The Project Gutenberg eBook of Het Geheimzinnige Eiland

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het Geheimzinnige Eiland

Author: Jules Verne

Release date: September 11, 2007 [eBook #22580]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GEHEIMZINNIGE EILAND ***



[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

WONDERREIZEN.

HET GEHEIMZINNIGE EILAND.

DE VERLATENE.

Een luchtballon door een windhoos medegesleept.

AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY “ELSEVIER” 1915.

[1]
[Inhoud]

I.

De winter.—Bereiding van de wol.—De molen.—Een plan van Pencroff.—De baleinen.—Waartoe een albatros kan dienen.—De brandstof der toekomst.—Top en Jup.—Stormen.—Verwoesting onder het pluimgedierte.—Een uitstapje naar het moeras.—Cyrus Smith alleen.—Onderzoek van de put.

Met de maand Juni, die in de zuidpoolstreken gelijk staat met onze maand December, brak de winter aan en de voornaamste bezigheid was het vervaardigen van ferme, warme kleederen.

De muffeldieren van de kraal waren van hun wol ontdaan, en nu men deze kostelijke weefbare stof bezat, moest men ze nog slechts bereiden, om warmer kleederen te verkrijgen.

Het spreekt van zelf dat Cyrus Smith kaarden noch wolkam, glanzer noch trekker, scheerder noch andere werktuigen had om de wol te spinnen en geen ramen om ze te weven; hij moest dus op eenvoudiger wijze te werk gaan om het spinnen en weven te vervangen. Hij stelde zich dan ook voor gebruik te maken van de eigenschap der wol, die, wanneer men ze zeer sterk perst, alleen door het in elkander warren zich hecht, een geheel uitmaakt en de stof vormt, welke men vilt noemt. Dit vilt kon men dus verkrijgen door de wol samen te drukken, een bewerking, die wel is waar veel van de lenigheid doet verloren gaan, maar de eigenschap van de warmte te behouden zeer vermeerdert. De wol, die door de muffeldieren verschaft werd, bestond juist uit die korte haren, welke voor het vilt zoo geschikt zijn.

De ingenieur begon, bijgestaan door zijn lotgenooten, waaronder ook Pencroff—deze moest nog eenmaal zijn scheepsarbeid staken!—de voorafgaande bewerking die leidde tot het zuiveren van de wol [2]van die vette, olieachtige bestanddeelen, waarvan zij doortrokken is en die men wolvet noemt. Deze ontvetting had plaats in kuipen, die met water, van een temperatuur van zeventig graden, gevuld waren, en waarin men de wol gedurende vier en twintig uur laat staan; zij wordt vervolgens ten tweeden male gewasschen in soda-water. Toen de wol eindelijk genoegzaam door persing gedroogd was, was zij in staat om gevuld te worden, dat is te zeggen, er een vaste stof van te maken, die wel is waar grof was en voor de Europeesche en Amerikaansche beschaving van geen waarde zou zijn, maar die op de markt van het eiland Lincoln een grooten aftrek had.

Men begrijpt dat deze stof reeds in de vroegste tijden bekend heeft moeten zijn, en de eerste kleedingstukken zijn dan ook op dezelfde wijze vervaardigd als Cyrus Smith nu volgde.

Zijn kennis als ingenieur kwam toen uitmuntend te pas bij het vervaardigen van de machine om de wol samen te persen, want hij wist gebruik te maken van de kracht van het water uit de beek, die tot nog toe niet aangewend was, om een persmolen in beweging te brengen.

De bewerking, door Cyrus Smith geleid, slaagde naar wensch. De wol, vooraf bestreken met een oplossing van zeep, die eensdeels bestemd was om het glijden en het zachter worden te bevorderen en anderdeels om te voorkomen, dat het door het stampen uiteengerukt werd, kwam uit den molen te voorschijn in den vorm van een dik vilten kleed.

De oneffenheden, die aan de wolvezels eigen zijn, hadden zich zoo goed gehecht en geward dat zij een effen stof vormden waarvan men kleederen en dekens maken kon. Het was wel is waar noch merinos, noch neteldoek, noch cachemir, noch rips, noch satijn, noch alpaca, noch laken, noch flanel maar het was “Lincolnsch vilt” en het eiland Lincoln telde een industrie meer.

De kolonisten hadden nu goede kleederen en dikke dekens en konden zonder vrees den winter van 1866–67 te gemoet gaan.

Tegen den 20sten Juni deed zich dan ook reeds de groote koude gevoelen en Pencroff moest tot zijn spijt het bouwen van zijn schip staken, dat nochtans voor de volgende lente gereed zou zijn.

Het vaste plan van den zeeman was een ontdekkingstocht naar het eiland Tabor te doen, hoewel Cyrus Smith niet vóór deze reis was, die geheel uit nieuwsgierigheid zou geschieden, want er was immers toch geen hulp te vinden op die verlaten, onvruchtbare rots. Een reis van honderd vijftig mijlen, op een betrekkelijk klein schip, door onbekende stroomen, moest hem wel eenige vrees inboezemen. Wat zou er van hen worden te midden van die Stille Zee, waarop zoo menig schip verging, wanneer hun vaartuig in het volle sop was, Tabor niet kon bereiken en evenmin naar het eiland Lincoln kon terugkeeren?

Cyrus Smith sprak dikwijls met Pencroff over dit plan en hij vond [3]bij hem een zonderlinge hardnekkigheid om deze reis te maken, een hardnekkigheid, waarvan hij zichzelf misschien niet bewust was.

“Beste vriend, ik moet je toch eens doen opmerken,” zeide de ingenieur op een morgen tot hem, “dat gij, na zooveel goed van het eiland Lincoln gezegd te hebben en zoo dikwijls te hebben verklaard dat het u spijten zou dit eiland te verlaten, nu de eerste zijt die het verlaten wilt.”

“Slechts voor eenige dagen verlaten,” antwoordde Pencroff, “voor eenige dagen slechts, mijnheer Cyrus! De tijd om te gaan en terug te komen, en te zien wat dat voor een eiland is.”

“Maar het kan niet zoo goed zijn als het eiland Lincoln!”

“Daar ben ik van overtuigd!”

“Waarom u dan zoo bloot te stellen!”

“Om te weten wat er op Tabor voorvalt.”

“Maar er valt niets voor! er kan niets voorvallen!”

“Wie weet?”

“En indien gij door storm overvallen wordt!”

“Die is in het goede jaargetijde niet te vreezen!” antwoordde Pencroff. “Maar mijnheer Cyrus, daar men steeds op het ergste moet bedacht zijn, zal ik uw toestemming vragen om slechts Harbert met mij op die reis mede te nemen.”

“Pencroff,” antwoordde de ingenieur, terwijl hij zijn hand op den schouder van den zeeman legde, “wanneer u of dit kind, dat het toeval tot onzen zoon gemaakt heeft, een ongeluk overkwam, gelooft gij dat wij er ons ooit over zouden troosten?”

“Mijnheer Cyrus,” antwoordde Pencroff vol vertrouwen, “wij zullen u dat verdriet niet berokkenen. Wij zullen nog wel eens nader over deze reis spreken, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Ik stel mij overigens voor, dat wanneer gij ons schip geheel gereed en opgetuigd zult gezien hebben, wanneer gij bemerkt hebt hoe flink het zee bouwt, wanneer wij ons eiland omgezeild zullen hebben—want dat zullen wij te zamen doen—dan stel ik mij voor, zeg ik, dat gij niet zult aarzelen om mij te laten vertrekken! Ik zeg niet eens dat uw schip een prachtstuk zal zijn!”

“Laten wij ten minste zeggen: ons schip, Pencroff!” antwoordde de ingenieur, die voor het oogenblik ontwapend was.

Dit gesprek eindigde toen om eenigen tijd later weder te beginnen zonder den zeeman noch den ingenieur te overtuigen.

Op het einde van Juni begon de sneeuw te vallen. De kraal was van te voren van alles ruim voorzien en eischte niet dat men er dagelijks heen ging, maar men besloot nooit een week te laten voorbijgaan zonder ze te bezoeken.

De vallen werden opnieuw gezet en men beproefde de toestellen, door Cyrus Smith vervaardigd. De gebogen baleinen, door een buis van ijs omsloten en onder een dikke laag vet verborgen, werden [4]aan den zoom van het bosch gelegd op de plaats waar de dieren in troepen voorbij kwamen om naar het meer te gaan.

Tot groote voldoening van den ingenieur slaagde deze uitvinding uitmuntend. Een twaalftal vossen, eenige wilde zwijnen, en zelfs een jaguar werden gevangen en men vond ze dood en de maag doorboord van de ontdooide baleinen.

Er werd thans een poging gedaan, die verdient vermeld te worden, omdat het de eerste was welke door de kolonisten gedaan werd om met hun medemenschen in betrekking te komen.

Gideon Spilett had er reeds verscheidene malen aan gedacht om, hetzij in een flesch het bericht te sluiten en die aan de golven toe te vertrouwen in de hoop dat de golven haar op een bewoonde kust zouden werpen, of wel duiven er mede te belasten. Maar hoe kon men hopen dat duiven of een flesch den afstand zouden afleggen die het eiland van elk land scheidde en twaalfhonderd mijlen bedroeg? Dat ware een dwaasheid geweest.

Maar den 30sten Juni ving men, niet zonder moeite, een reiger die door een geweerschot van Harbert licht aan zijn poot gewond was. Het was een prachtige vogel van die soort hoogvliegers, waarvan de vlucht tien voet bedroeg en die zeeën even breed als de Stille Zee kunnen oversteken.

Harbert had gaarne dien prachtigen vogel, wiens wond spoedig genas, willen behouden en tam maken, maar Gideon Spilett bracht hem aan het verstand, dat men de gelegenheid, om door dien koerier bericht te geven aan een der vastelanden aan de Stille Zee, niet mocht laten voorbijgaan, en Harbert moest toegeven, want indien de stormvogel uit bewoonde streken was gekomen, zou hij er voorzeker weder terugkeeren wanneer hij in vrijheid gesteld was.

Mogelijk speet het Gideon Spilett niet, bij wien de reporter nu en dan boven kwam, om op goed geluk af een boeiend artikel betreffende de lotgevallen van de kolonisten op het eiland Lincoln af te zenden! Welk een succes voor den correspondent van den New-York-Herald en voor het nommer, waarin het verslag zou gedrukt staan, indien het ooit aan het adres mocht terecht komen van zijn directeur, den bekenden John Bennett!

Gideon Spilett stelde een beknopt verslag op, dat in een geolieden linnen zak werd gesloten, met het dringende verzoek, aan dengeen, die het mocht vinden, het te doen toekomen aan het bureel van den New-York-Herald. Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden, en niet aan zijn poot, want deze vogels hebben de gewoonte om op de oppervlakte van de zee te rusten; vervolgens werd dien vluggen koerier de vrijheid gegeven, en niet zonder eenige aandoening zagen de kolonisten hem in de nevels van het westen verdwijnen.

“Waar gaat hij thans heen?” vroeg Pencroff. [5]

“Naar Nieuw-Zeeland,” antwoordde Harbert.

Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden. Bladz. 4.

Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden. Bladz. 4.

“Goede reis!” riep de zeeman uit, die, wat hem betreft, niet veel van deze nieuwe soort correspondentie verwachtte. [6]

Met den winter was ook de arbeid binnen het Rotshuis weder begonnen, het verstellen der kleederen, het maken van de noodige nieuwe en onder anderen ook het vervaardigen der zeilen voor het schip, die uit den reusachtigen ballon gemaakt werden.

Gedurende de maand Juni was het vinnig koud, maar men spaarde hout noch steenkolen. Cyrus Smith had een tweeden schoorsteen gebouwd in de groote zaal, en daar bracht men de lange avonden door. Onder het werken praatte men en in de vrije uren werd er gewoonlijk gelezen; de tijd snelde voorbij.

Het was een waar genot voor de kolonisten om, ’s avonds na een diné, wanneer zij, in de helder verlichte en goed verwarmde zaal zaten, met een warme kop koffie en onder het rooken van een pijp, den storm daar buiten hoorden loeien! Zij zouden volmaakt gelukkig zijn geweest, indien dit mogelijk geweest ware voor hen, die, ver van hun medemenschen verwijderd, met dezen geen gemeenschap konden hebben! Zij spraken altijd over hun vaderland, over de vrienden die zij achter gelaten hadden, over de grootheid der Amerikaansche republiek, waarvan de macht steeds moest vermeerderen, en Cyrus Smith, die zeer van nabij betrokken was geweest bij de politieke zaken der Unie, boezemde zijn hoorders groot belang er voor in door zijn verhalen, opmerkingen en voorspellingen.

Gideon Spilett vroeg eens met betrekking daartoe aan hem:

“Maar, mijn waarde Cyrus, loopt deze vooruitgang op het gebied van handel en nijverheid, waaraan gij zulk een groote toekomst voorspelt, geen gevaar om vroeg of laat geheel gestaakt te worden?”

“Gestaakt? En waardoor?”

“Maar door gebrek aan die kolen, die men terecht de kostbaarste delfstof kan noemen!”

“Ja, wel de kostbaarste,” antwoordde de ingenieur, “en het schijnt dat de natuur er het bewijs van heeft willen geven, door den diamant voort te brengen, die slechts zuiver gekristalliseerde kool is.”

“Gij wilt toch niet beweren, mijnheer Cyrus, dat men diamant kan branden in plaats van steenkolen om ovens te verwarmen?”

“Neen, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.

“Toch beweer ik dit,” hernam Gideon Spilett. “Gij ontkent toch niet dat de bron van steenkolen eenmaal geheel uitgeput zal zijn?”

“O! er zijn nog een menigte kolenlagen en de honderd duizend arbeiders, die er jaarlijks honderd millioen quintalen uit putten, zijn nog niet aan het eind.”

“Met het toenemend verbruik van steenkolen,” antwoordde Gideon Spilett, “kan men voorzien dat die honderd duizend arbeiders weldra twee honderd duizend zullen zijn en de opbrengst tweemaal grooter zal worden.”

“Zeker; maar na de kolenlagen van Europa, waarin nieuwe werktuigen weldra nog dieper zullen dringen, zullen de steenkool-aderen [7]van Amerika en Australië nog langen tijd voorraad verschaffen aan de behoefte der nijverheid.”

“Hoe lang?” vroeg de reporter.

“Minstens twee honderd vijftig of drie honderd jaar.”

“Dat is voor ons voldoende,” antwoordde Pencroff, “maar verontrustend voor onze achter-kleinkinderen!”

“Men zal dan iets anders vinden,” zeide Harbert.

“Men moet het hopen,” antwoordde Gideon Spilett, “want zonder steenkolen geen machines, zonder machines geen spoorwegen, geen stoombooten, geen fabrieken, niets van dat alles, dat door den vooruitgang van den tegenwoordigen tijd vereischt wordt!”

“Maar wat zal men dan gebruiken?” vroeg Pencroff. “Kunt gij het u voorstellen, mijnheer Cyrus?”

“Ten naasten bij, mijn vriend.”

“Wat zal men dan in plaats van steenkolen branden?”

“Water,” antwoordde Cyrus Smith.

“Water!” riep Pencroff uit. “Water om stoombooten en locomotieven te stoken. Water om water te verwarmen!”

“Ja, maar water dat in zijn bestanddeelen ontbonden is,” antwoordde Cyrus Smith, “en waarschijnlijk ontbonden door electriciteit, die dan een groote en leidbare kracht zal zijn geworden, want alle groote ontdekkingen schijnen door een onverklaarbare wet, op het geschikte oogenblik te komen en volmaakt te worden. Ja, vrienden, ik geloof dat het water eenmaal tot brandstof zal dienen, dat waterstof en zuurstof, waaruit het bestaat, alleen of verbonden, een onuitputtelijke bron van warmte en licht zullen verschaffen, van grooter kracht dan steenkolen. Niets is dus te vreezen. Zoolang deze aarde bewoond zal zijn, zal zij in de behoefte van hare bewoners voorzien en het zal hun nooit aan licht noch warmte ontbreken, evenmin als het hun zal ontbreken aan voortbrengselen van het planten-, dieren- of delfstoffenrijk. Ik geloof dus dat, wanneer de kolenlagen uitgeput zullen zijn, men water zal stoken en er zich mede verwarmen. Het water is de steenkool der toekomst!”

“Dat zou ik wel eens willen beleven,” zeide de zeeman.

“Gij zijt te vroeg opgestaan, Pencroff,” antwoordde Nab, die slechts door een dergelijk gezegde aan het gesprek deel nam.

Het waren echter niet de woorden van Nab, die het gesprek afbraken, maar het blaffen van Top, die weder op dezelfde zonderlinge wijze jankte, waarop reeds meermalen de aandacht van den ingenieur gevallen was. Top draaide ter zelfder tijd om de opening van den put heen.

“Waarom blaft Top toch zoo?” vroeg Pencroff.

“En waarom bromt Jup zoo?” voegde Harbert er bij.

De aap had zich inderdaad bij den hond gevoegd en legde zeer [8]duidelijk zijn onrust aan den dag en, wat vooral merkwaardig was, de beide dieren schenen eer ongerust dan nijdig.

“Het is zeer duidelijk,” merkte Gideon Spilett op, “dat deze put onmiddellijk in verband staat met de zee en dat het een of andere zeemonster van tijd tot tijd aan den bodem van den put verschijnt.”

“Zeer duidelijk,” antwoordde de zeeman, “er is geen andere uitlegging aan te geven....”

“Stil, Top,” voegde Pencroff er bij, “en Jup naar je kamer!”

De aap en de hond zwegen. Jup ging slapen, maar Top bleef in de kamer en liet den geheelen avond zijn dof gebrom hooren.

Er werd niet meer over het voorval gesproken, maar blijkbaar was de ingenieur er geheel mede vervuld.

Het bleef de maand Juli regenachtig en koud. De temperatuur daalde niet zoo sterk als den vorigen winter en het laagste was acht graden Fahrenheit, maar was het dien winter al minder koud, de stormen en windvlagen waren heviger.

Gedurende die stormen was het moeielijk zich op de wegen van het eiland te wagen, zelfs gevaarlijk, want er vielen onophoudelijk boomen. De kolonisten lieten echter nooit een week voorbijgaan zonder de kraal te bezoeken. Gelukkig werd deze door den berg Franklin beschut en leed zij weinig van de stormen. Het pluimgedierte op de bergvlakte was echter minder veilig, daar het blootgesteld was aan den oostenwind; het dak van de duiventil werd afgerukt door een windvlaag en een muur neergeslagen. Alles moest hersteld worden, maar steviger, want men zag wel in, dat Lincoln in een van de meest woeste streken der Stille Zee gelegen was.

In de eerste week van Augustus bedaarde de storm en de dampkring herkreeg die kalmte, welke zij voor altijd scheen verloren te hebben. De temperatuur werd echter tegelijkertijd lager, het werd vinnig koud en de thermometer wees acht graden onder nul.

Op den 3den Augustus ondernam men een tocht, waarvan reeds lang sprake was geweest, naar het zuidoosten van het eiland. Een groot aantal watervogels, die daar hun winterverblijf hielden, lokten de jagers tot de jacht uit, en men besloot daar een geheelen dag aan te geven.

Niet alleen Gideon Spilett en Harbert, maar ook Pencroff en Nab namen aan den tocht deel. Cyrus Smith was alleen thuis gebleven, onder voorwendsel van werk en voegde zich niet bij hen; hij bleef in het Rotshuis achter.

Zoodra de jagers met Top en Jup over de brug van de Mercy waren, trok de ingenieur haar op en keerde terug, met het voornemen om een plan ten uitvoer te brengen, waarvoor hij alleen wilde zijn.

Dit plan was om nauwkeurig dien onderaardschen put te onderzoeken, waarvan de opening in het Rotshuis uitkwam, en die met [9]de zee in verband stond, omdat hij vroeger diende tot uitweg van het water uit het meer.

De tijd snelde voorbij. Blz. 6.

De tijd snelde voorbij. Blz. 6.

Waarom draaide Top zoo dikwijls om deze opening? Waarom [10]liet hij zulk een zonderling gekef hooren, wanneer zekere onrust hem naar dien put dreef? Waarom voegde Jup zich bij Top? Had deze put andere vertakkingen dan de loodrechte gemeenschap met de zee? Ziedaar hetgeen Cyrus Smith vooreerst slechts wilde weten. Hij had dus besloten, om gedurende de afwezigheid van zijn lotgenooten, een poging aan te wenden om de put te onderzoeken en de gelegenheid bood zich er toe aan.

Het was gemakkelijk er in af te dalen door de touwladder te gebruiken, die geen dienst meer deed en lang genoeg was. Dit deed de ingenieur. Hij sleepte de ladder naar de opening, waarvan de middellijn zes voet bedroeg, liet haar afzakken na ze vooraf van boven stevig vastgemaakt te hebben. Hij daalde de eerste treden van de ladder af nadat hij een lantaarn aangestoken had en tot wapens een revolver en een kort mes bij zich had gestoken.

De muur was overal vlak; maar van afstand tot afstand staken eenige rotsblokken uit en door middel van deze blokken kon het een vlug en behendig man inderdaad gelukt zijn tot aan de opening van den put te klimmen.

Dit merkte de ingenieur op; hij bekeek met zijn lantaarn elke rotspunt, maar zag geen enkel spoor, geen indruk, waaruit men zou kunnen opmaken dat ze in vroeger of later tijd tot trap hadden gediend.

Cyrus Smith daalde dieper af en liet zijn lantaarn overal rondgaan.

Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam.

Toen de ingenieur op de laatste sport stond raakte hij de oppervlakte van het water, dat toen volkomen kalm was; noch op den bodem noch in een ander gedeelte van den put bevond zich een pad. De muur, waartegen Cyrus Smith met het heft van zijn mes sloeg klonk dof. De vraag waar dit kanaal uitkwam, aan welke zijde van de kust en hoe diep onder het vlak der zee, kon niet beantwoord worden.

Cyrus Smith had zijn onderzoek volbracht, klom naar boven, trok de ladder op, bedekte de opening van den put en keerde, in gedachten verzonken, naar de groote zaal van het Rotshuis terug, bij zich zelven mompelende:

“Ik heb niets gezien, en toch is er iets!” [11]

[Inhoud]

II.

Het schip wordt getuigd.—Een aanval van chilische honden.—Jup gewond.—Het schip wordt voltooid.—Overwinning van Pencroff.—De Bonadventure.—Eerste tocht ten zuiden van het eiland.—Een onverwacht stuk.

Dienzelfden avond kwamen de jagers terug met een groote vangst, en letterlijk met wild beladen, zij droegen zooveel als vier man konden dragen. Top had een krans van eenden om zijn hals en Jup zijn gordel vol snippen.

“Zie eens mijnheer,” riep Nab uit, “nu kunnen wij onzen tijd besteden! Konserf en pâté! Wat zullen wij een heerlijken voorraad krijgen! Maar iemand moet mij helpen. Ik reken op u, Pencroff.”

“Neen, Nab,” antwoordde de zeeman. “Ik moet bij mijn schip zijn, en gij zult het zonder mij moeten doen.”

“En gij, mijnheer Harbert?”

“Ik, Nab? Ik moet morgen naar de kraal,” antwoordde de knaap.

“Zult gij mij dan helpen, mijnheer Spilett?”

“Om je te dienen, Nab,” antwoordde de reporter, “maar ik waarschuw je, wanneer gij mij met uwe recepten bekend maakt, dat ik ze uitgeef.”

“Zooals gij wilt, mijnheer Spilett,” antwoordde Nab, “zooals gij wilt!”

En zoo werd Gideon Spilett, als helper van Nab, den volgenden morgen, in diens werkplaats gebracht. De ingenieur had hem echter eerst den uitslag medegedeeld van zijn ontdekkingstocht, dien hij den vorigen dag gemaakt had, en de reporter deelde in dit opzicht de meening van Cyrus Smith, dat er, hoewel hij niets gevonden had, toch een geheim te ontdekken bleef.

De koude hield nog een week aan en de kolonisten verlieten het Rotshuis slechts om voor hun gevogelte te zorgen. Een heerlijke geur steeg uit de keuken op door de spijzen die Nab en de reporter bereidden; maar niet al het wild dat den vorigen dag gevangen was werd tot pâté gemaakt, en daar het gedurende die koude zich goed hield, werden de wilde eenden en andere op de oude manier toebereid, en volgens de kolonisten waren het de fijnste watervogels ter wereld.

Die week werkte Pencroff, bijgestaan door Nab, die handig de zeilen naaide, met zulk een ijver dat deze geheel gereed kwamen. Eenigen tijd later was het schip getuigd en zeevaardig. Pencroff heesch zelf de vlag van blauw, rood en wit, waarvan de kleuren verschaft waren door verfplanten, die zeer overvloedig op het eiland groeiden. Hij had slechts bij de zeven en dertig sterren, [12]die de zeven en dertig Vereenigde Staten vertegenwoordigden een acht en dertigste gevoegd, de ster van “Staat Lincoln,” want hij beschouwde zijn eiland als reeds aan de groote republiek gehecht.

“En het is het van harte, zoo het dit nog niet feitelijk is.”

De vlag werd intusschen voor het middelste raam van het Rotshuis geplant en de kolonisten begroetten haar met een driedubbel hoezee.

Het koude jaargetijde zou spoedig achter den rug zijn en het scheen dat deze tweede winter voorbij zou gaan zonder gewichtige gebeurtenis, toen in den nacht van 11 Augustus de bergvlakte door een algeheele verwoesting bedreigd werd.

Na een drukken dag sliepen de kolonisten gerust, toen zij tegen vier uur in den morgen plotseling door het blaffen van Top gewekt werden.

Deze keer blafte de hond niet bij de opening van den put, maar op den drempel van de deur, waartegen hij opsprong als wilde hij haar openstooten. Ook Jup uitte schelle kreten.

“Wat is er, Top!” riep Nab, die het eerste wakker werd.

Maar de hond blafte nog harder.

“Wat is er dan? vroeg Cyrus Smith.

En allen snelden in haast gekleed naar de vensters van hun kamer, die zij openden.

Voor zich hadden zij een dikke laag sneeuw, nauwelijks zichtbaar in dezen stikdonkeren nacht. De kolonisten zagen niets, maar zij hoorden een zonderling gehuil in de duisternis. Blijkbaar waren er een groot aantal dieren aan de kust, die men nu niet zien kon.

“Wat is dat?” riep Pencroff uit.

“Wolven, jaguars of apen!” antwoordde Nab.

“Te drommel! Maar zij kunnen toch niet op de bergvlakte komen!” zeide de correspondent.

“En ons gevogelte,” riep Harbert, “en onze planten?...”

“Hoe zijn zij daar dan gekomen?” vroeg Pencroff.

“Zij zullen over de brug zijn gegaan,” antwoordde de ingenieur, “die een van ons waarschijnlijk vergeten heeft op te halen.”

“’t Is waar ook,” riep Spilett uit, “ik herinner mij haar open gelaten te hebben.”

“Dat is een mooie trek, dien gij ons daar gespeeld hebt, mijnheer Spilett!” zeide de zeeman.

“Wat gebeurd is, is gebeurd,” antwoordde Cyrus Smith. “Laten wij liever nagaan wat ons te doen staat.”

Dit waren de vragen en antwoorden die tusschen Cyrus Smith en zijn lotgenooten gewisseld werden. Het was zeker, dat de dieren over de brug gekomen waren en dat zij, door den linkeroever van de Mercy te houden, bij de bergvlakte konden komen. Men moest hun dus den pas afsnijden en des noods ze aanvallen.

“Maar wat zijn het voor dieren?” werd ten tweede male gevraagd, toen zich nogmaals dat vreemde geluid deed hooren. [13]

Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam. Blz. 10.

Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam. Blz. 10.

Harbert verschrikte toen hij dat geluid hoorde en herinnerde zich het reeds gehoord te hebben de eerste maal dat zij bij de bronnen van de Roode Beek waren. [14]

“Dat zijn chilische honden, dat zijn vossen!” zeide hij.

“Voorwaarts!” riep de zeeman.

En allen stoven voorwaarts met bijlen, karabijnen en revolvers gewapend.

De chilische honden zijn gevaarlijke dieren wanneer zij in grooten getale en uitgehongerd zijn. De kolonisten aarzelden echter niet hen aan te vallen, en hunne eerste revolverschoten verlichtten de duisternis en deden de bende terugdeinzen.

Het was vooral van belang om deze stroopers in de eerste plaats te verhinderen de bergvlakte te bereiken, want het bouwland en het gevogelte zou dan in hun macht zijn en zij zouden daar groote, misschien onherstelbare schade, vooral aan het korenveld, veroorzaken. Maar daar zij niet dan langs den linkeroever van de Mercy de vlakte konden bereiken, was het voldoende om een onoverkomelijken hinderpaal aan deze vossen te stellen op dat smalle gedeelte van den oever tusschen de rivier en de rots.

Allen begrepen dit, en op bevel van Cyrus Smith, gingen zij naar de aangewezen plaats, terwijl de vossen in de duisternis voortsnelden.

Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff en Nab stelden zich naast elkander om den weg te versperren. Top ging, met open bek, vooruit en werd door Jup gevolgd, met een dikken knuppel gewapend, dien hij als een knots rondzwaaide.

Het was stikdonker. Slechts bij het afvuren der revolvers kon men de roofdieren zien, welke minstens honderd in getal moesten zijn en wier oogen als kolen vuur gloeiden.

“Zij mogen er niet door!” riep Pencroff uit.

“En zij zullen er niet door!” antwoordde de ingenieur.

Dat zij er niet doorkwamen, was niet omdat zij er geen pogingen toe hadden aangewend De achterste rijen drongen de voorste vooruit, en het was een onophoudelijke strijd met revolvers en bijlen. Vele lijken van vossen moesten reeds over den grond verspreid liggen, maar de troep verminderde niet merkbaar en men zou gezegd hebben, dat zij steeds van achter aangroeide.

Weldra moesten de kolonisten lijf tegen lijf strijden en zij kregen verscheiden wonden, die gelukkig niet van ernstigen aard waren. Harbert had met een revolverschot Nab bevrijd, op wiens rug een van die honden zich als een tijgerkat vastgeklampt had. Top streed met woede, sprong den vossen naar de keel en worgde ze onmiddellijk. Jup sloeg met zijn stok als een razende rond en men trachtte te vergeefs hem tegen te houden. Waarschijnlijk was hij met zulk een scherp gezicht begaafd, dat hij in deze duisternis kon zien, en hij bleef steeds in het dichtst van het gevecht, uitte van tijd tot tijd een schellen kreet, die bij hem het teeken van groote vreugde was. Op een gegeven oogenblik waagde hij zich zelfs zoo ver, dat men hem bij het licht van een revolverschot door vijf of zes groote [15]vossen omringd zag, waartegen hij met onbegrijpelijke koelbloedigheid worstelde.

De strijd zou echter een gunstigen afloop hebben voor de kolonisten maar eerst nadat zij twee uur gevochten hadden! Waarschijnlijk trokken de vossen wegens het aanbreken van den dag af; zij richtten zich naar het noorden om de brug over te trekken, die Nab onmiddellijk ophaalde.

Toen het licht genoeg was om het terrein op te nemen, telden de kolonisten een vijftigtal lijken die langs den oever verspreid lagen.

“En Jup!” riep Pencroff uit. “Waar is Jup dan?”

Jup was verdwenen. Zijn vriend Nab riep hem en voor de eerste maal antwoordde Jup niet op het roepen van zijn vriend.

Allen begonnen naar Jup te zoeken, vreezende hem dood te zullen vinden. De lijken wier bloed de sneeuw roodkleurde, werden weggeruimd, en Jup gevonden te midden van een hoop vossen, wier gekneusde ledematen en gebroken lendenen genoeg aanduidden dat zij met den vreeselijken knuppel van het onverschrokken dier te doen hadden gehad. De arme Jup hield nog een stuk van zijn gebroken knuppel vast; maar van zijn wapen beroofd, kon hij zijn tegenpartij niet meer aan en had diepe wonden in zijn borst ontvangen.

“Hij leeft nog!” riep Nab uit, die zich over hem heen gebogen had.

“En wij zullen hem redden,” antwoordde de zeeman, “wij zullen hem als een der onzen verzorgen!”

Het scheen dat Jup hem begreep, want hij boog zijn kop naar den schouder van Pencroff, als om hem te danken. De zeeman was zelf gewond, maar zijn wonden waren, even als die zijner metgezellen, onbeduidend; want, dank zij hunne vuurwapens, hadden zij die bloeddorstige dieren altijd op zekeren afstand kunnen houden. Slechts de toestand van den aap was van bedenkelijken aard.

Jup werd door Nab en Pencroff naar huis gedragen en nu en dan ontsnapte hem een nauwelijks hoorbare kreet. Men bracht hem zoo voorzichtig mogelijk in het Rotshuis. Daar werd hij op een matras uit een der bedden neergelegd, en zijn wonden werden met de grootste zorg gewasschen. Geen der edele organen scheen getroffen, maar Jup was zeer verzwakt door bloedverlies en de koorts kwam hevig op.

Nadat hij verbonden was bracht men hem in bed en legde hem streng dieet op, “evenals aan een heuzig mensch” zooals Nab zeide. Hij dronk eenige kopjes van een verfrisschenden drank, die door de genezende kruiden van het Rotshuis verschaft werd.

Jup sliep eerst onrustig in; maar zijn ademhaling werd langzamerhand geregeld en eindelijk sliep hij kalm. Van tijd tot tijd kwam Top als het ware “op zijn teenen” binnen, om zijn vriend te bezoeken en scheen dankbaar voor de zorg die men aan zijn vriend besteedde. Een hand van Jup hing buiten zijn bed en Top lekte hem zachtjes. [16]

Dien zelfden morgen begon men de lijken op te ruimen, zij werden naar het Verre Westen van het bosch gesleept en diep onder den grond begraven.

Deze aanval, die ernstiger gevolgen had kunnen hebben, was een goede les voor de kolonisten, en voortaan begaf men zich niet te rusten, voordat een van hen zich overtuigd had dat alle bruggen opgehaald waren en geen inval mogelijk was.

Slechts weinige dagen had men voor het leven van Jup gevreesd, maar diens krachtige natuur behield de overhand. De koorts verminderde langzamerhand en Gideon Spilett, die een weinig dokter was, verklaarde hem spoedig buiten gevaar. Den 16den Augustus kon Jup weder eten. Nab maakte lekkere zoete kostjes voor hem klaar, waaraan de zieke smulde, want als hij een gebrek had, dan was het dat van een lekkerbek te zijn en Nab had nooit pogingen aangewend om hem daarvan te genezen.

“Och, ziet gij,” antwoordde hij aan Gideon Spilett, die hem dikwijls verweet dat hij den aap bedierf, “hij heeft geen ander genot dan zijn smaak, die arme Jup en ik ben maar al te blij op deze wijs zijn diensten eenigszins te kunnen vergoeden.”

Tien dagen nadat hij zijn wonden bekomen had, mocht Jup het bed verlaten. Als alle herstellenden, had hij een verslindenden honger en de reporter liet hem eten zooveel hij verkoos. Nab was buiten zichzelf van vreugde, toen hij den eetlust van zijn leerling terug zag komen.

“Eet maar, Jup,” zeide hij tot hem, “en laat het u aan niets ontbreken! Je hebt je bloed voor ons vergoten en het minste wat ik voor je doen kan is wel je te helpen om het terug te krijgen.”

Den 25sten Augustus hoorde men Nab zijn metgezellen toeroepen:

“Mijnheer Cyrus, mijnheer Gideon, mijnheer Harbert, Pencroff, komt eens hier! komt eens hier!”

De kolonisten die in de groote zaal bijeen waren, stonden op en gingen naar Nab, die in de voor Jup ingerichte kamer was.

“Wat is er?” vroeg de reporter.

“Zie eens!” antwoordde Nab, terwijl hij in lachen uitbarstte.

Wat zag men? Jup, die kalm en ernstig als een Turk zat te rooken op den drempel van het Rotshuis?

“Mijn pijp!” riep Pencroff. “Hij heeft mijn pijp genomen! Mijn beste Jup, ik geef je ze present! Rook, mijn jongen, rook maar!”

En Jup blies dikke rookwolken uit en scheen daarin het grootste genot te vinden.

Cyrus Smith toonde zich in het minst niet verwonderd over dit feit, en hij haalde verscheiden voorbeelden aan van tamme apen, die aan het gebruik van tabak gewoon waren.

Tom bezocht zijn vriend. Bladz. 15.

Tom bezocht zijn vriend. Bladz. 15.

Maar van dat oogenblik af had Jup zijn eigen pijp, de afgedankte [17]van Pencroff, die in zijn kamer opgehangen werd, bij zijn voorraad tabak. Hij stopte ze zelf, stak ze aan een kooltje vuur aan en scheen het gelukkigste vierhandige wezen ter wereld te zijn. Men [18]begrijpt dat deze overeenkomst van smaak den vriendschapsband tusschen Jup en Pencroff nog nauwer toehaalde.

“Het is misschien een mensch,” zeide Pencroff soms tegen Nab. “Zou het je verwonderen als hij op een mooien dag met ons begon te praten?”

“Waarachtig niet,” antwoordde Nab. “Het verwondert mij juist dat hij nog niet spreekt, want er ontbreekt hem anders niets!”

“Ik zou het toch drommels aardig vinden,” hernam de zeeman, “als hij op een mooien dag tot mij zeide: “Als we eens van pijp verwisselden, Pencroff?”

“Ja,” beaamde Nab. “Wat een ongeluk dat hij stom geboren is.”

Met de maand September was de winter voorbij en men hervatte met ijver den arbeid.

Het schip vorderde snel. Het was reeds geheel getuigd en alleen het inwendige moest nog afgemaakt worden.

Daar het niet aan hout ontbrak, stelde Pencroff den ingenieur voor om den romp met een tweede laag hout te voeren, die de hechtheid van het schip zou verhoogen.

Cyrus Smith, die niet wist wat er kon gebeuren, was het met den zeeman eens om het schip zoo sterk mogelijk te bouwen.

Den 15den September was het binnenwerk en het dek gereed.

Het tusschendek was in tweeën verdeeld en vormde twee hutten, waarin twee banken stonden, die tevens tot koffers dienden.

Pencroff koos in het bosch een jongen den uit, die als mast zou gebruikt worden. Verder werd alles wat gesmeed moest worden naar de smederij van de Schoorsteenen gebracht. In de eerste week van October was alles gereed en men kwam overeen het schip op een reis om het eiland te probeeren, ten einde te weten te komen hoe het zich in zee hield en in hoeverre men er op kon vertrouwen.

Het overige werk werd echter in dien tusschentijd niet verzuimd. De kraal was vergroot, want onder de muffeldieren en geiten telde men een zeker aantal jongen die een hok en voedsel moesten hebben. De kolonisten waren zoowel in het kamp als bij de oesterbank geweest, zij hadden evenmin de konijnenfokkerij als de steenkolen- en ijzerlaag vergeten en waren zelfs gaan jagen in een nog onbezocht gedeelte van het bosch, waar zeer veel wild was.

Er werden nog eenige inheemsche planten gevonden, die, hoewel nog niet van onmiddellijk belang, toch zouden bijdragen om in de groenten van het Rotshuis een weinig afwisseling te brengen.

Den 10den October liep het schip van stapel. Pencroff was verrukt. Alles ging naar wensch. Het schip was geheel getuigd op rollen naar de kust gebracht, het werd door den vloed opgenomen en danste op de golven onder het gejuich der kolonisten, vooral van Pencroff, die op dat oogenblik zijn gewaarwordingen niet bedwingen kon. Maar voor zijn ijdelheid was nog een schooner oogenblik weggelegd; na zijn [19]schip gebouwd te hebben, zou hij als gezagvoerder optreden. De rang van kapitein werd hem met algemeene stemmen toegekend.

Om kapitein Pencroff te voldoen moest men in de eerste plaats het schip een naam geven en na lang beraad, stemden allen voor Bonadventure, den doopnaam van den braven zeeman.

Zoodra de Bonadventure door den vloed in het ruime sop gebracht was, kon men zien dat zij zeer goed zee hield en naar alle bewegingen van het roer stipt luisterde.

Dienzelfden dag zou men er de proef van nemen op een reisje rondom het eiland. Het was prachtig weer, de wind was gunstig, de zee kalm, vooral aan de zuidkust, want reeds een uur lang was het noord-westen wind.

“Aan boord! aan boord!” riep kapitein Pencroff.

Maar men moest eerst flink ontbijten en het kwam den kolonisten zelfs niet onraadzaam voor om provisie aan boord te nemen, voor het geval dat de tocht tot den avond mocht duren.

Cyrus Smith wilde eveneens spoedig het vaartuig probeeren, waarvan hij het ontwerp had gemaakt, maar dat gebouwd was op raad van den zeeman; hij stelde er echter niet het vertrouwen in dat Pencroff had en daar deze niet meer van de reis naar Tabor sprak, hoopte Cyrus Smith zelfs, dat de zeeman dit voornemen had opgegeven. Het zou hem inderdaad leed gedaan hebben twee of drie van zijn metgezellen zich op dat vaartuig te zien wagen, dat toch maar zwak was en slechts vijftien ton meette.

Tegen half elf waren allen aan boord, zelfs Jup en Top. Nab en Harbert lichtten het anker, dat bij den mond van de Mercy in het zand lag; de zeilen werden geheschen, en de Lincolnsche vlag wapperde van den mast! De Bonadventure, door Pencroff bestuurd, koos zee.

Om de Unie-baai uit te komen moest men eerst voor den wind zeilen en bij deze beweging kwam men tot de overtuiging, dat het schip een voldoende snelheid had.

Toen de passagiers op drie à vier mijlen van de kust verwijderd waren en langs de Ballonhaven voeren, kregen zij een geheel nieuw overzicht van hun eiland.

“Dat is prachtig!” riep Harbert uit.

“Ja, ons eiland is mooi en goed,” antwoordde Pencroff. “Ik houd er van als van mijn goede moeder. Het heeft ons arm en van alles ontbloot ontvangen, en wat ontbreekt er nu nog aan zijn vijf kinderen die uit de lucht zijn gevallen?”

“Niets!” antwoordde Nab, “niets, kapitein!”

En er ging een luid hoezee ter eere van het eiland op!

Gideon Spilett teekende onderwijl aan den voet van den mast het panorama dat zich voor hem ontrolde.

Cyrus Smith stond peinzend voor zich uit te staren. [20]

“Welnu, mijnheer Cyrus,” zeide Pencroff, “wat zegt ge van ons schip?”

“Het schijnt in alle opzichten voldoende,” antwoordde de ingenieur.

“Goed! En gelooft gij nu ook dat het een reis van langen duur zou kunnen ondernemen?”

“Welke reis, Pencroff?”

“Naar het eiland Tabor, bijvoorbeeld?”

“Vriendlief,” antwoordde Cyrus Smith, “ik geloof dat wij in een dringend geval niet moeten aarzelen ons op de Bonadventure te vertrouwen, zelfs voor een langeren duur; maar gij weet, het zou mij leed doen u naar het eiland Tabor te zien vertrekken, daar niets er u toe noodzaakt.”

“Men kent gaarne zijn buren,” antwoordde Pencroff, die bij zijn denkbeeld bleef. “Het eiland Tabor is onze naaste buur, het is onze eenige! De beleefdheid eischt, dat men er ten minste een bezoek brengt!”

“Drommels!” zeide Gideon Spilett, “vriend Pencroff is op zijn stokpaardje als hij over de vormen begint!”

“Ik ben nergens over op mijn stokpaardje,” zeide de zeeman, die door den tegenstand van den ingenieur knorrig was geworden, maar die hem toch niet wilde grieven.

“Vergeet niet,” antwoordde Cyrus Smith, “dat gij niet alleen naar het eiland Tabor kunt gaan.”

“Eén metgezel is voldoende.”

“Goed,” antwoordde de ingenieur. “Maar gij stelt de kolonie van het eiland Lincoln bloot, twee van de vijf kolonisten te verliezen.”

“Van de zes!” antwoordde Pencroff. “Gij vergeet Jup.”

“Van de zeven!” voegde Nab er bij. “Top rekent even goed als een ander!”

“Maar er is geen gevaar, mijnheer Cyrus,” hernam Pencroff.

“Dat is wel mogelijk, Pencroff; maar ik herhaal het, het is zonder noodzaak zich blootstellen.”

De koppige zeeman antwoordde niet en bracht het gesprek op een ander onderwerp, hoewel hij zich vast voorgenomen had, er weer op terug te komen. Maar hij was er in het minst niet van bewust dat er iets zou gebeuren, dat hem te hulp kwam, en hetgeen slechts een gril was in een menschlievend werk zou veranderen.

Nadat men in volle zee had rondgedobberd, richtte men de Bonadventure naar de Ballonhaven.

Zij waren nog slechts een halve mijl van de kust verwijderd en moesten laveeren om wind te krijgen. De Bonadventure liep met halve snelheid, omdat de bries gedeeltelijk terug gehouden werd door het hoogland, en de zeilen hingen slap; slechts nu en dan rimpelde de zee zich, maar overigens was zij spiegelglad.

Harbert stond op den steven, toen hij eensklaps uitriep: [21]

Den 10den October liep het schip van stapel. Blz. 18.

Den 10den October liep het schip van stapel. Blz. 18.

“Loeven, Pencroff, loeven!”

“Wat is er dan?” vroeg de zeeman, terwijl hij opstond. “Een rots?” [22]

“Neen.... wacht eens,” zeide Harbert.... “ik kan niet goed zien.... loef nog meer.... goed.... haal bij....”

Dit zeggende dompelde Harbert, die over boord hing, zijn arm in het water, haalde hem er uit en zeide:

“Een flesch!”

Hij hield een gesloten flesch in zijn hand, die hij op een paar kabellengten van de kust gegrepen had.

Cyrus Smith nam de flesch. Zonder een woord te zeggen deed hij er de kurk af en haalde er een vochtig papier uit waarop stond: Schipbreukeling... Eiland Tabor: 153° w.-lengte—37° 11′ z.-breedte.

[Inhoud]

III.

Tot het vertrek wordt besloten.—Onderstellingen.—Toebereidselen.—De drie passagiers.—Eerste nacht.—Tweede nacht.—Het eiland Tabor.—Onderzoek van de kust.—Het bosch wordt doorzocht.—Niemand.—Dieren.—Planten.—Een verlaten hut.

“Een schipbreukeling!” riep Pencroff uit, “op eenige honderden mijlen van ons, op het eiland Tabor! O! mijnheer Cyrus, nu zult gij u toch niet meer tegen mijn reisplan verzetten!”

“Neen, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “en gij moet zoo spoedig mogelijk vertrekken.”

“Morgen?”

“Morgen.”

De ingenieur hield het papier, dat hij uit de flesch gehaald had, in zijn hand. Hij dacht eenige oogenblikken na en zeide toen:

“Uit dit papier, vooral uit den vorm waarin het gesteld is, kan men opmaken: in de eerste plaats, dat de schipbreukeling van het eiland Tabor een man is, die genoegzame kennis heeft van de zeevaart, omdat hij dezelfde lengte en breedte van het eiland opgeeft, welke wij gevonden hebben; in de tweede plaats is hij Engelschman of Amerikaan, daar het stuk in de Engelsche taal geschreven is.”

“Dat is zeer waar,” antwoordde Gideon Spilett, “en de tegenwoordigheid van den schipbreukeling verklaart ook het aanspoelen van de kist op de kust van het eiland. Er is een schipbreukeling, alzoo moet er ook een schipbreuk geweest zijn. Wat deze laatste betreft, het is gelukkig voor hem, dat Pencroff op het denkbeeld is gekomen om een schip te bouwen en het juist vandaag te probeeren, [23]want een dag later had de flesch op de klippen verbrijzeld kunnen worden.”

“Het is inderdaad bijzonder gelukkig,” zeide Harbert, “dat de Bonadventure hier passeerde juist toen de flesch nog dreef!”

“Komt u dat niet zonderling voor?” vroeg Cyrus Smith aan Pencroff.

“Het komt mij gelukkig voor, ziedaar alles,” antwoordde de zeeman. “Ziet gij hier iets buitengewoons in, mijnheer Cyrus? Die flesch moest toch ergens heen en waarom niet hier en wel ergens anders.”

“Gij hebt misschien gelijk, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “en toch....”

“Maar,” merkte Harbert op, “bewijst niets dat deze flesch reeds lang op zee drijft?”

“Niets,” antwoordde Gideon Spilett, “en zelfs het stuk komt mij voor nog maar kort geleden geschreven te zijn. Wat denkt gij daarvan, Cyrus?”

“Dat is moeilijk uit te maken, en wij zullen het bovendien spoedig te weten komen!” antwoordde Cyrus Smith.

Pencroff had intusschen de Bonadventure gewend. Ieder dacht aan den schipbreukeling van het eiland Tabor. Was het nog tijd om hem te redden? Het was een groote gebeurtenis in het leven van de kolonisten. Zij zelf waren slechts schipbreukelingen, maar het was te vreezen, dat anderen het minder gunstig getroffen hadden, en het was hun plicht om den ongelukkige te hulp te komen.

Tegen vier uur lag de Bonadventure aan den mond van de Mercy.

Dienzelfden avond werd alles geregeld voor de nieuwe onderneming. Het kwam allen het best voor, dat Pencroff en Harbert, die met het besturen van een schip bekend waren, alleen de reis zouden ondernemen. Als zij den volgenden morgen, 11 October, vertrokken, konden zij in den loop van den 13den Tabor bereiken, want met den heerschenden wind had men slechts acht en veertig uur noodig om dezen tocht van honderd vijftig mijlen af te leggen. Een dag op het eiland, drie of vier dagen voor de heen en terugreis, maken vier of vijf dagen zoodat men den 17den op het eiland Lincoln terug kon zijn. Het was prachtig weer; de barometer steeg geregeld; de wind scheen gunstig te zullen blijven; alle kansen waren dus in het voordeel dezer moedige mannen, die door een menschlievenden plicht zich genoopt voelden zich ver van hun eiland te wagen.

Het was eerst bepaald dat Cyrus Smith, Nab en Gideon Spilett in het Rotshuis zouden blijven; maar Gideon Spilett die zijn betrekking van reporter van de New-York-Herald niet kon vergeten, kwam er tegen op en verklaarde, dat hij eer het schip zou nazwemmen, dan zulk een mooie gelegenheid voorbij te laten gaan; hem werd dan ook toegestaan om aan de reis deel te nemen.

In den avond bracht men bedden, werktuigen, wapenen, munitie, een kompas en voor acht dagen levensmiddelen aan boord. [24]

Den volgenden morgen om vijf uur nam men niet zonder aandoening van weerszijden afscheid. Pencroff heesch de zeilen en richtte zijn weg naar het zuidwesten.

De Bonadventure was reeds een kwart mijl van de kust verwijderd, toen de passagiers op de hoogte van het Rotshuis twee mannen bemerkten, die hun een afscheidsgroet toewuifden. Het waren Cyrus Smith en Nab.

“Onze vrienden!” riep Gideon Spilett uit. “Dat is onze eerste scheiding sedert vijftien maanden!....”

Pencroff, de reporter en Harbert beantwoordden het laatst vaarwel van hunne lotgenooten en het Rotshuis verdween weldra achter de hooge bergen.

Harbert verving Pencroff nu en dan aan het roer, en de hand van den jongeling was zoo vast, dat de zeeman er niets op had aan te merken.

Gideon Spilett sprak dan met den een dan met den ander en zelfs hielp hij somtijds, wanneer dit noodig was. Kapitein Pencroff was bijzonder ingenomen met zijn bemanning en beloofde niets minder dan een “extra oorlam.”

De nacht was donker, maar vol sterren en beloofde nog een prachtigen dag.

Voorzichtigheidshalve liet Pencroff de bramzeilen strijken, daar hij niet door een windvlaag overvallen wilde worden met bovenzeilen op. Het was misschien te veel voorzorg voor een kalmen nacht, maar Pencroff was een voorzichtig zeeman, en men kon het hem niet ten kwade duiden.

De reporter sliep een deel van den nacht. Pencroff en Harbert wisselden elkander om de twee uur aan het roer af. De zeeman stelde evenveel vertrouwen in Harbert als in zich zelven en dat vertrouwen werd gerechtvaardigd door de koelbloedigheid en het verstand van den knaap. Pencroff gaf hem het roer in handen als een commandant aan zijn roerganger en Harbert liet de Bonadventure geen steek uit haar richting loopen.

De zee, waarop het vaartuig dreef, was geheel verlaten. Nu en dan kwam er een groote stormvogel of een fregatvogel binnen het bereik van het geweer en Gideon Spilett vroeg zich af of hij mogelijk niet aan een van deze hoogvliegers zijn bericht aan den New-York-Herald had toevertrouwd. Deze vogels waren de eenige wezens, welke dit gedeelte van den Oceaan, tusschen het eiland Tabor en het eiland Lincoln, schenen te bezoeken.

“En toch,” merkte Harbert op, “zijn wij nu juist in den tijd dat de walvischvaarders gewoonlijk hunne vaartuigen naar het zuidelijk gedeelte van de Stille Zee richten. Ik geloof werkelijk dat er geen zee zoo verlaten is als deze.”

“Zij is niet zoo geheel verlaten!” antwoordde Pencroff. [25]

“Loeven, Pencroff, loeven!” Bladz. 21.

“Loeven, Pencroff, loeven!” Bladz. 21.

“Hoe meent gij dat?” vroeg de correspondent.

“Maar wij zijn er toch. Houdt gij ons schip dan voor een wrak en ons zelven voor bruinvisschen?” [26]

Dien avond schatten zij dat de Bonadventure een afstand van honderd twintig mijlen had afgelegd, sedert haar vertrek van het eiland Lincoln, dat is te zeggen in zes en dertig uur, hetgeen een snelheid van drie en een derde mijl in het uur gaf. De wind was zwak en zou weldra geheel gaan liggen. Men mocht in ieder geval hopen, indien men goed gerekend had en de richting juist was geweest, bij het aanbreken van den volgenden dag het eiland Tabor te zullen bereiken.

Gideon Spilett, noch Harbert, noch Pencroff sliepen dien nacht. In afwachting van den volgenden morgen konden zij hunne aandoening niet meester blijven. Er was zooveel onzekerheid in de onderneming, die zij gewaagd hadden! Waren zij dicht bij het eiland Tabor? Was dat eiland nog door dien schipbreukeling bewoond, dien zij nu te hulp kwamen? Wat was deze voor een man? Zou zijn tegenwoordigheid, de kleine kolonie, die tot nog toe zoo eensgezind was geweest, niet storen? Zou hij er in toestemmen zijn gevangenis voor een andere te ruilen? Al deze vragen, die zeker den volgenden dag beantwoord zouden worden, hielden hen uit hun slaap en bij de eerste ochtendschemering richtten zij achtereenvolgens hun blik naar elk punt van den westelijken horizon.

“Land!” riep Pencroff tegen zes uur in den morgen.

En daar het niet aan te nemen was, dat Pencroff zich vergiste, was men zeker land voor zich te hebben.

Men oordeele over de vreugde van de kleine bemanning van de Bonadventure!

Binnen weinige uren zouden zij op de kust van het eiland zijn!

Men was nog slechts vijftien mijlen van het eiland Tabor verwijderd, dat een lage kust had, welke nauwelijks boven de golven uitstak.

De steven van de Bonadventure, die een weinig ten zuiden van het eiland wees, werd nu daarheen gericht en naarmate de zon in het oosten steeg, kreeg men ook hier en daar eenige toppen in het gezicht.

“Het is een eilandje van veel minder belang dan het eiland Lincoln,” merkte Harbert op. “Het is waarschijnlijk eveneens ontstaan door een onderzeesche beweging.”

Om elf uur was de Bonadventure er nog slechts twee mijlen van verwijderd en Pencroff zocht een plaats om te landen, maar ging in deze onbekende streken uiterst voorzichtig te werk.

Men kon toen het eiland in zijn geheel overzien, waarop eenige groenende struiken wiesen en enkele groote boomen van dezelfde soort als op Lincoln groeiden.

Maar zonderling genoeg, nergens zag men een rookwolk opstijgen, die aantoonde dat het eiland was bewoond; geen spoor hiervan was er op eenig punt van de kust te zien. [27]

Het stuk was nochtans duidelijk geweest; er was een schipbreukeling en die schipbreukeling moest toch op den uitkijk zijn!

De Bonadventure waagde zich echter in de grillige passen, die tusschen de klippen stroomden, en Pencroff nam de onbeduidendste bochten nauwkeurig op. Hij had Harbert aan het roer gezet en aan den voorsteven nam hij het water waar, gereed om zeil te reven, waarvan hij het touw in de handen hield. Gideon Spilett ging met zijn verrekijker de geheele kust na, zonder dat hij iets bespeurde.

Eindelijk tegen twaalf uur, stootte de Bonadventure met haar voorsteven op de zandkust. Het anker werd geworpen, de zeilen werden gestreken en de bemanning van het kleine vaartuig ging aan wal.

Er viel niet te twijfelen of het was het eiland Tabor, omdat er, volgens de laatst uitgegeven kaarten, geen ander eiland in dit gedeelte van de Stille Zee tusschen Nieuw-Zeeland en de Amerikaansche kust bestond.

Het schip werd stevig vastgemeerd om te voorkomen dat het door den vloed meegenomen werd; en na zich goed gewapend te hebben, begaf Pencroff zich met zijn beide metgezellen op weg naar een kleinen bergtop van ongeveer twee honderd vijftig à drie honderd voet hoogte, op een halve mijl afstands.

“Van den top van dezen heuvel,” zeide Gideon Spilett, “zullen wij zonder twijfel het eiland kunnen overzien, hetgeen onze nasporingen veel gemakkelijker zal maken.”

“Wij moeten hier doen,” antwoordde Harbert, “wat mijnheer Cyrus het eerst op het eiland Lincoln gedaan heeft, toen hij den berg Franklin besteeg.”

“Precies hetzelfde,” antwoordde de reporter, “en dit is de beste manier om te beginnen.”

Al pratende volgden zij den zoom van een grasvlakte, die zich tot aan den voet van den heuvel uitstrekte. Een groot aantal rotsduiven en zeezwaluwen, van dezelfde soort als op Lincoln vlogen bij hun nadering op. In het bosch, aan de linkerzijde van de weide, hoorden zij ritselen in het kreupelhout en zagen zij het gras bewegen, hetgeen wel bewees dat er zeer schuwe beesten verblijf hielden; maar nog niets duidde aan dat het eiland bewoond was.

Pencroff, Harbert en Gideon waren weldra op den top van den berg en hun blik kon vrij langs alle punten van den horizon weiden.

Zij waren op een eiland, dat niet meer dan zes mijlen omtrek had en langwerpig rond van vorm was. Rondom was de zee geheel verlaten en smolt aan den horizon met de lucht samen. Er was geen land, geen zeil in het gezicht.

Dit eiland, dat geheel begroeid was, leverde niet zulk een afwisseling op als Lincoln, waarvan een gedeelte onvruchtbaar en wild was en een ander vruchtbaar en weelderig. Hier was het een onafgebroken [28]massa groen, waarboven twee of drie heuvels uitstaken. Dwars door een groote weide liep een kleine beek, die zich aan de westkust door een nauwen mond in zee stortte.

“Het is een zeer beperkt gebied,” zeide Harbert.

“Ja,” antwoordde Pencroff, “het zou voor ons wel wat te klein zijn geweest.”

“En erger,” zeide de reporter, “het schijnt onbewoond.”

“Waarlijk,” antwoordde Harbert, “niets duidt de aanwezigheid van menschen aan.”

“Laten wij naar beneden gaan en zoeken,” gaf Pencroff te raad.

De zeeman en zijn beide metgezellen keerden naar de kust terug, naar de plaats waar zij de Bonadventure hadden achtergelaten. Zij hadden besloten om te voet een tocht om het eiland te maken, vóor zich in het binnengedeelte te wagen, zoodat er niets aan hun onderzoek kon ontgaan.

Men kon gemakkelijk de kust volgen, welke op enkele punten slechts door groote rotsen afgebroken werd, die men echter kon omtrekken. De verkenners richtten zich naar het zuiden; een groot aantal watervogels en zeehonden vluchtten bij hun nadering, reeds wanneer zij hen van verre zagen komen.

“Het is niet voor de eerste maal,” merkte de reporter op, “dat deze dieren menschen zien. Zij vreezen hen en dus kennen zij hen.”

Een uur na hun vertrek kwamen zij bij de zuidelijke punt van het eiland en keerden zij langs de westkust naar het noorden terug. Ook deze kust bestond uit zand en rotsen en was door dichte bosschen begrensd.

Nergens was een spoor te ontdekken van bewoners, nergens over de geheele oppervlakte van het eiland, dat zij in vier uur geheel doorkruist hadden, was de indruk van een voetstap te vinden.

Het was zeer zonderling en men moest gelooven dat het eiland Tabor niet of niet meer bewoond was.

Misschien was het geschrift in de flesch reeds maanden of jaren oud en was het in dit geval mogelijk, dat de schipbreukeling naar zijn land teruggekeerd of van ellende omgekomen was.

Pencroff, Gideon Spilett en Harbert gebruikten onder druk gesprek hun middagmaal aan boord van de Bonadventure, om zoo mogelijk hun verkenning tot den nacht voort te zetten.

Tegen vijf uur in den avond waagden zij zich in het bosch.

Ook daar jaagden zij menig dier op, maar vooral, men zou zelfs kunnen zeggen, uitsluitend geiten en varkens, die men aanstonds als van europeesch ras herkende.

Een walvischvaarder had ze ongetwijfeld op het eiland ontscheept, waar zij zich spoedig vermenigvuldigd hadden. Harbert nam zich voor eenigen daarvan levend te vangen om ze naar Lincoln over te brengen. [29]

Het waren Cyrus Smith en Nab. Bladz. 24.

Het waren Cyrus Smith en Nab. Bladz. 24.

Het viel dus niet meer te betwijfelen, dat te eeniger tijd menschen dit eiland bezocht hadden. Men was er nog meer van overtuigd, toen men dwars door het bosch gebaande wegen zag en zelfs [30]boomstammen, die met een bijl geveld waren, en overal sporen van menschenarbeid; maar deze boomen, die reeds tot vermolmen overgingen, waren vele jaren geleden geveld: de inkervingen van de bijl waren met mos overdekt, en het lange gras groeide in overvloed op de paden, zoodat men ze nauwelijks terug kon vinden.

