden dat het bekende spreekwoord “oude vrijsters zijn vaatjes zuur bier” algemeen in gebruik was; dat afgewezen minnaars heengingen met het dreigend argument “dat zij wel eens de laatste vrager konden zijn”; dat de hopelooze juffer in het bosch bad om een man, en toen de uil vroeg: “Wie? wie?” riep: “Iemand, goede God!” Er bestaat nog steeds een vroolijk liedje, dat vertelt van de “Drie oude vrijsters van Lynn”: “toen zij kenden wilden zij niet en toen zij wilden konden zij niet.”

De wreede en absurde onrechtvaardigheid om het meisje te laken, omdat zij niet bemachtigen kon, wat zij niet mocht trachten te verkrijgen, schijnt onverklaarbaar; maar het wordt verklaarbaar zoodra wij het beschouwen [76]in verband met de sexueel-economische verhouding. Ofschoon het huwelijk een middel is tot levensonderhoud, is het toch geen eerbaar beroep, waarbij men zijn werk zonder schaamte kan aanbieden; maar een verhouding, waarbij het onderhoud dadelijk en gedwongen door de wet wordt verstrekt ter vergelding van de functioneele diensten der vrouw, “de plichten van vrouw en moeder.” Daarom kan geen eerbare vrouw er om vragen. Het komt niet alleen doordat het natuurlijk vrouwelijk instinkt zich wil terughouden en dat van den man zich wil opdringen, maar omdat het huwelijk beteekent onderhoud, en een vrouw een man niet kan vragen om haar te onderhouden. Het is een economische bedelarij zoo wel als een valsche houding uit een geslachtelijk oogpunt.

Let eens op de vernuftige wreedheid van de regeling. Het is even menschelijk natuurlijk voor een vrouw om rijkdom te begeeren als voor een man. Maar waar haar rijkdom moet komen door hetzelfde kanaal als haar liefde, mag zij er wegens haar geslachts-aard en wegens beroeps-eer niet om vragen. Van daar de millioenen mislukte huwelijken met “Iemand, goede God!” Vandaar de millioenen gebroken harten die het geheele leven moesten laten voorbijgaan, niet in staat zelfs om een poging te doen het te doen stil staan. Van daar de vele oude tantes, oude zusters en dochters, alleen loopende vrouwen overal, die een last zijn voor hare mannelijke familiebetrekkingen en voor de maatschappij tevens. Dit wordt nu gelukkig beter, doch het verandert alleen door de vordering in economische onafhankelijkheid der vrouwen. Een “ongehuwde vrouw” is thans heel iets anders dan een “oude vrijster”.

Zie hier de verklaring van de Andromeda-figuur der jonge vouw die misschien-had-kunnen-trouwen, en voor de bespotting en het verwijt waaraan zij bloot staat. Zoolang [77]de vrouwen alleen als geslachts-wezens beschouwd worden, zelfs door de vrouwen onderling; zoolang nog alles gedaan wordt om de macht van geslachts-attractie te vergrooten; zoolang zij hoofdzakelijk op dien grond huwbaar bevonden worden, tenzij er een “fortuin” naast haar bekoorlijkheden geplaatst wordt; zóólang zal niet-getrouwd-zijn beschouwd worden als gemis aan attractie, gemis aan geslachts-waarde. Zoolang zij geen andere waarde hebben, dan alleen om ondergeschikt huiswerk te doen, zijn zij heel natuurlijk weinig in tel. Voor wat deugt zoo’n schepsel, dat het doel waarvoor het geboren is gemist heeft? Zoo’n geslachtloos ding ondervindt de geringschatting van man en vrouw tegelijk; het is een menschelijk misbaksel.

Om die reden is het niet vreemd, ofschoon het even juist als treurig is, dat in het leven der vrouwen dit lange hoofdstuk van geduldig, stil, bitter lijden voorkomt, en evenmin is het vreemd de publieke opinie duidelijk en bestendig te zien veranderen, naar mate de vrouwen ook andere hoedanigheden ontwikkelen buiten en behalve die betreffende het geslachtsleven. Nu zij zoowel mensch is als vrouw, een economische positie in de maatschappij bekleedt, wordt zij verwelkomd en aangenomen als een menschelijk wezen en behoeft niet meer te trouwen met den eersten den besten man voor haar boterham. De reactie in dezen is zelfs zoo sterk, dat er heden een kleine groep vrouwen is die niet verkiezen te trouwen, omdat zij, “haar onafhankelijkheid”, haar pas-geboren, zwaar-verdiende, duur-gekochte onafhankelijkheid niet willen prijs geven. Dat eenig levende vrouw haar onafhankelijkheid verkiest boven een tehuis en een man, boven liefde en moederschap, werpt een schel licht op hetgeen vrouwen vroeger moeten hebben geleden door gemis aan vrijheid. [78]

Dat deze neiging algemeen zal worden behoeft men evenwel niet te vreezen. Zij is een zuivere reactie, die zeer natuurlijk is. Zij zal even natuurlijk verdwijnen als de vrouwen meer en meer onafhankelijk worden, wanneer het huwelijk niet meer de vrijheid kost. Dat men vreest dat vrouwen in het algemeen, eens geheel onafhankelijk, niet zullen trouwen, bewijst hoe goed het bekend was dat afhankelijkheid alleen de vrouwen dwong tot een huwelijk, zooals dit was. Noch lokaas, noch straf zal er noodig zijn om de vrouwen te dwingen tot een waar huwelijk met onafhankelijkheid.

Het is zeer interessant langs dezen weg den voortdurenden strijd op te merken tusschen natuurlijk instinkt en natuurwet, tusschen sociale gewoonten en sociale wetten, ons geheel opwaarts leven door. Met de natuurlijke functiën en het geslachts-instinkt beginnende, vervult de vrouw die haar hooge positie als kiezende uit de beste onder de wedijverende mannen hoog houdt, de schoone taak om het ras door een goed huwelijk te verbeteren. Het gevoel waardoor dit tot stand komt, wordt fijner naarmate wij beschaafder worden en ontwikkelt zich in die breede, diepe, ware, duurzame liefde, welke het hoogste goed is voor elk individu. Dezen stroom volgende, hebben wij altijd “ware liefde” vereerd en bewonderd, en van de vroegste tijden af vloeiden de romans over van lof voor de prinses die haar page of haar gevangene huwde, de teeltkeus in de vrouw vereerende, die den “rechten man” om bestwil koos. Hier tegen in druischt een sterke stroom van tegenovergestelde richting, die uitloopt in “het conventioneele huwelijk”, iets wat de wereld altijd innerlijk gehaat heeft. De jonge Lochinvar is voor niets geen eeuwigdurende held. Het gepersonifieerde type van een groote sociale waarheid kan zeker zijn van een lang leven. De [79]arme jonge held, mooi, moedig, goed, maar omringd van moeilijkheden, wordt altijd geplaatst tegenover den slechten man met rijkdom en macht. De vrouw weifelt dan tusschen die twee en tegen het einde wint de arme held het. Dat hij dan ten slotte met rijkdom en eer overladen wordt, beteekent niets anders, dan onze erkenning dat hij het meest waard is. Dit is beter dan een zonnemythe. Het is een rasmythe, die waar is als waarheid.

Het bestaat zoo nog in het hedendaagsche leven, maar eindeloos bewerkt en door overvloedige bijzonderheden verzwakt, zooals de aard van het leven het nu medebrengt. Het meisje dat den ouden rijken man huwt of den adellijken losbol, wordt door de publieke opinie veroordeeld; het meisje dat den armen jongen man huwt en haar best doet om hem door het leven te helpen, wordt geprezen door denzelfden grooten scheidsrechter. Maar waarom zouden wij het meisje verwijten dat zij haar roeping najaagt? Zoolang het huwelijk haar eenige weg is om geld te verdienen, waarom mag zij dan niet trachten langs dien weg geld te verkrijgen? Waarom wordt het gewicht van het geheele eigen-belang bij de practische uitvoering zoo krachtig geslingerd tegen het geslachts-belang van individu en ras? Het gekochte huwelijk is een volkomen natuurlijke consequentie van de economische afhankelijkheid der vrouw.

Neem aan den anderen kant eens het gevolg van deze afhankelijkheid waar op de mannen. Wanneer het overdreven geslachts-kenmerk en de economische afhankelijkheid der vrouwen toeneemt, dan neemt tegelijkertijd de kans om te huwen af en de moeilijkheid van het huwelijk toe; het huwelijk wordt dan uitgesteld en vermeden, wat voor beide geslachten en voor de maatschappij tevens een direct nadeel is. In eenvoudiger verhoudingen op het land, waar vrouwen een persoonlijke waarde [80]in de economische verhouding vertegenwoordigen, even goed als een vrouwelijke waarde in de geslachts-verhouding, is een vroeg huwelijk een voordeel. De jonge boer krijgt een voordeelige meid als hij trouwt. De jonge handelsman krijgt niets van dien aard,—een aardig meisje, een mooi vrouwtje, gereed voor het huwelijk en het moederschap, zoo lang haar gezondheid het toelaat,—maar hoegenaamd geen economische waarde hebbende. Zij is alleen een verbruikster, en hij moet wachten tot hij genoeg verdient, om te kunnen trouwen. Dit zijn overal dikwijls voorkomende voorbeelden, ons allen bekend, van de tastbare gevolgen van onze sexueel-economische verhouding in het gewone leven.

Indien er in het menschelijk leven een kwaad bestaat dat in elk opzicht slecht is, dan is het zonder twijfel dat, hetwelk bekend is onder den populairen naam van “een noodzakelijk kwaad”, en dat bestaat in gemengde en tijdelijke geslachts-verhoudingen. Het inherente kwaad in deze verhoudingen is een sociologisch kwaad, eer nog dan een wettig of zedelijk kwaad. Indien het zedelijkheidsgevoel iets als slecht erkent, moet het van den beginne af slecht geweest zijn. Iets is niet slecht alleen omdat het zoo genoemd wordt. De slechtheid van dezen vorm van geslachts-verhouding in een beschaafde maatschappij rust stevig op natuurwetten. Met de steeds verbeterde middelen om de soort voort te planten ontwikkelde zich tevens een langere periode van kindsheid. Deze langere periode van kindsheid vereischte langere zorg en overeenkomstig daarmede kwam men tot het inzicht dat de beste zorg gedurende dezen tijd door beide ouders werd gegeven. Dit gaf aanleiding tot eene duurzamere paring. En de duurzamere paring bond de ouders te zamen door gezamenlijke belangen en plichten, ontwikkelde in hen door het gebruik hooger geestelijke hoedanigheden, en door overerving [81]gingen deze op de kinderen over. Daarom heeft de maatschappij het recht om van de haar samenstellende individuen de deugd der kuischheid, de heiligheid van het huwelijk te eischen. De maatschappij heeft hierop volkomen recht, want de sociale evolutie is een even natuurlijk proces als de individueele evolutie, en de bestendige bond der ouders is gebleken een voordeel voor de maatschappij te zijn. Maar de sociale evolutie, diep, onbewust, langzaam en de zelfbewuste, over-sekste leden der maatschappij zijn twee verschillende zaken.

De natuurwetten hebben er krachtig toe medegewerkt in het menschelijk ras zuivere, langdurige, monogame huwelijken te ontwikkelen. Maar onze bijzondere regeling om het eene geslacht door het andere te laten voeden, heeft getracht geheel iets anders tot stand te brengen en is daarin geslaagd. In geen andere diersoort is het vrouwtje economisch afhankelijk van het mannetje. In geen andere diersoort is de geslachts-gemeenschap te koop, een overeenkomst. Waar aan de eene zijde elke levensomstandigheid neigt om in de vrouw het geslacht te doen uitkomen, om de macht en den wensch naar economische productie en ruil te vernietigen en de eeuwenoude gewoonte te ontwikkelen alle aardsche goederen in een mannenhand te zoeken en daarvoor slechts één ding terug te geven; waar aan de andere zijde de man buitensporige geslachts-drift erft en nimmer voor het toegeven daaraan berispt wordt, en waar hij ook de eeuwenoude gewoonte ontwikkelt om alles wat hij wenscht van vrouwen te nemen, voor wier hulpelooze berusting hij een economische belooning teruggeeft, wat moest daarvan het natuurlijk gevolg zijn? Immers juist wat gevolgd is. Wij leven in een wereld van wetten en de menschheid maakt daarop geen uitzondering. Wij hebben een zeker percentage vrouwen voortgebracht met [82]geëvenredigde geslachts-drift en buitensporige begeerte naar stoffelijk voordeel. Wij hebben een zeker percentage mannen voortgebracht met buitensporige geslachts-drift en een grootmoedige bereidwilligheid om voor hun geslachts-bevrediging te betalen. Aangezien het percentage van zulke mannen grooter is dan dat van zulke vrouwen, hebben wij zeer slechte methoden uitgedacht om aan de vraag te voldoen. Het gezonde deel der maatschappij wist altijd wel dat die methoden slecht waren, slecht in de gevolgen voor het ras, de bron van al het kwaad. In deze mannenwereld is het heel begrijpelijk dat de vrouw alleen de schuld kreeg van hun wederzijdsch misdrijf. Daarvoor bestaat ook wel een reden. Hoe slecht de man ook is, hij zoekt alleen een bevrediging die natuurlijk is in soort, ofschoon abnormaal in graad. De vrouw doet dit in sommige gevallen ook, maar in de meeste gevallen toont zij het scheeve der verhouding door het voor geld te doen, een physisch bedrog, een zonde tegen de natuur.

Het zuiver instinkt komt in opstand tegen een broodwinning door gebruik der geslachtsfunctiën. Maar waarom zijn wij er dan tevreden mede, zoodra zij geschiedt in het huwelijk? Wettig en godsdienstig kunnen wij zeggen dat zij juist is, maar de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de betrokken paren en voor de maatschappij in haar geheel, zijn slecht. De physische en psychische gevolgen zijn verkeerd, ofschoon gewijzigd door onze meening dat zij goed zijn. De physische en psychische gevolgen van de prostitutie waren ook verkeerd, toen de jonge Babylonische meisjes door zich te prostitueeren hun bruidschat verdienden in den tempel van Bela en meenden dat zij daaraan geen kwaad deden. Het zedelijk karakter van een daad die wij doen, verandert in ons bewustzijn door hetgeen wij denken en gevoelen, [83]maar de daaruit voortspruitende gevolgen blijven dezelfde. De economische afhankelijkheid van vrouwen van de geslachts-verhouding rechtvaardigen wij en keuren wij goed in het huwelijk. Buiten het huwelijk veroordeelen wij haar zonder voorbehoud. Wij volgen met onze verachting en beschuldigingen tot zelfs aan de huwelijkspoort—de verkochte bruid, maar van de verkochte vrouw, die de zakken van haar man ’s nachts ledigt, denken wij geen kwaad. Het huwelijk maakt alles heilig, zeggen wij; liefde moet er mede gepaard gaan.

Liefde ging echter nog nimmer met eigenbelang samen. De grootste tegenstrijdigheid bestaat tusschen deze beide; zij zijn lijnrecht tegenovergestelde krachten. In het schoone evolutie-proces vinden wij voortdurend oppositie tusschen het instinkt en het proces van zelf-behoud en tusschen het instinkt en het proces van ras-behoud. Van die beginnende vormen, waar nieuw leven dood ten gevolge heeft, zooals in de bloeiende aloë of bij de ééndaagsche meivlieg, tot op de hoogste glorie van zelf-opofferende liefde, werken deze twee machten elkander tegen. Wij hebben ze te zamen gebonden. Wij hebben de vrouw, de moeder,—de ware bron van opoffering door liefde,—er toe gebracht om winst te maken uit liefde, een afzichtelijke paradox. Het is geen wonder dat ons dagelijksch leven van in ’t oogloopende gebreken door dezen onnatuurlijken stand van zaken vol is. Geen wonder dat de menschen zich met walging afkeeren van het soort vrouwen dat zij gemaakt hebben. [84]

VI

De eigenaardige vereeniging van functiën welke wij bestudeeren, heeft niet alleen een onmiddellijk gevolg op individuen door geslachts-handelingen en door de geslachtelijk-beheerschte individuen op de maatschappij, maar oefent evenzeer invloed uit op de maatschappij door economische handelingen en door de economisch beïnvloede maatschappij op het individu.

Door dit vraagstuk uit een economisch oogpunt te beschouwen, wordt het tegenwoordig duidelijk dat niet alleen onze eigen gezondheid en geluk en het voortplantingsproces er mede gemoeid zijn, maar eveneens de algemeene gezondheid en het algemeene geluk en het verloop der sociaal economische ontwikkeling. Nu de maatschappij in deze eeuw tegenover de ingrijpendste economische vraagstukken geplaatst wordt, hebben wij behoefte aan een duidelijk begrip van de factoren die daarop inwerken. Deze vraagstukken zijn nagenoeg geheel sociaal, meer nog dan physisch en betreffen niet de vraag of een bepaalde maatschappij in staat is om genoeg welvaart voort te kunnen brengen en te kunnen verdeelen om in haar onderhoud te voorzien, maar zij betreffen eenige slecht geregelde inwendige processen, die de voortbrenging en verdeeling belemmeren en die zulke ongeregelde en ziekelijke uitkomsten van niet-gevoed zijn, slecht-gevoed zijn en overvoeding opleveren, dat voortdurend de gezondheid en werkzaamheid van het sociale organisme daardoor benadeeld wordt. De moeilijkheid voor ons is niet om welvaart uit den grond te halen, [85]maar om die elkander afhandig te maken. In de ontwikkeling der sociaal-economische verhoudingen doen zich verschijnselen voor, die analoog zijn met die welke onze ontwikkeling in de geslachts-verhouding vergezellen.

Toen de maatschappij nog in den primitieven toestand verkeerde en het menschelijk dier in zijn oorspronkelijken staat, toen waren de economische processen van zuiver individueelen aard. De hoeveelheid voedsel die ieder mensch verkreeg stond in rechtstreeksche verhouding tot zijn persoonlijke inspanning. Andere menschen waren voor hem zuiver ongewenschte mededingers naar dezelfde goederen, en hoe geringer hun aantal, hoe meer goederen er voor hem overbleven. Daarom doodde hij zooveel van zijn mededingers als mogelijk was. Gegeven een zekere hoeveelheid benoodigd voedsel, zooals de eetbare beesten of vruchten in een bosch en een zeker aantal individuen, die door eigen inspanning dit voedsel bemachtigen moesten, dan volgt daaruit, dat hoe grooter het aantal individuen, hoe geringer de hoeveelheid voedsel is die door elk van hen verkregen kon worden; en omgekeerd, hoe kleiner het aantal individuen, hoe meer voedsel door ieder verkregen kon worden. De oorspronkelijke wilde versloeg daarom zijn makker op het eerste gezicht op goede economische gronden. Dit is de individueele concurrentie tot het uiterste doorgedreven, doch volkomen logisch en in haar tijd economisch te rechtvaardigen. Die tijd is voor altijd voorbij. De grondslag van het menschelijk leven is vereeniging; de organische sociale verhouding; de onderlinge ruil van functioneele diensten, waarbij het individu het meeste voordeel heeft, is niet inspanning alleen voor eigen goederen, maar de ruil van zijn inspanning met de inspanning van anderen voor goederen door hen te zamen voortgebracht. Het ligt niet in mijne bedoeling hier eene communistische theorie te verdedigen, [86]met gelijke verdeeling der voortgebrachte welvaart, maar om een eenvoudige waarheid in sociale economie te constateeren, dat rijkdom een maatschappelijk product is. Welke meening men ook is toegedaan omtrent de verdeeling der goederen, niemand kan loochenen dat de voortbrenging dier goederen, de vereenigde werkkracht van vele individuen vereischt. Van de eenvoudigste krachtvereeniging die menschen in staat stelt den mammoet te overwinnen of den steen te lichten, wat één alleen nooit had kunnen volbrengen, tot den fijn uitgesponnen en ingewikkelden onderlingen ruil in de verst doorgevoerde verdeeling van arbeid, waardoor het mogelijk wordt een modern huis te bouwen, rust de vooruitgang der maatschappij op toenemende samenwerking van de verschillende werkkrachten.

De evolutie van het organisch leven volgt een meetkundige reeks; cellen vereenigen zich en vormen organen; organen vereenigen zich en vormen organismen; organismen vereenigen zich en vormen organisatiën. De maatschappij is een organisatie. De maatschappij is de vierde macht van de cel. Zij is samengesteld uit individueele dieren van het geslacht mensch, die in organische betrekking tot elkander staan. In het verloop der sociale evolutie komt de organische verhouding tusschen de individuen langzamerhand tot stand en deze organische verhouding berust op zuiver economische gronden. In de eenvoudigste samenvoeging van de oorspronkelijke cellen was het de kracht der economische noodzakelijkheid die hen te zamen dreef en te zamen hield. Het was een voordeel voor hen om vereenigd te leven. Die het deden bleven bestaan en die het niet deden gingen te niet. Dit geschiedde eveneens bij de verschijning der meest samengestelde organismen, het was een voordeel voor hen om een complex van leden en organen te [87]vormen in ondeelbare verhouding. Een zoo opgebouwd lichaam blijft bestaan, terwijl dezelfde massa ongeorganiseerde levensstof verdwenen zou zijn. En zoo gaat het letterlijk en precies in een samengestelde maatschappij, met al haar nauwkeurige specialiseering van individuen in kunsten en ambachten, handel en beroepen. Een zoo samengestelde maatschappij blijft bestaan, terwijl hetzelfde aantal levende ongeorganiseerde wezens zou verdwijnen. De verdeeling van arbeid en de ruil der producten in een maatschappelijk lichaam is in wezen identiek met de verdeeling en ruil van functiën in het lichaam van het individu. Volgens den geregelden loop der evolutie sluit dit proces in zich, dat de individueele inspanning voor het individueele welzijn langzamerhand ondergeschikt moet worden aan de collectieve inspanning voor het collectief welzijn, niet uit een zoogenaamd altruïsme, maar uit economische noodzakelijkheid voortspruitende. Het is voor het bestaan der maatschappij even noodzakelijk het leven zoo in te richten dat de individueele burgers samenwerken voor het sociale welzijn, als het voor het menschelijk lichaam noodzakelijk is dat handen en voeten, tanden en oogen, hart en longen samenwerken voor het individueel welzijn. De maatschappelijke evolutie leidt naar een toenemende verdeeling van functiën en naar een toenemende onderlinge afhankelijkheid van de samenstellende leden, met een wederkeerige afneming, door onbruikbaarheid, van den eens zoo waardevollen individueelen strijd voor het bestaan. Dit is gebaseerd zoowel op het individueele voordeel als op dat van de maatschappij.

Doch wanneer wij dit ontwikkelingsproces bestudeeren en met bewondering de progressieve veranderingen in de menschelijke verhouding opmerken, de nieuwe functiën, de uitgestrekte structuur, het toenemende [88]gevoel voor de medeburgers met hunne talrijke gelegenheden voor pleizier en gezonde gevoeligheid voor pijn, dan worden wij getroffen door de zichtbare aanwezigheid van de een of andere tegenwerkende macht, die de normale ontwikkeling belemmert en de nadeeligste uitkomsten oplevert. Even als wij in onzen geregelden voortgang in geslachts-ontwikkeling belemmerd worden door verouderde impulsiën, die door valsche toestanden kunstmatig gehandhaafd worden, evenzoo zien wij in onzen geregelden voortgang in sociaal-economische ontwikkeling dit zelfde dwaze bestaan blijven van rudimentaire aandriften, die wij reeds lang gemakkelijk te boven hadden moeten zijn. Het is nu niet meer voordeelig voor iemand om te strijden voor eigen voordeel ten koste van anderen: zijn voordeel vereischt nu de gecoördineerde inspanningen van die anderen; toch blijft hij zoo voortstrijden.

In dit gebrek om overeenstemming te brengen tusschen de individueele en maatschappelijke belangen, liggen onze economische moeilijkheden. Dit kan men zien in fabrieken van bereide voedingsmiddelen. Dit werk kan onmogelijk door een enkel persoon gedaan worden, terwijl het in samenwerking zeer voordeelig is voor het individu;—een geheel natuurlijk economisch proces, voordeelig in verhouding tot de hoeveelheid en hoedanigheid van het bereide voedsel. Wij vinden echter steeds dat de producten van dezen arbeid verdund en vervalscht worden, ten nadeele van de maatschappij en ten voordeele van een enkel persoon, den fabrikant. Het is alsof een van de organen van ons lichaam,—de lever bijvoorbeeld,—haar aandeel in de afscheiding opzettelijk zou verzwakken of vergiftigen, opdat door minder te geven er meer voor haar kon overblijven en zij groot en vet kon worden. Een orgaan kan zoo iets doen, doet het zoo nu en dan, [89]maar dat is een ziekelijke werking, die ziekte veroorzaakt. Het lichaam wordt dan benadeeld, verzwakt, verwoest en daardoor gaat ten slotte het orgaan ook te gronde. Het is een valsch begrip van voordeel, en de valschheid ligt in de niet-erkenning van de ware verhouding tusschen individueele en sociale belangen. Dit niet-erkennen of ten minste handelen alsof wij de sociale belangen niet kenden, door de individueele belangen meer te doen gelden, is de aanleidende oorzaak van onzen economischen tegenspoed. Daar de maatschappij uit individuen is samengesteld, moeten wij hun onze aandacht wijden om de oorzaak van deze ziekelijke maatschappelijke processen op te sporen, en aangezien de individuen handelen onder den druk van omstandigheden, moeten wij zien welke omstandigheden op de individuen invloed uitoefenen om die werking te veroorzaken.

In het algemeen ontwikkelen zich de menschen onder maatschappelijke wetten in goede richting, maar de een of andere geheimzinnige oorzaak schijnt hen telkens in een verkeerde richting te sturen. In de sexueel-economische verhouding ligt deze geheimzinnige oorzaak voor ons. Stonden wij nog op den individueel-economischen grondslag, dan zou de slechte invloed daarvan niet zulke ernstige ziekelijke gevolgen hebben gehad, maar nu wij in de sociaal-economische verhouding groeien, nemen de nadeelen met onze beschaving toe. De geslachts-verhouding is van het begin tot het einde individueel. Zij is een lichamelijke verhouding tusschen individueele lichamen. Omdat zij zich ook kan uitstrekken tot een geestelijke verhouding tusschen individueele geesten, daarom wordt zij nog geen sociale verhouding, hoewel zij haar persoonlijke ontwikkeling naar de sociale behoeften wijzigt.

De geslachts-verhouding is in haar geheele wezen en in [90]haar gevolgen persoonlijk, zij werkt door individuen op individuen en ontwikkelt tot groot voordeel van de maatschappij individueele karaktertrekken en bijzonderheden. De hoedanigheden die zich door de sociale verhouding ontwikkelen, worden door de geslachts-verhouding in het ras opgenomen, maar de geslachts-verhouding zelf is geheel persoonlijk. Daarentegen is onze economische verhouding, ofschoon oorspronkelijk individueel, door de sociale evolutie in steeds toenemende mate collectief geworden. Door nu de menschelijke geslachts-verhouding te vereenigen met de menschelijke economische verhouding, hebben wij een bestendig-individueel proces met een voortgaand-collectief proces vereenigd. Dit verschaft beiden een kracht, toenemende in directe verhouding tot onze socialisatie, en waar zulke onvereenigbare krachten op het sociale organisme inwerken, moet het ten slotte ondergaan.

Deze combinatie heeft, zooals reeds werd opgemerkt, op de geslachts-verhouding der individuen haar invloed uitgeoefend door er een neiging tot collectivisme met economisch voordeel in te brengen, zooals bij de prostitutie, kenmerkend voor ons ras, het best blijkt. Anderzijds heeft het op de economische verhouding der maatschappij haar invloed uitgeoefend, door er een neiging tot individualisme met geslachts-voordeel in te brengen, het best aangetoond in het veelvuldig opofferen van het algemeen welzijn aan persoonlijk voordeel, opdat het individu daardoor “zijn gezin kan onderhouden.” Wij zijn zoo gewend om het als een eersten plicht van een man te beschouwen om “zijn gezin te onderhouden”, dat wij een zeer sprekend voorbeeld van omkoopbaarheid en verdorvenheid noodig hebben om onze overtuiging in dezen aan het wankelen te brengen; maar als een sociologische wet wordt ieder stadium van de laagheid om den [91]publieken dienst tot een persoonlijk voordeel te maken, van de degradatie van den artist tot de exploitatie van den hulpeloozen onbekwamen werkman, als een ziekelijke maatschappelijke handeling gekenmerkt. Onze maatschappij moet gebaseerd zijn op onze algemeene toestemming, algemeen handelen, algemeene onderwerping aan den algemeenen wil.

Geen individueele belangen kunnen ook maar voor een oogenblik tegenover de belangen van het algemeen welzijn staan, zelfs niet wanneer de oorlog het laatste offer van persoonlijk bezit of het leven eischt, of wanneer de vrede de volkomen onderwerping vereischt aan de wet, de vastgestelde uitspraak van den volkswil. Het handhaven van “wet en orde” sluit den waren socialen geest in,—het opgaan van persoonlijk belang in het algemeen belang. Dit alles berust op de ontwikkeling van den maatschappelijken geest, het scherpe gevoel voor den maatschappelijken plicht, het nauwgezet volbrengen van den maatschappelijken dienst. Hier treedt het overdreven individualisme dat door onze sexueel-economische verhouding gehandhaafd wordt, als een sterke en toenemende nadeelige sociale factor op. Wij hebben zwakjes erkend dat het samengaan van de geslachts-verhouding met de economische verhouding van beide zijden niet bestaanbaar is, door scherp te veroordeelen dat de geslachts-functiën openlijk tot koopwaar worden gemaakt en door aan te sporen tot het ongehuwd blijven in collectieve instellingen. Vereenigingen van mannen of vrouwen, die door de hoogste godsdienstige gevoelens geleid worden tot een waardig leven en het dienen van de maatschappij, hebben in onze geslachts-verhouding altijd iets tegenstrijdigs gevonden. Zij hebben gemeend dat het in de verhouding zelf lag, en zagen niet dat het de economische zijde [92]was die haar tegenstrijdig maakte. Toch was deze handeling praktisch geoorloofd in het voortdurend bestaan van gemengde vereenigingen, waar de geslachts-verhouding bestaat in een vorm die niet erkend wordt en zonder het element van den economischen ruil. Het wordt ook aan de gehuwde zendelingen der Protestantsche kerk toegestaan, die door vrijwillige bijdragen onderhouden worden. Was de zendeling verplicht voor zich en voor zijne vrouw het levensonderhoud te verdienen, dan kon hij te weinig voor de zaak der zending doen.

De hoogste deugden in den mensch zijn volkomen vereenigbaar met de geslachts-verhouding, maar niet met de sexueel-economische verhouding. Dit wordt ons nog eens bewezen in de neiging tot samengaan in vereenigingen van ongehuwde mannen,—hun kameraadschappelijkheid, gelijkheid en onderlinge hulpvaardigheid,—vergeleken met de houding van diezelfde mannen tot elkander, zoodra zij gehuwd zijn. Hierin kan men ook de reden vinden waarom het organiseerend vermogen in mannen zooveel sterker is dan in vrouwen; hunne algemeen economische belangen dwingen hen met elkander in betrekking te treden, terwijl de geïsoleerde en zelfs tegenstrijdige belangen der vrouwen haar van elkander verwijderd houden. De toestand van individueel economische afhankelijkheid waarin de vrouwen leven, komt overeen met die van de wilden in het bosch. Zij worden haar economische goederen machtig door zich door persoonlijke inspanning een man te veroveren, allen wedijverende voor dit doel. Geen vereeniging is mogelijk. Het groot aantal meisjes in een badplaats doet ons in haar houding tegenover den kleinen groep jonge mannen onwillekeurig denken aan de naijverige wilden op een te klein jachtveld. Hier kan de economische reden gevonden worden voor de dikwijls opgemerkte bitterheid waarmede [93]de deugdzame vrouwen haar gevallen zusters beschouwen. In gesloten rijen staan de deugdzame vrouwen opeen gepakt, weigerend om zich zelf te geven,—haar eenig economisch goed,—tenzij zij verzekerd zijn van een wettig huwelijk, een waarborg voor levenslang onderhoud. Wanneer bij beide geslachten de geboortecijfers gelijk waren, zou elke vrouw vrij wel zeker zijn dat haar eischen ingewilligd werden. Maar ook in dat geval komt de ondeugdzame vrouw tusschenbeide en biedt dezelfde zaken,—ofschoon van minder kwaliteit, dat is zeker,—voor een lageren prijs aan. Elk van zulke onwettige mededingsters vermindert de kans van de ongehuwde en het inkomen van de gehuwde vrouwen. Geen wonder dat dit de vrouwen die zich op waarde houden en op die wijze onderkropen worden tot bitterheid stemt. Het is dezelfde haat dien een werkman die lid is van zijn vakvereeniging, voelt voor den “onderkruiper”.

Aan den kant van de vrouw handhaven wij nog steeds de kracht van den oorspronkelijken individueelen wedijver in de wereld, wat natuurlijk ook door hare zonen wordt overgeërfd, en wordt daardoor de richting van den maatschappelijken vooruitgang, die juist co-operatie wil ontwikkelen, tegengehouden.

Aan den kant van den man ontstaat een zelfde gevolg uit een ander kenmerk der verhouding. De neiging tot individualisme met geslachts-voordeel komt in den man door een tegenovergesteld proces als in de vrouw werkt, tot ontwikkeling. Zij verdient haar levensonderhoud met het verkrijgen van een man. Hij verkrijgt zijn vrouw met het verdienen van een levensonderhoud. Het is haar individueel economisch voordeel om een man te bemachtigen. Het is zijn individueel geslachts-voordeel om zich economische voordeelen te verzekeren. De geslachts-functiën zijn voor haar economische [94]functiën geworden. De economische functiën zijn voor hem geslachts-functiën geworden. Hierdoor is onze natuurlijke economische wedijver, die leidde tot economische co-operatie met het element van geslachts-wedijver—een geheel andere kracht—in de war gebracht.

Wedijver onder mannen, met een vrije keus der vrouwen om den besten te kiezen, is het proces der teeltkeus, dat tot verbetering van het ras voert. Voor zoo ver de man met zijne gelijken wedijvert in hooger en hooger bekwaamheden en de vrouw den winnaar kiest, ontstaat een direct algemeen voordeel. Maar er bestaat een ingrijpend verschil tusschen geslachts-wedijver en het huwelijk door koop. In het eerste geval overwint de man door wat hij kan doen, in het tweede door wat hij kan krijgen. De toenemende macht om te doen, overgebracht op de nakomelingen, is van groot voordeel voor het ras. Maar zuiver bezit, zonder de vraag op welke wijze het verkregen is, behoeft niet noodzakelijk voordeelig te zijn voor het individu als vader.

Door het geslachts-voordeel van den man op zijn gekochte macht te gronden, wordt de onmetelijke kracht van den geslachts-wedijver in het sociaal-economische veld geplaatst, niet enkel als een aansporing tot werken en uitvoeren, wat goed is, maar ook als een aansporing om persoonlijke winst te maken, op welke wijze dan ook verkregen, wat slecht is; zoodoende wordt onze wensch om te bezitten grooter en sterker en van daar de buitensporige inhaligheid van onze industrieele bevolking.

Het steekspel in de middeleeuwen was misschien een ruwe sport, met zijn verminkende kwetsuren, pijn en dood; maar met het aanvuren van: “Vooruit, moedige ridders, schoone oogen zijn op u gevestigd!” vertegenwoordigde het een gezonder proces dan onze moderne [95]handelwijze, van zich eerst een middel van bestaan te verzekeren om de geslachts-verhouding te kunnen betalen. Door Jean Ingelow werd dit zeer goed bezongen:

Ik werkte ver opdat ik kon verdienen

Een gezellig tehuis op Engelands grond;

Ik zwoegde hard om veel te kunnen sparen.

En had daarom mijn zwaren arbeid lief.

En steeds fluisterde het in mijn geest zeer zacht:

“Hoe kalm en gelukkig zal mijn leven zijn

Als een lieve vrouw en kleine kinderen

Het door mij verdiende brood mede-eten.”

De strijd die tegenwoordig in het hart van ieder goed mensch gevoerd wordt tusschen hetgeen hij “moest doen” en hetgeen hij “doet”, tusschen zijn goed werk en het werk om den broode, is zijn persoonlijk aandeel in dezen voortdurenden strijd tusschen sociaal-belang en eigen-belang. Voor hem zelf en door hem zelf zou hij blijde zijn als hij zijn beste werk kon leveren, als hij trouw kon zijn aan zijne idealen, als hij moedig verlies kon dragen ter wille van de waarheid. Maar het is even als een inschikkelijke kapitalist in: “Stel U In Zijn Plaats” zeide, toen zijn flinke jonge vriend—een ongehuwde—zich verwonderde dat hij op onrechtvaardige eischen van zijne werklieden inging: “Het huwelijk maakt een muis van een man.”

De jonge handelsman die de kronkelwegen in de geslachts-verhouding bewandelt, vindt in het dure onderhoud van zijne schoone afhankelijke een aanhoudende bedreiging voor zijn eerlijkheid en zijne verwachtingen in zaken. Wanneer diezelfde man trouwt, werken de behoeften van zijne vrouw dikwijls op dezelfde wijze. Het gevoel van de afhankelijkheid van het hulpelooze schepsel dat door hem gevoed moet worden, prikkelt [96]niet tot meer moedbetoon, maar dwingt tot onderwerping. Dit op den voorgrond tredend onderscheid moet goed in het oog gehouden worden.

Wettige geslachts-wedijver doet al de goede eigenschappen van een man uitkomen. Om haar te behagen, om haar te winnen streeft hij er naar zijn best te doen. Maar de economische afhankelijkheid der vrouw van den man, met de daaruit voortvloeiende koopbaarheid, oefent een geheel anderen invloed op hem uit; het plaatst hem voor de noodzakelijkheid om dingen te verkrijgen, niet om dingen te doen. Op de laagste treden van den arbeidsladder, waar men niets verkrijgt zonder iets te doen en de werkman altijd meer doet dan hij verkrijgt, heeft dit niet zulke tastbare slechte gevolgen als op de hoogere treden, waar de beroepen en kunsten staan en het beste werk altijd boven de markt staat; werken voor de markt beteekent daar verlaging van arbeid. De jonge kunstenaar of dichter, de wetenschappelijke jonge man werkt ter wille van de kunst of van de wetenschap en zoo voor het welzijn van de maatschappij. Maar zoodra zij huwen, moeten zij geld verdienen, moeten dan werken voor hen die betalen willen, en die betalen willen zijn niet diegene die de vlag van den vooruitgang hoog houden. Den belangeloozen werkers voor het maatschappelijk welzijn is het zeer goed mogelijk gemeenschappelijke belangen te hebben, doch zoodra de geslachts-verhouding tusschen beide treedt, scheurt de solidariteit vaneen en lost zich op in kleine groepen van individuen, die vereenigd zijn alleen op grond van geslachts-vereeniging en zich druk maken alleen voor hunne persoonlijke belangen, ten koste van iemand of van iedereen.

Dat de geslachts-verhouding een slechten invloed uitoefent op de ras-werkzaamheden is tot de volksovertuiging [97]doorgedrongen en heeft uiting gevonden in het hartelooze gezegde: “Cherchez la femme”. Wanneer iemand zijn zaken slecht behartigt, den moed laat zakken, onverschilligheid toont, dan vragen zijn cynische vrienden: “wie is zij?” Niet voor niets zuchten de goede vrienden van een man wanneer hij trouwt, vooral wanneer hij iemand is met groote gaven. Maar naast dit oordeel van de wereld staat eveneens het vertrouwen in den veredelenden invloed der vrouw. De wereld heeft gelijk. Het kan evengoed het een als het ander zijn. Beide opinies zijn juist. De vrouw die alleen door de geslachts-verhouding of alleen door de individueel-economische verhouding invloed uitoefent, werkt veredelend op de maatschappij. De vrouw die door hardnekkig beide verhoudingen te vereenigen, een macht wordt in de maatschappij, oefent inderdaad een zeer vreemden invloed uit.

Een van de amusante kleine gevolgen van deze omstandigheden is dit: terwijl wij het gevolg van het huwelijk op de sociaal-economische verhouding en het gevolg van de sociaal-economische verhouding op het huwelijk hebben opgemerkt en gezien dat de trouwe dienaar van het gezin een slechte dienaar van de maatschappij en de trouwe dienaar van de maatschappij een slechte dienaar van het gezin was, en dat instellingen waar ongehuwden samenwonen een goed resultaat opleveren, maakten wij de conclusie dat alleen de ongehuwde staat met collectieve welvaart kan samengaan, iets dat wij niet wenschen. Daarom is de volksmeening zoo spoedig gereed om de socialistische theorieën gelijk te stellen met ondermijning van het huwelijk. Toen men inzag dat het huwelijk ons minder gezind maakte tot collectivisme, heeft men de gevolgtrekking gemaakt dat dan ook omgekeerd het collectivisme ons minder gezind moet maken om te trouwen,—dat “het gezin [98]zal afgebroken worden” en dat het “de grondslagen van het familieleven zal aantasten.”

Wanneer wij ons eerst duidelijk voor den geest hebben gesteld dat een zuivere, duurzame, monogame geslachts-vereeniging bestaan kan zonder lokmiddel of koop, zonder de ijzeren boeien van economische afhankelijkheid, en dat mannen en vrouwen zoo vereenigd in geslachts-verhouding toch vrij zullen zijn om met anderen vereenigd te zijn in economische verhouding, dan zullen wij toewijding aan de menschheid niet meer beschouwen als een onnatuurlijk offer en collectieve welvaart als een zaak om te vreezen.

Buiten en behalve het handhaven van dit oorspronkelijk individualisme in het steeds toenemend collectivisme van het sociaal-economisch proces en het brengen van het beginsel van den geslachts-strijd in het nauwe veld van industrieelen wedijver, bestaat er nog een andere zijde van den slechten invloed dien de sexueel-economische verhouding op de maatschappelijke ontwikkeling uitoefent. Dit komt doordat de vrouw niet produceert en toch consumeert.

In de individueele ontwikkeling van het menschenras, dat wonderbaar fijne uitwerken en ineenvloeien laten van bepaalde functiën welke het organisch leven van de maatschappij samenstellen, vinden wij dat productie en consumptie hand aan hand gaan, maar dat productie voorafgaat. Iemand kan niet verbruiken, wat nog niet voortgebracht is. Economische voortbrenging is de natuurlijke uiting van menschelijke energie,—geen geslachts-energie maar ras-energie,—de onbewuste plichtsvervulling van het maatschappelijk organisme. Maatschappelijk georganiseerde menschen hebben de neiging om voort te brengen, zooals een klier om af te scheiden; dit ligt in den aard der zaak. De scheppingsdrang, [99]de wensch om te maken, om de innerlijke gedachte in uiterlijken vorm te brengen,—alleen uit behoefte om te maken, niet uit behoefte aan het gemaakte,—is het meest kenmerkend karakter der menschheid. “Ik wil teekenen”, roept het kind, een potlood vragende. Het begeert niet te eten. Het wil teekenen. Het begeert niet iets in te brengen, maar het probeert iets uit te brengen. Meestal verlangt het iets te doen wat het heeft zien doen, om het even of het geldt het maken van een taartekorst of van scheermessen. De eerste kan het opeten, de laatste niet, maar dat maakt blijkbaar geen verschil. Dit is het natuurlijk voortbrengingsproces en wanneer het uitvoerbaar is, wordt het gevolgd door het natuurlijk verbruiksproces. Maar de consumptie is niet het voorname doel, de macht die regeert. Onder deze organische maatschappelijke wet komt, indien zij natuurlijk werkt, de evolutie van die kunsten en ambachten tot stand, in welker beoefening ons leven bestaat en van wier opbrengst wij leven. Zoo ontwikkelt de maatschappij in zich zelf,—scheidt af als ’t ware—den socialen bouw met zijn samengestelde inrichting; en waren andere dingen gelijk, dan zouden wij in de maatschappij even natuurlijk functioneeren alsof wij zoovele klieren waren.

Maar andere dingen zijn niet gelijk. Het halve menschdom is van de vrije productieve uiting verstoken en gedwongen zijn menschelijken drang tot productie te beperken tot dezelfde wegen waar langs ook zijn geslachtsdrang tot reproductie uiting vindt. Zijn scheppend vermogen wordt beperkt tot het niveau van den rechtstreekschen persoonlijken lichamelijken dienst, tot het maken van kleederen en het bereiden van voedsel voor individuen. Geen maatschappelijke dienst wordt toegestaan. Terwijl de macht van de vrouw om te produceeren belemmerd [100]wordt, neemt haar macht om te consumeeren onevenredig toe door den gullen toevoer van onverdiende gaven van den man. Eerstens heeft men de vrouw niet toegestaan vrij te produceeren en ten tweede bestaat er geen verhouding tusschen wat zij voortbrengt en wat zij verbruikt. Haar werkzaamheid is niet het natuurlijk gevolg van haar scheppende kracht, niet het werk dat zij doet omdat zij er de innerlijke macht en kracht toe heeft; noch geeft haar arbeid zelfs den maatstaf aan van hetgeen zij verdient. Zij bezit natuurlijk den aangeboren wensch om te consumeeren en men heeft daaraan geen andere grens gesteld, dan de macht of den wil van haar man.

Zoodoende hebben wij in ons midden met moeite ontwikkeld en met zorg gekweekt een groote klasse van on-productieve verbruikers, een klasse die de halve wereld is en de moeder van de andere helft. Wij hebben in het menschenras den wensch en de gewoonte gekweekt om “te nemen” afgescheiden van zijn natuurlijken voorlooper of begeleider van “te maken”. Wij hebben deze eindelooze schare groote bloedzuigers voor ons zelf gemaakt, die allen roepen: “Geef! Geef!” Om voedsel te verbruiken, kleederen te verbruiken, huizen en meubelen en schilderijen en versierselen en amusementen te verbruiken, om eeuwig te nemen, te nemen, te nemen,—van één man als zij deugdzaam zijn, van velen als zij slecht zijn,—maar altijd te nemen en er nooit aan te denken om iets terug te geven dan alleen haar vrouw-zijn; dit is de gedwongen toestand van de moeders van ons ras. Het is geen wonder dat hare zonen in “zaken” gaan, om geld te maken. Het is geen wonder dat de wereld vervuld is van den wensch, om zooveel mogelijk trachten te krijgen en zoo weinig mogelijk te geven. Wat wonder ook dat wij hooge, innige liefde slechts bij naam kennen, met hier en daar een vreemde, mooie uitzondering, [101]waarvan wij door onze bewondering de zeldzaamheid bewijzen.

Neemt men in aanmerking dat de sterk ontwikkelde mannelijke energie met ruwe wreedheid op de arbeidsmarkt moet strijden als op een slagveld en dat de averechtsche toestand der vrouwelijke energie een onnatuurlijke begeerigheid aangekweekt heeft, dan spreekt het van zelf dat de industrieele ontwikkeling der menschheid bijzondere verschijnselen te aanschouwen geeft. Een van de mindere gevolgen van deze laatste omstandigheid, het beperken van de vrouwelijke werkzaamheid tot uitsluitend persoonlijke behoeften en de neiging van haren over-ontwikkelden geslachts-aard, om de zoogenaamde “plichten der vrouw” te overschatten, heeft een fijn uitgesponnen toewijding aan personen en persoonlijke behoeften doen ontstaan, niet met het doel om beter karakters te vormen, maar om de lichamelijke behoeften en genoegens hooger op te voeren. De vrouw en moeder, die den opkomenden vloed van de macht van het ras in dezelfde oude kanalen stort als weleer haar vroegste voorouders deden, voorziet voortdurend en met toenemende kracht alleen in de physische behoeften van het gezin. Zij doet dit natuurlijk gaarne. Maar het onderhoudt in de menschen een overdreven gevoel van waarde voor kleederen, voedsel en versierselen voor zich zelf, zonder dat men het werkelijk nut en de waarde voor het algemeen er van beseft. Het ontwikkelt persoonlijke zelfzucht.

