
OOSTERSCH LEVEN

[V]
Wie den Bijbel leest, stuit, zoowel in het Oude- als in het Nieuwe Testament, herhaaldelijk op zegswijzen en beeldsprakige uitdrukkingen die niet alleen vreemd aandoen, maar ook die zonder nadere verklaring eenvoudig onverstaanbaar zijn. En niet alleen dat ze voor den hedendaagschen bijbellezer onverstaanbaar zijn, maar ze waren dat goeddeels ook al voor de Statenvertalers, tengevolge waarvan menige uitdrukking in onzen vertaalden Bijbel niet den juisten zin aangeeft van wat de gewijde schrijver bedoelde.
Nu is, door onophoudelijk speuren en zoeken, in den loop der eeuwen al veel opgehelderd, en voor een goed deel zijn die ophelderingen ook reeds door tal van populaire geschriften in breede kringen bekend geworden. Een der meest noodzakelijke voorwaarden voor het verstaan van den Bijbel is wel de kennis der zeden en gewoonten, der levensvoorwaarden en sociale verhoudingen in Palestina zelf, in den tijd waarin de bijbelsche verhalen ons verplaatsen. Uit den aard der zaak zijn de mededeelingen daarover uiterst [VI]schaarsch: buiten de bijbelsche gegevens vinden we voor de kennis van de kultuur-toestanden in het oude Palestina al heel weinig; en wat we vinden is meer aangeduid en ondersteld dan opzettelijk behandeld en uitgewerkt. Zoo bleef er vrije speelruimte voor de fantasie, en van de middeleeuwen en de dagen der Renaissance af tot op onzen tijd toe, heeft de kunst in allerlei uitingen van die fantasie een gul gebruik gemaakt. Vele werken, zelfs van groote meesters, zijn uit historisch en archeologisch oogpunt bezien, onvoldoende.
Nu is in den laatsten tijd de meening uitgesproken, dat een meer nauwkeurige kennis, ook van de oude gewoonten en gebruiken in Palestina, langs anderen weg te verkrijgen is, nl. door het onderzoek in het hedendaagsch Palestina zelf. Men spreekt tegenwoordig graag van „het onbewegelijk Oosten”, en bedoelt daarmee dat nog tegenwoordig de Palestijnsche boer op precies dezelfde wijze zijn akker ploegt, als voor 2000, ja voor 4000 jaren, dat hij nog dezelfde huwelijks- en rouwgebruiken heeft als toen, ja dat ook zijne religieuze voorstellingen niet noemenswaard van de toenmalige verschillen, en dat die latere wijzigingen zich zoo oppervlakkig op de oude gebruiken en voorstellingen hebben gelegd, dat ze met een weinig kritisch oordeel nog duidelijk af te zonderen zijn. Het komt mij voor dat men in dat opzicht overdrijft, en dat de onbewegelijkheid van [VII]het Oosten niet zóó star is, als men het graag doet voorkomen. Een bekend geleerde S. I. Curtiss, die vele jaren in het Oosten vertoefde, schreef een tiental jaren geleden een werk „Ursemitische Religion im Volksleben des heutigen Orients”, waarin hij op grond van zijne onderzoekingen in het hedendaagsch Palestina en omliggende landen, een voorstelling meende te kunnen vormen zelfs omtrent de oudste tijden, ook wat godsdienst en zeden betreft. Het is nu al wel duidelijk welke groote bezwaren kleven aan zulk een wijze van behandeling. Maar een waarheid ligt er toch in. De tallooze reisbeschrijvingen en vooral de honderden fotografieën uit het hedendaagsch Palestina doen duidelijk zien, hoe groot de stabiliteit is in het oostersch leven gedurende lange eeuwen. En de beschrijvingen van het doen en laten in het tegenwoordig Palestina werpen inderdaad dikwijls verrassend licht op tal van bijbelsche beelden en zegswijzen.
Aan beschrijvingen van het tegenwoordig Palestina ontbreekt het niet. Niet alleen dat tientallen van boeken verschenen zijn van menschen die gedurende korter of langer tijd het Oosten bereisden, maar ook zij, die er gedurende vele jaren hebben gewoond, soms haast als Oosterling geleefd, hebben ons een schat van gegevens verstrekt.
Een van deze is James Neil M. A., die in 1913 een in het Engelsch geschreven werk uitgaf „Everyday life in the holy land”, met tal van gekleurde platen versierd. Het was [VIII]met dit werk dat de uitgever Callenbach tot mij kwam met de vraag, om voor Hollandsche lezers een bewerking daarvan te geven. Dat zou dan geschieden op deze wijze, dat de platen uit het werk van James Neil den grondslag vormden, zoodat, evenals in het Engelsche werk, het geheel het karakter droeg van „Platen met bijschriften”. Daarmee was de indeeling en de te behandelen stof vanzelf gegeven, en de lezer begrijpt dat dit werk in geen enkel opzicht beoogt een systematisch geheel te zijn; ’t zijn alle losse schetsen, waarbij veel onbesproken bleef, wat in een werk dat bedoelt het „Oostersch leven” te beschrijven, niet zou mogen wegblijven.
Ik heb gemeend mij niet te moeten bepalen tot een bewerking of zelfs omwerking van het boek van Neil, maar iets geheel zelfstandigs te moeten geven. Om velerlei redenen. Ten eerste is Neils werk typisch Engelsch, en daardoor al dadelijk voor Hollandsche lezers minder geschikt. Dan leek het mij ook te apologetisch van aard—ik sta met apologetiek op niet te besten voet—en eindelijk neemt één mensch, zelfs al is hij zoo goed op de hoogte als Neil, altijd eenzijdig waar, en verschillende besliste uitspraken van Neil worden door anderen, die het Oosten niet minder goed kennen dan hij, weersproken.
Zoo is dan voor dit boek het werk van Neil het „point de départ”, en levert behalve de platen, ook verschillende [IX]gegevens, maar het meeste is wel ontleend aan het door mij in de laatste tien jaar verzamelde materiaal; verder aan de werken van Charles, L. de Vaux, Conder, Röhricht, Burchhardt, van Senden, van de Velde, Robinson, Tobbe, Bovet, Verschuur, L. Bauer, G. Hölscher, Ninck, H. Guthe, H. J. van Lennep, Goodrich-Freer, Lane, Löhr, Curtiss, Baedeker, Ebers, K. Jäger, Trietsch e.a. Ook moeten hier genoemd worden het Zeitschrift des deutschen Palästina-Vereins en het tijdschrift Globus, terwijl de tallooze fotografieën, die tegenwoordig ten dienste staan, uitnemende diensten bewezen.
H. Th. O.
Utrecht, April 1914. [11]
[12]

[13]
De plaat brengt ons in den geest naar het Oosten en schildert een dier schitterende avonden, tegen zonsondergang, zooals men die alleen in het Oosten kent. De hitte van den gloeienden oosterschen dag heeft plaats gemaakt voor een frissche koelte, en rondom de bron, waarvan op onze plaat een deel der monding zichtbaar is, verzamelen zich in bonte groep de kleurig gekleede Oosterlingen; vermoeide reizigers, die als Jezus bij de put van Sichar, verpoozing en lafenis zoeken, of vrouwen die met de kruik op het hoofd, komen om water te putten voor het huiselijk gebruik.
Het klimaat van Palestina geeft aan zulk een avonduur bij de bron een eigenaardig karakter. Men kent in Palestina slechts twee jaargetijden, den regentijd en den drogen tijd. Het voorjaar, verreweg de aangenaamste tijd van het jaar, valt van midden Maart tot midden Mei. Van begin Juni tot begin October valt er bijna nooit regen. Bij hooge uitzondering breekt er een onweer los in den zomertijd, maar dat is zoo zeldzaam dat toen God volgens 1 Sam. 12 : 17, 18 [14]op Samuels bede midden in den zomer een onweer met regen zond, het volk zeer vreesde vanwege dit bijzondere teeken. Door die maandenlange droogte wordt de atmosfeer buitengewoon doorschijnend en de hemel ook des nachts zeer helder, en krijgt de maan een ongekenden glans (Ps. 121 : 6). Gedurende de zomermaanden valt een groote hoeveelheid dauw (Richt. 6 : 38), welks uitblijven als geen gering gemis wordt gevoeld, zoodat het „geen dauw of regen zal op u zijn” (2 Sam. 1 : 21) als een gevoelige straf wordt beschouwd. De dauwvorming is vaak zoo sterk dat des morgens de daken druipen als na een regenbui, en het overnachten onder den blooten hemel onmogelijk wordt gemaakt. Dit is dan ook de eenige neerslag in den regenloozen tijd. Voor de stralen der opgaande zon verdwijnt al spoedig het laatste spoor daarvan, zoodat Hozea de wufte godsdienstigheid zijner tijdgenooten vergelijkt bij den vroegkomenden dauw, die snel vergaat. Daarbij komt dat de zeer droge oostenwind, die tegen einde Mei begint te waaien, alle vocht uit den dampkring opzuigt, en de groeikracht vernietigt, behalve daar waar, zooals in de omgeving van Damaskus, de bodem kunstmatig bevochtigd kan worden. De putten en bronnen drogen uit, en van meer dan een put geldt wat van „Jozefs put” staat geschreven: er was geen water in. Zeer vroeg in het voorjaar begint de regentijd, en dan zijn het soms stortvloeden, waardoor de leemen [15]hutten der landbewoners instorten, de putten en bronnen worden weer vol, en het koren komt tot rijpheid. De jaarlijksche wisseling van land- en zeewind herhaalt zich op kleineren maatstaf elken dag; in den zomer worden door de zonnestralen de krijtbergen in het Oosten sterk verhit, sneller als de zee, waardoor men overdag doorgaans zeewind heeft; ’s nachts koelen de krijtrotsen sneller af, zoodat tegen den avond een koele oostenwind verfrisschend komt verkwikken.