“Maar,” merkte Gideon Spilett op, “dit bewijst dat hier niet alleen menschen aan wal zijn geweest, maar dat zij het zelfs gedurende eenigen tijd bewoond hebben.”

Wie waren deze menschen? Hoeveel waren er? Hoeveel zijn er nog?

“Het geschrift,” zeide Harbert, “spreekt slechts van één schipbreukeling.”

“Welnu, indien er nog éen is,” antwoordde Pencroff, “dan moeten wij hem ook volstrekt vinden!”

Men zette dus de verkenning voort.

De zeeman en zijn metgezellen volgden natuurlijk den weg, die het eiland dwars doorsneed, en hielden dus den oever van de rivier, welke naar zee voerde.

Gaven dieren van Europeeschen oorsprong en eenige sporen van menschenarbeid reeds onbetwistbaar te kennen, dat er menschen op dit eiland geweest waren, verscheiden eigenaardigheden in het plantenrijk bewezen dit niet minder. Op enkele open plaatsen in het bosch zag men dat er moeskruiden geplant waren geweest in een waarschijnlijk lang verleden tijdperk.

De vreugde van Harbert was onbeschrijfelijk, toen hij aardappelen, cichorei, zuring, wortelen, kool en knollen vond, waarvan hij het zaad slechts behoefde te nemen om er den bodem van Lincoln mede te verrijken!

“Goed zoo, goed!” zeide Pencroff. “Dat is iets voor Nab. Vinden wij den schipbreukeling niet, dan zal onze reis ten minste niet te vergeefs zijn geweest en God zal ons beloond hebben!”

“Voorzeker,” antwoordde Gideon Spilett; “maar te oordeelen naar den staat, waarin deze moestuinen verkeeren, moet men vreezen dat het eiland sedert lang niet meer bewoond is.”

“Waarlijk,” antwoordde Harbert, “een bewoner, wie hij ook zij, zou zulke onmisbare planten niet zoo verwaarloosd hebben!”

“Ja,” zeide Pencroff, “die schipbreukeling is weg!... Dat moeten wij aannemen....”

“Men moet dus aannemen dat het papier in de flesch reeds van ouden datum is?”

“Natuurlijk.”

“En dat deze flesch het eiland Lincoln eerst bereikt heeft na langen tijd op zee te hebben rondgezworven?”

“Waarom niet?” antwoordde Pencroff.—“Maar de nacht valt in,” voegde hij er bij, “en ik geloof, dat het beter is ons onderzoek te schorsen.” [31]

“Laten wij aan boord gaan; morgen kunnen wij weer beginnen,” zeide de reporter.

Dit was het verstandigste en zijn raad werd opgevolgd, toen Harbert op een verwarde massa tusschen de boomen wees en uitriep:

“Een woning!”

Allen richtten zich onmiddellijk naar de aangewezen plaats. Bij de schemering kon men nog zien dat de woning uit planken bestond en door een dik geteerd zeil overtrokken was.

De deur, die aanstond, werd door Pencroff opengestooten, die snel binnentrad.... De woning was ledig!

[Inhoud]

VI.

Inventaris.—De nacht.—Eenige letters.—Voortzetting van het onderzoek.—Planten en dieren.—Harbert in gevaar.—Aan boord.—Vertrek.—Slecht weer.—Een vonk van instinct verdoold op zee.—Een vuur te rechter tijd.

Pencroff, Harbert en Gideon Spilett stonden sprakeloos te midden der duisternis.

Pencroff riep met luider stem.

Geen antwoord.

De zeeman sloeg vuur en stak een tak in zijn nabijheid aan. Dit licht verspreidde gedurende korten tijd zijn gloed in een klein vertrek, dat geheel verlaten scheen. Op den achtergrond was een ruwe stookplaats, met eenige koude asch, waarbij nog een kleine voorraad hout lag. Pencroff wierp er den brandenden tak op; het hout vatte vlam en gaf een helder licht.

De zeeman en zijn metgezellen zagen toen een ordeloos bed, waarvan de gele en vochtige dekens bewezen, dat het sedert lang niet gebruikt was; in een hoek bij den schoorsteen twee verroeste ketels en een omvergeworpen pan; een kast met eenige half vergane zeemanskleederen; op tafel lag een tinnen lepel en vork en een bijbel, die van vocht doortrokken was; in een hoek zagen zij werktuigen, een schop, een houweel, een pook, twee jachtgeweren, waarvan een was gebroken; op een plank stond een ongeschonden vaatje kruit, kogels en een doos percussies; alles was met een laag stof bedekt, die jaren noodig had gehad om zulk een dikte te verkrijgen.

“Er is niemand,” zeide de reporter.

“Niemand!” herhaalde Pencroff. [32]

“Het is lang geleden, dat deze kamer bewoond werd,” merkte Harbert op.

“Zeer lang!” beaamde de reporter.

“Mijnheer Spilett,” zeide Pencroff, “ik geloof, dat het beter is den nacht in deze woning door te brengen, in plaats van naar boord terug te keeren.”

“Gij hebt gelijk, Pencroff,” antwoordde Gideon Spilett, “en indien de eigenaar terugkomt, welnu! hij zal zich misschien niet beklagen zijn plaats ingenomen te vinden!”

“Hij zal niet terugkomen!” zeide de zeeman, het hoofd schuddende.

“Gelooft gij dat hij het eiland verlaten heeft?” vroeg de reporter.

“Wanneer hij het eiland verlaten heeft, had hij zijn wapens en werktuigen meegenomen,” zeide Pencroff. “Gij weet hoezeer schipbreukelingen aan deze voorwerpen hechten, die de laatste overblijfsels van een schipbreuk zijn. Neen! neen!” herhaalde de zeeman op stelligen toon, “neen! hij heeft het eiland niet verlaten! Indien hij op een door hem vervaardigde boot gevlucht was, dan zou hij zeker deze onmisbare voorwerpen niet achtergelaten hebben! Neen, hij is op het eiland!”

“Levend?....” vroeg Harbert.

“Levend of dood. Maar als hij gestorven is dan heeft hij zich zelf niet begraven, denk ik,” antwoordde Pencroff; “en wij zullen ten minste zijn geraamte vinden!”

Men besloot dus den nacht in de verlaten woning door te brengen, die voldoende verwarmd zou worden door den voorraad hout, welke nog in een hoek lag. Toen de deur gesloten was bleven Pencroff, Harbert en Gideon Spilett op een bank zitten; soms spraken zij, maar meestal waren zij in gepeins verzonken. Zij bevonden zich in een toestand waarin zij zich alles konden voorstellen, evenals zij alles konden verwachten, en zij luisterden gretig naar elk geluid daar buiten. Was de deur plotseling opengegaan, had er een man voor hen gestaan, het zou hen niet verwonderd hebben, niettegenstaande alles in de hut genoeg bewees, dat zij verlaten was, en hunne handen waren gereed de handen te drukken van dien man, van dien schipbreukeling, van dien onbekenden vriend, die door vrienden verwacht werd!

Maar zij hoorden niets; de deur bleef gesloten en de uren gingen alzoo voorbij.

Wat scheen die nacht lang voor den zeeman en zijn metgezellen! Alleen Harbert had twee uur geslapen, want op zijn jaren is slaap een behoefte. Zij verlangden alle drie hun onderzoek van den vorigen avond voort te zetten en dat eiland tot in de kleinste hoeken te onderzoeken! Hetgeen Pencroff verondersteld had, was volkomen juist en het was bijna zeker, dat de bewoner van de hut, daar deze [33]verlaten was en het huisraad, het gereedschap en de wapenen daar nog gevonden werden, moest zijn omgekomen. Men moest zijn overschot dus zoeken om het althans te begraven.

Harbert wees tusschen de boomen op een woning. Blz. 31.

Harbert wees tusschen de boomen op een woning. Blz. 31.

[34]

De dag brak aan, Pencroff en zijn metgezellen begonnen onmiddellijk met het onderzoek in de hut.

Zij was waarlijk onder gunstige omstandigheden gebouwd, tegen een kleinen heuvel, die door vijf of zes prachtige gomboomen beschut werd. Voor de hut waren de boomen met een bijl omgehakt, zoodat men vrij in zee kon zien. Een klein grasperk, dat door een houten heining was omgeven, leidde naar de kust, nabij de monding van de beek.

De hut zelf bestond uit planken en men kon gemakkelijk zien dat deze planken van de kiel of van het dek van een schip afkomstig waren. Het was dus waarschijnlijk dat een onttakeld schip op de kust van het eiland was geworpen, dat er minstens één man van de bemanning gered was en dat die man met behulp van het wrak deze woning gebouwd had, daar hij werktuigen tot zijn beschikking had.

Zij werden in deze meening nog meer overtuigd toen Gideon Spilett bij het omloopen van de hut een plank zag—waarschijnlijk een, die tot den voorsteven van het schip behoord had—waarop deze nog nauwelijks leesbare letters stonden:

BR.TAN..A.

“Britannia!” riep Pencroff uit, die door den reporter geroepen was, “dat is de naam van vele schepen, en ik zou niet kunnen zeggen of dit een Engelsche of een Amerikaansche bodem geweest is!”

“Het doet er weinig toe, Pencroff.”

“Dat is waar,” antwoordde de zeeman, “en wij zullen den overgeblevene van de bemanning redden, indien hij nog leeft, tot welk land hij ook behoore! Maar laten wij, voordat wij ons onderzoek voortzetten, eerst naar boord van de Bonadventure terugkeeren!”

Zekere onrust omtrent zijn schip had zich van Pencroff meester gemaakt. Wanneer het eiland toch eens bewoond ware en wanneer een van zijn bewoners zich eens meester had gemaakt.... Maar hij haalde zijn schouders op over zulk eene onwaarschijnlijke veronderstelling.

In ieder geval verlangde de zeeman aan boord te gaan ontbijten. De gebaande weg was niet lang,—nauwelijks een mijl. Men ging dus op weg en keek ondershands in het bosch en tusschen het kreupelhout, waarin geiten en varkens bij honderden de vlucht namen.

Twintig minuten, nadat zij de hut verlaten hadden, kregen Pencroff en zijn metgezellen de kust in het gezicht en de Bonadventure, die door haar anker, dat diep in het zand lag, werd vastgehouden.

Pencroff kon een zucht van voldoening niet onderdrukken. Dit schip toch was zijn kind, en het is het recht van den vader dikwijls zonder reden ongerust te zijn.

Men ging aan boord en nam een goed ontbijt, zoodat men eerst zeer laat een middagmaal behoefde te gebruiken; toen men [35]genoeg versterkt was, werd de verkenning met de meeste nauwgezetheid hervat en voortgezet.

Het zou toch zeer natuurlijk zijn dat de eenige bewoner van het eiland omgekomen was. Pencroff en zijne gezellen zochten ook eer naar een lijk, dan naar een levend mensch. Maar hunne nasporingen waren vruchteloos en er ging een halve dag voorbij, dat zij te vergeefs tusschen het dicht geboomte van het eiland zochten. Men moest toen wel aannemen dat, indien de schipbreukeling gestorven was en nu geen spoor van zijn lijk meer overbleef, het een of ander verscheurend dier het tot de laatste beenderen had verslonden.

“Wij zullen morgen met het aanbreken van den dag vertrekken,” zeide Pencroff tot Harbert en Gideon Spilett, die zich tegen twee uur in den middag in de schaduw van een boschje te slapen legden, om eenige oogenblikken uit te rusten.

“Ik geloof dat wij gerust de werktuigen en wapens kunnen medenemen, die aan den schipbreukeling behoord hebben,” zeide Harbert.

“Ik geloof het ook,” antwoordde Gideon Spilett, “en deze wapens en gereedschappen zullen het materiaal van het Rotshuis aanvullen. Als ik mij niet vergis is de voorraad kruit en lood vrij aanzienlijk.”

“Ja,” antwoordde Pencroff, “maar laten wij niet vergeten een of twee paar van die zwijnen mede te nemen, die hier op het eiland in overvloed zijn.”

“En eenige van die zaden eveneens,” voegde Harbert er bij, “waardoor wij alle groenten van het oude en nieuwe vasteland zullen verkrijgen.”

“Het zou dan misschien niet kwaad zijn om een dag langer op het eiland Tabor te vertoeven, om alles te verzamelen, wat ons van dienst zou kunnen zijn.”

“Neen, mijnheer Spilett,” antwoordde Pencroff, “ik moet u verzoeken morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Het komt mij voor, dat de wind naar het westen zal omslaan en nadat wij een gunstige bries hebben gehad om hierheen te komen, zullen wij een niet minder gunstigen wind hebben om terug te keeren.”

“Laten wij dan geen tijd verloren laten gaan!” zeide Harbert terwijl hij opstond.

“Ja, laten wij geen tijd verloren laten gaan,” herhaalde Pencroff. “Harbert, gij kent de kruiden beter dan wij, gij moet ze dus verzamelen. In dien tijd zullen mijnheer Spilett en ik op de zwijnenjacht gaan, en zelfs zonder Top, hoop ik mij toch van eenige stuks meester te maken!”

Harbert nam het pad, dat naar het bebouwde gedeelte van het eiland leidde, terwijl de zeeman en de reporter het bosch ingingen.

Menig zwijn sprong voor hunne voeten op en die dieren, die [36]bijzonder vlug waren, schenen er niets op gesteld, dat men hen naderde. Na een half uur gejaagd te hebben, hadden de beide mannen zich meester gemaakt van een paar dat tusschen het kreupelhout gedoken zat, toen zij eensklaps luide noodkreten hoorden op een paar honderd pas afstand in het noordelijk gedeelte van het eiland. Bij deze kreten vernam men nog een rauw brullen, dat niets menschelijks had.

Pencroff en Gideon Spilett sprongen op en de zwijnen maakten van die beweging gebruik om te ontvluchten, juist op het oogenblik dat de zeeman touwen gereed maakte om hen te binden.

“Dat is de stem van Harbert!” zeide de reporter.

“Spoedig naar hem toe,” riep Pencroff.

De zeeman en Gideon Spilett begaven zich, zoo snel hunne beenen hen dragen konden, naar de plaats vanwaar zij de kreten gehoord hadden.

En het was hoog tijd dat zij kwamen, want op een open plek in het bosch zagen zij den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel, een reusachtige aap ongetwijfeld, die hem geheel in zijne macht had.

Op het dier toe te springen, het op zijn beurt op den grond te werpen, Harbert te verlossen en hun vijand stevig vast te houden, was voor Pencroff en Gideon Spilett het werk van een oogenblik. De zeeman was een Herkules en de reporter had ook spieren van ijzer, en hoewel het monster krachtig tegenstand bood, werd het vastgebonden, zoodat het geen beweging meer kon maken.

“Zijt gij niet gewond, Harbert?” vroeg Gideon Spilett.

“Neen, neen!”

“Als hij u eens gewond had, die aap!....” riep Pencroff uit.

“Maar het is geen aap!” antwoordde Harbert.

Pencroff en Spilett namen toen het zonderlinge wezen dat op den grond lag, nauwkeuriger op.

Inderdaad, het was geen aap! Het was een menschelijk wezen, het was een man! Maar welk een man! Een wilde, in de vreeselijkste beteekenis van het woord, daar hij tot den laatsten graad van verdierlijking vervallen scheen!

Ordelooze haren, langen baard, die tot op zijn borst neerviel, bijna geheel naakt lichaam, behalve een oud kleedingstuk dat zijn lendenen bedekte, woeste oogen, groote handen, met onnatuurlijk lange nagels, donkere huid en voeten die even hard als hoorn waren geworden: ziedaar een schets van het ellendige schepsel, dat men toch een mensch moest noemen! Maar men had wel recht zich af te vragen of er nog een ziel in dat lichaam huisde of dat het dierlijk instinct alleen daarin was overgebleven!

“Zijt gij wel zeker dat het een mensch is of geweest is?” vroeg; Pencroff aan den reporter.

“Het valt, helaas, niet meer te betwijfelen,” antwoordde deze. [37]

Zij zagen den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel. Blz. 36.

Zij zagen den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel. Blz. 36.

“Zou dit dan de schipbreukeling zijn?” vroeg Harbert.

“Ja, antwoordde Gideon Spilett, “maar de ongelukkige heeft niets menschelijks meer!” [38]

Wat de correspondent zeide was waar. Mocht de schipbreukeling ooit een beschaafd wezen geweest zijn, hij was door volkomen afzondering een wilde, ja erger misschien, een boschjesman geworden. Rauwe kreten stegen er uit zijn keel op, tusschen zijn tanden, die even scherp waren geworden als van vleeschetende dieren, die slechts rauw voedsel eten. Zijn geheugen moest hem ook sedert lang begeven hebben en langen tijd had hij zich niet meer kunnen bedienen van zijn wapenen en werktuigen en kon hij geen vuur meer maken! Men zag dat hij sterk en lenig was, maar dat alle lichamelijke hoedanigheden zich bij hem ontwikkeld hadden ten koste van zijn geestelijke vermogens.

Gideon Spilett sprak tot hem. Hij scheen hem niet te begrijpen, zelfs niet te verstaan.... En toch meende de reporter te bemerken toen hij hem goed in de oogen zag, dat niet alle verstand in hem was uitgedoofd.

De gevangene verweerde zich intusschen niet en trachtte evenmin zijn boeien te verbreken. Was hij vernietigd door de tegenwoordigheid van menschen, wier gelijke hij was geweest? Vond hij in zijn hersens een vluchtige herinnering die hem tot de menschheid terugbracht? Indien hij vrij ware geweest, zou hij dan getracht hebben te ontvluchten of zou hij gebleven zijn? Men wist het niet, maar nam er ook niet de proef van, en na de ellendige nauwkeurig opgenomen te hebben, zeide Gideon Spilett:

“Wie hij zij, wie hij geweest mag zijn en wat hij moge worden, het is onze plicht hem met ons mede te nemen naar het eiland Lincoln!”

“Ja! ja!” antwoordde Harbert, “en misschien zal men door zorgvuldige verpleging nog een weinig verstand in hem opwekken!”

“De ziel sterft niet,” zeide de reporter, en het zou voor ons een groote voldoening zijn dit schepsel van God aan de verdierlijking te ontrukken!”

Pencroff schudde ongeloovig het hoofd.

“Men moet het in ieder geval beproeven,” antwoordde de reporter, “en de liefde voor onze naasten gebiedt het ons.”

Het was inderdaad hun plicht als beschaafde christenen. Alle drie begrepen dit en zij wisten wel dat Cyrus Smith het goed zou vinden, wanneer zij aldus handelden.

“Zullen wij hem geboeid laten?” vroeg de zeeman.

“Misschien loopt hij, wanneer men zijn voeten vrij laat,” zeide Harbert.

“Laten wij het beproeven.”

De touwen, die om de voeten van den gevangene waren, werden losgemaakt, maar zijn armen bleven stevig gebonden. Hij stond zelf op en legde niet het minste verlangen aan den dag om te ontvluchten. Hij wierp een doordringenden blik op de drie mannen, die naast [39]hem liepen en niets duidde aan, dat hij zich herinnerde hun gelijke te zijn of ten minste het geweest te zijn. Een aanhoudend fluiten kwam over zijn lippen en zijn uiterlijk was woest, maar hij bood geen weerstand.

Op raad van den reporter bracht men den ongelukkige in zijn woning. Mogelijk zou het gezicht van voorwerpen, die hem toebehoorden, eenigen indruk op hem maken! Mogelijk was éen vonkje voldoende om zijn beneveld verstand te doen herleven, om zijn verdoofde ziel weder op te wekken!

De woning was niet ver af. Binnen weinige minuten hadden zij haar bereikt; maar daar herkende de gevangene niets, en hij scheen het besef van alles verloren te hebben.

Wat kon men nog afleiden uit dezen lagen graad van verdierlijking waartoe deze ongelukkige vervallen was? Niets dan dat zijn gevangenschap op het eiland reeds van langen duur moest zijn geweest, en dat hij door afzondering tot dien toestand vervallen was, nadat hij als een redelijk wezen op het eiland was gekomen?

De reporter kwam toen op het denkbeeld, dat vuur misschien eenigen indruk op hem zou maken, en binnen weinige oogenblikken knapperde in den haard een van die heldere vuren, die zelfs dieren tot zich lokken.

Het gezicht van vlammen scheen eerst de aandacht van den ongelukkige te trekken; maar weldra trok hij zich terug en zijn blik verdoofde.

Op dit oogenblik kon men niets anders met hem doen, dan hem aan boord van de Bonadventure brengen, hetgeen geschiedde en waar hij onder toezicht van Pencroff bleef.

Harbert en Gideon Spilett keerden naar het eiland terug om hun inzameling voort te zetten en eenige uren later scheepten ook zij zich in met de wapenen en gereedschappen, een voorraad zaad, eenige stukken wild en twee paar zwijnen.

Alles was gereed en de Bonadventure zou het anker lichten zoodra de vloed den volgenden morgen opkwam.

De gevangene was in een der hutten gebracht, waar hij kalm, onbeweeglijk, doof en stom tegelijk, bleef zitten.

Pencroff bood hem te eten, maar hij wees het gebraden vleesch af dat hem aangeboden was en dat zeker niet in zijn smaak viel. Toen de zeeman hem een van de eenden voorhield, die Harbert gedood had, wierp hij er zich op als een dier en verslond haar.

“Gelooft gij dat hij ooit veranderen zal?” zeide Pencroff, terwijl hij het hoofd schudde.

“Misschien,” antwoordde de reporter. “Het is niet onmogelijk dat wij er door groote zorg in slagen hem te veranderen, want hij is zoo geworden door de eenzaamheid en voortaan zal hij niet meer alleen zijn!” [40]

“Die arme man verkeert zeker sedert langen tijd in dezen toestand!” zeide Harbert.

“Misschien,” antwoordde Gideon Spilett.

“Hoe oud zou hij zijn?”

“Dat is moeilijk te bepalen,” antwoordde de reporter, “want men kan zijn gelaatstrekken niet zien onder den zwaren baard, die zijn gezicht bedekt, maar hij is niet jong meer, en ik veronderstel, dat hij minstens vijftig jaar moet zijn.”

“Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer Spilett, hoe diep zijn oogen in hunne kassen verborgen zijn?” vroeg Harbert.

“Ja, Harbert, maar ik zag ook dat zij menschelijker zijn dan men wel zou verwachten bij het zien van zijn lichaam.”

“Wij moeten afwachten,” zeide Pencroff, “en ik ben nieuwsgierig het oordeel van mijnheer Smith omtrent onzen wilde te vernemen. Wij gingen een menschelijk wezen halen en wij brengen een monster te huis! Maar men doet wat men kan!”

De nacht ging voorbij en de gevangene sliep of waakte, men wist het niet, maar in ieder geval hij bewoog zich niet, ofschoon men zijn boeien had losgemaakt. Hij was als de gevangen wilde dieren, die onder den indruk zijn van den eersten tijd hunner opsluiting en later weder wild worden.

Bij het aanbreken van den volgenden dag—15 October—was het weer veranderd, zooals Pencroff voorzien had. De wind was naar het noordwesten gedraaid, en begunstigde den terugtocht van de Bonadventure; maar hij stak ter zelfder tijd heftiger op en maakte de vaart moeielijker.

Tegen vijf uur in den morgen werd het anker gelicht.

De eerste dag van den overtocht ging voorbij zonder dat er iets van belang voorviel.

Den volgenden dag werd de wind sterker en keerde nog meer naar het noorden en kreeg bijgevolg een minder gunstige richting voor de Bonadventure, die op de golven danste. Wanneer de wind niet veranderde, zou men langer tijd noodig hebben om Lincoln te bereiken, dan voor de reis naar Tabor.

17 en 18 October gingen voorbij zonder dat men land in het gezicht kreeg. De zee was onstuimig en eenmaal werd de Bonadventure zelfs voor een oogenblik onder een golf bedolven.

De toestand bleef hachelijk en de zeeman begon zelfs te gelooven dat hij op dezen onmetelijken oceaan verdwaald was, zonder dat er mogelijkheid bestond den weg terug te vinden.

De nacht van 18 op 19 October was donker en koud. Tegen elf uur bedaarde de wind en werd de zee kalmer; de Bonadventure werd minder geslingerd en ging zeer snel vooruit. Zij had overigens uitmuntend zee gehouden.

“Een vuur, een vuur!” Bladz. 42.

“Een vuur, een vuur!” Bladz. 42.

Noch Pencroff, noch Gideon Spilett, noch Harbert dachten er [41]aan om te gaan slapen. Zij waakten met de grootste oplettendheid, want óf Lincoln kon niet ver verwijderd zijn en men zou het bij het aanbreken van den dag in het gezicht hebben, òf de Bonadventure [42]was door den stroom medegesleept en door den wind uit haar koers geraakt, zoodat het bijna onmogelijk was geworden haar weder in de goede richting te brengen.

Pencroff, hoewel ongerust, wanhoopte niet; aan zijn beproefden moed was dat gevoel vreemd; aan het roer gezeten, trachtte hij onafgebroken de dichte duisternis die hem omhulde te doordringen.

Tegen twee uur in den morgen stond hij plotseling op en riep:

“Een vuur! een vuur!”

Men zag inderdaad op twintig mijlen in het noordoosten een helder vuur. Daar lag het eiland Lincoln en dit vuur, waarschijnlijk door Cyrus Smith ontstoken, gaf hun den weg aan, dien zij moesten volgen.

Pencroff, die te veel naar het noorden had aangehouden, veranderde van koers en wendde den steven naar dat vuur, dat als een ster van de eerste grootte aan den horizon schitterde.

[Inhoud]

V.

De terugkomst.—Onderling overleg.—Cyrus Smith en de onbekende.—De ballonhaven.—Tranen.—De derde oogst.—Een windmolen.—Het eerste meel en het eerste brood.—Opoffering van den ingenieur.—Een treffende ontdekking.

Den volgenden dag—20 October—tegen zeven uur in den morgen liep de Bonadventure, na een reis van vier dagen, den mond van de Mercy binnen.

Cyrus Smith en Nab waren reeds vroeg in den morgen naar de bergvlakte gegaan, daar zij zeer ongerust waren over het ongunstige weer en het lang uitblijven van hunne makkers; eindelijk hadden zij het vaartuig in het gezicht gekregen waarnaar zij zoo lang hadden uitgezien!

“God zij gedankt! Daar zijn zij!” riep Cyrus Smith uit.

Nab sprong, draaide op zijn hielen rond en klapte in zijn handen van plezier onder het roepen van: “O! mijn meester!” deze pantomime was welsprekender dan het mooiste betoog!

De eerste gedachte van den ingenieur, toen hij de personen telde die hij op het dek van de Bonadventure bespeurde, was dat Pencroff den schipbreukeling van het eiland Tabor niet had kunnen vinden [43]of dat deze ongelukkige geweigerd had zijn eiland te verlaten en en zijn gevangenis met een andere te verwisselen.

Pencroff, Gideon Spilett en Harbert stonden inderdaad alleen op het dek van de Bonadventure.

De ingenieur en Nab wachtten aan de kust toen het vaartuig landde en nog voordat de passagiers voet aan wal hadden, zeide Cyrus Smith:

“Wat zijn wij ongerust over uw lang uitblijven geweest, vrienden! Is u een ongeluk overkomen?”

“Neen,” antwoordde Gideon Spilett, “alles is integendeel goed afgeloopen. Wij zullen u alles vertellen.”

“Gij zijt echter niet geslaagd in uwe nasporingen, daar er slechts, evenals bij het uitzeilen, drie man aan boord zijn?”

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Cyrus, wij zijn met ons vieren!” antwoordde de zeeman.

“Gij hebt den schipbreukeling dus gevonden?”

“Ja.”

“En gij hebt hem meegebracht?”

“Ja.”

“Levend?”

“Ja.”

“Waar is hij? Wie is hij?”

“Het is, of liever het was een man!” antwoordde de reporter. “Dit is alles wat wij u kunnen zeggen, Cyrus!”

De ingenieur werd spoedig op de hoogte gebracht van alles wat er gedurende de reis was voorgevallen. Men vertelde hem onder welke omstandigheden de nasporingen hadden plaats gehad, hoe de eenige woning van het eiland sedert lang verlaten was, hoe men eindelijk een schipbreukeling had gevonden, die niet meer tot het menschelijk geslacht scheen te behooren.”

“En ik weet zelfs niet,” voegde Pencroff er bij, “of wij goed gehandeld hebben met hem hierheen te voeren.

“Zeer zeker hebt gij goed gehandeld, Pencroff,” antwoordde de ingenieur levendig.

“Maar deze ongelukkige is van zijn verstand beroofd.”

“Dat is wel mogelijk,” antwoordde Cyrus Smith, “maar nauwelijks eenige maanden geleden was hij een mensch, zooals gij en ik. En wie weet wat er van de laatstoverlevende van ons zal worden, na een lange afzondering op dit eiland? Wee hem! die alleen is, vrienden. Gelooft vrij, dat de eenzaamheid spoedig het verstand uitdooft. Dit blijkt weder uit den ongelukkige, dien gij in zulk een toestand gevonden hebt!”

“Maar, mijnheer Cyrus,” vroeg Harbert, “waarom gelooft gij dat de verdierlijking van dit rampzalige wezen slechts van eenige maanden is?”

“Omdat het bericht, dat wij gevonden hebben, eerst kort geleden [44]geschreven was,” antwoordde de ingenieur, “en dat alleen de schipbreukeling dit stuk heeft kunnen schrijven.”

“Wanneer het ten minste niet opgesteld is door een lotgenoot van dien man, welke na dien tijd gestorven is,” merkte Gideon Spilett op.

“Dat is niet mogelijk, mijn waarde Spilett.”

“Waarom?” vroeg de reporter.

“Omdat het stuk van twee schipbreukelingen gesproken zou hebben,” hernam Cyrus Smith, “en er wordt slechts van éen melding gemaakt.”

Harbert verhaalde in weinige woorden wat er gedurende den tocht was voorgevallen.

De schipbreukeling van het eiland Tabor werd vervolgens uit de hut van de Bonadventure gehaald en toen hij aan wal stond, toonde hij groote neiging om te ontvluchten.

Cyrus Smith naderde hem en legde de hand op zijn schouder, met een gebaar van gezag, terwijl hij hem vriendelijk in de oogen blikte. De ongelukkige werd, onder den indruk dier plotselinge overmacht, langzamerhand kalmer; hij sloeg de oogen neder, boog het hoofd en verzette zich niet meer.

“Arme verlatene!” mompelde de ingenieur.

Er werd besloten, dat de onbekende—want met dezen naam duidden zijn lotgenooten hem voortaan aan—een van de kamers van het Rotshuis krijgen zou, waaruit hij niet kon ontsnappen. Hij liet er zich zonder tegenstand heen brengen en wanneer men hem met groote zorg behandelde, misschien zou men dan eenmaal een kolonist meer mogen tellen op het eiland Lincoln.

Onder een flink ontbijt, dat Nab spoedig gereed had gemaakt,—de reporter, Harbert en Pencroff waren uitgehongerd,—liet Cyrus Smith zich de reis naar het eiland tot in de kleinste bijzonderheden vertellen. Hij was het met zijn vrienden op dat punt eens, dat de onbekende een Engelschman of een Amerikaan moest zijn, want de naam Britannia gaf alle reden dit te vermoeden en onder dien verwaarloosden baard en dat verwarde haar meende de ingenieur overigens het Anglo-Saxische type te herkennen.

“Maar gij hebt ons nog niet verteld, Harbert,” zeide Gideon Spilett, “op welke manier gij dezen wilde ontmoet hebt en wij weten niet anders, dan dat hij u geworgd zou hebben, wanneer wij niet bij tijds waren gekomen om je te verlossen!”

“Dat is zoo,” antwoordde Harbert, “maar ik weet waarlijk zelf niet goed meer hoe alles is toegegaan. Ik was, geloof ik, bezig planten te verzamelen toen ik geluid hoorde als van een sneeuwklomp die uit een zeer hoogen boom viel.... Die ongelukkige, die waarschijnlijk in een boom verscholen zat, had zich op mij geworpen, binnen korter tijd dan ik noodig heb het te vertellen en zonder mijnheer Spilett en Pencroff....”

“Jongenlief!” zeide Cyrus Smith, “gij hebt daar inderdaad een [45]groot gevaar geloopen, maar zonder dat zou dit arme wezen misschien nooit door u gevonden zijn en zouden wij niet een metgezel meer kunnen tellen.”

Cyrus Smith legde de hand op zijn schouder. Bladz. 44.

Cyrus Smith legde de hand op zijn schouder. Bladz. 44.

[46]

“Gij hoopt dus, Cyrus, er in te slagen weer een mensch van hem te maken?” vroeg de reporter.

“Ja,” antwoordde de ingenieur.

De geheele lading van de Bonadventure werd aan wal gebracht. De vaatjes kruit en lood waren zeer welkom. Men besloot zelfs een klein kruitmagazijn aan te leggen, hetzij buiten het Rotshuis hetzij in een van de kelders waar geen ontploffing te vreezen was.

Toen alles ontladen was zeide Pencroff:

“Mijnheer Cyrus, ik geloof dat het voorzichtig zou zijn onze Bonadventure op een veilige plaats te brengen.”

“Is zij dan niet goed in den mond van de Mercy?” vroeg Cyrus Smith.

“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Zij wordt bijna onophoudelijk op het zand heen en weer geworpen, en dat schaadt haar te veel. Het is een goed schip, ziet u, dat zich uitmuntend gehouden heeft in den storm, waartegen wij op onze terugkomst hevig te kampen hebben gehad.”

“Zou men haar niet in de rivier kunnen laten liggen?”

“Zeker zou dat kunnen, mijnheer Cyrus, maar die mond levert in het minst geen schuilplaats, en bij oostenwind zou de Bonadventure veel van de golven te lijden hebben.”

“Maar waar wilt gij haar dan brengen, Pencroff?”

“Naar de Ballonhaven,” antwoordde hij. “Die kleine kreek, rondom door rotsen besloten, komt mij voor juist de haven te zijn, die wij noodig hebben.”

“Is zij niet wat te ver af?”

“Kom, niet meer dan drie mijlen van het Rotshuis, en wij hebben een rechten weg om er haar naar toe te voeren!”

“Het is goed, Pencroff, breng uw Bonadventure er heen,” antwoordde de ingenieur, “en toch had ik haar liever meer in onze nabijheid om haar in het oog te houden. Wanneer wij tijd hebben moesten wij er een kleine haven voor trachten te maken.

“Lieve Hemel!” riep Pencroff uit. “Een haven met een baak, een hoofd en een dok! Met u wordt alles gemakkelijk!”

Harbert en de zeeman scheepten zich opnieuw in, het anker van de Bonadventure werd gelicht, de zeilen geheschen en een goede bries bracht hen binnen twee uur in de Ballonhaven.

De schipbreukeling toonde zich in het begin onwillig en soms vreesde men, dat hij door een van de vensters van het Rotshuis naar het strand zou vluchten. Maar hij werd langzamerhand bedaarder en men kon hem meer vrijheid laten.

Men kreeg reeds meer en meer hoop. Hij legde zelfs zijn instinct van vleeschetend dier af en nam ook minder het dierlijk voedsel aan, dat hij op het eiland gebruikte; hij had niet zulk een afkeer meer van gebraden vleesch dan hij aan boord van de Bonadventure getoond had. [47]

Cyrus Smith had gebruik gemaakt van des vreemdelings slaap om hem zijn haren en zijn ordeloozen baard af te snijden, die als manen om zijn hoofd hingen. Hij had hem ook beter gekleed, nadat hij hem de lompen, waarmede hij bedekt was, had afgenomen. Het gevolg van die zorgen was, dat de onbekende er menschelijker uitzag, en het scheen zelfs, dat zijn blik zachter werd. Het was zeker, dat het gelaat van dien man schoon moest zijn geweest toen het nog door verstand verhelderd werd.

Cyrus Smith bracht iederen dag eenige uren in zijn gezelschap door. Hij kwam bij hem werken en deed allerlei dingen om zijn aandacht te trekken. Een vonk, een herinnering kon inderdaad voldoende zijn om deze ziel te doen herleven, om het verstand weder op te wekken!

De ingenieur sprak ook dikwijls zeer luid om ter zelfder tijd door de organen van het gehoor en van het gezicht dat verdoofde verstand te treffen. Nu en dan voegde er een van zijn metgezellen, soms ook allen zich bij hem. Zij spraken dan meestal over de zee en de zeevaart, die in de eerste plaats de aandacht van een zeeman moesten trekken. Soms luisterde de onbekende vaag naar hetgeen er gesproken werd en de kolonisten kwamen weldra tot de overtuiging, dat hij hen gedeeltelijk begreep. Enkele keeren was de uitdrukking van zijn gelaat zeer somber en kon men zien, dat hij innerlijk leed; maar hij sprak niet, hoewel men verscheiden malen meende te bespeuren, dat er woorden over zijn lippen zouden komen.

De kolonisten volgden met ware belangstelling elke vordering van Cyrus Smith op dezen ongelukkige. Ook hielpen zij hem in dit menschlievend werk en allen, behalve misschien de ongeloovige Pencroff, deelden weldra zijn hoop en geloof.

De onbekende was zeer kalm en had voor den ingenieur, onder wiens invloed hij zichtbaar stond, een soort van gehechtheid. Cyrus Smith wilde hem op de proef stellen door hem in een andere omgeving te brengen, bij dien Oceaan, waarop hij vroeger altijd had gestaard en aan den zoom van de bosschen, die hem moesten herinneren aan die, waarin hij zooveel jaren zijn leven had doorgebracht!

“Maar,” zeide Gideon Spilett, “mogen wij hopen dat hij niet ontvluchten zal, zoodra hij vrij is?”

“Dat moeten wij afwachten,” antwoordde de ingenieur.

“Goed!” zeide Pencroff. “Wanneer die snuiter zich vrij gevoelt en die groote ruimte voor zich ziet, dan zal hij zoo hard mogelijk wegloopen!”

“Ik geloof het niet,” antwoordde Cyrus Smith.

“Laten wij het beproeven.”

“Wij zullen het beproeven.” [48]

Dit gesprek werd gehouden op den 30sten October en bij gevolg negen dagen nadat de schipbreukeling van het eiland Tabor in het Rotshuis gevangen was. Het was warm en de zon scheen helder op het eiland.

Cyrus Smith en Pencroff gingen naar de kamer van den onbekende, dien zij naast zijn venster vonden liggen, terwijl hij naar de lucht keek.

“Ga mede, mijn vriend,” zeide de ingenieur tot hem.

De onbekende stond oogenblikkelijk op. Zijn blik richtte zich op Cyrus Smith en hij volgde hem, terwijl de zeeman achter hem liep, die weinig vertrouwen stelde in den uitslag van deze proef.

Weldra was men aan de kust, waar Nab, Harbert en Gideon Spilett wachtten.

De kolonisten verwijderden zich een weinig van den onbekende om hem eenige vrijheid te laten.

Hij deed eenige stappen naar de zee en zijn blik schitterde met buitengewonen glans, maar hij trachtte volstrekt niet te ontsnappen. Hij sloeg de kleine golfjes gade die op het land wegstierven.

“Dit is nog slechts de zee,” merkte Gideon Spilett op, “en het schijnt dat deze hem niet op de gedachte brengt om te vluchten.”

“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “wij moeten hem naar de bergvlakte, bij den zoom van het bosch brengen. Daar zullen wij duidelijker bewijzen krijgen.”

“Hij kan ook niet ontsnappen,” merkte Nab op, “want al de bruggen zijn opgehaald.”

“Nu,” zeide Pencroff, “hij is er wel de man naar, om zich aan een beek, zoo als de Glycerine-rivier is, te storen! In een sprong was hij er over!”

“Wij zullen zien,” antwoordde Cyrus Smith slechts, wiens blik den krankzinnige niet verlaten had.

Deze werd vervolgens naar den mond van de Mercy gebracht en allen bereikten langs den linkeroever van de rivier de bergvlakte.

Op de plek gekomen, waar de eerste prachtige boomen van het bosch groeiden, wier bladeren zachtkens, door den wind bewogen werden, scheen de onbekende den doordringenden geur, waarmede de dampkring vervuld was, met genot in te ademen en een diepe zucht ontsnapte aan zijn borst!

De kolonisten bleven een weinig achter, gereed om hem te vatten, indien hij een beweging maakte om te ontvluchten!

Het arme wezen was inderdaad op het punt om zich in de rivier te werpen, die hem van het bosch scheidde, en hij boog de knieën als stond hij gereed een sprong te nemen. Maar bijna terzelfder tijd bedwong hij zich, zonk ineen en groote tranen biggelden langs zijn wangen. [49]

Den 1sten December was men met den molen gereed. Blz. 55.

Den 1sten December was men met den molen gereed. Blz. 55.

“O!” riep Cyrus Smith uit, “gij zijt weder mensch geworden, daar gij tranen hebt gestort!” [50]

[Inhoud]

VI.

Een geheim, dat moet ontraadseld worden.—De eerste woorden van den onbekende.—Twaalf jaar op het eiland.—Bekentenissen.—De verdwijning.—Vertrouwen van Cyrus Smith.—De molen.—Het eerste brood.—Een opoffering.—De eerlijke handen.

Ja, de rampzalige had geschreid! Waarschijnlijk was er eene herinnering in hem opgekomen en volgens de uitdrukking van Cyrus Smith was hij weder mensch geworden door de tranen die hij gestort had.

De kolonisten lieten hem eenigen tijd op de bergvlakte en verwijderden zich zelfs een weinig, opdat hij zich nog meer vrij zou gevoelen, maar hij dacht er niet aan om van deze vrijheid misbruik te maken, en Cyrus Smith besloot weldra hem weder naar het Rotshuis terug te voeren.

Twee dagen na dit voorval scheen de onbekende meer en meer aan het gemeenschappelijke leven te willen deelnemen. Hij hoorde en begreep blijkbaar, maar bleef er bij volharden om niet tot de kolonisten te spreken, want eens, dat Pencroff ’s avonds aan de deur van zijn kamer luisterde, hoorde hij deze woorden over zijn lippen komen.

“Neen! hier! ik! nooit!”

De zeeman bracht deze woorden aan zijn metgezellen over.

“Daar schuilt eenig treurig geheim achter!” zeide Cyrus Smith.

De onbekende was gebruik gaan maken van de werktuigen en arbeidde in den moestuin. Als hij met zijn arbeid ophield, hetgeen dikwijls gebeurde, dan bleef hij in gedachten verzonken; maar op aanraden van den ingenieur eerbiedigde men de afzondering waarin hij scheen te willen blijven. Indien een van de kolonisten hem naderde, week hij ter zijde en een zucht ontvlood aan zijn borst, alsof zijn gemoed vol was. Was het berouw dat hem zoo deed handelen? Dit zou men bijna gelooven, en Gideon Spilett maakte zeer terecht deze opmerking:

“Indien hij niet spreekt, is dit, geloof ik, omdat hij ernstige dingen te zeggen heeft!”

Men moest geduld hebben en wachten.

Toen de onbekende eenige dagen later, 3 November, op de bergvlakte werkte, liet hij plotseling zijn bijl op den grond vallen; Cyrus Smith, die hem van ter zijde gade sloeg, zag ten tweeden male groote tranen over zijn wangen biggelen. Een onwederstaanbaar medelijden voerde hem tot den ongelukkige en, diens arm licht aanrakende, zeide hij: [51]

“Vriend!”

De blik van den onbekende trachtte hem te ontwijken, en toen Cyrus Smith zijn hand wilde vatten trad hij plotseling terug.

“Zie mij aan,” zei Cyrus Smith op gebiedenden toon, “ik eisch het!”

De onbekende zag den ingenieur aan en scheen geheel onder diens invloed, even als een gemagnetiseerde onder den invloed van zijn magnetiseur. Maar toen had er eensklaps een geheele verandering in zijn gelaat plaats. Zijn blik schoot vlammen. De woorden trachten zijn lippen te ontsnappen. Hij kon zich niet langer inhouden!.... Eindelijk kruiste hij zijn armen en zeide op doffen toon:

“Wie zijt gij?”

“Schipbreukelingen evenals gij,” antwoordde de ingenieur diep ontroerd. “Wij hebben u hierheen gevoerd, onder uw gelijken.”

“Mijn gelijken!.... Ik heb er geen!”

“Gij zijt te midden van vrienden....”

“Vrienden!.... ik! vrienden!” riep de onbekende uit, het hoofd in zijn beide handen verbergende.... “Neen.... nooit.... laat mij! laat mij!”

Met deze woorden ontvluchtte hij en bleef langen tijd onbeweeglijk op de vlakte die uitzicht gaf op de zee.

Cyrus Smith was naar zijn metgezellen gegaan en vertelde hun hetgeen voorgevallen was.

“Ja! er is een geheim in het leven van dien man,” zeide Gideon Spilett, “en het schijnt dat hij niet dan door de stem des berouws tot de menschheid is teruggekeerd.”

“Ik begrijp niet recht, welk soort van mensch wij hebben meegebracht,” zeide de zeeman. “Hij heeft geheimen....”

“Die wij zullen eerbiedigen,” antwoordde Cyrus Smith levendig. “Heeft hij een misdaad begaan, dan heeft hij er wel voor geboet, en in onze oogen is hij vergeven.”

Twee uur lang bleef de onbekende alleen op het strand, zichtbaar onder den invloed der herinneringen, die hem zijn geheele verleden voor den geest riepen,—voorzeker een vreeselijk verleden—en zonder hem uit het oog te verliezen, stoorden de kolonisten zijn afzondering niet.

Na twee uur scheen hij echter een besluit genomen te hebben en kwam hij bij Cyrus Smith.

Zijn oogen waren rood door de tranen die hij had gestort, maar hij weende niet meer. Zijn gelaat drukte de grootste onderwerping uit. Hij scheen bevreesd, beschaamd, gedrukt en zijn blik bleef onafgebroken op den grond gericht.

“Mijnheer,” zeide hij tot Cyrus Smith, “zijt gij en uwe metgezellen Engelschen?”

“Neen,” antwoordde de ingenieur, “wij zijn Amerikanen.”

“O!” zeide de onbekende, en hij mompelde: [52]

“Dat is mij ook liever!”

“En gij, vriend?” vroeg de ingenieur.

“Engelschman,” antwoordde hij snel.

En alsof deze woorden hem benauwd hadden, verwijderde hij zich en liep vervolgens heen en weer onder de grootste gemoedsbeweging.

Toen hij in de nabijheid van Harbert kwam, stond hij stil en vroeg hem met gesmoorde stem:

“Welke maand?”

“December,” antwoordde Harbert.

“Welk jaar?”

“1866.”

“Twaalf jaar! twaalf jaar!” riep hij uit.

Toen verliet hij hem plotseling.

Harbert vertelde aan zijn metgezellen wat de onbekende gevraagd had.

“Die ongelukkige wist dus niet in welk jaar en in welke maand wij waren,” merkte Gideon Spilett op.

“Ja,” voegde Harbert er bij, “en hij bracht reeds twaalf jaar door op het eiland, waar wij hem gevonden hebben!”

“Twaalf jaar!” herhaalde Cyrus Smith. “Twaalf jaar van afzondering, misschien na een ellendig leven, kunnen het verstand van een mensch wel verwoesten!”

“Ik zou bijna gelooven,” zeide Pencroff, “dat deze man niet op het eiland Tabor is gekomen door een schipbreuk, maar dat hij ten gevolge van een misdaad, daarop is achtergelaten.”

“Gij kunt gelijk hebben, Pencroff,” antwoordde de reporter, “en indien het waar is, dan is het niet onmogelijk dat zij, die hem op het eiland hebben achtergelaten, hem eenmaal terug komen halen!”

“En zij zullen hem niet meer vinden!” merkte Harbert op.

“Maar,” zeide Pencroff, “dan moeten wij terugkeeren en....”

“Vrienden,” viel Cyrus Smith in, “laten wij dit punt niet behandelen voor wij weten waaraan wij ons te houden hebben. Ik geloof dat deze ongelukkige geleden heeft, dat hij voor zijn fouten geboet heeft, welke deze ook wezen mogen, en dat hij groote behoefte heeft om zijn gemoed lucht te geven. Laten wij hem niet dwingen zijn levensgeschiedenis te verhalen! Hij zal ons die ongetwijfeld vertellen, en wanneer wij alles weten, dan zullen wij zien wat ons te doen staat. Hij alleen kan ons overigens zeggen of hij nog hoop, of hij zekerheid heeft om eenmaal naar zijn vaderland terug te keeren, maar ik twijfel er aan!”

“En waarom?” vroeg de reporter.

“Omdat, ingeval hij zeker was van te eeniger tijd verlost te worden, hij het uur zijner bevrijding zou hebben afgewacht en niet dat stuk in zee zou hebben geworpen. Neen, het is eerder waarschijnlijk, dat hij veroordeeld was om op het eiland te sterven en zijn gelijken nooit weder te zien!” [53]

De onbekende had den jaguar bij de keel gegrepen. Blz. 56.

De onbekende had den jaguar bij de keel gegrepen. Blz. 56.

“Maar,” merkte de zeeman op, “er is nog iets dat ik niet begrijp.”

“Wat dan?”

“Als het twaalf jaar geleden is dat deze man op het eiland Tabor [54]is achtergebleven, kan men toch veronderstellen dat hij reeds verscheiden jaren in den verwilderden toestand verkeert, waarin wij hem hebben gevonden!”

“Dat is waarschijnlijk,” zeide Cyrus Smith.

“Dan zouden er bijgevolg ook verscheiden jaren verstreken zijn, dat hij dit stuk geschreven heeft!”

“Zeker.... en toch scheen het kort geleden geschreven!....”

“Hoe wil men ook aannemen dat de flesch, waarin het stuk gesloten was, verscheiden jaren noodig zou hebben gehad om van het eiland Tabor naar het eiland Lincoln te komen.”

“Dat is niet geheel onmogelijk,” zeide de reporter. “Kon zij niet reeds lang in de nabijheid van het eiland drijven?”

“Neen,” zeide Pencroff, “want zij dreef nog. Men kan niet veronderstellen, dat zij, na langen tijd op de kust te hebben gelegen, weder door de zee is opgenomen, want de zuidkust bestaat geheel uit rotsen en zij zou zonder twijfel daarop zijn verbrijzeld!”

Gedurende de volgende dagen sprak de onbekende geen woord en verliet evenmin de bergvlakte. Hij werkte op het land, zonder een oogenblik verloren te laten gaan, zonder eenige rust te nemen, maar altijd buiten het gezicht van zijn redders. Bij het middagmaal kwam hij niet in het Rotshuis terug, hoewel het hem dikwijls gevraagd was, en hij at slechts rauwe groenten. ’s Nachts ging hij niet naar de kamer, welke voor hem bestemd was, maar bleef onder eenige boomen, of wanneer het slecht weer was, schuilde hij onder uitstekende rotsen. Zoo leefde hij voort als in den tijd, toen hij nog geen ander onderkomen had dan de bosschen van het eiland Tabor, en daar alle pogingen om hem zijn leven te doen veranderen vruchteloos waren geweest, besloten de kolonisten geduldig te wachten. Maar eindelijk zou het oogenblik komen, dat zijn geweten hem dwingen zou een vreeselijke bekentenis te doen.

In den avond van 10 November, toen de duisternis reeds begon te vallen, vertoonde de onbekende zich plotseling bij de kolonisten, die onder hun veranda zaten. Zijn oogen schitterden zonderling, en zijn geheele uiterlijk was weder even verwilderd als in de eerste dagen.

Cyrus Smith en zijn metgezellen waren verbaasd, toen zij zagen dat zijn tanden koortsachtig op elkander klapperden als onder den invloed van een heftige aandoening. Wat deerde hem? Was het gezicht van zijn gelijken hem ondraaglijk? Had hij genoeg van dit bestaan te midden van eerlijke lieden? Had hij heimwee naar dien vroegeren toestand van verdierlijking? Men moest het wel gelooven, toen men hem de volgende onsamenhangende zinnen hoorde uitbrengen:

“Waarom ben ik hier?.... Met welk recht hebt gij mij van mijn eiland gehaald?... Kan er een band tusschen u en mij bestaan?... [55]Weet gij wie ik ben.... wat ik gedaan heb.... waarom ik daar was.... alleen? En wie zegt u dat men er mij niet heeft achtergelaten.... dat ik niet veroordeeld was om daar te sterven?.... Kent gij mijn verleden?.... weet gij zeker dat ik niet gestolen of gemoord heb.... dat ik geen ellendeling ben.... geen vervloekte.... goed om als een wild dier te leven.... verre van allen.... zeg!.... weet gij dat?”

De kolonisten luisterden zonder den onbekende te storen, aan wien deze halve bekentenis als het ware onwillekeurig ontsnapte. Cyrus Smith wilde hem toen gerust stellen en naderde hem, maar de ongelukkige deinsde snel terug.

“Neen! neen!” riep hij uit. “Een enkel woord slechts.... Ben ik vrij?”

“Gij zijt vrij,” antwoordde de ingenieur.

“Vaartwel dan!” riep hij uit en hij ontvluchtte als een razende.

Nab, Pencroff en Harbert snelden oogenblikkelijk naar den zoom van het bosch.... maar zij kwamen alleen terug.

“Men moet hem laten begaan!” zeide Cyrus Smith.

“Hij zal nooit terugkomen!....” riep Pencroff uit.

“Hij zal terugkomen,” antwoordde de ingenieur.

Er verliepen vele dagen; maar Cyrus Smith—was het een voorgevoel?—bleef bij zijne meening, dat de ongelukkige vroeg of laat terug zou komen.

“Het is de laatste maal dat deze ruwe natuur in opstand komt,” zeide hij, “hij heeft berouw gekregen; hij zou een tweede afzondering niet kunnen doorstaan.”

Alle werken werden intusschen voortgezet, zoowel op de bergvlakte als in de kraal, waar Cyrus Smith een boerderij wilde aanleggen. De zaden die Harbert van Tabor had medegebracht, werden gezaaid. De bergvlakte was een groote moestuin, goed onderhouden en verzorgd en die den kolonisten onophoudelijk werk gaf.

Den 15den November had de derde oogst plaats. De vrienden hadden nu in overvloed koren, en de laatste helft van de maand werd besteed om brood te maken. Men had wel koren maar nog geen meel en er moest dus een molen vervaardigd worden. Den 1sten December was men er mede gereed en men wachtte slechts een gunstigen wind af om te beginnen.

Eenige dagen later riep Harbert uit:

“Nu is de wind uitmuntend, hij is noordoost en komt ons goed van pas!”

Dien dag werden de eerste maten koren in den molen gebracht en den volgenden morgen stond er bij het ontbijt een heerlijk brood op de tafel van het Rotshuis.

De onbekende was intusschen nog niet teruggekomen. Gideon Spilett en Harbert hadden reeds verscheiden malen het bosch in [56]den omtrek van het Rotshuis doorkruist, zonder hem te zien, zonder een spoor van hem te ontdekken. Zij waren zeer ongerust over deze plotselinge verdwijning; Cyrus Smith bleef echter volhouden dat de vluchteling zou terugkeeren.

“Ja! hij zal terugkeeren!” herhaalde hij met een vertrouwen dat zijn metgezellen niet konden deelen. “Toen deze ongelukkige op het eiland Tabor was, wist hij dat hij alleen was! Hier weet hij dat zijn gelijken hem wachten! Hij heeft een gedeelte van zijn leven verraden; die berouwvolle zondaar zal het overige komen mededeelen, en van dien dag af zal hij tot de onzen behooren!”

De woorden van Cyrus Smith werden bewaarheid.

Harbert had op 3 December de bergvlakte verlaten en was op weg naar het meer om te gaan visschen. Hij was ongewapend en had tot nog toe geen reden gehad die voorzorg te nemen, omdat er geen gevaarlijke dieren op dat gedeelte van het eiland verschenen.

Pencroff en Nab werkten bij het gevogelte, terwijl Cyrus Smith en de reporter bezig waren in de schoorsteenen soda te bereiden, daar de voorraad zeep uitgeput raakte.

Plotseling hoorde men roepen:

“Hulp! hulp!”

Cyrus Smith en de reporter waren te ver verwijderd om dit geroep te vernemen. Pencroff en Nab snelden in allerijl naar het meer.

Maar vóór hen was de onbekende wiens aanwezigheid niemand bemerkt had, over de beek gesprongen, die de bergvlakte van het bosch scheidde en snelde van den anderen kant op Harbert toe.

Harbert stond tegenover een grooten jaguar, die veel overeenkomst had met dien, welken zij kort geleden gedood hadden. Daar hij plotseling overvallen was stond hij roerloos voor een boom, terwijl het beest gedoken zat en gereed was hem aan te vallen... Maar de onbekende wierp zich, zonder ander wapen dan zijn mes, op het geduchte roofdier, dat zich toen tegen zijn nieuwen tegenstander keerde.

De strijd was kort. De onbekende, die meer dan menschelijke kracht en behendigheid bezat, had den jaguar bij de keel gegrepen en zonder zich te bekommeren om diens klauwen, die zijn vleesch verscheurden, woelde hij met zijn mes in het hart van het dier. Toen hij het gedood had, schopte hij het van zich weg en wilde ontvluchten op het oogenblik, dat de kolonisten op de plaats van het onheil kwamen; maar Harbert hield hem vast en riep uit:

“Neen! neen! ga niet weg!”

Cyrus Smith ging naar den onbekende, die zijn wenkbrauwen fronste toen hij hem zag naderen. Het bloed liep langs zijn schouders onder zijn gescheurde jas, maar hij lette daar niet op.

“Vriend,” zeide Cyrus Smith, “door deze daad hebt gij aanspraak op onze dankbaarheid verkregen. Om ons kind te redden, hebt gij uw leven gewaagd!” [57]

Ayrton.

Ayrton.

“Mijn leven!” mompelde de onbekende. “Wat is dat waard? Minder dan niets!”

“Zijt gij gewond?” [58]

“Wat doet dat er toe?”

“Wilt gij mij de hand reiken.”

Toen Harbert de hand wilde vatten die hem gered had, kruiste de onbekende zijn armen; zijn borst hijgde, zijn blik verduisterde en hij scheen te willen vluchten; maar een krachtige poging op zich zelf doende, zeide hij op norschen toon:

“Wie zijt gij? en wat beweert gij voor mij te zijn?”

Hij vroeg voor de eerste maal de geschiedenis der kolonisten. Mogelijk zou hij zijn levensloop verhalen wanneer die geschiedenis verteld was.

Cyrus Smith deelde in weinige woorden alles mede wat er gebeurd was sedert hun vertrek van Richmond, hoe zij zich gered hadden en welke middelen nu tot hun dienst stonden.

De onbekende luisterde met onafgebroken aandacht.

Toen verhaalde de ingenieur wie Gideon Spilett, Harbert, Pencroff, Nab en hij waren, en voegde er bij dat het hun gelukkigste oogenblik gedurende hun verblijf op Lincoln was geweest toen zij van het eiland Tabor terugkeerden en hoopten een metgezel meer te kunnen tellen.

Bij deze woorden boog de ongelukkige het hoofd; het bloed steeg naar zijn wangen en zijn geheele persoon gaf de grootste verlegenheid te kennen.

“En nu gij ons kent,” voegde Cyrus Smith er bij, “wilt gij ons nu de hand reiken?”

“Neen,” antwoordde de onbekende op doffen toon, “neen! Gij zijt eerlijke lieden! En ik!....”

[Inhoud]

VII.

Altijd afgezonderd.—Een verzoek van den onbekende.—De hut in de kraal.—Twaalf jaar geleden.—De bootsman van de Britannia.—Op het eiland Tabor gezet.—De hand van Cyrus Smith.—Het geheimzinnige bericht.

Deze laatste woorden rechtvaardigden het vermoeden van de kolonisten. Hij had een treurig verleden, was mogelijk in het oog van anderen vergeven, maar zijn geweten liet hem nog niet met rust. Maar de schuldige had in ieder geval berouw en zijn nieuwe vrienden zouden de hand, die zij hem vroegen, hartelijk gedrukt [59]hebben, maar hij achtte zich niet waardig haar aan eerlijke lieden te reiken! Hij keerde echter na de ontmoeting met den jaguar niet meer naar het bosch terug, en van dien dag af verliet hij zijn medemenschen niet.

Wat was het geheim van zijn leven? Zou de onbekende eenmaal spreken? Dat zou de toekomst leeren. In ieder geval werd er besloten dat men hem nooit zijn geheim zou vragen en dat men met hem zou omgaan alsof men nooit iets vermoed had.

Gedurende eenige dagen ging het leven op denzelfden voet voort. Cyrus Smith en Gideon Spilett werkten samen, nu als scheikundigen, dan weer als werktuigkundigen. De reporter verliet den ingenieur niet dan om met Harbert te jagen, want het zou niet voorzichtig zijn geweest om den knaap alleen in het bosch rond te laten dwalen, en men moest op alles bedacht zijn. Nab en Pencroff hadden, behalve het werk in het Rotshuis, nog vele bezigheden in den stal, bij het gevogelte of in de kraal.

De onbekende werkte in afzondering; hij had zijn vroegere gewoonten weder aangenomen, woonde het middagmaal niet bij, sliep onder de boomen en voegde zich nooit bij zijn metgezellen. Het scheen inderdaad dat de nabijheid van zijn redders hem ondraaglijk was!

“Maar waarom heeft hij dan de hulp van zijn medemenschen ingeroepen?” merkte Pencroff op. “Waarom heeft hij die flesch in zee geworpen?”

“Hij zal het ons zeggen,” zeide Cyrus Smith overtuigd.

“Wanneer?”

“Misschien eerder dan gij denkt, Pencroff.”

Inderdaad de dag, waarop hij tot volledige bekentenis zou komen, was nabij.

Den 10den December, een week nadat hij in het Rotshuis terug was gekomen, kwam de onbekende naar Cyrus Smith toe en zeide op kalmen onderworpen toon:

“Mijnheer, ik heb u iets te vragen.”

“Spreek,” antwoordde de ingenieur; “maar laat mij u eerst een vraag doen.”

Bij deze woorden bloosde de onbekende en was hij op het punt om te ontvluchten. Cyrus Smith begreep echter wat er in de ziel van den schuldige omging, die waarschijnlijk vreesde dat men hem over zijn verleden zou ondervragen; hij hield hem bij de hand terug en zeide:

“Vriend, wij zijn niet alleen metgezellen voor u, maar wij zijn vrienden. Dit wilde ik u slechts zeggen; nu luister ik naar hetgeen gij mij wilt vragen.”