Doch ook, de verbruikende vrouw, uitgesloten als zij is van iedere vrije voortbrenging, is niet in staat het werk te waardeeren dat noodig was om haar al datgene te verschaffen, wat zij zoo lichtzinnig verbruikt. En daar haar verbruik zich hoofdzakelijk bepaalt tot die voorwerpen die haar zinnelijkheid streelen, is zij oorzaak dat de markt [102]overvoerd wordt met zaken voor opschik en persoonlijke versierselen, met allerlei dingen die weelderig en ontzenuwend stemmen en dat wel in zulk een groote en grillige verscheidenheid dat zij een onoverkomelijk beletsel vormen voor de ware industrie en echte kunst. Als de priesteres van den tempel der consumptie, als de onbeperkte vraagster naar voorwerpen die zij verbruikt, is haar economische invloed reactionair en nadeelig. Veel, zeer veel van den stroom van nuttelooze productie waarin onze economische krachten doodloopen,—de kracht van den man uitloopend als water op mul zand,—is een gevolg van het scheppen en zorgvuldig handhaven van deze valsche markt, dien put waarin menschelijke arbeid wordt opgeslorpt, zonder dat er iets van terugkeert. De vrouw in haar valschen economischen toestand werkt nadeelig terug op industrie, op kunst, op wetenschap, op ontdekkingen en op vooruitgang. Door den invloed van de sexueel-economische verhouding op de lichaamsgesteldheid van het individu wordt in ons de drift naar oorspronkelijk individualisme levendig gehouden, waaraan wij anders reeds lang ontgroeid zouden zijn. Het maakt onze industrieele verhouding geslachtelijk en het maakt onze geslachts-verhouding tot handel. En als zichtbaar gevolg op de markt, verhindert en bederft de over-sekste vrouw, in haar onverstandig en voortdurend eischen, de economische ontwikkeling der wereld. [103]

VII

Een toestand die reeds zoolang bestaat, zoo algemeen voorkomt en zoo standvastig was als de sexueel-economische verhouding in het menschdom, kon niet in den loop der sociale evolutie opgenomen en gehandhaafd zijn, indien hij geen natuurlijke oorzaken had gehad. De grootste kracht van den individueelen wil kon op den duur geen toestand gaande houden, waardoor de maatschappij zooveel nadeel berokkend wordt. Kerk en Staat en maatschappelijke vormen gaan met onzen vooruitgang mede, wij kunnen ze nooit lang tegenhouden, zoodra de tijd voor verderen vooruitgang gekomen is. Er is dus een tijd geweest dat de sexueel-economische verhouding voor de maatschappij voordeelig was. Nu zij dit niet meer is, is “de vrouwenbeweging” ontstaan en wij zien hoe van jaar tot jaar, van dag tot dag de toestand onder onze oogen verandert, ondanks ons traditioneel verzet. De verandering in deze bladzijden besproken, is dan ook niet voorspeld en wordt hier niet aanbevolen, zij heeft reeds onder de kracht der sociale evolutie plaats gevonden en zij behoeft alleen tot ons bewustzijn door te dringen om den nutteloozen maar prikkelenden tegenstand onzer zelfmisleiding te overwinnen.

De aanvankelijke noodzakelijkheid van deze kenmerkende menschelijke verschijnselen ligt diep verscholen onder de elementaire krachten van het maatschappelijk leven. De verhoudingen die noodig waren om het individueel organisme tot stand te brengen, lieten ons in [104]den steek toen zij dienst moesten doen bij de verdere ontwikkeling van organisatie, van het individueel tot het sociaal organisme. Samenwerking vereischt eerst het bestaan van een gemeenschappelijk belang en daarna de vestiging der gemeenschappelijke bewustwording. Het gemeenschappelijk belang der individueele cellen om op gemakkelijker manier aan voedsel te komen, bracht hen tot nauwer aaneensluiting. Toen dit nauwer verbond tot stand gebracht was, werd hun gemeenschappelijk bestaan een éénheid, één zijn, een iets met een eigen bewust leven. In de hoogste ontwikkeling van het meest samengesteld en fijnst uitgewerkt organisme gaat dit altijd door. Er moet een gemeenschappelijk belang bestaan, dat door al deze samenwerkende bedrijvigheid bevorderd wordt; en er moet een gemeenschappelijk bewustzijn aanwezig zijn, waardoor het zeer gemakkelijk wordt het gemeenschappelijk belang te dienen.

Wanneer de samenstellende cellen in onze weefsels beginnen ineen te krimpen en door gebrek aan voedsel achteruit te gaan; wanneer de verschillende organen van ons lichaam vermoeid zijn van niets-doen en knorrig hun natuurlijke beweging eischen, dan zegt de mensch niet, “mijn weefsels eischen nieuwen toevoer”, of “mijn organen verlangen naar werk”, maar hij zegt: “Ik heb honger”. Dat “Ik”, de persoonlijke bewustheid, die de gewillige samenwerking van al de deelen van het lichaam leidt, zet zich aan het werk om voedsel te verkrijgen. De sociale evolutie berust op dit algemeen belang. Individueele menschen hebben bij zulk een sociaal verbond voordeel en daarom sluiten zij zulk een verbond. Zulk een verbond vereischt een gemeenschappelijk bewustzijn, waardoor de gecoördineerde werking kan plaats grijpen; en de geheele loop van sociale ontwikkeling wordt door de voortdurende uitbreiding van dit [105]sociale bewustzijn en zijn noodzakelijk begeleidende gevolgen gekenmerkt.

De taal is ons beste middel tot onderlinge gedachtewisseling en voert op tot letterkunde. Het menschelijk verstand is het maatschappelijk orgaan, waardoor wij onderling verbonden zijn. Daaruit vloeit de stroom der gedachten, die ons in staat stelt samen te werken. Door datgene wat het verstand met anderen gemeen heeft, kan men elkander begrijpen; en het is om die reden dat tot op zekere hoogte gemeenschappelijke opvoeding onontbeerlijk is voor vrije maatschappelijke ontwikkeling.

In het allervroegste begin van dit proces, toen het menschelijk dier nog niets dan een dier was,—maar een individu,—ontstond reeds de gebiedende eisch voor de vaststelling van een algemeen bewustzijn tusschen deze tot hiertoe onverzoenlijke dieren. De eerste stap door de natuur in deze richting gedaan, wordt gevonden in de betrekking tusschen moeder en kind. Waar de jongen na de geboorte geheel afhankelijk blijven van de moeder; waar de functiën van een afzonderlijk levend lichaam de hulp noodig hebben van een ander afzonderlijk levend lichaam, daar bestaat een wederzijdsche behoefte, het eigenlijk instinkt, dat deze wederzijds op elkaar inwerkende persoonlijkheden te zamen houdt. Dat instinkt noemen wij liefde. Het kind heeft de moederborst noodig. De moederborst heeft behoefte aan het kind. Daardoor werd tusschen moeder en kind reeds liefde geboren, toen het vaderschap nog niets meer was dan een oogenblikkelijke gebeurtenis. Maar het gemeenschappelijk gevoel, de wederzijdsche aantrekking tusschen moeder en kind hield hier onvoorwaardelijk op. Zij was in omvang tot deze nauwste verhouding begrensd; in duur tot de periode der kindsheid. [106]

Het gemeenschappelijk belang van de menschen moet echter door de ras-eigenschappen gediend worden en niet hoofdzakelijk door de geslachts-functiën der vrouw of de plichten der moeder ten opzichte van haar kind. Toen het mannetje, door zijn aard gedreven, telkens inbreuk maakte op de vrijheid van het vrouwtje tot zij ten laatste tot den staat van economische afhankelijkheid gebracht was, matigde hij zich daarbij de positie van verzorger aan voor dit schepsel, dat niet langer in staat was voor zich zelf te zorgen. Hij was echter niet enkel verplicht in haar behoeften te voorzien, maar hij moest ook een deel van de gedwarsboomde moederplichten op zich nemen. Hij werd en bleef tot op heden een soort van man-moeder, in het scheppen van deze merkwaardige positie alleen staande. Het gemeenschappelijk belang, dat nu niet alleen tusschen moeder en kind, maar tusschen vader, moeder en kind bestond, ontwikkelde een verdergaand gemeenschappelijk gevoel. Aangezien de vader het kind niet door geslachts-functiën, maar door ras-functiën diende, leidde deze betrekking tot een veel verdere en duurzamere ontwikkeling dan die van de moeder alleen ooit kon bereikt hebben. Zoowel liefde als ijver zijn door de kracht der moederlijke energie in de wereld gekomen. Door den onvermoeiden wensch der moeder om haar jongen van dienst te zijn, begon zij het eerst met de beoefening der kunsten en bedrijven, waarvan wij thans leven. Toen de mannelijke wilde nog niets was dan een jager en strijder, op die wijze uiting gevende aan mannelijke energie, toen bracht de vrouwelijke wilde op dezelfde natuurlijke wijze haar behoudende kracht van vrouwelijke energie tot uitwerking. Zij verzamelde en bewaarde voedsel voor het kind, evenals de kiemcel, in de onbewuste stilte der natuur, voedsel verzamelt en bewaart. Zij omhulde [107]het kind met kleedingstukken en bouwde er een schuilplaats voor, even natuurlijk als zij te voren de ongeboren vrucht verwarmde en een schuilplaats bood in haar lichaam. Moederlijke energie, die door ons kunstig samengesteld lichaam naar buiten werkt, is de bron van productieven arbeid, is de voornaamste stroom van maatschappelijk leven.

Doch niet voordat deze reuzenkracht zich met andere krachten kon vereenigen om coöperatief op te treden en zoodoende den verwoestenden invloed, die door den blinden wedijver der mannelijke energie ontstond, kon te boven komen, kon ons menschelijk leven zijn volle rasontwikkeling intreden. Dit werd door de onderdrukking van de vrije uiting der moederlijke energie in de vrouw en haar overbrenging op den man tot stand gebracht. De twee krachten werden daardoor vereenigd en door den man kwamen zij tot openbaring. Het was een van de kalme, eenvoudige wonderen der natuur, doch niet wonderlijker dan dat de natuur de onschuldige, gulzige bij, die meent dat zij eenvoudig haar voedsel zoekt, tot tusschenpersoon laat dienen om de vele bloemen gelegenheid tot voortplanting te geven. De bij mocht zich eens beleedigd toonen als zij wist welk ambt zij vervulde en dat de natuur het voedsel voor haar juist zoo geborgen had dat zij verplicht werd dezen dienst te vervullen. De onderwerping van de vrouw heeft tot een zeer hoogen graad de vermoederlijking van den man ten gevolge gehad. Hij werd nu gedwongen nieuwe functiën op zich te nemen, die voor mannelijke energie alleen onmogelijk waren. Hij moest nu beginnen iemand buiten en behalve zich zelf te leeren liefhebben en verzorgen. Hij moest leeren werken, dienen, menschelijk zijn. Door de hevig overprikkelde geslachtsdrift werd het menschelijk ras het lange, steile pad van vooruitgang opgeleid en opgedreven over [108]alle hindernissen, door alle gevaren, de vergezellende verschijnselen van ziekte en zonde medevoerende (en deze overwinnende), in weerwil van alles hooger en hooger, totdat ten laatste een graad van ontwikkeling bereikt wordt, waarin de uitbreiding van menschendienst en menschenliefde een beteren weg mogelijk maakt. Door de werking van zijn eigen begeerten, door al het bijkomende kwaad, werd de man voor een deel moeder, waardoor beiden, man en vrouw, in staat waren mensch te worden. Het was een belangrijke stap in den vooruitgang van ons ras, een middel om tot een einddoel te geraken. Zij moet niet als een buitengewone moederlijke opoffering beschouwd worden, maar als een nieuw en volmaakt systeem van vaderlijke opoffering: het mannetje van het genus mensch door behoefte aan geslachtsbevrediging gedwongen tot het uitoefenen van moederlijke plichten. De natuurlijke verwoestende neigingen van den man werden langzamerhand in de behoudende neigingen van de vrouw omgezet en wel zoo in ’t oogloopend, dat het proces door de geheele geschiedenis heen opgemerkt werd. Door middel van de natuurkeus en onafgebroken oefening werden in het mannetje tot zijn groot voordeel het instinkt en de gewoonten van het vrouwtje tot ontwikkeling gebracht. In individueel economische verhouding was de vrouw afhankelijk van den man. Zij leefde in een staat van hulpelooze slavernij. Zij werd met onuitsprekelijke onrechtvaardigheid en wreedheid behandeld. Maar de processen in de natuur storen zich in ’t geheel niet aan zulke omstandigheden. Om de tegenstrijdige geslachtsneigingen van twee dieren zoodanig te vermengen dat zij een vruchtdragende macht van een zegevierend ras worden, wordt een pijnlijk proces vereischt, maar dat komt er niet op aan. Het was noodzakelijk en het werd volbracht. Er moet een eind komen [109]aan de bittere gevoelens welke in deze eeuw tusschen de beide seksen ontstaan zijn. Hoewel de vrouw van heden recht heeft op een andere positie, behoeft zij over het verleden geen wrok te toonen, noch schaamte, noch gevoel van onrecht. Met een volkomen zekerheid van de vroegere superioriteit van haar sekse en de sociologische noodzakelijkheid van hare tijdelijke onderdrukking, behoorde zij alleen hoogen, teederen trots te voelen over haar eeuwenlang geduldig wachten en lijden, totdat de man langzaam kon opklimmen om het tot volkomen ras-gelijkheid met haar te brengen. Zij kon wachten; zij kon lijden.

Het is hoog tijd dat vrouwen hare ware positie beginnen te begrijpen, voor nu en voor altijd, en te zien hoe weinig de lange jaren van slavernij die veranderd hebben. Het was niet in het belang van het ras om de behoudende levensprocessen zoo geheel alleen aan de vrouwen over te laten, en den man slechts de rol van tijdelijken bemiddelaar in de voortplanting en niets anders toe te bedeelen. Zijn grootte, kracht en woestheid,—bewonderenswaardige hoedanigheden tot instandhouding van een individueel dier,—waren niet de meest gewenschte eigenschappen om het menschelijk ras te ontwikkelen. Wij hebben het meest behoefte aan coördinatievermogen,—de gemakkelijkheid van vereenigen,—aan de macht om te maken en te bewaren, meer dan aan die om te verteren en te vernietigen. Dat waren vrouwelijke hoedanigheden. Uit eigen natuur handelende kon de man geen hoedanigheden openbaren die hij niet bezat. Als de meester van de vrouw zich verheffende, als haar dienaar geketend, heeft hij door die vreemde samenvoeging van functiën deze hoedanigheden onder de zware wet der noodzakelijkheid verworven. Oorspronkelijk werkten man en vrouw op verschillende wijze, hij verteerde en verwoestte, zij bewaarde en bouwde. Zij was de diepe, [110]voortgaande voorname stroom van het leven, terwijl hij de werkzame variant was, die dat leven hielp wijzigen en uitbreiden, doch meer als helper dan als dader. Er waren en er zijn nog rassen die zich zelf voortplanten zonder de hulp van het mannelijk organisme,—bij de hermaphroditen en door parthenogenesis.

Terwijl de evolutie der diersoorten voortschreed, vinden wij een lange reeks van werkdadige proefnemingen in mannetjes,—zeer zwakke, voorbijgaande en ondergeschikte verschijningen in den beginne,—zich langzamerhand ontwikkelende tot voller en voller gelijkheid met de vrouwtjes. In sommige lagere vormen, zooals in rotiferen, insekten en crustaceæ, worden de meest inferieure mannetjes gevonden, soms zijn zij er in het geheel niet, of als zij bestaan dan hebben zij geen ander nut dan als bemiddelaar bij de voortplanting. Het meest bekende voorbeeld hiervan komt bij de bijen voor, waar de hommel, nadat hij zijn functiën verricht heeft, sterft of anders door de krachtige mede-moeders van den zwerm omgebracht wordt. Ook de gewone spin heeft een zwak mannetje, dat al bevende zijn éénig klein doel uitvoert en dan door zijn vrouwtje opgegeten wordt. Zij is de spin, de aanhoudende vliegenvangster. Hij is niets anders dan een vruchtbaarmakende bemiddelaar. De kleine, groene plantenluis, die zoo menigvuldig op onze rozestruiken voorkomt, kan zich door parthenogenesis voortplanten, zoolang de omstandigheden gunstig zijn, dat wil zeggen, zoolang het warm en er genoeg te eten is. Zoodra echter de toestanden slechter worden, ontwikkelen er zich mannetjes en dan vindt de dualistische wijze van voortplanting plaats.

In de twee groote levensprocessen van zelf-behoud en ras-behoud is het vrouwtje bij de lagere diersoorten voor het eerste altijd beter toegerust dan het mannetje en [111]voor het ras-behoud draagt zij bijna den geheelen last. De korte duur van zijn functioneel nut is niets in vergelijking van den langen drachttijd voor haar en de diensten die zij in vele gevallen den jongen nog na hun geboorte bewijst. Ras-behoud is bijna geheel een vrouwelijke functie geweest, somtijds zelfs uitsluitend. Maar het is gebleken in het belang van het ras te zijn om twee hoog ontwikkelde ouders te hebben in plaats van een. Van daar dat gelijkheid van beide seksen langzaam ontwikkeld werd, niet alleen door het mannetje bij de voortplanting een belangrijker plaats te doen innemen, maar door ras-eigenschappen in hem, die tot nog toe slechts een voortplantende bemiddelaar was geweest, tot ontwikkeling te brengen. Het laatste stadium in dit proces was de verheffing van het mannetje van het geslacht mensch tot volle ras-gelijkheid met het vrouwtje en dit sloot haar tijdelijke onderwerping in. Haar lichamelijke en geestelijke neigingen zijn beide in het organisme van den man overgeplant geworden. Hij werd tot de werkende moeder van de wereld bevorderd. De sexueel-economische verhouding was noodzakelijk om het mannetje van het menschenras te verheffen en te verbreeden, te verdiepen en te verzachten, vrouwelijker en daardoor meer menschelijk te maken. Indien de vrouw haar geheele persoonlijke vrijheid en werkzaamheid behouden had, dan ware zij de meerdere van den man gebleven, maar zouden beiden in ontwikkeling zijn blijven staan. Aangezien de vrouw niet de neiging bezat om afwisseling in haar werkzaamheden te brengen, waardoor de man zich onderscheidde, vereenigde zich de uitzettende kracht van mannelijke energie met de behoudende en opbouwende macht van de vrouwelijke energie. De expansieve en veranderlijke mannelijke energie, die in den nieuwen toestand verplicht was te strijden voor [112]opbouwenden arbeid, heeft dien arbeid meer vooruitgebracht en meer doen afwisselen dan wanneer dit alleen door toedoen der vrouw had moeten plaats vinden. Met haar rijkdom van macht en geduld, haar liefde tot werken en tot geven, verricht zij nog steeds dezelfde primitieve werkzaamheden. Hij ongeduldig wordende wanneer er hindernissen op zijn weg liggen, met zijn afkeer van werken, splitst zijn werk in duizende afzonderlijke werkzaamheden en spoort ontelbare wegen op om zijn taak te verlichten. Aangezien met mannelijke energie vrouwelijke functiën volbracht moesten worden, werd onze industrie tot hare tegenwoordige ontwikkeling gebracht. Zonder de economische afhankelijkheid van de vrouw, zou de man nog enkel de jager en vechter, de dooder, de verwoester zijn; terwijl zij nog steeds als de ijverige moeder, zonder verandering of verbetering, zou fungeeren.

“Wat Israëls kinderen liefst opbouwden,

Egypte’s kinderen liefst neerhouwden”.

zegt een oud rijmtje, maar op die wijze zou de wereld niet veel verder komen. De vrouw heeft in haar ondergeschikte positie, onder allerlei bezwaren en door de dikke muren van haar gevangenis haar opbouwende kracht op den man overgebracht en door hem de opbouwing der wereld tot stand doen komen. Zijn zuiver individualistische energie, die alleen door de macht van geslachts-aantrekking in bedwang werd gehouden, had juist dezen vereenigingsvorm, met zijn sterk overdreven geslachtsleven noodig, om die taak te volbrengen. De abnormale geslachtsontwikkeling van de vrouw, door allerlei wetten in toom gehouden, heeft als een onstuimige bron gewerkt op den eenigen vrij handelenden persoon in de maatschappij,—den man. Door dezen sterken prikkel kon hij bergen verzetten. De geheele wereld heeft het opgemerkt en bewonderend [113]heeft men geroepen: “O, ’t is liefde, ’t is liefde, ’t is liefde, waarom de wereld draait”. Dat was inderdaad zoo, of ten minste die heeft den man door de wereld voortgedreven in een langen zwerftocht van strijd en overwinning, van werken en zwoegen. En ieder man die bemint en zegt: “Ik ben de uwe, doe met mij wat gij wilt,” kent die macht en vereert haar.

Tot zoo ver is de menschelijke ontwikkeling tot stand gekomen door de macht der mannelijke energie, die door den prikkel van de geslachtsdrift en door de opeengehoopte onderdrukte vrouwelijke energie tot werkzaamheid aangespoord werd. Vrouwen hebben haar periode van onderwerping betaald gekregen met een overwonnen wereld en de beschaving van den man.

De vrouwen moeten, ondanks den zielestrijd en de lange donkere jaren van bitter leed, van schande en van afgrijzen, niet vergeten dat zij het ten minste zoo ver gebracht hebben en, dank zij de gezegende macht der heriditeit, niet zoo ten achter zijn gekomen, dat een paar geslachten van vrijheid hen niet weder op gelijken voet met hun tijd zal brengen. Wanneer de eeuwen van slavernij en oneer, van marteling en pijn, van grievende onrechtvaardigheid en vernederende onderdrukking de vrouwen lang toeschijnen, laten zij zich dan de geologische tijden, die millioenen en millioenen jaren te binnen roepen, toen onvolkomen ontwikkelde, pygmeïsche, parasitische mannetjes streden voor hun bestaan en al of niet door de vrouwtjes gebruikt werden, zooals dat het beste uitkwam. Welke reeks vrouwen of bijwijven werd ooit zoo’n onteerende plaats aangewezen als aan de vele mannetjes der cirrhopedes (een soort weekdieren), die door hunne zorgdragende vrouwtjes tusschen de schalen worden rondgedragen, omdat zij bang zijn er een of twee van te zullen verliezen! Geen verwaarloozing van oude [114]verwelkte vrouwen kan vergeleken worden met den smadelijken, onopgemerkten dood van den hommelbij, die mishandeld, uitgehongerd, in was gemetseld en alleen aangehouden wordt om voor een oogenblik zijn geslachts-functie uit te oefenen en zelfs daarvoor niet bepaald noodig is! Geen Blauwbaard-geschiedenis of wreedheid van een bruid-doodenden Oosterschen Koning kan in onbarmhartigheid wedijveren met de ruwe slachting van het ongelukkig kleine mannetje-spin, dat door zijn wreede echtgenoote op haar huwelijksmaal genuttigd wordt! In de geschiedenis der menschheid werd nooit tegen vrouwen zooveel geweld gepleegd als tegen die hulpelooze mannetjes in lagere diersoorten. Den grootsten duur van het leven is het vrouwtje de heerscheres op aarde geweest. Tot ons ras toe is het vrouwtje minstens altijd gelijk geweest aan het mannetje en in ons ras werd zij gedurende de vroegere ontwikkelingsperiode door het mannetje onder het juk gebracht voor zulk een groot rassenbelang, zulk een schoon en edel doel, dat dit offer nooit moest worden geteld, noch betreurd door de vrouwen die haar macht kennen. Om de opbouwing van het menschelijk leven op aarde mogelijk te maken heeft de vrouw zich zelf op den achtergrond geplaatst, en—inniger, teederder, liefderijker nog,—om haar woeste geslachtsmakkers tot een vrij en edel broederschap op te heffen, om de menschelijke ziel in hare dierbare zonen hooger op te voeren, zoude zij niet alleen dit verdragen hebben, maar zelfs meer,—en zij zou het glimlachend, edelmoedig, verheugd hebben gedragen voor hun geluk en dat van de wereld.

Doch nu die lange periode van opoffering voorbij is, nu de tijd gekomen is dat noch de man, noch de wereld bij haar onderwerping meer voordeel heeft, nu zij langzamerhand er toe overgaat zich persoonlijk te uiten, [115]in volle vrijheid te genieten van haar ras-bekwaamheden, zich te plaatsen op den troon in plaats van er achter, nu zou het harer onwaardig zijn om leedgevoel te toonen over hetgeen zij ondervonden heeft.

Zoo moet het opgevat worden, zelfs wanneer men toestemt dat het individu en de gemeenschap groot nadeel ondervonden door in de vrouw de ras-ontwikkeling tegen te houden en de geslachts-ontwikkeling, met hare gevolgen, in de hand te werken. Zelfs wanneer men verder aanneemt dat onze groote toewijding aan het moederschap niet als een voordeel voor de menschheid kan worden beschouwd, dan blijft het toch waar dat onze sexueel-economische verhouding, met het gevolg dat het menschelijk leven alleen door den man vooruit gestuwd werd, door sterke geslachtsdrift tot werkzaamheid werd aangespoord, wat het welzijn van het individu en het ras, zooals reeds werd opgemerkt, op velerlei wijze heeft bevorderd; en wel door het overnemen van vrouwelijke functiën door den man; door het vermengen van beider hoedanigheden, waarvan onze tegenwoordige beschavingstoestand het resultaat is; door een hooger ontwikkelde strijdmacht in den man, waarvan ras-verovering, zoowel door oorlog als door handel, het gevolg was; door toenemende productiviteit, als gevolg van het op zich nemen van moederlijke functiën; en door dat de geslachts-verhouding in hoofdzaak afhankelijk werd van de macht van den man om er voor te kunnen betalen. Zelfs het moederschap heeft bij deze verhouding zijdelings gewonnen. Ofschoon de moeder zelf in haar moederdiensten rechtstreeks belemmerd werd, diende zij het ras veel meer door de mannen tot ijver te prikkelen dan door zelf eenig werk te verrichten; en het kind heeft ten slotte meer door de moederlijk-vaderlijke diensten geprofiteerd dan het [116]door de moederdiensten alleen zou hebben genoten.

Men zal waarschijnlijk toestemmen dat dit alles vroeger zoo geweest is; maar dan zal onmiddellijk de vraag volgen: indien het zoo duidelijk is dat de onderwerping der vrouw vroeger nuttig en noodig was en dat de slechte, afschuwelijke sexueel-economische verhouding toch ten slotte in het belang van het ras was, hoe weten wij dan dat de tijd voor verandering is aangebroken? Hoofdzakelijk omdat wij reeds bezig zijn te veranderen. Maatschappelijke ontwikkeling komt niet tot stand door het verkondigen van nieuwe theorieën of door het schrijven van boeken. Toen Rousseau over gelijkheid schreef, werd het vrije Frankrijk reeds geboren, trilde de geest des tijds reeds in de menschelijke ziel, en wie ooren had om te hooren hoorde, wie schrijven kon schreef. De toestand der kettingslavernij, die haar natuurlijk einde naderde, deed Garrison en Phillips en Harriet Beecher Stowe ontwaken. Zij maakten de beweging niet. Het einde van de economische afhankelijkheid der vrouwen is nabij, omdat het nut er van voor het ras afnemende is. Wij hebben reeds een stadium van menschelijke verhoudingen bereikt, waarin wij onzen socialen plicht in botsing voelen komen met onze geslachtsbanden, die gedurende zulk een langen tijd de eenige banden zijn geweest die wij erkenden. De algemeene bewustwording der menschheid, de zin voor sociale behoeften en sociale plichten openbaart zich in mannen en vrouwen beiden. De tijd is aangebroken dat wij voor dieper en hooger prikkels dan die van de geslachts-drift vatbaar zijn; het sociale instinkt is thans sterk genoeg om ons tot volle werkzaamheid aan te sporen. Dit is duidelijk in den tweelingstrijd die heden ten dage de geheele wereld beroert,—den strijd tusschen de geslachten en tusschen de klassen,—“de vrouwenbeweging” [117]en “de arbeidersbeweging”. Beide namen zijn niet geheel juist. Beide stempelen tot een klasse-gebeurtenis, wat inderdaad een sociale gebeurtenis is, en wat vraagstukken zijn, die het belang van het geheele menschdom in zich sluiten. Maar natuurlijk voelen de vrouwen het meest het pijnlijke van eigen toestand. Zij komen persoonlijk in opstand en meenen dat zij bij de verandering het meest zullen gebaat worden. Zoo gevoelt ook de arbeidende klasse het meest de toenemende onrechtvaardigheid van haar toestand en komt natuurlijk onder dezelfde overtuiging daartegen in verzet. Sociologisch beteekenen deze beide omstandigheden, welke sommigen zoo pijnlijk en zoo schrikwekkend vinden, slechts één ding,—de toeneming van sociale bewustwording. De vooruitgang van sociale organisatie heeft in gelijke mate individualisatie doen ontstaan, die ten slotte zelfs tot de vrouwen, zelfs tot den laagsten trap van onbekwame arbeiders, is doorgedrongen. Deze hoogere graad van individualisatie kenmerkt zich in een scherp persoonlijk bewustzijn van de gebreken van een toestand, die voorheen weinig gevoeld werden. Met deze hoogere ontwikkeling van het individueel bewustzijn en er een deel van uitmakende, gaat een evenredige toeneming van maatschappelijk bewustzijn gepaard. Wij hebben de ontwikkelingshoogte bereikt om voor elkander zorg te dragen.

De vrouwenbeweging berust niet alleen op een hooger staande persoonlijkheid der vrouw en haar diepe verontwaardiging over onrechtvaardigheid, maar op het breede, diepe solidariteitsgevoel der vrouwen. De vrouwenbeweging is een harmonische beweging, gegrondvest op de erkenning van een algemeen kwaad en op het zoeken naar een algemeen goed. Hetzelfde is het geval met de arbeidersbeweging. Zij is niet ontstaan doordat [118]de individueele werkman beter opgevoed, hooger ontwikkeld is dan de domme boer van vroeger, maar door dat met het scherper persoonlijk bewustzijn een grooter sociaal bewustzijn gepaard ging, zonder hetwelk geen klasse haar toestand verbeteren kan. De bijkomende eigenaardigheden van onze sexueel-economische verhouding hebben zich zóó ver ontwikkeld, dat zij het voortduren van deze verhouding verbieden. In de economische wereld hebben de overdreven mannelijkheid met haar woesten wedijver en primitief individualisme, en de overdreven vrouwelijkheid met haar overmatig verbruik en hinderlijke afhankelijkheid thans een stadium bereikt, waardoor zij meer kwaad dan goed uitrichten.

De moderne vrouw die met elken dag zich meer gaat wijden aan een bepaald vak, waarvoor zij den vereischten aanleg van den zich voortdurend meer bekwamenden man heeft geërfd, komt door de zich ontwikkelende ras-hoedanigheden in opstand tegen de primitieve beperkingen van een zuiver sexueele verhouding. De wensch om te produceeren,—deze kenmerkende eigenschap van den mensch,—vergenoegt zich niet langer met een staat waarin alleen de reproductie van het geslacht wordt toegestaan. In ons tegenwoordig stadium van sociale evolutie wordt het voor de vrouwen steeds moeilijker en pijnlijker haar toestand van economische afhankelijkheid te verdragen en daarom scheppen zij zich een andere positie. Dit wil niet zeggen dat op een gegeven oogenblik alle vrouwen economisch onafhankelijk aaneengeschaard zullen staan, maar dat een langzaam aangroeiend aantal vrouwen, nu reeds zoo groot dat de geheele wereld ze opmerkt, bij de meest geavanceerde volkeren reeds dit vrije standpunt inneemt. Groote sociale verbeteringen komen langzaam, gelijk [119]het veel-golvig opkomen van den vloed; het zijn geen plotselinge sprongen over gapende kloven.

Maar, behalve dat wij voor het eerst duidelijk bemerken dat onze vreemde verhouding haar einde nadert, kunnen wij ook zien, hoe zij door eigen werking krachten ontwikkelt, die aan haar bestaan of aan het onze een einde moesten maken. Door onze eigenaardige vereeniging der geslachten, waarbij de vrouw zich van den man bedient als middel om haar doel te bereiken,—de moeder-vader die het werk doet voor het hulpelooze wezen dat hij aan zijn hart koestert; de parasiet-gezellin die zelfs verslindt waar zij het meest moest voeden,—is de toestand geboren reeds herhaaldelijk aangeduid: dat de vrouw door den man onderhouden wordt uit geslachtslust. Uit vrees dat hij haar zal verliezen voedt hij haar, en door den nood gedwongen, ook haar jongen. Zij, haar voedsel verdienende door haar geslachtsleven wordt oversekst en werkt daardoor met steeds toenemende prikkeling op zijn geslachts-neigingen en daar deze neigingen verband moeten houden met zijn economisch kunnen, sporen zij hem tot economisch handelen aan en bevordert de vrouw zoodoende de nijverheid en elken vooruitgang. Maar,—en hier volgt nu het natuurlijke einde van een onnatuurlijken toestand, een toestand die wel is waar een tijdlang zijn doel diende, doch die de kiemen van eigen ondergang medevoerde—de geslachtsdrift, versterkt als zij werd door den abnormalen druk van de economische zijde der verhouding, werd zoo overdreven ontwikkeld, dat zij strekte tot vernietiging van individu en ras beide; en zulke karakter-hoedanigheden ontstonden daardoor, dat ook deze strekten tot ons nadeel en onze vernietiging.

Een verhouding die onvermijdelijk een abnormale ontwikkeling voortbrengt, kan op den duur niet gehandhaafd [120]worden. Het toepassen der geslachtsdrift als een sociale kracht heeft zulk een onbegrensde overdrijving van geslachtslust ten gevolge gehad, dat het sexueel in de onnatuurlijke ondeugden der moderne beschaving, en maatschappelijk in de gespannen economische verhouding tusschen voortbrenger en verbruiker, waardoor de maatschappij in tweeën is gedeeld, tot uitdrukking komt. De sexueel-economische verhouding dient om de sociale ontwikkeling tot een zekere hoogte op te voeren. Nadat die hoogte bereikt is, moet een hooger verhouding aangenomen worden òf het proces houdt op opheffend te zijn; het ras gaat dan te gronde door ziekelijke werking van eigen krachten en een jonger ras komt op, om het geheele verloop van sociale evolutie op nieuw te beginnen.

Onder den prikkel der sexueel-economische verhouding verhief zich de eene beschavingstoestand na den anderen, om telkens weder onder te gaan in vermoeiende opeenvolging. Ons is het overgelaten een nieuwer, een beter vorm van geslachtsverhouding en daarmee gepaard gaande economische verhouding te ontwikkelen en zoodoende de vruchten te plukken van voorafgaande civilisatie en opgevoerd te worden tot hooger wezens. De ware en duurzame maatschappelijke vooruitgang, verder dan wij thans gekomen zijn, is gebaseerd op onderlinge menschenliefde, niet uitsluitend op onderlinge geslachtsliefde; hij vereischt een economisch samenstel dat voor menschelijke behoeften en niet voor geslachts-behoeften georganiseerd is. De sexueel-economische verhouding voerde den man tot die hoogte op, waarop hij volkomen mensch kan zijn. Zij verhief en ontwikkelde den menschelijken geest tot hij in staat was die groote sociale belangen te begrijpen en te volbrengen, waarin een opvolgend leven zijn uiting moet vinden. Maar [121]indien het menschdom deze nieuwe krachten niet ziet, ze niet voelt, ze niet trouw dient, dan wordt de hoogte van waar elke verdere vooruitgang moet voortschrijden niet bereikt, en daalt het weder. Telkens en telkens was de maatschappij reeds tot op die hoogte gestegen, bleef dan in gebreke de nieuwe plichten te aanvaarden en zonk terug.

Thans zullen wij niet weder dalen, want het sociale bewustzijn is ten slotte zoo’n bezielende kracht in man en vrouw beide geworden, dat wij duidelijk gevoelen dat ons menschelijk leven niet ten volle door het geslachtsleven alleen geleefd kan worden. Wij zijn reeds zoo ver geïndividualiseerd, zoo ver gesocialiseerd, dat mannen kunnen werken zonder de aansporing van den overdreven geslachtsprikkel, werken voor een ander doel dan alleen voor vrouw en kinderen; terwijl de vrouwen, zonder in den slaafschen toestand van economische afhankelijkheid gebracht te zijn, kunnen liefhebben en dienen,—ja beter liefhebben en meer dienen. De geslachtsprikkel begint en eindigt in de individuen. De sociale zin is een hooger iets, een betere zaak, waar een breeder, edeler leven mede gepaard gaat, een leven zooals wij het nooit zullen leeren kennen, zoolang het alleen op een geslachts-basis rust.

Daarenboven moet men goed begrijpen, wat reeds in wijden kring vaag gevoeld wordt, dat de hoogere ontwikkeling van het sociale leven, die op de economische onafhankelijkheid der vrouwen volgt, een hooger geslachtsleven mogelijk maakt dan tot dusver bekend was. Even snel als de mensch tot op een bepaalde hoogte in maatschappelijken vooruitgang stijgt, even snel verslijt en vergaat deze oorspronkelijke vorm van geslachts-vereeniging; dan gevoelt men ook hoe onvoldaan een zoodanige vereeniging laat en hoe kwetsend zij is. In het [122]hedendaagsche leven is dit reeds duidelijk merkbaar. De lange, zekere, opgaande strooming van het menschelijk ras naar het monogame huwelijk wordt niet langer gesteund, maar belemmerd door de economische zijde van de verhouding. Het beste huwelijk is dat hetwelk gesloten is door de beste individuen; doch heden ten dage voelen de beste individuen van beide seksen zich steeds meer gekwetst door de economische basis van ons huwelijk, een basis die in mannen en vrouwen die eigenschappen en de daaruit voortvloeiende industrieele toestanden voortbrengt en in stand houdt, welke het huwelijk met elken dag moeilijker en wisselvalliger maken.

Daarom moest de vrouwenbeweging door ieder rechtschapen en helderziend man zoowel als vrouw begroet worden als de beste vrucht van deze eeuw. De vooruitstrevende banier voert tot zinspreuk: “gelijkheid voor de wet”, de vrouw een aandeel in het politieke leven; maar de voornaamste vooruitgang is en zal zijn economische vrijheid en gelijkheid. Zoolang leven op aarde bestaat, zullen de economische voorwaarden van elken bestaanden levensvorm er den grondslag van vormen en den toestand beheerschen; het menschelijk leven maakt hierop geen uitzondering. Een maatschappij, wier economische eenheid een geslachts-verbond is, kan zich niet boven een zekere hoogte economisch ontwikkelen; evenmin als een maatschappij, zooals de patriarchale, wier politieke eenheid een geslachts-verbond was, zich boven een zekere hoogte politiek kon verheffen.

De laatste bevrijding van het individu zal de laatste vereeniging van individuen mogelijk maken. Zoolang de zonen zich moesten buigen voor den wil van een patriarchalen vader was democratie een onmogelijkheid. Democratie beteekent, vereischt, is, persoonlijke vrijheid. Zoolang de sexueel-economische verhouding het huisgezin [123]maakt tot het doel waarvoor wij werken, is geen hooger samenleven dan wij thans bereikt hebben mogelijk. Doch zoodra de vrouwen vrije, economische, maatschappelijke factoren geworden zijn, wordt een volkomen maatschappelijke vereeniging van individuen met collectieve voortbrenging mogelijk. Met zulk een vèr strekkende vereeniging, wordt ook een vereeniging tusschen man en vrouw mogelijk, zooals de wereld zich die reeds lang te vergeefs gedroomd heeft. [124]

VIII

Met zoo’n onmisbare en ingrijpende verandering in het menschelijk leven als deze verandering van economischen grondslag in de positie der vrouwen, doen wij goed eindelijk meer aandacht te schenken aan de verklaring van alledaagsche feiten in ons gewone leven, die door elken oppervlakkigen lezer begrepen kunnen worden, indien hij ten minste weet, hoe hij moet lezen. In den regel begrijpen wij niets van de belangrijkste openbaringen aan de menschheid,—de teekenen des tijds. Geschiedkundige crisissen, welke langzaam haar hoogtepunt bereikt hebben, barsten plotseling over ons los, nog voor de overgroote meerderheid van het volk bemerkt dat er iets gaande is. Het eerste geweer dat te Fort Sumter werd afgeschoten, was een buitengewone verrassing voor de meeste burgers der Vereenigde Staten. Toen de adel van Frankrijk werd vernietigd, hadden slechts weinigen dit genoegzaam voorzien om het te voorkomen.

Gelukkig wachten de wetten der sociale evolutie niet op onze erkenning of aanneming er van, zij gaan onverbiddelijk haar gang. Zoo is de verandering, grooter en belangrijker dan de wereld ooit aanschouwd heeft, het langzaam oprijzen van de eeuwenlang onderdrukte vrouw tot volkomen ras-gelijkheid met den man, reeds lang genoeg rondom ons gaande geweest, om opgemerkt te kunnen worden. Zij verscheen om velerlei redenen in Amerika eerder en sterker dan ergens elders.

Het Anglo-Saksisch bloed, dat engelsch mengsel [125]waarvan Tennyson zingt,—“Saksisch, Normandisch en Deensch zijn wij”,—toont de krachtigste uiting van den laatsten stroom van frisch rassen-leven van het Noorden; van deze krachtige rassen, waar de vrouwen meer gelijk waren aan de mannen en de mannen er niet minder mannelijk om waren. De sterke, levendige geest van den godsdienst-opstand in de nieuwe kerk, die protesteerde tegen en zich los maakte van de oude, deed de ziel der vrouw even goed als die van den man ontwaken en in de gelijkheid van het martelaarschap leerden beide seksen naast elkander staan. Daarna, in het durven en zich blootstellen, het harde werken en de bittere ontbering van het pioniers-leven der eerste kolonisten, was de aanwezigheid der vrouwen werkelijk van het hoogste belang en had haar arbeid groote economische waarde. Geslachts-afhankelijkheid werd bijna niet gevoeld. Zij die de kogels goot en de geweren laadde, terwijl de mannen ze afvuurden, was mede-verdediger van huis en haard. Zij die de wol kamde, verfde, spon en weefde was mede-kostwinner van het gezin. Mannen en vrouwen zonden te zamen hunne gebeden op, werkten te zamen en vochten te zamen in betrekkelijke gelijkheid. De ontwikkeling der democratie heeft ons echter meer dan alles de volmaaktste individualisatie gebracht die de wereld ooit aanschouwd heeft. Ofschoon dit in het politieke leven alleen door de mannen wordt geuit, is toch het karakter dat het heeft voortgebracht, ook door hun dochters geërfd. De democratische Federatie die in haar organische vereeniging terugwerkt op individuen, heeft in Amerika den geest der menschen zoo vrij gemaakt, zoo versterkt, zoo aangemoedigd, dat zij de slavernij hebben afgeworpen, en, door denzelfden prikkel in beweging gebracht, den langen strijd voor wettelijke gelijkstelling der vrouw zijn begonnen. [126]

Deze strijd is in Amerika reeds 50 jaren onvermoeid gestreden en nadert thans met snelle schreden zegevierend zijn einde. Het is niet alleen dat in vier Staten ten volle het kiesrecht wordt uitgeoefend door beide seksen, noch dat in vierentwintig andere Staten het kiesrecht voor een deel aan de vrouwen is toegekend, wat wij onder vooruitgang rekenen; maar wij vinden in de wettelijke en maatschappelijke, geestelijke en lichamelijke veranderingen het bewijs dat de moeder der wereld haar rechte plaats in de maatschappij gaat innemen. Hebben wij niet reeds opgemerkt dat de moderne vrouw in grootte, kracht en vlugheid gewonnen heeft? De moderne vrouw, die geest en lichaam staalt, vertegenwoordigt het nieuwe type, waarlijk een edel type. De heldinnen van novellen en drama’s hebben tegenwoordig reeds een ander karakter dan die van het begin dezer eeuw. Niet alleen dat men ze uiterlijk anders schetst, maar zij gedragen zich ook anders. De valsche sentimentaliteit, de valsche preutschheid, de valsche teederheid, de buitengewone valschheid van de overdreven complimenten en kruipende hoffelijkheid, welke met al die andere valschheden hand aan hand gaan, verdwijnen langzamerhand. De vrouwen beginnen oprechter, flinker, sterker, gezonder en werkzaam, bekwaam, vrij te worden, meer menschelijk in elk opzicht.

De verandering in opvoeding is voor een groot deel de oorzaak hiervan en zal er later een gevolg van worden. Dag aan dag vallen hinderpalen neder. Meer en meer worden wegen voor de vrouw geopend waar zij haar geest kan verrijken, en gretig maakt zij daarvan gebruik. Niet alleen onze leerlingen, maar zelfs onze onderwijzers zijn meestal vrouwen. En het heldere en krachtige verstand der vrouwen toont telkenmale hoe onrechtvaardig de laffe beleediging was, waarmede men [127]vroeger steeds verachtelijk sprak van “vrouwelijk verstand.” Vrouwelijk verstand bestaat niet. Hersenen zijn geen geslachtsorganen. Wij zouden even goed van een vrouwelijke lever kunnen spreken.

Aanhoudend gaat de vrouw vooruit in kunsten en wetenschappen, handel en ambachten; doch het is zeer dom met deze betrekkelijke vorderingen aanspraak op superioriteit op dit gebied van vrouwen boven mannen te maken of zelfs hunne gelijkheid hieruit te willen afleiden. Meer voor dit doel geschikt, en wat ook gemakkelijker aangetoond kan worden, is de superioriteit der hedendaagsche vrouwen boven die van vroeger tijden, de onbegrensde nieuwe ontwikkeling van ras-hoedanigheden in de vrouw. Zouden wij ons nog in spreekwoorden uitdrukken, dan zouden onze moderne spreekwoorden niet meer met zulk een verpletterende, onbeteugelde verachting van de hedendaagsche vrouwen spreken, als deze onfeilbare uitspraken der volksmeening vroeger deden.

De volksgeest van heden wordt weergegeven in novellen en romans, eenvoudige verzen en humoristische toespelingen. Onze verandering in omstandigheden en verandering van gevoelens blijkt uit hetgeen door de meeste auteurs vrij geschreven en door de meeste menschen vrij gelezen wordt. In oude romans was de vrouw alleen mooi, voornaam, deugdzaam en soms “talentvol”. Zij deed niets dan beminnen en haten, gehoorzamen of niet gehoorzamen, hier en daar werd zij aan schurken, helden en slechte ouders overgeleverd, werd uitgescholden, viel in zwijm of barstte in tranen uit, al naar het best bij de gelegenheid paste.

De hedendaagsche roman ruimt de vrouw hoe langer hoe grooter plaats in de handeling van het verhaal in. Er worden persoonlijke bijzonderheden van haar vermeld, buiten en behalve haar lichamelijke schoonheid. En zij is [128]niet meer tevreden met er eenvoudig “te zijn”, zij “doet” ook werkelijk iets. Onze romanheldinnen bezitten thans eigenschappen van moed, lijdzaamheid, kracht, overleg, en de macht om een goed overlegd plan snel uit te voeren. Zij hebben een eigen oordeel en een eigen doel, en zelfs wanneer, zooals in zoovele gevallen door de meer reactionaire novellisten beschreven wordt, de pogingen van de heldin volkomen nutteloos blijken en zij meestal vrij onberedeneerd ten slotte toch haar toevlucht neemt tot een huwelijk met economische afhankelijkheid, dan ontbraken toch de pogingen niet. Afkeuren mag hij, zijn kunst gebruiken om te veroordeelen en te verguizen mag hij, maar de ware novellist is verplicht om de kenmerkende verschijnselen van dezen tijd te boekstaven, en geen teeken is meer kenschetsend voor dezen tijd, dan de steeds toenemende individualisatie der vrouwen. Lichtelijk, doch met gelijke onfeilbare waarheid, vertoonen het vernuft en de humor tegenwoordig dezelfde ontwikkeling. De meeste van onze tegenwoordige aardigheden op vrouwen hebben betrekking op haar “nieuwheid”, haar geavanceerdheid.

Geen sociologische verandering, die in belangrijkheid gelijk was aan deze duidelijk opgemerkte verbetering van een geheele sekse, heeft ooit in één eeuw plaats gegrepen. Onophoudelijk gaat de spil waar alles om draait, de groote verandering in de economische verhouding, haar gang. Zij volgt een geheel natuurlijke, richting. Even als het toenemend gebruik van machines de ruwe lichaamskracht in waarde doet verminderen en ontwikkeld verstand en ervaring in waarde doet stijgen, zoo eischt ook de druk van industrieele toestanden een steeds hoogeren graad van arbeidsverdeeling en leidt tot het verdwijnen van dit overblijfsel uit het patriarchale tijdperk,—het gezin als een economische eenheid. [129]

De vrouwen zijn door den druk der noodzakelijkheid tegen haar zin op het veld der economische werkzaamheid aangeland. Voor haar langzaamheid en begeerigheid, een gevolg van eeuwenlange afhankelijkheid, is die verandering volstrekt niet aantrekkelijk. Vele vrouwen werken alleen omdat zij moeten, en niet langer dan tot zij kunnen trouwen en “onderhouden worden.” Ook de mannen, die in de macht van het geld en in de geringe soort dankbaarheid en toewijding die er mede gekocht kan worden behagen scheppen, verwerpen en bestrijden de verandering; maar door dit alles wordt de loop van den socialen vooruitgang slechts weinig gewijzigd.

Een sprekend feit is de toenemende wensch van jonge meisjes om onafhankelijk te worden, om een eigen loopbaan te hebben, ten minste voor een tijd, en het steeds aangroeiend bezwaar van tallooze gehuwde vrouwen om hun man nederig om geld te vragen, om te bedelen voor hun onderhoud. Meer en meer geven vaders hun dochters en mannen hun vrouwen een vast jaargeld—een afzonderlijk bedrag, dat zij naar eigen goedvinden kunnen gebruiken. Het gevoel van persoonlijke onafhankelijkheid bij de tegenwoordige vrouwen is een zeker bewijs dat er verandering is gekomen.

