
LABYRINT SVĚTA A RÁJ SRDCE.
Uit het Tsjechisch vertaald en van verklaringen en een naschrift voorzien door R. A. B. OOSTERHUIS.

JAN AMOS COMENIUS,
naar de schilderij van Jurriaen Ovens, in het rijksmuseum.

Prediker I : 14.
Ik zag alle de werken aan, die onder de zon geschieden:—en zie, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.
I, liber, in lucem rigidi secure Catonis,
I Labyrinthaeis currere docte viis.
Cumque ibis curresque viis, dic: op time Lector
Ex me Supremum non nisi disce Bonum1.
Treed aan het licht, doch zonder den strengen Cato te vreezen,
Boekje, gewend door des doolhofs slingerpaden te gaan,
Als gij uw weg doorloopt, vlug geschoeid, spreek dan tot den lezer:
Let op het Hoogste Goed, leer dit alleen slechts van mij.
Den Doorluchtigsten en in waarheid Edelgeboren Heer, Heer KAREL, baron van ŽEROTIN den Oudere etc., stadhouder1 van Moravië, zijn genadigsten Heer2.
In dezen uitermate stormachtigen en onrustigen tijd zou ik den moed niet hebben, zelfs met dezen brief, laat staan met de opdracht van eenig geschrift Uwe Doorluchtigheid, Doorluchtigste Heer, lastig te vallen, indien hij niet juist tot die soort behoorde, welke ten doel heeft den geest te verfrisschen en in God berusting te doen vinden. Ik wil het duidelijker uiteenzetten. Aangezien het mij, die in mijn gedwongen lediggang in dit toevluchtsoord van de zorgen van mijn ambt ontheven ben, niet paste en evenmin behaagde, geheel werkeloos te zijn, begon ik in de laatste maanden onder anderen over de ijdelheid der wereld na te denken, (waartoe zich de gelegenheid van alle kanten aanbood), tot dit werk, dat ik hier Uwe Doorluchtigheid overgeef, onder mijn handen ontstaan is. Het eerste deel daarvan schildert het ijdele spel der wereld, hoe zij zich vol ijver, overal slechts met nietige dingen bezighoudt en hoe alles ten slotte jammerlijk eindigt in tranen of spot. Het tweede deel beschrijft deels in vrijen, deels in allegorischen vorm het ware en duurzame geluk der kinderen Gods: hoe zalig zij zijn, die zich van deze wereld en haar wereldsche dingen afgewend [6]hebben en God alleen nog aanhangen, ja, zich volkomen met Hem vereenigd hebben. Ik ben mij hiervan wel bewust, dat hetgeen ik in het licht gesteld heb, slechts een begin, dus nog niet volmaakt is. Want de stof is, zooals ik zei, overrijk en wel geschikt, het verstand te scherpen en de tong te oefenen, zoodat zij, door altijd nieuwe vindingen, tot in het oneindige zoude kunnen worden vermeerderd. Doch, wat de waarde van mijn werk ook moge wezen, ik wenschte het samen te lezen uit den inhoud van losse papieren en dien Uwe Doorluchtigheid aan te bieden. Met welk doel, mag ik nu nog niet ronduit zeggen; doch Uwe Doorluchtigheid zal het reeds met haar aangeboren scherpzinnigheid onder het lezen raden, of er zal zich ter verklaring wel een andere gelegenheid voordoen. Slechts dit eene merk ik even op, dat ik het niet voor ongepast gehouden heb, een dergelijk werk een man aan te bieden, die, nadat hij duizend keeren de stroomingen en den golfslag van de levenszee heeft leeren kennen, toch in den veiligen haven van een zuiver geweten rust heeft gevonden. Nu heb ik niets anders meer te wenschen, dan dat Uwe Doorluchtigheid, veilig voor de aanvechtingen van wereld en duivel, een zijn Christus welgevallig leven moge leiden en met gejubel in het hart een leven te gemoet zien, dat op deze ellende volgt en Uwe Doorluchtigheid ook met het volste recht ten deel vallen zal. Intusschen bestiere, verheffe, trooste, sterke ons de gezegende Geest van den eeuwigen Erbarmer, onzen God. Amen.
de aan Uwe Doorluchtigheid
toegewijde dienaar
J. A. COMENIUS.
Geschreven te Klopot, den 13en December 1623.
Aan den lezer,
Elk schepsel, zelfs het redelooze, heeft de neiging in die dingen, welke aangenaam zijn en gemak opleveren, behagen te scheppen en ze te begeeren; dit is in het bijzonder met den mensch het geval, in wien de aangeboren gave van het verstand de begeerte naar het goede en aangename opwekt en dit niet alleen, maar hem er ook toe brengt een grooter welgevallen daarin te vinden en des te ijveriger te streven naar wat beter, aangenamer en gemakkelijker is. Bijgevolg is door de wijzen sinds langen tijd de vraag gesteld, waar het hoogste goed (summum bonum) te vinden is, het goed, dat de menschelijke begeerte zou kunnen beteugelen, en waarin het bestaat; ik bedoel daarmede, dat, wanneer een mensch dit hoogste goed in zijn gemoed bereikt heeft, hij hierin rust zou kunnen en moeten vinden, daar hem verder niets meer te wenschen overblijft.
2. Als wij nu de moeite nemen, nauwlettender toe te zien, dan bemerken wij, dat niet alleen de philosofen deze vraag gesteld en ijverig gepoogd hebben en nog pogen, ze op te lossen, maar dat in het algemeen de gedachten van een ieder mensch er op gericht zijn te ontdekken, waar en hoe de volmaaktste vreugde te verkrijgen zou zijn; en dan vindt men, dat bijna alle menschen zich zelf ontvlieden [8]en datgene, waarmede zij het verlangen van hun hart zouden kunnen stillen en bevredigen, in de buitenwereld en haar beslommeringen zoeken: de een in have en goed, de ander in genoegens en wellust, een derde in eer en roem, een vierde in kunst en wetenschap, nog een ander in vroolijk gezelschap enz., en dat per slot van rekening allen hun blik op dingen richten, die buiten hen zelf gelegen zijn en daarin hun heil zoeken.
3. Doch dat zij het daarin niet vinden, betuigt Salomo, de wijste der menschen, die, eveneens den vrede zijner ziel zoekende, nadat hij de geheele wereld reeds doorreisd en doorschouwd had, ten laatste toch bekennen moest: „Daarom haatte ik dit leven; want dit werk docht mij kwaad dat onder de zon geschiedt, want het is al ijdelheid en kwelling des geestes” (Prediker 2 : 17). De ware zielevrede, verklaarde hij, na dien ten slotte zelf gevonden te hebben, bestaat daarin, dat de mensch de wereld late varen, zich alleen om God bekommere, Hem vreeze en Zijn geboden onderhoude. „Want,” voegde hij er aan toe, „daarop alleen komt alles aan” (Prediker 12 : 131).—Ook David komt tot dezelfde slotsom, dat hij de gelukkigste mensch is, die de wereld uit zijn oogen en gedachteleven verdrijft, zich enkel aan God vasthoudt, Hem tot zijn eeuwig deel verkiest en in zijn hart met Hem woning maakt (Psalm 73). [9]
4. Geloofd zij God, die in Zijn barmhartigheid ook mij de oogen heeft geopend, zoodat ik geleerd heb, de veelvormige ijdelheid en het erbarmelijke bedrog, dat zich overal onder den uiterlijken glans dezer prachtige wereld verbergt, te doorgronden en mijn zielevrede en zieleheil ergens anders te zoeken. Doch om mijzelf dit duidelijker voor oogen te stellen, alsook om anderen daarop te wijzen, besloot ik, dezen zwerftocht of pelgrimsreis door de wereld te beschrijven en heb in dit boekje in zeker opzicht een schets gegeven van al de avontuurlijke dingen, die zich in mijn leven voordeden, of waarvan ik tenminste getuige was, en hoe ik dan ten slotte den zoo vurig verwachten en in de wereld vergeefs gezochten troost gevonden heb. Of ik dit alles met veel of weinig talent geschilderd heb, is mij onverschillig; God geve slechts, dat ik het mij en mijn medemenschen tot nut en voordeel heb gedaan.
5. Hetgeen gij, lieve lezer, nu lezen zult, is geen dichtwerk, ofschoon het daarop gelijkt2. Het zijn ware gebeurtenissen, zooals gij, indien gij ze slechts recht verstaat, wel zelf zult inzien, in het bijzonder, wanneer gij eenige kennis hebt van de voorvallen uit mijn leven. Want ik heb hier voor het grootste deel gebeurtenissen geschilderd, die zich in mijn [10]niet al te lange leven reeds voorgedaan hebben, die anderen overkomen zijn, of ook eenige, van welke ik door anderen kennis verkregen heb. Ondertusschen heb ik toch geenszins al hetgeen ik meegemaakt heb, aangeroerd, deels uit een zeker schaamtegevoel, deels, wijl ik niet inzag, waarom het verhaal daarvan anderen profijtelijk zou kunnen zijn.
6. Mijn gidsen en die van alle menschen, die tastend in de wereld ronddwalen zijn in werkelijkheid twee in getal: de Driestheid, die alles doorsnuffelt, en het ingewortelde Vooroordeel, dat aan de drogbeelden der wereld den schijn van waarheid verleent.—Wie hen met het oordeel van zijn verstand volgen wil, zal evenals ik de erbarmelijke afdwalingen van zijn geslacht inzien. En komt de wereld hem daarbij anders voor, laat hij dan weten, dat hij den bril van het algemeen bedrog op zijn neus draagt, waardoor hij steeds van alles het tegendeel ziet.
7. Wat nu de beschouwing van het vreugdevolle leven der aan God gewijde zielen betreft, deze is meer met de pen der verbeelding geschreven3; ook wil ik den lezer niet doen gelooven, dat dit leven bij alle uitverkorenen volkomen en in zijn geheel tot werkelijkheid geworden is. Toch ontbreekt het God gewisselijk ook niet aan zulke fijnbesnaarde zielen en ieder Christen, wiens vroomheid oprecht is, zal het zich, als hij dit boekje leest, ten plicht [11]rekenen naar denzelfden graad van volkomenheid ook voor zich zelf te streven.—Dat het u welga, lieve christen, en moge de Heilige Geest, de leidsman van het licht, u beter dan het mijn zwakken krachten mogelijk was, leeren, hoe ijdel deze wereld is en welke heerlijkheid en zalige vreugde den met God vereenigden zielen van de uitverkorenen wachten. AMEN. [12]
Toen ik den leeftijd had bereikt, waarop het verschil tusschen goed en kwaad het menschelijk verstand begint duidelijk te worden, en de verschillende standen, rangen en beroepen, de bezigheden en oogmerken der menschen zag, waarop zij zich toeleggen, scheen het mij een dringende noodzakelijkheid, rijpelijk te overwegen, bij welke groep menschen ik mij zou aansluiten en aan welke goede zaak ik mijn leven zou wijden.
Wankelmoedigheid van den geest.
2. Nadat ik hierover veel en dikwijls had nagedacht en met mijn verstand ijverig was te rade gegaan, kwam ik ten slotte tot de overtuiging, dat ik het meeste genoegen zou vinden in een levenswijze, waarin zoo weinig mogelijk moeiten en zorgen en zoo veel mogelijk gemak, vrede en blijmoedigheid te vinden zou zijn.
3. Maar dan scheen het mij weder moeilijk tot het inzicht te komen, welk beroep met een dergelijke levenswijze zou strooken; ook wist ik niet, wien ik hierover met goed gevolg zou kunnen raadplegen, [13]afgezien nog daarvan, dat ik dit niet eens zoo bijzonder wenschelijk vond, daar ik van meening was, dat ieder mij zijn werkkring zou aanprijzen. Geheel zelfstandig en in overijling durfde ik niets aangrijpen, daar ik vreesde mis te tasten.
4. Toch, ik beken het, ben ik begonnen heimelijk eerst een zaak aan te vatten en toen nog een tweede en derde, maar elk van deze drie liet ik dadelijk weer varen, zoodra ik bespeurde, dat mijn moeite (zooals het mij toescheen) vergeefsch was. Ondertusschen vreesde ik, dat mijn onstandvastigheid mij tot schande zou brengen; dus wist ik niet, wat te doen.
5. Toen ik mijzelf hiermede heimelijk genoeg gekweld en het hoofd gebroken had, kwam ik tot het besluit, eerst alle menschelijke dingen, die onder de zon zijn, in oogenschouw te nemen en pas daarna, wanneer ik het eene ding wijselijk met het andere zou hebben vergeleken, een bepaald beroep te kiezen en mijn zaken zoo keurig te regelen, dat ik in de wereld een tevreden leven zou kunnen leiden.
Zoo trok ik dan uit eigen beweging er op uit en begon rond te zien, al overwegende, waar en hoe ik zou aanvangen.—In dat oogenblik treedt plotseling, zonder dat ik weet, vanwaar hij komt, een mensch op mij toe. Hij had een vasten gang, een vlug en knap uiterlijk en was rad van tong [14]en het scheen mij toe, dat zijn knieën, zijn oogen en zijn tong alle als op rolletjes liepen. Hij wendde zich belangstellend tot mij en vroeg, vanwaar ik kwam en waarheen ik van plan was te gaan. Ik zeide, dat ik zoo juist mijn huis verlaten had, en nu voornemens was door de wereld te zwerven en eenige ervaring op te doen.
De wereld is een doolhof.
2. Hij prees mij om dit oogmerk en sprak: „Maar waar is dan wel uw gids?”—Ik antwoordde: „ik heb er geen; ik verlaat mij op God en mijn oogen, vertrouwende, dat zij mij op geen dwaalweg zullen leiden.”
„Dan zult gij niets bereiken,” zeide hij; „is u wel eens iets ter oore gekomen van het labyrint van Creta?”—„Ik heb er wel eens iets van gehoord,” zei ik.—„Het was een wereldwonder,” verklaarde hij, „een gebouw, dat uit zoovele kamers, kleine ruimten en gangen bestond, dat hij, die zich zonder gids daarin waagde, steeds her- en derwaarts ging en dwaalde, doch nooit een uitgang vond.—Maar dat beteekent nog niets bij de wijze, waarop de doolhof der wereld, vooral in deze tijden, is ingericht. Ik raad u—geloof mij als man van ervaring—verstout u niet alleen daarbinnen te gaan.”
Beschrijving van iemand, die onbeschaamd was.
3. „Waar zal ik dan zulk een gids vinden?” vroeg ik.—Hij antwoordde mij: „ik zelf ben aangewezen [15]om hen, die iets begeeren te zien en te ervaren, als gids te begeleiden en hun alles te wijzen, wat er slechts te zien is; daarom ben ik u ook tegemoet gekomen.”—In mijn verwondering riep ik uit: „wie zijt gij, mijn vriend?”—Hij antwoordde: „Mijn naam is Alweter en ik draag den bijnaam Overalbij. Ik trek de geheele wereld door, gluur in alle hoeken en vorsch de woorden en daden van een ieder mensch uit; ik aanschouw alles, wat zichtbaar is; ik spoor alles, wat verborgen is, op en onthul het. Kortom, zonder mij mag niets geschieden, het is mijn plicht over alles een wakend oog te houden; en wanneer gij met mij medegaat, zal ik u op vele heimelijke plaatsen brengen, waarheen gij zonder mij nooit den weg zoudt hebben gevonden.”
4. Bij het hooren dezer rede ving ik aan mij innerlijk te verheugen van blijdschap, dat ik zulk een voortreffelijken gids gevonden had en ik verzocht hem moeite noch arbeid bij zijn geleide door de wereld te sparen. Hij antwoordde: „evengoed als ik anderen in deze aangelegenheid gaarne van dienst ben, wil ik dit ook u zijn.” Toen greep hij mijn hand en riep: „Laten wij gaan.” Zoo gingen wij dan en ik zeide: „Wel, gaarne wil ik zien, hoe het met ’s werelds beloop gesteld is en ook onderzoeken, of in haar iets gevonden wordt, waarop een mensch zich veilig kan verlaten.” Toen mijn makker deze woorden hoorde, bleef hij staan en sprak: „Vriend, indien gij u niet met het voornemen op reis begeeft om genoegen te nemen met [16]de dingen, die gij zult zien, maar met uw verstand daarover een oordeel wilt vellen, dan weet ik niet, of Hare Majesteit, onze koningin, daarmede tevreden zal zijn.”
De IJdelheid is de koningin der wereld.
5. „Wie is dan wel uw koningin?” vroeg ik. Hij antwoordde: „Zij, die de geheele wereld en haar beloop van den beginne tot het einde bestuurt; zij heet Wijsheid, ofschoon eenige waanwijzen haar IJdelheid noemen. Daarom raad ik u, nu het nog tijd is, om niet in haarklooverij te vervallen, als wij daar zullen gaan rondzien; anders zoudt gij gemakkelijk een pak slaag kunnen oploopen, zelfs al sta ik vlak naast u.”
Terwijl hij zoo met mij spreekt, kijk, daar sluipt van ter zijde iemand op ons toe; ik kon niet uitmaken, of het een man of een vrouw was (want het wezen was wonderbaarlijk vermomd en iets, dat op nevel leek, omgaf het) en roept: „Overalbij, waarheen spoedt gij u met dien man?”—„In de wereld breng ik hem (zeide hij), hij is begeerig haar te aanschouwen.”
2. „En waarom zonder mij?” liet gene zich weder hooren, „gij weet toch, dat het uw plicht [17]is de pelgrims te geleiden; doch het is mijn taak hun alles aan te wijzen, wat er te zien is.—Want het is niet de wil van Hare Majesteit de koningin, dat iemand, die haar rijk betreedt, naar eigen goeddunken, hetgeen hij ziet en hoort uitlegt en zijn waanwijsheid daarover lucht geeft,—zij wenscht slechts, dat hem alle dingen meegedeeld worden met de doeleinden, waartoe zij bestaan, en dat hij zich met deze kennis tevreden stelle.”
Overalbij antwoordde: „Zoo onbescheiden zal toch wel niemand zijn, dat hij zich niet, zooals alle anderen, met onze instellingen zou tevreden stellen? Doch ik vermoed, dat deze hier een toom zal noodig hebben. Goed, kom maar mee!” Zoo sloot zich de onbekende bij ons aan en wij gingen op stap.
De gewoonte der dingen leidt tot Verblinding der wereld.
3. Eensklaps schoot mij de gedachte te binnen: „God helpe mij, had ik mij maar niet laten overhalen hier heen te gaan! Zij beraadslagen met elkander over een soort toom, dat zij mij in den mond willen leggen.” Ik zei daarop tot den nieuwen metgezel: „Vriend, neem mijn verzoek niet kwalijk, doch gaarne zou ik ook uw naam weten.” Hij gaf ten antwoord: „Ik ben de tolk der Wijsheid, de koningin der wereld, en heb van haar de opdracht ontvangen, om een ieder te leeren, hoe men de dingen der wereld moet verstaan. Daarom prent ik—gij zult dit op uw zwerftocht door de wereld zien—oud en jong, van hooge of lage geboorte, [18]onwetend of geleerd, kortom den geest van allen in, wat tot de ware wereldwijsheid behoort; ik ben het, die hen vroolijk en blijmoedig maak, terwijl zonder mijn hulp zelfs koningen, vorsten, heeren en alle andere voorname menschen in de zeldzaamste moeilijkheden zouden verkeeren en hun dagen in treurigheid op de wereld zouden slijten.”
4. Daarop voegde ik hem toe: „Indien alles waar is, wat gij zegt, mijn beste vriend, is het een geluk voor mij, dat God mij u als leidsman gaf.—Want ik begeef mij in de wereld met het doel, datgene te zoeken, wat daarin het veiligst en aangenaamst is en dat aan te vatten; nu ik in u zulk een voortreffelijken raadgever heb, zal ik gemakkelijker een keuze kunnen doen.”—„Twijfel daaraan niet,” zeide hij, „want ofschoon gij in ons rijk alles bijzonder goed geordend en allen in de beste luim zult vinden en begrijpen zult, dat het daarin allen gehoorzamen onderdanen van onze koningin wel goed kan gaan, zoo is het daarom toch niet minder waar, dat bepaalde beroepen en bedrijven meer gemak en vrijheid geven dan andere.—Het zal u vrijstaan, naar eigen begeeren uw keus te doen. Ik zal u echter alles grondig uitleggen.” Ik vroeg: „met welken naam noemen de menschen u?” en ontving als antwoord: „Mijn naam is de Verblinding.” [19]
Toen ik dit hoorde, was ik een en al ontsteltenis over mijn zonderlingen makker, en dacht: tot mijn ongeluk kreeg ik hem tot metgezel.—De eerste (zoo overlegde ik bij mij zelven) heeft van een soort toom gesproken; de tweede heette Verblinding; zijn koningin heeft hij met den naam IJdelheid aangeduid (ofschoon ik vermoed, dat hij zich dit woord onvoorzichtig liet ontvallen); wat moet dat alles beteekenen?
2. En terwijl ik daar zoo zwijgend en met neergeslagen oogen liep en mij onwillig voortbewoog, sprak Alweter: „Ei, wispelturig mensch, ik geloof haast, dat gij lust hebt terug te keeren!” En eer ik nog een antwoord kon geven, had hij mij om den hals een soort toom geworpen, waarvan het gebit mij terstond in den mond gleed. Vervolgens zeide hij: „Nu zult gij wel gewillig uw eenmaal begonnen weg vervolgen.”
De toom der nieuwsgierigheid.
3. Ik bekeek nu dezen toom eens nader en merkte op, dat hij van de riemen van Nieuwsgierigheid was aaneengenaaid, terwijl het gebit uit het ijzer van halsstarrige voornemens was gesmeed; ik begreep, dat het mij voortaan niet meer zou vrijstaan, zooals vroeger, de wereld van eigen standpunt te beschouwen, maar dat mijn vluchtige en onverzadelijke geest mij met geweld zou voortsleepen. [20]
De bril der Verblinding.
4. Intusschen liet van de andere zijde de tweede gids zich hooren: „en ik schenk u dezen bril, door welken gij voortaan de wereld zult bezien”; tegelijk zette hij mij den bril op den neus. Dadelijk zag ik er alles anders door dan te voren, want hij had deze bepaalde eigenschap (waarvan ik naderhand nog dikwijls gelegenheid had mij te overtuigen), dat voor hem, die er door zag, een verwijderd voorwerp dichtbij, een nabijzijnd veraf, een klein voorwerp groot, een groot klein scheen te zijn. Een leelijk voorwerp leek er schoon door, een schoon leelijk, een zwart scheen wit en een wit scheen zwart te zijn. En ik begreep, dat zoo iemand niet tevergeefs Verblinding heet, die zulke brillen weet te vervaardigen en den menschen op te zetten.
Samengesteld uit Vooroordeel en Gewoonte.
5. De brilleglazen waren, zooals ik later bemerkte, van het glas Vooroordeel vervaardigd en de montuur, waarin zij waren gevat, bestond uit het soort hoorn, dat Gewoonte heet.
6. Tot mijn geluk zette hij mij echter den bril eenigszins scheef op den neus, zoodat hij mijn oogen niet volkomen bedekte. Wanneer ik het hoofd een weinig oprichtte en onder de glazen door gluurde, was ik in staat de dingen zuiver te zien in hun natuurlijke gedaante. Ik was zeer verheugd daarover en dacht bij mijzelf: „al hebt gij [21]mij ook den mond gesnoerd en de oogen bedekt, zoo vertrouw ik op mijn God, die het u niet zal doen gelukken mijn verstand en geest te knevelen. Het zal mij, als ik verder kom, toch verwonderen, hoe die wereld er uitziet, welke mevrouw IJdelheid mij wenscht te laten zien, doch niet met mijn eigen oogen.”
Buiten de wereld is er niets.
Terwijl ik hierover nog nadacht, zag ik mij op eenmaal geplaatst op een geweldig hoogen toren, zonder dat ik begreep, hoe dit geschiedde. Ik scheen mij onmiddellijk onder de wolken te bevinden en toen ik mijn blikken naar beneden richtte, zag ik op de aarde een oogenschijnlijk schoone, schitterende en uitgestrekte stad, waarvan echter eind en begrenzing zich aan alle zijden duidelijk afteekenden.—Zij was gebouwd in den vorm van een cirkel, van muur en wal voorzien, doch zonder gracht; inplaats daarvan was er een donkere diepte, die, naar mij voorkwam, bodem- en oeverloos was,—want alleen boven de stad was het licht, buiten den wal overal diepe duisternis.
De plattegrond der stad.
2. De stad zelf zag ik verdeeld in ontelbare straten, pleinen, huizen en gebouwen van grooteren en kleineren omvang; en overal wemelde het van [22]menschen, als waren het insecten. Tegen het oosten zag ik een poort staan, vanwaar een nauwe straat naar een andere poort liep, die reeds uitzicht had op al wat ten westen van de stad lag. En eerst door deze tweede poort gaande, geraakte men in de verschillende straten der stad. Ik telde een aantal van zes hoofdstraten, die alle evenwijdig liepen van oost naar west. In het midden dezer straten strekte zich een zeer groot, rond plein of markt uit en het meest westelijk stond, op een rotsachtigen, steilen heuvel, een hoog en blinkend kasteel, waarop de blikken van alle inwoners der stad het meest gericht waren.
De oostelijke poort en de poort der scheiding.
3. Daar sprak mijn gids Overalbij tot mij: „hier hebt ge dan, pelgrim, die dierbare wereld, welke gij zoo begeerig waart te beschouwen. Ik heb u daarom eerst op deze hoogte geleid, opdat gij haar in haar geheel zult kunnen overzien en zoo beter de wereldordening verstaan. Deze oostelijke poort is de poort des levens en alle menschen, die de wereld gaan bewonen, doorschrijden haar; die andere, naastbijzijnde, is de poort der scheiding en een ieder, al naar het lot, dat hem treft, treedt door haar het voor hem bestemde beroep tegemoet.”
De standen der wereld in zes rangen ingedeeld.
4. „De straten, die gij ziet, geloof mij vrij, zijn [23]de verschillende standen, rangen en beroepen, waartoe de menschen behooren en waarop zij zich toeleggen. Gij ziet zes hoofdstraten: in de zuidelijke straat woont de stand, waartoe de huisgezinnen behooren en die uit ouders, kinderen en dienstpersoneel bestaan; in de daaraangrenzende die der handwerkslieden, en allen, die zich met een ambacht bezighouden; in de derde, het dichtst bij de markt gelegen, woont de stand der geleerden, die zich aan geestelijken arbeid wijdt, aan de andere zijde van het plein woont de geestelijke stand, tot wien de anderen zich begeven om hun godsdienstplichten te vervullen. Daar achter woont de stand der overheden en wereldlijke machthebbers; in het uiterste noorden zetelt de ridderstand, die zich op oorlogszaken toelegt.—En, o, hoe nobel is alles geregeld! De eerstgenoemde stand is de bron van het leven; de tweede geeft voedsel aan allen; de derde leert en voedt allen op; de vierde stand bidt voor allen; de vijfde velt het oordeel over allen en bewaart hen voor wanorde; de laatste vecht voor allen; en zoo dient steeds de eene stand den anderen en alles blijft in het rechte spoor!
Het slot van Fortuna.—De marktplaats en het slot der wereld.
5. Die burcht, daar in het westen, is de Arx Fortunae, het Slot van het Geluk, waarin een uitgezocht gezelschap van menschen woont, die daar genieten van rijkdom, genoegens en roem.—De in het midden gelegen marktplaats is voor allen, [24]want hier komen menschen uit alle standen te zamen en doen er hun zaken af; midden op het plein, als het ware in het centrale punt der wereld, bevindt zich de residentie der Wijsheid, de koningin der wereld.
Het begin der verwarring,
6. Ik was met deze orde en dezen regel, beide zoo uitmuntend, zeer ingenomen en ving aan God den Heer te loven, die de wereld op zoo edele wijze in standen had verdeeld.—Maar een ding alleen beviel mij niet, dat ik de straten op vele plaatsen doorgebroken zag, zoodat somtijds de eene in de andere overging, en dit scheen mij een zeker bewijs, dat men gemakkelijk in de war zou kunnen geraken en verdwalen. En daarbij voelde ik, terwijl ik op den ronden vorm der aarde lette, zeer duidelijk, dat zij zich bewoog en in een kring ronddraaide, zoodat ik vreesde duizelig te zullen worden. Want als ik mijn oogen over de stad liet weiden, zag ik, dat alles, tot de allerkleinste dingen toe, in een wriemelende beweging verkeerde, en als ik vervolgens mijn ooren spitste, hoorde ik, hoe heel de lucht van slaan en kloppen, geschuif, gefluister en geschreeuw vervuld was.
waar zich de verblinding aan toevoegt.
7. Daarop nam mijn tolk, de Verblinding, het woord. „Ziet gij, mijn lieve vriend, hoe verrukkelijk deze wereld is, hoe schoon alles in haar [25]is? En dat is reeds het geval, wanneer men haar van verre ziet; wat zult gij wel zeggen, als gij haar dan stukje voor stukje van dichtbij met haar bekoring leert kennen? En wie zou zich in haar niet gelukkig gevoelen?” Ik zeide: „Uit de verte gezien, valt zij zeer in mijn smaak; ik weet niet, hoe het later zijn zal.”—„Nu, goed dan,” zeide hij, „vertrouw maar op mij en laat ons nu gaan.”
De geaardheid van den kinderlijken leeftijd.
8. Maar Overalbij, de andere gids, riep: „Wacht even, een plek moet ik hem van hier nog wijzen, waar wij dan verder niet meer komen. Wend nu eens uw blik terug naar het oosten; ziet gij, hoe daar uit die duistere poort iets voortschuift en hierheen komt gekropen?”—„Ik zie het,” gaf ik ten antwoord. En hij hernam: „Het zijn menschen, die onlangs op de wereld zijn gekomen, zonder dat zij zelf weten, vanwaar zij kwamen en evenmin zich zelf nog kennen en bevroeden, dat zij menschen zijn. Vandaar dat zij geheel door duisternis zijn omgeven en slechts weenen en krijten kunnen. Maar als zij gindsche straat betreden, begint het langzamerhand voor hen te schemeren; het licht gaat hun op en zij bereiken de poort, die zich juist onder ons bevindt. Laat ons gaan zien, wat daar wel plaats grijpt.” [26]
Het lot, de poortwachter der wereld.
Wij daalden nu langs een donkere wenteltrap naar beneden en zie, in de poort bevond zich een groote zaal vol jonge menschen en ter rechter zijde zat een grimmige oude man, die in zijn hand een grooten koperen pot hield. Ik zag nu, hoe allen, die uit de poort des levens kwamen, op hem toetraden, hoe elk de hand in den pot stak en een briefje, met iets daarop geschreven, voor zich daar uit trok. Dan verdween hij dadelijk in de eene of andere straat der stad, de eene vol vreugde en luid schreeuwend, terwijl de ander diep bedroefd en klagend, naar alle zijden zich keerend en wendend, al omziende, zijn bestemming tegemoet ging.
Het lot deelt de beroepen uit.
2. Ik trad nu nader, sloeg een blik in eenige dezer briefjes en zag, dat een hunner het woord: Heersch!, had getrokken, een tweede: Dien!, een derde: Beveel!, een volgende: Gehoorzaam!, nog een ander: Schrijf!, deze: Ploeg!, gene: Leer!, die: Graaf!, nog een: Richt!, de laatste: Vecht! en zoo voort.
Ik verwonderde mij zeer daarover, doch Alweter1 [27]zeide tot mij: „daar worden de beroepen en het werk verdeeld; in overeenstemming met het toegewezen lot heeft ieder mensch in de wereld zich nuttig te maken. De grijsaard, die de macht heeft over de loten, heet het Lot en ieder, die de wereld binnentreedt, moet bij hem een dergelijke instructie halen.
De pelgrim verzoekt vooraf te mogen onderzoeken en eerst dan te kiezen.
3. Op dit oogenblik geeft de Verblinding mij tegen de andere zijde een duw en beduidt mij zoo, dat ik ook een greep zal doen. Ik verzocht mij niet tot een keus te dwingen, zoo plotseling en op goed geluk af, zonder vooraf het gekozene te hebben beproefd, en mij niet blindelings—er kome van, wat wil—aan het noodlot over te geven. Maar men deelde mij mede, dat zulks, zonder voorkennis en bewilliging van den regent, het Noodlot, niet veroorloofd was. Zoo naderde ik hem dan en droeg hem deemoedig mijn verzoek voor: dat ik met het voornemen gekomen was, zelf eerst alles aan een onderzoek te onderwerpen en pas dan te kiezen, wat mij zou bekoren.
De pelgrim krijgt verlof hiertoe.
4. Hij gaf mij het volgende bescheid: „mijn zoon, gij ziet wel, dat de anderen dit niet doen, doch zich houden, aan hetgeen hun verstrekt of aangeboden wordt. Daar gij het evenwel zoo vurig begeert, zij het u toegestaan”. Vervolgens schreef [28]hij op een briefje: Speculare (dat is: „Zie rond” of „vorsch uit”), en liet mij daarmee vertrekken.
Hij ziet de verscheidenheid der menschen.
Mijn gids zei mij het volgende: „daar gij nu alles zelf hebt te onderzoeken, begeven wij ons het eerst naar het marktplein,” en daar bracht hij mij toen. En zie, ik aanschouwde er ontelbare scharen van menschen, als een nevel alle hoeken en gaten vullend, want daar waren menschen uit de geheele wereld, van elke taal en nationaliteit, van elken leeftijd, elke lichaamslengte, elke sekse, van iederen stand en rang, van elk beroep. Reeds op het eerste gezicht bemerkte ik, hoe zij in wonderbare mengeling zich her- en derwaarts bewogen, hetgeen geleek op het zwermen van bijen, alleen nog veel verwonderlijker.
De verschillende karakters en gedragingen der menschen.
2. Want eenigen gingen, anderen liepen rond, anderen reden; sommigen stonden, anderen zaten of lagen; sommigen rezen op, terwijl anderen zich weder nederlegden, nog anderen wendden en keerden zich in verschillende richtingen. Sommigen waren [29]alleen, anderen in grootere of kleinere groepen bijeen. Hun kleederdracht en gestalte waren buitengewoon onderscheiden; eenigen waren zelfs moedernaakt, en allen maakten zonderlinge gebaren. Als sommigen van hen elkander ontmoetten, dreven zij allerlei goochelspel met hand en mond; men zag, hoe zij op de knieën vielen en andere dergelijke bewegingen maakten, voor elkander bogen en negen, kortom allerlei grappige dingen deden. Toen merkte mijn gids op: „hier hebt ge dus dat edele menschelijke geslacht, die liefelijke, met verstand en onsterfelijkheid begaafde schepselen; reeds uit de verscheidenheid van hun verheven daden kunt gij opmaken, hoezeer de menschen het beeld van hun oneindigen Schepper dragen en gelijkenis met Hem vertoonen; daar aanschouwt gij, als in een spiegel, de waarde van uw eigen geslacht.
Huichelarij bij allen.
3. Ik vat hen daarop scherper in het oog en merk in de eerste plaats op, dat ieder, zoolang hij in de menigte tusschen de anderen wandelt, een masker voor zijn gelaat draagt, maar dit, zoodra hij alleen is of zich onder zijns gelijken bevindt, afwerpt en wanneer hij zich weder onder de schaar moet mengen, het weder voordoet. Daarom vroeg ik, wat dit beteekende, en kreeg ten antwoord: „mijn zoon, het is de menschelijke voorzichtigheid, die eischt, dat men niet aan ieder toont, wie men is. Alleen en tehuis kan de mensch zich wel geven, zooals hij is, maar onder de menschen behoort men [30]er menschelijk uit te zien en van zijn wezen den valschen schijn te weren.” Zoo kreeg ik lust, nog nauwlettender toe te zien, hoe de mensch zonder dit mooie omhulsel er wel mocht uitzien.
Hun wonderbaarlijke wanstaltigheden.
4. En terwijl ik dus opmerkzaam acht gaf, zag ik, dat allen niet slechts wat hun gelaat, maar ook wat hun lichaam betreft, op verschillende wijzen misvormd waren. Zonder onderscheid hadden zij allen puisten, roven en uitslag, en buitendien bezat de een een zwijnelip, een ander hondentanden of ossenhorens, nog een ander ezelsooren of basiliskenoogen, en ten slotte waren er met een vossestaart en de klauwen van een wolf; ik zag ook eenigen, die een hoog opgetrokken pauwenhals, anderen, die een opgestreken kuif als van een hop, nog anderen, die paardenhoeven hadden enzoovoort; de meesten echter leken op apen.—Toen schrok ik en zeide: „het zijn immers louter monsters, die ik zie.”—„Wat voor onzin, zegt gij, monsters?” riep de tolk uit en dreigde mij met de vuist. „Kijk slechts goed door uw brilleglazen en ge zult zien, dat het menschen zijn.” En eenigen, die daar buiten voorbijgingen, hoorden, dat ik hun monsters genoemd had; zij bleven staan, gromden tegen mij en deden, als wilden ze mij te lijf gaan. Daar ik nu wel begreep, dat alle redetwisten hier vergeefsch zou zijn, zweeg ik en dacht bij mij zelf: „als zij dan menschen willen zijn, laat hen dat zijn; wat mij betreft, wat ik zie, dat zie ik.” Ook vreesde ik, [31]dat men mij den bril vaster zou aandrukken en mij volkomen verblinden zou; daarom nam ik mij voor te zwijgen en liever in stilte die mooie dingen te beschouwen, waarvan ik daar den aanvang gezien had. Ik keek nu opnieuw toe en zag, hoe meesterlijk sommigen met hun maskers wisten om te gaan, die zij snel konden afnemen en weer voordoen, zoodat zij de kunst verstonden zich in een oogenblik een ander voorkomen te geven, waar zij zagen, dat dit noodig was. En hier begon ik reeds iets te verstaan van ’s werelds beloop, doch ik zweeg.
Het wederkeerig misverstand bij alle menschen.
5. Al opmerkende hoorde ik, dat zij in verschillende talen met elkander spraken, zoodat zij meerendeels elkander niet verstonden, noch antwoord gaven, tenzij dan een, dat er geheel naast was, de een geheel verschillend van den ander. Hier en daar was een groote menigte bijeen en allen spraken tegelijkertijd, ieder bracht het zijne te berde en niemand luisterde naar den ander, ofschoon men door van zich af te stooten of tot zich te trekken tot opmerkzaamheid wilde nopen.—Doch dit geschiedde niet, eerder kwam het tot vechten en bakkeleien.—Toen riep ik uit: „God behoede ons, zijn wij hier dan in Babel? Hier zingt ieder zijn eigen lied1. Kan er een grootere warboel bestaan?” [32]
Zij houden zich met nuttelooze dingen bezig.
6. Leegloopers waren er slechts weinigen in getal; bijna allen hielden zich met den een of anderen arbeid bezig; maar deze (niemand zou het verwacht hebben!) bestond uit niets dan kinderspel en vruchtelooze inspanning. Zoo verzamelden sommigen straatvuil en verdeelden het onder elkander; eenigen wentelden balken en steenblokken naderbij of trokken deze door middel van een windas ergens in de hoogte en lieten ze dan weder zakken; sommigen groeven aarde op en vervoerden of brachten ze van de eene plaats naar de andere; de rest hield zich bezig met bellen, spiegels, varkensblazen, ratels en ander speelgoed; anderen speelden zelfs met hun eigen schaduw, terwijl zij haar de maat namen, haar najaagden en trachtten te vangen. Dit alles deden zij met zulk een ijver, dat velen er van steunden, terwijl anderen het zweet uitbrak en sommigen zelfs nederzegen. En bijna overal waren er beambten, die hun zulke dingen opdroegen en het werk met groote onversaagdheid verdeelden, terwijl de anderen met niet minder groote kloekmoedigheid aan de opdracht gehoor gaven.—Toen riep ik met verbazing uit: „Ach arme! is dan de mensch slechts daartoe op aarde, dat hij zich met de scherpte van zijn hemelsch vernuft op zulke ijdele en nietige dingen toelegt?”—„Wat ijdele dingen,” riep de tolk uit. „Ziet men daar dan niet als in een spiegel, hoe de mensch door middel van zijn geestesaanleg alle [33]moeilijkheden overwint? De een doet immers dit, de ander iets anders.” „Maar allen,” antwoordde ik, „bemoeien zich met nuttelooze dingen, die met hun roemrijke grootheid in tegenspraak zijn.”—„Wees niet al te wijsneuzig,” berispte hij weder, „zij zijn immers nog niet in den hemel, doch leven op de aarde en moeten zich daarom met de dingen der wereld onledig houden. Gij ziet intusschen, hoe ordelijk het onder hen toegaat.”
Vreeselijke wanorde.
7. Bij een nadere beschouwing der dingen zag ik echter, dat men zich een grootere wanorde, dan die hier heerschte, niet zou kunnen voorstellen. Want als iemand zich aftobde en inspande om een bepaalden arbeid te verrichten, mengde een ander zich daarin, waardoor dan twisten, vechtpartijen en krakeelen ontstonden; en al verzoende men zich met elkaar, toch trok men na een wijle opnieuw van leer. Somtijds legden eenigen van hen tegelijkertijd beslag op een en hetzelfde ding; dan weder lieten zij het allen in den steek en ieder ging nu zijn eigen weg. Zij, die onder die beambten en opzichters stonden, hielden zich min of meer aan de hun gegeven opdracht, weliswaar slechts omdat zij moesten; evenwel ook hier zag ik velerlei geharrewar. Sommigen verbraken het gelid en vloden weg; anderen spraken tegen bij de bevelen van hun opzichters en waren onwillig te doen, wat hun bevolen werd; nog anderen probeerden hun den stok te ontrukken en hen daarna te [34]knevelen; inderdaad, overal was het de grootste janboel. Doch daar dit alles voor orde wilde doorgaan, durfde ik niets te zeggen.
Zij geven ergernis en een slecht voorbeeld.
8. Ik nam ook een anderen misstand waar, namelijk de blindheid en dwaasheid der menschen, want het geheele marktplein (en, zooals ik later zag, ook de straten) had een groot aantal groeven, gaten en kuilen; ook lagen er steenen en balken kris en kras door elkaar en nog vele andere hindernissen. Doch niemand dacht er ook maar aan iets uit den weg te ruimen, te herstellen of in orde te brengen. Niemand week zelfs voor de hindernissen uit of nam de moeite ze te ontwijken. Integendeel men ging er blind tegen in, zoodat nu deze, dan gene zich stiet, viel, en als hij den hals niet brak, zich ten minste leelijk toetakelde. Mijn hart beefde bij zulk een schouwspel. En niemand bekommerde zich om zijn naaste; maar wanneer iemand viel, lachte men hem duchtig uit. Zoo vaak ik nu een boomstam, een balk of een kuil gewaar werd, begon ik eenige lieden, die in den blinde daarover heen zochten te kruipen, te waarschuwen, doch niemand lette er op: sommigen lachten mij uit, anderen beschimpten mij, nog anderen wilden mij een pak slaag geven. Menigeen viel, die niet weer opstond; anderen stonden op, gingen verder en tuimelden herhaaldelijk over elkaar heen. Builen en blauwe plekken had ieder genoeg, zonder er [35]ook maar op te letten, zoodat ik mij over hun hardhuidigheid niet genoeg verwonderen kon; doch terwijl ze hun ongevallen en verwondingen, die aan eigen schuld te wijten waren, zoo licht opnamen, stelde ik aan den anderen kant vast, dat, wanneer men iemand ook maar eenigszins te na kwam, hij dadelijk woedend oprees om naar de wapenen te grijpen en te strijden.
De onbestendigheid en wankelmoedigheid der menschheid in alle dingen.
9. Ook merkte ik op, dat zij veel genoegen vonden in nieuwigheden en veranderingen in kleeding, bouwwijze, spraak, gang en andere dingen. Zoo zag ik er eenigen, die niets deden dan bestendig van kleeding te verwisselen en het eene kleed na het andere aan te trekken; weer anderen dachten een nieuwe wijze van bouwen uit, om dan na een wijle weer te vernielen, wat kort tevoren met moeite was opgericht. Zij vatten nu eens dezen dan dien arbeid aan en lieten in hun onbestendigheid alles spoedig weer liggen. Want als iemand zich onder zijn last doodgezwoegd of hem in den steek gelaten had, werden dadelijk anderen gevonden, die, hoe ongeloofelijk het klinken moge, om het bezit ervan storm liepen, streden en worstelden. Onder hen allen was er niemand, die iets gesproken, gedaan of opgesteld had, of dadelijk kwamen anderen, die hem om zijn werk uitlachten, er een verkeerde voorstelling van gaven of zijn werk [36]vernielden. Meer dan een bracht met buitengewone moeite en kosten een werk tot stand, waarin hij bijzonder veel welgevallen had, en, ziedaar, een ander komt en werpt het om, vernielt of bederft het, zoodat ik in de gansche wereld geen mensch gezien heb, die het een of het andere ontwierp, dat niet door anderen weder vernietigd werd. Ja, velen wachtten niet eens tot een ander dit deed; zij vernielden meteen hun eigen werk, zoodat ik mij over deze dwaze onbestendigheid en ijdele kwelling ten hoogste verwonderde.
Hun hoogmoed en hun zelfoverschatting.
10. Ook zag ik velen, die op hooge houten schoenen liepen, van dikke zoolen voorzien2 en anderen, die zelfs op stelten liepen (om boven alle anderen uit te steken en op hen van uit de hoogte te kunnen neerzien), maar, hoe grooter hoogte iemand bereikte, des te gemakkelijker viel hij neer of anderen, vermoedelijk uit naijver, lichtten hem een beentje; dit wedervoer velen en maakte hen tot het voorwerp van algemeen gelach; voorbeelden daarvan heb ik in menigte gezien.
Hun opgeblazenheid en eigenliefde.
11. Verder zag ik velen, die een spiegel droegen of terwijl zij met anderen spraken, twistten, [37]handgemeen waren of houtblokken voortwentelden, ja zelfs, als zij op hun stelten liepen, zich met welgevallen daarin van voren, van achteren en terzijde beschouwden, van pleizier met de tong smakten om hun bewondering over eigen schoonheid, gestalte en gang, en over eigen daden te kennen te geven. Zij reikten ook hun spiegel aan anderen toe, opdat die eveneens daarin zouden zien.
De dood brengt allen ellendig om.
12. Ten laatste zag ik den Dood overal in hun midden wandelen, terwijl hij toegerust met een scherpe zeis, met pijl en boog, hen allen met luider stem vermaande te gedenken, dat zij sterfelijk waren. Doch niemand luisterde naar zijn roepstem en ieder bleef volharden in zijn dwaasheid en onbetamelijk gedrag. Zoo nam hij dan de pijlen en slingerde ze naar alle zijden op hen af; en allen, zonder onderscheid, die hij in den grooten hoop trof, hetzij jong of oud, arm of rijk, geleerd of ongeleerd, zegen ineen. Wie getroffen was, schreeuwde, jammerde en brulde; diegenen, welke juist voorbijliepen, deinsden een weinig terug, doch waren spoedig weer even zorgeloos. Sommigen weer kwamen op den zwaargewonde toe en luisterden naar het reutelen van zijn laatste ademhaling; en toen de verwonde zijn knieën bij den laatsten snik optrok en den adem uitblies, riepen zij de geburen bijeen, zongen, aten, dronken en maakten misbaar bij het lijk; een enkele trok daarbij een [38]potsierlijk gezicht. Vervolgens namen zij den dooden man op, sleepten hem buiten den kring en wierpen hem over de omheining in den donkeren afgrond, die de wereld omringt. Nauwelijks van daar teruggekeerd, gaven zij zich opnieuw aan zwelgerijen over. Wel ontsnapte niemand aan den Dood, doch men deed zijn uiterste best hem niet onder de oogen te zien, ofschoon hij hen dikwijls op een haar na aanroerde.
Verschillende ziekten.
13. Ik zag verder, dat niet allen, die door pijlen getroffen waren, terstond dood neervielen; eenigen waren slechts gewond, verlamd, blind, bedwelmd of bewusteloos. Sommigen zwollen na hunne verwonding als een blaar op, anderen verdorden en werden zoo mager als een hout; weder anderen trilden als espenloof, zoodat het aantal menschen, die met wonden bedekt en met rottende en etterende ledematen rondliepen, grooter was dan dat der gezonde lieden.
Tegen den dood is alle hulp ijdel.
14. Ik zag ook vele menschen druk in de weer met het verkoopen van pleisters, zalven en verschillende dranken als middelen tegen deze wonden en elkeen kocht van hen, hoogst verblijd, en in de hoop den Dood zoo te kunnen trotseeren. Doch deze stoorde zich daaraan niet, schoot verder zijn pijlen af en velde zelfs deze verkoopers. Het was [39]voor mij een weemoedig schouwspel te zien, hoe een schepsel, bestemd tot onsterfelijkheid, zoo jammerlijk en onverwacht, en op zoo verschillende wijze door den dood omkomt. In het bijzonder, toen ik vond, dat bijna altijd, wanneer iemand zich er toe zette, zoo echt zijn leven te genieten, wanneer hij vrienden om zich had verzameld, zijn aangelegenheden verzorgd, zijn huis besteld en geld bijeengeschraapt had, of op andere wijze goederen bijeengegaard en zijn welvaart vermeerderd had, de pijl van den Dood juist op dat oogenblik op hem aansnorde en een eind aan alles maakte; en wie zich in deze wereld het schoonste bed had gespreid, werd daaruit weggesleurd en moest ervaren, dat al zijn werk tot niets geleid had; wanneer nu een ander zijn plaats innam, trof hem hetzelfde lot, een derde even goed als een tiende of honderdste. Toen ik daar zag, dat niemand met deze onzekerheid des levens rekening wilde houden en haar ter harte nemen, en allen zich integendeel gedroegen, als waren zij zeker van de onsterfelijkheid, terwijl zij toch met een voet in het graf stonden (waarover mijn hart van leed in mij dreigde te breken), wilde ik mijn stem verheffen, vermanen en smeeken, dat zij hun oogen openen en den Dood, die zijn pijlen op hen aanlegde, in het aangezicht zouden zien om hem langs den een of anderen weg te ontwijken. Maar ik zag in, dat mijn zwakke stem niets zou vermogen, daar zelfs de Dood noch door zijn voortdurende roepstem, noch doordat hij in zijn verschrikkelijke [40]gestalte aanhoudend voor hen stond, iets bij hen kon uitrichten. Ik zeide dus in stilte: „Het moge God geklaagd wezen, voor altijd, dat wij, ellendige stervelingen, tot ons ongeluk zoo verblind zijn!” Mijn gids verstond mij evenwel en sprak: „Eilieve, zou het dan wijs zijn, zich zoo met gedachten over den dood te kwellen? Juist omdat ieder weet, dat hij hem niet ontsnappen kan, is het beter die gedachten te bannen, zich liever om zijn eigen persoon te bekommeren en vroolijk zijn gang te gaan. Komt hij, zoo is hij daar; in eenige uren is het afgeloopen, en vaak zelfs in een enkel oogenblik. Moeten daarom, als iemand sterft, de anderen ophouden vroolijk te zijn? En hoevelen worden er niet geboren en vervullen weer de plaats van dien eenen in de wereld?” Waarop ik zeide: „als dat de ware wijsheid is, dan moet ik haar niet recht verslaan,” en ik hield mij stil.
De menschen halen zich zelf ziekte en dood op den hals.
15. Ik wil echter niet verzwijgen, dat, terwijl ik de doodelijke pijlen in ontelbare massa door de lucht zag vliegen, de vraag in mijn brein opkwam: „waar haalt de Dood toch die menigte pijlen vandaan, zonder dat hij zijn voorraad ooit schijnt te hebben uitgeput? Ik zag toe en bemerkte heel duidelijk, dat de Dood zelf geen eigen pijlen noch boog bezat; de pijlen nam hij echter den menschen af, en wel van ieder juist dien pijl, waarmee hij zelf zou worden getroffen. Ik zag, dat de [41]menschen dergelijke pijlen zelf vervaardigden en hoe sommigen overmoedig en vermetel genoeg waren, ze zelf den dood over te reiken, zoodat hij nauwelijks de handen vrij kreeg om de pijlen, die hij gereed vond, van hen aan te nemen en ze hun in het hart te schieten. Toen schreeuwde ik het uit: „Nu zie ik, hoe waar het spreekwoord is: Et mortis faber est quilibet ipse suae3; ik zie nu, dat niemand sterft, die niet door zijn overdaad, onmatigheid, en overmoed, of ook ten slotte door eigen onverschilligheid zich zelf zweren en builen, inwendige en uitwendige wonden (want dat zijn de pijlen des doods) heeft berokkend.” Terwijl ik nu zoo nauwlettend op den Dood en zijn gretig zoeken naar menschelijken buit acht geef, grijpt de Verblinding mij bij den arm en zegt: „Waarom, dwaas, die ge zijt, kijkt ge liever naar de dooden dan naar de levenden? Wie sterft, met dien is het uit; doch gij, houd u bereid te leven.”
Zich te schikken in den echtelijken stand is moeilijk en bezwaarlijk.
Zij leidden mij nu verder en brachten mij in de straat, waarin naar hun zeggen de gehuwden woonden, opdat ik daar het heerlijke, echtelijke [42]leven goed zou leeren kennen. En zie, daar stond een poort, die, naar men mij meedeelde, de Verloving heette; vóór de poort was een ruime plaats, waarop groote menschenmenigten van beiderlei kunne, op en neer wandelden en daarbij elkander in de oogen zagen; en niet alleen dat, doch zij namen ook opmerkzaam elkanders ooren, neus, gebit, hals, tong, handen, voeten en andere lichaamsdeelen op; de een deed ook opmetingen bij den ander, hoe groot, hoe breed, hoe dik of hoe slank deze was. Eerst trad dan een bepaald persoon op een ander toe, vervolgens week hij eenigszins achteruit, beschouwde haar dan van voren, van achteren, van rechts en van links, en overzag dan nog eens alles, wat hij bij haar waargenomen had. Vooral lette men (ik heb het heel dikwijls gezien) op elkanders zak, geldbuidel of beurs, terwijl men dan nauwkeurig mat en woog, hoe lang en breed, hoe dik, hoe stijf gevuld of licht deze was.—Somtijds wezen eenigen onder hen elkaar een bepaalde vrouw aan, en niemand nam haar; dan weer trachtte de een den ander de loef af te steken, en ontstonden er twisten en vechtpartijen; moorden werden er zelfs gepleegd. Gelukte het iemand een ander te verdringen, dan trof hem terstond daarop van een derde zijde hetzelfde lot; soms had iemand zijn medeminnaar verdreven en liet niettemin zijn buit vrijwillig in den steek. Een ander wenschte zijn tijd niet te verliezen met onderzoek en greep dadelijk naar de eerste de beste; daarna schreed het paar hand in hand naar de poort. Toen ik van [43]deze soort kluchten genoeg gezien had, vroeg ik, wat deze menschen toch eigenlijk uitvoerden, en kreeg van mijn tolk ten antwoord: „Het zijn de menschen, die gaarne in de huwelijksstraat willen wonen, maar omdat zij door gindsche poort niet afzonderlijk, doch alleen paarsgewijs worden binnengelaten, moet ieder zich eerst een kameraad uitkiezen. Deze keuze vindt nu juist hier plaats en ieder zoekt zich de levensgezellin, die hem het beste past; wie zoo gelukkig is haar te vinden, gaat, zooals gij ziet, met haar de poort binnen.”—„En kon deze keuze hem dan niet wat lichter gemaakt worden,” vroeg ik, „welk eene ontzaggelijke moeite kost dat alles.”—„Het is geen moeite,” antwoordde hij, „maar genot; of ziet gij niet, hoe vroolijk zij zich daarbij gedragen, hoe zij lachen, zingen en hoe uitgelaten zij zijn? Geen enkele levenswijze, geloof mij, is zoo vroolijk als deze.”—Zoo keek ik dan nog eens rond en zag inderdaad sommigen lachen en jubelen, maar ik zag ook anderen, die treurig het hoofd lieten hangen en door onrust gepijnigd waren, nu hier dan daar ronddrentelden, vervolgens naar de plaats van uitgang terugkeerden, zich voortdurend aftobden, niet konden slapen of eten, ja zelfs tot waanzin vervielen.—Ik waagde schuchter de tegenwerping: „Hoe is het dan toch met dezen gesteld?” waarop het antwoord luidde: „Ook dit is vergenoegd zijn!” „Het moge zoo zijn,” sprak ik, „laat ons voortgaan en zien, wat daar geschiedt.” [44]
Groote onzekerheid betreffende de opname in den stand.
2. Wij drongen ons derhalve door de menigte heen en kwamen zoo tot vlak bij de poort. Voordat we haar echter binnentraden, zie, daar was een weegschaal, waaraan twee manden als schalen hingen en die door veel menschen omringd was. Op deze weegschaal plaatste men steeds twee personen, elk in een der korven tegenover elkaar, en men zag toe, of ze in evenwicht was. Men verdrong zich om de weegschaal en verspreidde zich weder, schudde er aan, bracht ze weer tot stilstand en liet ieder paar, nadat men het gewogen had, de poort binnengaan. Maar niet ieder wedervoer hetzelfde, want sommigen vielen door den mand in het stof, oogstten spot in en moesten met schande hun biezen pakken en het veld ruimen; daarbij trok men hun nog een soort kap of zak over de ooren en vermaakte zich te hunnen koste. Bij het beschouwen hiervan vroeg ik, wat dit alles toch beteekende? Mijn gids antwoordde: „Hier vindt de verloving plaats, als zij op veiligen grondslag berust. Want als de weegschaal in evenwicht is, worden zij tot dezen stand toegelaten, zooals gij ziet; indien niet zoo gaan zij weder uit elkander.” „En wat verstaat men hier eigenlijk onder evenwicht?,” vroeg ik nader, „ik zie immers, dat vele paren, wat leeftijd en stand betreft, en ook in menig ander opzicht, door de weegschaal als gelijkwaardig worden aangewezen en toch laat men een van beiden door [45]den mand vallen; anderen daarentegen, die zeer ongelijk zijn, grijsaards en jonge meisjes, jongelingen en oude vrouwen, zetten zij naast elkander; de een rijst en de ander daalt laag en toch oordeelt men, dat zij toegelaten mogen worden; wat is hiervan de reden?”—„Gij hebt niet alles gezien,” verklaarde hij mij. „Het is waar, dat menig grijsaard of besje het gewicht van een pond heede1 niet haalt, maar omdat zij een goed gespekte beurs hebben of een hoed, waarvoor andere hoeden van het hoofd vliegen of meer dergelijke schoone dingen bezitten, (want al zulke zaken leggen mede gewicht in de schaal), verloopt het zoo, dat veel anders uitvalt dan gij verwachten zoudt.”
De wijze, waarop zij te zamen verbonden zijn, is onveranderlijk.
3. Terwijl ik hen volgde, die men tot de poort had toegelaten, en mee naar binnen ging, viel mijn blik op eenige mannen, op smeden gelijkend, die bezig waren, elk paar, dat binnentrad in verschrikkelijke ketenen te slaan en het eerst, nadat het aldus geboeid was, veroorloofden verder te gaan. Bij dit in boeien slaan waren vele lieden aanwezig, opzettelijk, naar het heette, uitgenoodigd, om daarvan getuigen te zijn, zij maakten muziek voor de paren, zongen en verzochten hun, goedsmoeds te zijn. Ik gaf evenwel goed acht en merkte [46]op, dat men de ketenen niet, zooals bij andere gevangenen pleegt te geschieden, met een slot vastgemaakt, doch ze onmiddellijk en gloeiend aan elkander vastgesmeed, geweld en gesoldeerd had, zoodat zij deze gedurende hun gansche leven op aarde niet konden losmaken of verbreken. Dit verschrikte mij en ik riep uit: „O, allergruwelijkste gevangenschap! als iemand eens daarin geraakt is, heeft hij in eeuwigheid geen hoop, verlost te worden!” Mijn tolk antwoordde: „Zeker, deze band is de hechtste van alle menschelijke banden; maar men behoeft er daarom niet bevreesd voor te zijn. Want deze stand biedt zooveel zoete vreugde, dat men zich gaarne het juk laat welgevallen; gij zult u zelf daarvan overtuigen, welk een heerlijk leven het is.”—„Laten wij ons dan bij hen voegen, opdat ik het zien moge,” zeide ik.
De beste huwelijken geven slechts een middelmatig geluk.
4. Wij sloegen vervolgens de straat in en zie, daar was een heele schare van deze lieden, uitsluitend gepaard; doch, naar het mij toescheen, was menig span zeer ongelijk, want forsche personen waren met tengere, schoone met leelijke, jonge met oude verbonden, enzoovoort. En terwijl ik nauwlettend acht gaf op hun handelingen, om te zien, waarin de zoetheid van dezen staat wel gelegen was, kon ik alleen maar opmerken, dat zij elkander aanzagen, met elkander spraken, en dat somtijds de een den ander streelde en kuste.—„Hier ziet gij [47]nu,” zeide mijn gids, „hoe rein en heerlijk een gelukkig huwelijk is.”—„Is dit dan alles, wat men in het beste geval te verwachten heeft?”—„Zeker,” luidde zijn antwoord.—Ik zeide: „Dan vind ik in den echt slechts weinig verheugenis en weet ik niet, of zij tegen de verloren vrijheid wel opweegt.”
Ellende en kommer zijn het deel van alle echtelieden.