De onbekende streek met zijn hand over zijn oogen. Hij beefde en liet eenige oogenblikken voorbijgaan zonder te kunnen spreken. [60]

“Mijnheer,” zeide hij eindelijk, “ik kom u verzoeken mij een gunst toe te staan.”

“Welke?”

“Gij hebt op vier of vijf mijlen van hier, aan den voet van den berg, een kraal voor uwe huisdieren. Deze dieren moeten verzorgd worden. Wilt gij mij toestaan daar met hen te leven?”

Cyrus Smith zag den ongelukkige eenige oogenblikken met diep medelijden aan. Toen zeide hij:

“Vriend, in de kraal zijn slechts stallen, die nauwelijks voor die beesten goed zijn....”

“Zij zijn goed genoeg voor mij, mijnheer.”

“Vriend,” hernam Cyrus Smith, “wij zullen u nooit in iets tegenwerken. Gij wilt in de kraal leven. Het zij zoo. Gij zult echter altijd welkom zijn in het Rotshuis. Maar daar gij in de kraal wilt leven, zullen wij alles regelen, opdat zij goed voor u worde ingericht.”

“Het zal daar in ieder geval goed voor mij zijn.”

“Vriend,” antwoordde Cyrus Smith, die hem opzettelijk met dit woord aansprak, “gij moet het aan ons overlaten hoe wij in dit opzicht zullen handelen!”

“Dank u, mijnheer,” antwoordde de onbekende, terwijl hij heenging.

De ingenieur deelde zijn metgezellen mede wat hem was gevraagd en er werd besloten, dat men in de kraal een houten huis zou bouwen, dat dan zoo gemakkelijk mogelijk zou worden ingericht.

Binnen een week was het huis gereed om zijn bewoner te ontvangen. Er werden meubels, een bed, een tafel, een bank, een kast gemaakt en men bracht er wapenen, munitie en werktuigen in.

De onbekende was niet naar zijn nieuwe woning gaan zien maar had op de bergvlakte gearbeid, zoodat het land op nieuw bezaaid kon worden, zoodra het tijd daartoe zou zijn.

Den 20sten deelde de ingenieur den onbekende mede, dat hij zijn woning kon betrekken en deze antwoordde, dat hij nog dienzelfden nacht er wilde slapen.

Dien avond waren de kolonisten in de zaal van het Rotshuis bijeen. Het was acht uur—het uur waarop hun metgezel hen zou verlaten. Om het hem niet lastig te maken, hadden zij hem alleen gelaten en waren zij naar het Rotshuis teruggekeerd.

Reeds eenigen tijd zaten zij daar, toen er aan de deur geklopt werd. Bijna oogenblikkelijk daarna trad de onbekende binnen en zeide:

“Mijne heeren, voor dat ik u verlaat, is het goed dat gij mijn geschiedenis kent.”

Deze weinige woorden maakten een diepen indruk op Cyrus Smith en zijn lotgenooten.

De ingenieur was opgestaan.

“Wij vragen u niets, mijn vriend,” zeide hij. “Het is uw recht te zwijgen....” [61]

Zijn armen had hij over de borst gekruist. Blz. 62.

Zijn armen had hij over de borst gekruist. Blz. 62.

“Het is mijn plicht te spreken.”

“Ga dan zitten.”

“Ik zal blijven staan.” [62]

“Wij zijn gereed u aan te hooren,” antwoordde Cyrus Smith.

De onbekende stond in een hoek van de zaal, een weinig in de schaduw. Zijn hoofd was ontbloot, zijn armen had hij over zijn borst gekruist, en in deze houding sprak hij op doffen toon, als iemand die zich geweld aandoet om te spreken. Hij deed het volgende verhaal, waarin hij geen enkel maal door zijn hoorders gestoord werd:

“Den 20sten December 1854, wierp een plezierjacht, de Duncan geheeten, het anker voor kaap Bernouilli; het behoorde aan een schotsch edelman, lord Glenarvan. Aan boord van dit jacht bevonden zich lord Glenarvan, zijn vrouw, een majoor van het engelsche leger, een fransch aardrijkskundige, een jong meisje en een knaap. Deze laatsten waren de kinderen van kapitein Grant, wiens schip, de Britannia, een jaar te voren geheel vergaan was. De Duncan stond onder bevel van kapitein John Mangles en had een bemanning van vijftien koppen.

“Dit jacht bevond zich in dien tijd op de kust van Australië om de volgende reden.

“Zes maanden geleden had men in de Iersche Zee een flesch gevonden waarin een stuk besloten was dat in het Engelsch, Fransch en Duitsch was gesteld; de Duncan had deze flesch opgevischt. In dit stuk werd medegedeeld, dat nog drie personen in leven waren van de schipbreuk der Britannia; dat die overlevenden waren de kapitein Grant en twee van zijn manschappen, en dat zij een schuilplaats hadden gevonden in een land, waarvan de breedtegraad in het stuk vermeld stond, maar waarvan de lengte door het zeewater uitgewischt en niet meer leesbaar was.

“De breedte was 37° 11′ ten zuiden. De lengte was dus onbekend, maar volgde men den zeven en dertigsten zuider-breedtegraad over land en zee, dan was men zeker op de plek te komen die door kapitein Grant en zijn lotgenooten bewoond werd.

“Toen de engelsche admiraliteit aarzelde dit onderzoek te ondernemen, besloot lord Glenarvan alles te beproeven om den kapitein terug te vinden. Mary en Robert Grant waren met hem in kennis gebracht. Het jacht de Duncan werd voor een langen tocht uitgerust, waaraan de familie van den lord en de kinderen van den kapitein wilden deelnemen; de Duncan verliet Glasgow, richtte zich naar den Atlantischen Oceaan, zeilde door straat Magelaan en kwam vervolgens door de Stille Zee in Patagonië, waar men door het stuk kon veronderstellen, dat de kapitein gevangen was door de inboorlingen.

“De Duncan ontscheepte hare passagiers op de westkust van Patagonië en vertrok om hen op de oostkust weder in te nemen.

“Lord Glenarvan trok dwars door Patagonië en volgde daarbij den zeven en dertigsten graad; toen hij geen spoor van den kapitein [63]gevonden had, ging hij den 18den November weder aan boord om zijn onderzoek op den Oceaan weder voort te zetten.

“Het voornemen van lord Glenarvan was om Australië door te trekken even als hij Amerika had gedaan, en hij verliet weder zijn schip. Op eenige mijlen van de kust bevond zich een hut, die aan een Ier behoorde; deze bood den reizigers een onderkomen. Lord Glenarvan deelde den Ier mede waarom hij in deze streken gekomen was en vroeg hem, of hij niet gehoord had dat een Engelsche driemaster, de Britannia, nog geen twee jaar geleden op de westkust van Australië was vergaan.

“De Ier had nooit van deze schipbreuk hooren spreken; maar tot groote verwondering van de omstanders zeide een van zijn ondergeschikten:

““Mylord, loof en dank den Heer. Indien kapitein Grant nog leeft dan leeft hij op Australischen bodem.”

““Wie zijt gij?” vroeg lord Glenarvan.

““Een Schot, evenals gij, mylord,” antwoordde deze man, “en ik ben een van de lotgenooten van kapitein Grant, een van de schipbreukelingen van de Britannia.”

“Die man heette Ayrton. Hij was inderdaad de bootsman van de Britannia, zooals zijn papieren ook getuigden. Maar, van den kapitein gescheiden, op het oogenblik dat het schip op de klippen verbrijzelde, had hij tot nog toe gedacht, dat zijn kapitein met de geheele bemanning was omgekomen en dat hij, Ayrton, de eenige overlevende van de Britannia was.

“Het is echter niet op de westkust maar op de oostkust van Australië dat de Britannia verging en indien kapitein Grant nog leeft, zooals het stuk beweert, dan is hij gevangen door de inboorlingen en moet gij hem op de andere kust zoeken.”

“Deze man scheen oprecht en met kennis van zaken te spreken. Men kon aan zijn woorden niet twijfelen. De Ier, die hem sedert een jaar in dienst had, stond voor hem in. Lord Glenarvan geloofde aan de eerlijkheid van dien man en besloot om, volgens zijn raad, Australië door te trekken en daarbij steeds den zeven en dertigsten graad te volgen. Lord Glenarvan, zijn vrouw, de twee kinderen, de majoor, de Franschman, kapitein Mangles en eenige matrozen stelden zich onder het geleide van Ayrton; terwijl de Duncan, onder bevel van den eersten stuurman Tom Austin, naar Melbourne zou stevenen, waar zij op nadere bevelen van lord Glenarvan moest wachten.

“Zij vertrokken den 23sten December 1854.

“Deze Ayrton was echter een schurk.

“Hij was wel is waar bootsman van de Britannia geweest, maar tengevolge van oneenigheid met zijn kapitein, had hij getracht de bemanning in opstand te brengen en zich van het schip meester te maken; kapitein Grant had hem den 8sten April 1852 op de westkust [64]van Australië ontscheept, was vertrokken en had hem achtergelaten, hetgeen rechtvaardig was.

“Deze ellendeling wist dus niets van de schipbreuk van de Britannia. Hij vernam die slechts door het verhaal van lord Glenarvan! Sedert men hem achtergelaten had, was hij, onder den naam van Ben Joyce, opperhoofd geworden der ontsnapte gedeporteerden, en indien hij onbeschaamd volhield dat de schipbreuk op de oostkust plaats had gehad en lord Glenarvan noopte die richting te volgen, was dit slechts, omdat hij hoopte hem van zijn schip te scheiden, zich van de Duncan meester te maken en van dit jacht een kaperschip in de Stille Zee te maken.”

Hier zweeg de onbekende een oogenblik. Zijn stem beefde, maar hij hervatte:

“De expeditie begaf zich op weg en trok Australië door. Zij slaagde natuurlijk niet, daar Ayrton of Ben Joyce, hoe men hem noemen wil, haar leidde, dan eens voorgegaan, dan weder gevolgd door zijn bende ontsnapte veroordeelden, die met het plan in kennis waren gesteld.

“De Duncan lag intusschen voor Melbourne. Men moest nu van lord Glenarvan het bevel zien te verkrijgen, dat de Duncan naar de oostkust van Australië terug zou keeren, waar men er zich dan gemakkelijk van kon meester maken. Na de expeditie dicht bij deze kust te hebben gebracht, dwars door ondoordringbare bosschen, nam Ayrton op zich een brief te bezorgen aan den eersten stuurman van de Duncan, waarin lord Glenarvan aan het jacht bevel gaf zich onmiddellijk naar de oostkust te begeven, naar de baai van Twofold, dat is te zeggen, een paar dagreizen van de plaats waar de expeditie halt gemaakt had. Daar was het dat Ayrton zich met zijn medeplichtigen zou vereenigen.

“Op het oogenblik dat hij den brief zou ontvangen, werd de schurk ontmaskerd en bleef hem slechts de vlucht over. Maar hij zou tot elken prijs dien brief weten te verkrijgen waardoor hij de Duncan kon vermeesteren. Ayrton slaagde daarin en twee dagen later kwam hij te Melbourne.

“Tot nog toe was de ellendeling in al zijn misdadige plannen geslaagd. Hij zou de Duncan naar de baai van Twofold kunnen brengen, waar het aan zijn bende niet moeielijk zou vallen het vaartuig te bemachtigen en wanneer de bemanning omgebracht zou zijn, was Ben Joyce meester op zee. Maar God zou het ten uitvoer brengen van deze heillooze plannen beletten.

“Toen Ayrton te Melbourne kwam gaf hij den brief aan den eersten stuurman, Tom Austin, die aanstonds de bevelen nakwam.

Cyrus Smith besloot een zeer eenvoudige batterij te maken. Blz. 72.

Cyrus Smith besloot een zeer eenvoudige batterij te maken. Blz. 72.

“Men stelle zich echter de teleurstelling en woede van Ayrton voor toen hij den volgenden morgen vernam, dat de stuurman zijn schip niet naar de oostkust van Australië, naar de baai van Twofold [65]voerde, maar naar de oostkust van Nieuw-Zeeland. Hij wilde er zich tegen verzetten, Austin toonde hem den brief!.... En, inderdaad door een vergissing van den franschen aardrijkskundige, die [66]den brief gesteld had, was de oostkust van Nieuw-Zeeland aangegeven als bestemmingsplaats.

“Alle plannen van Ayrton vielen in duigen. Hij wilde zich verzetten. Men sloot hem op. Hij werd medegenomen naar de kust van Nieuw-Zeeland, niet wetende wat er van zijn medeplichtigen zou worden, noch hoe lord Glenarvan zich zou redden.

“De Duncan bleef tot den 3den Maart op de kust kruisen. Dien dag hoorde Ayrton kanonschoten. Het waren de kanonnen van de Duncan, die vuur gaven, en weldra bevonden lord Glenarvan en de zijnen zich aan boord.

“Ziehier wat er gebeurd was.

“Na duizend gevaren en vermoeienissen te hebben doorstaan kwam lord Glenarvan eindelijk op de oostkust van Australië in de baai van Twofold. Geen Duncan! Hij telegrafeerde naar Melbourne. Men antwoordde: “Duncan sedert den 18den vertrokken, bestemmingsplaats onbekend.

“Lord Glenarvan dacht niet anders dan dat het jacht in handen van Ben Joyce gevallen en een kaperschip geworden was!

De lord wilde zijn voornemen echter niet opgeven. Hij was een dapper en ondernemend man. Hij scheepte zich op een koopvaardijschip in en liet zich naar de westkust van Nieuw-Zeeland brengen, volgde weder den zeven en dertigsten graad, zonder een spoor van kapitein Grant te vinden; maar tot zijn groote verwondering vond hij op de oostkust de Duncan onder bevel van den eersten stuurman, die sedert vijf weken op hem wachtte!

“Het was 3 Maart 1855. Lord Glenarvan was aan boord van de Duncan, maar Ayrton was er ook. Hij verscheen voor den lord, die alles van hem te weten wilde komen wat hij van kapitein Grant wist. Ayrton weigerde te spreken. Lord Glenarvan dreigde toen, dat men hem bij de eerstvolgende landingsplaats, aan de engelsche autoriteiten zou overleveren. Ayrton bleef zwijgen.

“De Duncan volgde weder den zeven en dertigsten graad. Lady Glenarvan nam intusschen op zich den weerstand van den bandiet te overwinnen. Ayrton werd door haar toedoen overgehaald te spreken en stelde lord Glenarvan voor, hem niet aan de engelsche autoriteit over te leveren, maar op een der eilanden in de Stille Zee achter te laten in ruil voor hetgeen hij hem zou kunnen zeggen. Lord Glenarvan, die alles wilde aanwenden om iets omtrent kapitein Grant te vernemen, stemde er in toe.

“Ayrton vertelde zijn geheelen levensloop en daarbij ook, dat hij niets van kapitein Grant wist van den dag af dat deze hem op de kust van Australië had ontscheept.

“Lord Glenarvan hield echter zijn eens gegeven woord. De Duncan vervolgde haar weg en kwam bij het eiland Tabor. Daar zou Ayrton worden achtergelaten en daar vond men ook, door een wonder, [67]kapitein Grant en zijn lotgenooten juist op den zeven en dertigsten graad. De misdadiger zou hen op het verlaten eiland vervangen, en op het oogenblik dat Ayrton het jacht verliet sprak lord Glenarvan:

““Ayrton, hier zult gij van elk land verwijderd zijn, en elke gemeenschap met uw gelijken is hier onmogelijk. Gij zult niet kunnen vluchten van dit eiland, waar de Duncan u achterlaat. Gij zult er alleen zijn, onder het oog van God, die tot in het diepst der harten leest, maar gij zult er niet zijn even als kapitein Grant zonder dat iemand het weet. Hoe onwaardig gij ook zijn moogt om in de herinnering der menschen te leven, toch zullen zij zich uwer herinneren. Ik weet waar gij zijt, Ayrton, ik weet waar u te vinden. Ik zal het nooit vergeten!”

“En de Duncan koos weder zee en verdween weldra.

“Het was den 18den Maart 1855.

“Ayrton was alleen, maar het ontbrak hem noch aan munitie, noch aan wapenen, noch aan werktuigen, noch aan zaad. Het huis van kapitein Grant stond tot zijn beschikking. Hij moest slechts voortleven en door zijn eenzaamheid voor de misdaden boeten, die hij bedreven had.

“Hij had berouw, hij schaamde zich over zijn misdaden en was zeer ongelukkig! Hij nam zich voor om, wanneer men hem eenmaal van het eiland mocht komen verlossen, waardig te zijn onder de menschen te leven! Wat leed hij, die rampzalige! Hoe werkte hij, om zich door arbeid te veredelen! Hoe vurig bad hij om herboren te worden door het gebed.

“Zoo ging het voort gedurende twee, drie jaar; maar Ayrton werd door de afzondering ondermijnd, hij keek altijd uit of nog geen schip zijn eiland naderde en vroeg zich af of zijn tijd van boete nog niet verloopen was; hij leed zooals men nog nooit geleden had! O! hoe hard viel die eenzaamheid voor een ziel die door berouw gekweld werd!

“Maar de hemel achtte hem voorzeker nog niet genoeg gestraft, want hij voelde meer en meer dat hij aan een wilde gelijk werd! Hij bemerkte dat hij meer en meer verdierlijkte! Hij zou u niet kunnen zeggen of het na twee dan wel na vier jaar afzondering was, maar eindelijk werd hij de rampzalige, dien gij gevonden hebt!

“Ik behoef u niet te zeggen dat Ayrton, Ben Joyce en ik dezelfde zijn!”

Cyrus Smith en zijn metgezellen waren bij het eind van het verhaal opgestaan. Zij waren allen diep getroffen! Zij hadden zooveel ellende, zooveel smart en zooveel wanhoop voor zich!

“Ayrton,” zeide Cyrus Smith, “gij zijt een groot misdadiger geweest, maar de hemel heeft u voorzeker vergeven! Hij heeft het bewezen door u weder onder uw gelijken te brengen. Ayrton, gij zijt vergeven! Wilt gij nu onze metgezel zijn?” [68]

Ayrton was teruggedeinsd.

“Daar is mijn hand!” zeide de ingenieur.

Ayrton greep hartstochtelijk de hand die hem was toegestoken, en groote tranen biggelden langs zijn wangen.

“Wilt gij met ons leven?” vroeg Cyrus Smith.

“Mijnheer Smith, laat mij nog eenigen tijd alleen,” antwoordde Ayrton, “laat mij alleen in die woning in de kraal!”

“Zooals gij wilt, Ayrton,” antwoordde Cyrus Smith.

Ayrton wilde zich verwijderen toen de ingenieur hem nog een vraag wilde doen.

“Een woord nog, mijn vriend. Daar uw plan was alleen te leven, waarom hebt gij dan die flesch met dat bericht in zee geworpen, dat ons uw spoor heeft doen kennen?”

“Een bericht?” antwoordde Ayrton, die niet scheen te weten wat men bedoelde.

“Ja, dat bericht in die flesch, die wij gevonden hebben en dat de juiste ligging aangaf van het eiland Tabor?”

Ayrton streek met zijn hand over het voorhoofd. Na een oogenblik te hebben nagedacht, zeide hij:

“Ik heb nooit een bericht in zee geworpen!”

“Nooit?” riep Pencroff uit.

“Nooit!”

Ayrton groette, ging naar de deur en verdween.

[Inhoud]

VIII.

Een gesprek.—Cyrus Smith en Gideon Spilett.—Een plan van den ingenieur.—De electrische telegraaf.—De draden.—De palen.—Het schoone jaargetijde.—Welvaart der kolonie.—Photographie.—Een uitwerking van de sneeuw.—Twee jaar op het eiland Lincoln.

“De arme man,” zeide Harbert, die, nadat hij naar de deur was gesneld, terug kwam en Ayrton langs de koord naar beneden zag glijden en te midden der duisternis verdwijnen.

“Hij zal wel terugkomen,” zeide Cyrus Smith.

“Wat wil dat zeggen, mijnheer Cyrus?” riep Pencroff uit. “Wat! Zou het Ayrton niet wezen, die de flesch in zee had geworpen? Maar, wie dan anders?”

Ongetwijfeld was deze vraag, zoo ooit een vraag gedaan moest worden, de eenig mogelijke.

“Hij was het,” antwoordde Nab, “maar de ongelukkige was reeds half krankzinnig.” [69]

De heer Jup had met den meesten ernst geposeerd. Blz. 75.

De heer Jup had met den meesten ernst geposeerd. Blz. 75.

“Ja,” antwoordde Harbert, “en hij wist volstrekt niet meer wat hij deed.”

“Wij kunnen het alleen op die wijze verklaren, vrienden,” viel [70]Cyrus Smith hun levendig in de rede, “en ik begrijp thans hoe Ayrton de juiste ligging van het eiland Tabor heeft kunnen aanduiden, daar de gebeurtenissen zelf, die zijn komst op het eiland zijn voorafgegaan, hem er mede bekend maakten.”

“Toch,” merkte Pencroff op, “zoo hij nog niet krankzinnig was op het oogenblik toen hij zijn brief opstelde, en zoo het zeven of acht jaar geleden is dat hij die in zee geworpen heeft, hoe is het dan mogelijk dat die papieren niets van de vocht geleden hebben?”

“Dat bewijst,” antwoordde Cyrus Smith, “dat Ayrton zijn verstand nog niet sinds zoolang, als hij zelf zegt, verloren heeft.”

“Het moet wel zoo wezen,” zeide Pencroff, “want anders zou de zaak onverklaarbaar zijn.”

“Onverklaarbaar inderdaad,” antwoordde de ingenieur, die dit gesprek niet gaarne scheen voort te zetten.

“Maar heeft Ayrton waarheid gesproken?” vroeg de matroos.

“Ja,” antwoordde de reporter. “Hetgeen hij verteld heeft is volkomen waar. Ik herinner mij zeer goed dat de dagbladen de poging van lord Glenarvan en den uitslag dien hij verkreeg, hebben medegedeeld.”

“Ayrton heeft waarheid gesproken,” voegde Cyrus Smith er bij, “daar behoeft ge niet aan te twijfelen, Pencroff, want het kostte hem genoeg moeite. Men spreekt waarheid, wanneer men zich zelf zoo beschuldigt!”

Den anderen dag—21 December—gingen de kolonisten naar het strand, maar toen zij de vlakte overstaken, was er niets meer van Ayrton te vinden. Deze had dien nacht zijn kraal betrokken, en de kolonisten achtten het beter hem niet met hun tegenwoordigheid lastig te vallen. De tijd zou ongetwijfeld doen wat hun opbeurende woorden niet hadden kunnen bewerken.

Harbert, Pencroff en Nab begonnen toen hun dagelijksch werk weer. Juist dien dag hadden Cyrus Smith en de reporter denzelfden arbeid in de schoorsteenen te verrichten.

“Weet ge wel, Cyrus,” zeide Gideon Spilett, “dat ik met de verklaring, die gij gisteren van die flesch gegeven hebt, het volstrekt niet eens ben! Hoe kunt gij aannemen dat die ongelukkige kon schrijven en die flesch daarop in zee heeft geworpen, zonder eenige herinnering daarvan behouden te hebben?”

“Hij is het ook niet, die haar in zee heeft geworpen, beste Spilett.”

“Dus, gij gelooft nog....”

“Ik geloof niets en ik weet niets!” antwoordde Cyrus Smith, den reporter in de rede vallende. “Ik stel mij tevreden, met deze gebeurtenis te rangschikken onder die, welke mij tot nog toe onverklaarbaar zijn gebleken!”

“Wezenlijk, Cyrus,” zeide Gideon Spilett, “die dingen zijn ongeloofelijk. Uw redding, de kist die wij op het strand vonden, de [71]avonturen van Top en eindelijk die flesch.... Zullen wij dan nooit den sleutel vinden, om die raadsels op te lossen?”

“Zeker!” antwoordde de ingenieur op levendigen toon, “zoo ik dit eiland tot in zijn ingewanden kon onderzoeken.”

“Het toeval zal ons misschien eenmaal den sleutel geven.”

“Het toeval! Spilett! Ik geloof volstrekt niet aan het toeval, evenmin als ik aan geheimen in deze wereld geloof. Er is een oorzaak voor deze onverklaarbare dingen, en die oorzaak zal ik ontdekken. Maar laten wij intusschen alles aandachtig gadeslaan en onzen arbeid voortzetten.”

De maand Januari brak aan. Het was het jaar 1867 dat nu begon. Zij gingen met hun zomerwerk ijverig voort. Gedurende de dagen, die nu volgden, begaven zich Harbert en Gideon Spilett naar de kraal, en overtuigden zich dat Ayrton van de woning, die zij hem gemaakt hadden, bezit had genomen. Hij was den ganschen dag bezig met de dieren, welke zij onder zijn hoede hadden gesteld, te verzorgen, en hij bespaarde dus aan zijn makkers de moeite om elke twee of drie dagen de kraal te komen bezoeken. Maar toch moesten zij, om Ayrton niet te lang alleen te laten, hem menigmaal gezelschap gaan houden. Het was bovendien van belang—in verband met het vermoeden, hetwelk Gideon Spilett met den ingenieur deelde—dat dit gedeelte van het eiland beschermd werd, en Ayrton, wanneer hem iets overkwam, niet verzuimen zou de bewoners van het Rotshuis er mede bekend te maken.

Maar het geval kon zich voordoen dat de ingenieur er ten spoedigste mede bekend moest gemaakt worden. Zelfs buiten die zaken, welke op het geheimzinnige van het eiland Lincoln betrekking hadden, konden er zich andere voordoen, zoodat een spoedige hulp der kolonisten van het grootste belang zou wezen, wanneer er bijvoorbeeld een schip voorbijkwam of in het gezicht der westelijke kust was, een schipbreuk of een landing van zeeroovers, enz. enz.

Cyrus Smith besloot dan ook om de kraal in onmiddellijke verbinding te brengen met het Rotshuis.

Het was de 10de Januari dat hij dit plan aan zijn vrienden mededeelde.

“Zoo, zoo, hoe wilt gij dat dan doen, mijnheer Cyrus?” vroeg Pencroff. “Denkt ge er misschien aan om een telegraaf te maken?”

“Juist,” antwoordde de ingenieur.

“Een electrische?” riep Harbert uit.

“Een electrische,” antwoordde Cyrus Smith. “Wij bezitten alle noodige elementen om een batterij te maken, maar moeielijker zal het wezen om het ijzerdraad te trekken; maar dat zullen we ook wel klaar spelen.”

“Eerlijk gezegd,” merkte Pencroff op, “nu twijfel ik er niet meer aan of eenmaal zal er ook een spoorweg loopen!” [72]

Zij gingen dus aan het werk, en begonnen met het moeielijkste, dus met het ijzerdraad, want zoo dit mislukte, was het onnoodig de batterij en de andere benoodigdheden te vervaardigen. Gelukkig werden hun pogingen met een goeden uitslag bekroond en verkregen zij ijzerdraden van veertig à vijftig voet lengte, die zij gemakkelijk aan elkander konden hechten en tusschen een afstand van vijf mijlen spannen, welke de kraal van het Rotshuis scheidde.

Slechts eenige dagen hadden zij noodig om dit ten uitvoer te brengen, en zelfs zoodra de machine klaar was, liet Cyrus Smith aan zijn vrienden het draadtrekken over en zorgde zelf voor het maken der batterij.

Zij moesten een batterij hebben met een onafgebroken stroom. Men weet dat de elementen der tegenwoordige batterijen gewoonlijk samengesteld zijn uit kool, zink en koper. Het koper ontbrak den ingenieur geheel, die ondanks zijn vele onderzoekingen geen enkel spoor er van op het eiland Lincoln gevonden had; hij moest dit dus vervangen. De kool, dat is te zeggen, die harde stof, graphiet geheeten, die men vindt in de gasbuizen, wanneer de steenkool van haar waterdeelen bevrijd is, had men kunnen verkrijgen, maar dan zou men bijzondere toestellen daartoe noodig hebben gehad, en dit ware een zware taak geweest.

Wat het zink betreft, men herinnert zich dat de kist, welke zij op de kust gevonden hadden, van een deksel van dat metaal voorzien was, die hun bij deze gelegenheid zeer goed te stade kwam.

Cyrus Smith besloot dus, nadat hij alles ernstig overwogen had, een zeer eenvoudige batterij te maken, welke veel geleek op die welke in 1820 door Becquerel werd uitgevonden, en waarin slechts het zink gebruikt werd. Wat de andere zelfstandigheden betrof, als salpeterzuur en potasch, dat alles was ter zijner beschikking.

Den 6den Februari werden de palen opgericht, voorzien van glazen isolators en bestemd om den draad te steunen, die den weg naar de kraal volgen moest. Eenige dagen later was de draad gespannen en gereed om met een snelheid van honderd duizend kilometers in de seconde den electrischen stroom voort te planten, terwijl de aarde zich belastte hem terug te brengen naar zijn uitgangspunt.

Twee batterijen hadden zij gemaakt, de eene voor het Rotshuis en de andere voor de kraal, want de kraal moest in verbinding staan met het Rotshuis, maar ook kon het omgekeerde hen van veel nut wezen.

Den 12den Februari was alles gereed. Dien dag bracht Cyrus Smith den stroom door den draad en vroeg of alles in de kraal in orde was; eenige oogenblikken later kwam er een bevestigend antwoord van Ayrton.

Pencroff was buiten zich zelf van geluk, en iederen ochtend en [73]avond zond hij een telegram naar de kraal, waarop hij steeds een antwoord ontving.

De vogels waren bij duizenden neergestreken. Bladz. 76.

De vogels waren bij duizenden neergestreken. Bladz. 76.

Deze wijs van met elkander gemeenschap te hebben, had twee [74]wezenlijke voordeelen, in de eerste plaats konden zij zich overtuigen dat Ayrton aanwezig was, en in de tweede plaats was hij nu niet geheel van hen afgezonderd. Toch liet Cyrus Smith nooit een week voorbijgaan zonder Ayrton te bezoeken, en deze kwam van tijd tot tijd in het Rotshuis, waar hem steeds een hartelijke ontvangst wachtte.

Het mooie jaargetijde spoedde onder dit drukke werk ten einde. Hun voorraad levensmiddelen groeide met den dag aan en de planten, welke zij van het eiland Tabor hadden overgebracht waren zeer weelderig opgekomen. De vlakte het Verre Uitzicht leverde een aangenaam schouwspel op. De vierde korenoogst was prachtig en zooals men begrijpen kan, viel het niemand in om de vier honderd milliarden graantjes van dien oogst te tellen. Toch kwam Pencroff op de gedachte om dit te doen, maar Cyrus Smith zeide hem, dat al telde hij drie honderd graantjes in de minuut, of achttien duizend in het uur, hij toch ruim twee duizend vijf honderd jaar noodig zou hebben om zijn telling te volbrengen, en de zeeman besloot dus zijn plan op te geven.

In dien tijd was de kleine kolonie zeer gelukkig. Het pluimgedierte vermeerderde zeer en men voedde zich met hetgeen te veel was, want men moest het getal tot een zekere hoeveelheid beperken. Er waren reeds een menigte biggen en, zooals men denken kan, vergden deze dieren veel tijd aan Nab en Pencroff. De onagga’s hadden ook twee jongen ter wereld gebracht, die meestal door Gideon Spilett en Harbert bereden werden, want de laatste was onder leiding van den reporter een uitstekend ruiter geworden. Ook spande men ze voor den wagen, hetzij om hout en steenkolen naar het Rotshuis te brengen, of om de verschillende delfstoffen te halen, welke de ingenieur noodig had.

Gedurende hun onderzoekingstochten zorgden de kolonisten steeds gewapend te zijn, want dikwijls ontmoetten zij wilde zwijnen waartegen zij duchtig moesten strijden.

In dien tijd hadden zij ook menigmaal met de tijgerkatten oorlog te voeren. Gideon Spilett had hun een onverzoenlijken haat gezworen, en zijn leerling Harbert stond hem altijd dapper ter zijde. Gewapend zooals zij waren, behoefden zij een ontmoeting met wilde dieren volstrekt niet te vreezen. De stoutmoedigheid van Harbert was bewonderenswaardig, en de koelbloedigheid van den reporter verbazend. Ook versierden eenige prachtige huiden de groote zaal van het Rotshuis, en indien dit zoo voortging, zou het ras der jaguars spoedig geheel op het eiland uitgeroeid zijn, en naar dit doel streefden allen.

Soms nam de ingenieur deel aan die tochten, welke gewoonlijk in een onbekend oord van het eiland plaats hadden, en welke hij dan met aandacht volgde. Andere sporen dan die van dieren zocht hij in de dichtste wouden, maar nooit trof eenig verdacht voorwerp [75]zijn opmerkzaamheid. Noch Top, noch Jup, die hem vergezelden, verrieden door hun houding dat zij een besef van iets buitengewoons hadden en toch meer dan eens blafte de hond aan de opening van den put, dien de ingenieur zonder eenig gevolg onderzocht had. Het was in dien tijd dat Gideon Spilett, bijgestaan door Harbert, de schilderachtigste landschappen opnam door middel van zijn photographischen toestel die ook in de kist was gevonden, maar dien zij tot nog toe nooit gebruikt hadden.

De reporter en zijn medestanders werden dus in weinig tijd volmaakte photografen en zij verkregen de prachtigste gezichten; ook hadden zij het geheele overzicht van het eiland op het Verre Uitzicht genomen, waarvan de horizon, door den berg Franklin gevormd werd; voorts de monding der Mercy, welke zoo schilderachtig omlijst werd door de hooge rotsen, de open plaats en de kraal, waarachter de eerste bergen zich verhieven, de zoo merkwaardige vorm van kaap Klauw en het uiteinde van de Wrakkust. Ook vergaten de photografen niet om de portretten van alle bewoners van het eiland, niemand uitgezonderd, te maken.

“Dat vult!” zeide Pencroff.

Den matroos deed het genoegen zijn eigen beeld, zoo getrouw weergegeven, tegen den muur van het Rotshuis te zien hangen, en hij stond gaarne daar tegenover stil, zooals hij voor de prachtigste winkels van Broadway zou gedaan hebben. Maar het moet gezegd worden, het best gelijkend portret was dat van Jup. De heer Jup had met den meesten ernst geposeerd en zijn beeltenis was sprekend!

“Men zou zeggen dat hij op het punt stond een zijner kluchtige sprongen te doen!” riep Pencroff uit.

Als Jup niet tevreden geweest was, moest hij wel zeer moeielijk wezen, maar hij was het en hij beschouwde zijn portret met een gevoelvollen blik, die niet geheel vrij was van zekere verwaandheid.

Den 21sten Maart waren de eerste sneeuwvlokken gevallen. Harbert stond dien ochtend aan het venster en riep:

“Zie eens, het eilandje is met sneeuw bedekt!”

“Nu reeds sneeuw!” antwoordde de reporter, en voegde zich bij den knaap.

Spoedig kwamen de anderen ook naderbij en zagen dat niet alleen het eilandje, maar het geheele strand beneden het Rotshuis met een laag sneeuw bedekt waren.

“Het is sneeuw!” zeide Pencroff.

“Ja, het heeft er tenminste veel van,” antwoordde Nab.

“Maar de thermometer wijst acht en vijftig graden!” merkte Gideon Spilett op.

Cyrus Smith uitte bij het zien van deze witte vlakte geen enkel woord, want hij wist niet op welke wijs dit natuurverschijnsel in dit jaargetijde en met zulk een temperatuur te verklaren. [76]

“Duizend duivels!” riep Pencroff uit, “onze planten zullen bevriezen!”

De matroos maakte zich gereed om naar beneden te gaan, maar Jup, die zich tot op den grond liet neerglijden, was hem voor.

De aap had echter den grond nog niet aangeraakt, of de geheele sneeuwvlaag vloog in de lucht en verspreidde zich in tallooze vlokken, zoodat voor een oogenblik het licht der zon verduisterd werd.

“Het zijn vogels!” riep Harbert.

Het waren inderdaad een zwerm zeevogels, met prachtig witte veeren. Zij waren bij duizenden op het eilandje en de kust neergestreken, en verdwenen spoedig in de verte, de verbaasde kolonisten achter latende, alsof zij van een dissolving view getuigen waren geweest; alsof de winter door den zomer was opgevolgd, evenals in een toovervoorstelling. Ongelukkig genoeg had die verandering zoo plotseling plaats gegrepen, dat noch de reporter, noch de knaap er in slaagden een dezer vogels te dooden, waarvan zij onmogelijk het soort konden herkennen.

Eenige dagen later, den 26sten Maart, was het twee jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen.

[Inhoud]

IX.

Herinnering aan het vaderland.—Kansen der toekomst.—Plan tot een verkenning.—Vertrek op 16 April.—Het schiereiland.—Hagedis in zee gezien.—Het basalt op de westkust.—Slecht weer.—De nacht valt.—Een nieuw voorval.

Reeds twee jaar! En in die twee jaar hadden de kolonisten geen omgang gehad met hun gelijken! Zij wisten niets van hetgeen er in de beschaafde wereld plaats had gegrepen, en leefden geheel verlaten op dit eiland alsof zij zich op een der onbekende planeten bevonden.

Gedurende die twee jaar was er op het eiland geen schip in het gezicht geweest; geen zeil hadden zij kunnen ontdekken. Het was duidelijk dat het eiland Lincoln niet in den koers lag die gewoonlijk gevolgd werd, en zelfs dat het geheel onbekend was—hetgeen de kaarten bovendien ook bewezen—want ofschoon het geen haven bezat, zou zijn water de schepen hebben aangetrokken, die hun voorraad daarvan wilden vernieuwen. Maar de zee, die het omringde, was altijd, zoo ver men zien kon, geheel verlaten en de kolonisten hadden slechts op zich zelven te rekenen, zoo zij naar hun vaderland mochten willen terugkeeren. Toch bleef hun nog een kans over, [77]en die werd juist in de eerste week van April besproken, toen zij met elkander in het Rotshuis gezeten waren.

“Wij hebben bepaald maar één middel,” zeide Gideon Spilett, “een enkel slechts waardoor wij het eiland Lincoln kunnen verlaten, en dat bestaat hierin: zulk een groot schip te bouwen, dat het gedurende eenige honderden mijlen zee kan houwen. Mij dunkt, wanneer men een sloep gemaakt heeft, dat men dan ook een schip klaar zal krijgen.”

“En dat wij wel naar Pomotou kunnen gaan,” voegde Harbert er bij, “nu wij eenmaal op het eiland Tabor geweest zijn.”

“Ik zeg geen neen,” antwoordde Pencroff, die altijd een beslissende stem had in de zaken die zijn vak betroffen, “ik zeg geen neen, hoewel het volstrekt niet hetzelfde is om naar een dichtbijzijnde of verafgelegen plaats over te steken! Zoo onze sloep, toen wij naar Tabor voeren, door de een of andere windvlaag bedreigd ware geworden, dan wisten wij, dat de haven aan beide zijden niet ver verwijderd was; maar om twaalf honderd mijlen af te leggen, dat is geen kleinigheid, en het naaste land is toch op zulk een afstand!”

“Maar wanneer het nu eens een dringende noodzakelijkheid was, Pencroff, zoudt ge het dan nog niet wagen?” vroeg de reporter.

“Ik zal alles ondernemen wat ge maar wilt, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “en ge weet wel, dat ik nu juist de man niet ben, die ergens tegen opziet!”

“Bedenk ook wel, dat wij op een zeeman méer kunnen rekenen,” merkte Nab op.

“Wie dan?” vroeg Pencroff.

“Ayrton.”

“Dat is waar,” antwoordde Harbert.

“Zoo hij er in toestemt om hier te komen,” zeide Pencroff.

“Ei, ei,” antwoordde de correspondent, “gelooft ge dan, dat wanneer het jacht van lord Glenarvan op het eiland Tabor was gekomen, Ayrton geweigerd zou hebben mede te gaan?”

“Gij vergeet, vrienden,” merkte Cyrus Smith op, “dat Ayrton gedurende de laatste jaren van zijn verblijf op het eiland krankzinnig was. Maar dat is nu de vraag niet. Het komt er op aan, of we ook kunnen rekenen op de terugkomst van het Schotsche vaartuig. Daar lord Glenarvan aan Ayrton beloofd heeft, hem van het eiland Tabor te komen halen, wanneer hij meent dat zijn misdaden genoeg vergeten zijn, geloof ik wel, dat hij terug zal keeren.”

“Ja,” zeide de reporter, “en ik voeg er bij, dat hij weldra terug zal wezen, want het is reeds twaalf jaar geleden dat hij Ayrton hier achtergelaten heeft.”

“Ja, ik ben het ook met u eens,” zeide Pencroff, “dat hij zal terugkeeren en wel spoedig ook. Maar waar zal hij ankeren? Op het eiland Tabor, en niet op Lincoln.” [78]

“Dat is zooveel te zekerder, daar het eiland Lincoln niet eens op de kaart vermeld is,” zeide Harbert.

“Daarom, vrienden, moeten wij de noodige maatregelen nemen,” was de meening van den ingenieur, “dat ons verblijf en dat van Ayrton op het eiland Lincoln geweten wordt op het eiland Tabor.”

“Zeker,” antwoordde de reporter, “en niets is gemakkelijker dan om in de hut, die kapitein Grant en Ayrton bewoond hebben, een bericht te plaatsen, waar de ligging van ons eiland op aangegeven is, een bericht dat lord Glenarvan of een zijner mannen terstond vinden moeten.”

“Het is zelfs jammer,” merkte de matroos op, “dat wij niet reeds bij ons eerste bezoek, op het eiland Tabor, die voorzorg genomen hebben.”

“En waarom zouden wij dat gedaan hebben?” vroeg Harbert. “Wij kenden toen de geschiedenis van Ayrton niet; wij wisten niet dat men hem ooit weer zou komen afhalen, en al hadden wij dat alles geweten, het jaargetijde was toch reeds te ver gevorderd om toen nog naar Tabor terug te kunnen keeren.”

“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “het was reeds te laat, en wij moeten dien tocht tot het voorjaar uitstellen.”

“Maar zoo het Schotsche jacht eens in dien tusschentijd kwam?” vroeg Pencroff.

“Dat is niet waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur, “want lord Glenarvan zal juist den winter niet uitkiezen om zich op die uitgestrekte zeeën te wagen. Of hij is reeds op het eiland Tabor geweest in den tijd dat Ayrton zich bij ons bevindt, dat is te zeggen, in die vijf maanden en hij is weer vertrokken; of hij komt eerst later en dan is het in de eerste helft van October tijds genoeg het eiland Tabor te bezoeken en daar ons bericht te plaatsen.”

“Ik moet toch bekennen,” zeide Nab, “dat het jammer zou wezen als de Duncan eenige maanden geleden zich in deze zeeën bevonden had.”

“Ik hoop dat het niet gebeurd is,” antwoordde Cyrus Smith.

“Ik geloof,” sprak Gideon Spilett, “dat wij in elk geval zullen weten wat ons te doen staat wanneer wij weder op het eiland Tabor zijn teruggekeerd, want zoo de Schotten het bezocht hebben, moeten zij noodzakelijk eenig spoor hebben achtergelaten.”

“Dat is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur. “Dus vrienden, nu wij die kans nog over hebben om naar ons vaderland terug te keeren, is het best die geduldig af te wachten, en zoo zij ons ook mocht ontsnapt zijn, dan zullen we verder zien wat ons te doen staat.”

“In elk geval,” zeide Pencroff nog, “wanneer wij op de een of andere wijs het eiland Lincoln verlaten, zal het niet wezen, omdat wij het hier slecht hebben!”

“Neen, Pencroff,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dan zal het [79]wezen omdat we verre zijn van alles wat de mensch liefheeft, zijn bloedverwanten, vrienden en geboorteland!”

Nu zij eenmaal hiertoe besloten hadden, was er ook geen sprake meer van om een schip te bouwen dat zich op de golven zou durven wagen, en zij hielden zich thans slechts bezig met hun gewone werk daar zij nu een derden winter in het Rotshuis zouden doorbrengen. In elk geval kwamen zij overeen dat de sloep gebruikt zou worden om nog, voor het slechte weer inviel, een tocht om het eiland te doen. De kust was hun nog niet geheel bekend en de kolonisten konden zich nog maar een onvolledig denkbeeld vormen van de west- tot de noordkust; van den mond der Valrivier tot aan de kapen Mandibule, even als van de enge baai, die zich daar tusschen uitstrekte als de bek van een haai.

Dit plan werd door Pencroff het eerst geopperd, en Cyrus Smith was er zeer mede ingenomen, want hij wilde met eigen oogen dat geheele gedeelte van zijn bezitting aanschouwen.

Den 16den April zou de reis ondernomen worden met de Bonadventure, die geheel tot zulk een tocht werd uitgerust.

Ook hadden zij Ayrton met hun plan bekend gemaakt en hem voorgesteld met hen mede te gaan, maar deze wilde liever op het eiland blijven; zij besloten dus, dat hij, gedurende hun afwezigheid, met Jup het Rotshuis zou bewonen.

Tegen den nacht hadden zij het Voorgebergte bereikt. De passagiers, uitgezonderd Pencroff, sliepen dien nacht, misschien minder goed aan boord van de Bonadventure dan in hun slaapkamers in het Rotshuis, maar toch genoten zij eenigen tijd rust.

Zij bereikten tegen den middag de zuidkust van het eiland. Cyrus Smith en zijn vrienden stonden verbaasd over de geheel verschillende natuur, welke deze kust hun te aanschouwen gaf. In plaats van de weelderige streek, waarin zij zich gevestigd hadden, bevonden zij zich hier te midden der meest woeste natuur, van alle zijden omringd door rotsen, die de grilligste vormen vertoonden. Sprakeloos stonden zij bij het gezicht dier ontzagwekkende steenmassa, maar zoo allen zwegen, ontzag Top zich toch niet, om zijn luid geblaf te doen hooren, dat de duizenden echo’s van den basaltmuur weerkaatsten. De ingenieur merkte zelfs op dat zijn geblaf anders klonk dan gewoonlijk en veel geleek op het geluid dat hij bij de opening van den put hooren liet.

“Laten wij hier aan wal gaan,” zeide hij.

Misschien was er in den omtrek een grot die zij moesten onderzoeken. Maar Cyrus Smith zag niets, geen grot, geen enkel hol dat tot schuilplaats van een of ander wezen zou kunnen dienen, want de voet der rotsen werd hier door het water bespoeld. Spoedig zweeg ook Top en zij staken weder van wal.

Toen de avond inviel had de Bonadventure een kleinen inham [80]der kust bereikt, waar zij het raadzaam achtten den nacht door te brengen.

Den anderen ochtend konden zij gemakkelijk de kust bereiken en gingen Gideon Spilett en Harbert eenige uren op jacht. Zij keerden met een goeden voorraad gevogelte terug. Top had zijn best gedaan en geen enkel stuk wild was hem ontsnapt, dank zij zijn vlugheid en ijver.

Ten acht ure ’s morgens stevende de Bonadventure naar de kapen Mandibule; zij hadden den wind achter en een frissche bries versnelde haar gang.

“Het zou mij niet verwonderen,” zeide Pencroff, “zoo er een storm uit het westen kwam opzetten. Gisteren is de zon zeer rood ondergegaan en wanneer de zeemeeuwen zoo vliegen, voorspellen zij weinig goeds.”

“Welnu,” zeide Cyrus Smith toen, “laten wij alle zeilen bijzetten en een schuilplaats zoeken in de Haaiengolf. Ik denk dat de Bonadventure daar wel veilig zal wezen.”

“Heel goed,” antwoordde Pencroff, “bovendien is de noordkust ook slechts door kale duinen gevormd die niets bijzonders opleveren.”

“Het zal mij ook niet spijten, om niet alleen den nacht, maar ook den volgenden dag in die baai door te brengen, want die is wel de moeite waard nauwkeuriger te worden onderzocht,” voegde de ingenieur er bij.

“Ik geloof dat wij er wel toe genoodzaakt zullen zijn, of we willen of niet,” antwoordde Pencroff, “want reeds heeft de horizon een dreigend aanzien in het westen. Zie eens hoe de wolken zich daar samenpakken!”

“In elk geval hebben we nu een goeden wind om kaap Mandibule te bereiken,” merkte de reporter op.

“Een zeer goede wind,” antwoordde de matroos, “maar toch om de golf binnen te loopen moeten wij laveeren, en ik wil in die onbekende streken goed uitzien.”

“Ja, want er moeten daar veel klippen zijn, te oordeelen naar de zuidkust bij de Haaiengolf.”

“Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “wij verlaten ons op u.”

“Hoe laat is het?” vroeg Pencroff.

“Tien uur,” antwoordde Gideon Spilett.

“Hoe ver zijn wij van de kaap verwijderd, mijnheer Cyrus?”

“Ongeveer vijf mijlen.”

“Binnen twee uur zullen wij de kaap bereikt hebben. Ongelukkig hebben wij wind en stroom tegen en zullen wij moeite hebben te landen.”

“Te meer,” zeide Harbert, “omdat wij nieuwe maan hebben.”

“Was er maar een vuurbaak op deze kust; dit zou voor ons zeevaarders van grooten dienst zijn.”

“En ditmaal is er ook geen ingenieur die een vuur op de rots aanlegt.[81]

De ingenieur beschouwde het aandachtig. Blz. 87.

De ingenieur beschouwde het aandachtig. Blz. 87.

“Dat is waar ook, Cyrus,” riep Spilett uit, “daar hebben we u nog nooit voor bedankt, want zonder het vuur zouden we niet gemakkelijk de kust bereikt hebben.” [82]

“Een vuur?” vroeg Cyrus Smith, zeer verwonderd over die woorden van den reporter.

“Wel ja,” hernam Pencroff, “zonder die voorzorg, die gij in den nacht van 19 op 20 October genomen hebt, om op het Rotshuis een vuur te maken, zouden wij dit niet hebben gezien.”

“Ja, ja.... dat was een goede inval, dien ik toen gehad heb,” sprak de ingenieur.

“Ditmaal zou er niemand zijn om ons dien kleinen dienst te bewijzen, of het moest Ayrton zijn.”

“Neen, niemand,” herhaalde Cyrus Smith.

Eenige oogenblikken daarna toen hij zich op de plecht van het vaartuig met den reporter alleen bevond, fluisterde hij hem in het oor:

“Als er één ding hier op aarde zeker is, Spilett, dan is het dit, dat ik nooit in den nacht van 19 op 20 October een vuur heb aangelegd, noch bij het Rotshuis, noch in eenig ander gedeelte van het eiland.”

[Inhoud]

X.

Een nacht op zee.—De haaiengolf.—Vertrouwelijk gesprek.—Toebereidselen voor den winter.—Vroege winter.—Groote koude.—Werk binnen ’s huis.—Na zes maanden.—Een photographische proef.—Een onverwachte gebeurtenis.

Het gebeurde zooals Pencroff voorzien had, want zijn voorgevoel kon hem niet bedriegen. De wind stak op, en de boot liep met een snelheid van veertig à vijf en veertig mijlen in het uur. Toch kon Pencroff, hoe gaarne hij het ook gewild had, de monding der Mercy niet binnenloopen en wachtte dus geduldig den dag af.

Gedurende dien nacht hadden Cyrus Smith en Gideon Spilett geen gelegenheid eenige woorden met elkaar te wisselen, en toch waren de woorden, die den ingenieur de reporter influisterde, van genoegzaam belang om nogmaals den geheimzinnigen invloed, die het eiland Lincoln scheen te beheerschen, te bespreken. Gideon Spilett dacht gedurig aan die onverklaarbare gebeurtenis, een vuur op de kust gezien te hebben. Hij had dit vuur bepaald gezien! Zijn vrienden, Harbert en Pencroff hadden het met hem aanschouwd! Dat vuur was hun behulpzaam geweest om in dien stikdonkeren nacht de ligging van het eiland te verkennen, en zij twijfelden toen niet of het was de hand van den ingenieur die het aangestoken had, [83]en nu verklaarde Cyrus Smith toch plechtig, dat hij dit niet gedaan had!

Gideon Spilett was voornemens om zoodra de Bonadventure was teruggekeerd, op deze gebeurtenis terug te komen en Cyrus Smith aan te sporen om zijn vrienden met deze zonderlinge gebeurtenissen bekend te maken. Misschien zouden zij dan besluiten om gemeenschappelijk een volledig onderzoek van het eiland Lincoln in te stellen.

Hoe het ook zij, dien avond was er geen vuur op de onbekende plaats zichtbaar, die den ingang van de baai vormde, en het kleine vaartuig bleef den geheelen nacht op een afstand van de kust.

Bij het aanbreken van den dag waagden zij zich weder op die wateren, welke door die merkwaardige lava-kusten omsloten waren.

“Wat vooral zonderling is,” merkte Cyrus Smith op, “is dat de golf gevormd wordt door twee lava-oevers, door den vulkaan uitgeworpen, en die door onophoudelijke uitbarstingen zijn opeen gehoopt.”

Tegen vier uur in den middag liet Pencroff de punt van het eilandje links liggen, en liep het kanaal binnen, dat het van de kust scheidde, en ten vijf ure liet de Bonadventure het anker vallen bij de monding der Mercy.

Drie dagen was het geleden dat de kolonisten hun woning verlaten hadden. Ayrton wachtte hen op het strand en Jup liep hen tegemoet, terwijl hij een zacht gebrom liet hooren dat zijn blijdschap te kennen moest geven.

Zij hadden dus de geheele kust van het eiland onderzocht, maar niets verdachts had hun aandacht getroffen. Zoo een geheimzinnig wezen er zich op bevond, kon het slechts in die ondoordringbare wouden wezen van het Slangen-schiereiland; tot zoover hadden de kolonisten hun onderzoek nog niet uitgestrekt.

Gideon Spilett onderhield zich hierover met den ingenieur, en er werd besloten dat zij ook de aandacht van hun metgezellen zouden vestigen op die vreemde voorvallen die nu en dan op het eiland plaats grepen, en waarvan het laatste vooral een der onverklaarbaarste was.

Cyrus Smith kon niet nalaten, toen zij het onderwerp weder bespraken dat een vuur door een onbekende hand zou zijn aangestoken, voor de twintigste maal tot den reporter te herhalen:

“Hebt ge inderdaad dat vuur gezien? Was het geen uitwerping van een vulkaan, of een meteoor?”

“Neen, Cyrus,” antwoordde de reporter, “het was een vuur door een menschenhand aangestoken. Vraag het Pencroff en Harbert. Zij hebben het gezien evenals ik, en zullen mijn woorden bevestigen.”

Cyrus Smith besloot eindelijk eenige dagen later, den 25sten April, toen allen in de zaal van het Rotshuis bijeen waren, het woord op te nemen:

“Vrienden,” zeide hij, “ik moet uw aandacht vestigen op eenige feiten die hier op het eiland hebben plaats gegrepen, en waarover [84]ik gaarne uw oordeel zou vernemen. Die feiten zijn om zoo te zeggen bovennatuurlijk....”

“Bovennatuurlijk!” riep de matroos uit en blies een breede wolk rook uit. “Zou het kunnen zijn, dat ons eiland bovennatuurlijk is?”

“Neen Pencroff, maar wel geheimzinnig,” gaf de ingenieur ten antwoord; “zoo gij ons ten minste geen verklaring kunt geven van datgene, waarvan Spilett en ik ons geen denkbeeld kunnen vormen!”

“Spreek, mijnheer Cyrus,” antwoordde de matroos.

“Welnu, hebt gij het dan begrepen,” zeide toen de ingenieur, “hoe het gebeurd is, dat ik na in zee gevallen te zijn, een vierde mijl landwaarts in ben teruggevonden, en dat zonder dat ik eenig bewustzijn van mijn verplaatsing heb gehad?”

“Zoo gij ten minste niet buiten kennis waart....” zeide Pencroff.

“Dat is niet denkbaar,” antwoordde de ingenieur. “Maar laten wij verder gaan. Hebt gij begrepen hoe Top uw schuilplaats heeft ontdekt, op vijf mijl afstands van de grot waarin ik lag?”

“Het instinct van een hond....” antwoordde Harbert.

“Een zonderling instinct!” merkte de reporter op, “daar, ondanks regen en wind, Top dien nacht droog in de schoorsteenen aankwam!”

“Laten wij ook dit onderwerp verder onaangeroerd. Hebt gij begrepen hoe onze hond zoo zonderling uit het meer werd geworpen, na dien strijd met de zeekoe?”

“Neen, niet goed, dat erken ik,” antwoordde Pencroff, en de wond die de koe in de zijde vertoonde, had den schijn alsof zij met een scherp wapen was toegebracht en dat begrijp ik nog veel minder.”

“Nog iets,” hernam Cyrus Smith. “Hebt gij begrepen, beste vrienden, hoe dat hageltje in het lichaam van het konijn gekomen is, zonder dat wij eenig spoor van een schipbreuk gevonden hebben; hoe die flesch, waarin die documenten lagen, ons juist bijtijds in handen is gekomen; hoe onze boot, nadat zij zich van haar touwen had losgerukt op het goede oogenblik de Mercy afzakte; hoe na de bestorming der apen, de ladder op een geschikt oogenblik weder boven uit het Rotshuis kwam, en eindelijk hoe het bericht dat Ayrton beweert nooit geschreven te hebben, in onze handen is gevallen.”

Cyrus Smith noemde ze allen op, zonder een enkel te vergeten van de feiten die op het eiland hadden plaats gegrepen. Harbert, Pencroff en Nab zagen elkaar aan, en wisten niet wat te antwoorden, want de reeks dezer gebeurtenissen, voor de eerste maal aldus gerangschikt, verbaasde hen in de hoogste mate.

“Op mijn woord,” zeide Pencroff eindelijk, “gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus, en het is moeielijk die zaken te verklaren.”

“Welnu, mijn vrienden,” hernam de ingenieur, “er is nog een derde feit bijgekomen, en dat is niet minder onverklaarbaar.”

“Welk dan, mijnheer Cyrus?” vroeg Harbert levendig.

“Toen gij van het eiland Tabor terug zijt gekomen, Pencroff,” [85]zeide de ingenieur, “hebt ge een vuur op het eiland Lincoln gezien?”

“Zeker,” antwoordde de matroos.

“Gij zijt vast overtuigd het gezien te hebben?”

“Even zeker als ik u nu zie.”

“Gij ook, Harbert?”

“Wel, mijnheer Cyrus!” riep Harbert uit, “het vuur schitterde als een ster in haar volle pracht.”

“Maar was het geen ster?” vroeg de ingenieur dringend.

“Neen,” antwoordde Pencroff, “want het was een bewolkte hemel, en een ster zou in elk geval niet zoo laag kunnen staan. Maar mijnheer Spilett heeft het evenals wij gezien en kan onze woorden bevestigen.”

“Ik voeg er bij,” zeide de reporter, “dat het een helder vuur was en dat electrieke stralen wierp.”

“Ja juist....” riep Harbert, “en het was boven het Rotshuis.”

“Welnu, mijne vrienden,” antwoordde Cyrus Smith, “in dien nacht van 19 op 20 October hebben noch Nab, noch ik een vuur op de kust aangelegd.”

“Hebt gij niet?....” riep Pencroff uit, ten toppunt van verbazing, zoodat hij zelfs den zin niet kon voleinden.

“Wij hebben het Rotshuis niet verlaten,” antwoordde de ingenieur, “en zoo gij een vuur op de kust gezien hebt, dan heeft een andere hand dan de onze het aangestoken!”

Pencroff, Harbert en Nab stonden hierover versteld. Het kon geen verbeelding geweest zijn, en zeer zeker hadden zij in dien nacht van 19 en 20 October een vuur gezien.

Ja, zij moesten het wel erkennen dat er een geheim bestond! Een onverklaarbare invloed, die de kolonisten zeer gunstig was, maar die in de hoogste mate hun nieuwsgierigheid opwekte, beheerschte het eiland Lincoln. Was er dan eenig wezen verborgen in de meest afgelegen schuilplaatsen? Dit moesten zij weten, het mocht kosten wat het wilde.

Cyrus Smith herinnerde ook zijn vrienden aan het zonderlinge gedrag van Top en Jup, toen zij bij de opening van den put kwamen, die het Rotshuis in gemeenschap brengt met de zee, en deelde hun mede dat hij dien put onderzocht had, maar niets verdachts had ontdekt. Zij eindigden met het voornemen om het geheele eiland weer te onderzoeken, zoodra het goede seizoen was aangebroken.

Pencroff was dien dag telkens in gepeins verzonken. Het eiland dat hij dacht met zijn vrienden te bezitten, scheen hem niet meer geheel te behooren en het was of hij het met een ander moest deelen, aan wien hij, of hij wilde of niet, zich onderworpen moest gevoelen. Nab en hij spraken menigmaal over die onverklaarbare dingen; beiden geloofden gaarne aan wonderen, en aarzelden dus niet lang om te verklaren dat het eiland door een bovennatuurlijke macht beheerscht werd. [86]

Het slechte weer brak met de maand Mei aan—die de Novembermaand in het noorden is. Het scheen een strenge en lange winter te zullen worden. Zij begonnen dan ook spoedig met hun winter-arbeid.

De kolonisten waren echter op dien winter voorbereid, hoe streng hij ook wezen mocht. Het ontbrak hun niet aan vilten kleeren en de schapen hadden hen van de noodige wol voorzien, waarvan zij warme kleeren konden vervaardigen. Het spreekt van zelf, dat zij ook Ayrton niet vergeten hadden. Cyrus Smith bood hem aan om het koude jaargetij in het Rotshuis te komen doorbrengen, waar hij een beter verblijf zou vinden dan in de kraal, en Ayrton beloofde dit te doen, zoodra zijn werk in de kraal zou zijn afgeloopen.

Hij kwam die belofte dan ook spoedig na. Sedert dien tijd maakte Ayrton een deel van het gezin uit en was hij hun in vele opzichten behulpzaam; maar hij bleef altijd onderworpen en somber en nam nooit deel aan de kleine genoegens die de kolonisten zich verschaften.