De invoering der machines, waardoor een tijd geleden vele takken van industrie uit het huis verdreven werden, beroofde de vrouw geheel van hare economische waarde; maar thans verheft zij zich en volgt haar verloren spinnewiel en weefstoel naar hun nieuwe plaats, de fabriek. Er is tegenwoordig nauwelijks een industrie aan te wijzen waarin niet eenige vrouwen werkzaam gevonden worden. Door heel Amerika vindt men vrouwelijke werklieden buiten den onbetaalden arbeid van het gezin; bij de laatste volkstelling waren er reeds drie millioen. Dit is zulk een bekend feit en wordt op zoo verschillende [130]wijzen door een zoo groot aantal personen gevoeld dat het tot herhaalde en breedvoerige bespreking en verschillende opvatting aanleiding geeft. Zonder ons hier te verdiepen in de onmiddellijke vóór- of nadeelen hiervan voor de industrie, halen wij dit alleen als een onbetwistbaar bewijs aan van de radicale verandering in de economische positie der vrouwen, zooals die zich thans aan ons voordoet. Voor onze oogen zien wij de vrouw van jaar tot jaar nieuwe banen betreden, maar met deze feiten uit een persoonlijk oogpunt te beschouwen, bleven wij in gebreke den aard der verandering naar waarde te schatten.

Overwegen wij eens de veranderde gezins-verhouding, die met de verandering in de positie der vrouwen gepaard gaat. Geheel afgescheiden van de gespannen verhouding in het huwelijk, worden ook de andere takken van het familieleven door de vreemde nieuwe krachten geïnfluenceerd en beantwoorden er aan. “Toen ik een meisje was”, zucht de grijze moeder, “zaten wij zusters allen stil te naaien, terwijl moeder ons voorlas. Nu gaan mijn dochters allen naar een verschillende club!” Zij zucht, laat ons dat niet onopgemerkt laten. Wij voelen altijd bezwaar veranderingen in die uitingen van het leven te maken, waaraan wij een ethische beteekenis hebben gegeven. Dat al de dochters zouden naaien terwijl de moeder hardop voorlas, werd als goed beschouwd en daarom acht men het verkeerd dat de dochters naar verschillende clubs gaan, omdat hierin gevaar schuilt voor het huiselijk leven. In de periode van gezamenlijk naaien en lezen waren de zoo vergaderde vrouwen even nauw verwant in industrieele en intellectueele ontwikkeling als in familie-verwantschap. Zij konden allen hetzelfde werk doen en zij hielden er van om het te doen. Zij konden allen hetzelfde boek [131]lezen en zij hielden er van om het te lezen. (En lezen werd een halve eeuw geleden, half als een deugd, half als een kunst beschouwd). Van daar het gemak waarmede zulk een groep vrouwen hun gemeenschappelijk werk en hun gemeenschappelijk genoegen opvatten.

De steeds grooter wordende individualisatie door het democratisch leven brengt onvermijdelijk in onze dochters even goed als in onze zonen verandering. Niet alle meisjes houden meer van naaien, velen kunnen het zelfs niet. Nu bij elkaar te gaan zitten naaien, zou in plaats van een harmonisch proces te zijn, op verschillende wijze rusteloosheid, afkeer en zenuwachtige prikkelbaarheid te weeg brengen. En wat het hardop lezen aangaat, het is nu niet meer zoo gemakkelijk een boek te vinden, waarin een goed onderwezen gezin van moderne meisjes en de moeder allen te zamen belang zouden stellen. Met het zich meer specialiseeren, meer differentieeren van het menschenras worden de eenvoudige banden van het familieleven minder sterk gevoeld, terwijl de meer samengestelde banden van het sociale leven krachtiger tot ons spreken; en dit is voor vrouwen zoowel als voor mannen een volmaakt natuurlijk en gewild proces.

Het moet in het voorbijgaan even worden opgemerkt, dat een van de oorzaken van hetgeen men “Americanitis” noemt, gevonden wordt in de toenemende zenuwachtige inspanning om het familieverband te behouden, wat voornamelijk op de vrouwen van invloed is. Nu zij persoonlijk meer zelfstandig worden, lijden zij meer onder de primitieve en onbeteekenende toestanden van het familieleven uit vroegeren tijd. Wat “een vrouw” en “een moeder” verondersteld werd volkomen geschikt te vinden, vindt de ontwikkelde vrouw van heden, die tevens een persoonlijkheid werd, dikwijls leelijk en ongeschikt,—een wantje waar zij een handschoen [132]begeert. De huiselijke zorgen en werkzaamheden die nog niet op de hoogte van den tijd zijn gebracht, laten haar toenemende ontwikkeling geen vrij spel. Waar de embryonische samenvoeging van kok-verpleegster-waschvrouw-kamermeid-huishoudster-naaister-kindermeid tevreden was met een “van alle markten thuis” en niets geheel meester te zijn, daar lijdt de vrouw, die zich in staat voelt in één van die zaken uit te munten, doch daarnaast minder van de andere af te weten dubbel, wanneer zij genoodzaakt wordt te doen waartoe zij zich niet in staat voelt en te laten wat zij goed zou kunnen doen. Het met zorg ontwikkeld modern verstand ondervindt door de botsing en schok van het wel een dozijn keeren daags veranderen van het soort arbeid een bepaald nadeel, een verlies van zenuwkracht. Met de breeder maatschappelijke ontwikkeling van de hedendaagsche vrouw gaat gepaard een geschiktheid en verlangen naar een ruimer arbeidsveld, naar een meer georganiseerde wijze van werken voor grooter doeleinden, waardoor het algemeen belang meer gediend wordt, terwijl de sterke persoonlijke grenzen van de meer primitieve huiselijke plichten, belangen en methoden steeds zwaarder gaan drukken. En deze druk en spanning moet met den vooruitgang der vrouwen grooter worden, totdat de nieuwe functioneele macht zich zelf een organische uiting verschaft en de verouderde huiselijke werkzaamheden onder handen genomen en georganiseerd worden, evenals de andere arbeid van het moderne leven.

Onderwijl evenwel lijden de besten en de meest op den voorgrond tredende vrouwen zeer veel; de maatschappelijke vooruitgang wordt sterk belemmerd door de moeilijkheid om oude toestanden aan nieuwe levensvoorwaarden passend te maken. Men moet toch bedenken dat het niet de wezenlijke verhoudingen van vrouw en [133]moeder zijn, welke door deze verandering gewijzigd worden, maar dat alleen de huishoudelijke werkzaamheden die uit de economische afhankelijkheid van vrouw en moeder voortspruiten en die tot nu toe verondersteld werden een deel van haar functiën te zijn, veranderen zullen. De verandering die wij ondergaan maakt in geen enkel opzicht inbreuk op de ware familieverhoudingen, huwelijk, ouderschap; doch alleen op die onder-verhoudingen, die in een vroeger tijd tehuis behooren en nu langzamerhand gaan verdwijnen. De familie als een geheel, een economisch en maatschappelijke eenheid, blijft niet bestaan zooals zij was. De banden tusschen broeder en zuster, neven en nichten en bloedverwanten in het algemeen, worden langzamerhand minder sterk en zijn verplicht plaats te maken voor nieuwe banden, die een beter verbond zullen vormen.

De verandering werkt opvallender bij vrouwen dan bij mannen, omdat onder haar langer de meer oorspronkelijke phasen van het familieleven bleven bestaan. Een van de meest in het oog vallende teekenen is de eisch der vrouwen niet alleen van eigen geld, maar van eigen werk, om zich persoonlijk te kunnen uiten. Zij die zich verzetten tegen vrouwen-arbeid op grond dat zij niet moeten wedijveren met mannen of niet verplicht moeten worden te strijden voor haar bestaan, beschouwen het werken alleen als middel om geld te verdienen. Zij moeten bedenken dat menschenarbeid een uiting van bekwaamheid is, dat “te doen” en “te maken” niet alleen hoog genot verschaft, maar dat het onontbeerlijk is voor een gezonde lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Slechts weinige hedendaagsche meisjes blijven in gebreke om op de een of andere wijze dezen wensch voor persoonlijke uiting te kennen te geven. Dit zien wij niet alleen in de klassen der maatschappij waar [134]men gedwongen is te werken, maar zelfs onder de rijke vrouwen vinden wij dezelfde krachtige uiting van normale ras-energie. Houtsnijden, ijzersmeden, photographeeren, japonnen maken volgens de regelen der kunst,—om het even wat het is, maar onze tegenwoordige meisjes willen allen iets doen. Het is een zeer gezonde toestand die wijst op de ontwikkeling van raskenmerken in de vrouwen en een evenredige vermindering van geslachtskenmerken, tot deze hun normale verhouding weder zullen hebben ingenomen.

De vrouw ondergaat thans in lichaam en geest, in alles wat met het leven in verband staat een zegenrijke verandering; terwijl zij vroeger in hoofdzaak een geslachtswezen was, ontwikkelt zij zich thans tot een volmaakt menschelijk wezen dat niet minder een ware vrouw is, nu zij meer een waar mensch wordt. Wat ons beangstigt en mishaagt bij het zien van deze dingen komt voort uit ons dwaas wanbegrip dat ras-functiën mannelijke functiën zijn. Er wordt veel inspanning nutteloos verbruikt met te willen aantoonen dat vrouwen geslachtloos en mannelijk zullen worden, door deze menschelijke plichten op zich te nemen. Men zegt ons dat het voor de kindsheid en voor den ouderdom karakteristiek is slechts weinig geslachtelijk onderscheiden te zijn en dat aanneming van eigenschappen die de andere sekse eigen zijn, een verval of een onontwikkelden toestand bewijst. Bij elk ras zijn de jongen minder geslachtelijk onderscheiden en van de ouden van dagen zijn de kenmerkende geslachts-eigenschappen somtijds verwisseld, bijv. het kraaien van oude hennen of het groeien van een baard bij oude vrouwen. Het is om die reden dat men ons overtuigen wil dat de poging der vrouwen om mannelijke economische functiën te verrichten een verminderde beschaving bewijst en diep betreurd moet [135]worden. Er zou eenige reden voor die opvatting zijn, indien de gewone ras-werkzaamheden van de menschheid, waaraan de vrouwen nu zoo ijverig deelnemen, inderdaad mannelijke functien waren. Maar dat zijn zij niet. Wij kunnen onze ziekelijke denkbeelden omtrent geslachts-onderscheid niet bespottelijker uitdrukken dan door dezen liefelijken eisch om alle menschelijke levensprocessen tot geslachts-functien van den man te verklaren. “Mannelijk” en “vrouwelijk” heeft alleen betrekking op reproductieve geslachts-functien, op de processen van ras-behoud. De processen van zelf behoud zijn ras-functien, anders voor iedere diersoort, doch gelijk voor beide geslachten.

Indien kon aangetoond worden dat de hedendaagsche vrouwen een baard kregen of bijv. van bekkenbeenderen veranderden, of basstemmen ontwikkelden, of dat zij in hun nieuwe werkzaamheden de vernietigende kracht, den ruwen oorlogzuchtigen aard, of de intense geslachts-ijdelheid van den man vertoonden, dan zou er reden zijn om zich ongerust te maken. Maar men vond steeds bij elk onderzoek dat ingesteld werd naar vrouwen die werkzaam waren, dat zij toch vrouwen bleven, en dit schijnt voor vele eenvoudige zielen een verrassing geweest te zijn. Een vrouwelijk paard is niet minder vrouwelijk dan een vrouwelijke zeester, maar zij heeft meer functien. Zij kan meer dingen doen, is een hooger ontwikkeld organisme, heeft meer verstand, en met dit alles is zij zelfs vrouwelijker in haar meer uitgewerkte en verder strekkende voortplantingsprocessen. Zoo zal ook de “moderne vrouw” niet minder vrouw zijn dan de “ouderwetsche vrouw”, ofschoon zij ook meer functien verricht, meer dingen kan doen, een fijner ontwikkeld, organisme heeft en meer verstand bezit. Zij zal met dit alles vrouwelijker zijn, daardoor zal zij veel beter voor [136]de kinderen zorg dragen dan met onze tegenwoordige verspillende, betreurenswaardige methode, waarbij wij, evenals een kabeljauw, vijftig percent van de jongen verloren laten gaan, mogelijk is. Een gehuwd paar, zegt de wetenschappelijke dictator in allen ernst, heeft gemiddeld vier kinderen noodig om de bevolking op de tegenwoordige hoogte te houden, twee om de ouders te vervangen en twee om dood te gaan,—een pleizierige manier van doen en eene die veel tot den goeden naam van ons moederschap bijdraagt!

De snelle uitbreiding van den werkkring der moderne vrouw heeft niets te maken met de verwisseling van sommige mannelijke en vrouwelijke eigenschappen; dit is eenvoudig een voortgang in menschelijke ontwikkeling waarbij de eigenschappen aan beide seksen eigen, nu duidelijker aan het licht komen, en wat in zijne gevolgen zeer heilzaam is. Ieder die het leven rondom ons gadeslaat moet de verandering in de toestanden opmerken. Het is jammer dat wij het belang er van niet genoeg weten te waardeeren. Want de groei en het krachtig optreden van het gemeenschapsgevoel onder ons allen, is een even duidelijk en merkbaar teeken van het moderne leven als de verandering in de positie der vrouw, en beide zijn nauw verwant.

Nooit te voren hebben de menschen zooveel voor anderen gevoeld. Van de beginnende uiting van grooter belangstelling in en hulpvaardigheid voor andere menschelijke wezens, tot aan de laatste uiting van de vage, blinde, weifelende beweging voor internationale rechtvaardigheid en wetten, worden de gemoederen heden ten dage in beroering gebracht. Het geheele maatschappelijk lichaam krijgt tegenwoordig plotselinge gevoelsrillingen, wanneer in het een of ander deel van de wereld groote droefheid of reden tot vreugde heerscht. Toen [137]het bericht van “de negerhut van Oom Tom” het hart van alle menschen had aangegrepen en in vuurgloed gezet had; het vuur van menschelijke liefde en medelijden dat in ons allen latent is en dat steeds verlangt naar een gelegenheid tot gemeenschappelijke uiting, toen bleek dat in elk beschaafd land de menschen van onzen tijd over sommige onderwerpen gelijk denken. Niets kon in den tijd van Perikles, Augustinus of zelfs van Elisabeth den geest zoo hebben wakker geschud, omdat de menschheid in dien tijd nog niet zoo ver gesocialiseerd en zoo ver geindividualiseerd was om in staat te zijn zoo gemeenschappelijk te voelen.

Uitvindingen en wetenschappelijke ontdekkingen werken er voortdurend toe mede om de wereld thans tot eenheid te brengen. Dikwijls wordt beweerd dat het verstand van de Grieken of van de groote denkers der Middeleeuwen sterker en grooter was dan het verstand der hedendaagsche menschen. Misschien is dat waar. Evenzoo waren de lichamen van een megatherium (voorwereldlijk gordeldier) en een ichthyosaurus (voorwereldlijke hagedis) sterker en grooter dan de lichamen der hedendaagsche dieren. Toch stonden zij in organische ontwikkeling lager. De maatstaf voor maatschappelijken vooruitgang ligt niet zoozeer in de bekwaamheid van het individu, als wel in de organische verhouding der individuen, waardoor de vooruitgang van ieder afzonderlijk ten bate komt aan allen. Emerson heeft meer voor Amerika gedaan dan Plato kon doen voor Griekenland. Plato heeft inderdaad meer voor Amerika gedaan dan hij kon doen voor Griekenland, omdat door de drukpers en de openbare scholen het denken vrijer werd en wat gedacht werd gemakkelijker aan anderen kon worden medegedeeld.

Menschelijke vooruitgang moet gezocht worden in het [138]volmaken der maatschappelijke organisatie, en hierin gaan wij thans met reuzenschreden vooruit. Terwijl bij de meer oorspronkelijke volkeren alleen nadeel gevoeld werd, wanneer het individu daardoor aan zijn lichaam of in zijn persoonlijke belangen getroffen werd, en later wanneer het zijn natie of kerk betrof, is tegenwoordig het gevoel reeds zoo ontwikkeld, dat wij in verzet komen wanneer vreemde natiën onrechtvaardig behandeld worden. De beschaafde wereld heeft geleden onder de martelingen in Armenië, ofschoon de wijze waarop de maatschappij aan hare verontwaardiging lucht geeft nog niet de juiste is om het sociale gevoel en den socialen wil ten volle tot uitvoering te brengen.1 Altijd ontstaat eerst de functie en dan het orgaan; het menschelijk hart en de menschelijke geest, welke het hart en de geest der maatschappij zijn, moeten eerst lang gevoeld en gedacht hebben, alvorens het maatschappelijk lichaam zich krachtig kan uiten.

Het maatschappelijk voelen en denken wordt elken dag krachtiger en werkzamer. In onze lastige pogingen om tot internationale arbitrage te komen; in de half-gewilde verbonden en overeenkomsten tusschen groote volkeren; in de samenwerking der geheele menschheid om zeeën en bergen en woestijnen door stoom en electriciteit over te steken; in het vestigen van zulke wereld-functiën als de internationale postdienst;—in deze uiterlijke zaken begint onze maatschappelijke eenheid reeds te werken. Wie heeft op het meer bekende terrein van het huiselijk leven niet opgemerkt hoe velen van ons bestendig worden bezig gehouden voor de belangen [139]der gemeenschap, zelfs ten koste van hun eigen-belang. Aanvankelijk werden vrouwen die belangstelling toonden in den gang der maatschappij met spot overladen door zulke personen als een juffrouw Pieterse of mevrouw Smit, ofschoon enkele vrouwen, die zoo groot waren of zoo voor godsdienst en philanthropie ijverden, dat zij achting afdwongen, vrouwen als de heilige Elisabeth Frij, Clara Burton en Florence Nightingale, hieraan ontkwamen. Doch beide categorieën van vrouwen behooren tot denzelfden tijd, maken deel uit van dezelfde verschijnselen. Tegenwoordig is er in geheel Amerika, om niet van andere landen te spreken, nauwelijks één verstandige vrouw te vinden, die niet op de eene of andere wijze werkzaam deelneemt aan een maatschappelijk belang, die niet erkent, dat zij nog andere plichten te vervullen heeft, buiten die welke alleen haar eigen bloedverwanten ten goede komen.

De beweging voor het vormen van verschillende bonden voor vrouwen is een van de belangrijkste sociologische verschijnselen van deze eeuw,—eigenlijk van alle eeuwen,—omdat zij de eerste bedeesde pogingen tot sociale organisatie van deze zoo lang ongesocialiseerde leden van ons ras aantoont. Het maatschappelijk leven moet onvoorwaardelijk organisatie ten grondslag hebben. De militaire organisatie welke vrede bevordert, de industrieele organisatie waardoor het leven onderhouden wordt en alle opvoedkundige, godsdienstige, liefdadige organisatiën welke voor onze hoogere behoeften zorgen, stellen de wezenlijke factoren van die sociale werkzaamheid samen, waarin wij als individuen leven en opgroeien; en het is daarom duidelijk dat, terwijl vrouwen aan deze organisatiën vroeger niet deelnamen, zij ook niet aan het sociale leven deelnamen. Haar hoofdzakelijke verhouding tot de maatschappij was [140]een persoonlijke, een dierlijke, een sexueele verhouding. Zij brachten de menschen voort waaruit de maatschappij was samengesteld, maar zij maakten geen deel uit van de maatschappij. Natuurlijk waren zij in hunne hoedanigheid onmisbaar, maar evenmin als wij voedsel een deel noemen van de maatschappij omdat de menschen niet bestaan kunnen zonder te eten, evenmin mogen wij de vrouwen een deel van de maatschappij noemen, omdat menschen niet bestaan kunnen zonder geboren te worden. Vrouwen hebben menschen gemaakt, die de wereld maakten en men behoeft geen vrees te koesteren dat zij niet altijd daarmede zullen voortgaan. Maar tot nu toe speelden zij een zeer onbeteekenende rol in de door haar zonen gemaakte wereld.

De eenige vorm van organisatie voor de vrouwen was langen tijd de ongehuwde godsdienstige gemeenschap. Deze is haar altijd dierbaar geweest. Evenals thans vele vrouwen haar onafhankelijkheid niet willen opofferen voor een ongewenscht huwelijk, zoo vluchtten er vroeger velen voor een gevreesd huwelijk naar de gemeenschappelijke onafhankelijkheid van het klooster. De liefde der vrouwen voor de Kerk vindt haar grondslag niet alleen in godsdienstige gevoelens, maar in de zucht van den mensch om gezamenlijke belangen te dienen en gemeenschappelijken arbeid te verrichten; en de vrouwen konden daarvoor in de Kerk alleen bevrediging vinden. Daar konden zij ten minste te zamen zijn. Daar konden zij voelen met anderen, werken met anderen,—het hoogste menschelijk genot. Toen de Kerk haar werkzaamheden uitbreidde, vond zij overal in de vrouwen haar vlijtigste en vertrouwdste arbeiders. Te zamen te werken, te zamen fondsen te vormen voor een gemeenschappelijk doel, voor een nieuw gebouw of een nieuwe geestelijke, voor plaatselijke, liefdadige instellingen of [141]voor zendingen in den vreemde,—als het maar betrof samenwerking voor andere behoeften dan die van het huisgezin,—dit is altijd met blijdschap door de strijdende menschelijke ziel der vrouwen aanvaard. Toen het mogelijk werd samen te werken voor andere dan godsdienstige doeleinden,—toen de vrouwen groote maatschappelijke belangen mochten dienen, bijv. het werk mochten doen in de ambulances gedurende den laatsten Amerikaanschen oorlog, waren zij overal onmiddellijk bereid in deze behoefte te voorzien. De oprichting en uitbreiding van de grootste vrouwen-organisatie, de Women’s Christian Temperance Union (christelijke-vrouwen-geheel-onthouders-vereeniging) heeft op nieuw aangetoond hoe bereidwillig het hart van de vrouw is, om andere dan persoonlijke belangen te dienen. Door heel Amerika verrijzen de vrouwenbonden thans als paddestoelen uit den grond. De bonden vereenigen en verbinden zich tot stedelijke bonden, staatsbonden, nationale bonden en zelfs tot wereldbonden. Met elken dag neemt het gevoel van menschelijke eenheid onder vrouwen toe. Dit niet op te merken is onmogelijk. Deze nieuwe groei in het sociale leven, dit plotseling en buitengewoon versterken van onze beste krachten in haar allereerste levensuiting niet met voldoening en bewondering gade te slaan, is alleen reeds een bewijs hoe blind wij zijn voor den waren menschelijken vooruitgang en hoe onverstandig wij zijn ons zoo te hebben gehecht aan ons buitensporig geslachts-kenmerk.

Een van de meest gewaardeerde teekenen van dezen vooruitgang is de zielegrootheid die in het leven wordt uitgestort. Het is een overal opgemerkt feit dat onder den druk van ons modern zaken-leven de eerzucht en het idealisme aan het afnemen zijn en van lager gehalte worden. Wij worden opgevoed om overtuiging [142]en geweten en eergevoel ondergeschikt te maken aan de eischen van succes in zaken, onze edelste gaven op te offeren voor de meest onedele praktijken, met de laffe verontschuldiging: “een mensch moet leven.”

In deze levensphase komt thans een nieuwe geest,—de geest van vrouwen als Elisabeth Cady Stanton en Susan B. Anthony; van dr. Elisabeth Blackwell en haar schitterende zusterschaar; van al de vrouwen die geleden en gestreden hebben een halve eeuw lang, die met kracht den weg baanden met opoffering van zoo veel wat haar lief en dierbaar was, naar het veld van vrijheid, haar zoo lang ontzegd,—niet voor zich zelf alleen, maar ook voor anderen. Wij hebben het luide uitgebazuind dat de huishouding en het huisgezin onder zulk een loop van zaken zouden lijden. Wij hebben niet weinig er aan meegedaan de onaantrekkelijke en onvrouwelijke figuren onder deze vrouwen die de voorhoede vormden bespottelijk te helpen maken.

Maar weinigen van ons dachten er over na, hoeveel geestkracht er noodig was om de lieve oude paadjes, door zoo vele voeten plat getreden, te verlaten en heel alleen nieuwe wegen te banen en die te volgen. De aard van de inspanning bracht mede en de aard van den tegenstand dien zij zich op den hals gehaald hadden leidde er toe, om de zachte bekoorlijkheden en bevalligheden van den over-vrouwelijken staat te verliezen; doch de vrouwen die volgen en zachtjes de treden beklimmen die deze groote voorgangsters zoo ijverig op gebouwd hebben, kunnen het nieuwe werk op de nieuwe wegen verrichten en toch veel behouden van hetgeen deze krachtige heldinnen hebben moeten opofferen.

Niet doctor zijn maakt een vrouw onvrouwelijk, maar de behandeling welke de eerste vrouwelijke medische [143]studenten en doctoren van hare mannelijke collega’s ontvingen, was van dien aard dat het mannen onmannelijk maakte. Die tijd is reeds lang voorbij. De poorten zijn bijna alle geopend, ten minste in sommige landen;—de ras-bekwaamheden der vrouwen kunnen zich thans vrij ontwikkelen, zoo als uit den aard der zaak wel zal geschieden. Het voornaamste struikelblok ligt nu in het verwrongen karakter van de vrouw zelf.

Hoe groot ook de vrouwen mogen zijn die in elk opzicht den hoogsten geest des tijds belichamen, de zware erfenis van de jaren die achter ons liggen blijft toch nog op ons drukken, er bestaan nog tallooze zwakke, kleinzielige vrouwen, die geen hooger begeerten kennen dan die van een verliefd guineesch biggetje. Ook deze vrouwen zullen tot werken gebracht en haar over-ontwikkelde geslachts-aard tot de normale ontwikkeling terug gevoerd worden, door het onzekere bestaan van een afhankelijk, onproductief leven. Zij moeten eerst erkennen dat zij benadeeld worden. Zij moeten de moeilijkheid waarin zij verkeeren begrijpen en die moedig en flink onder de oogen zien.

Maar dit is een zaak van persoonlijke wilskracht, van subjectieve bewustwording. Wat wij in de zaak zien en waarin wij ons verheugen is dat, met of zonder haar bewusten wil, met of zonder de toestemming en de hulp van mannen, zelfs ondanks de historische dwaasheid van enkele vrouwen om zwaren tegenstand te bieden aan den vooruitgang der anderen,—het wijfje van ons ras zekere en snelle vorderingen maakt in menschelijke ontwikkeling. [144]


1 Terwijl ik dit werk vertaal lijdt de gansche beschaafde wereld onder het onrecht, dat de Zuid-Afrikaansche Republieken door Engeland wordt aangedaan en het gevoel van onmacht om daaraan een eind te maken.

IX

Wanneer men de onderwerping der vrouwen zoekt te rechtvaardigen, dan wordt gewoonlijk aangevoerd dat het belang der kinderen die vereischt, omdat de vrouwen onder dezen toestand zich uitsluitend aan het moederschap kunnen wijden. In deze bewering zijn twee zwakke punten. Het een is dat dit belang der kinderen niet bewezen kan worden; het ander dat het niet de diensten van het moederschap zijn waaraan de vrouw zich geheel wijdt, maar dat het de diensten van het geslachts-leven zijn. In plaats dat de economische afhankelijkheid der vrouwen in het belang van het nageslacht werkt, heeft zij daarentegen een ziekelijk moederschap en een afnemend geboorte-cijfer ten gevolge.

In de eenvoudige tijden van voorheen was er een periode waarin het krijgen van kinderen voor de vrouwen een economische beteekenis had, toen beschouwde men hen alleen in dat opzicht van nut; vervulden zij die taak niet, dan stonden zij ook niet in eer of aanzien. Zulk een toestand leidde er toe, de hoeveelheid kinderen sterk te doen toenemen, al geschiedde dit ook ten koste van de hoedanigheid. Doch toen met de ontwikkeling der industrie het gewicht van economische zorgen op de schouders van den man toenam, begon men kinderen als een last te beschouwen en werd hun komst door den hard werkenden vader niet meer in die mate gewenscht. Zij verkleinen het inkomen van het gezin; en de moeder die uitsluitend met dat inkomen moet rondkomen en in haar positie van onbetaalde dienstbode [145]overwerkt is, voelt zich volstrekt niet gedrongen onder dien economischen druk naar het moederschap te streven. Bij de werklieden,—waartoe toch de meerderheid van een volk behoort,—is de vrouw dan ook niet uitsluitend werkzaam in dienst van haar kinderen. En onder de verstandigste en nauwgezetste werklieden bestaat tegenwoordig een merkbare afkeer van groote gezinnen, en bestendig wordt getracht om de uitbreiding van het gezin te voorkomen.

Mocht men meenen dat deze beschouwing in geen direct verband staat met de economische positie der vrouw, maar veeleer met den algemeenen staat der werklieden, dan bezie men denzelfden toestand eens bij de rijke lieden naderbij. Hier is de economische afhankelijkheid der vrouw tot het uiterste opgevoerd. De dochters en vrouwen van de rijken doen nog niet eens het huiselijk werk dat door de vrouwen uit arme gezinnen moet verricht worden. Zij zijn van de wieg tot het graf volmaakt on-productief, zoowel in goederen als in arbeid van economische waarde en zij verteren daarentegen van zulke goederen en arbeid een hoeveelheid, welke alleen door de koopkracht van hunne mannelijke bloedverwanten begrensd wordt. Hun economische beteekenis, gehuwd of ongehuwd, ligt in hun macht de mannen aan te trekken en te bekoren; en deze macht is niet die van het moederschap. Integendeel, het moederschap ontrooft vele vrouwen haar persoonlijke bekoringen en neemt veel van haar tijd in beslag, waardoor zij allerlei genoegens en voordeel die voor een vrouw zonder kinderen verkrijgbaar zijn, moeten derven. Zij profiteeren het meest door de geslachtsverhouding zonder haar natuurlijke gevolgen; en daarom is het economisch in haar voordeel het moederschap tegen te gaan, in plaats van het in de hand te werken.

Indien men de uiterste grens van de sexueel-economische [146]verhouding uit dit oogpunt beschouwt dan is het voor ieder duidelijk waar te nemen. Niets werkt toch de verbetering van het ras door het moederschap meer absoluut tegen dan de prostitutie. Met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het moederschap, zooals de koningin-bij doet, of met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het geslachts-leven zonder moederschap, zooals de prostituée doet, bevordert men niet de verbetering van het ras. En toch bestaat er nog steeds een krachtige volksmeening, dat het voor ons ras van het grootste belang is dat alle vrouwen van directe economische werkzaamheden bevrijd blijven, opdat zij zoodoende al hun krachten beschikbaar houden voor de schoone taak van het moederschap.

In The Forum van November 1888 schrijft Lester F. Ward een artikel getiteld: “Our better halves” (onze betere helft), waarin hij duidelijk de superioriteit van het vrouwelijk geslacht uit een biologisch oogpunt aantoont. Natuurlijk verwekte dit artikel veel tegenspraak; en in een weerleggend stuk “Woman’s place in nature” (de plaats der vrouw in de natuur), (The Forum Mei 1889) zet Mr. Grant Allen zeer uitvoerig de algemeene opinie over dit onderwerp uiteen. Van de vrouw zegt hij: “ik geloof dat het waar is dat de vrouw veel minder dan de man het ras vertegenwoordigt, dat zij waarlijk op het oogenblik nog zelfs niet ten halve tot het ras behoort, maar eerder een deel er van uitmaakt, bepaald bestemd voor de instandhouding van de soort; precies als hommels en mannelijke spinnen deelen zijn van hun soort, alleen aangewezen voor de uitoefening van hun mannelijke functiën, of zoo als honingbijen individueele insekten zijn, alleen bestemd om als levende honingpotten voor de gemeenschap te werken. De vrouw moet zich alleen aan de voortplanting wijden.” [147]

Sedert op biologische gronden bewezen werd dat het zeer langzaam ontstaan en ontwikkelen van het mannelijk organisme uitsluitend als een reproductieve noodzakelijkheid moet opgevat worden; en sedert vrouwen worden opgeofferd niet aan reproductieve noodzakelijkheden, maar aan zeer onnoodige en beleedigende geslachtelijke handelingen onder den druk hunner economische afhankelijkheid, vertoont een bewering als die van Mr. Grant Allen een sterk humoristische zijde. Zijne meening wordt evenwel niet alleen gedeeld door menschen die beweren van sociologie en biologie een bijzondere studie te hebben gemaakt, maar het groote publiek denkt er evenzoo over en daarom is het noodig dat wij er onze aandacht aan wijden. Wie de meening van Mr. Grant Allen deelen, moeten echter toestemmen dat de over-ontwikkeling van het geslacht een gevolg is van de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen en dat een reeks individueele en maatschappelijke zonden uit deze over-ontwikkeling voortspruiten. Zij moeten verder zelfs toegeven dat de economische ontwikkeling van het ras er eenige schade door lijdt. Maar zij zullen in antwoord daarop beweren dat deze ziekelijke toestanden bij den menschelijken vooruitgang behooren; dat door de vrouw voor den dienst van het moederschap te bestemmen de menschheid meer goed dan kwaad ondervindt, hoe groot dit laatste ook mag zijn; en omgekeerd, dat het individueele en maatschappelijke voordeel door economische vrijheid der vrouw verkregen, niet opweegt tegen het verlies het ras toegebracht, door opheffing van een moederschap, waaraan de vrouwen zich speciaal wijden.

Om dit te weerleggen is het noodig aan te toonen dat onze groote toewijding aan de kinderen niet zulke voordeelige resultaten heeft als wel verondersteld wordt; [148]dat de invloed van ons moederschap op het ras eerder beneden dan boven die van andere diersoorten staat; dat deze mindere invloed zijn oorzaak vindt in de sexueel-economische verhouding; dat het weder instellen van de economische vrijheid der vrouw het moederschap zal ten goede komen; en ten slotte langs welke lijn van sociale en individueele ontwikkeling deze verbetering praktisch te verkrijgen is.

Bij de behandeling van dit onderwerp hebben wij behoefte aan een bijzondere geestelijke voorbereiding. Wij dienen aan te toonen dat onze denkbeelden hierover door vooroordeel een eigenaardige tint hebben aangenomen, en dat wij in geen andere gedachtensfeer zoo door onze aandoeningen verblind worden. Dit onderwerp is altijd boven eenig ander, meer een kwestie van gevoel dan van verstand geweest. Ook de verhouding der seksen is grootendeels een kwestie van gevoel, maar wij hebben die tevens tot een onderwerp van studie, van vergelijking, van bespiegeling gemaakt. Er bestaan dientengevolge verschillende meeningen over de geslachts-verhouding, maar over het moederschap bestaan er geene. Hier en daar durft de een of ander philosoof, een Plato, een Rousseau, eenige gedachten wijden aan dit onderwerp; maar over het geheel is geen thema van zooveel belang zoo weinig als dit bestudeerd geworden. Men beschouwt het moederschap als heiliger dan godsdienst, bindender dan de wet, bekender dan de wijze van eten; wij zijn allen geboren en opgevoed in de aangenomen verheerlijking er van, en op ouderen leeftijd deelen wij het weder evenzoo aan de jongeren mede. Iemand kan met minder gevaar om uitgejouwd te worden den wil en de daden van zijn God dan van zijn moeder in twijfel trekken. Deze moeder-vergoding is een zoo diep ingeworteld, zoo [149]wijd verspreid en lang bestaand gevoel dat zij zich op iederen trap van geestelijke ontwikkeling vertoont. Zij is met onze godsdienstige gevoelens eenerzijds en met onze geslachts-neigingen anderzijds zoodanig saâmgeweven, dat het bijna onmogelijk is over dit onderwerp helder en kalm na te denken; immers lang was het verboden om over godsdienst en geslachts-kwesties van gedachten te wisselen, wijl het een te heilig en het andere te onheilig was. Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom wij in dezen zoo vol vooroordeel zijn.

Het instinkt dat het kind naar de moeder drijft is even oud als dat wat de moeder naar het kind drijft, beide dateeren uit de periode toen het kind voor het eerst zorg noodig had, misschien reeds uit den tijd der latere reptiliën. Deze band tusschen moeder en kind heeft onafgebroken door de geheele lijn van progressie bestaan en is bij ons sterker dan bij eenig ander schepsel, omdat in onze sociale ontwikkeling de ouders voor het kind niet alleen het geheele leven door, maar wegens ons erfrecht, zelfs nog na den dood van belang zijn. Een zoo vroeg, zoo hoogst belangrijk, zoo lang opgehoopt dierlijk instinkt, dat nog door maatschappelijke wetten versterkt wordt, is een groote kracht, waarbij bovendien nog gevoegd moet worden de lange periode van groote ouder-vereering. Daardoor veranderen de dwaze begrippen van vroegere vergoders van de idee der ouderlijke heiligheid geheel, want zij die eerst een God van hun vader gemaakt hadden, maakten daarna een vader van God, en dit diep godsdienstig gevoel heeft het gewicht van instinkt zeer verhoogd. Ook familie-regeering, onbegrensd als zij was in het patriarchale tijdperk, heeft ons eerbiedig, blind vertrouwen in het ouderschap zoo hoog opgevoerd, tot het majesteitsschennis werd aan de goede plichtsvervulling er van te [150]twijfelen. Op twee zeer belangwekkende overgangen in deze sfeer moet gewezen worden. De een is dat het toppunt van kinderlijke toewijding in het patriarchale tijdperk bereikt werd, in den tijd toen de vader de eenige machthebbende en de voeder van het gezin was en naar goedvinden zijn kinderen mocht slaan of verkoopen; doch dit overblijfsel van onder-vereering verminderde bestendig met de wijziging van den regeeringsvorm tot in onzen democratischen tijd, waarin met volle ontwikkeling van persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid de laagste graad van kinderlijken eerbied en onderwerping aangetroffen wordt. In plaats daarvan is in aller belang de ongedwongen, liefelijke omgang tusschen ouders en kinderen gekomen, die vroeger, toen de kinderen een kruipende houding tegenover hen moesten aannemen, volkomen onbestaanbaar was.

De ander is de langzame overgang van de hoogste vadervereering “de schepper van mijn bestaan”, zooals het kind gewoon was hem te beschouwen, naar onze moderne moederwaardeering. De stervende soldaat op het slagveld denkt aan zijn moeder, verlangt naar haar, niet naar zijn vader. De reiziger en banneling droomt van zijn moeders zorgen, zijn moeders versnaperingen. De pathos der volkssprookjes gaat heden reeds zoover dat men “den verloren zoon” naar zijn moeder terugbrengt, niet naar zijn vader. Indien de oorspronkelijke “verloren zoon” een moeder had gehad, dan zou die zeker bezig geweest zijn het vetgemeste kalf te braden, toen hij terugkwam. Indien de tegenwoordige “verloren zoon” een vader heeft, dan heeft die alleen de verplichting het kalfsvleesch te betalen. Onze teederste gevoelens, onze diepste eerbied, onze hoogste verbolgenheid over een beleediging concentreeren zich tegenwoordig allen meer om de moeder dan om den vader; en dit is een sterk [151]bewijs dat de erkenning van de werkelijke waarde van de vrouw in het leven en de plaats die zij er moet innemen, ons wordt ingegeven, terzelfder tijd dat ons verstand beide kan begrijpen. Niets kan ooit de waarheid van de waarde der moeder overschatten. Ons instinkt geeft ons den rechten weg aan, zooals trouwens alle diep ingewortelde sociale instinkten doen; maar rondom dit instinkt zijn een hoop valschheden en dwaasheden opgegroeid, die er altijd toe leiden den vooruitgang er van te vertragen en te beletten.

Als de hoofdpersoon bij de voortplanting wordt de moeder hoofdzakelijk op eenvoudige physiologische gronden vereerd. Als de hoofdpersoon in vormende liefde, de groote voorwaarde voor menschelijk geluk, is zij de bron van onzen geheelen groei. Als de beginner der industrie is zij nog eens een bron van vooruitgang. Als de eerste en laatste opvoedster vormt zij buiten haar lichaam wat zij daar binnen schiep; en daar zij de zichtbare, voelbare, beminnelijke, levende type van dit alles is, het wezen in wiens persoon de volle som van goedheid voor het individu is uitgedrukt, is het geen wonder dat onze sterkste, diepste, teederste gevoelens zich groepeeren om het beteekenisvolle woord “moeder”.

Stemmen wij met dit alles volkomen in, dan blijft nog voor ons over het volle licht der wetenschap en het eerlijke werk der gedachte naar deze, evenals naar iedere andere phase van het menschelijk leven te richten; ons gevoel te laten rusten en ons verstand te gebruiken; uit te maken of wij zelfs hier wel gerechtigd zijn om het belangrijkste werk van het individueele leven volgens de methoden van het primitieve instinkt te blijven verrichten. Het moederschap is slechts een levensproces en als alle levensprocessen mag het bestudeerd worden. Onder onbewuste, beginnende levensvormen [152]volbrengt het zijn taak door een eenvoudig instinkt. In het bewuste en samengestelde menschelijk leven eischt het veel talrijker en verschillender krachten om zijn taak goed te vervullen. Bij ons is het een bewust proces,—een proces dat goede of slechte gevolgen kan hebben. Deze willekeurige macht brengt nieuwe verantwoordelijkheden en de behoefte aan nieuwe methoden mede,—een behoefte die niet enkel hierop neerkomt, om te overwegen of wij de plichten van het moederschap wel aanvaarden mogen, maar hoe wij ze het best vervullen kunnen.

Het moederschap moet evenals ieder ander natuurlijk proces beoordeeld worden naar zijn resultaten. Het is goed of slecht naarmate het aan zijn doel beantwoordt. Het menschelijk moederschap moet beoordeeld worden naarmate het aan zijn doel voor het menschelijk ras beantwoordt. Zijn eerste doel is het ras voort te planten door reproductie van het individu; het tweede het ras te verbeteren, door verbetering van het individu. Het zuiver eenvoudige werk van voortplanting wordt evengoed volbracht door het leggen van eieren, die soms na den dood van de moeder eerst worden uitgebroed, als door jarenlang dienstbetoon aan de kinderen; maar voor het verbeteren van het ras komen wij met andere eischen. De functiën van het moederschap zijn even natuurlijk vermeerderd als de functiën van de voeding, en elk ontwikkelingsstadium heeft voor de moeder nieuwe plichten mede gebracht. De moeder-vogel moet haar jongen uitbroeden, de moeder-koe moet haar jongen zoogen, de moeder-kat moet jagen voor ze; en van elken afzonderlijken dienst welken de moeder verricht, moet de waarde beoordeeld worden naar de gevolgen voor de jongen. De maatstaf voor het ware moederschap wordt gevonden in datgene wat [153]gedaan wordt in het werkelijk belang der jongen, en het beste voor de jongen zal wel datgene zijn, wat hun een beter toekomstig bestaan verschaft dan dat van hun ouders. Het doel van het ware moederschap is een beter wezen dan de ouders in de wereld achter te laten.

Dit doel wordt in het menschenras door twee processen gediend: door de eenvoudige individueele functie van voortplanting, waartoe ook alle zorg en verpleging behooren; en door de saamgestelde, maatschappelijke functie van opvoeding. Aanvankelijk was deze laatste een moederlijke functie en daarom een individueele, maar sedert lang is zij eerder een ras- dan een individueele functie geworden, die in geen betrekking meer staat tot de sekse of eenige andere persoonlijke beperking. De kinderen hebben voor een goede ontwikkeling niet alleen de liefde en zorg der moeder noodig, maar bovendien de zorg en opvoeding van vele anderen. Dit is in zulk een uitgebreiden zin waar, dat men in het algemeen kan zeggen dat het tegenwoordig voor een kind beter zou zijn om totaal verlaten, zonder moeder of eenig familielid, in de straten eener groote stad te staan, dan met een groote en aanhankelijke familie overgebracht te worden naar het “donkerste Afrika”.

Menschelijke functiën zijn ras-functiën, maatschappelijke functiën, en daartoe behoort opvoeding. De plicht van de mensch-moeder en de maatstaf voor een goede of slechte vervulling er van moet beoordeeld worden naar de vruchten der voortbrenging en opvoeding. Aangezien er geen diersoort boven ons staat bij wie wij ons moederschap kunnen vergelijken, moeten wij den maatstaf bij lager diersoorten aanleggen. Wij moeten bewijzen kunnen dat wij in de functiën, die wij met hen gemeen hebben, hooger staan dan zij.

Slaagt de mensch-moeder beter in de voortplanting [154]van haar soort dan andere dieren van de orde mammalia? Brengt zij de jongen beter in de wereld en voedt zij ze beter op dan moeders van lager diersoorten? Deze dieren, minder bewust dan wij, handelen eenvoudig door hun instinkt: zij paren in het daarvoor bestemde jaargetijde; zij voeden, bewaken, verdedigen hun jongen zoo goed als zij kunnen en zij laten schepsels in de wereld achter even goed of beter dan hunne ouders. Wij hebben van wilde dieren weinig vertrouwbare gegevens, en het is moeilijk om de natuurlijke processen van de tamme dieren los te maken van onze inmenging. Maar bij beide toont de eenvoudige handhaving der soort dat het moederschap ten minste tamelijk goed in de voortplanting slaagt; en bij de dieren die wij voor ons voordeel laten broeden, zien wij duidelijk de mogelijkheid dat het ras door het voortplantingsproces alleen reeds verbeteren kan. Kunnen wij nu met ons menschelijk verstand en ons menschelijk geweten, rijk door macht en wijsheid en door het heerschen over de andere rassen, kunnen wij als moeders de vergelijking met onze voorgangers doorstaan?

Het menschelijk moederschap vertoont meer ontaardingskenmerken dan eenig ander; het is ongezonder, onvolmaakter, zieker. De jongen van de menschen zijn eveneens ziekelijk. Wij als dieren, zijn in deze omstandigheid zeer inferieure dieren. In plaats van ons zelf te verheffen op den grooten moed waarmede wij “de gevaren van het moederschap” onder de oogen zien en te pochen dat wij ons “in levensgevaar begeven” voor onze kinderen, moesten wij ons liever schamen, dat wij moeder en kind beide aan zulke gevaren blootstellen. In levensgevaar begeven? Maar dat is het levenslicht voor de ongeborene; en daar bestaat trouwens geen [155]levensgevaar, behalve wat wij, de moeders, door ons onnatuurlijk leven, over onze eigen kinderen gebracht hebben. Levensgevaar, natuurlijk, voor de duizende kinderen die te-laat-geboren, ontijdig-geboren, tot-ongeluk-geboren, en dood-geboren worden omdat het ware moederschap niet aanwezig is. In de eerste lichamelijke functiën van het moederschap kan de vrouw niet bewijzen dat haar veronderstelde bijzondere roeping voor deze taak de vervulling er van verbeterde, eer het tegendeel. Waar dan ook de mensch-moeder zich bezig houdt met de natuurlijke werkzaamheden van een menschelijk wezen, zooals de vrouw bij de wilde volksstammen, de boerin en overal de werkende vrouw doet, daar vervult zij, zoolang zij zich niet behoeft te overwerken, deze functiën oneindig veel beter.

Doch waar een vrouw uitsluitend bestemd wordt voor geslachts-functiën en van alle economische werkzaamheden wordt uitgesloten, waar haar geslachtsverhouding moet dienen als middel tot levensonderhoud, daar zal haar moederschap aan ziekelijke afwijkingen onderhevig zijn. De overdreven geslachts-ontwikkeling, veroorzaakt door haar economische afhankelijkheid van den man, werkt nadeelig terug op haar wezenlijke plichten. Zij is te vrouwelijk voor een volmaakt moederschap! De overdreven ontwikkeling van haar secondaire geslachts-eigenschappen vormen bij overerving een verwoestend element. Kleine, zwakke, zachte, slecht geproportioneerde vrouwen brengen geen groote, sterke, forsche, krachtige, welgevormde mannen en vrouwen voort. Toen Frederik de Groote stevige grenadiers wilde hebben, liet hij groote mannen met groote vrouwen paren,—niet met kleine. De vrouw die alleen voor de geslachts-functiën leeft, ontaardt natuurlijk in ras-ontwikkeling en brengt even natuurlijk die ontaarding op haar nakomelingschap over. De mensch-moeder [156]toont in de voortplantingsprocessen niet boven maar beneden de lagere dieren te staan, en geeft in dat opzicht geen blijk dat haar opgaan in geslachtsfunctiën haar jongen ten goede komt. De moeder van een dood kind of het kind van een doode moeder; het zieke, kreupele of idiote kind; de uitgeputte, zenuwachtige, te vroeg-oude moeder,—zijn bij ons niet onbekend en zijn geen bewijzen dat wij in ons moederschap boven andere dieren staan.

Nu wij de wijze waarop bij den mensch het moederschap vervuld wordt, met het oog op de lichamelijke voortplantingsprocessen niet kunnen goedkeuren rijst de vraag, of er soms voordeelen van het menschelijk moederschap in de andere afdeeling, de opvoeding, zijn aan te toonen? Indien de moeder ziekelijk is en het kind eveneens, zal dan misschien haar liefderijke zorg voor het kind daar tegen opwegen? Zal niet de teedere toewijding van de moeder en haar onvermoeide bewaking van het kind genoegzame resultaten opleveren om voor het menschelijk moederschap, in vergelijking met dat van andere diersoorten, onze bijzondere wijze van doen te rechtvaardigen? Ter beantwoording dezer vraag moeten wij aantoonen dat ons moederschap, voor zoover wij daaronder gewoonlijk verstaan de “zorg” voor het kind, (duidelijker omschreven door het woord opvoeding), van superieuren aard is.