5. Ik zag om mij heen en bemerkte, hoe die stakkers onder moeiten en kwellingen gebukt gingen. Voor het grootste deel hadden zij in een lange rij hun kinderen bij zich, die zij met touwen, als leidsels, aan zich vastgehecht hadden en die luid schreeuwden, krijschten, kwalijk riekten, zich bevuilden, soms ziek werden en stierven, om maar te zwijgen van de tranen, de pijnen en gevaren voor het leven der moeders bij het ter wereld brengen der kinderen. Als nu een kind tot rijperen leeftijd opgegroeid was, had men dubbel werk: in de eerste plaats om het kind met den teugel in toom te houden, in de tweede plaats, om het door middel van sporen aan te zetten, daar zij dikwijls ongevoelig voor breidel en spoor, wonderlijke bokkesprongen maakten en oorzaak waren van veel vermoeienis en tranen bij hun ouders. Doch als zij den kinderen veroorloofden hun eigen zin te volgen of dezen zich van hen losscheurden, sproot daaruit dikwijls dood en schande voor de ouders voort. Toen ik dit hier en daar waarnam, begon ik eenigen van hen te vermanen, zoowel ouders als kinderen; de eersten [48]waarschuwde ik voor hun apenliefde en al te groote toegevendheid; de kinderen spoorde ik aan, toch gehoorzamer te zijn. Doch ik had alles behalve succes; men trok een leelijk gezicht tegen mij, wierp mij stekelige gezegden naar het hoofd, ja eenigen bedreigden mij zelfs met den dood. En ik prees de kinderloozen gelukkig, die ik onder hen opmerkte. Maar het was haar niet minder bang te moede en zij klaagden over haar troosteloos bestaan. Zoo kwam ik tot de slotsom, dat het bezit zoowel als het gemis van kinderen het huwelijk tot een bron van ellende maakt. Bovendien hadden de meeste echtparen, tot hulp van zich zelf en van hun huisgenooten, vreemden bij zich inwonen, aan wie zij dikwijls meer zorg moesten besteden, dan aan zich zelf en hun gezin en van wie zij bovendien nog veel onaangenaams moesten ondervinden. En overigens lagen hier, evenals op het groote marktplein, vele hindernissen en struikelblokken, zooals steenen, boomstronken, kuilen; stiet iemand daartegen, dan struikelde hij, viel en verwondde zich; dan moest de andere, doordat zij aan elkander vastgeklonken waren, ook met hem hijgen van benauwdheid en de tranen en smarten met hem deelen, zoodat aan een ieder, die tot dezen stand behoorde, in plaats van één zorg, moeite of gevaar, er zoo vele ten deel vielen, als er menschen waren, aan wie hij was verbonden. Daarom mishaagde mij deze stand. [49]
Een mislukte echtverbintenis is een vreeselijk treurspel.
6. Terwijl ik eenigen uit hen, die daar verzameld waren, goed opnam, speelde zich een ware tragedie voor mijn oogen af. Het waren stellig menschen, wel verbonden door den echtelijken band, doch niet gelijk van wil; deze wilde zus, gene zoo; de een poogde dezen weg te gaan, de ander dien; en daar zij het niet eens werden, leefden zij voortdurend in twist en oneenigheid en snauwden elkander af. Hier en daar klaagde er een aan de voorbijgangers zijn leed; en wanneer niemand hunner als scheidsrechter optrad, ging de een den ander te lijf, sloeg hem met de vuist en roste hem af; als het evenwel gelukte, hen met elkaar te verzoenen, zaten zij elkaar een poos later opnieuw in de haren. Sommigen redetwistten er lang over, of zij rechts, dan wel links zouden gaan; daar echter ieder hardnekkig in de richting volhardde, waarin hij wenschte te gaan, wendde de een zich met veel geweld naar deze, de andere naar gene zijde; zoo sleurden zij elkander over en weer en het was een droevig schouwspel te zien, hoe men streed om den ander te dwingen de zelfgekozen richting te volgen. Somwijlen behaalde de man de overwinning en sleurde de vrouw achter zich aan, ofschoon zij zich aan de aarde, aan het gras, of waaraan zij kon, poogde vast te klampen; soms evenwel moest de man achter de vrouw aanloopen, hetgeen bij de anderen den lachlust opwekte. Mij echter scheen [50]de zaak meer betreurenswaardig dan belachelijk te zijn, vooral toen ik zag, hoe velen, die zich in dezen jammerlijken toestand bevonden, zuchtten, weenden, de ten hemel geheven handen wrongen en luidkeels riepen, dat zij zich gaarne met goud en zilver uit deze banden wilden loskoopen, indien het slechts mogelijk ware. En ik zeide tot mijn begeleider: „Kan hun dan volstrekt geen hulp verleend worden? Kunnen hun banden niet geslaakt en zij van elkander gescheiden worden, daar zij het toch niet met elkander kunnen vinden?” „Dat is onmogelijk,” antwoordde hij mij, „zij moeten bij elkander blijven, zoolang zij leven.” „O, welk een gruwelijke gevangenschap en slavernij!” riep ik uit, „dit is werkelijk erger dan de dood”; waarop hij weer opmerkte: „waarom hebben zij den beslissenden stap van te voren niet beter overdacht? Hun geschiedt, naar zij verdiend hebben; laten zij in hun oneenigheid blijven!”
Het huwelijk is een vrijwillige slavernij.
7. En zie! daar doorschoot de Dood eenigen met zijn pijlen en velde hen neder; en terstond vielen hun de boeien af. Ik wenschte hun geluk daarmede, omdat ik van meening was, dat het met hun eigen wenschen overeenkwam en zij zich over hun bevrijding hartelijk zouden verheugen. Doch hoe verwonderd stond ik te kijken! Bijna ieder van hen brak in zulk een vloed van tranen en weeklachten uit, als ik elders op de wereld nauwelijks heb [51]gehoord; hij wrong de handen en klaagde over zijn ongeluk. Bij degenen, die ik kort te voren vredig met elkaar had zien samenleven, vond ik het zeer begrijpelijk, dat het den een om den ander waarlijk bang te moede was, doch wat de anderen betreft, geloofde ik, dat zij alleen maar voor het oog der menschen zich zoo aanstelden. Ik had er wel op willen zweren, dat zij berouw hadden van hun dwaling en anderen den weg zouden wijzen, hoe deze boeien te ontgaan. Doch integendeel, voor ik er op bedacht was, wischten zij zich de oogen af, liepen haastig tot voor de poort en keerden terug in nieuwe boeien. Toen kon ik mijn toorn niet meer beheerschen: „O, monsters,” zeide ik, „gij zijt geen medelijden waard!” en tot mijn gids: „Laat ons van hier gaan, ik vind in dezen stand meer ijdelheid dan in iets anders.”
De pelgrim onder het huwelijksjuk.
8. Terwijl wij intusschen terugkeerden tot de poort der scheiding (ik wil dit voorval niet verzwijgen), begonnen mijn gidsen, zoowel Overalbij als de Verblinding, hoewel ik het voornemen had verder de wereld te bekijken, mij met aandrang te overreden, ook zelf in den echtelijken staat te treden; dan zoude ik beter verstaan, wat hij eigenlijk beteekent. Ik voerde daartegen aan, dat ik jong was, dat de voorbeelden, die ik gezien had, mij afschrikten, dat ik alles op de wereld nog niet onderzocht had, enzoovoort. Doch het baatte mij niet, zij verlokten mij, om als in scherts in de [52]weegschaal plaats te nemen. Daar geraakte ik in boeien en ging verder mijns weegs, thans zelf deel uitmakend van een aaneengekluisterd viertal2; zij voegden nog een aantal anderen, naar het heette, als bedienden en om mij eer te bewijzen, aan ons toe, zoodat ik nauwelijks, hijgend en steunend, in staat was, die allen achter mij aan te sleepen. Daar breekt op eenmaal een onweder los, vergezeld van donder, bliksem en vreeselijken hagelslag. Allen stoven uiteen, behalve zij, die aan mij verbonden waren; en toen ik met hen in een hoek de wijk nam, rukten de pijlen van den Dood daar al de mijnen3 weg, zoodat ik, jammerlijk alleen gelaten, door het verlies van mijn drie metgezellen, en van schrik als verlamd, niet wist, wat ik nu zou beginnen. Mijn gidsen zochten mij te troosten door te zeggen, dat ik met het oog op deze benarde tijden liever moest bedenken, dat dit mijn vlucht gemakkelijker zou maken. Doch ik zei: „Waarom hebt gij mij dan eerst dien raad gegeven?” Zij meenden, dat het nu geen tijd was om elkaar verwijten te doen, dat ik liever de vlucht moest nemen. En zoo maakte ik mij snel uit de voeten.
Eindoordeel van den pelgrim.
9. Nu ik zoo het gevaar ontsnapt ben, weet [53]ik waarlijk niet, wat ik eigenlijk van dien stand moet zeggen: of een gelukkig huwelijk—zooals mij, naar ik veronderstel, zou zijn ten deel gevallen—de bron van meer vreugde of van meer leed, om verschillende oorzaken, zou geweest zijn. Zooveel staat wel vast, dat, zoowel het leven aan de zijde eener vrouw als zonder haar, benauwend is en ook, al valt het huwelijk nog zoo schitterend uit, het zoete met het bittere is gemengd.
Wat hij er in het openbaar opmerkte.
Als wij zoo verder gingen, kwamen wij in de straat, waar de verschillende ambachten uitgeoefend werden en die zich weder in vele kleine straten en pleinen verdeelde; daar waren overal hallen, werkplaatsen, smidsen, winkels en kramen, voorzien van de menigvuldigste en zonderlingste goederen en gereedschappen, in wier omgeving de menschenmassa op wonderlijke wijze ronddwarrelde, terwijl een geweldig lawaai van kloppen en hameren, ratelen, rollen en knarsen, van snorren, loeien, fluiten en sissen de lucht vervulde. Ik zag hier, hoe sommigen in de aarde woelden en den grond openscheurden, doordat zij deels aan de oppervlakte den bodem openreten, deels het binnenste der aarde als mollen doorwroetten. Anderen plasten in het water, voeren op de rivieren en op de zee; nog [54]anderen pookten het vuur op; eenigen staarden suf voor zich uit; anderen worstelden met wilde dieren; sommigen hanteerden hout en steenen of droegen en vervoerden allerhande dingen van de eene plaats naar de andere. „Zie,” zeide mijn tolk, „welk een vernuftige en vroolijke arbeid hier verricht wordt; wel, wat bevalt u hier het best?” Ik zeide: „Het mag waar zijn, dat hier de indruk van vroolijkheid gewekt wordt; ik zie evenwel tevens, dat er veel wordt gezwoegd en hoor daarbij veel gesteun.” „Niet alle arbeid is even zwaar,” antwoordde hij mij, „daarom willen wij de bedrijven één voor één wat van naderbij bezien.” Zij leidden mij nu overal rond; ik leerde alles kennen en vatte ook zelf somtijds—om ervaringen op te doen—het eene of andere voorwerp aan. Doch ik kan noch wil alles hier beschrijven. Wat ik openlijk daar al zoo waargenomen heb, wil ik den lezer niet onthouden.
Alle handel en bedrijf is met gevaar verbonden,
In de eerste plaats bemerkte ik, dat alle handel en bedrijf van de menschen slechts ijdele moeite en kwelling is en dat zij alle hun schaduwzijde hebben en met gevaar verbonden zijn. Zoo zag ik, dat diegenen, welke met het vuur te maken hebben, door den rook met roet waren bedekt en er zoo zwart als mooren uitzagen, dat hun het kloppen der hamers steeds in de ooren dreunde en zij daardoor bijna niets anders konden hooren; dat [55]steeds de gloed van het vuur hun oogen deed glanzen en hun huid daardoor gezengd, met blaren bedekt en opengesprongen was. Diegenen daarentegen, die hun handwerk onder de aarde verrichtten, hadden duisternis en verschrikking tot gezelschap en niet zelden kwam het voor, dat zij onder de aarde bedolven werden. Degenen, die hun beroep op het water uitoefenden, waren doorweekt als een rieten dak; zij sidderden van koude als espenloof, begonnen aan zeere ingewanden te lijden en niet weinigen hunner vonden hun graf in de diepte. De huid van hen, die hout, steen en ander materiaal bearbeidden, was met eelt bedekt, zij steunden onder het werk en matten zich tot het uiterste af. Ook zag ik, dat sommigen met onbenulligen arbeid zich inspanden, tot zij geheel bezweet werden en door hun afmatting op het punt stonden er bij neer te vallen, ja zich zelfs lichamelijke schade deden en hun krachten sloopten, terwijl zij als loon voor dit ellendige zwoegen er nauwelijks in slaagden een stuk droog brood te verdienen. Wel waren er anderen, die zich gemakkelijker en met meer voordeel hun weg door het leven baanden; doch hoe minder zij zich inspanden, des te slechter en bedriegelijker middelen moesten zij te baat nemen.
en laat verpoozing noch rust toe;
In de tweede plaats zag ik, dat alle arbeid der menschen dienen moet om den mond te vullen; want wat zij bijeenzamelden, stopten zij zich en den [56]hunnen in den mond, de weinigen uitgezonderd, die, hetgeen zij den mond onthielden, in den buidel deden. Maar deze was, zooals ik herhaaldelijk zag, vol gaten, zoodat hetgeen men daarin deed, er weder uitviel en door anderen opgeraapt werd; of wel er kwam iemand, die den geldbuidel aan den bezitter ontrukte; deze kwam ergens in de klem en scheurde, of raakte herhaaldelijk door een of ander ongelukkig toeval verloren, zoodat men duidelijk zien kon, dat als resultaat van al deze menschelijke inspanning het geld zoo gemakkelijk als water wegvloeit. Immers men verwierf het geld om het even spoedig weer kwijt te raken, slechts met dit onderscheid, dat het gemakkelijker wegvloeide dan toestroomde, hetzij dan dat men het door de keel joeg of van de eene kast in de andere liet glijden. Daarom zag ik overal ook meer armen dan rijken.
en vordert geen lichte inspanning;
In de derde plaats zag ik, dat iedere arbeid de geheele kracht van den mensch vergde. Indien iemand besluiteloos omzag of draalde bij het begin van zijn werk, bleef hij dadelijk ten achter; onmiddellijk viel hem alles uit de hand en vóórdat hij er erg in had, zat hij op het droge.
heeft vele hinderpalen te overwinnen;
In de vierde plaats zag ik, dat men overal met vele bezwaren te worstelen had. Voordat iemand zich in zijn beroep goed had ingewerkt, [57]was een goed deel van zijn levenstijd voorbij gevlogen en was hij hierin eenmaal geslaagd, dan diende hij zeer waakzaam te zijn, of alles ging terstond weer den verkeerden kant uit; ja, ik bevond, dat zelfs den wakkersten man afwisselend winst en verlies ten deel viel.
wekt nijd en afgunst op;
In de vijfde plaats bemerkte ik, dat overal en voornamelijk bij hen, die hetzelfde bedrijf uitoefenden, veel nijd en afgunst heerschte. Want zoodra een van hen meer opdrachten kreeg of meer goederen diens werkplaats verlieten, keken hem zijn buren dadelijk met schele oogen aan, knarsten op de tanden en bedierven zijn werk, waar zij het slechts konden. Daaruit ontstond oneenigheid; men twistte en vloekte. Sommigen wierpen uit ongeduld hun gereedschap weg en gaven zich, om de anderen te trotseeren, aan lediggang over, die tot vrijwillige armoede voerde.
is zondig;
In de zesde plaats vond ik overal veel leugen en bedrog. Den arbeid, dien men vooral voor anderen verrichtte, deed men haastig en oppervlakkig, terwijl men intusschen zijn eigen werk aanprees en de waarde daarvan in de hoogste mate overdreef.
ijdel en overtollig;
In de zevende plaats werd mij duidelijk bewust, [58]dat vele dingen ijdel en overbodig en de meeste menschelijke bezigheden enkel ijdelheid en nuttelooze dwaasheid zijn. Want daar zeer zeker een geringe hoeveelheid zeer eenvoudige spijs en drank toereikend is om het lichaam des menschen te onderhouden, weinige en eenvoudige kleedingstukken voldoende zijn om het te bedekken, een kleine, eenvoudige stulp om hem te beschutten, zoo volgt daaruit, dat slechts kleine en luttele zorg en moeite daartoe noodig is, zooals inderdaad in oude tijden de zede was.—Hier bleek mij evenwel, dat de menschen tegenwoordig deze waarheid niet kunnen of niet willen begrijpen, omdat zij gewoon geraakt zijn hun buik met zooveel ongewone dingen te vullen en vol te proppen, zoodat alleen om deze aan te voeren, reeds een groot deel der menschen te water en te land zich afsloven en zelfs leven en gezondheid in de waagschaal moeten stellen, en daarna weer bijzonder geschoolde lieden de kunst moeten verstaan de uitgezochte spijzen te bereiden. Op gelijke wijze houdt zich een niet gering deel der menschen daarmee bezig, allerlei grondstoffen voor kleeding en bouwbedrijf bijeen te brengen en daaraan menigvuldige, wonderlijke modellen en vormen te geven; dit alles is overtollig en ijdel en vaak zelfs zondig. Zoo zag ik ook vele werklieden, wier kunst en streven er geheel op gericht was, kinderspeelgoed en ander speeltuig tot vermaak en tijdverdrijf te vervaardigen. Weer anderen waren er, wier werkzaamheid bestond in het maken van groote massa’s werktuigen der wreedheid, zooals: zwaarden, dolken, [59]strijdknotsen en geweren enzoovoort. Hoe nu de menschen met een gerust geweten en opgewektheid zich met heel dezen tak van nijverheid kunnen bezig houden, is mij onbegrijpelijk; maar één ding staat vast: wanneer men elke onnoodige, overbodige en zondige handeling uit hun arbeid wilde wegnemen en daarvan afzonderen, dan zou het grootste deel van den handel en het bedrijf der menschen te gronde gaan. Uit hoofde van deze en de boven aangevoerde gronden kon mijn gemoed hierin geen bevrediging vinden.
8. Dit was bovenal het geval, toen ik eindelijk nog inzag, dat men hier het lichaam in dienst stelde van het vleesch, terwijl toch ieder mensch een veel hooger goed, de ziel, bezit, en hij vóór alles dient te wedijveren in de zorg voor den arbeid aan haar besteed en op haar voordeel en gewin in de eerste plaats moet bedacht zijn.
9. Eén ding rest mij nog in het bijzonder te vermelden, hoe het mij te land bij de voerlieden en op zee onder de zeelieden gegaan is. Toen ik dan zoo terneergeslagen door de werkplaatsen der handwerkslieden heenschreed, zei Overalbij tot de Verblinding: „ik zie reeds, dat onze vriend ongedurig en als kwikzilver is, dat ook voortdurend naar beweging streeft, daarom is er geen plaats, die hem lijkt en wil hij zich aan geen enkel beroep binden. Toonen wij hem er een, dat hem ruimte laat zich te bewegen: de koopmanschap; dan kan hij de wereld in alle richtingen doorreizen en vrij als een vogel rondvliegen. Ik verklaarde mijnerzijds [60]geen bezwaar te hebben ook dit te beproeven en zoo gingen wij dan op weg.
Het zwoegende leven van den voerman.
10. Al spoedig zag ik mij geplaatst te midden van een groote schare menschen, die zich druk heen en weer bewogen, en verschillende dingen, zelfs houtsplinters, molm en mest verzamelden, opeenhoopten, ze dan van den grond opnamen en tot balen verpakten. Ik vroeg, wat dit te beduiden had. Zij antwoordden, dat zij toebereidselen maakten voor de reis door de wereld. Ik vroeg: „waarom reizen zij niet zonder deze lasten? Zij zouden zich toch veel lichter kunnen bewegen.” De gidsen antwoordden: „Dwaas, die gij zijt. Gelooft gij, dat zij zonder deze reisvaardig zouden zijn? Wat gij ziet, zijn hun vleugels.” „Vleugels?” riep ik uit.—„Ja, waarlijk vleugels! Want deze geven hun veerkracht en moed en verzekeren hun op den koop toe overal nog toegang als pas en vrijgeleide. Of denkt gij dat men doelloos in de wereld mag rondzwerven? Op deze wijze moeten zij hun levensonderhoud, de gunst hunner medemenschen en al het verdere verwerven.” Toen ik hen vervolgens nauwkeuriger waarnam, zag ik, hoe een ieder zoo groot mogelijke pakken met waren trachtte bijeen te brengen, en deze dan, nadat hij ze behoorlijk gewogen had, op een onderstel met daaronder aangebrachte wielen wentelde en daaraan bevestigde; dan werden voor het voertuig trekdieren [61]gespannen, en zoo ging het onder zwoegen en slaven voorwaarts, met al deze goederen, over heuvels, bergen, door dalen en ravijnen, terwijl zij zich diets maakten, dat dit een bij uitstek vroolijk leven was, hetgeen ik aanvankelijk ook geloofde. Doch toen ik zag, dat zij somtijds in de modder bleven steken, zich vuil maakten, door het water waadden, zich moesten inspannen en afbeulen, en zoowel van regenstormen en sneeuwjachten, als van koude en hitte heel wat ongemak te verduren hadden; dat in de bergpassen roovers op hen loerden, hun waren overhoop haalden, en hun de beurzen lichtten, (en om dit lot te ontvlieden hielp hun evenmin woeden als razen of tieren) dat zij ook dikwijls op den open landweg door een rooversbende aangevallen werden en hun leven voortdurend op het spel stond, verging mij alle lust tot dit beroep.
De gevaren van het zeemansleven.
11. Toen zeiden zij mij, dat er nog een andere, meer geriefelijke wijze was om de wereld te doorkruisen, namelijk door te varen; dan, gaven zij voor, werd een mensch niet door elkaar geschud, kreeg hij geen bevuilde kleederen en bleef hij in het slijk niet steken, maar kon als een pijl van het eene eind der wereld naar het andere vliegen, om overal wat nieuws, buitengewoons en ongehoords te vinden. Zoo leidden zij mij tot den rand van het vasteland, waar wij niets anders voor ons zagen dan de zee en het gewelf van den hemel daar boven. [62]
Beschrijving van het schip.
12. Men beval mij een huisje binnen te treden, dat van planken getimmerd was. Het stond niet op den vasten grond, had ook geen fundamenten, was evenmin sterk bevestigd door zuilen, stutten of steunbeeren, maar het dreef op het water en schommelde heen en weer, zoodat men zich nog wel eens bedacht, alvorens het te betreden. Doch toen ik de anderen zag binnengaan, bleef ook ik niet achter om niet bevreesd te schijnen, want men zeide mij, dat dit ons voertuig was. Hoewel ik nu verwacht had, dat wij weldra wegvaren of, zooals het heette, wegvliegen zouden, bleven we daar, waar wij waren, één, twee, drie, zelfs tien dagen onbeweeglijk liggen. „Wat is er nu weer aan de hand,” vroeg ik, „het heette immers, dat wij van het eene eind der wereld naar het andere zouden vliegen, en nu komen wij met geen mogelijkheid zelfs van onze plaats.” „Laat maar eerst het voorspan aankomen,” zei mijn gids en vertelde mij, dat dit span stal noch voer, spoor noch zweep noodig had; men had alleen maar in te spannen om dadelijk weg te varen; ik zou nog slechts een weinig geduld hebben en mij weldra van de waarheid dezer woorden kunnen overtuigen. Intusschen wees men mij aan ons voertuig: de leidsels, touwen, riemen, de waag en het zwengelhout, den dissel, den wagenas en den boom, die voor- en achterstel verbindt, de rong en verschillende hefboomen; toch was alles anders dan bij den voermanswagen. Het leek waarlijk, alsof [63]de wagen onderstboven lag, en de disselboom, die van twee der langste dennenstammen gemaakt was, vrij naar boven in de lucht omhoogstak; van zijn spits liepen touwen in verschillende richting naar de raas in den vorm van vlechtwerk en ladders. De wagenas echter bevond zich aan de achterzijde, en een enkel man, die daar gezeten was, beroemde er zich op, geheel alleen het monster naar zijn wil te kunnen sturen.
Beschrijving der zeevaart.
13. Op eenmaal verhief zich de wind. Onze bemanning vloog nu overeind en begon haastig heen en weer te draven, schreeuwde en juichte van pleizier. Eenigen grepen nu eens dit, dan weder dat aan, anderen klauterden als eekhoorns langs de touwen op en neer, lieten de raas zakken en ontvouwden een samengerolden doek1, die van biezen matwerk scheen vervaardigd en deden meer dergelijke dingen. Ik vroeg weder, wat dit te beteekenen had, en bekwam ten antwoord, dat men inspande. En terwijl ik nog toekeek, begon het doek op te zwellen als een goed gevulde hooischuur (dat waren dus onze vleugels!) en in de lucht begon het te suizen, terwijl de wateren onder ons zich deelden en opspatten; en voordat ik er op bedacht was, was zoowel het land als de kust en al het overige uit mijn gezicht verdwenen. „Waar zijn wij nu terecht gekomen?” riep ik uit, wat zal er van ons worden?” Zij zeiden, dat wij nu vlogen. „Wel, laten wij in [64]’s Hemels naam dan maar vliegen,” zeide ik en zag niet zonder een zeker welgevallen, doch evenmin zonder heimelijke bezorgdheid, met welk een razende vaart het er doorging. Want trad ik buiten op het dek, zoo overviel mij duizeligheid; kroop ik echter naar beneden in het ruim, zoo omringde mij de angst voor het bruisende geweld, waarmee de wateren tegen de wanden van het schip stieten. En daar opeens kwam het in mij op, dat het toch eigenlijk zeer vermetel was aan zulke woeste elementen als het water en den wind, zijn leven toe te vertrouwen en zich zoo opzettelijk (met voorbedachten rade) in den muil des doods te begeven, van wien wij slechts twee duimbreed verwijderd waren, want zoo dik was de plank, die ons van dezen verschrikkelijken afgrond scheidde. Doch daar ik mij stellig voorgenomen had, mijn vrees voor de menschen niet te laten blijken, zweeg ik stil.
De zeeziekte.
14. Daar plotseling begint een onaangenaam riekende lucht mij te bevangen, en mijn hersenen en ingewanden te doordringen, zoodat ik niet op de been kon blijven. Ik wentelde mij rond van benauwdheid, (zooals allen, die aan deze levenswijze nog niet gewend zijn), schreeuwde en wist geheel geen raad; alles in mij borrelde en loste zich op; ik moest braken en mij scheen niet anders te wachten, dan dat ik in de wateren zou vergaan2 [65]als een slak in de zon. Thans begon ik mij en mijn leidslieden aan te klagen, daar ik niet langer in de mogelijkheid geloofde in het leven te zullen blijven; doch inplaats van medelijden te ondervinden, moest ik mij hun spot laten welgevallen. Ongetwijfeld wisten zij bij ervaring (wat mij zelf natuurlijk onbekend was), dat deze toestand meestal niet langer dan een paar dagen aanhoudt, wat ook ditmaal het geval was. Mijn krachten keerden allengs weer terug en ik zag in, dat de woedende zee mij daarmee haar welkomstgroet had gebracht.
Kalm weder op zee.
15. Doch wat zou dit? Ergere dingen dan deze overvielen ons spoedig. De wind liet ons in den steek, onze vleugels hingen slap naar beneden en wij bleven onbewegelijk liggen, zonder zelfs een haar breed van onze plaats te kunnen komen. Ik fronste het voorhoofd, bezorgd wat dit worden zou. Wij zijn weggevoerd in deze woestijnen der zee, ach, zullen wij er ooit weer uitkomen? Och, zullen wij ooit het land der levenden weder aanschouwen? O, moeder, dierbare aarde, o, aarde, dierbare moeder, waar zijt gij? God, de Schepper, gaf het water aan de visschen, doch u aan ons. Helaas, de visschen blijven wijselijk in hun element, en wij zijn zoo dwaas het onze te verlaten. Als ons de Hemel niet te hulp komt, blijft ons niets over dan om te komen in dezen vreeselijken afgrond. Aan deze droefgeestige gedachten, waarmede mijn geest zich onafgebroken kwelde, werd ik plotseling [66]door het geschreeuw der zeelieden ontrukt. Ik vloog op het dek en riep: „Wat is er te doen?” Zij antwoordden, dat de wind opstak. Ik keek naar alle kanten, doch zag niets bijzonders en intusschen spreidden zij de zeilen uit. Daar kwam de wind, greep in de zeilen en droeg ons weg. Dit vervulde ons allen met groote vreugde, die evenwel spoedig in bitterheid zou overgaan.
Storm op zee.
16. De wind was intusschen zoo in kracht toegenomen, dat niet alleen wij, doch ook de diepe wateren beneden ons zoo geslingerd werden, dat de schrik ons om het hart sloeg. En de zee rolde zoo machtige golven uit alle richtingen op ons aan, dat onze weg door de baren afwisselend omhoog en omlaag, nu eens over hooge heuvels, dan weder door diepe dalen ging. Somtijds werden wij zoodanig omhoog geslingerd, dat wij haast meenden, de maan te zullen bereiken en kort daarop stortten wij weer neder als in een diepen afgrond. Een ander maal scheen het, alsof een van de vele golven, die van voren of van terzijde aanrolden, ons als bij verrassing op de plaats zelve zou verslinden, doch zij lichtte ons ieder keer in de hoogte, in dier voege, dat onze planken schuit nu naar deze, dan naar gindsche zijde werd weggeslagen en de eene golf haar aan de andere toewierp, waarbij zij nu eens naar bakboord, dan naar stuurboord sterk overhelde en met haar voorsteven soms loodrecht naar boven, dan weder naar beneden wees. Zoo kwam [67]het ook, dat niet alleen het water ons zelf bespatte of boven onze hoofden hoog opgespoten werd, maar ook, dat wij konden staan noch liggen en van de eene zijde naar de andere tuimelende, nu eens op de voeten, dan weder op het hoofd kwamen te staan. Daardoor scheen zich alles in ons lichaam om te draaien: misselijkheid en braken waren daarvan het gevolg. Daar deze toestand dag en nacht onafgebroken voortduurde, is het licht te begrijpen, hoeveel angst en schrik wij moesten doorstaan. En ik overleide: van alle menschen hebben toch dezen de meeste reden om vroom te zijn, daar zij nooit één uur zeker zijn van hun leven. Toen ik mij nu van hun vroomheid overtuigen wilde, zag ik, dat zij, als waren zij in een kroeg, met gulzigheid op hun eten aanvielen, dronken, speelden, lachten, ontuchtige gesprekken voerden, vloekten en zich aan allerlei uitspattingen overgaven. Daarover bedroefd, begon ik hen te vermanen en hen te verzoeken, dat zij toch over onzen ernstigen toestand eens zouden nadenken, hun lichtzinnigheid laten varen en tot God om hulp roepen. Doch alles was vergeefsch. Eenigen dreven den spot met mij, anderen voeren heftig tegen mij uit, nog anderen maakten zich gereed mij te slaan en sommigen wilden mij overboord werpen. De Verblinding ried mij nu te zwijgen en herinnerde mij er aan, dat ik in een vreemd huis als gast vertoefde, waar het dan ook wel ’t beste was, blind en doof te zijn. „Ach,” riep ik uit, „het is onmogelijk, een goeden afloop te verwachten, als zij zulke gewoonten [68]hebben.” Toen lachten zij opnieuw. Bij het zien van een dergelijke losbandigheid was ik wel genoodzaakt te zwijgen, daar ik anders op een pak slaag had kunnen staat maken.
Het schip vergaat.
17. In dit oogenblik verdubbelt zich de kracht van den storm en een verschrikkelijk onweder barst boven ons los. Nu begint de zee eerst recht haar golven tot aan den hemel op te stuwen; de golven kaatsen ons als ballen elkander toe; de afgronden openen zich voor onze oogen en dreigen nu eens ons te verzwelgen, dan weer drijven ze ons uit naar de hoogte. Soms draait de wind ons in een cirkel rond en slingert ons hulpeloos her- en derwaarts, zoodat het schip in zijn naden kraakt, alsof het in duizend stukken zou verbrijzeld worden. Toen voelde ik al mijn leden door den schrik des doods verstijven en had een gewissen ondergang voor oogen. Daar de zeelieden het geweld van den storm geen weerstand meer konden bieden en ieder oogenblik het gevaar van tegen de rotsen of op zandbanken geworpen te worden, aangroeide, bergden zij snel de zeilen en wierpen groote ijzeren haken aan dikke touwen uit, in de hoop, het zoo lang op die plaats te kunnen uithouden, tot de storm zou zijn gaan liggen. Maar te vergeefs! Eenigen van de mannen, die langs de touwen probeerden omhoog te klimmen, werden als rupsen door den stormwind daar van af geslingerd en in de zee geworpen. Door het geweld van de golven [69]braken spoedig ook de ankertouwen af en zonken de ankers in de diepte weg. En ten laatste begon ons schip met ons zoo hulpeloos als een houtspaan op den stroom rond te drijven en nu verloren ook die brooddronken ijzervreters den moed. Eerst toen zij, bleek en bevend, geen raad meer wisten, dachten zij aan God, drongen er bij ons op aan, te bidden en vouwden ook zelf de handen. Doch ons schip liep aan den grond, stiet op een onder het water verborgen klip, barstte uiteen en begon snel te zinken. Door de zoo ontstane spleten stroomde het water naar binnen, en ofschoon allen, oud en jong, bevolen werd uit alle macht het water te hoozen, zoo hielp het toch niet meer; de zee drong met geweld op ons aan en nam ons op in haar schoot. Geschrei, gejammer, en eindeloos weeklagen vervulde de lucht en ieder zag den wreeden dood reeds voor oogen. Maar daar het leven zoet is, klampte ieder zich vast aan wat hij maar grijpen kon—tafels, planken, rondhout, hopende zoo den dood door verdrinken te ontkomen en al zwemmende een of andere droge plek te bereiken. Ook ik hield mij ten slotte, toen het schip reeds uiteensloeg en alles verzwolgen werd, aan het een of ander voorwerp vast en het gelukte mij met slechts enkele anderen het strand te bereiken. De vreeselijke afgrond verslond de overigen. Zoodra ik van mijn schrik en ontzetting een weinig bekomen was, begon ik mijn gidsen met verwijten te overladen, dat zij mij aan zulke gevaren hadden blootgesteld. Zij zeiden evenwel, dat het mij geen kwaad zou [70]doen; na het gevaar te zijn ontsnapt, zou ik maar weer goedsmoeds zijn. Ja, inderdaad goedsmoeds! Tot mijn laatsten levensdag zal niemand mij meer tot een dergelijke onderneming overhalen.
18. Terwijl ik nu een weinig rondkeek, zag ik, dat diegenen, welke evenals ik er het leven afgebracht hadden, zich weder naar de kust begaven en opnieuw een schip bestegen. „Gaat dan uw ongeluk maar te gemoet,” riep ik, „waaghalzen, dit kan ik niet langer aanzien.” Mijn gids merkte op: „niet ieder is zoo verwijfd als gij. Het bezit van have en goed, beste vriend, is een mooi ding. Men moet zelfs zijn leven wagen om dit te verwerven.” Ik antwoordde hem: „Zou ik zoo dwaas zijn, dat ik mijn leven in de waagschaal zou stellen alleen ter wille van mijn lichaam en dat ik ten behoeve daarvan alles op het spel zou zetten? Dat doet niet eens het redelooze dier; de mensch, die iets hoogers in zich omdraagt, n.l. de ziel, moest liever geestelijk voordeel en zielevreugde zoeken.”
Toen zeide mijn gids: „ik begrijp nu beter, wat uw geest bijzonder aantrekt. Ik zal u bij de geleerden brengen, heusch, bij de geleerden! Het rustige, vredige leven, dat zij leiden, zal u zeker behagen en voor uw geest van groot nut zijn.” „Ja, zoo is het,” zei de Verblinding, „want wat [71]kan er heerlijker zijn dan dat iemand zich afkeert van den groven lichamelijken arbeid en zich wijdt aan het navorschen van de edelste levensuitingen. Dit is het juist, wat sterfelijke menschen doet gelijken op den onsterfelijken God, en Hem zelfs bijna doet evenaren; zoo worden zij ten naasten bij alwetend, opdat zij alles wat in den hemel, op de aarde en in de afgronden verborgen is, en wat er zijn zal, zouden uitvorschen en leeren kennen, ofschoon niet ieder deze gaven in dezelfde mate ten deel vallen.” „Leid mij dan daarheen,” zeide ik, „waarom draalt gij nog?”
Hij moet zich aan een streng examen onderwerpen
2. En zoo kwamen wij aan de poort die „Disciplina” heette en een lang, smal, donker en met gewapende wachtposten bezet gebouw was, bij welke ieder, die in de straat der geleerden wilde zijn, zich aanmelden en om een toegangsbewijs moest vragen. Ik zag, hoe scharen van menschen, voor het meerendeel nog jonge mannen, daar samenstroomden, die terstond aan een groot aantal uiteenloopende, strenge examens werden onderworpen. Het eerste gedeelte van het examen was bij ieder een onderzoek naar zijn beurs, zijn zitdeelen, zijn hoofd, zijn hersenen (deze werden naar de geaardheid van het neusslijm beoordeeld) en naar de huid, waarin hij stak. Was nu het hoofd van staal, en bestonden de hersenen uit kwikzilver, was de rug van lood, de huid van ijzer, en de beurs goed [72]gevuld met goud, dan oogstte hij aller goedkeuring en werd op slag bereidwillig verder geleid; doch ontbrak een dezer vijf dingen, dan wees men hem eerst beslist af, later nam men hem in spijt van deze booze voorteekenen op goed geluk aan. Verwonderd vroeg ik: „Hoe kan hun toch aan die vijfderlei metalen zooveel gelegen zijn, dat zij zoo ijverig dat alles trachten op te sporen?” „Daarop komt alles aan,” sprak mijn tolk, „want indien het hoofd niet van staal was, zoo zoude het bersten; en indien de hersenen daar binnen niet van vloeibaar kwikzilver waren, zou de drager daarin geen spiegel bezitten; indien men geen huid had van blik1, zou men niet in staat zijn de behandeling te verduren, die in het aanbrengen van den gewenschten vorm bestaat; als men geen looden zitvlak had, zou men het zittend leven niet kunnen volhouden en inderdaad alles verliezen; en hoe zou men ten slotte aan voldoenden vrijen tijd komen en aan de leermeesters, zoowel levende als doode, indien het aan het hiertoe noodige geld haperde? Of denkt gij, dat zulke groote dingen ons om niet in den schoot vallen?” Toen begreep ik, waarop hij doelde: dat men namelijk gezondheid, geestesgaven, standvastigheid, geduld en het noodige fortuin bezitten moet, als men zich aan dezen stand wil wijden en zeide: „Zoo kan men dan naar waarheid zeggen: [73]Non cuivis contingit adire Corinthum2. Alle hout is geen timmerhout3.”
en aan een moeilijke en pijnlijke kunstbewerking. Memoria artificialis4.
3. Toen wij nu verder door de poort wandelden, zag ik, hoe elk van deze wachters een of meerderen van hen ter zijde voerde en daar ging bewerken. Hiertoe blies hij hun iets in de ooren, wischte hunne oogen af en reinigde neus en neusgaten door heeten waterdamp, trok hun vervolgens de tong buiten den mond en gaf haar met het mes den juisten vorm, boog armen en vingers en strekte ze dan weer en deed ik weet niet wat al meer5. Eenigen poogden zelfs de hoofden aan te boren en iets daar in te gieten uit een trechter. Toen de tolk op mijn gelaat las, hoe ontzet ik daarover was, zeide hij tot mij: „Verwonder u daarover niet, geleerde mannen moeten handen, tongen, oogen, ooren en hersenen, zinnen en zintuigen hebben, geheel verschillend van die bij het gemeene volk. Daarom worden ze zeer gefatsoeneerd en dat gaat [74]heusch niet zonder veel moeite en tegenkanting.” Bij nauwlettend toezien bemerkte ik, hoe duur de arme kerels die vervorming moesten betalen. Ik wil niet eens van de kosten gewagen, doch zij moesten hun eigen huid blootstellen aan de behandeling van hun beulen. Want dezen bewerkten met vuisten, stokken, roeden en geesels hun wangen, hoofden, ruggen en zitdeelen, tot het bloed begon te sijpelen en zij bijna geheel overdekt waren met striemen, schrammen, blauwe plekken en eeltknobbels. Menigeen, dit ziende, keerde, zoodra hij slechts een blik door de poort geworpen had, onverrichterzake terug en vertrouwde zich den wachter niet toe. Velen ontrukten zich aan de handen hunner pijnigers en namen de vlucht in het vrije veld. Slechts een kleiner aantal hield stand, totdat zij uit de poort op een vrije plaats gelaten werden. Ook ik liet deze bewerkingen, helaas niet zonder ongemak en bittere pijn, aan mij voltrekken, daar ik nu toch eenmaal lust in dezen stand had.
Iedere geleerde ontvangt een getuigschrift.
4. Toen wij de poort eindelijk uitgingen, zag ik, dat elkeen, die voldoende bijgeslepen en bijgewerkt was, een kenteeken ontving, waaraan men zou kunnen weten, dat zij nu tot dezen stand der geleerden behoorden: een inktkoker aan den gordel, een pen achter het oor, en in de hand een onbeschreven boek om daarin de verkregen geleerdheid bijeen te brengen. Ook ik bekwam deze attributen.—[75]Toen zeide Alweter tot mij: „Zie, nu hebben wij hier een viersprong: vanwaar vier wegen uitgaan, naar de philosophie, de medicijnen, de jurisprudentie en de theologie. Welken wilt gij het eerst inslaan?” „Dien gij het beste oordeelt,” antwoordde ik. En hij zeide: „laten wij dan allereerst naar de marktplaats gaan, waar allen samenkomen; daar kunt ge ze allen bij elkaar zien; en dan zullen wij de verschillende gehoorzalen bezoeken.”
De gebreken der geleerden.
5. Toen bracht hij mij naar een plein, en zie, daar waren zwermen studenten, meesters6, doctoren en theologen, jonge mannen en grijsaards. Eenigen van hen zag ik groepsgewijze met elkander spreken en disputeeren; anderen hadden zich in een hoek teruggetrokken om uit het gezicht der overigen te zijn. Sommigen hadden (wat ik heel goed bemerkte, maar waarover ik niet met hen durfde spreken) wel oogen, maar geen tong; anderen wel een tong, doch geen oogen; nog anderen hadden weliswaar ooren, doch misten oogen en tong enzoovoort. Zoo begreep ik, dat ook hier gebreken overbleven.—Toen ik nu den ingang van een gebouw zag, waar al deze lieden in- en uitgingen, zooals bijen haar korf in- en uitzwermen, drong ik er op aan, dat ook wij daarheen zouden gaan. [76]
Beschrijving eener bibliotheek.
6. Wij traden binnen en kwamen in een zaal, die zoo uitgestrekt was, dat men haar nauwelijks kon overzien; langs de wanden stond een zoo groot aantal kasten met planken of schuifladen vol met cartonnen en blikken doozen, dat men deze op honderdduizend wagens niet zou hebben kunnen vervoeren en elk daarvan had een eigen opschrift en titel. En ik zeide: „in wat soort van apotheek zijn wij hier eigenlijk beland?” „In de apotheek,” sprak de tolk, „waarin de artsenijen tegen de ziekten van den geest bewaard worden; haar eigenlijke naam luidt bibliotheek. Kijk eens, welk een oneindige voorraad van wijsheid hier opgestapeld ligt!” Nu zag ik de geleerden in lange rijen komen en zich daarmee op zeer verscheidene wijze bezig houden. Eenigen onder hen kozen de schoonste en fijnzinnigste uit, trokken deze stuk voor stuk uit de kast en namen ze dan als voedsel tot zich, door ze zachtkens te kauwen en te verteren. Ik trad op een van hen toe en richtte tot hem de vraag, wat hij daar deed? Hij antwoordde: „Ik nuttig voedsel om wel te gedijen.” „En hoe smaakt het u?” vroeg ik verder. „Zoolang het zich onder het kauwen in den mond bevindt, heeft het een bitteren of zuren smaak, die later in een zoeten overgaat.” „En wat is het doel hiervan,” vorschte ik uit. Hij zeide: „Het is zekerder en gemakkelijker voor mij te dragen, wanneer het zich in mijn binnenste bevindt. Ziet gij mij de uitwerking niet aan?” Toen beschouwde [77]ik hem nauwlettender en vond, dat hij zwaarlijvig en vet was en een prachtig gezonde kleur had; zijne oogen glinsterden als kaarsen; zijn taal was bedachtzaam en alles aan hem vol leven. Daarop sprak de tolk tot mij: „laten wij nu ook die anderen beschouwen.”
Gebrek aan orde bij de studie.
7. Toen zag ik eenigen, die zich begeerig op alles wierpen, wat in het bereik van hun handen kwam en zich daarmede behoorlijk volstopten. Nauwlettender toeziende, kon ik volstrekt niet vaststellen, dat zij een gezonde kleur hadden en in lichaamsgewicht of vetheid waren toegenomen, wel, dat hun buik gezwollen en opgezet was. Ik zag ook, dat al wat zij in den mond stopten, daardoor of langs den gewonen weg onverteerd het lichaam weer verliet. Eenigen van hen werden bovendien door duizeligheid overvallen en werden zelfs waanzinnig; anderen werden bleek, kwijnden weg en stierven. Anderen, die daarvan getuige waren, wezen hen elkaar aan en waarschuwden elkander voor de gevaren, die het gebruik der boeken (want dezen naam gaven zij aan de doozen) met zich meebracht. Terwijl sommigen op den loop gingen, maanden anderen elkander tot een voorzichtig gebruik der boeken aan. Derhalve namen zij den inhoud daarvan niet meer in zich op, doch laadden zich op borst en rug zakken en buidels, die zij volstopten met de doozen (het waren boeken meestal met de volgende opschriften: Vocabularium, Dictionarium, Lexicon, [78]Promptuarium, Florilegium, Loci Communes, Postille, Concordantie, Herbarium7 enz., al naar ieder ze voor zijn taak het meest geschikt oordeelde); zij droegen deze steeds bij zich en haalden ze telkens uit de zakken te voorschijn, wanneer zij iets te bespreken of te schrijven hadden; mond of pen strekte den inhoud tot voertuig. Toen ik dit bemerkte, zeide ik: „Ik geloof haast, dat deze lieden hun wijsheid in den zak dragen?” waarop de tolk antwoordde: „Het zijn memoriae subsidia8; hebt gij dan nooit daarvan gehoord?” Van vele zijden hoorde ik nu den lof van deze methode verheffen en, naar verluidde, maakten deze soort geleerden niets openbaar, wat niet vooraf rijpelijk overwogen was. Het mag zoo zijn, doch ik nam een anderen misstand waar. Want het geschiedde in mijn tegenwoordigheid, dat sommigen der doozen9 in stukken vielen en te loor gingen, [79]terwijl die van anderen vuur vatten10, als zij ze terzijde legden. Ach, wat was dat een heen en weer loopen, handenwringen, jammeren, en hulpgeroep! En niemand had dan gedurende zekeren tijd lust tot disputeeren, tot schrijven of tot prediken; zij lieten het hoofd hangen, gingen gebukt verder met beschaamde kaken en zochten dan voor geld en goede woorden weer in het bezit van hun gereedschap te komen, terwijl diegenen, welke hun wijsheid welbewaard in hun binnenste met zich meedroegen, voor dergelijke ongevallen niet behoefden te vreezen.
Studenten, die niet studeeren.
8. Intusschen zag ik weder anderen, die de boeken noch in zich opnamen, noch ook in de zakken staken, doch ze op hun kamer brachten; en toen ik hen daarheen volgde, bemerkte ik, dat zij de boeken van mooie foedralen voorzagen, die in verschillende kleuren beschilderden en soms zelfs met goud en zilver versierden; dan plaatsten zij ze op rijen in de kast, namen ze er echter spoedig weder uit, om ze nog eens te bekijken en daarna weer op hun plaats te zetten. Terwijl zij dit uit de rij nemen en weder daarin zetten meer dan eens herhaalden, gingen zij nu eens dichterbij dan weer op een afstand staan en [80]wezen elkander vol trots, hoe mooi die boeken er van buiten uitzagen. Sommigen plachten ook van tijd tot tijd naar de titels te zien, opdat zij ze bij gelegenheid zouden kunnen opnoemen. Ik zeide: „met wat voor kinderachtige beuzelingen houden deze lieden zich bezig?” „Beste vriend,” antwoordde de Verblinding: „het is een schoone zaak een mooie bibliotheek te bezitten.” „Ook als men daar in ’t geheel geen nut van trekt?” merkte ik op. Hij gaf ten antwoord: „men telt degenen, die een bibliotheek bezit, ook onder de geleerden.” Ik dacht bij mij zelf: „juist zoo als iemand, die een groot aantal hamers en tangen heeft, doch niet weet, hoe deze te hanteeren, tot de smeden gerekend wordt!” Maar ik durfde mijn meening niet openlijk zeggen, opdat ik mij niet bloot zou stellen aan vijandelijkheden.
Ongeregeldheid bij het schrijven van boeken.
9. Toen wij nu weder de bovengenoemde zaal betraden, zag ik het aantal dier doozen, welke artsenij bevatten, overal naar alle zijden snel aangroeien, en mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld om na te gaan, van waar zij werden aangevoerd. Ik bemerkte nu, dat dit geschiedde uit een afgesloten ruimte, waar ik bij mijn binnentreden verscheidene arbeiders aan de draaibank zag, die in edelen wedijver elkander poogden te overtreffen in de vervaardiging van deze kunstige doozen uit [81]hout, been en andere stoffen, ze met zalf en theriak11 te vullen en tot algemeen gebruik af te leveren. En de Verblinding zeide tot mij: „Dit zijn nu de mannen, welke waard zijn daarvoor door ieder geprezen en met eerbetoon overladen te worden, die hun medemenschen op de nuttigste wijze van dienst zijn, daar zij geen moeite en inspanning schuwen om wetenschap, kunst en wijsheid te vermeerderen en hun gaven anderen mede te deelen.” Zoo kreeg ik ook lust om te onderzoeken, waaruit datgene, wat hij de gaven der wijsheid noemde, gemaakt en toebereid was. Toen zag ik een of twee personen, naar ik meen, die welriekende kruiden en wortelen bijeenverzameld hadden en ze nu in kleine stukken sneden, fijnwreven, bottelden, distilleerden en daaruit heerlijke theriakmiddelen, likkepotten, stroopen en andere artsenijen bereidden, die voor het menschelijke leven zeer heilzaam zijn. In tegenstelling daarmee zag ik, hoe anderen—en van deze soort waren er honderden—den inhoud van vreemde flesschen en potten gebruikten om hun eigen materiaal daarmee te vullen. „Die gieten het vocht slechts over,” zeide ik, waarop mijn tolk antwoordde: „ook zóó vermeerdert men de wetenschap, want kan niet een en dezelfde zaak nu zus en dan zoo gedaan worden? Men kan immers aan de reeds voorhanden stoffen steeds nog iets [82]nieuws toevoegen en zoo de werking nog volkomener maken.” „Of bederven,” riep ik toornig uit, daar ik duidelijk zag, dat hier bedrog gepleegd werd, want menigeen greep naar eens anders benoodigdheden om eenige van zijn eigen vaten daarmee te vullen, en verdunde dan den inhoud, zooveel hij kon, waartoe hij zelfs geen spoelwater afkeurde. Anderen daarentegen dikten het mengsel in door toevoeging van het een of andere domme allegaartje, zelfs van stof en straatvuil, alleen maar om een, hoewel schijnbaar, nieuw mengsel samen te stellen. Ondertusschen brachten zij etiketten aan met veel weidscher opschriften dan die der anderen en prezen dan op onbeschaamde wijze, zooals alle kwakzalvers, hun waar aan. Er was nog iets, waarover ik mij zeer verwonderde en ergerde, dat zich namelijk—zooals ik vroeger al opmerkte—zelden iemand de moeite gaf den toestand, waarin de inhoud zich bevond, na te gaan en de meesten alles, zooals het daar lag en zonder onderscheid te maken, tot zich namen; en als eens iemand ging keuren, zoo lette hij alleen maar op het uiterlijk en op het opschrift van het etiquet. Nu begreep ik, waarom zoo weinig menschen tot innerlijke geestesfrischheid geraakten, en waarom een ieder, naar mate hij meer van deze medicijnen had verslonden, heftiger braken moest, er bleek ging uitzien, kwijnde en ziek werd; ook zag ik, dat een zeer groot deel van deze voortreffelijke medicamenten nimmer zijn eigenlijke bestemming, het gebruik er van door de menschen, bereikte, doch [83]een prooi werd van motten, wormen, spinnen en vliegen en ten slotte in sombere kasten en afgelegen hoeken onder stof en schimmel te loor ging. Een dergelijk lot voor hun produkten vreezende, wendden velen, zoodra zij hun theriak toebereid hadden (ja sommigen zelfs, voordat zij met de bereiding goed en wel begonnen waren) zich onmiddellijk tot hun geburen om voorredenen, verzen en anagrammen12 voor hun werk, zochten ook dadelijk schutspatronen13, die aan het nieuwe praeparaat hun naam en geld zouden willen leenen; meteen verzorgden zij titel en opschrift in uiterst sierlijken, kleurigen trant en omvlochten de verschillende figuren en kopergravuren met wonderbaar dooreengeslingerde bloemen en guirlandes; daarna brachten zij hun werk ten deele zelf onder de menschen en boden het daar te koop aan, ja, drongen het, om zoo te zeggen, den lieden tegen wil en dank op. Ik zag echter, dat ook dit ten slotte niet meer hielp, omdat de markt overal te zeer overvoerd was en ik had medelijden met meer dan een, die een eenvoudig, rustig leven had kunnen leiden en nu zonder noodzaak of nut zijn goeden naam op het spel zette en zich ten nadeele zijner naasten met deze kwakzalverij bezighield. Toen ik [84]evenwel deze meening openlijk uitsprak, oogstte ik slechts haat en nijd, alsof ik de goe-gemeente beleedigd had. Ik wil liever heelemaal zwijgen, als ik er aan denk, hoe velen uit absoluut giftige stoffen hun confecten14 bereidden, zoodat er bijna even zoovele vergiften als artsenijen waren, die op de markt kwamen; deze misstand ging mij zeer aan het hart, doch er was niemand, die hem uit den weg kon ruimen.
De oneenigheid en tweedracht onder de geleerden.
10. Toen kwamen we weder op het plein der geleerden terug; en zie, daar was oneenigheid en twist onder hen, die zelfs tot samenscholingen en vechtpartijen leidde. Nauwelijks werd er iemand gevonden, die niet met een ander aan het bakkeleien was, en niet alleen de jonge mannen (bij wie het nog aan den overmoed, den nog niet gerijpten leeftijd eigen, zou kunnen worden toegeschreven) maar zelfs grijsaards gingen elkaar te lijf. Want hoe geleerder iemand onder hen zich zelf achtte of door anderen daarvoor gehouden werd, met des te grooter ijver zaaide hij tweedracht in zijn omgeving, begon de anderen met steenen te werpen, te beschieten en op hen in te hakken, zoodat het gruwelijk was om [85]aan te zien, waarbij dan nog kwam, dat hij nog zijn eer in dien strijd stelde en daarop roem droeg. „Maar om Gods wil,” riep ik, „wat beteekent dit toch? Ik had nog wel gedacht en mij ook voorgespiegeld, dat deze stand de vredelievendste van alle zou zijn en ik ontdek hier zooveel twist en tweedracht.” „Mijn zoon,” antwoordde de tolk, „begrijpt gij dat dan niet: zij scherpen slechts hun vernuft.” „Hoe kunt gij zoo iets zeggen,” zeide ik, „ik zie immers bloed en wonden en de woede en den doodelijken haat van den een tegen den ander; iets dergelijks heb ik zelfs bij den stand der handwerkslieden niet opgemerkt.” „Ongetwijfeld,” verklaarde hij, „moet gij de oorzaak daarin zoeken, dat het handwerk een slaafsch beroep is, doch dit zijn vrije kunsten. Daarom is aan dezen volkomen vrijheid toegestaan, wat men genen noch veroorloven, noch van hen zou kunnen dulden.” „Maar hoe dit bij deze wanordelijkheid een geordende stand mag heeten,” zeide ik, „is mij een raadsel.” Weliswaar hadden hun wapenen op het oog niets afschrikwekkends; want hunne spiesen, zwaarden en dolken, waarmee zij op elkander inhieuwen en elkaar staken, waren van leder; zij hielden ze niet in de hand, doch in den mond. Hun schietwerktuigen bestonden uit riet en penneschachten, die met een in water opgelost poeder geladen waren, en dan beschoten zij elkander met papieren kogels. Wanneer men dien strijd, zoo gezegd, oppervlakkig beschouwde, scheen daaraan niets vreeselijks te zijn; maar toen ik zag, dat iemand, die slechts licht getroffen was, ineenkromp, [86]schreeuwde, zich wrong en de vlucht nam, kostte het mij weinig moeite te begrijpen, dat het geen scherts, doch bloedige ernst was. Soms vielen meerdere personen tegelijk zoo heftig op een enkele aan, dat het kletterend geweld der zwaarden van rondom hun de ooren verdoofde en de papieren kogels op hen neerhagelden; menigeen verweerde zich dapper, verdedigde zich tegen zijn aanvallers en dreef ze uit elkaar; doch anderen, verzwakt door hun wonden, zegen ineen; ook zag ik hier een elders ongewone wreedheid, daar men zelfs van de gewonden en de dooden niet afliet, doch hen met nog grooter woede en onbarmhartigheid sloeg en op hen inhakte en een ieder het liefst zijn heldendaden bewees tegenover een vijand, die zich niet meer verdedigen kon. Anderen gingen met elkander wel iets inschikkelijker om, doch ook zij waren niet vrij van de neiging tot woordenwisselingen en misverstanden. Want nauwelijks opperde iemand een denkbeeld, of dadelijk stiet hij bij een ander op tegenspraak; men disputeerde zelfs over de kleur der sneeuw, of deze wit of zwart en of het vuur heet of koud was.
De groote verwarring onder de geleerden.
11. Op dit oogenblik kwamen eenige anderen tusschenbeide bij dit redetwisten en begonnen hen tot vrede te manen, waarover ik mij oprecht verheugde. Er ging ook een gerucht, dat men op alle geschilpunten tot een vreedzaam vergelijk zou komen [87]en de vraag rees nu, wie dit ondernemen zou. Daarop werd geantwoord, dat met bewilliging der koningin Wijsheid uit alle faculteiten de meest tot oordeelen bevoegden gekozen zouden worden, wien zij het recht wilde verleenen, door hoor en wederhoor der strijdende partijen telkens het twistpunt nauwkeurig te onderzoeken en daarna uitspraak te doen, welke der betwiste meeningen het meest met de waarheid zou strooken. Een niet gering aantal geleerden, die of in het scheidsgerecht zitting zouden krijgen, of dit hoopten, schaarden zich bijeen; vooral zij kwamen in grooten getale bijeen, die wegens hun uiteenloopende meeningen met elkander in onmin waren.—Onder hen zag ik Aristoteles15 en Plato, Cicero en Sallustius, Duns Scotus en Thomas van Aquino, Bartolus en Baldus, Erasmus en de theologen der Sorbonne, Ramus en Campanella met de perepathetici, Kopernicus en Ptolemaeus, Theophrastus Paracelsus en Galenus, Hus, Luther en anderen met den paus en de Jezuïeten, Brenzius en Beza, Bodinus en Wier, Sleidanus en Surius, Schmidlinus en de calvinisten, Gomarus en Arminius, de Rozenkruisers en philosophasters en dan nog tallooze anderen.—Toen nu het oogenblik gekomen was, waarop de scheidsrechters hun bevalen, hun klachten en bezwaren, hun bewijzen en de weerleggingen van tegen hen ingebrachte argumenten [88]schriftelijk en in zoo weinig mogelijk woorden bijeengevat, in te dienen, hoopten zij zulke stapels boeken op, dat zesduizend jaren nauwelijks voldoende zouden zijn ze te onderzoeken. Zij verzochten, dat met deze beknopte uiteenzetting hunner meeningen voorloopig genoegen zou worden genomen, doch dat het verder een ieder volkomen zou vrij staan, zijn meening, als de noodzakelijkheid daarvan werd aangetoond, breeder toe te lichten en uit te leggen. Zoo begonnen de rechters deze boeken in te zien; daar evenwel een ieder de inhoud van het boek, dat hem toevallig in handen kwam, naar het hoofd steeg, als werd hij dronken, begon hij zich daarvoor in de bres te stellen en zoo ontstond onder de heeren rechters en vredestichters zelf groote tweespalt, daar ieder een van den ander afwijkende meening verdedigde.—Het gevolg was, dat zij spoedig onverrichterzake uiteengingen en zoo keerden de geleerde mannen tot hun gekrakeel terug, wat mij tot schreiens toe bewoog.
1 Blik wordt van verschillende metalen vervaardigd; hier wordt, zooals uit de uitdrukking „huid van ijzer” is af te leiden, blik bedoeld, dat van ijzer is bereid. ↑
5 Comenius heeft hier de z.g. depositis scholastica op het oog, een lichamelijke kwelling der novieten in de 17e eeuw, door oudere studenten, waarvan de groentijd een overblijfsel is. ↑
6 Magistri. De titels, meester en doctor, werden aanvankelijk als identiek beschouwd; in de 16e eeuw werd de meestertitel toegewezen aan de philosophische faculteit en de doctorstitel aan de overige faculteiten. ↑
7 Vocabularium = woordenlijst in alfabetische volgorde; dictionarium = woordenlijst met zinnen; lexicon = een door het opnemen van bijzondere en verouderde uitdrukkingen vermeerderd dictionarium; Promptuarium = boek, waarin een tak van wetenschap overzichtelijk voorgesteld wordt zoodat bepaalde onderdeden met behulp van een register gemakkelijk te vinden zijn; Florilegium = bloemlezing; Loci communes = eig. gemeenplaatsen, hier zijn bedoeld grondbegrippen; Postille = preekenboek voor huiselijke godsdienstoefeningen; Concordantie = de in alfabetische volgorde gebrachte verzameling van alle woorden uit den Bijbel; Herbarium = een systematische verzameling gedroogde planten. ↑
11 De theriak is een uit een groot aantal stoffen (soms wel honderd) bereid wondermiddel, waarvan de samenstelling meestal geheim was. ↑
12 Een anagram wordt gevormd door verplaatsing der letters van een of meer woorden, om daardoor een nieuw woord of een nieuwen zin te vormen. ↑
In het algemeen.