Het grootste gedeelte van dien derden winter, welken zij op het eiland Lincoln doorbrachten, sleten de kolonisten in het Rotshuis. Er waren hevige stormen en regenbuien, die de rotsen deden schudden op hun grondvesten. Gedurende dien tijd waagden zich tot tweemaal toe een paar jaguars en andere viervoetige dieren tot aan de grens der bergvlakte, en het was altijd te vreezen, dat de vlugsten en de moedigsten, door den honger gedreven, de gracht zouden oversteken, die bovendien, wanneer zij bevroren was, hun een gemakkelijken overtocht zou aanbieden. De planten en huisdieren zouden, zonder hun goede zorg, dan ook veel kans geloopen hebben geheel vernield te worden, en dikwijls moesten zij een schot lossen om die gevaarlijke bezoekers op een eerbiedigen afstand te houden.

Aan werk ontbrak het den kolonisten overigens niet, want behalve hetgeen zij buiten te verrichten hadden, leverde het meubelen van het Rotshuis hun een voortdurenden arbeid op.

Het jagen werd gedurende de vier strenge wintermaanden niet vergeten. Maar het Rotshuis had weinig van die koude te lijden, evenals de kraal, daar beiden niet zoo open lagen als de vlakte en voor een groot gedeelte door den berg Franklin beschut werden. Er werd daar dus weinig schade aangericht en de vlugge hand van Ayrton was voldoende om alles weder te herstellen, toen hij in de tweede helft van October eenige dagen in de kraal ging doorbrengen.

Gedurende dien winter had er geen enkel onverklaarbaar feit plaats. Niets vreemds gebeurde er, hoewel Pencroff en Nab er op uit waren om aan de meest onbeteekenende zaak een geheimzinnig tintje te geven. Top en Jup dwaalden niet meer om den put en gaven ook geen enkel bewijs van ongerustheid. Het scheen dus, dat [87]er een einde was gekomen aan die bovennatuurlijke voorvallen, hoewel zij ’s avonds, wanneer ze allen in het Rotshuis vereenigd waren, nog menigmaal er over spraken, en het hun plan nog altijd was om het eiland in zijn meest afgelegen gedeelten weer te onderzoeken. Maar een zeer gewichtige gebeurtenis, die noodlottige gevolgen kon hebben, deed alle plannen van Cyrus Smith en zijn vrienden plotseling in duigen vallen.

Men was in de maand October. Spoedig zou het goede jaargetij weer aanbreken. Men herinnert zich dat Gideon Spilett en Harbert dikwijls een photographie genomen hadden van verschillende punten van het eiland Lincoln. Het was den 17den October, en tegen drie uur ’s middags kwam Harbert op het denkbeeld, daar het zulk een heldere hemel was, een photographie van de Uniebaai te gaan nemen, die tegenover de vlakte het Verre Uitzicht lag, van kaap Mandibule tot kaap Klauw.

Hij plaatste zijn toestel aan een der vensters van de groote zaal in het Rotshuis, zoodat het strand en de baai vlak voor hem lagen. Harbert ging hiermede zooals gewoonlijk te werk, en toen hij zijn negatief had verkregen, ging hij dit fixeeren door middel van de chemische stoffen, welke in een donker vertrek van het Rotshuis bewaard werden. Toen hij weder in het licht kwam, bezag hij het aandachtig. Harbert ontdekte op zijn beeld een bijna onzichtbaar vlekje aan den horizon der zee. Hij beproefde dit uit te wisschen, maar slaagde daarin niet.

“Zeker zit het in het glas,” dacht hij.

Hij wilde toen door een lens zien, wat er aan het glas faalde.

Maar nauwelijks had hij het bekeken of hij uitte een kreet en liet bijna de photographie uit zijn handen vallen.

Terstond snelde hij naar de kamer van Cyrus Smith, liet hem zijn photographie door de lens zien, en wees hem het vlekje.

De ingenieur beschouwde het aandachtig; daarop greep hij zijn verrekijker en snelde naar het venster.

Nadat hij langzaam met zijn verrekijker den geheelen horizon was afgeloopen, hield hij hem eindelijk bij dat punt stil en uitte slechts één woord: “Een schip!”

En inderdaad een schip was in het gezicht van het eiland Lincoln. [88]

[Inhoud]

XI.

Verloren of gered.—Ayrton ontboden.—Gewichtig onderhoud.—Het is de Duncan niet.—Een verdacht vaartuig.—Voorzorgen.—Het schip nadert.—Een kanonschot.—De brik laat het anker vallen.—De nacht breekt aan.

Het was twee en een half jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen en tot nog toe hadden zij niets van de beschaafde wereld gehoord. Eens had de reporter gepoogd om eenige gemeenschap aan te knoopen, door aan een vogel het papier toe te vertrouwen, dat het verhaal van hun toestand bevatte; maar dit was een zeer gewaagd middel, waarop zij toch niet konden rekenen. Ayrton alleen, en in welke omstandigheden weet men, had zich bij de kleine kolonie gevoegd. En dien dag nu—den 17den October—waren onverwachts andere menschen in het gezicht van het eiland, op die zee, die tot nog toe altijd verlaten was geweest!

Zij konden er niet meer aan twijfelen! Er lag daar een schip! Maar zou het voorbijgaan of het anker laten vallen. Binnen weinige uren zouden de kolonisten weten wat hun te doen stond.

Cyrus Smith en Harbert riepen terstond Gideon Spilett, Pencroff en Nab in de groote zaal van het Rotshuis, en stelden hen op de hoogte van het gebeurde. Pencroff greep den verrekijker, doorliep den geheelen horizon, hield hem op het aangeduide punt stil, dat is te zeggen, daar waar het vlekje op de photographie zichtbaar was, en riep:

“Duizend duivels! Het is een schip!” Hij zeide dit op een toon, die zijn groote vreugde verried.

“Komt het hierheen?” vroeg Gideon Spilett.

“Ik kan het nog niet met zekerheid zeggen,” gaf Pencroff ten antwoord; “want alleen zijn mast is pas zichtbaar, en men ziet niets van den romp.”

“Wat moeten wij doen?” vroeg de knaap.

“Wachten,” antwoordde Cyrus Smith.

Eenige oogenblikken heerschte er een diepe stilte in de zaal; allen waren met hun eigen gedachten, aandoeningen, vrees en hoop, die uit deze gebeurtenis moesten voortspruiten, te zeer vervuld; het was het gewichtigste voorval dat sedert hun verblijf op het eiland Lincoln had plaats gegrepen.

“Waarlijk, het is een schip.” Blz. 92.

“Waarlijk, het is een schip.” Blz. 92.

De kolonisten bevonden zich niet in dien toestand, waarmede schipbreukelingen welke op een onvruchtbaar eiland geworpen zijn, te kampen hebben, en die hun ellendig bestaan betwisten aan een woeste natuur en voortdurend gekweld worden door de behoefte om de bewoonde landen terug te zien. Pencroff en Nab vooral, die zich hier zoo gelukkig en rijk gevoelden, zouden niet dan met spijt [89]het eiland verlaten. Zij waren gewend aan dit nieuwe leven, te midden van het grondgebied dat, als het ware door hun eigen verstand, gevormd was geworden! Maar in elk geval bracht dit schip hun toch [90]eenig nieuws van het vasteland; misschien was het een deel van hun vaderland, dat hun hier tegemoet kwam! Het bracht hun menschen als zij, en men kan begrijpen dat hun hart, bij het gezicht hiervan, van genot sidderde!

Van tijd tot tijd ging Pencroff met den verrekijker voor het venster staan. Hij beschouwde dan met aandacht het schip, dat twintig mijlen oostwaarts van hen verwijderd was. De kolonisten hadden dus nog geen enkel middel om de opvarenden met hun verblijf bekend te maken. Een vlag zouden zij niet bespeuren; een geweerschot zou niet gehoord worden, en een vuur zouden zij niet zien.

Toch kon het eiland met zijn berg Franklin niet aan de bemanning ontgaan zijn. Maar waarom zou het schip hier ankeren? Was het niet het toeval dat hen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bracht? Geen enkele kaart toch gewaagde in deze streek van een land, behalve het eiland Tabor, dat zelfs buiten de richting der scheepvaart in den Polynesischen Archipel lag. Op deze vraag die een ieder aan zichzelven deed, gaf Harbert plotseling het antwoord:

“Zou het de Duncan niet wezen?”

De Duncan, men zal het zich herinneren, was het jacht van lord Glenarvan, die Ayrton op het eilandje had achtergelaten en die hem nu misschien kwam afhalen. Het eilandje was nu zoover niet van het eiland Lincoln verwijderd, dat een schip, welks koers daarheen was, niet in het gezicht kon komen van het andere eiland. Honderd vijftig mijlen slechts was het in de lengte verwijderd en vijf en zeventig mijlen in de breedte.

“Wij moeten Ayrton waarschuwen,” zeide Gideon Spilett, “en hem onmiddellijk hier laten komen. Hij alleen kan ons zeggen of het de Duncan is.”

Dit was ook de meening der overigen, en de reporter ging naar de telegraaf, en zond het volgende telegram:

“Kom terstond!”

Eenige oogenblikken later kreeg hij het antwoord:

“Ik kom.”

Nu gingen de kolonisten weder voort met het schip gade te slaan.

“Als het de Duncan is,” zeide Harbert, “zal Ayrton haar terstond herkennen, daar hij eenigen tijd aan boord geweest is.”

“En zoo hij haar herkent,” antwoordde Pencroff, “dan zal dat een hevige aandoening bij hem opwekken.”

“Ja,” zeide Cyrus Smith, “maar thans is Ayrton waardig om weder aan boord van de Duncan te komen, en ik hoop dat ’t het jacht van lord Glenarvan wezen zal; want elk ander schip zou mij verdacht toeschijnen! Deze zeeën worden weinig bezocht, en ik vrees altijd nog dat ons eiland door maleische zeeroovers overvallen zal worden.”

“Wij zouden het verdedigen!” riep Harbert uit.

“Zeker, beste jongen,” antwoordde de ingenieur glimlachend, [91]“maar beter is het, wanneer we het niet behoeven te verdedigen.”

“Een eenvoudige opmerking,” zeide Gideon Spilett. “Het eiland Lincoln is aan de zeelieden niet bekend, daar het zelfs niet op de laatste kaarten is aangegeven. Vindt gij dus niet, Cyrus, dat dit juist een reden is dat een schip, zich zoo plotseling in het gezicht bevindende van een nieuw land, dit eerder zal bezoeken, dan ontvluchten?”

“Zeker,” antwoordde Pencroff.

“Ik geloof het ook,” zeide Cyrus Smith. “Men kan zelfs beweren dat het de plicht van een kapitein is om elk land, dat nog niet bekend is, te bezoeken, en het eiland Lincoln bevindt zich in dat geval.”

“Welnu,” zeide Pencroff toen, “dat dit schip hier zijn anker late vallen, maar wat zullen wij dan doen?”

Die vraag bleef eerst onbeantwoord. Maar toen antwoordde Cyrus Smith, nadat hij een oogenblik had nagedacht, op zijn gewonen kalmen toon:

“Wat wij doen zullen, mijn vrienden, is dit: Wij zullen onze tegenwoordigheid melden, aan boord gaan en het eiland verlaten, nadat wij er bezit van hebben genomen in naam der Vereenigde Staten. Daarop zullen wij, met ieder die ons volgen wil, terugkeeren om het te koloniseeren, en wij zullen de amerikaansche Republiek deze nuttige haven in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bezorgen.”

“Hoezee!” riep Pencroff, “en het is geen klein geschenk dat wij ons land geven! De kolonisatie is bijna geheel voltooid; aan elk gedeelte van het eiland hebben wij reeds een naam gegeven; er is een haven, een waterleiding, wegen, een telegraaflijn, een timmerwerf en een gasfabriek; er is dus niets anders te doen, dan het eiland Lincoln op de kaarten te teekenen!”

“Maar zoo anderen het gedurende onze afwezigheid in bezit nemen,” merkte Gideon Spilett op.

“Duizend duivels,” riep de matroos uit, “liever blijf ik dan hier geheel alleen om het te bewaren; zoo waar ik Pencroff heet, zal men het mij niet ontrooven, zoo min als mijn horloge.”

Een uur lang was het hun onmogelijk te zeggen of het schip zijn koers al dan niet naar het eiland richtte. Wel was het naderbij gekomen, maar onder welke vlag voer het? Dat kon Pencroff niet ontdekken. Maar daar de wind uit het noordoosten woei, was het wel waarschijnlijk dat het schip over stuurboord lag; de wind was bovendien zoo, dat het schip het land kon naderen, zonder het nog te zien, en met zulk een kalme zee bestond niet het minste gevaar om te ankeren, hoewel de diepte der zee nog niet op de kaarten aangegeven was.

Tegen vier uur—een uur nadat zij geseind hadden—kwam Ayrton in het Rotshuis. Hij trad de zaal binnen, met de woorden:

“Ik ben tot uw orders, mijne heeren!”

Cyrus Smith stak hem, zooals altijd, de hand toe en geleidde hem naar het venster. [92]

“Ayrton,” zeide hij, “wij lieten u hier komen, omdat we een zeer ernstig onderwerp te bespreken hadden. Er is een schip in het gezicht.”

Een oogenblik verbleekte Ayrton en sloot hij zijn oogen. Daarop keek hij uit het venster; doorliep den horizon, maar hij zag niets.

“Neem den verrekijker,” zeide Gideon Spilett, “en let dan goed op, Ayrton, want het zou mogelijk kunnen wezen dat het de Duncan was, die in deze zeeën gekomen is om u weder naar uw vaderland te brengen.”

“De Duncan,” mompelde Ayrton, “nu reeds!”

De laatste woorden ontsnapten hem onwillekeurig, en Ayrton liet het hoofd in de handen zakken.

Twaalf jaar op een verlaten eiland te hebben doorgebracht, schenen hem dus nog geen voldoend tijdsverloop toe? De berouwvolle misdadiger scheen zich dus nog geen vergiffenis waardig te keuren, zoo min in zijn eigen oogen, als in die van anderen.

“Neen,” zeide hij, “neen! het kan de Duncan niet zijn.”

“Zie goed, Ayrton,” zeide toen de ingenieur, “want het is van het hoogste belang dat wij weten, waaraan we ons te houden hebben.”

Ayrton nam den verrekijker en hield hem in de aangewezen richting. Eenige oogenblikken beschouwde hij roerloos den horizon, zonder een woord te uiten. Daarop antwoordde hij:

“Waarlijk, het is een schip; maar ik geloof niet dat het de Duncan is.”

“Waarom zou zij het niet wezen?” vroeg Gideon Spilett.

“Omdat de Duncan een stoomjacht is, en ik volstrekt geen rook bespeur, noch boven noch in den omtrek van het schip.”

“Misschien voert het thans enkel zeilen?” merkte Pencroff op. “De wind is goed naar het schijnt voor de richting, die het schip volgen wil, en het heeft er belang bij, dunkt me, zijn kolen te sparen, daar het zoover van elk land verwijderd is.”

“Het is mogelijk dat ge gelijk hebt, Pencroff,” antwoordde Ayrton, “en dat het schip zijn vuren heeft gebluscht. Laten wij dus wachten tot het de kust genaderd is, en spoedig zullen wij dan weten waaraan wij ons te houden hebben.”

Bij deze woorden ging Ayrton in een hoek der zaal zitten, zonder verder een woord te uiten. De kolonisten spraken nog een tijd lang over het onbekende schip, maar Ayrton nam aan het gesprek geen deel.

Allen bevonden zich in een toestand, waarin zij onmogelijk tot werken geschikt zouden zijn. Gideon Spilett en Pencroff waren bijzonder zenuwachtig, zij liepen heen en weer en konden onmogelijk op dezelfde plaats blijven. Harbert kon zijn nieuwsgierigheid niet beheerschen. Nab alleen behield zijn gewone kalmte. Was zijn vaderland niet daar, waar zijn meester was? Wat den ingenieur betrof, deze was in gepeins verzonken en in zijn binnenste was hij meer met vrees, dan met hoop vervuld.

Het schip was in dien tusschentijd het eiland een weinig genaderd. [93]Met behulp van den verrekijker was het hun mogelijk geweest te ontdekken dat het een koopvaardijschip was, en niet een van die maleische prauwen welke de zeeroovers uitrusten wanneer zij den Stillen Oceaan bevaren. Het was dus te voorzien dat de vrees van den ingenieur niet verwezenlijkt zou worden, en dat de komst van een schip bij het eiland Lincoln geen gevaar voor hen zou opleveren. Pencroff was, nadat hij nogmaals den horizon aandachtig had gadegeslagen, van oordeel dat het een brik was en dat het rechtstreeks op de kust aankwam, hetgeen door Ayrton ook bevestigd werd.

“Wat zullen wij doen wanneer de avond invalt?” vroeg Gideon Spilett. “Zullen wij een vuur aansteken zoodat men met onze tegenwoordigheid op deze kust bekend worde?”

Dit was een gewichtige vraag, en toch, hoewel de ingenieur altijd nog van zijn voorgevoel geen afstand had kunnen doen, werd deze vraag bevestigend beantwoord. Gedurende den nacht kon het schip verdwijnen, voor altijd zich verwijderen, en wanneer dit gebeurde, zou er dan ooit weer een ander in de nabijheid van Lincoln komen? Maar wie kon voorzien wat de toekomst hun nog zou opleveren?

“Ja,” zeide de reporter, “wij moeten dat schip laten weten, op welke wijs ook, dat het eiland bewoond is. Wanneer we die goede gelegenheid thans voorbij lieten gaan, zouden we ons misschien veel verdriet berokkenen!”

Er werd dus besloten dat Nab en Pencroff naar de Ballonhaven zouden gaan, en zoodra de nacht was aangebroken een groot vuur zouden aanleggen, dat ongetwijfeld de aandacht der bemanning van de brik moest trekken.

Maar op het oogenblik dat Nab en de matroos op het punt stonden het Rotshuis te verlaten, veranderde het schip zijn koers en maakte zich gereed de Uniebaai binnen te loopen. De brik was een goede zeiler, want zij naderde snel. Pencroff en Nab zagen dus van hun vertrek af, en overhandigden den verrekijker aan Ayrton, zoodat hij zich terstond kon overtuigen of het al dan niet de Duncan was. Het schotsche jacht was ook als brik getuigd. De vraag was nu, of zich tusschen de twee masten van het schip, dat nog slechts twee mijlen verwijderd was, een schoorsteen verhief.

De horizon was nog helder. Zij konden dus alles gemakkelijk onderscheiden, en Ayrton legde spoedig zijn verrekijker neer met de woorden:

“Het is de Duncan niet! Zij kon het niet wezen!....”

“Een half uur later zullen we weten welk schip het dan is,” antwoordde de reporter. “Bovendien is het zeer waarschijnlijk, dat de kapitein van plan is hier te ankeren, en dus zoo niet van daag, zullen wij morgen toch met hem kennis maken.”

“Het doet er niet toe!” zeide Pencroff. “Het is beter dat wij weten [94]met wien we te doen hebben, en ik wil gaarne weten, onder welke vlag het vaart!”

Zoo pratende, hield de matroos steeds zijn verrekijker op het schip gericht.

“Het is geen amerikaansche vlag,” zeide Pencroff van tijd tot tijd, “noch een engelsche, want het rood zouden wij gemakkelijk kunnen onderscheiden, noch zijn het de fransche of duitsche kleuren en evenmin is het de witte vlag der Russen, noch de gele der Spanjaarden.... Men zou zeggen dat het één kleur is.... Laat eens zien.... in deze zeeën.... wat zou het dan wezen?.... de chilische vlag?.... maar die is driekleurig.... braziliaansche?.... die is groen.... japaneesche? die is wit met een roode schijf.... terwijl deze....”

Op dit oogenblik deed een koeltje de onbekende vlag uitwaaien.

Ayrton greep den verrekijker dien de matroos had nedergelegd, keek er door en sprak toen op somberen toon:

“Het is de zwarte vlag!”

Inderdaad woei deze doodsche kleur boven de brik, en men kon nu met alle recht zeggen dat het een verdacht schip was. De ingenieur was dus in zijn voorgevoel niet bedrogen. Was het een schip met zeeroovers? Wat kwam dit op de kust van het eiland Lincoln zoeken? Zag het daarin een onbekend land, dat zeer goed tot bewaarplaats van hun gestolen goederen kon dienen? Kwam men hier gedurende de wintermaanden een schuilplaats zoeken? Was dus die bezitting der kolonisten bestemd om een schandelijk toevluchtsoord te worden—een soort van hoofdplaats—der zeeroovers van den Stillen Oceaan?

Al deze gedachten maakten zich van de kolonisten meester. Er viel niet meer aan te twijfelen, daar zij de vlag geheschen hadden. Het was die der zeeschuimers! Het was die, welke de Duncan zou gevoerd hebben, zoo de misdadigers in hun slechte plannen waren geslaagd!

Zij verloren geen tijd met hierover te praten.

“Vrienden,” zeide Cyrus Smith, “misschien wil dit schip slechts de kust van het eiland verkennen? Misschien zal de bemanning niet aan wal gaan? Dat is de eenigste kans. Hoe het ook zij, wij moeten alles beproeven om onze tegenwoordigheid te verbergen. De molen, welke op het Verre Uitzicht staat, is te gemakkelijk te bespeuren. Laten Ayrton en Nab de wieken er af nemen. Laten wij ook de vensters van het Rotshuis met takkenbossen verbergen. Laten alle vuren worden uitgedoofd. Dat niets de tegenwoordigheid van den mensch verrade!”

“En ons vaartuig?” vroeg Harbert.

“O,” antwoordde Pencroff, “dat ligt goed in de Ballonhaven bezorgd, en ik twijfel er aan of de roovers het ooit kunnen vinden.”

De bevelen van den ingenieur werden onmiddellijk ten uitvoer gebracht. Nab en Ayrton begaven zich naar de vlakte en namen daar de noodige maatregelen, opdat hun verblijf niet zou ontdekt [95]kunnen worden. Terwijl zij hiermede bezig waren, gingen hun metgezellen naar den zoom van het boomkruipersbosch en brachten vandaar een aantal slingerplanten en takken mede, die voorloopig hun verblijfplaats moesten verbergen. Ook brachten zij hun wapenen in orde, zoodat zij, wanneer het noodig was, die terstond bij de hand zouden hebben.

Toen al deze voorzorgen genomen waren, zeide Cyrus Smith:

“Vrienden,” en men bespeurde aan den toon waarop hij deze woorden sprak, dat hij aangedaan was, “zoo die ellendelingen zich van het eiland Lincoln willen meester maken, zullen wij ons verdedigen, niet waar?”

“Ja, Cyrus,” antwoordde de reporter, “en zoo het moet, zullen wij ons leven geven om het te verdedigen!”

De ingenieur stak zijn vrienden de hand toe, die hem met hartelijkheid drukten.

Ayrton was in zijn hoek gebleven en had zich dus niet bij de kolonisten gevoegd. Misschien gevoelde hij, de voormalige balling, zich nog niet waardig daartoe.

Cyrus Smith begreep wat er in de ziel van Ayrton moest omgaan, hij ging dus naar hem toe met de woorden:

“En gij, Ayrton, wat zult gij doen?”

“Mijn plicht,” antwoordde deze.

Daarop plaatste hij zich bij het venster en keek naar buiten. Het was toen half acht. De zon was reeds eenigen tijd achter het Rotshuis ondergegaan. De brik naderde steeds meer en meer. Nog slechts acht mijlen was zij van het land verwijderd.

Nu was de vraag: zou het schip de baai binnenloopen, en zoo het dit al deed, zou het dan zijn anker laten vallen? Of zou het misschien zich tevreden stellen de kust in oogenschouw te nemen, en daarop weder zee kiezen? Binnen het uur zouden zij dit alles weten. De kolonisten moesten dus tot zoolang geduld hebben.

Cyrus Smith had niet zonder angst het verdachte schip zijn zwarte vlag zien hijschen. Was dit niet een bepaalde bedreiging tegen het werk dat zijn vrienden en hij hadden tot stand gebracht? De zeeroovers—men kon er niet meer aan twijfelen of de bemanning der brik bestond uit die wezens—hadden dit eiland dus reeds meermalen bezocht, daar zij, toen ze in het gezicht waren gekomen, hun vlag geheschen hadden? Hadden zij vroeger een landing hier gedaan, wat verscheidene bijzonderheden, die tot nog onverklaarbaar schenen, zouden hebben opgelost? Leefde er in die gedeelten, welke zij nog niet doorzocht hadden, een wezen, dat gereed was zich met hen in betrekking te stellen? Op al deze vragen, die zij zich zelven onwillekeurig deden, wist Cyrus niet wat te antwoorden; maar wel begreep hij dat de toestand der kolonie door de komst van de brik in groot gevaar verkeerde. [96]

Het was nacht geworden. Men kon niets meer van het schip onderscheiden.

“Wel, wie weet,” zeide Pencroff eensklaps, “of dat ellendige schip misschien zijn koers gedurende den nacht niet verandert en wij het bij het aanbreken van den dag niet weder zullen zien.”

Maar plotseling, alsof het een antwoord was op de woorden van den matroos, zagen zij een hel licht en hoorden zij een kanonschot.

Het schip was er dus nog altijd en men had geschut aan boord.

Zes seconden waren er verstreken tusschen het zien van het licht en het geluid van het schot. De brik was dus op een en een kwart mijl van de kust verwijderd.

En op hetzelfde oogenblik hoorden zij het rinkelen van kettingen die door de kluisgaten liepen. Het schip ankerde dus voor het Rotshuis.

[Inhoud]

XII.

Beraad.—Voorgevoel.—Een voorstel van Ayrton.—Men neemt het aan.—Ayrton en Pencroff op het eilandje.—Boeven uit Norfolk.—Hun plannen.—Heldhaftige pogingen van Ayrton.—Zijn terugkomst.—Zes tegen vijftig.

Er viel dus niet meer te twijfelen aan de plannen der zeeroovers. Zij hadden het anker op korten afstand van het eiland geworpen, en het was blijkbaar, dat zij den anderen morgen met hun sloepen zich aan wal zouden begeven.

Cyrus Smith en zijn metgezellen stonden dus gereed om te handelen, maar, hoe vast besloten zij ook waren, moesten zij de voorzichtigheid toch niet uit het oog verliezen.

Misschien konden zij hun tegenwoordigheid nog verbergen, ingeval de zeeroovers zich mochten bepalen de kust te onderzoeken, zonder tot het binnengedeelte van het eiland door te dringen. Het kon inderdaad zeer goed wezen, dat zij geen ander plan hadden dan water in te nemen, en het was niet onmogelijk dat de brug, op ongeveer anderhalve mijl afstand van de monding, en de verschillende werkplaatsen bij de schoorsteenen aan hun oog ontsnapten.

Maar waarom hadden zij die vlag geheschen? Waartoe dat kanonschot? Niets dan bluf, zoo het ten minste niet het teeken was van het inbezitnemen van het eiland! Cyrus Smith wist thans, dat het schip goed gewapend was. En wat hadden de kolonisten van het [97]eiland Lincoln om het kanonschot der zeeschuimers te kunnen beantwoorden? Niets dan eenige geweren.

Ayrton haalde diep adem en hief zich tusschen de kettingen op. Bladz. 99.

Ayrton haalde diep adem en hief zich tusschen de kettingen op. Bladz. 99.

“In elk geval,” merkte Cyrus Smith op, “bevinden wij ons in een [98]onoverwinlijke positie. De vijand kan de opening van de uitloozingsplaats niet ontdekken, daar die thans onder takkenbossen en groen verborgen is, en dientengevolge is het hem ook onmogelijk het Rotshuis binnen te dringen.”

“Maar onze tuinen! ons pluimgedierte, onze kraal, ja alles!” riep Pencroff uit, terwijl hij met den voet stampte. “Zij kunnen alles verwoesten, en alles in weinige uren vernielen!”

“Alles, Pencroff, en wij kunnen het hun volstrekt niet verhinderen!” antwoordde de ingenieur.

“Zijn er veel? Dit is nu nog de vraag,” merkte de reporter op. “Zoo het slechts een dozijn is, kunnen wij ze wel weerhouden, maar veertig, vijftig, misschien wel meer....!”

“Mijnheer Cyrus,” zeide Ayrton toen tot den ingenieur, “wilt ge mij één ding toestaan?”

“Wat dan, mijn vriend?”

“Dat ik naar het schip ga en zie hoe sterk zijn bemanning is.”

“Maar, Ayrton....” antwoordde de ingenieur aarzelend, “gij waagt uw leven....”

“Waarom, mijnheer Cyrus?”

“Het is meer dan uw plicht.”

“Ik moet ook meer dan mijn plicht doen,” antwoordde Ayrton.

“Gij wilt met onze prauw naar het schip gaan?” vroeg Gideon Spilett.

“Neen, mijnheer, ik zal er heen zwemmen. De prauw kan niet daar komen, waarheen een mensch zijn weg vindt.”

“Weet ge wel dat de brik een en een kwart mijl van de kust verwijderd is,” merkte Harbert op.

“Ik ben een goed zwemmer, Harbert.”

“Gij zet uw leven op het spel,” hernam de ingenieur.

“Het doet er niet toe,” antwoordde Ayrton. “Mijnheer Cyrus het is een weldaad, die ik u verzoek. Misschien is het een middel om mij in mijn eigen oog een weinig te verheffen!”

“Ga, Ayrton,” gaf de ingenieur ten antwoord, die gevoelde dat, zoo hij weigerde, dit den vroegeren misdadiger, die thans eerlijk man was geworden, zou grieven.

“Ik zal u vergezellen,” zeide Pencroff.

“Gij vertrouwt mij niet!” riep Ayrton getroffen uit; daarop voegde hij er onderworpen bij: “Helaas!”

“Neen, neen Ayrton,” sprak Cyrus Smith levendig, “neen Ayrton, Pencroff wantrouwt u niet, gij hebt zijn woorden verkeerd begrepen.”

“Inderdaad,” zeide de matroos, “ik stel Ayrton slechts voor hem tot het eilandje te vergezellen, het kan zijn, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat eenige van die schelmen op de kust zwerven, en twee mannen zijn dan niet te veel, om te waarschuwen. Ik zal dus op [99]het eilandje wachten en hem alleen naar het schip laten gaan, daar, hij zelf aangeboden heeft dit te doen.”

Toen de zaak alzoo geschikt was, nam Ayrton de noodige maatregelen tot zijn vertrek. Zijn plan was gevaarlijk, maar hij kon slagen, daar het een zeer donkere nacht was. Wanneer hij eenmaal het schip had bereikt, zou hij wel een middel vinden om het aantal zeeschuimers te verkennen, en misschien ook wel iets omtrent hunne plannen te vernemen.

Ayrton en Pencroff begaven zich naar de kust, gevolgd door hun vrienden. Ayrton ontkleedde zich, wreef zijn lichaam met vet in, waardoor hij minder van de temperatuur, die toch nog vrij koud was, zou te lijden hebben. Het was zeer wel mogelijk, dat hij verscheidene uren in het water zou moeten doorbrengen.

Pencroff en Nab gingen in dien tusschentijd de prauw halen, die eenige honderden schreden hooger lag en toen zij terug kwamen, was Ayrton gereed.

Zij wierpen een deken over zijn schouders en de kolonisten drukten hem de hand.

Ayrton scheepte zich met Pencroff in.

Het was toen half elf; hun makkers begaven zich naar de Schoorsteenen om daar hun terugkomst af te wachten.

Zij hadden spoedig het kanaal overgestoken en de prauw had nu den tegenovergestelden oever van het eilandje bereikt. Zij moesten nu voorzichtig te werk gaan, want het kon zeer wel wezen dat de roovers zich in dit gedeelte bevonden. Maar toen zij alles aandachtig hadden gadegeslagen, bleek het duidelijk dat het eilandje verlaten was. Ayrton en Pencroff legden snel den weg af, daarop wierp de eerste zich zonder aarzelen in zee, en zwom onhoorbaar in de richting van het schip, hetwelk hij, doordat zij licht ontstoken hadden, goed kon zien. Pencroff verborg zich tusschen een der klippen en wachtte daar de terugkomst van zijn makker af. Ayrton zwom flink door. Zijn hoofd was ternauwernood zichtbaar, en zijn oogen waren steeds op de brik gevestigd, waarvan de lichten zich in de golven weerkaatsten. Hij dacht aan niets dan aan den plicht, dien hij beloofd had te vervullen, en geenszins aan het gevaar dat hij liep, niet alleen aan boord van het schip, maar ook in deze wateren, waarin het wemelde van haaien. De stroom voerde hem mede, en hij verwijderde zich snel van de kust.

Een half uur later had Ayrton, zonder gehoord noch gezien te zijn, den boegspriet bereikt. Hij haalde toen diep adem, hief zich tusschen de kettingen op, en slaagde er zoo in het uiteinde van de plecht te naderen. Daar hingen eenige broeken van de matrozen te drogen. Hij trok er een aan en luisterde toen met ingehouden adem. Men sliep nog niet aan boord van de brik. Integendeel. Hij hoorde praten, zingen en lachen. Vooral de volgende [100]woorden, die met menigen vloek gepaard gingen, trokken zijn aandacht.

“Onze brik is een goede aanwinst!”

“De Speedy loopt goed. Zij doet haar naam eer aan!”

“Alle matrozen van Norfolk kunnen ons gerust nazetten! Zij komen toch te laat!”

“Hoezee voor onzen kapitein Bob Harvey!”

Men kan zich voorstellen welk een gevoel zich van Ayrton meester maakte bij het hooren van dit gesprek, toen hij in Bob Harvey een zijner oude makkers uit Australië herkende, een stoutmoedig zeeman, die met zijn misdadige plannen was voortgegaan. Bob Harvey had zich, terwijl hij zich op het eiland Norfolk bevond, meester gemaakt van de brik, die goed voorzien was van wapenen, krijgsvoorraad en nog andere voorwerpen en op het punt stond haar koers naar een der Sandwich-eilanden te richten. De geheele bende was aan boord gekomen.

De zeeschuimers spraken op luiden toon; zij vertelden van hun rooverijen, terwijl zij overmatig dronken, en ziehier wat Ayrton er van begreep:

De bemanning van de Speedy bestond geheel uit engelsche gevangenen, die te Norfolk ontsnapt waren.

Dit eiland Norfolk, in het oosten van Australië gelegen, is het verblijf van de grootste en meest onhandelbare engelsche misdadigers. Er wonen er daar ongeveer vijf honderd, die onder de strengste discipline staan, en bewaakt worden door honderd vijftig soldaten en honderd vijftig ambtenaren, welke onder een gouverneur staan. Het is onmogelijk zich een vereeniging voor te stellen die uit grooter boeven is samengesteld dan deze. Soms, hoewel zeer zelden en ondanks het toezicht, maken zij zich van schepen meester, waarmede zij dan den Polynesischen Archipel doorkruisen. Dit was aan Bob Harvey en zijn makkers ook gelukt. Dit had Ayrton vroeger ook willen doen. Bob Harvey had zich van de Speedy meester gemaakt, en een jaar lang was dit het schip der zeeschuimers, onder bevel van Bob Harvey, die Ayrton uit vroeger dagen kende.

De roovers waren voor het grootste gedeelte vereenigd in de kajuit, het achterste gedeelte van het schip, maar sommigen lagen nog op het dek te praten. De gesprekken gingen altijd gepaard met schreeuwen en de ruwste vloeken. Ayrton vernam dat het toeval de Speedy in de nabijheid van Lincoln gevoerd had. Bob Harvey had er nog nooit den voet gezet, maar het voorgevoel van Cyrus Smith werd bewaarheid: nu zij dit onbekende land, waarvan geen kaart melding maakte, op hun weg ontmoetten, hadden zij het plan gevormd dit eiland te bezoeken, en ingeval het hun beviel zouden zij de brik in de haven laten liggen. Maar wat het hijschen van de vlag en het lossen van een kanonschot betrof, dit hadden [101]zij uit louter pocherij gedaan, uit zucht tot navolging der oorlogsschepen. Het was geen signaal en geen gemeenschap bestond er tusschen de ontsnapten van Norfolk en het eiland Lincoln.

Ayrton luisterde met ingehouden adem. Blz. 99.

Ayrton luisterde met ingehouden adem. Blz. 99.

[102]

De woonplaats der kolonisten verkeerde dus in groot gevaar. Het eiland met zijn haven, zijn verschillende werkplaatsen en levensbehoeften, het Rotshuis eindelijk waren een uitmuntende schuilplaats voor de misdadigers. Zeker zouden zij het leven van de kolonisten niet ontzien, en zou de eerste zorg van Bob Harvey en zijn makkers wezen hen om te brengen. Cyrus Smith en de zijnen hadden dus niet eens de kans om te kunnen ontvluchten of zich in het binnengedeelte van het eiland te verbergen, daar de roovers er hun zetel wilden vestigen, en zoo de Speedy al vertrok om op buit uit te gaan, zouden toch zeker eenigen van de bemanning achterblijven, ten einde alles in orde te maken. Zij moesten dus strijden, zij moesten al die schelmen tot den laatsten toe dooden, geen medelijden hebben, en elk middel zou goed wezen, waardoor dit doel kon worden bereikt. Zoo dacht Ayrton en hij wist dat Cyrus Smith van dezelfde meening was.

Maar de tegenstand, en in het laatste geval, de overwinning, waren die mogelijk? Dit hing af van de wapenen, die de brik tot haar dienst had en van het aantal koppen, die zij voerde.

Dit besloot Ayrton, het mocht kosten wat het wilde, te weten te komen, en toen zij, nadat er een uur verstreken was, langzamerhand kalmer werden en de meeste bandieten in slaap waren gevallen, waagde Ayrton het tot het dek van de Speedy door te dringen, maar daar de lichten waren uitgegaan, heerschte er diepe duisternis.

Hij klom dus over de verschansing, langs den boeg, en bereikte toen het voordek. Daar sloop hij tusschen de slapende roovers door en deed zoo de ronde van het schip; hij ontdekte spoedig dat het gewapend was met vier kanonnen, die kogels van acht à tien pond konden schieten.

Een tiental mannen lagen op het dek te slapen, maar het was zeer wel mogelijk, dat zich een grooter aantal in de kajuit bevond. Bovendien had Ayrton gemeend te verstaan, dat zij met hun vijftigen waren. Dit was zeer veel tegenover de zes kolonisten! Maar gelukkig zou Cyrus Smith, dank zij de toewijding van Ayrton, niet onverhoeds overvallen worden; hij zou weten, hoe sterk zijn vijanden waren en zou in verband hiermede de noodige maatregelen kunnen nemen.

Er bleef nu voor Ayrton niets anders over dan terug te keeren en zijn vrienden in kennis te stellen met hetgeen hij gehoord en gezien had, en hij stond op het punt weder naar het voorste gedeelte van het schip te gaan, om weer weg te zwemmen. Maar toen nam de man, die besloten had meer dan zijn plicht te doen, plotseling een heldhaftig besluit. Hij wilde zijn leven opofferen, om dat der kolonisten te redden. Cyrus Smith zou zeker aan vijftig man geen weerstand kunnen bieden. Toen kwamen zijn redders hem voor [103]den geest, zij die van hem weder een eerlijk man hadden gemaakt, aan wie hij alles verplicht was; zij zouden zonder mededoogen gedood worden, hun werk vernield, en hun eiland veranderd worden in een roofnest! Hij zeide tot zich zelf, dat hij, Ayrton, de oorzaak van al deze rampen was, daar zijn oude makker Bob Harvey slechts zijn eigen plannen had verwezenlijkt, en een gevoel vol afschuw maakte zich van hem meester. Toen kwam een onwederstaanbare lust bij hem op, om de brik en allen die er op waren in de lucht te doen springen. Ayrton zou wel is waar hierbij ook zijn leven verliezen, maar hij zou zijn plicht doen.

Hij aarzelde dus niet. Het ruim te bereiken waar het kruit geborgen lag, was zeer gemakkelijk. Kruit zou er op zulk een schip stellig in overvloed wezen en hij had slechts een lont noodig om het schip in een oogwenk te vernietigen. Ayrton sloop behoedzaam naar het tusschendek, waar velen lagen te slapen, of liever in een roes gedompeld waren. Er brandde een licht aan den voet van den grooten mast, waaraan een wapenrek was bevestigd, dat een aantal vuurwapenen bevatte.

Ayrton nam een revolver en overtuigde zich dat deze goed geladen was. Meer had hij niet noodig om zijn verdelgingsplan te volvoeren. Hij begaf zich dus naar het achtergedeelte, waar zich de kruitkamer bevond. Toch was het moeilijk om zich in dat gedeelte een weg te banen, zonder een enkele half ingeslapen zeeroover te raken. Nu eens kreeg hij een vloek, dan een trap. Ayrton was meer dan eens genoodzaakt stil te staan. Maar eindelijk bereikte hij de deur van de achterkajuit en vond hij den toegang tot de kruitkamer. Hij moest die open breken. Hij kon de deur niet openen zonder eenig gedruisch te maken. Maar met zijn krachtige hand slaagde hij er in; het slot sprong.... de deur was geopend....

Op hetzelfde oogenblik voelde Ayrton een hand op zijn schouder.

“Wat doet gij daar?” vroeg op ruwen toon een man van reusachtige gestalte, die plotseling uit de schaduw te voorschijn trad en het licht van een lantaarn op Ayrton’s gelaat deed schijnen.

Ayrton sprong achteruit. Plotseling had hij bij het schijnsel van den lantaarn zijn ouden medegevangene Bob Harvey herkend, maar deze had zich zijner zeker niet herinnerd, daar hij dacht dat Ayrton reeds sedert lang dood was.

“Wat doet gij daar?” zeide Bob Harvey en greep hem bij den riem dien hij om zijn middel had.

Maar Ayrton gaf geen antwoord, rukte zich van den hoofdman los en wierp zich in de kajuit. Eén pistoolschot onder die vaten kruit, en alles was geschied....

“Overal mannen!” schreeuwde Bob Harvey.

Twee of drie roovers waren op dit geroep ontwaakt, snelden naar [104]Ayrton en trachtten hem op den grond te werpen. De krachtige Ayrton rukte zich los. Tweemaal loste hij een schot en twee roovers stortten neder, maar een stoot met een mes, dien hij niet had kunnen ontwijken, trof hem in den schouder.

Ayrton begreep thans dat hij zijn besluit niet kon volvoeren.

Bob Harvey had de deur gesloten, en hij hoorde reeds op het tusschendek een luid gestommel, veroorzaakt door het ontwaken der overige roovers. Hij moest zich zelf sparen om aan de zijde van Cyrus Smith te kunnen strijden. Er schoot hem dus niets anders over dan te vluchten! Maar was dit nog mogelijk? Dit was zeer onzeker, hoewel hij tot het uiterste in staat was om zich weder bij zijn vrienden te voegen.

Nog viermaal kon hij schieten. Twee keer loste hij een schot, beiden op Bob Harvey gemikt, maar geen een trof hem, althans niet ernstig. Ayrton maakte dus gebruik van een oogenblik rust, snelde naar de trap en bereikte op die wijze het dek. Toen hij het licht genaderd was, sloeg hij dit uit en een volslagen duisternis omringde hem, waardoor zijn vlucht begunstigd werd. Twee of drie roovers, ontwaakt door het gedruisch, kwamen op dit oogenblik de trap af. Een vijfde pistoolschot van Ayrton wierp een van hen naar beneden; de andere hierdoor verschrikt, deinsde terug, niets begrijpende van hetgeen er gebeurde. Ayrton was in twee sprongen op het dek, en drie seconden later, nadat hij eerst nog zijn revolver gelost had op een der roovers, die hem bij den hals greep, sprong hij over de borstwering en wierp zich in zee.

Hij had nog geen zes slagen gedaan, of reeds regende het kogels om hem heen.

Welke aandoening moest zich van Pencroff meester maken, die verlaten op een rots zat, en van Cyrus Smith, den reporter, Harbert en Nab in de Schoorsteenen, toen zij die schoten aan boord van het schip hoorden. Zij waren naar het strand gesneld, hielden hun geweren gereed, om elken aanval af te weren. Voor hen bestond er niet de minste twijfel meer! Ayrton, overvallen door de roovers, was door hen omgebracht, en misschien zouden die ellendelingen van den nacht gebruik maken om een aanval op het eiland te wagen!

Een half uur verliep er. Het schieten was geëindigd, maar noch Ayrton noch Pencroff keerden terug. Had de landing dan reeds plaats gehad? Moesten zij Ayrton en Pencroff niet ter hulp snellen? Maar hoe? De zee was op dit oogenblik hoog; het kanaal konden zij dus niet oversteken. Zij hadden de prauw niet tot hunne beschikking. Men kan dus begrijpen in welk een stemming de kolonisten verkeerden.

Tegen half een bereikte een prauw den oever. Het was Ayrton, die licht gewond en Pencroff, die heelhuids bij hun vrienden terugkeerden. [105]

“Wat doet gij daar?” zeide Bob Harvey. Blz. 103.

“Wat doet gij daar?” zeide Bob Harvey. Blz. 103.

Terstond begaven allen zich naar de Schoorsteenen. Daar vertelde Ayrton het voorgevallene en verborg ook zijn plan niet om de brik in de lucht te doen springen. Allen drukten Ayrton de hand, [106]die niet ontveinsde dat hun toestand van zeer ernstigen aard was. De roovers waren nu gewaarschuwd. Zij wisten dat het eiland Lincoln bewoond was. Zij zouden nu in grooter getale en beter gewapend aan wal gaan. Zij zouden niets ontzien. Wanneer de kolonisten in hun macht vielen, hadden zij niet het minste medelijden te verwachten!

“Welnu, wij zullen weten hoe te sterven,” zeide de reporter.

“Laten wij naar binnen gaan en op onze hoede wezen,” antwoordde de ingenieur.

“Bestaat er eenige kans om ons er uit te redden, mijnheer Cyrus?” vroeg de matroos.

“Ja, Pencroff.”

“Zoo, zoo; zes tegen vijftig.”

“Ja! zes!.... zonder te rekenen op....”

“Waarop?” vroeg Pencroff.

Cyrus antwoordde niet, maar hij hief zijn hand ten hemel.

[Inhoud]

XIII.

De nevel trekt op.—Maatregelen van den ingenieur.—Drie posten.—Ayrton en Pencroff.—De eerste stap.—Twee landingssloepen.—Op het eilandje.—Zes veroordeelden aan land.—De brik licht het anker.—De kogels der Speedy.—Wanhopende toestand.—Onverwachte ontknooping.

De nacht ging verder rustig voorbij. De kolonisten waren op hun hoede en verlieten hun post bij de Schoorsteenen niet. De roovers schenen geen poging tot ontscheping te doen. Nadat zij het laatste schot, hetwelk op Ayrton gericht was, hadden gelost, vernamen zij niet het minste geraas, dat de tegenwoordigheid van het schip in den omtrek van het eiland verraadde. Des noods zou men zelfs kunnen denken dat men het anker gelicht had, omdat men met een te sterke tegenpartij meende te doen te hebben, en dat men zich uit deze streken had verwijderd. Maar dit was toch niet zoo: toen de dageraad aanbrak, konden de kolonisten door den optrekkenden nevel duidelijk een dichte massa onderscheiden. Het was de Speedy.

“Luistert, mijne vrienden,” zeide de ingenieur. “Naar hetgeen mij het best toeschijnt te doen, moeten wij vooral zorgen de roovers in de meening te brengen, dat dit eiland vrij talrijk bevolkt is, en [107]dus natuurlijk in staat weerstand te bieden. Ik stel dus voor om ons in drieën te verdeelen; de eerste groep zal bij de Schoorsteenen de wacht houden, de tweede aan den mond van de Mercy. Wat de derde betreft, ik geloof dat het goed zal wezen, als deze dan op het eilandje post vat, zoodat zij elke poging tot ontscheping verhinderen of ten minste voor het oogenblik tegenhouden kan. Wij hebben twee karabijnen en vier geweren tot onzen dienst. Allen zijn dus gewapend en aan kruit ontbreekt het ons niet. Wij worden door de rotsen beschut, dus hebben wij van hun kogels, zelfs niet van hun kanonnen iets te duchten. Alleen moeten wij zorgen, dat wij niet man tegen man met hen strijden moeten, want de roovers zijn veel talrijker. Dus moeten wij zorgen, dat zij zich niet ontschepen, maar tevens, dat wij ons niet blootgeven; sparen wij dus ons kruit en lood niet. Laat ons schieten, zoo vaak wij kunnen, maar altijd zorgen dat we raken. Elk van ons heeft acht of tien vijanden te dooden!”

Cyrus Smith had hen met de grootste kalmte op de hoogte van hun toestand gesteld, en hij had alles geregeld alsof hij eenigen arbeid bestuurde, in plaats van een veldslag. Allen keurden dan ook zonder tegenspraak, zijn raad goed. Het kwam er slechts op aan, voordat de nevel geheel was opgetrokken, hun posten in te nemen. Nab en Pencroff begaven zich terstond naar het Rotshuis om daar kruit en wapenen te halen. Gideon Spilett en Ayrton, beiden goede schutters namen de juistheids-karabijnen. De vier geweren werden verdeeld tusschen Cyrus Smith, Nab, Pencroff en Harbert.

Cyrus en Harbert bleven bij de Schoorsteenen, en hadden dus ook het toezicht over het strand. Gideon Spilett en Nab moesten bij de Mercy waken.

Ayrton en Pencroff gingen met de prauw naar het eilandje waar zij elk een post in namen.

Ingeval zij een ontscheping niet konden verhinderen, zouden Pencroff en Ayrton terstond met de prauw terugkeeren en dat gedeelte hetwelk het meest bedreigd werd, helpen verdedigen.

Vóór elk zich naar zijn post begaf, drukten de kolonisten elkaar de hand.

Zij konden nog onmogelijk ontdekt worden, daar het geen helder dag was. Maar weldra lag de brik voor hen en konden zij den zwarten wimpel duidelijk onderscheiden.

De Speedy vertoonde zich nu in haar geheel. Cyrus Smith kon door zijn verrekijker zien dat een dertigtal matrozen op het dek heen en weer gingen, en dat twee anderen, op den bezaansmast zittende, met de meeste aandacht het eiland beschouwden.

Eindelijk bespeurden de kolonisten tegen acht uur eenige beweging aan boord van de Speedy. Een bootje werd in zee gelaten met zeven man. Hun doel was ongetwijfeld om een nader onderzoek in [108]te stellen; maar zeker hadden de boeven geen plan te ontschepen, want dan zouden zij talrijker wezen.

Pencroff en Ayrton achter een der rotsen verborgen, zagen de roovers recht op zich aankomen. De boot naderde zeer voorzichtig. Nog slechts twee kabellengten was zij van het eilandje verwijderd.

Plotseling werden er twee schoten gelost. Een licht rookwolkje steeg boven de rotsen van het eiland. De man aan het roer en de man met het dieplood, stortten neder. Twee mannen vielen. Ayrton en Pencroff hadden, tegelijkertijd, er elk een getroffen.

Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot, een vurige vlam schoot uit de wanden der brik en een kogel trof slechts de rotsen; de beide schutters bleven ongedeerd.

De boot keerde intusschen niet, zooals zij verwacht hadden, naar het schip terug; de matrozen roeiden uit alle macht de zuidelijke punt van het eilandje om, ten einde buiten het bereik der kogels te komen.

Thans volgden zij de richting naar den mond van de Mercy; zeker wilden zij van die zijde het kanaal binnenloopen, en de kolonisten die op het eilandje wacht hielden in den rug aanvallen, zoodat deze dan tusschen twee vuren kwamen, namelijk van de sloep en van de brik, wat voor hen een hoogst ongunstige toestand zou zijn. Een kwartier verliep er, terwijl de boot de richting volgde. Alles bleef doodstil in de lucht en op de wateren. Pencroff en Ayrton verlieten hun post nog niet, hetzij dat ze zich nog niet aan de belegeraars wilden vertoonen en dus blootgesteld zouden zijn aan de kanonnen van de Speedy; ofwel omdat zij op Nab en Gideon Spilett rekenden, die aan de monding van de Mercy waakten, op Cyrus Smith en Harbert, die in de Schoorsteenen op wacht waren. Twintig minuten na het eerste kanonschot, was de boot op twee kabellengten van de Mercy verwijderd. Daar het water op kwam zetten, voelden de roovers zich hoe langer hoe meer naar den oever getrokken en konden zij met moeite in het midden van het kanaal blijven. Maar toen zij vlak voor de monding waren, werden zij begroet met twee kogels, en twee mannen vielen weder in de boot. Nab en Spilett hadden goed geraakt. Spoedig daarop zond de brik een tweeden kogel, maar deze had weder geen andere uitwerking, dan dat hij eenige rotsblokken verbrijzelde.

Er waren thans slechts drie ongekwetste mannen meer in de boot. Door den stroom meegevoerd, schoot zij het kanaal met de snelheid van een pijl binnen, vloog voorbij Cyrus Smith en Harbert, die hen nog niet genoeg in de nabijheid achtten om een schot te lossen; daarop roeiden de boeven de noordpunt van het eiland om, met de twee riemen, die hun restten, ten einde de brik te bereiken.

Tot nog toe hadden de kolonisten zich niet te beklagen. De kansen stonden slecht voor de tegenpartij. Deze had reeds vier gewonden, misschien wel dooden; zij, daarentegen, waren niet gewond, [109]en geen kogels waren er verloren gegaan. Zoo de roovers op deze wijs voortgingen, en met de boot wilden beproeven aan wal te komen, zouden zij ze een voor een kunnen neerschieten.

Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot. Bladz. 108.

Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot. Bladz. 108.

[110]

Cyrus Smith had dus goed gezien. Een half uur verliep er eer de boot de Speedy was genaderd. Men hoorde een oorverdoovend geschreeuw toen de gewonden aan boord kwamen en twee à drie kanonschoten werden er gelost, maar die niet de minste uitwerking hadden.

Maar thans sprongen een twaalftal matrozen, dronken van woede en misschien ook tengevolge van de buitensporigheden van den vorigen nacht, in de sloep. Een tweede sloep werd uitgezet, waarin anderen plaats namen, en terwijl de een recht op het eilandje afging, trachtte de ander de Mercy binnen te varen, om er de kolonisten uit te drijven.

De toestand werd voor Pencroff en Ayrton onhoudbaar en zij begrepen thans dat ze zich bij hun vrienden moesten voegen. Toch wachtten zij nog totdat de eerste sloep binnen hun bereik was, om twee kogels, die goed gemikt waren, af te schieten, wat opnieuw wanorde bij de bemanning deed ontstaan. Daarop verlieten Pencroff en Ayrton hun post, wierpen zich in de prauw en hadden spoedig de Schoorsteenen bereikt, op het oogenblik dat de tweede boot aan de zuidelijke punt was. Ternauwernood hadden zij Cyrus Smith en Harbert bereikt of het eiland was in de macht der zeeroovers en de matrozen uit de eerste sloep doorkruisten het eilandje in alle richtingen.

Op hetzelfde oogenblik knalden er opnieuw schoten van den post bij de Mercy, waar thans de tweede sloep was genaderd. Twee van de acht matrozen werden doodelijk gewond door de kogels van Gideon Spilett en Nab; en de boot zelf werd tegen de klippen verbrijzeld. Maar de zes overigen hielden hun wapenen boven het hoofd, zorgende dat die niet vochtig werden, en slaagden er eindelijk in aan wal te komen. Toen zij bemerkten te dicht onder het vuur te zijn, vluchtten zij in allerijl naar het Wrakpunt, buiten het bereik der kogels.

Hun toestand was dus deze: op het eilandje twaalf bandieten, waarvan verscheidene gewond waren, maar die toch nog een sloep tot hun beschikking hadden; op het eiland zes roovers, maar deze konden het Rotshuis niet naderen, want zij konden de rivier niet oversteken daar de bruggen weggenomen waren.

“Dat gaat goed!” had Pencroff gezegd, terwijl hij naar de Schoorsteenen ijlde, “wat denkt gij er van, mijnheer Cyrus?”

“Ik denk,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dat de strijd een anderen vorm gaat aannemen, want men kan niet veronderstellen dat de boeven in zulk een ongunstigen toestand op deze wijs zullen handelen!”

“Zij zullen het kanaal niet oversteken. De karabijnen van Ayrton en Spilett zijn daar om hun dat te verhinderen. Gij weet wel dat ze verder dan een mijl dragen.” [111]

“Zeker,” antwoordde Harbert, “maar wat vermogen twee karabijnen tegen de kanonnen van de brik?”

“Wel de brik is nog niet in het kanaal!” riep Pencroff.

“Maar wanneer zij er in komt?” vroeg Cyrus Smith.

“Dat is onmogelijk, want zij zou daar verbrijzeld worden!”

“Het is zeer wel mogelijk,” antwoordde Ayrton. “De misdadigers kunnen van het hooge water gebruik maken, om het kanaal binnen te loopen!”

“Duizend duivels!” riep Pencroff, “het schijnt waarlijk dat de schurken het anker lichten!”

“Misschien zullen we wel genoodzaakt zijn om in het Rotshuis de wijk te nemen?” merkte Harbert op.

“Laten wij wachten!” antwoordde Cyrus Smith.

“Maar Nab en mijnheer Spilett?....” zeide Pencroff.

“Zij zullen in tijds bij ons wezen. Houd u gereed, Ayrton. Thans komen uw karabijn en die van Spilett aan de beurt.”

Het was maar al te waar! De Speedy begon haar anker te lichten en scheen het eilandje te willen naderen. De roovers waren slechts met geweren gewapend en konden dus niet het minste kwaad doen aan de kolonisten, of deze verborgen waren in de Schoorsteenen, dan wel bij de monding der Mercy; maar zij, van hun kant, wisten niet dat de kolonisten ook voorzien waren van karabijnen die ver droegen en achtten zich dus in veiligheid. Daarom stelden zij zich dus ook niet verdekt op, toen zij op het eilandje geland waren.

De waan was slechts van korten duur. De karabijnen van Ayrton en Spilett lieten zich spoedig hooren en hadden voor de boeven een noodlottige uitwerking. Twee vielen ter aarde. De overigen vluchtten aan boord van het schip.

“Acht minder!” riep Pencroff uit. “Waarlijk, men zou zeggen dat Spilett en Ayrton elkander waarschuwden als ze vuur wilden geven.”

“Mannen!” antwoordde Ayrton, “de brik komt hierheen.”

Eenige oogenblikken later riep Pencroff uit:

“Daar komen de roovers!”

Thans hadden Spilett en Nab zich bij de overigen gevoegd. Zij hadden niet het minste letsel bekomen; maar allen achtten het nu raadzamer den post bij de Mercy te verlaten.

“Hebt gij eenig plan gemaakt, Cyrus?” vroeg de reporter.

“Wij moeten, terwijl wij nog tijd daartoe hebben, ons in het Rotshuis bergen.”

Zij moesten geen oogenblik verloren laten gaan; want de Speedy was nog slechts op korten afstand en de kogels vlogen in alle richtingen. Zij wierpen zich in den heischtoestel en bereikten den ingang van her Rotshuis, waar Top en Jup den vorigen dag waren opgesloten. Weldra waren zij in de groote zaal. Het was tijd. De kolonisten zagen reeds de Speedy in kruitdamp gehuld door het kanaal [112]stoomen. Zij moesten zich zelfs verschuilen, want het eene schot volgde het andere en de kogels der vier kanonnen troffen in den blinde zoowel den post aan de Mercy als de Schoorsteenen. De rotsen werden verbrijzeld en bij elk schot steeg er een luid gejuich op.

Toch was het te voorzien, dank zij de voorzorgen van Cyrus Smith, dat het Rotshuis vrij zou blijven, toen plotseling een kogel door de deur drong in den voorgang.

“Vervloekt! Wij zijn ontdekt!” riep Pencroff.

Hun toestand was hopeloos, want weldra regende het kogels in het Rotshuis. Hun schuilplaats was ontdekt. Zij konden geen weerstand bieden. Er schoot hun niets over dan zich in het bovenste gedeelte van het Rotshuis te bergen, en hun woning aan de verwoesting prijs te geven, toen plotseling een doffe dreun hun ooren trof, die door een vreeselijken gil gevolgd werd.

Cyrus Smith en zijn makkers snelden naar het venster.... De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil, was in tweeën gespleten en binnen tien minuten was er niets meer van het geheele vaartuig te bespeuren.

[Inhoud]

XIV.

De kolonisten op de kust.—Ayrton en Pencroff redden de overblijfselen.—Gesprek onder het ontbijt.—De redeneering van Pencroff.—Bezoek aan den romp van de brik.—De kruitkamer ongedeerd.—Nieuwe rijkdom.—De laatste overblijfselen.

“Zij zijn in de lucht gesprongen!”

“Ja, het is alsof Ayrton de lont in het kruit had geworpen!” antwoordde Pencroff, terwijl hij, gevolgd door Nab en Harbert, naar de opening snelde.

“Maar wat is er gebeurd?” vroeg Gideon Spilett, nog ten hoogste verbaasd over deze onverwachte ontknooping.

“Ditmaal zullen wij het weten!....” antwoordde de ingenieur opgewonden.

“Wat zullen wij weten?”

“Later! later! Kom Spilett.”

“Het voornaamste is thans dat de zeeroovers uitgeroeid worden!”

Cyrus Smith voerde met deze woorden den reporter en Ayrton mede naar het strand, waar Pencroff, Nab en Harbert reeds stonden. [113]

De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil. Blz. 112.

De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil. Blz. 112.

Men zag niets meer van de brik, zelfs geen mast. Eenige overblijfselen kwamen langzamerhand bovendrijven, maar geen planken van het dek noch andere voorwerpen waaruit het schip was samengesteld. [114]Dit was oorzaak, dat zij die plotselinge verdwijning van de Speedy moeilijk konden verklaren. Maar toch zag men spoedig daarop de twee masten met de zeilen boven komen. Zij haastten zich om deze schatten in hun bezit te krijgen. Ayrton en Pencroff sprongen in de prauw om de kostbare voorwerpen aan wal te brengen.

Op het oogenblik dat zij van wal zouden steken, riep Gideon Spilett hen terug met de woorden:

“En de zes boeven die op den rechteroever der Mercy geland zijn?”

Zij hadden waarlijk de zes mannen vergeten, wier sloep tegen de klippen was verbrijzeld.

Niets was er in die richting van de vluchtelingen te bespeuren. Het was zeer waarschijnlijk dat zij, toen de brik uiteen was geslagen, naar het binnengedeelte van het eiland waren gevlucht.

“Later zullen wij ons met hen bezighouden,” zeide Cyrus Smith toen. “Zij kunnen nog gevaarlijk wezen, daar ze gewapend zijn, maar wij zijn zes tegen zes, de kansen staan dus gelijk. Alzoo spoed gemaakt!”