Dat is het uur dat het volk de putten en bronnen opzoekt, deels om zich te verkwikken in de frissche avondlucht, deels om in kruiken en kannen het water mee te nemen naar huis. Hier is dikwijls de verzamelplaats van oud en jong. Men komt er bijeen op de manier zooals nog tegenwoordig in het Oosten van ons land de dorpbewoners zich verzamelen in groepjes op den „brink”, om ’t nieuws van den dag te bespreken. Het verwondert dan ook niet, dat in den Bijbel zoovele belangrijke gebeurtenissen plaats vinden bij zulk een put of bron. Zoo steeg Eliëzer, toen hij uitging om een bruid voor Izaäk te zoeken, buiten de stad bij den put af, des avonds als de vrouwen kwamen om water te putten, en daar hooren wij uit zijn mond dat gebed van stil vertrouwen dat God hem de rechte vrouw voor Izaäk zal aanwijzen. En het was wederom bij zulk een put dat Izaäk op een avond zijne oogen ophief en zag Eliëzer en [16]Rebekka naderen, de vrouw die hem zou troosten over zijne moeder. Ook Mozes had zijne vrouw gevonden uit de dochters van den priester van Midian, toen zij kwamen om water te putten. En natuurlijk denken we hier aan de vriendelijke geschiedenis uit Joh. 4, het verhaal der Samaritaansche vrouw, aan wie Jezus „levend water” geeft.
Deze laatste uitdrukking wordt verstaanbaar als wij bedenken, dat wij twee soorten van waterreservoirs moeten onderscheiden, die we gemakshalve putten en bronnen zullen noemen. In de Statenvertaling is het verschil tusschen die twee niet altijd nauwkeurig in het oog gehouden. De putten dienen tot het opvangen van het regenwater en hebben daarom dikwijls gemetselde of gepleisterde wanden, om ’t wegzakken van het water in den grond te voorkomen. De bronnen zijn in den grond gegraven gaten, waarin het welwater zich verzamelen kan. Zoo lezen wij dat Izaäks knechten graven in het dal en vinden een put van levend water, Gen. 26 : 19. Het welwater heet dus levend water, een naam die ook wel aan stroomend water, eigenlijk aan alle in beweging zijnd water kan gegeven worden.
Tegenwoordig heeft elke welgestelde stadsbewoner bij zijn huis een put ter verzameling van het regenwater, en de opgravingen in Palestina hebben aangetoond dat dat ook in oude dagen reeds het geval was; trouwens uit 2 Sam. 17 : 18 en andere plaatsen in het Oude Testament blijkt het evenzeer. [17]
Dikwijls waren zulke „putten” in de rots uitgehouwen: uiteraard een voortreffelijk waterreservoir, waarin het water bovendien geheel frisch en koud bleef. Vaak lag zulk een reservoir zoo diep, dat men met trappen er in afdaalde, zoo b.v. Rebekka, om voor Eliëzer water te scheppen, Gen. 24 : 16.
Behalve dat men bij vele stadshuizen zulke putten aantrof en nog aantreft, bevond zich dikwijls buiten de stad een put of bron voor algemeen gebruik, en eveneens ziet men ze vaak langs wegen en in het open veld. Meerdere van zulke zeer oude putten en bronnen zijn tot op den huidigen dag in gebruik gebleven, b.v. die van Berseba, en de bron aan den voet van den Gerizim, de zgn. Jakobsbron (Joh. 4 : 12), die tegenwoordig 23 meter diep is, en een doorsnee heeft van 2½ meter. De opening werd meestal toegedekt met schuinopstaande steenen, zoodat in het midden een opening bleef, die na gebruik meestal met een zwaren steen werd gesloten (Gen. 29 : 3), waarover soms aarde werd gestrooid om de plaats voor vreemden onkenbaar te maken. De berghellingen van Palestina zijn hier en daar met ruïnen van cisternen, kanaaltjes, reservoirs enz. als bedekt, die voor een deel reeds eeuwen oud zijn. Vooral waar het een put en niet een bron gold, was bij aanhoudende droogte het gevaar niet denkbeeldig, dat de voorraad uitgeput raakte, wat voor een herderstroep met hunne kudden vertrek naar [18]elders en het zoeken van een nieuw waterreservoir noodzakelijk maakt. De geschiedenis der aartsvaders leert ons dan ook hoe een der middelen om een vijandelijken stam te benadeelen, is, dat men zijn putten verstopt (Gen. 26 : 15).
Afgezien van een paar grootere steden, waar tegenwoordig eenigszins in den waternood is voorzien—in Jeruzalem kostte het water nog voor korten tijd f 2.50 per kubieken meter—is de toestand nog dezelfde als voor 3000 jaar, en ziet men in Palestina op straten en wegen de waterverkoopers hun waar aanprijzen. Zij dragen het water bij zich in een leeren zak—een dichtgenaaide dierenhuid—die ook reeds in den Bijbel genoemd wordt, en door de Statenvertaling door „flesch” wordt vertaald (Gen. 21 : 14).
Het water halen is de taak der vrouwen. Men noemt ’t dan ook sjoegal niswan, vrouwenwerk. Op de plaat zien we een meisje komen met haar kruik op ’t hoofd en een soort emmer met touw om te putten. De steenen aan den rand van den put zijn reeds uitgesleten door het daarlangs trekken van de touwen, gedurende vele jaren, misschien wel gedurende vele eeuwen. In de Schrift wordt ons verhaald hoe Jezus zijne discipelen uitzendt om het Pascha te bereiden, zeggende: als gij in de stad zult gekomen zijn, zal u een mensch ontmoeten, dragende een kruik waters. Uit het Grieksche woord hier door „mensch” vertaald, blijkt dat hier een man wordt bedoeld. De Heer geeft daarmee een [19]zeer duidelijke aanwijzing, want, terwijl mannelijke waterverkoopers in het Oosten veelvuldig voorkomen, dragen die hun voorraad water steeds in een dichtgenaaide dierenhuid, nooit in een kruik. Een man, een kruik water dragende, is in het Oosten een zeer ongewoon verschijnsel.
Op de plaat zien wij drie soorten menschen bij de put. De man, gewapend met het kromzwaard, staande bij de kameel, waarop zijn vrouw zit; dan de twee mannen links, de eene staande, de ander zittende biddend zijn „rozenkrans”; de derde, het meisje komende om water te putten. Deze drie groepen vertegenwoordigen de bevolking van het hedendaagsch Palestina.
De hoofdbevolking van Palestina noemt zich met een algemeenen, niet geheel juisten naam aulâd-el-Arab: kinderen der Arabieren, en vallen wat gewoonten, kleeding, enz. betreft, uiteen in de boven aangewezen drie groepen, n.l. 1e de stadbewoners, medenî; welk woord is afgeleid van medeni = stad; daartoe behooren de beide mannen, links op de plaat; 2e de dorpsbewoners, fellâh van falah = het land bebouwen, dat is de landbouwende bevolking; en 3e de bedoeïenen, bedawî, een woord dat is afgeleid van ’t arabisch bedw = woestijn.
Deze drie klassen onderscheiden zich zoowel door taal-eigenaardigheden, kleeding, uiterlijk aanzien, woning, als ook door zeden en gebruiken en algemeene levenswijze. Wat de [20]taal betreft, is het b.v. merkwaardig dat b.v. de inwoners van Nablus, het oude Sichem de letter sj niet kunnen uitspreken, maar daarvoor altijd s zeggen, een feit dat ons dadelijk herinnert aan het bekende verhaal uit Richt. 12 : 6 waar wordt verhaald dat de Ephraïmieten het woord sjibbolet niet kunnen zeggen, maar ’t uitspreken als sibbolet.
De stadbewoners beschouwen zich natuurlijk als de beschaafde klasse, en zien met trotsche verachting op de domme, onontwikkelde fellah’s neer. Ja fellah! jij fellah! is een in hun mond veel voorkomende scheldnaam. De bedoeïen van zijn kant acht zich de heer der schepping en acht zich zoowel boven den stedeling als boven den fellah verre verheven. Het zich bezighouden met den akkerbouw is voor den trotschen woestijnbewoner even verachtelijk als het zich opsluiten tusschen de muren van een stad. Natuurlijk is de grens tusschen stadbewoner en fellah niet scherp te trekken, daar b.v. plaatsen als Nazareth, Bethlehem enz., hoewel eigenlijk dorpen, toch echte stedelingen herbergen. De grens tusschen beide, ook wat kleeding en taal betreft, is soms tamelijk vaag. Alleen de bedoeïen staat er zelfstandig naast, vooral door zijn geheel verschillende levenswijze. Maar ook tusschen de verschillende plaatsen onderling is het onderscheid in taal, kleeding en levenswijze tamelijk groot. Tal van bizonderheden komen later ter sprake.