1. De Verblinding zeide tot mij: „nu wil ik u echter bij de philosofen brengen, wier taak het is de middelen op te sporen tot verbetering der gebreken, die de menschheid aankleven, en elkaar te leeren, waarin de ware wijsheid bestaat.” „Dan zal [89]ik hier, naar ik hoop, iets leeren, dat volkomen zekerheid biedt,” merkte ik op. „Gewis,” zeide hij, „want dit zijn menschen, die het wezen aller dingen kennen; die alles weten, wat de hemel doet en wat de afgrond verbergt, die in edele aandrift de menschheid tot een deugdzaam leven leiden, stad en land den weg des lichts wijzen, God tot vriend bezitten en in hun wijsheid zelfs tot in Zijn geheimenissen doordringen.” „Laten wij dan gaan,” riep ik, „hoe eerder wij bij hen komen, hoe beter.” Doch als wij aangekomen waren en ik daar een schare grijsaards verzameld zag en hun vreemde potsen waarnam, werd ik geheel ontsteld. Het was waarlijk een bijzonder schouwspel: Bion had zich rustig nedergezet, Anacharsis wandelde rond, Thales vloog, Hesiodus ploegde, Plato jaagde in de lucht zijne ideeën na, Homerus zong, Aristoteles disputeerde, Pythagoras zweeg, Epimenides sliep, Archimedes hief de aarde uit haar voegen, Solon schreef wetten en Galenus recepten voor, Euclides mat de zaal op, Kleobulus poogde de toekomst te doorgronden, Periander stippelde de plichten uit, Pittacus voerde oorlog, Bias bedelde, Epictetus bediende, Seneca, zelf, temidden van tonnen goud zittend, verheerlijkte de armoede, Socrates verklaarde openlijk, dat hij niets wist, Xenophon daarentegen beloofde aan ieder, hem alles te zullen leeren, Diogenes gluurde uit zijn vat en beschimpte allen, die voorbijgingen, Timon verwenschte iedereen, Democritus lachte bij dit alles en Heraclitus weende er bij, [90]Zeno vastte, Epicurus gaf zich aan brasserijen over en Anaxarchus zeide, dat al deze dingen slechts schijnbaar en niet in werkelijkheid bestonden. Er waren nog vele andere, kleinere philosofen en ieder van hen vatte zijn leer in een bijzondere spreuk samen, die ik niet eens goed heb kunnen onthouden en die ik ook niet in mijn geheugen terug wensch te roepen. Toen ik dit een wijle aangezien had, riep ik uit: „Zijn dit die wijzen, die de lichten der wereld moeten heeten? Ach, ach, ik had iets anders verwacht! Zij zitten daar als boeren in de kroeg en schreeuwen allen door elkander.” „Dwaas, die gij zijt,” berispte mijn tolk, „gij begrijpt immers deze geheimenissen niet.” Hoorende, dat er geheime dingen aangevoerd werden, begon ik ijverig daarover na te denken en de tolk poogde ze mij te verklaren. Opeens trad een man, die ook met den philosofenmantel bekleed was (hij heette Paulus van Tarsen) op mij toe en fluisterde mij in het oor: „Niemand bedriege zich zelven: zoo iemand onder u denkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden. Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Want daar is geschreven: Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid; en wederom: de Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.” (1 Cor. 3 : 18, 19, 20). Met deze woorden stemde ik des te gereeder in, daar ik zag, dat zij met alles, wat mijn oogen gezien en mijn ooren gehoord hadden, overeen kwamen, en verzocht mijn leidsman mij naar een ander oord te brengen. De [91]Verblinding schold mij echter uit voor dwaas, daar ik in plaats van iets van de wijzen te leeren, hun den rug wilde toekeeren. Ik zweeg evenwel en ging ondanks zijn woorden heen.
Onder de grammatici.
2. Wij kwamen ook in een gehoorzaal en zie, deze was gevuld met jonge en oude bezoekers, bezig met een griffel letters, lijnen en punten op den wand te teekenen. Zoodra nu een van hen iets anders opschreef of uitsprak dan de anderen, lachten zij hem uit of dreven zoozeer den spot met hem, dat zij met elkaar begonnen te twisten. Een ander maal hing men op bepaalde afstanden op papier geteekende woorden aan de wanden op en streed daarover, welke beteekenis aan elk daarvan toekwam; legde ze nu eens in letters uiteen en stelde ze dan weer samen of verplaatste ze op allerlei wijzen. Toen mijn oogen verzadigd waren van dit schouwspel en er verder niets te zien was, zeide ik: „Het is eigenlijk maar kinderspel, laten wij ergens anders heengaan.”
Bij de rhetorici.
3. Wij kwamen vervolgens in een andere gehoorzaal en zie, daar bevonden zich evenzeer vele menschen, die allen, van penseelen voorzien, ijverig de wijze bespraken, waarop men woorden, die geschreven of door den mond in de lucht waren losgelaten, met een groene, roode, zwarte, witte of een willekeurige kleur zou kunnen beschilderen. [92]Ik vroeg, tot welk doel dit zou geschieden. Het antwoord luidde: „Om ook aan de hersenen der toehoorders eene bepaalde kleur te verleenen.” Ik vroeg verder of men dit blanketsel tot versiering der waarheid of tot verfraaiïng van de leugen gebruikte. „Dat is, naar dat het valt.” „Dan vindt men hier,” riep ik, „bijna even zoo veel ijdele schijn en leugen, als waarheid en gewin”; en zoo ging ik van daar.
Onder de dichters.
4. Hierop betraden wij een ander vertrek; daar bevond zich een groep flinke, jonge mannen, die op een kleine weegschaal lettergrepen afwogen en deze met een span maten en vroolijk rondhuppelden. De tolk, mijn verwondering hierover opmerkende, zeide: „Van alle kunsten, die in het gebruik der letters hun oorsprong vinden, is er geen kunstiger en blijder dan deze.” „En waarin bestaat zij dan?” vroeg ik. Het antwoord luidde: „Als men, door de woorden in hun eenvoudig verband te gebruiken, de beoogde uitwerking niet bereikt, poogt men den zin door wijziging van den bouw te verbeteren en den gewenschten indruk te maken.” Toen ik nu zag, dat diegenen, welke deze kunst van het aaneensmeden van woorden leerden, in bepaalde boeken keken, deed ik desgelijks en las de volgende titels: de Culice1, de Passere, de Lesbia, [93]de Priapo, de Arte Amandi, Metamorphoses, Encomia, Satyrae, kortom louter kluchten, fabels, minnetafereelen en allerhande zinneprikkelende voorstellingen, zoodat ik van heel dit doen bijna walgde, vooral toen ik zag, dat deze sylbenmeters hun geheele kunst ter verheerlijking hunner vleiers beoefenden, daarentegen diegenen, welke het hun niet naar den zin maakten, meedoogenloos met hun spot vervolgden, zoodat hun de kunst eigenlijk slechts diende om anderen te vleien, of ze met snijdenden spot te treffen. Nadat ik zoo had leeren inzien, welk een hartstochtelijk volkje het was, had ik den smaak voor dit gezelschap verloren en ging ijlings heen.
Onder de dialectici.
5. Verder gaande kwamen wij in een ander gebouw, waar men Perspicilla2 sleep en verkocht. Op mijn vraag antwoordde men mij, dat het „Notiones Secundae”3 waren, met wier hulp [94]men niet alleen de dingen aan de oppervlakte kon waarnemen, maar ook tot het wezen der zaak doordringen, meer in het bijzonder in de hersenen van zijn naaste een blik kon slaan en zijn verstandelijke vermogens schiften. En velen kwamen om deze brillen te koopen en de meesters leerden hen daarmee om te gaan en ze, wanneer het noodig was, zoo te verbuigen, dat ze recht op den neus zaten. De meesters nu, die ze vervaardigden, waren speciaal daartoe aangewezen en hadden hun werkplaatsen in afgelegen hoeken; maar zij maakten ze niet alle naar hetzelfde model. De een maakte groote, een ander kleine glazen, de een ronde, de ander hoekige, en allen prezen hun waar aan, trachtten de koopers tot zich te lokken, waren onderling in een onverzoenlijken twist gewikkeld en gooiden elkander met wat zij bij de hand hadden naar het hoofd. Sommigen kochten brillen van alle meesters en zetten ze alle op; anderen kozen er slechts een enkelen uit en bevestigden dien eveneens op den neus. Hierop beweerden eenigen, dat men daarmee geenszins zoo diep kon schouwen; doch anderen verklaarden zeer beslist alles te zien en toonden elkander zelfs hetgeen achter het menschelijk brein en de diepste roerselen van zijn verstand verborgen is. Maar van dezen zag ik er niet weinigen reeds bij de eerste schrede over steenen en blokken struikelen en in kuilen vallen, (waarvan ik reeds vroeger vertelde, dat zij hier overal in menigte aanwezig waren). „Hoe komt het,” vroeg ik, „dat zij voor deze hindernissen niet uitwijken, daar zij [95]door hun bril toch alles zien?” Men antwoordde mij, dat niet de bril, doch zij zelf de schuld droegen van hun val, daar zij het juiste gebruik ervan niet kenden. De brillenmeesters verklaarden bovendien, dat het geenszins voldoende was den bril der dialectiek te bezitten, doch dat het gezicht ook verhelderd moest worden met een collyrium4 uit de physica5 en de mathematica6. Daarom kregen zij den welgemeenden raad vooraf naar een andere gehoorzaal te gaan en daar hun gezichtsscherpte te verbeteren. Toen ik hen daarop naar verschillende plaatsen zag heengaan, zeide ik tot mijn gidsen: „Laten wij hen volgen,” maar ik verkreeg niet eerder toestemming daartoe, voor ik op aandringen van Alweter mij eenige van die brillen aangeschaft en opgezet had. En het kwam mij inderdaad voor, alsof ik meer dan voorheen kon zien en dat men de dingen op verschillende wijzen kon zien. Ondertusschen bleef ik er voortdurend op aandringen om verder te gaan, daar ik ook het collyrium, waarover zij straks gesproken hadden, wilde beproeven.
Onder de natuurkundigen.
6. Wij spoedden ons dus voort en kwamen op een plein, in welks midden ik een grooten, wijd [96]vertakten boom zag, waaraan velerlei bladeren en vruchten groeiden, de laatste nog alle in den bolster. Zijn naam was „Natura.” Rondom den boom was een aantal natuurphilosofen verzameld, die hem in oogenschouw namen en elkander onder het noemen van den naam zijn takken, bladeren en vruchten aanwezen. „Ik hoor wel,” zoo merkte ik op, „dat deze lieden zich oefenen in het noemen van de namen dezer dingen, maar ik zie tot nu toe niet, dat zij het wezen der natuur trachten te doorgronden.” De tolk gaf mij ten antwoord: „niet ieder kan daartoe de noodige bekwaamheid bezitten; kijk liever eens naar dezen.” Toen zag ik, dat eenigen van hen twijgen afbraken, bladeren uiteenrafelden en ooft uitpelden en wanneer hun een noot in handen kwam, daaraan met hun tanden knaagden, zoodat deze hoorbaar knarsten. Maar zij beweerden, dat dit geluid door het verbrijzelen der bolsters ontstond, die zij vervolgens schiftten en uitzochten; zij beroemden er zich op, dat zij nu den kern hadden, dien zij slechts in het geheim aan eenige weinigen toonden. Toen ik evenwel nauwkeuriger op hun doen en laten lette, nam ik duidelijk waar, dat alleen het uitwendige omhulsel, de schaal, verbrijzeld en vermorzeld, doch de hardere binnenschaal, waarin de kern besloten lag, nog volkomen gaaf was. Nadat ik hun ijdele pralerij en nuttelooze inspanning gezien had, (sommigen hadden zich inderdaad de oogen blind gestaard en tengevolge van het langdurig knagen de tanden gebroken) stelde ik met aandrang voor, ergens elders heen te gaan. [97]
Onder de metaphysici.—Unum verum bonum7—P. Ramus8.
7. Nu kwamen wij in een ruimte, waarin de heeren philosofen er over disputeerden, hoe men al het geschapene, dat zij voor zich hadden, zooals runderen, ezels, wolven, slangen en allerlei wild gedierte, vogels en kruipend gedierte en evenzeer hout, gesteente, water en vuur, zoowel als wolken, vaste sterren en planeten, ja zelfs de engelen, van de kenmerken, waardoor ze zich onderling onderscheidden, zou kunnen berooven en ze zoo geheel gelijkvormig maken. Eerst ontdeden zij ze van hun vorm, dan van de materie en tenslotte van alle onwezenlijke kenmerken, tot niets meer overbleef dan het zuivere Ens9. Verder streed men er over, of al deze dingen een en hetzelfde waren, of zij alle goed en of zij werkelijk waren, wat zij waren; en dergelijke vragen legde men elkander vele voor. Eenigen, die acht gaven op hun doen en laten, begonnen zich daarover te verbazen en vertelden, dat het menschelijk vernuft zoo hoog was gestegen, dat het in staat was zich over het onmiddellijk waarneembare heen te zetten en alle lichamelijke dingen van hun lichamelijk element te ontdoen, tot ik zelf ten laatste een streelend genoegen begon [98]te vinden in deze subtiele dingen. Maar plotseling verhief zich iemand10 en riep luide, dat dit slechts ijdele phantasie was, die men daarom liever moest opgeven. Hij kreeg ook werkelijk eenigen op zijn hand; maar de anderen kwamen daartegen in opstand en veroordeelden hem als een ketter, daar hij het hoogste weten uit de philosophie wilde bannen en haar het hoofd11 afhouwen.—Nadat ik lang genoeg naar dezen twist geluisterd had, ging ik weg van deze plaats.
Onder de Arythmetici.
8. En onzen weg vervolgende, geraakten wij te midden van een aantal geleerden, die in een vertrek huisden, dat geheel met cijfers gevuld was, in welke zij ijverig rondwoelden. Eenigen namen een aantal cijfers uit den verzamelden voorraad en plaatsten deze op regelmatige afstanden van elkaar; anderen raapten ze dan met handenvol weer bijeen en legden ze op stapels; sommigen namen van deze stapels weer een bepaald aantal cijfers af, die zij dan flink schudden en op een andere plek van het vertrek op een bijzondere wijze uitstrooiden. Vervolgens kwamen nog anderen, die de gescheiden deelen tot één geheel vereenigden; en dit proces van deelen en hereenigen herhaalde zich [99]voortdurend, zoodat ik mij over dezen arbeid der wiskundigen verwonderde. Onderwijl verzekerden zij, dat in de geheele philosophie geen wetenschap meer zekerheid bood dan de hunne, omdat bij haar niets kan verloren gaan, noch verdwijnen, noch overblijven. Toen ik vroeg, wat het doel dezer wetenschap was, verbaasden zij zich over mijn onwetendheid en de een na den ander begon mij wonderverhalen te doen. De een verzekerde het aantal ganzen, dat zich in een vlucht bevond, te kunnen opnoemen, zonder ze te tellen; een tweede verklaarde mij te kunnen zeggen, in hoeveel uren een cisterne12 door vijf pijpen leeg loopt; een derde, hoeveel stuivers13 ik in mijn beurs had, zonder er naar te kijken, enz., totdat er eindelijk iemand gevonden werd, die op zich nam het zand der zee te tellen en daarover onverwijld een boek schreef (Archimedes). Door diens voorbeeld aangewakkerd maakte zich een ander op, (en deze wilde in zijn berekening nog grootere nauwkeurigheid betoonen) de zonnestofjes te tellen. (Euklides14). Toen zij zagen, hoe verbluft ik daarover was, toonden zij mij, in hun verlangen om mij behulpzaam te zijn in het verkrijgen van een goed begrip der zaak, hun [100]regels: Trium15, Societatis, Alligationis, Falsi; die ik dan ook maar zoo zoo begreep. Doch toen zij mij tot het laatste en moeilijkste deel van hun vak, dat Algebra of Cossa16 heette, wilden inleiden, zag ik zulk een massa wild geschreven hanepooten, dat duizeligheid mij bijna overviel. Ik sloot de oogen en smeekte, mij schielijk van daar weg te leiden.
Onder de geometrici.
9. Boven een andere gehoorzaal was het opschrift: Οὐδεὶς ἀγεωμέτρητος εἰσίτω17 aangebracht; ik bleef staan en zeide: „Zullen wij daar wel binnen mogen gaan, want zij laten alleen maar de meetkundigen toe?” „Kom gerust,” sprak Overalbij. Binnen getreden zag ik vele menschen, die ieder voor [101]zich op rustige wijze bezig waren, punten, lijnen, hoeken, kruisen, cirkels en vierkanten te teekenen. Vervolgens trad de een op den ander toe en toonden zij elkander hun werk. Soms beweerde iemand, dat het werk anders moest gemaakt worden, terwijl de maker er bij bleef, dat het goed was: zoo zaten zij elkander in de haren. Gelukte het iemand, een nieuwe lijn of figuur te vinden, dan was hij uitgelaten van vreugde, riep de anderen bijeen en toonde hun zijn ontdekking; en dezen keken met welgevallen toe, wendden de hoofden links en rechts en beschreven met de vingers allerlei cirkelvormige bewegingen in de lucht, keerden vervolgens ieder in zijn hoekje terug en poogden dergelijke figuren te beschrijven; den een gelukte het, den ander niet, zoodat de geheele zaal, de vloer, de wanden en de zolder vol lijnen waren. Zij lieten niemand toe, daarop een stap te zetten of ze ook maar even aan te raken.
Præcipua apud geometras controversia de quadrando circulo.—Joh. Scaliger.—Joh. Clavius18.
10. Zij, die onder hen het meest geleerd waren, kwamen bijeen in het midden der zaal en trachtten [102]met de grootste inspanning de een of andere stelling op te lossen, terwijl de anderen vol verwachting met open monden om hen heen stonden. En het ging van mond tot mond, dat de oplossing van het vraagstuk grooter verwondering zou wekken dan de studie der ingewikkeldste zaken op de aarde; en als ze eenmaal gevonden was, zou niets den mensch verder onmogelijk zijn. Begeerig om te vernemen, waarom het hier eigenlijk ging, trad ik naderbij en zag, dat zij een cirkel in hun midden hadden, en dat nu de vraag was, hoe hieruit een vierkant kon worden gevormd. Daar dit evenwel ondanks hun onuitsprekelijke inspanning niet gelukte, gingen zij tijdelijk weer uiteen en beloofden elkander, er verder over na te denken. Na een korte wijl, springt plotseling een van hen op en roept: „ik, ik heb het geheim ontdekt!” Alles verzamelt zich met groote haast om hem heen om de oplossing bewonderend gade te slaan. De ontdekker haalt nu een grootboek in folio voor den dag en toont hun dat. Dan verheffen zich luide kreten en gaat er gejuich op, als na een overwinning. Totdat op eenmaal een ander geleerde aan dit vreugdebetoon een eind maakte door zoo luid te roepen, als zijn stem het toeliet, dat zij zich niet moesten laten verblinden, want dat de getoonde figuur geen kwadraat was. Nu zette hij hem een nog grooteren foliant voor, veranderde al deze schijnbare kwadraten weer in cirkels en leverde het grondige bewijs, dat hetgeen de vorige geleerde vruchteloos beproefd had, onmogelijk door een [103]mensch kon worden uitgevoerd. Hierop lieten zij allen het hoofd hangen en keerden tot hun wirwar van lijnen en hun gekrabbel terug.
Onder de geodeten19.
11. In een ander vertrek, dat wij daarop betraden, verkocht men duimen, spannen, ellen, vadems, maten en gewichten, hefboomen, windassen, dommekrachten en dergelijke werktuigen; het was er vol van lieden, die maten en wogen. Eenigen maten het vertrek, waarin wij ons bevonden, doch bijna ieder kwam na zijne opmeting tot een ander resultaat; hierdoor geraakten ze in twist en begonnen opnieuw te meten. Anderen maten een schaduw naar haar lengte, breedte en dikte; nog anderen wogen haar in een weegschaal. Kortom, zij beweerden, dat er niets in of buiten de wereld was, dat zij niet in staat waren precies te meten. Ik nam echter een korten tijd hun werk in oogenschouw en zoodra ik bemerkte, dat zij meer snoefden dan noodig was, ging ik hoofdschuddend verder.
Onder de musici.
12. Wij kwamen nu in het vertrek daarnaast, dat, zooals ik bemerkte, vol was van muziek, zang, geklink en geklank, en van het geluid van verschillende muziekinstrumenten. Eenigen, die daarbij stonden, onderzochten ze van buiten, van [104]binnen, van alle kanten, en leiden hun oor daartegen te luisteren met het doel zoo te ontdekken, wat wel den toon of klank opwekte; waar het geluid ontstond, vanwaar het kwam en waarheen het ging; waarom het soms stemde en soms niet. Anderen verzekerden, dat zij er reeds achter gekomen waren en verklaarden vol vreugde, dat het wezen der muziek iets goddelijks en een diep mysterie was. Daarom ontleedden zij de toonreeksen, die zij hoorden, stelden ze weder samen, brachten ze op verschillende toonhoogten en deden dit met lust en opgewektheid. Maar onder de duizend had nauwelijks één de hiertoe vereischte begaafdheid: de anderen keken slechts toe. Wilde iemand hunner toch zelf het instrument ter hand nemen, dan hoorde men slechts knarsen en krassen, zooals ook mij overkwam. Toen ik nu zag, dat velen, die mij hoogstaande menschen toeschenen, dit voor kinderspel en tijdverbeuzeling hielden, ging ik heen.
Onder de astronomen.
13. Nu leidde Overalbij mij langs een trap naar een soort galerij, waar ik veel menschen bezig zag met het vervaardigen van ladders. Zij richtten deze tegen het hemelgewelf op, klauterden naar boven om naar de sterren te grijpen en door het gebruik van meetsnoeren, linialen, passer en schietlood den loop harer banen te bepalen. Eenigen zetten zich dadelijk neer en schreven de regels en wetten op, waarin op grond van metingen aangegeven was: wanneer, waar en hoe de sterren zich naar [105]elkaar toe of van elkaar af bewogen. Ik stond verbaasd over de vermetelheid der menschen, dat zij zich tot den hemel verheffen en den sterren haar loop durfden voorschrijven. Ik kreeg lust in deze onvolprezen wetenschap en begon met levendige belangstelling haar ook zelf te beoefenen. Maar toen ik mij een tijdlang daarmee bezig gehouden had, zag ik helder in, dat de sterren geenszins naar hun pijpen dansen wilden. Dit begrepen de astronomen ook zelf heel goed, klaagden over de anomalitas coeli20, probeerden steeds weer de sterren nu zus, dan zoo, in de haar voorgeschreven orde te rangschikken, zoodat zij ze zelfs van stand deden verwisselen en eenige van haar zelfs naar de aarde neertrokken, daarentegen de aarde omhoog te midden der sterren plaatsten21. Kortom, op deze en andere wijzen dachten zij hypothesen uit, maar geen daarvan wilde doel treffen.
Onder de astrologen22.
14. Zoo kwam het wellicht, dat eenigen volstrekt niet meer omhoog klommen, maar zich er mee tevreden stelden, de sterren van beneden te beschouwen, waarbij zij op de stelling acht gaven, die de eene ster ten opzichte van de andere op bepaalde tijdstippen innam. Terwijl zij dan daaruit trigonen, kwadraten, sextielen, conjuncties, opposities [106]en andere aspecten23 vormden, voorspelden zij, hetzij openlijk aan de geheele wereld, hetzij in het geheim aan bepaalde personen, toekomstige gelukkige of ongelukkige gebeurtenissen, stelden nativiteiten24 en prognostica op schrift en verspreidden ze onder de menschen. Niet zelden overviel dientengevolge den menschen angst en schrik; een andermaal streelde hen een blij vooruitzicht; doch tot deze gelukkigen behoorden slechts enkelen. Velen bekommerden zich volstrekt niet om de prognosticaties, wierpen ze in een hoek, hoonden de profeten door ze sterrenzwendelaars te noemen, en zeiden, dat zij ook zonder voorspellingen volop te eten en te drinken hadden en behoorlijk konden uitslapen. Toch meende ik aan het eenzijdig oordeel dezer [107]lieden geen al te groot gewicht te moeten hechten, als slechts de kunst als zoodanig een vasten grondslag bezat; doch hoe langer ik haar op de proef stelde, des te meer zag ik haar ontoereikendheid in; kwam ook een voorspelling eenmaal uit, dan faalde zij in vijf andere gevallen weer. Daaruit trok ik de slotsom, dat het ook zonder hulp der sterren niet moeilijk is, de toekomst te gissen, daar men bij welslagen geprezen wordt en in het tegenovergestelde geval zich nog altoos door de eene of andere uitvlucht kan redden.—Ik hield het daarom voor tijdverlies mij met deze dingen nog langer op te houden.
Onder de historici25.
15. Zoo zochten wij een ander plein op en zagen weer iets nieuws. Daar stond een niet gering aantal menschen met een eigenaardig soort in een aantal windingen gebogen hoorns, waarvan zij het eene eind voor de oogen hielden en het andere eind over den schouder heen tegen den rug lieten rusten. Toen ik om inlichting vroeg aangaande het gebruik dezer instrumenten, gaf de tolk mij ten antwoord, dat het kijkers waren, waarmede men achterwaarts zien kon, „want,” meende hij, „wie waarlijk mensch wil zijn, moet niet alleen datgene zien, wat vlak voor zijn voeten ligt, maar ook kennis nemen van wat voorbijging en reeds achter den rug is, opdat hij de lessen van het verleden toepasse op het heden en de toekomst.” [108]Voor mij was deze zaak geheel nieuw (want te voren had ik stellig nooit iets van het bestaan van dergelijke gebogen kijkers vernomen) en daarom verzocht ik er een ter leen, om daarmee eenige tafereelen te bekijken. Men reikte mij terstond enkele kijkers over en o wonder! door elk daarvan was iets geheel anders te zien. De eene kijker liet de dingen in de verte, de andere in de onmiddellijke nabijheid zien; het eene in deze, het andere in die kleur; door een derden kijker was hiervan weer geen spoor te zien, zoodat ik weldra tot de slotsom kwam, dat men er zich geheel niet op verlaten kon, of het met de een of andere zaak zoo stond, als zij zich voordeed; doch dat veeleer dezelfde zaak voor mijn oogen telkens in een ander licht verscheen, zoo vaak ik een anderen kijker ter hand nam. En toch heb ik opgemerkt, dat ieder de lenzen van zijn kijker vertrouwde; daardoor ontstond dan ook over menige aangelegenheid vaak een heftig krakeel en dat beviel mij evenmin.
Onder de beoefenaars van ethiek en politiek.
16. Toen zij mij opnieuw naar een andere plaats wilden brengen, vroeg ik, of er niet haast een eind aan het waarnemen der geleerden kwam. Het zou mij waarlijk bang om het hart worden, als ik nog verder onder hen moest verkeeren. „Het beste komt nog,” zei Overalbij. Wij schreden daarop een zaal binnen, die vol was met schilderijen; aan de eene zijde waren de schoone en liefelijke, aan de [109]andere zijde die met leelijke en wanstaltige afbeeldingen opgehangen; daar tusschen gingen de philosofen op en neer, die de beelden niet alleen in oogenschouw namen, maar ook hun best deden de schoone nog schooner en de leelijke nog leelijker te kleuren. Op mijn vraag naar de beweegreden dezer handelwijze, antwoordde mij de tolk: „ziet gij dan niet de opschriften daarboven?” En hij bracht mij dichterbij en wees ze mij: Fortitudo26, Temperantia, Justitia, Concordia, Regnum enz. en aan de andere zijde: Superbia, Gula, Libido, Discordia, Tyrannis enz. De philosofen nu verzochten alle aankomelingen dringend de schoone afbeeldingen recht te beminnen, de leelijke daarentegen te haten, terwijl zij de eerste zooveel mogelijk prezen, en de laatste smaadden en gispten. Dat beviel mij bijzonder en ik gaf daaraan uitdrukking door te zeggen: „Hier vind ik nu toch eindelijk menschen, die daden verrichten, welke het menschelijk geslacht waardig zijn.” Doch helaas, spoedig zag ik, dat deze beminnelijke zedenleeraars zich zelf volstrekt niet meer tot de mooie schilderijen dan tot de leelijke voelden aangetrokken en niet alleen voor deze meer afschuw dan eerbied voor genen hadden, maar ook, de oogen dikwijls zeer gaarne naar de laatste richtten, [110]zoodat ook anderen, door hun voorbeeld verleid, naar die wanstaltige beelden de oogen wendden, ze toelonkten en daarmee kortswijlden. Toen barstte ik toornig uit: „nu zie ik duidelijk in, dat (zooals de wolf in de fabel van Aesopus zegt) de menschen anders spreken dan zij handelen; hun geest vliedt weg, van hetgeen hun mond prijst en hun hart hangt aan, wat hun tong verafschuwt.” „Gij zoekt vermoedelijk engelen onder hen?” riep de tolk, briesend van drift. „Zal wel ooit iets uw tevredenheid opwekken? Overal ontdekt gij gebreken!” Toen zweeg ik en liet het hoofd zakken, vooral toen ik zag, dat al de anderen, begrijpende, dat ik op hen lette, mij onvriendelijk aanzagen. Ik verliet hen en ging naar buiten.
1 De Culice: „de mug”, wordt aan Virgilius toegeschreven. De Passere: „de musch” is van Catullus; de Lesbia: [93]„aan Lesbia”, een minnedicht van Catullus; de Priapo: „aan Priapus”, een Griekschen god, die de vruchtbaarheid in de natuur en den zinnelijken lust zinnebeeldig voorstelt; de arte amandi: „de kunst van te minnen”, van Ovidius; Metamorphoses: „gedaanteverwisselingen”, eveneens van Ovidius, behandelt den overgang van menschen in dieren, boomen en bloemen; Encomia: „lofzangen”; Satyrae: „spotdichten”. ↑
11 In het Tsjechisch hlavu artium = het hoofd der kunsten, die der metaphysica, die in de middeleeuwen het hoogtepunt van alle philosophie was. ↑
15 Regula trium, regel van drieën, het berekenen eener onbekende grootheid uit drie bekende grootheden.
Regula societates, gezelschapsrekening, een methode om eene bepaalde grootheid in bepaalde verhoudingen te verdeelen.
Regula Allegationis, het berekenen van de onbekende grootheid uit sommen, waarin gegevens van verschillende kwantiteit en kwaliteit voorkomen.
Regula Falsi, een rekenmethode, waarbij men in een som voor de onbekende grootheid een bepaalde waarde veronderstelt, het resultaat daarvan met de gegevens der som vergelijkt en op grond dezer vergelijking een nauwkeuriger waarde voor de onbekende grootheid verkrijgt. ↑
18 De voornaamste strijdvraag der meetkundigen liep over de kwadratuur van den cirkel. Men weet thans, dat het vraagstuk der cirkel-kwadratuur onoplosbaar is; doch Scaliger, de beroemde Leidsche philoloog, meende de oplossing gevonden te hebben en geraakte daarover in twist met Clavius, een wiskundige uit Bamberg. ↑
23 Aspecten zijn de hoofdstellingen van zon, maan en planeten ten opzichte van elkaar in den dierenriem; daarbij wordt aangenomen, dat eenige planeten zooals Jupiter en Venus een gunstigen, andere, zooals Mars en Saturnus een ongunstigen invloed uitoefenen. De Conjunctie, een bepaald soort aspect, beteekent het zichtbaar zijn van twee planeten of van een planeet en de zon of van de maan in dezelfde richting; terwijl de oppositie den toestand aanduidt, waarbij een planeet door de aarde van de zon gescheiden is. ↑
24 Voor het opstellen der nativiteit bepaalde de astroloog eerst de horoscoop, d.w.z. hij stelt in de elliptische baan, welke de zon in den loop van één jaar tusschen de sterren aan den hemel beschrijft, het punt vast, waar deze zich op het oogenblik der geboorte bevindt.—Daarna gaat hij de constellatie na, d.i. het teeken van den dierenriem, waarin zich juist de horoscoop bevindt en de wijze, waarop de aspecten hem beïnvloeden.—Prognostica zijn voorspellingen. ↑
Overalbij deed mij nu dezen voorslag: „Kom nu in alle geval mee, ik zal u naar een plaats geleiden, waar het menschelijk vernuft zijn hoogtepunt bereikt in zulk een heerlijken arbeid, dat wie zich daaraan eenmaal heeft gewijd, daarvan zijn leven lang niet meer kan aflaten vanwege het edele en verrukkelijke genot, dat het den geest verschaft.” Ik verzocht hem mij zonder uitstel dien arbeid te toonen. Zoo voerde hij mij een donker gewelf binnen, en zie, daar stonden in vonkelende rijen [111]vuurhaarden, smeltovens, ketels en glazen gereedschappen. Er liepen menschen af en aan, die rijshout bijeendroegen en uitspreidden; dan ontstaken zij het vuur, bliezen het aan en doofden het weder uit, terwijl zij de een of andere stof in vaten uitgoten en verder op allerlei wijzen vloeistoffen mengden, door die van het eene vat in het andere over te gieten. Op mijn vraag, wat voor menschen dit waren en wat zij eigenlijk deden, ontving ik ten antwoord: „Dit zijn de scherpzinnigste philosofen, die tot stand brengen, wat de zon aan den hemel met haar gloed in de ingewanden der aarde in vele jaren niet kan uitwerken, doordat zij verschillende metalen tot den hoogsten graad van volkomenheid opvoeren, dat wil zeggen, tot goud.” „Tot welk doel?” wierp ik hem tegen. „Heeft men dan aan ijzer en andere metalen niet meer behoefte dan aan goud?” „Wat zijt gij een ezel,” sprak hij, „het goud is toch het kostbaarste metaal; wie het bezit behoeft geen armoede te vreezen.”
Lapis philosophicus1.
2. Bovendien bezit die stof, welke metalen in goud verandert, nog andere wonderbaarlijke krachten; onder anderen ook die, dat zij des menschen gezondheid tot aan den dood ongeschonden bewaart en dezen niet toelaat (tenzij dan na twee of driehonderd jaar). Indien men maar de kunst van het rechte gebruik dezer stof verstond, zou men [112]zich waarlijk zelf onsterfelijk kunnen maken, want deze lapis is zeker niets anders dan het zaad des levens, de kern en het uittreksel der geheele wereld, waaruit de dieren, planten, metalen en de elementen zelf hun bestaan putten.” Ik schrok bij het hooren van zoo wonderlijke dingen en vroeg: „Zijn deze menschen hier dan allen onsterfelijk?” Het antwoord luidde: „Niet ieder slaagt er in dit middel te vinden en wien het gelukt, weet het niet altijd juist toe te passen.” „Als ik slechts dezen steen bezat,” zeide ik, „zou ik mij alle moeite geven hem zoo aan te wenden, dat de dood niets tegen mij zou vermogen; en voor mij zelf en anderen zou ik goud in overvloed willen hebben. Doch waar kan men dezen steen bekomen?” „Hij wordt hier toebereid,” antwoordde hij. „In deze kleine ketels,” vroeg ik.—„Juist.”
Wat bij de goudmakers voorvalt.
3. Met zulke verlangens bezield, zette ik mijn weg voort en lette op elke kleinigheid, waar en hoe deze verricht werd en ik merkte op, dat niet allen hetzelfde succes op hun werk hadden. De een liet zijn vuur te zwak branden, en zoo kookte de stof in den ketel niet lang genoeg. Een ander had het vuur te hard gestookt; daardoor sprongen de vaten en ontweek er een gas; de man zeide, dat de azoth ontsnapt was en barstte in tranen uit. Een derde had bij het overgieten der stof een gedeelte op den grond gestort of de juiste menging niet getroffen. Eenigen hadden zich door [113]den rook de oogen bedorven, zoodat zij op het calcineeren en fixeeren2 niet goed meer konden letten; of de rook, die op hen aandreef, verhinderde hen te zien en terwijl zij nog bezig waren, de oogen uit te wrijven, was de azoth reeds ontsnapt. Sommigen ademden den damp in en stierven. Bij de meesten was de voorraad kolen in de zakken ontoereikend; zij moesten dan ergens anders gaan leenen, ondertusschen koelde het mengsel af en alles was verloren. En een dergelijk voorval greep hier dikwijls plaats, ja, bijna onophoudelijk. Want ofschoon zij niemand tot hun gezelschap toelieten, die niet een welgevulde beurs bezat, slonk deze bij iedereen toch zeer snel, zoodat er weldra geen penning meer over was. Dus werd hem geen andere keus gelaten dan het werk stop te zetten of zich tot iemand anders te wenden om geld te leenen.
4. Nadat ik hun doen en laten voldoende had gadegeslagen, zeide ik: „Mannen, die vruchteloos arbeiden, zie ik hier genoeg; maar ik bespeur niemand, die den steen gevonden heeft. Ik zie, dat zij door koken en roosteren goud willen maken en het levenselixer brouwen, maar de uitslag is, dat zij goud verkwisten en hun levenskracht verteren. Waar bevinden zich toch die gelukkigen met hun bergen van goud en hun onsterfelijkheid?” Hij antwoordde mij: „Men zal u niet dadelijk in deze [114]wetenschap inwijden; en ik zou het hun ook niet willen aanraden. Een zoo kostbare zaak moet geheim blijven. Want indien een van de machtigen der wereld van zulk een man hoorde, zou hij zich van hem meester maken en deze zou dan zoo goed als voor altijd van zijn vrijheid beroofd zijn; daarom moeten deze wijzen hun geheim voor zich houden.”
5. Op dat oogenblik zag ik eenigen van deze half verzengde alchymisten samenkomen en, mijn ooren spitsende, hoorde ik, dat zij onder elkander de oorzaken van het mislukken hunner pogingen trachtten op te sporen. De een gaf de schuld aan de philosofen, die een te duistere beschrijving van deze kunst hadden gegeven; een ander klaagde over de broosheid van het glazen gereedschap; een derde wees op de voor tijd en gelegenheid ongunstige aspecten der planeten; een vierde was boos over de troebele, aardachtige verontreinigingen in den Mercurius3; een vijfde klaagde over geldgebrek. Kortom, er waren zooveel gronden voor mislukking, dat zij geen raad wisten hoe hun kunst ter hulp te komen. Dat zag ik duidelijk. En toen zich de een na den ander naar buiten begaf, vertrok ook ik. [115]
Fama Fraternitatis anno 1612, latine ac germanice edita1.
Plotseling hoor ik op het plein het luide geschal van een trompet, waarop ik, rondziende, iemand te paard zag aanrijden, die de philosofen bijeenriep. Zoodra deze in groote menigte van alle zijden waren toegestroomd, begon hij in vijf verschillende talen over de onvolkomenheid der vrije kunsten en der philosophie in haar geheel te spreken; en dat reeds eenige uitstekende mannen, daartoe door God opgewekt, bijeengekomen waren om al deze gebreken te onderzoeken, ze te herstellen en zoo de menschelijke wijsheid tot dien trap der volmaaktheid op te voeren, waarop zij voor den zondenval in het paradijs had gestaan. Goud te maken, zeide hij, was van honderd andere kunsten de geringste, waartoe zij in staat waren, want daar de geheele natuur open en ontsluierd voor hun oogen lag, waren zij in staat ieder ding naar willekeur een bepaalden vorm te geven en dien er weder aan te ontnemen. [116]Verder verklaarden zij, de talen van alle naties machtig te zijn en alles te weten, wat over het geheele rond der aarde, zelfs ook in de Nieuwe Wereld, geschiedde; zij konden met elkander zelfs op een afstand van duizend mijlen spreken. Hij verzekerde, dat zij den steen der wijzen bezaten, met behulp waarvan zij alle ziekten genazen en een lang leven konden waarborgen. Want Hugo Alverda2, hun praepositus3, zou reeds 562 jaren oud zijn en zijn ambtgenooten niet veel minder. Nadat zij zich zooveel eeuwen verborgen gehouden en (zeven van hen) in alle stilte aan de volmaking der philosophie gewerkt hadden, waren zij nu geneigd, daar alles alreede tot volkomenheid gebracht was en volgens hun wetenschap een reformatie4 over de geheele wereld voor de deur stond, niet meer verborgen te blijven, maar zich in het openbaar te vertoonen, bereid om een ieder, dien zij daartoe waardig achtten, hun kostbare geheimen mede te deelen. Indien zich dan iemand bij hen aanmeldde, onverschillig in welke taal hij sprak en tot welke natie hij behoorde, zou alles, wat hij zeide, beslist te hunner kennisse komen en niemand zonder vriendelijk bescheid blijven. Maar als iemand onwaardig was en louter uit hebzucht [117]of nieuwsgierige onbescheidenheid deze gaven wenschte te erlangen, dan zou hij, al vroeg hij hen nog zoo uit, niets te weten komen.
Varia de Fama judicia5.
2. Nadat hij deze rede uitgesproken had, verdween de bode. Naar de geleerden omziende, vond ik hen bijna allen op het hooren van dit nieuws verslagen. Langzamerhand begonnen zij evenwel de hoofden bij elkaar te steken en hun oordeel hier over uit te spreken, sommigen fluisterend, anderen met luider stem. Ik trad nu hier, dan daar op de kleine groepen geleerden toe en luisterde.—En hoor, daar hieven sommigen een luid gejubel aan en wisten zich van vreugde niet te houden. Zij betreurden het, dat hun voorouders gedurende hun levensdagen niet een dergelijk geluk was ten deel gevallen; en prezen zich zelf gelukkig, omdat zij in het volledige bezit der volmaakte philosophie gekomen waren. Indien men het maar wenschte, zou het voortaan mogelijk zijn, alles te weten, zonder in dwalingen te vervallen; alles in overvloed te bezitten, zonder eenig gebrek te hebben, en zonder ziekte en grijze haren vele duizenden jaren in het leven te blijven. En voortdurend herhaalden zij: „O hoe gelukkig, hoe overgelukkig is onze tijd.” Op het hooren van dergelijke woorden, begon ik mij ook zelf te verheugen en de hoop te koesteren, [118]als het God behaagde, aan al datgene, waarop de anderen zich spitsten, ook aandeel te krijgen. Daarentegen zag ik ook eenige geleerden, die in diep nadenken verzonken en zeer verlegen waren, wat zij van de zaak eigenlijk moesten denken. Zij zouden blij geweest zijn, wanneer hetgeen zij hadden hooren aankondigen, slechts waar geweest was; maar deze dingen schenen duister te zijn en boven het menschelijk verstand uit te gaan. Anderen verzetten zich nadrukkelijk, zeggende, dat alles bedrog en zwendel was: als deze hervormers der philosophie vele eeuwen geleefd hadden, waarom waren zij dan niet eerder voor den dag gekomen? En als zij van hun zaak zoo zeker waren, waarom kwamen zij dan niet stoutmoedig voor den dag, in stede van evenals vleermuizen in hun donkere schuilhoeken te fluiten? Naar zij meenden, was de philosophie goed gefundeerd en had zij geen hervorming noodig. Indien men toestond, dat zij haar aanhangers uit de hand werd geslagen, zouden zij met leege handen blijven zitten. Toen begonnen eenigen verschrikkelijk op hen te schimpen en hen uit te vloeken, waarbij zij hen voor waarzeggers, heksenmeesters, ja zelfs voor baarlijke duivels uitmaakten6.
Fraternitatem Ambientes7.
3. Om kort te gaan, op het geheele plein [119]heerschte een geweldige opschudding, en bijna elkeen brandde van verlangen om de gaven der Broederschap machtig te worden. Vandaar dat niet weinigen verzoekschriften opstelden, hetzij heimelijk, hetzij in ’t openbaar en ze hun toezonden in de heugelijke verwachting, dat ook zij spoedig in de Broederschap zouden worden opgenomen. Doch ik zag, hoe al deze verzoekschriften, nadat zij alle hoeken der aarde doorloopen hadden, zonder beantwoord te zijn, tot hun afzenders terugkeerden en hoe de blijde verwachting overging in diepe smart; zelfs den spot der ongeloovigen moesten zij verduren. Doch velen herhaalden hun verzoek een tweede, ook wel een derde maal en nog vaker, en smeekten hen, door alle kunsten der Muzen8 te hulp te roepen, daarbij de warmste huldebetuigingen uitende, die zij konden bedenken; ja, bezwoeren hen zelfs den dorst hunner ziel naar wijsheid niet ongestild te laten. Sommigen, niet in staat een langer uitstel te verdragen, doorkruisten de wereld van de eene landstreek naar de andere, al klagende over hun ongelukkig gesternte, dat zij die gelukkige menschen niet konden vinden. De een schreef de schuld daarvan toe aan eigen onwaardigheid, een ander aan het onvoegzame gedrag dier mannen; en zoo verviel de een tot wanhoop, terwijl de andere rondzag naar nieuwe middelen en wegen, waarvan slechts nieuwe teleurstelling het gevolg was; tot [120]het mij zelf bang te moede werd, dewijl ik er geen eind aan kon zien.
Continuatio Famae Rosaeorum9.
4. Doch hoor, daar weerklinkt opnieuw trompetgeschal; en op dit geluid loopen de menschen weder van alle kanten toe; ook ik bevond mij onder hen en zag, hoe daar een man zijn waren uitstalde en de kijkers opriep tot het bezichtigen en koopen van zijn wonderlijke geheimmiddelen, die aan den schat der nieuwere philosophie ontleend zouden zijn en allen bevredigen zouden, die hun zinnen op de geheime wetenschappen gezet hadden. Toen verhief zich een luid gejubel, dat de heilige Broederschap der Rozenkruisers nu openlijk en vrijgevig haar schatten met hen wilde deelen; menigeen trad naderbij en kocht. Alle waar was bij den verkoop in doozen verpakt, die fraai beschilderd en bovendien van allerlei schoone opschriften voorzien waren: Portæ Sapientiæ10; Fortalitium scientiæ; Gymnasium universitatis; Bonum macro-micro-cosmicon; Harmonia utriusque cosmi; Christiano-cabalisticum; Antrum Naturæ; Arx primaterialis; Divino-magicum; Tertrinum catholicum; Pyramis Triumphalis; Hallelujah enz. [121]
Aan ieder kooper werd bovendien verboden de doos te openen; want de kracht der geheime wetenschappen zou, naar men zeide, zoo groot zijn, dat haar uitwerking gemakkelijk door het deksel zou dringen en daarbuiten merkbaar zijn; werd de doos evenwel geopend, dan zou de inhoud als in damp verdwijnen. Desniettegenstaande konden eenigen in hun vrijpostigheid de verleiding niet weerstaan, hun doozen te openen; en toen zij ze geheel leeg vonden en dit anderen lieten zien, openden ook dezen hun doozen en vonden er evenmin iets in. „Ha,” schreeuwden zij, „bedrog, bedrog!” en voeren woedend tegen den koopman uit; deze zocht hen echter gerust te stellen, door te zeggen, dat de geheimste kern van deze geheimenis juist daarin bestond, dat alleen de Filii scientiæ (de jongeren der wetenschap) tot deze dingen toegang hadden, en dat, wanneer onder duizenden zich nauwelijks één persoon bevond, wien dit te beurt viel, dit zijn schuld niet was.
Eventus Famae11.
15. Bij deze verklaring legden zich bijna allen [122]neer. Ondertusschen maakte de man zich snel uit de voeten en de toeschouwers gingen met zeer gemengde gevoelens in alle richtingen uiteen; of iemand van hen in de nieuwe mysteriën al of niet doordrong, ben ik tot op den huidigen dag nog niet te weten gekomen. Dit alleen weet ik, dat alles om mij heen rustiger scheen te worden en dat diegenen, welke ik aanvankelijk het bedrijvigst zag loopen en draven, nu ergens in een hoek wegkropen en daar als stom neerhurkten, hetzij, dat zij, in het geheim ingewijd (zooals sommigen vermoedden) den eed van stilzwijgendheid hadden moeten afleggen, of dat zij (zooals het mij toescheen, als ik langs mijn bril heengluurde) zich over de verijdeling van hun hoop en hun vergeefschen arbeid schaamden. Zoo gingen dan tenslotte allen uiteen en het plein werd leeg en stil, zooals na een onweder zonder regen de wolken aan den hemel zich verspreiden. En ik sprak tot mijn gidsen: „Zou dan dit alles op niets uitloopen? O wee, welk een ijdele hoop! Hoe heb ik mij, toen ik hoorde zulke troostrijke verwachtingen in het vooruitzicht te hebben, reeds verheugd, dat ik een geschikt arbeidsveld zou vinden, waar mijn geest rustig kon weiden!” De tolk trachtte mij te troosten: „Wie weet, misschien zal er nog iemand in slagen; wellicht kennen die gelukkigen de bepaalde uren, waarop zij deze dingen aan den een of ander zullen onthullen.” „Zou ik daarop nog wachten,” riep ik uit, „ik weet geen enkel voorbeeld, dat het iemand uit zooveel duizenden, die geleerder zijn dan ik, [123]ooit gelukt is. Ik wil hier niet langer staan geeuwen en mij uitrekken. Laat ons verder gaan.”
1 Bericht over de broederschap in 1612 in het Latijn en Duitsch uitgegeven. De Rozenkruisers vormden een geheime secte in de 17e eeuw, welke de verbetering van staatkundige en kerkelijke toestanden in den geest der broederschap voorstond en de algemeene welvaart der menschheid tevens in het oog vatte. ↑
4 Comenius laat in het midden of een geestelijke (het waarschijnlijkst) dan wel een gewelddadige hervorming bedoeld is. ↑
10 De beteekenis dezer woorden is achtereenvolgens: de poort der wijsheid; de rots der wetenschap; oefenplaats der geheele wetenschap; handleiding van den macrocosmus (de [121]wereld als menschelijk organisme gedacht) en den microcosmus (den mensch als een wereld in het klein gedacht); de overeenstemming van beide werelden (macrocosmus en microcosmus); handleiding der christelijke caballistiek (de caballistiek is de joodsche, mystieke godsdienstphilosophie der middeleeuwen); de grot der natuur; handleiding der goddelijke magie; handleiding der Drievuldigheidsleer; pyramide der overwinning. ↑
Anatomie1.
Hierop voerden mijn gidsen mij door een paar smalle stegen, die de gehoorzalen voor physica2 en chemie3 van elkander scheidden en hielden halt op een andere open ruimte, waar een vreeselijk schouwspel te zien was. De artsen hadden daar het lichaam van een mensch languit voor zich neergelegd en sneden hem achtereenvervolgens stuk voor stuk een zijner ledematen af, woelden in zijn ingewanden om en wezen elkander met welgevallen aan, wat zij hier vonden. „Wat is dat voor een gruwel,” riep ik uit, „om met een mensch als met slachtvee om te gaan?” Doch de tolk toonde mij aan, dat dit volstrekt noodzakelijk was, want het was hun school.
Botanographie4.
2. Intusschen lieten deze mannen hun arbeid [124]in den steek, verspreidden zich nu in de tuinen, in de weiden en velden, en op de bergen, plukten alles, wat zij daar aan gewassen vonden, en stapelden die op zulke groote hoopen, dat vele jaren niet toereikend zouden zijn geweest om alles te schiften en te doorzoeken. Dan greep ieder uit den hoop, wat hem goed leek of hem juist in handen kwam, liep op het uiteengesneden lichaam toe, spreidde de kruiden uit over zijne ledematen en ging na, of zij in lengte, breedte en dikte daarbij pasten. De een beweerde nu, dat dit het geval was, een ander het tegendeel; en daarom twistte men onder groot geschreeuw; ja, zelfs over de namen dier kruiden was groot verschil van meening. Wie nu maar de meeste daarvan kende, en ze het best wist te meten en te wegen, dien vlochten zij een krans van die kruiden en zetten dien als een kroon op zijn hoofd; hij werd op hun last tot doctor in deze wetenschap bevorderd.
Praxis Medendi5.
3. Nu zag ik, hoe men allerlei lijders met uitwendige en inwendige verwondingen, met vuile en etterende zweren tot hen bracht en droeg. Zij traden dan op de lijders toe en zochten al snuffelend bij hen naar de rotte plekken, die een ondragelijken stank verspreidden en roerden tot walgens toe in de vuile stoffen om, die naar boven en naar beneden werden afgevoerd. Dat noemden [125]zij een onderzoek instellen. En nu begon een koken, stoomen, roosteren, braden, zengen, koelen, branden, hakken, snijden, steken, aaneennaaien, binden, smeren, stijf maken, weeken, toedekken, begieten, en ik weet niet wat al meer. Ondertusschen stierven ondanks alle moeite de patiënten hun onder de handen weg, velen onder het richten van scherpe verwijten aan de artsen, die, naar zij zeiden, door hun onwetendheid of onachtzaamheid de oorzaak van hun dood waren. In één woord, ik zag, dat ofschoon de kunst dezen goeden heelmeesters eenig gewin aanbracht, zij hen evenwel ook noopte tot veel, zelfs zeer veel moeitevollen en deels ook weerzinwekkenden arbeid (tenminste als zij hun beroep naar behooren vervulden), en dat zij per slot van rekening evenveel misnoegen als dankbaarheid oogstten. En dit beviel mij niet.
Finis juris1.
Ten laatste leidde men mij nog in een ruim auditorium2, waarin ik meer mannen van aanzien vond dan ergens elders. Rondom aan de wanden zag ik allerlei zaken afgeschilderd: muren, blokhuizen, [126]palissaden, schuttingen, hekken, slagboomen, houten beschotten en afsluitingen, en in deze verschillende tusschenruimten, gaten en openingen, deuren en poorten van grendels en sloten van de daarop passende sleutels, hengsels en haken voorzien. De aanwezigen nu hielden zich onledig dit alles elkaar aan te wijzen en onderzochten nauwkeurig, waar en hoe men zou kunnen doorglippen en waar niet. Ik vroeg, wat deze menschen toch wel uitvoerden en ontving ten antwoord, dat zij trachtten uit te vinden, hoe iedereen op de wereld niet alleen zijn eigendom het beste kan beschermen, doch ook een deel van het goed van een ander op vreedzame wijze aan het zijne zou kunnen toevoegen, zonder de maatschappelijke orde en eendracht in gevaar te brengen. „Dat is heel aardig,” zeide ik; toen ik echter een weinig langer had toegezien, wekte hun handelwijze mijn weerzin op.
Jus circa quid versetur3.
2. En wel vooral hierom, wijl men, zooals ik bemerkte, zoo min de ziel als den geest of het lichaam des menschen binnen deze slagboomen opsloot, doch alleen zijn aardsche goederen; en aan zijn vergankelijke have en goed zooveel harden arbeid te besteden, als hier geschiedde, dat scheen mij waarlijk niet de moeite waard. [127]
Fundamentum Juris4. Perplexitas Juris5.
3. Ik zag verder, dat heel deze wetenschap slechts op de willekeur van enkelen gegrond was, en dat hetgeen een van hen naar eigen goeddunken als recht had vastgesteld, door de anderen voor wettig gehouden werd; of (ik merkte het hier op), juist zooals het iemand in zijn brein toevallig opkwam, bouwde hij deze schansen op of maakte hier en daar verborgen doorgangen en even later vernietigde hij zijn werk weder. Daarom was hier ook zooveel, waarin de een den ander tegensprak, zoodat anderen, die er verwonderlijk scherpzinnig uitzagen, zich het hoofd braken met deze geschilpunten op te lossen en te vereffenen. Ten laatste verwonderde ik mij er over, hoe zij zich warm maakten en in het zweet geraakten over zulke nietige vraagstukken, waarvan een enkel misschien eens in de duizend jaren opgeworpen wordt en hoegenaamd geen beteekenis heeft; en ook hoe verwaand zij zich daarbij gedroegen. Want hoe beter iemand de kunst verstond door een slagboom heen te breken of op een of andere wijze zich door een opening te wringen en daarna de versperring weer aan te brengen, des te meer was hij met zich zelf ingenomen en prezen de omstanders hem, maar eenigen die evenzeer hun scherpzinnigheid [128]wilden toonen, stelden zich tegen hen te weer en verklaarden luide, dat men zoo en niet anders een afbakening te maken en openingen daarin aan te brengen had; zoo heerschte er twist en gekrakeel, tot men zich een weinig verspreidde en aan het schilderen zette, waarbij de een zijn schets zus maakte, de ander zoo, terwijl ieder zich moeite gaf eenige toeschouwers tot zich te lokken. Ik werd eindelijk deze dwaasheid moede en zeide hoofdschuddend tot den tolk: „Laten wij ons hier vandaan spoeden, ik zou er bang van worden.” Deze schreeuwde mij toornig toe: „Is er dan in deze wereld volstrekt niets naar uw zin? Zelfs op het edelste werpt gij een blaam, gij met uw wankelmoedigen geest.” Alweter antwoordde zijn makker: „Het komt mij voor, dat zijn geest een onaangenamen reuk van vroomheid heeft; laten wij hem ergens anders brengen; misschien zal hij daar iets vinden, wat hem aantrekt.”
En hoor! daar weerklinkt op eenmaal het geluid van een trompet, alsof men de aanwezigen tot een feestelijke samenkomst bijeenriep. Alweter, die wel begreep, wat er aan de hand was, zeide: „Laten we nog eenmaal omkeeren; daar is nog iets te zien.” „Ei, wat dan?” vroeg ik. „De academie”; [129]antwoordde hij, „zal juist diegenen bekronen, welke vlijtiger dan anderen geweest zijn en zoodoende den top der wetenschap beklommen hebben; zij zal hen kronen, zeg ik, opdat zij voortaan den anderen tot voorbeeld zullen zijn.” Daar ik begeerig was een zoo bijzondere plechtigheid bij te wonen en den grooten toeloop opmerkte, trad ook ik achter mijn gidsen binnen. En zie, onder den philosophischen troonhemel stond iemand met een papieren scepter; eenigen uit het midden der vergadering traden naar voren en vroegen een getuigschrift aangaande hun bijzondere geleerdheid. Hij verklaarde, dat hun verzoek niet meer dan billijk was en droeg hun op, om schriftelijk den omvang hunner kennis nader uiteen te zetten en op te geven, voor welke wetenschap zij een testimonium verlangden. Daarop stelde de een een kort begrip der philosophie op, een ander gaf een schets der geneeskunde, een derde in een kort bestek de jurisprudentie; ook hielden zij, opdat alles vlugger van stapel zou loopen, hun beurzen niet gesloten, als het op omkoopen aankwam.
2. Vervolgens liet hij den een na den ander voorkomen en plakte ieder een etiquet met een der volgende titels op het voorhoofd: „Dit is een meester der vrije kunsten; dit is een doctor in de geneeskunde; dit is een licenciaat1 in beide [130]rechten2 enz., drukte het zegel daarop en gelastte allen, zoowel de aanwezigen als de niet-aanwezigen, onder bedreiging met de ongenade der godin Pallas3 hen, wanneer zij hen ontmoetten, niet anders aan te spreken dan met hun titel. Daarmee liet hij hen gaan en gaf hij de vergadering haar afscheid. „Zal er nu verder niets gebeuren?” riep ik verwonderd uit. „En is dit u dan niet voldoende?” sprak de tolk, „ziet gij dan niet, hoe allen eerbiedig plaats maken voor deze gekroonde mannen?” En inderdaad, dat deden zij.
3. Daar ik niettemin zooals altijd wenschte te zien, wat verder met hen zou gebeuren, bleef ik een van die meesters der kunst in het oog houden. Toen men hem nu iets opgaf om uit te rekenen, was hij hiertoe niet in staat; men droeg hem op iets te meten, maar hij kon het niet; daarop zeide men hem de sterren bij name te noemen, wat hij evenmin verstond; men droeg hem op, syllogismen te vormen4, hij wist het niet; een vreemde taal te spreken, hij wist niet hoe; vervolgens zijn eigen moedertaal: ook dat verstond hij niet! Ten laatste droeg men hem op, te schrijven en te lezen, doch geen van beide kon hij. „Is het dan geen zonde,” riep ik uit, „zich meester der zeven vrije kunsten [131]te noemen en geen daarvan te verstaan?” De tolk antwoordde: „wat de een niet weet, weet een ander, een derde of een vierde; niet ieder kan alles tegelijk weten.”—„Moet ik dit zoo verstaan,” zeide ik, „dat men iemand, die vele jaren zijns levens op de schoolbanken doorgebracht, zijn vermogen daaraan ten koste gelegd en titels en zegels verkregen heeft, dan nog eerst moet vragen, of hij iets geleerd heeft? God moge zulk een inrichting zijn hulp bieden!”—„Gij zult uw waanwijsheid niet eerder laten varen,” waarschuwde mijn gids, „voor gij daardoor nog eenmaal onaangenaamheden krijgt; doch draaf maar door, ik zweer, dat gij u iets onaangenaams op den hals zult halen.”—„Welnu,” zeide ik, „zij mogen dan in zeventig maal zevenderlei kunsten meesters en doctoren zijn en alle of geen kunsten verstaan, ik wil daaraan verder geen woorden verspillen; laten we maar heengaan.”
Heidenen.
Zij voerden mij vervolgens door eenige nauwe doorgangen, tot wij op een plein kwamen, waar een menigte tempels en kapellen stonden in uiteenloopenden stijl gebouwd; scharen van menschen gingen daar in en uit. Wij traden het naaste Godshuis binnen en zie, daar waren aan alle kanten [132]gesneden en gegoten beelden van mannen en vrouwen, evenals van verschillende dieren, vogels zoowel als kruipende dieren, boomen en planten; evenzoo waren de open vakken omhoog en ter zijde volgeschilderd met afbeeldingen van zon, maan en sterren, en zelfs van leelijke duivels. Van de binnenkomenden koos een ieder zich het beeld uit, dat hem het beste beviel, knielde daarvoor neder, kuste het, offerde en strooide wierook. Wat mij daarbij wonderlijk toescheen, was de eendracht, die er onder allen heerschte; want ofschoon ieder op zijn wijze zijn godsdienstplichten vervulde, verdroegen zij dit van elkander en liet de een den ander vrij in het bezit van eigen overtuiging (hetgeen ik later bij anderen nergens zag). Intusschen drong een eigenaardige, kwalijk riekende lucht tot mij door, zoodat de schrik mij aangreep en ik mij haastte de vrije lucht te bereiken.
Joden. Talmudi Figmenta1.
2. Nu gingen wij een anderen tempel binnen, die wit en helder was en geen andere beelden bevatte, dan levende; sommige hiervan schudden met hun hoofden en mompelden iets binnensmonds; anderen richtten zich op, stopten de ooren dicht en gaven met wijd opengesperden mond een geluid te hooren, niet ongelijk aan het gehuil van een wolf. Op dat oogenblik vereenigden [133]zij zich in groepen en keken in zekere boeken. Ik trad naderbij en zag daarin zeer zonderlinge geschilderde figuren, bijvoorbeeld: gevleugelde en met veeren bedekte beesten, en vogels zonder veeren en vleugels; dieren met menschelijke ledematen en menschen met ledematen als van dieren; één lichaam met vele hoofden en omgekeerd een hoofd met vele lichamen. Sommige van deze monsters hadden het hoofd achter en den staart voor; andere hadden de oogen op den buik en de voeten op den rug. Nog andere hadden ontelbaar vele oogen, ooren, monden en voeten en ook waren er, die niets dergelijks bezaten. En dat alles was allerwonderlijkst misplaatst, verwrongen, uit het lid geschoten, gekromd, zeer afwijkend in grootte en vorm; het eene lid was slechts een span, het andere een vadem lang; het eene had de dikte van een vinger, het andere den omvang van een vat, kortom, alles was ongeloofelijk misvormd. Zij echter verklaarden het voor tastbare feiten en de voortreffelijkheid van dit alles roemende, wijdden de ouderen de jongeren in de geheimen in. En ik riep uit: „Wie had ooit geloofd, dat er menschen zouden zijn, die in zulke smakelooze dingen hun genoegen zouden vinden. Laten wij hen verlaten en naar elders gaan.” Toen wij buiten kwamen, zag ik deze menschen ook onder de anderen wandelen; dit geschiedde op zoo’n wijze, dat zij bij allen afkeer opwekten en slechts gelach en gespot oogstten. En dit bracht mij er toe, hen nu geheel te verachten. [134]
De Mohammedanen.
