*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79622 *** PADDENSTOELEN DOOR DR JAC. P. THIJSSE TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES, NAAR TEEKENINGEN VAN C. ROL EN J. VOERMAN JR. GROOTE PLAAT EN SAMENSTELLING VAN HET ALBUM DOOR JAC. J. KOEMAN. BANDVERSIERING EN ZWART-WIT TEEKENINGEN VAN C. ROL. PLAATJES IN OFFSETDRUK VAN DE FA L. VAN LEER & Co DRUK- EN BINDWERK VAN BLIKMAN & SARTORIUS 1929 UITGAVE VERKADE’S FABRIEKEN N.V., ZAANDAM VOORWOORD Van de vele soorten van paddenstoelen die in ons lieve land groeien, hebben wij er hier ongeveer een gros afgebeeld. Over de keuze zullen wij niet twisten. Zonder moeite zouden wij een dertigtal kunnen vervangen door dertig andere, die minstens even mooi en belangrijk zijn. Maar ik hoop, dat dit eenvoudig en beknopt album u toch duidelijk kan maken, welk een schat van schoonheid en kennis in deze plantengroep wordt geopenbaard. JAC. P. THIJSSE I. DE MOOIE PADDENSTOELEN Eigenlijk zijn ze allemaal mooi, groote en kleine, en er zijn er te vinden op alle tijden van het jaar. Gewoonlijk echter denkt men bij het woord paddenstoelen dadelijk aan nazomer en herfst, aan mooie, levendige kleurtjes op den boschbodem en aan sierlijke vormen, ongewoon in de plantenwereld. Helaas denkt menigeen dan ook nog aan dood en verderf en griezeligheid, maar dat komt eigenlijk niet te pas. Iedereen behoort nu al wel zooveel van paddenstoelen te weten, dat hij er niet bang voor behoeft te zijn. Integendeel, wij moeten ze om velerlei redenen bewonderen en liefhebben. En wie zich het genoegen wil gunnen, eenige soorten van paddenstoelen te eten, die kan met weinig moeite en veel plezier een dozijn of zoo soorten leeren onderscheiden, die lekker en voedzaam zijn en daar tegenover weer een aantal, die hij moet mijden. Ik kom daar in volgende hoofdstukken wel op terug en wij zullen er ook wel dadelijk mee te rekenen hebben, wanneer we eerst gaan uitzien naar de mooist gekleurde en merkwaardigst gevormde paddenstoelen. We kunnen alvast beginnen met te zeggen, dat er geen een paddenstoel zoo vergiftig is, of je kunt er toch nog met plezier naar kijken, hem betasten, hanteeren, nateekenen en fotografeeren. Paddenstoelen groeien overal; langs wegen en dijken, in weiden en moerassen, op akkers en afvalplaatsen, in de duinen, op de heide, in de bosschen. Misschien groeit betrekkelijk het grootste aantal wel in de bosschen en in het bijzonder in de naaldbosschen. Daar zie je ze in ieder geval het makkelijkst op den naaldenbodem, die behalve aan mossen en paddenstoelen slechts aan weinig planten een groeiplaats biedt. Zoo is het in beukenbosschen ook en ge moet nu zelf maar eens natellen, of ge meer paddenstoelen vindt onder dennen of onder beuken. Als we nu in Augustus beginnen uit te kijken, dan worden we wel het eerst getroffen door roode en gele en witte paddenstoelen, die vaak in troepjes tegelijk verschijnen, dat is de gewone paddenstoelmanier. Een van de eerste is wel een paarsrood zwammetje met spierwitten steel. De hoed is alleen rood aan zijn bovenzijde; de onderkant is ook wit en bestaat uit prachtig gespannen platen, met duidelijke tusschenruimten. Alle platen reiken van den omtrek van den hoed tot aan den steel. Sommige platen zijn vertakt, maar je vindt geen losse platen, die halverwege den steel reiken, zooals dat bij de meeste andere paddenstoelen met platen, „plaatzwammen”, voorkomt. Wanneer we nu nog eens kijken naar den hoed, dan zien we, dat die heel dun is, zoodat naar den kant toe de ribben van de platen er door heen schemeren. Is dit het geval, dan hebben we te doen met een van onze gewoonste en mooiste paddenstoeltjes: de Broze Russula (Russula fragilis) (3). De meeste van onze paddenstoelen hebben geen volksnamen. In den laatsten tijd hebben de dames en heeren, die over paddenstoelen schrijven, wel aardige Hollandsche namen bedacht, die we ook braaf zullen gebruiken. Voor de veiligheid zullen we ze ook maar altijd bij hun wetenschappelijken naam noemen, al lijkt dat ook een beetje geleerd. Het zijn meestal Latijnsche of Grieksche woorden, allemaal met een eigen beteekenis en die zullen we in het voorbijgaan dan meteen maar even leeren. Het gebruik maakt ons er spoedig mee vertrouwd. Die strakke platen geven aan de Russula-hoeden een heel gaven, vasten vorm; een ervaren zoeker herkent ze al, zonder dat hij naar den onderkant van den hoed behoeft te kijken. Al heel gauw merkt ge, dat er heel wat soorten van Russula’s voorkomen. De meeste zijn op de een of andere manier rood, maar er zijn ook witte en gele en groene Russula’s. We kunnen ze niet allemaal afbeelden, ge moet U tevreden stellen met de Blauwgele Russula (R. cyanoxantha) (5), de Roode Russula (R. rubra) (4), de Braak Russula (R. emetica) (1), de Purperroode Russula (R. Queletiï) (2) en de Gele Geelplaat Russula (R. ochracea) (6). De Purperroode is wel een van de allermooiste, de hoed kan diep purperrood zijn, fluweelig van kleur, soms bijna bij zwart af en dan de steel gewasschen met karmijn. Het is een van de grootste Russula-soorten, als de hoed vlak uitgespreid staat, dan kan hij wel een middellijn hebben van 1 decimeter. Zoowel in het dennenbosch als in het loofbosch en het meest wel in de buurt van berken vinden we de bekende en beruchte Vliegenzwam (Amanita muscaria) (B). In Hoofdstuk IV zal ik een boel narigheid van deze plant vertellen, nu letten we alleen maar op kleur en vorm. De hoed is prachtig rood en versierd met witte schubben. Ook de platen aan de onderzijde van den hoed zijn wit en ze zijn van verschillende lengte. Sommige reiken van den rand van den hoed tot aan den steel. Andere komen maar halfweg en nog andere zijn weer kleiner. Dat ziet er dus heel anders uit dan bij Russula. Aan den witten steel hangt mooi gedrapeerd een witte manchet, de voet van den steel is knolvormig en van den bovenkant van den knol gaat een soort van rand omhoog, dat is de „beurs”. Paddenstoelen met dikken voet, beurs, manchet en witte platen moogt ge altijd Amanita noemen. Ze zijn haast allemaal vergiftig. De Vliegenzwammen groeien altijd troepsgewijs, dikwijls in kringen en het is nog al makkelijk ze te vinden van verschillenden leeftijd. Neem er nu eens een die pas zijn rood-met-witten ronden bol boven den grond begint uit te steken. Ge ziet, dat hij te voorschijn komt uit een wit omhulsel en dat in den uitgegroeiden paddenstoel de schubben op den hoed en de beurs aan den voet niet anders zijn dan brokstukken van dit omhulsel. En de manchet is een vlies, dat eerst langs den onderkant der platen reikte van hoedrand tot steel; het is van dien rand afgescheurd en aan den steel blijven hangen. Dat is allemaal heel mooi en noodigt U uit tot teekenen en fotografeeren. Om nu bij de roode paddenstoelen te blijven, noem ik er nog een paar, die bij het groote publiek nog wel niet zoo goed bekend zijn als de Russula’s en de Vliegenzwam, maar toch Uw aandacht verdienen. Ik bedoel de Vermiljoenzwam (Dermocybe cinnabarina) (10) en de Gedeeltelijke Vermiljoenzwam (D. semi-sanguinea) (11). Ze groeien in loofbosschen, graag onder beuken en komen in het Oosten van ons land meer voor dan in het Westen. Zooals de naam al doet vermoeden, is de Vermiljoenzwam mooi rood, de hoed, zoowel als de steel en de platen, vooral in jeugdigen staat. Als ze heel jong zijn, zit de hoed met een vliesje aan den steel verbonden en wanneer de hoed zich ontplooit, dan rekt dat vliesje zich, splijt en breekt draderig uiteen. Wanneer de hoed heelemaal is uitgespreid, zijn die draden doorgaans verschrompeld en verdwenen, maar bij de jonge zwammen is het „gordijntje” dat ze vormen, nog goed te zien. Er zijn veel van die gordijnzwammen; niet gemakkelijk te onderscheiden. De Gedeeltelijke Vermiljoenzwam heet zoo, omdat hij niet heelemaal rood is: alleen de platen; hoed en steel zijn bruin. De middellijn van den hoed is bij beide soorten 4–9 c.M. De grootste heb ik gezien in Buskersbosch bij Winterswijk, ons mooie natuurmonument. Vuurrood is ook het Vuurzwammetje (Hygrophorus miniatus) (9) met zijn verwanten: het Scharlakenzwammetje (H. coccineus) (7) en de Granaatzwam (H. puniceus) (12). Dit zijn kleine, glimmende, vettige, nattige paddenstoeltjes, die ge het meest vindt in weiden en moerassen. Hun hoed blijft lang kegelvormig, is maar zelden uitgespreid en dan dikwijls gescheurd. Ze hebben nog een kameraad van hetzelfde kaliber (ongeveer 5 c.M.), die op dezelfde plaatsen voorkomt, maar die is groen, dikwijls met roode of gele vlekken en strepen en heeft den zeer passenden naam gekregen van Papegaaizwammetje (Hygrophorus psittacinus) (8). Aardige zwammetjes, om in het moeras te ontmoeten. Door hun felle kleur vallen ze dadelijk in het oog, al zijn ze ook klein. Maar nu staan we hier in het moeras naar al die kleine dingen te kijken, terwijl in het bosch nog allerlei moois onze aandacht vraagt. Uit een ouden dennestomp steekt een prachtig groepje naar buiten. Het zijn paddenstoelen, haast zoo groot als een hand. Drie dikke roodbruine stelen zitten met hun voeten aan elkaar vast en spreiden zich uit naar verschillende kanten, zoodat de hoeden ruimte krijgen, al moet de een dan ook nog soms onder den ander schuilen. Die hoeden zijn heel mooi vlekkig gelig bruinrood en de platen zijn egaal geel. Deze Pracht-Ridderzwam (Tricholoma rutilans) (13) is wel een van onze allermooiste paddenstoelen en gelukkig ook een van onze allergewoonste; ge kunt hem in de dennenbosschen, soms ook wel in het loofbosch vinden, van het begin van de Groote Vacantie tot aan de Kerstvacantie toe. We zullen in de volgende hoofdstukken nog wel meer ridderzwammen ontmoeten; ze hebben haast allemaal mooie kleuren, groeien vaak groepsgewijs en dikwijls in „heksenkringen”. Ik kan u geen gemakkelijk algemeen kenmerk voor de Ridderzwammen geven, zooals ik dat deed voor de Amanieten en de Gordijnzwammen. Wel gaat dat gemakkelijk voor de Boleten, die we vroeger ook wel Broodjeszwammen noemden en de mooiste Boleet is wel de Heksenboleet (Boletus luridus) (15). Natuurlijk is hij het mooist, zoo lang hij jong is en dan trekt hij wel het eerst de aandacht door zijn dikken steel, die mooi rood is, ook wel oranje of geelachtig en vaak met mooie vlekjes en mazen. De hoed is aan den bovenkant eerst bruinig, maar wordt gaandeweg lichter, soms tot heel licht groenig grijs. Aan den onderkant van den hoed vinden we geen platen, maar een samenhangende roode of oranje massa, die bij nader onderzoek uit tallooze buisjes blijkt te bestaan. Wanneer we, om dat goed te zien, den hoed doorbreken, dan merken we meteen, dat de hoedmassa, het vleesch, geel is en dat het, aan de lucht blootgesteld, dadelijk verkleurt tot blauwgroen. Dat ziet er werkelijk spookachtig uit en deze paddenstoel draagt zijn naam met eere. Ondanks alle griezeligheid is de Heksenboleet in het geheel niet vergiftig; daar komen wij later nog op terug. In dit hoofdstuk treedt hij alleen op als mooiste van alle Gaatjeszwammen. Eer ik u nog meer Gaatjeszwammen vertoon, moet ik nog afrekenen met een paar Plaatzwammen, in de eerste plaats de Parasolzwam (Lepiota procera) (A). Die draagt ook zijn naam met eere. Ik denk er altijd nog met genoegen aan, hoe ik een dikke vijfentwintig jaar geleden in de Loolaan te Apeldoorn een van de voorloopers van de paddenstoelstudie in ons land, den Heer Kok Ankersmit, ontmoette met een parasolzwam in de hand, die hij werkelijk als parasol gebruikte. De steel was niet veel korter dan de stokken van de tegenwoordige dames-parapluies en de hoed was naar rato. Op de hoogte waar bij een echte parasol de sluitbus van de baleinen zit, heeft deze paddenstoel een mooie stevige ring en de voet van den steel is tot een knol verdikt; een bruikbaar handvat. We vinden dezen paddenstoel zoowel op weiden en akkers als in bosschen en hij is witachtig tot roomkleurig en overal, zoowel op den steel als op den hoed, met bruinige schubjes bestrooid. Hij heeft een kleinen verwant, die meest in dennenbosschen voorkomt en die den parasolvorm nog duidelijker vertoont, hoewel de ring doorgaans ontbreekt. Maar het hoedje is mooi licht van kleur en zeer bijzonder fraai gevlekt en geschubd, naar het midden toe hoe langer hoe dichter. De steel wordt niet langer dan 8 c.M. en is zoowat even groot als de middellijn van den hoed. Deze Kleine Parasolzwam (Lepiota clypeolaria) (47) is een van de mooiste dingetjes langs onze boschpaden. Op een boschpad onder de sparren, mijn sparrenlaantje, verschijnen in den nazomer altijd heele troepen van kleine rossig-oranje zwammetjes, egaal van kleur en zonder schubben, draden of kringen. De hoed staat een beetje hol en de talrijke platen loopen langs den steel naar omlaag. Raken we even met een nagel aan zoo’n plaat, dan komt er onmiddellijk een wit melkdroppeltje uit. Dit is de Rossige Melkzwam (Lactarius rufus) (60). Zij heeft een dubbelganger in de Kleine Melkzwam (Lactarius subdulcis), maar die groeit meest in loofbosschen; haar melk smaakt zoetig, terwijl die van de Rossige Melkzwam scherp op de tong is. ’t Is nog al aardig, dat we die melkzwammen aan hun melk moeten kennen. Ik wijs u er alvast op; in de volgende hoofdstukken zullen we nog meer van die melkzwammen ontmoeten; sommige met witte melk, andere met gele melk, nog andere met melk, die eerst wit is en dan geel wordt en nog weer andere met oranje melk, allemaal mooie paddenstoelen en nog al gemakkelijk te herkennen. „Heb je wel eens een groen paddenstoeletje gezien” hoor ik een klein meisje aan haar tweelingbroertje vragen; ’t is ook alweer vijfentwintig jaar geleden. Ze hield het ding eerst achter zich en bracht het toen met een triomfantelijk gebaar te voorschijn; een vergiftig uitziend, kopergroenkleurig, nog al slijmerig ding, maar heel mooi. Er stond een heel troepje van in de langzaam molmende beukebladeren en ze heeten natuurlijk Kopergroenzwam (Stropharia aeruginosa) (17). Ze zijn ook wel buiten het bosch te vinden langs de wegen, op bouwland en weiden en ondanks de kopergroenerigheid zijn ze niet vergiftig. Aan paaltjes en oude boomstronken zie je vaak verzamelingen van aardig gekringde paddenstoeltjes, die geen steel hebben, maar als halfcirkelvormige platen uit het hout naar buiten puilen. Dat zijn de Elfenbankjes. Die naam is wel goed bedacht. Maar ook de wetenschappelijke naam is in dit geval nu eens goed gekozen. Die is Polyporus versicolor (16). Iedereen begrijpt dat het woord Polyporus doelt op de vele gaatjes, die we zien aan den onderkant van die schijven en versicolor (verschillende kleur) drukt heel goed uit, dat de bovenkant kringsgewijs gekleurd is met bruin en zwart en geel, soms blauwig en groen en heel vaak een randje spierwit; prachtige dingen en gelukkig alweer uiterst gewoon. Jaar in jaar uit komen die fraai gekleurde en zacht fluweelig uitziende elfenbankjes uit de paaltjes en stronken te voorschijn, totdat die eindelijk geheel vermolmen, maar dan zijn er al wel weer ergens andere paaltjes. Zoo’n Polyporus is dus een gaatjeszwam even goed als de Boleet, die wij al kennen. Intusschen verschillen ze nog al duidelijk. Bij de Boleten kun je de buisjeslaag in zijn geheel gemakkelijk van den hoed afpellen; die buisjes zijn ook nog al lang. Bij Polyporus zijn ze veel korter en stijf met den drogen platten hoed saamgegroeid. Niet alle Polyporussoorten komen uit het hout te voorschijn; er zijn er ook, die uit den grond opkomen en dan hebben ze een steel, dikwijls zelfs meer dan één. Ook groeien ze groepsgewijze en soms aan elkander verbonden en dan krijg je een heele warreling van hoeden en stelen. De meest bekende is de Tolzwam (Polyporus perennis) (18). Je mag hem ook Polystictus perennis noemen. ’t Is een droog, bruiniggeel zwammetje, de hoed bovenop donkerder en lichter gekringd en hij groeit nog al veel in zandige dennenbosschen en bijzonder mooi in het Natuurmonument van de Oisterwijksche vennen. Iedere stadsbewoner heeft natuurlijk wel eens uit de iepeboomen een zeer grooten paddenstoel te voorschijn zien komen, meestal op een wond, die veroorzaakt is door het afbreken of afzagen van een tak. Maandenlang zit dat ding aan den stam en het wordt al grooter en grooter. Exemplaren van een halven meter breed zijn geen zeldzaamheid. Van onderen is deze zwam roomwit met tallooze gaatjes, van boven is hij heel mooi gevlekt, als waren het veertjes van een vogel. De Duitschers noemen hem daarom ook Habichtsschwamm. In ons land is de naam Zadelzwam bedacht en hij lijkt soms werkelijk op een fietszadel. De wetenschappelijke naam is Polyporus squamosus (C). Een iep, die er mee behept is, geniet geen goede gezondheid en wordt doorgaans binnen korter of langer tijd door den dienst der plantsoenen verwijderd. Nu moeten we in dit hoofdstuk nog eenige paddenstoelen gedenken, die vooral merkwaardig zijn om hun vorm en dan noemen we in de allereerste plaats de Gekraagde Aardster (Geaster triplex) (19). Die kun je al vinden in de groote vacantie en dan nog door den heelen herfst en winter heen en men ziet dikwijls genoeg verdroogde exemplaren van het vorig jaar naast de nieuwe van het huidige. ’t Is altijd weer een groote verrassing en vreugde, om de eerste aardsterren te zien, hetzij in de schemering van het dennenbosch, of tusschen de zilverige stammen van de berken of nog al tamelijk onverwacht, open en bloot in het heldere licht op de duinhelling. Ze lijken niet op planten, zelfs niet op paddenstoelen, maar veeleer op de voortbrengselen van een kunstnijveraar. De lederkleurige ster met zijn