Hier missen wij weder het voordeel van een vergelijking. Bij geen andere diersoort vereischt het jong zulk een langen tijd zorg, heeft het zooveel onderricht noodig. Voor zoover die andere dieren deze zorg en dit onderricht hebben te geven, doen zij het goed. De hen met haar kuikens is in dit opzicht een algemeen aangenomen voorbeeld van moederschap. Zij legt niet alleen de eieren en broedt ze uit, maar zij onderwijst en beschermt ook haar jongen voor zoo ver het noodig is. [157]Doch behalve dit eenvoudig voorbeeld bezitten wij geen maatstaf van vergelijking voor het opvoedend moederschap. Wij kunnen dit alleen onder ons zelf bestudeeren, door vergelijking van het kind dat moederloos is, met het kind dat moederlijke zorg ontvangt; het kind dat een moeder heeft en niets anders, met het kind wiens moeder geholpen wordt door bedienden en onderwijzers; het kind van wat wij verstaan onder een superieure moeder, met het kind van een inferieure moeder. Deze laatste onderscheiding, een vergelijking tusschen twee moeders, is van groot gewicht. Wij hebben reeds stilzwijgend een vage maatstaf voor het menschelijk moederschap vastgesteld en losweg toegepast, door te spreken van een “natuurlijke” en “onnatuurlijke” moeder.

Doch deze termen toonen op nieuw aan hoe wij nog steeds geneigd zijn het geheele veld van moederlijke werkzaamheid meer te beschouwen als een instinktmatig handelen dan als een werk van verstand, meer als een functie dan als een dienst. Wij hebben wel een maatstaf, hoe los en vaag die dan ook mag zijn; en zelfs bij dien maatstaf is het pijnlijk te zien hoeveel moeders als zoodanig mislukt zijn. Vraag u zelven maar eens eerlijk af hoevele van de moeders, wier handelingen tegenover hun kinderen gij ziet in straten, winkels, omnibussen en booten, in hotels, pensions en aangrenzende tuinen, hoevelen van hen een gunstige kritiek bij u opwekken, in vergelijking met die welke gij ongunstig beoordeelt. Neem niet in aanmerking het rozig ideaal van moederschap dat in uwe ziel huist, maar de ruwe, harde werkelijkheid, zooals gij die in het dagelijksch leven te hooren en te zien krijgt.

Het moederschap kan in het volbrengen van opvoedende plichten alleen beoordeeld worden naar zijne resultaten. Wanneer wij als maatstaf aannemen de edele [158]mannen en vrouwen wier goeden lichaamsbouw en flink karakter wij zoo gaarne toeschrijven aan “een voortreffelijke moeder”, wat moeten wij dan van de moeders zeggen, die de wereld gevuld hebben met zoovele onedele mannen en vrouwen, met slechten lichaamsbouw en zwak karakter? Wanneer goede moeders goede menschen vormen, wat moeten wij dan van de slechte menschen zeggen? Wanneer wij geniale mannen en vrouwen zien, dan stellen wij die op rekening van hun moeders. Wanneer wij onbeduidende mannen en vrouwen zien,—en die zijn toch wel de regel,—dàn durft niemand de waarde van de moeders, die deze menschen voortbrachten, in twijfel trekken. Wanneer het tot aangeboren misdadigheid komt, dan beginnen wij iets te fluisteren van “erfelijkheid”, en om aan de groote nationale onwetendheid te gemoet te komen, vragen wij dan een beter opvoedings-systeem. Maar niemand komt op de gedachte dat het moederschap van het menschdom verbeterd kan worden, en toch schuilt daar inderdaad het kwaad. Indien onze voortplantingsmethode niet deugt, dan is daarvoor de moeder verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor in de reproductie. Indien onze opvoedingsmethode niet deugt, is de moeder daarvoor eveneens verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor bij de opvoeding.

Hiertegen werd aangevoerd dat zulk een bewering den vader en zijn verantwoordelijkheid zou buitensluiten. Doch indien de moeder haar rechte plaats in de wereld inneemt en zij volbrengt haar plicht goed, dan zal zij geen reden hebben over den vader te klagen. Zij zal dan immers in de eerste plaats betere mannen maken. En in de tweede plaats zal zij zich maatschappelijk verantwoordelijk voelen om een geschikten vader voor hare kinderen te kiezen. In de derde plaats [159]zal zij als een economisch vrij handelend wezen, voor de helft in de behoeften van het kind voorzien. Mannen die niet geschikt zijn voor een goed vaderschap zullen onder zulke omstandigheden niet veel kans hebben vader te worden en zullen sterven, door iedereen beklaagd, in plaats van te leven en door iedereen verwenscht. De man heeft het echter in zijn positie, met alle ras-werkzaamheden, en alles wat tot het vaderschap en de helft van hetgeen tot het moederschap behoort te doen, beter aangelegd om het onmogelijke te volbrengen, dan de vrouw het deed in de hare. Men veronderstelde dat zij op aarde geen andere taak te vervullen had dan die van moeder. Zij heeft echter het werk van de moeder en bovendien alle huishoudwerk van de wereld gedaan. Maar zij heeft toch ongetwijfeld zoo veel tijd en krachten voor het moederschap gehad als de man voor het vaderschap; en niet voordat zij bewijzen kan dat de kinderen der wereld even goed door haar opgevoed als zij door den vader gevoed zijn, kan zij op hem den blaam werpen van onze algemeene onvolkomenheid.

Geen der beide partijen heeft evenwel schuld. De sexueel-economische verhouding oefent onvermijdelijk slechten invloed uit zoowel op het moederschap als op het vaderschap. Maar op de moeder moet een beroep worden gedaan om deze ongewenschte verhouding te veranderen. Zij, een dieper plichtsgevoel, een grooter liefde voor het kind bezittende, moet gaan inzien hoe haar valsche positie haar moederschap schaadt en zij moet, ter wille van haar kinderen, met dien toestand breken. Van den man en zijn vaderschap kan zij maken wat zij wil.

De plicht der moeder is eerst om kinderen voort te brengen die lichamelijk even goed of beter zijn dan zij zelf; om de nakomelingen een goed karakter te geven, [160]beter, naarmate zij zelf op een hooger standpunt staat; om door haar buitengewone macht als moeder het menschenras te verbeteren; in een woord, om edeler menschen te maken.

Daarna is het de plicht der moeder, de mensch-moeder, om haar kinderen zoodanig op te voeden dat zij voltooit, wat met baren en zoogen slechts begonnen was. Zij moet haar kind negen maanden in haar lichaam, twee jaar in de armen en zoolang zij leeft in hart en ziel dragen. De opvoeding van het kind is een geduchte factor in de menschelijke voortplanting. Een goed moederschap moet in staat zijn deze groote functie goed te volbrengen. Te dien einde moet de vrouw steeds haar kennis verrijken, om de lichamelijke en geestelijke vermogens van het kind op de beste wijze te kunnen ontwikkelen, versterken en leiden, opdat elk geslacht, tot rijpheid gekomen, duidelijk te onderscheiden zal zijn van het voorafgaande, door een edeler, voller ontwikkeling, zoowel lichamelijk als geestelijk. Dat de menschheid slechts langzaam verbetert wordt hier niet ontkend; maar onze langzame verbetering toegegeven, vragen wij toch, is dit alles wat wij er van kunnen maken? En kan de verkregen winst toegeschreven worden aan verbetering van het moederschap?

Op beide vragen moeten wij neen antwoorden. Wanneer wij zien hoe sommige gezinnen verbeteren, terwijl anderen ontaarden en hoe onzeker en onregelmatig zulk een verbetering tot stand komt, dan weten wij ook dat wij grooter vorderingen zouden kunnen maken, indien alle kinderen diezelfde wijze zorgen en diezelfde goede leiding ontvingen die thans sommigen te beurt vallen. Wanneer wij verder zien hoe veel van onze verbetering op rekening gesteld moet worden van hygienische kennis, van openbare zorg voor onderwijs en gezondheidsvoorschriften, [161]waarvan niets door moeders is tot stand gebracht, dan is men gedwongen toe te geven dat de vooruitgang van het menschenras niet uitsluitend aan het moederschap mag worden toegeschreven. De mensch-moeder doet minder voor haar jong, in absoluten zin en in verhouding, dan eenig ander soort van moeder op aarde. Zij zorgt noch voor voedsel, noch voor dekking, noch voor beschutting, noch voor verdediging van haar kind. Zij onderricht het niet meer dan de gewoonten en manieren, die in den familiekring en in haar beperkten maatschappelijken kring gebruikelijk zijn. De noodzakelijke wereldkennis, voor elk menschelijk wezen zoo onontbeerlijk, kan zij niet aanbrengen, want die heeft zij zelf niet verworven. Deze zorg en opvoeding ontvangt het kind uit andere handen en hersenen dan de hare. Ook de zorg en arbeid die de moeder aan het lichamelijk welzijn van haar kind besteedt geven haar geen aanspraak op superioriteit in het moederschap: dit is slechts een deel van ons idealiseeren van het hier behandelde onderwerp.

De vrouw van den armen daglooner heeft veel te veel ander werk te doen, dan dat zij al haar tijd aan de verzorging harer kinderen kan besteden. De vrouw van den rijkaard zou het kunnen doen, maar zij doet het niet, eensdeels wijl zij iemand huurt die het voor haar doet en anderdeels omdat ook zij andere plichten te vervullen heeft, die een groot deel van haar tijd in beslag nemen. In enkele op zich zelf staande gevallen laat een moeder alle andere werkzaamheden door anderen verrichten en wijdt haar krachten aan de voeding, kleeding, wassching, en voor zoo ver het kan ook aan de opvoeding van haar kind. Waar zulke gevallen zich voordoen moet nog bewezen worden, dat een zoo opgevoed kind uit deze onverpoosde toewijding van zijn moeder voordeel trekt. [162]Integendeel, de beste hulp en opvoeding die een kind kan ontvangen komen voort uit de verzamelde kennis en de verschillende werkzaamheden van duizenden en duizenden behalve zijn moeder,—van de vaders van ons ras.

Uit de zorg voor en de opvoeding van het kind, zooals die door de moeder gegeven wordt, blijkt niet dat het menschelijk moederschap in een of ander opzicht den voorrang verdient. Vergelijken wij de vrouw eerst in haar voortplantings-processen rechtstreeks met andere dieren, dan vervult zij deze functie niet zoo gemakkelijk en goed. Vergelijken wij daarna de opvoedings-processen der vrouwen onderling, de weinige eenigszins bekwame moeders met de vele bedroevend onbekwamen, dan schijnt het dat zij in dit opzicht, zoo mogelijk, nog meer te kort schieten dan in de eerstgenoemde hoedanigheid. De vooruitgang in de menschelijke opvoeding, voor zoo ver die bestaat, is niet verworven en wordt niet uitgedeeld door de moeders, maar door mannen en ongehuwde vrouwen; en in de vervulling van het menschelijk moederschap bewijst niets, dat het in het belang van het ras is dat de vrouwen al haar tijd daaraan besteden. Door al haar tijd daaraan te besteden, heeft de vrouw noch de kwantiteit, noch de kwaliteit verbeterd. De vrouw die werkt plant meestal beter voort, dan de vrouw die niet werkt. En de vrouw die niet werkt, is daarom geen beter opvoedster.

Een planeetbewonende socioloog, die eens het menschelijk leven kwam bestudeeren en dan voor de eerste maal hoorde van onze zoogenaamde “moederlijke opoffering” als middel om het ras te verbeteren, zou door dat denkbeeld getroffen kunnen worden en onder den indruk er van komen. “Hoe prachtig!” zou hij uitroepen. “Hoe buitengewoon aandoenlijk en teeder! De eene helft van de menschheid doet afstand van alle [163]andere menschelijke belangen en werkzaamheden om al haar tijd, kracht en toewijding te kunnen concentreeren op de functiën van het moederschap! Het verheven ras te baren en op te voeden, waartoe zij zelf nooit ten volle kan behooren! Eeuwig plaatsvervangend te leven door hare zonen, want hare dochters zijn slechts een andere plaatsvervangende schakel! Wat een edel en hoogstaand martelaarschap!” Daarna zou hij nauwkeurig onderzoeken welk systeem gevolgd werd om deze verheven toewijding van het halve ras voor het voortbestaan van de andere helft tot stand te brengen en te volmaken. Hij zou met innige en hartstochtelijke belangstelling den eindeloozen stoet meisjes naoogen, die even als hunne broeders als mensch geboren werden, doch die onmiddellijk lager gemerkt werden met “vrouwelijk—onvolmaakt type—alleen dienstig om mannen voort te brengen.” Hij zou veronderstellen dat dit “geslacht gewijd aan weder voortbrengende benoodigdheden”, doch niettemin begiftigd met menschelijk bewustzijn en verstand zich om deze reden grootsch zou verheffen en er naar streven zich zelf in elk opzicht voor dit groote werk geschikt te maken. Hij zou meenen een maatschappij te vinden die deze opoffering betreurt, doch die het gezegende wezen, wier leven moest opgeofferd worden voor het leven van anderen, boven alles vereert en alle geschikte middelen aanwendt om haar voor haar edele taak op te voeden en zoo goed mogelijk voor te bereiden. Helaas, welk een ontnuchtering zou de planeetbewonende socioloog met zijn geheel natuurlijke verwachtingen ondervinden. Na zijne onderzoekingen geeindigd en daarbij niets van al deze dingen gevonden te hebben, zou hij naar Mars of Saturnus terugkeeren, of van welke andere planeet hij kwam en zich verbazen over de grenzenlooze dwaasheid der menschen. [164]

Indien de positie der vrouw gerechtvaardigd kan worden door de leer dat de zorg van de moeder voor het kind die vereischt, dan zou toch zeker de maatschappij, of het individu, of beide, daarvoor eenige voorbereiding noodzakelijk achten. Maar van voorbereiding is geen sprake. De maatschappij erkent zulk een functie niet. Somtijds zijn er premiën betaald voor een groot aantal kinderen, maar die werden aan de vaders betaald. De nauwkeurig saamgestelde sociale inrichting, welke onze huwelijksmarkt vormt, bezit geen afdeeling waarbij het moederschap gesteund of bevorderd wordt. Zij staat er integendeel vijandig tegenover, zoodat in ons maatschappelijk leven het moederschap gelijk staat met direct nadeel en door degeen die zich aan maatschappelijken arbeid wijdt vermeden wordt. En het individu? Dit neemt zeker goede voorzorgen? Jonge vrouwen, roem dragende op haar aanstaande plichten, haar heilig en onvervreemdbaar ambt, haar groot geslachts-martelaarschap in het belang van het ras, zullen zich zeker voor dit werk plechtig voorbereiden? Wat zien wij evenwel? Onze jonge vrouwen laat men volkomen onbewust van hun toekomstig moederschap, ja hun levenswijze benadeelt dit zeer dikwijls; zij zijn met betrekking tot het moederschap onbetrouwbare, onwetende, onverschillige wezens. Zij worden opgevoed niet voor het moederschap doch om de andere sekse voor een economisch doel of op zijn best voor wederkeerig genot aan te trekken. Zij worden in volslagen onwetendheid van haar veronderstelde voornaamste plichten groot gebracht, en weten niets van deze plichten voor zij ze moeten vervullen.

Iets dergelijks zou ’t zijn als alle menschen eens soldaten moesten worden, wien men het lot der natiën in handen gaf en niemand een woord met hen zou spreken [165]over oorlog of militairen dienst, totdat zij het slagveld betraden!

De opvoeding van jonge vrouwen bevat geen afdeeling voor het moederschap! Men beschouwt het als ongepast om deze gewijde functionaris eenige voorafgaande kennis van hare heilige plichten te geven. Deze belangrijkste en bewonderenswaardigste van alle menschelijke functiën is eeuw in eeuw uit in handen gelaten van in dat opzicht absoluut onwetende vrouwen. Men heeft stilzwijgend verondersteld dat die functie tot stand werd gebracht door die mysterieuse werking welke wij gewoonlijk “het heilig instinkt van het moederschap” noemen. Moederlijk instinkt is een zeer achtenswaardig en nuttig instinkt dat aan de meeste dieren eigen is. Het is “heilig” en “goddelijk”, zooals alle wetten der natuur heilig en goddelijk zijn, maar het is dit alleen wanneer het zijn ware roeping vervult. Indien de processen tot ras-behoud voor heiliger gehouden worden dan de processen tot zelf-behoud, dan moeten wij voor alle functiën en vermogens der voortplanting denzelfden graad van eerbied aannemen,—de hartstocht van den man voor de vrouw even hoog schatten als de hartstocht van de moeder voor het kind. Indien wij nog verder willen gaan en de processen van ras-behoud het meest willen vereeren in hun laatste en hoogste phase, welke ook de eenige maatstaf is die op een natuurlijken grondslag berust, dan moeten wij de groote, belanglooze maatschappelijke functie van opvoeding ver boven de zelfzuchtige, individueele moederlijke functie van baren en verzorgen plaatsen. Moederlijk instinkt, enkel als een instinkt, is onze bijgeloovige vereering niet waard. Het moet alleen beschouwd worden als een middel tot een doel en in evenredigheid tot zijn gevolgen gewaardeerd worden.

Bij dieren die slechts weinig verstand hebben heeft [166]het instinkt zijn toppunt bereikt en werkt goed. Bij wilden die ook geen groote intellectueele ontwikkeling bezitten, neemt het een groote plaats in. Bij de dieren verzorgt de moeder haar jongen geheel instinktmatig, bij de wilden bijna geheel, doch geholpen door de traditiën van haar stam, den opvoedenden invloed van vereeniging en eenig rechtstreeksch onderricht. Doch naarmate de menschheid vooruitging, samengestelder en afwisselender werd, en naarmate het menschelijk verstand zich genoeg ontwikkelde om nieuwe functiën en nieuwe behoeften te scheppen, verminderde het instinct in waarde. Het menschelijk wezen verbetert niet en gaat niet vooruit door zijn dierlijk instinkt, maar door de wijsheid en macht van een aangekweekt verstand en een aangekweekten wil, welke hem in staat stellen zijn handelingen te leiden, zijn instinkten te beheerschen en te wijzigen, opdat deze niet hem zullen regeeren.

De vrouw die verzuimd heeft deel te nemen aan de zich steeds uitbreidende werkzaamheden, waardoor het verstand van den man zich ontwikkelde, die tevens in gebreke bleef haar wilskracht te oefenen, wat enkel door vrijheid en macht kan geschieden, heeft dientengevolge tot op heden de rudimentaire krachten van het instinkt gehandhaafd. Door haar overdreven opgaan in het geslachtsleven, loopt deze invloed van het instinkt hoofdzakelijk langs geslachts-lijnen, en vindt vrijen toegang tot de processen van het moederschap, waar hij dan ook onafgebroken geheerscht heeft. Zoo worden de menschen-kinderen nu nog geboren in de armen van een eindelooze schare ongeoefende moeders, die voor de zorgen en opvoeding hunner kinderen noch opleiding voor, noch ondervinding in dat grootsche werk medebrengen; zij bezitten alleen de krachtig opeengestapelde macht van [167]een ruw instinkt, den blind vertrouwenden hartstocht van de moeder voor het kind. Moederlijke liefde is een enorme kracht, maar kracht heeft leiding noodig. Alleen liefde voor het kind beteekent voor dat kind niets, tenzij bepaalde daden deze liefde doen kennen. Welke die daden zijn en hoe zij worden uitgevoerd, daarvan hangt voor het leven van het kind alles af.

Merk eens op hoe nutteloos de hulpelooze moederlijke liefde en het moederlijk instinkt is bij de eenvoudige handeling der voeding van het kind. Tot de orde der zoogdieren behoorende, wenscht de moeder instinktmatig haar kind te zoogen. (Bij sommige overbeschaafde vrouwen bestaat zelfs die wensch niet meer). Dit instinkt heeft haar echter niet de levensgewoonten aan de hand gedaan die haar in staat stellen deze natuurlijke functie te volbrengen. En waar de natuurlijke functie faalt, van welk verder nut kan het instinkt haar dan zijn bij de voeding van het kind? Het kan toch niet beslissen tusschen Marrow’s Food en Nestlé’s kindermelk, tusschen Socklet en bussemelk, tusschen papbeschuit en alle andere soort kindervoedsel, dat bereid en op de markt gebracht wordt door mannen! Deze surrogaten worden niet bereid door moederlijk of vaderlijk instinkt, maar door chemische analyse en physiologische studie; de gevolgen er van op het kinderlijk lichaam worden opgemerkt en het diëet vastgesteld door doctoren, die hun werk ook niet verrichten door instinkt.

Indien het fleschkindje het verlies van de moederborst overleeft en het zoover brengt dat het mee eet uit den pot, is dan het moederlijk instinkt misschien in staat het geschikte dieet voor hem vast te stellen? Laat de doctor en het kerkhof hierop antwoorden.

Het groote, uitgebreide veld van mannelijke werkzaamheden in het belang der kleine kinderen, van [168]het eigenaardig menschelijk verschijnsel van mannelijke hulp bij de baring, (er bestaat nog één dier, de obstetrische kikvorsch, waar dit ook voorkomt), tot de fabriekmatige arbeid van voedsel, kleeding, bescherming, vermaak, en onderricht voor het kind, bewijst dat het moederlijk instinkt bij de vrouw ten eenenmale ontoereikend is. Maar er wordt ook nog iets anders door bewezen, nl. dat de vrouw misdadig in gebreke blijft om op een verstandige wijze in datgene te voorzien waarin het instinkt niet langer voorziet. Een met rede begaafd, bewust wezen, dat de verantwoordelijkheid draagt voor het behoud van het menschelijk ras en zich voor die taak niet op de beste wijze voorbereidt, alvorens haar te aanvaarden, is erger dan zorgeloos.

Vóórdat een man een handel, ambacht of beroep aanvaardt, bereidt hij zich voor. Hij bekwaamt zich voor de taak die hij op zich neemt. Hij zou voor een bedrieger gehouden worden, indien hij werk ondernam waarvoor hij niet bekwaam was en de mislukking zijner onderneming zou hem met schande en spot overladen. In de gewichtiger beroepen, vooral in die waar gebrek aan de noodige kennis “levensgevaar” voor anderen medebrengt, bijv. kapitein van een schip, machinist van een trein, doctor of apotheker, wordt niet alleen vereischt dat men zijn vak bestudeerd heeft, maar dat men door een examen bewijst de noodige kennis te hebben opgedaan, en alleen bij voldoende bekwaamheid wordt als bewijs daarvan een getuigschrift, diploma of somtijds een geloofsbrief uitgereikt, waardoor aangetoond wordt dat aan den houder verantwoordelijkheid voor het behoud van menschenlevens kan worden toevertrouwd.

Vrouwen aanvaarden een positie waarin zij de verantwoordelijkheid voor het leven of den dood van het geheele menschenras op zich nemen, zonder voorafgaande [169]studie of ondervinding, zonder zelfs een schijn van voorbereiding of waarborg van bekwaamheid. Voor zoover zij nog eens over hun nieuwe plichten denken, zijn zij dwaas genoeg te veronderstellen dat het geheimzinnig “moederlijk instinkt” hen er wel door zal helpen. Kennis als die noodig mocht blijken, zullen zij wel opdoen, zoodra de tijd daar is. Ondervinding krijgen zij onderwijl de kinderen komen van zelf. “Ik veronderstel dat ik wel weet hoe kinderen behandeld moeten worden!” roept de gebelgde grootmoeder uit, die om raad gevraagd wordt. “Ik heb er reeds zeven op het kerkhof.” Het record van het ongeoefend moederlijk instinkt in het menschenras kan men vinden in de reeksen en reeksen kleine grafsteenen welke onze kerkhoven vullen. De ondervinding die door de behandeling van het kind verkregen wordt, wordt dikwijls met het kind begraven.

Neen, de leer dat de verzorging van het kind de positie der vrouw rechtvaardigt, kan het licht van onderzoek niet verdragen. De mensch-vrouw die zich geheel wijdt aan de voortplanting, alle persoonlijke werkzaamheden, elke eervolle onafhankelijkheid, alle nuttige en voortschrijdende economische diensten opgeeft om zich glorieus te wijden aan de plichten van het moederschap, kan op weinig resultaten bogen, die haar positie zouden kunnen rechtvaardigen. Noch het enorme hooge sterftecijfer der kinderen, noch de gemiddelde slechte gezondheidstoestand van diegenen die in het leven blijven, noch de lichamelijke, noch de geestelijke vooruitgang van het ras leveren eenig bewijs dat de moederlijke toewijding ten voordeele komt van het ras. [170]

X

Niettegenstaande het superieure moederschap van de mensch-vrouw zoo moeilijk te bewijzen is en het door de onvoldoende, ongeregelde en pathologische resultaten een open veld voor zware aanvallen van kritiek oplevert, blijft toch ons heilig geloof, onze eerbied, onze ongeschokte overtuiging dat het de eenige volmaakte zaak op aarde is, onaangetast. De feiten, die onze zorgeloosheid en onwetendheid in het volbrengen van deze functie aantoonen, vallen niet te ontkennen; de groote kindersterfte en de vele kinderziekten,—namelijk die welke door de doctoren in de rubriek: “ziekten die voorkomen kunnen worden” zijn opgenomen,—deze fouten en gebreken met doodelijke gevolgen nemen wij overal waar, maar wij tellen ze allen niet, of stellen ze op rekening van alle mogelijke oorzaken, behalve op die van een onvoldoend moederschap.

Een van de meest gebruikte verontschuldigingen van hen, die inderdaad meenen dat verontschuldiging noodig is, is deze, dat de vader voor deze omstandigheden moet gelaakt worden. Reeds is vroeger gezegd dat zijne ondeugden het lichaamsgestel van het ras verzwakken. Maar zijne tekortkoming in dezen verhindert de moeder niet het kind voldoende te verzorgen. De vader wordt verantwoordelijk gesteld voor al het kwaad dat wij in onze kinderen opmerken; en niettemin vereeren wij de moeder voor het physisch proces een kind van zoo’n man ter wereld te brengen,—thans als een heldendaad beschouwd,—en voor “de toewijding” welke zij er later [171]aan schenkt, afgezien daarvan of die toewijding wijs is en werkelijk geschonken wordt. Een gezond en onafhankelijk moederschap zou er niet aan denken voor het goed volbrengen van zijn natuurlijke functiën meer geprezen te willen worden dan een kat voor het ter wereld brengen van haar poesjes of een schaap van haar lammeren. Het bekende feit dat de vrouwen uit de lagere maatschappelijke rangen meer kinderen baren en ze gemakkelijker ter wereld brengen dan de vrouwen uit de hoogere kringen, moest eigenlijk aan deze dwaze aanmatiging een einde maken, maar het doet het niet. Hoe meer de vrouwen zich zelf en hun kroost verzwakken, hun eigen leven in gevaar brengen door verkeerde gewoonten, des te meer moeite, gevaar en onkosten zijn er aan dit natuurlijk proces verbonden, en des te meer beroemen de vrouwen er zich in allen ernst op en nemen den lof van anderen in ontvangst voor de heldhaftige zelfopoffering met welke zij hun leven (en dat van hun babies!) voor het behoud van het menschdom wagen. Wat den vader en zijn aandeel in de slechte gevolgen betreft, niets van hetgeen hij ooit gedaan heeft of nog kan doen, ontslaat het moederschap van zijn eerste verantwoordelijkheid.

Veronderstel eens dat het wijfje van een ander diersoort haar plicht tegenover haar ras om een goeden echtgenoot te kiezen niet telde, dat zij ging paren met schurftige, tandelooze kreupelen,—indien zij zulke rasgenooten had,—en daardoor zwakke, misvormde jongen voortbracht, die haar ras hielpen uitroeien, zou zij dan het mannetje voor de gevolgen aansprakelijk stellen? Een geheele sekse, uitsluitend bestemd voor moederlijke functiën, welke zoo hoog geschat worden dat het gemis aan economische waarde der vrouwen er door gerechtvaardigd zou worden, moest in den loop des [172]tijds geleerd hebben, hoe men geschikte vaders moet kiezen. Indien de mensch-moeder alleen door de hulp van een ander persoon haar kinderen kan voeden en behoeden, een voeder en beschermer van wien hun leven en veiligheid afhangt, welke natuurlijke, maatschappelijke of zedelijke verontschuldiging heeft zij dan, om daarvoor niet den rechten man te kiezen?

Maar hoe kan een jong meisje weten wie een goede aanstaande vader is, vraagt men? Dat zij door hare opvoeding hiertoe niet in staat wordt gesteld, bewijst reeds haar ongeschiktheid voor haar grootsche taak. Dat zij er niet over nadenkt en er geen belang in stelt, bewijst haar schandelijke onverschilligheid voor dien grooten plicht. Zij kan in geen geval de verantwoordelijkheid der misdadige zorgeloosheid, om een goeden vader voor haar kinderen te kiezen, ontduiken, tenzij er inderdaad geen keuze was, en er geen goede mannen op de wereld bestonden. Bovendien zijn wij niet verplicht om deze moeilijke keuze aan jonge meisjes over te laten. Het moederschap is het werk van volwassen vrouwen, niet van halve kinderen; wanneer wij eerlijk zooveel voor het moederschap gevoelen als wij voorwenden, dan zullen wij de vrouw voor haar taak, niet het meisje voor haar bedriegelijke kunstgrepen om zich een verzorger te verzekeren, opvoeden. Wij spreken over de edele moederplichten, maar onze dochters worden groot gebracht voor een economisch goed huwelijk.

Wanneer wij dit veld van den moederplicht voor een goede teeltkeus verlaten, dan komen wij op het veel uitgebreider terrein, waarheen de volksgeest ons in triomf heenleidt; dáár waar het later werk van de moeder bewijst hoe goed de arbeidsverdeeling naar het geslacht in ons ras voldoet, dat in de verzorging van het kind, de opvoeding van het kind, het heerlijk huiselijk en familieleven aangetoond wordt, hoe goed ons systeem werkt. [173]Dit is de laatste vesting. Stevig verschanst zit hier de volksmeening, veilig in het heilig gebied van den huiselijken haard. “Eigen haard is goud waard.” En de vensters worden gesloten om de lucht buiten te houden. De gordijnen worden neergelaten om het licht buiten te houden. De deuren worden gegrendeld om den vreemdeling buiten te houden. Binnen brandt het haardvuur en zetelt de hoogepriesteres, de kiem van menschelijke samenleving,—het gezin te huis.

Onze tronen zijn verwoest en hebben plaats gemaakt voor zetels van tijdelijke presidenten. Onze kerken hebben het moderne licht opgevangen en de reuk van heiligheid werd verfrischt met zachte zonnige lucht. In deze oude heiligdommen kunnen wij zien dat er plaats is voor verandering, maar in het heiligdom van het tehuis niet. Zóó nauw is deze tempel en zijn rechten met de diensten der onderworpen vrouw saamgeweven, zijn altaar eischt zóó haar onophoudelijke opoffering, dat wij ons het menschelijk leven op een andere leest geschoeid, onmogelijk kunnen voorstellen. Wij huiveren bij de gedachte dat er kans bestaat eenige van deze oude en heilige gebruiken te verliezen. Zonder dezen gezegenden achtergrond van alle onze herinneringen en den voorgrond van alle onze hoop schijnt het leven inderdaad ledig. Wij worden allen tehuis geboren. Wij sterven allen tehuis, of hopen er te sterven. Wij allen werken voor een tehuis, in huis of er buiten. Het tehuis is het middenpunt en de grens, het begin en het einde van de meesten onder ons. Wij hebben het lief met een liefde, ouder dan het menschenras. Wij vereeren het met de blinde gehoorzaamheid uit die vroege eeuwen, toen deze vereering een aanvang nam. Wij hechten er ons aan met de vasthoudendheid van het meest oorspronkelijk instinkt onzer dierlijke natuur, en met de geestdrift van elk laatste [174]woord in het onafgebroken loflied dat wij er aan wijden, sedert wij het voor het eerst leerden prijzen.

Wanneer wij meenen dat ons huiselijk leven, juist zooals wij het hebben ingericht, de beste zaak op aarde is, en dat dit leven op zijn minst een heele vrouw voor ieder gezin eischt, doch gewoonlijk meer, dan volgt hieruit dat ieder die de positie van de vrouw tracht te veranderen, beschouwd wordt als iemand die “het gezin ondermijnt”, “de grondslagen van het familieleven aantast” en daarvan willen wij niets weten. Indien wij, wanneer getracht wordt het moderne vaandel van vrij denken en vrij spreken ingang te doen vinden, luisteren en, voor een oogenblik onzen afgod ter zijde stellende, tot den moedigen beeldstormer zeggen: “Toon ons iets beters”, met welk een grenzenlooze bespotting begroeten wij dan zijn voorgestelde verandering! Toch wordt overal om ons heen deze toren, dit kasteel van verdwijnende traditie, moeilijker te verdedigen of goed te onderhouden. Wij stutten het op nieuw met elke generatie; wij hebben zijn krakende en afbrokkelende hoeken lief; wij drapeeren en behangen ze met eindelooze versierselen; wij verbergen de boven ons opdoemende gevaren met frissche wierookwolken; en wij eischen van de zoogenaamde verbeteraars en hervormers dat zij eerst de wenschelijkheid van hunne roekelooze plannen aantoonen, alvorens zij den hamer opheffen. Doch wanneer zij ons hunne plannen toonen, lachen wij hen uit.

Het is een moeilijk geval. De aandacht op bestaande toestanden te vestigen en hun verhouding tot bestaande verschijnselen vast te stellen, is nog niet hetzelfde als uit te maken in hoever een veranderde toestand nieuwe verschijnselen zal medebrengen en hoe deze verschijnselen ons ten goede zullen komen. Toch moet deze taak steeds vervuld worden, wil het [175]menschenras bewust voorwaarts schrijden. Zoolang de vooruitgang onbewust tot stand kwam, was het voldoende dat zekere individuen en volksklassen langzamerhand de nieuwe verhoudingen in het sociaal evolutieproces aannamen en dat zij hunne nieuwe levensomstandigheden den tegenstribbelenden behoudzuchtigen, die zich niet ontwikkeld hadden, opdrongen.

In den nog niet zoo lang geleden overgang van het leenstelsel naar de monarchie, werd er geen tijd verspild met de poging om den koppigen adel te overreden, of hen van hun nationalen plicht te overtuigen. De toenemende macht van den koning bestreed en overwon de verminderende macht van den adel,—dat was alles. Had men toen een boek geschreven om op de verandering aan te dringen, het kon de gebreken van het leenstelsel duidelijk genoeg bewezen hebben; maar wanneer het getracht had den zegen van nationalen vrede en macht onder één enkelen heer te schilderen, zou het weinig indruk gemaakt hebben. Nationale vrede en macht, tot op dien tijd niet bestaanbaar, zou op de machtige grondeigenaren, wier eenig denkbeeld van vrede en macht was hun ootmoedige naburen onderworpen te houden, geen invloed gehad hebben. Had hun kracht toen geschuild in argumenteeren, dan zouden zij de “zullen worden’s” en “zal zijn’s” van den schrijver bespot hebben en hem hebben uitgedaagd om te bewijzen dat de nieuwe toestand door de nieuwe processen tot stand zou komen, en dat zou zeer zeker moeilijk geweest zijn.

Zoo is het ook thans met het in twijfel trekken van den economischen staat der vrouw en haar positie in huis en gezin; het is veel gemakkelijker de tegenwoordige gebreken dan de toekomstige verbetering aan te toonen. Toch wordt dit juist verlangd. Er wordt van [176]den pleiter voor maatschappelijke hervorming niet alleen geëischt dat hij de tevreden volgers van het tegenwoordig systeem overtuigt dat dit niet deugt, maar hij moet hun ook afdoende bewijzen dat eenig ander stelsel beter is. Dit is in den aard der zaak onmogelijk. Wanneer menschen tevreden zijn, dan kan men ze niet doen gevoelen dat wat is niet deugt of dat iets anders beter is. Zelfs de ontevredenen willen veel liever hun bezwaren op den een of anderen persoonlijken factor schuiven, dan toegeven dat hun toestand, als een geheel, onvermijdelijk het algemeene euvel voortbrengt waarin zij deelen. Zelfs indien zij overtuigd worden dat een veranderde toestand de bron van nadeel zal wegnemen, zijn zij bang, evenals de vos met den zwerm vliegen, gestoord te zullen worden en vreezen in nog slechter toestand gebracht te worden dan voorheen. Met deze onvermijdelijke bezwaren voor oogen moet evenwel de taak ondernomen worden.

Voordat wij beginnen, moeten wij twee dingen vooropstellen en het daarover eens zijn. Vooreerst dat vooruitgang, ontwikkeling, de plicht van het menschelijk leven is, dat wij hier niet alleen zijn om te leven, maar om te worden,—niet tevreden mogen zijn met halve beschaving, noch met beginnende ontwikkeling, maar dat wij door alle eeuwen heen hebben te arbeiden om steeds edeler levensvormen op te bouwen, waarheen de sociale evolutie leidt. Indien dit niet geloofd wordt, indien iemand meent dat met de soort in het leven te houden en voort te planten de grens van onzen menschelijken plicht bereikt wordt, dan moet zoo iemand dit boek niet verder lezen. Dit doel kan bereikt worden en is eeuwenlang door allerlei vormen van geslachts-verhouding en economische verhouding bereikt geworden. Menschelijke wezens hebben geleefd en [177]kinderen groot gebracht, evengoed als hunne ouders in vrije liefde en luiheid, in gedwongen polygamie en slavernij, in vrijwillige polyandrie en werkzaamheid en in monogamie plus prostitutie en fabrieken. De betrekkelijke superioriteit van eenig stelsel, hetzij dit gebaseerd is op het geslachtsleven of steunt op economische grondslagen, wordt niet bewezen alleen door dat men leeft en kinderen voortbrengt. Indien wij aannemen dat leven beteekent vooruitgang, dan moet elke opvolgende vorm van geslachts-verhouding en economische verhouding naar zijn invloed op den vooruitgang beoordeeld worden.

Het zal hier noodig zijn om eerst een definitie van menschelijken vooruitgang te geven. In overeenstemming met de algemeene wet van organische evolutie, kan zij aldus luiden: menschelijke vooruitgang beteekent zulk een ontwikkeling van het individu en zijne sociale verhoudingen als noodig is, om zijn gezondheid en geluk te handhaven en de organische ontwikkeling der maatschappij te doen toenemen.

Wanneer wij deze definitie van menschelijken vooruitgang aannemen, indien wij het er over eens zijn dat streven naar vooruitgang de maatschappelijke plicht is en dat alle maatschappelijke instellingen hiernaar beoordeeld moeten worden, dan kunnen wij tot onze tweede premisse overgaan. Deze is in belangrijkheid niet aan de eerste gelijk; zij moest zóó door iedereen begrepen en aangenomen zijn, dat het niet noodig was haar op den voorgrond te brengen. Maar zij wordt niet door iedereen begrepen en aangenomen. Feitelijk wordt zij zóó dikwijls misverstaan en geloochend, dat eigenlijk geen verontschuldiging behoeft te worden aangeboden dat er hier op gewezen wordt.

De tweede premisse is: als wij genot door iets [178]smaken, bewijst dit nog niet dat dit iets juist en goed is. Zelfs onze liefde, bewondering, eerbied voor iets bewijst nog niet dat zoo iets juist en goed is, en uit een evolutionair oogpunt is zelfs onze meening, dat iets “natuurlijk” is, nog geen bewijs dat het juist en goed is. Iets kan juist en goed zijn in het eene evolutie-stadium en slecht worden in een ander. Bijvoorbeeld, vrije liefde is “natuurlijk”; het menschelijk dier, evenals vele andere diersoorten, voelt zich er zeer gemakkelijk toe geneigd. Maar door sociale evolutie is bewezen dat monogamie juist en goed is; dat door monogamie de maatschappelijke verhouding in het menschelijk ras het meest vooruitgaat; maar het is niet zoo “natuurlijk” als men wel wenschen zou.

Keeren wij tot onze tweede premisse, die nog al omvangrijk is, terug, dan moeten wij aantoonen dat het nog geen bewijs is dat iets juist en goed is, wanneer het “natuurlijk” is en genot verschaft. Het spreekt van zelf dat dit niet belet om juist en goed te zijn. Goede dingen kunnen genot verschaffen, kunnen bemind, bewonderd en geëerbiedigd worden, kunnen zelfs “natuurlijk” zijn, maar dat kunnen slechte dingen ook. Zelfs dat bovenmenschelijk vermogen, genaamd instinkt, is dan alleen een trouwe gids waardoor wij ons kunnen laten leiden, wanneer de omstandigheden aanwezig zijn, die dat instinkt oorspronkelijk ontwikkeld hebben. Het instinkt, waardoor thans een huis-hond drie keer ronddraait, voordat hij in zijn mand gaat liggen is geen groote bewondering waard, ofschoon het in de grasvlakten en in de bebladerde holten, waar het dier oorspronkelijk opgroeide, zijn nut had. Indien deze twee premisses toegegeven zijn, dat het de plicht van het menschenleven is naar vooruitgang te streven en dat een gegeven toestand niet noodzakelijk juist en goed [179]behoeft te zijn, omdat wij er van houden, dan kunnen wij verder gaan.

Is de tegenwoordige wijze van huiselijk leven, gegrondvest als zij is op de economische afhankelijkheid der vrouw van de geslachts-verhouding, het best berekend om de gezondheid en het geluk van het individu te waarborgen en in hem de hooger maatschappelijke hoedanigheden te ontwikkelen? De gezondheid en het geluk van het individu worden niet gewaarborgd, dat ziet iedereen; en hoe weinig de maatschappelijke hoedanigheden van de individuen worden ontwikkeld, blijkt duidelijk uit hunne vele afwijkingen en uit de verspilling van krachten in ons tegenwoordig economisch stelsel.

Economische onafhankelijkheid der vrouwen brengt noodzakelijk een verandering van de huishouding en het gezin mede. Doch indien deze verandering in het belang van het individu of het ras is, behoeven wij haar toch niet te vreezen. Zij sluit geen verandering in de huwelijksverhouding in, afgezien daarvan, dat het element van economische afhankelijkheid er uit verwijderd wordt; ook niet in de verhouding van moeder tot kind, behalve dat die er door verbeterd wordt. Zij brengt evenwel mede dat vrouwen zich in menschelijke werkzaamheden bekwamen, die echter meer ten bate der maatschappij dan der huishouding komen. Hiervoor wordt natuurlijk een andere leefwijze vereischt dan die wij nu volgen. De in zwang zijnde voedingsmethode der wereld door middel van millioenen eigen dienstboden, en het groot brengen der kinderen door dezelfde handen zal dan blijken onmogelijk te zijn.

Het is een droevig feit dat de groote meerderheid van onze kinderen groot gebracht en opgevoed worden door eigen dienstboden, gewoonlijk wel hunne moeders, zekerlijk, maar die toch van beroep dienstbode zijn. De [180]tegenwoordige staat der vrouw als particuliere dienstbode moet noodzakelijk in botsing komen met haar positie als voortbrengster, als een factor in de economische bedrijvigheid der wereld. Huismeesteres kan zij blijven, in den zin dat zij haar huishouding regelt en leidt, maar huishoudster of dienstbode kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders. Haar positie als moeder zal eveneens veranderen. Moeder in den zin van draagster en grootbrengster van edele kinderen kan zij zijn en wel het best, en als betrekking waarschijnlijk het meest gewaardeerd en het liefst; maar moeder in den zin van uitsluitend individueele kindermeid en kinderjuffrouw kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders.

Hier is juist het punt waar de wereld halt roept. Niets kan voortreffelijker zijn, zegt zij, dan onze huisgezinnen met hunne schoone priesteressen. Niets kan voor kinderen beter zijn dan de voortdurende zorg van hun eigen moeders. Het zijn weder dezelfde argumenten als van den adel in het feudale tijdperk. Wij kunnen misschien overtuigd worden van de gebreken der bestaande toestanden, maar wij kunnen niet overtuigd worden van de kans op verbetering. Niettemin kunnen wij het probeeren.

Laat ons eens bedaard gaan zitten en een beter soort van moederschap bedenken dan dat van individueele kindermeiden, een betere manier om de wereld te voeden, te kleeden, te reinigen dan door eigen dienstboden.

Nu hebben wij onze tweede premisse noodig, want wij vinden de toestanden, zooals zij zijn, aangenaam; (dat wil zeggen, sommigen van ons vinden dat somtijds en de overigen verbeelden het zich). Wij hebben ze lief, bewonderen en eerbiedigen ze en het is zoo “natuurlijk” ze zoo te hebben. Indien nu aangetoond kan worden dat het voor den menschelijken vooruitgang beter is [181]dat wij anders handelen, dan bewijst dit toch dat deze andere handelwijze de juiste is; en dan moeten wij leeren zulk een handelwijze te vereeren, lief te hebben, te bewonderen zoo veel wij kunnen, dan zullen wij na verloop van tijd haar ook “natuurlijk” vinden. Indien aangetoond kan worden dat het voor onze kleine kinderen beter zou zijn, dat zij een gedeelte van den dag aan andere verzorging dan die van hunne moeders waren toevertrouwd, dan zou die andere verzorging de juiste zijn en dan zou de plicht van het moederschap medebrengen, daarin te voorzien. Indien aangetoond kan worden dat aan onze persoonlijke behoeften, aan voeding, kleeding, reinheid, warmte, huisvesting, afzondering, beter kan voldaan worden door eenige andere methode dan die, welke één vrouw of meer voor elk gezin vereischt, dan zou het de plicht der vrouwen zijn om zulk een methode te zoeken en toe te passen.

Misschien is het de moeite waard om onderwijl den aard van ons gevoel voor die maatschappelijke instelling, genaamd “het gezin” en de wijziging die het waarschijnlijk ondergaat door de verandering in den economischen staat der vrouw, te onderzoeken.

Huwelijk en gezin zijn twee instellingen, niet één, zooals gewoonlijk verondersteld wordt. Wij verwarren het natuurlijk resultaat van het huwelijk, kinderen—een resultaat dat aan alle vormen van geslachtsvereeniging eigen is,—met gezin, dat een zuiver maatschappelijk verschijnsel is. Het huwelijk is een vorm van geslachts-vereeniging die door de maatschappij erkend en gesanctionneerd is. Het is een verhouding die, in overeenstemming met de gewoonten van het land, tusschen twee of meer personen bestaat en die wederzijdsche verplichtingen in zich sluit. Ofschoon wij er een economische verhouding van gemaakt hebben, is zij dit toch [182]in werkelijkheid niet en zij zal een veel hoogere voldoening schenken, zoodra wij de economische phase er van ontwassen zijn.

Het gezin is een maatschappelijke groep, een geheel, een kleine staat. Het neemt een voorname plaats in de evolutie der maatschappij in, geheel afgescheiden van zijn verband met huwelijk. Er is een tijd geweest waarin het gezin de hoogste vorm van maatschappelijke verhouding was,—eigenlijk de eenige vorm,—toen bestond er in het brein van de landelijke, aartsvaderlijke stammen nog geen begrip van iets zoo groot als vaderland, staat of natie. Voor hen bestond er alleen een groot land bezaaid met gezinnen, elk gezin zijn eigen kleine wereld, waarvan Grootpa priester en koning was.

Het gezin was een maatschappelijke eenheid. De leden hadden dezelfde belangen, die vijandelijk waren aan die van andere gezinnen. Zoo’n gezin trok de aarde over, ging waar voedsel te vinden was, vocht nu en dan met andere gezinnen voor gras en water, wanneer het daaraan behoefte had. Onoplosbare algemeene belangen vormen den grondslag voor een organische vereeniging en deze belangen hebben langen tijd op bloedverwantschap berust.

Toen het menschelijk individu het best gevoed en behoed werd door het gezin, moest het natuurlijk een hoofd hebben, omdat daarvoor de stipte, onderlinge samenwerking van al de leden van dat gezin vereischt werd, en zoo ontstond die vorm van regeering die als de patriarchale bekend is. De natuurlijke familiebetrekking, zooals bij ouders en jongen van andere diersoorten gezien wordt, of bij ons in de latere vormen, sluit zulk een regeeringsvorm niet in; hij is alleen een eigenaardigheid van het gezin wanneer dit een sociale éénheid vormt. [183]

Tot het wezen van het patriarchale familieleven behoorde polygamie, en niet slechts polygamie, maar het openlijk concubinaat met een vrouwenslavernij, die bijna op hetzelfde neerkwam. Toen het gezin als een maatschappelijke instelling zijn toppunt van ontwikkeling bereikt had, nam het huwelijk als zoodanig een zeer laag standpunt in; in dien tijd was het huwelijk feitelijk nog maar gedeeltelijk aan de vroegere vrije verhouding van den primitieven wilde ontgroeid. Het gezin schijnt inderdaad een langzaam verdwijnend overblijfsel van de nog losser vereeniging der horden te zijn, welke weder nader tot de in kudden of troepsgewijs levende carnivoren stonden dan tot een organische maatschappelijke verhouding. Een losse, gemengde groep dieren vormt geen stam; en de meest primitieve groepen der wilden schijnen niets meer dan zoo iets geweest te zijn.