De allerongunstigste verhoudingen, waaronder de bewoners [21]leven, hebben een nadeeligen invloed gehad op het algemeene volkskarakter. Vooreerst de ellendige Turksche politiek die niets doet om de levensomstandigheden te verbeteren. Voor eenige jaren werd zelfs een aanbod van een Amerikaansche dame om voor eigen rekening de oude waterleiding van Salomo te doen herstellen—de kosten waren geschat op ongeveer een millioen gulden—van de hand gewezen! Vervolgens de invasie van tallooze vreemdelingen. Van alle kanten wordt beproefd vasten voet te krijgen in het heilige land, en de elementen die op deze wijze zich daar nestelen, zijn vaak niet de beste. Zoodat men, sprekende van het algemeen karakter van den Oosterling, licht een donker tafereel ophangt. Op den voorgrond treedt de geldzucht, het altijd en overal met eerlijke en oneerlijke middelen naar zich toe halen. Dan het gebrek aan energie, de slapheid en lusteloosheid, onverschilligheid voor alles waar niets mee te verdienen valt. Werken is eigenlijk schande. Vooral van de stedelingen geldt dat, wier vrouwen ongeloofelijk traag zijn en slordig. Vooral dat wat eenige geestelijke inspanning kost, is verwerpelijk. Daarmee hangt onmiddellijk samen dat men eeuwenlang volhardt bij de eenmaal overgeleverde voorvaderlijke gebruiken, en nu nog het land bebouwt met dezelfde primitieve middelen als voor 2000 jaar. Hardnekkig en onnadenkend, enkel door de natuurlijke traagheid gedreven, volhardt men bij wat eenmaal is, en [22]ziet al het nieuwe wantrouwend aan of onverschillig. De wereld der dingen die hen interesseert is heel klein. Deze zelfde traagheid doet hen zoo makkelijk zich neerleggen bij een eenmaal voldongen feit. Men heeft de oorzaak daarvan vaak in het fatalisme van den Islam gezocht. Veeleer moet gezegd worden dat de Islam met zijn „berustingsleer” daarom zoo gemakkelijk bij dit van nature zoo trage volk ingang vond, omdat hij er zoo geheel voor paste. Immers de weinige Christenen in Palestina vormen geen al te sterke tegenstelling met dezen algemeenen volksaard. Men zou haast wenschen dat hun godsdienst maar wat meer invloed had op ’t dagelijksch leven. Men houde overigens in het oog, dat dit Palestijnsche „Christendom” van een eigenaardig allooi is: Ten eerste is het „Grieksch-orthodoxe” geloofssysteem met al de daaraan vastzittende bijgeloovigheid verreweg in de meerderheid, waarbij het Evangelie begraven is onder een massa puin van heiligenlegenden en geestengeloof, vervolgens is zoowel dit oppervlakkig Christendom zoomin als de Islam, in staat geweest, de oorspronkelijk heidensche gewoonten en voorstellingen uit te roeien. Wat de Mohammedanen betreft, een streng orthodox Mohammedanisme gaat hand aan hand met een zeer slordig leven. Het meest treden aan het licht: dronkenschap, onzedelijkheid, speelzucht, geldzucht en leugen. Zijn naaste te bedriegen geldt niet als slecht maar als handig. Bij het bespreken van den handel komen we [23]daarop terug. Het is voor een Westerling uiterst moeielijk een kwestie met hen te behandelen. Ze zeggen nooit rechtstreeks en ineens hun meening, maar loopen er door breede beeldspraak en woordenrijkheid onophoudelijk omheen, om pas de waarheid te zeggen als het hun tijd is. Die wijdloopigheid wordt nog vergroot door de eindelooze vloeken en bezweringen, waarbij hemel en aarde te pas komen. De term kilme frendsjije = „woord van een Westerling” beteekent bij hen: betrouwbaar woord. Ze zweren bij Allah, bij hun leven, bij den baard van Mohammed, bij hun hoofd, kortom, bij alles wat hun maar in den zin komt, dat ze de waarheid zeggen. Wie denkt daarbij niet aan de bekende woorden van Jezus Matth. 5 : 34 vgg.? Zeer verderfelijk werkt de speelzucht. Naast allerlei speciaal Arabische spelen, kent men, vooral te Jeruzalem en in de havensteden, ook het westersche kaartspel. Kaarten worden wel eens kenmerkend genoemd: kitâb il-fuharâ wesj-sjahhadin: boek der armen en bedelaars. Daarmee gaat natuurlijk drankzucht gepaard, speciaal bij de stadbewoners en de bedoeïenen. Ook de onzedelijkheid in engeren zin is onrustbarend groot, de tegennatuurlijke ontucht niet uitgezonderd.
Daartegenover staan echter ook goede eigenschappen. Voorop de diepgewortelde eerbied voor de ouders, die niet alleen als respect zich uit, maar werkelijk liefde beteekent. Ze vertellen elkaar gaarne zulke verhalen waar ouder- of [24]broederliefde een vriendelijke rol spelen. Ook is een zeer gunstig verschijnsel de zin voor humor en de goedmoedigheid, die overal aan ’t licht komt, waar ’t geld buiten spel is.
In ’t vervolg zullen wij volop gelegenheid hebben van een en ander frappante voorbeelden te vernemen.
Wanneer wij de plaat er nog eens op aanzien, valt ons op een merkbaar verschil in kleeding tusschen de drie afgebeelde menschentypen. Het eenvoudigste is het water halende fellah-meisje gekleed. Ze draagt een tot op de voeten hangenden blauwen rok van ruwe stof, die echter op onze plaat is opgenomen en tusschen den gordel gestoken. Deze rok is niet altijd van dezelfde snit noch van dezelfde kleur. De vergelijking met andere platen in dit boek doet zien hoeveel variaties men in dit simpele kleedingstuk, dat tôb heet, weet aan te brengen. Soms is ’t niet anders dan een omgeslagen groote doek met gaten voor de armen, soms is hij met mouwen voorzien, soms is hij blauw, soms groezelig wit. Voor feestelijke gelegenheden maakt hij plaats voor een tôb harîr, d.i. een veel kostbaarder rok met blauwe, groene, roode, of gele strepen, terwijl op de borst nog een ander stuk doek van sprekende kleur is opgenaaid, terwijl ’t geheel door een gordel van katoen of zijde wordt bijeengehouden. Trouwens ook voor gewone dagelijksche dracht ziet men dit kleedingstuk veel voller dan op onze plaat. Men lette op den eigenaardigen vorm van mouwen op [25]plaat 2 en 3, waar de mouwen zoo lang zijn, dat ze ver over de handen heenreiken, terwijl de noodige vrijheid voor de handen gekregen wordt door ze van af den elleboog, aan de binnenzijde met een split te voorzien. Op plaat 2 is die mouw zóó lang dat ze over den grond sleept. Het is natuurlijk onmogelijk met zulke slepende mouwen te werken. Daarom worden ze bij den arbeid opgenomen en in den nek saamgebonden, terwijl, zooals boven reeds werd opgemerkt, de slippen van het kleed tusschen den gordel worden gestoken. „Zich gorden” beteekent dus: zich gereed maken voor ’t werk. De jonge fellah-vrouw op onze plaat is „gegord”. Vandaar dat het woord „gegord zijn” in het Oosten gebruikt wordt voor „sterk zijn”, en „de gordel verliezen” voor „verzwakken”. Vandaar ook de talrijke uitdrukkingen in Oud en Nieuw Testament waar de gordel voorkomt als beeld van mannelijke kracht.—Over den rok wordt dikwijls een, roode of blauwe mantel, abâ genaamd, of ook wel, als te Bethlehem, een met gouddraad gestikt jakje, gedragen.
De mannelijke fellah’s zijn zoo mogelijk nog eenvoudiger gekleed. Ze dekken zich met een hemd, blauw of wit, van groezelige ruwe stof, hangend tot over de knie en op de borst diep uitgesneden. Men zie de volgende platen. Dit hemd wordt door een lederen gordel om de lendenen vastgehouden. Is men niet aan den arbeid, dan wordt daarover heen veelal gedragen een, meest gestreepte wollen mantel. [26]Zonder dien mantel gaat een welopgevoede fellah niet uit. Meest is ’t een groot vierkant stuk doek, zóó dichtgenaaid dat voor de armen openingen blijven. Deze mantel dient voor velerlei: het beschermt tegen regen en koude, ’s nachts dient hij voor deken en bed tegelijk, want de doorsnee-fellah legt zich te slapen op zijn stroomat of ook op den blooten grond, terwijl hij zich in zijn abâ wikkelt. De zoo rustende fellah lijkt wel wat op een mummie, of een reusachtige vlinderpop. We zien hier weer hoe humaan de Mozaïsche geboden zijn, als ze bevelen een verpanden mantel vóór zonsondergang terug te geven (Ex. 22 : 26 vg.; Deut. 24 : 13), opdat niemand des nachts zonder de noodige bedekking zij. Verder dient de abâ als gebedstapijt, dat de fellah op den grond legt om er zijn geregeld terugkeerend gebed op te doen. Ook wordt de abâ als zak gebruikt om alles in mee te nemen: inkoopen uit de stad, gras voor zijn vee, enz.; zoo noodig dient hij ook als voederbak voor ’t vee; na voor dergelijke nuttige doeleinden te hebben dienst gedaan, wordt hij uitgeschud, en de abâ fungeert weer als mantel. Soms spant de fellah hem, op ’t veld zijnde, uit als tent, en legt zich neer in zijn geïmproviseerde woning. Bij den arbeid is zoo’n kleedingstuk natuurlijk lastig, en wordt het afgelegd, maar de fellah wordt niet geacht gekleed te zijn zonder abâ; integendeel hij heet dan „naakt”. Zoo verstaan wij ook Joh. 21 : 7, waar de [27]visschende Petrus „naakt” wordt genoemd. Dikwijls wordt ’s winters over het hemd een soort van jak met korte mouwen gedragen, in elkaar gezet uit schapenvellen, en gedragen met de wol naar den binnenkant, terwijl de buitenkant met een roode verfstof wordt bestreken. De plooien, gevormd door den gordel en den abâ vormen voortreffelijke zakken, waar een Hollandsche jongen jaloersch op zou wezen. Die zakruimte wordt ook in de Schrift bedoeld als er sprake is van iets bewaren in den gordel, Matth. 10 : 9; Mark. 6 : 8; messen, wapens, brood, tabak, zakdoek—voor zoover die gebruikt wordt—kortom alles wat men onderweg meent noodig te hebben, vindt daar een plaats.
De kleeding der stadbewoners en meer gegoede fellahs is veel gecompliceerder. In de eerste plaats vindt men er meestal een soort onderbroek, een wijde pantalon, niet ongelijk aan die onzer Marker visschers, maar minder lang. Verder dragen ze over het hemd een ander soort mantel, de z.g.n. kumbes met lange mouwen, en in den winter dikwijls een kort vest, zonder mouwen met een lange rij liefst bontgekleurde knoopen. Overigens gaat het in Palestina als met de provinciekleeding in Nederland; het eigenaardige nationale kostuum dreigt verdrongen te worden door de gewone westersche „beschaafde” kleederdracht. Toch vindt men vooral bij de dames in de steden nog druk gebruik gemaakt van den z.g.n. isar of sluier. Het is een zeer groote [28]omslagdoek, meest wit, die door alle vrouwen boven de 12 jaar gedragen wordt als ze zich op straat vertoonen, en die niets openlaat dan een ruimte voor de oogen. In dezen sluier weet men door kleur en vorm, zwart, geel, bruin, groen voortreffelijk de meerdere of mindere welvaart der eigenares uit te drukken. Een der schrikkelijkste martelwerktuigen van het Westen, het corset, heeft nog zoo goed als geen ingang gevonden.