vijftal punten (ook wel eens meer of minder) ligt mooi uitgespreid op den grond en omgeeft een kringvormig kraagje waarbinnen een grijze bol, die van boven eenigszins kegelvormig toeloopt en daar bevindt zich te midden van fijne plooien een opening. Als je even op den bol drukt, als er een takje opvalt of een regendroppel, dan komt er uit die opening een donker stofwolkje te voorschijn. Dat zijn de sporen. Doorgaans groeien die aardsterren in groepjes bijeen en dikwijls zelfs in heel mooie heksenkringen. Een aardster op zichzelf ziet er al geheimzinnig en veelbeteekenend uit. Hoeveel te meer is dat het geval met een heksenkring van aardsterren. Je moet eens midden in zoo’n kring gaan zitten, geduldig, een half uurtje lang en al ben je dan nog zoo’n nuchter mensch, je begint dan wel te begrijpen, dat sommigen heel diep getroffen kunnen worden door de geheimzinnige dichterlijke bekoring van deze planten. Onder onze Nederlandsche dichters en schrijvers zijn er enkele, die telkens gewag maken van de aardsterren en dat zijn lang de minsten niet. Ik denk hier in het bijzonder aan de beide Van Eedens, Frederik en zijn vader, die trouwens ook Frederik heette. Als je nu in zoo’n kring van aardsterren zit, dan is het ook wel goed, om ze eens een voor een aan te kijken en ook te zoeken in de tusschenruimten. Je ontdekt al gauw, dat ze niet alle even oud zijn. Sommige zijn pas half open, andere komen pas door het mos of door de dennenaalden heen dringen. Die zijn nog heelemaal gesloten en lijken bijzonder veel op ruwe tulpenbollen. Ze kunnen nog dagen lang dicht blijven, maar als het een beetje meeloopt met warmte en vochtigheid, dan ontplooien ze zich soms binnen het uur. Ik heb daar wel naar zitten kijken. Terwijl we naar aardsterren zoeken, ontmoeten we op den boschbodem stellig nog wel meer dingsigheidjes, die in het geheel niet lijken op gewone paddenstoelen met hoed en steel, maar toch wel behooren tot hun verwanten, al zijn het dan ook dikwijls niet de allernaaste. In sommige jaren vind ik nog al veel van die mooie Koraalzwammen, die ook wel Bloemkoolzwammen genoemd worden. Het zijn dikke lichaampjes, die zich naar boven telkens weer vertakken en dat ziet er dan wel bloemkoolachtig, of als we het wat mooier willen opvatten, koraalachtig uit. De mooiste is wel de Goudgele Koraalzwam (Clavaria formosa) (49), die meest onder loofhout voorkomt, maar ook in naaldbosschen niet behoeft te ontbreken. Deze koraalzwammen zijn nog al onbestendig; ze kunnen soms jaren achtereen wegblijven, en dan opeens staat het bosch er weer vol van. Hoe dat komt, weet ik niet. In het bosch van de Schapenduinen was vroeger een plekje waar ik ieder najaar heen ging om de Kleine Oranje Bekerzwammetjes (Peziza rutilans) te zien. Dat zijn kleine platte kommetjes, rond of langwerpig rond en met een middellijn zelden grooter dan twee centimeter. Meestal zijn ze veel kleiner, maar hun fel oranjeroode kleur maakt ze tot een van de schoonste sieraden van het bosch, vooral wanneer ze, zooals daar in de Schapenduinen, groeien tusschen het korte, donkergroene haarmos. O, wat was dat mooi. Je moest je geweld aandoen, om niet een heele zode van dat moois uit te steken en mee naar huis te nemen. Een halve eeuw geleden deed ik dat wel eens. Toen kon het ook nog wel lijden, want er waren maar zeer enkele liefhebbers. Tegenwoordig zijn er gelukkig veel meer liefhebbers en nu moeten we wat zuiniger gaan worden op al ons moois en we zullen even goed als voor de mooie bloemen ook voor de mooie mossen en paddenstoelen maatregelen moeten nemen, om ze te beschermen. Dit heeft dan nog het voordeel, dat men om de mooie dingen te zien naar buiten moet, lekkertjes er op uit en dan liefst een flinke vermoeiende wandeling. Van die bekerzwammen kunnen we verschillende soorten vinden. Naast de Kleine Oranje Bekerzwam is er ook nog een groote. Andere bekerzwammen zijn aardkleurig, vaak met een tintje in het violette. Eerst zie je ze niet, maar gaandeweg merk je, dat op verschillende plaatsen de grond vol zit met bolletjes en geplooide lappen, soms heel groot, tot een decimeter toe. Een van de mooiste vind ik de Kleine Bruine Bekerzwam (Peziza haemisphaerica) (20). Die wordt zelden grooter dan 2 c.M. en is in jeugdigen toestand een prachtig urntje, van buiten bruin en ruig, van binnen glimmend grijs, alsof er glazuur op gebracht is. Al zoekende naar die bekerzwammen vinden we hoogstwaarschijnlijk ook wel een Vogelnestzwammetje (Crucibulum vulgare) (24), een lichtgrijs bekertje met daarin een aantal ronde dikke schijfjes, die daar liggen als de eitjes in een vogelnest. Deze zwam groeit op molmend hout, meest op losse takjes. Andere soorten groeien op de aarde of op bladmolm, de aardigste daarvan is de Gestreepte Nestzwam (Cyathus striatus) (24), gemakkelijk te kennen aan zijn overlangs gestreepten binnenkant. Nu wil ik dit hoofdstuk besluiten met nog een heel vreemdsoortigen en bijzonderen paddenstoel, dat is de Hoorn van Overvloed (Craterellus cornucopoïdes) (23). De Duitschers geven hem een minder prettigen naam en wel: „Totentrompete”. Hij is in het geheel niet gevaarlijk of vergiftig, maar ik kan toch wel begrijpen, dat eenvoudige, onwetende menschen zich iets naars bij dezen paddenstoel denken, vooral wanneer hij flink hoog opgeschoten staat in het hoogstammige indrukwekkende woud, zoo bij groepjes van een stuk of vijf en dan wel meer van die groepen op een enkele plek bij elkaar. Ze kunnen tot twee decimeter hoog worden en hebben, zooals de naam doet vermoeden, den vorm van een langgerekten trechter, die uitloopt in een buitenwaarts omgebogen gekrulden rand. De steel van den trechter is vaal violet, de trechterholte vlekkig bruin en als je wilt kun je aan die kleuren en tinten wel een idee van narigheid toedichten. Doch zooals het met zaken van smaak gaat, anderen vinden die kleuren echt mooi en aangenaam. Deze Hoorn van Overvloed komt alweer in het Zuiden en Oosten van ons land veel meer voor dan in het Westen, een reden te meer, waarom we de bosschen van Twente, den Achterhoek en Limburg in eere moeten houden. II. HOE PADDENSTOELEN GROEIEN Neem eens een tamelijk grooten hoed van een paddenstoel, liefst een met plaatjes aan de onderzijde, dus een Vliegenzwam, een Parasolzwam of beter nog een gewone Champignon. Hij moet mooi vlak uitgespreid zijn. Leg hem nu met de platen omlaag op een vel papier en stulp daarover een klok of een kom, want er mag geen zuchtje langs dien hoed waaien, anders krijgen we niet precies wat we willen. Na eenige uren of na een dag, al naar het uitkomt, lichten we stolp en hoed op en krijgen nu op het papier een keurige figuur te zien, allemaal fijne strepen, die straalsgewijs gaan van het midden naar den omtrek. Wanneer we een Champignon genomen hebben, dan zijn de strepen van verschillende lengte, bij een Russula krijgen we allemaal heele stralen te zien, sommige met een aftakking. De figuur die de Champignon geeft is donker van kleur, die van de Russula wit. Deze laatste is dus op wit papier niet duidelijk te zien en ’t is dus beter om bij Russula en ook bij Lepiota (Parasolzwam) en Amanita (Vliegenzwam en zijn kornuiten) een donker getint papier te nemen. Wij noemen deze figuren „sporenfiguren”, want ze worden gevormd door de kleine stofjes, die de paddenstoel bij millioenen uitstrooit en dat zijn de sporen. We hebben nu al dadelijk ontdekt, dat die sporen verschillend van kleur zijn en wel wit, rose, bruin, purperkleurig en zwart. De plaatzwammen worden zelfs ingedeeld naar de kleur van de sporen, die ze voortbrengen in Witsporigen (Leucosporeae), Rosesporigen (Rhodosporeae), Bruinsporigen (Ochrosporeae), Purpersporigen (Pupureosporeae) en Zwartsporigen (Melanosporeae). Het maken van deze sporenfiguren gaat gemakkelijk genoeg, als je maar de tocht weet te weren. Voor de aardigheid kun je ook eens de klok op een kier zetten. Dan houdt de tocht huis onder de vallende sporen en blaast ze tot heel onverwachte en leerzame figuren. ’t Is gemakkelijk te begrijpen, dat de wind ze in bosch en beemd wijd en zijd kan meevoeren. Maar dikwijls genoeg is het in het bosch doodstil en dan ziet ge onder de paddenstoelen het dorre blad of het groene mos bedekt met het fijne sporenpoeder. Natuurlijk is dat bij de Witsporigen het duidelijkst te zien. Wanneer je ziet, hoe klein dikwijls de afstand is tusschen den onderkant van den hoed en den grond, dan krijg je den indruk, dat de wind niet zoo heel veel kans heeft om de sporen wijd weg te blazen. Wij moeten hierbij echter bedenken, dat die kleine sporen evenals al het fijne stof maar heel langzaam vallen. Een flinke kei valt in de eerste seconde al meer dan vier meter, maar zoo’n spore gaat wel honderdmaal zoo langzaam. Hoe dat komt, leer je op de natuurkunde-les in de vierde klas. Wij behoeven er ons dus niet over te verontrusten, of die sporen wel naar behooren verspreid worden. Natuurlijk hebben de paddenstoelen hoog in de boomen de beste kans, en daaruit volgt weer, dat elke boom de kwade kans heeft om bereikt te worden door de sporen van paddenstoelen, die zijn lichaam zullen teisteren. Wat gebeurt er nu met zoo’n spore? Wel, heel dikwijls niets. Wij hebben heele vrachten rijpe paddenstoelen naar wat wij meenden geschikte plaatsen in onzen tuin gebracht zonder eenig resultaat en slechts in heel enkele gevallen een goeden uitslag gekregen. Die sporen moeten gaan groeien, maar daarvoor moeten bepaalde voorwaarden vervuld worden en dat schijnt lang niet altijd het geval te zijn. Men heeft ook vaak geprobeerd om ze in fleschjes en buisjes op kunstmatig toebereiden voedingsbodem aan den groei te krijgen en dat is in ons land het eerst goed gelukt aan wijlen mej. C. Cool, een dame, die om haar kennis van paddenstoelen beroemd is in ons land en daar buiten. Wanneer wij verlegen zaten met de een of andere vreemde paddenstoel, dan stuurden wij hem maar op aan mej. C. Cool, Rijksherbarium te Leiden, en als er in de wijde, wijde wereld iets van den paddenstoel bekend is, dan konden wij er gerust op zijn, dat mej. Cool ons dat zou laten weten. Nu, mej. Cool dan heeft verschillende paddenstoelen uit sporen opgekweekt en het hoe of wat daarvan heeft zij uitvoerig verteld in „Het Paddenstoelenboekje” dat zij geschreven heeft tezamen met een ander groot paddenstoelkenner, Dr. H. A. A. v. d. Lek. Daar komen wij later nog wel eens op terug. Wij weten nu, dat onder bepaalde gunstige omstandigheden van bodem, temperatuur, vochtigheid en omgeving uit de spore een dunne draad komt groeien, die zich spoedig vertakt en dan ontwikkelt zich naar alle kanten een fijn netwerk van draden, die soms vlokkig aaneenhangen en zich een weg banen tusschen de dorre bladeren door, zelfs in de dorre bladeren, wanneer er maar eenmaal een opening is te vinden, langs en om en zelfs in de wortels van allerlei planten, soms ook in het hout van boomen en palen, kortom op allerlei plaatsen, al naar den aard van den specialen paddenstoel. Iedere soort stelt zijn bijzondere eischen en zoo komt het dan, dat we bosch-paddenstoelen, weide-paddenstoelen, moeras-paddenstoelen, grond-paddenstoelen, hout-paddenstoelen, enz. kunnen onderscheiden. Sommige zijn al heel bijzonder kieschkeurig. Er is een klein, wit of geelachtig bekerzwammetje, dat we gerust het Eikelbekerzwammetje kunnen noemen, want we vinden het bijna altijd op eikels, afgevallen eikels op den grond. Een enkele maal groeit het ook op beukenootjes, maar ge weet dat eiken en beuken en tamme kastanjes zeer nauw met elkaar verwant zijn. De wetenschappelijke naam van dit bekerzwammetje is Peziza fructigena. Ga ook eens zoeken in het dennenbosch naar oude dennekegels. Let er meteen op, dat dennekegels op sommige plaatsen spoedig verdwijnen, op andere jaren lang kunnen blijven liggen. Welnu, het zal u licht gebeuren, dat ge uit zoo’n dennekegel een heel zonderling zwammetje te voorschijn ziet komen: een bruin steeltje met bovenaan een hoedje, dat aan zijn kant aan ’t steeltje bevestigd lijkt. Daardoor heeft dit zwammetje eenigszins den vorm van een lepeltje en wordt daarom ook Oorlepelzwam (Hydnum auriscalpium) (63) genoemd. ’t Is natuurlijk niet netjes, om in je oor te peuteren, noch met je pink, (al noemen de Franschen dat lichaamsdeel dan ook „oorpeuterding”: auriculaire) noch met een lepeltje. Ik laat dat oor dan ook maar weg en noem het paddenstoeltje voortaan lepelzwam. Het is geen plaatjeszwam en ook geen gaatjeszwam. De onderzijde van den hoed is bedekt met allemaal stekeltjes en aan den buitenkant van die stekels worden de sporen gevormd. Er zijn nog meer van die Stekelzwammen in ons land en daaronder zeer mooie en groote, die we in volgende hoofdstukken dan ook behoorlijk zullen ontmoeten. Nu we toch eenmaal bezig zijn, om uit te kijken naar klein goed, letten we eens op vermolmde bladeren, takjes en dergelijke dingen en vinden dan misschien een van onze allerbekoorlijkste paddenstoeltjes, de Wieltjes-marasmius (Marasmius rotula) (27). We kunnen hem ook wel kortweg „het Wieltje” noemen. De naam zegt alles. Het hoedje is rond en heel dun, zoodat de randen van de platen er door heen schemeren. Die platen staan wijd uit elkaar, zoodat het hoedje werkelijk lijkt op een wiel met een stuk of twintig spaken. Zelden wordt het grooter dan 1 c.M. in doorsnee, dikwijls blijkt het kleiner, tot enkele millimeters toe. De steel is draaddun, taai en zwart, het hoedje zelf licht van kleur met een donkere punt in het midden. Soms vindt je deze wieltjes bij honderden bij elkaar en dat geeft een heel sterken indruk van de levendigheid en levensrijkdom van den boschbodem. Eigenlijk zijn wij met het zoeken naar specialisten eventjes afgedwaald. We waren pas zoover gekomen, dat zich uit de spore een weefsel van zwamdraden gevormd heeft in een geschikte omgeving. Dat weefsel nu noemt men de zwamvlok of het mycelium. De heele boschbodem is doorweven met zwamvlokken van verschillende soorten van paddenstoelen en wanneer ge even graaft in het dek van dennenaalden, in de opeenhoopingen van afgevallen bladeren, onder het mos, overal stuit ge op witte of grijze spinragdraden, zwamvlokken van allerlei soort. Die zwamvlokken groeien steeds voort, zich op nog onbegrepen wijze voedend met stoffen, die zij bereiden uit die naalden, bladeren, takjes en alles wat eens geleefd heeft en ook wel uit planten en dieren, die nog leven. In die zwamvlokmassa nu gaan de draden op bepaalde manier samengroeien en uitgroeien en zoo ontstaan de organen, waaraan zich de sporen zullen vormen. Al die prachtige Russula’s, Amanita’s, Melkzwammen, Aardsterren en hoe ze verder heeten mogen, zijn opgebouwd uit van die fijne draden en die vormen eindelijk ook het laagje, waaraan de sporen ontstaan. Bij wat wij de „echte” paddenstoelen zouden kunnen noemen vormen zich die sporen in viertallen aan het eind van een draad en die draden staan dan zijwaarts op de platen van de Plaatzwammen, of langs de binnenzij van de buizen bij de Gaatjeszwammen, of langs den buitenkant van de stekels bij de Stekelzwammen of in het binnenste van het lichaam bij de Aardsterren en de Stuifballen, die tezamen de groep van de Buikzwammen vormen. Dan zijn er ook nog Korstzwammen en Trilzwammen. Je kunt die steeltjes met de sporen alleen te zien krijgen met een microscoop, dat eenige honderden malen vergroot en moet het hier dus maar gelooven. Bij de bekerzwammen vormen de sporen zich niet bij viertallen aan het eind van een steeltje, maar bij achttallen binnen in een lang buisje, dat eindelijk openspringt en dan de sporen uitstrooit, iets dat je ook onder het microscoop prachtig kan zien gebeuren. Tot deze groep, die we de Zakjeszwammen (Ascomycetes) noemen, behooren nog eenige zeer beroemde en gemakkelijk te kennen soorten nl. de Kluifjeszwammen (Helvella) en de Morieljes (Morchella). We zullen nog nader met hen kennis maken. Wanneer in bosschen en weiden de zwamvlok of mycelium ongehinderd kan groeien, dan breidt hij zich naar alle kanten gelijkmatig uit en dan komen de paddenstoelen, de sporedragers van het mycelium, in een kring te staan. In alle talen is die kring vereerd met den titel van heksenkring (Fransen: ronde de sorcières; Engelsch: fairy-ring; Duitsch: Hexenring). Die naam dateert natuurlijk uit den tijd, toen men alle gebeurtenissen, die men niet begreep, maar dadelijk toeschreef aan bovennatuurlijke invloeden. Het heeft ook zeer lang geduurd, eer men de verklaring voor de vorming van deze heksenkringen wist te geven. Ja, ik herinner mij nog wel, dat in onze dagen een goed paddenstoelkenner, die prachtig mooie paddenstoelboekjes heeft uitgegeven, meende, dat de heksenkringen in de weiden veroorzaakt zouden worden door een geit of ander dergelijk stuk vee, dat vastgebonden aan een touw in een kring den bodem begraasd of bemest zou hebben en dat dan daardoor de groei van de paddenstoelen bepaald was. Eigenlijk is de goede verklaring toch zeer eenvoudig. Maar dan moesten eigenlijk alle paddenstoelen die in een bosch of een weide groeien, in kringen voorkomen. Nu, dat scheelt niet zoo heel veel. Van meer dan veertig soorten heb ik het alvast gezien met groote zekerheid en duidelijkheid. Die heksenkringen kunnen zeer groot worden. In Zwitserland heb ik kringen gezien van de Reuzenbovist (Bovista gigantea) van meer dan vijftig meter middellijn en die zag je meer dan een half uur gaans ver tegen de groene berghelling. Als je soms eens komt te wandelen van Ardez naar Fetan in het beneden Engadin (het hooge pad), kijk er dan eens