De stam in zijn waren vorm volgt op het gezin, is er een natuurlijke uitbreiding van en ontleent zijn essentieele banden aan dezelfde verwantschap. Ook deze maatschappelijke vormen zijn nauw verbonden met economische omstandigheden. De horde was de jacht-éénheid; het gezin en later de stam was een herders-éénheid. De landbouw en wat daarvan het gevolg is, handel en fabrieken, hebben langzamerhand deze ruwe banden des bloeds verzwakt en de maatschappelijke verwantschap doen ontstaan, welke den Staat vormt. Vóór het herders-tijdperk nam het gezin geen belangrijke positie in en na dit tijdperk is het langzamerhand in verval geraakt. Met den vooruitgang der maatschappij zijn de menschelijke verhoudingen steeds minder op een persoonlijken of een sexueelen grondslag gaan rusten, maar meer en meer op onderlinge economische afhankelijkheid. Met een hoogere ontwikkeling [184]der individuen werd ook een hooger vorm van huwelijk mogelijk.

Het gezin is een verdwijnend overblijfsel van de vroegste, aan menschen bekende, groepeering. Het huwelijk is een toenemende ontwikkeling van hoog maatschappelijk leven, dat nog niet ten volle ontwikkeld is. In plaats van identiek te zijn met het gezin, staat het huwelijk in omgekeerde verhouding tot het gezin; het wordt beter en hechter, naarmate het gezin in waarde afneemt; dit is duidelijk waar te nemen in het groote contrast dat bestaat tusschen de huwelijks-verhouding van Jacob en zijne vrouwen en den niet te bedwingen wensch naar een levenslange monogame echtvereeniging, zooals die heden ten dage in onze harten opwelt. Gedurende het patriarchale tijdperk kon men zich van een huwelijk als een levenslange vereeniging van twee bij elkaar passende individuen, geen begrip vormen. Vrouwen hadden toen alleen waarde als kinderenvoortbrengsters. Het gezin had behoefte aan vele familieleden, voornamelijk mannelijke, daardoor verwierven de vrouwen met het in de wereld brengen van een mannelijk kind de hoogste gunst. Het gezin stond toen slechts weinig graden boven de horde. Zijn vereenigings-banden waren zeer los;—er was alleen een gemeenschappelijke vader, maar verschillende moeders met tegenstrijdige belangen. Zulk een grondslag verhinderde voor goed elke hoogere individualisatie, en hooger individualisatie, steeds vergezeld gaande met den wensch naar een hooger echtvereeniging, kan niet met een gezinsleven van eenige beteekenis gepaard gaan. Steeds steeg het huwelijk en ontwikkelde zich in maatschappelijke beteekenis, wanneer het gezin in waarde daalde en het gezinsleven minder werd.

Het is zeer interessant dit op te merken bij de vestiging van Utah, die onder betrekkelijk gelijke omstandigheden [185]plaats vond. De gemakkelijk gevoelde gemeenschappelijke belangen van veel menschen onder één hoofd, waardoor de polygame gezinnen zich onderscheiden, was een nuttige factor in deze groote baanbrekende onderneming. Met de verdere ontwikkeling dier maatschappij gevoelde men behoefte aan een vlottender, verstandiger, breeder opgevatte verhouding der individuen. Het gezin als een maatschappelijke éénheid, vormt een zwaarwichtig lichaam, dat uit eenigszins vijandige leden is samengesteld en waarbij een militaire regeling vereischt wordt, om het in zijn geheel te doen werken. Het is alleen nuttig zoolang het doel dat men er mede bereiken wil van eenvoudigen aard is en door de domste menschen begrepen kan worden. Het is gemakkelijk na te gaan, hoe het gezin door toeneming in aantal leden zich uitbreidde tot een stam, en dat in overeenstemming met dien groei de vader van het gezin veranderde in hoofd van den stam. Hoe daarna, door de steeds grooter wordende kracht der nationale éénheid de naam hoofd en de vorm stam niet meer toepasselijk waren en door de hoogere eischen aan de geslachts-verhouding gesteld, die met de primitieve economische behoeften van het gezin niet konden samengaan, het gezin zich op een monogamischen grondslag vestigde.

En verder, nu onze nog in wording zijnde sociale behoeften een steeds verfijnder en vrijer onderlinge en gemeenschappelijke hulp der individuen noodig maken, vinden wij zelfs dat hetgeen nog van economische éénheid van het gezin overbleef, snel aan het afnemen is. Doch met den achteruitgang en met de verdwijning van de economische-verhouding wordt de geslachts-verhouding in het huwelijk zuiverder; en de wensch der hedendaagsche wereld naar een hooger, een edeler geslachts-vereeniging wordt even scherp uitgesproken, als [186]het aangroeiend bezwaar tegen de bestaande economische vereeniging. Wij zijn zoo lang gewend geweest die twee met elkaar te verwarren dat het ons vreemd zal toeschijnen juist in de verouderde overblijfselen van de gezins-verhouding, wel is waar voorheen van waarde, thans de oorzaak te vinden, waardoor de hoogere ontwikkeling van het monogame echtverbond zoo pijnlijk wordt belemmerd.

In elke jongere generatie vormen mannen en vrouwen geslachts-vereenigingen, waarbij steeds hooger eischen gesteld worden aan een gelukkig huwelijk; waarbij steeds meer behoefte gevoeld wordt aan geestverwantschap. In elke nieuwe generatie wenschen en vragen mannen en vrouwen meer van elkander. Een vrouw is nu niet meer tevreden en dankbaar wanneer zij “een goeden man” heeft; een man is niet meer tevreden met een geduldige huissloof. Indien echter alle mannen en vrouwen in hun huwelijk weder tot den ouden economischen staat van het gezin terugkeeren, dan komen zij steeds weder onder de omstandigheden, waardoor hun wederkeerige liefde vermindert en het huwelijk een soort van compromis wordt, meer of minder moeilijk te dragen, naarmate de betrokken personen beter opgevoed en liefvriendelijk van aard zijn. Zulke menschen zijn zich niet altijd bewust van hun “ongelukkig huwelijk”. Hun huwelijk is immers even gelukkig als die, welke zij rondom zich zien, misschien zoo gelukkig als wij veronderstellen dat een huwelijk “op aarde” kan zijn; en in den hemel verwachten wij geen huwelijken. Maar het is toch niet wat zij in hun jeugd er van verwacht hadden.

Wanneer twee jonge lieden elkander liefhebben, zouden zij dan, in de lange uren van samenzijn, die hun nooit lang genoeg toeschijnen, wel eens stilstaan [187]bij het verrukkelijk vooruitzicht der huishoudelijke plichten? Immers neen. Zij denken aan het genot een “tehuis” te zullen hebben, waar zij “eindelijk alleen” zijn kunnen; aan de gelegenheid om van elkanders bijzijn te genieten, maar vooral aan hetgeen zij samen zullen doen. Samen te werken, samen te wandelen, samen te lezen, schilderen, schrijven, zingen of iets anders dat men prettig vindt samen te doen, daarnaar verlangt liefde.

Menschelijke liefde, nu zij een steeds hoogeren vorm aanneemt, verlangt hoe langer hoe meer naar zulk een kameraadschappelijkheid. Maar de economische staat van het huwelijk verstoort wreedaardig den jongen liefdesdroom. Uit een economisch oogpunt, afgescheiden van al het zoete en oprechte van de geslachts-verhouding, wordt de vrouw in het huwelijk de dienstbode, of op zijn hoogst de huishoudster van den man. Wij kunnen gerust zeggen dat over de geheele wereld de vrouwen in de lichamelijke behoeften van het menschelijk dier voorzien. Gehuwde verliefden werken niet te zamen. Zij kunnen, als zij tijd hebben, te zamen rusten; zij kunnen misschien te zamen spelen; maar zij maken niet te zamen de bedden op, of vegen of koken te zamen; en zij gaan ook niet te zamen naar de werkplaats. Zij staan economisch op een geheel verschillend maatschappelijk terrein, en dit vormt een slagboom voor elke hooger, oprechter vereeniging dan wij rondom ons zien. Een huwelijk kan alleen dan volmaakt zijn, indien het gesloten is tusschen menschen van gelijke klasse. En er bestaat geen klasse-gelijkheid tusschen hen die deelnemen aan het werk der wereld, volgens de nieuwste, breedste, hoogste methode en hen die hun werk verrichten op de oudste, bekrompenste, laagste wijze. [188]

Indien wij gulweg toegeven dat het de taak der vrouwen is het huiselijk leven overal gezond, waar en zonnig te maken, dan kan men ons toch niet tegenspreken dat de economisch afhankelijke vrouw dit niet doet en het ook nooit zal kunnen. Dit kan en zal alleen een economisch onafhankelijke vrouw doen. Evenmin als het gezin identiek is met het huwelijk, evenmin is het huiselijk leven in een of ander opzicht identiek met een dier beiden.

Een tehuis is een bestendige woonplaats, hetzij het dienst doet voor één, twee, veertig of duizend, voor een paar, een troep of een zwerm. De bijenkorf is het tehuis voor de bijen, even letterlijk en absoluut als het nest het is voor een vogelpaar in hun paartijd. Het tehuis en de liefde er voor kunnen zich inkrimpen tot de ééne kamer van een ongehuwde, of zich uitbreiden tot de oppervlakte van het vasteland, wanneer de terugkeerende reiziger land ziet en “thuis” roept. Er bestaat geen zoeter woord, er is geen dierbaarder plek, wij kennen geen gevoel dat meer tot ons hart spreekt, dan dit.

Waarop berust, bij nauwkeurige ontleding, ons gevoel in dezen? Wat vormt den grondslag? Veel lager dan de menschheid, bij de vossen in hun holen en de vogels in hun nesten, begint reeds het diepe gevoel voor het tehuis. Het moederlijk instinkt zoekt een plaats waar het onbeschermd jong beschut wordt, wanneer de moeder afwezig is om voedsel te zoeken. De eerste scherpe indrukken uit de jeugd staan in verband met de beschuttende muren van een tehuis, moge dit de schommelende wieg in de takken der boomen, de zachte, donkere holte in den boomstronk of de kelder met zijn verborgen leger zijn. Een plaats waar men veilig is; een plaats waar men warm en droog is; een plaats waar [189]men rustig slaapt en in vrede eet; een plaats wier enge, bekende grenzen de zenuwen rust geven van den voortdurenden toevoer van indrukken der buitenwereld; dezelfde plaats steeds en overal, waar elk moedeloos gevoel gesust en genezen wordt, in ’t kort, elke plaats waar men gevoelt “dat men thuis is”. Dit alles dateert uit onze eerste bewustwording. Dit alles bestaat reeds millioenen en millioenen jaren. Geen wonder dus dat wij het liefhebben.

Langzamerhand komen er dan nog de indrukken van teedere verhoudingen bij, de familiebanden uit den vroegsten tijd. Daarbij voegde zich, wel primitief doch wij zijn er nog niet geheel aan ontgroeid, het tastbaar-godsdienstig gevoel der vroegere ouder-vereering,—heiligheid bij veiligheid,—waardoor het gevoel voor tehuis zeer versterkt werd. Het was de plaats waar men bad, waar het heilig vuur brandde en waar plengoffers gestort werden voor gestorven voorvaderen. Voortgaande, kwam dan het langzaam uitgestorven tijdperk van vader-regeering hierbij een nieuw gevoel voegen, het gevoel van eer voor de plaats van comfort en van gebed. Het werd toen tevens de zetel der regeering,—het paleis en de troon. Op deze sterke fundeering hebben wij een torenhoog gebouw van gebruiken, gewoonten en wetten gebouwd, waar alle diepe, innige, teedere aandoeningen van het menschelijk individu huizen. Geen wonder dat wij doof en blind zijn voor elke voorgestelde verbetering van ons goddelijk lustslot.

Maar laat ons verder zien. Zonder een woord van het bovenstaande tegen te spreken, is het toch ook waar dat de hoogste aandoeningen der menschen opkomen en doorleefd worden buiten de woning en afgescheiden daarvan. Zoolang de godsdienst tehuis werd beoefend nam hij in dogma en ceremonie, in geest en uitdrukking [190]een laag en benepen standpunt in. Hij kon zich niet verheffen, vóór dat hij nieuwe bezieling en nieuwe uiting vond in het menschelijk leven buiten de woning, vóórdat een plek gevonden werd, waar men gemeenschappelijk kon bidden en ceremoniën en moraal een menschelijken grondslag in plaats van den familie-grondslag aannamen. Voor wetenschap, kunst, regeering, opvoeding, onderwijs, industrie, is het huis de wieg, maar het zou ook hun graf worden, indien zij er in bleven. Alleen door te leven, denken, voelen en werken buitenshuis, worden wij menschelijk ontwikkeld, beschaafd, gesocialiseerd.

De flinke ontwikkeling van ons modern huiselijk leven is alleen mogelijk geworden, doordat het begeleid en voorafgegaan werd door modern maatschappelijk leven. Indien het omgekeerde waar was, wat gewoonlijk verondersteld wordt, dan zouden alle natiën, die in woningen leven, aanhoudend in beschaving moeten vooruitgaan. Doch dat doen zij niet. Integendeel, natiën waarbij het gezin en het familieleven nog het meest van kracht zijn, zooals in China, leveren een droevig voorbeeld van het resultaat van huiselijke deugden zonder maatschappelijke. Een waardig huiselijk leven is het product van een waardig maatschappelijk leven. De deugden waaraan de maatschappij behoefte heeft worden niet tehuis gekweekt. Maar de deugden noodig in gezinnen zooals die tegenwoordig gewenscht worden, worden wel in de maatschappij ontwikkeld. De leden van de vrijste, beschaafdste en meest geïndividualiseerde natiën vormen de beste leden van het gezin. De leden van de meest op zich zelf levende en hoogst vereerde gezinnen vormen niet noodzakelijk de meest gewenschte leden der maatschappij.

De strekking van sociale evolutie, zooals trouwens van [191]elke evolutie, is om de “onbestemde, onzamenhangende homogeniteit te brengen tot bepaalde, samenhangende heterogeniteit”, en het gezin met zijn koppig handhaven van een voortdurende homogeniteit staat daarom den maatschappelijken vooruitgang zeer in den weg. De menschelijke wezens moeten het huiselijk leven niet minder lief hebben, maar zij moeten het uitbreiden door een nieuwe en krachtige uiting.

Bovenal echter hebben wij behoefte aan een volledige ontwarring der denkbeelden omtrent de afwisselende en dikwijls lijnrecht tegenovergestelde belangen en werkzaamheden, die zoolang verondersteld zijn deel uit te maken van huis en gezin. De verandering van de economische positie der vrouw, van afhankelijkheid tot onafhankelijkheid, brengt tot ons groot voordeel ook een andere regeling der huiselijke belangen en werkzaamheden mede. [192]

XI

Als een natuurlijk gevolg van onze arbeidsverdeeling naar het geslacht, de vrouw het huis en den man de wereld als arbeidsveld gevende, is het dwaze begrip gekweekt dat de huiselijke plichten als essentieel vrouwelijk en ieder ander soort van arbeid als essentieel mannelijk werk moet aangemerkt worden. Wij hebben stilzwijgend aangenomen dat de bereiding en toediening van voedsel en het verwijderen van stof en vuil,—de voedende en uitscheidende processen van het gezin,—vrouwelijke functiën zijn; doch tevens namen wij aan dat deze processen in de woning moeten geschieden, dat daarin eigenlijk de uiterlijke expressie van het gezin gelegen is. Het menschelijk wezen moet tehuis gevoed, gereinigd, verwarmd, en in ’t algemeen verzorgd worden, wanneer het niet elders werkzaam is.

De voeding van den mensch is een ingewikkelde zaak. De weg van hand tot tand is lang, zegt een oud spreekwoord. Het voedsel wordt door het menschenras collectief voortgebracht, niet door individuen voor hun eigen gebruik, maar door onderling met elkaar in betrekking staande groepen van individuen, over de geheele wereld, voor het verbruik van allen. Dit gemeenschappelijk geproduceerd voedsel circuleert door de wereld, door middel van nauwkeurig werkende inrichtingen van transport, aflevering en bereiding, vóór dat het de monden der verbruikers bereikt, en alleen de eindprocessen, keuze en bereiding zijn in handen der vrouwen. De vrouw is de laatste kooper; [193]in haar handen rust ook de laatste handeling der menschelijke voeding, het koken; dit is een soort van buiten het lichaam plaats vindende digestie, die voor de menschen bleek voordeelig te zijn. Deze laatste afdeeling der menschelijke voeding heeft men tot een geslachts-functie gemaakt en wordt verondersteld bij de vrouwen-natuur te passen.

Indien het voor het menschelijk ras voordeelig is dat het voedsel door een bepaalde sekse wordt gereed gemaakt, dan moet dit voordeel uit eene betere gezondheid en reinere gewoonten der menschen blijken. Dit voordeel bestaat evenwel niet. Ondanks onze macht en ervaring bij de voortbrenging en bereiding van voedsel, blijven wij, wat het eten betreft, “het ziekste beest der wereld.” Ons machteloos geschreeuw tegen de vervalsching der voedingsmiddelen bewijst dat een deel van dit euvel in de ten verkoop aangeboden voedingsproducten ligt; de aandoenlijk groote oplagen der talrijke kookboeken bewijzen dat een ander deel van dit kwaad in de bereiding dezer producten ligt; en de nuttelooze vermaningen van doctoren en wijze moeders bewijzen dat ook een deel aan onzen ziekelijken smaak en eetlust moet worden toegeschreven. Oogenschijnlijk zou men meenen dat de menschen, na de eeuwenlange ondervinding, nog niet geleerd hebben hoe goed voedsel bereid, hoe het gekookt en hoe het gegeten moet worden,—wat helaas maar al te waar is!

De groote functie der menschelijke voeding werd met de geslachtsverhouding verward en als een geslachts-functie beschouwd; zij werd in de hulpelooze handen dier lieve doch onvolmaakte bemiddelaars, de economisch afhankelijke vrouwen gesteld; en het valt niet moeilijk aan te toonen dat zulke bemiddelaars werkelijk voor die taak onbekwaam zijn. In haar positie van huishoudster [194]in eigen gezin is de vrouw de laatste kooper van het voedsel; en hier vinden wij de oorzaak wan de ongelooflijk groote vervalsching der voedingsmiddelen.

Elk soort van bedrog en misleiding in den dienst der menschheid moet toegeschreven worden aan de zucht om te ontvangen zonder te geven, welke zucht, zooals in vorige hoofdstukken werd aangetoond, grootendeels een gevolg is van de opleiding der vrouwen tot onproductieve verbruikers. Maar de bijzondere vorm van bedrog en misleiding door den een of anderen verkooper in praktijk gebracht, wordt door het verstand en de macht van den kooper beheerscht. Het is zeer gemakkelijk, voordeel te trekken uit verdunning en vervalsching der voedingsmiddelen, omdat de laatste kooper over bijna geen macht en zeer weinig verstand beschikt. De huisvrouw koopt bij korte tusschenpoozen en bij kleine hoeveelheden. Men weet zeer goed dat dit financieel nadeelig is, maar dat ook de kwaliteit der koopwaren daaronder lijdt, is niet zoo algemeen bekend. Alleen wanneer de vrouw aan het hoofd van een rijke huishouding staat en in groote hoeveelheden moet inkoopen voor gezin, bedienden, gasten, krijgt haar handel genoegzame waarde om op de kwaliteit van de waar invloed uit te oefenen. Een winkelier met honderd arme vrouwen tot klant, levert een veel mindere kwaliteit dan hij, die eenzelfde hoeveelheid aan één persoon verkoopt. Van daar dat het gezin bij den inkoop van voedsel wezenlijk in een voortdurend ongunstige positie verkeert; en daarenboven de voornaamste oorzaak is van het lage gehalte der voedingsmiddelen, waartegen wij met lastige wettelijke bepalingen moeten strijden.

De meeste huishoudsters zijn onnoozel genoeg hunne onbekendheid met deze zaken te bewijzen, door te ontkennen dat de voedingsmiddelen van zoo’n laag [195]gehalte zijn. Laten zulke vrouwen eens de verordeningen en instellingen van de stad hunner inwoning—en van elke beschaafde stad—onderzoeken en nagaan hoe het brood, de melk, het vleesch, het fruit enz. onder aanhoudend wettelijk toezicht staan, met het doel, den onwetenden, hulpeloozen kooper voor bedrog te beschermen. Indien de huishoudster van het gezin zooveel technisch verstand bezat dat zij de gekochte voedingsmiddelen kon keuren, indien zij zich geoefend had de melk te onderzoeken, de vreemde bestanddeelen in koffie en specerijen te ontdekken, de hoedanigheid van vleesch te bepalen, de soort en rijpheid der vruchten en groenten vast te stellen, dan zou zij ten minste in staat zijn tegen haar leverancier te protesteeren en voor zoover tijd, afstand en beurs het toelaten, een beteren op te zoeken. Dit technisch verstand verkrijgt men echter alleen door bepaalde studie en ondervinding; doch voor dengeen die alleen voor zich zelf koopt, zou deze kennis slechts moeilijkheid en ellende medebrengen, omdat hij de macht mist de eischen te stellen, die het verstand alsdan aangeeft.

Zooals de toestand nu is bezit de vrouw bij het koopen der voedingsmiddelen alleen haar onwetenschappelijke ondervinding, opgedaan door oefening op haar hulpeloos gezin en nog wel gedurende den tijd dat het opgroeiend kroost zoozeer behoefte heeft aan eene verstandige verzorging, die de moeder slechts in staat is in later jaren te verschaffen. Deze ondervinding met hare treurige begrenzing en praktische belemmering door den persoonlijken smaak en de financieele omstandigheden van het gezin, gaat telkens verloren waar zij gevonden werd. Ieder moeder verkrijgt langzamerhand een beetje kennis van haar bezigheden door ze uit te oefenen, ten koste dikwijls van het leven en de gezondheid van het gezin en door op te merken [196]welke gevolgen ze op de overlevenden hebben. En elke dochter begint op nieuw even onwetend als haar moeder was. Men schijnt deze kunst niet aan anderen te kunnen mededeelen. Het is geen geregelde opleiding, zooals elk belangrijk werk vereischt, maar een langzaam opzuigen van ondervinding, waarmede op het beschermen van de gezondheid der maatschappij geen invloed kan worden uitgeoefend. Als de laatst handelende tusschenpersoon bij de voeding der menschheid voldoet de huisvrouw niet; dit is geen gevolg van gebrek aan goeden wil, maar van haar positie als individueele kooper. Alleen door organisatie kunnen zulke gebreken, als de in het groot voorkomende vervalsching der voedingsmiddelen, verholpen worden en de vrouw, als dienstbode, behoort tot den laagsten graad van ongeorganiseerden arbeid.

Wanneer wij thans den inkoop van voedingsmiddelen laten rusten en de bereiding van het voedsel nagaan, dan mogen wij natuurlijk verwachten dat de bestemming van een geheele sekse, voor het vervullen van deze functie, zeer merkwaardige resultaten oplevert. Die resultaten zijn merkwaardig, doch niet gunstig zoo als verwacht mocht worden. De kunst en wetenschap van het koken vereischt een grondige kennis van de voedingswaarde der voedingsmiddelen en van de physiologische en hygiënische wetten. Als een wetenschap grenst het aan de preventieve geneeskunde. Als een kunst is het in staat tot nobele expressie, binnen zijn natuurlijke perken. Het standpunt dat het tot heden bij ons inneemt is zoo ver van wetenschap verwijderd en houdt zoo weinig verband met preventieve geneeskunde, dat het op de laagste sport van amateurs-handenarbeid staat en een vruchtbare bron voor ziekte is. Als een kunst heeft het zich, onder den eigenaardigen prikkel van zijn toestand als geslachts-functie, tot een wellustige overdaad [197]ontwikkeld, die even valsch als slecht is. Ons onschuldig gezegde: “de weg tot het hart van den man gaat door zijn maag,” verklaart treurig duidelijk hoe wij aan tafel onze lichamen bederven en onzen geest verlagen.

Zoolang de eene helft van het menschdom als amateurkok voor de andere helft werkt, zal het onmogelijk zijn, dat de kennis van dit vak een hoogen graad van wetenschappelijke nauwkeurigheid of technische bekwaamheid bereikt. De ontwikkeling van een of ander menschelijk werk vereischt specialisatie en specialisatie is onmogelijk bij ons stelsel, waarbij verondersteld wordt dat elke vrouw van nature kok is. Voor zoo ver de kookkunst is vooruit gegaan, hebben wij dit te danken aan de studie en ondervinding van de mannelijke beroeps-koks en scheikundigen en niet door den Sisyphus-arbeid van onze eindelooze generaties van op zich zelf staande vrouwen, waarvan ieder weder begon, waar ook haar moeder begonnen was.

Natuurlijk zullen hier weer smartelijke verzuchtingen gehoord worden over “moeders lekkere schoteltjes”, en in antwoord daarop kunnen wij alleen verwijzen naar onze tweede premisse in het laatste hoofdstuk. Het feit dat wij van iets houden bewijst nog niet dat dit juist en goed is. Een kind uit Missouri kan de gekruide beschuiten van zijn moeder erg lekker vinden, maar dat neemt niet weg dat zij op zijn geest en lichaam een slechte uitwerking hebben. Kookkunst berust op wetten, zij is geen onschuldig verbeeldingsspel. Bouwkunst zou misschien vermakelijker en afwisselender zijn, indien ieder zijn eigen huis bouwde, maar dan was zij nooit de kunst en wetenschap geworden, waartoe wij haar nu hebben opgevoerd. Zoolang iedere vrouw het voedsel bereidt voor haar eigen gezin, zal het koken zich nooit boven het niveau van amateurs-werk kunnen verheffen. [198]

Maar hoe laag ook de kookkunst als wetenschap moge staan, als kunst staat zij nog lager. Sedert het voor de echtgenoote-keukenmeid van het grootste belang is genot te verschaffen,—omdat daarin haar voornaamste middel schuilt om te verkrijgen wat zij verlangt of om haar dankbaarheid uit te drukken,—leert zij spoedig het gehemelte streelen, in plaats van de behoeften der maag nauwkeurig te bestudeeren en daaraan tegemoet te komen. Door ontelbare geslachten heen, zijn de volwassen man en het opgroeiend kind het voorwerp geweest van de aanhoudende inspanningen van haar die kookte met liefde in plaats van met kennis, die kookte om genot te geven. Dit is een van de breedste wegen welke naar het verderf voeren. In iedere levensphase is het verkeerd de gebeurtenis aan het doel te doen voorafgaan, de middelen te stellen vóór het eind; en hier heeft het dit algemeen bekende gevolg gehad, dat wij leven om te eten, in plaats van eten om te leven.

Deze houding van de vrouw heeft de overal voorkomende overdaad ontwikkeld, die wij de “fijne keuken” noemen; een ding zoo ver verwijderd van ware artistieke ontwikkeling in de kookkunst als een groote ijskan van een Grieksche vaas. Hierdoor is de ontzettend groote dwaasheid van het voorname leven ontstaan, waarbij menschelijke arbeid en tijd en bekwaamheid worden verspild met voort te brengen wat noch als zuiver voedsel, noch als zuiver genot kan worden aangemerkt, maar een kunstmatige bereiding is, die alleen door kenners gewaardeerd kan worden. Men kan zich nauwelijks een lager levenswijze voorstellen, dan die, welke het gevolg is van den onnatuurlijken wedloop tusschen kunstmatige opwekking en eetlust, waardoor lichaam en ziel beide bedorven worden.

De man, het voorwerp van al deze eetkamer-verheerlijking, [199]heeft hierdoor een aangekweekte belangstelling in eigen smaak en de bevrediging er van ontwikkeld en onderhouden,—de vraag naar dingen waarvan hij houdt, meer dan naar die welke goed voor hem zijn,—waarin een van de meest gevreesde karaktertrekken, aan de psychologen bekend, gelegen is. De gevolgen van deze aanhoudende streeling van het gehemelte op den natuurlijken eetlust kunnen ver nagespoord worden en zij loopen ten slotte uit op een onbeteugeld toegeven aan de trek naar gekruide spijzen en allerlei soort van onmatigheid. Het humeur, dat niet bij machte is deze verzoekingen alle te verdragen, wordt dan tehuis voortdurend bot gevierd.

Even als het concentreeren van de physische krachten der vrouw op haar geslachts-functiën, daartoe door economische afhankelijkheid gedwongen, geleid heeft tot het opwekken en onderhouden van een buitensporigen geslachts-lust bij den man, tot nadeel van het ras; zoo heeft ook de concentratie van de nijvere krachten der vrouw in den beperkten en aanhoudenden dienst van persoonlijken smaak en eetlust er toe geleid een buitensporigen lust in lekker eten en drinken op te wekken en te onderhouden, wat eveneens nadeelig is voor het ras. Hiermede wordt niet beweerd dat dit de eenige oorzaak van deze verkeerde gewoonte is, maar het is een van de belangrijkste en van voortdurenden invloed.

Misschien kan men de uitwerking beter zien door een niet diepgaande vergelijking dan door een bloote vermelding. Men stelle zich twee groote, gezonde, vlugge apen voor. Veronderstel dat het mannetje-aap het vrouwtje-aap niet toestaat rond te springen en haar eigen kokosnoten te plukken, maar dat hij haar brengt wat zij noodig heeft. Veronderstel dat hij dan eischt dat zij den dop breekt, de noot er uitpelt en voor hem [200]gereed maakt wat hij er van wenscht te eten; en verder dat haar deel van het eten, om niets te zeggen van haar kans om na afloop een klein, prettig uitstapje in de boomtoppen te mogen maken, afhangt van zijn tevredenheid met het voedsel dat zij voor hem gereed maakte. Als zij een verstandige aap is, zal zij met alle listen die haar ten dienste staan, prikkel en afwisseling zoeken te voegen bij de maaltijden die zij voor hem bereidt; de stukjes die hij bijzonder graag lust voor hem uitkiezen om zijn smaak te streelen en zijn eetlust op te wekken; en hij, onder dezen aangenamen druk zich ontwikkelende, zal langzamerhand een fijn onderscheidingsvermogen in voedsel verkrijgen en met toenemend genot naar zijn feestmaaltijden verlangen. Er zou een nieuwe dwang zijn om hem te doen eten,—niet alleen zijn behoefte aan voedsel, met de natuurlijke en gezonde eischen, maar haar behoefte aan alles, wat alleen door zijn behoefte aan voedsel verkregen kan worden.

In een apenfamilie klinkt dit een beetje gek, doch het geeft toch juist weer wat gebeurde in de menschenfamilie. De wijze waarop de vrouw haar doel bereikte, was haar man aangenaam te zijn, en de noodzakelijkheid heeft haar geleerd hoe zij dat doen moest; en daar zij over het algemeen een onontwikkelde en onbekwame werkster was, kon zij hem alleen zoeken te behagen door de gaven die zij bezat, in hoofdzaak die van huiselijke diensten. Haar was tot taak gesteld het voedsel voor beiden gereed te maken en daarmede haar voordeel te doen. Zij heeft haar taak goed volbracht, maar of het tot voordeel strekte van een hunner is twijfelachtig.

Uit een oogpunt van sociale ontwikkeling zijn wij van het grove schrokken van den wilde, van elk voedsel [201]wat hij kon bemachtigen, gekomen tot een nauwkeurig uitkiezen van geschikt voedsel en een beschaafder en beter vorm om het te gebruiken. Deze maatschappelijke vooruitgang wordt door onze sexueel-economische verhouding belemmerd; doordat de bereiding van voedsel tot een geslachts-functie is gemaakt, worden al de producten er van vermengd met den gloed van persoonlijke liefde en den drukkenden last van eigenbelang. Op die wijze wordt niet alleen de echtgenoot, maar worden tot op zekere hoogte ook de kinderen gevoed, want waar moederlijke liefde en moederlijke energie gedwongen worden zich hoofdzakelijk te uiten in de bereiding van voedsel, daar wordt de wensch om het kind doelmatig te voeden, vermengd met een onverstandige begeerte om het kind genot te verschaffen, en de moeder verlaagt haar hoog standpunt, door steeds den onontwikkelden smaak te streelen in plaats van dien te veredelen.

Wij meenen in den regel dat wij ons eten en drinken verhoogd en veredeld hebben door het met liefde te verbinden. Integendeel, wij hebben onze liefde verlaagd en doen ontaarden door haar met eten en drinken te verbinden, en wat meer zegt, wij hebben daardoor ook deze behoeften verlaagd. Maatschappelijk is er eenige vooruitgang gekomen, maar deze ongelukkige vermenging van geslachts-belang en eigen-belang met normalen eetlust, deze Cupido-in-de-keuken regeling, heeft den vooruitgang sterk tegengehouden.

Wij hebben veel geleerd door beroeps-koks. Handel en fabrieken hebben onze benoodigdheden sterk vermeerderd. Wetenschap heeft ons geleerd wat wij noodig hebben en hoe en wanneer wij het gebruiken moeten. Maar in het met liefde vermengde werk van vrouw en moeder worden deze verbeteringen slechts weinig gevoeld. Indien het meisje naar de kookschool gaat, dan geschiedt [202]dat meer om te leeren hoe lekkernijen bereid moeten worden welke genot verschaffen, dan om de voedingswaarde van het voedsel te bestudeeren en daardoor de gezondheid van het huisgezin te bevorderen. Uit de steeds grooter wordende magazijnen, door de bedrijvigheid der mannen voor haar geopend, kiest zij in ruime mate, om een afwisselend menu te maken dat den eetlust opwekt, zonder eenigszins op de hoogte te zijn welke combinatiën gemaakt moeten worden om onze lichamelijke behoeften het best te dienen. Wetenschap, scheikunde, gezondheidsleer zijn voor haar slechts namen. “Jan houdt daar zoo veel van”; “Willem lust het niet anders”; “vader kon nooit kool verdragen.” Zij moet bedenken wat haar man het liefst lust, niet zoozeer omdat zij het prettig vindt hem een genoegen te verschaffen of omdat zij er voordeel bij heeft als zij hem een genoegen doet, maar omdat hij betaalt voor het eten en zij zijn dienstbode is.

Wordt het niet tijd dat de weg naar het hart van den man door zijn maag wordt verlaten voor een idealer toegang? Laat de maag voor haar natuurlijk werk bestemd blijven, niet tot doortocht voor ongewone hartstochten en doeleinden gemaakt worden; en laat ons tot het hart doordringen langs idealer wegen. Wij hebben behoefte aan een nieuwe afbeelding van onzen overwerkten blinden god,—dik, vet, volgepropt met lekkernijen door de arme aanbidsters, zoolang gedwongen haar toewijding te betalen met zulke lage middelen.

Neen, het menschelijk ras wordt slecht gevoed door het voedingsproces tot een geslachts-functie te maken. De keuze en bereiding van voedsel moest in de handen van geoefende deskundigen rusten. De vrouw moest naast den man staan als de verwante van zijn geest, niet als de dienares van zijn lichaam. [203]

Dit zal groote veranderingen in onze levenswijze vereischen. De wereld door het werk van deskundigen te voeden; aan deze groote functie de bekwaamheid en ondervinding van geoefende specialiteiten, de macht der wetenschap en de schoonheid der kunst ten goede te doen komen, is met de sexueel-economische verhouding onmogelijk. Zoolang wij het koken als een aan alle vrouwen eigen geslachts-functie beschouwen, en het eten als een zaak die alleen in het gezin goed kan geschieden, kunnen wij niet verder komen. Wij besteden tegenwoordig veel ernstige studie en inspannenden arbeid om de vrouwen in de kunst van koken te onderwijzen en te oefenen, zoowel de echtgenoote als de meid; want met onze gewone opvatting, dat het willekeurig gedrag van het individu de oorzaak der omstandigheden is, zoeken wij de omstandigheden te wijzigen door het gedrag van het individu te veranderen.

Wij moeten evenwel inzien dat het gedrag niet kan veranderen, zoolang de omstandigheden dezelfde blijven. Ieder ambt of beroep, waarvan de ontwikkeling afhankelijk zou zijn van het werk van op zich zelf staande personen, alleen geholpen door gehuurde bedienden, onwetender nog dan zij zelf, zou op een gelijk laag niveau blijven.

Voor zoover gezondheid kan bevorderd worden door openbare middelen, wordt zij door gezondheids-reglementen en medisch toezicht, door hygiënische literatuur en door beroeps-personen bereide “gezondheidsmiddelen”, door bepaalde wetten voor besmettelijke ziekten en gevaarlijke beroepen, voortdurend verbeterd; maar door deze middelen wordt de bevordering der gezondheid, voor zoover die in de handen der huisvrouw ligt, niet bereikt. Negen-tiende van de vrouwen die haar eigen huiswerk doen, kunnen niet tot bedreven koopers en [204]ervaren keukenmeiden worden opgeleid, evenmin als negen-tiende van de mannen tot bedreven kleermakers kunnen worden gemaakt, zonder beter oefening of gelegenheid om zich te vormen, dan met het kleeden van eigen familieleden verkregen wordt. Het overige tiende gedeelte der vrouwen kan dan het werk doen volgens de primitieve arbeids-methoden.

Het voedsel te laten bereiden door gehuurde bedienden is nog slechter dan door de echtgenoote en moeder; de kunst om te koken wordt dan met nog minder oefening en geringer ondervinding uitgevoerd. De dienstboden zijn meerendeels jonge meisjes, die dezen vorm van dienstbaarheid verlaten zoodra zij kunnen trouwen; en zoodoende vertrouwen wij de lichamelijke gezondheid der menschen, voor zoover het koken daarop influënceert, aan de handen van ongeoefende, onvolwassen vrouwen van de laagste maatschappelijke klasse, die door geen hooger prikkel gedreven worden dan van financieele noodzakelijkheid. De liefde der vrouw en moeder is ten minste een prikkel om haar gezin goed te willen voeden. Voor de dienstbode bestaat die prikkel niet. Alleen in die enkele gevallen waarin de vrouw en moeder “een geboren kok” is en haar gezin begunstigt met de producten van haar buitengewone gaven, of in de rijke gezinnen, waar de hulp van beroepslieden kan betaald worden, kan het koken tehuis goede resultaten opleveren.

Er was een tijd dat vorsten en voorname lieden er eigen dichters op nahielden om hen te prijzen en bezig te houden, maar zoo’n dichter was nooit werkelijk groot, tenzij hij tevens dichtte voor de menschheid. Zoo kan ook de kunst van koken nooit haar hooge plaats als een maatschappelijke functie, die in een menschelijke behoefte voorziet, innemen, zoolang zij alleen voor eigen behoefte wordt aangewend. Ons leven en onze woningen [205]zoodanig in te richten dat het koken een beroep kan worden, is de eenige manier om deze groote kunst uit hare tegenwoordige begrenzing te bevrijden. Het moet een eervolle, goed betaalde betrekking worden, waartoe zulke mannen of zulke vrouwen opgeleid worden, die zich tot dit werk voelen aangetrokken, even als men meubelmaker of apotheker wordt. Tusschen de koks die hun werk alleen als handwerk opvatten en de artisten in hun vak zal er een natuurlijke verscheidenheid komen; en wij zullen een breeden, nieuwen weg voor winstgevenden arbeid en eervolle werkzaamheid en een nieuwen grondslag voor menschelijke gezondheid en geluk openen.

Dit sluit geen coöperatie in. Onder coöperatie verstaan wij gewoonlijk de vereeniging van gezinnen met het doel hunne veronderstelde functiën beter te kunnen vervullen. Deze zaak faalt in den regel omdat het beginsel niet deugt. Koken en reinigen zijn geen functiën van het gezin. Wij bezitten geen familie-mond, geen familie-maag en geen familie-gezicht dat gewasschen moet worden. Individuen moeten gevoed en gewasschen worden van hun geboorte tot hun dood, geheel afgezien van hun familie-verhoudingen. De wees, de ongehuwde man, de kinderlooze weduwnaar, hebben even veel behoefte aan deze voedende en reinigende zaken als eenig patriarchale vader. Eten is een individueele functie. Koken is een maatschappelijke functie. Geen van beide is in het minst een functie van het gezin. Dat wij het in de vroegere beschavingsperioden geschikter vonden tehuis te koken, bewijst niets meer dan hetzelfde feit dat wij het vroeger ook geschikter vonden tehuis te spinnen en te weven, onze zeep en kaarsen te bereiden, onze boter te maken, ons vee te slachten, ons brood te bakken en ons goed te wasschen.

Met de ontwikkeling der maatschappij gaat een specialiseering, [206]van hare functiën gepaard; en de reden dat deze groote ras-functie, het koken, in zijn natuurlijken groei zoo lang werd tegengehouden, ligt hoofdzakelijk aan de economische afhankelijkheid der vrouwen, die daardoor aan den menschelijken vooruitgang niet deelnamen. Zoodra de vrouwen economisch vrij zijn, zullen zij de achterlijk gebleven functiën opheffen en verruimen, zoowel om hunne plichten als vrouwen en moeders beter te kunnen volbrengen, als om de gezondheid en het geluk van het menschenras te bevorderen.

Hiervoor wordt geen coöperatie vereischt, maar wel de hulp van geoefende beroepslieden en zulk een regeling onzer levenswijze, waardoor wij in staat worden gesteld er van te profiteeren. Wanneer een groot aantal lieden denzelfden kleermaker of bakker of kruidenier begunstigen, dan coöpereeren zij nog niet. Evenmin zouden zij coöpereeren indien zij denzelfden kok begunstigen. De verandering moet van de zijde van den kok komen en niet van het gezin. Zij moet door natuurlijke functioneele ontwikkeling in de maatschappij gebracht worden en zij is reeds in aantocht. De vrouw, inziende dat haar plicht als voedster en reinigster een maatschappelijke en geen sexueele plicht is, moet de eischen van den toestand onder de oogen zien en zich zelf voorbereiden er aan tegemoet te komen. Honderd jaar geleden kon dit niet gedaan worden. Nu wordt het gedaan, omdat de tijd er rijp voor is.

Indien er tegenwoordig in een of ander groote stad een geriefelijk en goed ingerichte woning met afzonderlijke vertrekken geopend werd voor vrouwen die een gezin hebben en een beroep uitoefenen, zou zij op eens gevuld worden. De kamers moesten zonder keukens zijn; maar er moest een keuken bij het huis behooren van waar de maaltijden naar verkiezing aan de gezinnen [207]in hun eigen kamers of in een gemeenschappelijke eetkamer werden opgedischt. Het zoude een huis moeten zijn dat schoon gehouden werd door flinke bedienden, die niet door de gezinnen afzonderlijk gehuurd, maar door den leider der inrichting aangesteld werden, en een overdekte tuin, kinderkamer en Kindergarten onder goed geoefende kinderjuffrouwen en onderwijzers zou een doelmatige verzorging der kinderen moeten verzekeren. Met den dag neemt de behoefte aan zulke instellingen toe en weldra moet hieraan tegemoet gekomen worden, niet door een kosthuis, of een inrichting waar alleen huisvesting verleend wordt, of een hotel, een restaurant of het een of ander maaksel van eenige van deze instellingen te zamen; maar door eene instelling waarin voortdurend voorzien wordt in de behoeften van individuen en van afzonderlijke gezinnen, die de voordeelen van het gemeenschappelijk samenleven willen genieten. Dit moet op een bedrijfs-basis rusten, om een deugdelijk bedrijfs-succes te hebben en het zal dit hebben omdat het in een toenemende sociale behoefte voorziet.

Alleen in New-York City zijn honderd duizenden vrouwen die loontrekkend zijn en die tevens een gezin hebben, en het getal wordt steeds grooter. Dit is niet alleen waar voor de armen en ongeletterden, maar nog veel meer voor de vrouwen die een ambt of beroep uitoefenen, voor de wetenschappelijke, artistieke en literaire vrouwen. Onze onderwijzeressen, die een talrijke klasse vormen, zijn niet allen zonder bloedverwanten. De behoeften van een menschenziel worden niet voldaan in een kosthuis. Deze vrouwen hebben behoefte aan een tehuis, maar zij begeeren daarom niet den vervelenden aanhang van rudimentaire werkzaamheden die verondersteld worden bij een tehuis te behooren. De moeilijkheden waarmede zulke vrouwen te kampen hebben zijn niet [208]langer noodzakelijk. Het private leven van een eigen huis kan even goed in een gebouw, als hierboven beschreven, gehandhaafd worden, als in een of ander deel van een blok woningen, een of andere kamer, verdieping of gedeelte er van, onder de tegenwoordige levenswijze. Het voedsel zou beter zijn en minder kosten; en dit zal ook met andere werkzaamheden en benoodigdheden het geval zijn.

In de voorsteden zou dit doel veel beter uitgevoerd kunnen worden door een groep van aangrenzende woningen, elk huisje afzonderlijk met een eigen erf, maar allen zonder keuken en door een overdekten weg verbonden met het eet-huis. Geen gedétailleerd plan van den juisten vorm, hoe ten slotte de inrichting het beste en pleizierigste zal zijn, kan thans gegeven worden; doch de maatschappij verlangt met steeds grooter aandrang dat de werkzaamheden die in huis verricht worden, aan bekwamer handen worden toevertrouwd.

Elk huis zal veel gemakkelijker schoon gehouden kunnen worden, wanneer de twee voornaamste oorzaken van het vuil worden, vettigheid en asch, er uit verwijderd zijn.

Natuurlijk kunnen de maaltijden, zoolang men dat wenscht, te huis worden opgedischt; doch zoodra de menschen gewend raken aan zuivere, reine woningen, waar geen stoom-werkzaamheden worden uitgevoerd, zullen zij het langzamerhand verkieselijker vinden naar hun voedsel te gaan, dan het voedsel bij hen te doen brengen. Het is volmaakt natuurlijk dat iemand naar zijn voedsel gaat. Achterna beschouwd, is het slechts een gradueel verschil; huist men in één kamer, waar ook gekookt wordt, dan heeft men het eten vlak bij; in de groote huizen gaat men om te eten naar de eetkamer; nog een beetje verder en men gaat niet naar de eetkamer in zijn eigen, maar in een aangrenzend [209]huis. Gezinnen zouden gezamenlijk kunnen gaan eten, even als zij te zamen kunnen gaan baden of te zamen kunnen luisteren naar muziek; doch mocht het gebeuren dat verschillende individuën op verschillende uren wenschten te eten, dan zou hieraan te gemoet gekomen kunnen worden, zonder dat het comfort van anderen of hun eigen, daarbij behoefde opgeofferd te worden. Iedere huisvrouw weet hoe moeilijk het is de leden van het gezin altijd te zamen aan de maaltijden te krijgen. Waarom moet dat ook? Hier komt het gevoel voor den dag en men beweert dat familie-liefde, familie-éénheid, het ware huiselijk leven, afhankelijk is van het te zamen zijn bij de maaltijden. Een familie-éénheid te zamen gehouden door een tafellaken, is van bedenkelijke waarde.

Onze domme wijze van huishouden omvat verscheiden beroepen. Een goede keukenmeid behoeft niet noodzakelijk een goede huishoudster te zijn, of een goede huishoudster iemand die nauwkeurig en voorzichtig reinigt, of iemand die goed reinigt, een die verstandig inkoopt. Onder de vrije ontwikkeling van deze verschillende vakken zou een vrouw haar positie kunnen kiezen, zich er voor bekwamen en een zeer gewaardeerde beambte worden in het door haar zelf gekozen vak. En toch kon zij daarbij in eigen huis blijven wonen, dat wil zeggen, dat zij in haar huis leeft zooals een man in het zijne, met zekere uren van den dag aan het werk, de andere tehuis te besteden.

Verdeeling van het huishoudelijk werk zou den dienst vereischen van een geringer aantal vrouwen gedurende minder uren daags dan thans het geval is. Waar nu twintig vrouwen in twintig gezinnen den geheelen dag werken en hun verschillende plichten zeer onvoldoende vervullen, zou hetzelfde werk door handen van specialiteiten in minder tijd en door een geringer aantal personen kunnen [210]geschieden; en daardoor zouden de anderen vrij worden om werk te doen waarvoor zij beter geschikt zijn en waarmede zij de voortbrengende kracht in de wereld vergrooten. Met de pogingen voor dit doel te coöpereeren, werd wel getracht het bestaande werk van vrouwen te verminderen, maar de behoefte aan andere bezigheden werd daarbij niet erkend en daarin ligt juist een der oorzaken van het herhaaldelijk schipbreuk lijden dezer proefnemingen.