Wat het schoeisel betreft, zien we op onze plaat dat de fellah blootvoets gaat, de bedoeïen daarentegen heeft iets aan dat op het voorste deel van een schoen gelijkt. In dit opzicht is het gebruik aan het verschuiven. Oudtijds was het dragen van sandalen gewoon, terwijl de armen blootsvoets gingen. Die sandalen waren eenvoudig ruwe stukken leer. Niebuhr vertelt ergens dat op een zijner reizen een ezel stierf. Dadelijk maakten zich zijne gezellen meester van de huid, die ze stuk sneden en er sandalen van maakten, door er gaatjes in te boren, waar doorheen ze touwen haalden om ze aan den voet vast te binden. Beter bewerkte sandalen hadden vaak aan den hiel en op zij opstaande stukken om den voet beter te beschermen. In Palestina zelf zijn de sandalen bijna uit de mode, en draagt men in plaats daarvan lompe, ruwbewerkte en roodgeverfde schoenen uit buffelhuiden, die òf alleen het voorgedeelte van den voet bedekken, òf ook den vorm aannemen van lange [29]laarzen, met opstaande punten. Bij de bedoeïenen zijn naast de schoenen, nog de sandalen in gebruik, plaat 2, waar meteen een goed voorbeeld hoe ze onder den voet worden vast gemaakt. In alle geval doet men bij het binnentreden in een vertrek zijn schoenen uit of zijn sandalen af; ’t staat zoowat gelijk met ons gebruik van het afzetten van den hoed. Even onbeleefd als wij het zouden vinden als iemand met zijn hoed op ’t hoofd bij ons binnen kwam, even onbeleefd vindt het de Oosterling als men niet zijn schoenen uitdoet. In de stad draagt men bovendien soms kousen, en loopt dan in huis op zijn kousen rond, op het land steekt men zijn bloote voeten in de schoenen. De verandering van sandalen tot schoenen zal wel mee zijn oorzaak hierin vinden dat schoenen de voeten beter beveiligen op Palestina’s ongebaande wegen.
Een zeer belangrijk kleedingstuk, zoowel voor mannen als voor vrouwen, is het hoofddeksel. Een complete tulband bestaat uit meerdere deelen: op het kaalgeschoren hoofd—alleen op de kruin laat men een bosje haar staan—past een wit katoenen kapje, daarover heen komt een vilten muts, eveneens nauw sluitend om het hoofd, en daarover heen de roode fez of tarboesj, van zijde of katoen. Daarna wordt het geheel met een witten of gekleurden doek omwonden, waar alleen bovenuit komt de roode fez met donkerblauwe kwast zooals b.v. op onze plaat bij den [30]zittenden man duidelijk is te zien. Deze tulband is vaak zoo dik en omvangrijk dat zijn eigenaar, zich met gedekten hoofde, te slapen leggend op niets dan een steen, toch een voldoend hoofdkussen heeft. Alleen de bedoeïenen dragen een veel eenvoudiger hoofdsieraad: ze slaan een grooten vierkanten doek, tot driehoek gevouwen, zóó over het hoofd dat eene punt ver op den rug afhangt, terwijl een dik wollen snoer den doek op ’t hoofd vasthoudt, zooals op de plaat bij den bedoeïen het geval is. Ook sommige fellahs hebben deze gewoonte van de bedoeïenen overgenomen. Deze hoofdbedekking dient tevens als zakportefeuille: brieven en stukken van waarde worden tusschen de vouwen gestoken en daar gedurende langen tijd zeer veilig bewaard. Want de Oosterling zet zijn tulband onder geen voorwaarde af: hij gaat er mee op bezoek, naar de moskee, naar een gastmaal: altijd gedekt.
De hoofdbedekking der vrouwen wisselt vrij sterk volgens plaatselijk gebruik. Daarbij is te vergelijken onze Zeeuwsche „gouden krullen” en Friesche „oorijzers”. De algemeene bedekking is een groote ver naar achter afhangende hoofddoek, zooals bij het fellah-meisje op de plaat. Onder dien witten doek is op de plaat zichtbaar een band om het hoofd, blijkbaar met versierselen bezet. De vorm daarvan is zeer verschillend. In Bethlehem b.v. dragen de vrouwen een soort kap, waarlangs aan den voorkant een of meer rijen zilver- [31]of goudstukken zijn vastgenaaid, soms tot een bedrag van aanzienlijke zwaarte. Deze hoofdbedekking dient niet alleen als sieraad maar ook als spaarpot. Bij ’t huwelijk wordt dat kapitaal er aan genaaid, en ze draagt het mee, totdat de „nood aan den man” komt: dan trekt ze er zooveel geldstukken af, als ze noodig heeft. Komt ze weer in beteren doen, dan worden ze er weer aangenaaid. Reizigers vertellen in de buurt van Nazareth tal van vrouwen gezien te hebben, die de banden nog wel om de kap droegen, maar waaraan geen geldstukken meer bengelden. Dan weten de vrouwen in Nederland hun financiëelen toestand beter te maskeeren! Het gebeurt soms dat een vrouw op den weg wordt aangevallen en van haar geldswaarde beroofd, maar de behoefte om het op deze wijze te pronk te dragen, schijnt grooter te zijn dan haar vrees voor diefstal. Ook christenvrouwen dragen zoo’n hoofdsieraad; soms wordt het ten slotte aan de kerk vermaakt tot het houden van zielmissen. Eigenlijk behoort dit hoofddeksel niet meer tot de kleeding, maar veeleer tot de sieradiën der oostersche vrouw. Van ouds heeft de Oostersche altijd veel behagen in opschik, vooral blinkende mooidoenerij; in dit opzicht zijn ze eigenlijk groote kinderen. Het fellah-meisje op onze plaat heeft zeer eenvoudige versierselen: de hoofdband, de armband en een voetband. Om te weten, hoever oostersche dames hun prachtlievendheid kunnen drijven, vergelijke men [32]de in dit boek voorkomende platen; waar wij gelegenheid zullen hebben er meer van te hooren. Uit 2 Kon. 9 : 30; 1 Tim. 2 : 9, 1 Petr. 3 : 3 en andere plaatsen der Schrift zien we hoe oud zulke gebruiken zijn. Ook hebben de opgravingen der laatste jaren in Egypte, Babel en Palestina duizenden kleine sieraden en toiletartikelen aan het licht gebracht. Een der meest voorkomende sieraden is wel de armband, die tot in armere kringen gedragen wordt, zij het ook van min edel metaal; vervolgens de voetringen en voetkettinkjes, welke laatste de dames noodzaakte met kokette trippelpasjes te loopen—een liefhebberij, die ook bij onze Europeesche dames niet onbekend is. Verder oor- en neusringen (zie volgende platen). De neusring was ook bij de oude Hebreën reeds bekend: Gen. 24 : 47, waar in het Hebreeuwsch staat: ik leide den ring in haren neus. Ook uit den voor-Israëlietischen tijd in Kanaän zijn onlangs zulke neusringen gevonden. In Jes. 3 : 18–23 vinden we een heelen inventaris der vrouwelijke ijdelheid: „Te dien dage doet de Heer den opschik weg, de voetringen, voorhoofdsversierselen en maantjes, de oorknoppen, kettinkjes en sluiers, de tulbanden, armbanden en linten, de reukfleschjes, amuletten en zegelringen, de neusringen, feestgewaden en overkleeden, de omslagdoeken, tasschen en mutsen, de opperkleeden, kappen en hoofdbanden.” De oostersche vrouw blanket zich graag, vooral de oogen en wenkbrauwen worden [33]met een soort zwarte zalf zóó bewerkt, dat ’t wit der oogen er te scherper—naar hun bedoeling: mooier—door uitkomt. Ook het rood verven van het haar is bij sommige grijs wordende fellah-vrouwen een merkwaardige liefhebberij, het hel-roode haar langs de geel-bruine slapen vormt een alles behalve aesthetischen aanblik.
Nog op een eigenaardige gewoonte om zich „mooi te maken” moet ik wijzen: het beschilderen van handen en voeten. De vrouwen doen dit door middel van een sap uit een z.g.n. henna-plant getrokken, waarmee vooral de toppen van de vingers en de teenen groezelig-rood worden geverfd, en verder tal van figuren op handen en voeten worden geteekend. Dit wordt om de veertien dagen herhaald. Een duurzamer middel tot „versiering” van het lichaam is het tatoeëeren. Men doet dit door met een bundeltje naalden in de huid te prikken en in de daardoor ontstane wondjes een zekere kleurstof te wrijven, die aan de aldus bewerkte plaatsen een nooit weer verdwijnende blauwachtige kleur geeft. Op deze wijze wordt aangezicht, handen, armen, voeten, borst enz. bewerkt. Hoe „mooi” de oostersche vrouw op deze manier wordt, is te zien op plaat 2 en 14. In Lev. 19 : 28 werd het tatoeëeren reeds uit religieuze overwegingen verboden.
Hiermee heb ik in hoofdzaak besproken wat op onze plaat te zien is,—over den bedoeïen met zijn vrouw en [34]kameel spreek ik bij de volgende plaat—maar één ding bleef nog onbesproken. De man, zittende bij de bron, heeft een rozenkrans in de hand en bidt. Ieder Mohammedaan moet vijf maal per dag bidden op bepaalde tijden, waarvoor de oproeper op den trans der minarets het sein geeft door zijn voorgeschreven uitroep: Allah Akbar asjadu anna la ilaha ill allah, anna muhammadur-rasul-ullah, hajja al-assala! d.i. Allah is groot! ik verkondig dat er geen god is dan Allah en Mohammed is de profeet van Allah, kom tot het gebed! Het gebed zelf kan overal worden gedaan, maar in de moskee, onder leiding van een voorbidder, overtreft het de waarde van een gebed tehuis of in het veld vijfentwintig maal. Het gebed reinigt van zonden. Mohammed zeide: „Meent gij dat, wanneer een rivier voorbij uw huis stroomt, en gij u vijfmaal daags daarin baadt, dat er nog iets onreins aan u blijft? Zóó is het met het vijfmalige gebed, waarmee God de zonde wegwischt.” Bij dit gebed werd oorspronkelijk de rozenkrans niet gebruikt. Dat gebruik namen de Mohammedanen van de Boeddhisten over sedert de 9e eeuw. Hij bestaat uit 99 balletjes, omdat Allah 99 goddelijke eigenschappen heeft, en voor elk van die een afzonderlijken naam.