3. Zoo schreden wij een anderen tempel binnen, die rond was en niet minder schoon dan de vorige, doch zonder eenige versiering, met uitzondering van eenige arabesken op de wanden en tapijten op den vloer. De menschen daarbinnen vervulden stil en vroom hun godsdienstige plichten; zij waren in het wit gekleed en schenen veel van reinheid te houden, want voortdurend wieschen zij zich; ook gaven zij aalmoezen aan de armen, zoodat ik op den schijn afgaande eenige sympathie voor hen begon te gevoelen. Ik vroeg dan ook Alweter, op welken grondslag deze godsdienst rustte. Hij antwoordde: „zij dragen dien steeds welbewaard bij zich onder hun gewaad.” Hierop trad ik naderbij en wilde dezen zien; doch zij zeiden, dat uitsluitend de uitleggers het recht daartoe hadden. Ik volhardde echter bij mijn wensch om te mogen zien, waarbij ik mij beriep op het verlof, dat ik van het Lot verkregen had.
De korte inhoud van den Koran.
4. Men legde mij nu een tafel voor en toonde mij een boom, die daarop stond, waarvan de wortels zich hoog in de lucht verhieven en de takken diep in de aarde drongen. Daar omheen woelden een groot aantal mollen in den grond; een groote mol ging rond, riep de andere bijeen en leidde ze in den arbeid in. Men vertelde mij nu, dat aan [135]de takken van dezen boom onder de aarde allerhande kostelijke vruchten groeiden, welke deze stille en nijvere diertjes verwierven. „En dat is,” voegde Alweter er aan toe, „de korte samenvatting van deze religie.” En ik zag in, dat zij slechts op de ijle lucht van vage meeningen was gegrond en dat haar doel en vrucht slechts bestond in het wroeten in de aarde en troost te zoeken in onzichtbare vreugden, waar werkelijke vreugden niet bestaan, en in den blinde te zoeken, zonder te weten, wat men zocht.
De Islam is op geweld gegrond.
5. Toen ik vandaar ging, deed ik mijn gids de vraag: „waarmee trachten zij te bewijzen, dat dit de juiste en ware grondslag der religie is?” Hij antwoordde mij: „Kom en zie!” Wij betraden het plein achter den tempel, en o wee, de in het wit gekleed en goed gewasschen mannen liepen rond met opgestroopte mouwen en stortten zich met fonkelende oogen en vast samengeknepen lippen onder verschrikkelijk gehuil op allen, die hun in den weg kwamen, sabelden ze neder en waadden in menschenbloed. Vol ontzetting liep ik snel terug, en vroeg mijn gids: „wat doen die menschen toch?” Hij gaf ten antwoord: „zij redetwisten over de religie en trachten te bewijzen, dat de „Al Koran” een boek is, dat de waarheid bevat. [136]
Twisten over den Alkoran tusschen Perzen en Turken.
6. En wij gingen opnieuw den tempel binnen, en zie, zelfs onder degenen, welke die tafel gedragen hadden, was een strijd ontbrand over de beteekenis van den grootsten mol2. Eenigen beweerden stellig, dat hij alleen de kleinere mollen regeerde; anderen, dat hij twee helpers had. Over deze kwestie twistten zij zoo onverzoenlijk met elkander, dat zij ten laatste, evenals zij het buiten den tempel met de ongeloovigen hadden gedaan, te vuur en te zwaard hun dispuut voerden, tot het vreeselijk was om aan te zien.
En ziende, dat ik van angst en schrik verslagen was, zeide mijn gids tot mij: „Kom, ik wil u nu den godsdienst der christenen toonen, die, gegrond op de gewisse Goddelijke openbaring, zoowel den eenvoudigste als den wijste bevrediging geeft, en niet alleen de Goddelijke waarheid helder in het licht stelt, maar ook vijandelijke dwalingen omverwerpt; welks schoonste sieraad de eendracht en de liefde is en die, tallooze vervolgingen ten spijt, tot [137]op den huidigen dag onoverweldigd bleef en nog vast staat. Hieruit kunt gij gereedelijk begrijpen, dat de oorsprong dezer religie uit God moet zijn en gij hier den waren troost zult kunnen erlangen.” Ik verblijdde mij over deze rede en wij gingen verder.
De doop.
2. Bij onze aankomst zag ik een poort, door welke allen moesten gaan om de Christenen te bereiken. Zij stond in het water, dat ieder moest doorwaden en waarin hij zich moest wasschen; hij nam dan het kenteeken dezer menschen aan, de witte en de roode kleur, en moest zich onder eede verplichten, dat hij hun rechten en inzettingen standvastig wilde onderhouden, zou gelooven zooals zij, bidden zooals zij, dezelfde geboden als zij zou onderhouden. En dit beviel mij, daar het op een begin leek van een wonderschoone orde van zaken.
De verkondiging van het Woord.
3. Toen wij de poort doorgegaan waren, zag ik groote scharen menschen, onder welke zich eenigen van de anderen door hun kleederdracht onderscheidden en vanaf een verheven plaats hun een beeltenis toonden, die met zooveel kunst geschilderd was, dat, hoe langer men het oog op haar liet rusten, men er des te meer in vond te bewonderen. Van verre scheen zij evenwel weinig aantrekkingskracht te bezitten, daar zij noch met goud noch met schitterende kleuren was versierd. Zooals ik [138]merkte werden ook zij, die veraf stonden, minder door haar schoonheid getroffen, terwijl zij, die in de nabijheid stonden, nooit verzadigd werden van haar te beschouwen.
Het beeld van Christus.
4. Diegenen echter, welke het beeld droegen, noemden het lofprijzend den zoon Gods en zeiden, dat in zijn Wezen alle deugden waren afgebeeld; en dat Hij van den hemel op de aarde gezonden was om den menschen tot voorbeeld van een deugdzamen levenswandel te verstrekken. En zij waren verheugd en jubelden, vielen op hunne knieën, hieven hun gevouwen handen hemelwaarts en loofden God. Toen ik dat zag, stemde ik mee in en prees God, dat Hij mij die plaats had doen bereiken.
Het geestelijk voedsel der Christenen.
5. Intusschen hoorde ik hen onophoudelijk vermanen, dat ieder er naar zou streven op dit beeld te gelijken. Ook zag ik, dat men op bepaalde plaatsen bijeenkwam en dat zij, aan wie het geschilderde beeld was toevertrouwd, kleinere afbeeldingen daar naar maakten en deze, besloten in een of ander omhulsel, onder de anderen verdeelden, die ze met innige vroomheid naar den mond brachten en tot zich namen. Op mijn vraag naar de beteekenis dezer handelwijze antwoordde men mij, dat het geenszins voldoende was het meergenoemde beeld alleen uitwendig te beschouwen, maar dat de menschen het [139]veeleer in hun binnenste moesten opnemen, opdat zij zijn schoonheid mochten gelijkvormig worden. Want alle zonden, zeide men, moesten wijken voor deze hemelsche artsenij. Met deze verklaring stelde ik mij tevreden en prees in den grond mijns harten de christenen gelukkig, dat zij zulke uitstekende middelen en zulk een goede hulp bezaten, om het kwaad uit te drijven.
De losbandigheid der Christenen.
6. Ondertusschen zag ik spoedig, dat zij, die daareven, zooals zij zeiden, God ontvangen hadden, zich de een na den ander aan dronkenschap en twist overgaven, ontucht pleegden en zich schuldig maakten aan diefstal en roof. Maar daar ik mijn oogen niet geloofde, zag ik nauwlettender toe en vond het werkelijk bewaarheid, dat zij dronken en overgaven, krakeelden en vochten, door list en geweld elkander beroofden en plunderden, in hun brooddronkenheid huppelden en hinnikten als verhitte rossen, joolden en floten, overspel en hoererij bedreven, erger dan ik het elders ooit gezien heb; kortom, dat zij juist het tegendeel deden, van hetgeen, waartoe men ze vermaand had en in strijd handelden met hetgeen zij beloofd hadden te doen. Daarover bedroefde ik mij en sprak op weemoedigen toon: „Om ’s Hemels wil, wat geschiedt hier toch eigenlijk? Ik had hier iets anders verwacht.” „Verwonder u niet te zeer,” antwoordde de tolk, „wat men den menschen ter navolging voorhoudt, is een graad van volkomenheid, dien het wegens de menschelijke [140]zwakheid niet ieder gegeven is te bereiken. Zij, die den anderen leiding geven, zijn natuurlijk meer volmaakt, maar de gewone mensch, die te midden van verzoekingen leeft, kan op het peil der leiders niet staan.” „Begeven wij ons dan te midden der leiders,” zeide ik, „opdat ik mij daarvan kan overtuigen.”
De geestelijke dorheid der predikers.
7. Hij bracht mij dus tot de sprekers, die van hun verheven plaats af het volk vermaanden, de schoonheid van het beeld lief te hebben; doch zij deden dit, naar het mij voorkwam in zeer slappe bewoordingen, want, als iemand naar hen luisterde en gehoorzaamde, was alles goed en wel, doch in het tegenovergestelde geval was het hun ook goed. Sommigen rinkelden wel met een paar sleutels en verklaarden de macht te hebben, voor de ongehoorzamen de poort te sluiten, die naar het hemelrijk zou voeren; doch intusschen sloten zij haar voor niemand toe. En als ze het een enkele maal deden, was het niet ernstig gemeend. Ik bemerkte overigens, dat zij dit slechts aarzelend durfden doen, want als een van hen wat krasser wilde optreden, beschuldigde men hem dadelijk, dat hij in zijn preek persoonlijke aanvallen invlocht. Daarom ijverden anderen, die het niet waagden in het openbaar hun stem te verheffen, in geschriften tegen de zonden; maar dezen schreeuwde men toe, dat zij smaadschriften verspreidden. Men keerde zich eenvoudig van hen af, om naar hun stem niet te [141]luisteren of wierp hen van den kansel af en bezette hun plaatsen met meer gematigde personen. Bij dien aanblik riep ik uit: „Het is zuivere razernij, dat zij blinde volgelingen en vleiers tot leidslieden en raadgevers wenschen te bezitten.” „Zoo is ’s werelds beloop,” zei de tolk, „en het kan geen kwaad. Indien dezen schreeuwers alles vrij stond, wie weet, wat zij zich niet zouden vermeten. Men moet hun ook grenzen stellen, die zij niet overschrijden mogen.”
De vleeschelijke zin der geestelijken onder de Christenen.
8. „Kom,” zeide ik, „ik zou gaarne eens willen nagaan, hoe zij1 na het verlaten van den kansel zich gedragen en zich te huis hebben ingericht; dáár, weet ik ten minste zeker, zal niemand hun grenzen stellen of hinderpalen in den weg leggen.” Wij zochten nu de wijk op, waar de priesters alleen woonden en ik ze in gebed en zich onledig houdende met het doorvorschen der heilsgeheimen dacht aan te treffen. Ik bemerkte helaas het tegendeel. Hier wentelden zij zich ronkend om op hun donzen bedden, daar zwelgden zij, aan een rijk voorzienen disch gezeten, en propten zich vol met spijs en dronken tot berstens toe, tot zij geen woord meer konden uitbrengen, of voerden allerlei uitgelaten dansen en sprongen uit; eenigen vulden [142]hun buidels, kasten en kamers met goud en kostbaarheden, anderen brachten den tijd door met minnehandel en overspel; sommigen hielden zich bezig met het aangespen van sporen en het hanteeren van dolken, degens en geweren; en weer anderen togen met een koppel honden op de hazenjacht; zoodat zij het kleinste deel van hun tijd met den Bijbel doorbrachten, ja eenigen hem nauwelijks een oogenblik in de hand namen, ofschoon zij zich leeraars der Schrift noemden. Toen ik dit wereldsche leven zag, riep ik uit: „Hoor toch, hoe ik mij hierover bedroef; moeten dit onze gidsen ten hemel en voorbeelden der deugd zijn? Zal ik dan nergens in de wereld iets vinden, dat vrij is van leugen en bedrog?” Toen eenigen van hen mijn woorden hoorden en begrepen, dat ik daarmee hun ongeregelden levenswandel gispte, begonnen zij mij schuin aan te zien en te mompelen: als ik misschien huichelaars en oppervlakkige schijnheiligen zocht, dan moest ik daarnaar liever elders omzien; zij zelf echter wisten heel goed, hoe in de kerk hun plicht te doen en hoe zich tehuis en onder de menschen te gedragen.… Zoo was ik wel genoopt te zwijgen, ofschoon ik duidelijk inzag, dat het monsterachtig is, over het koorkleed een pantser, over den baret een helm te dragen; in de eene hand de wet, in de andere het zwaard te houden; op de borst de sleutels van Petrus en den geldbuidel van Judas op den rug te dragen; een geest te hebben, gescherpt door en thuis in de Schrift en tegelijk een hart, volleerd in bedrog; een tong, die een stroom [143]van vrome woorden uitspreekt en oogen, die van wellust blaken.
Zij dienen anderen de gaven des hemels toe, niet zichzelf.
9. Inzonderheid toen ik daarna eenigen op den kansel zeer schoone en vrome redenen hoorde uitspreken en zij zich zelf en anderen daarbij niet minder behaagden dan of het engelen geweest waren, die van den hemel neergedaald waren, doch overigens echter een even teugelloos leven leidden als de anderen, kon ik mij niet langer bedwingen en riep uit: „Zie, ze zijn als spreekbuizen, waardoor voortreffelijke dingen vloeien, maar die er zelf niets van vasthouden!” De tolk merkte op: „Ook dat is een gave Gods, over Goddelijke dingen in schoone redenen te kunnen spreken.” „Dat erken ik,” gaf ik ten antwoord, „maar moet men zich tot woorden alleen bepalen?”
Wanverhoudingen bij de bisschoppen.
10. Ondertusschen zag ik, dat al deze mannen oudere personen in rang boven zich hadden, die bisschoppen, aartsbisschoppen, abten, proosten, dekens, superintendanten, inspectoren enz. heetten, en ernstige, eerwaardige mannen waren, wien allen hun hoogachting schonken. Daarom verwonderde het mij, dat zij de lageren in rang niet in toom hielden. Om de oorzaak daarvan op te sporen, ging ik een van hen in zijn kamer na, vervolgens een ander, een derde, een vierde enz. en vond ze [144]met werkzaamheden zoo overladen, dat zij geen gelegenheid hadden op hun ondergeschikten toe te zien. Uitgenomen eenige dingen, die zij met genen gemeen hadden, bestond hun bezigheid in het beheer hunner inkomsten en, zooals zij zeiden, der kerkelijke goederen. En ik zeide: „ten onrechte noemen zij deze mannen geestelijke vaders, geloof ik, zij moesten eerder rentmeesters heeten.” „Er moet toch voor gezorgd worden,” antwoordde mij de tolk, „dat voor de kerk niet te loor gaat, hetgeen God de Heer haar verleende en onze vrome voorouders haar geschonken hebben.” Op eenmaal trad nu een van hen naar voren—hij had twee sleutels aan zijn gordel hangen en werd Petrus genoemd—en sprak: „Mannen, broeders, het is niet behoorlijk, dat wij het woord Gods nalaten en den buik en den mammon dienen. Laat ons kiezen mannen van goede getuigenis en hun dit werk opdragen; wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening des Woords2.” Ik was verheugd dit te hooren, omdat het naar mijn meening een goede raadgeving was. Maar geen van hen was zoo verstandig er naar te luisteren! Zij voeren voort zelf hun inkomsten en uitgaven te berekenen, geld te beuren en geld uit te geven, en lieten de gebeden en den dienst des Woords aan anderen over of maakten er zich haastig van af. [145]
11. Als echter een van hen stierf en de zorgen van zijn hooge waardigheid op een ander moesten worden overgedragen, zag ik velen naar zijn plaats dingen, naar beschermers zoekende en pogingen doende om voorspraak te verkrijgen; ieder drong zich voor dit ambt op den voorgrond, nog eer de ledige zetel koud geworden was. Diegene evenwel, welke het recht had, de opengevallen plaats te vergeven, nam getuigschriften van hen aan en won inlichtingen over hen in, die evenwel zeer verschillend uitvielen. De een beriep er zich op, zijn bloedverwant, een ander, die zijner vrouw te zijn; een derde verwachtte een belooning voor de trouwe wijze, waarop hij lange jaren de ouderen gediend had; een vierde beweerde, dat de plaats hem reeds lang beloofd was en vertrouwde daarop; een vijfde rekende er op, wegens zijn afkomst van eerbare ouders, op dezen eervollen post te worden geplaatst; een zesde legde aanbevelingen over, om welke hij anderen verzocht had; een zevende gaf heimelijk geschenken; de achtste, een man van diepe, verheven en breede gedachten, begeerde voor zich een plaats, waar hij zijn geestesvleugelen verder zou kunnen uitslaan; en ik weet niet, wie al niet verder aanspraak maakten. Dit ziende zeide ik: „Is het wel passend, zich zoo op den voorgrond te stellen om een dergelijke waardigheid te verkrijgen, men moest liever wachten, tot men geroepen werd.” De tolk antwoordde: „Waarom zou men hen roepen, die daaraan wellicht ongaarne gehoor zouden geven? Wie deze waardigheden zoekt [146]te verkrijgen, behoort zich daartoe aan te melden.” „Ik geloofde waarlijk,” merkte ik op, „dat men moet afwachten, tot men door God geroepen wordt.” „Meent gij dan,” sprak hij hoonend, „dat God uit den hemel iemand een roeping doet toekomen? Gods roeping is de gunst der hoogergeplaatsten, en een ieder, die gereed staat aan die roeping gehoor te geven, staat het vrij, zich die te verwerven.” „Dan zie ik,” was mijn wederwoord, „dat het hier niet noodig is, iemand voor den dienst der kerk aan te zoeken of daartoe te dringen; veeleer hem daarvan af te houden. En verder, als men dan toch overal de gunst moet zoeken te winnen, behoorde men haar ten minste te kunnen verwerven, door te pogen zich door deemoed, zachtmoedigheid en arbeidzaamheid bij de kerk bemind te maken, en niet, zooals men hier zien en hooren kan. Men kan de zaak bekijken zooals men wil, het zijn en blijven misstanden.”
Het vertrouwen der christenen op de genoegzaamheid van het geloof zonder de werken.
12. Toen mijn tolk zag, dat ik op mijn standpunt bleef staan, bekende hij eerlijk: „Het is waar, dat er in het leven der christenen, zelfs onder de theologen meer onbehoorlijks voorkomt, dan ergens elders; doch het is even waar, dat zelfs die christenen, welke een slecht leven leiden, toch steeds een zalig einde hebben, omdat de behoudenis des menschen niet op zijn werken, maar [147]op zijn geloof berust; en indien dit slechts vast is, kan de verlossing hun niet ontgaan. Erger u dus niet, dat het leven bij de christenen niet altijd zoo is, als het moest zijn; het is voldoende, wanneer slechts hun geloof vast gegrond is.”
Er is ook strijd over het geloof. De Heilige schrift is de toetssteen.
13. „Komen zij dan allen met elkander in het geloof overeen?” ging ik voort te vragen. Hij antwoordde: „er zijn inderdaad ook hier kleine meeningverschillen; maar wat doet het er toe? Allen hebben denzelfden grondslag.” Zij leidden mij nu achter een traliewerk in het midden van een groote kerk, waar ik een grooten ronden steen opmerkte, die aan een ketting naar beneden hing; men noemde hem den toetssteen. De aanzienlijksten onder hen traden er op toe; elk van hen droeg iets in de hand, bijvoorbeeld een stuk goud, zilver, ijzer, lood, een handvol zand of kaf enz.; dan wreef hij met de stof, die hij bij zich had, tegen den steen en prees die, zeggende, dat zij den toets doorstond; anderen echter, die toezagen, loochenden dat. En zoo ontstond een vreeselijk geschreeuw, daar niemand toeliet, dat op zijn stof afgegeven werd en evenmin die van een ander wenschte goed te keuren. Zoo beschimpten zij elkander, wierpen elkander vloeken naar het hoofd, grepen elkaar vervolgens bij de kappen, trokken elkaar aan de ooren of waar zij maar houvast konden krijgen en vlogen elkander in het haar. Zelfs over den steen [148]en zijn kleur ontbrandde een heftige strijd: eenigen beweerden, dat hij blauw was, anderen dat hij groen, weer anderen dat hij wit, en sommigen, dat hij zwart was; totdat er ten slotte een paar mannen gevonden werden, die beweerden, dat hij van kleur wisselde en dat hij al naar de kleur der stof, die er aan getoetst werd, nu eens groen, dan weer blauw, wit of zwart scheen te zijn. Eenigen gaven den raad den steen in stukken te slaan en tot stof te verbrijzelen; daarna zou het mogelijk zijn, zijne ware eigenschappen te zien; anderen gaven dit echter niet toe. Sommigen gingen zelfs nog verder en verzekerden, dat de steen alleen maar oneenigheid veroorzaakte, en het beter ware hem van den ketting af te nemen en te verwijderen; daarna zou men het gemakkelijker eens worden. Bij deze zienswijze sloten zich een groot deel der mannen, zelfs van de aanzienlijksten, aan; de anderen verzetten zich echter daartegen en zeiden, dat zij liever hun leven wilden verliezen, dan dit toestaan. Toen daarop de twist en de schermutseling in heftigheid toenamen, werden niet weinigen in den strijd deerlijk toegetakeld, doch de steen bleef ongedeerd. Want hij was rond en zeer glad; wanneer iemand zijn hand er naar uitstrekte, kon hij hem niet vatten, daar hij hem dadelijk uit de hand gleed en rustig achter het traliewerk verder draaide.
De christenen zijn in sekten verdeeld.
14. Nadat ik de ruimte, waar zich de steen bevond, verlaten had, zag ik met verwondering, [149]dat de kerk door een krans van kleine kapellen omgeven was, waarheen zij, die het bij dien steen niet eens konden worden, zich verspreidden; en ieder van hen werd door een groot aantal aanhangers gevolgd; aan wie hij voorschriften gaf, op welke wijze en waarin zij zich van de anderen moesten onderscheiden. De een gaf het water en het vuur als zijn merkteeken aan, een ander hield het voor noodzakelijk het teeken des kruises steeds bij de hand te hebben en daartoe een kruis in de handpalm of in den zak te dragen; een derde gaf het voorschrift, dat men behalve het voornaamste beeld, waaraan allen zich moesten spiegelen tot het bereiken eener grootere volmaaktheid, nog zoo veel mogelijk andere kleinere bij zich dragen moest; een vierde verklaarde het knielen gedurende het gebed voor farizeesche huichelarij; een vijfde, dat de muziek, als te dartel, onder zijn aanhangers niet geduld mocht worden; een zesde ried van niemand eenige leering aan te nemen en zich met de innerlijke openbaring van den geest te vergenoegen. In een woord, overal vond ik, bij het doorschrijden dier kapellen, verschillende eenigszins eigenaardige voorschriften in zwang.
Een is onder deze de schoonste.
15. Een van deze kapellen was de grootste en schoonste, schitterend van goud en edelgesteenten3; daar binnen werd de klank van vroolijke muziek [150]gehoord. Men leidde mij dien kant uit en noodigde mij nadrukkelijk uit, er eens rond te zien, omdat hier een veel schoonere godsdienstoefening gehouden werd, dan ergens elders. En zie, de wanden waren met allerlei figuren rijk beschilderd, die voorstelden, op welke wijze de hemel kan bereikt worden. Hier waren menschen afgebeeld, die ladders voor zich hadden gemaakt, deze tegen den hemel oprichtten en ze beklommen. Anderen stapelden bergen en heuvels opeen om zoodoende naar boven te kunnen komen, of vervaardigden zich vleugels en bevestigden die aan hun lichaam; weer anderen vingen allerlei gevleugelde dieren, knoopten eenige daarvan aan elkander, bonden zich zelf ook daar aan vast en hoopten met hen opwaarts te kunnen vliegen, enz. Dan waren hier ook priesters van verschillend voorkomen, die aan het volk de afbeeldingen lieten zien, ze aanprezen en het daarbij in allerhande ceremoniën onderwezen, waardoor het zich van de anderen moest onderscheiden. Een van hen, bekleed met goud en purper, zat op een hoogen troon en deelde onder zijn gehoorzame volgelingen, die deze voorschriften getrouw nakwamen, aanzienlijke geschenken uit. En dit leek mij een voortreffelijke inrichting te zijn; ook ging het er vroolijker toe dan ergens elders. Doch toen ik zag, hoe de andere sekten op hen aanstormden en hen heftig aanvielen, al hun instellingen laakten en hen vervolgden, vatte ik achterdocht daartegen op. Vooral toen ik zag, hoe schuchter men dit beantwoordde, hoe zwak men zich verdedigde en liever zijn tegenstanders [151]door hen te steenigen en te verdrinken, te vuur en te zwaard vernietigde, terwijl men aan den anderen kant de menschen met goud en beloften bedriegelijk tot zich zocht te lokken. Ja, onder hen zelf ontdekte ik veel twist en tweedracht, haat en nijd, ook hoe de een den ander uit zijn ambt trachtte te verdringen en andere ongerechtigheden. Daarom ben ik van daar gegaan om anderen te leeren kennen, die zich den naam van vernieuwden4 gaven.
Andere secten doen vergeefsche moeite zich met elkaar te vereenigen.
16. Daar zag ik, hoe eenige personen uit twee of drie kapellen, die aan elkaar grensden, met elkaar onderhandelden, hoe zij één zouden kunnen worden5; intusschen kon men op geenerlei wijze tot een vergelijk komen; ieder hield vast, aan wat hij zich in het hoofd had gezet, en deed moeite ook den anderen zijn meening op te dringen. De eenvoudigsten hielden zich aan de leer, die zij bij toeval op hun weg tegengekomen waren; anderen, die schranderder waren, gingen de verschillende kapellen binnen of verlieten die, naar dat het hun [152]het voordeeligst voorkwam, zoodat ik mij ten laatste over de jammerlijke verwarring en wankelmoedigheid dezer lieve christenen zeer opwond6.
De ware christenen7. De pelgrim leert hen voorshands nog niet kennen.
17. Intusschen bevonden zich hier ook eenigen, die met deze oneenigheden niets te doen wilden hebben; zij gingen hun weg zwijgend en stil, in nadenken verzonken, richtten dikmaals hun blikken ten hemel en gedroegen zich vriendelijk tegen allen; maar zij waren onaanzienlijk, haveloos gekleed en uitgeput door dorst en vasten. De anderen hadden slechts spot voor hen over, riepen hun scheldwoorden na, floten hen uit, ja, lieten niet na hen te krabben en te plukharen, maakten met hun vingers hoonende gebaren, lichtten hun zoo mogelijk een been en wierpen hun vloekwoorden naar het hoofd. Zij verdroegen evenwel alles en gingen huns weegs, als waren zij blind, doof en stom. Toen ik hen achter een voorhangsel in het koor verdwijnen en weer te voorschijn komen zag, wilde ik ook daar heen gaan en zien, wat zij daar deden. Doch de tolk duwde mij terug en sprak: „Wat wenscht gij [153]daar te doen? Of wilt gij u ook zoo belachelijk aanstellen? Gij hebt zeker reden te begeeren, dat men u bespot.” Zoo gaf ik dan mijn voornemen op. Maar, ach, dat was verkeerd gezien: waarom liet ik mij door die rampzalige Verblinding in de war brengen? Want daar heb ik mij het middelpunt van hemel en aarde laten ontgaan en den weg gemist, die voert tot de plaats, waar men met vreugde verzadigd wordt. Ik werd weder in het geroezemoes van het labyrint des levens teruggevoerd, tot God mij redde en op den rechten weg, dien ik hier kwijt raakte, weer terugleidde. Wanneer en hoe dit geschiedde, zal ik later vertellen. Doch toenmaals oordeelde ik anders en haastte mij, naar andere dingen te zien, daar mijn ziel slechts naar uiterlijken vrede en wereldsch genot haakte.
Wat met den pelgrim na opname in dezen stand voorvalt.
18. Ik wil niet stilzwijgend voorbijgaan, wat mij nog verder in die straat wedervoer. Vriend Overalbij had mij overreed in den stand der geestelijken te treden; want het stond vast, dat ik hiertoe door het lot was uitverkoren; en inderdaad ik moet erkennen, dat deze keuze met mijn wenschen strookte, ofschoon ik geenszins met alle gewoonten van dien stand ingenomen was. Zoo liet ik mij dan verleiden; ik nam pij met kap aan, besteeg hier en daar tegelijk met de anderen een kansel, tot men mij een eigen spreekgestoelte aanwees. [154]Maar rondziende bemerkte ik spoedig, dat de een mij den rug toekeerde, de ander mij met den nek aanzag, een derde tegen anderen over mij knipoogde, een vierde mij met de vuist dreigde, een vijfde mij bij den neus nam, tot ten laatste eenigen op mij losstormden, mij van den kansel naar beneden stieten, een ander in mijn plaats stelden en dreigden, dat zij nog ergere dingen zouden doen. Hevig verschrikt vlood ik ijlings weg en sprak tot mijn gidsen: „Kan er een armzaliger wereld bestaan? Het eene voor, het andere na, loopt op niets uit!” „Zonder twijfel,” zeide de tolk, „waarom neemt gij u niet beter in acht en jaagt de menschen zoo tegen u in het harnas? Wie met de menschen wil verkeeren, moet zich weten aan te passen en zich niet aanstellen als een dwaas, zooals gij altijd doet.” „Ik weet nu werkelijk niet beter te doen dan alles maar zoo te laten, als het is,” mompelde ik. „Neen, neen, dat niet!” troostte Overalbij, „wij moeten niet wanhopen. Als gij hiertoe niet geschikt zijt, zult gij het wel tot iets anders zijn. Kom maar mee, wij zullen verder zien!” Hij greep mij bij de hand en leidde mij voort.
5 Voor 1621, het jaar der vernietiging van de Tsjechische religieuze en politieke vrijheden, trachtten de drie Protestantsche groepen in Bohemen, de Lutheranen, de Calvinisten en de Unie der Broeders (waartoe Comenius behoorde) meermalen een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis te formuleeren, meestal met weinig succes. Het meest kostbare resultaat was de „Confessio Bohemica”, 1575. ↑
Het verschil van rang onder de overheidspersonen.
Wij kwamen nu in een andere straat, waarin [155]ik tegen de huizen een dichte rij van zetels geplaatst zag, hoogere en lagere. Wie daar in zaten sprak men aan als: mijnheer de rechter, mijnheer de burgemeester, mijnheer de schout, mijnheer de regent, mijnheer de burggraaf, mijnheer de kanselier, mijnheer de stadhouder, mijne Heeren rechters, geëerbiedigde koning, vorst en heer, enz. „Daar hebt gij nu,” zoo lichtte de tolk mij in, „voor u de mannen, die recht spreken en in rechtsgedingen vonnissen, de boozen straffen, de goeden beschermen en de orde in de wereld handhaven.” „Dat is ontegenzeggelijk een schoone zaak, die naar mijn meening voor de menschheid onmisbaar is,” zeide ik, „maar hoe komen zij aan deze menschen?” „Sommigen krijgen door hun geboorte toegang tot dien stand,” luidde het antwoord, „anderen worden door deze laatsten of door de gemeenschap gekozen, wijl zij voor de wijsten van allen en voor de ervarensten, de bedrevensten, op het gebied van recht en gerechtigheid worden gehouden.” Ook dit scheen mij toe, geheel in orde te zijn.
2. Daar gelukte het mij, een oogenblik van nabij den toestand op te nemen; ik zag toen, dat eenigen hun zetels verwierven door ze te koopen, anderen door er dringend om te verzoeken, nog anderen door vleierij, terwijl sommigen zelfs geen geweld ontzagen om zich van een zetel meester te maken. Dit ziende, riep ik: „Zie eens, wat een onrecht!” „Zwijg toch, betweter,” zeide de tolk, „als men het hoorde, zou het u leelijk opbreken.” „En waarom wachten zij dan niet,” zeide ik, „tot [156]men hen kiest?” „Wat zou dat!” gaf hij ten antwoord. „Zij zijn zich zonder twijfel van hun kundigheden bewust en tegen het werk opgewassen; en wanneer de anderen met hen voldaan zijn, waarom zult gij u dan daarmee het hoofd breken?”
3. Zoo zweeg ik, zette mijn bril recht en beschouwde hen opmerkzaam. Nu ontdekte ik namelijk, geheel onverwachts, dat slechts bij uitzondering een van hen alle ledematen bezat, en dat bijna ieder een onmisbaar lichaamsdeel had verloren, hetzij de ooren om de klachten van hun ondergeschikten te hooren, of de oogen om de misbruiken in hun omgeving op te merken, of den neus om daardoor lucht te krijgen van de lagen der gauwdieven tegen de rechtschapenen; of de tong om de voorspraak te zijn van de onderdrukten, die zich niet kunnen verweren, of de hand om daarmee het rechterlijk vonnis te voltrekken; velen hadden zelfs geen hart om te doen, hetgeen de gerechtigheid eischt.
4. Doch zij, wien geen dezer ledematen ontbrak, waren er treurig aan toe, zooals ik zag; want zij werden voortdurend overstelpt met aanvragen en verzoeken, zoodat zij evenmin tijd hadden een weinig te eten als om rustig te slapen, terwijl de anderen meer dan de helft van den dag in ledigheid doorbrachten. En ik zeide: „waarom vertrouwt men toch de rechtspraak aan dergelijke mannen toe, die de daartoe vereischte ledematen missen?” De tolk antwoordde, dat dit niet het geval was, maar dat het mij slechts zoo toescheen. „Want,” zei hij, [157]„Qui nescit simulare, nescit regnare1. Hij, die over anderen heerscht, moet zich dikwijls houden, alsof hij niets ziet, hoort of begrijpt, ook al ziet, hoort en verstaat hij alles. Gij kunt dit echter moeilijk begrijpen, daar gij in de staatkundige zaken niet bedreven zijt.” „Het is mogelijk,” was mijn antwoord, „en toch zie ik, op mijn woord, dat zij de leden missen, die zij moesten hebben.” „En ik raad u te zwijgen,” sprak hij, „anders beloof ik u, tenzij gij die betweterij laat varen, dat gij ergens belanden zult, waar het u niet aangenaam zal zijn.” „Weet gij dan niet, dat het belasteren van rechters iemand den hals kan kosten?” Daarom zweeg ik maar en beschouwde alles rustig. Maar het schijnt mij niet gepast alle bijzonderheden te verhalen, die ik bij deze, in hoogheid gezeten, mannen waarnam, slechts twee punten wil ik aanroeren.
De talrijke misbruiken en de onrechtmatige handelingen der rechters.
5. Het langste hield ik mij op bij het gerechtshof van den raad der senatoren; deze rechters hadden de volgende namen: Zondergod, Twistziek, Van-hooren-zeggen, Partijdig, Zelfzucht, Gouddorst, Neem-giften-aan, Stel-niet-op-de-proef, Weetweinig, Zonderzorg, [158]Haastig, Sleur; de voorzitter en tegelijk opperste rechter of primus was de heer Zoo-wil-ik-het. Uit deze namen maakte ik terstond op, wat voor soort rechters zij waren; tot voorbeeld diende mij echter een geval, dat juist in mijn tegenwoordigheid behandeld werd. Eenvoud was aangeklaagd door haar vijandin Kwaadspreekster, dat zij eenige eerbare lieden smaad aangedaan had door ze den scheldnaam van woekeraars, gierigaards, dronkaards en zuipers te geven en zich aan allerlei verdraaiïngen van de waarheid schuldig te maken. Als getuigen kwamen op: Babbelaar, Leugen en Verdachtmaking; procureur van het hof was aan de eene zijde Vleierij, aan de andere Praatvaar, dien Eenvoud evenwel verklaarde niet noodig te hebben. Gevraagd, of zij zich ook schuldig bekende aan het haar ten laste gelegde vergrijp, zeide zij: „ik beken het, goede heeren rechters,” en voegde daaraan toe: „Hier sta ik, ik kan niet anders spreken, God helpe mij!” Nu staken de rechters de hoofden bijeen en lichtten hun stemmen toe. Zondergod verzekerde: „Het is weliswaar juist, wat dit vrouwmensch zegt, maar wat had zij voor met dien ijdelen praat? Als wij haar ongestraft haar gang laten gaan, zal zij ten laatste ook nog over ons gaan kakelen. Ik stem er voor, dat zij gestraft worde.” Twistziek zeide: „Juist, want wanneer men zoo iets bij den een door de vingers ziet, zullen ook anderen met gelijke toegefelijkheid behandeld worden.” Van-hooren-zeggen meende: „Ik weet weliswaar [159]niet, hoe de vork aan den steel zit; daar echter de tegenpartij deze zaak zoo hoog opneemt, begrijp ik, dat zij er werkelijk smartelijk door getroffen is. Laat haar dus straffen.” Partijdig merkte op: „Ik heb reeds lang geweten, dat deze babbelaarster alles, wat zij weet, er uit flapt, het is meer dan noodig, haar den mond te stoppen.” Eigenlief verklaarde: „De beleedigde is mijn goede vriend; zij had hem tenminste om mijnentwille deze grappen moeten besparen. Zij verdient gestraft te worden.” Goudlief sprak: „Gij weet immers allen, hoe vrijgevig de aanklager zich tegenover ons betoond heeft; hij is waard, dat wij voor zijn belangen opkomen.” Neem-giften-aan bevestigde: „Zeer juist, wij zouden ondankbaar zijn, indien zijn zaak het onderspit zou delven.” Stel-niet-op-de-proef zei hierop: „Ik heb een dergelijk geval nog niet meegemaakt; laat haar de verdiende straf maar ondergaan.” Weetweinig liet aldus zijn stem hooren: „Ik begrijp de toedracht der zaak niet; ik geef mijn goedkeuring, hoe ook uw oordeel uitvalle.” Sleur zeide: „hoe het ook zij, ik zal met alles instemmen.” Zonderzorg deed het voorstel: „Zouden wij het rechtsgeding niet kunnen uitstellen? Wellicht heldert zich de zaak dan later op.” Haastig antwoordde: „Dat in het geheel niet, laat ons terstond het oordeel vellen.” Daarop zeide de Rechter: „Wel zeker, wij behoeven immers niemand naar de oogen te zien; wat het recht wil, lijdt geen uitstel.” Nu verhief hij zich van zijn zetel en sprak het vonnis uit: „Daar deze praatzieke [160]vrouw, zich met zoo onbehoorlijke dingen ingelaten en op allerlei wijzen de eer van achtenswaardige lieden gekrenkt heeft, zal haar vonnis zijn, dat zij veertig stokslagen min een ontvangt, om haar ongebreidelde tong aan banden te leggen en ter waarschuwing voor anderen.” Hierop maakten de aanklager met zijn procureur een diepe buiging en betuigden den rechter hun dank voor de eerlijke oplossing, die hij voor het geding gevonden had. Eenvoud werd tot een dergelijk hoffelijk optreden aangemaand, doch zij gaf zich over aan haar tranen en verdriet en wrong de handen; omdat zij het gerecht niet voldoende eer bewees, beval men haar straf nog te verzwaren, haar te grijpen en in de gevangenis te zetten. Het onrecht ziende, dat haar aangedaan werd, kon ik mij niet langer inhouden en riep met luider stemme: „Ach, wanneer alle gerechtshoven in de wereld zoo zijn als dit hier, dan moge de almachtige God mij er voor behoeden zelf rechter te worden of anderen voor het gerecht te dagen!” „Zwijg toch, dolleman!” zei de tolk en hield mij daarbij de vuist voor den mond, „ik zweer u, dat gij u door uw dwazen praat een gelijke, zoo al niet ergere kastijding op den hals zult halen.” En inderdaad, Kwaadspreekster in vereeniging met de Vleierij poogden reeds getuigen tegen mij op te roepen. Hierover ontsteld, wist ik niet, hoe gauw ik vandaar wel zou wegijlen, zoodat ik geheel buiten adem geraakte. [161]
Verkeerdheden der advocaten.
6. Zoodra ik voor het gerechtshof een weinig op adem gekomen was en mijn oogen had uitgewreven, zag ik vele lieden, die zich met hun geschillen tot het gerecht begaven en hoe hun dadelijk de advocaten (Praatvaar, Vleierij, Rechtsverdraaier, Op-de-lange-baan-schuiver en anderen) tegemoet traden en hun diensten aanboden, waarbij zij niet zoo zeer overwogen, wat voor soort rechtszaak de cliënt had, als wel, hoe het met zijn geldbuidel was gesteld. Ieder van hen droeg zijn wetboek steeds bij zich (wat ik bij de theologen niet gezien heb)2 en zocht daarin van tijd tot tijd een paragraaf op. Op eenige dezer exemplaren las ik het opschrift: „Langdurige veeten en uitstervingen,” op een ander: „Slangenwetten en terechtstellingen”3. Daar ik het echter niet langer wenschte aan te zien, ging ik onder het loozen van diepe zuchten heen.
De onbeperkte macht der vorsten en de listen hunner dienaren.
7. Alweter zei tot mij: „Het beste blijft nog [162]over. Kom en neem eens een kijkje bij de regeering der koningen, vorsten en andere souvereinen, die krachtens erfelijk recht over hun onderdanen regeeren; wellicht zal dit u naar den zin zijn.” Zoo trokken wij dan weder naar een andere plaats en zie! daar zaten zij op hun hooge en breede troonzetels, zoodat het zelden voorkwam, dat iemand hen kon naderen en bereiken, tenzij met behulp van bepaalde instrumenten; want elk hunner had, in plaats van ooren, lange spreekbuizen aan beide zijden en zij, die iets wenschten te zeggen, moesten dat aan het eind der buizen influisteren. Deze waren echter verbogen en bovendien doorzeefd met gaten, zoodat vele woorden, voor zij tot het gehoor doordrongen, daar buiten in de lucht wegstierven, en die, welke hun doel bereikten, bij hun aankomst grootendeels een ander karakter hadden aangenomen. Dit maakte ik daaruit op, dat iemand, die sprak, niet altijd een antwoord ontving; en wanneer hij een enkele maal luid genoeg riep, kon zijn geroep toch niet tot het brein van den heerscher doordringen. Nu en dan werd wel een antwoord gegeven, maar dit was niet ter zake. Ook in plaats van oogen en tong bedienden zij zich van deze lange buizen, door welke de dingen, zooals van zelf spreekt, dikwijls anders gezien werden dan zij waren en het antwoord van den vorst ook vaak geheel anders uitviel, dan in zijn bedoeling lag. Zoodra ik de gebreken dezer handelwijze doorzien had, sprak ik: „waarom leggen zij die buizen toch niet ter zijde en zien niet, juist als de andere [163]menschen, eenvoudig met hun eigen oogen, hooren met hun eigen ooren en spreken met hun eigen tong?” Het antwoord luidde: „het hooge aanzien, waarin hun persoon staat en de waardigheid van hun rang eischen al dezen omslag; of houdt gij hen voor gewone boeren, die men vrij onder de oogen kan komen en rechtstreeks kan aanhooren en toespreken?”
De vorsten hebben raadgevers noodig, hoe bezwaarlijk het ook zij.
8. Ondertusschen zag ik in de nabijheid der tronen een aantal menschen rondwandelen; sommigen van dezen bliezen door middel van die buizen iets in de ooren van hun heer; anderen plaatsten brillen met glazen van verschillende kleur voor zijn oogen of hielden hem iets, dat rook verspreidde onder den neus; eenigen legden zijn handen naast en daarna over elkaar of bonden zijn voeten samen en maakten ze dan weer los; nog anderen herstelden en bevestigden zijn troon. „Wat zijn dat voor menschen,” vroeg ik, „en wat doen zij daar?” De tolk antwoordde mij: „Het zijn de geheimraden, die de koningen en groote heeren met hun raad bijstaan.” „Ik zou het niet van hen dulden,” zeide ik, „indien ik in hun plaats was; want ik zou voor mijn ledematen en handelingen de volle vrijheid opeischen.” „Eén man moet niet alles alleen op zijn schouders nemen,” antwoordde hij, „men mag hem dat zelfs niet eens [164]toestaan.” „Dan zijn die groote heeren er slechter aan toe dan de boeren,” hernam ik, „daar zij zoo gebonden zijn, dat zij zonder den wil van anderen zich zelfs niet bewegen kunnen.” „Maar zij voelen zich zóó veiliger,” antwoordde hij, „kijk maar eens naar die mannen!”
Zonder raadgevers is het nog erger.
9. Ik richtte mijn blikken naar de aangeduide plaats en zie, daar zaten er eenigen op hun tronen, die zich niet lieten kwellen door deze raadgevers en ze allen uit hun omgeving verjoegen, hetgeen geheel met mijn wenschen overeenkwam. Ik vond echter, dat op deze wijze dadelijk andere euvels binnenslopen. Want de plaats der weinigen, die verdreven waren, werd terstond door vele anderen ingenomen, die hun best deden hem in mond, neus en ooren te blazen, de oogen nu afwisselend te sluiten en te openen, en de handen en voeten nu eens in deze, dan weer in gene richting uit te strekken; inzonderheid poogde ieder nieuw aangekomene dit in zijn richting te doen plaats vinden, en wilde hem leiden en trekken naar de plaats, waar hij stond, totdat menigeen van deze ongelukkige heeren ten slotte niet meer wist, wat hij doen of laten zou, wien hij ter wille zou zijn en tegen wien zich verweren, noch hoe hij allen het hoofd zou kunnen bieden. En ik zeide: „nu zie ik wel in, dat het beter is, zich aan een klein aantal uitgelezen personen toe te vertrouwen dan aldus een [165]twistappel voor allen te zijn. Maar zou alles niet eenigszins anders geregeld kunnen worden?” „Hoe zou dat mogelijk zijn,” sprak mijn gids, „hun beroep brengt nu eenmaal mee, dat zij van alle zijden klachten en bezwaren, beden en verzoeken, gronden en tegengronden moeten aanhooren en tegenover allen de rechtvaardigheid betrachten. Tenzij zij zouden handelen, als die, welke ik u thans aanwijs.”
Zorgelooze heeren.
10. Tegelijkertijd toonde hij mij eenige heeren, die niemand in hun nabijheid duldden, behalve degenen, wier oogmerk was het gemak hunner heerschers te dienen en daartoe het noodige in gereedheid te brengen. Ik zag, dat zij door lieden omzwermd waren, die kussens onder hen legden, hun spiegels voor hielden, met waaiers een koelen luchtstroom toevoerden, veeren en vuil onder hen opnamen, hun gewaad en schoenen kusten; toch was dit alles slechts oogendienst. Eenigen likten zelfs het speeksel en neusslijm, dat van hun heer afkomstig was en roemden den zoeten smaak daarvan. Ook dit schouwspel mishaagde mij zeer; vooral toen ik zag, dat de troon van bijna al zulke vorsten aan het wankelen raakte en onvoorziens ineenstortte, als die trouwere steunpilaren ontbraken.
Een gevaarlijk avontuur van den pelgrim.
11. Nu geschiedde het in mijn tegenwoordigheid, [166]dat de troon van zulk een vorst begon te wankelen, ineenstortte en hij zelf ter aarde viel. Daarop liet zich het gedruisch van een volksoploop hooren en een blik in het rond werpende zag ik, dat men een ander in triomf meevoerde en onder gejuich op den troon zette4, in de hoop dat de zaken nu anders zouden gaan dan te voren; men omringde jubelend den troon en bevestigde en schraagde hem, zooveel men vermocht. En daar ik het nu ook voor mijn plicht hield het algemeene welzijn (want dezen naam gaven zij er aan) te bevorderen, trad ik toe en sloeg er ook een of twee wiggen in; hierom prezen sommigen mij, terwijl anderen er mij leelijk om aankeken. Ondertusschen herstelde de eerste vorst zich weder en hij en zijn getrouwen overvielen ons met knuppels en sloegen op de menigte los, dat alles uiteenstoof en het velen den hals kostte. Door vrees ontsteld verloor ik bijna mijn bezinning, tot vriend Alweter, die vernomen had, dat men navraag deed naar hen, die meegeholpen hadden den zoo juist ineengestorten troon te bevestigen en te schragen, mij een duwtje gaf als teeken, dat ik ook de vlucht zou nemen. De Verblinding meende evenwel, dat het niet noodig [167]was, en terwijl ik nog overlegde, wien ik gehoor zou geven, kwam ik op eenmaal in onzachte aanraking met een der knuppels, die men rondom mij zwaaide, en toen eerst herstelde ik mij en vlood snel in een hoek. Zoo leerde ik, dat zoowel het zitten in die gestoelten, als het zich in de nabijheid bevinden en het aanraken daarvan, gevaarlijk is. Daarom verliet ik na deze ervaring liever dit oord, met het vaste voornemen er nooit meer terug te keeren. Op gelijke wijze sprak ik tot mijn beide gidsen: „Wie wil, moge tot deze bergen naderen5, ik zelf zal er mij niet aan wagen.”
Er heerscht overal wanorde onder de menschen.
12. In het bijzonder werd het mij nog duidelijk, dat overal de grootste wanorde heerschte, hoewel al deze mannen bestuurders der wereld wilden genoemd worden. Want hetzij de vorst zijn onderdanen rechtstreeks of door middel der buizen toegang tot den troon verschafte, hetzij hij zelfstandig of gehoor gevende aan inblazingen van anderen zijn beslissingen nam, ik zag in beide gevallen evenveel recht als onrecht; hoorde evenveel zuchten en weeklagen als uitroepen van vroolijkheid; ik vond, dat het recht vermengd was met onrecht, en geweld met wettigheid. Ik zag duidelijk in, dat de stadhuizen, gerechtshoven en kanselarijen zoowel werkplaatsen [168]zijn van het recht als van het onrecht, en dat zij, die zich de handhavers der orde in de wereld noemen, evenzeer (en dikwijls nog meer) de verdedigers der wanorde als die der orde zijn. Vol verwondering hoeveel ijdelen schijn en blinkende ellende deze stand in zich verbergt, gaf ik hem mijn zegen6 en ging heen.
2 Het Tsjechische woord „zakon” voor wet of wetboek heeft ook de beteekenis van bijbel of testament. ↑
3 Comenius’ woorden, hier gebruikt, zijn parodieën op den naam der oude Tsjechische wetboeken: ’s Lands wetten en instellingen; door verdraaiïng der Tsjechische woorden kregen de opschriften bij hem de volgende beteekenis: het vreten en knagen aan het land, en het bedriegelijk berooven van het land. ↑
4 Ferdinand II van Habsburg, Duitsch Keizer, verloor in 1619 den troon van Bohemen, toen de Tsjechische stenden Frederik V van de Palts tot koning van Bohemen kozen. De laatste, een zwak karakter, moest reeds weder in 1621, na den slag bij den Witten Berg, het veld ruimen voor den eerste. Sindsdien bleef Bohemen tot 1918 onder de Habsburgers. ↑
De wreedheid der menschen.
Wij kwamen nu in de laatste straat; op het eerste plein, dat wij betraden, stond al dadelijk een groot aantal mannen in roode kleeding. Toen ik een weinig naderbij kwam, hoorde ik, dat zij overleg pleegden aangaande de mogelijkheid den Dood vleugels te geven, opdat hij zoo in staat zou zijn zoowel uit de verte als van dichtbij zijn slachtoffers te bereiken; item, hoe men datgene, waaraan de menschen jarenlang gebouwd hadden, in een oogenblik zou kunnen vernietigen. En ik schrok vreeselijk bij het hooren dezer woorden; want tot hiertoe hadden de woorden en werken op alle plaatsen, waar ik des menschen doen en laten zag, alleen de opvoeding en vermeerdering der menschheid en het bevorderen van haar welstand op het oog, maar die daar beraadslaagden over de [169]vernietiging van menschelijk leven en van menschelijken welstand. De gids verklaarde evenwel: „Ook hun streven beoogt hetzelfde doel; alleen maar de weg is een weinig anders, daar zij namelijk eerst de hindernissen uit den weg ruimen. Later zult gij dit beter leeren inzien.”
Het aanwerven.
2. Intusschen liepen wij op de poort toe, voor welke in plaats van poortwachters eenige mannen met trommen stonden, die ieder, welke binnentrad, vroegen, of hij een beurs met geld bij zich droeg. Wanneer hij ze dan liet zien en opende, lieten zij er wat geld in vallen en zeiden: „Laat daar uw huid mee betaald zijn.” Daarna lieten zij den man een soort gewelf binnengaan en leidden hem later daaruit, in een ijzeren rusting gestoken, en van een vuurwapen voorzien; vervolgens bevalen zij hem door te loopen naar het marktplein, achter de poort.
Het arsenaal of de wapenkamer.
3. Ik was evenwel begeerig om te zien, hoe het er in het gewelf uitzag en trad er onmiddellijk binnen. Daar lag langs de wanden in onafzienbare rijen en op den grond, in hoopen zoo groot als de grootste houtmijten, zoodat men ze zelfs op duizenden wagens niet had kunnen vervoeren, allerlei soort van gruwelijk wapentuig van ijzer, lood, hout en steen, dat gesmeed of bewerkt was om te steken, neer te houwen, te snijden, te spietsen, te slaan, [170]te knijpen, de hoofden te klieven, te scheuren, te branden, in één woord om te moorden, zoodat ik geheel ontstelde. Ik vroeg, tegen welke wilde dieren men deze toebereidselen tot afweer getroffen had. „Tegen menschen,” luidde het antwoord van den tolk.—„Tegen menschen?” riep ik uit, vol schrik zijn woorden herhalende, „ach, ik had gedacht tegen het een of andere dolle beest of tegen wilde, grimmige roofdieren, maar om ’s Hemelswil, welk een wreedheid is het, als de eene mensch tegen den ander zulke vreeselijke werktuigen uitdenkt!”—„Zijt gij niet al te kieskeurig?” zeide hij lachend.
Het losbandige leven der soldaten.
4. Vandaar gingen wij dieper de straat in en kwamen zoo aan een rond plein, waar heele scharen van dergelijke mannen, met ijzer bewapend, en van horens en klauwen voorzien, over verschillende colonnes verdeeld, naast elkaar in het gelid stonden. Zij lagen rondom eigenaardige troggen en houten kruiken, waarin men hun spijs en drank stortte en uitgoot, die zij gulzig en slobberend om strijd naar binnensloegen. „Worden hier,” zoo vroeg ik, „zwijnen voor de slachtbank vetgemest? Ik zie wel gestalten van menschen, maar de handelingen, die ik waarneem, lijken op die van zwijnen.”—„Dat is juist het aantrekkelijke van dezen stand,” zei de tolk. Ondertusschen stonden zij van hun troggen op en begonnen te dansen en te springen, te huppelen en te schreeuwen. En de tolk hernam: „Ziet gij nu goed de genoegens [171]van dit leven? Men leeft hier zonder zorgen; moet het hier niet een vroolijk bestaan zijn?” „Ik wil toch eerst gaarne afwachten, wat er verder zal geschieden,” zeide ik. En nu begonnen zij een anderen stand van menschen, die zij overvielen, te vervolgen en te brandschatten. Dan wentelden zij zich weer rond op den grond en bedreven de zonde van Sodom en andere schandelijkheden zonder eenige schaamte of vrees voor God. Rood van schaamte en ergernis riep ik uit: „Zie, dat behoorde men van hen toch niet te dulden!”—„Daartoe is men wel gedwongen,” antwoordde de tolk, „want deze stand maakt aanspraak op allerlei vrijheden.” Vervolgens zetten zij zich weder naast hun troggen neder en gaven zich aan zulke zwelgerijen en slemppartijen over, dat zij bewusteloos ineenzakten en luid snorkend languit op den grond bleven liggen. Later leidde men hen naar een plaats, waar zij, aan wind en regen, hagel, sneeuw en vorst, aan honger en dorst en aan allerlei ongemak blootgesteld, voor het grootste deel sidderend en bevend wegkwijnden en omkwamen1, aan honden en raven tot aas. De anderen trokken zich dit lot van hun kameraden volstrekt niet aan en gaven zich verder aan brasserijen over.
Beschrijving van een veldslag.
5. Daar wordt plotseling de trom geroerd en schalt de trompet; een groot lawaai en geschreeuw [172]verheft zich allerwegen en allen springen overeind, grijpen naar hun messen, hun strijdbijlen, bajonetten en wat zij maar bij de hand hebben en vallen elkaar meedoogenloos aan, zoodat het bloed in stroomen vloeit, steken elkander en houwen en slaan verwoeder op elkaar los dan de wildste roofdieren. Nu wordt het geraas in alle richtingen luider; men hoort het stampen der rossen, het rammelen der pantsers, het kletteren van de zwaarden, het doffe dreunen van het geschut, het fluiten van projectielen en kogels, die ons om de ooren vliegen, het schetteren der trompetten, het slaan der trommen, het geschreeuw van hen, die tot den strijd aanvuren, de juichkreten der overwinnaars, de smartkreten der gewonden en stervenden.—Men ziet onder ontzettend gedruisch een hagel van lood neerkomen en hoort een vreeselijk donderen, gepaard met vurige bliksemstralen; nu eens wordt den een, dan den ander een hand, een voet of het hoofd afgerukt; de een valt over den ander heen en alles baadt in bloed. „Almachtige God,” riep ik, „wat geschiedt er hier? Moet de wereld vergaan?”
Nauwelijks meester van mijzelf ontvlood ik die plaats; ik weet niet, hoe noch waarheen ik ging, en pas toen ik na den doorgestanen schrik weder ruimer ademhaalde, hoewel ik nog over mijn geheele lichaam beefde, sprak ik tot mijn gidsen: „Waarom hebt gij mij toch hierheen gevoerd?”—„O, wat zijt gij verweekelijkt,” riep hij uit, „een man zijn beteekent immers anderen zijn macht laten voelen.”—„Wat hebben zij elkaar dan gedaan?” [173]vroeg ik verder.—„De heeren hebben een weinig oneenigheid met elkander gehad, en dan moet de zaak weder in het reine gebracht worden,” was zijn antwoord.—„En moet, wat ik hier gezien heb, dan beteekenen, dat men het geschil bijlegt?” zeide ik, verder op zijn verklaring ingaande.—„Zeer zeker,” antwoordde hij; „want wie zou de groote heeren, de koningen en hun rijken met elkander tot overeenstemming kunnen brengen, daar zij geen rechters boven zich hebben? Daarom moeten zij de geschillen, die tusschen hen bestaan, met het zwaard beslissen. Hij, die het best de kunst verstaat, den ander in het gebruik van de wapenen en van het vuur te overtreffen, plaatst zich op den voorgrond. Wie het beter verstaat dan de ander, zijn tegenstander in het gevecht te overmannen en den rooden haan over zijn have en goed te laten kraaien, neemt de eerste plaats in.” „Welk een barbaarschheid, o, welk een beestachtigheid!” riep ik uit, „was er dan geen andere weg om hen te verzoenen? Wilde beesten mogen zoo hun geschillen beslissen, menschen past dit niet.”
Zij, die op het slagveld bleven.
6. Daar zag ik op eens, hoe velen met afgehouwen handen, voeten, hoofd en neus, doorschoten lichaam en in flarden gescheurde huid, geheel besmeurd met bloed van het slagveld werden weggevoerd. Toen mijn gids zag, dat ik vol deernis dit tafereel ternauwernood kon aanzien, zeide hij: „Dit alles heelt wel weder; een soldaat moet immers [174]gehard zijn.”—„En hoe staat het met hen,” voer ik hem tegemoet, „die hun leven hier gelaten hebben?”—„Voor hun huid was immers betaald,” antwoordde hij.—„Hoe zoo?” zeide ik.—„Hebt gij dan niet gezien,” zoo helderde hij op, „hoeveel aangenaams hun van te voren was toegestaan?”—„En moesten zij niet eveneens veel ongemak daartoe verdragen?” merkte ik op, „en zelfs indien van te voren alleen genoegens hun deel waren geweest, is het toch iets ellendigs voor een mensch zich vooraf te laten voederen om spoedig daarop naar de slachtbank geleid te worden. Het is een leelijke stand in elk geval; ik begeer hem niet, mij bevalt hij niet. Laten wij heengaan.”
Waarom adeldom en wapenschilden verleend worden.
„Aanschouw nu eens,” sprak de tolk, „welk een eer hij verkrijgt, die zich heldhaftig gedraagt en zich al vechtend den weg baant door zwaarden en lansen, pijlen en kogels.” Hierop leidden zij mij naar een soort paleis; hier zag ik een man onder een baldakijn zitten, die degenen, welke zich bijzonder door hun dapperheid hadden onderscheiden, voor zijn troon liet roepen. En velen kwamen en voerden openlijk de schedels, knoken, ribben en vuisten mee, die zij van de lichamen der vijanden [175]hadden afgehouwen, en de geldzakken en buidels, die zij hun ontnomen hadden. Zij oogstten hiervoor bijzonder veel lof in, en de man, die onder het baldakijn zat, gaf hun ieder een beschilderd voorwerp1 en bijzondere voorrechten boven de anderen. Zij droegen deze, aan lange staken bevestigd, zóó, dat aller oog er op viel.
Ook anderen verdringen elkander om opname in dezen stand.
2. Dit ziende drongen anderen, niet alleen uit de rijen der strijders, zooals in oude tijden, naar voren, maar ook enkele handwerkslieden en schrijvers van boeken en daar zij niet als genen in staat waren hun wonden en den buit, dien zij den vijand ontnamen, te laten zien, haalden zij hun eigen beurzen te voorschijn en boden die aan of toonden de hanepooten, waarmee zij heele boeken volgekrast hadden. Ook zij kregen zulke schilden, die dikwijls nog veel prachtiger waren dan de andere; en in den regel werden zij ook tot een hoogeren rang toegelaten.
De luister van den ridderstand.