Het schijnt bijna onnoodig te zeggen dat vrouwen als economische voortbrengsters, natuurlijk de beroepen zullen kiezen, die met het moederschap vereenigbaar zijn en verscheiden beroepen zijn met het moederschap veel meer in harmonie dan de huishoudelijke werkzaamheden. Moederschap is geen toevallige gebeurtenis in het verschiet, maar een algemeene plicht van gezonde vrouwen. Indien vrouwen beroepen kozen onvereenigbaar met het moederschap, dan zou de natuur, door haar onveranderlijk proces, hen heel kalm uitroeien. De moeders die hardnekkig volhielden acrobaten, paardrijdsters of matrozen te worden, zouden waarschijnlijk geen krachtig en talrijk kroost voortbrengen. Deden zij dat wel, dan zou dat eenvoudig bewijzen dat zulk werk haar niet hinderde. Er behoeft geen vrees te bestaan dat wij uitgeroeid zullen worden, doordat de vrouwen verkeerde beroepen zouden kiezen, wanneer zij vrij zijn in haar keuze. Vele vrouwen zouden voortgaan hetzelfde werk te kiezen wat zij nu doen, maar het op de nieuwe en betere wijze uitvoeren. Zelfs schoonmaken, goed begrepen en uitgevoerd, is een nuttig en achtenswaardig beroep. Het is vermakelijk dat eertijds dit minst geliefde werk zoo onschuldig voor een natuurlijke plicht der vrouw gehouden werd. De vrouw, de liefelijke en schoone, de beminde echtgenoote en vereerde moeder werd onder algemeene goedkeuring [211]gehouden voor de aangewezen persoon om kamers en vaatwerk te reinigen. Haar had men toch in de laatste plaats moeten aanwijzen voor werk dat als min en verachtelijk staat aangeschreven. Zij mocht haar dagen slijten te midden van vettigheid, asch, stof, vuil linnen en roetvuil ijzerwerk. Wanneer wij de huishoudelijke functiën socialiseeren, dan zullen deze werkzaamheden wel uit de handen van de vrouw naar die van den man verhuizen. De stad schoon te maken is het werk der mannen. En zelfs in onze huizen wordt de schoonmaker van beroep hoe langer hoe meer een man.

De organisatie der huishoudelijke werkzaamheden zal de reinigingsprocessen vereenvoudigen en centraliseeren, door toepassing van vele mechanische uitvindingen en door de aanwending van wetenschappelijke kennis. Onze huizen zullen reiner zijn dan ooit te voren. Er zal minder werk te doen zijn en beter middelen om het uit te voeren. De dagelijksche bezigheden van een goed ingericht huis konden gemakkelijk gedaan worden door elk individu in eigen kamer, of door iemand die zulk werk wenscht te doen; en het werk dat niet zoo dikwijls voorkomt kon door een deskundige geschieden, die het eene huis na het andere schoonmaakt met de vlugge bekwaamheid van oefening en ondervinding. Onze woning zou dan niet langer een werkplaats en een museum zijn, maar zou meer de persoonlijke eigenaardigheden van den bewoner uitdrukken,—de plaats van rust en vrede, van liefde en afzondering,—dan het in zijn tegenwoordigen toestand van achtergebleven industrieele ontwikkeling kan zijn. En de vrouw zal dan haar werkzaamheden met veel beter resultaten kunnen vervullen, dan zij nu met haar voortdurende moeilijkheden, haar stipte toewijding, haar aandoenlijke onwetendheid en machteloosheid doet. [212]

XII

Als zelfbewuste schepselen, die gemakkelijk in de dwaling verkeeren de gewaarwording voor het feit te houden, in wier bewustzijn de gewaarwording inderdaad het feit is,—er wordt een dieper doordenken vereischt om de gewaarwording uit het feit af te leiden,—zijn wij er niet erg om te berispen dat wij zooveel gewicht aan gevoel en aandoening hechten. Misschien zullen wij in het licht der koude redeneering toestemmen dat het huis niet de geschikte plaats is voor zooveel werk en dat de echtgenoote en moeder niet de aangewezen persoon is om het te verrichten. Deze verstandige meening verandert evenwel op geenerlei wijze ons gevoel over dit onderwerp. Dit gevoel, diep ingeworteld en overprikkeld, bedekt met een dikke laag het geheele veld van huiselijk leven. Niet wat wij er van denken (want wij hebben er nooit veel over na gedacht), maar wat wij er van voelen, stelt in dezen de som van onze meeningen vast. Vele zijn ware, rechtmatige, gewettigde gevoelens. Sommige zijn domme ongerijmdheden, niets anders dan reliquien uit lang vervlogen tijden, waarvan wij ons langzaam zullen ontdoen, zoodra wij wijzer worden.

Men denke bijvoorbeeld eens na over het reeds lang bestaand geloof aan het “vrij zijn in eigen huis”. Er ligt voor velen iets terugstootends in het denkbeeld dat het voedsel gekookt zou worden buitenshuis, zelfs wanneer het in huis wordt opgedischt; meer nog in het idee dat het gezin uitgaat om te eten en nog meer dat de individuen afzonderlijk uitgaan om te eten. De bijzondere smaak van verschillende personen door het “koken te [213]huis” ontwikkeld, kon wel eens de eigen bruine kleurschakeering van de ham, het naar eigen smaak gekruid vischschoteltje, het eigen biscuittrommeltje moeten ontbeeren.

Dit bezwaar moet eerlijk in aanmerking genomen worden en gedeeltelijk worden toegestemd. Een menu, hoe ruim ook uitgedacht door beroeps-koks, zal toch nooit dat vrij spel aan persoonlijke eigenaardigheden bieden als de menu’s, bereid door de talrijke op zich zelf staande koks die ons nu bedienen. Er zal dan een veel grooter keus in bestanddeelen zijn, maar de bereidingswijze en bediening zullen niet zooveel verschil opleveren. Het verschil zal gelijk staan met dat, wanneer ieder man zijn eigen jas maakte of door zijn eigen vrouwelijke bedienden liet maken en wanneer hij zijn keuze deed uit een aantal in voorraad gemaakte jassen of er een bij een beroeps-kleermaker bestelde.

In een geregelden, als beroep uitgeoefenden, voedingsdienst zou een goede algemeene regelmaat heerschen, en voor bepaalde gelegenheden zou het werk van specialiteiten dienst kunnen doen. Wij hebben dit reeds lang kunnen opmerken bij de aanhoudende toename van beroepsmatig bereid voedsel, van de goedkoope eetgelegenheden tot de deftige restaurants, van de gewone scheepsbeschuit tot de fijne wafel. Doch ook wanneer men het “tehuis koken” eens zijn beroepsmatig bereide toevoegsels ontneemt, zou het heel veel minder worden. Wij bedenken niet hoe ver wij reeds in die richting gegaan zijn en hoe snel wij verder gaan.

Een van de belangrijkste gevolgen van een voortdurend algemeene goede voedingswijze zal zijn, dat de volkssmaak verbeterd wordt. Wij zullen daarmede de waardeering van wat inderdaad goed voedsel is aankweeken, veel beter dan dit door de dwalende en onberedeneerde [214]zelf-toegevendheid van de eigen tafel kan geschieden. Onze eenige maatstaf voor smaak in gekookt voedsel is thans persoonlijke eetlust en luim. Dat wij van een schotel houden is voldoende om er onze volle instemming aan te schenken. Maar van iets te houden is niets anders dan aanpassingsvermogen. Natuur zoekt steeds het organisme naar de omgeving te wijzigen en wanneer het organisme zoo gewijzigd is geworden, zoo aan de omgeving passend is gemaakt, dan houdt het van de omgeving. Vroeger zeide men: “het past mij”, wat duidelijk de bedoeling weergeeft.

Elke natie, elk volk, elk gezin, elk individu houdt bovenal van die dingen waaraan het gewoon is geworden. Waarvan het anders zou hebben gehouden, indien het dat andere gehad had, kan men nimmer weten; maar het langzaam doordringen van nieuwe smaken en gewoonten, het tegenstribbelend in gebruik nemen van aardappelen, tomaten, maïs en andere nieuwe groenten door de menschen in oude landen, bewijst dat het toch mogelijk is verandering te brengen in hetgeen men lust.

Door de beperkte macht van het gezin om in de voeding te voorzien en zijn onbekwaamheid om het te bereiden en door onze overdreven voorkeur voor enkele zaken, zijn wij in het kleine veld van keuze zeer vasthoudend geworden. Wij vinden onze eigen manier van doen bij het koken het best en wij keuren de wijze van doen van onze buren af, zonder eenig hoogeren maatstaf voor kritiek te hebben dan onzen onontwikkelden smaak. Wanneer wij van onze jeugd af gewend worden aan wetenschappelijk en met kunst bereid voedsel, dan zullen wij later weten wat goed is en daarvan kunnen genieten, zooals wij ook goede muziek leeren waardeeren, door ze te hooren.

Als wij een ruimer keus en beter bereid voedsel [215]hebben leeren waardeeren, dan zullen wij ook leeren eenvoudigheid in het koken op prijs te stellen. Onder ons tegenwoordig systeem kunnen de meeste menschen het niet zoover brengen. Wanneer het koken wordt afgescheiden van het gezin, dan zullen wij langzamerhand ophouden er aandoeningen aan vast te knoopen; wij zullen het dan onpersoonlijk leeren beoordeelen op wetenschappelijken en artistieken grondslag. Dit zal natuurlijk niet beletten dat sommige personen een bijzonderen smaak hebben, maar deze zullen dan weten dat zij bijzonder zijn en ook hun buren zullen het weten. Het zal ook niet beletten dat een vrouw, die er veel van houdt nu en dan het een of ander te koken, om zich zelf of haar vrienden te tracteeren, een klein kooktoestel binnen haar bereik houdt, evenals zij een naaimachine of een kleine draaibank kan bezitten.

Met betrekking tot het buitenshuis nuttigen van het voedsel ondervinden wij nog sterker tegenkanting door het bezwaar van onvrijheid, en wij ontwaren een sterk uitgesproken, zelfs pijnlijken tegenzin als wij deze functie van het huiselijk leven willen scheiden. Samen te eten vormt natuurlijk een tijdelijken band. Om een middel tot gedachtewisseling tusschen ongelijke personen vast te stellen, moet een of ander gemeenschappelijke grondslag gevonden worden,—een ceremonie, een of ander spel, eenig vermaak,—iets wat zij te zamen kunnen doen. En indien de personen die met elkander in verbinding wenschen te komen geen andere gemeenschappelijke basis hebben dan deze lichamelijke functie,—welke inderdaad zoo gemeenschappelijk is, dat zij niet alleen het geheele menschdom, maar ook het geheele dierenrijk insluit,—laten zij die dan vooral aangrijpen. Bij gelegenheden van algemeen maatschappelijk vreugdebetoon, waarbij een of andere gebeurtenis van algemeen [216]belang gevierd wordt, zal een feestmaal altijd een natuurlijke en voldoening gevende instelling zijn.

Voor den oorspronkelijken echtgenoot die vocht voor zijn beroep, de oorspronkelijke vrouw die huishoudwerk deed voor het hare, de oorspronkelijke kinderen die alleen in lichamelijke verwantschap tot hun ouders stonden, voor dezulken was de gemeenschappelijke tafel de eenige gemeenschappelijke band; en hun eenvoudig voedsel schonk het middel dat niemand kwetsen kon. Doch in de hoogere ontwikkeling van het moderne leven is de etenskwestie volstrekt niet het eenige punt van algemeen belang der leden van een gezin en in geen geval het beste. De liefste, teederste, heiligste herinneringen van het familieleven staan niet met de tafel in verband, ofschoon menige vroolijke en pleizierige herinnering daarmede vereenigd kan zijn. Doch bij vele gebeurtenissen van diep gevoel, hetzij van vreugde of van pijn, wordt het ongevoelig verzadigen van een heele groep, drie keer daags aan tafel, een ondragelijke inspanning. Indien een groote verscheidenheid van goed voedsel altijd te verkrijgen was, zou een gezin te zamen kunnen gaan feest vieren, wanneer het dat verkoos; of te zamen eenvoudig gaan eten, wanneer het dat wilde; en elk individu kon alleen gaan, wanneer hij niet met het heele gezelschap verkoos te eten. Men behoeft dit niet te dwingen of te verhaasten, doch zoodra er steeds voedsel in voorraad bestaat, dat gemakkelijk binnen ieders bereik is, behoeft de maag niet langer verplicht te worden als familieband dienst te doen.

Men heeft beweerd dat de lagere dieren in hunne redeloosheid alleen eten en dat menschen het eten tot een gezamenlijke functie gemaakt en het daardoor verheven hebben. De verheffing is het moeilijkst te bewijzen, wanneer wij de ruwe gewoonten, ziekelijken smaak en [217]doodelijke ziekten, de geveinsdheid en ongemanierde gulzigheid en onmatigheid der menschen waarnemen. De dieren mogen lager staan dan wij, omdat zij eenvoudig eten wat goed voor hen is wanneer zij honger hebben, maar hun doel dient het goed.

Een van de gevolgen, voortspruitende uit het maken van het eten tot een gezamenlijke functie is, dat hoe nauwgezetter wij die socialiseering doorvoeren, des te meer behoefte wij hebben bij onze maaltijden aan een groot aantal vreemden, die van het onderling gesprek zijn uitgesloten,—personen, die niet mede-eten, niet mede-spreken en die zelfs niet door het knippen der oogleden mogen verraden, dat zij eenig belang in het gesprokene stellen,—die alleen de grove benoodigdheden voor de gelegenheid op een zuiver koopcontract leveren en toedienen. Zulk een tegenwoordigheid van vreemden moet en doet het gesprek op een bepaalde hoogte houden. In een gezin zonder dienstbode zijn vader en moeder beide te vermoeid van het werken om den maaltijd tot een sociabele functie te maken, terwijl in gezinnen met een dienstbode het gesprek tot op zekere hoogte beperkt wordt. De uitwerking van ons gezamenlijk eten, hetzij in gezinnen of in grooter groepen, is niet in elk opzicht goed. De vraag moet gesteld worden of wij niet, vooral in dit geval, onze levenswijze verbeteren kunnen.

Wanneer de kookkunst zich ten volle kan ontwikkelen en uitgeoefend wordt door hen, die door aangeboren talent en geduldige studie geleerd hebben, hoe het best aan de behoeften van het lichaam te gemoet gekomen kan worden, door een smakelijke en geschikte samenvoeging van de voedingsbestanddeelen, dan zullen wij beginnen te begrijpen, wat het voedsel voor ons beduidt en op welke wijze het menschelijk lichaam in goede [218]gezondheid en volle kracht moet opgebouwd worden. Een wereld van reine, sterke, schoone mannen en vrouwen, die weten wat zij eten en drinken moeten en het nemen wanneer het noodig is, zal ons een hooger en verhevener vorm van verbond te aanschouwen geven, dan die veel geprezen gemeenschappelijke tafelverbonden. De tevreden ruwheid van het heden, de volhardende zelfzucht van overigens verstandige menschen, de vetheid en luiheid en zwakheid, de heele reeks digestie-stoornissen en het gebruik van velerlei kruiderijen, al deze ziekelijke verschijnselen zijn meerendeels toe te schrijven aan de abnormale aandacht aan het eten en koken geschonken en die zullen blijven bestaan, zoolang het eten als een familie-functie beschouwd blijft. Zoodra wij het eten en koken uit deze valsche verhouding hebben losgemaakt, door onze sexueel-economische verhouding te verbreken, zullen wij de natuurkrachten een kans geven hun eigen reinen weg in ons te volgen en ons beter te maken.

Men vreest dat het private leven te huis bedreigd wordt door de invoering van beroeps-schoonmakers. Maar wij zullen zien dat een huis zonder keuken veel minder behoeft te worden schoongemaakt en dat het dagelijks in orde brengen van iemands eigen kamer heel gemakkelijk, door ieder die het doen wil, zelf kan geschieden. Velen wenschen zoo van harte, dat hun eigen kamer, hun persoonlijk verblijf, nooit anders dan door hun dierbaarste vrienden, hun naaste betrekkingen betreden wordt. Zoo ’n ideaal van privaat leven mag dwaas schijnen aan hen, die nu tevreden de ruwe openbaarheid van onze tegenwoordige levenswijze aannemen. Van alle bekende tegenstrijdigheden is er geen zoo ongerijmd dan ons te hooren pochen op ons “vrij zijn te huis”, en dat in een plaats waar wij volgaarne tot onze tafelgesprekken en onze kamerdiensten toelaten,—ja, tot het opmaken [219]van onze bedden en het hanteeren van onze kleedingstukken,—een volslagen vreemdeling, vreemdeling niet alleen door de nieuwe kennismaking of om het verkeerde begrip dat vreemde oogen zich onvermijdelijk van onze eigenaardigheden vormen, maar vreemdeling door geboorte, door opvoeding,—iemand die ons nooit geheel begrijpen kan.

Ieder onzer die het betalen kan neemt zoo’n vreemdeling in huis, één of meer op eens en velen in opvolging. Indien wij, even als de barbaarsche koningen deden in de oude en bloedige zeeroover-geschiedenissen, hun tongen uitsneden, zoodat zij niets konden navertellen, dan nog zou het een vervelende indringerij blijven. Maar zooals zij nu zijn, met oogen om te zien, ooren om te hooren en tongen om te spreken, en geen andere belangen dan de onze om hun geest bezig te houden en met de wraaknemende uitvallen, volgende op het gedwongen stilzwijgen van hen die niet mogen “tegenspreken”; met dit opmerkzame en oververtellend leger, gehuisvest in den schoot der familie, moeten wij toch bitter glimlachen over ons dwaas ideaal van “het vrij zijn te huis.”

Het vlugge werk van menschen die van beroep vegen, stoffen en schrobben en ontboden kunnen worden waar en wanneer wij ze in de kamers noodig hebben, is in elk geval niet zoo kwetsend voor het intieme leven als de tegenwoordige wijze van doen. De afschaffing van dienstboden en het optreden der vrouw op een maatschappelijk en voor haar persoon belangrijker gebied, zal in de wereld een nieuw begrip van de heiligheid van het huiselijk leven vestigen, de rechten van het individu in dezen doen gevoelen, zooals tot nu toe onbekend was.

Nauw verwant aan het schoonmaak-vraagstuk is het inrichten en het meubileeren van de woning. De economisch afhankelijke vrouw, alle energie in haar [220]kleine kooi verkwistende, stort een verwarde massa in die kleine ruimte uit, evenals een groote plant een hoop wortelen uitzendt in een kleinen pot. Zij heeft haar beperkte woning met een onbeperkt aantal dingen overvuld, nuttige en nuttelooze, sierlijke en smakelooze, gemakkelijke en ongemakkelijke zaken, en tot haar levenstaak behoort, deze zaken te bewaken en in orde te houden.

De vrije vrouw, die zich geheel kan uiten in haar economische werkzaamheden en haar maatschappelijke positie, voelt zich niet gedrongen haar ziel uit te storten in antimacassars en photographiestandaards. Haar huis zal haar plaats van rust en niet van rustelooze bezigheid zijn, en zij zal inzien dat eenvoudigheid ten slotte het aangenaamst is. Hiervan zullen beter hygiënische voorwaarden in de woningen en meer schoonheid en minder werk het gevolg zijn. De nieuwe omstandigheden, waardoor de waarde van het huiselijke leven verhoogd en het schoonheidsgevoel ontwikkeld zal worden, zullen het inwendige van onze woningen een beschaafder en liefelijker aanzien geven, en ze zullen zonder overmatige inspanning van den eigenaar in orde te houden zijn.

Buiten en behalve deze betrekkelijk uiterlijke omstandigheden, ondervindt het gezin door de sexueel-economische verhouding geestelijke gevolgen, die niet allen een gunstigen invloed op onze ontwikkeling uitoefenen. Een van die gevolgen toont duidelijk op welke wijze de druk van deze verhouding werkt. Het private leven in onze huizen is een privaat leven van het gezin, een vereenigd privaat leven; dit verzekert ons niet,—integendeel werkt tegen,—het individueel privaat leven. Dit is een ander van de nog bestaande rudimenten van een levenswijze uit tijden die wij reeds lang ontgroeid zijn en die gehandhaafd blijven door het zorgvuldig [221]bewaren van de primitieve gewoonten in den onveranderden toestand der vrouwen. In zeer vroege tijden kon een ruw en onverschillig volk in groote groepen in een kleine tent te zamen huizen, zonder ernstig ongerief of nadeel te ondervinden. De gevolgen van zulk groepeeren op moderne menschen kan men waarnemen in sommige wijken van groote steden, waar blokken huizen bij kamers verhuurd worden; zij zijn bepaald van demoraliseerenden aard.

De menschelijke wezens gaan voort zich hoe langer hoe meer door kleine verschillen van elkander te onderscheiden, waardoor een eigen tehuis, of ten minste een eigen kamer voor elk individu een vereischte wordt. Deze behoefte wordt voor een deel in het familie-leven erkend en voor zoo ver de beurs het toelaat, wordt er aan te gemoet gekomen; maar voor de groote meerderheid der bevolking is dit een onmogelijkheid. Voor vrouwen in het bijzonder is de weelde van een eigen kamer alleen voor de rijken weggelegd. Zelfs waar door den druk der maatschappelijke ontwikkeling voor een deel in deze behoefte voorzien wordt, daar werkt de druk van het familieleven haar aanhoudend tegen. Het tehuis is de eenige plaats op aarde waar niemand der familieleden ware afzondering kan genieten. Een gezin is een ruwe samenvoeging van personen, verschillend in leeftijd, grootte, geslacht en karakter, die door geslachts-banden en economische behoeften te zamen gehouden worden; en de liefde die tusschen de verschillende familieleden bestaan moest, wordt door dien economischen druk niet vermeerderd, doch eerder verminderd. Een door economische krachten onderhouden liefde, is trouwens de soort niet welke de menschheid het meest noodig heeft.

Elke neiging om zich tegenwoordig aan de oude sleur [222]te onttrekken en een eigen leven te leiden, te leven naar eigen opvatting, wordt sterk tegengewerkt en door andere familieleden kwalijk genomen. Dit hindert de vrouwen meer dan de mannen, omdat de mannen zeer weinig te huis en zeer veel in de wereld leven. De man heeft zijn individueel leven, zijn persoonlijke uiting met de daaraan verbonden rechten, zijn kantoor, studeerkamer of werkplaats; de vrouwen en kinderen leven te huis, omdat zij moeten. Men beschouwt het van een vrouw slecht als zij elders veel tijd wenscht te besteden, en de kinderen laat men geen keuze. De historische neiging der vrouwen om “op straat te slenteren”; en van de kinderen om van huis te loopen, of om steeds ergens anders dan te huis te willen spelen; de onophoudelijke, nuttelooze, goed gemeende pogingen om “de jongens tehuis te houden”, deze feiten, saam genomen met de bepaalde hoeveelheid tijd die de man buitenshuis doorbrengt, vormen een vreemd commentaar op ons gewillig geloof dat wij “tehuis” leven en het prettig vinden. En toch binden de banden van tehuis ons met een zachten druk, dien slechts weinigen kunnen weerstaan. Wie weerstand bieden en het doorzetten volgens eigen opvatting te leven, betalen dit met verlatenheid en ontbering; zij moeten zooveel van hun dagelijksche comfort en genegenheid opofferen, dat vele anderen er door teruggeschrikt worden hun voorbeeld te volgen.

Er bestaat geen enkele reden waarom deze pijnlijke keuze ons opgelegd behoeft te worden, geen reden waarom het huiselijk leven niet zoo ingericht kan worden, dat veroorloofd, ja, dat bevorderd zou worden, de hoogste ontwikkeling zijner persoonlijkheid te bereiken. Wij hebben behoefte aan het gezelschap van menschen die wij lief hebben, aan hun liefde en omgang. Dit zal bestaan [223]blijven. Maar de gelegenheid om te koken en te eten, zooals in onze technisch onontwikkelde huizen, met alle daarmede samenhangende gebreken, is daarvoor niet noodzakelijk en behoeft niet te blijven.

Wij houden het er meestal voor dat de woning, zooals zij nu is ingericht, voor ons het beste is. Wij verbeelden ons daar hooger opvattingen, edeler aandoeningen op te doen, daar onderricht te worden hoe wij moeten leven. De waarheid aan deze volksmeening ten grondslag liggende is, dat de liefde van de moeder voor het kind de basis vormt van alle hoogere wederkeerige liefde. Maar men vergeet dat achter moederliefde de krachtige aandrift tot geslachts-liefde, de zich te buiten gaande kracht van den geslachtslust ligt. De familie-verhoudingen die daarvan een gevolg zijn, staan niet zoo hoog als onze breeder, dieper, maatschappelijke verhoudingen.

Voor het behoud van ons individueel leven hebben wij behoefte aan huiselijke geriefelijkheden. Het dragen en verdragen van het huiselijk leven, met zijn heerschenden en onophoudelijken invloed van den conservatieven geest der vrouw, houdt den onregelmatig snellen aandrang der mannelijke energie zeer goed in toom. Zoolang de wereld duurt zullen wij niet alleen aan individueele woningen behoefte hebben, maar ook aan het familieleven; een gemeenschappelijke scheede voor de onontloken blaadjes van elken nieuwen tak, bijeengehouden aan den ouderlijken stam, vóórdat zij ten slotte uiteen vallen.

Stemmen wij dit alles toe, dan blijft nog te bestrijden de steeds toenemende slechte uitwerking, niet van het huiselijk leven als zoodanig, maar van de soort van huiselijk leven, welke op de sexueel-economische verhouding gegrondvest is. In een gezin, waarin de terecht overheerschende vrouwelijke energie op een primitieve ontwikkelingshoogte wordt [224]gehouden, en de vrouw de vrije deelname aan de snelle, breede, voorwaartsche beweging der wereld wordt ontzegd, ondervinden al de leden den invloed daarvan. Waar de buitengewone behoefte om dingen te ontvangen zonder er iets voor terug te geven, in de eene sekse wordt bevorderd en de woeste begeerte om zooveel mogelijk te verkrijgen in de andere sekse zorgvuldig wordt aangekweekt, daar ondervindt het kind dezen invloed onophoudelijk en groeit op in het denkbeeld, dat het leven slechts bestaat in het hebben van eten en het verkrijgen van geld om er voor te betalen, en dat men alleen werkt om voedsel van den leverancier te huis te krijgen, het te koken en op te disschen. Dat zijn de op den voorgrond tredende handelingen in het huiselijk leven, zooals wij het geregeld hebben. De zorg waarin wij ons leven doorbrengen, de zaken die ons hinderen en kwellen, zijn zaken die wij reeds lang en lang geleden ontgroeid moesten zijn, indien het menschdom geregeld vooruitgegaan was. De man is vooruitgegaan, maar de vrouw bleef achter. Door erfelijkheid gaat zij vooruit, door ondervinding komt zij achteraan; altijd teruggeduwd tot een economischen graad van vele duizenden jaren geleden.

Indien een man van den tegenwoordigen tijd met al zijn verstand en energie en hulpmiddelen gedwongen werd zijn levensdagen te slijten, jagend met pijl en boog, visschend met gepunte beensperen, hongerig wachtend bij zijn vallen en strikken, in de hoop een prooi te bemachtigen, zou hij op zijn vrouw en kinderen niet den verheffenden invloed van den waren mannenaard uit onzen tijd kunnen hebben. Zelfs wanneer hij hooger onderwijs genoten had, zelfs wanneer hij vele boeken te lezen had (en tijd had ze te lezen) en verheffenden omgang met anderen, dan nog zouden de economische beslommeringen van zijn leven, de aanhoudende [225]dagelijksche druk van hetgeen hij voor zijn onderhoud te doen had, den groei van hoogere gaven belemmeren. Wanneer alle mannen tot nu toe jagers geweest waren dag in dag uit, zou de wereld nog woest en wild zijn. Omdat alle vrouwen steeds, dag in dag uit, dienstboden voor het gezin geweest zijn, leven zij nog in slaafschen toestand.

Een huiselijk leven met een afhankelijke moeder en een dienstbode-echtgenoote is geen veredelende macht. Dat gevoelen wij allen nu en dan. De man, met den grooten vooruitgang der wereld zich ontwikkelende en ontplooiende, voelt zich tehuis door de domme gesprekken, het kleingeestig gekibbel en de dwaze en achterlijke begrippen klaarblijkelijk omlaag gaan. Het is daar behagelijk, bevredigend voor het gevoel, warm en zacht en mooi en geschikt gemaakt voor de behoeften van het zwakker en kleiner wezen dat gedwongen is er te verblijven. Het wordt zelfs als een deugd van den man aangemerkt, wanneer hij veel te huis is en het ter wille van zijn pantoffels en couranten, zijn haardvuur en avondmaal, zijn springveeren bed en schoon ondergoed boven andere plaatsen verkiest.

Het kwaad schuilt ook niet in de liefde voor het tehuis en het er zooveel mogelijk vertoeven, maar in de soort van woning en in de soort van vrouwen die er gekweekt worden en in den graad van technische ontwikkeling die er heerscht. Wanneer men de richting van den tegenwoordigen vooruitgang volgt, behoeft men geen profeet te zijn om te zien waarheen ons huiselijk leven leidt. Van het hol en de tent en de hut tot een goed verdeeld huis, waarvan elk lid van het gezin zooveel ruimte voor zich alleen krijgt als verschaft kan worden; van de barsche heerschappij van den almachtigen patriarch met zijn stille, slaafsche vrouwen en babbelende kinderen, [226]tot de betrekkelijke vrijheid, gelijkheid en geheel verschillende levenswijze van de leden uit een hedendaagsch beschaafd gezin; van den laagsten graad van nijverheid in het kamp der wilden, waar alles te zamen gekookt werd in denzelfden pot door éénzelfden persoon,—zonder zindelijkheid, zonder overleg, zonder toewijding,—tot de millioenen zeer verschillende handen die het gezin tegenwoordig op duizendvoudige wijze bedienen, hebben de man en de fabriek alles gedaan; de vrouw ging alleen buitenshuis om inkoopen te doen en stond binnenshuis op de nederigste plaats.

Men lette op het nog belangrijker en opmerkelijker feit, dat waar in het historisch begin niets anders dan de woonplaats voor het gezin bestond, langzaam, met onze ontwikkeling ook de woning voor het individu zich ontwikkelde. De eerste verder gaande beweging van het maatschappelijk leven zal een vrijer dagelijksch verkeer onder de bevolking zijn. Langs rivieren en zeeën, van kano tot stoomboot; langs paden en wegen, van omnibus tot spoortrein; steeds sneller en vrijer, verder en vaker, stroomden de individueele menschelijke wezens naar buiten en mengden zich in het vrije maatschappelijk leven. In het begin was gastvrijheid de eenige toevlucht van den reiziger, het recht van den vreemdeling; maar door het toenemend verkeer ontstond—uit noodzakelijkheid—het organisch maaksel, de tijdelijke individueele woning, waardoor het reizen gemakkelijker werd. Van de meest oorspronkelijk karavansera tot onze hotels van eenige vierkante mijlen vloerruimte, heeft de herberg meer in de behoeften der sociale evolutie voorzien, dan ooit eenig eigen huis kon doen.

Voor mannen, tot dusver de eenige volkomen ontwikkelde menschelijke wezens van hun tijd, was de gehuurde kamer de tijdelijke woning voor dat gedeelte van hun [227]leven, waarin zij het eene gezin verlaten en nog geen ander gezin gevormd hadden. Voor de vrouw staat deze mogelijkheid thans ook open. Meer en meer matigen zich thans ook de vrouwen aan een woning, zelfs zonder een gezin, te hebben. Ook de familiewoning ondergaat meer en meer den invloed van den vooruitgang. Vroeger bleef men in hetzelfde huis wonen, soms vele geslachten lang. Thans veranderen wij herhaaldelijk, zelfs met groote gezinnen; veranderen wel is waar dikwijls tegen onzen zin en ten koste van vele huishoudelijke goederen, maar niettemin veranderen wij en moeten veranderen onder toenemende verbittering tegen de onhoudbare toestanden. En hieruit is ontstaan en heeft groote afmetingen aangenomen, dat ontzettend verschijnsel van onzen tijd “het familie-hotel.”

Men overwege dit eens. Eerst de herberg, eens de eenige reddende toevlucht voor vermoeide reizigers. De vermoeide reiziger bemerkte evenwel reeds spoedig het verschil tusschen zijn individueele vrijheid dáár en zijn beperkingen tehuis en was gaarne bereid “zijn gemak in de herberg te zoeken.” Thans is de tijdelijke rustplaats voor ongehuwde mannen van voorheen een vaste woonplaats voor gezinnen geworden. Niet uit financieële noodzakelijkheid. Zij worden bewoond door menschen die geld genoeg hebben om een huis te bewonen. Die menschen begeeren echter geen eigen woning. Zij zijn vermoeid van het huishouden. Het is zoo moeilijk een huishouding te voeren, de dienstbodenkwestie is zoo lastig. De gezondheid van de vrouwen laat niet toe dat zij zich met huishoudelijke werkzaamheden vermoeien. Dit zijn de aangevoerde redenen.

Maar onder deze vage begrippen en uitdrukkingen ligt hijgend en onrustig een langzaam stijgende maatschappelijke vloed. De oorspronkelijke woning, gebaseerd [228]op de economische afhankelijkheid der vrouw met haar ongeorganiseerde werkzaamheden, haar slaafschen arbeid, haar verdoovenden invloed op individueele ontwikkeling, wordt met den dag onbruikbaarder voor de hedendaagsche mannen en vrouwen. Natuurlijk keeren zij er telkens uit noodzakelijkheid in terug, zoo lang verondersteld wordt dat huwelijk en kinderen baren een eigen woning vereischt; zoo lang onze diepste gevoelens en vroegste herinneringen er zoo nauw mede verbonden zijn. Maar door haar praktische gevolgen, die steeds sterker door de beurs van den man en de krachten van de vrouw gevoeld worden, zal de woning snel verdwijnen.

Wij hebben dezen toestand zien aankomen en zijn ontstaan aan allerlei oorzaken, behalve aan de werkelijke, toegeschreven. Wij hebben het de mannen kwalijk genomen dat zij niet even als vroeger tehuis bleven. Wij hebben de vrouwen gelaakt omdat zij niet even goede huishoudsters zijn als vroeger. Wij hebben de kinderen berispt over hunne ontevredenheid, de dienstboden over hunne onbekwaamheid, de steenen en de kalkbak over hun slechte constructie. Maar wij hebben er nooit aan gedacht, de schuld op de instelling zelf te werpen en getracht die te verbeteren.

In de verre Westersche prairiën, en overal in afgelegen boerenhofsteden, worden de hedendaagsche vrouwen, die men opgesloten houdt in hun beperkte woningen, bij velen tegelijk gek! Onze krankzinnigengestichten bevatten ook een grooter aantal krankzinnige vrouwen uit den boerenstand dan uit een andere klasse. In de steden, waar men minder tehuis leeft, schijnen de vrouwen het beter te verdragen. Daar is meer afleiding, zeggen de mannen en zij zoeken die. Daar heerscht meer vroolijkheid, amusement, afwisseling, zeggen de vrouwen en zij zoeken die. Doch in werkelijkheid voelt men de grooter [229]maatschappelijke belangen en den drang van andere invloeden dan van den huiselijken kring.

Velen vreezen den loop der dingen en wagen ijdele pogingen om hem tegen te houden. Er bestaat echter geen reden om angstig te zijn. Wij zullen onze woningen en onze gezinnen niet verliezen, noch iets van het geluk en het liefelijke dat er mede gepaard gaat. Maar wij zullen onze keukens verliezen, evenals wij onze wasscherij en bakkerij verloren hebben. De kookkachel zal het spinnewiel en het weefgetouw, de wolkaarde en de wolschaar volgen. Onze woningen zullen plaatsen worden om in te leven en te lieven, te rusten en te spelen, om alleen te zijn en om samen te zijn; en zij zullen niet langer verward en verlaagd worden door bijmenging van eenigen tak van nijverheid, welken dan ook.

In zulke woningen zal in het familieleven een beschaafde, goede geest heerschen en de zorgen en arbeid die nu de rust daar bederven, zullen buitenshuis op een hooger arbeidsveld overgebracht kunnen worden. De verhouding van vrouw tot man en van moeder tot kind zal door deze uiterlijke verandering verbetering ondergaan. Al de persoonlijke familieverhoudingen zullen dan tot een zuiverder en voller groei komen.

In de langdurige onderwerping der vrouw is niets zoo pijnlijk als het gevoel, dat de verlaging van het moederschap veroorzaakt wordt door dezelfde omstandigheden, die verondersteld werden deel er van uit te maken. Wij zien hoe de moeder steeds verlangt met haar kind te zijn, het altijd te kunnen helpen en dan moet zij ervaren, dat het kind met elk jaar meer van haar vervreemdt, dat het dingen leert die zij nooit mocht leeren, dingen doet die zij nooit mocht doen, alleen de wereld ingaat,—zijn wereld, doch niet de hare—en hard is het, het kind “te dragen, te verzorgen, te zoogen, te beminnen [230]en dan te verliezen”, niet door de natuurlijke scheiding van groei en persoonlijk uiteenloopen, maar door de onnatuurlijke scheiding van valsch verdeelde klassen, de onontwikkelde vrouwen naast de steeds hooger ontwikkelde mannen. Dat is de kloof, gevormd nog vóór dat de jongen tien jaar oud is en die met elk jaar breeder wordt.

Een economisch vrije moeder, een wereld-dienares in plaats van een dienstbode voor het gezin; een moeder die de wereld kent en er in leeft, kan voor haar kinderen veel meer zijn, dan ooit te voren mogelijk was. Het moederschap toegepast op de wereld, zal van die wereld een geschikter plaats voor het kind maken. [231]

XIII

Wanneer wij ons de positie der vrouw onder economisch onafhankelijke omstandigheden voor den geest stellen, dan is de vrouw in haar positie als moeder voor velen het groote struikelblok.

Wij zijn zoo gewoon geraakt aan de oude opvatting van het moederschap, wij gevoelen ons zoo overtuigd dat alle onderdeelen er van onderling met elkaar in betrekking staan en niet te vervangen zijn, en wij vreezen zoozeer door verandering van een daarvan de geheele verhouding in gevaar te brengen, dat wij ons van eenige wenschelijke verandering geen voorstelling kunnen maken.

Wanneer bepaalde voorstellen voor zulk een verandering aan de hand worden gedaan,—maatregelen, waardoor kleine kinderen beter verzorgd zullen worden dan tegenwoordig,—dan loochenen wij òf de voordeelen van de voorgestelde verandering, òf wij beweren dat diezelfde voordeelen ook behaald kunnen worden onder ons tegenwoordig stelsel. Evenals wij bij het koken de eigen keukenmeid trachten te oefenen en onzen smaak te verbeteren, zoo trachten wij ook bij de verzorging van kleine kinderen de individueele moeder te oefenen en beter toestanden in eigen huis te scheppen; in beide gevallen de verhouding tusschen ons algemeen systeem en zijne bijzondere verschijnselen voorbijziende. Ofschoon bewezen kan worden dat de woning als plaats om kinderen groot te brengen, voor zoo ver het de lichamelijke omstandigheden betreft, geschikt gemaakt kan worden, handhaven wij daartegenover met kracht deze [232]waarheid: dat voor het geestelijk leven van het jonge kind het gezin met zijn leven vol aandoeningen geen geschikte omgeving is.

Er is een tijd in de menschelijke geschiedenis geweest dat de woning ook voor het geestelijk leven van het kind de beste plaats was. Toen de vooruitgang zijn voornaamste drijfkracht aan de geslachts-drift ontleende en onze hoogste aandoeningen die waren, waardoor wij in familieverhouding samen bleven, was het natuurlijk voor het kind het beste een opvoeding en omgeving te hebben, waarin zulke aandoeningen gekweekt en versterkt werden. Maar in het levensstadium dat wij thans tegemoet gaan, waarin de familieverwantschap slechts een deel van het leven uitmaakt en de individuen, die in maatschappelijke verhouding tot ons staan onze hoogste toewijding behoeven, heeft het kind nieuwe behoeften gekregen.

Hiermede wordt niet bedoeld, hetgeen de panische schrik aan het onberedeneerde verstand zal ingeven, dat onmiddellijk het tegenovergestelde, verbreking van den familiekring of vernietiging van het tehuis moet plaats vinden. Er wordt geen scheiding van moeder en kind bedoeld,—die oogenblikkelijke vrees uit het zuiver instinkt van dierlijk moederschap voortspruitende. Maar er wordt een andere grondslag in de familieverhouding bedoeld, het verwijderen van het vroeger economisch fundament en een andere methode van kindercultuur. Wij zijn immers niets meer gedwongen altijd dezelfde handelwijze van vroeger bij het verzorgen van kleine kinderen toe te passen, dan wij gehouden zijn haar bij de opvoeding van oudere kinderen of bij de bloemencultuur te handhaven. Het geheele menschelijk leven is in zijn waren aard voor verbetering vatbaar en het moederschap is daarvan niet uitgesloten. De verhouding [233]tusschen mannen en vrouwen, tusschen echtgenoot en echtgenoote, tusschen ouders en kinderen verandert onvermijdelijk met den maatschappelijken vooruitgang, maar wij willen dit niet altijd toegeven. Wij meenen dat elke verandering in het moederschap verkeerd moet zijn, omdat wij ons verbeelden dat de tegenwoordige toestand de juiste is.

Onderzoeken wij dien echter, dan vinden wij dat de bestaande verhouding tusschen ouders en kinderen tehuis volstrekt niet is zooals wij die, als van zelf sprekend, hadden aangenomen. Wij bezitten allen zekere idealen van het huiselijk leven, het familieleven. Doch wanneer wij rondom ons zien, of wij lezen van honderde gevallen van ongelukkige gezinnen, die openlijk met elkaar in vijandschap leven, dan schrijven wij dat toe aan het individueel wangedrag der betrokken partijen, en blijven onvoorwaardelijk aan de innerlijke volmaaktheid van het familieleven gelooven. Doch wanneer, omgekeerd, menschen in deze verhouding in rust en liefde en hoffelijkheid te zamen leven, dan schrijven wij dat niet toe aan de individueele superioriteit en deugdzaamheid dier menschen, maar dan gebruiken wij dat gezin als voorbeeld om de schoonheid dier verhouding aan te toonen.

Voor den nauwkeurigen sociologischen opmerker is evenwel de ware toedracht deze: zoolang de individueele en ras-vooruitgang het best door het nauwe verbond der familieleden gediend werden, was familie-genegenheid zeer sterk bij de menschen ontwikkeld. Zij voelden de werkelijke beperking en de onophoudelijke wrijving der verhouding niet. Zij berustten in de onbegrensde heerschappij van het hoofd der familie en de dwingelandij der lagere gezaghebbers, wijl zij geen van deze scherp omlijnde individueele bijzonderheden bezaten, welke zoo vijandelijk tegenover de familieverhouding staan. [234]

Maar wij hebben een stadium bereikt waarbij vooruitgang van het individu en het ras het best gediend worden door een steeds toenemend verschil der individuen en door een hooger en breeder opvatting van liefde en plicht. Deze verandering oefent op de geestelijke omstandigheden van het huiselijk leven een steeds nadeeliger invloed uit. Onophoudelijk hooren wij klagen over slechte manieren der hedendaagsche kinderen, over rusteloosheid der jeugd en over ouders die hun kinderen verlaten. Het is blijkbaar nu niet meer zoo gemakkelijk tehuis te leven als het vroeger was. Onze kinderen zijn niet onhandelbaarder dan de kinderen uit vroeger eeuwen, maar de toestanden waarin zij groot gebracht worden zijn niet meer geschikt de eigenschappen te ontwikkelen, die menschelijke wezens thans noodig hebben.

Deze toenemende wrijving onder de familieleden moet uit een zedelijk oogpunt niet met vooroordeel beschouwd, maar met wetenschappelijke belangstelling bestudeerd worden. Indien onze gezinnen onder de tegenwoordige omstandigheden betrekkelijk niet op hun gemak zijn, zijn er dan geen toestanden te scheppen, waarin diezelfde gezinnen aangenamer kunnen leven? Neen: wij vreezen dat het niet kan. Wij meenen dat het goed is zooals de dingen nu zijn en dat het verkeerd is te wenschen dat zij veranderd worden. Wij meenen dat het zeer deugdzaam is in deze ongemakkelijke toestanden te berusten en dat wij bijzonder deugdzaam zijn, als wij de bestaande familieverhouding niet aantasten.

Deugd is een betrekkelijke term. Menschelijke deugden veranderen jaar in jaar uit met de verandering van toestanden. Beschouwen wij eens de groote deugd van trouw,—onzen hoogsten naam voor plicht. Zij is een eigenschap die in het menschelijk leven waarde verkreeg, op het oogenblik dat wij dingen begonnen te doen, die [235]niet oogenblikkelijk en duidelijk merkbaar voor ons zelf voordeelig waren. Voortdurende ijver van een individu voor een op zich zelf niet aantrekkelijke taak, was een onontbeerlijke maatschappelijke hoedanigheid en werd daarom als deugd aangemerkt. Onveranderlijkheid, getrouwheid, oprechtheid, plichtsgevoel, die bewuste, vrijwillige houding van het individu, welke hem aan een te voren overeengekomen verhouding bindt, soms levenslang, al mocht het hem persoonlijk nog zooveel schaden, deze verhoudingen vormen het verband van het maatschappelijk lichaam. Zij zijn het grondbeginsel van het maatschappelijk bestaan.

Een sociale deugd moet zich aan het persoonlijk geweten doen gevoelen door een erkend en aangenomen drang, een drang waarvoor wij buigen, een plicht tegenover anderen. Op die wijze kwam de deugd van trouw reeds vroegtijdig in duurzame achting; hetzij in den vorm van trouw aan het eens gegeven woord of de belofte, of trouw aan een vriend of een groep van vrienden die voor een of ander gemeenschappelijk doel tijdelijk vereenigd waren, of trouw aan een grooter en bestendiger verhouding. De hoogste vorm van trouw is natuurlijk trouw aan het grootst algemeen belang; en hier kunnen wij duidelijk den loop der ontwikkeling van deze eigenschap volgen.

Eerst zien wij haar in het vage, nevelachtig samenhangen van de horde der wilden, dan in de strenge vereering der gezinnen,—dien onbegrensden plicht voor de hoogste toen bekende maatschappelijke groep. Het was in deze periode dat gehoorzaamheid aan ouders op onze schaal der deugden zoo hoog stond aangeschreven. De familietwisten, de vendetta der Corsicanen, zijn een over-ontwikkeling van deze deugd van familievereering. Daarna kwam trouw aan het opperhoofd, met voorbijgaan zelfs van trouw aan den vader. En met den Koning,[236]—die dramatische verpersoonlijking van een natie,—“Zie! het Koninkrijk Engeland komt!”—werd trouw zelfs een hartstocht. Zij werd, en om goede redenen, boven elke andere deugd verheven, want het was niet, zooals verondersteld wordt, de persoon des Konings die zoo vereerd werd; het was de belichaamde natie, de ver-strekkende, gezamenlijke belangen van elken burger, het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor het vrijwillig offer van elk individu gevraagd werd. Wij bezitten nog al deze phasen van trouw, in verschillend afnemende graden; maar wij verkrijgen thans ook een breeder opvatting van deze deugd, meer geschikt voor onzen tijd.

De tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen zijn hoofdzakelijk industrieele verhoudingen. Ons individueel leven, onze sociale rust en vooruitgang hangen meer af van onze economische verhoudingen dan van eenige andere. Gedurende langen tijd was de maatschappij alleen ingericht op een geslachts-basis, een godsdienstige basis of een militaire basis; elk van deze organisaties was van betrekkelijk kortstondigen duur; en de individuen die haar samenstelden werkten alleen op den economischen grondslag van het hulpeloos individualisme.

Plicht is een maatschappelijk gevoel en ontwikkelt zich alleen met maatschappelijke organisatie. Toen onze burgerlijke organisatie eene nationale werd, ontwikkelden wij het gevoel van plicht voor den Staat. Toen de industrieele organisatie tot de tegenwoordige wereldomvattende ingewikkelde regeling aangegroeid was, toen wij het stadium bereikt hadden waarin onze plaats op aarde alleen houdbaar was door onze uitgestrekte en ingewikkelde economische verhouding, met haar snel kloppend en fijngevoelig samenstel van verkeer en algemeen onderling dienstbetoon, toen heeft het verstand ons voor de nieuwe sociale behoeften een nieuw soort trouw [237]voorgeschreven,—trouw aan ons werk. De machinist op zijn post blijvende tot hij sterft, opdat de passagiers in den trein behouden blijven; de kassier, liever de grootste kwellingen verdragende, dan het geheim van de brandkast te verraden,—dezulken zijn even trouw als de dienaar uit het feudale tijdperk die zijn meester tot den dood volgde, of de onderdaan die alles voor zijn koning opofferde. Beroepseer, verplichtingen tegenover het werk zelf, wat het ook kosten moge,—dat noemen wij trouw, geloofwaardigheid, de macht om stand te houden in een verhouding, die noodzakelijk is voor het maatschappelijk belang, zelfs wanneer het persoonlijk belang daarmede rechtstreeks in strijd is.