De Roomsche rozenkrans is weer van de Mohammedanen overgenomen, en door Paus Pius V in 1596 bevolen. Er wordt echter in de Roomsche kerk een ander verhaal ondergeschoven: [35]den heilige Paulus van Pherma, een asceet uit de 4e eeuw, zou bevolen geworden zijn een gebed 300 maal op te zeggen. Daartoe nam hij 300 steentjes bij zich, en wierp telkens na een gebed te hebben opgezegd, één steentje weg. Maar de bedoeling is bij Roomschen en Mohammedanen geheel dezelfde. Bij dit rozenkrans-gebed mag de bidder een meer makkelijke houding aannemen, dan bij het eigenlijke hoofdgebed: we zien den bidder op de plaat dan ook heel op zijn gemak zittende, de balletjes aftellen. Hij zegt op de zgn. ayet el kurse of troon-vers, d.i. het 256e vers van het 2e hoofdstuk van den Koran, welk vers aldus begint: „O God, er is geen god dan hij,” en dan verloopt het „gebed” zoo: „O, allerhoogste! O Groote, ik verheerlijk Uw volmaaktheid.” Dan: „De volmaaktheid van God” (33 maal). „De volmaaktheid van den grooten God met zijn lof voor eeuwig” (1 maal). „Lof zij God” (33 maal). „Geprezen zij zijn majesteit, daar is geen God dan hij” (1 maal). „God is de grootste” (33 maal). „God is de grootste in grootheid, en overvloedig zij zijn lof” (1 maal). Op den rozenkrans telt hij af om het juiste getal te onthouden.
De Mohammedaan is, in het uitwendige tenminste, vroom. Daarom moet het niet verwonderen hem bij alle mogelijke gelegenheden en op alle mogelijke plaatsen, te zien bidden: bij een bron, in den winkel, in een gouvernementsgebouw, op straat enz. Midden in zijn bezigheden zal hij plotseling [36]zeggen tot de aanwezigen: „excuseer mij,” en, zijn mantel op den grond werpende, daarop neerknielen met het gezicht naar Mekka gekeerd.
De vrouwen hebben niet zulke strenge religieuze regelen in acht te nemen; toch komt het niet zelden voor dat ook zij een rozenkrans bij zich dragen en op geregelde tijden de heerlijke eigenschappen van Allah opsommen; vooral onder de meer beschaafde kringen komt dat voor. De eenvoudige landsbevolking is in godsdienstig opzicht zeer onwetend en bepaalt zich meerendeels tot het doen van geloften aan een of anderen heilige, wiens graf in de nabijheid ligt.
Maar de Mohammedaan hecht niet weinig waarde aan het feit dat de vrouw een religieuzen aard heeft. Bij het huwelijk zal hij er naar informeeren of zij gewoon is bij al haar huiselijke bezigheden „den naam van Allah te vermelden.” Ik kom daarop terug bij de bespreking van het huwelijk. [37]
[38]

[39]
Werden op de eerste plaat de drieërlei bewoners van het heilige land voorgesteld door enkele typen, verzameld om een bron, onze plaat geeft ons één dier drie groepen afzonderlijk: de woestijnbewoners of bedoeïenen. Ik wees er reeds op dat de naam bedoeïen is afgeleid van het Arabische woord bedw, dat woestijn beteekent, zoodat „woestijnbewoner” eig. de letterlijke vertaling van dit Arabische woord is. Heelemaal juist is de naam niet, ten minste niet voor zoover men bij „woestijn” denkt aan een groote plantenlooze zandvlakte. ’t Is veel eer de ongekultiveerde bodem der groote vlakten, waar de natuur uit zich zelf een meer of minder schralen plantengroei voortbrengt.
Van al de hedendaagsche Oosterlingen hebben zij het best de oude zeden en levenswijze, zooals ons die in het Oude Testament aan het licht komt, bewaard. Gewoonlijk noemt men ze nomaden, een naam die is afgeleid van het Grieksche woord nomas en eig. veehoeders beteekent. Die naam kan echter niet op alle bedoeïenen worden toegepast. [40]De meeste in Palestina levende bedoeïenen doen ook aan akkerbouw, en houden zich doorgaans in één bepaald gedeelte van het land op. Het is onjuist te meenen dat de bedoeïenen heelemaal geen landbezit erkennen, iedere stam beschouwt een bepaald gebied als ’t zijne, en verdedigt dat met hand en tand tegen alle vreemden. Zoo wonen in het Sinaïtisch schiereiland, in de Jordaanvlakte, in de Libanon enz. steeds dezelfde stammen. Sommigen trekken in den winter als trekvogels naar Centraal Arabië, maar komen tegen den zomer geregeld terug op de oude woonplaatsen. Men kan ze het best vergelijken met ooievaars en andere trekvogels, die zeer gehecht zijn aan hun oude verblijf, en alleen verhuizen als ’t hun daar onmogelijk wordt gemaakt. Men vindt dan ook op groote kaarten van Palestina talrijke plaatsen als bedoeïenen-leger aangeduid, wat natuurlijk alleen mogelijk is als ze telkens op dezelfde plaatsen terugkomen. Ze wonen daar—in Palestina—op de grens van het gebied der fellah’s, voor wie ze groote verachting koesteren, en die dikwijls niet weinig van hen te lijden hebben. Menigmaal maken hunne horden strooptochten in de dorpen, en nemen wat van hun gading is. Om voor dergelijke overvallen veilig te zijn, komt het voor dat een fellah-dorp een verbond sluit met zoo’n bedoeïenenstam, waarvan de hoofdinhoud is, dat het dorp aan de bedoeïenen een z.g.n. chuwwe, letterlijk: „broederschap” zal betalen. Zoo’n „broederschap” [41]bestaat in een belasting in den vorm van koren, en is een al te vriendelijke naam voor zulk een afgedwongen gave. Doet de boerenbevolking een beroep op de Turksche regeering ter bescherming tegen de bedoeïenen, dan is menigmaal het middel nog erger dan de kwaal: de afpersing der bevolking door de regeering is vaak nog drukkender dan die door de bedoeïenen.
Ook de verschillende bedoeïenenstammen leven doorloopend met elkander in veeten, en zijn dan ook streng van elkaar gescheiden. Voor ons bewustzijn is een bedoeïen een bedoeïen. In werkelijkheid is er tusschen de verschillende bedoeïenenstammen geen andere dan vijandelijke aanraking. De huwelijken vinden doorgaans plaats binnen den eigen stam, en iedere stam weet precies, of zegt althans precies te weten wie hun eerste voorvader was; ze leiden zich gaarne af van een tijdgenoot van Mohammed of zelfs van diens familieleden. Met zekeren trots noemen ze zich: arab el-arab, Arabier der Arabieren = dé Arabier bij uitnemendheid. Uit het Oude Testament zijn ons bekend de zgn. geslachtslijsten: A is de zoon van B, de zoon van C enz. Dergelijke opsommingen zijn bij de bedoeïenen in hooge eere, zoo zelfs, dat, als iemand een oud verhaal doet, hij de betrouwbaarheid aantoont door aan het begin van zijn verhaal te vertellen langs welke lijn van mannen dat verhaal is voortgeplant tot op den verteller toe. Zijn lijst van „zegsmannen” [42]heet isnâd, ketting. Een betrouwbaar verhaal moet zoo’n isnâd kunnen aanwijzen, vooral wanneer het betreft een gewoonte of daad van Mohammed of een zijner tijdgenooten. Op deze wijze worden nog heden ten dage de verschillende bedoeïenenstammen nauwkeurig uit elkander gehouden. Ieder blijft bij zijn stam, tenzij de wet der bloedwraak—waarover straks—hem noodzaakt naar een anderen stam te vluchten. De twisten tusschen de verschillende stammen onderling vinden natuurlijk dikwijls hun aanleiding in het bezit der waterputten (verg. Gen. 26 : 15), het geleiden van reizigers, het verdeelen van den buit enz.
Wat de waterputten betreft, is het eigenaardig te zien hoe de bedoeïenen zelden hun legerplaats opslaan in de onmiddellijke nabijheid van water; zoodat hunne vrouwen soms ver moeten loopen met hare kannen en waterzakken om water te halen. De oorzaak schijnt hierin te liggen dat de plaatsen in de nabijheid van water meestal te laag gelegen zijn, en of door de drassigheid van den bodem of door plotselinge stortvloeden, gevaarlijk kunnen worden. Ondanks dat ze die plaatsen vermijden, gebeurt het nog menigmaal dat door onverwacht losbrekende onweders hun tenten tegen den grond worden geslagen, en zijzelf zich haastig moeten bergen.
Op den achtergrond der plaat zien we zoo’n bedoeïenentent, waarvan de vorm maar flauw zichtbaar is, en over [43]welks vorm en bouw wij in het bijschrift der volgende plaat nadere bizonderheden zullen vernemen.
Zulke tenten, doorgaans van zwart geitenhaar gemaakt, zijn volkomen ondoordringbaar voor den regen. Nog heden ten dage is het beroep tentenmaker, dat ook Paulus uitoefende, tamelijk winstgevend. Behalve tenten, dienen ook dikwijls de tallooze in Palestina voorkomende grotten tot woonplaats, of deze worden gebruikt als schuilplaats voor de kudde, terwijl de eigenaars in de nabijheid hunne tenten opslaan. Sommige dier holen dienen bovendien als zgn. Chan = een algemeene herberg, waar ieder reiziger onderkomen vinden kan. Het schijnt dat Maria en Jozef, naar Bethlehem gekomen voor de volkstelling, in zulk een grot voor het vee hebben overnacht, tenminste de Evangelie-verhalen doen aan zulk een gelegenheid denken. Dat men het overigens in Palestina niet zoo erg vindt, met het vee onder een dak of zelfs in een vertrek te slapen, zal ons blijken als we spreken over het inwendige van een fellahwoning. Justinus Martyr—we weten niet uit welke bron hij zijne gegevens putte—deelt uitdrukkelijk mee dat Jezus in zulk een grot geboren is.