naar uit. Die Reuzenbovist groeit in ons land ook en ik heb er wel een kring van gezien in het Vondelpark. De afzonderlijke „hoeden” kunnen wel een halven meter in middellijn groot worden, af en toe krijg ik wel eens zoo’n bakbeest toegezonden als merkwaardigheid. Ook de kleinere stuifballen maken vaak heksenkringen; ik vond ze van de Gesteelde Stuifbal (Tulostoma mammosum) (25), een van de aardigste zwammetjes van de duinen en ook van de Melige Stuifzwam (Lycoperdon furfuraceum) (31). Ook vergeet ik nooit de heksenkring van aardsterren, die ik eens vond in een berkenboschje in het duin en waarvan ik de lotgevallen een paar jaar kon volgen. Dat heb ik ook gedaan met een heksenkring van de Paarse Ridderzwam (Tricholoma nudum) (14), die ik vond in een ijl eikenboschje vlak tegen een sparrelaan. Drie jaar lang heb ik die kring in de gaten gehouden. Ik vond hem op 6 November 1909. Het was meer een ovaal dan een cirkel; de langste as was 2.4 M. lang, de kortste 1.9 M. Er stonden 24 hoeden in en ze hielden het bijna twee maanden uit; tegen Nieuwjaar was de heele kring verrot. Het volgend jaar in November verscheen de kring opnieuw en was nu 3.92 M. bij 3.64 M. en telde tegen de tweehonderd hoeden. Ik kan niet precies zeggen hoeveel, want onze groote paddenstoelkenster had er een mandjevol van meegenomen, om te eten. In 1911 na den beruchten drogen zomer kwam de kring in het begin van October al te voorschijn en bracht het tot 232 hoeden in een kring van 5.54 M. bij 5.28 M., wat niet veel verschilt van een cirkel. In het jaar daarop is helaas het boschje gekapt en de grond omgewerkt, en zoo verloor ik mijn Ridderzwamkring, waar ik al zeer bevriend mee was. Het zijn mooie paarse zwammen, heelemaal paars, alleen de bovenzij van den hoed was bruinachtig. Ze hadden het daar blijkbaar zeer goed, want de hoeden werden veel grooter dan ze volgens de boeken behoefden te wezen; de grootste had een middellijn van 22 c.M. In bosschen vinden we ook vaak reusachtige heksenkringen wel van 10 M. middellijn of meer van de Nevelzwam (Clitocybe nebularis) (34). Hij is van hetzelfde kaliber als de Paarse Ridderzwam, maar wat hooger op de pooten, een flinke forsche paddenstoel en heel mooi lichtgrijs bij wit af, maar toch duidelijk grijs. De vlijtige paddenstoelzoeker heeft een prachtige gelegenheid, om zich te oefenen in het onderscheiden van kleuren en tinten, dat verzeker ik u. Wanneer de nevelzwam pas uit den grond komt, heeft hij een ronden, bollen hoed. Langzamerhand gaat die zich uitspreiden en eindelijk komen de randen wat omhoog zoodat het hoedoppervlak hol gaat worden. Bij een verwante soort wordt de hoed zelfs trechtervormig; dat is de Slanke Trechterzwam (Clitocybe infundibiliformis) (33, 89). Die is donkerder van tint en gelig of kaneelkleurig en niet zoo grif in het vormen van heksenkringen; meestal staat hij zelfs eenzaam. De meest bekende heksenkringvormer van de grasvelden is de Weidekringzwam (Marasmius oreades) (30). Bezitters van buitenplaatsen, die er op gesteld zijn om een vlekkeloos gazon bij hun huis te hebben, worden soms wel danig geplaagd door dit aardig paddenstoeltje, dat zijn schalksche cirkels trekt op hun grastapijt. Ik ken er echter ook wel, die de kringen met genoegen zien en de paddenstoeltjes zelve smakelijk verorberen. Ze staan dicht opeen, soms zelfs in bundeltjes. In een kring van 1.5 M. middellijn telde ik 138 hoedjes en dat hadden er nog wel meer kunnen zijn. Het paddenstoeltje is er een van middelbare grootte (lengte van den steel tot bijna 1 d.M., doorsnee van den hoed 1–6 c.M.) rossig bruin, later verbleekend. De hoed is eerst kegelvormig, maar spreidt zich later uit en dan blijft er nog een bobbeltje in het midden. De meeste paddenstoelen verrotten en verwateren, als ze ouder worden, maar alles wat Marasmius heet, verdroogt bij het verouderen. In de dennenbosschen vind ik veel heksenkringen van een verwante soort, de Ringsteel (Marasmius confluens) (28). Die wordt bij het verdrogen bijna spierwit. De kring is doorgaans samengesteld uit duidelijk gescheiden groepjes en in deze groepjes bestaat weer een groot verschil van steellengte. Daardoor ziet een heksenkring van Ringsteeltjes er altijd zeer levendig uit. Dat groeien in bundeltjes komt ook bij zeer veel paddenstoelsoorten voor en het meest bekende voorbeeld daarvan is wel het Zwavelkopje (Hypholoma fasciculare) (53). In onze kinderjaren noemden wij die altijd „koekjes”, maar wij wachtten ons wel, om ervan te eten, want mijn grootmoeder, die heel knap was in de plantenkennis en kruidkunde, had ons gezegd, dat ze vergiftig waren. Ze zien er anders lekker genoeg uit, rond en bol en mooi bruinig oranje met aan den top eventjes aangebrand. De onderkant met zijn vellerige vaalzwarte platen zag er minder lekker uit en we lieten ze dus stil staan, maar lieten niet na, de prachtige groepjes te bewonderen, vooral wanneer ze zoo schilderachtig geplaatst waren aan den rand van een boomstronk. Een andere in groepjes groeiende paddenstoel, die ik mij uit mijn jeugd herinner, is de Gewone Inktzwam (Coprinus atramentarius) (46). Die is niet vergiftig, maar bracht ons toch dikwijls ongerief, doordat wij elkaar er mee insmeerden en dan zat er doorgaans een pak slaag op. Ze groeiden in den tuin in het hoekje waar altijd de mest gestort werd. Op een mooien morgen zag je daar dan opeens iets, dat wel leek op een partij bruine streperige eieren, die ter halve hoogte uit den grond staken. ’s Middags waren dat al paddenstoelen met kegelvormige hoeden, losjes wiegelend op slanke stelen. De platen aan den onderkant van die hoeden waren eerst bleek rossig-bruin, maar werden spoedig zwart en dan begon de pret. Want ze vervloeiden tot een zwarte brij; de heele hoed vervloeit tot aan den steel toe en met die zwarte brij kun je nu naar hartelust schilderen en klodderen. ’t Is wel merkwaardig, dat aan het vervloeien van deze inktzwam het uitstrooien van de sporen voorafgaat. De inktzwam vertoont zeer duidelijk twee eigenschappen, die men gewoonlijk aan alle paddenstoelen toeschrijft: vergankelijkheid en snellen groei. Nu valt dat met de snelheid van groei lang niet altijd mee. Ik heb daar in den loop der jaren nog al veel op gelet en veel paddenstoelen dag aan dag en uur aan uur gadegeslagen. Ze groeien het snelst bij vochtig weer en niet te lage temperatuur en een onweersrijke periode is voor hen zeer gunstig. Van den onmiddellijken invloed van een onweer heb ik echter nooit iets met zekerheid kunnen vaststellen; het zit dunkt mij dan niet zoo zeer in de electrische verschijnselen, dan wel in de gunstige samenwerking van zon en regen. Het rechte weet ik er nog lang niet van en ik mag hier mijn jonge vrienden en vriendinnen wel eens aansporen, om op al deze dingen te letten. Let eens op bepaalde paddenstoelen dag aan dag en liefst drie, vier keer op een dag van het oogenblik af dat zij zich beginnen te vertoonen, totdat zij vergaan of verdroogd zijn. Zie hoe ze opkomen, hoe snel ze hun hoed ontplooien, wanneer ze hun sporen strooien en hoe ze hun loopbaan eindigen. Het opkomen gaat het snelst. Ik zie altijd met genoegen hoe zoo’n opkomende paddenstoel den grond boven zich omhoog duwt en open splijt. De meeste komen op met gesloten hoed, maar de Spleet-Vezelkop van de duinen (Inocybe rimosa) (26) heeft bij het opkomen zijn hoed al heel of half open en komt dan heel leuk uit het zand opduiken. De Spijkerzwammen, zoowel de Gladde (Gomphidius viscidus) (65) als de Gewone (G. glutinosus) (66) zijn dikwijls snel in het ontplooien. Eigenlijk hebben ze niet veel te ontplooien, want hun steel is dik en de hoed is dik en de plaatjes nog al smal, maar toch, ze komen bol op en staan tenslotte hol of vlak en die overgang van bol naar hol heb ik eens zien gebeuren in op zijn hoogst drie en een half uur. Die Spijkerzwammen zijn gemakkelijk te kennen aan hun stoeren bouw, hun bijzondere roodkoper-kleur, die in den steel overgaat in geel en aan de dikke platen, die eerst mooi grijs zijn, later donkerder worden en ook wel kopergroen aanloopen. Ze groeien in naaldbosschen. Een andere snelgroeier is de Gesteelde Bekerzwam (Macropoda macropus) (21). De wetenschappelijke naam duidt op zijn langen steel. ’t Is een klein zwammetje, eigenlijk een ronde Peziza op een steel. Ook het Kleverig Koraalzwammetje (Calocera viscosa) (51) is er een, die in nog al zeer korten tijd van een glimmend oranje knikkertje, dat uit de schors van een ouden dennestronk komt uitpuilen, verandert in een prachtig rijk vertakt gewei. De Amethystzwam (Laccaria laccata var. amethystina) (32) doet heel raar. Soms schiet hij vlug op, een andermaal is er dagenlang geen verandering te bespeuren. Ieder kent dat mooie paddenstoeltje, dat vooral in het naaldhout groeit en door zijn prachtige diep donker-paarsblauwe kleur onmiddellijk de aandacht trekt. Vooral de zeer jonge zijn bijzonder mooi van kleur. Die verbleekt bij de oudere en er komen dan ook wel bruinige strepen in den hoed of hij raakt wit uitgebleekt. De zeer lange wetenschappelijke naam leert ons dat deze Amethystzwam eigenlijk een bijvorm is van een anders uitziende soort en het zal u ook weinig moeite kosten om een paddenstoel te vinden precies van dezelfde grootte en vorm, maar dan mooi vosbruin; dat is dan de typische Laccaria laccata (35). Hij is ook rooskleurig te vinden en om al die kleurwisselingen heeft men er den naam van Fopzwam voor bedacht. Dat kan er nog net mee door, maar mooi klinkt die naam niet. Men wil de Amethystzwam ook wel Roodekoolzwam noemen. Nu vind ik roode kool wel lekker, doch amethyst toch mooier. Hoe lang leven de paddenstoelen? Hoe lang leeft de eigenlijke plant, dat is de zwamvlok, het mycelium in den grond? Wel, het mycelium van mijn Paarse Ridderzwam, waarvan ik hierboven vertelde, was op zijn minst vier jaar oud toen het werd „omgewerkt” en zou het zeker nog wel langen tijd uitgehouden hebben. Er is een mooie warm geelbruine ruige zwam, die dikwijls groepsgewijs aan boomstronken groeit, dat is de Schubbige Pholiota (Pholiota squarrosa) (29). Die vond ik eens reusachtig groot op een ouden dennestronk, grooter dan waar de boeken van gewagen. Die hield ik dus hoog in eere. Hij werd met rust gelaten, alleen met veel zorg gefotografeerd en gemeten. Eenige jaren achtereen konden wij ons in den aanblik van telkens nieuwe reuzen verheugen, maar in het vijfde jaar bleef hij weg en sedert is hij niet weer verschenen. De dennestomp staat er nog en ieder najaar ga ik braaf kijken, of het mycelium misschien is herleefd. Tegenwoordig heb ik nog een Vliegenzwamgroep, die reeds acht jaren achtereen op ongeveer dezelfde plek in het bosch te voorschijn komt onder hooge dennen. Voor waarnemingen als deze moet je de beschikking hebben over terreinen, die vrij wel ongemoeid worden gelaten. Gelukkig hebben wij die tegenwoordig in onze Natuurmonumenten. Eer ik dit hoofdstuk eindig, moet ik nog een paar soorten noemen, die op zeer bijzondere wijze groeien. We vinden wel eens in het bosch een Russula, die niet zoo gaaf is, als we van Russula’s gewoon zijn. In zijn jeugd is hij natuurlijk aardig genoeg; de hoed groenig grijs, de steel wit, de platen wit. Die platen zijn heel dik en wat bij Russula’s zelden voorkomt, ongelijk van lengte. De hoed, eerst bol, wordt gaandeweg hol en nu gaat de heele paddenstoel verkleuren, eerst in het bruine, dan tot zwart toe en dat gaat niet mooi gelijk maar met vlekkerigheidjes. Eindelijk lijkt hij heelemaal te verkolen en zoo blijft hij liggen tot in het volgend jaar. Hij heet de Grofplaat Russula (Russula nigricans) (22). Op oude Russula’s van deze soort nu kunt ge in het najaar groepjes van kleine paddenstoeltjes vinden, die soms wel lijken op gesteelde stuifballen, maar bij nader toezien blijken ze toch tot de Plaatzwammen te behooren. Soms zijn de platen echter in het geheel niet ontwikkeld, maar dat hindert niet, want dit Sterzwammetje (Nyctalis asterophora) (22) kan ook een bijzonder soort van sporen vormen aan de oppervlakte van hoed en steel. Behalve het Sterzwammetje groeit er ook nog wel een andere kleine paddenstoel op de platen van vergane Russula’s en Melkzwammen, dat is de Knolletjes-Collybia (Collybia tuberosa), zoo genoemd omdat de dunne steel met een hard knolletje in het lichaam van de Russula vast zit. Het is altijd nog al bijzonder, om deze paddenstoelen, die op paddenstoelen groeien, te vinden. En nu tot slot nog de paddenstoel, die op een rups groeit, de Rupsendooder (Cordyceps militaris) (50), een heel mooi oranje tongetje, van boven ruw, dat uit den grond komt steken. Graaf dat dingetje netjes uit in een kringetje van een paar vinger breed rondom dat steeltje en een centimeter of acht diep. Splijt dan de aardkluit voorzichtig open, uitgaande van het steeltje en dan krijgt ge hoogstwaarschijnlijk een vlinderpop te zien of een rups, natuurlijk dood en die is dan doorweven van het mycelium van dit zwammetje. Doorgaans is het de pop van de Huismoeder (Agrotis pronuba), de welbekende vlinder met de oranje met zwarte achtervleugels, die zoo dikwijls onrust baart in uw slaapvertrek. Als je nu weet, dat de rups van die vlinder knaagt aan de wortels van gras en graan, dan begroeten wij hier in dezen Rupsendooder alvast de eerste van onze „nuttige” paddenstoelen. Niet ieder tongetje dat uit den grond komt kijken is een Rupsendooder. Er zijn ook andere „Aardtongen”, onder andere de Gladde Aardtong (Geoglossum glabrum) (61) die is donkerbruin en glad. Is zij bezet met dichte haartjes, dan hebt ge de Ruwe Aardtong (Geoglossum hirsutum), beide nog al zeldzaam. III. DE NUTTIGE PADDENSTOELEN We weten tegenwoordig, dat vele paddenstoelen van onberekenbaar groot nut zijn en dat menige boom, menig bosch niet zou kunnen bestaan zonder hun bijstand. Het is geruimen tijd geleden, dat men dit begon te vermoeden; in de laatste jaren is dat vermoeden tot zekerheid geworden. Het heeft al lang de aandacht getrokken, dat sommige paddenstoelsoorten liefst groeien in gezelschap van bepaalde boomsoorten, soms slechts één, soms eenige. De Vliegenzwam vindt ge doorgaans bij berken, ook onder dennen of lariksen, maar zelden in andere omgeving. Dikwijls heb ik heksenkringen van Vliegenzwammen gevonden rondom alleenstaande berken en ik behoef u niet te zeggen, hoe prachtig dat er uit ziet: echt om te schilderen. De berk heeft nog een paar andere vrienden en wel de Ruwe Boleet (Boletus scaber) (38) en de Berken Gordijnzwam (Cortinarius hemitrichus) (36). Van deze laatste is gezegd, dat hij evenzeer verknocht is aan den berk, als de dolfijn aan zijn schip. Ge weet dat de dolfijnen er schik in hebben, om uren lang en mijlen ver een schip te vergezellen. De Ruwe Boleet ontbreekt ook nooit in berkenbosschen. Het is niet een van de mooiste Boleten: de steel nog al slank, grijs met donkere stippeltjes en ruig, de hoed bol, bruin en de buisjeslaag zoo’n gruttebrij-kleurtje. Hij komt ook voor onder ratelpopulieren en nu wordt wel beweerd, dat die van de ratelpopulieren er anders uitziet dan die van de berken, meer rossig. Let er eens op! Maar ze zouden toch van één en dezelfde soort zijn. Dat is alleen door kweeking uit te maken. Ook is vastgesteld, dat het Eekhorentjesbrood (Boletus edulis) (39) bij de berken behoort. Deze boleet is een van de grootste paddenstoelen. De bruine hoed kan wel een middellijn hebben van 25 c.M. De steel is dik, mooi bruingrijs en dikwijls versierd met een netachtige teekening. Het vleesch is wit en blijft wit als we den paddenstoel doorbreken. Misschien kan het vlak aan den buitenrand een beetje rose worden. Andere boleten behooren bij de Naaldboomen. In de eerste plaats noemen we de Melkboleet (Boletus granulatus) (37), één van de kleine boleten. De mooi glimmende bruine hoed wordt zelden grooter dan 8 c.M. in middellijn; de steel is tamelijk kort, middelsoort dik, lichtgeel bij wit af en vlak onder den hoed dikwijls gestippeld door kleine gele of bruine knobbeltjes. De poriën zijn geel en daar zitten vaak witte melkdroppeltjes aan. Dit mooie boleetje is een van de eerste, die zich ’s zomers in het dennenbosch vertoonen en wel het liefst langs de paden en open plekken. Let er eens op, dat de paddenstoelen meer voorkomen op de lichte en halflichte plekken in het bosch dan op de donkerste. De Bruine Ringboleet (Boletus luteus) (40) heet zoo, omdat hij een mooie paarse ring rondom den steel heeft, eigenlijk een echte sluier of manchet, die net als bij de Amanita’s en Psalliota’s ontstaat, doordat een vlies, dat aanvankelijk de poriënlaag bedekte, loslaat en nu rondom den steel komt hangen. Deze sluier verwelkt wel spoedig, maar er blijft toch altijd een duidelijk donker ringetje om den steel. Er is ook een Gele Ringboleet (Boletus flavus) (42). Deze is lichter van kleur, heeft een witte sluier en toont een bijzondere voorkeur voor lariksen. Een echte dennenvriend is weer de Kastanjeboleet (Boletus badius) (41), ook bruin, maar zonder sluier en zijn witte vleesch wordt, aan de lucht blootgesteld, mooi bleekblauw. Ziezoo, dat is een heele verzameling van boleten; later noem ik er nog een paar bij. Hoe staat dat nu met het bondgenootschap tusschen de boleten en de dennen of berken? Daarvoor moeten we even aan het graven en zoeken naar worteluiteinden van deze boomen. Ge zult zien, dat die er heel anders uitzien dan de worteltjes van radijs, die pas opkomt. Die radijsworteltjes zijn nabij hun punt dicht bezet met fijne wortelharen en dat is nu bij onze boomen heelemaal niet het