Pencroff en Ayrton slaagden er in om door middel van touwen alles wat dreef op het strand vóor het Rotshuis te halen; daarna brachten zij de kooien met vogels, kisten en vaten in de Schoorsteenen. Ook vonden zij nog eenige lijken, Ayrton herkende dat van Bob Harvey terstond en zeide op fluisterenden toon tot zijn makker:

“Zoo ben ik geweest, Pencroff.”

“Maar gij zijt het niet meer, beste Ayrton!” antwoordde de matroos.

Toen alles zoo goed mogelijk geborgen was, besloten zij bij de Schoorsteenen hun ontbijt te gebruiken. Natuurlijk was het gebeurde steeds het onderwerp van hun gesprek.

“Het is toch een wonder,” herhaalde Pencroff, “dat die schurken juist op het geschiktste oogenblik in de lucht gesprongen zijn! Want het Rotshuis werd voor ons onhoudbaar!”

“Maar kunt ge u begrijpen,” vroeg de reporter, “hoe het gebeurd is, en waardoor het springen van de brik teweeg is gebracht?”

“Wel niets is natuurlijker, mijnheer,” antwoordde Pencroff. “Een zeerooversschip is geen oorlogsschip! Zeeschuimers zijn geen matrozen! Zeker was de deur der kruitkamer geopend; daar zij onophoudelijk vuurden is, door de een of andere onvoorzichtigheid of onhandigheid, de kast gesprongen.”

Er waren echter verschijnselen die met de onderstelling van Pencroff volkomen in strijd waren, en langen tijd hielden de kolonisten zich bezig met gissingen naar de oorzaak van het onheil, dat voor hen zulk een groot geluk was.

Tegen half twee besloten de kolonisten om met hun prauw naar de plaats te gaan, waar de brik gesprongen was. Het was jammer dat de beide sloepen niet behouden waren gebleven; maar de eene was, zooals men weet, bij de monding der Mercy stukgeslagen en [115]geheel ongeschikt; de andere was tegelijk met de brik verdwenen.

De kolonisten bezagen nu den romp van de Speedy, en naarmate de zee afnam konden zij ontdekken, zoo niet de oorzaak van dit ongeval, dan toch de uitwerking.

“Duizend duivels!” riep Pencroff, “dat schip zal moeilijk te kalefaten zijn!”

“Het is zelfs onmogelijk,” meende Ayrton.

“In elk geval,” merkte Gideon Spilett op, “heeft het springen, zoo er een uitbarsting geweest is, een zeer zonderlinge uitwerking gehad. De romp van het schip is van binnen uit elkander gesprongen, in plaats van het dek! Die groote openingen schijnen eer te weeg gebracht te zijn door het stooten tegen een klip dan wel door het springen van de kruitkamer!”

“Er zijn geen klippen in het kanaal!” hernam de matroos. “Ik neem alles aan wat ge wilt, behalve het stooten op een klip.”

“Laten wij tot in het binnenste van de brik trachten door te dringen,” zeide de ingenieur. “Misschien zullen wij dan iets meer van die verwoesting te weten komen.”

Dit was het beste wat hun te doen stond; zij besloten verder alle schatten, die aan boord waren, bij elkander te voegen en alles wat hun mogelijk was te redden.

Het was een waar fortuin. Wat zij vonden, was voor hen inderdaad een schat; een schip toch is een kleine wereld op zich zelf, en het magazijn der kolonisten zou met een rijken voorraad van nuttige voorwerpen vermeerderd worden.

Cyrus Smith en zijn makkers begaven zich met de bijl in de hand op het dek. Allerlei kisten vonden zij er, en daar ze slechts korten tijd onder water hadden gestaan zou de inhoud nog wel niet beschadigd wezen; zij slaagden er dan ook in alles in de prauw in veiligheid te brengen.

Met vreugde ontdekten de kolonisten, dat de lading van de brik van alles bevatte: een volledige voorraad van werktuigen en kleederen was er voorhanden. Het was zeer waarschijnlijk, dat zij daar van alles zouden vinden en dit zou den kolonisten van het eiland Lincoln zeer goed te stade komen.

Eindelijk konden zij ook het achtergedeelte van de brik bereiken. Hier moesten zij volgens Ayrton de kruitkamer vinden. Cyrus Smith, die van meening was dat het springen niet hierdoor teweeg was gebracht, achtte het zeer wel mogelijk, dat nog eenige vaten gespaard waren gebleven, daar het kruit gewoonlijk in metalen omhulsels wordt geborgen en dus weinig van het water zou geleden hebben.

Dit was inderdaad het geval. Zij vonden te midden van een menigte projectielen een twintigtal vaten, die van binnen met koper bekleed waren. Pencroff overtuigde zich met eigen oogen, dat het uiteenbarsten van de Speedy niet aan het springen van de kruitkamer [116]was toe te schrijven. Dat gedeelte van het vaartuig had juist het minst geleden.

“Het is mogelijk!” antwoordde de koppige zeeman, “maar tegen een rots, neen, er zijn geen rotsen in het kanaal!”

“Wat is er dan gebeurd?” vroeg Harbert.

“Ik weet het niet,” antwoordde Pencroff, “mijnheer Cyrus weet het niet en niemand weet er iets van en zal er ooit iets van te weten komen.”

Het was vijf uur en de zee kwam weder opzetten. Zij moesten zich dus haasten om de weinige overblijfselen van het schip nog in veiligheid te brengen. Het was een vermoeiende dag voor hen geweest; toch kwamen zij overeen, dat, na het eten, de kisten nog onderzocht zouden worden.

Voor het grootste gedeelte bevatten zij gemaakte kleederen, die, zooals men denken kan, hun goed te pas kwamen. Zij konden nu een groote kolonie van kleederen voorzien, van linnen dat tot alles gebruikt kon worden en van de noodige schoenen.

“Nu zijn wij te rijk!” riep Pencroff uit. “Maar, wat zullen wij er mede doen?”

Het ontbrak hun niet aan plaats in het magazijn van het Rotshuis; maar het was dien dag zeer slecht weer, zoodat zij niet alles naar binnen konden brengen. Toch moesten zij niet vergeten, dat er nog zes boeven van de Speedy op het eiland waren en zij wel op hun hoede mochten wezen. De brug over de Mercy en andere hekken waren opgeheschen of gesloten, maar die roovers waren de mannen niet om vervaard te zijn voor een riviertje of een beek, en wanneer zij tot het uiterste gedreven werden, waren zij zeer te vreezen.

De nacht ging evenwel voorbij zonder dat de roovers een aanval waagden. Jup en Top hielden wacht aan de trap van het Rotshuis en zouden wel spoedig gewaarschuwd hebben.

De drie volgende dagen, 19, 20 en 21 October, werden besteed aan het in orde brengen van alles wat eenige waarde had. Zij doorzochten nogmaals de brik en vonden nog verschillende voorwerpen. Het eenige wat zij niet ontdekken konden, waren de scheepspapieren. Blijkbaar hadden de boeven deze vernietigd, evenals al datgene wat den oorspronkelijken eigenaar van het vaartuig kon doen kennen. Uit den bouw van het schip maakten Pencroff en Ayrton echter op, dat het een Engelsch schip moest zijn geweest.

Acht dagen na het ongeval of liever na die gelukkige, maar onbegrijpelijke gebeurtenis, waaraan de kolonisten hun behoud te danken hadden, zagen zij niets meer van het schip, zelfs bij laag water. De overblijfselen waren verspreid geraakt en het Rotshuis was goed voorzien van al het mogelijke. En toch zou het geheim dier oorzaak van verwoesting nooit opgelost zijn, zoo Nab den 30sten October niet op het strand was gaan zwerven en daar een [117]stuk van een ijzeren cylinder had gevonden, dat de sporen van een uitbarsting droeg.

“Zoo ben ik geweest, Pencroff.” Blz. 114.

“Zoo ben ik geweest, Pencroff.” Blz. 114.

Nab bracht dit stukje metaal aan zijn meester, die juist met zijn [118]vrienden in de Schoorsteenen werkte. Cyrus Smith beschouwde het aandachtig; daarop wendde hij zich tot Pencroff.

“Gij houdt nog vol, mijn vriend, dat de Speedy niet tengevolge van een schok in de lucht is gesprongen?”

“Ja, mijnheer Cyrus,” antwoordde de matroos. “Gij weet even goed als ik dat er geen rotsen in het kanaal zijn!”

“Maar zoo hij tegen dat stuk ijzer is gestooten,” vroeg de ingenieur, terwijl hij hem den gebroken cylinder toonde.

“Wat! dat stuk pijp?” riep Pencroff op ongeloovigen toon uit.

“Vrienden,” hernam Cyrus Smith, “gij herinnert u dat vóor het schip zonk, de brik eerst als door een hoos in de hoogte werd geworpen?”

“Ja, mijnheer Cyrus,” gaf Harbert ten antwoord.

“Welnu, wilt ge weten wie haar in de hoogte wierp? Deze,” zeide de ingenieur, terwijl hij op den cylinder wees.

“Die,” herhaalde Pencroff.

“Ja, die cylinder is alles wat er van de torpedo is overgebleven.”

“Een torpedo!” riepen zijn vrienden.

“En wie heeft dien er ingebracht?” vroeg Pencroff, die zich nog niet gewonnen wilde geven.

“Alles wat ik u zeggen kan, is dat ik het niet gedaan heb!” antwoordde Cyrus Smith, “maar hij was er, en gij kunt zelf over de ontzaglijke kracht oordeelen.”

[Inhoud]

XV.

De bewering van den ingenieur.—De grootsche onderstellingen van Pencroff.—Een batterij in de hoogte.—De vier kogels.—De overlevende boeven.—Ayrton aarzelt.—Edele gedachten van Cyrus Smith.—Pencroff heeft berouw.

Alles verklaarde zich thans door de uitbarsting van dezen onderzeeschen torpedo, waarvan Cyrus Smith in den burgeroorlog de kracht had leeren kennen.

Ja, alles was opgehelderd.... behalve hoe dit helsche werktuig in het kanaal was gekomen.

“Vrienden,” zeide de ingenieur toen, “wij behoeven niet meer aan de tegenwoordigheid van een of ander geheimzinnig wezen te twijfelen, aan een schipbreukeling zooals wij misschien, geheel verlaten [119]op dit eiland, en ik herhaal dit nogmaals, opdat Ayrton van de zonderlinge gebeurtenissen, die sedert de laatste twee jaren plaats hebben gegrepen, op de hoogte zal wezen. Wie is de onbekende weldoener wiens tusschenkomst zoo heilzaam voor ons was, en die verscheidene malen een reddende engel voor ons geweest is? ik kan het mij onmogelijk voorstellen. Maar hij heeft ons wezenlijk diensten bewezen, en wel zulke, waarover enkel een man die een wonderbaarlijke macht bezit, beschikken kan. Ayrton is evenals wij veel aan hem verschuldigd, want indien hij de man is, die mij redde, nadat ik in de golven was geworpen, is hij het waarschijnlijk ook, die den brief geschreven heeft en ons op de hoogte heeft gebracht van den treurigen toestand van onzen makker. Ik voeg er nog bij dat hij ons dan ook in het bezit van die rijke kist heeft gesteld en het vuur aangestoken heeft; dat hij de oorzaak is van het hageltje dat wij in het lichaam van het konijn gevonden hebben; dat hij den torpedo in het kanaal heeft gebracht; kortom, dat al deze onverklaarbare feiten, waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven, aan dat geheimzinnige wezen moeten worden toegeschreven. Maar, hoe het ook zij, schipbreukeling of balling, wij zouden ondankbaar wezen, zoo wij meenden dat we hem geen dank schuldig waren. Wij hebben een rekening met hem te vereffenen, en ik koester de hoop dat wij eenmaal in staat zullen zijn hem zijn diensten te vergelden.”

“Maar, indien hij dit alles gedaan heeft, dan bezit deze man een macht, die hem over de elementen doet heerschen,” zeide Gideon Spilett. De opmerking van den reporter was juist en allen gevoelden het.

“Wanneer wij den persoon vinden,” vervolgde Cyrus Smith, “is het geheim ook opgelost. De vraag is dus: moeten wij de onbekendheid van dit edelmoedige wezen eerbiedigen, of moeten wij alles in het werk stellen om hem te vinden? Wat is uw oordeel hierover?”

“Mijn meening is,” antwoordde Pencroff, “dat wie hij ook zij, hij een edel mensch is, die op mijne achting rekenen kan.”

“Goed,” hernam Cyrus Smith, “maar dat is geen antwoord, Pencroff.”

“Meester,” zeide Nab toen, “ik geloof dat wij zoo hard kunnen zoeken als we willen, maar dien heer toch niet vinden zullen, zoolang hij het nog geen tijd daartoe acht.”

“Dat is zoo dom niet, Nab, wat ge daar zegt,” gaf Pencroff ten antwoord.

“Ik ben van dezelfde meening als Nab,” zeide Gideon Spilett, “maar toch zie ik geen reden, waarom wij het niet zouden beproeven. Of wij dit geheimzinnige wezen vinden of niet, wij hebben dan toch onzen plicht jegens hem vervuld.”

“En gij, Harbert,” vroeg Cyrus Smith, wat is uw meening! Spreek, mijn jongen.” [120]

“Mijnheer Smith, ik geloof dat wij alles moeten aanwenden om den weldoener weder te vinden, die eerst u gered heeft en ons daarna.”

Op zijn beurt sprak Ayrton:

“Misschien is hij alleen? Misschien lijdt hij? Misschien heeft ook hij zijn leven te veranderen? Ik ben hem, zooals gij gezegd hebt, veel verschuldigd. Hij is het, niemand anders kan het geweest zijn, die op het eiland Tabor gekomen is, die den ongelukkige gevonden heeft, dien gij gekend hebt, die u heeft doen weten dat er een rampzalige gered moest worden!.... Aan hem heb ik het dus te danken, dat ik weder mensch geworden ben. Neen, dat zal ik nooit vergeten!”

“Dit staat dus vast,” zeide Cyrus Smith toen. “Wij zullen zoo spoedig mogelijk onze onderzoekingen hervatten. Geen stukje van het eiland zullen wij vergeten. Tot in het binnenste gedeelte zullen we doordringen, en dat onze vriend het ons vergeve ter wille van onze bedoeling!”

Gedurende eenige dagen hadden de kolonisten de handen vol met het inhalen van den oogst. Vóor zij hun plan ten uitvoer brachten, wilden ze alles in orde hebben. Ook de tijd, waarop zij de groenten van het eiland Tabor moesten binnenbrengen, was aangebroken. Maar er was nog een belangrijk overblijfsel van de brik, dat eveneens geborgen moest worden: de vier kanonnen. Door middel van katrollen brachten zij die in het Rotshuis, waar zij tusschen de vensters geplaatst werden. Het huis der kolonisten werd nu een klein Gibraltar en elk schip dat het wagen mocht, het eiland aan te tasten, zou voortaan aan het vuur eener geduchte batterij zijn blootgesteld.

Toen alles gereed was, zeide Pencroff—het was de 8ste November—tot Cyrus Smith:

“Mijnheer, nu onze sterkte gereed is, moesten wij toch de kracht van onze stukken eens beproeven.”

“Gelooft ge dat dit van eenig nut is?” vroeg de ingenieur.

“Het is niet alleen nuttig, maar noodig! Want, hoe zouden wij anders weten hoe ver ons geschut draagt.”

“Laat ons het dan beproeven,” zeide Cyrus Smith.

Het sprak van zelf dat de vier kanonnen in den besten toestand waren. Zoodra zij ze uit het water hadden gehaald, was de eerste zorg van den matroos geweest ze nauwkeurig na te zien. Hoeveel uren had hij niet besteed aan het schoonmaken en poetsen van deze vuurmonden! Thans blonken deze stukken geschut dan ook of ze aan boord waren van een fregat der Vereenigde Staten.

Dit was inderdaad het geval. Blz. 115.

Dit was inderdaad het geval. Blz. 115.

In tegenwoordigheid van het geheele personeel der kolonie, Jup en Top daaronder begrepen, werden de vier kanonnen achtereenvolgens beproefd. Men gebruikte daarbij schietkatoen, waarvan de kracht viermaal grooter is dan van het buskruit, terwijl de stukken geladen werden met puntkogels. Pencroff loste het eerste schot; de [121]kogel in de richting der zee geschoten, snorde over het eilandje en viel op een afstand, dien men niet met juistheid berekenen kon. Het tweede schot was gericht op de uiterste rots van het Wrakpunt; [122]een uitstekende steen, drie mijlen van het Rotshuis werd er door tot puin geslagen. Het was Harbert, die het stuk gericht had. De derde kogel werd afgeschoten op de duinen der Uniebaai en sprong door den weerslag in zee: de afstand was vier mijlen. Voor het vierde schot had Cyrus Smith de lading wat sterker genomen om te zien, hoe groot de draagkracht in een uiterst geval zou kunnen wezen. Allen weken op zijde, daar er kans was dat het stuk sprong. Een lange lont werd aan het zundgat bevestigd, een geweldige slag volgde, maar het kanon had weerstand geboden, en toen de kolonisten naar het venster ijlden, zagen zij hoe de kogel de rotsen had getroffen van kaap Mandibule, op vijf mijlen afstands van het Rotshuis en in de Haaiengolf verdween.

“Welnu, mijnheer Cyrus,” riep Pencroff uit, wiens hoezee’s in kracht met de schoten wedijverden, “wat zegt gij nu van onze batterij? Laten nu alle zeeschuimers uit de Stille zee zich voor het Rotshuis vertoonen; zonder onze toestemming zullen zij niet kunnen ontschepen.”

“Het zou toch altijd het beste zijn, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “dat wij nooit in zulk een geval komen.”

“Hé,” zeide Pencroff, “wat zullen wij met de zes schelmen doen, die nog op het eiland rondzwerven? Zullen wij ze maar stil onze bosschen, velden en weiden laten doorkruisen? Het zijn ware jaguars, die zeeroovers! en ik geloof dat wij ons niet behoeven te bedenken om ze als zoodanig te behandelen. Wat dunkt gij er van Ayrton?” voegde Pencroff er bij, terwijl hij zich tot zijn makker wendde.

Ayrton gaf eerst geen antwoord, en Cyrus Smith speet het dat Pencroff dezen zoo plotseling die vraag had gedaan. Hij was zelfs getroffen toen Ayrton op zachtmoedigen toon antwoordde:

“Ik heb ook eenmaal tot die jaguars behoort, mijnheer Pencroff, en ik heb dus geen recht daarover te oordeelen.”

Langzaam verwijderde hij zich.

Pencroff had het begrepen.

“Domoor, die ik ben!” riep hij uit. “Arme Ayrton! hij heeft toch evenveel recht als wij om hier te spreken!”

“Ja,” zeide Gideon Spilett, “maar zijn bescheidenheid doet hem eer aan, en wij moeten deze herinnering aan zijn vroeger leven eerbiedigen.”

“Gij hebt gelijk,” antwoordde de matroos, “en ik zal voortaan oppassen. Maar laten wij tot onze vraag terugkeeren? Het schijnt mij toe, dat die boeven niet de minste aanspraak hebben op ons medelijden en dat wij ze zoo spoedig mogelijk van het eiland moeten verwijderen.”

“Is dat uw meening, Pencroff?” vroeg de ingenieur.

“Geheel en al.” [123]

“En zijt ge niet van plan, voor wij ze zonder eenig mededoogen vervolgen, te wachten tot ze ons opnieuw aanvallen?”

“Hetgeen zij ons gedaan hebben, is dus niet voldoende?” vroeg Pencroff, die niets van deze aarzeling begreep.

“Zij kunnen tot andere gevoelens komen,” zeide Cyrus Smith, “zij kunnen berouw gevoelen....”

“Zij berouw gevoelen!” riep de matroos uit, terwijl hij zijn schouders optrok.

“Pencroff, denk aan Ayrton!” zeide Harbert toen en vatte de hand van den matroos. “Hij is ook een eerlijk man geworden.”

Pencroff zag zijn makkers beurtelings aan. Hij had nooit gedacht dat zijn voorstel eenigen tegenstand zou ondervinden. Zijn ruw gemoed kon niet aannemen dat men eenige inschikkelijkheid betoonde tegenover de schelmen, die op het eiland waren, met de medeplichtigen van Bob Harvey, de moordenaars van de Speedy, en hij beschouwde ze als wilde dieren, die zonder aarzelen gedood moesten worden.

“Nu nog mooier, ik heb ze allen tegen mij. Wilt gij nog edelmoedig zijn en tegenover die schelmen met zachtheid te werk gaan? Ik hoop dat wij er later geen berouw van hebben!”

“Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “gij hebt dikwijls veel waarde gehecht aan mijn raadgevingen. Wilt ge thans ook naar mij luisteren?”

“Ik zal doen, zooals u goeddunkt, mijnheer Smith,” antwoordde de matroos, die nog in het geheel niet overtuigd was.

“Welnu, laten wij dan wachten en niet eer aanvallen vóor wij zelven aangevallen worden.”

Zij besloten zich op deze wijs tegenover de zeeschuimers te gedragen, hoewel Pencroff er weinig goeds van voorspelde. Zij zouden niet aanvallen maar wel op hun hoede blijven. Het eiland was groot en vruchtbaar. En zoo er nog eenig gevoel van eerlijkheid in het diepst hunner ziel was overgebleven, zouden die ellendelingen zich misschien nog beteren kunnen. Was het hun belang niet om in de omstandigheden, waarin zij thans verkeerden, een ander leven te beginnen.

De kolonisten zouden nu echter niet geheel en al vrij in hun doen en laten zijn. Tot nog toe hadden zij slechts te waken tegen de wilde dieren en thans zwierven er zes boeven, misschien van de ergste soort, op hun eiland. Dat was ongetwijfeld van ernstiger aard, en minder dappere mannen zouden gelooven dat alle veiligheid verloren was.

Het doet er niet toe! Voor het oogenblik hadden zij tegen Pencroff gelijk. Zouden zij in de toekomst ook gelijk hebben? Dit zal blijken. [124]

[Inhoud]

XVI.

Plan eener expeditie.—Ayrton in de kraal.—Bezoek aan de Ballonhaven.—Wat Pencroff denkt aan boord van de Bonadventure.—Depêche naar de kraal.—Geen antwoord van Ayrton.—Op weg naar de kraal.—Waarom de telegraaf niet werkt.—Een ontploffing.

De dringendste bezigheid voor de kolonisten was een volledig onderzoek van het eiland en dit onderzoek zou thans meer dan éen doel hebben; in de eerste plaats zouden zij dat geheimzinnige wezen ontdekken, aan welks bestaan zij thans niet meer twijfelden en tegelijkertijd konden zij te weten komen wat er van de zeeroovers geworden was, waar dezen een schuilplaats gevonden hadden, welk leven zij leidden en of men voor hen beducht moest wezen.

Cyrus Smith wilde hoe eer hoe liever vertrekken; maar die tocht zou verscheidene dagen duren en hij had het dus raadzaam geacht om den wagen van al het noodige te voorzien, ook van de benoodigdheden om een tent ineen te zetten, die voor hen van het grootste nut zou wezen wanneer zij halt hielden. Maar ongelukkig had een van de onagga’s een wond aan zijn poot bekomen, zoodat het dier eenige dagen rust moest hebben, en allen oordeelden het dus beter om den tocht nog acht dagen uit te stellen, dus tot den 20sten November. Zij ondernamen hun reis in het gunstige jaargetijde, en al bereikten zij nu hun hoofddoel niet, deze tocht zou hun toch, wat de grondgesteldheid betrof, van zeer veel nut wezen.

Gedurende deze acht dagen besloten zij nog de laatste hand te leggen aan de werken op de vlakte het Verre Uitzicht. Ayrton moest ook naar de kraal terugkeeren, daar de huisdieren zijn zorg vereischten. Er werd dus overeengekomen, dat hij er twee dagen zou gaan doorbrengen en niet eer in het Rotshuis zou terugkeeren, vóor alle stallen in overvloed van het noodige voorzien waren.

Toen hij op het punt stond hen te verlaten, vroeg Cyrus Smith hem, of hij wenschte dat een hunner met hem mede ging, daar het eiland tegenwoordig minder veilig was dan vroeger. Ayrton achtte dit onnoodig, en zeide, dat hij het alleen wel af kon; bovendien was hij volstrekt niet bang. Zoo er eenig ongeval in de kraal of in den omtrek plaats greep, zou hij de kolonisten onmiddellijk per telegraaf waarschuwen.

Den 9den vertrok Ayrton dus met den wagen, waarvoor slechts een onagga gespannen was, en twee uur later zond hij hun het bericht van zijn goede overkomst en dat hij alles in de kraal in de beste orde had gevonden.

Hoeveel uren had hij niet besteed aan het poetsen der vuurmonden. Blz. 120.

Hoeveel uren had hij niet besteed aan het poetsen der vuurmonden. Blz. 120.

Deze twee dagen besteedde Cyrus Smith met een plan ten uitvoer te brengen om het Rotshuis tegen elken aanval te beveiligen. Hij [125]bedekte de geheele bovenopening van de vroegere uitloozingsplaats, die reeds voor een gedeelte toegemetseld was en verborgen lag onder planten en kruiden. Niets was gemakkelijker, daar het voldoende [126]was de oppervlakte van het water twee of drie voet te verhoogen; dan was de geheele opening onder water.

Spoedig was deze arbeid voltooid en Pencroff, Gideon Spilett en Harbert wilden nu een uitstapje maken naar de Ballonhaven. De matroos was zeer nieuwsgierig om te weten of de beek, waarin de Bonadventure lag, ook door de boeven was bezocht.

De matroos vertrok dus met zijn vrienden in den namiddag van 10 November. Allen waren goed gewapend. Pencroff schudde, terwijl hij zijn geweer met een paar kogels laadde, het hoofd, hetgeen weinig goeds voorspelde voor hem die te na kwam, “dier of mensch,” zeide hij. Gideon Spilett en Harbert namen ook hun geweer en tegen drie uur verlieten zij het Rotshuis. Nab vergezelde hen tot aan de bocht van de Mercy, en toen die was overgestoken, haalde hij de brug op. Zij waren overeengekomen, dat een geweerschot de terugkomst van de kolonisten zou aankondigen, en dat Nab op dat sein de gemeenschap zou herstellen tusschen de twee oevers der rivier.

De drie vrienden volgden eerst den weg naar de haven in het zuidelijk gedeelte van het eiland. Het was slechts een afstand van drie en een halve mijl, maar zij besteedden daar twee uur aan. Zij hadden den geheelen zoom van het bosch onderzocht, maar geen spoor der vluchtelingen ontdekt. Deze wisten ongetwijfeld nog niet het aantal der kolonisten en hun middelen ter verdediging, en hadden daarom de meestafgelegen kust van het eiland tot schuilplaats gekozen.

Pencroff zag, toen zij de Ballonhaven bereikten, met een onuitsprekelijk groot genoegen dat de Bonadventure nog vast lag.

“Zie zoo,” zeide hij, “die schelmen zijn toch nog niet hier geweest. Dat hooge gras is beter voor de kruipende dieren en zeker zullen wij ze in het bosch van het Verre Westen moeten zoeken.”

“Dat is maar goed ook,” sprak Harbert, “want zoo zij de Bonadventure hier gevonden hadden, zouden zij er zich stellig meester van hebben gemaakt, en er mede gevlucht zijn, hetgeen ons verhinderd zou hebben om in den eersten tijd naar het eiland Tabor terug te keeren.”

“Waarlijk,” antwoordde de reporter, “het is van het grootste belang om daar eenig bericht te plaatsen waarin de ligging van het eiland Lincoln en de nieuwe woonplaats van Ayrton vermeld is, voor het geval dat het Schotsche jacht hem weder kwam halen.”

“Welnu, mijnheer Spilett, de Bonadventure is daar nog,” zeide de matroos. “Haar bemanning en zij zelve is op het eerste teeken gereed.”

“Ik geloof, Pencroff, dat het beter was, zoo wij dien tocht uitstelden tot onze onderzoekingsreis afgeloopen is. Het is zeer wel mogelijk dat die onbekende, zoo het ons gelukken mocht hem te vinden, alles weet van de eilanden Lincoln en Tabor. Laten wij niet vergeten [127]dat hij het is, die den brief geschreven heeft, en misschien weet hij wel iets van de terugkomst van het jacht af.”

Terwijl zij zoo spraken, hadden Pencroff, Harbert en Gideon Spilett zich ingescheept en liepen zij over het dek van de Bonadventure. Plotseling riep de matroos uit, terwijl hij aandachtig de kabel beschouwde, welke op de beting lag.

“O, zie eens! Dat is toch sterk!”

“Wat is er Pencroff?”

“Wel, ik heb dien knoop niet gelegd.”

En Pencroff toonde een knoop die in het touw was gelegd op de beting zelve, om de boot te verhinderen af te drijven.

“Wat, hebt gij het niet gedaan?” vroeg Gideon Spilett.

“Neen, daar kan ik op zweren. Dit is een platte knoop en ik maak altijd een dubbelen.”

“Gij zult u vergist hebben, Pencroff.”

“Ik heb mij niet vergist!” verzekerde de matroos. “Dat zit in de hand, en de hand vergist zich niet.”

“Dan zijn de boeven aan boord geweest?” vroeg Harbert.

“Ik weet het niet,” antwoordde Pencroff, “maar zeker is het, dat de Bonadventure het anker gelicht heeft, en men haar opnieuw heeft vastgelegd. Want zie, een ander bewijs! Zij is van het touw losgemaakt en het stuk zeildoek is niet meer op dezelfde plaats. Ik herhaal het u, men heeft ons vaartuig gebruikt!”

“Maar zoo de roovers het gebruikt hebben, dan zouden zij het òf gestolen hebben, òf wel er mede gevlucht zijn.”

“Gevlucht?... “Waarheen?... naar het eiland Tabor?...” hernam Pencroff. “Gelooft gij dan, dat zij zich op zoo’n zwak bootje zouden gewaagd hebben?”

“Het moet wel, daar zij bovendien met het eilandje bekend waren,” antwoordde de reporter.

“Hoe het ook zij,” meende de matroos, “even waar als ik ben Bonadventure Pencroff, van Vineyard, is onze Bonadventure zonder ons in zee geweest.”

De matroos sprak op zulk een stelligen toon dat noch Spilett, noch Harbert hem konden tegenspreken. Het was dus waarschijnlijk dat het vaartuig meer of min verplaatst was, sedert dat Pencroff het in de Ballonhaven had vastgemeerd. Voor den matroos bestond er geen twijfel of het anker was gelicht.

“Maar zouden wij de Bonadventure dan niet voorbij het eiland hebben zien gaan?” merkte de reporter op, die alle mogelijke tegenwerpingen wilde maken.

“Wel, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “als zij ’s nachts met een goede bries vertrekken, zijn zij binnen twee uur buiten het gezicht van het eiland.”

“Welnu,” hernam Gideon Spilett, “ik vraag het nogmaals, met [128]welk doel zouden de boeven gebruik hebben gemaakt van de Bonadventure, en waarom zouden zij, na haar gebruikt te hebben, haar weder in de Ballonhaven hebben teruggebracht?”

“Och, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “laten wij dit bij het aantal onverklaarbare feiten voegen en er niet meer over denken. Het belangrijkste is dat de Bonadventure daar lag en er nog ligt. Ongelukkiger zou het wezen, wanneer de roovers zich voor een tweede maal er van meester maakten; dan kon het wel eens gebeuren dat wij haar niet terug vonden.”

“Dus, Pencroff, zou het misschien voorzichtig wezen de Bonadventure voor het Rotshuis te leggen,” zeide Harbert.

“Ja en neen,” antwoordde Pencroff, “of liever neen. De monding van de Mercy is een slechte plaats voor een schip, en de zee is daar zeer onstuimig.”

“Maar wanneer we haar op het strand halen, tot aan den voet der Schoorsteenen....”

“Misschien.... ja....” antwoordde Pencroff. “In elk geval, aangezien we het Rotshuis voor vrij langen tijd moeten verlaten, geloof ik dat de Bonadventure beter daar in veiligheid zal zijn gedurende onze afwezigheid, en wij er goed aan zullen doen het vaartuig daar te laten totdat de schelmen van het eiland zijn verdwenen.”

“Dat is ook mijn meening en thans voorwaarts!”

Toen zij thuis waren gekomen, deelden zij het gebeurde aan den ingenieur mede, die volkomen van hetzelfde gevoelen was. Dien avond zonden zij een telegram aan Ayrton, waarin zij hem verzochten een paar geiten mede te brengen die Nab op de weide van het Verre Uitzicht wilde doen gewennen. Zonderling, Ayrton meldde hun niet, zooals gewoonlijk, de goede ontvangst. Dit verwonderde ook den ingenieur. Maar het kon wezen dat Ayrton op dit oogenblik niet in de kraal was of misschien op den terugweg naar het Rotshuis. Want twee dagen waren er verloopen sedert zijn vertrek en men was overeengekomen dat den 10den ’s avonds, of op zijn laatst, den 11den ’s morgens, Ayrton terug zou wezen.

De kolonisten verwachtten hem dus op de hoogte van het Verre Uitzicht te zien verschijnen. Nab en Harbert waakten zelf reeds bij de brug, om zoodra hun makker aankwam, die te laten vallen. Maar tegen tien uur ’s avonds was Ayrton er nog niet. Zij oordeelden het raadzaam nogmaals een telegram te zenden en vroegen een onmiddellijk antwoord.

Geen antwoord kwam er echter. De onrust der kolonisten werd hoe langer hoe grooter. Wat was er gebeurd? Ayrton was dus niet meer in de kraal, of zoo hij er nog was, kon hij zich niet vrij meer bewegen? Moesten zij in dien stikdonkeren nacht er heen gaan? De een wilde vertrekken, de ander niet. [129]

Spoedig was deze arbeid voltooid. Blz. 126.

Spoedig was deze arbeid voltooid. Blz. 126.

“Maar,” zeide Harbert, “misschien is er iets gebroken aan de telegraaf zoodat zij niet meer werkt.”

“Dat kan,” zeide de reporter. [130]

“Laten wij tot morgen wachten,” antwoordde Cyrus Smith. “Het is mogelijk, dat Ayrton ons telegram niet ontvangen heeft en ook dat wij het zijne niet gekregen hebben.”

Bij het aanbreken van den dag, 11 November, zond Cyrus nog een telegram, maar ontving weder geen antwoord.

Hij beproefde het nogmaals maar met denzelfden uitslag.

“Naar de kraal!” zeide hij toen.

“En goed gewapend ook!” voegde Pencroff er bij.

Terstond werd er besloten dat niet allen het Rotshuis zouden verlaten; Nab zou achterblijven. Toen hij zijn vrienden tot aan de Glycerine-rivier vergezeld had, haalde hij de brug op en verscholen achter een boom, wachtte hij de terugkomst van hen of van Ayrton af.

Ingeval de zeeroovers zich zouden vertoonen of beproeven de rivier over te steken, zou hij eerst trachten hen door geweerschoten tegen te houden, maar zoo hem dit niet gelukte, zou hij naar het Rotshuis kunnen vluchten en wanneer de hijschtoestel opgehaald was, verkeerde hij in volkomen veiligheid.

Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert en Pencroff zouden zich terstond naar de kraal begeven, en, zoo zij Ayrton onderweg niet aan het werk vonden, den omtrek onderzoeken. Ten zes ure in den morgen hadden zij de Glycerine-rivier overgestoken en Nab begaf zich op den linkeroever der beek. Aan beide zijden van den weg was een dicht begroeid bosch, een zeer goede schuilplaats voor de boeven, die, daar zij geheel gewapend waren, zeer te duchten waren. De kolonisten liepen zonder een woord te spreken, voort. Top snelde hen vooruit, en scheen niets verdachts te bespeuren. En zij konden op het getrouwe dier staat maken en zeker zijn dat het bij den eersten onraad blaffen zou.

Cyrus Smith volgde met zijn vrienden de telegraaflijn, die de kraal met het Rotshuis verbond. Toen zij ongeveer twee mijlen afgelegd hadden, hadden zij nog niets ontdekt. De palen waren in de beste orde; maar toen zij bij paal 74 kwamen, riep Harbert, die hen voor was, uit:

“De draad is gebroken!”

Zijn makkers versnelden hun tred en kwamen op de plaats waar de knaap stond.

Daar was de paal omvergeworpen en lag hij op den grond; het was dus natuurlijk, dat noch de telegrammen uit het Rotshuis in de kraal waren ontvangen, noch omgekeerd.

“Maar niet door den wind is deze paal omvergeworpen,” merkte Pencroff op.

“Neen,” antwoordde Gideon Spilett. “De aarde is weggegraven en een menschenhand heeft hem uitgerukt.”

“Bovendien is de draad gebroken,” voegde Harbert er bij, terwijl [131]hij de twee uiteinden van het ijzerdraad, die met geweld vernield waren, beschouwde.

“Is het nog pas gebeurd?” vroeg Cyrus Smith.

“Ja,” antwoordde Harbert, “nog korten tijd geleden heeft het plaats gehad.”

“Naar de kraal! naar de kraal!” riep de matroos.

De kolonisten waren toen juist halfweg. Zij moesten dus nog twee mijlen afleggen. Zij gingen nu met versnelden pas. Inderdaad moesten zij wel gelooven dat er iets van ernstigen aard in de kraal gebeurd was. Zeker had Ayrton een telegram gezonden, dat niet ontvangen was, maar dit verontrustte de kolonisten nu niet meer; er waren onbegrijpelijker zaken voorgevallen. Ayrton, die beloofd had den vorigen avond terug te zullen komen, was niet verschenen. Eindelijk, zou het ook niet zonder reden wezen, dat de gemeenschap tusschen de kraal en het Rotshuis verbroken was, en wie anders dan de boeven konden dat gedaan hebben?

Eindelijk naderden zij de woning. Maar geen spoor van eenige verwoesting was er te bespeuren. De deur was, zooals gewoonlijk, gesloten. Een diepe stilte heerschte er in de kraal. Noch het blaten van de schapen, noch de stem van Ayrton deed zich hooren.

“Naar binnen!” zeide Cyrus Smith.

De ingenieur ging vooruit, terwijl zijn makkers hem volgden, met de geweren gereed om vuur te geven.

Cyrus Smith lichtte de klink van de deur op en wilde binnentreden, toen Top plotseling vervaarlijk begon te blaffen. Er werd een geweerschot gelost, dat door een smartelijken gil werd beantwoord. Harbert stortte door een kogel getroffen op den grond.

[Inhoud]

XVII.

De reporter en Pencroff in de kraal.—Harbert wordt vervoerd.—Wanhoop van den zeeman.—Overleg tusschen den reporter en den ingenieur.—Heelkundige behandeling.—De hoop herleeft.—Hoe Nab te waarschuwen.—Een zekere bode.—Antwoord van Nab.—Tegenspoed.

Toen Pencroff den kreet van Harbert hoorde, liet hij zijn wapen vallen en snelde naar hem toe.

“Zij hebben hem gedood!” riep hij. “Mijn kind! Zij hebben het gedood!” [132]

Cyrus Smith en Gideon Spilett waren ook naderbij gekomen. De reporter luisterde aandachtig of het hart van den armen knaap nog klopte.

“Hij leeft,” zeide. “Maar wij moeten hem overbrengen....”

“Naar het Rotshuis is onmogelijk,” merkte de ingenieur op.

“Naar de kraal dan!” riep Pencroff.

“Een oogenblik!” zeide Smith.

Hij sloeg een zijpad in. Daar bevond hij zich plotseling tegenover een der boeven, die op hem aanlegde en een kogel doorboorde zijn hoed. Eenige oogenblikken later, vóor hij zelfs nog den tijd gehad had een tweede schot te lossen, viel deze, in het hart getroffen door den dolk van Cyrus Smith, die dit wapen met meer zekerheid hanteerde dan zijn geweer. In dien tijd klommen Gideon Spilett en de matroos over het hek, wierpen de deuren omver en sprongen in de verlaten woning. Weldra rustte Harbert op het bed van Ayrton.

Eenige oogenblikken later was Cyrus Smith bij hem.

De smart van den matroos was groot, toen hij Harbert daar wezenloos zag liggen. Hij snikte, weende en wilde zich tegen den muur verpletteren. Noch de ingenieur, noch de reporter konden hem tot bedaren brengen. De smart overweldigde ook hen. Het was hun onmogelijk een woord te uiten.

Alles werd aangewend om het kind, dat als het ware onder hun oogen lag te sterven, van den dood te redden. Gideon Spilett, wiens leven zoo rijk aan lotgevallen geweest was, had ook nog eenige kennis van heelkunde verkregen. Hij wist van alles wat en honderden omstandigheden hadden zich reeds voorgedaan waarin hij de wonden, hetzij veroorzaakt door een degen of vuurwapen, genezen had. Bijgestaan door Cyrus Smith nam hij dus ook de zorg, die de toestand van Harbert vereischte, op zich.

De knaap was doodsbleek en zijn pols zeer zwak, zoodat Gideon Spilett hem niet dan bij zeer lange tusschenpoozen voelde kloppen, alsof hij zoo aanstonds zou ophouden te slaan. Tegelijkertijd was er een volkomen stilstand van gevoel en bewustzijn. Deze verschijnselen waren van zeer ernstigen aard.

Zij ontblootten de borst van Harbert en het bloed dat door behulp van zakdoeken was gestelpt, werd nu met koud water afgewasschen.

De kneuzing, of liever de wond kwam toen te voorschijn. Een langwerpig gat tusschen de derde en vierde rib.

Cyrus Smith en Gideon Spilett keerden den knaap om, die zulk een zwakke zucht slaakte, alsof hij den laatsten adem uitblies.

Een andere wond bevond zich op zijn rug en de kogel die hem getroffen had, kwam daar terstond uit.

“God zij dank!” zeide de reporter, “de kogel is niet in het lichaam gebleven, en wij behoeven er hem niet uit te halen.” [133]

Harbert stortte door een kogel getroffen op den grond. Bladz. 131.

Harbert stortte door een kogel getroffen op den grond. Bladz. 131.

“Maar het hart?....” vroeg Cyrus Smith.

“Het hart is niet getroffen, want anders zou Harbert dood zijn geweest!” [134]

“Dood!” riep Pencroff en hij brulde van woede.

De matroos had slechts de laatste woorden door den reporter gesproken, gehoord.

“Neen Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “neen! Hij is niet dood. Zijn pols slaat nog! Wij hooren hem zelfs zacht kreunen. Maar, in het belang van uw kind, bedaar wat. Wij hebben thans al onze koelbloedigheid noodig. Laat ons die niet verliezen, mijn vriend.”

Pencroff zweeg, terwijl dikke tranen langs zijn wangen biggelden. Van het grootste gewicht was thans dat de beide wonden verbonden werden, om een nieuwe bloedstorting te voorkomen. De reporter achtte het raadzaamste om den knaap maar met koud water te wasschen. Zij lagen nu linnen kompressen op de wonden van den armen Harbert, die gedurig vernieuwd moesten worden.

De matroos had, daar het onmogelijk was den knaap naar het Rotshuis over te brengen, vuur onder de schoorsteenen aangelegd, en ook de noodige levensbehoeften gevonden. Suiker en kruiden—die Harbert zelf geplukt had bij het meer Grant—waren er in overvloed en stelden hen in staat om een verfrisschenden drank te bereiden, dien de knaap werktuiglijk gebruikte. Hij kreeg een hevige koorts, en den geheelen dag en nacht bleef hij buiten kennis. Zijn leven hing aan een zijden draad, en die draad kon ieder oogenblik afgesneden worden.

Den anderen dag, 12 November, mochten Cyrus Smith en zijn vrienden weer eenige hoop voeden. Harbert was uit zijn lange bedwelming ontwaakt. Hij opende de oogen en herkende Cyrus Smith, den reporter en Pencroff. Hij sprak twee of drie woorden. Hij herinnerde zich niets van het gebeurde. Men deelde hem alles mede en Gideon Spilett verzocht hem zich rustig te houden, hem verzekerende, dat hij volstrekt niet in gevaar verkeerde en zijn wonden binnen weinige dagen weder genezen zouden zijn. Harbert leed weinig en het voortdurend betten met koud water deed hem goed. De zuivering ging regelmatig voort, de koorts nam niet toe en men kon hopen, dat die vreeselijke wond geen verdere gevolgen zou hebben. Pencroff’s hart bonsde van vreugde. Hij was een liefde-zuster gelijk, een moeder die aan het bed van haar kind waakte. Harbert geraakte nogmaals in dien vorigen dommelenden toestand, maar zijn slaap was rustiger.

Zooals men denken kan, hadden de kolonisten gedurende de vier en twintig uren, die zij in de kraal doorbrachten, geen andere gedachten dan Harbert te verzorgen. Zij hadden er niet aan gedacht, dat ze in eenig gevaar verkeerden wanneer de boeven terugkeerden, en hadden ook verzuimd eenige maatregelen van voorzorg te nemen.

Maar dien dag, terwijl Pencroff bij den zieke waakte, spraken Cyrus Smith en de reporter over hetgeen hun te doen stond. Eerst onderzochten zij de kraal. Er was geen spoor van Ayrton te vinden. [135]Was de ongelukkige in de macht van zijn vroegere medeplichtigen geraakt? Was hij door hen in de kraal overvallen? Had hij gestreden en was hij in den strijd bezweken? Dit laatste was het waarschijnlijkst. Gideon Spilett had op het oogenblik, toen hij het hek overklom, zeer goed een der roovers gezien, die naar den berg Franklin vluchtte en waarheen Top ook gesneld was. Hij was een van hen, wier sloep tegen de rotsen bij den mond der Mercy was stuk geslagen. Bovendien, hij dien Cyrus Smith gedood had, maakte deel uit van de bende van Bob Harvey.

Wat de kraal betrof, deze had niet de minste verwoesting ondergaan. De deuren waren gesloten en de dieren hadden zich dus niet in het bosch kunnen verspreiden. Geen spoor was er ook te vinden van eenigen strijd; noch de woning, noch de tuin had iets geleden. De wapenen slechts waren verdwenen.

“De ongelukkige is zeker overvallen,” zeide Cyrus Smith, “en daar hij een man was om zich te verdedigen, zal hij zeker bezweken zijn.”

“Ja, daar vrees ik ook voor,” zeide de reporter. “Zeker hebben zij toen bezit genomen van de kraal, waar zij alles in overvloed vonden, en zijn zij eerst op de vlucht gegaan, toen zij ons zagen naderen. Het is ook zeer waarschijnlijk dat Ayrton op dit oogenblik, levend of dood, niet meer hier is.”

“Wij moeten het bosch doorzoeken,” hernam de ingenieur, “en het eiland van die schelmen bevrijden. Het voorgevoel van Pencroff bedroog hem niet, toen hij verlangde dat wij ze als wilde dieren verjoegen. Dan waren wij voor veel ongelukken gespaard gebleven!”

“Ja,” antwoordde de reporter, “maar nu hebben wij het recht om ze zonder eenig medelijden te behandelen.”

“In elk geval,” zeide de ingenieur, “zijn wij toch genoodzaakt eenigen tijd te wachten en in de kraal te blijven tot wij Harbert zonder gevaar naar het Rotshuis kunnen overbrengen.”

“Maar Nab?” vroeg de reporter.

“Nab is in veiligheid.”

“En zoo hij, ongerust over ons wegblijven, zich hier naar toe waagde?”

“Hij moet niet komen!” antwoordde Cyrus Smith levendig. “Hij zou op weg vermoord worden.”

“Het is toch zeer waarschijnlijk dat hij trachten zal bij ons te komen.”

“Zoo de telegraaf maar in orde was, dan konden wij hem waarschuwen! Maar dat is thans onmogelijk! Wij kunnen Pencroff en Harbert hier niet alleen laten!... Welnu, ik zal alleen naar het Rotshuis gaan.”

“Neen, neen Cyrus!” riep de reporter, “gij moogt u niet aan zulk een gevaar blootstellen. Uw moed zou niets helpen. Die schelmen bespieden zeker de kraal, zij zijn in het bosch verscholen, en zoo gij vertrekt, dan zouden wij spoedig twee onheilen in plaats van éen betreuren. [136]

“Maar Nab?” hernam de ingenieur. “Er zijn nu reeds vier en twintig uren verloopen sedert hij iets van ons gehoord heeft. Hij zal stellig komen!”

“En nog minder op zijn hoede wezen dan wij waren,” antwoordde Gideon Spilett.

“Bestaat er dan geen middel om hem te waarschuwen?”

Toen de ingenieur hierover nadacht viel zijn oog op Top, die heen en weer liep alsof hij wilde zeggen:

“Ben ik er dan ook niet?”

“Top!” riep Cyrus Smith.

Het dier sprong bij het hooren van zijn naam tegen zijn meester op.

“Ja, Top, gij zult gaan!” zeide de reporter, die den ingenieur begrepen had. “Top kan gaan, waar wij onmogelijk zouden doorkomen! Hij zal in het Rotshuis berichten van de kraal brengen, en ons weder op de hoogte stellen van hetgeen in het Rotshuis gebeurt!”

“Spoedig!” antwoordde Cyrus Smith, “spoedig!”

Gideon Spilett had snel een blad uit zijn opschrijfboekje gescheurd en schreef het volgende:

“Harbert gewond. Wij zijn in de kraal. Wees op uw hoede. Verlaat het Rotshuis niet. Zijn de boeven in den omtrek verschenen? Antwoord door Top.”

Dit eenvoudige briefje bevatte alles wat Nab moest weten en vroeg tegelijkertijd alles waarbij de kolonisten belang hadden mede bekend te zijn. Hij vouwde het samen, bond het aan den halsband van Top, zoodat het terstond in het oog moest vallen.

“Top! mijn goede hond,” zeide toen de ingenieur en liefkoosde het dier, “Nab, Top! Nab! Ga! Gauw!”

Top sprong bij deze woorden op. Hij begreep, hij raadde wat men van hem verlangde. De weg naar de kraal was hem bekend. Binnen een half uur kon hij hem hebben afgelegd en men mocht hopen, dat daar waar noch Cyrus Smith noch de reporter zich zonder gevaar durfden wagen, Top, verscholen tusschen het hooge gras, onbemerkt zou doorkomen.

De ingenieur ging naar de deur van de kraal, stiet die open en herhaalde toen nogmaals:

“Nab! Top, Nab!” en wees met zijn hand in de richting van het Rotshuis.

Top snelde heen en was spoedig verdwenen.

“Hij zal er komen en terugkeeren!” zeide de reporter.

De kolonisten wachtten de terugkomst van Top niet zonder angst af. Een weinig voor elf uur gingen Cyrus Smith en de reporter met hun karabijnen achter de deur staan, gereed om bij het eerste geblaf van den hond te openen. Zij twijfelden er niet aan dat, wanneer Top gelukkig het Rotshuis bereikt had, Nab hem terstond zou terugzenden. [137]

“Nab! Top, Nab!” Blz. 136.

“Nab! Top, Nab!” Blz. 136.

Tien minuten later knalde er een geweerschot, en terstond daarop hoorden zij het blaffen van een hond. De ingenieur opende de deur, zag nog op een honderd pas afstands in het bosch den rook en vuurde [138]in die richting. Oogenblikkelijk daarop snelde Top de kraal binnen, terwijl zij de deur terstond achter hem sloten.

“Top, Top!” riep Cyrus Smith en nam den kop van het goedige dier tusschen zijn handen.

Een briefje was aan zijn halsband bevestigd, en Cyrus las de volgende woorden, met de groote en grove hand van Nab geschreven:

“Geen roovers in den omtrek van het Rotshuis. Ik zal mij niet verwijderen. Arme mijnheer Harbert!”

De boeven bevonden zich dus nog in den omtrek van de kraal, en met het doel om den eenen kolonist na den andere te dooden. Er schoot hun dus niets anders over dan ze als wilde dieren te behandelen. Maar hierbij moest de noodige behoedzaamheid in acht worden genomen, want die ellendelingen hadden op dit oogenblik een groot voordeel op de kolonisten, daar zij alles konden zien, zonder gezien te worden, en hen plotseling konden overvallen, zonder zelf overvallen te worden.

Cyrus Smith richtte dus alles in om in de kraal te kunnen leven, die overigens voldoende voorzien was om hen gedurende langen tijd te onderhouden.

De boeven, waarvan er slechts vijf waren overgebleven, maar allen goed gewapend—zwierven nu door het bosch, en zich daarin te wagen, zou het leven der kolonisten in gevaar hebben gebracht; zij zouden zich blootstellen aan hun geweerschoten, zonder die te kunnen ontwijken noch te voorkomen.

“Wij kunnen niet anders doen dan wachten!” herhaalde Cyrus Smith. “Wanneer Harbert genezen is, kunnen wij een onderzoek op het eiland instellen en zien wat met deze boeven is aan te vangen. Dit zal dan tegelijkertijd het doel uitmaken van onzen grooten tocht...”

“Het spoor te vinden van onzen geheimzinnigen beschermer,” voegde Gideon Spilett er bij. “Maar ik moet toch bekennen, Cyrus, dat ditmaal zijn bescherming ons ontbroken heeft en juist op het oogenblik dat wij die het meest noodig hadden!”

“Wie weet!” antwoordde de ingenieur.

“Hoe meent ge dat?” vroeg de reporter.

“Wij zijn nog niet aan het einde van onze tegenspoeden gekomen, beste Spilett, en misschien zal de gelegenheid zich wel weder voordoen, waarop hij ons zijn machtige tusschenkomst kan doen gevoelen. Maar thans behoeven we daar niet over te denken. Het leven van Harbert vóór alles.”

Den tienden dag, 22 November, waren er aanmerkelijke verschijnselen van beterschap bij den knaap te bespeuren. Hij had eenig voedsel gebruikt. Er kwam weder kleur op zijn bleeke wangen en zijn oogen stonden weder helder. Hij sprak nu en dan met zijn vrienden, ondanks de pogingen van Pencroff, die onophoudelijk tot hem sprak, [139]om hem zelven het spreken te beletten en die hem de onmogelijkste verhalen vertelde. Harbert had ook naar Ayrton gevraagd, daar hij verwonderd was dezen niet in de kraal te zien. Maar de matroos wilde Harbert geen verdriet geven en stelde zich tevreden met te zeggen dat Ayrton naar Nab was gegaan om het Rotshuis te helpen verdedigen.

Het ging van dag tot dag beter met den knaap. Maar in welk een toestand zouden de kolonisten verkeerd hebben, zoo hij erger was geworden, zoo de kogel in zijn lichaam was gebleven of zoo een arm of been had moeten worden afgezet.

Het kwam Cyrus Smith dikwijls voor dat hij en zijn vrienden, tot nog toe zoo gelukkig, een moeielijken tijd tegemoet gingen. Gedurende meer dan twee en een half jaar, sedert zij uit Richmond ontsnapt waren, was alles naar hun wensch gegaan. Het eiland had hen overvloedig voorzien, en door hun wetenschappelijke kennis waren zij in staat geweest van alles partij te trekken. Het stoffelijk welzijn van de kolonie was als het ware volmaakt. Bovendien was hun, in sommige gevallen, een geheimzinnige macht te hulp gekomen!.... Maar dit alles had zijn tijd gehad. Kortom, Cyrus Smith meende te bespeuren dat de kans tegen hen was gekeerd.

Men meene daarom evenwel niet dat Cyrus Smith en zijn vrienden, omdat zij veel over hun toestand spraken, mannen waren om aan hun lot te wanhopen! Verre van daar. Zij waren volkomen op de hoogte van hun toestand, overwogen de kansen en bereidden zich op alle mogelijke gebeurtenissen voor; zij verloren de toekomst niet uit het oog en zoo eenig ongeluk hen trof; zouden zij gereed zijn er tegen te kampen.

[Inhoud]

XVIII.

De boeven in den omtrek der kraal.—Voorloopige vestiging.—Voortzetting van Harberts verpleging.—De eerste juichtonen van Pencroff.—Terugkeer tot het verleden.—Wat de toekomst geven zal.—Meening van Cyrus Smith daaromtrent.

Harbert genas langzaam; men kon hem echter nog niet naar het Rotshuis vervoeren.

Van Nab kreeg men geen tijding maar men verontrustte zich niet over hem. De wakkere neger zou, in het Rotshuis verborgen, zich niet laten overvallen. Top was niet weder naar hem toegezonden, [140]daar men het onnoodig achtte den trouwen hond opnieuw aan een kogel bloot te stellen.

Men moest dus wachten, maar de kolonisten verlangden weder in het Rotshuis te zijn. Het speet den ingenieur dat hij zijn macht zag verdeelen, want dit was in het voordeel van de zeeroovers. Sedert het verdwijnen van Ayrton waren zij nog slechts vier tegen vijf, want Harbert kon men niet meer meerekenen, hetgeen den knaap zeer verdriette, daar hij begreep, dat hij de schuld van alles was.

Den 24sten November werd door Cyrus Smith en Gideon Spilett de quaestie behandeld, hoe men tegen de bandieten te werk moest gaan.

“Ik geloof,” zeide Gideon Spilett, nadat er gesproken was over de onmogelijkheid om met Nab gemeenschap te hebben, “dat, wanneer wij ons op weg waagden, wij gevaar zouden loopen een kogel te ontvangen, zonder dien te kunnen beantwoorden. Maar gelooft gij niet, dat het nu het beste is om een bepaalde jacht op deze ellendelingen te maken!”

“Dat meen ik ook,” zeide Pencroff. “Wij zijn, geloof ik, niet bang voor een kogel, en als mijnheer Cyrus het toe wil staan, ben ik gereed mij in het bosch te begeven. “Een man kan een man staan!”

“Maar kan hij er vijf staan?” vroeg de ingenieur.

“Ik voeg mij bij Pencroff,” zeide de reporter, “en wij beiden goed gewapend en van Top vergezeld....”

“Beste Spilett en gij, Pencroff,” hernam Cyrus Smith, “redeneert toch kalm. Zijn de boeven ergens op het eiland verborgen, en was hunne schuilplaats ons bekend, dan behoefden wij hen slechts te overvallen. Maar moeten wij integendeel niet vreezen dat zij het eerste schot zullen doen?”

“O, mijnheer Cyrus, een kogel treft niet altijd waar men hem heen zendt!”

“Die, welke Harbert getroffen heeft, miste geen streep, Pencroff,” antwoordde de ingenieur. “Maar wanneer gij beiden de kraal verlaat, blijf ik hier immers alleen om haar te verdedigen. Staat gij er voor in dat de boeven niet zullen zien dat gij u verwijdert, dat zij u in het bosch zullen laten ronddolen en in uwe afwezigheid de kraal aanvallen, wel wetende dat er zich slechts een gewond kind en één man in bevinden.”

“Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus,” antwoordde Pencroff, “gij hebt gelijk. Zij zullen alles in het werk stellen om de kraal weder meester te worden, daar zij weten dat zij goed voorzien is! En alleen zoudt gij het niet tegen hen kunnen volhouden! Waren wij toch maar in het Rotshuis!”

“Wanneer wij in het Rotshuis waren zou de toestand geheel anders zijn,” zeide Cyrus Smith. “Ik zou daar niet vreezen Harbert met een van ons achter te laten, en de drie anderen konden de [141]bosschen doorkruisen. Maar wij zijn in de kraal, en moeten er blijven tot op het oogenblik dat wij haar gezamenlijk zullen kunnen verlaten!”

Harbert had ook naar Ayrton gevraagd. Bladz. 139.

Harbert had ook naar Ayrton gevraagd. Bladz. 139.

Cyrus Smith had gelijk en zijn metgezellen begrepen het. [142]

“Was Ayrton maar bij ons!” zeide Gideon Spilett. “Arme kerel! Zijn terugkeer tot het maatschappelijk leven zal van korten duur geweest zijn!”

“Als hij dood is?....” voegde Pencroff er op zonderlingen toon bij.

“Hoopt gij dan nog, Pencroff, dat die schurken hem gespaard hebben?” vroeg Gideon Spilett.

“Ja, als zij er belang bij hadden om hem te sparen!”

“Wat! zoudt gij dan veronderstellen dat Ayrton, bij het vinden van zijn vroegere metgezellen, alles vergeten zou hebben wat hij ons verplicht is?”

“Wie weet!” antwoordde de zeeman, die niet zonder aarzelen deze meening uitte.

“Pencroff,” zeide Cyrus Smith, terwijl hij diens arm vatte, “dat is een leelijke gedachte van u, en het zou mij hinderen u nog langer zoo te hooren spreken. Ik sta in voor de trouw van Ayrton!”

“Ik ook,” voegde de reporter er levendig bij.

“Ja.... ja.... mijnheer Cyrus.... ik heb ongelijk,” antwoordde Pencroff. “Het was inderdaad een slechte gedachte, die ik daar had en zij wordt door niets gerechtvaardigd. Maar, ziet gij! Ik weet soms zelf niet meer wat ik zeg; die gevangenschap in de kraal hindert mij vreeselijk, en ik ben nooit zoo overspannen geweest als op dit oogenblik.”

De reporter troostte Pencroff met de belofte, dat Harbert binnen acht dagen zoover genezen zou zijn, dat men hem zou kunnen vervoeren.

Een paar maal intusschen waagde de reporter zich goed gewapend buiten de kraal, vergezeld van Top.

De eerste maal ontmoette hij niemand en vond hij niets, dat hem verdacht voorkwam.

Den 27sten November waagde Gideon Spilett zich een kwart mijl in het bosch en bemerkte dat Top onrustig werd; de hond liep heen en weer tusschen het kreupelhout, alsof hij iets rook, dat hem verdacht voorkwam.

Gideon Spilett volgde Top, moedigde hem aan, maar hield zijn karabijn gereed en zorgde door boomen gedekt te zijn. Het was niet waarschijnlijk, dat Top de nabijheid van een mensch rook, want in dat geval zou hij dat doffe, halfgesmoorde blaffen hebben doen hooren. Nu hij niet knorde, kon men zeker zijn, dat het gevaar niet nabij was, noch nader kwam.

Vijf minuten verliepen. Top bleef rondsnuffelen en de reporter volgde hem behoedzaam; plotseling wierp de hond zich echter in een dicht kreupelbosch en haalde er een lap van een kleedingstuk uit te voorschijn.

Gideon Spilett bracht het onmiddellijk naar de kraal.

De kolonisten bekeken het en herkenden het als een stuk van het [143]buis van Ayrton, een stuk van dat vilt, dat alleen in het Rotshuis verwerkt werd.