Door vergelijking van plaat 1 en 2 zien we dat de bedoeïen zoowel het paard als het kameel als rijdier benut. Het kameel, met zijn lompe houding, zijn domme oogen, zijn slecht humeur, is onmisbaar voor den bedoeïen, en dient [44]dan ook als rijdier van den Nijl af tot den Euphraat toe. In zijn geduld en uithoudingsvermogen heeft de kameel eigenschappen die hem als woestijndier een voorsprong geven boven elk ander. De zwaarste last draagt hij dagen lang door onbegaanbare oorden, zonder water, met geen ander voedsel dan de dorre planten der wildernis. Zijn haar dient voor kleeding en tentdoek, zijn huid voor schoenen, zijn melk voor drank, en als het dier sterft in de woestijn op de lange tochten, dan wijzen de door de zon gebleekte beenderen langs den weg aan latere woestijnreizigers den weg der karavanen. Palgrave noemt domheid, onverschilligheid en wraakzucht de meest karakteristieke eigenschappen van den kameel. Hij vertelt o.a. hoe een kameel, die door een jongen was geslagen, een paar dagen later den knaap greep, ophief, tegen den grond smakte dat zijn schedel spleet, en de hersenen in het zand lagen, en toen alsof er niets gebeurd was, kalm zijn weg vervolgde. Maar de bedoeïen is dol op zijn kameel, kust hem op de lippen, klopt hem op den hals, noemt hem zijn lieveling, zijn schat, en de naam „kameel” tegen een jong meisje, beteekent een zeer gewaardeerde vriendelijkheid. Een Arabisch spreekwoord zegt dat een goede vrouw, een Marokkaansch zwaard en een kameel een mensch gelukkig maken. Overigens is volgens Ebers, de faam omtrent het dagenlange uithouden der dieren, zonder water, sterk overdreven. Wanneer b.v. verteld wordt, [45]dat een kameel het 25 dagen zonder water uithoudt, dan is dat volgens verschillende reizigers beslist onwaar: reeds na den 4en dag begint het dier teekenen van uitputting te vertoonen, wat trouwens in die heete luchtstreek niet te verwonderen is; geen ander dier houdt het zoolang uit zonder water. Ook het slachten van kameelen om zich met het in hun maag bevindende water het leven te redden, schijnt tot het rijk der legenden te behooren. Maar ook zonder dergelijke kwestieuze eigenschappen, zal voorloopig geen ander dier in staat zijn den kameel uit de goede reputatie te verdringen, waarop hij al zooveel eeuwen rechtmatig trotsch kan zijn, en misschien ook wel is. Omtrent hun snelle en langdurige marschen is maar één roep. In Cairo worden van tijd tot tijd kameelenwedstrijden gehouden. Ebers woonde er een bij, waarvan hij verklaart dat een ruiter op een flink paard het ongeveer tien minuten tegen een kameel uithouden kan, maar als het paard aemechtig neervalt, draaft de kameel door als kwam hij pas „van stal”. Wat dat voor de bedoeïenen, deze kinderen der woestijn, waard is, behoeft niet gezegd te worden.
Overigens bedienen ze zich, zooals onze plaat doet zien, ook van paarden. Echte Arabische raspaarden hebben eigenschappen die hen bizonder geschikt maken voor hun doel. Hun snelheid, schranderheid en trouw zijn ongeëvenaard. Ze kunnen klauteren als een steenbok, langs bijna onbegaanbare [46]bergpaden voeren ze den reiziger waar hij te voet haast niet zou kunnen komen, zoodat de reiziger, die goed vast in den zadel zit, er zich veiliger voelt dan op zijn eigen voeten. De lenigheid en vlugheid dezer dieren ligt voor een goed deel aan hun kleinen en lichten lichaamsbouw. Op deze behendige dieren gezeten, met hun lange lansen gewapend, vallen ze een naburigen stam aan, en voordat hulp opdaagt, zijn ze op hun snelle rossen al weer uit het gezicht. Zulke strooptochten vullen een goed deel van het bedoeïenenleven, natuurlijk het meest van die stammen die in de eigenlijke woestijn leven, ten Oosten van Palestina. Uit de wijze waarop de bedoeïenenvrouw haar kinderen pleegt te dragen, (zie de plaat), begrijpt men hoe jong en hoe vaardig de jeugd reeds leert paardrijden.
Behalve de lans, draagt de bedoeïen gewoonlijk een kromme sabel, zooals op plaat 1 blijkt. Bovendien is tegenwoordig het geweer en de revolver een geliefkoosd wapen. Boog, spies en schild zijn daardoor in onbruik geraakt. Wel zijn nog in gebruik de dolk en de slinger. De geweren der bedoeïenen zijn overigens meest niet van de beste soort: bijna altijd oud model, vóórladers, vaak half of heel onbruikbaar, wapens waar men wel bij ongeluk mee raak kan schieten, maar die meestal het doel missen. Dat ze van de nieuwe vuurwapenen zoo slecht voorzien zijn, is het gevolg van opzettelijke maatregelen der Turksche regeering, die er [47]stelselmatig voor zorgt dat dit soort menschen zooveel mogelijk minderwaardige wapenen worden verkocht. Ook door allerlei maatregelen heeft de Turksche regeering het gedaan gekregen, dat niet alleen het Westjordaanland, maar ook het Overjordaansche, tegenwoordig even veilig bereisd kan worden als de kultuurstaten van Europa. Dit voordeel is goeddeels ook hierdoor verkregen dat de bedoeïenen die, zooals bij vele stammen in Palestina het geval is, neiging hebben om den akkerbouw ter hand te nemen en het nomadische leven te verlaten, daarbij door de regeering krachtig geholpen worden. Meestal zijn zulke bedoeïenen-horden echter eerst bijna tot den rang van gewone zigeuner-troepen afgezakt, die zich voor een deel onledig houden met het geleiden van reizigers, wat dikwijls aanleiding geeft tot hevige ruzietooneelen, want, hoewel naar men zegt, het aldus verdiende geld geregeld aan den stam wordt afgedragen en als gemeenschappelijk bezit beschouwd, vechten ze er om wie den reiziger geleiden zal. Met dat afdragen van het verdiende geld schijnt het dus niet al te nauw te worden genomen.
Ik sprak boven van hun rooftochten. Merkwaardig is daarbij dat zij zelden of nooit het leven van hun slachtoffers aantasten. Ze berooven hem van alles wat bruikbaar is, maar dooden hem niet. Dat gebruik vindt ongetwijfeld goeddeels zijn oorzaak in de wet der bloedwraak, een wet die [48]ons hard toelijkt, maar die inderdaad bij alle volken, die nog niet in geregeld staatsverband leven, op heilzame wijze het leven van de individu beschermt. Vooral ook wordt daardoor het samenleven der leden van één stam mogelijk. Wanneer een bedoeïen een stamgenoot doodt, dan stormt de bloedwreker naar de tent van den moordenaar, verwoest ze, en rooft zijne kudden. Volgens het gewoonterecht—het eenige recht der bedoeïenen—mag hij gedurende drie dagen nemen wat hij wil, zonder dat dit bij de latere afrekening ter sprake komen mag. Deze eerste drie dagen heeten de „bloedwoede”. Wat ná dien tijd geroofd wordt, komt bij de afrekening in mindering. Curtiss vertelt een mooi verhaal van zulk een bloedwraak, waarbij tevens de macht der gastvrijheid blijkt. Iemand had een ander gedood en was gevlucht. Zijn huis werd verwoest, zijn vee geroofd. De zonen van den vermoorde zochten jaren lang naar den moordenaar om hem te dooden, waartoe zij wettelijk het recht hebben. Op een nacht vervoegt zich de moordenaar bij den zoon van den vermoorde en zegt: ik kan het leven van een vogelvrijverklaarde niet langer dragen; hier ben ik, doe met mij wat gij wilt! De ander antwoordde: nu gij hier in mijn tent zijt, zijt gij veilig. Maar de vrouw van den vermoorde kon den moordenaar niet vergeven, en eischte van hare zonen zijn dood. Deze bleven weigeren, omdat hij in hún tent om gastvrijheid was gevlucht. Ze spraken tot [49]den moordenaar: wij willen u niet dooden, maar daar onze moeder den moord niet vergeten kan, ga weg uit onzen stam, wij zullen u niet meer vervolgen.—Zulk een moordenaar vlucht meestal naar een nabijzijnden sterkeren stam, die hem dan beschermt, krachtens de wet der gastvrijheid, maar hij is verplicht bij de eerste de beste gelegenheid de vlucht voort te zetten, totdat hij geheel buiten bereik zijner vervolgers is. Ook gebeurt het dat de stam waarheen hij gevlucht is, en die hem dus beschermen moet, in onderhandeling treedt met de stam des vermoorden over het zoengeld, en de bloedschuld afkoopt. Op een en ander kom ik nader terug.
Het recht der gastvrijheid gaat dus boven alles, en wordt zelfs tegenover vijanden streng in acht genomen. Het verhaal van Lot in Gen. 19, die zelfs de eer zijner dochters prijs gaf om die zijner gasten te redden, evenals het in Richt. 19 : 24–26 meegedeelde, is in dit opzicht karakteristiek.
Het gebeurde eens in een zeer droog jaar, toen in de meeste bedoeïenententen het gebrek groot was, dat een bedoeïen zijn buren, zijne benijders, recht op zijn tent zag afkomen. Deze, meenende, dat hij geen eten meer in huis zou hebben, kwamen opzettelijk zich als gasten aanmelden, om zich te vermaken met zijne verlegenheid, waarin hij moest komen, doordat het gastrecht eischte, dat hij hen onthaalde, en zijn gebrek aan het noodige het hem onmogelijk maken zou. [50]Met schrik wendde hij zich tot zijn vrouw of die misschien een weg wist om zijne eer te redden, opdat hij niet zou behoeven te zeggen: ik kan u niets voorzetten. Deze, een echte bedoeïenenvrouw, die als de weduwe van Zarfat bijna niets meer in huis had, nam wàt ze had, zonder te vragen of er voor haar en haar gezin morgen nog wel te eten zou zijn, bereidde een rijkelijk maal, zette de gasten de goedgevulde schotels voor en zei: „slaat uwe mouwen hoog op”, d.w.z. tast maar flink toe! Toen trad de bedoeïen, stralend van blijdschap toe, en kuste zijn vrouw ten aanschouwe der vreemdelingen. Deze, wel wetende wat een ongehoorde daad dat onder de bedoeïenen is, zeiden verbaasd: wat mankeert u toch, dat ge uw vrouw in het openbaar kust? Wel, zeide hij, zou ik ’t niet doen? Gij wildet mij in verlegenheid brengen, zij heeft mijne eer gered, door u een feestmaal aan te richten. Uit zoo’n verhaal blijkt dat de weduwe van Zarfat volgde de gewoonten van het land, toen zij den profeet van het weinige dat zij bezat, onthaalde.