geval. Ze vertoonen dikkige, bruinige, wittige, eventjes ruige worteluiteinden en als we die onder het microscoop onderzoeken, dan blijkt dat ze dicht omsponnen zijn met myceliumweefsel. Nu zijn knappe onderzoekers er niet alleen in geslaagd, om voor veel gevallen uit te maken tot welke paddenstoelsoort dat myceliumweefsel behoorde, maar ook hebben ze bewezen, dat boomen met zoo’n zwamwortel beter groeien, dan zonder. Zoo’n combinatie van wortel met myceliumdraden heet een Mycorrhiza, en dat beteekent letterlijk zwamwortel. Soms zitten de myceliumdraden om den wortel maar dikwijls ook in den wortel en in beide gevallen is het een voordeel voor de plant. Het aantal planten, die er een mycorrhiza op na houden, is bijzonder groot. Om te beginnen alle boomen en heesters van bosch en heide, maar dan ook nog een aantal kruidachtige planten, zooals de bosch-anemoon, de wespen-orchis, koraal-orchis, vogelnest-orchis, ook alle orchideeën, die op den grond groeien en dan nog om niet te vergeten het bleeke Stofzaad, dat eenig en alleen is aangewezen op het voedsel, dat de zwamdraden hem verschaffen. De paddenstoelen zijn dus onmisbaar voor den plantengroei van bosch en heide, weide en akker. Gaandeweg zullen we daar nog wel meer van te weten komen en iedereen kan daaraan meehelpen, al is het dan ook nog zoo’n beetje. De jeugdige paddenstoelzoekers moeten alvast beginnen met voor iederen paddenstoel, dien ze vinden, aan te teekenen bij welke boomen of andere planten die groeide. Of, omgekeerd, maak een lijst van boomen en noteer dan bij iederen boom, welke paddenstoelen eronder op den grond groeien. Ge zult ontdekken, dat de Spijkerzwammen (Gomphidius) al even goede dennevrienden zijn als de Boleten en dat de Melkzwammen hun weldaden verdeelen over dennen, berken en eiken. De beroemdste van alle Melkzwammen is de Oranjegroene Melkzwam (Lactarius deliciosus) (59). Deze groeit vooral in naaldbosschen, onder dennen en lariksen en is ook te vinden in onze helaas steeds schaarscher wordende Jeneverbeswouden van de Drentsche, Veluwsche en Brabantsche zandstuivingen. ’t Is een van de gemakkelijkst kenbare soorten, want het is een echte oranjeklant; hoed oranje met donkerder kringen, steel oranje, vleesch oranje, melk oranje, platen oranje. Als je even met den nagel langs de platen strijkt, komen de oranjedroppels te voorschijn en die melk smaakt zoet. Door het hanteeren gaat deze paddenstoel er minder smakelijk uitzien, want overal waar ge hem eventjes drukt of knijpt wordt hij dadelijk vaalgroen. Deze paddenstoel wordt nog al eens gegeten en de Latijnsche bijnaam van „deliciosus” zou je doen vermoeden, dat hij al heel bijzonder lekker moet zijn, maar dat valt toch niet mee. Er zijn tal van lekkerder soorten, te beginnen met ons Eekhoorntjesbrood. In ons land worden paddenstoelen nog niet veel gegeten. De menschen zijn er huiverig van en terecht, want onvoorzichtigheid in dezen kan je den dood aandoen. Alleen bepaalde soorten zijn eetbaar en die moet ge op en top kennen, met al hun kenmerken, eer ge het waagt, den tand erin te zetten. Er bestaat geen enkel algemeen kenmerk, om vergiftige paddenstoelen te onderscheiden van de eetbare. Men hoort wel eens van dergelijke huisregeltjes, b.v. dat een zilveren lepel zwart zou worden in vergiftige paddenstoelen en blank zou blijven in de goede. Daar is niets van waar: de lepels blijven blank in de allergiftigste Amanieten. Verkleurend vleesch zou een kenmerk zijn voor giftigheid; heelemaal niet waar: verschillende van die verkleur-paddenstoelen zijn heel goed om te eten. Paddenstoelen, waar slakken van eten, zouden goed zijn; volmaakt onjuist: je ziet dikwijls slakken smullen van soorten, die voor ons giftig zijn. Neen, wie paddenstoelen wil eten kan er niet buiten, om de soorten, die hij wil eten, goed te leeren kennen aan hun uiterlijk en meteen make hij kennis met de giftige soorten, die, hoewel vaak oppervlakkig, gelijken op de goede. Het aantal soorten waarvan bekend is, dat ze eetbaar zijn is al zeer groot; in ons land wel over de honderd. Catharina Cool geeft in haar paddenstoelboekje den naam van 78 eetbare paddenstoelen en daar tegenover 28, die vergiftig of verdacht zijn. Voorzichtige menschen eten maar liever in het geheel geen paddenstoelen, doch daaraan hebben ze ongelijk. ’t Is ook niet noodig, dat we ieder jaar duizenden kilogrammen stikstofvoedsel laten verrotten en vergaan en zeker wel de moeite waard, om ons een paar dozijn soorten van paddenstoelen goed in het hoofd te prenten. In Duitschland, België, Frankrijk, Zwitserland worden paddenstoelen bij massa’s gegeten. Daar worden ze ook op de groentemarkten verkocht, evengoed als worteltjes en andijvie en dikwijls genoeg heb ik op de markt te Bazel, Bern, Lausanne of Genève met groot genoegen naar de paddenstoelkraampjes staan kijken. Daar mogen slechts bepaalde soorten ten verkoop worden aangeboden en een controleur waakt er voor goede naleving der bepalingen, onderzoekt ook, of de aangeboden waren versch genoeg zijn. En als ze een partijtje afkeuren, dan moet je hooren, hoe die oude kwieke paddenstoeldames hun controleur aftakelen in een dialect, dat volkomen onverstaanbaar is, maar dat verduidelijkt wordt door gebaren en geluiden uit de wereldtaal van de boosheid. De markt in Genève is zeer streng; daar mogen zelfs geen Koraalzwammen verkocht worden, ofschoon ze niet vergiftig zijn. Ze schijnen echter een al te bespoedigenden invloed te hebben op het verloop van de spijsvertering. De paddenstoel, dien je ieder kan aanraden om te eten, is de Hanekam of Dooierzwam (Cantharellus cibarius) (52). De Duitschers noemen hem Pfefferling en inderdaad heeft hij een heel aangenaam prikkelend peperachtig smaakje en geeft daarbij nog een geurige gewaarwording als van ooft. In allerlei bosschen, maar misschien in loofbosch meer dan in naaldhout, ziet ge al vroeg in den nazomer groepen van mooi-oranje knopjes uit den grond komen en die groeien uit tot trechtervormige figuren met omgekrulden hoedrand. ’t Is een plaatjeszwam, maar de plaatjes zijn niet hoog en lijken eerder dikke ribbels, zeer typisch. Deze zwam heeft geen gevaarlijken dubbelganger, zooals zoo menig andere. Vroeger dacht men van wel en hield men de Valsche Dooierzwam (Cantharellus aurantiaca) (54) voor vergiftig. Dat is gelukkig heelemaal niet het geval; alleen is hij niet zoo lekker, doordat zijn vleesch nog al slap is, terwijl dat van de echte dooierzwam zoo lekker knappert. Deze beide Cantharellen worden haast nooit aangetast door insecten. Geen wonder, dat de „Chanterelle” op de Zwitsersche markten een gewild artikel is. Ze werden er vroeger bij het gewicht verkocht. Om ze nu zwaarder te maken, legden de verkoopers ze in water, alvorens ze op de markt te brengen. Dit bedrog had ook slechte gevolgen voor de ingewanden der koopers! Toen schreef de marktmeester voor, om ze bij de maat te verkoopen en dat vonden de kooplui nog prettiger, want met droge cantharellen heb je eerder een maat vol dan met natte; die plakken in elkander. Al de Boleten, die ik in dit en de vorige hoofdstukken genoemd heb, zijn eetbaar. De beste is wel het gewone Eekhoorntjesbrood (Boletus edulis) (39) en dan volgt de Melkboleet (Boletus granulatus) (37). Het zal u blijken, dat het niet zoo makkelijk gaat, om volkomen gave exemplaren van deze paddenstoelen te vinden, want ze zijn al heel spoedig doorvreten door insectenlarven. Soms echter komen ze zoo vlug en in zoo groot aantal voor, dat wij het niet kunnen bijhouden met eten en dan gaan we ze „wekken”. Ik heb geen gelegenheid om in dit album te vertellen van het koken, braden, inmaken enz. van paddenstoelen en moet u daarvoor verwijzen naar het Paddenstoelboekje van Cool en van der Lek en naar een kleiner werkje van Mej. Cool „Hoe maken we Paddenstoelen klaar”, beide uitgaven van W. Versluys te Amsterdam. De paddenstoel, die wel het meest gegeten wordt en dan ook opzettelijk in groote hoeveelheden wordt gekweekt, is de Weide-Champignon of Weide-Kampernoelje (Psalliota campestris) (45). Zooals de naam al aanduidt groeit deze paddenstoel op weiden, vooral paardeweiden, ook op strandweiden, waar trouwens altijd veel vee graast. Op deze plaatsen bestaat weinig gevaar dat zijn doodelijk vergiftige dubbelgangers, de Knol-Amanieten, ook zouden groeien, want deze hooren thuis in bosschen. In boschweiden vindt men ze wel in elkaars gezelschap, dus daar heet het oppassen. De Weide-Champignon heeft evenals de Vliegenzwam en de andere Amanieten een manchet aan zijn steel en zijn voet is knollig, doch heeft daar geen „beurs”, zooals de Amanieten hebben. Intusschen kan die beurs bij de Amanieten ook wel eens heel onduidelijk zijn en dan verkeeren we dus nog in twijfel. Gelukkig is er voor onze Weide-Champignon nog een prachtig kenmerk en wel dit: de plaatjes zijn bij de nog zeer jonge Weide-Champignon al vaalrose; ze worden gaandeweg donkerder en zijn bij de oude Weide-Champignons met hun uitgespreiden hoed bij zwart af. De Weide-Champignon groeit in troepen en ook heel dikwijls in heksenkringen. De uitgespreide hoed kan tot twee decimeter middellijn krijgen. Het mooist en het lekkerst zijn ze in jeugdigen toestand, zoo in den tijd dat het dekvlies van de platen van den hoedrand begint los te laten. Ze zijn te vinden van vroeg in den zomer tot in den winter toe. Als groote bijzonderheid vonden wij er eens een in Maart, één van de aardigste voorbeelden van de grillen der paddenstoelen. Nu kunnen wij eigenlijk met die Weide-Champignon al best tevreden zijn, maar er is nog een Akker-Champignon (Psalliota arvensis) (43) en een Bosch-Champignon (Psalliota sylvatica) (44), die er in het algemeen wel op lijken en waarvan vooral de eerste heel lekker is, maar die hebben in hun jeugd—als ze ’t lekkerst zijn—allebei heel lichte plaatjes, bij wit af en kunnen dan wel eens bij het inzamelen een Amanita in hun gezelschap krijgen, zonder dat je het zoudt merken. Daar zijn heel ervaren paddenstoelzoekers al wel eens mee ingeloopen en een beginner doet daarom het best zich maar uitsluitend te houden bij de veilige Weide-Champignon en geen heldendaden te beginnen met Bosch-Champignons. De Akker-Champignon heeft meestal een dubbelen schubbigen ring. De Bosch-Champignon ziet er veel donkerder uit dan de beide andere, doordat zijn hoed bedekt is met bruine schubben. Allebei, Akker-Champignon, zoowel als Bosch-Champignon blijven kleiner dan de Weide-Champignon; de middellijn van den hoed komt zelden boven de 12 c.M., terwijl de Weide-Champignon dikwijls met plezier de twintig haalt. Een buitengewoon gevaarlijke dubbelganger van de Champignons, waar niet dikwijls genoeg op gewezen wordt, is de Volvaria. Wij hebben een Witte Volvaria (Volvaria speciosa) en een Grijze Volvaria (Volvaria gloiocephala) (130). Ze verschillen in kleur, maar lijken overigens veel op elkander. Het gevaar schuilt hierin, dat zij ook rose plaatjes hebben evenals de goede Champignons en zij groeien op bemeste gronden nog al eens een enkelen keer in gezelschap van de brave eetbare kampernoeljes. Ze zijn goed te kennen aan de groote beurs, die onderaan den voet omgeeft, maar die zit dikwijls in den grond, dus uitgraven! Ook heeft de Volvaria geen manchet. Men behoeft zich dus nooit te vergissen, maar toch, opgepast hoor! De inktzwammen zijn in hun jeugd goed om te eten en zeer bijzonder wordt aanbevolen de Geschubde Inktzwam (Coprinus comatus) (48) en dat is tegelijk een van de allermooiste paddenstoelen, die er bestaan en eigenlijk had hij al een eereplaats mogen innemen in het eerste hoofdstuk. ’t Is er een, dien we zoeken moeten op vruchtbare akkers, langs kleiïge dijken, op rommelige mestrijke, stikstofrijke plaatsen en daar komen ze met hun spierwitte bolletjes boven den grond opsteken en worden al hooger en hooger tot hun schubbige hoed als een groot ei boven den grond komt, los op zijn steel. Nu moet ge hem plukken, want over enkele uren gaat hij vervloeien, net als de gewone inktzwam. Minder vergankelijk is de Biefstukzwam (Fistulina hepatica) (F). De ervaren paddenstoelzoeker, die zijn buurt kent, weet wel oude eiken en eikenstronken te staan, die jaar in jaar uit zijn biefstuk leveren. Eerst komt er een dikke roodbruine knobbel te voorschijn en die wordt dag aan dag tamelijk langzaam al grooter en grooter, al malscher en malscher. Hij begint zich al gauw te doen kennen als een buisjeszwam, evenals onze Boleten. De buisjes van deze Biefstukzwam staan echter niet vlak tegen elkaar, maar met kleine tusschenruimten. Ze scheiden ook een vocht af en alles met alles ziet deze paddenstoel er zeer aantrekkelijk en smakelijk uit, wat hij dan ook werkelijk is. Langer dan zes jaar achtereen heb ik hem niet uit één en denzelfden stronk verkregen. Nog een andere goed eetbare boomstronkpaddenstoel is de Oesterzwam (Pleurotus ostreatus) (D). Hij groeit zoowel op levende zieke boomen als op doode stammen en komt daar in groote waaiervormige massa’s te voorschijn; de steel zit aan den kant van den hoed, vlak in den stam. De hoed is bleekgrijs, soms heel mooi lavendelkleurig, ook wel donkerder en met bijzonder mooi gekrulden rand. De platen flink groot en licht van kleur; de overvloedige sporen wit. In het Oosten van ons land meer dan in het Westen, dus in het Gooi meer dan in Kennemerland staan een paar smakelijke stekelzwammen, de Gele of Uitgespreide Stekelzwam (Hydnum repandum) (64) en de Geschubde Stekelzwam (Hydnum imbricatum) (62). Ik vond ze allebei veel in het Koninklijk Park van Het Loo, en ook bij de Lage Vuursche, het meest in beukenbosschen. Ze zijn allebei heel makkelijk te kennen aan hun stekelige schubben. Voor de eerste heb ik een bijzondere voorliefde, eigenlijk alleen, omdat ik mijn eerste vond op een van die fabelachtig mooie zomersche dagen in het eind van November en dan aan de Vuursche met de beuken in het diepst en felst van hun koperkleur en bonte Vlaamsche gaaien, schreeuwend en stoeiend in het hout. ’t Is met de paddenstoel-liefhebberij als met andere natuur-liefhebberijen: hun hoogste beteekenis is deze, dat ze je naar buiten drijven en je de gelegenheid geven goed te beseffen, hoe mooi onze wereld is. Er zijn wel menschen, die het zoo druk hebben met andere dingen, dat ze dit nooit te weten komen. Maar ik weet het wel. Zoo ook met de Morieljes. Ik eet ze graag, heel graag, vooral wanneer mijn vrouw ze heeft klaargemaakt. Maar wat heeft dat te beteekenen bij het groote genoegen, het innige genot, dat ik ondervind bij het zoeken van deze prachtige dingen. De nachtegaal is pas aangekomen en de berken staan in jong loover, Anemoontjes nog in vollen bloei, en de Lelietjes van Dalen in knop. Overal ontluikend groen en bloemen, vogelzang, gegons van hommels en bijen en de lekkere lauwe lucht om je hoofd. En dan in het gras of bij de blauwe Viooltjes of zoo maar in het duin bij de Salomonszegeltjes die mooie bruine Morieljes op blank steeltje en met het wafelachtige goudbruine oppervlak. Nu eens vinden we ze onder iepen, dan onder eiken, op brandplekken; een vaste regel is niet te geven. Ze hebben geen plaatjes of buisjes of stekels, maar hebben hun sporen bij achttallen in zakjes, evenals de Peziza’s. Hoe kunnen ze verschillen in grootte en vorm; soms zijn ze akelig groot, als een vuist of nog grooter en dan hol en voozig. De beste zijn die van een centimeter of acht hoog. Er zijn verschillende soorten van Morieljes. Wij vinden hier in Bloemendaal voornamelijk twee soorten: de Gewone Morielje (Morchella esculenta) (58) en de Kapjesmorielje (Morchella rimosipes) (56). De eerste is bruinig en heeft duidelijk het wafeltjespatroon, de tweede een tamelijk zuiver kegelvormigen hoed met fijner plooien dan de eerste en grooter voet. Deze Morieljes mag men meerekenen onder de paddenstoelen, die je met geduld en volharding in je tuin kunt krijgen door maar altijd rijpe brokken uit te strooien op de plekken, die je geschikt voorkomen. Zoo heb ik ze in mijn tuin gekregen en geruimen tijd gehouden. In het najaar vinden wij een paar paddenstoelen, die een zeer oppervlakkige gelijkenis vertoonen met Morieljes en die door de Duitschers dan ook Herbstmorchel worden genoemd. Hun hoed is echter niet gewafeld, maar geplooid en in de plooien is het oppervlak dan effen. De voet is buitengewoon mooi versierd met ribbels en à jour werk, allemaal heel aardige openingen. We willen er ook twee soorten van noemen, de Witte Kluifjeszwam (Helvella crispa) (57) en de Zwarte Kluifjeszwam (Helvella lacunosa) (55). De eerste heeft een witten, de laatste een bijna zwarten hoed. Die Helvella lacunosa is gemiddeld ook kleiner en inwendig nog veel meer met gaten en openingen behept dan de Helvella crispa. In sommige jaren komen ze voor in onbegrijpelijk grooten getale, in andere jaren zoo goed als in het geheel niet. IV. GEVAARLIJKE PADDENSTOELEN Wanneer we geen paddenstoelen aten, dan zou dit hoofdstuk tamelijk kort kunnen zijn, want dan zou ik mij moeten bepalen tot het noemen van de weinige soorten, waarvan wij zeker weten, dat ze schadelijk zijn voor den boschbouw en dat ze gezonde boomen of boompjes ten verderve brengen. Het is dus niet meer dan logisch, dat we met deze paddenstoelen beginnen en het allereerst komt dan aan de beurt de beruchte Dennenmoorder (Trametes radiciperda) (71), ook bekend als Fomes annosus. Eigenlijk is het een sluipmoordenaar, want hij begint zijn aanval in het duister, onder den grond, waar de stam van de jonge dennetjes overgaat in den wortel, aan den wortelhals. Daar