3. Toen ik nu achter hen voortging, zag ik ze daar in groote scharen met wapperende vederbossen, de voeten van sporen voorzien en de lendenen met staal omgord, zelfbewust rondstappen. Ik waagde mij evenwel niet in hun nabijheid en deed daar goed aan. Want ik zag, dat het met anderen, die [176]zich onder hen zochten te mengen, niet zoo mooi afliep. Wanneer iemand te dicht in hun nabijheid kwam, niet snel genoeg uitweek, niet diep genoeg zijn knieën voor hen boog, of hun titels niet voldoende en behoorlijk wist uit te spreken, kreeg hij hun vuisten te voelen. Bevreesd, dat mij hetzelfde zou overkomen, smeekte ik te mogen gaan. Maar Alweter antwoordde: „Kijk eerst nog eens beter uit uw oogen, maar wees voorzichtig.”
De daden der ridders.
4. Daarom aanschouwde ik nu hun daden op een afstand en vond, dat hun werkzaamheid, op grond van de vrijheid, die, naar zij zeiden, dezen stand was verleend, daarin bestond het plaveisel plat te treden, de beide beenen over den rug van het paard te laten hangen, drijfjachten op hazen en wolven te houden, de boeren tot heerendiensten te pressen, hen in de torens2 gevangen te zetten en naar believen weder vrij te laten, zich te goed te doen aan lange tafels, rijk beladen met verschillende schotels, daaronder zoo ver mogelijk de voeten uit te steken, de kunst te verstaan bevallig te buigen en den handkus te geven, vaardig den gang van dam- en dobbelspel te kunnen nagaan, schaamteloos over wulpsche en ontuchtige dingen te praten en wat dies meer zij. Het was hun, zeiden zij, bij privilege bekrachtigd, dat al wat zij [177]deden als edel en schoon moest gelden en dat niemand, die niet een man van eer was, zich bij hen mocht voegen. Sommigen hielden zich ook bezig met het meten van elkaars wapenschilden en vergeleken die met elkander; deze werden des te hooger in waarde geschat, naarmate zij er ouder en meer vermolmd uitzagen. Als iemand een geheel nieuw schild voerde, schudden de anderen hun hoofden over hem. Ik zag hier nog vele andere dingen, die mij merkwaardig en onpractisch voorkwamen; doch ik mag niet alles openlijk zeggen. Slechts dit kan ik verzekeren, dat, toen ik na lang toezien deze ijdele dingen moe geworden was, ik mijn gidsen nogmaals smeekte, vandaar te gaan, waartoe ik hun toestemming dan ook verkreeg.
De weg tot het slot der Fortuin.
5. Toen wij zoo verder gingen, zeide de tolk tot mij: „Welnu, gij hebt thans in allerlei arbeid en volhardend streven der menschen een inzicht verkregen, en niets daarvan is bij u in den smaak gevallen, misschien wel, omdat gij meendet, dat het deel des menschen niets is dan zorg en arbeid. Weet dan van nu af aan, dat al die harde arbeid de weg is, die tot een rustig leven leidt, waartoe ten slotte allen geraken, wien de inspanning daartoe niet verdroot, en dat hun geest, nadat zij have en goed gewonnen of eer en roem verkregen of zich een genoeglijk en aangenaam bestaan verschaft hebben, zich daarin naar welgevallen verlustigen kan. Daarom wil ik u nu naar het slot der Vreugde [178]voeren, opdat gij het doel leert kennen, waarop heel het menschelijk streven gericht is.” Hierover verheugde ik mij, wijl ik daar troost en vrede voor mijn gemoed hoopte te vinden.
De journalisten verwonderen zich over alle mogelijke dingen.
Toen wij de poort reeds naderden, zag ik op het plein aan de linkerzijde een menigte menschen bijeen en Overalbij, die ze ook opmerkte, riep: „Ei! die mogen wij niet voorbijgaan.”—„Wat hebben ze daar toch?” vroeg ik. „Kom en zie maar eens,” sprak hij. En ons onder de menigte begevende zagen wij hen daar in groepjes van twee of drie bij elkaar staan en allerlei gebaren maken, elkaar met den vinger aanwijzen, het hoofd elkaar toewenden, in de handen klappen, achter de ooren krabben; ten laatste juichten eenigen van blijdschap, anderen weenden. „Wat wordt hier eigenlijk uitgericht?” vroeg ik, „spelen zij soms de een of andere comedie?”—„Wel neen, beschouw het volstrekt niet als een spel,” zei de tolk, „zij nemen deze dingen, die, al naar de wijze, waarop zij vertoond worden, nu eens hun verwondering, dan weer hun lachlust of hun toorn opwekken, volkomen [179]ernstig op.”—„Ik zou echter gaarne willen weten,” zei ik, „wat het eigenlijk voor dingen zijn, waarover zij zich verwonderen, waarom zij lachen en wat hun toorn gaande maakt.” En onderwijl goed oplettend, zag ik, dat zij zich onledig hielden met het bespelen van een eigenaardig soort kleine fluiten en dat de een zich tot den ander overboog en hem iets in het oor floot; wanneer dit gefluit hen aangenaam stemde, waren zij vroolijk, doch als het krijschend klonk, waren zij droevig te moede.
Het geluid der fluiten heeft niet eenerlei uitwerking.
2. Doch een ding was mij te vreemd om te begrijpen: dat de toon van een en dezelfde fluit sommigen zoo buitengewoon beviel, dat zij zich niet weerhielden van vreugde op te springen, anderen weer zoo verdroot, dat zij hun ooren toestopten en wegsnelden, of, als zij er naar luisterden, in luide jammerklachten en geween uitbarstten. „Het is toch hoogst zonderling,” merkte ik op, „dat dezelfde fluit den een zoo zoet en liefelijk, den ander zoo schril in de ooren klinkt.” De tolk helderde mij dit op: „Het is niet het verschil in geluid, maar wel de uiteenloopende gesteldheid van het menschelijk gehoor, dat het door u waargenomen verschil in uitwerking veroorzaakt, want evenals een en dezelfde artsenij, al naar den aard der ziekte, bij verschillende patiënten een ongelijke uitwerking heeft, zoo wekt ook dezelfde uiterlijke toon, al naar de innerlijke drift des [180]menschen of zijn neiging voor een bepaalde zaak, een liefelijken of een onaangenamen weerklank bij hem op.”
De hinkende bode.
3. „En waar haalt men die fluiten vandaan?”—„Men brengt ze van alle kanten aan,” zeide hij, „ziet gij dan de verkoopers niet?” Zoo keek ik dan eens goed toe en zie, daar waren lieden te voet en te paard, opzettelijk aangesteld om de fluiten onder de menschen te brengen. Velen hunner kwamen op vurige rossen aangereden en menigeen kocht van hen; anderen kwamen te voet, eenigen hinkten zelfs op krukken voort; en wie verstandig was onder de aanwezigen, kocht bij voorkeur van deze laatsten, van meening zijnde, dat zij geloofwaardiger waren1.
Het genot der nieuwstijdingen.
4. Ik was er evenwel geenszins mee tevreden hun doen en laten gade te slaan, ik bleef ook hier en daar staan om naar hen te luisteren; en ik zag in, dat het wezenlijk een genoegen was, zoo veel verschillende stemmen, die uit alle mogelijke richtingen kwamen, te hooren. Het mishaagde mij [181]evenwel, dat sommigen daarin de maat te buiten gingen, dat zij alle fluiten opkochten, die zij konden machtig worden, er dan een weinig op floten om ze daarna weer weg te werpen. Er waren daar menschen uit allerlei standen, die zelden thuis zaten, doch zich meestal op het plein bevonden, daar steeds op de loer stonden en bij het zachtste gefluit, dat zij hoorden, hun ooren spitsten.
De ijdelheid van het schrijven der nieuwsbladen.
5. Mijn genoegen verdween echter spoedig, toen ik de nietigheid dezer dingen doorzag, want dikwijls verspreidde zich een zoo weemoedig klinkend geluid, dat allen treurig werden; een oogenblik later weerklonk er een ander, en de gedrukte stemming veranderde op eenmaal in gelach. Dan was weder opnieuw een zoo liefelijk gefluit te beluisteren, dat allen juichten en jubelden; dit wijzigde zich echter reeds spoedig, verstomde geheel of veranderde in een zoo droevig gekrijsch, dat zij, die zich daarnaar pleegden te richten, zich dikwijls over alle mogelijke dingen vergeefs verheugden of zich er door lieten verschrikken, terwijl alles toch niets dan ijle damp was. Het was werkelijk om te lachen, hoe die lieden zich lieten beetnemen, zoodra de wind uit een anderen hoek woei. Daarom prees ik hen, die, zich niet storend aan deze dwaasheden, slechts oog voor hun werk hadden. [182]
Met of zonder journalisten, beide brengt ongerief mede.
6. Maar dat had ook weer zijn schaduwzijde, omdat degene, die geen acht gaf op de tonen der fluiten, welke rondom hem weerklonken, kans liep, dat hem van den een of anderen kant een onheil overviel. Eindelijk vond ik ook, dat het hanteeren van die fluiten niet geheel zonder gevaar was. Want daar zij verschillende menschen geheel verschillend in de ooren klonken, ontstonden daaruit vele twisten en vechtpartijen; ook ik zelf beleefde een dergelijk voorval2. Toen mij eens een bijzonder helder klinkende fluit in handen viel, gaf ik ze aan mijn vriend; doch anderen, die haar ten slotte in handen kregen, wierpen ze op den grond en trapten ze stuk, terwijl zij mij te lijf gingen, omdat ik dergelijke dingen verspreid had; ziende hoe woedend zij waren en hoe zij gloeiden van toorn, was ik gedwongen te vluchten. Zoo ging dan nu de tocht naar het slot van Fortuna, waarmee mijn gidsen mij reeds zoo lang hadden gepaaid.
De deugd is de ingestorte poort, die tot den roem leidt.
Toen wij bij dit heerlijke slot aangekomen waren, [183]bemerkte ik in de eerste plaats, dat groote scharen menschen, die hier uit alle straten der stad bijeenstroomden, zich rondom het slot bewogen en een gelegenheid trachtten op te sporen, om boven in het slot te komen. Een enkele hooge, enge poort gaf namelijk toegang tot den burcht, maar ze was in puin gevallen, onder aarde bedolven, en de opening was geheel door doornstruiken dichtgegroeid; zij droeg, als ik het wel heb, den naam van Poort der Deugd. Men vertelde mij, dat zij in vroegere tijden als de eenige toegang tot het slot was opgericht, doch al spoedig daarop door een of ander toeval was ingestort; daarom had men eenige kleinere toegangen gebouwd en deze poort in haar vervallen toestand gelaten, vooral omdat de toegang door haar al te steil, onbegaanbaar en te ongemakkelijk geweest was.
De zijingangen.
2. Daarom had men aan beide zijden den muur moeten doorbreken en eenige kleine zijingangen aangebracht, boven welke ik bij nadere beschouwing de volgende opschriften las: Huichelarij, Leugen, Vleierij, Oneerlijkheid, List, Geweld enz.; maar zoodra zij, die den burcht door een dezer poorten wilden binnengaan, mij die woorden hoorden uitspreken, werden zij verbitterd tegen mij, gromden en dreigden mij naar beneden [184]te werpen, zoodat ik ongemerkt moest achteruit wijken. Hierop rondziende, bemerkte ik, dat er toch eenigen waren, die door puin en doornstruiken kruipende, zich een weg door de oude poort trachtten te banen; sommigen gelukte het; anderen slaagden daarin niet en moesten ten slotte toch weer tot de zijpoorten terugkeeren, die lager waren, en daardoor binnengaan.
Wien het geluk bij toeval aangrijpt, draagt het naar boven.
3. Ook ik trad binnen, en zag, dat ik nog geenszins binnen het eigenlijke slot was aangeland, doch mij op een plein bevond, waar ik een groote menigte menschen met smachtende blikken naar de hooger gelegen paleizen zag kijken. Op mijn vraag, wat dit te beteekenen had, werd mij geantwoord, dat het menschen waren, die op een genadigen blik van de minzame mevrouw Fortuna wachtten en er dan op rekenden toegang tot den burcht te verkrijgen. „En worden dan niet allen binnengelaten? Zij hebben toch allen braaf hun best daartoe gedaan.” Mijn gids antwoordde mij: „Ieder kan naar de maat van zijn vermogen en kennis zijn best doen, ten laatste hangt het echter slechts van mevrouw Fortuna af, of zij iemand al of niet tot zich toelaten wil. Kijk zelf maar eens, hoe het hier eigenlijk toegaat.” Toen zag ik, dat er poorten noch trappen aanwezig waren, waarlangs men naar boven kon komen, maar wel een eigenaardig rad, dat onophoudelijk rondwentelde; hij, wien het gelukte zich [185]hieraan vast te klampen, werd omhoog getild tot een hoogere verdieping en daar afgezet, waarop hij dan eerst door mevrouw Fortuna welwillend ontvangen werd, en hem werd toegestaan verder te gaan. Doch niet ieder van hen, die beneden stonden, kon naar believen het rad grijpen, maar alleen hij, dien de dienaar der Fortuin, Toeval genaamd, naar het rad bracht of daarop deed plaats nemen; aan alle anderen gleed het rad uit de handen. Deze bestuurder, Toeval, ging namelijk onder de menigte rond, greep, wien het hem goeddocht, vast en zette hem op het rad, en dat nog wel, terwijl sommigen opzettelijk zijn oogen zochten, hem de hand toestaken, hem smeekten en op den arbeid, dien zij in het zweet huns aanschijns verricht hadden, op litteekens, eeltplekken en andere verdiensten zijn aandacht trachtten te vestigen. Ik houd het er evenwel voor, dat hij volkomen doof en blind moet geweest zijn, zoozeer maakte hij den indruk geen enkel persoon aan te zien noch zich om iemands smeekbeden te bekommeren.
De angstige gemoedsgesteldheid van hen, die op het geluk wachten.
4. Daar waren velen uit allerlei standen, die ik voorheen in hun beroep en later aan de poort der deugd of aan een der zijingangen arbeid noch zweet had zien sparen en die toch tevergeefs met ongeduld op het geluk schenen te wachten; daarentegen werden anderen, die er in ’t geheel geen gedachte op hadden, bij de hand genomen en naar [186]boven gevoerd. Velen van dezen, die op het geluk wachtten, hadden het buitengewoon beklemmende gevoel, dat hun beurt nooit zou komen en er waren er onder hen, die daar zelfs grijs bij werden. Sommigen wanhoopten aan den goeden uitslag en begaven zich, het geluk den rug toekeerend, weder aan hun moeitevollen arbeid; doch eenigen hunner, die door denzelfden hartstocht opnieuw aangegrepen werden, klommen weer op naar den burcht, richtten hun blikken naar mevrouw Fortuin en strekten de handen naar haar uit. Zoo vond ik het leven dezer menschen, die steeds teleurgesteld naar het geluk uitzagen, hoe ook bezien, angstig en beklagenswaard.
„Nu zou ik ook wel gaarne willen zien,” sprak ik tot mijn gids, „hoe het daarboven toegaat en hoe mevrouw Fortuna haar gasten eert.”—„Goed,” stemde hij toe en verhief zich, voor ik er erg in had, met mij in de hoogte tot de plaats, waar mevrouw Fortuna, op een kogel staande, kronen, schepters, heerschappijen, eereketenen, gespen1, beurzen, titels en namen, honinggebak en suikergoed uitdeelde, en eerst dan hen, die daarmee begiftigd waren, verder naar boven doorliet.—Terwijl ik naar den bouwtrant van het kasteel keek, dat uit drie verdiepingen bestond, bemerkte ik, dat men hen [187]deels naar de vertrekken der onderste, deels naar die der middelste en deels naar die der bovenste verdieping leidde. En de tolk zeide tot mij: „Hierbeneden wonen zij, die mevrouw Fortuna met geld en goederen geëerd heeft; in de middelste vertrekken huizen degenen, die zij met wellust verzadigt; op de hoogste verdieping, welker inrichting u aan een paleis doet denken, wonen allen, die zij met roem overladen heeft, opdat zij door de anderen gezien, geprezen en geëerd zouden worden. Slechts enkelen weinigen vergunt zij tegelijk op alle verdiepingen vrij te mogen rondwandelen en twee of alle drie soorten van deze gaven te genieten. Nu ziet gij wel, welk een geluk hem ten deel valt, die er in slaagt hier te komen.”
De boeien en lasten van den rijkdom.
2. „Laat ons dan,” zeide ik, „wat mij betreft, eerst eens bij dezen een kijkje nemen.” Zoo traden wij de kelderachtige ruimten der benedenverdieping binnen en zie, daar heerschte een sombere duisternis, zoodat ik aanvankelijk bijna niets kon onderscheiden; ik hoorde slechts een gerammel als van ketenen en uit alle hoeken kwam mij een bedompte lucht tegemoet. Zoodra mijn oogen echter een weinig aan de duisternis gewend waren, zag ik, dat de ruimte, waarin ik mij bevond, vol was van menschen van allerlei stand, die er rondliepen of stilstonden, zaten of lagen; en ieder van hen had geboeide voeten en geketende handen; eenigen hadden bovendien nog een keten om den hals en den een of anderen [188]zwaren last op den rug. Geheel ontdaan riep ik uit: „wat overkomt ons nu, om ’s Hemels wil, zijn wij in een kerker aangeland?” De tolk antwoordde lachend: „wat zijt gij een domoor! Dit zijn immers de gaven, waarmee mevrouw Fortuna haar lievelingszonen overstelpt.” Toen ik eerst een dezer gaven, vervolgens een tweede en een derde nauwkeuriger beschouwde, bemerkte ik niets dan stalen boeien, ijzeren ketenen en looden of aarden draagkorven. „Zijn dat soms die schoone gaven?” riep ik uit, „ik zou ze niet begeeren.” „Maar, dwaze vriend, gij ziet alles verkeerd,” sprak de tolk, „het is immers alles van zuiver goud.”
Toen zag ik andermaal en nog nauwlettender toe, doch moest erkennen, dat ik desniettegenstaande slechts ijzer en leem waarnam. „Ei, doe niet zoo eigenwijs,” antwoordde hij, „geloof anderen liever dan u zelf; zie maar, hoezeer zij deze dingen naar waarde weten te schatten.”
De waan der rijken.
3. En werkelijk zag ik daar tot mijn verbazing, hoe buitengewoon verrukt zij waren over het feit aldus gekluisterd te zijn. Hier hield zich iemand bezig met het tellen der schakels van zijn keten, daar maakte een ander de schalmen daarvan los en voegde ze dan weer aaneen, een derde woog ze op zijn hand en mat haar lengte met een span, een vierde bracht ze naar zijn mond en kuste ze, een vijfde wikkelde ze in een doek om ze te beschermen tegen hitte, koude en mogelijke beschadiging. [189]Somtijds kwamen twee of drie van hen bijeen en maten en wogen over en weer al hun ketenen; wanneer iemand nu zijn keten lichter vond dan die van zijn naaste, was hij daarover bedroefd en benijdde hem daarom; maar hij, die de grootste en zwaarste ketenen had, zette een hooge borst op en liep pochend en snoevend rond. Er bevonden zich evenwel onder hen ook eenigen, die stilletjes in hun hoek bleven zitten, zich heimelijk over de lengte en zwaarte hunner ketenen verkneuterden en niet gaarne hadden, dat anderen daarvan afwisten, omdat zij, zooals ik vermoed, voor de afgunst der menschen en diefstal bevreesd waren.
Anderen weder hadden koffers vol met aardkluiten en steenen, die zij voortdurend nederzetten en van de eene plaats naar de andere sleepten, terwijl zij ze telkens open maakten en toesloten; zij durfden zich geen oogenblik daarvan verwijderen, ja, sliepen zelfs niet, uit vrees, dat ze hun ontstolen zouden worden. Eenigen vonden het zelfs niet vertrouwd hun schatten in de koffers op te bergen, en behingen en omwonden zich zoo daarmee, dat zij gaan noch staan konden, en alleen maar in staat waren te liggen en zelfs in deze gemakkelijke houding nog moesten steunen en rochelend daaronder bijna bezweken.
Dit ziende riep ik uit: „En dit moeten, bij alle heiligen, gelukkige menschen heeten! Ik heb zelfs beneden in de stad, waar ik zooveel sloopenden arbeid en afgebeulde menschen aantrof, niets ellendigers gezien dan dit geluk.” [190]
Alweter antwoordde hierop: „Gij spreekt wel waarheid—waarom zou ik het niet erkennen—de gaven van Fortuna alleen te bezitten, zonder ze te gebruiken, is grooter last dan lust.” „Maar daaraan heeft mevrouw Fortuna geen schuld,” zei de tolk, „dat er ook lieden zijn, die haar gaven niet weten te gebruiken. Zij is stellig niet karig met haar goederen; doch die paar duitendieven weten het noch te hunnen behoeve, noch ten bate van anderen te gebruiken. En ten slotte, gij moogt daarover denken zooals gij wilt; bezitten is toch een groot geluk.” „Ik verlang echter niet naar zulk een geluk, als ik hier zie,” merkte ik op.
De genotzuchtigen zijn verweekelijkt.
„Laat ons nu naar boven gaan,” zeide Alweter, „daar zult gij andere dingen zien, louter genietingen.” Wij stegen de trappen op en traden de eerste zaal binnen; daar zag men eenige rijen bedden, met zacht dons gevuld, die vrij opgehangen waren en heen en weer geschommeld konden worden; daarop wentelden zich menschen, in wier nabijheid talrijke bedienden, voorzien van vliegenklappen, waaiers en ander gereedschap, tot allerlei diensten gereed stonden. Als iemand hunner wilde [191]opstaan, werden dadelijk van alle zijde handen toegestoken om hem te ondersteunen; wilde hij zich aankleeden, terstond reikte men hem zachte zijden gewaden aan; en wilde hij ergens heengaan, dan gebruikte men draagstoelen met zachte zittingen om hem te vervoeren. „Welnu,” sprak de tolk, „hier hebt gij het gemakkelijke leven, dat gij zoo zeer gezocht hebt; wat kunt gij meer verlangen? Is het niet een zaligheid, zooveel van alle goede dingen te bezitten, dat men zich om niets heeft te bekommeren, geen hand voor eenig werk heeft uit te steken; dat men alles wat het hart begeert, in overvloed bezitten kan en zich zelf aan den tocht van een kwaad briesje niet behoeft bloot te stellen?”—„Inderdaad is het hier veel vroolijker,” antwoordde ik, „als in die folterkamers beneden; toch wil mij hier ook niet alles bevallen.”—„Wat hebt gij dan nu weer?” viel hij mij in de rede. Ik vervolgde: „Mijn grief is, dat de ledematen van deze luiaards met hun uitpuilende oogen, opgeblazen gezichten en gezwollen buiken zelfs geen aanraking kunnen velen, daar zij met pijnlijke zweren bedekt schijnen te zijn. Als iemand hen maar even aanstoot of langs hen heenschuurt, of wanneer een nijdige wind hen aanblaast, worden zij dadelijk onpasselijk. Stilstaand water wordt vuil en gaat stinken, heb ik dikwijls hooren zeggen; hier zijn de bewijzen. Ook deze menschen genieten hun leven niet, daar zij het al slapende en in lediggang doorbrengen, en dat is niets voor mij.” „Gij zijt een wondere philosoof,” mompelde de tolk. [192]
Spel en tooneelspel.
2. Nu leidden zij mij naar een tweede zaal, waar zeer veel aanlokkelijks was voor oog en oor: lusthoven, vischvijvers, parken, veel wild, vogels en visschen, allerlei liefelijke muziek en groepen vroolijke gezellen, die zich vermaakten met huppelen, krijgertje spelen, dansen, elkaar op de hielen zitten, schermen, zich den tijd kortten met spelen en ik weet niet, wat al meer uithaalden. „Dat zijn ten minste geen stilstaande wateren,” merkte de tolk op. „Dat is waar,” antwoordde ik, „maar laat mij deze dingen eerst nog eens op mijn gemak bekijken.” Daarna zeide ik: „ik zie, dat niemand volkomen verzadigd is van deze genoegens; want ieder is het spoedig moede en laat ijlings het spel in den steek, om elders weer in iets anders zijn vermaak te zoeken. En dat schijnt mij een armzalig genot.” „Als gij dan in eten en drinken uw genoegen zoekt,” was het antwoord, „volg mij dan daarheen.”
De lekkerbekken.
3. Zoo betraden wij nu de derde zaal; daar zag ik aan tafel en disch veel vroolijke gasten zitten, die zich aan spijs en drank te goed deden, welke in alle verscheidenheid en in overvloed voor hen stond. Ik trad op hen toe en zag, hoe eenigen van hen zonder ophouden de gerechten naar binnen schrokten en wat zij dronken, naar binnen goten, tot zij ten laatste, tot berstens toe vol, hun gordels losser moesten maken; en [193]anderen, tot hetgeen zij gegeten en gedronken hadden, boven en beneden een uitweg zocht. Ettelijke gasten hadden het uitsluitend op de lekkere hapjes voorzien, die zij al smakkend zoo lang mogelijk kauwden, en zich daarbij nog den langen hals van den kraanvogel toewenschten om den smaak zoo lang mogelijk te genieten. Sommigen beroemden er zich op, dat zij sedert tien of twintig jaren de zon niet meer hadden zien op- en ondergaan, omdat zij bij zonsondergang reeds beschonken, bij zonsopgang echter nog nooit weder nuchter geworden waren. Zij zaten daar volstrekt niet in sombere stemming, want aan de muziek, die onophoudelijk moest spelen, paarde ieder zijn eigen stem, zoodat men allerlei dieren- en vogelgeluiden hooren kon: de een huilde, een tweede brulde, een derde kraaide, een vierde blafte, een vijfde floot, een zesde tjilpte, een zevende deed een klagend gekir hooren1, enzoovoort, en tegelijk maakten zij vreemde grimassen.
Welk gerecht de pelgrim bij deze zwelgerij naar het hoofd kreeg.
4. Toen vroeg mij de tolk, hoe mij deze harmonie beviel. „In ’t geheel niet,” antwoordde ik. „Wat zal u toch ooit bevallen?” riep hij geërgerd uit, „zijt gij soms een blok hout, dat die algemeene vroolijkheid niet eens aanstekelijk op u werkt?” Middelerwijl merkten eenigen uit het gezelschap mij op; [194]de een begon mij toe te drinken; een tweede gaf mij door een knipoogje te verstaan, dat ik zonder meer plaats zou nemen; een derde begon mij uit te vragen, wie ik was en wat ik wilde; een vierde voer heftig tegen mij uit en vroeg, waarom ik niet zeide: God zegene het2. Hierop ontstak ik in toorn en riep: „Wat wilt gij, dat God dit zwijnengelag ook moet zegenen?” Maar nauwelijks had ik goed en wel deze woorden uitgesproken, of daar vlogen mij reeds borden, schotels, bekers en glazen als hagel naar het hoofd, zoodat ik moeite had uit te wijken en mij ijlings uit de voeten te maken, al viel het mij, daar ik nuchter was, gemakkelijker de vlucht te nemen, dan hun, mij in hun dronkenschap te treffen. „Nu, heb ik het u niet lang geleden reeds gezegd, dat gij uw tong in toom zoudt houden en niet zoo’n betweter zijn,” sprak de tolk, „tracht u bij de menschen aan te passen en beeld u niet in, dat de anderen zich moeten richten, naar wat er in uw hoofd omgaat”3.
De pelgrim keert nogmaals daarheen terug.
5. Daarop greep Overalbij mij lachend bij de hand en verzocht mij nog eenmaal daarheen terug te keeren, doch ik wilde niet. „Er is daar nog velerlei te zien,” merkte hij op, „dat gij ook hadt [195]kunnen zien, wanneer gij zoo voorzichtig geweest waart te zwijgen. Kom gerust, wees alleen wat voorzichtiger; mijnentwege kunt gij u op een afstand houden.” Zoo liet ik mij dan overhalen en trad opnieuw binnen. En waarom zou ik het niet bekennen? Ik liet mij overreden plaats te nemen, stond toe, dat men mij toedronk en dronk ook zelf den vollen beker op hun gezondheid tot den bodem toe leeg; en daar ik ten slotte steeds wilde uitvorschen, waarin dit genoegen eigenlijk bestond, begon ik ook zelf mee te zingen, te joelen en te springen, kortom ik deed, wat alle anderen deden, maar alles met een zekeren schroom, omdat ik duidelijk voelde, dat ik aan deze slemppartij niet mocht deelnemen. Zoodra evenwel sommigen merkten, dat ik den rechten toon niet treffen kon, lachten zij mij uit; anderen waren zeer boos, dat ik hun niet voldoende bescheid deed. Doch ondertusschen begin ik een stekende pijn te voelen onder mijn muts en een knagend gevoel onder mijn lijfrok; er drukt mij iets tegen de keel, alsof het er uit wil, mijn voeten wankelen onder mij, mijn tong trilt4 en het hoofd loopt mij om. Nu eerst begon ik te toornen tegen mij zelf en tegen mijn gidsen, en verklaarde ronduit, dat zulk een gedrag dierlijk en aan alle menschelijkheid gespeend was, vooral toen ik getuige was van de gevolgen der levenswijze van eenige anderen van die brassers. [196]
Het ellendige leven der brassers.
6. Daar hoorde ik eenigen van hen luid klagen, dat hun evenmin eten als drinken wilde smaken, ja, dat zij het zelfs niet door de keel konden krijgen. De anderen hadden medelijden met hen en zonden, om hen te helpen, kooplieden uit, die alle deelen der wereld moesten afreizen om dingen op te sporen, die hun eetlust zouden kunnen opwekken. De koks moesten allerlei monsters kruiderijen onderzoeken, om den geur, den smaak en de kleur der lekkernijen bijzonder aangenaam te maken en ze daardoor gemakkelijker de verwende maag binnen te smokkelen. De geneesheeren moesten hen om het genieten van nieuwe lekkernijen mogelijk te maken met trechters maag en ingewanden uithevelen. Het kostte dus veel moeite en geld de spijzen en dranken, waaraan zij zich te buiten gingen, machtig te worden en groote slimheid en list om ze toe te dienen en dan veroorzaakte het genot ervan nog krampen in den buik of werden ze onder hevige pijnen weder uitgebraakt. Verder leden zij bij voortduring aan lusteloosheid, aan den hik, aan oprispingen, aan rommelen van de ingewanden. Zij sliepen slecht, hoestten, schraapten aanhoudend hun keel, snoven en bezoedelden zich met speeksel en slijm. De tafels en alle hoeken waren vol van deze onreinheid en van die, welke de maag teruggaf. Met jichtige voeten, bevende handen en leepoogen wentelden zij zich rond over den grond en sleepten zich voort op hun buik, die reeds tot ontbinding [197]was overgegaan. „Moeten dergelijke buitensporigheden als genoegens beschouwd worden?” zeide ik. „Ach, laten wij liever van hier gaan, opdat ik niet in de verzoeking kom iets te zeggen en mij weder onaangenaamheden bezorg!” Ik wendde mijn oogen af, kneep den neus toe en ging heen.
Veneris regnum. Libidinis aestus. Morbus Gallicus. Libido desperationis praecipitium5.
7. Wij kwamen op diezelfde verdieping nog in een zaal, waar vele menschen van beiderlei kunne verzameld waren; zij leidden elkander aan de hand rond, omarmden en kusten elkander, om van het verdere, wat hier voorviel, liever te zwijgen. Slechts dit eene wil ik vertellen (en ik vatte het als een waarschuwing voor mijzelven op), dat allen, die door mevrouw Fortuna daar gehuisvest waren, door een vurigen, schurftachtigen uitslag waren aangetast, die hun een voortdurenden jeuk veroorzaakte, zoodat zij, geen rust vindende, zich overal en tegen elk voorwerp, dat in hun bereik kwam, schuurden en hun huid openkrabden, tot het bloed te voorschijn kwam, zonder evenwel daardoor het jeuken ook maar in het minst te verlichten, dat veeleer nog branderiger werd en hoewel zij er zich voor [198]schaamden, deden zij, al was het dan heimelijk en in verborgen hoeken, niets dan zich krabben en schuren. Men kan hieruit duidelijk afleiden, dat het een lastig en ongeneeslijk euvel was. Bij sommigen was het hoofd als bezaaid met leelijken uitslag, zoodat de een een afschuw van den ander had en zij het zich over en weer moeilijk en lastig maakten. Voor gezonde oogen en zinnen was het natuurlijk nog veel stuitender naar hen te kijken en de van hen uitgaande walgelijke lucht te ruiken. Ten slotte bemerkte ik, dat deze zaal de laatste van de praalverblijven der geneugten was, vanwaar men evenmin terug, als verder kon gaan, behalve dan misschien achteraan, waar zich een soort donker gat bevond, waarin zij, die zich nog dieper in den wellust stortten, nederzonken, en in levenden lijve in de duisternis aan gene zijde der wereld verdwenen.
De schaduwzijde van hun bestaan.
En zoo kwamen wij nu op de vorstelijk ingerichte hoogste verdieping, die naar boven open was en geen andere bedekking had dan het hemelgewelf. Geheel aan den rand waren nu vele zetels, verschillend in hoogte, geplaatst, opdat zij van beneden uit de stad goed konden worden gezien. Daarop zaten, naar de door Fortuna vastgestelde rangorde, hooger of lager, de mannen, wien alle voorbijgangers, (zooals van zelf spreekt slechts dan, [199]wanneer zij gezien werden) de hun toekomende eer bewezen, en daartoe hun knieën bogen en met het hoofd negen. „Wel,” zeide de tolk tot mij, „is dat nu geen schoone zaak, zoo hoog gezeten te zijn, dat men u van alle kanten zien kan en alle menschen naar u moeten opkijken?”—„En aan wind en regen, aan sneeuw en hagel, aan hitte en koude van alle kanten blootgesteld te zijn,” voegde ik er aan toe. „Wat doet dat er toe?” antwoordde hij, „het blijft toch maar een schoone zaak op een plaats te zitten, waar allen op u achtgeven en met u rekening moeten houden.” „Het is waar,” sprak ik, „dat men hen met onderscheiding behandelt, maar deze eerbewijzen zijn eerder een last dan een lust. Want ik zie heel goed, hoe velen op ieder hunner het oog gericht houden; zij durven of kunnen zich nauwelijks roeren of bewegen, daar zij dadelijk door allen gezien en beoordeeld worden. Welk genoegen levert het dan op?” Dat werd mij bijzonder duidelijk, toen ik bemerkte, dat men hun achter den rug en van ter zijde even weinig eerbied betoonde, als ontzag in het gezicht. Achter iedere grootheid, die daarboven zoo behagelijk in zijn stoel gezeten was, stonden zeker wel eenigen, die met schele oogen naar hem keken, de lippen spottend krulden en het hoofd over hem schudden, hem bij den neus namen, op den rug spuwden en dien met hun neusslijm of andere dingen bevuilden. Eenigen ondermijnden ook de zetels met het doel degenen, die daarop zaten, te doen vallen; en dit of een dergelijk ongeval overkwam zeer velen in mijn tegenwoordigheid. [200]
De gevaren der in hoogheid gezetenen.
2. Want deze zetels stonden, zooals ik reeds opmerkte, juist aan den rand, zoodat de kleinste stoot voldoende was, om ze terstond omver te werpen en hij, die even te voren in opgeblazen trots daar troonde, stortte in de diepte. Ook waren zij zoo gemaakt, dat zij gemakkelijk uit hun evenwicht geraakten; men behoefde ze slechts op de juiste plek aan te raken, of zij wankelden reeds en hij, die daarop zat, viel op den grond; daarbij kon men dan juist de hoogste zetels het gemakkelijkst omstooten, en hem, die het hoogst zat, het eerst ten val brengen. Ook vond ik, dat zij zeer naijverig op elkander waren, elkaar steeds met jaloersche blikken aanzagen, elkander van hun zetels trachtten te verdringen of elkaar de heerschappij poogden te ontrukken, de kronen van het hoofd te slaan en de titels uit te wisschen. Voortdurend wijzigde zich daardoor de toestand: de een besteeg een troon, een ander daalde er van af of buitelde hals over kop naar beneden1. Bij dit schouwspel riep ik uit: „Voorwaar, het is een kwade zaak, dat de belooning voor al den langdurigen en straffen arbeid, dien men zich moet getroosten, voor men op deze plaatsen beslag kan leggen, zoo kort van duur is! [201]Want zoodra iemand aanvangt zich in zijn roemrijk bestaan te vermeien, is ook reeds het einde gekomen.”—„Zoo en niet anders moet evenwel mevrouw Fortuna haar gaven verdeelen,” bracht de tolk in het midden, „opdat allen, wien zij daarmee een bewijs van haar gunst wil geven, hun deel ontvangen; en daarom moet de een voor den ander plaats maken.”
Fama ferme vulgi opinione constat1.
„Behalve dit heeft mevrouw Fortuna,” verzekerde mij verder de tolk, „nog een ander middel om diegenen met de onsterfelijkheid te eeren, welke zich uitstekend gedragen of het bijzonder verdienen.” „En welk is dit middel?” vroeg ik; „toon het mij toch; want het is iets heerlijks, onsterfelijk te zijn.” En Alweter verzocht mij, dat ik mij zou omkeeren en wees mij een tegen het westen, eveneens onder den vrijen hemel gelegen, nog hoogere plaats, een vooruitspringend gedeelte aan het paleis, waarheen uit het lagere deel een trap leidde, die beneden met een deur gesloten was. Hiervoor lag een monsterachtig wezen, dat tallooze oogen en ooren aan alle zijden van zijn lichaam had (men noemde het Censura vulgi, Aloordeelaar), [202]bij wien ieder, die in dezen tempel van den Roem wilde opgenomen worden, zich niet alleen moest aanmelden, maar wien hij ook al zijn daden, waardoor hij de onsterfelijkheid, naar hij hoopte, waardig zou zijn, moest aanwijzen en aan wien hij de beslissing moest overlaten. Als er nu in ’s mans daden iets bijzonders of ongewoons, hetzij goed of slecht gevonden werd, werd hem toegestaan naar boven te gaan; indien niet, zoo moest hij beneden blijven. Zij, die de plaats van den roem bereikten, behoorden meestal tot den stand der overheden, krijgslieden en geleerden; minder vaak tot den stand der theologen, der ambachtslieden of tot den huismansstand.
Indignis quoque confertur2 Herostratus3.
2. Het verdroot mij echter zeer, dat men daar evenveel boozen (roovers, tyrannen, echtbrekers, moordenaars, brandstichters enz.) als goeden binnenliet. Want ik zag heel goed in, dat dit de verkeerden in hun ondeugden alleen maar stijven kon; zooals dan ook werkelijk geschiedde, dat iemand kwam om de onsterfelijkheid te begeeren en ondervraagd, wat hij dan voor groots had verricht, hetgeen deze waardig zou zijn, antwoordde, [203]dat hij het heerlijkste, dat hij op aarde kende, namelijk den tempel, waaraan zeventien koninkrijken driehonderd jaar lang arbeid noch kosten hadden gespaard, opzettelijk in brand had gestoken, zoodat hij op één dag in puin en asch was verkeerd. Toen ontstelde die Censura over zulk een schandelijke driestheid, oordeelde hem onwaardig en wilde hem niet laten doorgaan. Maar toen kwam mevrouw Fortuna en liet hem toe. Door dit voorbeeld aangemoedigd somden nu ook anderen alle euveldaden, die zij bedreven hadden op; de een zeide, dat hij zooveel menschenbloed vergoten had, als hem mogelijk was geweest; een ander, dat hij een nieuwe Godslastering had uitgedacht; een derde, dat hij God ter dood veroordeeld had; een vierde, dat hij de zon uit het firmament gerukt en te midden der afgronden had doen verzinken; een vijfde zou een nieuwen bond van brandstichters en moordenaars hebben gesticht, waardoor het menschelijk geslacht moest worden gezuiverd, enz. en allen kregen, ieder op zijn beurt, verlof naar boven te gaan, wat mij, om de waarheid te zeggen, grootelijks mishaagde.
De vergankelijkheid van den roem.
3. Toch volgde ik hen naar boven en zag, dat zij daar terstond door een beambte van mevrouw Fortuna ontvangen werden, die den naam Fama of het Gerucht droeg en wiens lichaam slechts uit één soort organen, namelijk monden, bestond. Want zooals de ander, beneden, tallooze oogen en [204]ooren had, zoo bezat deze over zijn geheele lichaam ontelbaar veel monden en tongen, die een geweldig geluid en gedruisch maakten en deze lieve Immortalitatis candidatus4 had daarvan het voordeel, dat door dit gekrijsch zijn naam naar alle zijden bekend werd. Maar toen ik scherp acht gaf, merkte ik weldra op, dat het geschreeuw, dat zich bij iederen naam verhief, langzamerhand weer afnam en ten laatste geheel verstomde om bij het hooren van een anderen naam opnieuw los te breken. „Wat is dit toch voor een onsterfelijkheid?” riep ik uit; „bijna ieder vertoeft hier slechts een oogenblik bij de anderen en verdwijnt spoedig daarop geheel uit hun oogen, dan spreken zij niet meer over hem noch denken aan hem.” „Gij kleineert alles,” wierp de tolk mij voor de voeten, „welnu, zie ten minste nog eens naar die mannen.”
Is het een eer zich naam te maken in de geschiedenis?
4. Zoo keek ik dan eens rond en zag een paar schilders, die, voor eenigen dezer beroemde mannen gezeten, bezig waren hun portret te schilderen. Ik vroeg den tolk, met welk doel zij dit deden. Deze antwoordde: „opdat de herinnering aan hen niet zoo snel voorbijga en verdwijne als de klank hunner stem; de nagedachtenis dezer mannen zal nu blijven voortduren.” Ik zag verder toe en zie, [205]elk van hen, wier beeltenissen geschilderd waren, werd daarna evenals ieder ander in den afgrond geworpen; zij bewaarden alleen zijn beeld en bevestigden het aan een staak, opdat het voor allen zichtbaar zou zijn. „En dat noemt men onsterfelijkheid?” riep ik ten tweeden male uit, „een stuk papier en een weinig inktzwartsel, waarmee hun naam daarop is aangebracht, is alles, wat van hen overblijft; zij zelf echter, komen evenals de anderen jammerlijk om! O God, dit is bedrog, bedrog! Want wat baat het mij, dat iemand tot mijn gedachtenis het papier bekladt en er intusschen, ik weet niet wat, met mij geschiedt? Aan zoo iets hecht ik geen waarde.” Toen de tolk deze woorden hoorde, schold hij mij uit voor een gek en vroeg mij, hoe ik met mijn zienswijze, welke met die van alle anderen in tegenspraak was, de wereld van dienst hoopte te zijn.
Er is ook veel bedrog in de geschiedenis.
5. Toen zweeg ik, doch weldra ontdekte ik een nieuw bedrog. De beeltenis van velen, die ik bij hun leven als schoon en welgemaakt had gekend, was op monsterachtige wijze ontsierd; daarentegen had men van anderen, die bij hun leven afstootend leelijk geweest waren, een zoo schoone afbeelding gemaakt als mogelijk was; van menigeen stelde men twee, drie, zelfs vier beeltenissen naast elkaar ten toon, doch elk daarvan was verschillend, zoodat ik mij eindelijk over deze deels onware, [206]deels onnauwkeurige weergave der werkelijkheid boos maakte. Doch spoedig bemerkte ik, hoe ijdel en vergankelijk ook deze soort onsterfelijkheid was. Want van meer nabij bezien, vond ik vele van die beelden verbleekt, met stof bedekt, vergaan en verteerd, waardoor zij geheel of bijna geheel onherkenbaar waren; sommige tusschen allerlei andere geplaatst, trokken in de groote massa niet de aandacht; bijna niemand zag ze aan. Zoo was het met den roem gesteld!
De gedenkteekenen van verheven persoonlijkheden gaan ook te niet.
6. Intusschen kwam Fortuna zelf en liet niet alleen eenige van de oude en half vergane, maar ook geheel nieuwe en pas geschilderde beeltenissen naar beneden werpen; ik begreep nu, dat niet alleen die dierbare onsterfelijkheid op zich zelf niets beteekent, maar dat men ook vanwege de dwaze wispelturigheid van Fortuna, waarmee zij vandaag iemand in haar burcht opnam en morgen hem er weer uitwierp, niet eens staat op haar kan maken; daardoor kreeg ik van haar en al haar gaven hoe langer hoe meer een afkeer. Want op een dergelijke manier handelde zij dikwijls met haar zonen, wanneer zij ergens in het slot zich al wandelend vermeide, en vermeerderde nu eens den wellust der wellustigen en den rijkdom der rijken, dan weer verminderde zij die beiden; menigmaal nam zij ook onvoorziens van iemand alles weg en stiet hem buiten haar kasteel. [207]
De dood maakt alles toch te niet.
7. Eindelijk nam mijn ontsteltenis nog toe door het feit, dat de Dood ook hier in den burcht binnendrong en den een na den ander uit den weg ruimde, al was het niet op dezelfde manier. Hij schoot op de rijken met zijn gewone pijlen of zette hun de knie op de borst en worgde en smoorde hen met hun eigen ketenen. In de lekkernijen der genotzuchtigen strooide hij vergif en de beroemden wierp hij ter neder, zoodat zij den nek braken of joeg hun degens, kogels of dolken in het lijf; bijna ieder voerde hij op de een of andere ongewone wijze uit de wereld.
Sapientiae apex, desperatio de rebus mundi1.
Ik was er geheel ontsteld van, dat nergens in de wereld, zelfs niet eens in het slot van Fortuna iets vertroostends te vinden was, waaraan de geest zich veilig en vol vertrouwen zou kunnen vastklampen. Mijn treurige overpeinzingen, waarin ik hoe langer hoe meer verzonk, kon ditmaal mijn tolk, de Verblinding, ofschoon hij zich daartoe alle [208]moeite gaf, niet van mij wegnemen. Ik kon mij ten laatste niet weerhouden uit te roepen: „Ach, wat een kommer en verdriet! Zal ik dan op deze jammervolle wereld nooit iets vinden, dat mij troosten kan? Overal zie ik niets dan verdrukking en benauwdheid.”—„En wie anders dan gij zelf, o zure knorrepot, hebt schuld daaraan,” antwoordde mij de tolk, „daar gij een afschuw hebt van alles, wat u zou moeten behagen? Kijk eens naar anderen, hoe ieder in zijn stand tevreden en gelukkig is en in zijn levenswijze genoeg voldoening vindt.” „Of zij zijn allen zonder onderscheid waanzinnig,” zeide ik, „of zij liegen, want het is niet mogelijk, dat zij een waarachtig geluk genieten.”—„Werdt gij ook maar zoo,” sprak Overalbij, „dan zou die waanzin u in uw benauwdheid verlichting schenken.” „Ik weet niet eens, hoe daartoe te komen,” antwoordde ik, „gij weet toch, hoeveel malen ik allerlei dingen met belangstelling beschouwde; het zien van de snelle wisselingen, waaraan alle dingen onderworpen zijn en hun jammerlijk einddoel heeft mij evenwel steeds wreed uit deze droomen wakker geschud.”
Het menschelijk gemoed vindt in de wereld niet, wat het zoekt.
2. „Wat anders dan uw inbeelding is de oorzaak daarvan?” sprak de tolk, „indien gij niet steeds op zoo kleingeestige wijze de omstandigheden, waaronder de menschen leven, uitploost en als een varken in de stroowisschen woeldet, zoudt gij tevreden zijn als de anderen en innerlijken troost, [209]geluk en vreugde genieten.” „Dat wil zeggen,” viel ik hem snel in de rede, „indien ik mij, zooals gij, alleen met den uiterlijken schijn vergenoegde, een toevallig en zouteloos gelach voor echte vreugde, het lezen van een paar oude prullen van boeken voor wijsheid, en een klein stukje toevallig geluk voor het toppunt van voldoening hield. Waar blijft echter het andere: het zweet, de tranen en zuchten, de afdwalingen, ontberingen, ongevallen en andere ongelukkige omstandigheden, die ik talloos, mateloos en eindeloos bij alle standen gevonden heb? Helaas, ach, helaas! O, wat een leven vol jammer! Gij hebt mij overal rondgeleid, maar wat baatte het mij? Gij hebt beloofd, mij rijkdom, wetenschap, blijdschap en zekerheid te toonen, maar wat bezit ik van dit alles? Niets! Wat heb ik geleerd? Niets! Waar ben ik? Dat weet ik zelf niet. Dit alleen weet ik, dat ik, na zooveel ronddolen, zooveel moeiten, zooveel doorgestane gevaren, na zooveel vermoeienis en afmatting des geestes, ten slotte niets anders gevonden heb dan de smart in eigen boezem en daarbij nog den haat, dien anderen jegens mij voeden.”
Waarmee de menschen zich zelven misleiden en bedriegen.
3. „En niet ten onrechte,” stemde de tolk mij toe, „waarom hebt gij ook niet mijn raad opgevolgd, dien ik terstond bij den aanvang u heb meegegeven: alles gelooven, niets onderzoeken, niets beproeven, alles goedkeuren en er genoegen in [210]vinden, op niets afgeven. Dat zou de weg geweest zijn, waarlangs gij in vrede hadt kunnen wandelen, de gunst der menschen en een genoeglijk leven hadt kunnen verkrijgen.”—„Dat zou ongetwijfeld wat moois geweest zijn,” voegde ik hem toe, „als ik door u verblind, evenals de anderen in een waan geleefd had; als ik blijde was geweest, terwijl ik hulpeloos dwaalde; als ik, kreunende onder het juk, van pleizier was opgesprongen, en ziek en stervende nog uitgelaten van vreugde was geweest. Ik heb echter gezien en verstaan, dat ik evenals de anderen ook zelf niets ben, niets kan, niets heb, maar dat dit alles slechts schijn is. Wij grijpen slechts naar een schaduw, de waarheid ontvliedt ons overal. Ach, helaas, helaas!”
Wie de wereld goed beziet, kan zich daarin slechts ongelukkig gevoelen.
4. „Wat ik zoo juist beweerd heb, houd ik vol,” sprak de tolk, „gij draagt zelf de schuld, want gij begeert iets groots en buitengewoons, hetwelk aan niemand ten deel valt.” „En juist daarom lijd ik nog meer,” antwoordde ik hem, „omdat niet alleen ik, maar ook al mijn medemenschen zoo ellendig en daarbij nog zoo verblind zijn, dat zij hun eigen ellende niet zien.”—„Ik weet nu werkelijk niet,” verklaarde de Verblinding, „hoe en met welke middelen ik zoo’n warhoofd, als gij zijt, kan bevredigen. Want daar noch wereld, noch menschen, noch arbeid, noch lediggang, noch kennis, noch onwetendheid, [211]kortom niets u kan bekoren, weet ik waarlijk niet meer, hoe met u te handelen of wat in deze wereld u nog verder aan te prijzen.”
5. De andere gids, Overalbij, stelde daarop zijn makker voor: „wij konden hem nog wel op het slot onzer koningin brengen, dat daar in het midden is gelegen; misschien zal hij er tot beter inzicht komen.”
Hierop grepen zij mij onder den arm en leidden mij snel voort. En zie, de burcht schitterde in den glans van prachtige schilderingen, die overal in groote verscheidenheid de buitenmuren sierden; een poort, die met wachtposten bezet was, gaf alleen toegang aan hen, die eenig ambt of waardigheid in de wereld bekleedden. Want alleen aan de dienaren der koningin en de uitvoerders harer bevelen was het toegestaan vrijelijk in- en uit te gaan; ieder ander, die het paleis bezichtigen wilde, kon het alleen maar van buiten zien, want, zoo verluidde het, niet ieder betaamde het, de geheimen te bespieden, waardoor de wereld geregeerd wordt. Zoo zag ik hier een groot aantal van dat slag lieden, die het kasteel van buiten meer met hun mond aangaapten, dan met hun oogen. Ik verheugde mij daarom, dat men mij niettemin door de poort liet gaan, daar ik eigenlijk altijd had verlangd te weten, welke geheimen de Wijsheid der wereld bezit. [212]
2. Doch zonder kleerscheuren kwam ik er ook hier niet af; de wachters hielden mij tegen, begonnen mij over mijn verlangen scherp te ondervragen, ja maakten zich gereed mij tegen te houden en terug te dringen en hieven de hand reeds op om mij te slaan.—Toen antwoordde Overalbij, die ook op deze plaats welbekend was, hun het een of ander te mijnen gunste, nam mij bij de hand en leidde mij terstond in den eersten hof.
3. Hier aanschouwde ik reeds den eigenlijken burcht zelf en zag de blinkend witte muren, die, naar men mij verzekerde, van albast waren. Zoodra ik ze echter nauwkeurig onderzocht en met de hand betastte, zag ik, dat zij vervaardigd waren van papier, met werk daarachter, dat hier en daar door de reten te voorschijn kwam. Daaruit leidde ik af, dat die wanden hol en met werk volgestopt waren; ik verwonderde mij over dit bedrog en moest er om lachen. Nu kwamen wij bij een trap, waarlangs men kon opstijgen; doch daar ik bang was voor het instorten van het gebouw (ik geloof, dat mijn hart reeds een voorgevoel had, van wat mij daar zou overkomen) wilde ik niet naar boven gaan. „Waartoe, beste vriend, deze inbeelding?” riep de tolk uit, „dan moogt ge met evenveel recht vreezen, dat het hemelgewelf boven u zal instorten. Of ziet gij niet die menschenmassa trap op en trap af gaan?” Zoo volgde ik ook hier het voorbeeld der anderen en ging de wenteltrap op, die tot een duizelingwekkende hoogte spiraalvormig omhoog liep. [213]
De pelgrim wordt voor den troon der koningin gesteld,
1. Zij brachten mij vervolgens in een groote zaal, waarin een ongewoon helder licht mij aanvankelijk de oogen verblindde, niet zoozeer, wijl hier zoovele vensters waren, maar veeleer—zooals men voorgaf—vanwege de kostbare steenen, waarmee de wanden rondom waren ingelegd, terwijl de vloer bedekt was met kostbare tapijten, waarin de doorgewerkte gouddraad fonkelde; de plaats der zoldering werd ingenomen door een nevelwolk. Ik had evenwel geen tijd, dat alles nader op te nemen, omdat mijn oogen reeds aanstonds op de lieftallige koningin zelve gevestigd bleven; zij zat daar op de hoogste plaats onder een troonhemel; ter rechter- en ter linkerzijde stonden de leden van haar raad en haar dienaressen, een gevolg, verbijsterend door zijn glans. Maar ik was geheel van streek door deze luisterrijke omgeving en dit temeer, toen de hofdames, de een na de ander, haar blikken op mij sloegen. Overalbij sprak mij evenwel moed in: „Vrees niet, treed naderbij, opdat ook hare Majesteit de koningin u zien kan; wees kloekmoedig, doch doe het niet ontbreken aan eerbiedig ontzag en hoffelijk eerbetoon.” Met deze woorden plaatste hij mij in het midden en gelastte mij een diepe [214]buiging te maken, en ik gehoorzaamde zonder eigenlijk recht te weten, hoe men zich in zoo’n geval gedragen moet.
en daar aangeklaagd.
2. Hierop ving mijn gids, die zich ongevraagd als mijn tolk had opgeworpen, zijn aanspraak in de volgende bewoordingen aan: „Doorluchtigste koningin der wereld, meest schitterende straal van goddelijk licht, verhevene Wijsheid! Deze jongeling, dien wij zoo juist voor uw verheven aangezicht stelden, verkreeg door een gelukkig toeval van het Lot (den regent uwer Majesteit) vergunning om in uw wereldmonarchie, waarin God u als zijn vertegenwoordigster de hoogste plaats gegeven heeft, opdat gij door uw wijs beleid haar van het eene einde tot het andere zoudt regeeren, alle standen en beroepen te doorloopen, te beoefenen en te leeren kennen. Ofschoon hij nu door ons, die op grond van uw wijs besluit daartoe aangesteld zijn, in dergelijke gevallen het geleide op ons te nemen, door alle standen en beroepen rondgeleid is, konden wij (wat wij u met deemoed en smart bekennen moeten) ondanks onze oprecht gemeende en eerlijke pogingen hem niet bewegen, zich met liefde aan een bepaald beroep te wijden, zich daar rustig bij te bepalen en een trouwe, gehoorzame en gezeten burger van dit ons gemeenschappelijk vaderland te worden; hij maakt het ons veeleer altijd en bij elke gelegenheid lastig, heeft een tegenzin in alles en verlangt steeds naar iets ongewoons. [215]En wijl wij zijn wilde begeerten noch bevredigen noch verstaan kunnen, zoo stellen wij hem thans voor uw verheven Doorluchtigheid en laten het uw wijsheid over, wat met hem nu verder zal geschieden.”
De pelgrim is verschrikt.—De Tegenpartij, het Geweld, de Vleierij.
3. Men kan zich denken, hoe ik bij het hooren dezer rede (die ik niet verwacht had) te moede was. Want ik zag nu heel wel in, dat ik hier voor het gerecht gevoerd was. Daarom werd ik bevreesd en dit nog des te meer, toen ik voor den troon der koningin een vreeselijk monster (ik zou niet zeker kunnen zeggen of het een hond, of een lynx of een soort draak was) zag liggen, dat mij met fonkelende oogen aanzag, en slechts op een wenk scheen te wachten, om zich op mij te storten. Dan stonden daar ook nog twee soldaten van de lijfwacht der koningin in volle wapenrusting; zij staken wel in vrouwelijke kleeding, maar zagen er daarom niet minder schrikaanjagend uit, vooral die aan de linkerzijde. Want hij droeg een ijzeren pantser vol ijzeren punten als de stekels van een egel. Het aanraken daarvan was, zooals ik zag, gevaarlijk. Aan handen en voeten had hij ijzeren klauwen, in de eene hand hield hij zwaard en speer; in de andere boog en vuurpijl. De tweede scheen mij minder schrikwekkend dan belachelijk toe; want deze droeg in plaats van een pantser een binnenst buiten gekeerde vossenhuid, in plaats van een [216]hellebaard een vossestaart in de rechter hand, in de linker een twijgje met noten, waarmee hij onophoudelijk klepperde.
De toespraak der koningin.
4. Zoodra mijn tolk of, om hem met zijn waren naam te noemen, mijn verrader, zijn rede geëindigd had, sprak de koningin, het aangezicht in een uiterst fijnen batisten sluier gehuld, mij in weloverwogen woorden uitvoerig aldus toe: „Edele jongeling, uw voornemen en begeerte om de dingen dezer wereld in oogenschouw te nemen, mishaagt mij volstrekt niet. Ik sta dit dan ook aan mijn meest beminde onderdanen te allen tijde gaarne toe en verleen hun door mijn trouwe dienaren en dienaressen met genoegen alle hulp. Maar ik hoor niet gaarne over u klagen, dat gij zoo kieskeurig zijt en dat gij, die als nieuweling in de wereld te gast zijt om van haar te leeren, u er op toegelegd hebt, op alles te vitten. Ofschoon ik u nu hierom, en tevens tot waarschuwing van anderen, zou kunnen straffen, zoo wil ik toch, daar ik den wensch koester liever een voorbeeld van verdraagzaamheid en welwillendheid, dan van gestrengheid te geven, toegefelijk jegens u zijn en verleen u goedgunstig het verblijf in mijn onmiddellijke nabijheid in dezen burcht, opdat gij zoowel u zelf als mijn bestuur beter moogt leeren kennen. Ik hoop, dat gij deze mijne gunst naar waarde zult schatten; want weet, dat niet ieder het geluk ten deel valt tot deze geheime plaatsen door te dringen, waar [217]de beslissingen in hoogste instantie genomen worden en het eindoordeel over allen uitgesproken wordt.” Toen zij haar toespraak geëindigd had, gaf zij mij een wenk met haar hand; ik trad in overeenstemming met de gegeven aanwijzing ter zijde en was verlangend te zien, wat zich verder zou afspelen.
De koninklijke raadsheeren.
5. Terwijl ik een weinig terzijde een plaats uitkoos, vroeg ik den tolk naar de namen der raadsheeren, in welke verhouding, wat den rang betreft, zij tot elkander stonden en wat hun taak was. Ik kreeg het volgende antwoord: „Die het dichtst bij hare Majesteit de koningin staan, zijn de geheime raadsvrouwen; ter rechterzijde: de Reinheid, Waakzaamheid, Voorzichtigheid, Bedachtzaamheid, Vriendelijkheid en Matigheid; ter linkerzijde: de Waarheid, Vlijt, Oprechtheid, Dapperheid, Lankmoedigheid en Standvastigheid. Dat zijn de raadslieden, die steeds den koninklijken troon omgeven.”
De ambtenaren der koningin.
6. „Gindsche lieden, aan wie daar in de laagte een plaats is aangewezen, zijn de ambtenaren der koningin en hare plaatsbekleedsters in de wereld. Die in haar grijze kleedij heerscht in naam der koningin over de benedenstad en heet Industria of Nijverheid; die in het goudbrokaat en met een geplooiden halskraag onder een krans (gij hebt [218]haar, meen ik, reeds eenmaal gezien) gebiedt op het slot der gelukzaligen en heet mevrouw Fortuna. Die beiden evenals haar helpsters houden zich nu eens op hun eigen arbeidsterrein op, dan weer hier aan het hof, waar zij zich dan moeten aanmelden tot het volbrengen van dienstaangelegenheden, alsook voor het in ontvangst nemen van bevelen en beslissingen. Aan elk van die twee staat weer een staf van eigen ambtenaressen ter beschikking: aan mevrouw Industria, de Liefde, die in den huwelijksstand regeert, de Arbeidzaamheid, die over de handwerks- en ambachtslieden het opzicht heeft, de Scherpzinnigheid, die den schepter over de geleerden zwaait, de Vroomheid, die in den geestelijken stand, en de Gerechtigheid, die bij de overheden den toon aangeeft, de Dapperheid, die de soldaten op hun plicht wijst, enz.”
Het bestuur der vrouwen over de wereld.
7. Toen ik die mooie namen hoorde en zag, dat desondanks alles in de wereld toch verkeerd ging, had ik gaarne daarover een opmerking gemaakt; maar ik durfde niet. Ik dacht alleen maar in stilte: „wat een wonderlijk wereldbestuur! De koning een vrouw, de raadsleden vrouwen, de ambtenaren ook al vrouwen, in één woord een volkomen vrouwelijke regeeringsvorm. Geen wonder, dat niemand er ontzag voor heeft!” [219]
De soldaten der lijfwacht.