Wat hun godsdienst betreft, zijn ze wel allen Mohammedanen, maar ze laten zich met godsdienst zeer weinig in. Weinige bedoeïenen weten hoe een Mohammedaan bidden moet. Met roof en heen en weer trekken hebben ze het veel te druk om zich met religieuze vragen in te laten. Hun praktische godsdienst is eigenlijk niet anders dan bijgeloof: vrees voor booze geesten (dsjinns), en heiligenvereering. [51]Op tal van plaatsen in Palestina en daarbuiten vinden wij graven van heiligen, waarheen men trekt om een gelofte te doen of om onheilen af te wenden. Ze zullen b.v. gerust een meineed zweren onder aanroeping van den naam Gods, omdat ze meenen dat Allah dat toch niet straft, maar een meineed onder aanroeping van den naam van een heilige of bij diens graf, is hoogst gevaarlijk, want de heilige zal dat zeker straffen. Ze worden dus van het kwade minder afgehouden, omdat het kwaad is, maar om de gevreesde gevolgen. Hun lichtzinnige opvatting van werkelijken godsdienst wordt o.a. getypeerd door het antwoord dat een jonge bedoeïen gaf op de vraag, hoe hij na zulk een roekeloos leven voor Gods rechterstoel durfde verschijnen? Hij antwoordde: Wel we gaan dan naar God, en begroeten hem, en als hij gastvrij is, en ons vleesch en tabak geeft, dan blijven wij bij hem, anders bestijgen we onze paarden en rijden weg. De verteller, die herhaaldelijk onder bedoeïenen reisde, noemt dit antwoord karakteristiek voor de voorstellingen der bedoeïenen omtrent de onzichtbare wereld. Hun heiligengeloof echter heeft sociale beteekenis. De graven der heiligen, tevens hunne heiligdommen, is een heilige plaats, en dus een veilige plaats, een asyl. Palestina is met zulke „heiligdommen” overdekt, die niet alleen door bedoeïenen, maar ook door fellahs en zelfs door Christenen worden bezocht. Vooral de heiligdommen aan Elia, David, Ali, Abraham gewijd, [52]zijn beroemd. Men kan het zoo’n heiligdom aanzien, dat het druk bezocht wordt: allerlei meer of minder waardelooze voorwerpen leggen getuigenis af van de daar gedane geloften. Men noemt dat een nizr ez-ziara: een gelofte bij het bezoek aan een heiligdom. Zoo’n bezoek is dikwijls een heele optocht van de gansche familie in feestkleedij. Betreft de gelofte het verlangen naar een zoon, dan is b.v. de formule: o mijn Heer, ik heb een gelofte op mij genomen, ik kom om u te bezoeken; als gij ons een zoon schenkt, dan breng ik een offerdier en een zak rijst. Binnen den tot zoo’n heiligdom behoorenden kring legt men gereedschap of koren neer dat men bewaren wil: niemand denkt er aan, het te rooven. Onder de hoede van den heilige is het veilig. Geen bedoeïen zal er aan denken, zelfs op zijn rooftochten om ook maar iets zich toe te eigenen van wat een ander onder de hoede van een of anderen heilige heeft gesteld. Aan zulke heiligen pleegt men ook zijne geloften te doen. Kinderlooze vrouwen beloven geschenken aan den heilige, wanneer hij haar een kind schenkt. ’t Is zelfs voorgekomen dat iemand aan een heilige beloofde om, wanneer hij een zoon kreeg, diens gewicht in zilvergeld aan den heilige te zullen betalen, welke belofte, toen hem inderdaad een zoon geboren werd, trouw werd nagekomen. Ook voor het goed gedijen van het vee, voor het afwenden van ziekte, voor ’t goed volbrengen van een reis, tegen overval door vijandige [53]stammen, kortom, in alle gevallen van nood kunnen zulke geloften die we ook uit het Oude Testament wel kennen, worden gebracht. Men denke slechts aan de gelofte van Jeptha. Alleen: men brengt ze niet aan God maar aan den heilige.
Bij de volgende plaat zullen we gelegenheid hebben meer te vernemen van hun dagelijksch doen en laten. [55]
[56]

[57]
De bedoeïenentent, door de bewoners zelf wel eens „haren huis” genoemd, is gemaakt uit een zeer sterk weefsel van geiten- of kameelenhaar en doorgaans zwart of donkerbruin gekleurd. Dit tentdoek is geheel waterdicht, en bovendien een uitstekende bedekking voor de heete stralen der oostersche zon, daar ’t niets doorlaat. Zulke tenten zijn dus veel beter beschermers dan de witte linnen tenten, door Europeesche reizigers gebruikt. Een bedoeïenentent heeft den vorm van een parallelogram, terwijl de lengte meestal varieert tusschen 4 tot 15 meter. Meestal rust zoo’n tent op een negental palen, in groepen van drie bij elkaar geplaatst, welk getal natuurlijk grooter is, bij een tent van groote lengte. Over die palen heen wordt de haren tentdoek gespannen door middel van sterke koorden, die aan pinnen vastgemaakt worden, waardoor het geheel zoo stevig komt te staan, dat zelfs vrij hevige rukwinden er geen vat op hebben. De vorm van zoo’n tent is als ’t dak van een huis: daar de middelste stang gewoonlijk wat langer is dan de [58]andere, loopt het tentdak naar weerszijden schuin af, en geeft het regenwater gelegenheid tot wegvloeien. Aan de voorzijde blijft een opening van ongeveer een manshoogte. Door dien vorm van het tentdak wordt de hemel vergeleken bij een uitgespannen tent, Jes. 40 : 22. Een bedoeïenendorp bestaat uit gemiddeld een dertigtal van zulke tenten, soms meer, soms minder naar gelang van de grootte van den stam. Deze tenten staan niet maar wild door elkaar maar in bepaalde orde, vierhoekig, driehoekig of ook hoefijzervormig, terwijl dan de „deur der tent” naar de binnenzijde van den kring is gekeerd. Zoo’n groep groezelig zwarte tenten maakt in de verte een indruk waarop reeds de dichter van ’t Hooglied (1 : 5) zinspeelt.
Talloos zijn de bijbelsche beelden, ontleend aan het leven in tenten. Uit de aartsvadergeschiedenissen weten wij trouwens dat ook zij reeds in tenten leefden, en menig liefelijk tooneel staat ons uit het Oude Testament voor den geest. Wie denkt niet aan de vriendelijke ontvangst door Abraham den drie vreemdelingen bereid? Maar ook in later tijd, toen Israël vaste woonplaatsen had, bleven tal van uitdrukkingen in de taal de herinnering aan dien ouden tijd bewaren, toen Israël nog in tenten woonde. Als in Rehabeams tijd het volk van dezen koning geen verlichting van lasten verkrijgen kan, breken ze met hem onder den uitroep: wat deel hebben wij aan David? ja geen erve hebben wij aan [59]den zoon van Isaï, naar uwe tenten, o Israël! (1 Kon. 12 : 16). Het is duidelijk dat Israël toen sinds lang niet meer in tenten woonde. Maar de uitdrukking „tent” voor „huis” was gebleven. Tal van bijbelplaatsen krijgen op deze wijze duidelijke belichting. Zoo wordt in Jes. 22 : 23 de tentpinnen, die met een hamer in den grond werden gedreven—op onze plaat is op den voorgrond zulk een hamer en tentpinnen zichtbaar—als beeld gebruikt voor vastigheid en zekerheid. Daar wordt nl. omtrent den koning van Israël gezegd: ik zal hem als een tentpin (jated) inslaan in een vaste plaats. In Jes. 33 : 20 wordt Jeruzalem genoemd: een tent die niet zal ternedergeworpen worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet zullen worden uitgerukt, en van welker touwen er geen verscheurd zal worden. En Jer. 10 : 20 is de klacht van een verlatene: mijne tent is verstoord, en al mijne zeelen zijn verscheurd.… er is niemand meer die mijne tent uitspant, en mijne gordijnen opricht. Bij dergelijke uitdrukkingen wordt niet aan eigenlijke tenten gedacht: de uitdrukking is geheel beeldsprakig; de koorden der tent is de „levensdraad”, die wordt afgesneden enz. Zeer duidelijk is dat ook Jes. 54 : 2: maak de plaats uwer tent wijd.… maak uwe koorden lang en steek uwe pinnen vast in. Daarmee wordt aangeduid de Messiaansche tijd, als Israël zal „zeker wonen”. Ezra gebruikt hetzelfde beeld bij den terugkeer der ballingen naar Jeruzalem, als hij zegt dat [60]de Heer heeft gegeven een tentpin in zijne heilige plaats, d.w.z. een plaats om te wonen. De in de Statenvertaling volkomen onverstaanbare tekst van Job 4 : 21 wordt duidelijk als wij weten dat er zal moeten gelezen worden: wordt hunne tentpin uitgetrokken, dan sterven zij, zonder dat zij weten, hoe.