drijven de sporen hun myceliumdraden naar binnen en dan breidt de zwamvlok zich het sterkst uit in de grenslaag van schors en hout en in de schors zelf. De wortels kunnen nu geen voedsel meer uit de groene takken krijgen, want dat gaat naar omlaag langs die schors. Zij verhongeren en verrotten gaandeweg en dan gaat de boom dood. Lang eer dat gebeurt, is het hem al aan te zien, dat hij kwijnt; de naalden verkleuren, ze worden roodbruin en tegelijk gaan ook de jonge loten verwelken. Al dien tijd is nog geen paddenstoel te zien, maar in het najaar vindt ge aan den voet der kwijnende boompjes, tusschen mos en naalden, platte korsten, in bouw wel eenigszins herinnerend aan onzen vrind Polyporus perennis (18). Maar er is geen vaste vorm te bekennen; het is alsof het zwamlichaam uitgevloeid is uit den boomstam en het omgeeft dan ook naalden, takjes, sprietjes en mos. Aan den bovenkant zijn die plakken groenig bruin, aan de onderzijde wit en daar zie je dan ook de poriën, waaruit de sporen te voorschijn komen. Deze kunnen door wind en water en door dieren weer andere boompjes in de buurt bereiken en zoo kunnen groote stukken bosch worden aangetast. Een Trametes-zieke boom kan het wel eenige jaren uithouden en ieder jaar wordt het zwamlichaam rondom den wortelhals grooter, want telkens wordt een nieuwe korst gevormd rondom de oude. Het komt dan ook wel boven den grond; de kenner vindt het al veel eerder, door eventjes bij verdacht uitziende boompjes de naalden of het mos aan den voet van den boom opzij te schuiven. Dan zal hij meteen probeeren de ziekte te stuiten door het graven van greppels, het verwijderen van den zieken boom, het omwerken van den bodem, het inplanten van loof hout en allerlei andere listige bedenksels, die gaandeweg den dennenmoorder zullen maken tot een der zeldzaamste verschijningen in ons land. De Dennenmoorder belaagt alleen het naaldhout; de Honingzwam (Armillaria mellea) (75) daarentegen komt zoowel op loofhout als op naaldboomen voor. ’t Is een van onze allermooiste paddenstoelen en tegenwoordig ook nog zeer algemeen, want hij groeit nog langen tijd op doode boomstronken. Soms is zoo’n stronk geheel overdekt met de honingzwam, want hij groeit groepsgewijs en als er op één stronk drie groepen groeien, elk van twintig hoeden, dan blijft er van die stronk niet veel te zien. Het is dan één massa van mooie honinggele hoeden, die zelf weer vlokkig bruin gevlekt kunnen zijn. De stelen zijn fraai gebogen en dragen bovenaan een witten ring of manchet, dus op de manier van de Amanita’s en Champignons. De platen zijn licht geel en loopen dikwijls in fijne ribbeltjes langs den steel voort tot aan de manchet. De sporen zijn wit; meestal vinden we dan ook in rijpe groepen de onderste hoeden wit bepoederd door de sporen, die uit de bovenste zijn neergevallen. Het mycelium, de zwamvlok, ontwikkelt zich weer het best in de grenslaag van schors en hout. Behalve dat vlokkig mycelium maakt deze Honingzwam ook nog dikke zwarte draden; je zoudt ze soms voor verkoolde wortels kunnen houden. Deze dingen heeten Rhizomorphen; ze dringen door langs het hout van de stammen en door den grond heen en uit die Rhizomorphen kunnen dan weer hier en daar nieuwe honingzwamgroepen opschieten. De boschbouwer is in het geheel niet gesteld op deze prachtige zwammen. Kleine boompjes, die er door zijn aangetast, verwijdert hij geheel, bij grootere gaat hij greppelen en graven en vooral zorgt hij er voor, om afgekapte boomstronken, vooral die van loofhout, tijdig te verwijderen. In jeugdigen staat is deze honingzwam eetbaar. Wanneer ge honingzwammen weet te groeien, ga er dan ook in het donker eens naar kijken; het mycelium en vooral de uiteinden van de Rhizomorphen verspreiden soms een spookachtig licht, als van stukjes phosphorus. Verwant met de honingzwam is de Porceleinzwam (Armillaria mucida) (80), die zooals de naam al doet vermoeden, glanzig spierwit is. Ge moet haar zoeken in het beukenbosch en wel op oude stervende boomen. Soms bij honderden komen de zwammetjes uit de schors te voorschijn, net isoleerpotjes voor electrische geleiddraden en nu eens in groepjes bijeen, dan weer alleenstaand. Het is gemakkelijk te begrijpen, dat het heele lichaam van den boom doortrokken moet zijn met zwamvlokdraden, met andere woorden, dat hij daar staat te vermolmen en te vergaan. Ook deze paddenstoel is, dank den goeden zorgen tegenwoordig aan het bosch besteed, al minder algemeen dan veertig jaar geleden. Wij weten niet zeker, of de Porceleinzwam wel gezonde beuken aantast. Waarschijnlijk krijgen de boomen eerst een ander kwaaltje en dan komt de zwam daarboven op. Met het bestrijden van de Porceleinzwam hebben wij dan de oorspronkelijke kwaal nog niet te pakken. Er zijn nog heel veel van die boompaddenstoelen; hieronder zullen wij er nog eenige noemen die zich alleen vertoonen aan stervende of reeds gestorven boomen en die dus niet als de eerste oorzaak van het sterven van den boom beschouwd moeten worden. Intusschen is het ook mogelijk, dat het mycelium al jaren lang in den boom heeft voortgewoekerd, eer de paddenstoel aan den buitenkant verschijnt en dan is hij dus wèl de schuldige. Hier is de waarheid ook alweer zeer moeilijk te ontdekken. Ik weid hier een beetje over uit, vooral met het oog op de berken. In het Kennemerduin hebben wij vele en uitgestrekte berkenboschjes. Dat waren heerlijke lustoorden, vooreerst om de berken zelf, dan ook om de vele mooie en interessante planten, die er op den boschbodem groeien, de paddenstoelen niet te vergeten, eindelijk om de fraaie bloem- en besheesters, die ze omzoomen (liguster, meidoorn, geldersche roos, lijsterbes, egelantier, kamperfoelie) en ten slotte om de rijke insecten- en vogelwereld, die onafscheidelijk verbonden is aan rijken plantengroei. In de laatste dertig jaren is die rijkdom allertreurigst verminderd, veel van die boschjes staan nu hol en ledig, de helft van de berken dood, sommige nog overeind, kaal en bladerloos, andere tegen den grond gesmakt. En op al die doode stammen vinden we de prachtige Berkenzwam (Polyporus betulinus = Placoderma betulinum) (67). Het lijkt dan, alsof het bosch bezweken is onder den aanval van dien paddenstoel. Wij vermoeden echter, dat de boomen eerst zijn gaan kwijnen, vooral doordat de duinwaterleiding zooveel water aan den bodem onttrekt en dat daarna de zwam is opgetreden. Let er maar eens op, of ge hem ooit aantreft op levende boomen. De Berkenzwam is heel mooi en ’t is interessant om zijn groei na te gaan van het oogenblik af, dat ge hem als een klein knikkertje uit den schors ziet puilen, totdat hij weken en weken later volledig is uitgegroeid. Als hij op een los liggenden stam groeit, moet ge dien eens keeren en wentelen en dan zult ge zien, dat de paddenstoel dan de richting van zijn groei verandert: steeds zoo, dat de bleeke poriënlaag horizontaal komt te liggen en naar beneden gericht. Haast alle planten hebben een soort van gevoel voor boven en onder, rechtop en scheef, en de paddenstoelen hebben dat ook, anders zouden ze nooit zoo sierlijk staan, waar zij groeien. Aan zwammen op een los paaltje kunnen we nu zien, hoe lang zij onder invloed van dit gevoel den gewenschten stand nog weer kunnen bereiken, als zij er uitgebracht zijn. De Berkenzwam evenaart in gaafheid en in zachtheid van tint de schors van den prachtigen boom, waar hij op groeit. Er zijn nog meer merkwaardige berkengasten, o.a. de Berkenplaatjes-Houtzwam (Lenzites betulina) (74). Die doet wel denken aan onze elfenbankjes uit Hoofdstuk I, want hij groeit ook zoo in platen, die er fluweelig uitzien en gekleurd zijn in kringstrepen van bruin en grijsgroen, een beetje soberder dan de elfenbankjes. Als ze jong zijn, dan zou hun onderkant ook doen vermoeden, dat we hier met een gaatjeszwam te doen hebben, maar als ze ouder worden, dan worden het plaatjes: rijk vertakt en onregelmatig met elkaar verbonden. Zij staan dus als het ware tusschen gaatjeszwammen en plaatjeszwammen in. Evenals de elfenbankjes kunnen ze het zeer lang uithouden, den winter door. Een dergelijke klant is de Doolhofzwam (Daedalea quercina) (68), die aan eiken, beuken en esschen voorkomt en zelfs nog aan timmerhout groeien kan. Zijn naam doelt er op, dat de onderkant allerlei gangen en spleten en kronkelingen vertoont, zoodat we soms twijfelen of wij met een gaatjes- of met een plaatjeszwam te doen hebben. Wij rekenen hem toch nog bij de gaatjeszwammen. Hij heeft een lang leven en kan jaren achtereen als harde houtige massa aan de boomen blijven zitten. Soms vindt men onder aan oude boomen een heele plakkaat van loodgrijze tot bruine platte hoeden langs en over elkander. Een onderzoek van den onderkant leert ons al spoedig, dat wij hier ook met Polyporus-soorten te doen hebben. Er zijn er namelijk twee. De bruine, die plakkaten vormt van wel een meter breed, wordt kortweg Reuzenzwam (Polyporus giganteus) genoemd; de andere, die meer in het grauwe loopt en wel meer voorkomt dan de eerste, heeft een aardigen volksnaam en wel Eikhaas (Polyporus frondosus) (70). Ze zijn allebei tamelijk zeldzaam, wat natuurlijk voor de boomen die ze belagen, zeer plezierig is. Zeer bekend zijn ook de groote houtzwammen, die ge als dikke uitsteeksels aan oude boomen opmerkt. Ze blijven vele jaren achtereen op dezelfde plaats voortgroeien, steeds een nieuw laagje van sporenbuisjes vormend. De meest bekende is de Vuurzwam (Fomes igniarius) (69), die vooral veel aan abeelen, zwarte populieren en wilgen wordt aangetroffen. Het vleesch is roodbruin, maar heelemaal niet vleezig, want het heele ding is zoo hard als hout en wordt dan ook wel als brandhout gebruikt. Lichter vleesch en grilliger groei heeft de Witte Populierzwam (Fomes connatus) (72), die op populieren groeit en wel zoo groot kan worden, dat de vogels er bovenop komen nestelen. Wij hebben tenminste eens een vliegenvangernest op zoo’n zwam gehad. En nu moeten wij het eens hebben over de menschenmoorders. In Hoofdstuk I heb ik u reeds de Vliegenzwam vertoond als vertegenwoordiger van het geslacht Amanita, waartoe de allermooiste, maar ook de allervergiftigste paddenstoelen behooren. Iedereen, die paddenstoelen wil inzamelen om te eten, moet eerst duidelijk kunnen zien, of hij een Amanita voor zich heeft. Zooals reeds gezegd is, herkennen wij ze aan hun witte (of lichtgele) plaatjes, aan de manchet rondom het boveneind van den steel en aan den dikken knolachtigen voet, die naar boven toe ook alweer een kraagje of een zoogenaamde beurs heeft. De beurs is wel het duidelijkst bij de Groene Knol-Amaniet (Amanita phalloïdes) (I), een prachtige gave groenachtig-gele paddenstoel, die in zomer en herfst in alle bosschen te vinden is. Met hem verwant zijn de Gele Knol-Amaniet (A. mappa) (H, K) en de Gele Amaniet (A. junquillea). Beginners kunnen ze niet gemakkelijk van elkander onderscheiden, maar dit hindert niet, men moet ze toch alle mijden. Het zijn deze drie, die onbegrijpelijkerwijze nog dikwijls verward worden met de Champignons. Nog eens: de witte platen en de beurs aan den voet zijn de kenmerken van de doodelijke Amanita’s, de manchet komt zoowel bij de Amanita’s als bij de goede eetbare Champignons voor. Het ergste is wel, dat de Amanita’s er altijd bekoorlijk uitzien en noch door geur noch door smaak hun giftigheid verraden. Wanneer ze toebereid worden als de gewone Champignons, dan leveren ze een smakelijk gerecht. Het is voorgekomen dat een gezin van vijf personen een stevigen maaltijd gebruikte van Amanita’s en zonder erg zich te rusten begaf. Het gif van de Amanita’s begint zich pas bemerkbaar te maken na 8–20 uren. Den volgenden dag kregen die vijf menschen dan ook afschuwelijke buikpijnen, vergezeld van buikloop en braking. De dokter constateerde dadelijk paddenstoelvergiftiging en deed al wat hij kon om de menschen te redden, maar het tweetal, die het meest gegeten hadden, bezweek den tweeden dag, de anderen haalden het met moeite op. Het vergif dat in Amanita’s schuilt heet Muscarine of Amanitine en werd in dat Amerikaansch geval bestreden door een tegengif, atropine, het gif van de doodelijke Wolfskers of Belladonna. Ook in ons land zijn nog al dikwijls Amanita-vergiftigingen voorgekomen en dat legt aan ieder, die zijn naaste wil aansporen, om paddenstoelen te eten, de verplichting op, om hem allereerst een flinken schrik te bezorgen voor de Amanita’s en hem die giftzwammen duidelijk aan te wijzen. De narigheid van het geval is, dat de Amanita’s gelijken op de goede Champignons, doch die gelijkenis is oppervlakkig en de verschillen zoo duidelijk, dat niemand zich behoeft te vergissen. Als alles was, zooals het wezen moet, dan zouden in alle scholen prachtige platen hangen met duidelijke afbeeldingen van deze boosdoeners en dan zouden ieder jaar in streken waar ze groeien, de Amanita’s aan de leerlingen vertoond worden en dan konden zij ze ook wel eens mooi nateekenen. De Vliegenzwam is niet vergiftig, maar erger. De beroemde Duitsche paddenstoelkenner Michael heeft het roode velletje er af getrokken en daarna de paddenstoel gegeten. Hij ondervond geen slechte gevolgen, maar kon de spijs toch niet roemen. Merkwaardigerwijze hebben Siberische volksstammen ontdekt, dat het vel van de Vliegenzwam bedwelmende eigenschappen heeft en die stakkers gaan zich daaraan dan te buiten, hoewel de gevolgen nog veel en veel erger zijn dan die van het misbruik van opium, haschisch en hoe al die ellendige bedenksels meer mogen heeten. Een Amaniet, die we in den zomer ook veel te zien krijgen, vooral in de zandstreken van het Oosten van ons land is de Paarl-Amaniet (Amanita rubescens) (G). Deze is ongevaarlijk, zelfs eetbaar en wordt in Engeland op groote schaal gebruikt. Zooals de naam al aanduidt is hij rossig, de hoed is lichtbruin, het vleesch roodachtig, ook de voet bruinig. Boven op den hoed blijven evenals bij de Vliegenzwam brokjes zitten van het oorspronkelijke omhulsel. Ik vind het een heel mooien paddenstoel en omdat hij zoo algemeen voorkomt hebben wij hem dan ook afgebeeld. Echter mag ik u niet aanraden, om hem te gaan eten, want er is een kansje, dat ge in plaats van A. rubescens een andere zoudt nemen en wel de Panther-Amaniet (Amanita pantherina) (J), die ook bruinig is en met veel witte schubjes boven op den hoed. Hij is te onderscheiden aan zijn voet, die boven de knol met beurs nog een paar ruwe ringen heeft. Een pracht van een paddenstoel. Van de Boleten heb ik u verteld, dat we ze bijna allen kunnen eten. Ik behoef u hier slechts twee soorten te noemen die we niet in den pot mogen stoppen: de vergiftige Satansboleet (Boletus satanas) (77) en de Bittere Boleet (Boletus felleus). De Satansboleet is evenals de Heksenboleet een van de verkleurende boleten. Ge herinnert u, dat de Heksenboleet verkleurde van geel tot blauw. Wanneer we een Satansboleet doorbreken of doorsnijden, dan verkleurt hij door rood en blauw naar groen. Overigens lijkt hij veel op de Heksenboleet en de verschillen zijn alleen goed merkbaar bij jonge exemplaren, want als deze boleten ouder worden, dan veranderen zij ook hun kleuren en verkleuringen. Ik lees ergens, dat de Satansboleet alleen op kalkhoudenden grond voorkomt: wij moeten hem dus vooral zoeken langs de duinen en in Zuid-Limburg. Sommige Russula’s zijn eetbaar, andere niet en de niet eetbare zijn dadelijk te kennen aan hun smaak. Ik heb al meer gezegd, dat geen een paddenstoel zoo vergiftig is of je kunt gerust op een stukje ervan knabbelen. Welnu, wanneer ge nu een van de kleine Russula’s ziet (middellijn van den hoed niet grooter dan 6 c.M.) met prachtig rood hoedje en witten steel, bijt dan even op een brokje van dien steel. Wanneer het puntje van uw tong dezelfde gewaarwording krijgt als toen ge bij ongeluk eens een pepertje doorbeet, dan hebt ge te doen met de zeer mooie Roode Russula (Russula rubra) (4). Als je het roode velletje van den hoed afpelt, dan blijkt het vleesch daaronder ook nog rood te wezen. Hetzelfde is het geval met een Russula, die wat op onze roode lijkt, maar die heeft nog veel heeter vleesch en zeer onaangename eigenschappen, waarom de Duitschers hem „Speiteufel” genoemd hebben. Wij noemen hem Braak Russula (R. emetica) (1). Hij is niet zoo mooi rood als de Roode, maar meer in het bruinige of purperachtig rood, soms met strepen en vlekken en de steel ziet er ook zoo uit; soms een echt ongezond uiterlijk. Gevoelige menschen krijgen het reeds te kwaad van den geur alleen van het paddenstoeltje en moeten gauw de frissche lucht in; anders zouden ze zeeziek worden. Het mooie Broze Russula’tje uit Hoofdstuk I is ook vergiftig evenals de Purperroode en de Gele Geelplaat Russula (R. ochracea) (6), die op witten steel een bruinig gelen hoed draagt en ook gele platen, zelfs gele sporen heeft. Hij groeit in allerlei bosschen, ik vond hem ook veel bij berkjes. De pepersmaak is ook een uitmuntend middel om de Scherpe Marasmius (M. urens) (73) die in bosschen groeit, te onderscheiden van de Weide-Kringzwam (M. oreades) (30). Ook de vergiftige melkzwammen herkent men gemakkelijk aan den scherpen smaak van hun melk. Een van de scherpste is de Grijsgroene Melkzwam (Lactarius blennius) (76). Het is een middelsoort melkzwam naar den kleinen kant, de hoed egaal donker van kleur, groengrijs, soms bronzig of bruinig, de vuilwitte plaatjes dicht op elkaar en ze geven overvloedig een scherpe melk, die eerst wit, later grijs wordt. Ik vind hem het meest in loofbosschen, vooral bij beuken. Een heel