8. Vervolgens vroeg ik nog, wie die beide soldaten der lijfwacht waren en waartoe zij daar aanwezig waren? Hij zeide mij, dat hare Majesteit de koningin ook hare vijanden en belagers had, tegen welke zij zich beschermen en verdedigen moest. Deze, in een vossenhuid gehuld, heet, naar men zegt, de Vleierij, de ander, met pantser en vuurwapen, het Geweld; wanneer de een haar niet voldoende kan beschutten, moet de andere haar verdedigen, daar zij elkander om de beurt aflossen. Hij deelde verder mede, dat de hond, die zij bij zich hadden, als wachter dienst deed, opdat hij door zijn geblaf het naderen van verdachte personen bekend maken en ze verjagen zou. Het beest staat aan het hof bekend onder naam: de Bode, doch zij, bij wie zijn ambt niet bijzonder in den smaak valt, noemen hem den Lasteraar. „En nu moet ge eens een eind maken aan dat niets doen,” besloot de gids zijn beschrijving, „en vestig nu al uw opmerkzaamheid op de dingen, die hier staan te gebeuren”: Ik verzekerde, hiertoe gaarne bereid te zijn.
Salomo treedt op en begeert de Wijsheid te huwen.
Terwijl ik nu de komende gebeurtenissen met spanning tegemoet zag, verhief zich plotseling een [220]geweldig gedruisch en toen ik evenals de anderen zag naar de richting, vanwaar het geluid kwam, zag ik, hoe iemand het paleis binnentrad met koninklijken glans en luister, de kroon op het hoofd, een gouden schepter in de hand, en een groot gevolg achter zich aan, zoodat alle aanwezigen er bijna ontzet over waren. En terwijl aller oogen, ook de mijne, op hem gericht waren, trad hij naar voren en verklaarde, dat hij door de genade des Allerhoogsten, den God der Goden, de wereld onbevangener kon beschouwen, dan allen, die voor hem waren en na hem zouden komen en dat hij bovendien de Wijsheid, die de heerscheres der wereld was, tot vrouw wenschte te nemen, tot welk doel hij hier gekomen was. Hij nu heette Salomo, koning van het Israëlietische volk, het meest roemrijke onder den hemel.
Wat hem geantwoord werd en wat hij zelf daarop voor antwoord gaf.
2. Toen hem daarop door de Voorzichtigheid, de kanselares der koningin, het antwoord was gegeven, dat de Wijsheid Gods eigen gade was en zij dus niemand anders ten huwelijk kon nemen, Eccl. 11 : 71 maar dat, indien hij naar haar gunst en vriendschap wilde dingen, dit hem niet afgeslagen zou worden, antwoordde Salomo haar: „Hier wil ik dan nederzitten, totdat ik zie, wat onderscheid er bestaat tusschen wijsheid en dwaasheid; want niets behaagt mij van wat er onder de zon geschiedt.” [221]
De pelgrim is verblijd.
3. O, hoe zeer verheugde ik mij bij het hooren dezer woorden, dat ik nu, naar ik hoopte, spoedig een anderen gids en raadgever zou krijgen, dan ik tot dusver bezat, met wien ik op veiliger bodem zou staan, met wiens hulp ik alles grondiger zou kunnen onderzoeken en dien ik ten laatste zou kunnen volgen, waarheen hij zou gaan, en begon reeds in mijn binnenste God den Heer daarom te loven.
Salomo’s gevolg.
4. Salomo nu had een groot gevolg van dienaren en vrienden bij zich, die meegekomen waren, om met hem de Wijsheid, ’s werelds koningin, op de proef te stellen. Onder hen, die in zijne onmiddellijke omgeving waren, zag ik vele eerwaardige mannen, rustig in hun optreden, van wien men mij op mijn bescheiden vraag mededeelde, dat zij patriarchen, profeten, apostelen en belijders heetten. Verder naar achteren in de menigte, wees men mij eenige philosofen: Socrates, Plato, Epictetus, Seneca en anderen. Zij zetten zich allen neder aan beide zijden van de troonzaal; en ik deed desgelijks in groote spanning, wat nu zou geschieden.
Ik begreep terstond, dat hier alleen de gemeenschappelijke aangelegenheden die, alle standen der [222]wereld tegelijkertijd betroffen, verhandeld werden, terwijl de meer bijzondere in de daartoe bestemde plaatsen, raadhuizen, gerechtshoven, consistoriën, werden geregeld. Wat zich hier nu in mijn tegenwoordigheid afspeelde, wil ik, in zoo weinig woorden als mogelijk is, vertellen.
Klachten over de in de wereld heerschende misbruiken.
2. Het eerst kwamen de twee hoogste dienaren der kroon, Industria en Fortuna naar voren en dienden klachten in over velerlei misbruiken, die door de algemeen heerschende trouweloosheid, winzucht, arglistigheid en bedriegelijkheid bij bijna alle standen ingeslopen waren en gaven haar verlangen te kennen, dat deze toestanden op de een of andere wijze mochten verbeterd worden. Ik verheugde mij, dat zij nu zelf begonnen in te zien, hetgeen mij reeds lang duidelijk geworden was, dat er namelijk op de wereld geen orde is. De tolk ried evenwel mijn gedachten en sprak: „gij geloofdet wel de eenige te zijn, die oogen bezat en dat er buiten u niemand iets zag; wel, zie nu eens, hoe zorgvuldig ook dezen, wier ambt het is, op zulke dingen acht geven.” „Gaarne hoor ik dit,” zeide ik, „God geve slechts, dat de rechte weg daarbij gevonden worde.”
De oorzaken der misbruiken.
3. Nu zag ik, dat de raadslieden de hoofden bij elkander staken om de zaak gemeenschappelijk [223]te bespreken en bij monde van de kanselares Voorzichtigheid de vraag stelden, of het niet mogelijk zou zijn de bewerkers dezer misbruiken uit te vinden? Als vrucht van langdurige nasporingen werd eindelijk vastgesteld, dat er eenige opruiers en rustverstoorders binnengeslopen waren, die in het geheim en in het openbaar overal wanorde stichtten. De hoofdschuldigen, die men al dadelijk bij name noemde, waren: de Vraatzucht, de Gierigheid, de Woeker, de Wellust, de Hoovaardigheid, de Wreedheid, de Luiheid, de Lediggang en eenige anderen.
Een verordening tegen de bewerkers der misbruiken.
4. Na ampel overleg werd eindelijk het besluit genomen en voorgelezen, dat op bepaalde plaatsen een kennisgeving zou worden opgehangen of aangeslagen en over het geheele land zou worden verspreid, behelzende, dat hare Majesteit, de koningin, nadat te harer kennis was gekomen, dat door eenige vreemdelingen die op sluwe wijze binnengeslopen waren, allerlei misbruiken in het land hun intrede hadden gedaan, zich genoopt zag, hen, die zouden bevonden worden de aanstichters daarvan te zijn, voor altijd uit haar geheele koninkrijk te verbannen, inzonderheid de Vraatzucht, de Gierigheid en den Woeker, den Wellust en anderen; en dat zij zich van die ure af niet meer mochten laten zien op straffe van stellig ter dood te worden gebracht. Zoodra nu die [224]verordening overal in ’t openbaar aangeslagen en behoorlijk bekend gemaakt was, verhief zich allerwegen een ongeloofelijk gejubel onder het volk, en ieder, ik zelf niet uitgezonderd, vleide zich met de hoop, dat nu de gouden eeuw zou aanbreken.
Nieuwe klachten en nieuwe maatregelen.
5. Maar toen het na een korte wijle niet beter in de wereld toeging, kwamen er van alle zijden klachten, dat men met de uitvoering der verordening geen ernst maakte. Nadat opnieuw zitting gehouden was, stelde de koningin Zorgeloos en Kijk-niet-nauw aan als haar beide commissarissen, aan wie, om de zaak grooter gewicht bij te zetten, uit de koninklijke raadslieden de Gematigdheid toegevoegd werd. Zij ontvingen de opdracht nauwkeurig na te gaan, of die beruchte, verbannen lieden tegen den uitdrukkelijken inhoud der verordening in, nog in het land gebleven waren of zoo vermetel geweest waren terug te keeren. Daarop begaven zich de commissarissen op weg en kwamen na eenigen tijd met het bericht terug, dat zij wel eenige verdachte lieden aangetroffen hadden, maar dat deze beweerden niet de ballingen te zijn, niets met hen hadden uit te staan en bovendien geheel andere namen droegen. „De een,” verklaarden zij, „leek zeer veel op de Dronkenschap, maar scheen Aangeschoten of Vroolijkheid te heeten; de tweede, die op de Gierigheid leek, scheen Spaarzaamheid [225]te heeten, de derde, die het evenbeeld van den Woeker was, droeg den naam van Interest; de vierde zag er uit als de Wellust, doch noemde zich Liefde; de vijfde geleek de Hoovaardigheid en zou Waardigheid heeten; de zesde herinnerde aan de Wreedheid, doch men noemde haar Gestrengheid; de zevende, die het voorkomen van de Luiheid had, droeg den naam Goedaardigheid enzoovoort.”
De verordeningen worden uitgelegd.
6. Nadat men dit in den raad overwogen had, werd er thans afgekondigd, dat men de Vroolijkheid niet als Dronkenschap, de Spaarzaamheid niet als Gierigheid mocht toespreken enz., dat men derhalve de bedoelde personen in vrijheid moest stellen, daar de verordening niet hen gold. Nauwelijks was deze beslissing bekend gemaakt, of zij wandelden in vrijheid over den weg, en een schare van het gewone volk, die hen op den voet volgde, maakte kennis met hen en sloot zich bij hen aan. Ik richtte mijn blikken naar Salomo en zag, dat hij en de zijnen hun hoofd schudden; doch daar zij zwegen, hield ik mij eveneens stil; ik hoorde slechts, hoe een van hen een ander toefluisterde: „De namen (zoo zegt men) zijn verbannen, doch de verraders en verdervers kregen na hun naamsverwisseling vrijen toegang; hier zal niets goeds uit voortkomen.” [226]
De standen der wereld vragen verruiming hunner vrijheden.
7. Ondertusschen kwamen er afgezanten aan uit alle standen der wereld en verzochten om een audiëntie. Na toegelaten te zijn, droegen zij met vreemde gebaren namens alle trouwe onderdanen de nederige bede voor: „het mocht Hare Majesteit hun doorluchtigste koningin behagen, genadig te willen bedenken, hoe oprecht en gehoorzaam alle getrouwe standen tot nu toe den schepter harer heerschappij geëerbiedigd en voor haar koninklijke rechten, beslissingen en in het algemeen voor haar opperheerschappij onbezweken hadden pal gestaan, bij welke gezindheid zij ook voortaan wenschten te blijven volharden; zij naderden alleen haar troon met de ootmoedige bede, dat Hare Majesteit hun als belooning voor de steeds betoonde aanhankelijkheid en als aanmoediging tot verdere onwankelbare trouw, eenige vermeerdering hunner voorrechten en verruiming hunner vrijheden zou willen toestaan (zooals het Hare Majesteit in haar verheven beleid mocht behagen); en zij beloofden, dat zij hun dankbaarheid voor deze weldaad door een bestendige gehoorzaamheid naar behooren zouden bewijzen.” Na deze woorden bogen ze tot aan den grond en weken van den troon terug. Ik wreef mij verwonderd de oogen uit en zeide bij mij zelf: „wat zal dit opleveren? Heeft de wereld nog geen vrijheden genoeg, dat zij er nog meer wenscht te bezitten? Een breidel hebt gij noodig, een breidel [227]en een zweep en een dosis helleborus!”1. Doch ik sprak deze gedachte niet luide uit, daar ik mij voorgenomen had, geen woord te zeggen. In de tegenwoordigheid van die wijze en vergrijsde mannen, die op deze dingen ook acht gaven, zou het mij zelfs niet betaamd hebben, het woord te nemen.
Het uitdeelen van nieuwe voorrechten.
8. Nu kwam men andermaal ter beraadslaging bijeen en eindelijk liet de koningin na lang wikken en wegen bekend maken, dat het steeds haar streven geweest was, het koninkrijk tot ontwikkeling en bloei te brengen en dat zij daartoe uit eigen beweging steeds neiging had gehad; dat zij ook nu, na de bede harer trouwe en beminde onderdanen gehoord te hebben, deze niet onvervuld wenschte te laten. Daarom had zij besloten om aan de titels van alle standen nieuwen luister bij te zetten, opdat hun overvloediger eerbetoon zou ten deel vallen en zij zich daardoor duidelijker en op eervoller wijze van elkander zouden kunnen onderscheiden. Derhalve verordende en beval zij, dat de handwerkslieden zich voortaan in geschrifte „hooggeëerd” zouden noemen, de studenten „verlicht” en „hooggeleerd,” de magisters en doctoren „hoogachtbaar,” de geestelijken „eerwaardig, hoogwaardig” en [228]alle eerwaarde bisschoppen „hoogeerwaardig2,” de rijkeren onder de burgers „edelgeboren,” de landedellieden „edelgeboren en dappere ridders,” de heeren „tweemaal heeren3,” de graven „hoogedelgeboren heeren en heeren,” de vorsten „grootmachtig” en de koningen „doorluchtigste en onoverwinnelijke.” Opdat aan deze verordening nog krachtiger de hand zou gehouden worden, beval de koningin, dat niemand verplicht zou zijn een brief aan te nemen, indien iets van zijn titel was weggelaten of deze in het algemeen niet juist geschreven was. Hierop betuigden de afgevaardigden hun dank en verwijderden zich. Ik dacht echter bij mijzelf: „de schitterende buit, dien gij meent behaald te hebben, bestaat slechts uit een paar pennekrassen op een blad papier.”
De smeekbeden der armen.
9. Nu kwamen ook de armen met een smeekbede voor den dag, waarin zij over de groote ongelijkheid klaagden, die in alle standen heerschte, daar anderen in overvloed leefden, terwijl zij gebrek leden. Zij verzochten dit verschil eenigermate te vereffenen. Na rijpe overweging deed men hun [229]weten, dat Hare Majesteit de koningin weliswaar al haar onderdanen zooveel gemak en geriefelijkheid gunde, als zij zelf begeerden, doch dat de eer van het koninkrijk eischte, dat de een den ander in aanzien overtrof. Daarom kon het in verband met de eenmaal vastgestelde wereldorde niet anders, dan dat Fortuna haar burcht even goed bevolkt moest hebben, als Industria haar werkplaatsen. Doch dit werd ieder toegestaan, dat hij langs alle hem bekende wegen zich door onverdroten ijver uit zijn armoede omhoog mocht werken.
De smeekbeden der arbeidzamen.
10. Toen het antwoord, dat hun, die deze smeekbede hadden voorgedragen, gegeven was, algemeen bekend werd, verschenen aldra anderen, om een bede namens de nijvere werkers voor te dragen. Deze hield den wensch in, dat zij, die hun tijd niet verluierden, voortaan geen zorg behoefden te hebben, of zij wel met zekerheid het doel van hun ingespannen arbeid zouden bereiken, in welken staat des levens zij ook verkeerden en met welke voornemens zij ook bezield mochten zijn, en dat niets meer aan het blinde toeval zou worden overgelaten. Dit verzoek werd het voorwerp van een zeer lange beraadslaging; waaruit ik opmaakte, dat het een moeilijk geval moest zijn. Ten laatste werd echter bekend gemaakt, dat, ofschoon de macht en het bewind, die nu eenmaal aan mevrouw Fortuna en haar—men wist ten minste niet anders—trouwen dienaar Toeval waren toevertrouwd, en hun niet uit de [230]handen konden worden genomen, er toch rekening met het geuite verlangen zou worden gehouden en hun zou worden opgedragen, zooveel het maar aanging, meer aandacht te wijden aan de vlijtige werkers dan aan de onverschillige; zij konden zich hiernaar in de toekomst wel richten. Zoo gingen dan ook dezen heen.
De smeekbeden der geleerden en der beroemdheden.
11. Onmiddellijk daarop kwamen de afgezanten van eenige bijzondere mannen: Theophrastus4 en Aristoteles; zij vroegen om twee dingen. In de eerste plaats, dat de ongevallen waaraan anderen onderworpen waren, hen niet mochten treffen. In de tweede plaats, dat zij, daar ze door Gods goedheid met een bijzonder vernuft, groote geleerdheid, rijkdom en andere goederen boven alle anderen in de wereld onderscheiden waren en het sterven van zulke menschen een groot verlies voor de gemeenschap zou beteekenen, zoo mogelijk het voorrecht der onsterfelijkheid boven de groote massa zouden verkrijgen. Op de eerste bede werd hun na ampele overweging het bescheid gegeven, dat hun verlangens gerechtvaardigd waren; men stond hun daarom toe zich, zoo goed zij konden, tegen ongevallen te vrijwaren, de geleerden door middel van hun kennis, de voorzichtigen door hun bedachtzaamheid, [231]de machtigen door hun macht, de rijken door hun rijkdommen. In verband met de tweede bede beval koningin Wijsheid onmiddellijk alle alchymisten van den eersten rang bijeen te roepen, opdat zij met allen ijver het middel zouden trachten op te sporen, waardoor de onsterfelijkheid kon worden verkregen. Zij, die dit bevel ontvingen, verwijderden zich daarna. Maar toen na lang wachten nog niemand teruggekeerd was en de gezanten op een antwoord bleven aandringen, ontvingen zij pro interum5 het bescheid, dat het ook de wensch van Hare Majesteit de koningin was, dat zulke uitstekende mannen niet evenals de anderen zouden ondergaan; maar dat zij voor het oogenblik niet wist, langs welken weg dit doel te bereiken. Zij verleende hun evenwel al vast het voorrecht, zich na hun afsterven zoo lang mogelijk onder de levenden op te houden, daarentegen moesten de andere, meer eenvoudige menschen onmiddellijk na hun dood begraven worden; en terwijl de laatsten dan alleen onder de groene zoden zouden rusten, moest men het graf der eerstgenoemden met een steen bedekken. Bovendien zouden zij het recht bezitten, nog andere middelen op te sporen, die geschikt waren hen boven het gepeupel te verheffen.
De smeekbeden der overheden.
12. Zoodra zich deze afgezanten verwijderd hadden, kwamen anderen, die in naam der overheden [232]de bezwaren van hun stand schetsten en om verlichting vroegen. Men vergunde hun, wat uit te rusten en de aangelegenheden van hun ambt door plaatsbekleeders en ambtenaren te doen waarnemen; zij waren daarmee wel tevreden, betuigden hun dank en gingen heen.
De smeekbeden der onderdanen.
13. Niet lang daarna verschenen de afgezanten van de onderdanen, boeren en handwerkslieden en dienden de klacht in, dat zij, die over hen gesteld waren, liefst hun zweet wenschten te drinken; immers zij lieten hen zoo voortdrijven en opjagen, dat het bloedige zweet hun langs het lichaam gutste. Die de heeren daartoe aanstelden, speelden een nog wreeder spel, opdat ook zij voor zich zelf daardoor eenig voordeel zouden verkrijgen. En als bewijs toonden zij dadelijk bij hen, die zij ter onderzoek meegenomen hadden, een menigte eeltplekken, litteekens, schrammen en versche wonden en smeekten om genade. Het scheen wel zonneklaar, dat hier onrecht geschiedde en dat daaraan zoo spoedig mogelijk een eind moest komen.—Doch nu men juist de overheden had veroorloofd, door tusschenkomst hunner dienaren te regeeren6, [233]was het duidelijk, dat deze laatsten de schuld droegen en daarom voor het gerecht gedaagd moesten worden. Daarom verzond men onverwijld aan alle koninklijke, vorstelijke en heerlijke raadsheeren, stadhouders, ambtenaren, rentmeesters, ontvangers van belastingen, schrijvers, rechters en anderen dagvaardingen, dat zij zich zonder eenige uitvlucht ter beschikking van het gerecht moesten stellen. Aan dezen last werd onmiddellijk gevolg gegeven. Allen verschenen en stelden tegenover één klacht der onderdanen er tien van hunne zijde. Zij voerden vele, onderscheidene grieven aan over de luiheid hunner ondergeschikten, hun ongehoorzaamheid en wederspannigheid, hun hoogmoed en de bandeloosheid, die zij op allerlei wijze toonden, zoodra men slechts een weinig de teugels vierde, en wat dies meer zij.
Toen het verhoor gesloten was, werd de zaak andermaal rijpelijk in den raad overwogen en aan de onderdanen daarna als eindoordeel aangezegd, dat, wijl zij de liefde en gunst van hun meerderen niet genoegzaam wenschten of wisten te waardeeren, zij zich aan hun gestreng optreden moesten gewennen, omdat het nu eenmaal in de wereld zóó moet zijn, dat sommigen moeten heerschen en anderen dienen. Niettemin wilde men hun, wanneer zij in staat [234]bleken door bereidwilligheid, inschikkelijkheid, en ware gehechtheid de gunst der opzieners en ambtenaren te verwerven, geen stroobreed in den weg leggen, om zich daarover te verheugen.
Bezwaren der staatslieden en rechters; zij ontvangen een richtsnoer: ratio status7.
14. Nadat men hen had laten gaan, bleven nog over de staatslieden (de koninklijke en heerlijke raadsheeren, de doctoren in de rechtsgeleerdheid, de advocaten, rechters enzoovoort), die hun beklag deden over de onvolmaaktheid der geschreven wetten, tengevolge waarvan niet alle twisten, die onder de menschen ontstonden, konden worden beslecht, hoewel de wet reeds in honderdduizend gevallen voorzag. Daardoor geschiedde het, dat zij òf niet in staat waren een volmaakte orde onder de menschen te handhaven, òf, indien zij uit zich zelven aan de wet iets toevoegden, met het doel ze uit te leggen of het geschil te vereffenen, het onverstandige volk dit beschouwde als een schennis van het recht en een verdraaien van hun rechtszaak. Dientengevolge groeide de misnoegdheid over hen evenals de algemeene oneenigheid nog meer aan. Daarom vroegen zij òf een voorschrift, hoe zij moesten handelen òf bescherming tegen de vooroordeelen der menschen. Men sprak nu den wensch uit, dat zij zich zouden verwijderen en [235]ging over tot de behandeling der zaak; maar het zou te ver voeren al de meeningen hier te vermelden, die door de koninklijke raadslieden uitgesproken werden. Daarom wil ik alleen iets van de beslissing vertellen, die aan de juristen bekend gemaakt werd, nadat zij opnieuw geroepen waren om voor te komen. Zij kwam hierop neer, dat Hare Majesteit de koningin den weg niet wist, waar langs nieuwe wetten, die op alle mogelijke gevallen van toepassing zouden zijn, ontworpen konden worden, en dat daarom de vroegere wetten en gewoonten van kracht moesten blijven. Alleen beval Hare Majesteit hun genadiglijk als regel en richtsnoer aan, dat zij bij het uitleggen der wetten, zoowel als bij het doen hunner uitspraken, in overeenstemming daarmee, hun eigen of het algemeene welzijn goed in het oog zouden vatten. Deze regel moest Ratio status genoemd worden; met behulp daarvan zouden zij in staat zijn zich als met een schild tegen de lasterlijke aantijgingen van het gemeen te dekken, en altijd maar kunnen volhouden, dat de tegenwoordige omstandigheden (die immers niet ieder begrijpt) nu eenmaal eischen, dat dit of dat zóó zijn moet. De juristen aanvaardden dezen nieuwen regel, beloofden zich daarnaar te richten en gingen huns weegs.
Klachten der vrouwen over de mannen en der mannen over de vrouwen.
15. Het duurde maar kort, of de vrouwen kwamen met de klacht, dat zij als slavinnen onder de macht der mannen moesten leven. Dadelijk daarop verschenen [236]er mannen, die bitter klaagden over de ongehoorzaamheid der vrouwen. Nu kwamen de koningin en haar raadslieden terstond eenmaal en andermaal ter beraadslaging bijeen en eindelijk werd door de kanselares de volgende uitspraak bekend gemaakt: „Daar de natuur aan de mannen den voorrang boven de vrouwen heeft toegekend, moet het daarbij blijven, evenwel niet zonder de volgende belangrijke beperkingen: ten eerste, wijl de vrouwen immers de helft van het menschelijk geslacht uitmaken, zullen de mannen niets doen zonder hun raad vooraf in te winnen. Daar in de tweede plaats de natuur niet zelden haar gaven in rijkere mate over de vrouwen dan over de mannen uitstort, zal voortaan zulk een vrouw, die in verstand en kracht haar man overtreft, een manwijf heeten en de man haar den voorrang niet mogen betwisten.” Zoo luidde de eerste uitspraak, maar de mannen noch de vrouwen waren daarmee tevreden. De vrouwen wilden met alle geweld, dat de mannen het bewind met hen zouden deelen, zoodat beiden het afwisselend zouden voeren; en wel zoo, dat het op bepaalde tijden van den een op den ander zou overgaan en dat nu eens de man dan weer de vrouw de teugels ter hand zou nemen. Er werden zelfs eenigen gevonden, die niets minder wenschten, dan dat de vrouwen alleen zouden heerschen, waartoe zij op haar grootere vlugheid van lichaam en geest wezen, en meenden, dat het nu, nadat de mannen zoovele duizenden jaren den voorrang hadden gehad, tijd werd, plaats voor haar te maken. Voor enkele [237]jaren had men hiervan immers in Engeland een nobel voorbeeld gezien, waar onder de regeering van koningin Elisabeth de mannen te harer eere hun vrouwen aan hun rechter zijde lieten gaan; een prijzenswaardige gewoonte, die heden nog bestaat. Daar alzoo Hare Majesteit Wijsheid, de koningin der wereld, en al haar vrouwelijke raadslieden door God in hare sekse geschapen en met gezag over de wereld bekleed zijn, scheen het niet meer dan billijk (Regis ad exemplum totus componi orbis)8, dat het bestuur in huis en gemeente op denzelfden voet als in de wereld werd ingericht. Met deze woorden dachten zij koningin Wijsheid gemakkelijk tot hun eigen zienswijze over te halen. Maar om het pleit niet door hun stilzwijgen te verliezen, verweerden zich de mannen hier tegen, door te verklaren, dat God, hoewel Hij de heerschappij aan koningin Wijsheid had toevertrouwd, toch zelf het opperbestuur, in zijn ganschen omvang en voor alle tijden, voornamelijk in zijn eigen hand houdt; daarom willen zij Hem daarin navolgen, enzoovoort.
Een vergelijk tusschen mannen en vrouwen.
16. Daarop hadden opnieuw allerlei beraadslagingen plaats; zoo kon ik wel begrijpen, dat een zoo moeilijk geval niet alle dagen voorkwam. [238]Ofschoon wij allen op de eindbeslissing wachtten, kwamen wij haar niet te hooren; want de Voorzichtigheid en Vriendelijkheid hadden opdracht gekregen, met elk van beide partijen afzonderlijk, geheime onderhandelingen aan te knoopen. Zij namen de hangende kwestie in studie en vonden ten slotte deze bemiddelingsformule: dat de mannen ter wille van den lieven vrede en de eendracht stilzwijgend aan de vrouwen den voorrang ten minste binnenshuis zouden laten en haar raad volgen; dat de vrouwen echter met deze tegemoetkomingen genoegen zouden nemen en voor de buitenwereld zich aan de mannen onderdanig zouden betoonen. Immers zoo zou het uitwendig ten slotte geheel bij het oude kunnen blijven en toch het bewind der vrouwen heel wat versterkt zijn. Want in het tegengestelde geval zou het groote geheim van het algemeen bestuur, dat de mannen de gemeente, de gemeente de vrouwen en de vrouwen weer de mannen regeeren, openbaar worden; daartoe, verzocht de koningin, zouden beide partijen het niet laten komen. Dit werd door beide partijen dan ook aangenomen. Iemand van Salomo’s gevolg, die dit alles mede aangehoord had, sprak: „Een vrouw, die haar man eert, wordt voor wijs gehouden”;9 en een tweede voegde daaraan toe: „De man is het hoofd der vrouw, zooals ook Christus het hoofd der gemeente is”10. [239]Maar het bleef toch bij dit vriendschappelijk vergelijk en de mannen zoowel als de vrouwen begaven zich naar huis.
1 De helleborus niger of kerstroos werd voor eenige eeuwen in de geneeskunde veel gebruikt tegen opwinding van het zenuwstelsel. ↑
3 De gewoonte om een titel dubbel te schrijven als bewijs van eerbied—thans nog af en toe voorkomende in Bohemen—was algemeen in Comenius’ dagen; een voorbeeld bevat de opdracht van dit boek aan Karel, heer van Žerotin. ↑
6 Comenius doelt hier op de rentmeesters en andere ambtenaren, die de Tsjechische edellieden aanstelden om op de groote landgoederen over de boeren te heerschen. Dit bestuur ontaardde gewoonlijk in knevelarij. Toen na 1621 de Tsjechische adel door het huis Habsburg verdreven of uitgemoord [233]was, maakte de nieuwe Oostenrijksche of Spaansche adel, wien het land geschonken of voor een geringe som verkocht was, het vooral niet beter. De herinnering aan de gruwelijke heerendiensten, die tot ver in de 19e eeuw bleven bestaan, is nog zeer levendig onder het Tsjechische volk. ↑
Prediker 12 : 15. Salomo rukt de wereldsche wijsheid het masker af
Toen kon Salomo, die tot dit oogenblik, op zijn stoel gezeten, zwijgend had toegezien, zich niet langer inhouden en riep met luider stemme: „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid! Kan, hetgeen krom is, niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, niet geteld worden?” En zich met heel zijn gevolg van zijn zetel verheffende, schreed hij onder groote opschudding op den troon der koningin toe (zonder dat de wilde Fama en de lijfwacht aan beide zijden het konden verhinderen, want zij waren evenals de koningin zelve en haar raadslieden door zijn stem en luister als verdoofd.) Hierop strekte hij zijn arm naar haar uit en nam haar den sluier van het gelaat, waarbij het bleek, dat deze, die te voren zoo kostbaar en prachtig scheen, uit niets dan spinrag bestond. En zie, in werkelijkheid was haar gelaat bleek en opgezwollen; wel was er iets van een blos op haar wangen, maar dat was blanketsel; en dit kon men duidelijk zien, omdat het op sommige plekken had losgelaten; [240]de handen zagen er eveneens uit, als waren ze met schurft bedekt; het geheele lichaam wekte afkeer op en haar adem was kwalijk riekend. Hierover waren ik en alle anderen, die daar aanwezig waren, ontzet, zoodat wij daar als versteend op onze plaats stonden.
en ook haar raadslieden. Pred. 12, 14.
2. Nu wendde Salomo zich tot de raadslieden van de gewaande koningin en rukte ook haar de maskers af. „Ik zie,” sprak hij, „dat in plaats van gerechtigheid onrecht heerscht en in plaats van heiligheid gruwel. Uw waakzaamheid is wantrouwen, uw voorzichtigheid list, uw vriendelijkheid vleierij, uw waarheid niets dan schijn, uw ijver is verwoedheid, uw dapperheid vermetelheid, uw liefde wellust, uw arbeidzaamheid slavernij, uw scherpzinnigheid slechts gissing, uw vroomheid huichelarij. En is het uw taak, in plaats van den Almachtigen God, de wereld te regeeren? Waarlijk, God zal al uw daden richten en al wat in het geheim geschiedt, hetzij goed hetzij kwaad. Ik zal echter heengaan en de geheele wereld verkondigen, dat zij zich niet langer mag laten misleiden en bedriegen.”
Hij verkondigt de geheele wereld, dat alles ijdelheid is.
3. En hij wendde zich toornig van haar af en verliet met zijn gevolg het paleis. Doch toen hij [241]op de straten begon te roepen: „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid,” verzamelden zich uit alle landen menschen van alle natiën en tongen, koningen en koninginnen uit verre landstreken om hen heen; en hij stortte den stroom zijner welsprekendheid over hen uit en onderrichtte hen. Want zijn woorden waren scherp als in het vleesch gedreven prikkelen en nagelen1.
Men beraadslaagt, hoe hem door list te verschalken.
4. Ik was hem echter niet gevolgd, doch met mijn gidsen, die nog geheel van streek waren, op dezelfde plaats in het paleis blijven staan en zag toe, wat hier nu verder geschiedde. Zoodra de koningin zich namelijk een weinig van haar verdooving hersteld had, begon zij met haar raadslieden te overleggen, wat haar nu te doen stond. De IJver, Oprechtheid en Dapperheid rieden aan, dat de geheele macht van het koninkrijk verzameld en hem nagezonden zou worden om hem gevangen te nemen. De Voorzichtigheid was daarentegen van meening, dat men met geweld niets tegen hem zou kunnen uitrichten; want niet alleen was Salomo zelf ook machtig, maar hij had tevens bijna de geheele wereld op zijn zijde (zooals de boodschappers berichtten, die de een na den ander met nieuws, omtrent hetgeen zich nu afspeelde, terugkeerden). Men zou hem liever de Vriendelijkheid [242]en de Vleierij nazenden en deze beiden zouden, na uit den burcht van Fortuna nog de Wellustigheid aan zich te hebben toegevoegd, hem op den voet moeten volgen; zij moesten hem overal, waar hij zich bevond, trachten te verstrikken in het net der vleierij en hem de schoonheid, den roem en liefelijkheid van dit koninkrijk voorhouden en aanprijzen; op deze wijze ware het misschien mogelijk, hem te vangen; een anderen weg kende zij beslist niet. Haar plan vond instemming en deze drie ontvingen opdracht, het dadelijk ten uitvoer te brengen.
De mond van Salomo vloeit over van wijsheid.
1. Dit hoorende, gaf ik mijn gidsen te kennen, dat ik nu gaarne wilde zien, wat er verder zou geschieden. Overalbij willigde mijn verzoek dadelijk in en ook de andere gids had geen bezwaar. Wij troffen Salomo en zijn aanhang in de straat der geleerden, juist toen hij daar onder algemeene bewondering over de natuur van het plantenrijk sprak, van den cederboom af, die op den Libanon groeit, tot de hysop, die aan den wand uitwast1; over viervoetige dieren, vogels, kruipende dieren en visschen; over [243]de substantie der aarde, de macht der elementen, de constellaties aan den hemel en de overdenkingen der menschen. Uit alle natiën stroomde men toe om naar de woorden zijner wijsheid te luisteren. Toen hem dientengevolge al te kwistig lof werd toegezwaaid, begon hij zichzelf te behagen; en dit was nog sterker het geval, toen de Vriendelijkheid en de Vleierij voorzichtig op hem toe slopen en zijn lof voor de ooren aller menschen begonnen uit te bazuinen.
Salomo vindt de technische kunsten uit.
2. Toen stond Salomo op om ook de andere deelen der wereld in oogenschouw te nemen. Zoo kwam hij bij de handwerkslieden, zag toe, op hoe verschillende wijze zij hun kunst beoefenden en verlustigde zich daarin. Hierop dacht hij ook zelf, met zijn zeldzaam vernuft, buitengewone dingen voor hen uit, zooals den kunstigen aanleg van tuinen, boomkweekerijen, vischvijvers, leerde hun huizen en steden bouwen en het kweeken van velerlei dingen, waarin de kinderen der menschen vermaak scheppen.
Hij laat zich door de Wellustigheid verstrikken.
3. Toen Salomo tenslotte de straat insloeg, waarin de stand der echtelieden woonde, voerde hem de sluwe Wellustigheid de schoonste jonkvrouwen, in haar fraaisten opschik, onder de klanken van allerlei zoetklinkende muziek tegemoet. Zij droeg eenigen van de voortreffelijkste op, den koning plechtig [244]welkom te heeten en begroette hem zelf als het licht van het menschelijk geslacht, de kroon der Israëlietische natie, het sieraad der wereld; en zooals de stand der geleerden en der handwerkslieden door den luister zijner aanwezigheid niet weinig aan verlichting en inzicht gewonnen hadden, zoo verwachtte nu ook de echtelijke stand, dat hij door zijn roemrijke aanwezigheid een hoogere vlucht zou nemen. Salomo dankte hoffelijk en maakte zijn voornemen bekend, dezen stand te eeren, door zich zelf er in te doen opnemen; daarop koos hij uit de schare jonkvrouwen die, welke hem het beste beviel—men noemde haar de dochter van Pharaoh—liet zich met haar wegen en aan haar vastklinken2 en werd, zoodra hij haar tot vrouw verkregen had, zóó door haar schoonheid en lieftalligheid getroffen, dat hij geheel in haar opging en liever met haar koutte, dan dat hij wijsheid zocht. Hij liet zelfs (dit zou ik nooit van hem gedacht hebben) zijn oogen gaan over de schaar van dartele meisjes, die hem de sluwe Wellustigheid in steeds grooteren getale voor oogen voerde en liet, meegesleept door haar schoonheid en bevalligheid, nu deze, dan gene, die hem onder de oogen kwam en hem voortreffelijk toeleek, tot zich roepen, zelfs zonder zich met haar te doen wegen2. Zoo zag hij in korten tijd zevenhonderd vrouwen om zich heen en buitendien bezat hij er nog driehonderd, die niet met hem getrouwd waren; want hij stelde er roem in, ook in deze dingen allen, die [245]voor hem geweest waren en na hem zouden komen, te overtreffen. En nu was er verder al niets meer te zien dan enkel ijdel minnespel, waarover zijn eigen volgelingen zich begonnen te bedroeven en te beangstigen.
Hij gaat vervolgens in den stand der geestelijken geheel ten onder.
4. Toen hij nu deze straat was doorgegaan, begaf hij zich met zijn stoet verder en kwam in de straat der geestelijken. En waarheen de rampzalige gezellinnen, die aan hem vastgeketend waren, hem trokken, liet hij zich meevoeren tusschen allerlei beesten en kruipend gedierte, draken en giftig ongedierte3; en hij begon daarin een treurig vermaak te scheppen.
Salomo’s metgezellen ontsteken tegen hem in toorn.
Toen nu de aanzienlijksten uit het gevolg, Mozes, Elia, Jesaja en Jeremia den wijzen man aldus bedrogen zagen, begonnen zij in vurigen ijver tegen hem te ontbranden: zij riepen hemel en aarde als getuigen aan, dat zij aan deze gruwelen geen [246]deel hadden en waarschuwden ook al hun metgezellen voor zulke ijdelheden en dwaasheden. Toen evenwel niet weinigen desniettemin Salomo’s voorbeeld volgden, ontstaken zij nog meer in ijver en verhieven hun donderende stem tegen het kwade; inzonderheid Jesaja, Jeremia, Baruch, Stephanus, Paulus en anderen. Mozes gelastte den zijnen, zich het zwaard aan te gorden; Elia gebood, dat vuur van den hemel zou nederdalen; Hiskia, dat alle afgodsbeelden in stukken zouden worden geworpen.
Zij schenken aan vleierij en inblazingen geen aandacht.
2. Toen de Vriendelijkheid, de Vleierij en de Wellust, die uitgezonden waren om Salomo te verleiden, dit bemerkten, voegden zij eenige philosofen, den mammon en nog anderen, aan hun drietal toe en wendden zich vervolgens tot de ijveraars, die zij vermaanden tot bezinning te komen en zich te matigen; wanneer Salomo, de wijste der menschen, zijn verstand had onderworpen en zich, zooals ieder zien kon, naar de heerschende wereldorde geschikt had, waarom zouden zij dan juist een uitzondering maken en het beter willen weten? Maar zij vonden geen gehoor; hoe meer zij gewaar werden, dat het voorbeeld van Salomo velen verleidde en verblindde, in des te heftiger ijver ontbrandden zij, des te gejaagder liepen zij heen en weer, al roepend en hun stem verheffend, en deze zaak verwekte groote opschudding. [247]
De gewapende macht wordt tegen hen in ’t veld geroepen.
3. Want de koningin, die door haar getrouwen van het voorgevallene nauwkeurig onderricht was, zond lastbrieven rond in het geheele land, waarin zij de gewapende macht opriep. Zij benoemde het Geweld, den bevelhebber van haar lijfwacht1 tot generaal en gelastte hem, de rustverstoorders gevangen te nemen en hen te straffen als een voorbeeld voor allen. Men blies derhalve alarm en een groote, strijdvaardige menigte stroomde samen, niet alleen uit den soldatenstand, maar ook overheidspersonen, ambtenaren, rechters, handwerkslieden, philosofen, artsen, rechtsgeleerden en zelfs priesters, ja zelfs vrouwen in zeer verschillende kleederdracht en krijgsuitrusting. Want men zeide, dat tegen zulke onruststokers, die tegen de geheele wereld openlijk in verzet kwamen, ieder, hetzij jong of oud, te hulp moest komen. Toen ik zag, hoe de legerscharen kwamen aangolven, vroeg ik beangst aan mijn gidsen, wat er nu geschieden zou? De tolk antwoordde: „Nu zult gij zien, hoe het hun vergaat, die met hun betweterijen samenrottingen en oproer in de wereld veroorzaken.”
De slag, gevangenneming, doodslag, de vuurdood en andere martelingen.
4. Toen stortten deze lieden zich nu op den een, dan weer op een ander, een derde of een vierde [248]en sloegen, staken, hieuwen ze neer of grepen ze, bonden ze en voerden ze naar de gevangenis, al naar de woede, waarmede zij tegen ieder afzonderlijk bezield waren. Het was een wonder, dat mijn hart van medelijden niet brak; en toch, ofschoon verschrikt door zulk een wreedheid en over mijn geheele lichaam sidderend, durfde ik geen kik geven. Ik zag, dat sommigen van hen, die neergesmakt en gevangen genomen waren, de handen vouwden en voor hun daden vergiffenis afsmeekten, terwijl anderen des te hardnekkiger aan hun overtuiging vasthielden, naar mate men hen gruwelijker behandelde. Daarom werden er ook eenigen voor mijn oogen in het vuur geworpen, anderen verdronken, nog anderen opgehangen, onthoofd, aan het kruis geslagen, met tangen uiteengescheurd, in stukken gezaagd, gespietst, gevierendeeld, op roosters gebraden. Ik kan werkelijk al de gruwelijke wijzen van terechtstelling, die deze menschen ondergingen, niet eens opnoemen; en daarover juichten en jubelden de scharen der wereldlingen.
De pelgrim ontvliedt de wereld.
Daar ik niet in staat was, dezen aanblik langer te verdragen en de smarten van mijn hart te verduren, ontvlood ik, om mij ergens in een woestenij terug te trekken, of nog liever, als het mogelijk ware, [249]de wereld voor altijd te verlaten. Mijn gidsen evenwel zetten mij na, haalden mij in en vroegen mij, waarheen ik van plan was te gaan. Ik antwoordde met geen enkel woord, daar ik hen door mijn stilzwijgen wenschte af te schepen. Toen zij mij echter niet wilden loslaten en nog onstuimiger op mij aandrongen, zeide ik: „Ik zie wel, dat het in de wereld nooit beter zal worden! Wee mij, alle hoop heb ik verloren!”—„Komt gij nog niet tot andere gedachten,” voegden zij mij toe, „nu gij als afschrikwekkend voorbeeld het lot gezien hebt, dat zulke betweters wacht?”—„Ik wil,” antwoordde ik, „liever duizend dooden sterven, dan daar te leven, waar zulke gruwelen plaats vinden en al dat onrecht en bedrog, die leugen, verleiding en wreedheid mede aanzien. Daarom is mij de dood ook liever dan het leven; ik ga nu het lot der dooden beschouwen, welke daar uitgedragen worden.”
De Verblinding verdwijnt.
2. Overalbij willigde terstond mijn verzoek in, zeggende, dat het goed was, dat ik ook dit zou zien en zulke dingen begrijpen zou; doch de Verblinding ried het mij af en verzette er zich sterk tegen. Ik lette echter niet meer op haar, rukte mij los en ging heen; zij echter bleef daar en liet mij gaan. [250]
De pelgrim beschouwt de stervenden en de dooden. De bodemlooze afgrond aan gene zijde der wereld.
3. Om mij heen ziende, trok de wijze, waarop de stervenden, van wie er daar overal een vrij groot aantal waren, den laatsten adem uitbliezen, mijn aandacht. Het was een treurig gezicht, hoe zij allen angstig en weeklagend, vreezend en sidderend den geest gaven, niet wetende, wat er met hen verder zou geschieden en waar zij zouden terecht komen. Ofschoon ik wel vreeselijk schrok, schreed ik toch, gehoor gevende aan den drang om de dingen grondig uit te vorschen, tusschen de baren door, die in lange rijen opgesteld waren, tot ik aan het einde der wereld kwam, waar de duisternis begint. Hier, waar anderen met gesloten oogen in den blinde hun dooden uitwierpen, rukte ik de bril der verblinding af, wreef mij de oogen uit, en boog, zoover als mij mogelijk was, naar voren. Nu werd ik slechts vreeselijke duisternis gewaar, waarvan de eindeloosheid en bodemloosheid het menschelijk begrip te boven gaan, en in die duisternis niets dan wormen, kikvorschen, slangen, schorpioenen, ontbinding en stank, de lucht van zwavel en pik, die lichaam en ziel met haar bederf doordrong, kortom onuitsprekelijke verschrikkingen.
De pelgrim bezwijkt van vrees.
4. Onder den indruk van dit alles verstijfden mijn ingewanden binnen in mij, ik beefde over al [251]mijn leden, en viel, bezwijmd van schrik, ter aarde. „O, allerbeklagenswaardigste, ellendige, rampzalige schepselen!” riep ik uit, „is dit het roemrijke lot, dat u ten laatste wacht, het besluit uwer vele schitterende daden, het doel uwer kundigheden, waarop gij zoo opgeblazen stoftet, de eindpaal uwer veelvuldige wijsheid? Is dit de vrede en rust, waarnaar gij uitzaagt, na zoo tallooze moeiten en plagen? Is dit de onsterfelijkheid, waarop gij altijd gehoopt hebt? O, ware ik toch nimmer geboren, nooit door de poort des levens gegaan, als na alle ijdele wereldsche zorgen slechts duisternis en verschrikking mijn deel zal zijn! O, God, God, God, God, als gij waarlijk God zijt, erbarm u over mij, ellendige!” [252]
Het begin der bekeering is het werk Gods.
Ik had nauwelijks opgehouden te spreken, en sidderde nog van schrik over al mijn leden, toen ik opeens een doffe stem achter mij hoorde spreken: „Keer weder!” Ik hief mijn hoofd een weinig op en wilde zien, wie mij geroepen had en waarheen ik mij zou hebben te wenden; doch ik zag niemand, zelfs niet mijn gids Alweter; want ook deze had mij reeds verlaten.
2. En hoor, daar klonk die stem opnieuw: „Keer weder!” Daar ik echter niet wist, waarheen ik terugkeeren of hoe ik mij uit mijn onmacht herstellen zou, werd ik bedroefd. Maar hoor, daar riep de stem voor de derde maal: „Keer weder, vanwaar gij zijt uitgegaan, in het huis van uw hart en sluit de deur achter u toe!” [253]
Vervolgens eischt zij ook onze ijverige medewerking.
3. Aan dezen raad gaf ik gehoor, zoo goed als ik hem verstond; en ik handelde goed daarin, dat ik Gods stem gehoor gaf! Doch dit was reeds een genadegift van Hem. Ik verzamelde daarom, zoo goed ik kon, mijn gedachten, sloot oogen, ooren, mond, neusgaten en alle overige toegangswegen tot de buitenwereld en keerde in tot mijn hart; maar zie, daar was het duister. Toen ik evenwel met de oogen knippend een weinig rondzag, bemerkte ik bij het schijnsel van een zwakke lichtstraal, die door eenige reten naar binnen viel, boven in de welving van mijn kamertje een eigenaardig groot, rond glasvenster, dat evenwel zoo verontreinigd en bezoedeld was, dat het nauwelijks eenig licht doorliet.
Beschrijving der verdorven natuur.
4. Toen ik hierop bij dit sombere, zwakke schijnsel naar alle zijden rondkeek, zag ik aan de wanden eenige kleine geschilderde portretten hangen, die eenmaal, naar het scheen, door een meesterhand vervaardigd waren, maar waarvan thans de kleuren verbleekt waren. Van de personen, die ze voorstelden, waren sommige ledematen afgehouwen of afgebroken. Een weinig naderbij tredend las ik de opschriften: Voorzichtigheid, Deemoed, Gerechtigheid, Kuischheid, Matigheid, [254]enzoovoort. Midden in het vertrek lagen op een hoop door elkaar geworpen, gebroken en verbrijzelde ladders, gespleten hijschblokken en gebroken touwen als een warwinkel door elkaar; vervolgens een paar groote vleugels, waaruit de veeren getrokken waren; eindelijk uurwerkraderen met gebroken of verbogen assen, tanden en stijltjes, alles in de grootste wanorde.
Zij kan door menschelijke wetenschap niet verbeterd worden.
5. Verwonderd vroeg ik mij af, waartoe al deze werktuigen dienden, hoe en door wien zij zoo beschadigd mochten zijn en hoe zij nu weer in orde waren te brengen. Hoe ik ook zag en dacht, ik kon de oorzaak niet vinden; maar de hoop rees in mij, dat Hij, die door zijn roepstem mij in dit vertrek geleid had, waar Hij zich ook mocht bevinden, mij weder zou toespreken en mij in al het verdere onderrichten. Want in datgene, waarvan ik hier den aanvang zag, kreeg ik een welgevallen, niet alleen omdat het in deze kamer niet zoo kwalijk rook als in de plaatsen, die ik te voren in de wereld doorwandeld had, maar ook deswege, wijl hier geen geruisch en geratel, geschreeuw en gekraak, geen onrust en getier, geen gesleep of ander geweld vernomen werd, (waarvan de wereld overal vervuld was). Hier was alles stil. [255]
Onze verlichting komt van boven.
1. Terwijl ik mij aan mijn gedachten overgaf en wachtte, wat nu geschieden zou, straalde plotseling van boven een helder schijnsel, en toen ik mijn oogen daarheen ophief, zag ik het venster boven mij vol schitterend licht en uit die schittering daalde iemand neer, die in gestalte den menschen gelijkvormig scheen, maar in zijn blinkenden luister waarlijk God zelf was. Zijn aangezicht straalde wel uitermate, maar toch was de glans voor het menschelijk oog nog te verdragen; ook ging er geen verschrikking van uit, maar bezat het een liefelijkheid, zooals ik in de wereld nooit gezien heb. En, louter vriendelijkheid, louter minzaamheid, sprak hij mij allereerst met deze liefderijke woorden toe:
Waar de bron van alle licht en troost te vinden is.
2. „Welkom, welkom, mijn zoon en dierbare broeder!” Na het uitspreken dezer woorden omarmde hij mij vriendelijk en kuste mij. Tegelijk stortte zich een zoo liefelijke geur in mijn ziel uit en doordrong mij een zoo onuitsprekelijke vreugde, dat mij de tranen uit de oogen vloeiden. Ook wist ik op zulk een onverwachten welkomstgroet niets te antwoorden, dan met deemoedige blikken diep zuchtend tot Hem op te zien. Toen hij mij zoo van [256]vreugde geheel overstelpt zag, ging hij voort aldus tot mij te spreken: „Waar waart gij toch, mijn zoon? Waar toefdet gij zoo lang? Langs welken weg zijt gij gegaan? Wat hebt gij in de wereld gezocht? Troost? Waar kondt gij dien anders zoeken dan in God? En waar ergens elders God zoeken dan in zijn tempel? En welken anderen tempel van den levenden God dan den levenden tempel, dien hij zich zelf toebereid heeft, in uw eigen hart? Ik zag u, mijn zoon, toen gij dwaaldet; maar ik wilde het niet langer aanzien; daarom heb ik u tot u zelf doen inkeeren en in uw binnenste u ingeleid; want dit heb ik tot mijn woonstede verkoren. Als gij daar met mij wonen wilt, dan zult gij vinden, wat gij in de wereld vergeefs gezocht hebt: vrede, troost, den waren roem en volkomen verzadiging. Dit beloof ik u, mijn zoon, dat gij hier niet bedrogen zult worden, zooals daar, in de wereld.”
Volkomen overgave aan den Heer Jezus.
3. Toen ik deze woorden hoorde en verstond, dat Hij, die sprak, mijn Verlosser, Jezus Christus was, van wien ik ook te voren in de wereld vluchtig iets vernomen had, vouwde ik mijn handen en strekte ze naar Hem uit, niet met vrees en twijfel, zooals in de wereld, maar met innige verheugenis en volkomen vertrouwen en zeide: „Hier ben ik, mijn Heere Jezus, neem mij aan; de Uwe wil ik zijn en blijven tot in eeuwigheid. [257]Spreek Gij tot Uw knecht en geef, dat ik U hoore; zeg mij, wat Gij wilt en geef, dat ik mijn vermaak daarin vind; leg mij lasten op, naar Uw wil, en geef mij de kracht ze te dragen. Beschik over mij tot elk U welgevallig doel en geef, dat ik niet onbekwaam bevonden word; beveel, wat U behaagt, en geef mij de kracht Uw bevelen te volbrengen. Laat mij niets zijn, opdat Gij zelf mij alles zijt.”
Zelfs als wij dwalen, waakt Gods wijsheid over ons.
„Ik neem dit van u aan, mijn zoon,” sprak Hij, „volhard daarbij; heet, wees, en blijf dan nu mijn eigendom. Weliswaar zijt gij en waart gij de mijne van eeuwigheid, maar gij wist het vroeger niet. Ik heb reeds lang den troost u toebereid, waartoe ik u nu wil leiden; maar gij hebt het niet verstaan, want door een wonderbaar net van slingerende paden heb ik u tot u zelf geleid; gij hebt dat echter niet geweten en evenmin wat ik, de bestierder van al mijn uitverkorenen, daarmee bedoel; ja mijn arbeid aan u waart gij u zelf niet eens bewust. Maar ik was steeds en overal met u en heb u daarom langs omwegen geleid om u ten laatste des te dichter bij mij te brengen. Niets kon de wereld, niets konden uw gidsen, niets kon [258]Salomo u leeren; zij konden u met niets verrijken, met niets verzadigen, met niets de begeerte van uw hart stillen. Want hetgeen gij gezocht hebt, was hun niet gegeven. Maar ik zal u alles leeren, u rijk maken, u verzadigen.”
Al ons streven moet van de wereld afgewend en op God gericht worden.
2. „Het eenige, wat ik van u verlang, is, dat gij, wat ge ook in de wereld gezien hebt en van welk zwoegen onder de menschen bij hun aardsche beslommeringen, gij ook getuige geweest zijt, met dit alles tot mij zult komen en den last ervan op mij afwentelen: dit zij, zoolang gij leeft, uw werk en uw taak; en wat de menschen in de wereld wel zoeken, maar niet vinden, namelijk vrede en blijdschap, ik zal ze u in overvloed geven.”
De vereeniging met Christus alleen, den eeuwigen Bruidegom.
3. „Gij zaagt, hoe in den echtelijken stand1, zij, die elkander liefkrijgen, alles verlaten om slechts elkander toe te behooren. Doe gij desgelijks, geef alles op, zelfs uw eigen persoon en geef u zelf volkomen aan mij over; gij zult de mijne wezen en het zal wel zijn. Zoolang gij dit niet doet, zult gij, dit verzeker ik u, geen vrede vinden voor uw ziel. Want buiten mij is alles in de wereld, [259]waar gij uw hart op moogt zetten en waarin gij u ook verlustigen moogt, aan verandering onderworpen; het zal u nu op deze dan op gene wijze in beslag nemen, u onrust baren en u ten laatste begeven; en het genot, dat gij er in gevonden hebt, zal veranderen in droefheid. Daarom geef ik u, mijn zoon, den ernstigen raad: laat alles varen en grijp u aan mij vast; wees de mijne en ik zal de uwe zijn! Wij willen hier in dit heiligdom2 ons opsluiten en gij zult een wezenlijker genot smaken dan in den echtelijken omgang te vinden is. Zoek slechts mij te beminnen; mij alleen te bezitten als raadgever, leidsman, getuige, metgezel en deelgenoot in al uw aangelegenheden; en wanneer gij tot mij spreekt, laten uw woorden zijn: Alleen ik en Gij, mijn Heer! Om een derde behoeft gij u niet te bekommeren, houd u slechts aan mij vast, zie alleen op mij, spreek slechts liefelijke woorden met mij, omhels mij en kus mij, en verwacht dat alles ook van mij.”
Christus als zijn eeuwig gewin beschouwen.
4. „Gij zaagt in een anderen stand, met welk een eindeloos gezwoeg de menschen arbeiden, die gewin zoeken, welke kunstgrepen zij aanwenden, aan welke gevaren zij zich blootstellen. Gij moet echter al dien harden arbeid als ijdelheid [260]beschouwen, wetende, dat slechts één ding noodig is, de genade Gods. Daarom, oefen trouw dat ééne beroep uit, hetwelk ik u opdroeg, verricht stil en eerlijk uw arbeid en vertrouw het einde en de uitkomst der dingen gerustelijk aan mij toe.”
Men moet Christus alleen leeren kennen.—De Bijbel.
5. „Gij hebt toen gij onder de geleerden vertoefdet, gezien, hoeveel moeite zij zich geven, alle dingen uit te vorschen. Voor u besta de hoogste wetenschap in het doorgronden mijner werken, hoe wonderlijk ik u en alle dingen bestuur; hierin vindt gij meer stof tot nadenken dan zij, en een onuitsprekelijke vertroosting. In plaats van alle bibliotheken, waarvan het lezen eindelooze moeite kost, tot weinig nut is, niet zelden schade berokkent en altijd afmatting en beklemdheid3 veroorzaakt, geef ik u dit boekske, waarin gij al de kunsten bijeengebracht zult vinden. Uw Grammatica zij het overwegen mijner woorden; uw Dialectica het geloof daaraan; uw Rhetorica zuchten en gebeden; uw Physica de beschouwing mijner werken; uw Metaphysica de verlustiging in mij en in de eeuwige dingen; uw Mathematica het berekenen, wegen en meten van mijn weldaden en van ’s werelds ondankbaarheid daartegenover; uw Ethiek eindelijk zal mijn liefde zijn, die u de voorschriften zal geven voor uw gedrag jegens mij en uw naasten. Gij [261]moet evenwel al deze wijsheid zoeken, niet om gezien te worden, maar opdat gij daardoor nader tot mij komt. En hoe eenvoudiger gij bij al deze dingen zult zijn, des te wijzer zult gij wezen; want den eenvoudigen van hart gaat mijn licht op.”
Hem als zijn besten geneesheer,
6. „Gij zaagt de geneesheeren hun best doen verschillende middelen tot bescherming en verlenging van het leven uit te vinden. Maar waartoe zoudt gij u met de gedachte kwellen, hoe lang gij nog te leven hebt? Is dit soms in uw macht? Gij zijt niet op de wereld gekomen, toen gij het gewild hebt; en gij zult haar niet verlaten, wanneer gij het zult willen, want mijn Voorzienigheid beslist hierover. Daarom zorg gij, dat uw leven goed besteed zij, en voor mij zal de zorg zijn, hoelang gij het behouden zult. Leef slechts eenvoudig en oprecht naar mijn wil, en ik zal om uwentwil uw heelmeester wezen; want dan zal ik uw leven zijn en de lengte uwer dagen. Zonder mij is immers artsenij slechts gif; indien ik het beveel, wordt zelfs gif tot artsenij. Daarom stel uw leven en uw gezondheid alleen in mijn hand, en wees daarover geheel onbekommerd.”
als zijn raadsman, gids en beschermer te erkennen.
7. „In de jurisprudentie4 zijt gij getuige geweest van de verwonderlijke en ingewikkelde kunstgrepen [262]der menschen en hoe men er leerde, over allerlei zaken te redetwisten. Maar dit zij uw rechtswetenschap: niemand om zijn goed, hij moge het eerlijk of oneerlijk verworven hebben, te benijden; ieder het zijne te laten; niemand af te wijzen, als hij iets van u noodig heeft; ieder te geven, wat gij hem schuldig zijt, gij kunt zelfs boven het verschuldigde hem de bate doen toekomen, waartoe gij u verplicht acht; steeds om des vredes wille inschikkelijk te zijn; indien iemand uw rok neemt, hem ook uw mantel te geven; indien iemand u op de eene wang slaat, hem ook de andere toe te keeren. Dat zijn mijn geboden en als gij ze bewaart, zult gij van den vrede verzekerd zijn.”
Hoedanig de religie van Christus is.
8. „Gij hebt ook in de wereld gezien, met hoeveel ceremoniën en twisten de uitoefening van den godsdienst bij de menschen verbonden is. Uw godsdienst moge daarin bestaan, dat gij mij in alle stilte dient, zonder u daarbij aan ceremoniën te binden; want ik bind u daaraan niet. En indien gij mij, in overeenstemming met wat ik u leer, in geest en waarheid zult dienen, twist dan verder met niemand hierover, al werdt gij ook een huichelaar, een ketter of hoe dan ook geheeten; maar geef in stilte slechts acht op mij en mijn dienst.”
En hoedanig het bestuur is van zijn koninkrijk.
9. „Bij de overheden en de bestuurders der [263]menschelijke samenleving hebt gij opgemerkt, hoe gretig de menschen de voornaamste plaatsen trachten te bezetten, en hoe gaarne zij over anderen willen heerschen. Maar gij, mijn zoon, zoek uw leven lang altijd de laagste plaats uit en koester den wensch liever te gehoorzamen dan te bevelen, want het is zonder twijfel veel lichter en veiliger en gemakkelijker achter anderen, dan aan de spits te staan. En als gij toch heerschen en bevelen wilt, beheersch dan u zelf; uw ziel en lichaam laat ik u om daarover als uw koninkrijk te heerschen. Zooveel leden uw lichaam en zooveel verschillende vermogens uw ziel bezit, zooveel onderdanen zult gij hebben; zie ze zoo te regeeren, dat uw rijk wel besta! En zou het aan mijn Voorzienigheid behagen, u buitendien nog een andere taak op te dragen, zoo volg gewillig en vervul haar trouw, niet met eigen lust te rade gaande, maar uit gehoorzaamheid aan mijn roepstem.”
Welke oorlogen de ware christen te voeren heeft.
10. „In den krijgsstand naamt gij waar, dat de heldhaftigheid gegrond is op het verdelgen en plunderen van medemenschen. Ik wil u echter met andere vijanden bekend maken, aan wie gij van nu af aan uw moed betoonen moet: den duivel, de wereld en de begeerten van uw eigen lichaam. Verweer u tegen deze, en houd de beide eerste, met inspanning van al uw krachten, u van het lijf; slaat de laatste evenwel neer en dood ze in u; [264]en wanneer gij dat kloekmoedig zult hebben volbracht, beloof ik u gewisselijk een kroon, glorievoller dan de wereld ooit schenken kan.”