De kinderen voor dit stadium van het menschelijk leven op te voeden, daarvoor is de eigen woning niet meer voldoende en de op zich zelf staande, primitieve, afhankelijke vrouw niet meer in staat. Niet dat de moeder geen krachtig en alles-overheerschend gevoel van trouw en plicht bezit, maar het is een plicht voor individuen, even als het was in het jaar één. In haar gedwongen nijverheids-beperking is zij onbekwaam, de hoogere arbeidsverdeeling en de loffelijke toewijding van een menschenleven aan den vooruitgang van zijn vak te waardeeren. Zij werd zoo slaafs mogelijk tot haar dagelijksche taak beperkt, dat geven wij toe; maar het kwam ook niet in haar op dat het ook haar plicht was het gehalte van haar arbeid in het belang der menschheid te verhoogen, noch dat het een zonde was den vooruitgang der wereld door haar tevreden berusting tegen te houden.

Zij kan niet onderwijzen wat zij niet weet. Zij kan niet, met eenigen ernst, als plicht hoog houden, hetgeen zij zelf niet in toepassing brengt. Het kind leert meer van de deugden noodig voor het hedendaagsche leven,—van oprechtheid, rechtvaardigheid, vriendschap, [238]gemeenschapszin en gemeenschappelijk handelen—in een openbare school dan in den besten familiekring onderwezen kan worden. Wij kunnen, zooveel wij willen, onze kinderen den grooten plicht zijn naaste lief te hebben en van dienst te zijn voorhouden; maar de zuigeling wordt geboren en het kind groeit op in een omgeving, waarin een geheel leven,—dat van zijn moeder,—gewijd wordt aan de vergrooting van haar gezin; en waarin een ander geheel leven,—dat van zijn vader,—zich overspant door de noodzakelijkheid van “zijn gezin te onderhouden”, zoodat verraad jegens de maatschappij gewoonlijk de prijs is, waarmede wij het gemak in de woning betalen. De man, die elk laag, valsch werk waarvoor hij gehuurd wordt verricht, werk dat voortbrenger en verbruiker beiden benadeelt; die zijn gaven en talenten beschikbaar stelt voor elken kooper die ze gebruiken kan, wordt door mannen verontschuldigd met wat zij noemen “plichten voor het gezin” en door het zedelijk gevoel der afhankelijke vrouwen niet gelaakt.

Dit is de atmospheer waarin het tehuis opgevoede, door de moeder onderwezen kind opgroeit. Waarom zouden dan niet voedsel en kleederen en gemak van eigen familieleden een eerste plaats in zijn jonge ziel innemen? Ziet hij niet zijn eigen moeder, de boven allen geliefde, de boven alles volmaakte in zijne oogen, rustig haar dagen besteden in het regelen van die zaken, welke door vader’s onophoudelijk zwoegen verkregen zijn? Waarom zou hij, als hij groot is, niet voor zich zelf zorgen, met veronachtzaming van de belangen of ten nadeele van al de anderen, wanneer zijn vroegste, diepste indrukken gevormd worden onder een toewijding van zóó exclusieven aard?

Het is niet de woning als plaats van familieleven en [239]liefde die het kind bederft, maar de woning als middelpunt van een verwarden hoop werkzaamheden, laag in hun ongeregelden toestand en lager nog om hun zuiver persoonlijk karakter. Werk dat alleen voor eigen belang dient, staat het laagst. Daarop volgt het werk dat hoofdzakelijk voor het belang van eigen gezin moet dienen. Werk dat in het belang van meer en meer menschen, in steeds wijder kring verricht wordt, tot het ten laatste den heiligen geest die voor de geheele wereld zorgt nabij komt, is maatschappelijk werk in den volsten zin, en de hoogste vorm van dienstbaarheid dien wij kunnen bereiken.

Het is dit persoonlijke in de huiselijke werkzaamheden, waardoor de huiselijke omgeving zoo hopeloos laag staat. De korte afstand tusschen inspanning voor en bereiking van het doel, de aanhoudende aandacht aan persoonlijke behoeften geschonken, is voor den man slecht, slechter nog voor de vrouw en het slechtst voor het kind. Van den aanvang af worden zijn levensindrukken daardoor verkleind. Het gewent hem de plichten tegenover zijn persoon te vergrooten en de plichten tegenover de maatschappij te verkleinen en het houdt zijn geschiktmaking voor een breeder levensopvatting zeer sterk tegen. Het dienstbode-moederschap, met al zijn onvermijdelijke beperkingen en ziekelijke gevolgen, is de begeleider van de economische afhankelijkheid der vrouw, het rechtstreeksch en onafwendbaar gevolg van de sexueel-economische verhouding.

Het kind ondergaat dien invloed gedurende de jaren dat het voor indrukken het meest vatbaar is en voelt de slechte gevolgen er van zijn geheele leven door. De vrouw wordt er bestendig achterlijk door gehouden; de man in mindere mate, omdat hij door zijn normale maatschappelijke werkzaamheden tegelijkertijd meer [240]ontwikkelende invloeden ondervindt. Maar toch wordt ook hij nog in groote mate daardoor benadeeld, terwijl onze geheele beschaving er door belemmerd en in verkeerde richting gedreven wordt.

Ook lijden wij hierdoor levenslang aan een sterk gevoel van eigenwaarde, een alle voegen te buiten gaande lichtgeraaktheid; wij eischen een bovenmatige aandacht en toewijding aan onze persoonlijkheid, omdat wij geboren en groot gebracht werden in een ware broeikast van deze hoedanigheden. Een klein kind dat een zeker aantal uren daags onder andere kleine kinderen doorbrengt, waarvoor wordt zorg gedragen omdat hij een klein kind is en niet omdat hij “mijn kindje” is, zal, groot geworden, een heel ander oordeel over zich zelf hebben dan het kind, dat opgroeit onder de onophoudelijke bewondering en liefkoozing van eigen familieleden. Het kind moet eens en voor altijd leeren, vriendelijk en zacht doch onverbiddelijk, dat het een kind is als velen.

Wij erkennen dit allen zwakjes door het prijzen van groote gezinnen en door te zeggen dat “een eenig kind geneigd is om zelfzuchtig te worden.” Dat is ook het geval met een eenig gezin. Hoe vroeger en gemakkelijker een kind kan leeren dat menschelijk leven beteekent het leven van vele menschen en hun gedrag tegenover elkander, des te gelukkiger en voller en nuttiger zal zijn leven worden.

Dit kan het kind zonder eenige moeite onder bepaalde omstandigheden geleerd worden, juist zoo als het zijn tegenwoordige zelfzucht en lichtgeraaktheid onder de tegenwoordige omstandigheden leert. Niet enkel temperatuur en dieet en rust en beweging oefenen invloed op een klein kind uit. “Hij vindt het zoo prettig als er notitie van hem genomen wordt”, zeggen wij. “Hij is zoo gelukkig wanneer hij een dozijn bewonderaars rondom [241]zich ziet,” merken wij op. Maar wat leert onderwijl het jonge kind van dit alles? Welke indrukken vangt het op, zoodra het ziet en hoort en langzamerhand leert opmerken? Dank zij de rechtstreeksche gevolgtrekkingen die een helder, ontluikend verstand, dat nog niet over ervaring beschikt, maakt, leert het dat vrouwen in de wereld zijn om de menschen te bedienen, voor het eten te zorgen, te vegen en te schrobben en weg te ruimen; dat mannen geschapen zijn om dingen te huis te brengen, die hun naar gelang van omstandigheden afgebedeld of afgeperst moeten worden; dat kleine kinderen het voorwerp zijn van voortdurende bewondering, dat hun haar, handen of voeten bijzonder aantrekkelijk schijnen, dat zij het brandpunt van oplettendheid zijn, van hand tot hand gaan, geslingerd en gehost en vermaakt worden op de wildste manier, doch ook op zijde gezet en aan zich zelf overgelaten, zonder te overwegen wat het kind het liefst wil en het aangenaamst is.

En dan te midden van zijn tintelend zelfbewustzijn en zijn zucht om geprezen te worden, moet het kind hooren dat het “ondeugend” is. Het verdriet, de schaamte, de woede over zulk een onrechtvaardigheid, de wanhopige verbijstering, de ziekelijke prikkelbaarheid of de verdooving van het geweten, het langzamerhand tot het teleurgesteld verstand doordringen van al deze vroegtijdige gewaarwordingen, doen het kind ten slotte haken naar zuiver persoonlijk genot en het legt zich toe om dat te bemachtigen. Dit zijn de ondervindingen die de meeste kinderen opdoen en die ook wij opdeden toen wij kinderen waren. Natuurlijk herinneren wij ons dat niet meer. Wij hielden natuurlijk van onze moeder en dachten dat zij volmaakt was. Vergelijkingen tusschen moeders te maken is moeilijk [242]voor een klein kind. Wij hielden natuurlijk van ons huis en droomden er nooit van, dat er ook nog een andere weg bestaat om groot gebracht te worden. En natuurlijk als wij zelf kinderen krijgen, brengen wij ze weder op dezelfde wijze groot. Welke andere weg bestaat er? Wat kan men er tegen hebben? Kinderen werden immers altijd tehuis groot gebracht. Is dat niet voldoende?

En toch, verraderlijk, langzaam, onverzettelijk, terwijl wij ons zelf vleien met de gedachte dat de toestanden dezelfde blijven, veranderen zij onder onze oogen van jaar tot jaar, van dag tot dag. Opvoeding, zich zelf verschuilende achter een hoop boeken, maar al meer en meer bestaande in het groepeeren van kinderen en in het oefenen van eigenschappen die in den schoolcursus nimmer vermeld worden,—opvoeding, welke het menschelijk moederschap uitmaakt, kruipt al nader en nader naar haar ware plaats, haar beste werk,—de verzorging en opleiding van het kleine kind. Er zijn enkele vrouwen en ook enkele mannen die de menschheid ten hoogste aan zich verplichten door hun zorg voor kinderen. Dezulken moesten hun krachten niet concentreeren op eigen kinderen,—een zeer twijfelachtig voordeel voor de maatschappij—maar zij moesten zoo geplaatst worden dat hun talenten en geschiktheid, hun kennis en ondervinding, het grootst aantal kinderen ten goede konden komen. Er zijn vele vrouwen en vele mannen ook, die, ofschoon zij in staat zijn mooie, gezonde kinderen voort te brengen, niet bekwaam zijn hun een goede opvoeding te geven. Kinderen te baren is een persoonlijke zaak, een dierlijke functie. Opvoeding is een collectieve, menschelijke, maatschappelijke functie.

Zooals wij nu het leven geregeld hebben, loopen onze kinderen de kans terwijl zij nog zuigelingen zijn, te [243]leven of te sterven, ten goede of ten kwade zich te ontwikkelen, naar gelang van de hoedanigheden der moeder, uit wie zij geboren worden. Een onverstandige moeder is geen beletsel voor een kind om een goede schoolopleiding en later een goede vakopleiding deelachtig te worden; maar de opvoeding in zijn prille jeugd, de belangrijkste in alle opzichten, is geheel in haar handen. Het is onnoodig aan te voeren dat moeders onderwezen moeten worden, hoe zij hunne moederplichten vervullen moeten. Men kan niet van elke moeder een goede schoolonderwijzeres of een goede vakonderwijzeres maken. Waarom verwacht men dan dat wel van iedere moeder eene goede opvoedster voor kleine kinderen gemaakt kan worden? Maar welke ook onze verwachtingen zijn, de ondervinding heeft geleerd dat niet allen er geschikt voor zijn; en onze verkeerd opgevoede kinderen, dezulken die de verkeerde stoffelijke behandeling te boven komen, groeien tot menschen op, zoo als wij ze rondom ons zien.

De groei en verandering van het huiselijk en familieleven gaan aanhoudend hun gang onder en over en door onze vooroordeelen en overtuigingen heen; en ook de opvoeding van het kind is veranderd en een sociale functie geworden, hoewel wij ons nog verbeelden dat alles alleen door de moeder gedaan wordt.

In haar vroegste en meest onvolledige openbaringen maakte opvoeding slechts deel uit van de individueele moederlijke functie wan het vrouwelijk dier. Maar van het oogenblik af dat de menschelijke geest in staat werd indrukken weer te geven en te ontvangen door middel van de spraak, hierdoor werd de macht verkregen kennis uit andere bronnen dan die van eigen ondervinding op te doen, hield de individueele moeder op, de eenige opvoedster van haar kind te zijn. De jonge wilde ontvangt niet alleen leiding van zijn angstige moeder, maar [244]ook van de hoofden en ouderen van zijn stam. Gedurende langen tijd beschouwde men de ouden van jaren als de eenige geschikte onderwijzers, omdat toen de meeste kennis uit persoonlijke ondervinding verkregen werd; en hoe ouder de persoon was, des te grooter was zijn ondervinding, indien natuurlijk, andere dingen gelijk waren, en die waren in dien tijd maar al te veel gelijk. Dit primitieve denkbeeld bestaat nog onder ons. Menschen matigen zich thans nog aan meer wijsheid te bezitten omdat zij ouder zijn, stellen enkel de som hunner ondervindingen tegenover een essentieeler en goed geregelde veelzijdigheid en vergeten geheel, dat de wijsheid die wij tegenwoordig bezitten niet uit een verzameling van feiten bestaat, maar in de macht om over die feiten met een bepaald doel na te denken.

Sedert wij al meer en meer in staat zijn individueele ondervinding door literatuur te bewaren en aan anderen mede te deelen en de daardoor verkregen kennis door systematisch onderwijs te verspreiden, zien wij steeds jonger en jonger menschen bijv. rijker zijn in chemische of electrische ervaring dan “de oudste inwoner” in vroeger tijden kon geweest zijn. Daarom zijn de hedendaagsche onderwijzers niet meer de grijsaard en oude vrouw, maar de man of vrouw, die liefst zoo kort mogelijk geleden de verzamelde ondervinding der wereld opdeed. Evenals bij den onderwijzer een overgang van ouderdom tot jeugd plaats vond, evenzoo geschiedde dit bij de leerlingen. Bij de Grieken bezochten volwassen mannen de school. In de middeleeuwen vulden jonge mannen de inrichtingen van onderwijs. In onze verlichte eeuw kunnen jongens en ook meisjes gebruik maken van het zich steeds uitbreidend schoolonderricht.

Thans is zelfs door de ontwikkeling van “den Kindergarten” [245]het onderwijs tot de deur der kinderkamer genaderd. Zelfs ons stekeblind moederschap begint die deur te openen; en zoo zijn wij ten slotte genaderd tot de studie van kleine kinderen, wij leeren hun behoeften en gaven kennen en zien dat de opvoeding moet beginnen op het oogenblik dat het leven aanvangt. Het is geen gewaagde ketterij te beweren dat kleine kinderen een beter opvoeding noodig hebben dan de individueele moeder hun geeft. Wij bedoelen alleen een weinig verder uitstrekken van het zich geregeld uitbreidend systeem der menschelijke opvoeding, welke met toenemende beschaving toch zal komen. En daardoor zal niet meer inbreuk worden gemaakt op de rechten der moeder, de plichten der moeder, het genoegen der moeder, dan de school en vakschool doen.

Wij denken immers geen kwaad van het moederschap, omdat onze lievelingen daags vele uren in de school gaan doorbrengen. De moeder wordt daarom niet voor zorgeloos, noch het kind voor te kort gedaan gehouden. Wij noemen het niet een “scheiding van moeder en kind.” Er zal ook niet meer kwaad of gevaar of verlies zijn, wanneer de kleine-kinderleeftijd in een omgeving van geoefende en voor hun taak opgeleide personen doorgebracht wordt, die hunne behoeften beter kennen en er beter aan te gemoet kunnen komen dan het voor de moeder alleen tehuis mogelijk is.

Beter omgeving en beter zorg voor kleine kinderen, in ’t kort een beter opvoeding beteekent niet, zooals sommige moeders zich verbeelden, dat de zwakke zuigeling onderwezen wordt in lezen, of zelfs dat hij gezet zal worden aan het rangschikken van kleuren of vormen of geluiden, welke het jonge verstand geheimzinnig tot bloei zullen dwingen. Het beteekent hoofdzakelijk, een veel kalmer en rustiger leven dan mogelijk [246]is in de drukke huishouding, voor het te vurig geliefkoosde en te zeer verzorgde kindje; en dat de indrukken die het ontvangt met inachtneming van zijne verstandelijke vermogens gekozen worden. De moeder zou niet uitgesloten maar geholpen worden, evenals zij nu door den onderwijzer en de school bijgestaan wordt.

Tracht u eens, als gij wilt, een nieuwe wijze van de komst in het leven voor den geest te roepen;—de moederborst en moederarmen vervullen ook daar natuurlijk den dienst, welke geen ander hoe teeder ook, kan aanbrengen; maar waarbij tevens andere hulp zou zijn. De lange, gelukkige uren van de steeds langer wordende dagen zouden doorgebracht worden in zonnige, zacht gekleurde vertrekken, of tusschen gras en bloemen, of op het warme strand en aan het water. Er zouden vele andere kinderen zijn, kinderen van denzelfden leeftijd en dezelfde grootte, in kalme hulpvaardige vriendschap. Een jaar verschil in leeftijd beteekent voor kleine kinderen heel veel. Denkt eens aan de geestdrift van kleine kinderen, wanneer zij met makkertjes van dezelfde jaren spelen, omdat zij zich dan volkomen gelijk voelen; en bedenkt dan dat het tehuis groot gebrachte kindje zulke kameraadjes nooit heeft, tenzij er toevallig tweelingen zijn.

In deze groote groep, in volle vriendschap levende, zou het kind onbewust de kennis opdoen, dat “wij” menschheid zijn, dat “wij” wezens zijn die moeten worden gevoed, bewaakt, gekleed, te slapen gelegd, gekust en geliefkoosd en vrijgelaten om te rollen en te spelen. Misschien zouden de moeder-uren de prettigste zijn. Dan zou het kind heelemaal alleen aan iemand toebehooren en dit zou om het contrast te beter gewaardeerd worden. Maar de lange, geregelde dagen zouden de rustige lessen van gelijkheid en [247]gemeenschappelijk belang brengen, in plaats van de koortsige persoonlijkheid van het alleen staande kindje in het één-kinder-huishouden, of de tallooze dwingelandijen en kibbelarijen van een kinderkamer vol broertjes en zusjes van zeer verschillenden leeftijd en verschillende gaven. Moeders, die er aan gewend zijn vele andere kleine kinderen dan hun eigen waar te nemen, zouden eensdeels beginnen iets te leeren van het klein-kinderwezen in het algemeen en daardoor dat levensstadium veel beter begrijpen, en anderdeels zouden zij leeren inzien, dat er verschil tusschen kleine kinderen bestaat en zoodoende een nieuw ideaal in hun groot werk van moederschap opdoen.

Dit alleen is reden genoeg voor een ruimer opvatting van het moederschap. Zoolang nog ieder moeder alleen haar eigen kinderen in volle bewondering en hartstochtelijkheid aanstaart, niets wetende van anderen, zoolang zal deze dierlijke passie de zuiver menschelijke hoedanigheden van het kind over- of onderschatten. Zoolang dit voortduurt zullen wij opgroeien met het valsche, onvaste oordeel over ons zelf, dat ons in onze kindsheid is opgedrongen. Wij mogen te goed of te slecht van ons zelf denken, maar altijd denken wij te veel van ons zelf, als gevolg van die ongeoefende en onveranderde concentratie van moederlijk gevoel. Onze geheele houding tegenover het kind is te sterk persoonlijk. Door heel ons pijnlijk later leven kampen wij om aan dat valsche perspectief, door het primitieve moederschap onderwezen, te ontgroeien.

Een klein kind, dat groot gebracht wordt met andere kleine kinderen zal nimmer die moeite en dat verdriet hebben. Hoezeer zijn moeder het ook mag liefhebben en hoeveel het ook van haar liefde geniet, het zal toch ondervinden, dat het voor het grootste gedeelte van [248]den tijd precies zoo behandeld wordt als andere kinderen van denzelfden leeftijd. Zulk een verandering zal voor het huiselijk en familieleven geen grooter verlies medebrengen dan de school of den Kindergarten doen. Zij zal het kleine kind niet van zijn moeder en de moeder niet van haar kind berooven. En zulk een verandering zou de moeder een aantal uren daags vrij geven om een gewoon mensch te zijn, een lid van een beschaafde gemeenschap, een economische voortbrengster, een zich ontwikkelend, zelfstandig individu. Deze ontwikkeling, vrijheid en macht zullen van haar een verstandiger, sterker en edeler moeder maken.

Na alles wat gezegd is van de liefde en dankbaarheid voor onze onfeilbare moeder-kindermeid, moeten wij vrouwen toch wel een zeer hoogen dunk van onze persoonlijke belangrijkheid hebben om ons eigen werk zoo heilig te verklaren. De moeder in dienst der maatschappij, in plaats van in dienst van het gezin, zal haar ware moederplichten niet verwaarloozen. Zij zal haar kind even goed liefhebben, misschien beter, als zij er niet elk oogenblik mede in aanraking is; wanneer zij van zijn leven naar haar leven en terug van het hare tot het zijne gaat, met steeds nieuwe vreugde en nieuw verlangen. Zij zal de innige, groote vreugde van het moederschap veel frisscher in haar hart bewaren, in stem en oogen veel duidelijker uitdrukken, wanneer de uren van individueel werk haar geest een anderen uitweg gegeven hebben voor haar eigen deel wan den dag. Zij zal van haar werk, dat zij lief heeft en hoog stelt, naar het leven te huis en het leven van haar kind met graagte en met voortdurend welbehagen terugkeeren, gezuiverd als dit dan zal zijn van de duizend kleine kwellingen, oneenigheden en moeilijkheden die het nu zoo bederven.

Ook het kind zal dit weldoende gevolg ondervinden. Men [249]vergist zich als men meent dat het kleine kind, meer dan het oudere, juist de zorg en tegenwoordigheid van de moeder noodig heeft. Een zorgvuldig onderzoek heeft aangetoond dat een pas-geboren kind zijn eigen moeder en een pas-bevallen moeder haar eigen kind niet kent. Men kan ze verwisselen zonder dat een van beiden er iets van bemerkt.

De diensten van een zoogster, een kindermeid, een grootmoeder worden door kleine kinderen dikwijls evenzeer gewaardeerd, soms beter, dan die van de eigen moeder. De zuiver lichamelijke zorg voor een jong kind kan even goed door de eene als door de andere verstandige, liefderijke hand gegeven worden. Het is de geoefende hand waaraan het kind voor deze zorg behoefte heeft, niet aan bloedverwantschap. Zoolang de moeder het heerlijke voorrecht behoudt haar kind te kunnen zoogen, behoeft zij nooit te vreezen dat iemand anders het kleine hartje dierbaarder zal zijn dan zij, de gezegende verschafster van het hoogste goed dat het kent. Een gezond, gelukkig, goed aangewend moederschap zal in staat zijn deze functie langer en beter te vervullen dan nu gewoonte is, tot groot voordeel voor het kind. Afgezien van deze speciale verwantschap, zal het aldus opgevoede kleine kind gemakkelijk het besef krijgen van een ander en breeder verwantschap.

In de vrijheid en rust van zijn kinder-slaapkamer en speelkamer, in zijn dagelijkschen omgang met andere kinderen van zijn leeftijd, zal het een gevoel van de juiste menschelijke verhouding, als het ware, met de moedermelk in zich opnemen, een besef krijgen van de rechten van anderen en van zich zelf. In plaats van zich het leven te denken als iets waarin alle pret bestaat om door anderen rondgedragen en geliefkoosd te worden, of ook om door anderen getiranniseerd of onuitstaanbaar [250]verveeld te worden, zal het kind het leven gaan beschouwen als een gelegenheid om zich ongehinderd te ontwikkelen, bekend te worden met zijn eigen ontluikende gaven van lichaam en geest, in een atmospheer van lichamelijke warmte en gemak en van kalme zielerust.

Rechtstreeksche, geconcentreerde, onveranderlijke persoonlijke liefde is een te heete atmospheer voor een ontluikende ziel. Afwisseling met eenzaamheid, drift en onrechtvaardigheid brengt niet de gewenschte verandering. Een bedaard toegepaste liefde, door wijsheid verlicht, op rechtvaardigheid gegrondvest, en door de innige toewijding van de eigen moeder nu en dan afgewisseld, zou ons na weinige geslachten tot andere menschen maken. De neiging en uiting van ons geheele leven worden sterk gewijzigd door de omgeving in de kindsheid, en deze omgeving kan verbeterd worden, evenwel niet door de individueele moeder in de individueele woning.

Er zijn drie redenen waarom de individueele moeder nooit geschikt gemaakt kan worden om alle zorg voor haar kinderen op zich te nemen. De eerste twee zijn te bekend om er lang bij stil te staan, de derde is zoo volstrekt afdoend, dat die alleen voldoende zou zijn.

Ten eerste is niet elke vrouw met de bijzondere eigenschappen en gaven geboren, noodig om de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij bezit er geen aanleg voor. Ten tweede kan niet iedere vrouw de opleiding en oefening verkrijgen, noodig om haar geschikt te maken de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij is er niet voor opgeleid. Ten derde, zoolang elke vrouw alle zorg alleen voor eigen kinderen op zich neemt, kan nooit een vrouw de vereischte ondervinding er voor opdoen. Dat is de laatste hinderpaal. Dat houdt ons menschelijk moederschap achterlijk. Geen moeder weet meer dan haar moeder wist; geen moeder heeft ooit [251]haar beroep geleerd; en onze kinderen ondergaan de goed-gemeende proefnemingen van een eindelooze reeks van amateur-opvoedsters.

Wij trachten een kindermeid te krijgen, die ondervinding heeft. Wij zoeken een arts met ondervinding. Maar naar onze opinie is een moeder met ondervinding eenvoudig een, die veel kinderen gebaard heeft, alsof baren een opvoedend proces was!

De angsten van het kraambed of de angsten van een kindersterfbed, hoe vaak ook ondervonden, dragen hoegenaamd niet bij tot de kennis van de moeder omtrent de juiste verzorging, kleeding, voeding en onderricht van het kind. De afdeeling opvoeding van het moederschap is geen persoonlijke functie; het is in haar waren aard een maatschappelijke functie; en in de volbrenging er van schieten wij betreurenswaardig te kort.

De economisch onafhankelijke moeder, verruimd en bevrijd, versterkt en ontwikkeld door haar maatschappelijke taak, zal als moeder beter dienst bewijzen dan dit de afhankelijke moeder mogelijk is. Niets kan meer de belangen der menschheid bevorderen dan verstandiger zorg en breeder opgevatte liefde van een georganiseerd menschelijk moederschap over onze kleine kinderen. Zulk edeler moederschap, voortbrengende edeler kinderen en hen op edeler wijze groot brengende, zal een wereld mogelijk maken, zooals wij die wenschen. En deze verandering nadert overweldigend snel, ondanks onze dwaze vrees. [252]

XIV

De verandering in opvatting en uitdrukking van ons huiselijk leven, zoo snel en krachtig rondom ons plaats grijpend, sluit vele ver-reikende gevolgen in, die alle bevorderlijk zijn aan den menschelijken vooruitgang. Niet de minste van deze is de verbetering in de samenstelling van het maatschappelijk verkeer.

Deze behoefte der beschaving was in vroeger tijd onbekend, toen familie-omgang voldoende was voor allen en toen elke verdere aanraking tusschen individuen oorlog beteekende. Handel en het daaruit voortvloeiend reizen voor zaken, de specialisatie van arbeid en de verspreiding van zijn producten, en alle verdere ontwikkeling, hebben een ruimer en vrijer en herhaaldelijker omgang ten gevolge gehad van de tallooze individuen, wier onderlinge handelingen de maatschappij vormen. Slechts kort geleden en nog maar gedeeltelijk, hebben de vrouwen als individuen aan dit onderling maatschappelijk verkeer deelgenomen, en toch maakt dit de wezenlijke voorwaarde uit voor ware beschaving. Het maatschappelijk verkeer bestaat niet voor ons genoegen, maar als een noodzakelijkheid voor den mensch.

Voor vrouwen als individuen is het een steeds grooter wordende eisch om mannen en andere vrouwen als individuen te ontmoeten, zonder juist in familiebetrekking tot hen te staan. Als een sociale behoefte moet er noodzakelijk eenige vorm aan gegeven worden; maar de juiste ontwikkeling er van wordt thans nog sterk belemmerd door de haar aanklevende vormen van [253]huiselijke en maatschappelijke gewoonten, die hun ontstaan danken aan de sexueel-economische verhouding. De eisch van een vrijer en ruimer maatschappelijken omgang tusschen de beide seksen berust hoofdzakelijk op een wederzijds gevoelde behoefte; doch in het hedendaagsche leven is dit een veel reiner gevoelde en hooger opgevatte aandoening geworden dan zij aanvankelijk was, toen nog slechts één behoefte en één wijze om daaraan te voldoen bestond. Thans eischt deze behoefte dringend een betere regeling van onze levenswijze.

In sociale evolutie, evenals in andere evolutiën, ontgroeien wij slechts langzaam aan den uiterlijken vorm passend voor de vroegere behoeften; en de overgangsperiode, zoolang de nieuwe functiën tastend rondzoeken door de oude organen en die eerst langzamerhand tot een werktuigelijke uiting kunnen dwingen, is steeds onvermijdelijk pijnlijk. Voor zoover onze ontwikkeling thans gevorderd is,—nog steunende op een diep gewortelde overtuiging dat de wereld alleen uit gezinnen is samengesteld en de regeling der zaken noodzakelijk het belang dezer gezinnen moet bevorderen,—hebben wij er nauwgezet naar gestreefd het familie-belang te bevorderen en het familie-leven te veraangenamen en zijn daarbij onbewust of onwillekeurig gedwongen geworden, voor individuen slechts voorbijgaande maatregelen te nemen. Wat niet strekte tot bevordering van het familieleven, maar wel om te gemoet te komen aan de behoeften van individuen, op dat tijdstip in geen familie-verhouding levende, werd steeds in beginsel krachtig bestreden, ofschoon men gedwongen werd in de praktijk er aan toe te geven.

Nog heden worden er ernstige en humoristische artikelen geschreven, met het doel te protesteeren [254]tegen de toenemend weelderige en gemakkelijke inrichting der gehuurde vertrekken voor ongehuwde mannen, even als men te velde trekt tegen de financieele onafhankelijkheid der vrouwen, op grond dat deze omstandigheden het huwelijk en het familieleven tegengaan. De meeste mannen doorleven tegenwoordig een tijdruimte van misschien tien jaren, dat zij op zich zelf staande menschen zijn; zaken roepen hen uit het ouderlijk huis en veroorloven hun voorloopig niet een nieuw gezin voor zich zelf op te bouwen. Ook vrouwen treden elk jaar meer en meer een gelijke individueele levensperiode in. En er is een zeker vast percentage van individuen, “oneven nummers” en “gebroken stellen”, die in het familieleven overschieten of achtergebleven zijn; en ook dezen moeten leven.

Het familiehotel, het pension, de club, de gehuurde kamer en het restaurant zijn tegenwoordig de toevlucht voor deze groote en steeds grooter wordende klasse. Het zijn menschen, die voor zekeren tijd ergens willen wonen, soms voor jaren, doch die niet gehuwd zijn of op andere wijze een gezin bezitten. Omdat huiselijk leven in onzen geest onafscheidelijk verbonden is met huwelijksleven, een woning verondersteld wordt een gezin te bevatten en een gezin een hoofd te hebben, zijn zulke alleenstaande personen niet bij machte eenig huiselijk leven te leiden en worden daarom verplicht het ongerief, de schade, de duurte, de dikwijls onhygienische en somtijds onzedelijke invloeden van onze plaatsvervangende hulpmiddelen te verdragen.

Het menschelijk ras eischt thans dat er voorzien wordt in de behoeften van individuen, afgescheiden van hun geslachts-verhouding. Wij dwalen wanneer wij meenen dat alleen gehuwde menschen en hunne onmiddellijke verwanten eenig recht hebben om in [255]comfort en in een gezonde omgeving te leven. Ieder mensch heeft behoefte aan een woning,—ongehuwde, echtgenoot, weduwnaar, meisje, vrouw, weduwe, jong en oud. Zij hebben er behoefte aan van de wieg tot het graf, zonder dat dit iets met hunne geslachts-verbintenissen te maken heeft. Wij moesten de woning en het comfort der menschheid zoodanig inrichten en opbouwen dat het huwelijk er niet door benadeeld wordt, doch dat zij ook niet van het huwelijk afhankelijk waren. Door de werkzaamheden van het huiselijk leven beroepsmatig te doen uitoefenen, met kamers en suites van kamers en huizen voor een of meer personen verkrijgbaar, zouden wij ongehuwd kunnen leven, zonder iets van het aangename van een eigen woning of van de gewone gezelligheid op te offeren; wij zouden onze familie kunnen verliezen, zonder daarom beroofd te worden van de genoegens van het huiselijk leven; wij zouden kunnen huwen in vrijheid en geluk, zonder eenige verandering te brengen in de economische basis van een der betreffende partijen.

Gehuwde lieden zullen wel altijd aan een gezamenlijke woning de voorkeur geven en die kunnen zij hebben; maar groepen van vrouwen of groepen van mannen zouden ook een gezamenlijke woning of aangrenzende kamers kunnen hebben, indien zij dat wenschten. Doch zelfs alleenstaande personen zouden een woning voor zich zelf kunnen hebben, zonder dat zij daarom ook de drukte van een huishouding op hun schouders behoeven te laden.

Indien men de keukens uit de woningen neemt, houdt men kamers over voor elken regelingsvorm geschikt; men kan die kamers bewonen zonder dat dit beteekent “huishouding” doen. Het persoonlijk karakter en de smaak zouden met zoo’n levenswijze tot bloei kunnen [256]komen als nooit te voren; de woning van elk individu zou ten slotte de persoonlijkheid van den bewoner uitdrukken, en de vereeniging van twee personen tot een huwelijk zou niet noodzakelijk het dooreen gooien van de geheele uiterlijke inrichting van hun leven ten gevolge hebben,—een zaak waarbij steeds veel van de teederheid en frischheid der liefde verloren gaat. Het gevoel van levenslange vrijheid en van vrede in en duurzaamheid van iemands eigen woning zal er veel toe bijdragen de persoonlijke levensverhoudingen te louteren en te verheffen, maar nog meer de maatschappelijke verhoudingen te versterken en uit te breiden. Het individu zal leeren zich zelf een samenstellend deel van het maatschappelijk gebouw te voelen, in nauw, rechtstreeksch en bestendig verband staande met de behoeften en eischen der maatschappij.

Dit is voor vrouwen bijzonder noodig, omdat men haar meestal alleen beschouwt, en zij zelf doen het ook, als deelen van gezinnen, niet in staat om op zich zelf gelukkig te leven. De overtuiging, dat zij voor haar geheele leven rust en vrede kunnen vinden, zelfs zonder dat zij trouwen,—en dat zij die ook kunnen vinden indien zij trouwen,—zal een kalmte en kracht in haar ontwikkelen, die haar zelf en de wereld zeer ten goede zal komen. Het is een schitterend bewijs hoezeer de bestaande huwelijksvorm het karakter prikkelt en den mensch onvoldaan laat, dat de vrouwen door de behoefte aan voedsel en kleederen en de mannen door de behoefte aan keukenmeiden en huishoudsters er toe gedwongen moeten worden. Wij zijn bespottelijk bang, dat mannen en vrouwen, indien zij hun levensbehoeften op andere wijze dan door het huwelijk kunnen verkrijgen, voor de huwelijks-verhouding hartelijk zullen bedanken. En dan bezingen wij nog bewonderend de macht der liefde! [257]

Wij mogen waarlijk hopen, dat het meest te waardeeren gevolg van de verandering in den grondslag van het leven, liefde en huwelijk zal reinigen van dit lage bijvoegsel van financieel belang en persoonlijk gemak; en dat mannen en vrouwen, eeuwig tot elkaar aangetrokken door de sterkste kracht in de natuur, ten laatste in staat zullen zijn elkander op het gebied van zuivere en volmaakte liefde te ontmoeten. Wij maken onze eigen idealen, ons diepste instinkt, onze hoogste overtuiging te schande door deze grove verdenking, dat het edelste ras op aarde niet zou willen paren, of ten minste niet monogaam zou willen paren, tenzij het gekocht en gelokt wordt door de gewone dierlijke behoefte aan voedsel en dekking, en geketend wordt door gewoonte en wet.

De innigheid, de reinheid, de bestendigheid der huwelijksverhouding berusten op de noodzakelijkheid dat beide ouders voor de kinderen langdurig zorg moeten dragen,—een gevolg van de ontwikkeling van het ras, waaraan wij nooit kunnen ontsnappen. Wanneer ouders zich minder zullen uitsloven om voedsel te verkrijgen en het te koken, om meubelen te verkrijgen en ze schoon te houden, dan zullen zij misschien meer tijd vinden om nieuwe gedachten en nieuwe inspanning aan de verzorging hunner kinderen te wijden. Het kind heeft hooger behoeften dan aan een boterham en een bed; dit zijn alleen ras-behoeften die het met zijn geheele soort gemeen heeft. Het heeft veel meer behoefte—en aan deze wordt minder voldaan—aan het gezelschap van, en de vereeniging, de persoonlijke aanraking met zijn vader en zijne moeder. Wanneer vele van de tegenwoordige werkzaamheden uit het huis verwijderd zijn, dan zullen wij den tijd vinden en misschien ook den lust om werkelijk met onze kinderen kennis te maken. Het zal ons dan [258]toeschijnen dat zij niet zoo zeer schepselen zijn die bewaakt, als wel menschjes die begrepen willen worden. Even als door de burgerlijke en militaire bescherming der maatschappij reeds sedert lang de tand-en-klauw-verdediging van wreede ouders werd afgeschaft, zonder dat daardoor de familieband in gevaar gebracht werd, zoo zullen ook de economische veranderingen in de maatschappij, die aan het tehuis brengen van voedsel door de ouders een einde zullen maken, geen slechte gevolgen voor de liefde en achting in het gezin medebrengen. Deze primitieve behoeften en de primitieve wijze om er aan te gemoet te komen, hielden de familie-verhouding ongetwijfeld op een zeer laag standpunt; maar zij liggen reeds gedeeltelijk achter ons en de band tusschen ouders en kinderen werd door de verandering niet verzwakt, maar integendeel versterkt.

Hoe meer wij aan deze lage toestanden ontgroeien, des te volkomener zullen wij de dieper en hooger verhoudingsvormen kunnen verwezenlijken, welke de kracht en den lust van het menschelijk leven uitmaken. Goed en voortdurend voor de veraangenaming van het individueele leven te zorgen, zal niet de kracht vernietigen waardoor mannen en vrouwen zich tot elkander voelen aangetrokken, of die de kinderen aan de ouders bindt; doch het zal deze verhoudingen reiner en sterker maken en tot een hoogte opvoeren, welke wij eenigszins kunnen afleiden uit het resultaat, door zulke veranderingen in sommige gezinnen reeds tot stand gebracht. Door de individuen, oud en jong, van den dwang te bevrijden om deel van een gezin uit te maken en hun te veroorloven vrij in de maatschappij te leven, werken wij bovendien krachtig mede aan de ontwikkeling van het ware maatschappelijk verkeer.

De tegenwoordige economische grondslag van het [259]familieleven houdt onzen vriendschappelijken en gemeenzamen omgang binnen enge grenzen. Het is thans alleen mogelijk met families om te gaan en families te bezoeken in plaats van om te gaan met individuen; en het toenemend persoonlijk verschil der individuen maakt het hoe langer hoe onmogelijker dat alle leden van een zeker gezin den bezoeker behagen of behagen vinden in hem. Zoolang wij op den tegenwoordigen grondslag blijven voortleven belemmeren wij den vrijen omgang en brengen de familieverhouding dikwijls in pijnlijke spanning. De verandering der economische verhouding in de gezinnen, van de geslachts-basis tot de maatschappelijke basis, zal een ruimer individueelen omgang mogelijk maken, zonder dat hiermede een breuk der familiebanden vergezeld behoeft te gaan.

Men heeft den drang der familieleden, hun toenemenden wensch naar een algemeener en persoonlijker maatschappelijken omgang enkel toegeschreven aan dorst naar genoegens, en daarom meenden de moralisten er krachtig tegen te velde te moeten trekken. Zij beweerden dat de hoogste vorm van omgang, omgang met eigen familieleden was en dat de wensch om ruimer en gemakkelijker met anderen te kunnen verkeeren uit onwaardige gevoelens voortsproot. “Hij is goed voor zijn gezin;” zeggen wij vol bewondering van den man die s’avonds niets meer verlangt dan zijn courant en zijn pantoffels; en voor de vrouw, die durft bekennen dat zij nog ander gezelschap wenscht dan haar man, hebben wij slechts één naam. Ook voor de kinderen geldt dit. Onophoudelijk spannen wij ons in “de jongens tehuis te houden”, “het tehuis aantrekkelijk te maken”, opdat ons oud ideaal, het patriarchaal ideaal, een wereld van gezinnen en niets anders, gehandhaafd blijft.

Maar wij leven in een wereld van personen zoowel [260]als van gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij geboren zijn, ofschoon geboren in gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij de gezinnen verlaten hebben en nog personen, zelfs wanneer wij een nieuw, ons eigen gezin, gevormd hebben. Als personen hebben wij in elke generatie meer, behoefte ons met andere personen te vereenigen. Het is zeer interessant op te merken hoe deze behoefte zich steeds deed gevoelen en zich zelf, door reine en onreine middelen, in de voorafgaande duistere eeuwen heeft trachten te helpen. Door onze onzinnige overdrijving van de geslachtsverhouding hebben wij ruwweg voorondersteld, dat de wensch naar vrijer menschelijken omgang beteekende een vrijer geslachts-verhouding en daarom moest tegengegaan worden; evenals men het in Spanje voor zeer onverstandig hield vrouwen te leeren schrijven, omdat zij dan gemakkelijker met hun minnaars konden omgaan en zoodoende de grondslagen der maatschappij aan het wankelen zouden kunnen brengen.

Zoodra echter onze geslachts-verhouding door de economische onafhankelijkheid der vrouwen gezuiverd en geregeld is, zoodra geslachts-aantrekking niet langer een verterende koorts is, die onze maatschappij voortdurend in beroering brengt, zullen wij niet meer tevreden neerzitten bij een half dozijn bloedverwanten, als onzen eenigen maatschappelijken cirkel. Wij zullen elkander dan meer, niet minder, noodig hebben en wij zullen de behoefte aan maatschappelijk verkeer erkennen en beschouwen als het hoogste recht van hen, die het hoogste ras op aarde zijn.

De kracht, waardoor vrienden zich tot elkander voelen aangetrokken is een hoogere dan die welke de seksen tot elkander brengt,—hooger in dien zin, dat zij bij een latere ras-ontwikkeling past. “De liefde van [261]vrouwen overtreffend”, is geen onbeteekenende phrase. Kinderen hebben elkanders omgang noodig, zoo ook jonge menschen. Menschen van middelbaren leeftijd hebben elkanders omgang noodig, oude menschen eveneens. Wij hebben elkander allen noodig, veel en dikwijls. Even als ieder mensch behoefte heeft aan een plaats waar hij alleen kan zijn, zoo hebben alle menschen eveneens behoefte aan een plaats van samenzijn; van de twee die elkaar ongestoord hun innigste gewaarwordingen willen toevertrouwen, tot het grootst aantal dat zich in harmonie kan verzamelen en bewegen.

Menschheid beteekent samenzijn, terwijl onze levenswijze, waaraan wij ontegenzeggelijk ontgroeid zijn, ons apart houdt. Hoe vele menschen, indien zij het feit onder de oogen durven zien, hebben niet dikwijls hopeloos verlangd om hunne vrienden op betere wijze te kunnen ontmoeten, hun eigen ware vrienden, verwanten door den geest, indien niet door het lichaam.

Doch wij, levende in de verhitte atmospheer van onzen overseksten geest, hebben de menschen steeds als een ras van beesten uitgeschilderd, wier eenige wensch tot samenzijn gebaseerd is op den grooten, overwerkten hartstocht, en die alleen van gemengde nachtelijke zwelgpartijen teruggehouden worden door dat zij aan huis gebonden zijn. Dit is onwaar! Het is zelfs nu in onzen over-seksten toestand niet waar. En het zal nog minder waar zijn, wanneer wij van den kunstmatigen druk der sexueel-economische verhouding verlost zullen zijn en ons weder natuurlijk kunnen ontwikkelen.

Mannen, vrouwen en kinderen hebben behoefte aan vrijheid om op een menschelijken grondslag samen te komen, dat wil zeggen, dat zij in hun dagelijksch leven en door hunne bezigheden bijeenkomen, zonder [262]bepaald doel, en niet opzettelijk elkander behoeven op te zoeken. Wij weten allen hoe prettig de kennismaking en de innige vriendschap is die ontstaat, wanneer menschen op natuurlijke wijze samen worden gebracht, op de school, aan de universiteit, op een werkplaats, aan boord van een schip, in den trein, op een gezamenlijk uitstapje, in zaken. De maatschappelijke behoefte van beide partijen aan een algemeene, functioneele ontwikkeling van het maatschappelijk verkeer is een uitgemaakte zaak en gemeenschappelijke functioneele werkzaamheden bieden daarvoor op natuurlijke wijze de gelegenheid.

De reden waarom vriendschap voor mannen meer beteekent dan voor vrouwen en waarom de mannen zich veel gemakkelijker en vrijer vereenigen, ligt in de omstandigheid dat zij zooveel verder in de ras-functiën ontwikkeld zijn en dat zij samen werken. Het natuurlijk verbond van gemeenschappelijke inspanning en gemeenschappelijke ontspanning is de beste bron voor vriendschap. Alleen door een aantal menschen in een zelfde vertrek bijeen te brengen, om de kubieke ruimte, als het ware, met hunne lichamen te vullen, daardoor brengt men hunne zielen niet tot elkander. Onze tegenwoordige vereenigingswijze, in het bijzonder die der vrouwen, is zeer onvoldoende. Zij kleeden zich en brengen elkaar een kort bezoek. Dit kort bezoek wordt evenzoo beantwoord. Of zij zetten veel voedsel gereed en verzoeken veel menschen om het te komen opeten; of een danspartij, muziek of voordracht is het lokmiddel voor hun bijeenkomst. Maar zulke menschen ontmoeten elkander niet werkelijk. Zij doorleven op deze wijze heele leeftijden, zonder ooit kennis met elkaar gemaakt te hebben. Wij dorsten thans naar een voller en eerlijker maatschappelijken omgang, maar onze samenleving verschaft [263]ons thans de middelen nog niet om dien dorst te lesschen.

Mannen hebben onderling in deze behoefte ruimschoots voorzien; maar tusschen vrouwen onderling of tusschen mannen en vrouwen bestaat nog geen vrije omgang. Mannen ontmoeten elkaar vrij bij hun werk, terwijl vrouwen alleen werken. Maar het verschil komt nog sterker uit bij hun spelen. “Meisjes hebben nooit eenige pret”, zeggen de jongens verwijtend, en zij hebben gelijk. De pret die de meisjes hebben, moet, evenals haar boterham, langs de geslachts-lijn komen. Mannen moeten haar het vermaak verschaffen, evenals zij haar al het overige verschaffen, De mannen hebben de wereld gevuld met spelen en sport, van de edele worstelperken der Olympische spelen tot de geest en lichaam versterkende sport van heden; goede, slechte en onbeteekenende sport. Door alle eeuwen heen hebben de mannen gespeeld en de vrouwen toegezien, als zij daartoe ten minste uitgenoodigd waren. Zelfs de prettige bezigheid om mannen te zien spelen was haar ontzegd, tenzij zij door de deelnemers daarvoor gevraagd werden. De “koningin van het bal” blijft een muurbloempje, totdat zij door den koning ten dans gevraagd wordt.

Zelfs thans, nu vele gymnastische spelen voor vrouwen open staan, nu zij zich kunnen oefenen in tennis en golfspel en al de overige vermaken, zijn de kansen om te spelen voor beide seksen toch nog niet gelijk. Een goeden speelmakker te wenschen, is niet hetzelfde als het gezelschap van de andere sekse te begeeren, en toch hangt de vervulling van den wensch van een meisje om een goede tegenpartij bij haar spel te hebben, sterk af van haar macht tot geslachts-aantrekking; dit is een andere van de vele betreurenswaardige uitingen dier macht. De wensch om elkander te ontmoeten, wordt door ons uitgelegd als: ”hij” wenscht [264]haar” te zien, of ”zij” wenscht ”hem” te zien. De ontspanning en het pleizier van de menschen is zoo verward met de geslachts-afhankelijkheid der vrouwen van mannen, dat vrouwen gedwongen worden naar “hofmakerij” te streven, als zij in waarheid niets anders wenschen dan zich te amuseeren; en zoolang wij de vereeniging der geslachten in die richting dringen, houden wij een heilzamer samenkomen tegen.