“Gij ziet het, Pencroff,” merkte Cyrus Smith op, “de ongelukkige Ayrton heeft tegenstand geboden. De boeven hebben hem tegen zijn wil medegesleept! Twijfelt gij nog aan zijn trouw?”

“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman, “en reeds lang heb ik mijn wantrouwen afgelegd! Maar men kan hieruit iets opmaken.”

“Wat dan?” vroeg de reporter.

“Dat Ayrton niet in de kraal gedood is. Dat men hem levend van hier heeft gesleept, daar hij weerstand heeft geboden! Misschien leeft hij dus nog!”

“Misschien,” antwoordde de ingenieur, die in gedachten verzonken bleef.

Dit was nog eene hoop voor de metgezellen van Ayrton. Was deze in de kraal overvallen, dan zou men hem even als Harbert door een kogel gedood hebben gevonden. Maar hadden de boeven hem niet onmiddellijk van kant gemaakt, hem levend naar een ander gedeelte van het eiland gesleept, mocht men dan niet hopen, dat hij nog hun gevangene was? Mogelijk had een van hun in Ayrton een vroegeren metgezel uit Australië gevonden: Ben Joyce, het hoofd der ontsnapte boeven? En wie weet of zij de dwaze hoop niet gekoesterd hadden Ayrton weder over te halen? Hij zou hen zoo nuttig kunnen zijn, als zij van hem een verrader hadden kunnen maken!....

Deze gebeurtenis werd in de kraal als gunstig beschouwd en men achtte het niet onmogelijk Ayrton terug te vinden. Was hij gevangen, dan zou hij van zijn kant alles aanwenden om uit de handen der boeven te ontkomen, en hij zou een krachtige steun voor de kolonisten zijn geweest!

“Mocht het Ayrton gelukken te ontsnappen,” merkte Gideon Spilett op, “dan zal hij in ieder geval de wijk nemen naar het Rotshuis, want hij weet niets van de verwonding van Harbert, en bijgevolg kan hij niet weten dat wij in de kraal gevangen zijn.”

“O! ik zou wenschen dat hij in het Rotshuis was!” riep Pencroff uit, “en dat wij er ook waren!”

Pencroff drong menigmaal bij Gideon Spilett op het vervoeren van Harbert aan, maar deze vreesde met recht, dat de wonden onder weg misschien zouden open gaan en hij gaf nog geen bevel om te vertrekken.

Er viel echter iets voor, waardoor Cyrus Smith en zijn twee vrienden besloten om aan het verlangen van den knaap gehoor te geven, en de hemel weet hoeveel verdriet en berouw zij nog van dezen stap hadden kunnen hebben!

Den 29sten November, ongeveer zeven uur in den morgen, toen de drie kolonisten bij elkander zaten in de kamer bij Harbert, hoorden zij Top op eens luid blaffen. [144]

Cyrus Smith, Pencroff en Gideon Spilett grepen hunne geweren die altijd geladen waren en gingen naar buiten.

Top, die vooruit gehold was, kwam terug, sprong op en blafte, maar het was van blijdschap en niet uit woede.

“Er komt iemand!”

“Ja!”

“Het is een vijand!”

“Nab, misschien?”

“Of Ayrton?”

Nauwelijks waren deze woorden gewisseld of er sprong iemand over de omheining en kwam in de kraal terecht.

Het was Jup, Jup zelf, die met groote hartelijkheid door Top ontvangen werd!

“Jup!” riep Pencroff uit.

“Nab zendt hem ons,” zeide de reporter.

“Dan moet hij een bericht bij zich hebben,” antwoordde de ingenieur.

Pencroff snelde op den aap toe. Wanneer Nab iets gewichtigs aan zijn meester had mede te deelen, had hij geen zekerder en vlugger boodschapper kunnen kiezen; hij kon zijn weg vinden daar waar noch de kolonisten noch Top er mogelijkheid toe zou hebben gezien. Cyrus Smith had zich niet vergist. Er hing een zakje om den hals van Jup en daarin bevond zich een briefje van Nab.

Men oordeele over de wanhoop van Cyrus Smith en zijn lotgenooten, toen zij de volgende woorden lazen:

“Vrijdag, 6 uur in den morgen.

“De boeven meester van de bergvlakte.

“Nab.”

Zij zagen elkander aan, zonder een woord te spreken en keerden in het huis terug. Wat moesten zij doen? Nu de boeven op de bergvlakte waren, zou alles daar verwoest en vernield zijn.

Toen Harbert den ingenieur, den reporter en Pencroff weder zag binnenkomen, begreep hij dat de toestand verergerd was, nog meer werd hij overtuigd dat het Rotshuis een gevaar dreigde toen hij Jup zag.

“Mijnheer Cyrus,” zeide hij, “ik wil vertrekken. Ik kan de reis doorstaan! Ik wil weg!”

Gideon Spilett naderde Harbert. Na een vorschenden blik op het gelaat van den knaap geworpen te hebben, zeide hij:

“Laat ons dan gaan.”

Er werd besloten dat Harbert op matrassen in het wagentje zou liggen en door de onagga zou worden getrokken, daar men voor een baar twee dragers noodig zou hebben en er dus minder handen beschikbaar zouden zijn, als men aangevallen werd. Het was prachtig weer. De zon scheen helder door de boomen.

“Zijn de wapenen gereed?” vroeg Cyrus Smith. [145]

Het wagentje met de onagga bespannen. Blz. 144.

Het wagentje met de onagga bespannen. Blz. 144.

Zij waren allen in orde. De ingenieur en Pencroff waren beiden met een geweer met dubbelen loop gewapend en Gideon Spilett had zijn karabijn op schouder. [146]

“Ligt gij goed, Harbert?” vroeg de ingenieur.

“O! mijnheer Cyrus,” antwoordde de knaap, “wees gerust, ik zal onderweg niet sterven.”

Men zag echter, dat de arme knaap alle inspanning noodig had om zijn krachten, die op het punt stonden hem te begeven, bij elkander te houden.

De ingenieur aarzelde nog het bevel tot vertrekken te geven. Maar het zou Harbert radeloos gemaakt en misschien zijn toestand verergerd hebben.

“Voorwaarts!” zeide Cyrus Smith.

De deur van de kraal werd geopend. Jup en Top sprongen vooruit. Het rijtuigje met de onagga, door Pencroff gemend, vertrok langzaam en de deur van de kraal werd weder gesloten.

Cyrus Smith en Gideon Spilett liepen elk aan een kant van Harbert en waren gereed om elken aanval af te weren. Met eenig recht mocht men echter hopen, dat de weg veilig zou zijn, daar de boeven zich nog wel op de bergvlakte zouden bevinden. Moest men nog vuur geven, dan zou het waarschijnlijk eerst bij het naderen van het Rotshuis zijn.

De kolonisten waren echter op hun hoede. Top en Jup, die met zijn stok gewapend nu eens voor dan ter zijde van den weg den stoet vergezelde, gaven geen teeken, dat er eenig gevaar in aantocht was.

Ten half acht had men de kraal verlaten en een uur later vier mijlen van de vijf afgelegd, zonder dat er iets was voorgevallen.

Men naderde reeds de bergvlakte. Eindelijk kreeg men de zee in het gezicht. De tocht ging zwijgend voorwaarts, toen Pencroff plotseling de onagga stil hield en woedend uitriep:

“O! die ellendelingen!”

Hij wees daarbij naar een dikke rookwolk, die boven den molen, de stallen en andere gebouwen opsteeg.

Te midden van dien rook zag men een man.

Het was Nab.

Zijn lotgenooten uitten een kreet. Hij hoorde het en snelde naar hen toe.

Ongeveer een half uur geleden hadden de boeven de bergvlakte verlaten, na haar verwoest te hebben!

“En mijnheer Harbert?” vroeg Nab.

Gideon Spilett ging naar het wagentje.

Harbert lag buiten kennis! [147]

[Inhoud]

XIX.

Harbert in het Rotshuis.—Nab verhaalt wat er heeft plaats gehad.—Bezoek van Cyrus Smith aan de vlakte.—Verwoesting.—De kolonisten weerloos tegen de ziekte.—De schors van den wilg.—Een doodelijke koorts.—Top blaft weder.

Noch aan de boeven, noch aan het gevaar dat het Rotshuis dreigde, noch aan de verwoesting van de bergvlakte, werd meer gedacht. De toestand van Harbert eischte op dat oogenblik ieders aandacht. Zou het vervoeren noodlottig voor hem geweest zijn en zijn wonden zich weder geopend hebben? De reporter kon het nog niet zeggen, maar hij en zijn lotgenooten waren wanhopend.

Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Door de goede zorgen kwam hij weldra weder bij. Hij glimlachte even, toen hij zag, dat hij weer in zijn eigen kamer lag, maar was zoo verzwakt, dat hij nauwelijks een woord kon uiten.

Gideon Spilett onderzocht zijn wonden. Zij waren niet weder opengegaan, zooals hij gevreesd had, daar zij nog niet voldoende geheeld waren. Vanwaar dan die instorting? Waardoor was Harbert verergerd?

De reporter en Pencroff bleven bij het bed, terwijl de knaap koortsachtig insliep.

Cyrus Smith vertelde intusschen aan Nab, wat er in de kraal was voorgevallen en Nab verhaalde zijn meester wederkeerig hetgeen op de bergvlakte gebeurd was.

Eerst den vorigen nacht hadden de boeven zich aan den zoom van het bosch vertoond. Nab, die bij het gevogelte waakte, had niet geaarzeld op een van die zeeroovers, die de beek wilde oversteken, vuur te geven; maar in dien stikdonkeren nacht, had hij niet geweten of de ellendeling getroffen was. Het was in ieder geval niet voldoende geweest om de bende af te weren en Nab had nog maar juist den tijd gehad om naar het Rotshuis terug te keeren, waar hij zich ten minste in veiligheid bevond.

Maar wat te doen? Hoe de verwoesting te beletten, waarmede de boeven de bergvlakte bedreigden? Had Nab een middel om zijn meester te waarschuwen? En in welken toestand bevonden zich de bewoners van de kraal op dat oogenblik?

De ingenieur was op 11 November vertrokken en nu was het den 29sten. Negentien dagen lang had Nab dus geen ander bericht gehad, dan dat hetwelk hem door Top gebracht was. Ayrton verdwenen, Harbert ernstig gewond, de ingenieur, de reporter en de zeeman, als het ware in de kraal gevangen!

Nab was radeloos en wist niet wat te doen, toen hij eindelijk op de gedachte kwam Jup te gebruiken, en deze een bericht toe te vertrouwen. [148]

Jup begreep het woord “kraal” en kende den weg. Het was nog geen dag. De vlugge aap zou wel onopgemerkt door het bosch komen en de boeven zouden in ieder geval meenen dat hij daar in thuis hoorde.

Nab aarzelde niet. Hij schreef het briefje en bond het aan den hals van Jup, bracht den aap buiten het Rotshuis en herhaalde een paar maal de woorden:

“Jup! Jup! kraal! kraal!”

Het dier begreep het, liet zich langs het koord afglijden en verdween binnen weinige oogenblikken in de duisternis, zonder dat het de aandacht der boeven getrokken had.

“Gij hebt goed gehandeld, Nab,” zeide Cyrus Smith, “maar gij hadt misschien nog beter gedaan met ons niet te waarschuwen.”

Cyrus Smith dacht bij deze woorden aan Harbert, wiens toestand zeer verergerd scheen door het vervoeren.

Nab vertelde vervolgens, dat de boeven zich niet weer vertoond hadden. Daar zij het aantal bewoners van het eiland niet kenden, dachten zij misschien dat het Rotshuis door een aanzienlijken troep verdedigd werd. De bergvlakte lag echter buiten de geweerschoten van het Rotshuis en daarop konden zij zich derhalve wagen. Daar richtten zij de vreeselijke verwoesting aan, die Pencroff schier tot wanhoop had gebracht en verlieten de bergvlakte slechts een half uur vóor de komst der kolonisten, welke zij nog in de kraal gevangen waanden.

Nab had zijn schuilplaats verlaten. Hij was naar de bergvlakte gegaan, op gevaar af door een kogel getroffen te worden, om te trachten den brand te blusschen; hij had, maar tevergeefs, tegen de vlammen gestreden, tot op het oogenblik, dat zijn metgezellen zich aan den zoom van het bosch vertoonden.

De tegenwoordigheid der boeven was een bestendige bedreiging voor de kolonisten van het eiland Lincoln, die tot nog toe zoo gelukkig geleefd hadden, maar nog op grooter rampen bedacht moesten zijn!

Gideon Spilett bleef in het Rotshuis bij Harbert en Pencroff, terwijl Cyrus Smith, vergezeld van Nab, zelf wilde gaan zien welken omvang de verwoesting had.

De beide mannen volgden de Mercy, maar zagen niets dat hun verdacht voorkwam.

Mogelijk wisten de boeven, dat de kolonisten weder in het Rotshuis waren, daar zij hen wellicht hadden zien aankomen van de kraal; of wel, zij waren na de verwoesting van de bergvlakte in het bosch gevlucht en hadden niets van de terugkomst bemerkt.

In het eerste geval zouden de roovers naar de kraal gaan, die nu onverdedigd was en die zulk een kostbare prooi voor hen bevatte.

In het tweede geval zouden zij waarschijnlijk naar hun kampplaats terugkeeren en een goede gelegenheid afwachten om nogmaals den aanval te wagen. [149]

Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Blz. 147.

Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Blz. 147.

Het beste ware hen te voorkomen; maar elke onderneming om het eiland van die schurken te bevrijden, hing geheel af van den toestand van Harbert. Cyrus Smith had inderdaad al zijn krachten [150]wel noodig, en niemand mocht op dit oogenblik het Rotshuis verlaten.

De ingenieur en Nab kwamen op de bergvlakte. De velden waren platgetrapt en de oogst was verwoest. Gelukkig bezat men zaad genoeg om deze schade te herstellen.

De molen, de stal en andere gebouwen waren allen door de vlammen verteerd. Enkele dieren, die gevlucht waren, dwaalden nog over de bergvlakte. De vogels, die gedurende den brand naar het meer de wijk hadden genomen, keerden reeds weder naar hun woning terug. Alles zou daar opnieuw gebouwd moeten worden.

Cyrus Smith zag bleeker dan gewoonlijk; inwendig ziedde zijn toorn, die hij met moeite bedwong, maar hij sprak geen woord. Hij wierp een laatsten blik op zijn verwoeste velden, op de rookwolken, die nog uit de bouwvallen opstegen en keerde toen naar het Rotshuis terug.

De volgende dagen waren treuriger dan de kolonisten nog op het eiland beleefd hadden. De toestand van Harbert werd slimmer, hij begon reeds te ijlen en men had geen andere geneesmiddelen dan verfrisschende dranken. De koorts was nog niet hevig, maar zij keerde weldra op bepaalde tijden terug.

Den 6den December zeide Gideon Spilett tot Cyrus Smith:

“Men moet haar tegengaan, wij moeten iets hebben dat de koorts doet afnemen, maar wij bezitten geen kina.”

“Neen,” hernam Gideon Spilett, “maar aan den oever van het meer staan wilgen, en de bast van den wilgeboom kan somtijds de kina vervangen.”

“Laten wij dit onmiddellijk beproeven!” antwoordde de ingenieur.

Cyrus Smith ging zelf de schors halen; hij stampte haar vervolgens fijn en nog denzelfden avond gaf men Harbert het poeder in.

Dien nacht en den volgenden dag bleef de koorts weg. Pencroff kreeg weder eenige hoop. Gideon Spilett echter zeide niets.

Er vertoonden zich andere verschijnselen, die de reporter ten hoogste verontrustten. Het verstand van Harbert werd meer en meer beneveld en hij begon erger te ijlen.

Gideon Spilett riep den ingenieur ter zijde.

“Het is een zenuwkoorts!”

“Een zenuwkoorts!” riep Cyrus Smith uit. “Gij vergist u, Spilett. Een zenuwkoorts komt niet plotseling op....”

“Ik vergis mij niet,” antwoordde de reporter. “Harbert heeft de kiem er van reeds in het bosch gekregen. Hij heeft toen den eersten aanval er van gehad. Komt er een tweede en voorkomen wij een derde niet.... dan is hij verloren!....”

“Maar de schors van den wilgeboom.”

“Die is niet krachtig genoeg,” antwoordde de reporter, “en voorkomt men hem niet, dan is een derde aanval van die koorts altijd doodelijk!” [151]

Pencroff had dit gesprek gelukkig niet gehoord. Hij zou krankzinnig zijn geworden.

Men begrijpt in welke onrust de ingenieur en de reporter den 7den December en den volgenden nacht doorbrachten.

Midden op den dag herhaalde zich de aanval. De crisis was vreeselijk. Harbert voelde dat hij verloren was! Hij strekte zijn armen uit naar Cyrus Smith, naar Spilett, naar Pencroff!.... Hij wilde niet sterven!.... Het was een hartverscheurend schouwspel! Men moest Pencroff verwijderen.

Deze aanval duurde vijf uur. Harbert zou blijkbaar een derden niet kunnen doorstaan. Hij ijlde den ganschen nacht.... verviel dan weder in een toestand van verdooving, zoodat Gideon Spilett verscheiden malen dacht dat hij bezweken was; hij zeide tot Cyrus Smith:

“Als wij hem vóor morgen niet een krachtiger tegenmiddel geven, dan is Harbert dood!”

De nacht brak aan,—waarschijnlijk de laatste nacht van dat moedige, verstandige, goede kind, van wien allen evenveel hielden! Het eenige geneesmiddel tegen die vreeselijke koorts, het eenige kruid, waardoor men haar tegen kon gaan, was op het eiland Lincoln niet te vinden. Den nacht van 8 op 9 December bracht hij ijlende door. Zijn brein was geheel beneveld, zijn hersens waren aangetast, hij kon reeds niemand meer herkennen.

Zou hij in het leven blijven tot den volgenden dag, tot dien derden aanval, die hem in ieder geval zou dooden? het was niet waarschijnlijk. Zijn krachten waren uitgeput, en wanneer hij zonder koorts was, lag hij, als het ware, bewusteloos.

Tegen drie uur in den morgen uitte Harbert een schellen kreet. Hij scheen aan een vreeselijk zenuwtoeval ten prooi. Nab, die bij hem waakte, snelde verschrikt naar de aangrenzende kamer, om zijn metgezellen te wekken.

Op dat oogenblik blafte Top op zonderlinge wijze....

Allen gingen onmiddellijk naar binnen en hielden den stervenden knaap vast, die uit zijn bed wilde springen. Gideon Spilett vatte zijn arm en voelde dat zijn pols zich langzamerhand herstelde....

Het was vijf uur in den morgen. De eerste stralen der opkomende zon drongen door de vensters van het Rotshuis. Het zou een prachtige dag worden.... de laatste levensdag van den armen Harbert!....

Er viel een zonnestraal op de tafel naast het bed.

Pencroff uitte een kreet en wees op iets dat op die tafel stond....

Het was een langwerpig doosje, op welks deksel stond:

Sulphas quinine.

[152]

[Inhoud]

XX.

Onoplosbaar geheim.—Beterschap van Harbert.—Nog onbezochte streken.—Toebereidselen voor het vertrek.—Eerste dag.—De nacht.—Tweede dag.—Voetstappen in het bosch.—Aankomst op kaap Hagedis.

Gideon Spilett nam het doosje en opende het. Het bevatte twee honderd grein van een wit poeder, dat hij aan de lippen bracht. De scherp bittere smaak van deze zelfstandigheid liet hem geen oogenblik in twijfel. Het was de kostbare quinine, het geneesmiddel der koorts bij uitnemendheid.

Men moest zonder dralen dit poeder aan Harbert ingeven. Men kon later bespreken hoe het er gekomen kon zijn.

“Koffie!” vroeg Gideon Spilett.

Nab bediende hem zoo snel mogelijk; de reporter wierp ongeveer 10 gram van de quinine in de koffie, die hij vervolgens aan Harbert liet drinken.

Het was nog niet te laat, want de derde aanval van koorts had zich nog niet herhaald!

En tot geruststelling kan gezegd worden, dat deze derde aanval zich niet voordeed.

Allen hadden weder hoop gekregen. De geheimzinnige macht had zich weder geopenbaard, en op een oogenblik waarop men aan haar wanhoopte!

Na verloop van eenige uren sliep Harbert rustiger in. De kolonisten konden toen over dit voorval spreken. De tusschenkomst van den onbekende was nu duidelijker dan ooit. Maar hoe had hij in den nacht tot binnen het Rotshuis kunnen dringen? Dit was onverklaarbaar, en de wijze waarop de “Genius van het eiland” te werk ging, was even wonderbaarlijk als de Genius zelf.

Om de drie uur werd Harbert de quinine ingegeven.

Reeds den volgenden dag bemerkte men verbetering in den toestand. Hij was wel is waar nog niet genezen en de koorts zou zich nog wel herhalen, maar het ontbrak hem niet aan hulp. Het geneesmiddel was immers bij de hand en waarschijnlijk hij, die het gegeven had, niet ver verwijderd! In éen woord, ieders hart was weder met hoop vervuld!

Deze hoop werd niet teleurgesteld. Tien dagen later begon Harbert te herstellen. Pencroff was buiten zich zelf van vreugde en wist niet op welke wijze zijn dankbaarheid te toonen aan Gideon Spilett, dien hij van nu af dokter Spilett noemde.

Nu moest men echter den waren geneesheer ontdekken.

“Wij zullen hem wel vinden,” zeide de zeeman. [153]

Sulphas quinine. Blz. 151.

Sulphas quinine. Blz. 151.

En deze man kon rekenen op een omhelzing, zooals Pencroff alleen in staat was die te geven.

De maand December verliep en met deze het jaar 1867, waarin [154]de kolonisten van het eiland Lincoln zoo zwaar beproefd werden.

Gedurende al dien tijd waren de boeven niet weder in den omtrek van het Rotshuis verschenen. Van Ayrton hoorde men niets, en hoopten ook de ingenieur en Harbert hem terug te vinden, hun metgezellen twijfelden niet of de ongelukkige was omgekomen. Men kon echter niet in die onzekerheid blijven, en zoodra Harbert voldoende hersteld zou zijn, wilde men een verkenning ondernemen, waarvan de uitslag van het hoogste gewicht moest zijn.

De maand Januari werd besteed om de bergvlakte weder in orde te brengen; Cyrus Smith wilde echter nog wachten met het hernieuwen van den molen, den stal en de andere gebouwen, daar een tweede bezoek van de roovers op de vlakte niet onmogelijk was.

Harbert was in de laatste helft der maand in zoover hersteld, dat hij op de bergvlakte mocht wandelen. Eenige zeebaden, die hij met Pencroff en Nab had genomen, hadden niet weinig tot zijn herstel bijgebracht. Cyrus Smith bepaalde den dag van hun vertrek op 15 Februari.

Er werden reeds de noodige maatregelen voor deze reis genomen, want de kolonisten waren vast besloten het Rotshuis niet meer te betreden, voordat hun doel bereikt was: zij wilden vooreerst de boeven verjagen en Ayrton vinden, indien hij nog leefde; in de tweede plaats hem ontdekken, die zoo blijkbaar een beslissenden invloed op het lot der kolonisten uitoefende.

Bij het aanbreken van den dag van 15 Februari begaven zich allen, behalve Pencroff, die zou sluiten, buiten het Rotshuis.

Er was overeengekomen, dat niemand in de woning zou achterblijven. Jup en Top maakten alzoo deel uit van de expeditie. De ladders van het Rotshuis, die vroeger gebruikt waren, werden naar de Schoorsteenen gebracht en diep onder het zand begraven, zoodat men ze bij de terugkomst kon gebruiken, want de hijschmachine was geheel afgenomen en elke inval in het Rotshuis dus schier onmogelijk.

Daarna liet Pencroff zich door middel van een touw op den grond zakken.

Het was prachtig weer.

“Het zal een warm dagje worden!” zeide de reporter vroolijk.

“Kom, kom! dokter Spilett!” antwoordde Pencroff, “wij loopen in de schaduw en zullen zelfs de zon niet te zien krijgen!”

“Voorwaarts!” zeide de ingenieur.

Op de kust, bij de Schoorsteenen, wachtte het wagentje met de onagga’s bespannen, waarin zich levensmiddelen, verschillende werktuigen, wapenen en munitie bevonden. Nab had voor een draagbare keuken gezorgd en de reporter voor alles wat noodig was om in korten tijd een kamp op te slaan.

Gideon Spilett had er op aangedrongen, dat Harbert, ten minste gedurende de eerste uren van den tocht zou rijden, en de jongeling [155]moest zich wel aan het voorschrift van zijn geneesheer onderwerpen.

Nab ging naast de onagga’s. Cyrus Smith, de reporter en de zeeman stapten vooruit. Top sprong van den een naar den ander. Harbert had Jup een plaats naast hem aangeboden, die deze zonder aarzelen aannam. De ingenieur herhaalde zijn bevel en de stoet zette zich in beweging.

Nadat men den linkeroever van de Mercy een mijl gevolgd had, begaven zij zich in het dichte bosch van het Verre Westen.

In het bosch zagen zij weder die viervoetige en gevleugelde dieren, die zij ook op hun eersten tocht ontmoet hadden en Cyrus Smith merkte op:

“Ik geloof, dat zoowel de viervoetige als gevleugelde dieren vreesachtiger zijn dan vroeger. Die bosschen zijn kort geleden door de boeven doorkruist en wij zullen er zeker hun spoor vinden.”

Men zag inderdaad op verscheiden plaatsen sporen van een aantal menschen: hier was een tak van een boom afgebroken, misschien met het doel om den weg te herkennen; daar lag asch van een uitgedoofd vuur, en de indruk van voeten in een vochtig gedeelte van den grond. Maar niets duidde aan, dat ergens een langdurig kamp was opgeslagen.

De ingenieur had zijn metgezellen verboden om te jagen. De geweerschoten zouden de aandacht der boeven getrokken hebben, die misschien in het bosch ronddoolden. Bovendien als men op wild jacht maakte, zou men allicht afdwalen en het was streng verboden zich van den gemeenschappelijken stoet te verwijderen.

Toen men ongeveer zes mijlen van het Rotshuis verwijderd was, werd het bosch dichter en het voortgaan moeilijker. Men moest boomen vellen om zich een weg te banen. Cyrus Smith zond echter vooraf Top en Jup in dat dikke kreupelhout, en kwamen zij terug zonder dat zij iets te kennen gaven, dan had men ook niets te vreezen, noch van de boeven, noch van wilde dieren.

Dien avond kampeerden de kolonisten op ongeveer negen mijlen van het Rotshuis, aan den oever van een kleinen zijtak van de Mercy.

Men gebruikte een flink maal, want de kolonisten waren uitgehongerd en daarop werden de noodige maatregelen genomen, opdat de nacht rustig zou voorbijgaan. Wanneer de ingenieur slechts te doen had gehad met wilde dieren, jaguars of anderen, dan zou hij rondom zijn kamp vuren hebben aangelegd, hetgeen voldoende verdediging geweest ware; maar de boeven zouden er eerder door aangetrokken dan teruggehouden worden, en daarom was het beter dat men in de diepste duisternis bleef.

Twee kolonisten zouden samen waken en om de twee uur hun makkers wekken. Daar Harbert, ondanks zijn verzet, uitgesloten werd, hadden Pencroff en Gideon Spilett en de ingenieur met Nab beurtelings de wacht. [156]

De nacht ging voorbij zonder dat er iets voorviel en de tocht door het bosch werd voortgezet.

Dien dag kon men slechts zes mijlen afleggen daar men zich letterlijk met de bijl een weg moest banen.

Hier en daar vond men nog sporen van de boeven. Bij een vuur dat kort geleden scheen uitgebluscht, zagen de kolonisten voetstappen die zij aandachtig opnamen. Door van alle de lengte en breedte te meten vond men gemakkelijk de indrukken van vijf menschen terug. De vijf boeven hadden daar waarschijnlijk gekampeerd, maar—en dit werd nauwkeurig onderzocht—men kon den zesden voetstap niet vinden, die in dat geval van Ayrton moest geweest zijn.

“Ayrton was niet bij hen!” zeide Harbert.

“Neen,” antwoordde Pencroff, “en dat hij niet bij hen was, is omdat die schurken hem reeds gedood hebben! Maar hebben die ellendelingen dan geen hol, dat men ze als tijgers kan vervolgen!”

“Neen,” zeide de reporter. “Het is zeer waarschijnlijk, dat zij rondzwerven en het is hun belang om zoo lang rond te dwalen tot op het oogenblik dat zij meester van het eiland zijn.”

“Meester van het eiland!” riep de zeeman uit. “Meester van het eiland!....” herhaalde hij, en zijn stem was gesmoord alsof zijn keel met een ijzeren vuist werd toegeknepen. Toen zeide hij kalmer:

“Weet gij, mijnheer Cyrus, welken kogel ik in mijn geweer heb?”

“Neen, Pencroff.”

“De kogel, die de borst van Harbert doorboord heeft, en ik verzeker u, dat deze zijn doel niet zal missen!”

Maar deze rechtvaardige wraak kon het leven niet aan Ayrton teruggeven en door het onderzoek der voetstappen moest men wel tot de overtuiging komen, dat er geen hoop meer bestond hem ooit terug te zien.

Dien avond werd het kamp op veertien mijlen van het Rotshuis opgeslagen en Cyrus Smith meende dat men niet meer dan vijf mijlen van kaap Hagedis kon verwijderd zijn.

Den volgenden dag bereikte men dan ook het schiereiland; het bosch was in zijn geheele lengte doorsneden, maar men had geen spoor gevonden van de schuilplaats der boeven, noch van de plek waar de geheimzinnige onbekende verblijf hield.

[Inhoud]

XXI.

Onderzoek van het slangen-schiereiland.—Kamp aan den mond der waterval-rivier.—Zes honderd schreden van de kraal.—Verkenning door Gideon Spilett en Pencroff.—Hun terugkomst.—Allen vooruit.—Een open deur.—Een verlicht venster.—Bij het maanlicht.

Den 18den Februari bracht men weder door met vergeefs te zoeken naar een spoor van de indringers. [157]

Pencroff liet zich door middel van een touw zakken. Blz. 154.

Pencroff liet zich door middel van een touw zakken. Blz. 154.

“Het verwondert mij niet,” zeide Cyrus Smith tot zijn lotgenooten. “Zij hebben bij hun ontschepen aan Wrakpunt ongeveer denzelfden weg gevolgd, dien wij nu gehouden hebben. Dit verklaart ook de [158]voetstappen, welke wij in het bosch hebben bespeurd. Maar op de kust gekomen begrepen zij weldra, dat er geen goede schuilplaats te vinden was, toen zijn zij noordelijk gegaan en hebben de kraal ontdekt....”

“Waar zij nu misschien zijn teruggekeerd....” zeide Pencroff.

“Ik geloof het niet,” antwoordde de ingenieur, “want zij kunnen toch licht begrijpen, dat wij ons onderzoek ook derwaarts zullen uitstrekken. De kraal is voor hen slechts een magazijn en geen vaste verblijfplaats.”

“Ik ben het met Cyrus eens,” zeide de reporter, “en de boeven zullen te midden van de rotsen bij den Franklinberg een schuilplaats gezocht hebben.”

“Dan regelrecht naar de kraal, mijnheer Cyrus!” riep Pencroff. “Wij moeten er een eind aan maken en wij hebben tot nog toe slechts tijd laten verloren gaan!”

“Neen, vriend,” antwoordde de ingenieur. “Gij vergeet dat wij er belang bij hadden te weten of er niet ergens een woning in het bosch van het Verre Westen verborgen was. Onze verkenning leidde tot een dubbel doel, Pencroff. Moesten wij van den eenen kant de misdaad straffen, van de andere zijde moesten wij onze dankbaarheid betoonen!”

“Dat is goed gesproken, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Ik geloof echter, dat wij dien heer niet zullen vinden tenzij hij dit zelf verlangen mocht!”

Pencroff uitte slechts de gedachte, die allen daaromtrent hadden. Waarschijnlijk zou de woning van den onbekende even geheimzinnig zijn als hij zelf was.

Den 19den Februari volgden de kolonisten de rivier langs den linkeroever en bevonden zij zich op zes mijlen van den berg Franklin.

Het plan van den ingenieur was om de vallei waardoor de rivier liep nauwkeurig te onderzoeken en voorzichtig den omtrek van de kraal te bereiken; was de kraal bewoond, dan zou men haar overrompelen, bevond er zich niemand in, dan zou men er het hoofdkwartier van maken, vanwaar alle verkenningen zouden uitgaan.

Tegen vijf uur in den avond hield de stoet op ongeveer zes honderd pas van de kraal stil.

Men moest dus de kraal verkennen, om te weten of zij bewoond was. Ging men er op klaarlichten dag heen, dan zou men zich blootstellen aan een schot, zooals Harbert ontvangen had. Men zou dus wachten tot de nacht inviel.

Gideon Spilett wilde onmiddellijk op verkenning uitgaan en Pencroff zou hem gaarne vergezeld hebben.

“Neen, vrienden,” zeide de ingenieur. “Wacht tot van nacht. Ik wil niet, dat een van u zich op klaarlichten dag blootstelt.”

“Maar, mijnheer Cyrus....” begon de zeeman, die weinig genegen was om te gehoorzamen. [159]

“Ik verzoek het u, Pencroff,” zeide de ingenieur.

“In vredes naam dan!” antwoordde de zeeman, die aan zijn toorn lucht gaf door zijn ganschen voorraad zeemansvloeken over de boeven uit te storten.

Tegen acht uur in den avond was het donker genoeg om de verkenning te beginnen. Gideon Spilett verklaarde zich bereid om met Pencroff te vertrekken. Cyrus Smith keurde het goed. Top en Jup zouden bij den ingenieur, Harbert en Nab blijven, want zij zouden hun meesters wellicht hebben verraden, door ter ongelegener tijd, te blaffen of te schreeuwen.

“Waag u niet onvoorzichtig,” beval Cyrus Smith den zeeman en den reporter aan. “Gij behoeft de kraal niet te vermeesteren, gij moet slechts ontdekken of zij bewoond is, ja dan neen.”

“Wij beloven het,” zeide Pencroff.

Beiden vertrokken.

Langzaam schreden de reporter en Pencroff voort; zij hielden stil bij elk geluid dat hun verdacht voorkwam en bleven op eenigen afstand van elkander, waardoor zij beter tegen kogels waren beveiligd. Elk oogenblik verwachtten zij een schot te zullen hooren.

Vijf minuten later hadden zij den zoom van het bosch bereikt.

Zij stonden stil. Op dertig passen bevond zich de deur van de kraal, die gesloten scheen. Tusschen die deur en den zoom van het bosch lag de gevaarlijke streek, want een kogel, van achter de omheining der kraal geschoten, moest ieder treffen, die zich in deze open vlakte van het bosch waagde.

De nacht was nog niet geheel ingevallen en in de schemering kon men alles nog vrij duidelijk onderscheiden.

Gideon Spilett en Pencroff waren de mannen niet om licht terug te deinzen, maar zij wisten dat een onvoorzichtigheid van hun kant, waarvan zij de eerste slachtoffers zouden zijn, ook hun metgezellen zou treffen. Wat zou er van Cyrus Smith, Nab en Harbert worden, als zij dood waren?

Toch wilde Pencroff, die weder driftig werd, toen hij zoo dicht bij de kraal kwam, waar hij dacht dat de roovers waren, voorwaarts snellen; de reporter hield hem echter met krachtige hand terug.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn,” fluisterde hij hem in het oor.

Pencroff bedwong zich met weerzin, maar luisterde toch naar den raad van Gideon Spilett.

Eindelijk was het oogenblik gekomen.

De reporter had de kraal niet uit het oog verloren; zij scheen geheel verlaten. Indien de boeven er waren, zouden zij toch een van hen op wacht gezet hebben, om te voorkomen dat zij overvallen werden.

Gideon Spilett drukte de hand van zijn metgezel en beiden slopen naar de kraal, terwijl zij hun geweren gereed hielden. [160]

Zij kwamen bij de deur zonder dat de duisternis door een lichtstraal verhelderd werd.

Pencroff trachtte haar te openen, daar hij evenals de reporter vermoed had, dat zij gesloten was. De zeeman zag echter dat van buiten de grendels er niet voor waren geschoven.

Daaruit kon men dus opmaken dat de boeven de kraal bewoonden, en dat zij de deur zoo gesloten hadden, dat men haar niet kon open breken.

Gideon Spilett en Pencroff luisterden.

Geen geluid kwam er van binnen. De schapen en geiten, die waarschijnlijk in hun stallen sliepen, stoorden de kalmte van den nacht niet.

Toen de reporter en de zeeman niets hoorden, vroegen zij zich zelven af of zij niet over de omheining zouden klimmen en op die wijze in de kraal dringen. Dit was tegen het bevel van Cyrus Smith.

De poging kon slagen, maar zij kon ook mislukken. Waren de boeven op niets bedacht, waren zij niet met de expeditie tegen hen bekend, in een woord, was er op dit oogenblik een kans om hen te overvallen, mocht men dan die kans verloren laten gaan, door onbedacht over de heining te klimmen?

De reporter achtte het beter te wachten, om de kraal binnen te dringen tot alle kolonisten vereenigd waren. Zeker was het dat men zonder gezien te worden bij de deur kon komen en dat de omheining niet bewaakt scheen. Voor het oogenblik moest men dus slechts trachten spoedig de andere kolonisten weder te bereiken en met hen te beraadslagen.

De ingenieur was weldra van alles op de hoogte gebracht.

“Welnu,” zeide hij na een oogenblik te hebben nagedacht, “ik geloof nu dat de boeven niet in de kraal zijn.”

“Wij zouden het zeker weten,” antwoordde Pencroff, “wanneer wij over de omheining waren geklommen.”

“Naar de kraal, vrienden!” zeide Cyrus Smith.

“Zullen wij den wagen achterlaten?” vroeg Nab.

“Neen,” antwoordde de ingenieur, “daarin zijn onze munitie en de levensmiddelen; zoo noodig zal zij ons tot verschansing dienen.

“Voorwaarts dan!” zeide Gideon Spilett.

Alles was nog even stil. De kolonisten waren gereed vuur te geven. Op bevel van Pencroff bleef Jup achter. Nab hield Top vast opdat hij niet vooruit zou snellen.

Weldra waren zij bij de kraal. Er was geen schot gevallen. De onagga’s hielden met Nab voor de omheining stil. De ingenieur, de reporter, Harbert en Pencroff gingen naar de deur, om te zien of zij van binnen gebarricadeerd was....

Zij stond half open!

“Maar wat hebt gij dan gezegd?” vroeg de ingenieur aan den zeeman en Gideon Spilett. [161]

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn.” Blz. 159.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn.” Blz. 159.

Beiden waren verstomd.

“Op mijn woord,” zeide Pencroff, “die deur was zoo even gesloten!”

Toen aarzelden de kolonisten. Waren de boeven dan in de kraal [162]toen Pencroff en Spilett hun verkenning deden? Men kon er niet aan twijfelen, omdat de deur, welke toen gesloten was, slechts door hen kon geopend zijn! Waren zij er nog, of was er een van hen uitgegaan?

Deze vragen rezen allen tegelijk bij de kolonisten op, maar hoe ze te beantwoorden.

Op dat oogenblik kwam Harbert terug, die zich een paar schreden in de omheining had gewaagd en vatte verschrikt de hand van Cyrus Smith.

“Wat is er?” vroeg de ingenieur.

“Een licht!”

“In het huis?”

“Ja!”

Alle vijf drongen zij naar voren, en inderdaad zagen zij door het venster een zwak licht.

Cyrus Smith nam spoedig een besluit.

“Het is een goede kans,” zeide hij tot zijn metgezellen, “de boeven zijn in dit huis gesloten en op niets bedacht! Zij zijn ons! Voorwaarts!”

De kolonisten slopen vervolgens binnen de omheining met hun geweren gereed om vuur te geven. De wagen was buiten gelaten onder hoede van Jup en Top, die er voorzichtigheidshalve aan vastgebonden waren.

De kraal was overigens donker en verlaten.

Binnen weinige oogenblikken waren allen bij het huis, voor de deur, die gesloten was.

Cyrus Smith gaf met zijn hand een teeken, dat niemand zich zou bewegen, en hij naderde het venster, dat van binnen zwak verlicht was.

Hij wierp een blik in de kamer.

Op tafel stond een lantaarn te branden. Bij die tafel was het bed dat voor Ayrton gediend had.

Op dat bed lag een man.

Plotseling deinsde Cyrus Smith ter zijde en riep met gesmoorde stem:

“Ayrton!”

Aanstonds werd de deur opengedrongen en allen wierpen zich in het vertrek.

Ayrton scheen te slapen. Zijn uiterlijk bewees dat hij lang en veel geleden had. Hij had diepe wonden aan handen en voeten.

Cyrus Smith boog zich over hem.

“Ayrton!” riep de ingenieur, terwijl hij den arm vatte van hem, dien hij zoo onverwacht terugvond.

Ayrton opende zijn oogen, en zag Cyrus Smith en de anderen aan:

“Zijt gij het!” riep hij uit. Gij?”

“Ayrton! Ayrton!” herhaalde Cyrus Smith.

“Waar ben ik?”

“In de kraal!”

“Alleen?” [163]

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton. Blz. 163.

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton. Blz. 163.

“Ja.”

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton uit. “Verdedig u! Verdedig u!”

En hij zonk uitgeput achterover. [164]

“Spilett,” zeide de ingenieur, “wij kunnen elk oogenblik aangevallen worden. Laat den wagen binnen de kraal komen. Versper de deur en komt allen hier.”

Pencroff, Nab en de reporter brachten de bevelen van den ingenieur zoo snel mogelijk ten uitvoer. Men mocht geen minuut verloren laten gaan. Misschien was de wagen reeds in handen der boeven.

In een oogwenk waren zij bij Jup en Top, die een dof gebrom liet hooren.

De ingenieur verliet Ayrton en ging buiten het huis, gereed om vuur te geven. Harbert volgde hem.

Op dat oogenblik verscheen de maan boven het bosch en verspreidde haar wit licht over de kraal.

Weldra kwam een zwarte massa nader bij. Het was de wagen met de onagga’s en Cyrus Smith hoorde de deur goed sluiten.

Maar Top rukte zich op hetzelfde oogenblik los, snelde naar de kraal en blafte woedend.

“Geeft acht, vrienden, houdt u gereed....” riep Cyrus Smith.

De kolonisten verbeidden het oogenblik om vuur te geven. Top blafte nog steeds, en Jup, welke naar den hond geloopen was, liet een scherp sissend geluid hooren.

De kolonisten volgden hen en kwamen bij den oever van de beek door zware boomen beschaduwd.

En wat zagen zij daar in het volle maanlicht?

Vijf lijken op den grond uitgestrekt!

Het waren die der boeven, die vier maanden geleden op het eiland Lincoln ontscheept waren!

[Inhoud]

XXII.

Ayrton’s verhaal.—Het plan zijner vroegere makkers.—Hun vestiging in de kraal.—De hooge rechter van het eiland.—De Bonadventure.—Onderzoek bij den Franklinberg.—Onderaardsch gebrom.—Een antwoord van Pencroff.—Op den bodem van den krater.—Terugkeer.

Wat was er gebeurd? Wie had de boeven verslagen? Was het Ayrton? Neen, want een oogenblik te voren vreesde hij door hen overvallen te worden!

Ayrton verkeerde echter in een toestand van verdooving, waaruit men hem niet kon wekken.

Vijf lijken op den grond uitgestrekt. Blz. 164.

Vijf lijken op den grond uitgestrekt. Blz. 164.

De kolonisten wachtten den ganschen nacht, zonder Ayrton te [165]verlaten, zonder naar de plaats terug te keeren waar de vijf lijken lagen. Ayrton zou waarschijnlijk niets weten van de wijze waarop zij waren omgekomen, omdat hij zelf niet wist dat hij in het huis [166]van de kraal was; maar hij zou ten minste datgene weten te vertellen wat aan deze vreeselijke gebeurtenis was vooraf gegaan.

Den volgenden dag ontwaakte hij uit zijn verdooving en de kolonisten toonden hem hoe gelukkig zij waren, nu zij hem bijna ongedeerd weder terugvonden, na honderd en vier dagen gescheiden te zijn geweest.

Ayrton vertelde hun in weinig woorden hetgeen voorgevallen was, of ten minste hetgeen hij wist.

Daags nadat hij in de kraal gekomen was, dus den 10den November, waren de boeven over de omheining geklommen en hadden hem gedurende den nacht overvallen. Zij bonden hem; en hij werd meegevoerd naar een donker hol, aan den voet van den Franklinberg waar de roovers hun schuilplaats hadden.

Men had zijn dood besloten, en men zou hem den volgenden morgen ombrengen, toen een der boeven hem herkende en aansprak met den naam, dien hij in Australië gevoerd had. Deze ellendelingen zouden Ayrton hebben vermoord! Zij spaarden Ben Joyce.

Zijn vroegere metgezellen wilden hem overhalen om weder een der hunnen te worden; zij rekenden op hem om zich van het Rotshuis meester te maken, om in die onbereikbare woning te dringen en meester van het eiland te worden, na de kolonisten er van te hebben omgebracht!

Ayrton weigerde. Hij zou liever sterven dan zijn metgezellen verraden.

Bijna vier maanden bleef hij geboeid en bewaakt in dat hol.

De boeven hadden de kraal kort na hun aankomst op het eiland ontdekt en leefden in den omtrek er van, maar woonden er niet.

Den 11den November gaven twee der hunnen vuur op Harbert, toen zij onverwachts door de twee kolonisten overvallen werden, maar een keerde slechts terug daar zijn makker onder den dolk van Cyrus Smith gevallen was.

Men oordeele over de onrust en wanhoop van Ayrton, toen hij dit hoorde vertellen. Hij meende dat Harbert dood was, dat er nog slechts vier kolonisten leefden die als het ware aan de genade der boeven waren overgeleverd!

Gedurende al den tijd dat de kolonisten wegens de ziekte van Harbert in de kraal bleven, verlieten de zeeroovers hun hol niet en zelfs na de bergvlakte verwoest te hebben, achtten zij het nog niet voorzichtig het te verlaten.

Ayrton werd intusschen mishandeld en verwachtte elken dag den dood, dien hij overtuigd was, niet te kunnen ontkomen.

De derde week van Februari verliep.

Ayrton hoorde niets van zijn vrienden en hij mocht niet meer hopen hen weder te zien! Toen verviel hij in den toestand van verdooving, waarin hij niets kon zien, noch hooren. Van dat [167]oogenblik af, dat is te zeggen sedert twee dagen, kon hij niet meer zeggen wat er voorgevallen was.

“Maar, mijnheer Cyrus,” voegde hij er bij, “hoe is het mogelijk dat ik in de kraal ben, daar ik in het hol gevangen zat?”

“Hoe komt het dat de boeven daar midden in de kraal dood liggen uitgestrekt?” was de wedervraag van Cyrus Smith.

“Dood!” riep Ayrton uit, terwijl hij, ondanks zijn zwakte, half overeind rees.

Zijn metgezellen steunden hem. Hij wilde opstaan, zij lieten hem begaan en allen richtten zich naar de beek.

Het was helder dag.

Op den oever lagen nog de vijf lijken, die plotseling door den dood getroffen moesten zijn.

Ayrton stond verpletterd. Cyrus Smith en zijn lotgenooten staarden hem aan zonder een woord te zeggen.

Op een teeken van den ingenieur onderzochten Nab en Pencroff deze lijken die reeds verstijfd waren door de kou.

Zij droegen geen spoor van verwonding.

Na een nauwkeurig onderzoek vond Pencroff echter aan het voorhoofd van den eenen, op de borst van den ander, op den schouder van den derde en op den rug van den vierde een klein rood vlekje, een soort van buil waarvan men den oorsprong onmogelijk kon bepalen.

“Daar zijn zij getroffen!” zeide Cyrus Smith.

“Maar met welk wapen?” vroeg de reporter.

“Een wapen, dat werkt als de bliksem en waarvan wij het geheim niet kennen?”

“En wie heeft hen op die wijze gedood?” vroeg Pencroff.

“De hooge rechter van het eiland,” antwoordde Cyrus Smith, “hij die Ayrton hier heeft gebracht; hij, wiens macht zich nogmaals heeft geopenbaard, hij, die alles voor ons doet wat wij zelf niet kunnen doen, en die zich vervolgens voor ons verbergt.”

“Laten wij hem dan zoeken,” zeide Pencroff.

“Ja, laten wij hem zoeken,” antwoordde Cyrus Smith, “maar dat verheven wezen, dat zulke wonderen verricht zullen wij niet vinden, dan wanneer het hem behaagt ons tot zich te roepen.”

Deze onzichtbare beschermer, die hunne eigen daden tot niets maakte, ergerde en trof den ingenieur tegelijkertijd. De betrekkelijke minderheid, waarin zij daardoor gebracht werden moest zijn hooghartig gemoed wel pijnlijk aandoen. Een edelmoedige, die te werk ging op eene wijze die elk blijk van dankbaarheid uitsloot, gaf een soort van minachting te kennen voor hen, die de weldaden ontvingen, en verminderde, volgens Cyrus Smith, in zeker opzicht de waarde van de weldaad.

“Laten wij zoeken,” zeide hij, “en God geve dat wij eenmaal aan onzen hoogen beschermer mogen toonen dat hij niet met ondankbaren [168]te doen heeft! Wat zou ik niet geven om hem toch te kunnen vergelden wat hij voor ons deed, en hem op onze beurt, ware het ook ten koste van ons leven, een dienst te kunnen bewijzen!”

Van dien dag af was dit onderzoek de eenige bezigheid der bewoners van het eiland Lincoln. Alles noopte hen het woord te ontdekken dat het raadsel zou oplossen en dat woord kon slechts de naam zijn van een man, die begaafd was met een waarlijk onverklaarbare en zelfs bovennatuurlijke macht.

De kolonisten keerden weder in het huis terug waar Ayrton door hun zorg zijn lichamelijke en geestelijke krachten herkreeg.

Nab en Pencroff brachten de lijken naar het bosch, waar zij ze diep onder den grond begroeven.

Ayrton werd vervolgens op de hoogte gesteld van hetgeen er gedurende zijn afwezigheid was voorgevallen.

“Maar nu,” zeide Cyrus Smith toen zijn verhaal geëindigd was. “De helft van onze taak is vervuld, maar indien de boeven niet meer zijn te vreezen, hebben wij het niet aan ons zelven te danken dat wij meester van het eiland zijn.”

“Welnu!” antwoordde Gideon Spilett, “laten wij den doolhof in den berg Franklin verkennen! Laten wij geen hoekje ondoorzocht laten! Als ooit een reporter tegenover een treffend geheim gestaan heeft, ben ik het wel.”

“En wij zullen niet naar het Rotshuis terugkeeren, voordat wij onzen weldoener gevonden hebben,” voegde Harbert er bij.

“Ja!” zeide de ingenieur, “wij zullen alles doen wat in onze macht is.... maar ik herhaal het, wij zullen hem niet vinden of hij zelf moet het toestaan!”

“Zullen wij in de kraal blijven?” vroeg Pencroff.

“Laten wij er blijven,” antwoordde Cyrus Smith, “er is provisie genoeg, en wij zijn in het middelpunt van onze verkenningen. Wanneer het noodig is kan de wagen snel genoeg naar het Rotshuis rijden.

“Goed,” zeide de zeeman. “Eén opmerking slechts.”

“Welke?”

“Het goede jaargetijde loopt ten einde, en wij moeten niet vergeten dat wij nog een tocht op zee te doen hebben.”

“Op zee?” vroeg Gideon Spilett.

“Ja, naar het eiland Tabor,” antwoordde Pencroff. “Wij moeten er een bericht brengen, dat de ligging van ons eiland aangeeft, opdat men wete waar Ayrton zich bevindt voor het geval dat het Schotsche jacht terug mocht komen om hem te halen.”

“Maar, Pencroff,” vroeg Ayrton, “hoe zult gij deze reis maken?”

“Met de Bonadventure!”

“De Bonadventure!” riep Ayrton uit.... “Die bestaat niet meer.”

“Bestaat mijn Bonadventure niet meer!” schreeuwde Pencroff terwijl hij opvloog. [169]

“Is de vulkaan dan niet geheel uitgedoofd?” Blz. 170.

Is de vulkaan dan niet geheel uitgedoofd?” Blz. 170.

“Neen,” antwoordde Ayrton. “De boeven hebben haar in de kleine haven ontdekt, nu ongeveer acht dagen geleden, zij hebben zee gekozen, en....” [170]

“En?” vroeg Pencroff ademloos.

“En daar zij Bob Harvey niet meer hadden om te sturen, zijn zij tegen de rotsen geslagen en het schip werd geheel verbrijzeld!”

“O! die ellendelingen! die roovers! die schurken!” barstte Pencroff uit.

“Pencroff,” zeide Harbert, terwijl hij de hand van den zeeman vatte, “wij zullen een andere Bonadventure maken, een grootere! Wij hebben al het ijzer en touwwerk van de brik tot onze beschikking!”

“Maar weet gij wel,” antwoordde Pencroff, “dat wij minstens vijf of zes maanden noodig hebben om een schip van dertig à veertig ton te bouwen?”

“Wij hebben den tijd voor ons,” antwoordde de reporter, “en wij zullen dit jaar van onze reis naar het eiland Tabor afzien.”

“Wat wilt gij, Pencroff, wij moeten er in berusten,” zeide de ingenieur, “en ik hoop dat dit uitstel voor ons geen kwade gevolgen zal hebben.”

“O! mijn Bonadventure! mijn arme Bonadventure!” riep Pencroff wanhopend onder het verlies van zijn vaartuig, waarop hij zoo trotsch was!

Het verlies van de Bonadventure was inderdaad een vreeselijke slag voor de kolonisten, en er werd besloten dien zoo snel mogelijk te herstellen. Vooreerst moest men echter de geheimzinnigste plaatsen van het eiland verkennen.

Nog denzelfden dag, 19 Februari, begon men er mee. De geheele week zocht men tevergeefs; nergens hoorde of zag men iets, tot eindelijk de ingenieur, vergezeld van Gideon Spilett, in een van die onderaardsche holen kwamen, die zich tot op honderd voet in den berg uitstrekten; daar hoorden zij een dof gerommel, dat door de echo der rotsen nog sterker klonk.

Cyrus Smith meende dat het de werking was van onderaardsch vuur.

“Is de vulkaan dan niet geheel uitgedoofd?” vroeg de reporter.

“Het is mogelijk dat, na ons onderzoek van den krater, er van binnen weder werking is ontstaan. Elke vulkaan, al meent men dat hij is uitgedoofd, kan weder gaan werken.”

“Maar, wanneer er een uitbarsting van den Franklin-berg op handen is,” vroeg Gideon Spilett, “is er dan geen gevaar voor het eiland Lincoln?”

“Ik geloof het niet,” antwoordde de ingenieur. “De krater, dat is te zeggen, de veiligheidsklep, bestaat, en de overvloedige damp en lava zal, zooals vroeger, ontsnappen door den gewonen uitweg.”

“Wanneer de lava zich maar niet een nieuwen weg baant naar het vruchtbare gedeelte van het eiland!”

“Waarom, mijn waarde Spilett,” vroeg Cyrus Smith, “waarom zou zij den weg niet volgen, die haar door de natuur gebaand is?” [171]

“O! de vulkanen zijn wispelturig!” antwoordde de reporter.

Toen Gideon Spilett en de ingenieur weder uit de grot kwamen, vertelden zij hun metgezellen hetgeen zij hadden waargenomen.

“Goed!” zeide Pencroff, “laat die vulkaan maar begaan! Maar als hij het waagt! Hij zal zijn meester vinden!....”

“In wien?” vroeg Nab.

“In onzen genius, Nab, in onzen genius, die hem zijn krater zal sluiten, als hij het waagt dien te openen!”

Het vertrouwen van Pencroff in den genius van het eiland was onbegrensd, en diens macht scheen waarlijk eindeloos door de vele onverklaarbare daden, welke hij volbracht had; maar hij wist aan de nasporingen der kolonisten te ontkomen, want ondanks al hun pogingen, al hun ijver, ja meer dan ijver, en de volharding die zij bij hun onderzoek aan den dag legden, werd de geheimzinnige schuilplaats niet ontdekt.

Tot den 25sten Februari doorzocht men het geheele noordelijke gedeelte van het eiland; duinen en rotsen werden beklommen, zij daalden in de donkerste holen en geheimzinnigste spelonken af.

Niemand! Niets.

Men moest er nu aan gaan denken om terug te keeren, daar het onderzoek niet altijd door kon duren. De kolonisten hadden waarlijk recht te gelooven dat het geheimzinnige wezen niet op het eiland verblijf hield, en vooral Pencroff en Nab begonnen aan bovennatuurlijke dingen te denken.

Den 25sten Februari betraden de kolonisten weder het Rotshuis. En door middel van een dubbele koord die door een pijl op het portaal voor de deur werd geworpen, herstelden zij de gemeenschap tusschen hun woning en den bodem.

Den 25sten Maart vierden zij den derden verjaardag van hun komst op het eiland.


[Inhoud]

XXIII.

Drie jaren zijn verloopen.—Een nieuw schip.—Het besluit.—Voorspoed der kolonie.—De scheepswerf.—De koude van het zuidelijk halfrond.—Pencroff onderwerpt zich.—De Franklin-berg.

Drie jaren waren er voorbijgegaan sedert de gevangenen van Richmond ontvlucht waren, en hoe menigmaal hadden zij gedurende die drie jaren over hun vaderland gesproken, dat hun altijd voor den geest zweefde!

Zij twijfelden niet of de burgerkrijg was geëindigd, en het scheen [172]hun onmogelijk, dat de rechtvaardige zaak van het Noorden niet zou hebben gezegepraald. Maar wat was er in dien vreeselijken oorlog gebeurd? Hoeveel bloed had hij gekost? Welke vrienden van hen waren in dien strijd omgekomen? Daarover spraken zij dikwijls, zonder nog de dag te zien aanlichten, dat het hun gegeven zou zijn in hun vaderland terug te keeren. Was dit dan een droom, die niet te verwezenlijken was?

Slechts op twee wijzen kon die vurige wensch bewaarheid worden: of er zou op den een of anderen dag een schip in de nabijheid van Lincoln komen, of de kolonisten zouden zelf een vaartuig bouwen, dat sterk genoeg was, om tot de meest nabij gelegen kust zee te houden.

“Wanneer onze genius ons ten minste geen middel geeft om naar ons vaderland terug te keeren!” zeide Pencroff.

En waarlijk, had men Pencroff en Nab gezegd, dat er een schip van drie honderd ton in de Ballonhaven op hen wachtte, het zou hun niet verwonderd hebben. Zij waren in een toestand, dat niets hen kon verrassen.

Maar Cyrus Smith was minder vertrouwend en raadde hen aan zich bij de werkelijkheid te houden; hij deed dit vooral met het oog op het schip, dat gebouwd moest worden. Dit was inderdaad een dringende behoefte, daar men zoo spoedig mogelijk een bericht naar het eiland Tabor moest brengen, waarin de nieuwe verblijfplaats van Ayrton werd vermeld.

De Bonadventure bestond niet meer; er zouden dus minstens zes maanden verloopen, voordat een nieuw schip gereed was. De winter nu was op handen en de reis zou dus niet voor de volgende lente ondernomen kunnen worden.

“Wij hebben dus al den tijd om voor het gunstige jaargetijde gereed te zijn,” zeide de ingenieur, die met Pencroff er over sprak. “Ik geloof, vriend, dat wij nu het beste doen, nu wij toch een ander schip moeten maken, er een grootere afmeting aan te geven. De komst van het Schotsche jacht naar het eiland Tabor is niet zeker. Het is zelfs mogelijk, dat het er verscheiden maanden geleden geweest en weder vertrokken is, na te vergeefs naar een spoor van Ayrton te hebben gezocht. Zou het daarom niet beter zijn een vaartuig te bouwen, dat ons, zoo noodig, naar den polynesischen archipel of naar Nieuw-Zeeland kan brengen? Hoe denkt gij daar over?”

“Ik denk, mijnheer Cyrus, ik denk, dat gij even goed een groot, als een klein schip kunt bouwen. Het ontbreekt ons aan hout noch aan gereedschappen. Het is slechts een quaestie van tijd.”

“Hoeveel tijd zou er noodig zijn voor een schip van twee honderd vijftig à drie honderd ton?” vroeg Cyrus Smith.

Zij daalden in de donkerste holen en spelonken af. Blz. 171.

Zij daalden in de donkerste holen en spelonken af. Blz. 171.

“Minstens zeven of acht maanden,” antwoordde Pencroff. “Maar gij moet niet vergeten, dat de winter nadert en dat het hout bij [173]strenge kou moeilijk te bewerken is. Laten wij dus rekenen op eenige weken staking, en wij mogen blijde zijn indien ons schip dan met November gereed is.” [174]

“Welnu,” antwoordde Cyrus Smith, “dat is juist een goede tijd om een reis van eenig belang, hetzij naar Tabor, hetzij naar een meer verwijderde kust, te ondernemen.”

“Dat is waar, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Maak dus uw plan, de werklieden zijn gereed, en ik geloof dat wij aan Ayrton een goede hulp zullen hebben.”

Cyrus Smith deelde zijn plan aan zijn metgezellen mede, die het allen met hem eens waren.

Cyrus Smith maakte het ontwerp, terwijl de anderen de noodige boomen uit het bosch van het Verre Westen velden en naar de Schoorsteenen brachten, waar men de werf zou inrichten.

Het spreekt van zelf dat er op de bergvlakte weldra geen spoor meer te vinden was van die vreeselijke verwoesting, door de boeven teweeggebracht. De molen was weder hersteld, evenals de stal en de andere gebouwen. De hokken voor het gevogelte moesten grooter dan de eerste maal gemaakt worden, daar het aantal zeer was toegenomen.

Er waren nu vijf onagga’s, waarvan vier bereden werden en in het tuig liepen; het vijfde was nog te jong.

Bij het bewerken van het land gebruikte men nu ook een ploeg die door de onagga’s getrokken werd.