In Christus alleen is overvloed van alles,
11. „Gij hebt eveneens gezien, welk een hersenschimmig geluk de menschen in het slot van Fortuna zoeken en waarin zij zich verlustigen: in aardsche goederen, zinnelijke genietingen, roem en eer. Maar gij, haak niet naar deze dingen; zij geven geen vrede, maar onrust en vormen te zamen den weg, die tot kommer en droefheid leidt.—Waarom zoudt gij een menigte van aardsche goederen trachten te verwerven, waarom ze begeeren? Het leven eischt slechts weinig en het is mijn zaak voor hen te zorgen, die mij dienen. Streef er daarom naar, innerlijke schatten te verzamelen, verlichting en vroomheid, en ik zal al het andere eraan toevoegen; hemel en aarde zullen u naar erfelijk recht toebehooren; wees daarvan verzekerd. Ook zullen deze dingen u niet pijnigen en drukken, zooals de dingen der wereld, maar u met een onuitsprekelijke vreugde vervullen.”
het dierbaarste samenzijn,
12. „De menschen der wereld zoeken gaarne gezelschap; gij echter, vermijd rumoerigen omgang en bemin de eenzaamheid. Gezelligheid is slechts een handlangster der zonde of leidt tot allerlei onnoodige dingen, in elk geval tot lediggang en [265]tijdverkwisting. Gij zijt immers niet alleen; wees niet bevreesd, ook al zijt gij eenzaam, ik ben met u en ook de scharen mijner engelen; met ons kunt gij steeds vertrouwelijk spreken. Doch zoudt gij bij tijd en wijle naar een zichtbaren vriend verlangen, zoek er dan zulk een, die eens geestes met u is, opdat gij door uw omgang elkander sterkt in God.”
ware verlustiging,
13. „Zij daar vinden hun genot in rijke festijnen, eten, drinken en uitgelatenheid. U echter zij het een vreugde met mij en om mijnentwille, als het noodig is, te hongeren, te dorsten, te treuren en zelfs mishandelingen, ja alles te verdragen. Wanneer ik u echter aardsche genietingen toesta, moogt gij u niet over deze, maar om mijnentwil en in mij u verheugen.”
ware roem.
14. „Gij hebt gezien, hoe men daar ginds naar roem en eerbewijzen haakt. Gij echter, sla geen acht op het goed en kwaad gerucht onder de menschen; het zij u eenerlei, of men goed of kwaad van u spreekt, wanneer ik slechts over u tevreden ben. Als gij maar ziet, dat ik mijn welgevallen aan u heb, haak dan niet naar der menschen gunst; want deze is onbestendig, onvolkomen, verkeerd; zij beminnen dikwijls hetgeen zij moesten haten, en wat hun liefde waardig is, haten zij. Evenmin is het mogelijk, het allen naar den zin te maken; want, [266]als gij uw best doet den een te behagen, wekt gij het misnoegen van den ander op. Gij handelt daarom het beste, als gij u aan niemand stoort en alleen op mij uw oog richt; als wij in de rechte verstandhouding tot elkander staan, kan de stem van menschen noch wat mij, noch wat u betreft, iets daaraan toevoegen of daarvan iets wegnemen. Streef er ook niet naar, door vele menschen gekend te worden, mijn zoon; uw roem zij uw nederigheid, al zou de wereld desnoods, als het mogelijk ware, niets van u weten: dat is het beste en het veiligste. Intusschen zullen mijn engelen u kennen, over u spreken, u ten dienste staan, en uw werken, indien het noodig ware, op de aarde en in den hemel bekend maken, wees daarvan verzekerd. Voorwaar, wanneer het tijdstip der wederoprichting aller dingen aanbreekt, zult gij allen, die u aan mij hebt overgegeven, voor de engelen en alle werelden tot onuitsprekelijke heerlijkheid geleid worden. Daarmee vergeleken is alle aardsche glorie minder dan een schaduw.”
Hierin bereikt alles zijn toppunt.
15. „Daarom, mijn zoon, wil ik nog kortelijk zeggen: als gij goederen bezit, kennis, schoonheid, vernuft, gunst bij de menschen en wat men verder in de wereld het hoogste schat, verhef u daarop niet! Hebt gij ze niet, trek het u niet aan; maak u los van al deze dingen, uitwendig als ze zijn, hetzij zij bij u of een ander aangetroffen worden, en wijd u in uw binnenste alleen aan mij toe! Eerst [267]dan, wanneer gij u van al het geschapene vrijgemaakt, u zelf verloochend en van u zelf afstand gedaan hebt, zult gij mij, en in mij de volheid des vredes vinden; dit beloof ik u.”
Zich geheel aan Christus toe te wijden, is het toppunt van gelukzaligheid.
16. Toen riep ik uit: „Heer, mijn God, nu versta ik, dat Gij alleen alles zijt. Wie U heeft, kan gemakkelijk de geheele wereld ontberen, wijl hij in U meer bezit, dan hij begeeren kan. Ik dwaalde—nu zie ik het in—toen ik door de wereld wandelde en in geschapen dingen den vrede zocht te vinden. Doch van deze ure af wensch ik buiten U geen ander vermaak; aan U wil ik mij thans geheel overgeven; maar Gij, sterk mij, opdat ik U niet weder voor de aardsche dingen verzake en opnieuw al die dwaasheden bega, waarvan de wereld vervuld is. Moge Uw genade mij behoeden, op haar wil ik bouwen.”
Terwijl ik zoo sprak, werd het licht binnen in mij voortdurend sterker en de beelden, die ik te voren half uitgewischt en verminkt had gezien, waren nu weer ongeschonden, helder en schoon en schenen zich zelfs voor mijn oogen te bewegen. Ook de verspreide [268]en gebroken raderen voegden zich tot een geheel bijeen en vormden een kostelijk instrument, gelijkend op een uurwerk, dat den loop der wereld en Gods wonderbare leiding aanwees. Ook de ladders waren hersteld en in de hoogte tegen het venster geplaatst, waardoor het licht van den hemel binnenstroomde, zoodat men daar thans—zooals ik begreep—ook een vrij uitzicht had. De vleugels, die te voren van hun veeren beroofd waren, kregen een nieuwen en rijken vederdos en Hij, die met mij sprak, mijn Heer, nam ze, hechtte ze aan mij vast en zeide: „Mijn zoon, ik woon in twee plaatsen, in den hemel, in mijn heerlijkheid, en op aarde, in boetvaardige menschenharten. En ik wensch, dat ook gij voortaan twee woonsteden zult hebben, de eene hier in uw huis, waar ik beloofd heb met u te zijn, de andere bij mij, in den hemel. Ik geef u deze beide vleugels, het verlangen naar de eeuwige dingen en het gebed, opdat gij u daarmede naar den hemel kunt opheffen. Zoo vaak gij wilt, zult gij in staat zijn tot mij opwaarts te vliegen en daar zult gij in mij en ik in u verlustiging vinden.”
Een nieuwe toom en bril.
„En nu zend ik u, opdat gij hierin nog meer gesterkt wordt en de blijdschap, waartoe ik u geroepen [269]heb, in volle werkelijkheid verstaat, te midden mijner andere dienaren, die reeds eerder de wereld verlaten en zich aan mij overgegeven hebben, opdat gij hun gedragingen leert kennen.”—„En waar, mijn Heer,” zeide ik, „wonen zij, en waar zal ik hen zoeken?” Hij antwoordde: „Zij wonen in de wereld, verspreid tusschen de anderen, maar de wereld kent hen niet; doch opdat gij ze moogt leeren kennen en daarbij gevrijwaard moogt zijn voor de misleidingen der wereld, in wier midden gij u, tot het oogenblik, waarin ik u tot mij neem, nog zult wonen, zoo wil ik u, in plaats van den bril en het toom, waarvan gij te voren voorzien en waarmee gij gebreideld waart, thans mijn juk opleggen, hetwelk is de gehoorzaamheid aan mij, opdat gij van nu af aan niemand zult volgen dan mij. En ik wil u ook dezen bril geven, waardoor gij in staat zult zijn, zoowel de ijdelheden der wereld te aanschouwen, als de vreugden mijner uitverkorenen, indien gij er maar recht acht op wilt geven. (De rand van dezen bril was het woord Gods, het glas de Heilige Geest). „Ga nu heen,” zeide Hij, keer naar de plaats terug, die gij voorheen achteloos zijt voorbijgegaan, en gij zult dingen zien, welke gij zonder dit hulpmiddel zekerlijk nooit zoudt hebben aanschouwd.”
De ware christenen te midden der valsche en waarin zij zich van elkaar onderscheiden.
2. En mij bedenkend, waar ik te voren den [270]juisten weg verloren had, stond ik snel op en liep met vluggen tred vol verlangen daarheen terug, zoodat ik, ofschoon het rumoer der wereld mij omgaf, het nu niet eens bemerkte. Ik betrad den tempel der christenheid en toen ik in het binnenste gedeelte, waar zich het koor bevindt, dien voorhang of sluier terugzag, ging ik er dadelijk recht op af, zonder mij om het getwist van de secten in de zijbeuken te bekommeren. Voor de eerste maal zag ik nu deugdelijk in, wat voor een plaats dit was, in het bijzonder, dat zij Praxis Christianismi d.w.z. „de waarheid van het Christendom” heette1. Het gordijn, dat deze ruimte omgaf, was dubbel: het buitenste, dat het eerst in het oog viel, was van een donkere kleur en heette Contemptus Mundi, de verachting der wereld; het binnenste was glanzend wit en heette Amor Christi, het beminnen van Christus. Door deze twee gordijnen was deze plaats, zooals ik zag, omgeven en van de overige ruimte afgescheiden; het binnenste kon men van buiten niet zien.—Wie echter achter deze beide trad, werd onmiddellijk eenigszins ongelijk aan de overige menschen en vervuld van gelukzaligheid, blijdschap en vrede.
Er zijn slechts weinig ware christenen, en waarom dat zoo is.
3. Toen ik echter nog buiten stond, zag ik het [271]zonderlinge en verbazingwekkende schouwspel, dat vele duizenden menschen voor dit heiligdom op en neer gingen, doch er niet binnentraden. Of zij het nu niet opmerkten, dan of het hen niet aantrok, daar het van buiten gezien een ongunstigen indruk op hen maakte, weet ik niet te zeggen. Want schriftgeleerden, priesters, bisschoppen en vele anderen, die een hoogen dunk hadden van eigen heiligheid, gingen voorbij; sommigen sloegen wel een blik naar binnen, maar gingen niet verder, wat mij veel leed deed. Als iemand wat nader kwam, glinsterde hem door een spleet in het voorhangsel een licht tegen of stroomde hem een liefelijke geur tegemoet, opdat zijn eenige lust mocht worden den weg naar binnen te vinden. Maar zelfs van hen, die een ingang begonnen te zoeken en hun blik in het rond sloegen, keerden velen weer terug, zoodra de glans der wereld hun opnieuw toestraalde.
De noodzakelijkheid der wedergeboorte.
4. Maar de zeer bijzondere oorzaak, waarom zoo weinigen daarbinnen kwamen, was, zooals ik zag, toen ik tot vlak bij den toegang het voorhangsel naderde, het bijzonder strenge onderzoek, waaraan men daar ieder onderwierp. Immers wie er wenschte binnen te gaan, moest van have en goed, oogen en ooren, hart en verstand afstand doen; want, zoo luidde het, wie wijs wilde zijn voor God, moest zijn eigen wijsheid verzaken; wie God wilde kennen, moest al het andere vergeten; wie God wenschte te bezitten, moest al het andere [272]laten varen. Daarom bleven degenen, die van hun vermogen en geleerdheid geen afstand wenschten te doen en staande hielden, dat die bevorderlijk waren tot het verkrijgen der hemelsche zaligheid, buiten staan en traden niet binnen; van hen die toegang kregen, werden niet alleen alle kleederen onderzocht, opdat er geen plooi zou zijn, waarin iets van de ijdelheid der wereld verborgen zou kunnen blijven, maar werden, wat anders niet de gewoonte is, zelfs de nieren geproefd en de geheimste hoeken van hoofd en hart doorzocht, opdat niets onreins de woning Gods zou bevlekken. Hoewel dit alles niet zonder pijn geschiedde, werd het toch met behulp van hemelsche artsenij zoo deugdelijk verricht, dat de levenskracht er eerder door vermeerderd dan verminderd werd. Want in de plaats van het bloed, dat wegstroomde tengevolge van het steken en snijden, werd een wonderbaar vuur in hun leden ontstoken, dat elk hunner tot een ander mensch maakte, zoodat hij zich over zichzelf verwonderen moest, dat hij tot nu toe zulk een nutteloozen last getorst had en wat wijsheid, roem, genot en rijkdom in de wereld genoemd wordt (inderdaad zijn het slechts lasten!) op zich geladen had. Hier zag ik verlamden huppelen, stamelenden een welsprekende rede houden; onwetende lieden maakten philosofen beschaamd; zij, die niets hadden, verklaarden, dat zij alles bezaten. [273]
De kerk is het tegenovergestelde van de wereld.
5. Nadat ik dit bij den ingang waargenomen had, ging ik nu verder tot achter het voorhangsel, en daar alle dingen—eerst die, welke allen gemeen hadden, daarna die, welke tot de verschillende beroepen behoorden—met een onuitsprekelijke vreugde aanziende, bemerkte ik, dat er juist het tegendeel heerschte van alles, wat ik op mijn reis door de wereld gezien had. In de wereld zag ik overal blindheid en duisternis, hier helder licht; in de wereld bedrog, hier waarheid; in de wereld niets dan wanorde, hier de schoonste orde; in de wereld rustelooze bedrijvigheid, hier vredige rust; in de wereld zorgen en smarten, hier vreugde; in de wereld gebrek, hier overvloed; in de wereld slavernij en knechtschap, hier vrijheid; in de wereld was alles lastig en moeilijk, hier alles licht; in de wereld alles aan het ellendige toeval onderworpen, hier is alles wel verzekerd. Intusschen wil ik dit alles nog een weinig uitvoeriger bespreken.
Het tweevoudige licht der ware Christenen.
De wereld en wie doelloos daarin ronddoolt, laat zich bijna alleen door ijdelen waan leiden; de een klampt zich bij zijn doen en laten aan den ander vast en zij vinden hun weg als de blinden, al [274]tastende, terwijl zij nu eens ergens tegen aanbotsen, dan weer aan iets anders blijven haken. Voor de ware christenen echter schittert inwendig tweeërlei licht, het licht des verstands en het licht des geloofs, beide geleid door den Heiligen Geest.
Het licht des verstands.
2. Want hoewel zij, die daar binnengaan, hun verstand moeten afleggen en verzaken, geeft de Heilige Geest het hun gelouterd en verfijnd weder terug, zoodat zij dan als ’t ware met honderd oogen zien. Waar zij ergens in de wereld wandelen, wat zij ooit om zich, boven zich en binnen zich zien, hooren, ruiken en smaken, overal zien zij de voetstappen Gods, en hoe schoon weten zij alles dienstbaar te maken aan de vreeze Gods. Daarin zijn zij wijzer dan al de wijsgeeren dezer wereld, die God door een rechtvaardig strafgericht verblind heeft, zoodat zij, hoewel zij meenen alles te weten, in waarheid niets weten, evenmin wat zij hebben als wat zij missen; zoo min wat zij doen als wat zij—hoewel het hun plicht was—nalaten; zij begrijpen niet, waarheen zij gaan, noch waar zij zullen uitkomen. Hun weten blijft steeds aan de oppervlakte hangen; zij gapen slechts den bolster aan en dringen niet tot de inwendige kern door, welke Gods heerlijkheid is, die Hij over alle dingen uitstort. De ware christen daarentegen bespeurt God in alles, wat hij ziet, hoort, tast, ruikt en smaakt, en is steeds inwendig verzekerd, dat dit geen ijdele waan, maar volle waarheid is. [275]
Het licht des geloofs.
3. Dan beschijnt ook het licht des geloofs hem zoo helder, dat hij niet alleen, wat in zijn nabijheid is, hoort en ziet, maar ook het niet aanwezige en onzichtbare kan waarnemen en kennen. God heeft in zijn woord zoowel geopenbaard, wat in de hoogte boven de hemelen1 en in den afgrond beneden de aarde is, als wat voor het begin der wereld was en na den ondergang daarvan zijn zal. Voor den geloovigen christen is dit alles zoo zeker, alsof hij het met eigen oogen zag, terwijl de wereld er niet uit wijs kan worden. De wereld wil slechts gelooven, wat zij met eigen oogen ziet en met haar handen grijpen kan; de christen echter verlaat zich zoo koen op de onzichtbare, afwezige en toekomstige dingen, dat de stoffelijke dingen in zijn nabijheid hem afkeer inboezemen. De wereld vraagt steeds naar bewijzen; de christen acht de woorden Gods alleen voldoende. De wereld verlangt een verbintenis, onderpand, borgtocht en zegel, de christen bezit in zijn geloof een altijd genoegzame zekerheid. De wereld wantrouwt zich zelf op velerlei wijze en moet daarom steeds onderzoeken, nagaan, op de proef stellen; de christen waagt alles op de waarheid van Gods woorden. En waar de wereld steeds bedenkingen koestert, twijfelt, uitvorscht en aarzelt, bezit de christen bij voortduring Hem, in wien hij zijn volkomen vertrouwen kan stellen, wien hij kan gehoorzamen en voor wien [276]hij zich kan nederbuigen; wijl hem het licht des geloofs beschijnt, opdat hij zie en wete, dat het niet te veranderen is en nu eenmaal niet anders mag zijn, ook al kan hij niet alles bij het licht der rede begrijpen.
De wonderen Gods, gezien in dit licht. ’s Werelds beloop.
4. In dit licht zag ik ook wonderlijke dingen, wonderlijker, dan dat men ze beschrijven kan. Laat ik er ten minste iets van vertellen. Ik aanschouwde de wereld voor mij als een reusachtig groot uurwerk, samengesteld uit verschillende zichtbare en onzichtbare deelen, en toch geheel van glas, doorzichtig en breekbaar. Het bezat duizenden, ja millioenen, grootere en kleinere spillen, raderen, haken, tanden en inkervingen en die alle brachten, daar hunne deelen in elkaar grepen, samen een wriemelende beweging tot stand, die, nu eens onhoorbaar, een andermaal met allerlei gedruisch en geratel gepaard ging. In het midden bevond zich het groote, doch onzichtbare hoofdrad; van daar uit werd op ondoorgrondelijke wijze de verscheidenheid van beweging van alle andere raderen geregeld. Want de geest van het groote wiel doordrong al het overige met zijn kracht en regelde alles. En hoewel het mij niet mogelijk was volkomen te doorgronden, hoe dit in zijn werk ging, zag ik toch heel duidelijk en klaar, dat het inderdaad geschiedde. Ook dit bevreemdde en verheugde mij tegelijkertijd, dat ondanks de onophoudelijk [277]draaiende beweging en ofschoon somtijds zelfs de tanden en inkervingen, de spillen en de raderen verschoven waren of uitvielen, het uurwerk als geheel toch nooit tot stilstand kwam; omdat dit alles, zoodra de voortdrijvende kracht te kort schoot, steeds weder door het een of ander verwonderlijke ingrijpen van de verborgen leiding werd vervangen, aangevuld en vernieuwd.
Hoe alles gaat naar den geheimen raad Gods,
5. Ik wil mij duidelijker uitdrukken; ik zag de glorie van God en hoe hemel en aarde en de afgrond en al wat men zich buiten de wereld, zoover zich de eindelooze grenzen der eeuwigheid uitstrekken, kan voorstellen, vervuld waren met zijn macht en goddelijkheid. Ik zag, hoe zijn Almacht alles doordringt en op zijn fundament staande houdt, en ik zag in, dat alles, wat in de wijde wereld, zoowel met de grootste als de kleinste dingen geschiedt, alleen door zijn wil tot stand komt.
vooral bij de menschen2.
6. Wat in het bijzonder de menschen betreft, zag ik, dat zij allen, beide goeden en boozen, slechts in God alleen en door God leven, zich bewegen en in stand blijven en elke beweging, elken ademtocht aan God en zijn macht te danken hebben. Ik zag, hoe zijn zeven oogen, die elk duizend maal [278]schitterender waren dan de zon3, de geheele aarde doorliepen, het hart van alle menschen voortdurend doorschouwden en alles waarnamen, wat in het licht of in de duisternis, wat in het openbaar en in het verborgen, zelfs in de diepste diepten plaats vindt. Ik zag, hoe zijn barmhartigheid zich uitstortte over al het werk zijner handen; het wonderlijkste daar, waar zij den menschen ten goede komt. Want Hij heeft allen lief en zoekt hun welzijn; lankmoedig jegens de zondaren, goedertieren jegens overtreders, roept Hij de dwalenden tot zich, neemt Hij degenen aan, die tot Hem terugkeeren; wacht Hij de dralenden op en oefent geduld met de wederstrevigen; Hij verschoont het gedrag dergenen, die Hem tot toorn verwekken; vergeeft de boetvaardigen; omarmt hen, die nederig van hart zijn; leert de onwetenden, troost de bedroefden; waarschuwt de menschen niet te vallen en als dit toch geschiedt, richt Hij ze op; Hij geeft, aan wie tot Hem bidden en schenkt zijn weldaden aan hen, die niet bidden; doet open, wie klopt, en klopt zelf aan bij degenen, die niet kloppen; laat zich vinden door degenen, die Hem zoeken en verschijnt zelfs dengenen, die Hem niet zoeken.
Hij is de schrik der boozen.
7. Doch ik merkte ook zijn geduchten en verschrikkelijken toorn op tegen de hardnekkigen en ondankbaren, en hoe zijn grimmige drift hen vervolgde en achterhaalde, waarheen zij zich ook [279]wendden, zoodat het onmogelijk was aan zijn handen te ontsnappen en ondragelijk daarin te vallen. Zoo zien alle Gode toegewijde christenen, hoe Gods vreeselijke Majesteit boven al het geschapene troont en hoe naar zijn wil alle dingen geschieden, zoowel de grootste als de kleinste.
De ware christen volhardt in ongeschokt vertrouwen,
1. Daaruit spruit voor de ware christenen voort, hetgeen de wijsten der wereld vergeefs zoeken, namelijk de volkomen vrijheid des geestes, daar zij buiten God aan niemand onderworpen en ondergeschikt zijn en derhalve ook niet verplicht, iets tegen hun wil te doen. Daarentegen heb ik in de wereld gemeenlijk overal gebondenheid en onvrijheid gezien; steeds gingen ieders zaken er anders dan hij gewenscht had. Ieder placht zich er, meer dan betaamde, van zich zelf of anderen afhankelijk te maken en daar hij door zijn eigen of anderer wil werd meegesleept, was hij òf met zich zelf òf met anderen voortdurend in onmin. Hier was alles vredig stil. Want elk van deze christenen had zich volkomen aan God overgegeven, bekommerde zich om geen ding en erkende behalve God niemand boven zich. Daarom gehoorzaamden [280]zij de bevelen der wereld niet, verwierpen haar beloften, lachten om haar bedreigingen en achtten alle uiterlijke dingen uit den booze, omdat zij de verzekerdheid hadden van hun innerlijk goed.
en is ontoegeeflijk, als het om de voorrechten van zijn hart gaat.
2. Dit maakt ook, dat de christen, overigens toeschietelijk, toegefelijk, bereidwillig en dienstvaardig, aan het privilege van zijn hart niet tornen laat. Daarom houdt hij zijn vrienden noch zijn vijanden, zijn heer noch zijn koning, zijn vrouw noch zijn kinderen, niet eens zich zelf, zoo hoog in waarde, dat hij, om hun ter wille te zijn, aan zijn doel, te weten de vreeze Gods, iets zou toe- of afdoen; veeleer schrijdt hij met vasten tred op den eenmaal gekozen weg voort. Wat de wereld ook moge doen en zeggen, dreigen en beloven, bevelen en verzoeken, raden en dringen, hij laat zich door niets van dit alles van zijn stuk brengen.
De grootste vrijheid en tegelijk de grootste gebondenheid.
3. Zooals de wereld in alle opzichten verkeerd is, en in plaats van de waarheid aan te vatten liever naar schaduwen grijpt, zoo doet zij dit ook hier, wijl zij haar vrijheid daarin grondt, dat hij, die vrij is, in niets een ander ter wille wenscht te zijn, om daardoor aan zijn traagheid toe te geven, zijn trots of zijn hartstocht te bevredigen. Maar geheel anders gedraagt zich de christen! [281]Zoo slechts zijn hart welbewaard is, opdat het God in volle vrijheid moge dienen, is hij bereid al het andere aan te wenden tot leniging der nooden van zijn naaste. Zoo zag en verstond ik, dat er, om zoo te zeggen, in de wereld geen dienstwilliger slaaf kan zijn dan een mensch, die God is toegewijd: hij onderwerpt zich gaarne en gewillig zelfs aan de nederigste diensten, waarvoor zich schamen zoude, wie door het vooroordeel der wereld beneveld is. Als hij slechts ziet, dat hij zijn naasten op de een of andere wijze nuttig kan zijn, dan bedenkt hij zich niet lang; stelt niet uit; schuwt geen moeite; overdrijft zijn verdienste niet en maakt evenmin aanspraak op wederdiensten, dan is hij onophoudelijk werkzaam; hetzij hij dankbaarheid of ondank oogst, hij dient met vredig gemoed en brengt het werk vroolijk ten einde.
Hoe schoon de dienst der kinderen Gods is.
4. O, zalige dienstbaarheid van Gods kinderen!—men kan zich geen grootere vrijheid denken dan die, wanneer de mensch zich aan God onderwerpt, om dan in alle andere dingen vrij van banden te zijn. O, rampzalige vrijheid der wereld!—er bestaat wel geen ergere knechtschap, dan wanneer de mensch God ter zijde stelt, om zich in de ellendige slavernij van alle andere dingen te begeven, namelijk als hij geschapen wezens dient, waarover hij moest heerschen en God weerstreeft, dien hij moest gehoorzamen. O, mochten wij, sterfelijke menschen, [282]eindelijk eens leeren inzien, dat boven ons slechts één eenig Heer is, onze Schepper en toekomstige Rechter. Hij alleen heeft de macht ons bevelen te geven; maar Hij beveelt ons niet als slaven, doch noodigt ons als kinderen uit tot gehoorzaamheid aan Zich en wil, dat wij zelfs dan, als wij gehoorzamen, vrij en ongebonden zijn. Waarlijk, God dienen, beteekent als koning heerschen; want zijn vazal te zijn is grooter roem dan over alle rijken der wereld te gebieden; en hoeveel meer moet het dan beteekenen zijn vriend, een kind Gods, te zijn!
Gods geboden zijn kort.
1. De Heere God wil, dat zijn kinderen vrij, doch niet, dat zij eigenwillig zijn. Daarom heeft hij hen aan bepaalde regels gebonden, die beter en volkomener zijn, dan die ik van dergelijken aard in de wereld heb leeren kennen. Daar heerschten bepaald overal misstanden, deels omdat men geen vaste ordening had, deels omdat men die, welke men bezat, niet opvolgde. Maar de ware christenen, die achter het voorhangsel wonen, hebben voortreffelijke regels en volgen die ook op. Hun wetten door God zelf gegeven, zijn volkomen rechtvaardig en luiden aldus:
I. Ieder God toegewijde Christen zal Hem alleen als God erkennen en eeren. [283]
II. Hij zal Hem dienen in geest en waarheid, doch zonder Hem een zichtbare gestalte te verleenen.
III. Hij mag zijn tong niet gebruiken om Hem te beleedigen, maar om Zijn heiligen Naam te loven.
IV. Hij zal de tijden en uren, die voor den dienst van God zijn ingesteld, uitsluitend besteden met Hem in het openbaar en in zijn hart te dienen.
V. Hij zal zijn ouders en anderen, die God boven hem gesteld heeft, gehoorzamen.
VI. Hij zal zich niet vergrijpen aan het leven van zijn naaste.
VII. Hij zal zijn lichaam onberispelijk bewaren.
VIII. Hij zal zich het bezit van vreemden niet toeëigenen.
IX. Hij zal zich wachten voor leugen en bedrog.
X. En ten laatste, hij zal zijn gedachten en begeerten binnen de perken en vastgestelde grenzen houden.
De korte inhoud der wet in twee woorden.
2. De korte inhoud van alles is, dat ieder God moet liefhebben boven alle dingen, die men kan opnoemen, en dat hij even oprecht zijn naaste moet beminnen als zichzelven. En dit is, in twee woorden vervat, de geheele wet Gods.
Ik hoorde haar zeer prijzen en heb mijzelf overtuigd, dat zij meer waarde heeft dan al die ontelbare, wereldlijke wetten, voorschriften en verordeningen, ja zelfs duizendmaal voortreffelijker is dan zij. [284]
De ware christen heeft geen uitvoerige wetten noodig.
3. Wie God van ganscher harte liefheeft, heeft niet veel voorschriften noodig, wanneer, waar, hoe en hoe dikwijls hij God dienen, Hem aanbidden en eer bewijzen moet, omdat zijn innig verbond met God en zijn bereidwillige gehoorzaamheid door Hem als de meest welgevallige eere aanvaard wordt, en dit leidt er den mensch toe, God overal en altoos in zijn binnenste te loven en bij al zijn daden Gods eer als doel voor oogen te hebben. Wie zijn naaste liefheeft als zichzelf, heeft evenmin uitvoerige inzettingen noodig, waar, wanneer en waarmee hij zijn belangen dienen, hem voor schade behoeden en hem teruggeven moet, wat hij hem naar recht verschuldigd is. Deze liefde voor zijn naaste zelve zegt en toont hem volkomen, hoe hij zich in bepaalde gevallen jegens hem gedragen moet. Het is het kenmerk van den booze, dat hij steeds naar wetten vraagt en alleen uit wetboeken wenscht te weten, wat hij doen moet; immers in ons tehuis, ons hart, wijst Gods vinger ons duidelijk aan, dat wij den naaste alles schuldig zijn te doen, wat wij zouden wenschen, dat hij ons deed. Doch daar de wereld geen acht slaat op dit inwendige getuigenis van eigen geweten, en zich slechts aan uitwendige geboden stoort, is hierin de oorzaak te zoeken, dat er geen wezenlijke orde in de wereld heerscht en overal slechts argwaan, wantrouwen, misverstand, wrok, tweedracht, [285]haat en nijd, diefstal en moord en wat dies meer zij, wordt aangetroffen. Zielen, die God oprecht toegewijd zijn, volgen alleen de stem van hun geweten, volbrengen, wat dit hun beveelt en laten na, wat het verbiedt, zonder op voordeel, gunst en wat dies meer zij, te letten.
Onder ware christenen heerscht eensgezindheid,
4. Hieruit vloeit van zelf een zekere wezensgelijkheid of gelijkvormigheid bij hen voort, waardoor zij allen, alsof zij uit één en denzelfden vorm gegoten waren, dezelfde gezindheid, hetzelfde geloof, dezelfde neiging en tegenzin hebben, dewijl zij allen door een en denzelfden geest geleerd zijn. En het is verwonderlijk, dat, zooals ik met welgevallen zag, menschen, die elkaar nooit gezien en nooit van elkander gehoord hebben en die door een heele wereld van elkaar gescheiden zijn, eenerlei sprake voeren, eenerlei zien en eenerlei voelen, alsof de een de tweelingbroeder van den ander was1. Welke verscheidenheid er ook zijn moge in de gaven, die zij bezitten, zoo vormen zij toch, evenals de verschillende geluiden van pijpen en snaren bij een muziekinstrument, die nu eens zwakker, dan weer sterker zijn, een verrukkelijke harmonie. En dit is het bewijs van de [286]innerlijke eenheid2 der christenen en een voorsmaak der eeuwigheid, waar alles slechts door één geest beheerscht zal zijn.
eenheid van gevoelen,
5. Uit deze gelijkheid van gevoelen ontspringt het medegevoel; zoo verheugen zich allen met hen, die blijde zijn, treuren allen met de bedroefden. Maar in de wereld heb ik meer dan eens een allerverfoeilijkste eigenschap opgemerkt, namelijk dat, als het iemand slecht ging, de anderen zich verheugden, en wanneer hij dwaalde, anderen lachten; indien hij schade leed, anderen daaruit voordeel zochten te trekken. Ja, om den wille van eigen winstbejag, pleizier of leedvermaak, brachten zij zelfs hun naaste ten val en berokkenden hem schade. Hoe geheel anders was het hier! Ieder zocht uit alle macht en even goed en ijverig van zijn naasten als van zich zelf onheil en schade af te wenden; wanneer hem dat niet mogelijk was, smartte het hem even diep, alsof het hem zelf betrof; en eigenlijk trof het ongeluk ook hem; immers zij allen waren één hart en één ziel. Evenals de kompasnaald, nadat ze met den magneet bestreken is, zich altijd naar dezelfde richting wendt, zoo keeren zich hun harten, door den geest der liefde aangeraakt, alle naar dezelfde richting: in het geluk naar blijdschap, in het [287]ongeluk naar droefheid. En hier leerde ik ook verstaan, dat dezulken valsche christenen zijn, die slechts hun eigen zaken ijverig behartigen, maar zich om hun naaste niet bekommeren; die, waar de hand Gods zwaar op den mensch drukt, zich ijlings uit de voeten maken, slechts hun eigen nest zorgvuldig bewaken en de anderen buiten aan wind en regen blootgesteld laten. Maar anders, geheel anders vond ik het hier, indien één leed, schepten de anderen daarin geen vermaak; als den een hongerde, deden de anderen zich niet te goed; wanneer een van hen een zwaren kamp te strijden had, sliepen de anderen niet; maar alles deed men gemeenschappelijk, zoodat het liefelijk was om aan te zien.
en gemeenschap in alle goede dingen.
6. Wat het bezit betreft, zoo waren wel de meesten van hen arm, daar zij, van hetgeen men wereldsche goederen noemt, weinig bezaten en daaraan weinig waarde hechtten; maar toch had bijna ieder eenig eigendom, dat hij echter niet, zooals in de wereld pleegt te geschieden, angstvallig verborg en voor de anderen wegsloot, doch als gemeenschappelijk bezit beschouwde, en gaarne en bereidwillig een ieder, die er behoefte aan had, leende of ter beschikking stelde. Zoo maakten zij van hun have een dergelijk gebruik als dischgenooten van het tafelgerei, waarvan zich beurtelings allen met hetzelfde recht bedienen. Dit ziende, schaamde ik mij diep, dat bij ons dikwijls het [288]tegendeel geschiedt, daar sommigen hun huizen met huisraad, kostbare stoffen, voorraad van levensmiddelen, goud en zilver, zooveel het in hun vermogen is, vullen en meer dan vullen, terwijl inmiddels anderen, die niet minder dienaren Gods zijn, aan kleeren en voedsel gebrek lijden. Maar ik moet zeggen, ik begreep, dat dit geenszins de wil van God was; het is zoo gebruik in de wereld, in de verkeerde wereld, dat sommigen daarheen gaan, getooid met sieraden, terwijl anderen naakt rondloopen; sommigen door oververzadiging hun voedsel teruggeven, terwijl anderen gapen van den honger; sommigen zich afsloven om hun loon te verdienen, anderen het op de dwaaste manier verkwisten; dezen pret maken, genen jammeren. Daaruit komt bij de rijken trots en geringschatting van anderen voort, bij de armen gramstorigheid, nijd en ander kwaad. Maar hier zag men daarvan niets, daar zij alles, ja zelfs de ziel gemeen hebben.
Zij leven als kinderen van eenen huize.
7. Daaruit ontstaat ook hun wederkeerige vertrouwelijkheid en openhartigheid; zij vormen een heilige gemeenschap, zoodat zij, hoe groot de verscheidenheid van gaven en beroep ook zij, elkander als broeders beschouwen en zich ook als zoodanig gedragen. Want zij zeggen, dat wij allen, uit éénen bloede voortgekomen, door het bloed van Eén zijn vrijgekocht en reingewasschen, dat wij kinderen van één Vader zijn, aan één tafel het Heilige [289]Avondmaal ontvangen en eenzelfde erfenis en den hemel verwachten, enzoovoort, daar, afgezien van toevallige dingen, de een niets voor heeft bij den ander. Daarom zag ik, dat zij elkander in vriendelijkheid en goede zeden zochten te overtreffen en elkaar bereidwillig van dienst waren; een ieder maakte zich de plaats, waar hij gesteld was, ten nutte, om anderen op te bouwen. Wie goeden raad te geven had, gaf dien; wie kennis bezat, gaf onderricht; wie over kracht beschikte, sprong voor de anderen in de bres; wie macht had, handhaafde de orde. Indien iemand in sommige opzichten dwaalde, vermaanden de anderen hem; als hij zondigde, bestraften zij hem; en ieder liet zich gaarne terechtwijzen en onderwierp zich gewillig aan de straf, bereid alles te verbeteren naar de aanwijzingen, die hij ontving, ja zelfs van zijn leven afstand te doen, indien hem aangetoond werd, dat het hem niet meer toebehoorde3.
Het is gemakkelijk God te gehoorzamen.
Wel verre van een dergelijke ordening hard te vinden, is zij voor hen een bron van waren lust en echte vreugde, terwijl de andere menschen zich in den [290]dwang, die hun wordt opgelegd, slechts zeer noode schikken. God nam, voorwaar, het steenen hart van hen weg en gaf hun daarvoor een vleezen hart in de plaats, dat zich gewillig en volgzaam toont in het volbrengen van zijn wil. En al moge de duivel met zijn listige ingevingen, de wereld met haar ergerniswekkende voorbeelden, het vleesch met zijn aangeboren traagheid tot het goede hun en anderen niet weinig moeilijkheden in den weg leggen, zij hebben toch daarover geen zorg en vervullen vroolijk hun plichten. Want zij jagen den duivel op de vlucht met het geschut1 hunner gebeden, beschermen zich tegen de wereld met het schild van den vasten wil om hun doel te bereiken en dwingen hun lichaam tot gehoorzaamheid door den geesel der tucht. De geest van Christus, die in hen inwoont, geeft hun de kracht daartoe, opdat zij noch in het willen, noch (naar den maatstaf van aardsche volkomenheid) in het volbrengen zouden te kort schieten. Zoo vond ik hierin bewaarheid, dat God van ganscher harte te dienen geen moeitevolle arbeid, doch wèl vreugde is; en ik begreep, dat zij, die zich al te veel verontschuldigen met het beroep op de menschelijke zwakheid, de kracht en geldigheid der wedergeboorte niet vatten en wellicht daartoe niet eens gekomen zijn. Laat men toch zorg dragen, deze deelachtig te worden! Ik zag [291]niemand onder hen, die vanwege de zwakheid zijn vleesches aanspraak maakte op verlossing zijner zonden, of zijn booze daden met de aangeboren zwakheid der menschelijke natuur verontschuldigde. Veeleer zag ik, dat, wanneer iemand zijn gansche hart aan zijn Schepper had overgegeven, die hem verloste en zijn lichaam tot een tempel2 wijdde, ook de andere leden gedwee en gewillig, het hart daarin volgende, tot die richting neigden, welke God begeerde, dat zij zouden inslaan. O christen, wie gij ook zijt en waar gij u ook bevindt, maak u los van de banden des vleesches; zie, erken en ervaar, dat de hindernissen, die gij u hebt ingebeeld, te klein zijn, dan dat zij tegen uw wil, mits deze ernstig is, kunnen stand houden.
Om Christus wille te lijden is zoet.
2. Doch niet alleen te doen, wat Gods wil is, maar ook te dulden, wat Hij hem oplegt, valt den christen licht. Want hier zag ik niet weinigen, die door de wereld op de wang geslagen, gespogen en mishandeld werden en dit alles onder tranen van blijdschap dragende, hun handen hemelwaarts hieven en God loofden, dat Hij hen waardig geacht had iets om zijns Naams wille te lijden: namelijk dat zij niet alleen in den Gekruisigde geloofden, maar ook te zijner eere zelf aan het kruis werden geslagen. Anderen, wien dit lot niet beschoren was, benijdden hen met een heilige jaloerschheid, daar zij niet door [292]God getuchtigd te worden, voor een teeken van zijn toorn, en geen kruis te dragen, voor een gescheiden zijn van Christus hielden, zoodat zij de roede en den geesel van God kusten, wanneer die hen troffen, en desgelijks het kruis, dat zij om Zijnentwille op zich namen.
Waaruit ontspringt deze bereidwilligheid?
3. Dit alles nu vond zijn oorsprong daarin, dat zij met hun geheelen wil Gode zoo toegewijd waren, dat zij niets anders wenschten te zijn of te doen, dan wat Gods wil is. Daarom zijn zij ook zoo vast overtuigd, dat alles, wat hun overkomt, door God, in zijn wijze Voorzienigheid, hun is toebeschikt. Wie zoo gezind is, kan niets onverwachts meer overkomen, te meer daar hij alle martelingen, wonden, gevangenis en dood tot de weldaden Gods rekent. Of het hem goed of slecht gaat, is hem eenerlei; behalve dat hij het laatste voor veiliger houdt en het eerste voor gevaarlijker. Daarom verlustigen de christenen zich gaarne in de moeilijkheden, die zij ondervinden, in hun wonden en striemen, en roemen daarin. In één woord, zij zijn zoo gehard in den dienst van God, dat zij, als zij niet lijden, zich verbeelden, dat zij hun tijd in ledigheid verkwisten. Maar hoed u, de hand naar deze menschen uit te steken, want hoe gewilliger zij hun rug aanbieden om geslagen te worden, des te zwaarder valt het ze te slaan; en hoe meer zij op dwazen gelijken, des te gevaarlijker is het, hen te bespotten. Immers [293]ze zijn niet meer het eigendom van zich zelf, maar behooren toe aan God; Hij beschouwt alles, wat hun wedervaart, als zichzelf aangedaan.
Zich vergenoegen met wat men heeft, is de ware rijkdom.
De wereld is vol van Martha’s die bedrijvig af- en aanloopen, heen en weer drentelen, zich afsloven, geld en goed van alle kanten bijeenschrapen en toch nooit genoeg hebben. De ware christen heeft evenwel een ander karakter: met Maria wil hij slechts stillekens aan de voeten des Heeren zitten, en dit eene en wat hem daarbij ten deel valt, is hem genoeg. Hij houdt de genade Gods, die in hem woont, zeer zeker voor het kostbaarste goed. Daarin alleen verheugt hij zich; de uitwendige dingen evenwel, die de menschen wereldsche goederen noemen, beschouwt hij veel meer als een last dan als een gewin, en hij bedient zich slechts daarvan tot nooddruft zijns levens, tot nooddruft alléén, zeg ik. Daarom, wat de Heere God een ieder van hen ook toebedeelt, hetzij veel of weinig, hij verklaart daarmee tevreden te zijn. Want zij gelooven en verlaten er zich inderdaad geheel op, dat zij onder Gods bescherming staan en oordeelen het daarom onbetamelijk [294]iets meer te begeeren dan hetgeen God hun reeds verleend heeft.
2. Nu zag ik hier iets heel wonderlijks: er waren sommigen, die ruim voorzien waren van goederen, die zilver, goud, kronen en schepters hun eigendom noemden, (want ook zulke menschen heeft God onder de zijnen) terwijl anderen ongeveer niets bezaten, dan een half naakt, door honger en dorst verteerd lichaam; en toch beweerden genen, dat zij niets hadden, en dezen, dat zij alles bezaten; maar allen, rijk en arm, waren even blijmoedig gestemd. En toen begreep ik, dat alleen hij in waarheid rijk is en niets ontbeert, die zich met hetgeen hij bezit, weet te vergenoegen, en wien het hetzelfde is, of hij veel, weinig of geen vermogen; een groot, klein of in het geheel geen huis; een kostbaar, schamel of in ’t geheel geen kleed bezit; of hij vrienden, een enkelen of geen vriend heeft; een hoogen, lagen of in ’t geheel geen rang of ambt bekleedt, of hij veel, weinig of geen eer ontvangt, en er veel, weinig of geen goed gerucht van hem uitgaat; om kort te gaan, of hij iets of niets is. Want hij is overtuigd, dat het goed is te gaan, te staan en te zitten, waar God naar zijn wil hem leidt, hem plaatst of doet nederzitten, en dat alles welgedaan is, wat God doet, ja zelfs nog beter dan hij kan bevroeden.
De vromen hebben aan niets gebrek.
3. O zalige en begeerlijke overvloed! Hoe gelukkig zijn zij, die zulk een rijkdom hebben! Want [295]ofschoon sommigen er in de oogen der wereld ellendig en beklagenswaardig aan toe zijn, zijn zij in werkelijkheid, ook uit het oogpunt der wereldsche gebeurlijkheden bezien, duizendmaal beter verzorgd dan de rijken der wereld. Want dezen zijn hun eigen bestierders en staan met hun have aan duizenderlei ongevallen bloot; immers water, vuur, roest en dieven kunnen hen daarvan berooven; doch genen staan onder Gods bestier en vinden bij Hem een onuitputtelijken voorraad van al wat zij behoeven. Hij spijst hen dag aan dag uit zijn provisiekamer, kleedt hen uit zijn voorraad, schenkt hun uit zijn schatkamer, wat zij voor hun verbruik noodig hebben, wel is waar niet in overmaat, maar toch steeds zooveel, als voor hun nooddruft passend is. Hij handelt hierbij niet naar hun eigen gevoelen, maar naar zijn Voorzienigheid, waarop zij zich duizendmaal liever verlaten dan op hun eigen verstand.
De engelenwacht.
Nu had het wel den schijn, alsof niets in de wereld zóó aan zich zelf overgelaten en aan alle gevaren blootgesteld was als deze kleine schaar van vrome menschen, die de duivel en de wereld met booze oogen aanziet en met mishandeling en slagen bedreigt, maar toch merkte ik op, dat zij welbewaard [296]waren. Want hun gemeenschap was in zijn geheel omgeven door een vurigen muur, en toen ik naderbij kwam, bevond ik, dat deze zich bewoog, want hij werd gevormd door duizenden en nogmaals duizenden engelen, die overal de kleine schaar omringden, zoodat het zelfs geen vijand mogelijk zou geweest zijn hen te naderen. Bovendien bezat elke vrome een hem door God zelf toegevoegden en voor hem bestemden beschermengel, die hem gadesloeg en hem voor allerlei gevaren en strikken, afgronden en hinderlagen, vallen en aanslagen moest beschermen en hem moest bewaken. Zonder twijfel zijn het, zooals ik waarnam, wezens, die de menschen als hun mededienaren liefhebben, wanneer zij zien, dat dezen hun plicht, waartoe zij door God geschapen zijn, vervullen; zij dienen hen met liefde, beschutten hen tegen den duivel, booze menschen en ongevallen en dragen ze, waar het noodig is, op hun handen om hen voor letsel te bewaren. Hier verstond ik alweer, hoeveel er toch aan ware vroomheid gelegen is, immers deze schoone, reine geesten verwijlen slechts daar, waar zij den geur der deugd ontwaren, daarentegen worden zij door den stank van zonde en onreinheid verdreven.
De engelen zijn onze leermeesters.
2. Ik mag ook niet verzwijgen, dat dit heilig, onzichtbaar gezelschap der engelen den uitverkorenen nog een ander voordeel bracht, namelijk [297]dat zij niet alleen hun beschermers, maar ook hun leermeesters zijn. Zij brengen hun dikwijls geheime kondschap over verschillende zaken en onderwijzen hen in de diepe, verborgen geheimen Gods. Want daar zij voortdurend het aangezicht van den alwetenden God aanschouwen, kan hun niets van alle dingen, die een vroom mensch mag begeeren te kennen, verborgen blijven; en met Gods toestemming openbaren zij, hetgeen zij zelf weten en hetgeen den uitverkorenen te kennen noodig is. Daaruit is het te verklaren, dat het hart der vromen dikwijls voelt, wat elders plaats grijpt, en is dit treurig, droevig, is het vreugdevol, blijde gestemd wordt. En daardoor komt het ook, dat de eene of andere gebeurtenis, die reeds geschied is, nog geschiedt of geschieden zal, zich door droomen of gezichten of door geheime ingevingen in hun geest weerspiegelt. Vandaar ook, dat zich in ons ook allerlei andere gaven Gods vermeerderen: scherpzinnige, kostelijke overdenkingen, verschillende wonderbare uitvindingen, waarin de mensch dikwijls zichzelf overtreft, zonder te weten, vanwaar hem dit komt. Gezegend zij deze school der kinderen Gods! Hoe dikwijls moet niet de menschelijke wijsheid verstomd staan, als zij ziet, hoe een eenvoudig menschenkind wonderbare geheimenissen openbaart; de toekomstige veranderingen in wereld en kerk, als zag hij ze met eigen oogen, profeteert; de namen noemt van nog ongeboren koningen en staatshoofden, en vele andere dingen voorzegt en aankondigt, die men noch door het raadplegen [298]der sterren noch door menschelijken speurzin en verstand doorgronden kan1.
Ja, dat zijn dingen, waarvoor wij God, onzen Beschermer, niet genoeg danken en onze hemelsche leermeesters niet genoeg liefhebben kunnen. Doch keeren wij tot ons onderwerp, de veiligheid der vromen, terug.
God is hun schild.
3. Ik zag verder, dat elk hunner niet alleen door de hoede der engelen werd beschermd, maar ook door de majesteitelijke tegenwoordigheid Gods, zoodat er een verschrikking van hen uitging tegen degenen, die hen tegen Gods wil wilden aanraken. Ik zag wonderen aan sommigen van hen geschieden, wien, toen zij in het water of het vuur geworpen werden of voor de leeuwen en wilde beesten, om daardoor verslonden te worden, geen enkel letsel werd toegebracht. Tegen eenigen van hen richtte zich op schandelijke wijze de dolle woede der menschen; benden tyrannen en beulen met scharen van handlangers omringden hen; machtige koningen en geheele koninkrijken, spanden hun uiterste kracht in om hen in het verderf te storten2; doch hun geschiedde geen kwaad; hetzij zij bleven staan of heengingen, zij gaven vroolijk acht op hun roeping. En toen begreep ik, wat het zeggen [299]wil, God als zijn schild te hebben. Want als Hij zijn dienaren een bepaalde taak in de wereld opdraagt en dezen manhaftig hun plicht volbrengen, woont Hij in hen, omringt hen als een muur en bewaakt hen als zijn oogappel, opdat zij niet eerder vallen dan wanneer zij de taak, tot wier vervulling zij in de wereld gezonden waren, ten uitvoer gebracht hebben.
De heilige trots der vromen.
4. Dat weten zij dan ook en verlaten zich blijmoedig op Gods bescherming. Ik heb sommigen van hen zich daar hooren beroemen, dat zij niet bevreesd waren, zelfs als de schaduw des doods zich over hen legerde en evenmin, al omsingelden duizenden en nogmaals duizenden hen; al zou ook de geheele wereld in woede ontsteken en de aarde zich omkeeren in het hart der zee; al was de heele wereld vol duivels enz. O, zalige, in de wereld nooit gekende zekerheid, waardoor de mensch omsloten en, welbewaard in Gods hand, aan de macht van alle andere dingen ontrukt is! Laat ons dan, o al gij oprechte dienaren van Christus, erkennen, dat wij een steeds waakzamen wachter, beschermer en verdediger hebben, den almachtigen God zelf: wel ons!
Terwijl ik voorheen in de wereld in alle levensomstandigheden veel zwerven en zwoegen, kommer [300]en zorg, angst en schrik had gezien, vond ik hier een groote rust en blijmoedigheid bij al degenen, die Gode toegewijd waren. Want zij hebben niet eens vrees en schrik voor God, daar zij weten, hoe vol van liefde zijn hart voor hen is; zij vinden ook in hun binnenste niets, wat hen zou kunnen bedroeven, immers, zooals reeds aangetoond is, lijden zij geen gebrek aan eenig goed; ook de buitenwereld kan hun geen last veroorzaken, daar zij op haar geen acht geven.
De ware christen acht den spot der wereld van geen belang.
2. Nu is het inderdaad waar, dat de booze wereld hen niet met vrede laat, daar zij, als zij kans ziet hen te trotseeren en te bespotten, dit ook doet, hun overlast aandoet, hen te lijf gaat, met steenen naar hen werpt, op hen spuwt, hun een been tracht te lichten, en hun alles aandoet, wat zij nog meer bedenken kan; ik heb veel voorbeelden hiervan gezien en verstaan, dat het nu eenmaal een beschikking van den Allerhoogste is, dat zij, die hier een goed leven willen leiden, kap en bellen1 moeten dragen, wijl de gesteldheid dezer wereld meebrengt, dat hetgeen wijsheid is bij God, in de wereld als dwaasheid geldt. Dientengevolge waren velen, aan wien God zijn edelste gaven had geschonken slechts het mikpunt van verachting en spot, dikwijls zelfs [301]voor hen, die hun het naast stonden. Zoo, zeg ik, geschiedde het; maar ik bemerkte ook, dat zij er geheel geen acht op gaven, ja, zelfs zich er over verheugden, dat de wereld voor hen den neus toehield als voor een kwalijken reuk; de oogen van hen afwendde als van iets walgelijks; hen als dwazen verachtte en als misdadigers terechtstelde. Want zij zeiden, dat hun wachtwoord, waaraan zij elkander herkennen als toebehoorende aan Christus, luidde: de wereld te mishagen. Wie het hem aangedane onrecht niet blijmoedig weet te dragen, bezit nog niet volkomen den geest van Christus—dat waren hun eigen woorden, waarmede zij elkander zochten te sterken; immers de wereld laat hen, die tot haar behooren, evenmin met rust; zij doet de haren geweld aan, bedriegt, berooft en kwelt hen; welaan dan, laat zij met ons ook zoo handelen. Kunnen wij haar kwelling niet ontgaan, dan willen wij ze rustig dragen, daar de goedheid Gods rijkelijk opweegt tegen de schade, die ons door de wereld toegebracht wordt; en zoo wordt hun spot en haat, het onrecht en de schade, die zij ons aandoen, in winst veranderd.
Den waren christen is alles gelijk,
3. Ja, ook dit heb ik daar verstaan, dat deze ware christenen zelfs niet eens willen hooren van het verschil tusschen, wat de wereld met de namen geluk en ongeluk, rijkdom en armoede, eer en schande aanduidt; zij verklaren, dat alles, wat uit [302]de hand van God voortkomt, goed, zegenrijk en heilzaam is. Daarom is er niets, wat hen droevig stemt, en aarzelen zij niet, noch trachten zij zich er uit te redden. Hetzij gij hun opdraagt te heerschen of te dienen, te bevelen of te gehoorzamen, anderen te onderwijzen of van hen te leeren, in overvloed te leven of gebrek te lijden, het is den waren christen alles gelijk; hij vervolgt zijn weg met dezelfde rustige gelaatsuitdrukking en is er alleen op bedacht om God te behagen.
De wereld is hun evenmin een last, zoo zwaar, dat hij niet gedragen kan worden, als een bezit, zoo waardevol, dat ze het gemis ervan zouden moeten betreuren. Daarom veroorzaakt het verlangen naar aardsch bezit hun evenmin verdriet als het verlies daarvan. Indien iemand hen op de rechterwang slaat, zoo keert hij hem blijmoedig ook de andere toe; indien iemand hem zijn mantel wil betwisten, zoo laat hij ook zijn rok in diens handen; terwijl hij alles aan God, die hiervan getuige is en er zijn oordeel over zal vellen, overgeeft en verzekerd is, dat al deze dingen in den loop der tijden opnieuw beschouwd, herzien en ten laatste rechtvaardig beslist zullen worden.
ook hetgeen hij buiten zichzelf in de wereld ziet.
4. Ook laat het schepsel Gods zich niet door de natiën der wereld uit zijn vredig zielsbestaan verdringen. Weliswaar zijn er vele dingen, die hem niet behagen, maar daarom tobt hij daarover niet [303]noch pijnigt hij zich af in zijn binnenste. Laat maar achterwaarts gaan, wat niet voorwaarts wil gaan; laat vallen, wat niet wil blijven staan; en wat geen stand wil of kan houden, laat het vergaan. Waarom zou een christen zich daarmee aftobben, als zijn geweten zuiver is en de liefde Gods in zijn hart woont? Indien de menschen zich naar onze gewoonte niet willen voegen, laten wij ons voegen naar de hunne, ten minste voor zoover ons geweten het toelaat. De wereld gaat van kwaad tot erger, dat is waar; maar maken wij den toestand door ons klagen beter?
Hij geeft geen acht op het gewoel der wereld,
5. En wanneer de machtigen dezer wereld om kronen en schepters met elkander in twist en tweedracht leven, tengevolge waarvan het bloed in stroomen vloeit en heele gewesten en landen verwoest worden, is de door God verlichte christen daarover niet eens bekommerd, wijl hij bedenkt, dat er weinig of niets aan gelegen is, wie de wereld regeert. Want zoomin de wereld, zelfs als Satan in eigen persoon den schepter over haar voerde, de kerk in het verderf kan storten, zoo zeker blijft de wereld, zelfs indien een engel als gekroond heerscher over haar gebood, dezelfde, die zij is, en moeten zij, die een waarlijk godzalig leven willen leiden, toch altijd iets van haar te verduren hebben. Daarom schijnt het hun een zaak van weinig gewicht, wie op den troon der wereld zit; als het een [304]van de vromen is, zoo leert de ervaring, dat vele vleiers en huichelaars zich mengen onder de schare der vromen, en daardoor ook de vroomheid der anderen eenigszins verkoelt2, terwijl ten tijde der openlijke vervolgingen de vromen alleen gelaten worden en God met des te vuriger ijver dienen. Men moet vooral ook bedenken, dat in dergelijke omstandigheden3 velen onder den dekmantel van het algemeen welzijn, van godsvrucht, eerlijkheid en vrijheid, voor zich en niet voor Christus, koninkrijken, vrijheden en roem zoeken, en men zou dit bevestigd vinden, indien men hen zonder eenige bedekking, in hun ware gedaante kon waarnemen. De ware christen laat daarom alles gaan, zooals het wil of kan, en heeft, in de woonstede zijns harten, alleen volkomen genoeg aan God en zijn genade.
noch op hetgeen de kerk moet lijden.
6. Ook de verzoekingen, die de kerk omringen, zijn niet in staat de door goddelijk licht bestraalde zielen te verontrusten, want zij weten heel zeker, dat ten slotte de triomf haar deel zal zijn; en dat een triomf niet zonder overwinning, noch een overwinning zonder strijd, noch een strijd zonder vijanden en heftige botsingen mogelijk is. Daarom binden [305]zij onverschrokken dezen strijd aan en nemen allen last, die hun of anderen daardoor ten deel valt, kloekmoedig op zich, vast overtuigd, dat de overwinning Godes is, die alle dingen leidt langs den afgebakenden weg van zijn goddelijk voornemen; en dat ten laatste alles voor hen wijken moet, ook al stelden rotsen, bergen, woestijnen, zee en afgrond zich op hun weg. Zij weten ook, dat al dit woeden der vijanden Gods tegen Hem slechts dienen kan tot vermeerdering van den roem zijns Naams. Immers als een ding, dat men ter eere Gods begonnen was, op geen tegenstand zou stooten, zou men op de gedachte kunnen komen, dat het door menschen aangevangen en met menschenkracht voleindigd was; het is er namelijk zoo mee gesteld, dat hoe woedender tegenstand de wereld met alle duivels bieden, des te klaarder Gods macht aan den dag treedt.
De smart der vromen kan gemakkelijk door twee middelen verdreven worden.
7. En mochten er ten laatste ook al voorvallen plaats grijpen—waarvan ik voorbeelden gezien heb—die hun hart met kommer vervullen, zoo kan toch die droefheid bij hen niet van langen duur zijn, en verdwijnt zij snel als een nevel voor de zon. En dit geschiedt door de volgende twee middelen: in de eerste plaats door de gedachte aan de eeuwige zaligheid te verlevendigen, die een hoogere waardij heeft dan het vuile bedrijf dezer wereld [306]en die hen aan het einde wacht. Hetgeen hun hier overkomt, is slechts van tijdelijken aard; het verschijnt en gaat weder heen, verliest zich in de verte en verdwijnt. Daarom is het onbetamelijk naar een van deze wereldsche dingen te verlangen en evenzeer om over hun gemis te treuren; immers deze dingen gaan klaterend in een enkel oogenblik voorbij. Het tweede middel bestaat hierin, dat zij steeds een gast bij zich tehuis hebben, met wien zij slechts een vertrouwelijk onderhoud behoeven aan te knoopen, om elke benauwdheid, hoe groot zij ook zijn moge, te verdrijven. Deze gast is God, hun Trooster, tot wien zij in hun hart de toevlucht nemen en wien zij gemeenzaam en openhartig mededeeling doen van alles, wat hen kwelt. Zoo moedig is hun goed vertrouwen, dat zij zich met elke aangelegenheid dadelijk tot God den Heer wenden, om elke overtreding, elke tekortkoming, elk gebrek, elke zwakheid, elke smart, elken vurigen wensch in zijn vaderschoot uit te storten en zich aan Hem in alle dingen steeds toe te vertrouwen. Daar evenwel God de Heer deze kinderlijke en liefdevolle vertrouwelijkheid jegens Hem zelven niet anders dan beminnen kan, bereidt Hij hun onfeilbaar zeker zijn vertroosting en schenkt hun de kracht het lijden te dragen. Hoe meer zich hun nooden vernieuwen en vermeerderen, des te meer vernieuwt en vermeerdert zich ook in hun hart de vrede Gods, die alle menschelijk verstand te boven gaat. [307]
Een goed geweten is een voortdurend feestmaal.
In hun binnenste woont echter niet alleen de vrede, maar ook een gedurige vreugde en jubel, welke zich in hun harten uitstort tengevolge van een levendig gevoel van Gods tegenwoordigheid en van zijn liefde. Want waar God is, daar is de hemel; waar de hemel is, daar is eeuwige vreugde; en waar eeuwige vreugde heerscht, heeft de mensch verder niets te begeeren. Alle vreugden der wereld zijn slechts een schaduw, een scherts, een lach, vergeleken bij deze vreugde; alleen weet ik de juiste woorden niet om haar uit te drukken of slechts aan te duiden. Ik heb gezien—gezien—, ja, gezien en erkend, dat het zoo heerlijk is, God met al zijn hemelsche schatten in zich om te dragen, dat men daarmee alle roem, alle pracht en allen glans der wereld niet vergelijken kan, en zoo vreugdevol, dat de geheele wereld ook niet het geringste ervan zou kunnen wegnemen of er aan toevoegen, zoo groot en verheven, dat de geheele wereld het nooit zou kunnen begrijpen of bevatten.