Zelfs onze kleine kinderen worden bij hun spel zorgvuldig geoefend het geslacht te doen uitkomen; en op verschil in gedrag van jongens en meisjes wordt sterk en aanhoudend aangedrongen, nog voor dat een van hen aan het bestaan van zulk een verschil denkt. Wanneer meisjes en jongens samen spelen, worden zij zoo door anderen geplaagd en moeten zij zooveel aanmerkingen hooren, dat dit alleen reeds elken gezonden vriendschapsband tegenhoudt en aanleiding geeft tot een vroegtijdig geslachts-bewustzijn. Jonge mannen en jonge vrouwen wordt toegestaan meer of minder vrij samen te komen, maar altijd op een strenge geslachts-basis, want vriendschap tusschen mannen en vrouwen wordt als iets belachelijks aangemerkt. Iedere gezonde jongen en ieder meisje neemt dit kwalijk en tracht een vrije, natuurlijke verhouding te vormen; maar de maatschappelijke druk hiervan is moeilijk te dragen. Zij mag zooveel “beaux” hebben, als zij omarmen kan; hij mag aan zooveel meisjes als hij wil “attenties bewijzen”, maar op die wijze alleen mogen zij elkaar ontmoeten.

Het staken van alle vriendschapsbezoeken zoodra een van beide partijen verloofd is, bewijst den aard van dien band. Wanneer hij eenmaal een keuze voor een huwelijk gedaan heeft, waarom zou hij dan nog andere meisjes bezoeken? Wanneer zij eenmaal den man [265]gevonden heeft die haar wil trouwen, waarom zou zij dan nog met andere mannen omgaan? Die “bezoeken” en die “omgang” waren alleen maar onderzoekende voorbereidingen voor een mogelijk huwelijk. En na het huwelijk wordt verondersteld dat de vrouw geen anderen man dan haar echtgenoot wenscht te zien en de echtgenoot geen andere vrouw dan de zijne. In sommige landen keert men deze regeling om, door meer maatschappelijke vrijheid aan gehuwde lieden toe te staan, maar die gewoonte gaat vergezeld van een totaal gemis aan vrijheid vóór het huwelijk, waaruit zoowel in het huwelijksleven als in het maatschappelijk leven zeer twijfelachtige resultaten verkregen worden. In de hooger maatschappelijke kringen heeft altijd na het huwelijk meer vrijheid van socialen omgang tusschen de beide geslachten bestaan; maar in het algemeen van Amerika gesproken, na de periode van de bezoeken vóór het huwelijk vinden er zeer weinig natuurlijke en ernstige kennismakingen tusschen mannen en vrouwen plaats.

Zelfs de vriendschap welke tusschen man en vrouw kan bestaan hebben vóór het huwelijk, wordt dikwijls in het huwelijk met zijne economische verwikkelingen spoedig verwoest. Zij hebben dan geen tijd meer om over vraagstukken te spreken zooals vóór hun huwelijk; zij zijn te veel bij elkander en stellen te diep belang in de technische en financieele zaken, hun nieuwe huishouding betreffende. Dit werkt de ontwikkeling van hooger en reiner verhoudingen tusschen mannen en vrouwen bestendig tegen en leidt er toe, hen op denzelfden primitieven voet van geslachts-vereeniging te houden.

Een jong man gaat naar een stad om te leven en te werken. Hij heeft even goed behoefte aan het gezelschap van vrouwen als van mannen. Voorheen had hij zijn [266]moeder, zijne zusters en hare vriendinnen, zijne schoolkameraden. Nu moet hij onze onvrije sociale toestanden onder de oogen zien. Hij mag twee soorten van vrouwen bezoeken, degenen die wij “goed” noemen en degenen die wij “slecht” noemen. (Deze indeeling berust slechts op één zedelijke eigenschap en dat is een geslachts-eigenschap). Natuurlijk verkiest hij de goeden. De goeden zijn weder verdeeld in twee soorten, gehuwden en ongehuwden. Indien hij een gehuwde vrouw dikwijls bezoekt, wordt er aanmerking op gemaakt; dit vindt hij onpleizierig en laat het daarom na. Bezoekt hij een ongehuwde vrouw dikwijls, dan wordt er ook aanmerking op gemaakt; hij wordt dan beschouwd “bedoelingen” te hebben. De beste middenweg is een aantal ongehuwde vrouwen te bezoeken en de attenties zoo omzichtig te verdeelen, dat niemand ze zich persoonlijk kan aantrekken.

Nu treedt hij in de eerste phase van onze sexueel-economische verhouding: hij kan zelfs geen meisje vrijelijk bezoeken of het kost hem geld. Het meisje enkel in den familiekring te ontmoeten kan toch moeilijk verondersteld worden als door een der beide partijen gewenscht. Men ontmoet niet een half dozijn menschen van verschillenden leeftijd en van beide seksen zooals men een vriend alleen ontmoet. Te trachten haar alleen te zien, wordt als een “bedoeling” beschouwd. “Haar mede uit te nemen”, kost geld en hij betaalt het graag. Maar hij kan dit niet te dikwijls doen, of hij wordt beschouwd “ernstige bedoelingen” te hebben, en elke stap van de verdere kennismaking wordt uit een sexueel oogpunt beschouwd en gekritiseerd.

Er bestaat geen natuurlijk, eenvoudig middelpunt van maatschappelijk verkeer tusschen mannen en vrouwen. De jonge man zal weldra ontdekken dat zijne bekendheid [267]met vrouwen zeer hoog in zijn zakboekje genoteerd staat. Het geld dat hij voor het huwelijk zou kunnen bewaren, wordt nu voor deze verschillende voorbereidingen gebruikt. Wanneer hij ziet waarvan de vrouwen houden en hoeveel het kost ze te bevredigen, dan wijkt zijn hoop op een huwelijk al verder en verder naar den achtergrond. De periode waarin hij als individu moet leven duurt langer en hij gewent zich aan oppervlakkige kennismaking met veel vrouwen, hij leert haar van de meest onbeteekenende zijde kennen, zonder gelegenheid te hebben tot het vormen van een oprecht verbond en ware vriendschap. Is het dan te verwonderen dat de andere soort vrouwen, die ook geld kosten, dat is waar, maar die geen voortdurende verplichting medebrengen, zulk een bestendige factor in ons sociaal leven zijn geworden? De sexueel-economische verhouding bevordert de ondeugd op meer dan één wijze.

De economische onafhankelijkheid der vrouw zal al deze omstandigheden veranderen even natuurlijk en onvermijdelijk als haar afhankelijkheid ze ingevoerd heeft. Door zich te wijden aan een of anderen tak van nijverheid zal zij meer persoonlijkheid en minder sexualiteit ontwikkelen, en hierdoor zal de druk op de geslachts-verhouding verminderen, zoowel in mannen als in vrouwen. De nieuwe levenswijze en het nieuwe karakter dat er aan gegeven wordt, zal in ons maatschappelijk verkeer de vereeniging van menschen ten volle tot ontwikkeling brengen. Wanneer de eigen woning inderdaad een privaat leven mogelijk maakt en niet langer de maatschappelijke en industrieele horizon der vrouw is; wanneer de werkplaatsen overal—het gebied der vrouw zoowel als van den man,—huiselijk en gezellig worden door haar invloed; en wanneer mannen en vrouwen zich gezamenlijk vrij bewegen bij de uitoefening [268]der gemeenschappelijke rasfunctiën,—dan zal de stroom van het menschelijk leven door nieuwe kanalen gaan.

Dan zullen de vrouwen zich niet meer hoofdzakelijk bewegen van de geïsoleerde woning naar den geïsoleerden winkel en terug, in een wereld die uit elkander gerukt en in tweespalt gebracht wordt door de zelfzuchtige voortbrenging van het eene geslacht en het zelfzuchtig verbruik van het andere; dan zullen wij leven in een wereld van mannen en vrouwen, die even goed menschelijk als geslachtelijk vereenigd zijn, en die tezamen voor het algemeen welzijn werken, wat hun ware bestemming is. De woning zal dan niet langer een economische éénheid zijn, waar de vervelende huishoudelijke werkzaamheden heel gemeen gauw aan toegevoegd zijn, maar zij zal een vredige uitdrukking zijn van persoonlijk leven, wanneer dat zich uit de maatschappelijke omgeving terugtrekt; en voor aanraking met de maatschappij zal gezorgd worden door de vele plaatsen van samenkomst, die door de organisatie der huiselijke werkzaamheden noodig geworden zijn.

De vereenigings-kamer is inderdaad een even groote behoefte voor het menschelijk leven als de afzonderingskamer,—geen balzaal of theater, waar men voor een bepaald doel moet uitgenoodigd worden, maar groote gemeenschappelijke leesmusea en conversatie-kamers, bad-inrichtingen en gymnastiek-zalen, werk- en speelkamers, waarin beide geslachten op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel toegang hebben, en waar zij vrij kunnen bijeen komen om uiting te geven aan algemeen menschelijke gevoelens. De soort gebouwen, door de organisatie der huiselijke werkzaamheden ontstaan, zullen ook voor deze plaatsen moeten zorgen. Zij zullen afzonderlijke kamers voor individuen en afzonderlijke [269]woningen voor gezinnen moeten bevatten, doch de gemeenschappelijke zaal, de kamer voor allen, mag er evenmin ontbreken. Zij behooren een plaats voor de kinderen te hebben, ontworpen en bedoeld als prettige speelplaats van veel kinderen voor veel jaren, een woning zooals kinderen tot nu toe nooit gehad hebben. Eveneens moeten er gezelschapskamers voor jonge en oude menschen zijn, waarin men even natuurlijk bijeenkomt alsof men in zijn eigen kamer gaat, zonder moeite, navraag of aanmerking.

Zulk een inrichting zou een vrije vereeniging, op gemeenschappelijk belang gebaseerd, onder ons mogelijk maken, en door de natuurlijke en gemakkelijke samenvloeiing zouden wij veel hooger eigenschappen ontwikkelen, dan nu met de inspanning om in onze tegenwoordige kringen elkander zonder bepaald doel te bezoeken, mogelijk is. Het zou voor de vrouwen veel gemakkelijker worden den rechten man te kiezen. Zij zouden de mannen in hun dagelijksche werkzaamheden en ontspanning kunnen gadeslaan en leeren kennen, waartoe zij nu ten eenenmale de gelegenheid missen. De koopkracht van den man, welke hem nu den gemakkelijksten weg verschaft om aan zijn geslachts-lust te voldoen, zou dan hierop zonder invloed zijn. De vrouw, ontwikkeld door een vrij en nuttig leven, helder van hoofd en open van oog,—een vrouw nog, maar een zelfstandig wezen tevens,—die als meisje opgevoed werd tot economische onafhankelijkheid en vrij mocht omgaan met jonge mannen in gemeenschappelijk spel en werk, zal geleerd hebben edele mannen naar waarde te schatten.

De jonge man, wetende dat hij zijne tekortkomingen niet langer met een gekleede jas kan bedekken en dat hij niet meer alles mag doen eenvoudig op boete van [270]er voor te betalen, die eigenlijk ook niet veel kwaad meer kan doen, omdat de vroegere gelegenheid en aansporing ontbreken, zal, voortdurend bijgestaan en bezield door den vriendschappelijken omgang met eerlijke en ernstige vrouwen, met al de kracht die de natuur hem biedt zich kunnen verheffen, in plaats van, zooals nu, steeds met geweld naar omlaag gerukt worden.

Wanneer de druk van ons over-ontwikkeld geslachts-instinkt uit de wereld verwijderd is, kan en zal de man, rein en sterk geboren uit edelhartige, edeldenkende en edelgebouwde moeders, groot gebracht met de uitgebreide kennis van de nieuwe opvatting van het moederschap, en dagelijks in vrijen omgang levende met de beste vrouwen, een geheel nieuw karakter aannemen. Wat dit het ras aan macht en vrede en geluk zal aanbrengen kan niemand voorspellen. Maar dit zien wij nu reeds:—dat wij bezig zijn aan onze eens zoo nuttige sexueel-economische verhouding te ontgroeien; dat deze verhouding thans vele slechte gevolgen heeft en dat hare verwisseling met economische vrijheid der vrouw nieuwe krachten in de wereld zal brengen, die door hare natuurlijke werking de deugden, waarnaar wij reeds zoo lang gestreefd en verlangd hebben, in ons ontwikkelen zullen.

Deze verandering wordt niet voorspeld en wij kunnen er ook niet voor pleiten. Zij is reeds in wording en met bewonderenswaardige snelheid wint zij elk jaar meer en meer veld. Vrouwen noch mannen wenschen de verandering. Vrouwen noch mannen hebben haar gezocht. Maar dezelfde groote kracht van sociale evolutie, welke ons in de oude verhouding bracht,—tot groot verdriet en ellende,—is bezig ons er uit te brengen, eveneens met droefheid en smart. De tijd is daar, waarin het voor de wereld beter is dat vrouwen [271]economisch onafhankelijk zijn en daarom beginnen zij het te worden.

Onderwijl loont het de moeite, den toestand ten volle en eerlijk onder de oogen te zien, opdat wij weten wat met ons gebeurt en opdat wij de gelukkigste verandering in menschelijke omstandigheden, die ooit door de wereld aanschouwd werd, met vreugde kunnen begroeten. De helft der menschheid uit een gekunstelde positie te bevrijden; sterke natuurkrachten uit haar gespannen en pijnlijken toestand te verlossen en ze vrij te maken om ongehinderd te kunnen werken, wat ook haar bestemming was; toestanden in het leven te roepen, die de menschheid innerlijk zal veranderen door een beter moederschap en vaderschap, een beter jeugd en zuigelingsperiode, beter voedsel, beter woningen, beter maatschappelijken omgang,—beteekent: verbetering der menschheid langs natuurlijke banen. Zij zal daarom grooten vooruitgang van het ras en wel met groote snelheid ten gevolge hebben, omdat deze verandering niet behoeft te wachten tot er nieuwe krachten geschapen worden, maar omdat zij eenvoudig krachten vrijmaakt, die reeds machtig en sterk zijn, en de menschheid dus kan opvliegen als een losgelaten springveer. En het gebeurt reeds. Alles wat wij nog te doen hebben is te begrijpen en te helpen. [272]

XV

Nu wij weten hoe nauw ons geestelijk bestaan verband houdt met onze uiterlijke omstandigheden, hoe het zedelijk gevoel en het gedrag van den mensch gewijzigd worden door de omgeving, moeten wij natuurlijk uitzien naar kenmerkende gevolgen in de geestelijke ontwikkeling, voortspruitende uit een zoo belangrijke omstandigheid als onze sexueel-economische verhouding.

Voortdurend is opgemerkt dat de verhouding der geslachten, in welken vorm ook, op den zedelijken aard van het menschdom van sterken invloed was, en dat is één der redenen, waarom in dit boek zulk een groote nadruk is gelegd op de bijzondere zedelijke kracht dier verhouding. In het dagelijksch leven beteekent het woord “zedelijk”, “kuisch” en wanneer men van vrouwen spreekt heeft het woord “deugd” alleen beteekenis als deugd van kuischheid. Groote volksbegrippen zijn nimmer zonder grondslag. Zij zijn geworteld in diepzinnige waarheden, die beter gevoeld dan gezien worden en, hoe dom en onwaar zij ook in hun woordelijke vertolking zijn, in hun algemeene strekking kan men ze vertrouwen. Niet omdat de deugd van kuischheid voor het ras zooveel belangrijker is dan de deugd van trouw, de deugd van moed, de deugden van blijmoedigheid, hoffelijkheid, vriendelijkheid, maar omdat de geslachts-verhouding waarin wij leven zooveel invloed uitoefent op de verdere ontwikkeling en regeling van onzen geheelen zedelijken aard, daarom hechten wij er zooveel beteekenis aan. [273]

Wat wij zedelijk gevoel noemen, is een erkenning van de betrekkelijke belangrijkheid van zekere handelingen en hare gevolgen. Vaag en zwak kwam dit bij de vroegere wilden voor en het werd gedurende langen tijd hoofdzakelijk toegepast bij onduidelijk omschreven en willekeurig vastgestelde godsdienstige plechtigheden en ceremoniën. Maar de gewoonte om een gevoel van deugdzaamheid te verbinden met zekere handelingen door welke lof en voordeel werd ingeoogst, wortelde zich in de kinderlijke ziel en de reeks van zedelijke handelingen werd grooter. Sedert is die reeks steeds grooter, hooger en ingewikkelder geworden, met de andere maatschappelijke hoedanigheden zich uitbreidende.

Geen menschelijke eigenschap is meer absoluut maatschappelijk dan het zedelijk gevoel. Ethica is een sociale wetenschap. Er bestaat geen zedeleer voor het individu. Op zich zelf genomen is de mensch maar een dier; zijn gedrag staat dan alleen in betrekking tot zijn dierlijke behoeften,—zelf-behoud en ras-behoud. Elke deugd en de wil ze te erkennen en er naar te streven is een maatschappelijke hoedanigheid. De hoogste deugden zijn die waarmede wij op de beste wijze de meeste menschen dienen en haar ontwikkeling in ons houdt gelijken tred met de ontwikkeling der maatschappij. Door onze maatschappelijke verhouding worden onze deugden te voorschijn geroepen en blijven zij in stand.

Een eenvoudig voorbeeld hiervan vinden wij in het gemakkelijk tot wreedheid vervallen van iemand, die afgesneden is van zijn stamgenooten en gedwongen wordt in een woeste omgeving te leven. Zelfs een korte en gedeeltelijke verandering van toestand wijzigt dikwijls op eens het gedrag, wat men bij de vroomste Nieuw-Engelanders heeft kunnen opmerken toen zij tijdelijk in de mijnwerken vertoefden. Het blijkt ook uit het [274]verschil van deugd bij de verschillende klassen van menschen en in de verschillende takken van nijverheid.

Elke sociale verhouding heeft haar eigen zedewetten; en de algemeene behoeften der maatschappij, als een geheel, vormen de grondslagen der zedeleer. Dit kan voor iedere eeuw en voor elk ras nagegaan worden en steeds zal men een duidelijk verband vinden tusschen de deugden en ondeugden van een gegeven volk en zijne plaatselijke toestanden. De economische omgeving beheerscht hoofdzakelijk de ontwikkeling der zedewetten. Voor iemand die gewend is de zedewetten te beschouwen als niet van deze wereld afkomstig en die ziet hoe dikwijls deugdzaamheid den bezitter duur te staan komt, kan dit vreemd schijnen. Het zedelijk gedrag van een gegeven aantal menschen hangt ten eerste van het bestaan van deze menschen af. Een gedrag dat er toe zou leiden om hen uit te roeien, zoude eveneens hunne zedewetten uitroeien. Een gedrag dat hen doet in stand blijven en toenemen, is het eenige gedrag waarvan de zedelijke waarde kan worden vastgesteld. Daarom wordt de zedeleer absoluut beheerscht door het leven en de handhaving daarvan. Van het laagste en meest bekrompen inzicht dat een handeling goed of slecht noemt naar gelang van haren onmiddellijken invloed op iemands tegenwoordig leven, tot het helder vooruitzien van latere gevolgen dat een gedrag goed of slecht noemt naar gelang het van invloed is op iemands leven hiernamaals, wordt onze zedeleer, de wetenschap van het menschelijk gedrag, alleen beoordeeld naar zijne gevolgen.

Daarom vinden wij onvermijdelijk bij alle rassen die handelingen waardoor menschen leven, als goed aangemerkt en wij zien hooge goedkeuring geschonken aan hem, die het best die handelingen volbrengt. In de jacht- en vischperiode werd de beste jager en de beste [275]visscher ook als de beste man, door zijn stam geprezen en geëerd. Men kweekte die deugden aan, die den bezitter in staat stelden met het meeste succes te jagen en te dooden, niet alleen om zelf te kunnen leven, maar ook om een vertrouwde hulp te zijn voor zijn vrienden. Barbaarsche deugden waren enkel de terugkaatsing van barbaarsche toestanden. Geduld en zelfbedwang te bezitten, was voor den jager een economische behoefte; pijn en langdurige inspanning gemakkelijk te dragen, was voor den krijger een noodzakelijkheid. Daarom werden deze deugden, door voorbeeld en voorschrift, bij de wilden aangekweekt.

In de lange landbouw- en militaire tijdperken geschiedde hetzelfde. Arbeidzaamheid en geduld werden als deugden in de boeren geprezen, want het vereischt ijver en geduld om koren te oogsten. De deugden van moed en gehoorzaamheid werden in den soldaat hoog verheven, en iedereen moest de deugd van geloof bezitten omdat die een eerste vereischte was voor het bestaan van den godsdienst. En er werd een groote mate van geloof vereischt om den godsdienst van die tijden aan te nemen. De deugd van geloof verminderde in belangrijkheid, zoodra de godsdienst verstandiger en toepasselijk op het leven werd. Het vereischt geen inspanning om te gelooven wat men kan begrijpen en begrijpt. Langzamerhand ontstond het nijverheids-tijdperk en ontwikkelde zich dit van de zwakke, sporadische pogingen van den nederigen marskramer en handwerksman,—het slachtoffer van de overheerschende klasse van militairen—tot onze hedendaagsche kolossale industrieele organisatie, waarin de soldaat onbarmhartig geëxploiteerd wordt voor het een of ander financieel belang. Met deze verandering in economische omstandigheden werd ook de schaal der deugden veranderd. [276]

Lichamelijke moed verminderde in waarde; gehoorzaamheid, geduld, geloof en de rest staan niet meer zoo hoog aangeschreven als vroeger. Evenals altijd prijzen en waardeeren wij heden de deugden waardoor wij leven. Elk dier ontwikkelt de deugden passend voor zijn omstandigheden; het kenmerkend verschil voor den mensch ligt hierin dat hij de macht van het bewust begrip en de persoonlijke wilskracht bij de werking der natuurkracht voegt. Niet alleen voor ons eigen ras, maar ook voor andere rassen noemen wij die hoedanigheden “goed” en “slecht,” naarmate zij ons tot voordeel strekken; en de beesten die wij grootbrengen en gebruiken, ontwikkelen noodzakelijkerwijze de eigenschappen die hun in hun nieuwen toestand het meest tot nut strekken, zooals bijv. onze welbekende vriend, de hond.

De hond is een dier dat sedert lang van zijne natuurlijke onderhoudsmiddelen is afgesneden en voor zijn voedsel geheel afhankelijk is van den mensch. Als een vrije, wilde hond, was hij onverschrokken, moedig, wreed. Als een tamme, slaafsche hond, bezit hij lage onderworpenheid, kruipende willoosheid; hij klaagt wanneer hij een trap krijgt en likt den voet die hem kastijdt. Wij hebben den oorspronkelijken hond geheel herschapen en zijn zedelijke aard, zijn geest, toont de verandering meer dan zijn lichaam. De kracht waardoor dit tot stand werd gebracht is een economische,—de bron van voedsel en de wijze om het te bemachtigen werden veranderd.

Laat ons eens de kenmerkende deugden der menschheid in het kort nagaan, haar wijze van ontstaan en ontwikkeling onderzoeken en zien hoe die ééne bijzondere verhouding, de sexueel-economische, er op geïnfluenceerd heeft. [277]

Het voornaamste kenmerk van menschelijke deugdzaamheid ligt in, wat wij ruwweg als altruisme beschrijven,—“zelfopoffering.” Elkander lief te hebben en te dienen, voor elkander zorg te dragen, voor en met elkander te voelen,—het bijvoegelijk naamwoord van ons ras, “menschelijk”, sluit deze eigenschappen in. Het eigenlijk bestaan der menschheid maakt deze hoedanigheid tot zekere hoogte noodzakelijk en de ontwikkeling der menschheid gaat met hare ontwikkeling hand aan hand.

Wanneer wij deze dingen bestudeeren, dan maken wij gewoonlijk de fout, de noodzakelijkheid van zulke zedelijke hoedanigheden in het menschelijk leven niet genoeg te waardeeren. Wij hebben gemeend dat het in toepassing brengen van deze maatschappelijke deugden persoonlijke inspanning en opoffering kost, en dat er een eeuwigdurende strijd bestaat tusschen de cosmische ontwikkelingsprocessen en de ethische processen, zooals Huxley het voorstelt. De sociale evolutie brengt evenwel de essentieele hoedanigheden van de sociale verhouding mede, en dat zijn dan onze deugden, waarop wij zoo trotsch zijn. De natuurlijke veranderingen in het onderling verkeer en de onderlinge verhouding der menschen ontwikkelden van zelf de hoedanigheden, zonder welke dat verkeer en die verhouding niet mogelijk waren; en deze ontwikkeling verliep even geregeld, even natuurlijk, even “cosmisch”, als de organische werkzaamheden in het menschelijk lichaam. Het is even natuurlijk voor een industrieele maatschappij om in vrede, als voor een jagersvolk om in oorlog te leven. Die vrede is geen gevolg van heldhaftige en zelfopofferende inspanning van de leden der industrieele maatschappij; het is niets anders dan een noodzakelijke voorwaarde voor hun bestaan. [278]

In het ontwikkelingsverloop der menschelijke zeden wordt een trapsgewijze uitbreiding van ons begrip van algemeen “goed” en “kwaad” opgemerkt, in tegenstelling met ons oorspronkelijk begrip van individueel “goed” en “kwaad.” Dit komt bij de personen die zich geheel aan de maatschappij wijden zeer sterk uit, zooals bij de groote staatkundigen, patriotten en philanthropen. Ieder van deze woorden toont in zijne samenstelling reeds dat de beschreven hoedanigheid van socialen aard is,—de staatsman denkt en werkt voor den staat; de patriot heeft zijn land lief en werkt er voor, de philanthroop handelt uit liefde voor de menschheid. Deze eigenschappen zijn allen van het begin tot het einde een bloote erkenning van het gelijk recht van den naaste, rechtvaardigheid en hoffelijkheid voor allen; zij zijn slechts het natuurlijk product der maatschappelijke omstandigheden, welke door de noodzakelijkheid om in de economische behoeften te voorzien op het individu inwerken. Het individu dat economisch absoluut alleen staat evenals het beest, wordt door zuiver egoisme bevoordeeld, en ontwikkelt dat.

Onze deugden kunnen allen op deze wijze opgespoord en verklaard worden. De groote voorname stam van alle deugden, welke wij “liefde” noemen, is niets anders dan de eerste voorwaarde voor ons maatschappelijk bestaan. Het is cohaesie, waardoor de afzonderlijke deelen der maatschappij saamgehouden worden. Indien er niet een of andere aantrekking tusschen ons bestond, dan zouden wij niet in staat zijn om samen te blijven; en deze aantrekking die door ons bewustzijn wordt waargenomen, noemen wij liefde. De deugd van gehoorzaamheid bestaat in de overgave van den eigen wil, wat dikwijls noodzakelijk is voor het algemeen welzijn; en zij staat daarom bij militairen zoo hoog aangeschreven, omdat [279]bij hen dikwijls een groot aantal mannen te zamen moet handelen ten dienste der gemeenschap tegen hun persoonlijk belang, zelfs met opoffering van hun leven.

Toen wij ons tot een voller maatschappelijk leven ontwikkelden, ontdekten wij langzaam en zoekend, na vele droevige en kostbare ervaringen, welk soort van mensch de beste maatschappelijke factor was. Het type van een goed lid der hedendaagsche maatschappij is een zich zelf beheerschend, vriendelijk, beschaafd, sterk, verstandig, dapper, hoffelijk, opgeruimd, waar mensch. In de Middeleeuwen zoude sterk, moedig en waar, aan de eischen van dien tijd voldaan hebben. Wij eischen nu voor ons algemeen welzijn een grooter reeks van hoedanigheden, een meer doorwrochte zedelijke organisatie. Dit alles geschiedt op eenvoudige, evolutionaire wijze in het maatschappelijk leven, en moest niet meer verwarring, inspanning en smart veroorzaken dan eenig ander natuurlijk proces.

De zedelijke ontwikkeling der menschheid was echter een zeer verward en ingewikkeld proces. Enkele deugden hebben wij in geregelden vorm ontwikkeld, nauwelijks bemerkende dat het deugden waren, omdat zij zoo gemakkelijk in gebruik kwamen. Nauwkeurigheid en stiptheid zijn deugden die de wilden niet kenden, omdat zij ze voor hunne bezigheden niet noodig hadden. Wij hebben ze ontwikkeld, omdat zij vereischt werden en zoo werden zij door den druk der economische behoeften langzamerhand aangenomen. Gehoorzaamheid, zelfs in haren uitersten vorm van zelfopoffering, werd den soldaat geleerd; toch bestaat er geen hoedanigheid die altruistischer en onnatuurlijker is, of moeilijker valt aan te nemen voor den krachtigen individueelen wil. De gewone, wet-eerbiedigende burger beschouwt zich zelf niet als een held; toch openbaart hij een hooge mate [280]van maatschappelijke deugdzaamheid, dikwijls een groote zelfopoffering.

Maar in andere deugden zijn wij niet zoo geleidelijk vooruitgegaan. In de gewone economische levensverhoudingen en in de geslachtsverhoudingen onderscheiden wij ons door bijzondere en schadelijke hoedanigheden. Wij bezitten nog onuitgeroeide hoedanigheden, welke wij op grond van het maatschappelijk welzijn reeds lang afgelegd moesten hebben en waardoor nu onophoudelijk strijd ontstaat tusschen deze rudimentaire overblijfsels en onzen normalen groei. Dit is het waardoor ons geweten sedert zijn ontwaken onophoudelijk wordt geplaagd en wat wij “den strijd tusschen goed en kwaad” noemen. Wij hebben het rukken van die verschillende neigingen innerlijk gevoeld,—den drang om te doen wat onmiddellijk goed voor ons zelf is, maar wat ons toenemend sociaal gevoel ons als nadeelig voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom slecht is; en den drang om te doen wat onmiddellijk slecht voor ons zelf kon zijn, maar hetzelfde sociale gevoel ons als goed voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom als goed moet worden aangemerkt. Dit voelden wij, en zochten in onzen geest naar een verklaring van ons gedrag, omdat wij wisten dat het vreemd was. Het menschelijk verstand wil een verklaring hebben, indien het er een zoekt. Wij maakten er een.

De achtergebleven impulsiën van het individueele dier,—goed voor hem, omdat hij ze noodig had, maar slecht voor ons, omdat wij begonnen mensch te worden en andere behoeften kregen,—pakten wij tot één hoop samen, en met onze gemakkelijke, dramatische, personifieerende neiging noemden wij dien “den duivel.” En aangezien deze slechte ingevingen gewoonlijk aandriften [281]van physischen aard waren, beschouwden wij onze lichamen, en onzen aard in het algemeen, als deel van het kwade,—“de wereld, het vleesch en de duivel.” Wij voelden evenwel ook in ons een krachtige beroering van nieuwe machten en vreemde neigingen, die onze zelfzucht tot zwijgen brachten en ons voor anderen deden gevoelen; nieuwe liefde, hoop en wenschen, nieuwe verlangens om te geven in plaats van te nemen, te dienen in plaats van te strijden; en met echt maatschappelijk instinkt begrijpende dat deze aandriften ons ten goede zouden leiden, ons tot voordeel zouden strekken, noemden wij ze den wil van God, de stem van God, den weg tot God. De tweespalt tusschen deze slechte impulsiën en neigingen, en onze toenemende macht om zelfbewust en naar willekeur te handelen, veroorzaakte bij onze geestelijke ontwikkeling den strijd tusschen goed en kwaad.

En vaag en onbestemd naar de bronnen van onze smart zoekende, voor zoover wij ze konden nasporen, en even als altijd personen in plaats van toestanden beoordeelend,—zooals een kind de tafel slaat als het zijn hoofdje stoot,—hebben wij, ras na ras, de vrouw als oorzaak van alle ellende beschouwd. Niet dat zij aanvankelijk het kwaad zou hebben uitgedacht,—de vage duivel was de verwijderde oorzaak,—maar de vrouw zou het over ons hebben gebracht. Pandora maakte de onheils-doos niet; maar koppig als zij was opende zij haar, niettegenstaande den wijzen raad van haar man. Eva plantte den appelboom niet; maar zij at van de vruchten en verleidde haar superieuren man. Het lijkt een kinderachtige en domme redeneering, maar er zit toch iets in. Ik bedoel niet de ergerlijke blaam en schande die de mannen, gedurende al deze eeuwen op hunne moeders geworpen hebben, [282]maar de sociologische waarheid die er in schuilt.

Niet de vrouw, maar de toestand der vrouw is altijd de oorzaak van het kwade geweest. De sexueel-economische verhouding heeft haar bij de maatschappelijke werkzaamheden buiten gesloten, waardoor en waardoor ook alleen de maatschappelijke deugden tot ontwikkeling kunnen komen. Zij mocht de hoedanigheden voor onzen ras-vooruitgang noodig niet verwerven; en in haar in ontwikkeling achtergebleven toestand heeft zij de deugden en de ondeugden behouden uit die ontwikkelingsperiode, waarin zij aan banden gelegd werd. In een periode van geïsoleerde economische werkzaamheden,—enkel dierlijk individualisme,—in een periode waarin maatschappelijke banden niet verder reikten dan tusschen bloedverwanten, werd de vrouw van de aanraking met de maatschappij afgesneden en bestemd voor de functioneele werkzaamheden van haar geslacht.

Door haar op dezen primitieven grondslag van het economisch leven te houden, hebben wij de halve menschheid aan het uitgangspunt vastgebonden en de andere helft laten voortrennen. Wij hebben één soort van hoedanigheden in de eene helft van ons ras geoefend en aangekweekt, en een ander soort in de andere helft. En dan verwonderen wij ons over de tegenstrijdigheden in de menschelijke natuur. Bijvoorbeeld, wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten om mannen moedig te maken. Wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten, om vrouwen lafhartig te maken. En aangezien ieder menschelijk wezen uit man en vrouw geboren is, is het niet zoo verbazend vreemd dat wij een beetje van gemengden aard zijn.

Wij hebben in de mannen de groote hoedanigheden aangekweekt die tot nut der maatschappij strekken [283]en die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden; wij deden dit door te prijzen of te berispen, te beloonen of te straffen, en met de hulp van wet en gewoonte. Door dezelfde middelen hebben wij de vrouwen geoefend in de kleine hoedanigheden van persoonlijk nut, die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden. Wij hebben daardoor een wezen gevormd, dat niet homogeen is, welks leven gevoed wordt door twee hereditaire stroomen, zoo ongelijk en tegen elkaar indruischend, als men zich maar met mogelijkheid kan voorstellen. Wij hebben een ras van geestelijke hybriden voortgebracht, en de geestelijke eigenschappen der hybriden zijn maar al te goed bekend.

Teruggaande naar dat vroege begin, hebben wij, door de economische omstandigheden van mannen en vrouwen te doen verschillen, hun geestelijke ontwikkeling doen verschillen en de lichaamsgesteldheid van het ras uit de tegenstrijdige elementen van deze uiteenloopende karakters opgebouwd. Het tegenstrijdig gedrag van dit gekruist product is het raadsel van het menschelijk leven. Door dit kunstmatig onderscheid tusschen de beide geslachten te laten voortduren, hebben wij het raadsel, dat wij zoo moeilijk vonden op te lossen, steeds behouden en in onze eigen karakters de verwarring en tegenstrijdigheid bewaard, die ons grootste bezwaar in het leven zijn.

Het grootste en meest radicale gevolg van het herstellen der economische onafhankelijkheid der vrouwen zal zijn, dat ten slotte de menschelijke geest helder wordt en kan harmonieeren. Met een homogene natuur, voortgekomen uit ouders van denzelfden graad van maatschappelijke ontwikkeling, zullen wij enkelvoudig kunnen voelen, helder zien, het eens zijn met ons zelf, [284]de dienaar en de meester van ons eigen leven zijn, in plaats van in zulk een hopelooze verwarring te worstelen met hetgeen wij genoemd hebben “den dualistischen aard van den mensch.” Laat een beschaafd man met een oorspronkelijke wilde paren, dan zal hun kind een tweeslachtigen aard hebben. Laat een Anglo-Sakser met een Afrikaner of Oosterling paren en hun kind zal van tweeslachtigen aard zijn. Laat een of ander man van een hoog ontwikkelde natie, vol van de hoog ontwikkelde werkzaamheden van zijn ras en de daarmede gepaard gaande zedelijke hoedanigheden, huwen met een zorgvuldig dom gehouden, onontwikkeld vrouwelijk wezen, dat liefderijk aan zijn zijde gekoesterd wordt, en men krijgt tot resultaat dat wij allen zoo goed kennen,—de menschelijke geest in zijn bedroevende, goedgemeende pogingen, zijn blinde dwalingen, zijn stuipen van hartstocht, en tusschen al dit wankelen door, zijn schoonen en onophoudelijken drang tot een hooger leven.

Wij zijn met dit resultaat volkomen bekend, maar tot dusver hebben wij de plaats nog niet bepaald waar de oorzaak gezeteld is. Wij hadden een flauw vermoeden dat de vrouw er iets mede te maken had; en men heeft haar, in vele eenvoudige rassen, dienovereenkomstig behandeld, tot haar verder nadeel en tot dat van alle menschen. Wij moeten echter inzien dat niet de vrouwen als een sekse verantwoordelijk zijn voor de slechte moeders in de wereld, maar dat de economische toestand van de vrouwen haar gemaakt heeft tot wat zij zijn. Indien de mannen in die omstandigheden geplaatst waren, zouden wij hetzelfde effect gekregen hebben. Niet de geslachts-verhouding, maar de economische verhouding van de geslachten heeft den draad van het menschelijk leven zoo verward. [285]

Behalve de essentieele gebreken van een natuur die niet in evenwicht is, werden door deze omstandigheden nog andere schadelijke hoedanigheden in de menschelijke karakters ontwikkeld. Gedurende ontelbare eeuwen hebben wij getracht, door teeltkeus en opvoeding, een angstige onderwerping in vrouwen te ontwikkelen. Wanneer er een “bij-de-handje” verscheen, dan bleef zij ongetrouwd, en dan verdween haar aard met haar, of zij werd door den een of ander Petruchio “getemd.” In haar afhankelijkheid van de persoonlijke gunst der mannen, hebben de vrouwen zich met buitengewone bekwaamheid aan haar bron van bestaan aangepast. Door de noodzakelijkheid van te moeten behagen, of zij het wenscht of niet, te moeten pleiten voor vergiffenis van haar kind, of te smeeken om genoegens voor zich zelf, heeft men “de gebreken van den slaaf” in deze dienstbode der wereld steeds behouden.

Een andere strijd door den toestand van dienstbaarheid ontstaan, is die tusschen willen en doen. Een dienstbare stelt zijn tijd en kracht ter beschikking van den wil van een ander. Hij moet steeds gereed zijn te doen wat hem wordt bevolen, en de natuurwet van krachtsbesparing, om niet te spreken van zijn eigen bewust oordeel, verbiedt hem zenuwkracht te verspillen met plannen te beramen en te ondernemen, die hij waarschijnlijk toch niet mag uitvoeren. Hierdoor ontstaat een toestand van luiheid, tenzij er gedwongen gewerkt wordt, maar tevens een onhandelbare, grillige onbuigzaamheid in kleine zaken,—als reactie van een gedwongen onderwerping.

Een gevaarlijker kracht, die meer de evolutie van het menschelijk karakter tegenhoudt, dan deze bestendige oefening van de gewoonten der dienstbaarheid in de helft der menschheid,—en de moeder van allen,—[286]is nauwelijks denkbaar. De gevolgen werden natuurlijk gewijzigd, door dat de mannen anders dan de vrouwen werden opgevoed en een andere omgeving hadden, waardoor in hen tegenovergestelde hoedanigheden tot ontwikkeling kwamen en deze vermengd op de kinderen werden overgebracht.

Erfelijkheid kent geen Salische wet. De jongen erft van zijn moeder evengoed als van zijn vader; het meisje van haar vader, evengoed als van haar moeder. Dit heeft de slechte resultaten, die ontstaan konden, ten deele tegengehouden, maar het heeft onze persoonlijke bezwaren vermeerderd en den algemeenen vooruitgang van het ras vertraagd.

Doch erger dan de gevolgen waren van de belemmering van den lichamelijken arbeid der vrouwen, was het gevolg van de beperking van haar macht om voor zich zelf te mogen denken en te handelen. Het uitgebreide gebruik van den menschelijken wil verkrijgt men alleen door vrij en willekeurig handelen. De vrouw werd in nog onontwikkelden toestand lichamelijke vrijheid, de grondslag van alle kennis, onthouden; haar werd geestelijke vrijheid, de weg tot verdere wijsheid, niet verleend; haar werd zedelijke vrijheid, om meesteres over haar eigen daden te zijn en door de genadige wet van consequentie te leeren wat goed en wat slecht was, geweigerd; en dientengevolge bleef zij ten achter in de hoogere opvatting der zeden.

Haar zedelijk gevoel is groot genoeg, ziekelijk groot zelfs, omdat zij in dit opzicht voor haar gedrag steeds gelaakt of geprezen werd. Haar fijngevoeligheid voor zedelijke handelingen werd zelfs in een broeikas gekweekt, maar het breede oordeel, waardoor alleen deze fijngevoeligheid bestuurd kan worden, bezit zij niet. Haar medewerking tot zedelijken vooruitgang heeft de wereld [287]slechts het wreede besef van zonde en schande gegeven; de wanhopige wensch om goed te doen en de vrees om kwaad te doen, doch niet de hulp van een praktisch verstand en een geregelden wil. De vrouwen zijn, door met elke generatie de opgehoopte krachten van onzen socialen aard te erven, en door in elke generatie ten gevolge van haar bekrompen leven weder achteruit te gaan, krachtige, zelfbewuste middelpunten van zedelijke impulsie geworden, doch tegelijkertijd slechte gidsen voor het gedrag, en deze kunnen toch alleen die impulsie van nut zijn en het karakter van het ras verbeteren.

Men heeft in latere jaren aangenomen dat de vrouw zedelijk hooger staat dan de man, omdat men in haar sterk het gevoel van kuischheid, de deugden van trouw, onderwerping en zelfopoffering,—eigenschappen die in de middeleeuwen tot de eerste deugden gerekend werden,—bewaard vond. Maar de onophoudelijke groei van het menschelijk leven, het sociale leven, heeft in den man nieuwe deugden ontwikkeld, die hooger en noodzakelijker waren; terwijl de zedelijke aard der vrouw, in het oorspronkelijk stadium van economische afhankelijkheid, een aanhoudende rem voor den vooruitgang van den menschelijken geest is. De voornaamste trek van haar leven,—beperking van haar plichten tot de liefde en hulp van haar naaste bloedverwanten—werkt op ons voortdurend als een rem, doordat zij den geest belet zich tot de sociale liefde en sociale diensten uit te breiden, waarvan ons bestaan afhankelijk is. Hierdoor worden wij op de zedelijke hoogte van het patriarchale tijdperk gehouden en worden onze oogen gesloten voor den vollen menschenplicht.

Een sterk zelfbewustzijn, gevolg van den voortdurenden [288]omgang met hetzelfde groepje menschen; een overdreven eigenbelang, gekweekt door aanhoudend aandacht te schenken en diensten te bewijzen aan die menschen; een koortsige, martelende, moreele fijngevoeligheid, zonder den breeden en helderen blik van een goed ontwikkeld zedelijkheidsbegrip; een gedwarsboomde wil, die dan eens dienst doet om zich gedwee over te geven, dan weder om listig iets te ontduiken of zich nutteloos te verzetten; een kinderlijk, weifelend, onbeteekenend oordeel, verkleind nog door aandoening; een veel te groote toewijding aan eigen bloedverwanten en een overdreven moederlijke hartstocht; zulke geestelijke hoedanigheden zijn de onvermijdelijke gevolgen van onze sexueel-economische verhouding.

Wij kunnen de slechte gevolgen hiervan niet alleen bij de vrouw en door haar bij het ras bespeuren. Ook de man, als heer en meester, heeft er in zijn positie onder geleden. De begeerte om macht uit te oefenen en te heerschen, aan de mannelijke leden van elke diersoort eigen, werd door deze goedkoope en gemakkelijke heerschappij veel te sterk gevoed. De heerschappij van den man is geen gevolg van zijn geschiktheid daarvoor, of omdat hij in eerlijken strijd “zijn waardigen tegenstander” met gunstigen uitslag verslagen heeft, maar zij berust alleen op het toeval der geboorte, en hij heerscht over zulke hulpelooze en inferieure onderdanen, die niet in opstand komen of er zich tegen verzetten. De gemakkelijke heerschappij, die geen inspanning vereischt om haar te handhaven; de verzoeking om tot wreedheid te vervallen, als gevolg van macht zonder verantwoordelijkheid; trots en eigenzinnigheid welke er steeds mede gepaard gaan,—deze hoedanigheden zijn door de sexueel-economische verhouding bij de mannen aangekweekt. [289]Toen de man zijn plaats moest handhaven door ruwe kracht, maakte dit hem ruwer: toen hij zijn plaats moest handhaven door koop, door de macht der economische behoeften, toen wendde hij deze macht zoo meedoogenloos aan, dat hij nog heden ten dage de kenmerken er van draagt.

Een ander reusachtig kwaad, door deze verhouding veroorzaakt, is de zelfzucht. Het maatschappelijk leven tracht dit gevoel, dat niets anders is dan een verachterd individualisme, te overwinnen, maar door de sexueel-economische verhouding wordt het gevoed. Een wezen te hebben dat zich geheel wijdt aan zijn directen persoonlijken dienst, en hem op alle mogelijke wijzen zoekt te behagen en te voldoen, dat heeft den man, meer dan voor ons stadium van maatschappelijke ontwikkeling past, zelfzuchtig gemaakt. Zelfs in onze gekunstelde voorname kringen zijn de mannen verdraagzamer en beleefder en vriendelijker buitenshuis dan tehuis. Trots, wreedheid en zelfzucht zijn de fouten van den meester; en deze fouten worden in den boezem van het gezin versterkt door de valsche positie der vrouw. En elke menschelijke ziel, in de jeugd licht voor indrukken vatbaar, leeft in nauwe aanraking met deze toestanden. Onze kinderen moesten door de zeden van een beschaafde, vrije, ijverige, democratische eeuw omringd zijn; maar zij worden geboren en opgevoed in de zedelijke atmospheer van het patriarchale tijdperk. Geen wonder dat het dan wat lang duurt eer wij in staat zijn van de groote gaven en voorrechten der democratie te kunnen genieten, de volle maatschappelijke waardigheid en maatschappelijken plicht te voelen, nu ieder onzer wordt groot gebracht in de vesting van oude en verouderde aandoeningen,—in het economisch verwante gezin. [290]

Zoo kunnen wij, als gevolg van de sexueel-economische verhouding der menschen, niet alleen bepaalde gebreken in hun geestelijke ontwikkeling opsporen, op verschillende wijze in mannen en vrouwen ontstaan doch gelijkelijk op de kinderen overgebracht, maar ook de aangeboren karaktervorming deugt niet, wegens de samenvoeging van twee zoo verschillend geestelijk gevormde menschen;—het menschelijk karakter is daardoor dikwijls van den aanvang af duister en verwrongen. Wij worden naar lichaam en geest benadeeld door te ongelijke trekken van de te zeer uiteenloopende karakters der ouders over te erven, maar het nadeel komt hier duidelijker aan het licht dan bij den zedelijken aard van het ras.

Toch kunnen wij ook hier, evenals met de andere slechte gevolgen wan de sexueel-economische verhouding, het bijkomende goede zien dat dezen toestand in zijn tijd noodzakelijk maakte, en wij kunnen met gemakkelijke zekerheid de schoone resultaten van onze tegenwoordige verandering volgen. Een gezond, normaal zedelijk gewoel, bevrijd van zijn overdrijvingen en tegenstrijdigheden, zal ons deel worden; en met een helder besef zullen wij ons de ethische processen niet langer voorstellen als iets dat boven- en tegennatuurlijk is, maar als de natuurlijkste zaak der wereld.

Terwijl wij ons nu inspannen en kwellen om onmogelijke deugden te erlangen, zullen wij dan gemakkelijk en als van zelf deze eigenschappen verwerven, zonder er zelfs over te denken dat dit iets bijzonder prijzenswaardigs is. Terwijl onze vooruitgang tot nu toe zoo belemmerd werd door den invloed van rudimentaire krachten uit vroegere levensperioden, zal hij dan effen en snel voorwaarts schrijden, zoodra [291]mannen en vrouwen in economische verhouding gelijk staan. Zoodra de moeder van het ras vrij zal zijn, zullen wij in een beter wereld leven, door het ongedwongen recht van geboorte en door de geleidelijke, langzame, vreedzame krachten der maatschappelijke evolutie.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Documentgeschiedenis

  1. 2009-04-07 Begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
13 ge-gelaten gelaten
120 volbengen volbrengen
153 beoordeeeld beoordeeld
155 en-dood-geboren en dood-geboren
178 gras vlakten grasvlakten
182 maar waar
189 gesusd gesust
189 ouder-vereereering ouder-vereering
207 duizende duizenden
220 hygienische hygiënische
221 , [Verwijderd]
221 familieden familieleden
224 duizende duizenden
224 beslommmeringen beslommeringen
236 vooronzen voor onzen
255 beroepmatig beroepsmatig
270 eveens eveneens