mooie heldergele, flink scherpe melk heeft de Zwavel-Melkzwam (Lactarius theiogalus) (78), ook een middelsoort groote. De hoed is rossig geel met enkele donkere kringen en de randen gaan vrij spoedig omhoog staan, zoodat het bovenvlak komvormig wordt: een zeer mooi paddenstoeltje, meest in loofbosschen. De giftigste melkzwam lijkt weer op de eetbare Oranje Melkzwam. Deze Giftige Melkzwam (L. torminosus) (83) heeft echter geen oranje, maar witte melk en zijn hoed kan wel oranje zijn, maar ook wel lichter en heeft altijd een omgerolden ruigen rand en lijkt daardoor wel op een andere melkzwam, die wij het Schaapje noemen (L. vellereus) (84). Dit Schaapje onderscheidt zich weer van de Giftige doordat het geen kringen op zijn hoed heeft; de Giftige wel. Een melkzwam met zeer heete melk, maar die toch wel gegeten wordt, is mijn oude vriend de Gepeperde Melkzwam (L. piperatus) (82), waar ik in mijn jonge jaren eens heel erg mijn tong aan gebrand heb. Hij is tamelijk groot en spierwit, ook de melk is prachtig wit; je zoudt er zoo in happen, wat ik dan ook tot mijn nadeel heb gedaan. ’t Is er alweer een, die je het meest vindt in de loofbosschen van Twente en den Achterhoek. En nu moet ik de lijst van mijn vergiftige paddenstoelen besluiten met het Zwavelkopje (Hypholoma fasciculare) (53). Ik kan er wel geen ijselijke verhalen van doen, zooals ik er nog verscheidene zou kunnen verzamelen over onze Amanieten, maar toch, het Zwavelkopje is verdacht. Eigenlijk geloof ik niet, dat velen op het idee zouden komen, om het te eten, want de donkere plaatjes zien er niet zoo heel appetijtelijk uit; eerst zijn ze geel, later zwart. Wij laten de zwavelkopjes dus stilletjes op de boomstronken staan, waar zij in dichte groepen te voorschijn komen. Aan de zeer jonge zien wij dat de hoedrand met den steel verbonden is door een vliesje, dat tot „gordijn” wordt uitgerekt en gespleten. Bij oudere is dat gordijn spoedig verdwenen. De studie der paddenstoelen is in hooge mate geschikt om ons waarnemingsvermogen te scherpen. Probeer nu eens of ge drie soorten van zwavelkopjes kunt onderscheiden en wel: Hypholoma fasciculare (53) met geelbruine hoedjes, donkerder in het midden, plaatjes eerst mooi zwavelgeel, steel onderaan en bovenaan ongeveer even dik, vleesch lichtgeel. H. epixanthum (81) met bleekgele hoedjes, plaatjes meest bijna wit, nooit groenig, steel over de geheele lengte overal zoowat even dik. H. sublateritium (79) met roodachtige hoedjes met vale vlekken langs den rand, plaatjes in het begin grijsgroen, steel onderaan veel dunner dan boven, bruin, vleesch is bijna wit. Misschien zegt ge: waar zijn al die spitsvondigheden voor noodig? Welnu, om uw waarnemingsvermogen te scherpen. Volledigheidshalve willen wij nog even zeggen dat van de Stuifballen de Aardappelbovist (Scleroderma vulgare) (109) vergiftig is, maar niemand zal er aan denken dit harde ding te eten. Snijdt hem eens door en bewonder de zwarte sporenmassa binnenin. Andere stuifballen zijn in jongen staat wel eetbaar maar niet bijzonder lekker, doch mooi van vorm en tint en de mooiste is wel de Ruitjes-bovist (Lycoperdon caelatum) (E). V. GEURIGE PADDENSTOELEN Het vorige hoofdstuk eindigde ik met een bescheiden aansporing, om uw waarnemingsvermogen te scherpen. Hoe beter we zien, hooren, ruiken, des te beter kunnen we de natuur genieten en waardeeren. Gezicht en gehoor wordt bij de meesten onzer wel geoefend, daarvoor nemen we teekenles en muziekles en school en kunst houden ons voortdurend in die richting bezig. Maar we hooren niet veel van reukles of geurkunst; evenwel kan Boldoot bestaan, en dat vind ik al een heel belangrijk bewijs voor de groote beteekenis van geuren en reukzin. Wat mij betreft, ik heb altijd een goed reukvermogen gehad en het nooit bedorven door veel te rooken of vaak verkouden te zijn. Daarvan geniet ik nu veel op mijn wandelingen het heele jaar door. Het is een groot genot om de ontluikende boomen te ruiken en allerlei bloemen, nog voor ge ze ziet. Het berkenmoeras in het laatst van April en in Mei is een symphonie van geuren, als ik het tenminste zoo zeggen mag. Van het Naardermeer heb ik haast een even goed reukbeeld als gezichtsbeeld en ik zou er in een donkeren voorjaarsnacht heel aardig op den reuk af den weg kunnen vinden. Maar ter zake; we willen in dit hoofdstuk eens probeeren eenige paddenstoelen te vinden op den reuk af, of ze te herkennen aan hun geur. Paddenstoelen en schimmels zijn broertje en zusje en waar het schimmelt, ruikt het duf. Nu hebben veel paddenstoelen ook een duffen geur en je kunt het in een oud krot heel goed ruiken als de vloeren en balken soms aangetast zijn door de Huiszwam (Merulius lacrymans) (95). ’t Is eigenlijk het eenige middel om hem te vinden, want hij werkt altijd in het duister en mooie hoeden brengt hij niet voort, doch slechts een kleurige korst, waarop zich dikke droppels kunnen vormen en aan die „tranen” dankt hij zijn wetenschappelijken bijnaam. Een eigen geur heeft hij eigenlijk niet, maar slechts den algemeenen geur van schimmels en mycelia. Er zijn echter heel wat paddenstoelen, die een eigen persoonlijken geur hebben en daar is het nu om te doen. Ik ken een bosch van hooge dennen en daar groeit op den grond in dezen tijd (September-October) haast niet anders dan de Gele Knol-Amaniet (Amanita mappa) (H, K). Bij stil weder ruik je die paddenstoelen gemakkelijk boven de herfstgeuren uit, het is de geur van rauwe aardappelen. Ik zal maar niet vertellen aan hoeveel menschen ik dien geur heb willen aanwijzen en hoe vaak ik tot bescheid kreeg „ik ruik er niets van”. Daar moet ik dan wel in berusten. Doch ik houd het meest van fijne, subtiele geurtjes; het grof geschut bewaar ik voor het laatst. Welnu, we zoeken een mooien grooten heksenkring van de ons reeds bekende Nevelzwam (Clitocybe nebularis) (34). Pluk nu een halfwas exemplaar en houd dat bij je neus. Is dat niet de lekkere geur van meel? Natuurlijk moet je eerst den reuk van meel kennen en je daarvoor den tijd herinneren, toen je nog zooveel belang stelde in het beslag voor poffertjes, oliebollen en pannekoeken. De Trechterzwam, die in den winter nog groote heksenkringen vormt in het dennenbosch, de Wintertrechterzwam (Clitocybe brumalis) (90) ruikt ook naar meel. Deze lijkt wel op de Nevelzwam, maar wordt niet zoo groot. De middellijn van den hoed bereikt zelden 1 d.M. Hij is heelemaal vaal grijs, ook de platen, maar als de droge Oostenwind waait, dan wordt hij bijna wit en de platen geelachtig. Sommige ridderzwammen ruiken ook naar meel b.v. de Voorjaarsridderzwam (Tricholoma gambosum) (87) en de Witte Ridderzwam (Tricholoma album) (91). Deze is ook alweer wit, wat goed overeenkomt met zijn meligheid. De uitgespreide hoed kan een middellijn hebben van anderhalven decimeter, de dikke steel wordt een decimeter hoog. Meestal zijn ze een heel stuk kleiner. De hoed kan ook geelachtig zijn of wit met geel in het midden of wit met gele vlekken. Zoo ook de steel. Er zijn nog meer van die wittige ridderzwammen en je onderscheidt ze niet gemakkelijk van elkander. Onze Witte Ridderzwam moet je eigenlijk herkennen op den smaak, die gewoonlijk bitter is. De Cantharellen ruiken naar abrikozen, maar nu moet je niet denken, dat een mandje met Cantharellen dadelijk even sterk geurt als een fruitwinkel. Evenmin moogt ge denken, dat de Narciszwam (Tricholoma sulfureum) (86) altijd den geur van narcissen heeft. De meeningen der kenners over den geur van dezen paddenstoel loopen zeer uiteen. Sommigen zeggen: hij ruikt naar boerenjasmijn; anderen naar narcissen en dat is allebei zeer aangenaam. Maar nu is er ook een partij, die zingt een heel ander liedje en wel van skatol en zwaveldioxyde of met andere woorden uitwerpselen en rotte eieren. Zooals meestal hebben beide partijen gelijk; de geur zit om zoo te zeggen net op de grens van aangenaam en onaangenaam en de kleinste kleinigheid kan hem doen overslaan naar de eene of naar de andere richting. Hebt ge er ook wel eens op gelet, dat de bladeren van den egelantierstruik nu eens heerlijk kunnen geuren naar zure appelen en een andermaal weer zeer benauwend naar tabak? De persoonlijkheid van den waarnemer spreekt hier ook een woordje mee. De Narciszwam is heelemaal geel; alles: steel, platen, hoed en mooi ook. De platen zijn stevig en staan niet dicht op elkander. Bruine stippeltjes aan den steel en bruine partijtjes op den hoed verlevendigen het geheel. Hij staat meest in loofbosch, maar ook wel in het naaldhout, middelsoort groot, middellijn van den hoed 3–8 c.M. Nu willen we snuffelen naar iets aangenamers. Denk maar eens aan anijsmelk en ga dan in de herfstvacantie (daar dient die voor) wandelen in het beukenbosch op de stille plekken, waar het blad is blijven liggen en nu langzamerhand, o heel langzaam, vergaat, zooals dat bij beukenblad de gewoonte is. Opgepast, daar zijn ze al. We willen nu niet erover twisten, of we ze ’t eerst gezien hebben of het eerst geroken hebben. Ze ruiken prettig naar anijs en wat een prachtige paddenstoeltjes: de steel wit, de hoed, die eerst kegelvormig is, maar zich later tot bekervorm uitspreidt, prachtig blauwgroen en ook de platen, die een eindje langs den steel afloopen, blauwgroen. Dit is weer een van de paddenstoelen, die reuzenvormen kan vertoonen; gemiddeld is de middellijn van den hoed 7 c.M., maar hij kan wel tweemaal zoo groot worden. Natuurlijk heet deze paddenstoel de Groene Anijszwam (Clitocybe odora) (94). Er is ook nog een Kleine Grijze Anijszwam (Clitocybe suaveolens) (88), zooals ge ziet ook alweer een Trechterzwam, die is lichtbruin, met bijna witte plaatjes, de dunne steel onderaan verdikt en daar een beetje fluweelig. Hij is ranker op de pooten dan de Groene Anijszwam, maar zijn hoed is kleiner, op zijn hoogst 7 c.M. breed en hij groeit meest onder of bij naaldhout op grazige plekjes. In den regel riekt hij nog sterker dan de Groene. Nog een andere merkwaardige Anijspaddenstoel is de Bruine Anijszwam (Lentinus cochleatus) (102). Dit is een van de boomstronkbewoners en hij groeit op de manier van de oesterzwam in heele kolonies, zoodat de hoeden soms als dakpannen over elkaar liggen. Hij is warmbruin; de plaatjes, die langs den steel afloopen, zijn licht gekleurd. De steel is weer donkerder, zeer rimpelig en zit meestal niet aan het midden van den hoed vast, maar excentrisch, zooals dat ook bij een paddenstoel, die zijdelings uit een stronk te voorschijn komt, wel te verwachten is. Hij groeit niet alleen aan beuken, maar ook aan wilgen en elzen en zeker ook nog wel op ander hout. Van anijs naar radijs. Ge moogt niet rusten, eer ge onze Radijszwam hebt gevonden (Hebeloma crustiliniforme) (93). Hij komt voor zoowel in loofbosschen als in naaldhout en dikwijls in heksenkringen. ’t Is weer een van die lastige soorten, die noch manchet, noch gordijn, noch knolvoet hebben en de plaatjes hebben ook weinig bijzonders. Alleen zijn ze op de snede vlokkig en met fijne insnijdingen en er hangen vaak kleine vochtdroppeltjes aan. Ook de steel vertoont kleine kruimelige vlokjes en de rand van den hoed is vaak gestippeld. De kleur is nog al wisselend: van lichtgeel af tot bruingeel en zelfs een beetje rossig. De steel is in dezelfde kleur als de hoed, maar veel lichter, soms bij wit af. De kruimeligheid en de vlokjes en eindelijk de anijsgeur moeten u op het rechte spoor brengen. De Vezelkop van de duinen ruikt ook wel eens naar radijs en de Vermiljoenzwam ook. Voor de bittere amandelen moeten we weer naar de Trechterzwammen en wel naar de echte, de Slanke Trechterzwam (Clitocybe infundibuliformis) (33, 89), een gele of bruinig gele paddenstoel, die volwassen dikwijls zeer mooi en zuiver den trechtervorm aanneemt. De plaatjes zijn bij wit af, de steel lichtgeel en onderaan omgeven door witte vlokjes, een heel goed kenmerk. Wij vinden hem in loofbosschen en hij is eetbaar, al wijst de geur van bittere amandelen op de aanwezigheid van het giftige blauwzuur. Er zijn nog al veel eetbare paddenstoelen, die blauwzuur bevatten; dat hindert ook niet, want het gaat bij de toebereiding er uit. De Weidekringzwam verkeert ook in dat geval en het is daarom wel beter om hem niet rauw te eten. Sommigen doen dat juist wel, om de pittige amandelsmaak. Een beetje hindert ook niet. De Ringsteel bevat eveneens blauwzuur. Een, die het nog al erg heeft en dan nog gecombineerd met andere, weerzinwekkende geurtjes, is de Stinkende Russula (Russula foetens) (100), een groote bruine Russula, hoed tot 15 c.M. doorsnee. De bruine hoed is straalsgewijs donker gestreept, wat bij gave, jeugdige exemplaren heel mooi is. De plaatjes zijn wit en de steel grijzig. ’t Is niet eens noodig, om te vertellen dat hij vergiftig is, want niemand zal zich aan deze stinkadorus wagen. Is de geur van knoflook aangenaam? Een paar verwanten van de Weide-Kringzwam hebben een tamelijk sterken knoflookgeur en we noemen in de eerste plaats de Knoflookmarasmius (Marasmius scorodonius) (99). Het is een van de kleinere soorten, het rossige, ijle hoedje, dat met het ouder worden straalsgewijs rimpelt, heeft op zijn hoogst een middellijn van 25 m.M. en de donkere, bijna zwarte taaie steel is ongeveer 3 m.M. dik. Hij groeit net als het Wieltje op afgevallen bladeren, takken, rommel en wordt werkelijk om zijn knoflooksmaakje wel gebruikt om andere paddenstoelgerechten te kruiden, of zelfs de schapebout. In het officieele Haagsche Kookboek wordt hij echter niet vermeld, wel bij juffrouw Cool. Wie hem gebruiken wil moet oppassen, om niet in zijn plaats de Sparren-Marasmius (M. perforans) (98) te nemen. Die ruikt ook wel een beetje naar knoflook, maar tegelijk ook naar rotte kool, dus als je neus goed in orde is, ben je gauw gewaarschuwd. Bovendien is de Sparren-Marasmius kleiner, zijn steel draaddun en een beetje fluweelig. Ook heeft het echte Knoflookzwammetje licht vleeschkleurige plaatjes, ook wel eens wit met een vleeschkleurig randje. Al die kleine Marasmiusjes groeien bij duizenden, ik raak in het dennenbosch wel eens diep onder den indruk van al dat gekrioel van het kleine grut. Er is ook een Zeepzwam (Tricholoma saponaceum) (96), dat is dus alweer een van die moeilijke Ridderzwammen. Daarbij komt nog, dat hij verschillende kleuren kan hebben, dus ge kunt er wel eens vinden, die van ons plaatje verschillen. Nu dan, het is weer een van de groote paddenstoelen: middellijn van den hoed 5–15 c.M., steel 5–10 c.M. hoog, 1–3 c.M. dik. De kleur van den hoed kan zijn groenachtig grijs, groengeel, groenig zwart, geel, bronsbruin, loodgrijs, een waar kameleon dus. Maar die hoed is altijd glad en niet vlokkig, streperig of zijdeachtig, zooals andere ridderzwammen dat wel hebben. De dikke steel is wel een beetje schubbig en dikwijls zijn de schubbetjes zwart. Het vleesch is wit, maar wordt bij het doorsnijden licht rood. Het smaakt bitter en riekt een beetje zeeperig, den eenen keer meer, den anderen minder. Naar het scheikundig laboratorium ruiken de Chloor-Entoloma (Entoloma nidorosum) (85) en de Chloor-Mycena (M. alcalina) (97). Deze Mycena is een van de kleintjes: een klokvormig hoedje met een middellijn van 25 m.M., een rank dun steeltje, tot 8 c.M. lang; zonder den chloorgeur zouden we weer moeite hebben met het herkennen, want hoedje zoowel als steel kunnen allerlei kleuren hebben: zwart, bruin, geel met roode vlekken maar altijd glanzend. Hij groeit op boomstronken en boschafval troepsgewijs en groepsgewijs. De Entoloma heeft een hoed, die eerst bol, later uitgespreid is en grijs van kleur, tot 7 c.M. middellijn, de plaatjes zijn eerst wit, later vleeschkleurig n.l. als de sporen rijpen, want Entoloma behoort tot de tamelijk kleine groep van de Rosesporige paddenstoelen. Op hun ranke witte steeltjes maken deze een zeer goed figuur in het eiken- of beukenbosch. Zeer dikwijls zult ge ze niet vinden. En nu het grof geschut, de beruchte Stinkzwam (Phallus impudicus) (92). Die ruik je soms vijfentwintig meter ver, of nog verder en de herinnering aan den geur omzweeft je nog uren lang. In een van de eerste jaargangen van De Levende Natuur kunt ge nog nalezen, hoe Heimans mij eens in een kistje het voetstuk van zoo’n zwam uit Zwolle thuis stuurde uit plagerij. Ja, ja, je kunt met die zwam allerlei stukjes uithalen. Heiman’s snaakschheid heeft in dat jaar nog menigeen aan het werk gezet en de duivelseieren werden rondgestuurd over het heele land. Ik had er ook in Hummeloo een aantal gevonden en de oude heer Kok Ankersmit nam er weer een drietal mee naar Apeldoorn, waar hij zich er ook bijzonder mee geamuseerd heeft. Heelemaal afgezien van den geur is het ook een zeer merkwaardige plant. Hij vormt eerst in den grond een bolvormig lichaam zoo groot als een aardappel met een taai vel, maar daaronder voelt het week aan, want daar zit een dikke geelachtige laag. Dan volgt weer een vel en daarbinnen ligt de eigenlijke sporendrager, de hoed al duidelijk, maar de steel nog zeer kort. Dat aardappelachtig ding wordt wel duivelsei genoemd en zit met taai wortelachtig weefsel verbonden met het mycelium. Als nu zoo’n duivelsei „rijp” is, dan schiet de paddenstoel daaruit omhoog met vrij groote snelheid. Dat kan in een paar uren gebeurd zijn. Neem maar eens de proef en zet op een geschikte plek een aantal van die duivelseieren in vochtig mos op een schoteltje. Ik heb den indruk, dat het uitgroeien meestal gebeurt gedurende den nacht. De hoed breekt door de buitenhuid heen en dan strekt de witte steel zich heel snel. De