N.B.
2. Want hoe zou het den mensch niet zoet en zalig te moede zijn, die in zijn binnenste zulk een goddelijk licht ziet schijnen en de zoo [308]voortreffelijke werkzaamheid van den Geest Gods in zich speurt; die een zoo volkomen bevrijding van de wereld en haar slavernij, een zoo zekere en machtige bescherming Gods, zulk een veiligheid tegen vijanden en gevaren, in één woord, zooals reeds is aangetoond, aan alle kanten een zoo voortdurenden vrede in zich voelt en opmerkt? Dit is die zoetheid, welke de wereld niet begrijpt; dit is die zoetheid, welke dengene, die haar eenmaal gesmaakt heeft, dwingt haar na te jagen, al moet hij alles op het spel zetten; dit is die zoetheid, welke zich door geen andere van haar plaats laat lokken en door geen bitterheid van ons hart gescheiden kan worden, waarvan geen andere bekoring kan aflokken en welke men voor geen prijs, om geen verlossing uit den hoogsten nood noch zelfs van den dood, kan opgeven.
3. En toen heb ik begrepen, wat het is, hetgeen somtijds velen van Gods heiligen aandrijft, dat zij eer, gunst van menschen, have en vermogen zoo gewillig van zich werpen en evenzoo gereed zouden staan de heele wereld, indien zij hun eigendom ware, van zich te stooten. Ik begreep ook, hoe anderen hun lichaam zoo blijmoedig aan kerker, geeseling en dood overgaven, bereid zijnde zelf duizend dooden te ondergaan, indien de wereld in staat ware de voltrekking van de doodstraf te herhalen, en hoe zij blijde zangen aanhieven, wanneer door middel van het water, het vuur of het zwaard hun vonnis voltrokken werd. O Heer Jezus, hoe zoet zijt Gij voor de harten, die U gesmaakt hebben! Welzalig hij, die deze vertroosting verstaat. [309]
Tot nu toe heb ik slechts dingen verhaald, die den waren christenen in het algemeen wedervaren. Doch toen ik bemerkte, dat ook zij, even goed als degenen, die in de wereld zijn, verschillende beroepen uitoefenden, werd ik begeerig eens te zien, hoe een ieder van hen de plichten, aan zijn stand verbonden, opnam, en vond ook hier bij alles een voortreffelijke orde, zoodat het geheel een liefelijken indruk maakte. Ik wil dit echter niet meer zoo uitvoerig beschrijven, doch slechts enkele punten kortelijk aanroeren.
Hoe de echt der christenen is.
2. Hun huwelijk onderscheidde zich, zooals ik zag, niet zoo heel veel van den ongehuwden staat, omdat zij zoowel in hun begeerten als in hun zorgen de juiste maat wisten te houden. In plaats van die stalen ketenen zag ik hier gouden banden omgegespt; in plaats van de pogingen om zich van elkander los te rukken, zag ik de blijde vereeniging van beider lichaam en ziel. En wanneer ook hun echtelijken stand somtijds iets onaangenaams aankleefde, werd dit meer dan vergoed, wijl zulk een echt een kweekplaats ter uitbreiding van het Koninkrijk Gods op aarde was. [310]
Hoedanige overheden zij in hun midden hebben.
3. Zij, wien het te beurt viel boven de anderen gezeten te zijn en met den naam van overheden genoemd te worden, gedroegen zich jegens de onderdanen, die hun waren toevertrouwd, als ouders jegens hun kinderen, dat wil zeggen, dat zij hen met liefde en zorg omringden, zoodat dit schouwspel een liefelijken aanblik bood. En ik zag ook, dat velen van deze overheden hun handen vouwden en God loofden. Wie daarentegen onder het bewind van een ander leefde, was hem onderworpen en deed zijn best zich zoo te gedragen, dat hij niet alleen in woorden, maar ook in daden zijn onderdaan was. Hij eerde God door dengene, dien Hij als zijn meerdere boven hem plaatste—welke persoonlijkheid deze mocht zijn en welk karakter hij mocht hebben—allen mogelijken eerbied en alle achting in woorden, in daden en in gedachten te bewijzen.
De christelijke geleerden.
4. Toen ik mij nu verder onder hen bewoog, trof ik er niet weinig geleerde mannen aan, die in tegenstelling met de gewoonten der wereld even ver in nederigheid de anderen overtroffen, als zij dit in geleerdheid deden; zij waren de vriendelijkheid en minzaamheid zelve. Het trof zoo, dat ik met een van hen een gesprek aanknoopte, die den naam had, dat er in geen tak van menschelijke [311]wetenschap iets bestond, wat hem verborgen was; hij gedroeg zich evenwel als een der eenvoudigste menschen en zuchtte over zijne onkunde en onwetendheid. De kennis van talen slaan zij niet hoog aan, tenzij zij tot vermeerdering van kundigheden en wijsheid bijdraagt. Want talen, zeiden zij, geven op zich zelf geen wijsheid, maar zijn uitsluitend het middel, om met tallooze andere bewoners van het wereldrond, hetzij levende of doode, een gesprek te kunnen voeren. En daarom houden zij niet voor geleerd, wie vele talen spreken kan, maar wel hem, die, al sprekende, nuttige zaken weet mede te deelen. Nuttige zaken echter noemen zij alle werken Gods, tot wier kennis de kunsten1 eenigermate behulpzaam zijn. Als de ware bron dier kennis noemen zij evenwel de Heilige Schrift en als leermeester den Heiligen Geest; als doel van alle ware kennis Christus, den gekruisigde. Daarom zag ik dan ook, dat al deze geleerden met al hun wetenschap op Christus als het middelpunt aanstuurden, en alles, wat naar hun meening een hinderpaal was, om tot Christus te naderen, verwierpen, hoe vernuftig het ook mocht zijn. Ik zag ook, dat zij allerlei andere boeken lazen, al naar dat er aanleiding toe bestond; maar zij zorgen er bijzonder voor, alleen de meest uitgezochte lectuur onder de oogen te krijgen, daarbij bedenkende, [312]dat menschelijke redeneeringen altijd menschenwerk blijven. Zij schrijven zelfs ook boeken, doch niet om hun naam wijd en zijd bekend te maken, maar wel, als zij gegronde hoop hebben, hun naaste iets nuttigs te kunnen meedeelen, het algemeene welzijn te helpen bevorderen, of iets kwaads te kunnen afweren.
De geestelijken en theologen.
5. Het aantal geestelijken en theologen was, zooals ik opmerkte, niet onbeperkt en richtte zich naar de nooden der kerk; allen waren in een eenvoudig gewaad gekleed en hadden zachtmoedige en vriendelijke manieren, zoowel onder elkander als ook in den omgang met anderen. Hun tijd brachten zij meer door met God dan met de menschen, in gebeden, met lectuur en overpeinzingen; den tijd, die overbleef, besteedden zij om de anderen, hetzij in de bijeenkomsten te onderwijzen, of één voor één in het bijzonder onderricht te geven. Hun toehoorders verzekerden mij (en ik heb mijzelf daarvan overtuigd) dat niemand naar hun prediking kon luisteren zonder innerlijke ontroering van hart en geweten, daar de woorden met de doordringende kracht der goddelijke welsprekendheid van hun lippen vloeiden. Ik merkte ook blijdschap en tranen bij de toehoorders op, wanneer de predikers spraken over de barmhartigheid Gods of over den ondank der menschen, zoo waar, levendig en vurig waren hun woorden! Zij zouden het voor schande gehouden hebben anderen iets te [313]leeren, waarin zij hun niet zelf eerst een goed voorbeeld hadden gegeven, zoodat men ook dan, wanneer zij zwegen, van hen leeren kon. Ik kwam vooral zoo dicht mogelijk in de nabijheid van een dezer predikers, daar ik wenschte hem te spreken. Hij was een eerwaardig man met grijze haren en van zijn aangezicht straalde iets van den weerschijn van Gods luister af. Terwijl hij met mij sprak, waren zijn woorden vol vriendelijken ernst, zoodat het reeds daaruit duidelijk is, dat hij een gezant van God was, zoo vrij was hij gebleven van den invloed der bedorven atmosfeer van de wereld! Toen ik hem, zooals dat bij ons de gewoonte is, met zijn titel wilde aanspreken, stond hij mij dit niet toe en noemde het wereldsche scherts; naar hij zeide, was het hem titel en eer genoeg, indien ik hem een dienaar Gods noemde of, als het mij lustte, hem aansprak als „mijn Vader.” Toen hij mij zijn zegen gaf, voelde ik een ongekende zoetheid en een ontluikende vreugde in mijn hart: en ik begreep inderdaad, dat de ware theologie iets machtiger is en iets, dat dieper doordringt dan men gewoonlijk pleegt aan te nemen. En ik bloosde bij de gedachte aan de opgeblazenheid, den trots, de gierigheid, de onderlinge twisten, den haat en den nijd, de dronkenschap en vleeschelijke lusten van sommigen onzer geestelijken, wier woorden en daden mijlen ver van elkander verwijderd zijn, zoodat het den schijn heeft, als spraken zij slechts in scherts over deugden en een christelijken levenswandel. Om de waarheid te [314]zeggen, bevielen mij deze predikers, daar zij mannen waren van een vurigen geest en kuische zinnen, beminnaars der hemelsche dingen, terwijl zij op de aardsche geen acht gaven; waakzame herders hunner kudden, die zich zelf vergaten; wat het drinken van wijn aangaat, nuchter, maar dronken van den geest2; spaarzaam in woorden, doch rijk in daden; en ieder van hen streefde er naar de eerste te zijn in den arbeid, de laatste in het verkondigen van eigen lof. Om kort te gaan, bij al hun daden, woorden en gedachten hadden zij hun geestelijke ontwikkeling op het oog.
De dood is den christen welkom.
Toen ik mij lang genoeg onder deze christenen bewogen had en hun daden had waargenomen, zag ik eindelijk ook onder hen den Dood rondgaan; doch hij bezat niet zulk een leelijk, naakt en afstootend voorkomen als in de wereld, maar was op schoone wijze gewikkeld in de linnen lijfdoeken, die Jezus eens in het graf achtergelaten had. Hij trad nu eens op dezen, dan weder op genen toe en zeide, dat de tijd voor hem gekomen was om de wereld te verlaten. O, welk een jubelende vreugde doorstroomde hem, die deze tijding ontving! [315]Alleen opdat dit maar eerder zou geschieden, waren zij bereid alle folteringen te ondergaan, die hun door het zwaard, het vuur, door tangen en op alle mogelijke wijzen aangedaan werden. Zoo ontsliep elk hunner vredig, zacht en liefelijk.
Hun leven na den dood.
2. Verlangend om te weten wat verder met hen zou geschieden, zag ik engelen van den hemel neerdalen, die op bevel van God voor ieder een plek uitzochten, waar zijn lichaam een rustplaats vinden zou. Alsdan bewaakten zij zijn graf, nadat vriend of vijand of de engelen zelfs hem ter aarde besteld hadden, opdat het stoffelijk overschot der heiligen bewaard bleve voor Satans geweld en ook maar niet het kleinste deeltje van hun stof verloren zou gaan. Onderwijl namen andere engelen de ziel tot zich en droegen haar in wonderbaren luister, onder het klinken van jubeltonen naar boven. Toen ik daarop mijn bril1 recht zette en hen met den blik des geloofs volgde, aanschouwde ik een onuitsprekelijke heerlijkheid.
Want zie, in den hooge zat God, de Heer der heirscharen, op zijn troon; rondom hem was vlekkeloos licht gespreid van het eene eind des [316]hemels tot het andere. Onder zijn voeten blonk het als van kristal, smaragden en saffieren; zijn troon was jaspis en daar rondom was een schoone regenboog. Duizenden van duizenden en tienmaal duizend keer honderdduizenden engelen stonden voor Hem en zongen afwisselend in koren: „Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen, hemel en aarde zijn vol van zijne heerlijkheid.”
2. En vier en twintig ouderlingen vielen voor zijn troon op de knieën, en legden hun kronen aan de voeten van Hem, die leeft tot in alle eeuwigheid en zongen met luider stem: „Gij zijt waardig, Heer, te ontvangen den roem, de eer en de macht; want gij hebt alle dingen geschapen en door Uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen.”
3. Ik aanschouwde ook voor zijn troon een andere groote schare, die niemand zou kunnen tellen uit alle natiën en stammen, volkeren en tongen1, wier aantal door toevoeging van de zielen der heiligen Gods, welke op de aarde gestorven waren en door de engelen omhoog gedragen werden, zich nog steeds vermeerderde; en het geluid werd voortdurend sterker. En zij riepen: „Amen, de zegening, roem en wijsheid en dankzegging, de eer, de macht en de kracht, onzen God in alle eeuwigheid. Amen!”2 [317]
4. Zoo zag ik blinkend licht, luister en onuitsprekelijke heerlijkheid en hoorde het onbeschrijfelijk schoone gezang der hemelsche heirscharen, en dat alles was vreugdevoller en wonderlijker dan dat onze oogen, onze ooren en ons hart het ooit zullen kunnen vatten en begrijpen.
5. Geheel ontzet bij het zien dezer heerlijke hemelsche dingen, viel ook ik voor den troon der goddelijke majesteit op de knieën, mij schamende over mijne zondigheid en dat ik een mensch van onreine lippen was, en riep uit: „Heer, Heer, Heer, Gij, die een sterke God zijt, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en waarheid, die barmhartigheid doet aan duizenden en hun ongerechtigheid, overtredingen en zonde vergeeft!3 Heer, heb ook met mij, zondig mensch, erbarmen, om Jezus Christus’ wil!”
Toen ik uitgesproken had, klonk de stem van mijn Verlosser, Jezus den Heer, uit het midden van zijn troon, en hoorde ik deze liefelijke woorden tot mij richten: „Vrees niet, mijn beminde, ik ben met u, ik, uw Verlosser en Trooster, vrees niet. Zie, uwe ongerechtigheid is van u weggenomen, en uwe zonde is uitgedelgd.—Verblijd [318]u en wees vroolijk, want uw naam staat hier opgeschreven bij die der hemelingen; indien gij mij trouw zult dienen, zult gij worden als een van hen. Laat, wat gij hier gezien hebt daartoe strekken, dat gij mij nog meer zult vreezen, en te zijner tijd zult gij nog grootere dingen zien. Wees waakzaam alleen in datgene, waartoe ik u geroepen heb en bewandel trouw den weg ter zaligheid, dien ik u gewezen heb. Toef in de wereld, zoolang ik u daarin laat, slechts als pelgrim, bijwoner, nieuweling of gast, maar blijf bij mij hier als huisgenoot Gods; want ik schenk u het burgerrecht der hemelstad. En zoek daarom den omgang met den hemel; hef steeds uw hart, zoo hoog gij kunt, tot mij, maar laat het zoo diep mogelijk buigen voor uw naaste; maak gebruik van de aardsche dingen, zoolang gij in de wereld zijt; maar verlustig u alleen in de hemelsche. Voeg u naar mijn wil, doch verzet u en kant u tegen wereld en vleesch.—Bewaar inwendig de wijsheid, die ik u geschonken heb, en uitwendig de eenvoudigheid, die u aanbevolen is. Laat uw hart spreken, uw tong zwijgen; wees teer van gevoel, als gij de beden uwer naasten aanhoort, doch gehard in het dragen van onrecht, dat u zelf treft. Dien met uw ziel alleen mij, met uw lichaam wien gij kunt of moet dienen; doe hetgeen ik u beveel; draag, wat ik u opleg; wees onbereidwillig jegens de wereld, kleef mij altijd aan; laat uw lichaam in de wereld zijn en uw hart in mij. Als gij slechts zoo wilt handelen, zult gij gezegend [319]zijn en zal het u wel gaan. Zet nu uw weg voort, mijn zoon, sta in uwe roeping tot het einde uws leven en geniet met blijdschap den troost, waartoe ik u geleid heb.”
Hierop verdween het gezicht van voor mijn oogen en vallende op de knieën sloeg ik mijn oogen naar boven en dankte, zoo goed als ik het vermocht, mijn Verlosser met de volgende woorden: „Gezegend zijt Gij, mijn Heer en God, die eeuwig lof en prijs waardig zijt en gezegend zij Uw glorierijke en hoogheilige naam in alle eeuwigheid! Dat Uwe engelen U verheerlijken en al Uwe heiligen Uwen lof verkondigen. Want groot zijt Gij van vermogen en Uwe wijsheid is ondoorgrondelijk en Uwe barmhartigheid gaat al Uwe werken te boven. Ik wil U loven, Heer, zoolang ik leef, en Uw heiligen Naam lofzingen, zoolang ik besta, want Gij hebt mij verheugd door Uwe barmhartigheid en mijn mond vervuld met gejuich, daar Gij mij uit het meesleurende geweld van den stroom gerukt, uit een diepen draaikolk gered en mijn voeten op vasten grond gezet hebt.—Ik was verwijderd van U, o God, die de eeuwige zoetheid zijt, maar Gij zijt tot mij gekomen met Uwe erbarming; ik heb gedwaald, maar Gij hebt mij aan het rechte pad herinnerd; ik doolde rond met [320]wankelende schreden, niet wetende, waarheen mij te wenden, maar Gij hebt mij op den rechten weg geleid; ik liet Uw leiding varen en had U en mijzelf verloren, maar Gij verscheent weer en deedt mij tot mijzelf komen en tot U terugkeeren. Ik ben gekomen, tot waar de bitterheid der hel begint, maar Gij trokt mij achterwaarts en voerdet mij op, tot waar de hemelsche zoetheid een aanvang neemt. Daarom love mijn ziel haar Heer en alles, wat in mij is, zijnen heiligen Naam. Mijn hart is bereid, o Heer, mijn hart is bereid, ik zal U ter eer zingen en jubelen. Want Gij zijt hooger dan al wat hoog is en dieper dan al wat diep is, wonderbaar, heerlijk en vol van mededoogen. Wee, de verdwaasde zielen, die, na U te hebben verlaten, nog meenen den vrede te kunnen vinden, die noch in den hemel, noch op de aarde, noch in den afgrond te vinden is buiten U, want in U alleen is eeuwige rust. Hemel en aarde zijn de Uwe, zijn goed, schoon en begeerlijk, omdat zij door U geschapen zijn; toch zijn ze noch zoo goed, noch zoo schoon en evenmin zoo begeerlijk als Gij, hun Schepper; daarom kunnen wij den honger der ziel, die naar troost zoekt, niet verzadigen en haar dorst niet stillen. Gij, Heere, zijt de volkomene vervulling; ons hart is onrustig, zoolang het niet in U tot rust komt. Ik heb U, o eeuwige Schoonheid, laat liefgekregen, wijl ik U zoo laat heb leeren kennen; en ik leerde U kennen, toen Gij uw schijnsel op mij deedt vallen, o hemelsch Licht! Laat zwijgen over Uw lof, wie [321]Uwe barmhartigheid niet zelf ervaren heeft; maar gij, mijn allerbinnenste, belijd Uw Heer! O, wie geeft mij, dat mijn hart door U bedwelmd mag worden, Gij, Geur der eeuwigheid, opdat ik al datgene vergete, wat Gij niet zijt, mijn Heer. Verberg U niet langer voor mijn hart, o schoonste Schoonheid; en indien de aardsche dingen U voor mij zouden verdonkeren, dan wil ik liever sterven, juist daarom, wijl ik U dan steeds aanschouw, bij U mag zijn en U nimmermeer zal verliezen. Houd mij vast Heer, leid mij, draag mij, dat ik niet van U afdwaal en niet valle; geef dat ik U beminne met een eeuwige liefde en dat ik nevens U niets anders beminne, tenzij dan om Uwentwil en in U, o oneindige Liefde! Doch wat zal ik nog meer spreken, mijn Heer? Hier ben ik, de Uwe ben ik; Uw eigen ben ik, de Uwe ben ik voor eeuwig. Ik wil mij hemel en aarde gaarne ontzeggen, als ik slechts U heb. Alleen onttrek U niet aan mij, dan heb ik genoeg; een genoegzaam deel van wat, de geheele eeuwigheid door, onveranderlijk is, vind ik in U alleen.—Mijn ziel en lichaam jubelen U, den levenden God, tegemoet; ach, mag ik haast heengaan, en voor Uw aangezicht verschijnen? Neem mij, o Heer, mijn God, wanneer het Uw wil is; hier ben ik, ik sta gereed; roep mij, wanneer Gij wilt, dat ik gaan zal, waarheen Gij wilt, zooals Gij wilt. Ik wil gaan, waarheen Gij mij beveelt; ik zal doen, wat Gij mij gebiedt; Uw goede Geest geleide mij en voere mij als over een effen land door de valstrikken der wereld [322]heen en Uwe barmhartigheid geleide mij op al mijne wegen en voere mij, door die ach, zoo bange duisternissen der wereld, tot het eeuwige licht.
Amen en Amen.”
Gloria in excelsis DEO et in terra Pax hominibus bonae Voluntatis1. [323]
In tijden van geloofsstrijd en nationale vernedering zijn meermalen de merkwaardigste litteraire voortbrengselen ontstaan. In het jaar 1569, een der meest rampspoedige jaren van den tachtigjarigen oorlog, schreef Marnix van St. Aldegonde zijn meesterlijke klassieke satire: de Bijenkorf; in een der moeilijkste jaren voor het Tsjechische volk, kort na den slag op den Witten Berg, schreef Comenius zijn beroemde allegorische satire: „Labyrint Světa a ráj srdce”. Terwijl echter Noord-Nederland de felle slagen, door Spanje en Rome aan het land toegebracht, onder de leiding van het fiere Oranjehuis en door de staatsmanskunst van eenige vurige patriotten te boven kwam en een ongekenden bloeitijd tegemoet ging, bezweek Bohemen onder het geweld van Habsburg en Rome en verloor het zijne politieke en geestelijke zelfstandigheid reeds in den aanvang van den Dertigjarigen Oorlog (1618–1648). Het duurde twee eeuwen, voordat een nationale wedergeboorte, die door Palacký ingeluid werd, plaats greep; terwijl eerst na den wereldoorlog de politieke zelfstandigheid herkregen werd.
Toen het „Labyrint” geschreven werd, hadden de Tsjechen een bloeitijd van een paar eeuwen [324]achter den rug en was de periode van verval juist aangevangen. Men heeft hier te lande in den regel een verkeerde beschouwing aangaande de beteekenis van het koninkrijk Bohemen in de middeleeuwen, ten gevolge van de niet zeer duidelijke uiteenzetting der feiten in onze geschiedenisleerboeken—gevolg van de beschouwing der Duitsche handboeken. Men beschouwt het toenmalige Bohemen als een leengoed van den Duitschen keizer, zonder absolute eigen zelfstandigheid, geheel in den trant van Beieren, Saksen etc. Deze opvatting kan echter slechts—en dan nog maar ten deele—als juist gelden tot het begin van de 15e eeuw, den tijd van Johannes Hus. Van het begin der middeleeuwen tot 1306 regeerde over Bohemen het vorstenhuis der Přemysliden, dat aanvankelijk slechts de hertogelijke waardigheid bezat en evenals de Slavische onderdanen, met tegenzin de leenhoogheid van den Duitschen keizer moest erkennen. Intusschen bewezen deze vorsten van het betrekkelijke groote land den keizer dikwijls belangrijke diensten, tot loon waarvan keizer Frederik II (1215–1250) de reeds in 1085 geschonken en in 1212 erfelijk verklaarde koningskroon opnieuw aan Ottokar I bevestigde, die, held en staatsman als hij was, zich in het bezit daarvan wist te handhaven. Diens zoon Ottokar II voegde alle Duitsche landen der latere Oostenrijksche monarchie aan zijn stamland toe, uitgezonderd Tirol en Salzburg, maar verloor in 1278 behalve al deze provinciën ook zijn leven in den strijd tegen Rudolf van Habsburg. Ziehier de [325]eerste voor Bohemen noodlottige gebeurtenis, waarin het later zoo gevreesde en verfoeide huis Habsburg een rol speelde. Helaas, ook in verband met de nog zwaardere rampen, die na eenige eeuwen volgden, stond de naam Habsburg opnieuw met zwarte kool geteekend. Daartusschen liggen eenige eeuwen van buitengewonen bloei onder de heerschappij van het huis Luxemburg (1310–1437). De voornaamste vorst uit dit beroemde huis was Karel I, die als Karel IV in 1346 tot Duitsch keizer gekozen, te Praag resideerde en zijn eigen Boheemsche kroonlanden tot grooten bloei bracht. Hij regeerde met vaste hand, bevorderde handel, industrie, mijnwezen en landbouw en verwierf voor de Boheemsche kroon, die toen reeds de Lausitz en Silezië bezat, voor korten tijd ook nog het grootste deel van de thans tot Beieren behoorende Oberpaltz en de mark Brandenburg. Hij stichtte de universiteit te Praag in 1348, de eerste in Midden-Europa. Als direct gevolg van de daardoor ontstane hoogere cultuur, ontwikkelde zich de eerste kiem van de sindsdien nooit geheel uitgedoofde nationaliteitsbeweging der Tsjechen.
De Tsjechen, die behalve aan de oostgrens, waar de Magyaren woonden, geheel door Duitschers omgeven waren, kwamen toen ter tijd reeds tot het bewustzijn, dat de vele Duitschers, die hun kolonies aan den rand met goedvinden en zelfs onder aanmoediging der landsvorsten hadden gesticht, en een grooten invloed aan het hof en bij de geestelijkheid bezaten, een gevaar voor de Tsjechische natie beteekenden. De nationale gevoelens [326]vonden na den dood van Karel in het begin der 15e eeuw hun belichaming in de grootsche figuur van den reformator Johannes Hus, die als rector der Praagsche universiteit het bestuur van deze hoogeschool en de leiding van het onderwijs geheel in Tsjechische handen bracht. Het is bekend, hoe zijn dood op den brandstapel te Constanz de verschrikkelijke Hussietenoorlogen ontketende (1419–1435), die niet alleen ontzaglijke geestelijke beroeringen in Europa verwekten, maar ook in staatkundigen zin de verhouding tot het Duitsche rijk wijzigden. Het overwicht der Hussietische wapenen veranderde Bohemen in een land, waar evenals in Polen geen erfopvolging heerschte, maar de koning door de standen gekozen werd. Men weet uit de geschiedenis, dat dit stelsel de landen politiek ten ondergang doemde. Onderlinge verdeeldheid der standen, zwakheid of tyrannie der gekozen vorsten leidden tot verval. Na beurtelings een eigen Tsjechischen1, Poolschen en Hongaarschen vorst te hebben gehad, werd te onzaliger ure, 23 Oct. 1526, aartshertog Ferdinand van Oostenrijk, de latere Keizer Ferdinand I tot koning gekozen. Deze wist met groote taaiheid zijn troon te verdedigen en het erfrecht aan het huis Habsburg te brengen, terwijl hij zijn macht op soortgelijke wijze ook in Hongarije wist te vestigen. Zijn opvolgers Maximiliaan (1564), Rudolf (1576) en [327]Matthias (1611) waren gematigde regeerders, die het bloeiende Bohemen als een parel aan hun kroon wisten te waardeeren. Het cultureele overwicht der Tsjechische landen op de aloude Habsburgsche landen (Opper- en Neder-Oostenrijk, Tirol etc.) bracht Rudolf ertoe Praag tot zijn residentie te kiezen. In 1609 gaf hij zijn onderdanen den Majesteitsbrief, waarin binnen zekere grenzen vrije uitoefening van godsdienst werd gewaarborgd.
Matthias stierf in 1619, doch liet reeds twee jaren te voren zijn bigotten neef Ferdinand (later Ferdinand II) in Praag komen, een feit van de allergrootste beteekenis, daar de door de Jezuïeten opgevoede, fanatieke vorst met Philips den tweeden de meening deelde, dat het beter was over een verwoest dan over een door ketters bewoond land te regeeren.—Reeds in 1618 deed de regeering pogingen de godsdienstvrijheid op te heffen; deze stieten bij het toen voor 7/8 Protestantsche Bohemen op den grootsten tegenstand, leidden tot verzet van de zijde der standen, dat tot daden overging, toen de beide koninklijke raadsheeren Martinitz en Slavata den 23 Mei van dat jaar uit het venster van den koninklijken burcht te Praag werden geworpen. Het drama van den dertigjarigen oorlog—de grootste ramp die ooit Bohemen trof—was hiermee begonnen. De standen kozen na Matthias’ dood in 1619 den Protestantschen keurvorst Frederik V van de Palts tot koning. Toen echter de slag bij den Witten Berg ten gunste der keizerlijke troepen was beslist, (8 Nov. [328]1620), nam Ferdinand de sluwste maatregelen om zich te wreken en zijn macht voor goed te vestigen; dertig der voornaamste geestelijke en intellectueele leiders der Tsjechen werden 1621 voor het stadhuis te Praag onthoofd. Aan de Jezuïeten gaf hij de opdracht, waarvan zij zich evengoed kweten als later in Polen, een contra-reformatie tot stand te brengen. Een der voornaamste uitvoerders was de onlangs heilig verklaarde Canisius.
Alle „rebellen” werden verbannen en hun goederen geconfisqueerd; de constitutie werd opgeheven. Het resultaat was, dat Bohemen reeds in 1648 een zuiver katholiek land was geworden of liever scheen te zijn, en de Boheemsche kroon het karakter eener absolute monarchie had aangenomen; men vrage niet, tot welke offers. De bevolking, die in 1618 vier millioen bedroeg, telde nog slechts 800.000 inwoners. Een Tsjechische adel bestond niet meer; het grootgrondbezit kwam in vreemde handen, welvaart en cultuur waren vernietigd, het nationale Tsjechische leven was gedurende twee eeuwen uitgedoofd. Het illustre koninkrijk Bohemen was verlaagd tot een Habsburgsche provincie; zijn hoofdstad, van haar glans beroofd, kwijnde voort in roemloos bestaan.
Tegen dezen historischen achtergrond en binnen de omlijsting zijner Tsjechisch-Moravische Broeder-uniteit teekent zich de lichtende verschijning af van Jan Amos Comenius. Toen de vruchten van de overwinningen der Hussieten door onderlinge [329]verdeeldheid schier te loor gingen, verzamelden zich de verstrooide kudden der Taborieten of echte Hussieten tot gemeenten, die zich met elkander vereenigden tot de kerkgemeenschap der Broeder-uniteit. De aanwezigheid van elementen in haar, welke buiten de leer van Hus vallen, is ten deele te danken aan den invloed van Peter Chelčický, gedeeltelijk aan Waldenzische en Anabaptische invloeden. Binnen onze landpalen komt het oude Mennonisme haar het meest nabij. Haar het meest in het oog loopende trekken zijn: een innig gevoel van broederlijke saamhoorigheid; een groote zedelijke ernst, om de navolging van Christus in een heilige gemeente te beoefenen. Dientengevolge een nauwgezette ijver om de jeugd door onderwijs en opvoeding tot een levende kennis der christelijke waarheid op te leiden; een bijzondere zorg voor de opleiding harer geestelijken en onderwijzers en ten slotte een, niet uit lauwheid, maar uit innerlijke vroomheid voortspruitende christelijke gezindheid, die er zijn vreugd in vond den nadruk te leggen op het gemeenschappelijke en niet op het scheidende element. Naast meer uiterlijke kenmerken, als verbod van krijgsdienst, eedverbod, het versmaden van wereldlijke ambten, het onderhouden eener zeer strenge kerkelijke tucht, geheel in de lijn der mennonieten, stelde de uniteit het beginsel der vrijwillige armoede ook op den voorgrond. Geen predikant mocht meer dan 200 thaler bezitten. Geen wonder, dat Lasitius, de Poolsche geschiedschrijver der uniteit, als Luthers oordeel, vermeldt: [330]„Es sind von der Apostel Zeiten her keine Leute aufgestanden, deren Gemeine denen apostolischen Lehren und Gebräuchen näher gekommen, als die Böhmischen Brüder. Und wann gleich diese Brüder uns in der Reinigkeit der Lehre nicht übertreffen (indem alle Glaubensarticuln von uns lauter und rein aus dem Worte Gottes gelehret werden) so übertreffen sie uns doch weit mit ihrer ordentlichen Kirchenzucht, womit sie ihre Gemeinden im Seegen regieren, und in diesem Stück lobwürdiger, als wir sind, welches wir ihnen um der Ehre Gottes und um der Wahrheit willen eingestehen mussen, indem unser Teutsches Volk unter das Joch der Kirchenzucht sich noch nicht beugen will”2.
Als zoon dezer gemeenschap werd Jan Amos Comenius den 28 Maart 1592 te Uherský Brod in Zuid-Oost Moravië uit een aanzienlijke familie geboren, die naar haar afkomst uit de plaats Komna den Tsjechischen naam Komenský droeg. Hij werd door zijn ouders reeds vroeg onder het gehoor gebracht van de ernstige prediking der Jednotaleeraren3, waaraan hij zich gewillig en gaarne onderwierp. In het jaar 1604 verloor hij achtereenvolgens zijn vader en moeder en kwam als wees ten huize van zijn tante in Stražnice, waarna hij van 1604–’05 de school der broederen bezocht. Zijn ouders hadden hem [331]niet onbemiddeld achtergelaten; het was evenwel niet de bedoeling zijner voogden hem een wetenschappelijke opvoeding te geven. Aangedreven door zijn leergeerigheid wist hij in 1608 den weg te vinden naar de Latijnsche (hoogere broederen)-school te Přerov, waar hij als leerling de bijzondere gunst van den Bisschop der Jednota, Jan Lanecius, genoot. Van hier ging het verder naar de West-Duitsche gereformeerde Universiteit te Herborn in Nassau, waar hij het auditorium betrad van den voortreffelijken exegeet Piscator en den encyclopaedist Alstedius. Hoog ging de deining van het universitaire leven dier dagen; de geest spitste er zich evenwel, in tegenstelling met onze dagen, minder op het doorvorschen van een bijzonderen tak van wetenschap, dan wel op uitbreiding van kennis in de wijde gebieden van het wetenswaardige.
Reeds hier begon hij het materiaal te verzamelen voor een groot woordenboek der Tsjechische taal, een werk, dat hem vier en veertig jaren zal bezighouden. Voor zijn landgenooten stelde hij er het geschrift „Divadlo veškerenstva věci”4 op, waarin hij hun een beschrijving van de geheele wereld wilde geven en hun een hoeveelheid kennis trachtte bij te brengen, die zij tot nu toe ontbeerden.
Van Herborn trok hij naar de Universiteit te Heidelberg, waarna hij zijn studie voleindigde met een reis door Duitschland naar de lage landen bij [332]de Noordzee, waar zoo juist het fondament der geloofs- en burgerlijke vrijheid zoo hecht gelegd was en wetenschappen en kunsten opbloeiden. In 1614 bevindt Comenius zich te Amsterdam en keert van daar naar Praag terug.
Reeds nu werden in het vaderland de oogen vol verwachting op hem geslagen; Karel van Žerotin, aan wien hij het „Labyrint” heeft opgedragen, vertrouwt hem de leiding van het gymnasium te Přerov toe, waar hij reeds dadelijk begon na te denken over en experimenteerde met een betere methode om het Latijn te leeren, voor zoover zijn taak—hij werd in 1616 ook als geestelijk ambtsdrager geordend—hem den tijd liet. In 1618 volgde daarop de benoeming tot predikant en rector der beroemde broederenschool in Fulnek (Noord-Moravië) en in hetzelfde jaar huwde hij de dochter van vermogende ouders eener moravische familie uit Zábřeh. Het is hier in het begin, en later te Amsterdam aan het eind van zijn zwerversloopbaan, dat hij de rustigste jaren van zijn leven geniet. In zijn nieuwe woonplaats ijverde hij met kracht voor de hem toe vertrouwde kudde, vooral ook voor de opvoeding en het onderwijs der kinderen, maar hij vergat evenmin zich zelf verder te ontwikkelen. Het is in dezen tijd vooral de theologische literatuur van den Duitschen professor Johannes Valentinus Andraeae, die door haar leerrijken en opbouwenden inhoud een machtigen invloed op hem uitoefent. Diens tweetal werken „Peregrini in patria errores”, een [333]schildering van de zwerftochten eens menschen te midden der moeilijkheden van het leven en de „Civis christianus”, een beschrijving van den terugkeer des dwalenden pelgrims maakten een sterken indruk op hem; hun groote invloed op het ontstaan van het „Labyrint” valt niet te miskennen.
Reeds heb ik geschetst, hoe de storm van den dertigjarigen oorlog thans nader kwam. Comenius woonde in Fulnek op het landgoed van een Protestantsch edelman, Jan Skrbensky, en moest voor de Spaansche soldaten, die Fulnek bezetten en hem met den dood dreigden, de vlucht nemen. Huis en have gingen daarbij in de vlammen op en de pest, die het leger op den voet volgde, ontroofde hem in 1622 zijn vrouw en beide kinderen. Comenius vond een schuilplaats op de goederen van Karel van Žerotin, die zich geheel buiten den opstand gehouden had en in dezen tijd vier en twintig geestelijken een schuilplaats verleende en onderhield. Eenige jaren genoot hij hier bescherming en vervaardigde voor zijn volk een aantal roerende troostschriften, gebaseerd op de Heilige Schrift. Zoo ontstonden zijne geschriften: „Přemyšlování o dokonalosti Křesťanské”5; „Hlubina bezpečnosti”6, beide in 1622; verder „O sirobě”7, waarin hij den toestand van verlatenheid beschrijft, waartoe hij zelf met [334]anderen vervallen is, en de middelen zoekt om zich in dezen verweesden staat met gelatenheid te schikken.
Het best evenwel wordt zijn gemoedsstemming in die dagen geteekend in het tractaat: „Truchlivý”, d.i. de droevige en benauwde weeklacht van een christen over het ongeluk van zijn vaderland en de ellende der kerk. Hij vertelt daarin, hoe hij dikwijls ’s nachts van angst niet kon slapen en bij God den troost vond, die verstandelijke argumenten hem te voren niet konden verschaffen. Deze tractaten leveren het bewijs van den adel des gemoeds van dezen waren christen, daar de diepe klaagtoon, zonder bitterheid, van vrede en mannelijke berusting getuigt. De rampen, die de gemeente overkomen, wijst Comenius aan als de middelen tot zelfbeproeving en herstel, de ellende die voorbijgaat, als den ingang tot het onaantastbare paradijs des harten, dat in God als het onbewegelijke rustpunt de diepte der zekerheid gevonden heeft.
Comenius bereikte in het eind van 1622 de hem door van Žerotin verleende schuilplaats te Brandys in Bohemen. Het smalle, ronde dal, waarin dit stadje ligt, zinkt in de diepte weg tusschen de omringende hooge dennenwouden. De snelvlietende, donkere Orlice scheidt de stad van den hoogen heuvel Klopota. Het ronde marktplein en het thans tot een ruïne vervallen slot der van Žerotins herinneren, van den heuvel gezien, aan het marktplein der wereld en het slot van Fortuna. [335]Daar, aan gene zijde der rivier onder dien hoogen heuvel, kon Comenius zich rustig aan de overdenking wijden van zijn korten, doch reeds zeer wisselvalligen levensloop, van den droevigen toestand van staat en kerk, die hem niet weinig beklemde. Gesterkt door den inhoud van Andraeae’s geschriften begon hij de ijdelheid en onbestendigheid der menschelijke zaken te doorzien; hoe het hart des menschen onrustig is, tot het rust vindt in God. En zoo was dan zoowel de juiste atmosfeer als het juiste milieu geschapen, waarin het Labyrint der wereld door zijn hand kon worden geschreven.
Het „Labyrint světa a ráj srdce” is zonder twijfel het schoonste troostschrift, dat Comenius vervaardigde. De inhoud is echter in tegenstelling met dien der genoemde rij geschriften van dezen homo vocatione theologus niet uitsluitend religieus. De eerste 35 hoofdstukken bevatten een satirische reisbeschrijving van een pelgrim door de wereld, die in al haar zonde en voosheid wordt geschetst. Het bedrog der kooplieden, de dwaasheid en wreedheid van het onderwijswezen, het odium der geleerden, de lediggang en de trots der rijken, de ongenaakbaarheid der vorsten en de wankelbaarheid hunner tronen worden op satiriek-levendige wijze vol fijnen humor beschreven. De Ariadnedraad der Goddelijke Wijsheid leidt den tot wanhoop gebrachten [336]pelgrim in het paradijs des harten met het opschrift: „bemin God boven alles en uwen naaste als u zelf.” De thans overleden Ernest Denis8, uitnemend kenner der Tsjechische geschiedenis en literatuur, schrijft over dit boek als volgt: „Er bestaat geen enkel werk, waarin beter uitkomt, hoe de Tsjechische volksziel gevormd werd, eenerzijds door de geschiedenis van het land, ter andere zijde door het innerlijke conflict, dat haar verdeeld houdt tusschen het Westen, dat haar zijn cultuur schonk, en het Oosten, waartoe zij zich als haar bakermat aangetrokken voelt en waarheen de eisch harer nationale zelfstandigheid haar verwijst. De bekoring van deze mystieke allegorie schuilt in den ongekunstelden eenvoud en de oneindige teederheid van den schrijver. Comenius weet, hoever wij verwijderd zijn van de volmaaktheid, die zijn ideaal is en die hij verwacht; in het doorschouwen zijner medemenschen is hij niet te misleiden, doch zijn satire wordt verzacht door medelijden en hij veroordeelt de bescheiden vreugden niet, waarvan hij de broosheid kende. Zijn allegorie is op eigen herinnering gegrond!” De waarheid van Denis’ bewering, dat het „Labyrint” invloed uitoefende op de moderne Russische schrijvers, die denzelfden zin voor psychologische ontleding en het waarnemen der kleinste gegevens bij den mensch bezitten en daaraan een innig gevoel van medelijden met zijn ellende verbinden, durven wij niet staven; deze overeenkomst [337]kan zeer goed berusten op beider afstamming van het Slavische ras.
Men kan zonder overdrijving beweren, dat de conceptie van de wereld als een stad en van den mensch als een pelgrim, die haar doorreist, reeds eeuwen oud is. Campanella’s Zonnestad en Moore’s Utopia schetsen den door hen gedachten toestand, geven een beeld van het leven, zooals hun verbeeldingskracht hun dat voorteekent, doch hun gelukstaat blijft een wereldsch paradijs, vergeleken met den lusthof des harten van Comenius. Het is duidelijk, dat de vergelijking van Comenius met dergelijke utopisten, waaraan de Tsjechische schrijvers veel waarde hechten, mank gaat. Comenius achtte het niet noodig aan de beschrijving van de samenleving der ware christenen meer dan een paar bladzijden te besteden: het zijn de door hem onthulde schatten des harten, die boven de gemeenschap uitgaan! Met minstens evenveel recht zou men de verwantschap mogen verdedigen met „de civitate Dei” van Augustinus9. Een directe invloed ging uit van de reeds genoemde werken van Andraeae; de boutade der Rozenkruisers in hoofdstuk 13 is zelfs voor een groot deel een copie uit Andraeae’s10 geschriften. De grootste overeenkomst [338]biedt echter Bunyan’s werk, „the Pilgrim’s Progress”, dat Comenius niet meer gekend heeft. Dit is een allegorische schildering van de beproevingen, die de christen in het leven moet ondergaan en de verzoekingen, waartegen hij te strijden heeft; het ontstond in de jaren 1678–’84, toen de levensdagen van Comenius reeds geteld waren. In beide boeken zwerft een pelgrim begeleid door gidsen door de booze wereld; in beide verleent Gods genade ten slotte den eenigen troost en het eenige geluk. In de „Christenreize” treft men eveneens een komische beschrijving van een rechtsgeding aan; zoo is er meer overeenkomst in details, die evenwel door veel grootere contrasten in de schaduw gesteld worden. De beide schrijvers verschilden daartoe te veel zoowel in karakter als in levensomstandigheden. Bunyan kende uitsluitend de leerstukken van zijn religieuze gemeenschap en het leven der lagere klassen in Engeland; Comenius kon met recht zeggen, dat hij alle rangen en klassen der maatschappij kende en niet minder was zijn encyclopaedische geest georiënteerd in de nieuwste theologische en philosophische theorieën en strijdvragen dier dagen. Daar in Bunyan’s tijd nog geen Engelsche vertaling van het „Labyrint” bestond en het moeilijke Tsjechisch den inhoud voor West-Europa [339]ontoegankelijk maakte, staat ook de oorspronkelijkheid van Bunyan’s boek volkomen vast.
Bij het doorlezen van het „Labyrint” treft het ons, dat Comenius geen stand of staat der landbouwers beschrijft. Wellicht is de sympathie, die alle Slavische schrijvers van Chelčický tot Tolstoi toe den boeren steeds hebben toegedragen, ook hier de oorzaak, dat zij niet gehekeld worden. Inderdaad, daar waar zij even verschijnen, zooals in hoofdstuk 32, toont Comenius medelijden met hun verdrukking door de landheeren. Wat den huwelijksstaat betreft, verdient het opmerking, dat Comenius zijn ironie logenstrafte door in 1624 voor de tweede maal te huwen11. In de straat der geestelijken staat hij slechts kort stil bij de Joden en de Mohammedanen, om een uitvoeriger hoofdstuk (18) te wijden aan het Christelijk geloof. De ruimhartigheid, waarmee hij geloofsovertuigingen, die van de zijne afwijken, tegemoet treedt, springt even duidelijk in het oog als zijn ongeveinsde sympathie voor de ware christenen. Zijn persiflage op bisschoppen, die het woord Gods in de eene hand houden en het zwaard in de andere, zullen heden ten dage voor geen enkele kerk meer krenkend zijn; zijn conceptie der christenheid als een kathedraal met talrijke zijkapellen voor de verschillende christelijke secten is een der schoonste allegorieën in het boek. Hoewel talrijke door Comenius in verschillende [340]standen gebrandmerkte misbruiken thans niet meer zullen voorkomen, bevat het Labyrint toch klachten en grieven, die nimmer zullen verstommen, zoolang de wereld in stand blijft. Comenius heeft psychologisch scherp de feiten gezien, die aan verschillende zaken inhaerent schijnen te zijn: het onbesuisde en roekelooze der fortuinzoekers, het brute van den militairistischen geest; het ontoereikende der rechtspraak, het schadelijke uitstel der rechtspleging, de pedanterie en vlak er naast de lichtgeloovigheid der geleerden, waartoe hij zelf behoorde.
Het paradijs des harten vangt aan met hoofdstuk 37. Christus maakt woning in des pelgrims hart, deelt hem mede, dat hij tot zijn uitverkorenen behoort en geeft hem voorschriften voor zijn levenswandel gedurende den tijd, die hem hier beneden nog resten zal. Nog op aarde aanschouwt de pelgrim in een visioen den hemel en ziet God op een troon van edelsteen, omgeven door scharen van engelen. Daarna valt hij op zijn knieën en dankt God in het gebed, waarmee het boek besluit. In deze uitstorting van vurige, gewijde liefde voert Comenius ons op de hoogste bergtoppen der mystiek. Geen wonder, dat Ezechiël en de Openbaringen zijn geliefde bijbelboeken waren! Altijd zich rekenschap gevend van de functies zijner zintuigen, waarmede hij immers de eigenschappen der realia waarnam, transponeert hij deze tot den dienst zijner mystieke adoratie en hoort, ruikt en ziet slechts wonderdaden Gods! Het quietistisch [341]accent in deze mystiek is opmerkelijk, omdat het echte quietisme van Madame Guyon een twintigtal jaren na Comenius’ dood het toppunt van zijn bloei bereikte. Het spreekt echter van zelf, dat er nog een groot verschil blijft tusschen beider mystiek.
Hoewel de stijl van het boek, die aan den Bijbel en aan Seneca herinnert, dikwijls zeer ingewikkeld is, werd het om zijn voortreffelijke schildering der cultuur aan het begin van den dertigjarigen oorlog als document humain van een zwaar beproefde ziel spoedig populair. Het innig Godsvertrouwen, dat overal doorstraalt, sterkte menigen broeder, die het doornige pad der ballingschap bewandelde. Uit de volgende twee strophen van een volksliedje uit dien tijd, dat door een naar Slowakije gevluchten broeder gedicht is, blijkt de troost, dien het boek den vervolgden gaf:
|
Nevzali jsme s sebou |
Wij namen niets mede, |
|
nic, po všem veta, |
nadat alles verloren was, |
|
jen bibli Králickou, |
slechts de Kralitser Bijbel |
|
Labyrint světa. |
en het „Labyrint der wereld”. |
|
Tatry, vy přijmete |
Berg Tatra, neem ons op |
|
nás v té ouzkosti, |
in onze benauwdheid, |
|
u vás chceme žíti, |
bij U willen we leven |
|
i složit kosti. |
en onze beenderen doen rusten. |
De eerste Tsjechische uitgave van het Labyrint [342]verscheen in 1631, waarschijnlijk te Lissa. In zijn laatste wijkplaats, te Amsterdam, laschte Comenius in 1663 eenige nieuwe hoofdstukken bij den tweeden aldaar uitgegeven druk in: het verhaal van den schipbreuk en de hoofdstukken 31–35, die handelen over de koningin der Wijsheid. Uit deze nieuwe hoofdstukken van den grijsaard Comenius blijkt, dat deze niets van de frischheid zijner jonge jaren heeft ingeboet. De daarop volgende Duitsche edities verschenen in 1757 en 1787 te Berlijn en nieuwe Tsjechische edities kwamen in 1782 en 1809 te Praag uit, na het in werking treden van het Tolerantiepatent (1781). Te voren had het Labyrint in Oostenrijk op een lijst van gevaarlijke en verboden boeken gestaan, die in 1749 te Königgrätz uitgegeven werd.
Deze laatste editie (van 1809) verscheen wel met approbatie van den censor, die toen besliste, welke boeken in Oostenrijk mochten worden gedrukt, maar werd in 1820 verboden en bleef op den index gedurende de geheele reactionnaire periode van Metternich tot aan het jaar der troonsbestijging van Franz Jozef (1848) toe. Wel is waar was deze maatregel geheel in overeenstemming met het feit, dat de akatholiken12 in het begin der 19de eeuw daar niet veel meer dan geduld werden; daar evenwel de geleerde Tsjechische Jezuïet Balbinus geen aanstoot aan het werk had genomen, is deze strenge censuur ook te beschouwen [343]uit het oogpunt der onderdrukking van de opbloeiende Tsjechische nationaliteit. Na 1848 werd het boek herhaaldelijk en in steeds vlugger tempo in Bohemen herdrukt en in het begin dezer eeuw in verschillende moderne talen overgezet.
Onze vertaling is niet de eerste Nederlandsche uitgave. In 1788 verscheen bij Isaac Du Mee en zonen te ’s-Gravenhage, „Wijsgeerige en heekelende Reizen door de geheele wereld en door alle de standen der menschelijke bedrijven door Z. A. Comenius, bisschop der Protestantsche Boheemsche en Moravische gemeenten”. Het boek is door den anonymen vertaler vrij bewerkt naar de slechte Duitsche uitgave van 1787, die het origineel reeds geweld aandoet door eigenmachtige verkortingen van den tekst en toevoegingen, die den tijdgeest in ’t gevlei komen. De Nederlandsche uitgave is hiervan weder eene verwaterde editie. Ik heb mij ten taak gesteld, zoo nauwkeurig en getrouw als mij mogelijk was, de woorden en gedachten van Comenius in het Nederlandsch over te brengen en zonder in al te lange en gedwongen zinnen te vervallen den stroom van zijn gedachten in een gelijksoortige bedding te leiden, m.a.w. den schrijftrant van C. zooveel mogelijk te behouden. Hoewel talrijke versieringen o.a. alliteraties in den tekst voorkomen, is de taal niet rhytmisch, hetgeen de vertaling, vergeleken bij de „Imitatie”, vergemakkelijkt. [344]
Comenius kon slechts tot 1624 de gastvrijheid van zijn beschermer genieten, wijl in dat jaar alle niet-katholieke geestelijken uit Bohemen werden verbannen; zoo brak voor hem, die zijn kudde niet verlaten wou, opnieuw een zwerversleven vol gevaren aan, dat hij onderbrak door een reis naar het buitenland, die zich tot den Haag uitstrekte, om de vestiging der Broederen in het buitenland voor te bereiden. Kort voor 1627, toen bij keizerlijk edict alle Protestanten, hoog of laag, uit het land verbannen werden, hield hij zich te Branna aan de boven-Elbe schuil op het slot van den edelman Sadovský van Sloupna, in wiens bibliotheek hij kennis maakte met een didactisch werk van Elias Bodinus. Hier wordt het hem op eenmaal ingegeven zijn reeds vroeger gerijpte onderwijsideeën tot een nationaal-religieus doel te verwerkelijken. „Bij het zoo groote verval,” schrijft hij, „van kerken en scholen in het vaderland, hetwelk wij met onze oogen aanzagen, overviel ons de smart daarover, doch—waarom zou ik het verhelen—ontvonkte ook de hoop, dat eenmaal de barmhartigheid Gods tot ons zal wederkeeren. Deze wakkerde ons aan ons ijverig te bekommeren om het herstel, en daarbij heb ik geen andere gedachten gehad, dan dat wij, indien God met zijn oog van barmhartigheid op ons wil nederzien, vooral de vaderlandsche jeugd moeten te hulp komen en wel door het spoedig oprichten van scholen, welke met goede leerboeken en een heldere methode zijn toegerust, zoodat de liefde voor wetenschap, [345]zedelijkheid en godsvrucht weder begint te bloeien.” Ziehier het begin van zijn ontwikkeling tot reformator van het onderwijs; een jonge pastor, die, terwijl zijn volk door dragonnades gemarteld werd, zich met onuitroeibaar optimisme over het kind heenbuigt als de hope van een gelukkiger geslacht!
Tengevolge van het edict van 1627, verlieten 30.000 Tsjechische families, waaronder 500 adellijke geslachten het land. Terwijl de Tsjechische Lutheranen en Gereformeerden zich in verschillende landen onder de gelijknamige belijders verstrooiden, sloegen de Broeders slechts twee wegen in, den een naar Hongarije, den anderen naar Polen. Polen bezat van ouds een door de Broeders gesticht dochterkerk en even over de Silezische grens, te Lissa in de provincie Posen, werd hun door graaf Leszcynski een gulle ontvangst bereid. Lissa werd weldra het belangrijke Broedercentrum met vier kerken en een gymnasium. Hier komt Comenius na een roerend afscheid van zijn vaderland den 8 Febr. 1628 aan; hier begint van jaar tot jaar zijn beteekenis en roem als paedagoog en pansooph te stijgen. Zweden, Engeland en Frankrijk zullen hem als om strijd aanbieden, de hervorming hunner scholen ter hand te nemen.
Het ligt buiten het bestek van dit naschrift Comenius door het labyrint zijner zwerftochten in Europa te volgen13, tot hij in den herfst van [346]het jaar 1656 door Laurens de Geer gastvrij werd opgenomen in het huis met de hoofden op de Keizersgracht te Amsterdam. Eenige maanden te voren had hij voor de tweede maal door de verbranding der stad Lissa door de Polen, zijn have en goed en het grootste deel van zijn handschriften verloren. In Amsterdam bracht hij de rustigste en zeker de meest onbezorgde jaren van zijn leven door. Hij ontsliep aldaar den 22 Nov. 1670, als laatste bisschop der Tsjechische broedergemeente en werd in de Waalsche kerk te Naarden begraven. Laat ik eindigen met de nabetrachting van zijn leven, die Comenius twee jaren voor het einde van zijn aardschen pelgrimstocht in zijn Unum necessarium neerschreef: „Ik dank mijn God, dat hij mij mijn gansche leven lang een man van smachtend verlangen liet zijn. Ofschoon Hij toeliet, dat ik daardoor in menig labyrint verdwaald raakte, heeft hij mij toch geholpen, zoodat ik mij aan de meeste labyrinten ontworstelde; nu voert Hij mijzelf aan Zijne hand naar het uitzicht op de zalige rust.… Gods goedheid zij gedankt, wanneer Hij ons door de dwaalwegen onzer eigen labyrinten met de geheime Ariadnedraden zijner wijsheid toch eindelijk tot zich trekt, tot de bronader van al het goede.… Wat zal ik nu doen, nadat [347]ik mij mijn leven lang op zooveel dwaalwegen met zooveel vergeefschen arbeid heb ingespannen? Ik wil God de beslissing overlaten over leven en dood, over arbeid en rust; met gesloten oog wil ik volgen, waarheen hij mij leidt. Ootmoedig en in geloovig vertrouwen wil ik met David bidden: Leid mij door uwen raad en neem mij eindelijk in heerlijkheid op!”14.
Amsterdam, Sept. 1925.
R. A. B. OOSTERHUIS. [348]
9 Vgl. Cap. XIX de civit. Dei, waarin het zoeken van het hoogste goed in verband met de civitas Dei en de civitas terrena, wordt ter sprake gebracht, met de inleiding van het „Labyrint”. ↑
10 Joh. Val. Andraeae, geb. 1586, een Luthersch geestelijke, die van de toenmaals in zwang zijnde allegorie veel [338]gebruik maakte; hij was hofkapelaan te Stuttgart en later generaal-superintendent te Bebenhausen. Hij stierf 27 Juni 1654 te Stuttgart. ↑
13 Zie hierover: Kvacsala: J. A. Comenius; het artikel van C. P. van Zeghen in Stemmen voor Waarheid en Vrede [346]1891; J. A. C. door R. A. B. Oosterhuis, Stemmen des tijds, Nov. 1920 en de verslagen van het Comenius comité in het Paedag. Tijdschr. v. h. Chr. Ond., Febr. en Dec. 1925 door den laatste. ↑
| Bladz. | ||
| Opdracht | 5. | |
| Aan den lezer | 7. |
Het Labyrint der wereld 12.
Het Paradijs des harten
| 37. | De pelgrim komt thuis | 252. |
| 38. | De pelgrim ontvangt Christus als zijn gast | 255. |
| 39. | De pelgrim verlooft zich met Hem | 257. |
| 40. | De pelgrim is als omgekeerd [350] | 267. |
| 41. | De pelgrim wordt in de onzichtbare kerk opgenomen | 268. |
| 42. | Het inwendige licht der christenen | 273. |
| 43. | De wijsheid der aan God gewijde harten | 279. |
| 44. | De innerlijke wet der christenen | 282. |
| 45. | Alles is licht en gemakkelijk voor harten, die Gode gewijd zijn | 289. |
| 46. | De heiligen hebben overvloed van alles | 293. |
| 47. | De veiligheid dergenen, die Gode zijn toegewijd | 295. |
| 48. | De vromen genieten een volkomen vrede | 299. |
| 49. | Het hart der vromen is bestendig met vreugde vervuld | 307. |
| 50. | De pelgrim beschouwt de christenen in verband met hun standen | 309. |
| 51. | De dood der ware christenen | 314. |
| 52. | De pelgrim aanschouwt de heerlijkheid Gods | 315. |
| 53. | De pelgrim wordt onder de huisgenooten Gods opgenomen | 317. |
| 54. | Het besluit van alles | 319. |
| Naschrift | 323. | |
| Inhoudsopgave | 348. |
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 389 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 5 | ZEROTIN | ŽEROTIN | 1 / 0 |
| Passim. | ”, | ,” | 2 |
| Passim. | ”. | .” | 2 |
| 11, 78, 256, 329, 340 | , | [Verwijderd] | 1 |
| 27, 88, 141, 144, 155, 161, 163, 165, 169, 219, 257, 333 | [Niet in bron] | „ | 1 |
| Passim. | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 31 | hude | bude | 1 |
| 32, 171, 311, 348, 348 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 44 | en en | en men | 1 |
| 44 | ver-, staat | verstaat | 3 |
| 50, 100, 128, 130, 156, 156, 157, 170, 170, 171 | ”? | ?” | 2 |
| 56, 76, 76, 96, 208, 219, 248, 304 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 60 | hnn | hun | 1 |
| 73 | meubelstnk | meubelstuk | 1 |
| 75 | „ | [Verwijderd] | 1 |
| 76, 287 | nit | uit | 1 |
| 86 | een een | een | 4 |
| 105 | Copernicns | Copernicus | 1 |
| 110 | .”. | .” | 1 |
| 128 | „ | „ | 2 |
| 134 | antwoorde | antwoordde | 1 |
| 136 | Mohamed | Mohammed | 1 |
| 147 | toetsteen | toetssteen | 1 |
| 152 | geidealiseerde | geïdealiseerde | 1 / 0 |
| 153 | Overal | Overalbij | 3 |
| 154 | verschrfkt | verschrikt | 1 |
| 155, 156, 158, 160, 160, 170 | ”! | !” | 2 |
| 170 | vestgemest | vetgemest | 1 |
| 197 | aesperationis | desperationis | 1 |
| 204 | gesehiedenis | geschiedenis | 1 |
| 217 | [Niet in bron] | 5. | 3 |
| 220 | Israelietische | Israëlietische | 1 / 0 |
| 221 | te te | te | 3 |
| 239 | . | [Verwijderd] | 1 |
| 239 | [Niet in bron] | ) | 1 |
| 240 | [Niet in bron] | van | 4 |
| 243 | technisehe | technische | 1 |
| 270 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| 280 | ontoegefelijk | ontoegeeflijk | 2 |
| 293 | veelmeer | veel meer | 1 |
| 301 | . | , | 1 |
| 306 | benauwheid | benauwdheid | 1 |
| 317 | ouuitsprekelijke | onuitsprekelijke | 1 |
| 317 | onschrijfelijk | onbeschrijfelijk | 2 |
| 317 | ; | , | 1 |
| 319 | ver wijderd | verwijderd | 1 |
| 324 | 15e | 15e | 0 |
| 328 | des | der | 1 |
| 328 | Jezuiëten | Jezuïeten | 2 / 0 |
| 329 | gemeenschappelijk | gemeenschappelijke | 1 |
| 331 | Jeduota | Jednota | 1 |
| 331 | , | . | 1 |
| 332 | litteratuur | literatuur | 1 |
| 333 | Křestǎnské | Křesťanské | 2 / 0 |
| 334 | von | van | 1 |
| 338 | , | ; | 1 |
| 339 | Mohamedanen | Mohammedanen | 1 |
| 342 | Königgratz | Königgrätz | 1 / 0 |
| 343 | text | tekst | 2 |