Ayrton deelde voortaan geheel het gemeenschappelijk leven; hij bleef wel is waar altijd stil en treurig, sprak weinig en deelde meer den arbeid dan de genoegens zijner metgezellen. Hij was echter geacht en bemind door alle kolonisten en zij konden met recht zeggen dat het oogenblik, dat Ayrton op Lincoln kwam, voor hen het gelukkigste was geweest van hun leven sedert zij Richmond verlieten.

Den 15den Mei zag men de kiel van het nieuwe vaartuig op de werf liggen; deze kiel was honderd en tien voet lang, daardoor zou men het schip een breedte van vijf en twintig voet kunnen geven. De timmerlieden konden echter niet meer vorderen, want met den 10den Juni viel de strenge koude en het slechte weer in. De arbeid werd dus gestaakt.

De laatste dagen van die maand waren stormachtig, zoo zelfs dat de ingenieur verscheiden malen vreesde voor zijn werf,—waaraan hij toch geen andere plaats in de nabijheid van het Rotshuis had kunnen geven.

Zijn vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind keerde naar het zuidoosten, zoodat het Rotshuis niet van zijn aanvallen te lijden had.

Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden wel ondervonden dat in den winter de temperatuur op Lincoln zeer laag kon zijn. De koude was te vergelijken met die, welke zich in de Staten van Nieuw-Engeland doet gevoelen, dat ongeveer op denzelfden afstand van den evenaar ligt. Indien op het noordelijk halfrond, of althans op dat gedeelte, waarin Nieuw-Engeland en het noorden der Vereenigde [175]Staten is gelegen, dit verschijnsel verklaard wordt door de gesteldheid van den grond, die zich tot aan de noordpool uitstrekt en waarop geen enkele verhevenheid beschutting aanbiedt tegen de noordenwinden, voor het eiland Lincoln kon die verklaring niet gelden.

“Men heeft zelfs opgemerkt,” zeide Cyrus Smith eens tot zijn metgezellen, “dat eilanden en kustlanden op dien breedtegraad minder van de kou te lijden hebben, dan de binnenlanden. Ik heb dikwijls hooren verzekeren, dat de winters, in Lombardije bijvoorbeeld, strenger zijn dan die in Schotland, de oorzaak daarvan zou zijn, dat de zee in den winter de warmte teruggeeft, die zij des zomers in zich opgenomen heeft. Dit zal men dus het sterkst op de eilanden ondervinden.

“Maar, mijnheer Cyrus,” zeide Harbert, “waarom schijnt het eiland Lincoln aan deze algemeene wet te ontkomen?”

“Dat is moeilijk te verklaren,” antwoordde de ingenieur. “Ik voor mij zoek de oorzaak van deze uitzondering in de ligging van het eiland op het zuidelijk halfrond, dat, zooals gij weet, kouder is dan het noordelijk halfrond.”

“Ja,” zeide Harbert, “en de ijsschotsen ontmoetten elkander op lager breedten in het zuiden dan in het noorden van de Stille zee.”

“Dat is waar,” stemde Pencroff in, “en toen ik nog walvischvaarder was, heb ik zelfs bij kaap Hoorn menigmaal ijsbergen ontmoet.”

“Men zou de strenge koude van Lincoln ook kunnen toeschrijven aan ijsschotsen of sneeuwklompen, die misschien niet zoo ver verwijderd zijn als men wel meent,” merkte Gideon Spilett op.

De ingenieur was het met Gideon Spilett eens en beiden verdiepten zich nog langen tijd in dit zonderlinge verschijnsel, zoodat Pencroff eindelijk aanleiding vond om te zeggen:

“Mijnheer Cyrus, wat zou het een dik boek worden als ge alles eens wildet opschrijven wat ge wist!”

“En hoeveel dikker boek zou dat worden, waarin ik alles opschreef wat ik niet wist, Pencroff!” antwoordde Cyrus Smith.

De maand Juni was zeer koud en de kolonisten waren meestal verplicht binnen het Rotshuis te blijven.

Deze afzondering was geen van allen aangenaam, maar vooral Gideon Spilett niet, die ook tot Nab zeide:

“Ja Nab, ik zou je bij notarieele akte, al de erfenissen willen geven, die mij nog te wachten staan, als je mij maar een courant kondt bezorgen! Wat het meest aan mijn geluk ontbreekt, is ’s morgens niet te weten, wat er den vorigen avond elders is voorgevallen!”

Nab lachte.

“Ik stel in niets belang dan in mijn dagelijksch werk,” zeide hij.

De wintermaanden Juni, Juli en Augustus gingen op Lincoln niet onbenut voorbij. Er was altijd werk in overvloed. Jup was daarbij [176]niet de minst ijverige. Zijn grootste fout was dat hij erg kouwelijk was; daarom had men een warm pak voor hem gemaakt.

Pencroff meende dat, wanneer men vier handen tot zijn dienst had gekregen, men die ook waardig gebruiken en dubbel hard werken moest!

Gedurende de zeven maanden, die verloopen waren, sedert het onderzoek op het eiland en in den berg, had men niets meer van den genius van het eiland vernomen. Diens macht openbaarde zich geen enkele maal. Trouwens het was ook niet noodig, want de kolonisten werden door niets in hun vreedzaam leven gestoord.

Cyrus Smith merkte zelfs op, dat, zoo er door de rotsmassa heen gemeenschap had bestaan tusschen den onbekende en de bewoners van het Rotshuis en zoo Top die als het ware vermoed had, deze gemeenschap althans in dezen tijd niet bestond.

Nooit bromde de hond meer, evenmin legde de aap eenige onrust aan den dag. De twee vrienden—want dit waren zij—snuffelden niet meer om de opening van den put; zij blaften en knorden niet meer op die zonderlinge wijze, die reeds in het begin de aandacht van den ingenieur getrokken had. Maar kon deze verzekeren dat dit raadsel uit was en dat het nooit opgelost zou worden? Kon hij verklaren dat er niet weder iets zou voorvallen, dat deze geheimzinnige persoon nogmaals op het tooneel bracht? Wie weet wat er nog voor de toekomst overbleef?

De winter liep ten einde, maar in de eerste lentedagen viel er iets voor dat ernstige gevolgen kon hebben.

Toen Cyrus Smith den 7den September den top van den berg Franklin opnam, zag hij eenige rookwolken uit den krater opstijgen, die zich in de lucht verspreidden!

[Inhoud]

XIV.

De vulkaan ontwaakt.—Het zachtere jaargetijde.—Hervatting van het werk.—De avond van 15 October.—Een telegram.—Een verzoek.—Een antwoord.—Vertrek naar de kraal.—Het bericht.—Een nieuwe lijn.—De basaltkust.—Bij hooge zee.—Bij lage zee.—De grot.—Een schitterend licht.—Hij is gevonden.

De kolonisten, die door Cyrus Smith gewaarschuwd waren, staakten hun arbeid en aanschouwden zwijgend den top van den Franklinberg.

De vulkaan was dan weder in werking gekomen, en de dampen [177]waren door de laag erts op den bodem van den krater gedrongen. Maar zou het onderaardsche vuur tot een hevige uitbarsting komen? Dit kon men niet verhoeden.

De echo herhaalde het rollen van den donder. Blz. 184.

De echo herhaalde het rollen van den donder. Blz. 184.

[178]

Maar al gebeurde het, dan was het nog niet waarschijnlijk dat het eiland Lincoln in zijn geheel er onder zou lijden. De uitbarstingen van vulkanen zijn niet altijd noodlottig. Zooals de lavastroomen langs de noordelijke berghelling getuigden, was het eiland reeds aan zulk een beproeving onderhevig geweest.

Cyrus Smith sprak er met zijn metgezellen over en, zonder den toestand te overdrijven, deelde hij hun het voor en tegen er van mede.

Men kon er in ieder geval niets tegen doen. Wanneer de grond ten minste niet door een aardbeving vaneen gescheurd werd, scheen het Rotshuis nog geen gevaar te loopen. Maar de kraal werd ernstig bedreigd, wanneer zich aan de zuidelijke helling van den berg een nieuwe krater opende.

Van dien dag af bleef er steeds een rookwolk uit den top van den berg opstijgen, en men zag zelfs dat zij grooter en breeder werd, zonder dat er zich echter nog vlammen vertoonden.

Het werk was intusschen weder voortgezet. Men haastte zich zooveel mogelijk met het bouwen van het vaartuig.

Tegen het eind van de maand September was de romp van het schip gereed. Het ijzerwerk van de oude brik was grootendeels behouden. Pencroff en Ayrton hadden er een groot aantal ijzeren bouten en koperen spijkers uitgehaald. Dit bespaarde werk aan de smeden, maar de timmerlieden moesten niettemin hard voortwerken.

De arbeid aan de werf moest nogmaals gestaakt worden wegens het oogsten, hooien en inhalen van hetgeen het bouwland op de bergvlakte opleverde.

’s Avonds waren de ijverige werklieden dikwijls zeer moe. Om geen tijd noodeloos verloren te laten gaan had men het uur van den maaltijd op den middag gesteld en zij gebruikten slechts hun avondmaal wanneer de schemering ingevallen was. Dan keerden zij naar het Rotshuis terug om zich zoo spoedig mogelijk ter rust te begeven.

Soms, wanneer er een belangrijk onderwerp behandeld werd, bleef men menigmaal langer op dan gewoonlijk. De kolonisten spraken over de toekomst en over de verandering, die er in hun toestand zou komen, wanneer zij een reis naar de meest nabij gelegen kust met hun vaartuig ondernamen.

Maar met al die plannen bleven zij toch bij de gedachte om later weer naar Lincoln terug te keeren. Nooit zouden zij die kolonie verlaten, die met zooveel moeite gesticht was en die zoozeer in bloei zou toenemen wanneer zij in gemeenschap was met Amerika.

Pencroff en Nab hoopten er hun leven te eindigen.

“Harbert,” zeide de zeeman, “zult gij nooit het eiland Lincoln verlaten?”

“Nooit, Pencroff, en vooral niet als gij er blijft!”

“Dan is het in orde, mijn jongen,” antwoordde Pencroff, “ik zal [179]u wachten! Gij brengt mij uw vrouw en kinderen, en van de kleine jongens zal ik wakkere kerels maken!”

“Aangenomen!” antwoordde Harbert lachend.

“En gij, mijnheer Cyrus,” ging Pencroff opgewonden voort, “gij moet altijd de gouverneur van het eiland blijven! Hoeveel inwoners zou het kunnen bevatten? Tien duizend minstens!”

Zoo keuvelde men voort, en de reporter ging zelfs zoover dat hij een courant oprichtte, de New-Lincoln-Herald getiteld.

Zoo is de mensch nu eenmaal. De behoefte om iets te doen dat blijft bestaan, dat hem overleeft is het krachtigst bewijs van zijn meerderheid boven alles wat op aarde bestaat. Daardoor is zijn heerschappij gevestigd, en wordt zij door de geheele wereld gerechtvaardigd.

En wie kon zeggen of Jup en Top zich ook niet een toekomst droomden?

Ayrton hoopte in stilte, dat hij lord Glenarvan terug mocht zien en zich aan allen mocht vertoonen, zooals hij nu was: zedelijk geheel verbeterd.

Den avond van 15 October was men langer blijven praten dan gewoonlijk. Het was negen uur. Hier en daar merkte men aan een moeilijk bedwongen geeuwen dat het uur om naar bed te gaan gekomen was en Pencroff stond juist op toen het klokje der telegraaf plotseling het signaal gaf en luide in de zaal weerklonk.

Allen waren aanwezig. Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Ayrton, Pencroff en Nab. Geen der kolonisten waren dus in de kraal.

Cyrus Smith was opgestaan. Zijn metgezellen zagen elkander aan, meenende dat zij niet goed gehoord hadden.

“Wat beteekent dat!” riep Nab uit. “Is dat de duivel die seint!”

Niemand antwoordde.

“Er is onweer aan de lucht,” merkte Harbert op. “Kan de invloed van de electriciteit?....”

Harbert voleinde zijn zin niet. De ingenieur, op wien aller blikken gericht waren, schudde ontkennend het hoofd.

“Laten wij wachten,” zeide Gideon Spilett. “Wanneer het een sein is, zal het herhaald worden, wie het dan ook moge gegeven hebben.”

“Maar wie zou het geven?” riep Nab uit.

“Wel!” antwoordde Pencroff, “hij die....”

De zeeman had nog niet uitgesproken toen wederom de telegraaf het klokje in beweging bracht.

Cyrus Smith ging naar den toestel en vroeg langs de lijn:

“Wat verlangt gij?”

Eenige oogenblikken later bewoog de wijzer zich over de wijzerplaat en gaf hij het volgende antwoord aan de bewoners van het Rotshuis:

“Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal.”

“Eindelijk,” zeide Cyrus Smith. [180]

Ja! Eindelijk! Het geheim zou ontsluierd worden!

Alle behoefte aan rust had voor de kolonisten opgehouden bij de gewichtige zaak, die hen naar de kraal dreef. Zonder een woord te wisselen, waren zij binnen weinige oogenblikken buiten het Rotshuis op de kust. Jup en Top waren alleen achter gebleven. Men kon hen missen.

De nacht was donker. Het was dien dag nieuwe maan en zij was gelijk met de zon verdwenen. Zooals Harbert reeds opgemerkt had, hingen er zware donderwolken, waardoor de sterren onzichtbaar waren. Reeds werd de horizon verlicht door den bliksem van een verwijderd onweder.

Waarschijnlijk zou, eenige uren later, de donder over het eiland rollen. Het was een onheilspellende nacht.

Maar hoe diep de duisternis ook ware, zij kon de kolonisten niet weerhouden, die met den weg naar de kraal genoeg bekend waren om hem in donker te volgen. Zij volgden den linkeroever van de Mercy, bereikten de bergvlakte en gingen, dwars door het bosch, naar de kraal.

Zij stapten flink door, ten prooi aan de levendigste aandoening. Niemand twijfelde of zij zouden eindelijk de oplossing van het raadsel vernemen, den naam van dat geheimzinnige wezen, dat van zoo beslissend belang in hun leven was geweest, zoo edelmoedig in zijne bemoeiingen, zoo machtig in zijn daden! Daar de onbekende zich in hun lotgevallen gemengd had, konden hem ook de kleinste bijzonderheden er van niet verborgen zijn en moest hij alles hebben kunnen hooren wat in het Rotshuis gesproken werd om altijd te juister tijd te hebben kunnen handelen.

Allen waren in gedachten verzonken. Onder die zware boomen was de duisternis zóo dicht, dat men zelfs het einde van den weg niet kon zien. Het bosch was doodstil. Vogels en andere dieren zaten onbeweeglijk en gedrukt door de zwaarte der atmosfeer. Geen blad bewoog zich. Alleen hoorde men de stappen van de kolonisten op den harden grond weerklinken.

Het stilzwijgen werd slechts afgebroken door de opmerking van Pencroff.

“Wij hadden een lantaarn mee moeten nemen.”

Het antwoord van den ingenieur luidde:

“Wij zullen er in de kraal een vinden.”

Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden ten negen uur twaalf minuten het Rotshuis verlaten. Ten negen uur zeven en veertig minuten hadden zij drie mijlen afgelegd van de vijf die de monding der Mercy van de kraal scheidde.

Op dat oogenblik schoten helle bliksemschichten over het eiland en verlichtten de scherpe, donkere omtrekken van het gebladerte. Die felle stralen verblindden de voetgangers; het onweder kon niet ver af zijn. De bliksem werd al feller en feller: in de verte rolde [181]de donder door het zwerk. Loodzwaar drukte de dampkring.

....zag men een lang voorwerp op het water drijven. Blz. 187.

....zag men een lang voorwerp op het water drijven. Blz. 187.

De kolonisten gingen voort als door een onweerstaanbare kracht gedreven. [182]

Eindelijk zagen zij bij het felle licht van een bliksemstraal de omheining van de kraal, en nauwelijks waren zij er binnen of de bui barstte hevig los.

Snel begaven allen zich naar de woning.

Mogelijk was het huis door den onbekende bewoond, daar het telegram van daar was uitgegaan. Het venster was echter niet verlicht.

De ingenieur klopte aan.

Geen antwoord.

Hij opende de deur en de kolonisten traden de donkere kamer binnen.

Nab maakte vuur, en een oogenblik later doorzocht men met de lantaarn alle hoeken van het vertrek....

Er was niemand. Alles was zooals men het verlaten had.

“Zijn wij dan door zinsverbijstering misleid?” mompelde Cyrus Smith.

Neen! dat was niet mogelijk! Het telegram luidde:

“Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal.”

Men ging naar het tafeltje dat uitsluitend voor den telegraafdienst bestemd was. Alles was op zijn plaats.

“Wie is hier het laatst geweest?” vroeg de ingenieur.

“Ik, mijnheer Smith,” antwoordde Ayrton.

“Dat was?....”

“Vier dagen geleden.”

“Een briefje!” riep Harbert uit, terwijl hij naar een papier op tafel wees.

Op dat papier stonden in het Engelsch de woorden:

“Volgt de nieuwe lijn.”

“Voorwaarts!” beval Cyrus Smith, die aanstonds begreep, dat het telegram niet van de kraal was afgezonden, maar van de geheimzinnige schuilplaats die door een zijlijn in onmiddellijk verband stond met het Rotshuis.

Nab nam de lantaarn en allen verlieten de kraal.

Het onweder woedde vreeselijk. De seconden die verliepen tusschen den bliksem en het invallen van den donder werden elk oogenblik minder. Weldra zou de bui den berg Franklin en het geheele eiland omhullen. Bij het licht zag men den top van den vulkaan door een rookwolk omringd.

Van het huis naar de omheining vond men geen zijlijn; maar Cyrus Smith volgde de lijn en bij den eersten paal zag hij den nieuwen draad van den isolator naar den grond loopen.

“Daar is hij!” zeide hij.

De lijn liep over den grond, maar was geheel door een isoleerende zelfstandigheid omkleed, als een onderzeesche kabel, zoodat de stroom niet verbroken werd. De zijlijn liep naar het westen.

“Laten wij haar volgen!” zeide Cyrus Smith.

Dan eens geleid door het licht van den lantaarn dan weder door de bliksemstralen hielden de kolonisten den weg, welken de lijn aangaf. [183]

De donder rolde nu zonder ophouden en was zoo hevig dat men geen woord verstaan kon. Men behoefde ook niet te spreken; men moest slechts voorwaarts, de lijn volgende.

De ingenieur had gemeend, dat de draad in de vallei zou eindigen en dat daar de schuilplaats van den onbekende zou wezen.

Hij had zich vergist. Men ging steeds voort in zuidwestelijke richting, over de basalt-rotsen heen. Van tijd tot tijd tastte een van de kolonisten naar den draad om zoo noodig de richting aan te geven. Maar het leed geen twijfel meer of deze liep recht naar zee. Daar, verborgen in de een of andere rots, zou de woning zijn, die men tot nog toe te vergeefs gezocht had.

De hemel was geheel en al vuur. De eene bliksemstraal volgde onmiddellijk op den andere. Menigmaal werd de top van den vulkaan getroffen en schoot de bliksem dwars door de dikke rookwolk in den krater. Soms had men kunnen meenen dat er vlammen uit den berg opstegen.

Na een uur kwamen de kolonisten op de westkust van den Oceaan. De wind was opgestoken; de stroom bruischte op een diepte van vijf honderd voet.

Cyrus Smith berekende, dat hij en zijn metgezellen een afstand van anderhalve mijl hadden afgelegd sedert zij de kraal verlaten hadden.

Op dat oogenblik verdween de lijn tusschen de rotsen en volgde de steile helling van een enge en kronkelende kloof.

Ook daar volgden de kolonisten den hun aangegeven weg op gevaar af, dat de rotsen afbrokkelden en zij in zee zouden storten. Het was een gevaarlijk pad, maar zij telden geen gevaar, zij waren zich zelven niet meer meester, en werden even onwederstaanbaar naar dat geheimzinnige punt getrokken als het ijzer naar den magneet.

Zij daalden de helling af, die zelfs bij dag bijna onbegaanbaar was. De steenen rolden en schitterden als gloeiende kolen wanneer zij verlicht werden. Cyrus Smith liep aan de spits, Ayrton sloot den stoet. Zij gingen nu langzaam voort, dan eens gleden zij over gladde rotsen, dan weder stonden zij op en volgden voorzichtig den weg.

Plotseling maakte de lijn een bocht, raakte tegen de rotsen van de kust, die bijna geheel uit klippen bestond waarop de golven beukten. De kolonisten hadden het laagste gedeelte van den basaltmuur bereikt.

Honderd schreden gingen zij nog voorwaarts; toen stonden zij voor de zee.

De ingenieur greep den draad en bemerkte dat deze in de golven verdween.

Zijn metgezellen stonden sprakeloos naast hem.

Een kreet van teleurstelling, schier van wanhoop ontsnapte aan [184]hun lippen! Moest men zich dan in de golven werpen en een onderzeesch hol zoeken? In den overspannen toestand, waarin zij zich zoo naar geest als naar lichaam bevonden, zouden zij niet geaarzeld hebben dit te doen.

De ingenieur hield hen terug.

Cyrus Smith bracht zijn metgezellen onder een vooruitstekende rots, en zeide:

“Laten wij wachten. Het is vloed. Bij eb zal de weg open zijn.”

“Maar waarom gelooft gij?....” begon Pencroff.

“Hij zou ons niet hebben geroepen, wanneer de middelen ontbraken om bij hem te komen!”

Cyrus Smith had met zulk een overtuiging gesproken, dat niemand meer een aanmerking maakte. Zijn opmerking was ook zeer juist. Men moest wel aannemen dat er een opening aan den voet van den berg was, die nu door de golven verborgen werd, maar die bij eb toegankelijk zou zijn.

Eenige uren moesten verloopen. De kolonisten bleven zwijgend onder een uitstekende rots. Het begon te regenen en weldra ontlastten zich de wolken in een zwaren stortvloed. De echo herhaalde het rollen van den donder en somber en lang dreunden de slagen.

De kolonisten verkeerden in groote spanning. Duizenden zonderlinge bovennatuurlijke gedachten rezen in hun geest op en zij verwachtten een groote bovenmenschelijke verschijning, want deze alleen had kunnen beantwoorden aan de voorstelling, welke zij zich van den geheimzinnigen genius van het eiland gevormd hadden.

Tegen middernacht daalde Cyrus Smith tot de kust af om de rotsen te verkennen. Reeds voor twee uur was de eb begonnen.

De ingenieur had gelijk gehad. Het gewelf van een groot hol teekende zich reeds boven de oppervlakte. Daar boog de lijn zich in een rechten hoek en verdween in een gapenden muil.

Cyrus Smith keerde naar zijn lotgenooten terug en zeide kalm:

“Binnen een uur kunnen wij door de opening.”

“Zij bestaat dus?” vroeg Pencroff.

“Hebt gij er aan getwijfeld?” antwoordde Cyrus Smith.

“Maar dat hol zal tot op zekere hoogte met water gevuld zijn,” merkte Harbert op.

“Of dat hol loopt geheel droog,” sprak de ingenieur, “en in dat geval kunnen wij er te voet ingaan; loopt het niet droog, dan zal er het een of andere middel van vervoer tot onze beschikking zijn.”

Weder verliep er een uur. Onder een stortregen begaven zij zich naar zee. In drie uur was de vloed vijftien voet gedaald. Reeds stak het bovenste gedeelte van het gewelf minstens acht voet boven het water uit.

Toen de ingenieur zich voorover boog, zag hij een zwart voorwerp op de oppervlakte der zee drijven. Hij trok het naar zich toe. [185]

“Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen.” Blz. 188.

“Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen.” Blz. 188.

Het was een boot, waaraan een touw was vastgemaakt. Deze boot was van plaatijzer. Onder de banken lagen twee riemen.

“Laten wij ons inschepen,” zeide hij. [186]

Een oogenblik later bevonden de kolonisten zich in het vaartuig. Nab en Ayrton hadden de riemen gegrepen. Pencroff vatte het roer. Cyrus Smith stond vooraan en verlichtte den weg door de lantaarn boven den voorsteven te houden.

Het gewelf, waaronder de boot verdween, verhief zich plotseling, maar de duisternis was te dicht en het licht der lantaarn te onvoldoende dan dat men de breedte, hoogte en diepte van de grot kon berekenen. De stilte werd door niets verbroken. Geen gedruisch drong tot hen door; geen bliksemstraal verlichtte dit hol.

Op sommige plaatsen van den aardbol bestaan van die onmetelijke holen, een soort van onderaardsche gaanderijen, die van de schepping dagteekenen. Sommigen zijn in de macht van de golven, anderen bevatten geheele meren binnen hare wanden. Voorbeelden daarvan zijn: de Fingal-grot op het eiland Staffa, de Morgat-grotten in de baai van Douarnenez in Bretagne; de Bonifacio-grotten op Corsica, de grotten van Lyse-Fjord in Noorwegen en eindelijk het onmetelijke Mammouth-hol in Kentucky, dat een hoogte van vijfhonderd voet heeft en langer is dan twintig mijlen.

Strekte het hol, waarin de kolonisten voortgleden zich dan tot midden onder het eiland uit? Reeds een kwartier lang volgde de boot den koers dien Cyrus Smith Pencroff aangaf, toen hij plotseling beval:

“Meer rechts houden!”

Het vaartuig veranderde van richting en naderde den rechterwand. De ingenieur wilde zich overtuigen of de lijn nog steeds langs dien wand liep.

Het was zoo.

“Vooruit!” zei Cyrus Smith.

De riemen plasten weder in de donkere golven en stuwden de boot voort.

Nog verliep er een kwartier en men moest den afstand van een halve mijl hebben afgelegd, toen Cyrus Smith opnieuw zijn stem verhief en zeide:

“Halt!”

De boot hield stil en de kolonisten zagen een helder schijnsel, dat de galerij, die zoo diep onder het eiland doordrong, geheel verlichtte.

Toen kon men dit gewelf opnemen waarvan men het bestaan nooit vermoed had.

Op een hoogte van honderd voet rustte een gewelf op zuilen van basalt, die allen in denzelfden vorm schenen gegoten; onregelmatige rotsblokken, schachten van den grilligsten omtrek verhieven zich op deze kolommen, die de natuur bij duizenden had opgericht toen de wereld ontstond. De basaltzuilen, waarvan de eene voortsproot uit de andere, waren veertig en vijftig voet hoog en de golven zoo woelig en onstuimig daar buiten, bespoelden kabbelend hare [187]grondvesten. De schitterende glans van het licht dat de ingenieur had ontdekt, deed elk prisma uitkomen, dat schitterde in den gloed en drong als het ware door de wanden heen, alsof deze doorschijnend waren, terwijl hij de geringste uitstekende punten van dit onderaardsch gebouw deed flikkeren. Door de weerkaatsing gaf het water al die vormen en lichtpunten weer, zoodat de boot scheen te drijven tusschen twee gordels van oogverblindend licht.

Omtrent de natuur van het licht, dat uit het midden voortsproot en de scherpe rechte stralen, die op de hoeken en op de aderen Van het gewelf braken, kon geen onzekerheid bestaan. Dat licht moest teweeg gebracht zijn door electriciteit en zijn witte kleur duidde dien oorsprong aan. Dat was de zon van de onmetelijke grot, waardoor deze geheel verlicht werd.

Op een teeken van Cyrus Smith daalden de riemen weder in het water; vonkelend spatte het schuim omhoog en het vaartuig richtte zich naar het licht, waarvan het weldra slechts eene kabellengte was verwijderd.

Op dat punt had de watervlakte eene breedte van ongeveer drie honderd vijftig voet; men kon aan gene zijde van het verlichte gedeelte een grooten basaltmuur onderscheiden, welke den toegang van die zijde afsloot. De zee vormde hier een meer; te midden van dat meer zag men een voorwerp op het water drijven; het lag daar zwijgend en onbeweeglijk. Het licht, dat zich verspreidde scheen voort te komen uit zijne zijde als uit twee ovens, die gloeiend gestookt waren. Deze toestel, waarvan de vorm eenige overeenkomst had met dien van een walvisch, had eene lengte van twee honderd vijftig voet en verhief zich tien à twaalf voet boven de oppervlakte der zee.

De boot naderde hem langzaam. Op den voorsteven stond Cyrus Smith. Hij staarde voor zich, ten prooi aan de hevigste aandoening. Toen zeide hij eensklaps, terwijl hij den arm van den reporter greep:

“Maar dat is hij! Dat kan niemand anders zijn dan hij! hij!....”

Toen zonk hij op de bank neder en mompelde een naam, dien Gideon Spilett alleen verstond.

Het leed geen twijfel of de reporter kende dien naam, want hij had een zonderlinge uitwerking op hem, en hij antwoordde op doffen toon:

“Hij! een man buiten de wet!”

“Hij!” zeide Cyrus Smith.

Op bevel van den ingenieur naderde de boot den drijvenden toestel. Zij bereikte een venster met dikke glazen ruiten, waardoor een helder licht straalde.

Cyrus Smith en zijn metgezellen stapten op het dek. Daar was een geopend luik. Allen daalden er in neder.

Onder aan de trap was een electrisch verlichte gang. Aan het eind van die gang een deur, die Cyrus Smith openstootte.

Een rijk gemeubeld vertrek, dat de kolonisten doorliepen, kwam [188]uit in een soort van bibliotheek, die door het plafond haar licht ontving.

In deze bibliotheek was een groote deur, die eveneens door den ingenieur geopend werd.

De kolonisten zagen een ruime zaal, een soort van museum, voor zich, waarin zich met een aantal schatten uit het delfstoffenrijk, de prachtigste kunstwerken en de fijnste voortbrengselen der nijverheid bevonden; zij meenden in een tooverwereld te zijn verplaatst.

Op een prachtig rustbed zagen zij een man, die hunne tegenwoordigheid niet scheen te bemerken.

Toen verhief Cyrus Smith zijn stem en sprak, tot groote verwondering van zijn metgezellen, de volgende woorden:

“Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen. Hier zijn wij.”

[Inhoud]

XXV.

Kapitein Nemo.—Zijn eerste woorden.—Geschiedenis van een held der onafhankelijkheid.—De haat der vijanden.—Zijn metgezellen.—Het onderzeesche leven.—Alleen.—De laatste schuilplaats van de Nautilus op het eiland Lincoln.—De geheimzinnige geest van het eiland.

Bij deze woorden richtte de man zich van zijn rustbed op en het volle licht viel op zijn gelaat; het was een prachtige kop met hoog voorhoofd, fieren blik, witten baard en weelderig haar, dat naar achteren gestreken was.

Hij steunde met zijn hand op de leuning van het rustbed. Zijn blik was kalm. Men zag dat een slepende ziekte hem langzaam ondermijnd had, maar zijn stem scheen nog krachtig, toen hij op een toon, die verwondering aan den dag legde, de volgende woorden in het engelsch sprak:

“Ik heb geen naam, mijnheer.”

“Ik ken u!” antwoordde Cyrus Smith.

Kapitein Nemo wierp een doordringenden blik op den ingenieur, alsof hij hem wilde vernietigen.

Toen zonk hij in de kussens van zijn rustbed neer en mompelde:

“Wat doet het er nu ook toe! Ik ga sterven!”

Cyrus Smith naderde kapitein Nemo en Gideon Spilett vatte diens hand, die brandend heet was. Ayrton, Pencroff, Harbert en Nab bleven eerbiedig op een afstand in een hoek van het prachtige vertrek, dat eveneens electrisch verlicht was. [189]

Kapitein Nemo had echter zijn hand snel terug getrokken en verzocht den ingenieur en den reporter plaats te nemen.

Allen staarden hem diep ontroerd aan. Daar lag hij dan, dien zij den “genius van het eiland” noemden, het machtige wezen, welks tusschenkomst hen in zooveel omstandigheden gered had, die weldoener, wien zij zooveel verplicht waren! Zij hadden slechts een man voor oogen, waar Pencroff en Nab gemeend hadden een god te vinden, en die man was stervende.

Maar hoe kende Cyrus Smith kapitein Nemo? Waarom was deze zoo plotseling opgerezen toen hij dien naam hoorde, dien hij waande dat aan niemand bekend was?...

De kapitein lag weder op zijn rustbed en op zijn arm leunende zag hij den ingenieur aan, welke naast hem plaats had genomen.

“Gij kent den naam, dien ik gedragen heb, mijnheer?” vroeg hij.

“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “evenals ik den naam ken van dien bewonderenswaardigen onderzeeschen toestel...”

“De Nautilus?” vroeg de kapitein glimlachende.

“De Nautilus.”

“Maar weet gij... weet gij wie ik ben?”

“Ik weet het.”

“Sedert dertig jaren heb ik toch geen gemeenschap meer gehad met de bewoonde wereld; dertig jaar leef ik reeds in de diepte der zee, de eenige omgeving, waar ik de onafhankelijkheid gevonden heb! Wie kan mijn geheim dan verraden hebben?”

“Een man, die u zijn woord nooit gegeven had, kapitein Nemo, en die bijgevolg niet van verraad beschuldigd kan worden.”

“Die Franschman, die tien jaar geleden toevallig bij mij aan boord kwam?”

“Dezelfde.”

“Die man en zijn beide metgezellen zijn dus niet in den maalstroom omgekomen, waarin de Nautilus geraakt was?”

“Zij zijn niet omgekomen, en onder den naam van “Twintig duizend mijlen onder zee” verscheen er een werk, dat uw geschiedenis bevat.”

“Mijn geschiedenis gedurende eenige maanden slechts, mijnheer!” antwoordde de kapitein levendig.

“Dat is waar,” hernam Cyrus Smith, “maar eenige maanden van dat zonderlinge leven zijn voldoende geweest om u bekend te maken...”

“Als een groot schuldige waarschijnlijk?” antwoordde kapitein Nemo, met een fieren glimlach op zijn lippen. “Ja, een opstandeling, die misschien uit het menschdom verbannen is!”

De ingenieur antwoordde niet.

“Welnu, mijnheer?”

“Het betaamt mij niet, kapitein Nemo te beoordeelen,” antwoordde Cyrus Smith, “ten minste wat zijn vroeger leven betreft. Ik ben, [190]evenals iedereen, onbekend met de beweegredenen van dit zonderlinge bestaan, en ik kan niet oordeelen over de gevolgen, zonder de oorzaken te kennen; maar wat ik wel weet is, dat een weldadige hand onophoudelijk over ons gewaakt heeft sedert onze aankomst op het eiland Lincoln, dat wij allen ons leven te danken hebben aan een goed, edelmoedig en machtig wezen en dat gij, kapitein Nemo, dat machtige, edelmoedige en goede wezen zijt!”

“Dat ben ik,” zeide de kapitein op eenvoudigen toon.

De ingenieur en de reporter waren opgestaan. Hun metgezellen waren eveneens nader getreden en de dankbaarheid, waarvan hun hart vol was, zou zich in woorden uiten...

Kapitein Nemo legde hun door een beweging met de hand het zwijgen op en zeide met ontroerde stem:

“Wanneer gij mij zult hebben aangehoord.”

De kapitein deelde in weinige woorden zijn levensgeschiedenis1 mede.

Deze geschiedenis was kort en toch eischte het al de geestkracht, die hem nog was overgebleven om haar ten einde te brengen. Hij streed zichtbaar tegen groote zwakheid. Verscheidene malen drong Cyrus Smith er op aan, dat hij eenige rust zou nemen, maar hij schudde het hoofd, als iemand, wien de volgende dag niet meer zou toebehooren, en toen de reporter hem zijn hulp aanbood, zeide hij:

“Die is niet meer noodig, mijn uren zijn geteld.”

Kapitein Nemo was een Oosterling, prins Dakkar, de zoon van een rajah van het toen onafhankelijke grondgebied van Bundelkund, en de neef van den Indischen held Tippo-Saïb. Op tienjarigen leeftijd zond zijn vader hem naar Europa, om er zijn opvoeding te ontvangen en met het geheime voornemen dat hij eens met gelijke wapenen zou kunnen strijden tegen hen, die hij als de verdrukkers van zijn vaderland beschouwde.

Van zijn tiende tot zijn dertigste jaar legde prins Dakkar, die bijzonder begaafd en even groot naar geest als naar hart was, zich op allerlei vakken toe; hij studeerde in de stellige wetenschappen, in de letteren en in de fraaie kunsten, en dat alles met ongekende ijver en volharding.

Prins Dakkar doorreisde geheel Europa. Door zijn geboorte en fortuin was hij overal gezocht, maar nooit liet hij zich door de ijdelheden der wereld meeslepen. Niettegenstaande hij jong en schoon was, bleef hij ernstig en somber; hij dorstte naar kennis, daar een onverzoenlijke haat in zijn hart geworteld was.

Prins Dakkar haatte. Hij haatte het eenige land, waar hij nooit een voet had willen zetten, het eenige volk waarmede hij hardnekkig [191]weigerde in aanraking te komen: hij haatte Engeland en te erger, daar hij het in meer dan een opzicht bewonderde.

In dien Oosterling was de felle haat geworteld van den overwonnene tegen den overwinnaar. De overweldiger vond geen genade bij den overweldigde. De zoon van een van die vorsten, die zich slechts in naam aan Engeland onderworpen hadden, de prins uit het geslacht van Tippo-Saïb, opgevoed om zijn land te heroveren en zich te wreken; die een onuitwischbare liefde koesterde voor zijn dichterlijk vaderland, dat zwoegde onder de ketenen der Britten, wilde nooit den voet zetten op het gevloekte land, waaraan Indië zijne slavernij had te wijten.

Prins Dakkar werd een kunstenaar, vol bewondering voor de gewrochten der kunst, een geleerde, aan wien niets van de hooge wetenschappen vreemd was, een staatsman, die zich te midden der europeesche hoven vormde. In de oogen van hen, die hem slechts ten halve kenden, ging hij misschien door voor een van die wereldburgers, die weetgierig zijn, maar het beneden zich achten te handelen; voor een van die schatrijke reizigers met fieren en wijsgeerigen geest die de wereld doorkruisen en tot geen land behooren.

Dit was echter niet het geval. Die kunstenaar, die geleerde, was in zijn hart Oosterling gebleven; Oosterling door de dorst naar wraak, Oosterling door de hoop die hij voerde, om eenmaal de rechten van zijn land te herwinnen, de vreemdelingen te verdrijven en het zijn onafhankelijkheid weder te geven.

In 1849 keerde prins Dakkar naar Bundelkund terug. Hij huwde met een voorname Indische, wier hart, evenals het zijne, bloedde onder de rampspoeden van haar vaderland. Zij kregen twee kinderen. Maar het huiselijk geluk kon hun de onderdrukking van Indië niet doen vergeten. Hij wachtte op een goede gelegenheid. Deze deed zich spoedig voor.

Het engelsche juk was misschien te zwaar bevonden voor de hindoesche bevolking. Prins Dakkar was het met de ontevredenen eens. Hij deed hun zijn haat tegen den vreemdeling deelen. Hij doorreisde niet alleen de nog onafhankelijke streken van het Indische Schiereiland, maar ook de staten die rechtstreeks aan de Engelsche heerschappij onderworpen waren. Hij herinnerde hen aan de grootsche dagen van Tippo-Saïb, die te Seringapatnam den heldendood voor de verdediging van zijn vaderland gestorven was.

In 1857 brak de groote opstand der Cipayers uit. Prins Dakkar was er de ziel van. Hij organiseerde die ontzaglijke volksbeweging, en stelde zijn kennis en rijkdom aan deze zaak ten dienste. Hij betaalde alles; hij streed in de voorste gelederen; hij waagde zijn leven als de minste dezer helden, die opgestaan waren voor de bevrijding van hun vaderland; hij werd tienmaal in twintig ontmoetingen gewond, en had den dood niet kunnen vinden, toen de laatste [192]strijders der onafhankelijkheid onder de engelsche kogels vielen.

Nooit liep de Engelsche macht zulk een gevaar in Indië, en hadden de Cipayers in het buitenland hulp gevonden, zooals zij gehoopt hadden, dan zou het in Azië misschien gedaan zijn geweest met den invloed en de heerschappij van het Vereenigd Koninkrijk.

De naam van prins Dakkar was toen beroemd. De held, die hem droeg, verborg zich niet, maar streed openlijk. Er werd een prijs op zijn hoofd gesteld, en, zoo er al geen verrader was te vinden om hem over te leveren, boetten zijn ouders, vrouw en kinderen voor hem, nog voordat hij het gevaar kende, waarin zij, om zijnentwil, verkeerden....

Ook ditmaal deed het recht onder voor de overmacht. De Cipayers werden overwonnen en het aloude gebied der Rajahs kwam weder onder de strenge heerschappij van Engeland.

Prins Dakkar keerde naar de bergen van Bundelkund terug.

Daar, ten prooi aan een onoverwinlijken afkeer van alles wat den naam van mensch droeg, vervuld van haat en afschuw voor de beschaafde wereld, die hij voor altijd wilde ontvluchten, maakte hij zijn bezittingen te gelde, vereenigde twintig van zijn getrouwste metgezellen om zich en verdween met hen.

Waar was Prins Dakkar die onafhankelijkheid gaan zoeken, die hij op de bewoonde aarde niet kon vinden? Onder water, in de diepte der zee, waar niemand hem volgen kon.

De geleerde trad in de plaats van den krijgsman. Op een verlaten eiland in de Stille Zee sloeg hij zijn werf op, en daar werd een onderzeesch schip volgens zijn plan gebouwd. De electriciteit, waarvan hij, door middelen, die eenmaal ook anderen bekend zullen worden, de onmetelijke mechanische kracht had weten te gebruiken en die hij uit onuitputtelijke bronnen verkreeg, werd op allerhande wijzen voor zijn drijvenden toestel aangewend, nu eens als beweegkracht, dan weder als warmte- of lichtgevende kracht. De zee met hare oneindige schatten, haar myriaden visschen, haar varens en gewassen, haar reusachtige zoogdieren, en niet alleen wat de natuur er onderhield, maar ook alles wat de menschen er verloren hadden, voorzag ruimschoots in de behoeften van den prins en zijn metgezellen,—en dit was de vervulling van zijn vurigste wenschen, daar hij geenerlei gemeenschap met de aarde meer wilde hebben. Hij doopte zijn onderzeeschen toestel met den naam van Nautilus, noemde zich zelf kapitein Nemo en verdween onder zee.

Jaren lang bezocht de kapitein alle oceanen, van de eene pool naar de andere. De paria van de bewoonde aarde verzamelde in die onbekende wereld de grootste schatten. De millioenen, welke in 1702 in de baai van Vigo met de spaansche galjoenen verloren waren gegaan, leverden hem een onuitputtelijke bron van rijkdom, dien hij, altijd en zonder zich te doen kennen, aanwendde ten [193]voordeele van de volken, die voor de onafhankelijkheid van hun vaderland streden.

“Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?” Blz. 196.

“Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?” Blz. 196.

Hij had dan ook langen tijd geen gemeenschap met zijn evenmenschen [194]gehad, toen, in den nacht van 6 November 1866 drie mannen op zijn schip werden geworpen. Het was een fransch professor, zijn bediende en een visscher uit Canada. Deze drie mannen waren in zee gestort, door de botsing van de Nautilus en een fregat der Vereenigde Staten, de Abraham Lincoln, dat haar nazette.

Kapitein Nemo vernam van den professor, dat de Nautilus, die nu eens voor een reusachtig zoogdier van het geslacht der walvisschen gehouden werd, dan weder voor een onderzeeschen toestel, die een schuilplaats aan de zeeroovers verleende, op alle zeeën vervolgd werd.

Kapitein Nemo had die drie menschen, welke door een toeval met zijn geheimzinnig bestaan in aanraking kwamen, aan den oceaan kunnen overleveren. Hij deed dit niet; hij hield hen gevangen, en gedurende zeven maanden konden zij getuigen zijn van al het wonderlijke en verrassende van een reis, die twintig duizend mijlen onder zee werd voortgezet.

Deze drie mannen, die niets wisten van het verleden van kapitein Nemo, ontsnapten door zich van de boot van de Nautilus meester te maken. Maar daar de Nautilus toen op de kusten van Noorwegen, in den Maalstroom lag, meende de kapitein, dat de vluchtelingen in die woelende kolk een zekeren dood hadden gevonden. Hij wist niet, dat de Franschman en zijn beide metgezellen als door een wonder op de kust werden geworpen; dat visschers van de Lofodden hen opgenomen hadden en dat de professor, bij zijn terugkeer in Frankrijk, een werk had uitgegeven, waarin zeven maanden van die zonderlinge en avontuurlijke reis van de Nautilus beschreven werden en aan de nieuwsgierigheid van het publiek overgeleverd.

Langen tijd nog leefde de kapitein op dezelfde wijze voort. Maar langzamerhand stierven zijn metgezellen, en werden in hun graven van koraal op den bodem der Stille Zee te rusten gelegd. De Nautilus werd verlaten, en eindelijk bleef kapitein Nemo alleen over van al degenen, die met hem een schuilplaats in de diepte van den oceaan hadden gezocht.

Kapitein Nemo was zestig jaar oud. Toen hij alleen was, gelukte het hem de Nautilus naar een van die onderzeesche havens te brengen, die hem soms tot rustplaats hadden gediend. Een dier havens was onder het eiland Lincoln. Reeds zes jaren woonde de kapitein daar, reisde niet meer, maar wachtte zijn dood af, dat is te zeggen, het oogenblik, waarop hij met zijn lotgenooten vereenigd zou worden, toen het toeval hem den val van den ballon deed bijwonen, waarin de gevangenen der zuidelijken gevlucht waren. Hij ging langzaam in zijn toestel onder zee voort, toen op eenige kabellengten van de kust van het eiland, de ingenieur in zee stortte. De kapitein gaf toe aan een goede opwelling.... en hij redde Cyrus Smith. [195]

Eerst wilde hij die vijf schipbreukelingen aan hun lot overlaten, maar zijn toevluchtshaven was gesloten, en ten gevolge van een ophooging van basalt, ontstaan door den invloed van vulkanische uitbarstingen, kon hij den toegang tot de galerij niet meer bereiken. Daar, waar water genoeg was voor een licht vaartuig, was niet genoeg voor de Nautilus, die betrekkelijk grooten diepgang had.

Kapitein Nemo bleef dus, en sloeg die mannen gade, welke hulpeloos op een verlaten eiland geworpen waren; maar hij zelf wilde niet gezien worden. Toen hij bemerkte, dat zij eerlijk, volhardend en door broederlijke liefde aan elkander gehecht waren, stelde hij belang in hun pogingen. Hij kende de minste geheimen van hun bestaan. Met zijn vaartuig kon hij gemakkelijk den bodem van den put in het Rotshuis bereiken en langs de rotsblokken tot de oppervlakte klimmen. Hij hoorde de kolonisten hun verleden vertellen en over het tegenwoordige en de toekomst spreken. Hij vernam van hen de poging van het eene deel van Amerika tegen het andere, om een einde aan de slavernij te maken! Ja! die mannen waren in staat om kapitein Nemo te verzoenen met de menschheid, die zij op het eiland vertegenwoordigden!

Kapitein Nemo had Cyrus Smith gered. Hij was het, die den hond naar de Schoorsteenen terugvoerde, die Top naar de oppervlakte van het meer wierp, die de kist met zooveel nuttige voorwerpen voor de kolonisten op het strand deed spoelen, die hun de boot in de Mercy terug gaf, die het touw uit het Rotshuis had geworpen bij den aanval van de apen, die de aanwezigheid van Ayrton op het eiland Tabor bekend maakte door middel van een briefje, dat hij in eene flesch sloot. Ook door zijn toedoen sprong de brik door het ontploffen van een torpedo, welke hij op den bodem van het kanaal had gebracht; hij redde Harbert van een zekeren dood door de quinine te brengen; hij was het eindelijk die de zeeroovers gedood had door electrische kogels, waarvan hij het geheim bezat en die hij op zijn onderzeesche jachten gebruikte. Op deze wijze werden velerlei voorvallen verklaard, die tot nog toe bovennatuurlijk schenen, en die allen door de edelmoedigheid en de macht van den kapitein geschied waren.

Die groote menschenhater had behoefte om wel te doen. Hij kon nog nuttigen raad aan zijne beschermelingen geven, en daar hij tot betere gedachten was gekomen, nu hij den dood voelde naderen, ontbood hij, gelijk verhaald is, de kolonisten uit het Rotshuis bij zich, door middel van een telegraaflijn, welke de kraal met de Nautilus verbond.... Mogelijk had hij dit niet gedaan, zoo hij geweten had dat Cyrus Smith zijn geschiedenis voldoende kende om hem met den naam van Nemo aan te spreken.

De kapitein had het verhaal van zijn levensgeschiedenis geëindigd. Cyrus Smith nam toen het woord; hij herinnerde aan alle weldaden, [196]die de kolonie, door zulk een heilzamen invloed genoten had, en in naam van zijn metgezellen en van hem zelf dankte hij het edelmoedige wezen, wien zij zooveel verschuldigd waren.

Maar kapitein Nemo vorderde niets voor de diensten, welke hij bewezen had. Een laatste gedachte vervulde hem, en voordat hij de hand drukte, die de ingenieur hem aanbood, sprak hij:

“En thans, mijnheer, nu gij mijn leven kent, beoordeel het nu!”

De kapitein zinspeelde bij deze woorden op een ernstig voorval, waarvan de drie vreemdelingen, die bij hem aan boord waren geworpen, getuigen waren geweest,—een voorval, dat de Fransche professor, zonder twijfel in zijn werk had medegedeeld en dat iedereen gruwelijk moest zijn voorgekomen.

Eenige dagen namelijk voordat de professor en zijn metgezellen ontvluchtten, werd de Nautilus door een fregat, in het noorden van den Atlantischen Oceaan vervolgd; zij wierp zich als een stormram op dat fregat en liet het zonder genade zinken.

Cyrus Smith begreep de toespeling en antwoordde niet.

“Het was een Engelsch fregat, mijnheer,” riep kapitein Nemo uit, die voor een oogenblik weder prins Dakkar was geworden, “een Engelsch fregat, begrijpt gij!? Het viel mij aan! Ik was in een nauwe, ondiepe baai terug gedrongen!.... Ik moest voorbij, en.... ik ging voorbij!”

Op kalmen toon vervolgde hij:

“Ik was in mijn recht, ik had gelijk. Overal waar ik kon heb ik welgedaan, maar ook kwaad deed ik waar ik het moest doen. Genade is niet het hoogste recht!”

Er volgden eenige oogenblikken van stilte na dit antwoord en kapitein Nemo vroeg voor de tweede maal:

“Wat denkt gij van mij, mijne heeren?”

Cyrus Smith stak den kapitein zijn hand toe en antwoordde op ernstigen toon:

“Kapitein, gij hebt verkeerd gehandeld door te gelooven dat men het verleden kon doen herleven en gij hebt gestreden tegen den onvermijdelijken vooruitgang. Het is een van die dwalingen, die door sommigen bewonderd, door anderen gelaakt worden, waarover God alleen kan oordeelen en die het menschelijke verstand moet vrijspreken. Men kan hem, die dwaalt met een welgemeende bedoeling, bestrijden zonder op te houden hem te achten. Uwe dwaling is van dien aard, dat zij bewondering niet uitsluit, en uw naam heeft niets te vreezen van het oordeel der geschiedenis. Zij buigt zich voor die heldhaftige dwaasheden, hoewel zij de gevolgen er van veroordeelt.”

De borst van kapitein Nemo ging onrustig op en neder, en hij hief zijn hand ten hemel.

“Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?” mompelde hij.

Cyrus Smith hernam: [197]

“Alle groote daden keeren tot God terug, want zij komen van Hem! Kapitein Nemo, de brave lieden, hier vereenigd, dien gij hebt bijgestaan, zullen u hun leven lang betreuren!”

Harbert was den kapitein genaderd. Hij knielde, vatte zijn hand en bracht die aan zijn lippen.

Een traan welde in het oog van den stervende, en hij zeide:

“Wees gezegend, mijn kind!...”


1 Die geschiedenis is verhaald in het werk Twintig duizend mijlen onder zee.

[Inhoud]

XXVI.

De laatste uren van kapitein Nemo.—De wil van den stervende.—Een herinnering aan zijn vrienden van een dag.—Het graf van kapitein Nemo.—Eenige raadgevingen aan de kolonisten.—Het laatste oogenblik.—Op den bodem der zee.

De dag was aangebroken. Geen lichtstraal drong in die onderaardsche galerij door. De vloed had elke opening versperd. Maar het kunstlicht, dat in breede bundels uit de wanden van de Nautilus ontsprong, verzwakte niet.

Kapitein Nemo was uitgeput van vermoeienis op zijn rustbed neergezonken. Men kon er niet aan denken hem naar het Rotshuis te vervoeren, want hij had den wensch te kennen gegeven om in die Nautilus te blijven, die met geen millioenen te betalen was, en daarin den dood te verbeiden, welke niet ver meer verwijderd kon zijn.

Cyrus Smith en Gideon Spilett sloegen den zieke aandachtig gade, terwijl hij schier bewusteloos lag. Men zag duidelijk dat de kapitein al zwakker en zwakker werd.

De kracht zou weldra ontzinken aan dat lichaam, dat eenmaal zoo forsch was en nu slechts het brooze omhulsel was van een ziel, die weldra zou ontvlieden.

De ingenieur en de reporter spraken eenige oogenblikken fluisterend met elkander. Kon men dezen stervende nog van dienst zijn? Kon men zijn leven, zoo niet redden, dan toch eenige dagen verlengen? Hij zelf had gezegd, dat er geen geneesmiddel meer was en hij wachtte geduldig den dood, dien hij niet vreesde.

“Wij vermogen niets,” zeide Gideon Spilett.

“Maar waaraan sterft hij?” vroeg Pencroff.

“Hij dooft uit,” antwoordde de reporter. [198]

“Maar als wij hem in de lucht, in de zon brachten, dan zou hij misschien weer bijkomen?” zeide de zeeman.

“Neen, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “er is niets meer aan te doen! Kapitein Nemo zou er bovendien niet in toestemmen zijn schip te verlaten. Sedert jaren leeft hij op de Nautilus en op de Nautilus wil hij sterven.”

Kapitein Nemo hoorde waarschijnlijk het antwoord van Cyrus Smith, want hij richtte zich een weinig op en op zwakken, maar duidelijken toon zeide hij:

“Gij hebt gelijk, mijnheer. Ik moet en ik wil hier sterven. Ik heb u nog een verzoek te doen.”

Cyrus Smith en zijn metgezellen naderden het rustbed en zij schikten de kussens zoo gemakkelijk mogelijk voor hem.

Men zag toen hoe zijn blik al de schatten in zijn zaal gadesloeg. Een voor een beschouwde hij de schilderijen aan den rijk versierden wand, die meesterstukken van italiaansche, vlaamsche, fransche en spaansche meesters, die marmeren en bronzen beelden op hun voetstukken, het prachtige orgel, de glazen kasten, die rondom een bekken gerangschikt stonden, waarin de schoonste voortbrengselen der zee verzameld waren; zeedieren en planten, paarlschelpen van onschatbare waarde en eindelijk vestigden zijn oogen zich op het opschrift, dat boven het museum te lezen stond, het devies van de Nautilus.

Mobilis in mobilo.

Het scheen dat hij nog eenmaal die gewrochten der kunst en der natuur wilde bewonderen, die zijn omgeving hadden uitgemaakt gedurende de vele jaren, welke hij op den bodem der zeeën had doorgebracht.

Cyrus Smith had de stilte geëerbiedigd. Hij wachtte tot de stervende het woord zou nemen.

Na eenige oogenblikken, waarin hij waarschijnlijk zijn geheele leven voor zich zag, wendde kapitein Nemo zich tot de kolonisten en zeide:

“Gelooft gij, mijn vrienden, dat gij mij iets verschuldigd zijt?....”

“Kapitein, wij zouden ons leven geven om het uwe te verlengen!”

“Goed,” hernam kapitein Nemo, “goed!... Beloof mij mijn laatsten wil na te komen, en gij zult mij alles, wat ik voor u gedaan heb, vergelden.”

“Wij beloven het u,” antwoordde Cyrus Smith.

“Vrienden,” hernam de kapitein, “morgen zal ik dood zijn.”

Hij legde Harbert, die hem in de rede wilde vallen, door een teeken het zwijgen op.

“Morgen zal ik dood zijn en ik wil geen ander graf dan de Nautilus. Dit is mijn graf. Al mijne vrienden rusten op den bodem der zee, ook ik wil daar rusten.” [199]

Diepe stilte volgde op de woorden van den kapitein.

“Luister wel,” vervolgde hij. “De Nautilus is in deze grot gevangen, waarvan de ingang versperd is. Maar zij kan haar gevangenis niet verlaten, zij kan door den afgrond verzwolgen worden en er mijn stoffelijk overschot bewaren.”

De kolonisten luisterden eerbiedig naar de woorden van den stervende.

“Morgen, na mijn dood, zult gij, mijnheer Smith en uwe metgezellen de Nautilus verlaten, want alle schatten, die zij bevat, moeten met mij verdwijnen. Een enkel aandenken zult gij behouden aan prins Dakkar, wiens levensgeschiedenis gij nu kent. Die koffer... daar... bevat millioenen diamanten, grootendeels herinneringen aan den tijd, dat ik als vader en echtgenoot, bijna aan het geluk geloofd heb, en een aantal paarlen, door mijne vrienden en mij uit de diepte der zee verzameld. Met die schatten zult gij eenmaal veel goeds kunnen verrichten. Aan handen als de uwe, mijnheer Smith, en die uwer metgezellen, is het geld wel vertrouwd. Ik zal dan hierboven deel hebben aan uw werken, en ik ben er niet bevreesd voor!”

Na eenige oogenblikken rust ging kapitein Nemo voort:

“Morgen kunt gij dien koffer nemen, en moet gij deze zaal verlaten en de deur sluiten; vervolgens moet gij naar het dek van de Nautilus gaan door het luik, dat gij eveneens moet sluiten.”

“Wij zullen het doen, kapitein,” antwoordde Cyrus Smith.

“Goed. Gij kunt u vervolgens op de boot inschepen, die u hier heeft gebracht. Maar ga, voordat gij de Nautilus verlaat, naar den achtersteven, en open twee groote kranen, die zich boven de lastlijn bevinden. Het water zal in het waterruim dringen en de Nautilus zal langzaam zinken om op den bodem der zee te gaan rusten.

Toen Cyrus Smith hem in de rede wilde vallen, voegde de kapitein er bij:

“Vrees niets! Gij zult slechts een lijk in de diepte doen zinken!”

Noch Cyrus Smith, noch zijn metgezellen konden iets daar tegen inbrengen. Het was zijn laatste wil, dien hij hun meedeelde, en zij moesten dien ten uitvoer brengen.

“Ik heb u woord, vrienden?” vroeg kapitein Nemo.

“Gij hebt het, kapitein,” antwoordde de ingenieur.

Kapitein Nemo dankte hen en verzocht hem eenige uren alleen te laten. Gideon Spilett drong er op aan, dat hij bij hem zou blijven, ingeval zich een crisis mocht voordoen, maar de stervende weigerde en zeide:

“Ik zal nog tot morgen leven, mijnheer!”

Allen verlieten de zaal, gingen door de bibliotheek en de eetzaal, kwamen bij den achtersteven in de machinekamer, waar de electrische toestellen geplaatst waren, die tegelijk met lucht en warmte ook beweegkracht aan de Nautilus gaven. [200]

De Nautilus was een meesterstuk, dat meesterstukken bevatte en de ingenieur was vol bewondering; hij sidderde bij de gedachte, dat hij, wiens arm hen zoo krachtig ondersteund had, dat die beschermer, dien zij slechts eenige uren kenden, gereed was het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen.

Welk oordeel de nakomelingschap ook moge vellen over de daden van dit, als het ware, bovenmenschelijke bestaan, prins Dakkar zou altijd een van die zonderlinge verschijnselen blijven, waarvan de herinnering niet wordt uitgewischt.

“Dat is een man,” zeide Pencroff. “Zou men wel gelooven, dat hij zoo op den bodem van den Oceaan geleefd heeft! En als ik bedenk, dat hij er misschien evenmin rust heeft gevonden als ergens anders!”

“De Nautilus,” merkte Ayrton op, “zou ons misschien hebben kunnen dienen om het eiland Lincoln te verlaten en een bewoond land te bereiken!”

“Drommels!” riep Pencroff uit, “ik zou het niet gewaagd hebben zulk een schip te sturen. Op zee varen, goed! maar onder zee, dank je!”

“Ik geloof,” zeide de reporter, “dat het besturen van een onderzeesch schip als de Nautilus zeer gemakkelijk is, Pencroff, en dat wij er spoedig aan gewoon zouden zijn. Geen stormen, geen strandingen zijn te vreezen! Eenige voeten onder de oppervlakte is de zee even kalm als een meer.”

“Wel mogelijk!” hernam de zeeman, maar ik houd meer van een fiksche bries aan boord van een goed getuigden bodem. Een schip is gemaakt om op en niet onder zee te varen.”

“Vrienden,” zeide de ingenieur, “het is onnoodig om, ten minste wat de Nautilus betreft, over onderzeesche toestellen te spreken. De Nautilus is niet van ons, wij hebben het recht niet er over te beschikken. Zij zou ons in geen geval van dienst kunnen zijn. Behalve dat zij niet uit deze grot kan, die door een verschuiving der basaltrotsen versperd is, wil kapitein Nemo, dat zij met hem, na zijn dood zal verdwijnen. Zijn wil is ons heilig en wij zullen hem nakomen.”

Na eenigen tijd verlieten Cyrus Smith en zijn metgezellen de machinekamer van de Nautilus; zij gebruikten eenig voedsel en keerden naar de zaal terug.

Kapitein Nemo was uit zijne verdooving ontwaakt en zijn oogen stonden niet meer zoo dof als te voren. Er speelde een glimlach om zijn lippen.

De kolonisten naderden hem.

“Vrienden,” sprak hij, “gij zijt dappere, edele, goede mannen. Gij hebt u met hart en ziel aan den gemeenschappelijken arbeid gewijd. Ik heb u dikwijls gadegeslagen. Ik heb van u gehouden, ik houd van u!... Uw hand, mijnheer Cyrus!” [201]

Cyrus Smith reikte den kapitein zijn hand, die deze hartelijk drukte.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode. Blz. 203.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode. Blz. 203.

“Dat doet mij goed,” mompelde hij.

Toen hernam de kapitein: [202]

“Maar genoeg van mij zelf. Ik moet met u over allen spreken, en over het eiland Lincoln, waarop gij een schuilplaats hebt gevonden.... Denkt gij het te verlaten?”