steel is prachtig wit en mooi van structuur, broos met mazen en poriën maar gelijk van oppervlak. De hoed is groen en lijkt in bouw wel wat op de morielje, vandaar ook de Duitsche namen Stinkmorchel en Gichtmorchel. Het vel van het duivelsei blijft als een beurs rondom den voet zitten. De hoed zit heel los op den steel en is aan zijn top doorboord. De groene sporenmassa wordt gaandeweg dun vloeibaar en droppelt van den hoed omlaag, die dan ten slotte dun en vliezig wordt en indroogt. Al dien tijd staat de zwam te geuren en de geur lijkt wel zeer bedriegelijk op die van dierenlijken in staat van ontbinding en ’t is mij wel gebeurd, dat ik op den reuk af een stinkzwam meenende te vinden terecht kwam bij een dood egeltje, zooals er in den nazomer zooveel in de bosschen te vinden zijn. ’t Is te begrijpen, dat de aasvliegen en aaskevers zich ook zoo vergissen en waar ge de stinkzwammen vindt, ontbreken dan ook zelden de groote groene en blauwe keizervliegen, de geblokte vleeschvlieg en de platte aaskevers (Silpha), vooral de mooie zwart met bruine soort (Silpha quadrimaculata) en de zwarte (S. atrata). Wij vonden eens in het bosch bovenop den Amersfoortschen berg een heele kolonie van Stinkzwammen (ze groeien doorgaans in troepjes) en daar was een heele insectenverzameling present, zelfs een paar doodgravers die met opgerichte knopsprieten rondliepen en natuurlijk er niets van snapten, dat zij bij al dien geur geen behaard of bevederd krengetje konden ontdekken, dat er naar hun ervaring toch altijd bij behoort. Het spreekt vanzelf, dat al die insecten de sporen van onze zwam wijd en zijd verspreiden door bosch en veld. In den regel vinden we de Stinkzwam in bosschen, maar toch ook wel in het duin, midden tusschen het helmgras. In een tamelijk dik en tamelijk geleerd Engelsch boek van den jongsten tijd lees ik zelfs dat in Engeland de stinkzwam alleen maar voorkomt in gezelschap van het helmgras. Nu, dat kan ik niet gelooven. Wel schijnt er een verschil te bestaan tusschen den duinbewoner en den boschbewoner en wel zou de eerste er vaak rooskleurige duivelseieren en wortelvezels op nahouden. Alweer iets om op te letten. Soms ook komen er uit één duivelsei twee, zelfs drie paddenstoelen. En soms, het is mij overkomen, vindt ge een Stinkzwam zonder stank. Alweer nieuwe geheimen. In sommige jaren komt de Stinkzwam in zeer grooten getale voor, dikwijls genoeg reeds in Juni. Je zoudt denken, dat is niet prettig voor de wandelaars, die houden van rozengeur en dergelijke dingen. Maar als je weet, dat die geur afkomstig is van dezen uiterst merkwaardigen paddenstoel, dan raak je er wel een beetje mee verzoend, te meer omdat er achter den lijkengeur toch nog weer een pittiger geur schuilt. Wij hebben ook nog een klein stinkzwammetje, dat ook opschiet uit een duivelsei. Het is half zoo groot als de gewone en heeft betrekkelijk slanker en slapper steel en kleineren hoed en die is rood, als de sporenmassa weg is. Deze Kleine Stinkzwam (Mutinus caninus) (101) is minder algemeen dan de stinkzwam, maar toch lang niet zeldzaam en ik heb hem gevonden in allerlei bosschen, zoowel naaldhout als loofhout. Men zegt, dat hij een bijzondere voorkeur zou hebben voor hazelaars. Let er eens op. Er zijn op het gebied van de paddenstoelenkennis nog heel wat ontdekkingen te doen en beweringen te staven. VI. ALS HET WINTERT Het dagboek van een paddenstoelenzoeker kan er het eene jaar heel anders uitzien dan het andere. Wanneer we 1908 eens vergelijken met 1911 of 1920 met 1927, dan krijgen we heel merkwaardige dingen te zien, verschillen van weken en maanden in de datums van het eerst verschijnen en voor goed verdwijnen. De oorzaak daarvan ligt eerder in de vochtigheid dan in de temperatuur en dat maakt dat in den winter en in het voorjaar nog heel wat soorten van paddenstoelen kunnen worden aangetroffen. Gedurende de eerste vorst-periode sneuvelen veel ridderzwammen, russula’s en amanieten. De aardsterren echter houden het nog dapper uit en we vinden nu de gelegenheid om naast onze Kraag-Aardster uit Hoofdstuk I nog eens uit te zien naar een paar kleine soorten, ongelooflijk mooie dingetjes. We noemen het eerst de Kleine Aardster (Geaster cesatiï) (111). Het ster-lichaam, met een geleerd woord genoemd, het buitenste peridium, scheurt in 5–10 slippen, die buitenwaarts omkrullen, waardoor het gesteelde bolletje (het binnenste peridium) iets in de hoogte komt. Dat bolletje loopt naar het gat, waar de sporen uit komen, kegelvormig toe en dat kegeltje is fijn gerimpeld en verschilt in kleur van de rest van het peridium. Haast nog aardiger is de Vierslippige Aardster (Geaster fornicatus). Die heeft ook zoo’n mooi kegelvormig mondje, maar het buitenste peridium scheurt in vier slippen en dan weer eens in twee platen, een bovenste en een onderste, die tegengestelde kanten uit opkrullen en zoo komt dit aardsterretje dan op hooge pooten te staan. Dan hebben we nog de Tepel-Aardster (G. mammosus) (114); de Gewimperde Aardster (G. fimbriatus) (126) en de Peperbus (G. coliformis) (112), die alleen in de Hollandsche duinstreek voorkomt. Hij heet zoo, omdat hij niet één opening heeft, waaruit de sporen gestrooid worden, maar een stuk of tien; hij draagt dus zijn naam met eere. Wij vinden die aardsterren hier meestal op oude buitenplaatsen; een enkelen keer ook wel in openbare parken, maar het is net, alsof die mooie dingetjes een rustige, stille omgeving zoeken. In ieder geval hebben ze een rustigen bodem van noode. Daar zien we ook andere vreemde paddenstoelen, bruine fluweelige ronde of ovale plakken, half over elkander gegroeid, met franje’s aan den rand, zwart of wit, al naar den leeftijd. Deze Franjezwam (Thelephora terrestris) (106) behoort tot de Korstzwammen, maar heeft soms het uiterlijk van een stekelzwam. In een donker sparrenlaantje heb ik ze nog al veel op den bruinen naaldengrond en daar zijn ze dan haast niet te zien: alleen donkere vlekken met hier en daar een wit randje. De eigenlijke korstzwammen verdienen hun naam door boomstammen en paaltjes als met een korst te bekleeden. Sommige blijven jaar in jaar uit vlak tegen hun schors aangeplakt, dat zijn de Melkwitte en de Vleeschkleurige Korstzwam (Corticium lacteum) (122) en (C. incarnatum) (125), andere laten bij droogte heelemaal los en schrompelen weg, b.v. de Donkerpaarse Eiken-Korstzwam (C. quercinum) en de wasachtigwitte Harszwam (C. giganteum) (116), die op dennen voorkomt en werkelijk voor zijn doen reusachtig groot kan worden. Een heel mooie oranje korst, dikwijls aardig met paars gestreept, vormt de Oranje Aderzwam (Phlebia aurantiaca) (115), meest op zieke beuken. Andere korsten krullen aan één kant buitenwaarts om en gelijken dan oppervlakkig wel wat op Polyporus-soorten, doch zij vertoonen nooit gaatjes. Deze deels omgekrulde korstzwammen heeten Stereum en zij maken in den winter een flink figuur door hun sneeuwwitte, bruine, purperen, gele randen en lijsten. We hebben een paar van die taaie knapen voor u afgebeeld en wel de Purper-Korstzwam (Stereum purpureum) (107) en de Gele Korstzwam (St. hirsutum) (118). Natuurlijk houden de even taaie Polyporussoorten, zooals de Elfenbankjes, het in den winter even goed uit en er is er zelfs een, die met reden den naam draagt van Winterhoutzwam (Polyporus brumalis) (103). Hij staat met een kort dik steeltje op doode takken en stammen en spreidt een eenvoudig effen grijsbruin hoedje uit; de onderzijde waar de poriën zitten is geelachtig wit. Een heel mooie Polyporus, die den winter overduurt, is de groote Sparrenhoutzwam (Polyporus Schweinitziï) (120). Hij is wat onregelmatig ter been, weet nooit hoeveel voeten hij zal maken en spreidt een fluweelig bruinen hoed een paar decimeter wijd uit. Die hoed is mooi met donkere en lichte kringen versierd. Hij groeit op de wortels van levende sparren of van stompen van pas gekapte boomen en behoort bij de schadelijke paddenstoelen. Op stronken vinden wij ook de Gewei-Zwam (Xylaria hypoxylon) (104), een prachtig ding met zijn zwarte lichaam en witte geweitakken. Hij behoort tot de Kernzwammen evenals de Rupsendooder en hierbij behoort ook het zwammetje, dat wij vroeger het luciferskoppen-zwammetje noemden, maar thans heet het Meniezwammetje (Nectria cinnabarina) (123). Gij hebt het honderden malen gezien op doode takjes, allemaal kleine roode stippels, net luciferskoppen. Naast al dat droge gedoe vinden we wonder boven wonder in den winter ook nog heel teere geleiachtige zwammen aan takken en stammen. Kijk eens in het bladerlooze eikenhout, dan ziet ge iets geels glinsteren, een geel geleiklompje, aardig geplooid en trillend bij de minste aanraking. Dit is de Gele Trilzwam (Tremella mesenterica) (119). Er is ook een Zwarte Trilzwam (Exidia glandulosa) (108), net zoo’n geleiachtig en rimpelig gedoetje als de Gele. Nu vindt ge op eiken ook vaak zwarte weeke uitpuilsels, op knoopen gelijkend, dat is de Knoopzwam (Bulgaria) en die is verwant met onze Peziza’s en Helvella’s. Om nu nog eens tot de Trilzwammen terug te keeren, daartoe behoort ook het beroemde Judasoor (Hirneola auricula Judae) (105). Dat groeit op oude vlierstruiken. Al vijfendertig jaar lang heb ik nu hier dan daar mijn oude vlierstruiken, waar ik elk najaar, elken winter ga kijken naar de Judasooren. Ze komen eerst uit de zware takken te voorschijn als kleine bruine knopjes, dicht op elkaar. Die knopjes groeien uit tot bekertjes, die zich later weer grillig vervormen en daarbij komt het dikwijls uit, dat zij werkelijk veel gaan gelijken op een menschelijke oorschelp. Een jaar of tien geleden heeft een oude vriend er een voor mij gefotografeerd, die inderdaad haast precies een oor leek. Ge kunt een afdruk ervan vinden in het Paddenstoelboekje van Cool en v. d. Lek. De bruine kleur gaat langzamerhand over in donker violet, maar keert ook weer terug. Als het gaat vriezen en er waait een droge Oostenwind, dan wordt het oor eerst pimpelpaars, dan bruin en ’t schrompelt eindelijk in. Maar zoodra het gaat dooien en regenen, zuigt de oppervlaktelaag weer water op en het oor is weer even frisch als te voren. Eindelijk verdroogt het voor goed, maar in het najaar komen uit denzelfden tak weer nieuwe ooren spruiten. De bewoners van het bevoorrechte Zuiden en Oosten van ons land kunnen op hun winterwandelingen in het naaldbosch eens uitkijken naar een van onze zonderlingste paddenstoelen n.l. de Sponszwam (Sparassis crispa) (127). Hij groeit aan den voet van dennen, lariksen, sparren, ook op wortelstronken en lijkt uit de verte op een groote geelachtige spons of bloemkool en onze oostelijke buren hebben er een klokhen in meenen te ontwaren en noemen hem dan ook „Krause Glucke”. De massa kan wel uitgroeien tot een ding van een halven meter in middellijn, dus van het kaliber van de Reuzenbovist en er zijn er gevonden van 9 K.G. zwaar. Hij is goed eetbaar, natuurlijk het lekkerst in zijn jeugd. Hazen, die hem zeker voor bloemkool houden, knabbelen er aan en ook de herten en reeën weten er raad mee. Als hij begint te bruinen wordt hij bitter en dan heeft hij op de ingewanden dezelfde uitwerking als die koraalzwammen, die de Geneveezen niet mogen eten. Hij kan nog al aardig goed tegen de vorst; er is een geval bekend, dat hij een temperatuur van -12.5° C. met glans heeft doorstaan. Hetzelfde geldt voor een zeer bijzonder vriendje van me, de Groene Glibberzwam (Leotia lubrica) (113); die heb ik ook wel na flinke vorst nog frisch gevonden, hoewel de boeken hem geen langer leven schenken dan tot in October. ’t Is een alleraardigst paddenstoeltje, week, buigzaam, glibberig met dikken gelen steel en daarboven een bol hoedje dat geel en groen of bruinig, op het laatst zelfs zwart kan zijn. Plaatjes of gaatjes of stekels heeft deze Leotia niet; hij hoort bij de Morieljes thuis evenals een andere klant, die na den winter in het vroege voorjaar te voorschijn komt: het Vingerhoedje (Verpa digitaliformis). Die groeit tegelijk met bloeiend Speenkruid en Anemoontje. ’t Is een lichtgele of witte steel, zoo groot als een vinger en daarboven een vingerhoed, glanzig geelbruin, mooi frisch. Dat de vingerhoed voor den vinger een beetje te groot is, hindert natuurlijk niet. Zijn er dan in den winter geen plaatjes-paddenstoelen? Welzeker, en te veel om te noemen. Ziet ge die donkerbruine paddenstoel wel, zoo groot als een vuist? De randen van den hoed zijn naar beneden omgekruld. Aan den onderkant vinden we de plaatjes, bruin dicht opeen. Dat is de Krulzoom (Paxillus involutus) (129), die we het heele najaar ook al hadden kunnen vinden. In zijn jongen tijd is hij lichter van kleur. Hij groeit zoowel in bosschen als in weiden en moerassen. Nu zien we aan boomstompen en takken nog wat grijze halfcirkelvormige dingen uitsteken, waarschijnlijk ook plaatzwammen. Sommige hebben een klein zijdelingsch steeltje en daar van straalt het hoedje waaiervormig uit met fijne teekening van de dunne plaatjes, die onderling ook weer verbonden kunnen zijn. Bij vorst en oostenwind schrompelen de waaiertjes neer, maar de dooi doet ze weer herleven. Dit sierlijk dingetje heet de Scherpe Schelpjeszwam (Panus Stipticus) (124). Het andere waaiertje is ongesteeld en lijkt in het eerst wel op een soort van elfenbankje, net zoo taai en een beetje fluweelachtig en in grijs en bruin kringsgewijs geteekend. We bekijken de onderzijde en vinden daar geen poriën, maar zeer merkwaardige plaatjes, die zijn dik en op hun snede gespleten en dan naar beide kanten eventjes uitgebogen. We zouden deze zwam daarom wel Splijtplaat hebben kunnen noemen, maar een vriendelijk lot heeft anders beslist en hij heet nu Waaiertje (Schizophyllum commune) (117). Wanneer ge eenigszins ervaren zijt in de Grieksche taal, zult ge begrijpen dat Schizophyllum toch splijtplaat beteekent. De aardigste en bij velen zeer geliefde Winterzwam is het Fluweelpootje (Collybia velutipes) (128). Die groeit in oranje groepjes en een oningewijde zou hem kunnen houden voor een Zwavelkopje, ge herinnert u nog wel het drietal, dat zoo moeilijk is te onderscheiden. Nu zou er hier nog een vierde bij komen, maar gelukkig is dat niet het geval, de Fluweelpoot verschilt zeer duidelijk van den Zwavelkop. Weliswaar groeit hij ook gebundeld op boomstompen, maar zijn steel is betrekkelijk lang en dun, donkerbruin tot zwart toe en fluweelachtig behaard. De stelen zitten diep in het hout, dringen daarin door met wortelstrengen. De plaatjes zijn geel en de hoed is geel, met bruin in ’t midden en dat lijkt wel op Zwavelkop. Maar de plaatjes worden nooit donkerder dan lichtgeel en zijn zelfs in het begin wit, want deze Collybia behoort tot de Witsporigen, terwijl de Zwavelkop een Purpersporige is. De Fluweelpoot is eetbaar. In het bosch kunnen we ook nog soms bij honderden tegelijk op het mos of in het gras de mooie teere Grasmycena (Mycena epipterygia) (131) te zien krijgen, grijze hoedjes op ranke gele steeltjes en als waardig kameraadje ook nog de Botercollybia (Collybia butyracea) (110), een heel mooi paddenstoeltje, meestal vosbruin van hoed en bruinig oranje van voet en witte plaatjes. De voet heeft een knolletje. We zullen er nu maar een eind aan maken. Wanneer ge al de paddenstoelen, die in dit album zijn afgebeeld, met zekerheid gevonden hebt, dan zijt ge al aardig op weg, om aan de studie der paddenstoelen te kunnen beginnen en ik hoop, dat ge al eerder de lust hebt gekregen om er wat meer van te weten, dan ik op deze weinige pagina’s kon vertellen. Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat men begonnen is met de studie van de Nederlandsche paddenstoelen. Ruim veertig jaar geleden zijn een drietal goede vrienden er met groote vlijt aan begonnen, drie mannen die altijd nog met eere bekend staan bij de Nederlandsche plantkundigen: Prof. Oudemans van Amsterdam, Kok Ankersmit en Abeleven. Kok Ankersmit, dezelfde van die parasolzwam, heeft mij wel verteld, dat ze alle drie begonnen zijn, zooals zoo velen onzer later ook zijn begonnen, om met een Fransch paddenstoelenboekje, (Nederlandsche waren er niet), alle paddenstoelen die ze konden vinden, te onderscheiden en op naam te brengen, „determineeren” noemen wij dat. Het Fransche boekje gebruiken wij nog; het is: Costantin et Dufour: Nouvelle Flore des Champignons. Mijn trouwe kameraad van dertig jaren lang heeft honderden wandelingen meegemaakt, maar zit nog stevig in zijn blauwe bandje en zal het nog wel even lang uithouden als ik zelf; ik zou hem voor zijn gewicht aan goud niet willen missen. Een best boekje. Oudemans als professor in de botanie maakte er natuurlijk het meeste werk van en schreef een prachtig werk, dat ons onschatbare diensten heeft bewezen: „Révision des Champignons tant inférieurs que supérieurs”, een lijvig boek. Vervolgen daarop verschenen van tijd tot tijd in het Kruidkundig Archief. Zooals de titel aanduidt, hield Oudemans zich niet alleen bezig met de groote paddenstoelen, maar ook met de zwammen van andere groepen en wij moeten hem altijd dankbaar blijven, dat hij ons zoo’n breeden grondslag heeft gebouwd voor latere studie. Intusschen waren al meer en meer wandelaars zich met onze Nederlandsche paddenstoelen gaan bezig houden. Wie er eenmaal aan begint, laat ze niet spoedig meer schieten en zoo werd het aantal liefhebbers aldra zoo groot, dat er een Vereeniging kon worden gesticht: De Mycologische (paddenstoelkundige) Vereeniging, (secretaris Dr. L. Vuyk, Schalkhaar (O)). Deze is beroemd geworden, doordat zij door het heele land jaar op jaar tentoonstellingen heeft georganiseerd van paddenstoelen, nu eens in Haarlem, dan weer in Enschede, in Arnhem, ’s-Hertogenbosch, Zwolle, eigenlijk overal, waar maar veel paddenstoelen in de buurt te vinden waren. Van te voren gingen dan de getrouwen op zoek; ieder die iets vond, dat van belang leek, stuurde het in en tal van uitmuntende kenners zorgden en zorgen nog steeds ervoor, dat iedere paddenstoel behoorlijk met naam en toenaam wordt vertoond en meestal nog met een bewijs van goed of kwaad gedrag, het toevoegsel „eetbaar” of „vergiftig” of „niet eetbaar maar onschadelijk” en meer dergelijke uitspraken. Ook vindt ge er altijd mooie afbeeldingen en fotografieën door kunstenaars en liefhebbers en allerlei boekwerken. Kortom, op zoo’n tentoonstelling wordt ge op de aangenaamste wijze ingeleid tot de studie der paddenstoelen en zoo ge er reeds eenige vorderingen in gemaakt hebt, dan vindt ge er toch altijd weer iets nieuws naast al de oude kennissen, die u dierbaar zijn. Ook is er meestal een paddenstoelkeuken, waar huiverige nieuwelingen hun eerste hapje nuttigen van een of ander smakelijk paddenstoelgerecht, door vriendelijke, hoogst deskundige dames toebereid. Ge moogt niet verzuimen, zoo’n tentoonstelling te bezoeken, wanneer die eens in de nabijheid van uw woonplaats wordt gehouden, meestal op mooie dagen in October. De Mycologische Vereeniging doet nog meer. Zij heeft tal van geschriften uitgegeven en haar eerste voorzitter maakte een boek, waarin zoo niet alle soorten, dan toch alle geslachten der Nederlandsche paddenstoelen worden behandeld. Ook stelde zij in verschillende deelen van het land „consuls” aan, bij wie ieder om hulp en raad kan aankloppen en die consuls hebben weer de aardige gewoonte, om soms met elkander op stap te gaan naar een of ander bijzonder paddenstoelerig hoekje van Nederland en doen daar allerlei plezierige ontdekkingen. Zeer beroemde paddenstoelstreken zijn de Wouwsche Plantage bij Bergen op Zoom, de Kennemer duinen en duinzoom, de bosschen bij Oisterwijk, het Amersfoortsche, het Winterswijksche, het Apeldoornsche gebied en nu zou ik nog wel eenige regels kunnen voortgaan. Uit de voorgaande hoofdstukken hebt ge wel kunnen opmaken, dat overal waar loofhout en naaldhout, akker en weide gezamelijk voorkomen, de grootste kans bestaat op overvloed van verschillende paddenstoelen. De consuls en hun trawanten vinden nog slag op slag paddenstoelen, die nimmer te voren in ons land waren opgemerkt en een wakker Amersfoorter heeft zelfs een paddenstoel gevonden, die nog nooit te voren in de heele wereld was gezien. Voor alle zekerheid is die eerst nog eens opgestuurd naar de knapste Fransche mycologen en toen die hem als nieuw erkenden, heeft juffrouw Cool hem, zooals het behoort, gedoopt en in het latijn beschreven. Hij heet nu Lepiota odora (132) of Geur-Parasolzwam en ge kunt grooten mycologischen roem behalen door hem nog eens weer te vinden. Denk maar niet, dat het zoo gemakkelijk is en wanneer ge hem vindt, zult ge hoop ik den eersten vinder bewonderen, omdat hij zoo gauw in de gaten had, dat daar iets spiksplinternieuws groeide. ’t Is een van de kleine middelsoort paddenstoelen, een plaatjeszwam, bijna heelemaal, ook inwendig, grijsachtig paars tot lavendelkleurig. De steel is onderaan knolvormig verdikt en bruinig geel. De hoed is broos en dun, eerst klokvormig, later vlak en bezet met kringen van donkere schubben. Zooals de naam aanduidt heeft deze paddenstoel een aangenamen geur, als van tuberosen. Hij is het eerst gevonden door den Heer A. Joman in den tuin van het Rijks-Opvoedingsgesticht onder berken. Later is hij weer gevonden bij het Huis ter Heide onder Douglas-Sparren en onder berken en beuken, bij Bilthoven onder loofhout, bij Wapenvelde aan den rand van een 20-jarig dennebosch. De meeste kans hebt ge dus in loofbosschen en in het bijzonder in de buurt van berken, de paddenstoelboomen bij uitnemendheid. Wanneer ge onze Lepiota odora vindt, moet ge er natuurlijk dadelijk een van inpakken in droog mos of papiersnippers en fluks opzenden aan het Rijksherbarium te Leiden. Helaas is Mej. Cool daar niet meer, om zich daarover te verheugen. Deze uitmuntende paddenstoelkundige, die meer dan iemand anders gedaan heeft, om ons Nederlanders van de paddenstoelen te doen genieten, is overleden, terwijl dit album in bewerking was. Zij heeft mij veel goeden raad gegeven. In dit album hebben wij nog niet het tiende deel van onze paddenstoelen kunnen afbeelden, maar wanneer ge alle soorten, die ik genoemd heb, met zekerheid kunt herkennen, dan zijt ge al knapjes op weg, om ook mycoloog te worden. Ge kunt dan verder gaan met het Paddenstoelboekje van Cool en van der Lek, waarin 400 soorten duidelijk staan beschreven en voor een deel ook afgebeeld. Bovendien bevat het hoofdstukken over den groei en ontwikkeling, over het kweeken en bewaren en over de eetbaarheid. Ik ken in het buitenland geen boekje van dien omvang en prijs dat zooveel geeft. Mettertijd zullen we in ons land ook wel eens een boek krijgen, waarin al onze paddenstoelen worden beschreven, maar zoover zijn we nog niet. Er bestaan groote en dure buitenlandsche plaatwerken over paddenstoelen, daarvan kunt ge er eenige aantreffen in onze groote openbare bibliotheken. Teyler’s bibliotheek te Haarlem is goed voorzien. Geef uw goede geld niet uit aan goedkoope prentenboekjes, die meestal onduidelijke en onbetrouwbare afbeeldingen geven. Een zeer mooi plaatwerk en niet te duur is Michaël’s Führer für Pilzfreunde, waarvan na Michaël’s dood een nieuwe uitgaaf is verschenen, bewerkt door Schmidt. Behalve fraaie afbeeldingen geeft dit werk ook goede beschrijvingen en allerlei wetenswaardigheden. Ik meen, dat Costantin en Dufour’s boekje niet meer in den handel is en tegenwoordig gebruiken we als volledig boekje over de Midden-Europeesche paddenstoelen Ricken’s Vademecum. Een beginner kan daar moeilijk mee terecht, maar als je dit album achter den rug hebt en Cool en Van der Lek en dan nog Michaël er bij, dan gaat het wel en dan sta je eigenlijk voor niets. Een bezwaar van de paddenstoelen is, dat je er zoo moeilijk een verzameling van kunt aanleggen. Je kunt wel probeeren met doorsneeschijven en het uitgespreide hoedvel te drogen, maar dat geeft toch weinig voldoening. Beter is het, ze te bewaren in alcohol of formaline in stopflesschen, maar dan mag je wel een aparte kamer hebben, om al die honderden flesschen te bergen. Dat is natuurlijk wel iets voor musea en op bescheidener schaal ook voor schoolverzamelingen. Wel kunt ge een verzameling aanleggen van de sporenfiguren, waarvan ik op blz. 17 heb verteld. Ge moet dan het papier, waarop ge de sporen wilt opvangen eerst bestrijken met een oplossing van Arabische gom of van dextrine en dat eerst laten drogen. Wanneer dan de sporenfiguur goed en wel op dien gomkant ligt, legt ge het papier in water, zoodat de kleefmassa vochtig wordt en de sporen vast houdt. Als het papier dan weer droog is, zijn de sporen voor goed „gefixeerd”. En eindelijk: teeken uw paddenstoelen en kleur ze. Neem zoo’n ring-schetsboek, dan kunt ge uw aquarellen altijd mooi systematisch naar vervolg leggen. Die aquarellen kunt ge zoo uitvoerig maken, als ge maar wilt. Ik hoop, dat onze plaatjes u daarvoor goede voorbeelden kunnen leveren. Ook mogen we de fotografie niet vergeten: weinig dingen laten zich zoo mooi en gemakkelijk fotografeeren als paddenstoelen; alleen moet ge goeden zorg besteden aan belichting en belichtingstijd. Voor de bijzonderheden zal het noodig zijn, om ook den onderkant te kieken en eigenlijk ziet het er ook vrij natuurlijk uit, wanneer er eens een paddenstoel onderstboven ligt, want kinderen en onnadenkende menschen trappen ze nog al eens dikwijls om. Ik moet nu eindigen. Morgen is het 1 October en dan heb ik een vrijen dag, dank zij mijn vlijt van hedenavond. We hebben een nat najaar gehad. Bosch en duin staan vol paddenstoelen. Dat zal een mooie morgenwandeling worden met Costantin en Dufour in den eenen zak, schetsboek en kleurpotloodjes in den andere. De linden zijn al geel en half ontbladerd. Roodborstjes zingen den heelen dag, dat het een lust is. Het zou mij niet verwonderen, als ik de eerste bonte kraai ook te zien kreeg. Doch dit is bijzaak, hoofdzaak zijn morgen paddenstoelen, groot en klein, van allerlei vorm en kleur; geheimzinnig en schilderachtig leven in het herfstwoud. Even het dagboek van verleden jaar nagezien. Juist, in het jonge dennenbosch, dat tot in het najaar van 1927 nog geen andere paddenstoelen vertoond had dan wat kleine Mycena’s, stond toen opeens een Grijze Ridderzwam (Tricholoma terreum) (L). Dat is een van de snelgroeiers en het zou mij niet verwonderen, als het boschje nu opeens vol stond met die mooie, groote, lichtgrijze zwammen. En zijn ze er niet, dan wacht mij toch stellig een andere verrassing. REGISTER VERGIFTIGE PADDENSTOELEN zijn zoowel op de achterkanten der plaatjes, bij de onderschriften, benevens in het register aangeduid door het teeken †. In de wetenschappelijke namen zijn de klinkers, die den klemtoon krijgen, vetgedrukt. Afbeelding Tekst No. Bladz. † Aardappelbovist 109 54 Aardtong 61 30 Akker-Champignon 43 38 † Amanita junquillea 49 † Amanita mappa H, K 49, 56 † Amanita muscaria B 6 † Amanita pantherina J 50 † Amanita phalloïdes I 49 Amanita rubescens G 50 Amethystzwam 32 28 Armillaria mellea 75 44 Armillaria mucida 80 44 Ascomycetes 22 Bekerzwammetje 21 Berken Gordijnzwam 36 31 Berkenplaatjes-Houtzwam 74 48 Berkenzwam 67 47 Biefstukzwam F 38 † Bittere Boleet 50 Blauwgele Russula 5 6 Bleek Zwavelkopje 81 54 Boletus badius 41 32 Boletus edulis 39 31, 36 † Boletus felleus 50 Boletus flavus 42 32 Boletus granulatus 37 32, 36 Boletus luridus 15 8 Boletus luteus 40 32 † Boletus satanas 77 50 Boletus scaber 38 31 Bosch-Champignon 44 38 Boter-Collybia 110 71 Bovista gigantea 22 † Braak Russula 1 6, 53 † Broze Russula 3 6 Bruine Anijszwam 102 59 Bruine Ringboleet 40 32 Bulgaria 69 Calocera viscosa 51 28 Cantharellus aurantiaca 54 36 Cantharellus cibarius 52 36 Chloor-Entoloma 85 63 Chloor-Mycena 97 63 Clavaria formosa 49 15 Clitocybe brumalis 90 56 Clitocybe infundibiliformis 33, 89 24, 60 Clitocybe nebularis 34 24, 56 Clitocybe odora 94 59 Clitocybe suaveolens 88 59 Collybia butyracea 110 71 Collybia tuberosa 30 Collybia velutipes 128 70 Coprinus atramentarius 46 27 Coprinus comatus 48 38 Cordyceps militaris 50 30 Corticium giganteum 116 66 Corticium incarnatum 125 66 Corticium lacteum 122 66 Corticium quercinum 66 Cortinarius hemitrichus 36 31 Craterellus cornucopoïdes 23 16 Crucibulum vulgare 24 16 Cyathus striatus 24 16 Daedalea quercina 68 48 Dennenmoorder 71 43 Dermocybe cinnabarina 10 7 Dermocybe semi-sanguinea 11 7 Dooierzwam 52 36 Doolhofzwam 68 48 Eekhoorntjesbrood 39 31, 36 Eikelbekerzwammetje 21 Eiken-Korstzwam 66 Eikhaas 70 48 Elfenbankjes 16 11 Entoloma nidorosum 85 63 Exidia glandulosa 108 69 Fistulina hepatica F 38 Fluweelpootje 128 70 Fomes annosus = Trametes radiciperda 71 43 Fomes connatus 72 48 Fomes igniarius 69 48 Fopzwam 35 28 Franjezwam 106 66 Geaster cesatiï 111 65 Geaster coliformis 112 66 Geaster fimbriatus 126 66 Geaster fornicatus 65 Geaster mammosus 114 65 Geaster triplex 19 12 Gedeeltelijke Vermiljoenzwam 11 7 Gekraagde Aardster 19 12 † Gele Amaniet 49 † Gele Geelplaat Russula 6 6, 53 † Gele Knol-Amaniet H, K 49, 56 Gele Korstzwam 118 66 Gele Ringboleet 42 32 Gele Stekelzwam 64 41 Gele Trilzwam 119 69 Geoglossum glabrum 61 30 Geoglossum hirsutum 30 Gepeperde Melkzwam 82 53 Geschubde Inktzwam 48 38 Geschubde Stekelzwam 62 41 Gesteelde Bekerzwam 21 28 Gesteelde Stuifbal 25 23 Gestreepte Nestzwam 24 16 Geur-Parasolzwam 132 75 Gewei-Zwam 104 66 Gewimperde Aardster 126 66 Gewone Spijkerzwam 66 27 Gewone Inktzwam 46 27 Gewone Morielje 58 42 † Giftige Melkzwam 83 53 Gladde Aardtong 61 30 Gladde Spijkerzwam 65 27 Gomphidius glutinosus 66 27 Gomphidius viscidus 65 27 Goudgele Koraalzwam 49 15 † Granaatzwam 12 7 Grasmycena 131 71 Groene Anijszwam 94 59 Groene Glibberzwam 113 70 † Groene Knol-Amaniet I 49 Grofplaat Russula 22 30 † Grijsgroene Melkzwam 76 53 Grijze Ridderzwam L 77 † Grijze Volvaria 130 38 Half-Vermiljoenzwam 11 7 Hanekam of Dooierzwam 52 36 Harszwam 116 66 Hebeloma crustuliniforme 93 59 Heksenboleet 15 8 Helvella lacunosa 55 42 Helvella crispa 57 42 Hirneola auricula Judae 105 69 Honingzwam 75 44 Hoorn van Overvloed 23 16 Huiszwam 95 55 Hydnum auriscalpium 63 21 Hydnum imbricatum 62 41 Hydnum repandum 64 41 † Hygrophorus coccineus 7 7 † Hygrophorus miniatus 9 7 † Hygrophorus psittacinus 8 7 † Hygrophorus puniceus 12 7 Hypholoma epixanthum 81 54 † Hypholoma fasciculare 53 24, 54 † Hypholoma sublateritium 79 54 † Inocybe rimosa 26 27 Judasoor 105 69 Kapjesmorielje 56 42 Kastanjeboleet 41 32 Kleine Aardster 111 65 Kleine Bruine Bekerzwam 20 15 Kleine Grijze Anijszwam 88 59 Kleine Melkzwam 11 Kleine Oranje Bekerzwam 15 † Kleine Parasolzwam 47 11 Kleine Stinkzwam 101 64 Kleverig Koraalzwammetje 51 28 Kluifjeszwam 22 Knoflookmarasmius 99 60 Knolletjes-Collybia 30 Knoopzwam 69 Kopergroenzwam 17 11 Krulzoom 129 70 Laccaria laccata 35 28 Laccaria laccata var. amethystina 32 28 † Lactarius blennius 76 53 Lactarius deliciosus 59 35 Lactarius piperatus 82 53 † Lactarius rufus 60 11 Lactarius subdulcis 11 † Lactarius theiogalus 78 53 † Lactarius torminosus 83 53 Lactarius vellereus 84 53 Lentinus cochleatus 102 59 Lenzites betulina 74 48 Leotia lubrica 113 70 Lepeltje 63 21 † Lepiota clypeolaria 47 11 Lepiota odora 132 75 Lepiota procera A 8 Lycoperdon caelatum E 54 Lycoperdon furfuraceum 31 23 Macropoda macropus 21 28 Marasmius confluens 28 24 Marasmius oreades 30 24, 53 Marasmius perforans 98 60 Marasmius rotula 27 21 Marasmius scorodonius 99 60 † Marasmius urens 73 53 Meniezwammetje 123 69 Melige Stuifzwam 31 23 Melkboleet 37 32, 36 Melkwitte Korstzwam 122 66 Merulius lacrymans 95 55 Morchella esculenta 58 42 Morchella rimosipes 56 42 Morielje 58 22, 42 Mutinus caninus 101 64 Mycena alcalina 97 63 Mycena epipterygia 131 71 † Narciszwam 86 56 Nectria cinnabarina 123 69 Nestzwammetje 24 16 Nevelzwam 34 24, 56 Nyctalis asterophora 22 30 Oesterzwam D 41 Oorlepelzwam 63 21 Oranje Aderzwam 115 66 Oranjegroene Melkzwam 59 35 Paarl-Amaniet G 50 Paarse Ridderzwam 14 23 † Panther-Amaniet J 50 Panus Stipticus 124 70 † Papegaaizwammetje 8 7 Parasolzwam A 8 Paxillus involutus 129 70 Peperbus 112 66 Peziza fructigena 21 Peziza haemisphaerica 20 15 Peziza rutilans 15 Phallus impudicus 92 63 Phlebia aurantiaca 115 66 Pholiota squarrosa 29 28 Pleurotus ostreatus D 41 Polyporus betulinus = Placoderma betulinum 67 47 Polyporus brumalis 103 66 Polyporus frondosus 70 48 Polyporus giganteus 48 Polyporus perennis—Polystictus perennis 18 12, 43 Polyporus Schweinitziï 120 66 Polyporus squamosus C 12 Polyporus versicolor 16 11 Porceleinzwam 80 44 Pracht-Ridderzwam 13 8 Psalliota arvensis 43 38 Psalliota campestris 45 37 Psalliota sylvatica 44 38 Purper Korstzwam 107 66 Purperroode Russula 2 6, 53 Radijszwam 93 59 Reuzenbovist 22 Reuzenzwam 48 Ringsteel 28 24 † Rood Zwavelkopje 79 54 † Roode Russula 4 6, 53 † Rossige Melkzwam 60 11 Ruitjes-bovist E 54 Rupsendooder 50 30 Russula cyanoxantha 5 6 † Russula emetica 1 6, 53 † Russula foetens 100 60 † Russula fragilis 3 6 Russula nigricans 22 30 † Russula ochracea 6 6, 53 Russula Queletiï 2 6 † Russula rubra 4 6, 53 Ruwe Aardtong 30 Ruwe Boleet 38 31 † Satansboleet 77 50 Schaapje 84 53 † Scharlakenzwammetje 7 7 † Scherpe Marasmius 73 53 Scherpe Schelpjeszwam 124 70 Schizophyllum commune 117 70 Schubbige Pholiota 29 28 † Scleroderma vulgare 109 54 Slanke Trechterzwam 33, 89 24, 60 Slijmerige Spijkerzwam 66 27 Sparassis crispa 127 69 Sparrenhoutzwam 120 66 Sparren-Marasmius 98 60 † Spleet-Vezelkop 26 27 Sponszwam 127 69 Spijkerzwammen 65, 66 27, 35 Stereum hirsutum 118 66 Stereum purpureum 107 66 Sterzwammetje 22 30 † Stinkende Russula 100 60 Stinkzwam 92 63 Stropharia aeruginosa 17 11 Tepel-Aardster 114 65 Thelephora terrestris 106 66 Tolzwam 18 12 Trametes radiciperda 71 43 Trechterzwam 33, 89 24 Tremella mesenterica 119, 121 69 † Tricholoma album 91 56 Tricholoma gambosum 87 56 Tricholoma nudum 14 23 Tricholoma rutilans 13 8 † Tricholoma saponaceum 96 60 † Tricholoma sulphureum 86 56 Tricholoma terreum L 77 Tulostoma mammosum 25 23 Uitgespreide Stekelzwam 64 41 Valsche Dooierzwam 54 36 Vermiljoenzwam 10 7 Verpa digitaliformis 70 † Vezelkop 26 27 Vierslippige Aardster 65 Vingerhoedje 70 Vleeschkleurige Korstzwam 125 66 † Vliegenzwam B 6 Vogelnestzwammetje 24 16 † Volvaria gloiocephala 130 38 † Volvaria speciosa 38 Voorjaars-Ridderzwam 87 56 Vuurzwam 69 48 † Vuurzwammetje 9 7 Waaiertje 117 70 Weide-Champignon 45 37 Weide-Kringzwam 30 24, 53 Wieltjes-marasmius 27 21 Winterhoutzwam 103 66 Winter-Trechterzwam 90 56 Witte Kluifjeszwam 57 42 Witte Korstzwam 122 66 Witte Populierzwam 72 48 † Witte Ridderzwam 91 56 † Witte Volvaria 38 Xylaria hypoxylon 104 66 Zadelzwam C 12 Zakjeszwam 22 † Zeepzwam 96 60 Zwarte Kluifjeszwam 55 42 Zwarte Trilzwam 108 69 † Zwavelkopje 53 24, 54 † Zwavel-Melkzwam 78 53 ZWART-WIT TEEKENINGEN. Bladz. Koraalzwammen en Vliegzwammen 5 Heksenkring van Nevelzwammen 17 Honingzwam 29 Geschubde Inktzwammen 31 Reuzenzwam (op den achtergrond Vliegenzwam en Zwavelkopjes) 43 Bruine Anijszwam en Stinkzwam (met duivelseieren) 55 Oude Krulzomen, broederlijk aaneen (op den grond Franjezwam) 65 *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79622 ***