“Om er terug te komen, kapitein!” antwoordde Pencroff levendig.

“Er terugkomen? Ja, Pencroff,” zeide de kapitein glimlachend, “ik weet hoezeer gij aan dit eiland gehecht zijt. Het is door uw zorg verbeterd en het behoort u toe!”

“Ons plan is, kapitein,” zeide Cyrus Smith, “om het aan de Vereenigde Staten te schenken, en er voor onze marine een toevluchtsoord aan te leggen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan niet geheel misplaatst zal zijn.”

“Gij denkt aan uw vaderland,” antwoordde de kapitein. “Gij werkt voor zijn welzijn, voor zijn roem. Gij hebt gelijk. Het vaderland!... daar moest men altijd terugkeeren. Daar moet men sterven!.... En ik, ik sterf verre van alles, wat ik heb liefgehad!”

“Hebt gij nog een laatste wensch,” vroeg de ingenieur levendig, “een aandenken voor uw vrienden, die gij in de bergen hebt achtergelaten?”

“Neen, mijnheer Smith, ik heb geen vrienden meer! Ik ben de laatste van mijn geslacht... en sedert lang ben ik dood voor allen, die ik gekend heb... Maar laten wij over u spreken. Eenzaamheid en afzondering, zijn treurige dingen, die boven de menschelijke kracht gaan.... Ik sterf, omdat ik dacht alleen te kunnen leven!... Gij moet dus alles beproeven om Lincoln te verlaten, en den grond terug te zien, waar gij geboren zijt. Ik weet dat die ellendelingen het vaartuig vernield hebben dat gij gebouwd hadt....”

“Wij bouwen nu een schip,” zeide Gideon Spilett, “een schip dat groot genoeg is om ons naar een bewoonde kust te brengen; maar verlaten wij het ook vroeg of laat, wij zullen altijd weer naar het eiland Lincoln terugkeeren. Er zijn te veel herinneringen voor ons aan verbonden, dan dat wij het ooit zouden kunnen vergeten.”

“Hier hebben wij kapitein Nemo leeren kennen,” zeide Cyrus Smith.

“Hier vinden wij alles weer wat ons aan u herinnert!” voegde Harbert er bij.

“En hier zal ik in der eeuwigheid rusten, indien....” antwoordde de kapitein.

Hij aarzelde en in plaats van zijn volzin te eindigen, zeide hij slechts:

“Mijnheer Cyrus, ik wenschte u te spreken.... u alleen!”

De metgezellen van den ingenieur eerbiedigden het verlangen van den stervende en verlieten de zaal.

Cyrus Smith bleef eenigen tijd met kapitein Nemo alleen, riep vervolgens zijn metgezellen terug, maar zeide hun niets van hetgeen de grijsaard hem had toevertrouwd.

Gideon Spilett sloeg den zieke aandachtig gade. De kapitein leefde [203]nog slechts met zijn geest, die weldra niet meer tegen zijn lichamelijke zwakte zou kunnen strijden.

De dag liep ten einde zonder dat zich eenige verandering openbaarde. De kolonisten verlieten de Nautilus niet. De nacht was ingevallen, hoewel men dit in de rots niet bemerkte.

Kapitein Nemo leed niet, maar verzwakte meer en meer. Zijn edel gelaat, verbleekt door den naderenden dood, was kalm. Aan zijn lippen ontsnapten nu en dan onverstaanbare woorden. Men zag het leven langzaam uit dat lichaam verdwijnen, waarvan de uiterste deelen reeds koud werden.

Een paar maal richtte hij nog het woord tot de kolonisten, die om hem geschaard stonden, en glimlachte met dien laatsten glimlach, die zelfs door den dood niet wordt uitgewischt.

Tegen middernacht deed kapitein Nemo een laatste poging; hij slaagde er in zijn armen over de borst te kruisen, alsof hij in die houding wilde sterven.

Een uur later was er nog slechts leven in zijn blik. Een laatste vuur schitterde in die oogen, die vroeger vlammen schoten. Hij mompelde de woorden: “God en Vaderland!” en stierf zachtkens.

Cyrus Smith boog zich over hem heen, drukte de oogen toe van hem die prins Dakkar geweest was en nu zelfs kapitein Nemo niet meer scheen.

Harbert en Pencroff weenden. Ayrton wischte ter sluiks een traan weg. Nab lag geknield naast den reporter, die in een beeld veranderd was.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode en zeide:

“God zij zijner ziel genadig.”

Hij wendde zich tot zijn vrienden en zeide:

“Laten wij bidden voor hem, dien wij verloren hebben!”


Eenige uren later vervulden de kolonisten de belofte, welke zij den kapitein gedaan hadden, den laatsten wil van den doode.

Cyrus Smith en zijn lotgenooten verlieten de Nautilus, na het eenige aandenken genomen te hebben, dat hun weldoener hun gelaten had, dien koffer, welke een fortuin voor honderden bevatte.

De prachtige zaal, die nog steeds helder verlicht was, werd met zorg gesloten. De kolonisten maakten het luik dicht, zoodat er geen droppel water in de vertrekken van de Nautilus kon dringen.

Zij scheepten zich vervolgens op de boot in, die naast het onderzeesche vaartuig lag.

De boot werd naar den achtersteven gestuurd, waar men de twee groote kranen openzette, waardoor het water in de ruimen liep, en het schip moest zinken.

De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzaam.

De kolonisten konden haar echter nog in de diepte volgen. Het [204]felle licht scheen onder water, terwijl de rotsholte donkerder werd. Eindelijk verdwenen ook die krachtige electrische stralen en weldra rustte de Nautilus, nu het graf van kapitein Nemo, op den bodem der zee.

[Inhoud]

XXVII.

Hervatting van den arbeid op de werf.—De 1ste Januari 1869.—Een rookkolom op den top van den vulkaan.—Eerste verschijnselen eener uitbarsting.—Ayrton en Cyrus Smith in de kraal.—Onderzoek van de grot Dakkar.—Wat kapitein Nemo aan den ingenieur gezegd had.

Bij het aanbreken van den dag hadden de kolonisten de rotsholte verlaten, die zij voortaan de “grot van Dakkar” noemden, ter herinnering aan kapitein Nemo.

Pencroff, Nab en Ayrton haalden de boot op het strand, op een plaats waar zij veilig lag.

Van de galerij volgden Cyrus Smith en de zijnen het pad naar de kraal. Onderweg namen Harbert en Nab den telegraafdraad weg, dien kapitein Nemo tusschen de kraal en de Nautilus gespannen had, en dien men later misschien nog kon gebruiken.

Allen vervolgden zwijgend hun weg. Het scheen hun toe, dat zij nu meer dan ooit verlaten waren. Vroeger rekenden zij als het ware op dien krachtigen steun, die hen voortaan ontbrak; zelfs Gideon Spilett en Cyrus Smith waren onder den indruk daarvan.

Tegen negen uur in den morgen betraden de kolonisten het Rotshuis.

Cyrus Smith wijdde zich meer dan ooit aan het bouwen van het schip. Men kon niet weten wat de toekomst zou baren. En gebruikten de kolonisten het vaartuig al niet om, hetzij den polynesischen archipel, hetzij de kust van Nieuw-Zeeland te bereiken, zij moesten in ieder geval trachten zoo spoedig mogelijk naar het eiland Tabor te gaan, om er een bericht omtrent Ayrton te brengen. Deze voorzorg was noodzakelijk voor het geval, dat het Schotsche jacht weder in deze wateren mocht komen en men moest in dit opzicht niets verzuimen.

Het jaar 1868 verliep en bijna zonder ophouden werkten nu allen op de werf; Gideon Spilett en Harbert zonderden zich nu en dan eens af voor de jacht, want de winter-provisie mocht niet vergeten worden. [205]

De zomer was ondraaglijk heet en zelden ging er een dag voorbij dat men niet, hetzij van dichtbij of van verre, den donder hoorde rollen.

De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzamerhand. Blz. 203.

De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzamerhand. Blz. 203.

Den 1sten Januari 1869 woedde er een vreeselijk onweer. Stond dit [206]natuurverschijnsel in eenig verband met hetgeen er in het binnenste der aarde voorviel? Cyrus Smith was wel geneigd dit te gelooven, want het toenemen van die onweersbuien ging gepaard met eene vermeerdering van vulkanische verschijnselen.

Toen Harbert den 3den Januari naar de oppervlakte ging om een der onagga’s te zadelen, zag hij, dat groote rookwolken den top van den vulkaan omringden.

Harbert waarschuwde onmiddellijk de andere kolonisten, die allen naar den top van den Franklinberg kwamen zien.

“Wel!” riep de zeeman uit, “het is geen damp! Het komt mij voor dat de reus zich nu niet bepaalt tot ademen, maar dat hij nu ook rookt!”

Deze woorden van den zeeman drukten met juistheid uit, wat er op den Franklinberg voorviel. Reeds sedert drie maanden stegen er dampen uit den krater op, maar ze kwamen nog slechts voort uit het gloeien der delfstoffen in den vuurspuwenden berg. Ditmaal was de damp in rook veranderd, die zich als een grijze kolom verhief, waarvan de basis meer dan drie honderd voet breed was en die, als een reusachtige paddenstoel, tot zeven à acht honderd voet boven den berg opsteeg.

“Er is brand in den schoorsteen,” zeide Gideon Spilett.

“En wij kunnen dien niet blusschen!” antwoordde Harbert.

“Men moest die vulkanen kunnen vegen,” merkte Nab op, die met den grootsten ernst scheen te spreken.

“Goed Nab,” riep Pencroff uit. “Wilt gij de schoorsteenveger zijn?”

Pencroff barstte in een hartelijk lachen los.

Cyrus Smith keek aandachtig naar de dikke rookwolk en luisterde zelfs of hij geen verwijderd geraas hoorde.

Toen keerde hij naar zijn metgezellen terug, waarvan hij zich eenige schreden verwijderd had en zeide:

“Inderdaad, vrienden, er heeft een gewichtige verandering plaats gehad. De vulkanische stoffen zijn niet slechts in werking, zij hebben ook vlam gevat en wij worden binnen kort door een uitbarsting bedreigd!”

“Welnu, mijnheer Cyrus, wij zullen die uitbarsting zien,” riep Pencroff uit. “Wij zullen haar bewonderen en toejuichen! Ik geloof niet dat wij ons daarover behoeven te bekommeren!”

“Neen, Pencroff, want de vroegere lavaweg is nog altijd vrij en dank zij zijn ligging heeft de krater zijne uitwerpselen tot nog toe naar het noorden uitgestort. En toch....”

“En toch, daar wij geen voordeel kunnen hebben bij een uitbarsting, ware het maar beter als die niet plaats had,” merkte de reporter op.

“Wie weet?” antwoordde de zeeman. “Misschien is er in dezen vulkaan een nuttige en kostbare stof, die hij nu uit zal werpen en waarvan wij een goed gebruik kunnen maken!” [207]

“Het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor.” Blz. 207.

“Het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor. Blz. 207.

“Het komt mij voor,” zeide Ayrton, die met zijn oor op den grond was gaan liggen, “het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor, evenals een kar maakt, die met ijzeren staven beladen is.” [208]

De kolonisten luisterden en bevonden dat Ayrton gelijk had. Soms klonk het rollen harder om vervolgens weder zacht weg te sterven, maar er deed zich nog geen slag hooren. Men kon hieruit opmaken, dat de damp en rook een vrijen uitweg vonden door den middelsten schoorsteen en dat, daar de veiligheidsklep groot genoeg was, er nog geen uitbarsting te vreezen was.

“Maar zullen wij dan nooit naar ons werk terugkeeren!” riep Pencroff ongeduldig uit. “Laat de Franklinberg dampen, rooken, sissen en vuurspuwen, zooveel hij wil, dat is geen reden voor ons om niets te doen! Kom, Ayrton, Nab, Harbert, mijnheer Cyrus en mijnheer Spilett, vandaag moet iedereen aan het werk! Binnen twee maanden moet onze nieuwe Bonadventure gereed zijn—want dien naam mag zij dragen, niet waar?—Laten wij dan geen tijd verliezen.”

Dien dag werd er hard gewerkt, want het was nu van het grootste belang om het vaartuig zoo spoedig mogelijk gereed te hebben. Wie weet of dat schip niet hun eenig toevluchtsoord zou worden?

Na het avondeten begaven Cyrus Smith, Gideon Spilett en Harbert zich naar de bergvlakte. De nacht begon reeds te vallen en door de duisternis zou men kunnen zien of er zich onder den damp en de rook ook vlammen of gloeiende stoffen mengden.

“De krater staat in vuur!” riep Harbert uit, die vlugger dan zijn metgezellen het eerst op de vlakte was.

De Franklinberg, die ongeveer zes mijlen verwijderd was, scheen een reusachtige toorts, die aan het boveneinde met donkere vlammen brandde. Er was misschien zooveel rook, asch en puin onder gemengd dat de gloed daardoor zeer verminderde en niet zoo sterk afstak tegen het donkere zwerk.

“De uitbarsting vordert snel!” zeide de ingenieur.

“Dat is niet te verwonderen,” antwoordde de reporter. “De vulkaan is reeds sedert geruimen tijd in werking. Herinnert gij u, Cyrus, dat wij de eerste dampen reeds zagen toen wij den berg doorzochten om de schuilplaats te vinden van kapitein Nemo? Dat was, geloof ik 15 October?”

“Ja,” antwoordde Harbert, “dat is twee en een halve maand geleden!”

“Dat onderaardsche vuur heeft dus zestien weken gebroeid,” hernam Gideon Spilett, “en het is geen wonder, dat het nu snel in kracht toeneemt.”

“Voelt gij geen trillingen van den grond?” vroeg Cyrus Smith.

“Ja, inderdaad; maar dit is nog geen aardbeving...” antwoordde Spilett.

“Ik zeg niet, dat wij door een aardbeving bedreigd worden, God beware ons daarvoor! Neen. De trillingen worden veroorzaakt door de krachtige werking van het vuur. De aardkorst is niets dan de wand van een stoomketel, en gij weet dat de wand van een stoomketel [209]onder de drukking van het gas trilt, als een zware plaat. Hier is hetzelfde verschijnsel.”

Daar was alles veranderd. Blz. 211.

Daar was alles veranderd. Blz. 211.

“Welke prachtige vlammen!” riep Harbert uit. [210]

Na een uur keerden de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith was in gedachte verzonken, hetgeen Gideon Spilett aanleiding gaf tot de vraag, of hij meende dat de uitbarsting voor hen noodlottige gevolgen kon hebben.

“Ja en neen,” antwoordde Cyrus Smith.

“Het grootste ongeluk, dat ons zou kunnen overkomen, zou een aardbeving zijn, die het eiland verwoestte, niet waar? En ik geloof niet dat dit te vreezen is, daar de rook en de lava een vrijen uitweg hebben gevonden om te ontsnappen.”

“Ik vrees juist geen aardbeving, in den zin, dien men gewoonlijk geeft aan de trillingen, veroorzaakt door de werking van onderaardsche dampen. Maar uit andere oorzaken kunnen groote rampen voortspruiten.”

“Welke, mijn beste Cyrus?”

“Ik weet het niet zeker.... ik moet den berg zien.... onderzoeken.... Binnen weinige dagen zal ik zekerheid hebben omtrent dit punt.”

Gideon Spilett drong niet verder bij hem aan. Alle bewoners van het Rotshuis begaven zich weldra ter ruste en sliepen in, niettegenstaande het geraas in den vulkaan sterker en door de echo van het eiland luider weerkaatst werd.

Drie dagen verliepen. De top van den Franklin-berg bleef door een dikke rookwolk omhuld; maar de lava scheen de opening van den krater nog niet bereikt te hebben, althans op de noordelijke helling, die voor een gedeelte zichtbaar was, bespeurde men nog geen verschijnselen van een uitstorting.

De arbeid op de werf moest nu en dan gestaakt worden, omdat de zorg der kolonisten ook op andere plaatsen vereischt werd. Vooreerst moest de kraal niet vergeten worden, waar men het voedsel voor de muffeldieren en geiten ververschen moest. Er werd besloten dat Ayrton in den morgen van 7 Januari derwaarts zou gaan, en daar een persoon voor dezen arbeid voldoende was, waren Pencroff en de overigen zeer verwonderd, toen zij den ingenieur tot Ayrton hoorden zeggen:

“Als gij morgen naar de kraal gaat, zal ik u vergezellen.”

“Mijnheer Cyrus!” riep de zeeman uit, “onze werkdagen zijn geteld, en wanneer gij ook heengaat, hebben wij vier armen minder!

“Wij komen den volgenden morgen terug,” antwoordde Cyrus Smith, “maar ik moet noodzakelijk naar de kraal.... Ik wil weten hoe het met de uitbarsting gesteld is.”

“De uitbarsting! de uitbarsting!” bromde Pencroff. “Die uitbarsting, dat is me ook iets van gewicht; ik bekommer er mij volstrekt niet om!”

Den volgenden morgen deed de ingenieur zooals hij gezegd had. Harbert had hem gaarne vergezeld, maar hij wilde Pencroff niet te veel tegenwerken, door ook heen te gaan. [211]

Voor het aanbreken van den dag zaten Cyrus Smith en Ayrton in het wagentje, met twee onagga’s bespannen, en begaven zij zich naar de kraal.

Boven het bosch hingen groote wolken, die steeds aangroeiden door de dampen, welke uit den krater opstegen. Gewoonlijk vallen deze wolken neer in kleine stofdeeltjes, en dit was ook nu het geval. Toen Cyrus Smith en Ayrton bij de kraal kwamen, viel er een soort van zwarte sneeuw evenals jachtkruit, dat oogenblikkelijk den grond een geheel ander voorkomen gaf. Boomen, weiden, alles verdween onder een zwarte laag van eenige duimen dikte. Maar gelukkig was de wind noordoost en ontlastte zich de wolk grootendeels boven zee.

“Dat is zeer zonderling, mijnheer Smith,” zeide Ayrton.

“Dat is zeer ernstig,” antwoordde de ingenieur. “Die vulkanische tufsteen, die fijne puimsteen, in éen woord, al die minerale stoffen bewijzen, dat in de onderste lagen van den vulkaan een groote beroering ontstaan is.”

“Maar is er dan niets aan te doen?”

“Niets, dan de vorderingen van dit verschijnsel waar te nemen. Doe dus wat gij in de kraal te doen hebt, Ayrton. Ik zal in dien tusschentijd naar de bronnen van de Roode Beek gaan en de noordelijke berghelling opnemen. Dan....”

“Dan.... mijnheer Cyrus?”

“Dan zullen wij de galerij van Dakkar bezoeken.... Ik wil zien.... In ieder geval kom ik u over twee uur halen.”

Ayrton ging in de kraal en verzorgde, in afwachting dat de ingenieur terugkwam, de muffeldieren en geiten, die ook onder den indruk schenen der eerste verschijnselen eener uitbarsting.

Cyrus Smith begaf zich intusschen naar de Roode Beek en kwam bij de plaats waar hij en zijn metgezellen een zwavelbron hadden ontdekt, toen zij die voor de eerste maal onderzochten.

Daar was alles veranderd! In plaats van éen rookkolom telde hij er dertien, die uit den grond opstegen, alsof zij met geweld naar boven gestuwd werden. De aardkorst was hier zichtbaar aan een sterke persing onderhevig.

Aan de noordelijke helling van den Franklinberg zag Cyrus Smith dikke rookwolken en vlammen uit den vulkaan opstijgen; een hagel van stukken metaal viel op den grond, maar nergens nog stroomde de lava uit den krater, hetgeen bewees dat de vulkanische stoffen de opening van den middelsten schoorsteen nog niet bereikt hadden.

“Toch had ik liever, dat het zoo gebeurde,” zeide Cyrus Smith bij zich zelf. “Dan had ik ten minste de zekerheid dat de lava haar gewonen loop had genomen. Wie weet of ze nu niet door een nieuwe opening een uitgang vindt? Maar daar is het gevaar nog niet in gelegen! Kapitein Nemo heeft het wel voorzien! Neen! Daarin ligt het gevaar niet!” [212]

Tegen negen uur was hij weder in de kraal teruggekeerd.

Ayrton wachtte hem daar.

“De dieren zijn van alles voorzien, mijnheer Smith,” zeide deze.

“Goed Ayrton.”

“Zij schijnen onrustig, mijnheer.”

“Ja, het instinct spreekt in hen en het instinct bedriegt zich niet.”

“Wanneer ge wilt....”

“Neem een lantaarn en een vuurslag, Ayrton,” antwoordde de ingenieur, “en laten wij vertrekken.”

Ayrton deed wat hem gezegd was. De onagga’s liepen uitgespannen in de kraal. De buitendeur werd gesloten, en Cyrus Smith, gevolgd door Ayrton, volgde nu in westelijke richting het smalle pad, dat naar de kust leidde.

Zij konden niet snel vooruitgaan. De lucht was zwaar, alsof de deelen zuurstof verbrand en niet meer tot inademen geschikt waren. Bij elke honderd schreden moesten zij stil staan en adem scheppen. Het was dus over tienen toen de ingenieur en zijn metgezel den top van dien reusachtigen basaltklomp bereikten, die de noord-westkust van het eiland vormde.

Ayrton en Cyrus Smith daalden nu langs deze steile kust neder en volgden ongeveer denzelfden onbegaanbaren weg als in dien stormachtigen nacht, toen zij naar de grot van Dakkar waren gegaan. Op klaarlichten dag was die weg niet minder gevaarlijk, ofschoon de laag asch, die de rotsen bedekte, oorzaak was dat zij hun voet nu met zekerheid op dien glibberigen weg konden neerzetten.

Zij vonden spoedig de opening van grot Dakkar terug, en stonden stil onder de laatste rots, die een soort van trap vormde.

“Is de sloep er nog?” vroeg de ingenieur.

“Ja, mijnheer.”

“Laten wij er ingaan.”

Spoedig waren zij dieper binnengedrongen, en daar stak Ayrton zijn lantaarn aan. Daarop nam hij de riemen en nadat zij de lantaarn in den top hadden geheschen, zoodat zij haar lichtstralen naar voren wierp, nam Cyrus het roer en stuurde de boot te midden der diepste duisternis door de grot.

De Nautilus lag daar niet meer om dit sombere hol met haar stralen te verlichten.

Toch was het zwakke licht van de lantaarn voldoende om voort te stevenen en den rechterwand van het gewelf te volgen.

Eindelijk zeide Cyrus: “Ik hoor den vulkaan.”

Weldra ging het rommelen in het inwendige van den berg vergezeld van een scherpe lucht; zwaveldampen deden den ingenieur en Ayrton bijna stikken.

“Dat was hetgeen kapitein Nemo vreesde!” mompelde Cyrus Smith, terwijl [213]hij een weinig bleek werd. “Toch moeten wij tot het einde toe gaan.”

“Vooruit dus,” zeide Ayrton en richtte de boot naar het uiteinde van het gewelf.

Vijf en twintig minuten later, nadat zij de opening waren voorbijgegaan, bereikte de sloep den eindmuur. Hier hield zij stil.

Cyrus Smith klom nu op de bank, doorzocht met zijn lantaarn alle gedeelten van den muur, die de grot van den middelschoorsteen van den vulkaan scheidde. Hoe dik was die muur? Was hij honderd of tien voet? Men kon het niet zeggen. Maar het onderaardsch gerommel was te duidelijk hoorbaar dan dat hij zeer dik kon wezen.

De ingenieur bevestigde daarop de lantaarn aan een der riemen en onderzocht nu een hooger gedeelte van den basaltmuur.

Daar ontsnapte, door nauw zichtbare spleten, die zwaveldamp, welke zich in de grot verspreidde. Scheuren waren hier en daar in den muur en sommigen, een weinig grooter, waren nog slechts twee of drie voet verwijderd van het water in de grot.

Cyrus Smith bleef een oogenblik in gepeins verzonken staan.

Toen mompelde hij weder deze woorden:

“Ja, de kapitein had gelijk! Daar is het gevaar! Daarin schuilt dat ontzettend gevaar!”

Ayrton zeide niets; maar op een teeken van Cyrus Smith nam hij weder de riemen op en een half uur later kwamen de ingenieur en hij uit het onderaardsche gewelf weder te voorschijn.

[Inhoud]

XXVIII.

Het verhaal van Cyrus Smith omtrent zijn verkenningstocht.—Men haast zich met het schip.—Een laatste bezoek aan de kraal.—Strijd tusschen vuur en water.—Wat van het eiland overbleef.—Men besluit het schip van stapel te laten loopen.—De nacht van 8 op 9 Maart.

Den anderen morgen, 8 Januari, nadat zij een dag en een nacht in de kraal hadden doorgebracht, was alles in de beste orde en keerde Cyrus Smith met Ayrton naar het Rotshuis terug.

Terstond riep de ingenieur zijn vrienden bij elkander en deelde hun mede, dat het eiland Lincoln in groot gevaar verkeerde en geen menschelijke macht dat gevaar kon bezweren.

“Vrienden,” zeide hij—en zijn stem verried de diepste ontroering—“het eiland Lincoln behoort niet tot die eilanden, welke zoolang zullen bestaan als de aarde zelf. Het is bestemd voor een min of meer spoedige geheele verwoesting, waarvan het zelf de oorzaak is, en die wij niet in staat zijn te verhinderen!” [214]

“Spreek duidelijker, Cyrus,” zeide Gideon Spilett.

“Ik ben bereid,” antwoordde Cyrus Smith, “u het geheim onderhoud, dat ik met kapitein Nemo gehad heb, mede te deelen.”

“Met kapitein Nemo!” riepen de kolonisten.

“Ja, het was de laatste dienst, die hij mij, voor hij stierf, wilde bewijzen.”

“De laatste dienst!” herhaalde Pencroff.

“De laatste dienst! Gij zult zien, dat al is hij dood, hij er ons nog menigeen zal bewijzen.”

“Maar wat heeft kapitein Nemo u gezegd?” vroeg de reporter.

“Weet dan, vrienden, dat het eiland Lincoln niet in denzelfden toestand verkeert als de andere eilanden in den Stillen Oceaan, en een bijzondere toestand, dien kapitein Nemo mij heeft doen kennen, moet oorzaak zijn dat vroeg of laat zijn onderzeesche grondvesten uiteenbarsten.”

“Uiteenbarsten! Het eiland Lincoln! Kom!” riep Pencroff uit, die ondanks den eerbied, dien hij voor Cyrus Smith koesterde, toch niet nalaten kon om hierover zijn schouders op te halen.

“Luister, Pencroff,” hernam de ingenieur. “Ziehier wat kapitein Nemo bemerkt heeft, en ik zelf gisteren ook, toen ik het onderaardsche gewelf Dakkar bezocht. Dit gewelf strekt zich onder het eiland tot aan den vulkaan uit, en is van den middelschoorsteen gescheiden door een muur, die tegen het gewelf sluit. Deze muur is gespleten en hier en daar zijn openingen waardoor het zwavelachtig gas, dat zich in den vulkaan ontwikkelt, kan ontsnappen.”

“Welnu?” vroeg Pencroff, wiens voorhoofd zich rimpelde.

“Welnu, ik heb ontdekt dat die openingen door de inwendige drukking steeds grooter worden, dat de basaltmuur langzamerhand zal splijten en in korter of langer tijd een doorgang zal verschaffen aan de wateren uit de zee, waarmede de grot gevuld is.”

“Goed!” antwoordde Pencroff, die het nog niet gewonnen wilde geven. “De zee zal den vulkaan uitdooven en alles zal gedaan wezen.”

“Ja, alles zal gedaan wezen!” hernam Cyrus Smith. “Den dag waarop de zee door den muur heendringt, door den middelschoorsteen tot in het diepst van het eiland, waar de bestanddeelen zich bevinden, die vatbaar voor ontploffing zijn, dien dag, Pencroff, zal het eiland Lincoln springen, zooals Sicilië springen zou, wanneer de Middellandsche zee zich in de Etna wierp!”

De kolonisten gaven geen antwoord op deze woorden, welke de ingenieur op overtuigenden toon sprak. Zij hadden het gevaar, dat hen dreigde begrepen.

Bovendien moet gezegd worden, dat Cyrus Smith volstrekt niet overdreef. Velen zijn van meening geweest dat men de vulkanen zou kunnen blusschen, die voor het meerendeel aan den oever der zee of van een meer liggen, wanneer men de golven er in deed stroomen. [215]Maar zij bedachten niet, dat men op die wijze gevaar liep om een gedeelte van de aarde te doen springen, gelijk een stoomketel, waarvan de stoom plotseling een hoogere spanning erlangt, door een schot. Het water zich werpende in een gesloten kom, waar de temperatuur eenige duizenden graden bedraagt, zou verdampen met zulk een plotseling zich ontwikkelende kracht, dat geen wanden, hoe sterk ook, weerstand bieden.

Zij mochten er dus niet meer op hopen dat het eiland langer zou bestaan dan de muur van het gewelf Dakkar zou duren. Het was zelfs geen quaestie van maanden, noch van weken, maar een quaestie van dagen, van uren misschien!

Het eerste gevoel dat zich van de kolonisten meester maakte, was diepe smart! Zij dachten niet aan het oogenblikkelijke gevaar, dat hen dreigde, maar aan de verwoesting van dien grond, die hun een schuilplaats had geboden, aan dat eiland, dat zij hadden ontgonnen, aan het eiland, dat zij liefhadden, dat zij zoo gaarne hadden zien bloeien. Zooveel vermoeienissen nutteloos doorstaan! zooveel arbeid verloren!

Pencroff kon een traan niet weerhouden, die over zijn wang biggelde, en hij trachtte ook niet dien te verbergen.

Nog eenigen tijd spraken zij over dit onderwerp. De verschillende kansen werden overwogen, maar allen waren van oordeel dat zij geen uur te verliezen hadden, dat de bouw en de uitrusting van het schip met den uitersten spoed moesten voortgezet worden en dat de eenige hoop op redding voor de bewoners van Lincoln daarin gelegen was!

Alle handen werden dus aan het werk geslagen. Den 23sten Januari was het schip half gereed. Tot nog toe had er geen verandering aan den top van den vulkaan plaats gegrepen. Rook vermengd met vlammen en steenen waren uit den krater voortdurend ontsnapt. Maar gedurende den nacht van 23 op 24 Januari werd de kegel, die een soort van hoed vormde, er afgeworpen door de kracht van de lava, die tot aan den rand van de eerste verdieping van den vulkaan reikte. Een oorverdoovend geraas dreunde door het eiland! De kolonisten dachten dat het verging. Zij snelden uit het Rotshuis.

Het was ongeveer twee uur ’s nachts. De hemel was als vuur. Het bovenste gedeelte van den kegel, een klomp van duizend voet hoogte en milliarden wegende, was op het eiland geworpen, welks bodem dreunde. Uit den krater, nu veel wijder van opening, straalde een hel licht en door de afkaatsing scheen de gansche dampkring te gloeien, terwijl tegelijkertijd een stroom van lava als een breede waterval zich uitstortte en duizend vurige slangen langs de helling van den berg voortschoten.

“De kraal! de kraal!” riep Ayrton.

Het was inderdaad in de richting van de kraal dat de lava stroomde.

Op dezen kreet van Ayrton waren de kolonisten naar den stal van de onagga’s gesneld. De wagen was ingespannen. Allen hadden slechts [216]éen gedachte! Naar de kraal rijden en de dieren, die daar waren opgesloten, in vrijheid stellen.

Vóór drie uur waren zij in de kraal. Een vreeselijk gebrul gaf hun reeds te kennen in welk een toestand de schapen en geiten verkeerden. Ayrton opende terstond de deur en de beangste dieren snelden in alle richtingen er uit.

Een uur later was er niets meer van de kraal te zien.

De kolonisten hadden de geheele verwoesting willen te keer gaan, maar alle pogingen waren vergeefs geweest, want de mensch is machteloos tegenover zulke natuurverschijnselen.

De dag brak aan—24 Januari—Cyrus Smith en zijn vrienden wilden, voordat zij naar het Rotshuis terugkeerden, de juiste richting die deze lava-overstrooming nemen zou, gadeslaan. De helling van den grond werd bij den Franklinberg aan de oostzijde geringer, en het was te vreezen dat, ondanks het bosch van het Verre Westen, de stroom zich zelfs tot de vlakte het Verre Uitzicht zou verspreiden.

“Het meer zal ons beschermen,” zeide Gideon Spilett.

“Ik hoop het!” was het eenige antwoord van Cyrus Smith.

Tegen zeven uur ’s morgens was de toestand van de kolonisten niet langer houdbaar. Zij hadden een schuilplaats gezocht aan den zoom van het bosch Jacamar. Niet alleen regende het steenen rondom hen, maar de lava die uit de bedding van de Roode Beek vloeide, dreigde hun den weg van de kraal te versperren. De eerste rijen boomen hadden reeds vlam gevat, en hunne vruchten waren spoedig in rook verteerd; zij barsten als vuurwerk uiteen, terwijl anderen, minder vochtig, onbeschadigd te midden der overstrooming bleven.

De kolonisten hadden den weg naar de kraal weder ingeslagen. Zij liepen langzaam en schier meer achter dan voorwaarts. Maar, tengevolge van de grondgesteldheid had de stroom spoedig het oosten bereikt, en zoodra de inwendige lagen van de lava verhard waren, kwamen er anderen die ze terstond bedekten.

Intusschen werd de hoofdstroom van het dal de Roode Beek al dreigender. Dit heele gedeelte van het bosch was ingesloten en groote wolken rook dreven er boven de boomen, waarvan de wortels reeds door de lava verteerd waren.

De kolonisten stonden bij het meer stil, op een halve mijl afstands van den mond der Roode Beek. Nu zou er over leven of dood voor hen beslist worden.

Cyrus Smith die gewoon was om de ernstige toestanden te berekenen, en wist dat hij tot mannen sprak, die de waarheid wilden vernemen, welke zij ook zijn mocht, zeide toen:

“Of het meer zal dien stroom tegenhouden, en een gedeelte van het eiland zal aan de geheele verwoesting ontsnappen, of de stroom zal de bosschen van het Verre Westen met zich nemen en geen [217]boom, geen plant zal er op dezen grond blijven. Wij hebben op deze kale rotsen slechts den dood in het vooruitzicht, waarop het vergaan van het eiland ons niet lang zal doen wachten!”

De toestand der kolonisten was niet langer houdbaar. Blz. 216.

De toestand der kolonisten was niet langer houdbaar. Blz. 216.

[218]

“Dan,” riep Pencroff, zijn armen over de borst kruisende en met zijn voet op den grond stampende, “dan is het onnoodig, niet waar, dat wij langer aan de boot werken?”

“Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “wij moeten onzen plicht vervullen tot het einde toe.”

Op dit oogenblik bereikte de lava-stroom het meer, nadat hij zich een weg had gebaand door de prachtige boomen, die hij verzwolgen had. Daar vormde de grond een ondiep dal en zoo dit breeder ware geweest, zou het misschien voldoende zijn geweest om den stroom in te perken.

“Aan het werk!” riep Cyrus Smith.

Allen begrepen de gedachte van den ingenieur. Zij haalden spaden, bijlen en houweelen, en eindelijk gelukte het hun met steenen en boomstammen binnen weinige uren een dijk gereed te hebben van drie voet hoog en eenige honderden passen lang. Het scheen hun toe alsof zij niet langer dan eenige minuten hadden gewerkt!

Het was tijd. De stroom zwol op als een wassende rivier, die haar oevers wil overschrijden, en dreigde den eenigen hinderpaal te vernielen, welke haar verhinderen kon om het bosch van het Verre Westen te verwoesten.... Maar de dijk was er tegen bestand, en na een oogenblik aarzelen, een vreeselijk oogenblik, wierp hij zich in het meer Grant, van een hoogte van twintig voet.

De kolonisten aanschouwden met ingehouden adem, zonder zich te verroeren, zonder een woord te spreken, dezen strijd tusschen de beide elementen.

Welk een tooneel was die worsteling tusschen het water en het vuur! De eerste lava die in het meer viel versteende terstond en hoopte zich opeen, zoodat zij weldra boven het water zou uitsteken. Boven de oppervlakte dreef nog andere lava, die zich op hare beurt tot steen vormde, maar het midden bereikte.

Hierdoor ontstond er een steenmassa, die het geheele meer dreigde te vullen, dat niet buiten zijn oevers kon treden, want het water dat te veel was, werd damp. Het sissen en knarsen der steenen vervulde de lucht met een oorverdoovend geraas, en de loog door den wind voortgesleept viel als regen in de zee neder. De steenstroom werd langer en de versteende blokken lava klemden zich aan elkaar vast. Daar, waar vroeger het kalme water kabbelde, verhief zich thans een reusachtige klomp rookende rotsen, alsof een verheffing van den bodem duizenden klippen had doen ontstaan. Wanneer men zich deze wateren voorstelt door een orkaan in beweging gebracht, en dan plotseling door een koude van twintig graden tot een vast lichaam gemaakt, dan heeft men een denkbeeld van het meer, drie uur nadat die onwederstaanbare stroom er inviel. Ditmaal moest het water door het vuur overwonnen worden. Toch was het zeer gelukkig voor de kolonisten, dat de lavastroom [219]zich in het meer Grant had geworpen. Zij hadden nu nog eenige dagen gewonnen. De vlakte het Verre Uitzicht, het Rotshuis, de werf waren voor het oogenblik gespaard gebleven. Die dagen moesten besteed worden om het schip met zorg te kalfaten. Dan zouden zij het in zee brengen en zouden zij daar tenminste een wijkplaats vinden, al konden zij het eerst optuigen wanneer het zich eenmaal in het ruime sop bewoog. Daar zij vreesden voor een nieuwe uitbarsting, die het geheele eiland dreigde te verwoesten, was er op de kust voor hen geen veiligheid meer. Het Rotshuis tot hiertoe zulk een goede schuilplaats, kon elk oogenblik zijn muren voor hen sluiten!

Gedurende de zes dagen, die nu volgden, van 25 tot 30 Januari arbeidden zij met den ijver van twintig man aan het schip. Nauwelijks gunden zij zich eenige rust, en bij het schijnsel der vlammen waren zij in staat nacht en dag door te werken. De uitstorting van den vulkaan ging steeds voort, maar misschien met minder grooten toevloed. Het was gelukkig, want het meer Grant was bijna gevuld en zoo nieuwe lava weder op de vroeger gevormde laag stortte, zou het onvermijdelijk over de vlakte het Verre Uitzicht en het strand zijn gestroomd. Maar zoo dit gedeelte van het eiland beschermd werd, in het westen was het slechter gesteld. De brand, die in het bosch van het Verre Westen woedde, nam geen einde. Het scheen dat de toppen der boomen nog eerder vuur vatten dan dat de lava de wortels verteerde.

Alle dieren, zoowel wilde als andere, kwamen een toevluchtsoord zoeken bij de Mercy en in de moerassen boven de Ballonhaven. Maar de kolonisten waren te zeer met hun werk vervuld, dan dat zij eenige acht sloegen, zelfs op de meest gevreesde onder hen. Zij hadden bovendien het Rotshuis verlaten en zelfs geen onderkomen in de Schoorsteenen willen zoeken; zij overnachtten onder een tent, die zij bij de monding der Mercy hadden opgeslagen.

Iederen dag beklommen Cyrus Smith en Gideon de vlakte het Verre Uitzicht. Soms vergezelde Harbert hen, maar nooit Pencroff, want deze wilde het eiland niet in dien staat van verwoesting aanschouwen.

“Het is om het hart te doen breken,” zeide Gideon Spilett eens, bij het aanschouwen van de vreeselijke verwoesting, welke het eiland had ondergaan.

“Ja, Spilett,” gaf de ingenieur ten antwoord. “Dat de hemel ons ten minste den tijd geve om ons schip te voltooien, dat thans ons eenige toevluchtsoord is!”

“Schijnt het u niet toe, Cyrus, alsof de vulkaan tot bedaren komt? Wel werpt hij nog lava uit, maar toch is de toevoer geringer, zoo ik mij niet bedrieg!”

“Het doet er weinig toe,” antwoordde Cyrus Smith. “Het vuur is in het inwendige van den berg toch nog even hevig, en de zee kan [220]elk oogenblik daarin stroomen. Wij verkeeren in den toestand van reizigers wier schip verwoest is door een brand, dien zij niet konden stuiten, en die weten dat het vuur vroeg of laat de kruitkamer zal bereiken! Kom Spilett, ga mede, wij mogen geen uur verliezen.”

Het was thans 20 Februari. Nog een maand hadden zij noodig om het schip te voltooien. Zou het eiland zoolang bestaan? Cyrus Smith en Pencroff waren van plan om het schip in zee te brengen, zoodra de romp gereed was. Het overige konden zij later doen, maar het belangrijkste was dat de kolonisten een toevlucht hadden buiten het eiland. Misschien was het goed het schip in de Ballonhaven te leggen, namelijk, zoover mogelijk verwijderd van den vulkaan; want bij de monding der Mercy, tusschen het eilandje en den granietmuur, liep het gevaar vernield te worden bij een nieuwe uitbarsting. Alle krachten werden dus in het werk gesteld om den romp te voltooien.

De 3de Maart brak aan en zij konden er op rekenen dat zij binnen tien dagen het vaartuig in zee konden brengen.

De hoop keerde dus terug in de harten der kolonisten, die dit vierde jaar van hun verblijf op het eiland aan zooveel beproevingen waren blootgesteld. Pencroff zelf scheen weer moed te vatten en de somberheid, waarin de verwoesting van zijn eiland hem gestort had, te verliezen. Hij dacht wel is waar aan niets anders dan aan het schip, waarop hij thans alle hoop gevestigd had.

Gedurende de eerste week van Maart kreeg de berg Franklin weder een dreigender aanzien. De krater vulde zich weder met lava, en verdelgde nog hetgeen tegen de eerste uitbarsting bestand was gebleven. De stroom volgde ditmaal den zuidwestelijken oever van het meer Grant, strekte zich tot aan de Glycerine-rivier uit en verwoestte de geheele vlakte het Verre Uitzicht. Die laatste slag, welke aan de schepping der kolonisten werd toegebracht, was verpletterend.

Zij waren tot in hun laatste verschansing teruggedrongen, en, hoewel het bovengedeelte van het schip nog niet gekalfaterd was, zoo besloten zij het toch in zee te laten.

Pencroff en Ayrton hadden zich belast met de maatregelen hiertoe te nemen, die den volgenden dag, den 9de Maart zouden plaats hebben.

Maar, gedurende den nacht van 8 op 9 Maart ontsnapte er een ontzaglijke kolom damp uit den krater, en steeg onder een oorverdoovend geraas tot een hoogte van drie duizend voet. De muur van de Dakkar-grot had blijkbaar moeten zwichten onder de drukking van het gas, en de zee stroomde nu den middelschoorsteen binnen, in den vuurspuwenden afgrond, doch verdampte daar terstond. Maar de krater was tot het ontsnappen dezer dampen niet groot genoeg. Een uiteenbarsting, die op honderd mijlen afstand gehoord had kunnen worden, deed de lucht daveren. Stukken van bergen stortten zich in den Stillen Oceaan, en in weinige oogenblikken [221]stroomde die onafzienbare zee over de plaats waar eenmaal het eiland Lincoln geweest was.

Een uiteenbarsting deed de lucht daveren. Blz. 220.

Een uiteenbarsting deed de lucht daveren. Blz. 220.

[222]

[Inhoud]

XXIX.

Een eenzame rots.—Het laatste toevluchtsoord der kolonisten van Lincoln.—De dood voor oogen.—Onverwachte hulp.—Waarom en hoe zij komt.—De laatste weldaad.—Een eiland op vasten grond.—Het graf van kapitein Nemo.

Een verlaten rots van dertig voet lang, vijftig breed en nauwelijks tien voet uitstekende boven de oppervlakte, was het eenige vaste punt dat niet door de golven van den Oceaan verzwolgen was geworden. Dat was al, wat er van het Rotshuis was overgebleven. De muur was omver geworpen, daarna uiteengerukt, en eenige rotsen van de groote zaal hadden zich opeen gestapeld, zoodat ze dit verheven punt hadden gevormd. Al het andere was verdwenen in den afgrond, die hen omgaf: het inwendige van den Franklin-berg, door de uiteenbarsting van elkaar gereten, de steenen kieuwen van de Haaiengolf, de vlakte van het Verre Uitzicht, het Veiligheidseilandje, de rotsen van den Ballonhaven, de basaltmuren van het gewelf Dakkar, zelfs het Slangenschiereiland, dat toch zoo ver van den vulkaan verwijderd was! Van het eiland Lincoln zag men niets meer dan die kleine rots, die nu het eenige toevluchtsoord was van de zes kolonisten en hun hond Top.

De dieren waren in die verwoesting omgekomen; de vogels zoowel als de andere vertegenwoordigers der dierenwereld waren allen verpletterd of verdronken, en de ongelukkige Jup zelfs had den dood gevonden in een der spleten van den grond.

Dat Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff, Nab en Ayrton dit overleefd hadden, was slechts daaraan toe te schrijven dat zij allen bijeen waren onder hun tent, toen zij in zee werden geworpen, op het oogenblik dat de stukken van het eiland naar alle kanten zich verspreidden.

Toen zij weder bovenkwamen, zagen zij niets op een halve kabellengte afstand dan die eene massa rotsen, waar zij allen heen zwommen, en waarop zij gelukkig vasten voet konden zetten.

Het was op die naakte rots dat zij negen dagen lang leefden! Een weinig voedsel, dat zij nog gelukkig hadden kunnen redden, een kleine hoeveelheid zoet water, dat door den regen tusschen de rotsen was gevallen, dat was al, wat die ongelukkigen bezaten. Hun laatste hoop, hun schip, was verbrijzeld. Zij hadden geen enkel middel in hun macht om die klip te verlaten. Geen vuur, en niets om vuur te maken. Zij waren gedoemd hier om te komen!

Dien dag, 18 Maart, hadden zij nog slechts voedsel voor twee dagen, hoewel zij slechts het hoog noodige gebruikten. Al hun kennis, al hun vernuft kon in dezen toestand hun niets verschaffen! [223]

Cyrus Smith was kalm, Gideon Spilett zenuwachtig en Pencroff ter prooi aan den heftigsten toorn; hij liep gedurig heen en weer op de rots. Harbert verliet den ingenieur niet en zag hem nu en dan aan alsof hij hem om hulp smeekte, die dezen toch niet kon verleenen. Nab en Ayrton berustten in hun lot.

“Ellendig, ellendig!” herhaalde Pencroff dikwijls. “Hadden wij maar een notedopje, om ons naar het eiland Tabor te brengen! Maar niets, niets!”

“Kapitein Nemo had gelijk dat hij stierf,” zeide Nab eens.

Gedurende de vijf volgende dagen, leefden de kolonisten uiterst zuinig, en gebruikten slechts het hoognoodige, om niet van honger om te komen. Zij waren uiterst zwak. Harbert en Nab gaven reeds teekenen van waanzin. Bleef hun in dezen toestand nog een straaltje hoop over? Neen! Wat was hun eenige kans? Dat een schip voorbij de klip kwam? Maar zij wisten bij ondervinding dat de schepen nooit dit gedeelte van den Stillen Oceaan bezochten! Konden zij nog op het jacht van Lord Glenarvan hopen? Dat was onwaarschijnlijk, en zoo dit al kwam, daar zij geen bericht op het eiland Tabor hadden kunnen achterlaten, in welken toestand Ayrton verkeerde, zou de kapitein van het jacht, na het eiland vruchteloos te hebben doorzocht, wel weder het ruime sop kiezen.

Neen! er was geen hoop op redding, en een vreeselijke dood, de hongerdood stond hun op deze rots te wachten!

Reeds lagen zij als levenloos op die klip en hadden niet het minste bewustzijn meer van hetgeen om hen heen gebeurde. Ayrton alleen kon, door een schier bovenmenschelijke poging, het hoofd nog optillen en een wanhopenden blik op die verlaten zee werpen!...

Eensklaps op den morgen van 24 Maart strekten de armen van Ayrton zich naar een punt uit; hij richtte zich op, wierp zich op de knieën, en stond eindelijk op zijn beenen, en met bevende hand gaf hij een teeken....

Een schip was er in het gezicht van het eiland! Dat schip bevond zich niet doelloos in de zee. De klip was voor hem het doel waarheen het zich in snelle vaart richtte, en de ongelukkigen zouden het reeds sedert eenige uren gezien kunnen hebben, zoo zij nog de kracht hadden gehad den horizon waar te nemen.

“De Duncan!” mompelde Ayrton, en hij viel weder in onmacht.


Toen Cyrus Smith en zijn vrienden weder tot bewustzijn kwamen, dank zij de zorgen, waarmede zij nu overladen werden, bevonden zij zich in een kajuit van de stoomboot, zonder zich te kunnen begrijpen, op welke wijze zij den dood ontsnapt waren.

Eén woord van Ayrton was voldoende om hun alles te doen begrijpen.

“De Duncan!” mompelde hij. [224]

“De Duncan!” antwoordde Cyrus Smith.

Het was inderdaad de Duncan, het jacht van lord Glenarvan, waarover Robert, de zoon van kapitein Grant, bevel voerde, dat naar het eiland Tabor was gezonden om Ayrton te halen, en hem weder na een twaalfjarige afwezigheid in zijn land terug te brengen!

De kolonisten waren gered, zij waren reeds op hun terugweg!

“Kapitein Robert,” vroeg Cyrus Smith, “wie heeft u op de gedachte gebracht om, toen gij het eiland Tabor verlaten hadt en Ayrton niet weder hadt gevonden, nog honderd mijlen noordwestelijk te stevenen?”

“Mijnheer Smith,” antwoordde Robert, “het was niet alleen om Ayrton te gaan zoeken, maar ook u en uw vrienden!”

“Mij en mijn vrienden?”

“Zeker! Op het eiland Lincoln!”

“Het eiland Lincoln!” riepen allen ten hoogste verbaasd uit.

“Hoe kent gij het eiland Lincoln?” vroeg Cyrus Smith, “daar dit eiland zelfs op geen kaarten vermeld is?”

“Ik kende het, door het bericht dat gij op het eiland Tabor hadt achter gelaten,” antwoordde Robert Grant.

“Een bericht!” riep Gideon Spilett.

“Zeker, en hier is het,” zeide Robert hem het document overhandigende, waarop de ligging van het eiland Lincoln vermeld stond: “tegenwoordige verblijfplaats van Ayrton en vijf amerikaansche kolonisten!”

“Kapitein Nemo!....” zeide Cyrus Smith, toen hij dit gelezen en dezelfde hand herkend had, die het bericht had geschreven dat zij in de kraal gevonden hadden.

“O,” zeide Pencroff, hij had dus onze Bonadventure genomen, hij had zich dus alleen gewaagd naar het eiland Tabor!....”

“Om er ons bericht neer te leggen!” antwoordde Harbert.

“Ik had dus wel gelijk,” riep de matroos uit, “toen ik zeide, dat, zelfs na zijn dood, de kapitein ons nog een laatste weldaad zou bewijzen!”

“Waar moet ik dit kistje zetten?” vroeg Ayrton op dit oogenblik den ingenieur naderende.

Het was het kistje dat Ayrton, op gevaar af van zijn leven te verliezen, nog gered had op het oogenblik dat het eiland overstroomde, en dat hij nu weder aan den ingenieur teruggaf.

“Ayrton! Ayrton!” zeide Cyrus Smith op ontroerden toon.

Daarop wendde hij zich tot Robert Grant met de woorden:

“Mijnheer, gij hadt een misdadige achtergelaten, gij vindt een eerlijk man terug, wien ik trotsch ben de hand te mogen drukken!”

Zij stelden toen Robert Grant op de hoogte van de merkwaardige geschiedenis van kapitein Nemo en de kolonisten van het eiland Lincoln. Daarop, nadat zij de ligging van die klip hadden opgenomen, [225]welke voortaan op de kaarten zou te vinden zijn, gaf hij bevel het schip te wenden.

“De Duncan!” Blz. 223.

“De Duncan!” Blz. 223.

Veertien dagen later stapten de kolonisten in Amerika aan wal [226]en vonden zij in hun vaderland de rust hersteld na dien vreeselijken oorlog, waarin toch de overwinning aan rechtvaardigheid en recht was gebleven.

De schatten, welke in het kistje waren, dat kapitein Nemo had vermaakt aan de kolonisten van het eiland Lincoln, werden voor het grootste gedeelte besteed tot het aankoopen van grond in den Staat Iowa. Een enkele paarl echter werd er uit gehouden en aan lady Glenarvan gezonden, uit naam der schipbreukelingen die door de Duncan in hun vaderland waren teruggebracht. Op die gronden lieten de kolonisten allen, aan wie zij een woonplaats op het eiland Lincoln hadden toegedacht, werken om er hun fortuin en geluk te zoeken. Daar werd een groote kolonie gesticht, waaraan zij den naam gaven van het eiland, dat door den Stillen Oceaan verzwolgen was. Ook stroomde daar een rivier, die zij de Mercy noemden, een berg welke den naam van Franklin kreeg, een meer dat hen aan het meer Grant zou herinneren, en bosschen die voor hen de bosschen van het Verre Westen werden. Het was als een eiland op het Vasteland.

Daar bloeide alles onder de verstandige leiding van den ingenieur en van zijn vrienden. Geen van de oude kolonisten van het eiland Lincoln ontbrak er, want zij hadden gezworen altijd bij elkaar te blijven. Nab, steeds daar waar zijn meester was, Ayrton altijd bereid zich op te offeren, Pencroff meer boer dan hij ooit zeeman was geweest, Harbert, die zijn studiën onder het oog van Cyrus Smith voltooide, en Gideon Spilett, die de New-Lincoln-Herald oprichtte, een blad, dat het best van de geheele wereld op de hoogte van alles was. Daar ontvingen Cyrus Smith en zijn vrienden menigmaal een bezoek van Lord en Lady Glenarvan, van kapitein John Mangles, Robert Grant en majoor Mac Nabbs, van allen die eenig deel hadden aan de geschiedenis van kapitein Grant en kapitein Nemo.

Daar, eindelijk, leefden allen gelukkig, vereenigd in het tegenwoordige, gelijk zij in het verledene vereenigd waren geweest; maar nooit konden zij het eiland vergeten, waar zij arm en naakt waren aangeland; dat eiland hetwelk gedurende vier jaren in hun behoeften had voorzien en waarvan nu slechts een stukje rots overgebleven was, dat door de golven van den Stillen Oceaan bespoeld wordt en dat het graf was van kapitein Nemo!

[227]
[Inhoud]

INHOUD.

I. Bereiding van de wol.—Een vast plan van Pencroff.—De baleinen.—Waartoe een albatros kan dienen.—De brandstof der toekomst.—Top en Jup.—Stormen.—Cyrus Smith alleen.—Onderzoek van de put 1

II. Het schip wordt getuigd.—Een aanval van chilische honden.—Jup gewond.—Het schip wordt voltooid.—De Bonadventure.—Eerste tocht om de Zuid.—Een onverwacht stuk 11

III. Tot het werk wordt besloten.—De drie passagiers.—Eerste nacht.—Tweede nacht.—Het eiland Tabor.—Het bosch wordt doorzocht.—Niemand.—Een verlaten hut 22

IV. De nacht.—Eenige letters.—Voortzetting van het onderzoek.—Harbert in gevaar.—Aan boord.—Slecht weer.—Een vuur te rechter tijd 31

V. Onderling overleg.—Cyrus Smith en de onbekende.—De ballonhaven.—Tranen 42

VI. De eerste woorden van den onbekende.—Twaalf jaar op het eiland.—Bekentenissen.—Het eerste brood.—Een opoffering.—De eerlijke handen 50

VII. Een verzoek van den onbekende.—De hut in de kraal.—Twaalf jaar geleden.—De bootsman van de Britannia.—Op het eiland Tabor gezet.—De hand van Cyrus Smith.—Het geheimzinnige bericht 58

VIII. Een gesprek.—Cyrus Smith en Gideon Spilett.—Een plan van den ingenieur.—De electrische telegraaf.—Welvaart der kolonie.—Een uitwerking van de sneeuw.—Twee jaar op het eiland Lincoln 68

IX. Kansen der toekomst.—Plan tot een verkenning.—Slecht weer.—Een nieuw voorval 76

X. Een nacht op zee.—Vertrouwelijk gesprek.—Werk binnen ’s huis.—Een photographische proef 82

XI. Verloren of gered.—Ayrton ontboden.—Gewichtig onderhoud.—Het is de Duncan niet.—Een verdacht vaartuig.—Het schip nadert.—De brik laat het anker vallen 88

XII. Een voorstel van Ayrton.—Men neemt het aan.—Ayrton en Pencroff op het eilandje.—Boeven uit Norfolk.—Hun plannen.—Heldhaftige pogingen van Ayrton.—Zijn terugkomst.—Zes tegen vijftig 96

XIII. Maatregelen van den ingenieur.—De eerste stap.—Twee landingssloepen.—Zes veroordeelden aan land.—De brik licht het anker.—Onverwachte ontknooping 106

XIV. Ayrton en Pencroff redden de overblijfselen.—Gesprek onder het ontbijt.—De kruitkamer ongedeerd.—Nieuwe rijkdom.—De laatste overblijfselen 112

XV. De bewering van den ingenieur.—De grootsche onderstellingen van Pencroff.—Een batterij in de hoogte.—De vier kogels.—Ayrton aarzelt.—Edele gedachten van Cyrus Smith 118 [228]

XVI. Plan eener expeditie.—Ayrton in de kraal.—Bezoek aan de Ballonhaven.—Wat Pencroff denkt aan boord van de Bonadventure.—Geen antwoord van Ayrton.—Op weg naar de kraal.—Waarom de telegraaf niet werkt 124

XVII. Wanhoop van den zeeman.—Heelkundige behandeling.—De hoop herleeft.—Hoe Nab te waarschuwen.—Een zekere bode.—Antwoord van Nab.—Tegenspoed 131

XVIII. De boeven in den omtrek der kraal.—Voorloopige vestiging.—Een lap stof.—Een boodschap.—Verhaast vertrek.—Aankomst op de vlakte 139

XIX. Harbert in het Rotshuis.—Nab verhaalt wat er heeft plaats gehad.—Bezoek van Cyrus Smith aan de vlakte.—Verwoesting.—De kolonisten weerloos tegen de ziekte.—Top blaft weder 147

XX. Onoplosbaar geheim.—Beterschap van Harbert.—Toebereidselen voor het vertrek.—Voetstappen in het bosch 152

XXI. Onderzoek van het Slangen-schiereiland.—Kamp aan den mond der waterval-rivier.—Zes honderd schreden van de kraal.—Verkenning door Gideon Spilett en Pencroff.—Allen vooruit.—Een open deur.—Een verlicht venster.—Bij het maanlicht 156

XXII. Ayrton’s verhaal.—Het plan zijner vroegere makkers.—De hooge rechter van het eiland.—De Bonadventure.—Onderzoek bij den Franklinberg 164

XXIII. Drie jaren zijn verloopen.—Een nieuw schip.—Het besluit.—De scheepswerf.—De koude van het zuidelijk halfrond.—De Franklinberg 171

XXIV. De vulkaan ontwaakt.—Hervatting van het werk.—Een telegram.—Vertrek naar de kraal.—Een nieuwe lijn.—De basaltkust.—De grot.—Een schitterend licht.—Hij is gevonden 176

XXV. Kapitein Nemo.—Geschiedenis van een held.—Het onderzeesche leven.—Alleen.—De geheimzinnige geest van het eiland 188

XXVI. De laatste uren van kapitein Nemo.—De wil van den stervende.—Eenige raadgevingen aan de kolonisten.—Het laatste oogenblik.—Op den bodem der zee 197

XXVII. Hervatting van den arbeid op de werf.—De 1ste Januari 1869.—Een wolk op den top van den vulkaan.—Eerste verschijnselen eener uitbarsting.—Ayrton en Cyrus Smith in de kraal.—Onderzoek van de grot Dakkar.—Wat kapitein Nemo aan den ingenieur gezegd had 204

XXVIII. Het verhaal van Cyrus Smith omtrent zijn verkenningstocht.—Men haast zich met het schip.—Een laatste bezoek aan de kraal.—Strijd tusschen vuur en water.—Wat van het eiland overbleef.—De nacht van 8 op 9 Maart 213

XXIX. Een eenzame rots.—De dood voor oogen.—De laatste weldaad.—Een eiland op vasten grond 222

[Inhoud]

JULES VERNE’S GEÏLLUSTREERDE WONDERREIZEN.

Prijs per deel: 75 cts. ingen., ƒ 1.– geb.

Boek- en Kunstdrukkerij P. A. Geurts, Nijmegen.

[Inhoud]

Oorspronkelijke achterkant.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.

This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Documentgeschiedenis

  • 11-SEP-2007 begonnen.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Verbetering
Bladzijde 11 Jub Jup
Bladzijde 11 Jub Jup
Bladzijde 12 [Niet in bron]
Bladzijde 19 eu en
Bladzijde 37 [Niet in bron]
Bladzijde 38 [Niet in bron]
Bladzijde 39 ander anker
Bladzijde 48 Clycerine-rivier Glycerine-rivier
Bladzijde 58 Brittannia Britannia
Bladzijde 68 [Verwijderd]
Bladzijde 75 Jub Jup
Bladzijde 77 bouwen houwen
Bladzijde 80 , .
Bladzijde 88 Pencroft Pencroff
Bladzijde 90 Polinesischen Polynesischen
Bladzijde 96 XIII XII
Bladzijde 100 er er er
Bladzijde 115 nogelijk mogelijk
Bladzijde 119 [Niet in bron]
Bladzijde 127 ; .
Bladzijde 131 [Verwijderd]
Bladzijde 132 honderde honderden
Bladzijde 150 [Niet in bron] .
Bladzijde 162 [Niet in bron]
Bladzijde 168 [Niet in bron]
Bladzijde 177 dit Dit
Bladzijde 188 XXI XXV
Bladzijde 191 Cypayers Cipayers
Bladzijde 199 [Niet in bron]
Bladzijde 200 [Niet in bron]
Bladzijde 202 vaaruig vaartuig
Bladzijde 203 Dakker Dakkar
Bladzijde 203 Pencrof Pencroff
Bladzijde 206 [Niet in bron]
Bladzijde 214 ontploffiing ontploffing
Bladzijde 219 [Niet in bron] .