In den regel is een bedoeïenentent door het spannen van een doek in tweeën verdeeld: een mannen- en een vrouwenafdeeling. Op onze plaat is die „scheidingsmuur” duidelijk te zien. Alleen de rijke stamhoofden hebben soms voor hunne vrouwen aparte tenten. Zoo wordt Gen. 24 : 67 van Sara’s tent, en Gen. 31 : 33 van Lea’s tent als van een afzonderlijke tent gesproken. Maar de gewone bedoeïen heeft één tent, in tweeën gedeeld. De mannentent is in den regel rechts, de vrouwentent links, en deze laatste is, in onderscheiding van die der mannen, vaak aan den voorkant dicht, zoodat niemand in het vrouwenverblijf kan zien. Het inwendige der tent is zeer eenvoudig, maar naar gelang van den welstand van den eigenaar weet men ze van allerlei te voorzien. Soms liggen er stroomatten op den grond, soms een soort van karpet, of kussens. Als stoel wordt of de grond gebruikt of ’t kameelzadel, waarover men een deken werpt. Voor tafel dient meestal een stroomat, of een stuk dierenhuid. Sommige stammen vormen een soort tafel door een metalen plaat op een onderstel te leggen. Een gat in [61]den grond in de mannenafdeeling of een vierkante ruimte door een stuk of wat steenen gevormd, dienen voor vuurhaard. Zakken, uit dierenhuiden in elkaar genaaid, dienen tot het bewaren van vloeistoffen als water en melk. De „melkflesch” van Jaël, waarvan Richt. 4 : 19 spreekt, is zulk een lederen zak. Verder de handmolen tot het malen van koren, een paar pannen en een paar schotels—dat is alles wat een gewone bedoeïenentent bevat. Behalve het karpet en de kussens, die de „heeren der schepping” voor zich zelf wel makkelijk vinden, wordt alles in de vrouwenafdeeling, die tevens als rommelkamer dient, onder dak gebracht, en voor den dag gehaald als men ze noodig heeft. Uit een oogpunt van westersche galanterie tegenover de vrouwen valt op een en ander nog wel wat aan te merken. Als Gen. 31 : 34 Rachel op een kameelzadel zit in hare tent, hebben wij ons dus waarschijnlijk niet voor te stellen dat dit meubelstuk voor haar gerief in hare afdeeling is geplaatst, maar om de bovengemelde reden. De mannenafdeeling is meteen de ontvangkamer. In de vrouwenafdeeling worden vreemdelingen nooit toegelaten, maar de vrouwen—mogelijk zijn de bedoeïenenvrouwen met nòg minder recht dan de westersche dames van de hebbelijkheid, nieuwsgierig te zijn, te betichten—kunnen natuurlijk alles hooren, daar hun afdeeling enkel door het straks genoemde gespannen doek van die der mannen gescheiden is. De [62]bedoeïenenvrouw op onze plaat schijnt aan het hooren niet eens genoeg te hebben, met vrouwelijke handigheid heeft ze zich misschien wel staande op het kameelzadel, zoo hoog weten op te werken, dat ze over den „muur” kan heenzien, en deelnemen aan het gesprek der beide mannen. Ook van Sara lezen wij, Gen. 18 : 9–15, dat zij van uit haar tent hoorde wat de engel tot Abraham zeide, hoewel zij zelf zich schuil hield. Die vrouwenafdeeling heet de harîm, waarover later nog zal gehandeld worden. Hoewel bedoeïenenvrouwen wel den hoofdsluier, maar niet den aangezichtssluier dragen, zijn ze evengoed als elke andere oostersche vrouw harîme d.i. onaantastbaar, en van den omgang met vreemde mannen afgesloten. Het spreekt van zelf dat op het land, dus bij de fellah’s en bedoeïenen die afsluiting niet zoo hermetisch zijn kan als in de stad, waar de vrouw niet uitgaat, dan na zich zoo te hebben ingehuld, dat ze op een wandelende schim gelijkt, terwijl van haar aangezicht of handen geen stipje te zien is. We zien dat vrijere in den omgang bij fellahs en bedoeïenen b.v., wat de eerste betreft, uit Joh. 4, het gesprek van Jezus met de Samaritaansche vrouw, want, hoewel de discipelen zich verwonderen „dat hij met een vrouw sprak” is de mogelijkheid van het alleen spreken met een fellah-vrouw dus niet uitgesloten. Wat de bedoeïenen betreft, wijs ik op de bekende geschiedenis uit Richt. 4: Jaël en Sisera. James Neil, aan wiens boek onze [63]plaat is ontleend, houdt naar aanleiding daarvan een zonderlinge redeneering. Hij zegt dat het dooden van Sisera door Jaël een der grootste moeielijkheden was van de studie van het Oude Testament, welke moeilijkheid hij nu wegruimen wil. Met die moeilijkheid bedoelt hij dit, dat, waar, zooals we boven zagen, een die zijn toevlucht zoekt in een tent der bedoeïenen, daar veilig is en bescherming vindt, en dit gastrecht allen bedoeïenen heilig is, Jaël zich niet ontziet hem die bij haar schuilplaats zoekt, verraderlijk te dooden. Uit het oogpunt der oostersche gastvrijheid is dat de verraderlijkste daad die een bedoeïen zou kunnen doen, en Neil voelt zich bezwaard, zulk een verraderlijke en lage daad aan Jaël toe te schrijven, en beredeneert nu het gebeurde aldus: Sisera, zoekende schuilplaats in Hebers tent, vlucht de vrouwenafdeeling binnen, daar de mannenafdeeling, als zijnde van voren open, geen voldoende schuilplaats, bood. Maar het doordringen van een man in de vrouwenafdeeling is een met den dood strafbare misdaad, en zoodra Jaëls man thuis kwam, zou hij onmiddellijk den vreemden indringer tegen den grond hebben geslagen, en Jaël zelf zou haar rechtvaardige straf niet hebben ontgaan. Daarom doodt zij den vreemden indringer en redt daardoor tevens haar eigen eer en leven. Het valt aanstonds op, hoe gewrongen en onnatuurlijk die opvatting is. Jaël komt immers den vluchtenden man tegemoet buiten de tent, en noodigt hem binnen, onthaalt [64]hem als gast, verleent hem gastvrijheid en als hij niets kwaads vermoedende, zich neerlegt, slaat ze hem verraderlijk een tentpin door het hoofd. We behoeven ons niet in allerlei bochten te wringen om Jaël van verraad vrij te praten: haar daad was gemeen, verraderlijk, was al mee het ergste wat een bedoeïenenvrouw kon doen, maar niettemin werd Israël er door van een gevaarlijken vijand verlost. ’t Is ’t zelfde als wanneer Jozefs broeders hem als slaaf verkoopen, en dat het middel wordt „om een groot volk in het leven te behouden,” omdat God uit het kwade het goede deed voortkomen, maar daardoor wordt het kwade zelf nog niet goed.
Meest alle bedoeïenen hebben slechts ééne vrouw. De Mohammedaansche wet laat overigens de polygamie in zooverre toe, dat één man vier vrouwen mag hebben, maar dat komt in de praktijk heel zelden voor, omdat het veel te kostbaar is. Maar deze eene vrouw wordt alleen als moeder geëerd; overigens is zij in elk opzicht de slavin van den man, ze eet niet samen met den man, maar afzonderlijk, mengt zich niet in zijn zaken, zelfs niet in zijn gesprekken, en gehoorzaamt hem als haar heer. Is zij kinderloos, dan is haar positie nòg onaangenamer. Onder geen voorwaarde mag een vreemdeling den bedoeïen naar den welstand zijner vrouw vragen: dat geldt als hoogst ongepast. De eenige taak der vrouw is: kinderen voort te brengen, [65]liefst zonen, ander nut heeft ze niet. Ongehuwde vrouwen komen dan ook niet voor. Heeft een bedoeïenenvrouw zich aan overspel schuldig gemaakt, dan wordt ze, meestal door hare naaste verwanten, wreedaardig vermoord. Doen deze dat niet, dan wordt de heele stam onteerd, en zouden de meisjes uit dien stam niet eens meer een eervol huwelijk kunnen aangaan. Men kan dat wreedaardig vinden, maar het getuigt toch van een hoogere zedelijke opvatting van het huwelijk dan tegenwoordig in sommige „beschaafde” kringen ten onzent gangbaar is, waar op zedelijk gebied ongeveer alles geoorloofd schijnt.
Op onze plaat zien we de beide mannen liggen rondom een vuur in het midden der mannenafdeeling, terwijl boven het vuur op een geïmproviseerde drievoet een pot hangt. Het hoofdvoedsel is brood en melk, vleesch eten ze zelden; komt onverwacht een gast, dan wordt snel een schaap of geit van de kudde gehaald en een vleeschmaaltijd gereed gemaakt (Gen. 18 : 7). Ook is soep een geliefkoosd eten, waarvoor de meest verschillende „groenten” moeten dienst doen. „Alle planten zijn eetbaar”, zou eens een bedoeïen hebben gezegd. Daar de bedoeïen bijna uitsluitend op de veeteelt is aangewezen, en de van het vee verkregen producten niet alleen sterk afhankelijk zijn van de aanwezigheid van goede weide, en deze weer van de hoeveelheid regen, maar ook zeer sterk wisselen volgens den tijd van het jaar, [66]kent de bedoeïen naast tijden van overvloed—de tijd dat de kameelen „nieuwmelkt” geworden zijn, niet minder zijn tijden van gebrek, ja van honger. Gedurende een langen tijd van het jaar moet hij zich met zeer schrale kost vergenoegen; gedroogde kaas, dadels, en alleen als hij dicht bij het kultuurland leeft, kan hij zich brood verschaffen.
De Schrift spreekt nog van een ander soort voedsel o.a. door Johannes den Dooper gegeten: de sprinkhaan. Deze zijn in en om Palestina zeer talrijk, men telt wel een 40 soorten. Vooral die soorten, die als trekvogels van de eene plaats naar de andere vliegen en grenzeloos vraatzuchtig zijn, zijn om hun verwoestende gevolgen gevreesd. Waar ze zich neerlaten, blijft niets over. Als een vijandelijk leger—zie de mooie beschrijving bij Joël 2 : 2–11—laten ze zich neer in zwermen die den hemel zelfs verduisteren. Sommige soorten van deze sprinkhanen zijn eetbaar, men zegt dat ze aan garnalen doen denken, maar zijn minder smakelijk. Ook worden ze in zakken verzameld, de vleugels worden uitgetrokken, de ingewanden uitgehaald, dan worden ze op het dak gelegd om te drogen, ingezouten en dikwijls fijngemalen en tot brood gebakken. Maar we moeten het er voor houden, dat het toch altijd een brood der armoede is, al wordt het om zijn goeden smaak geprezen. In elk geval wordt Matth. 3 : 4 het eten van sprinkhanen en wilden honig door Johannes den Dooper, meegedeeld als bewijs [67]voor zijn sobere levenswijze. Ook het manna dient nog heden ten dage als voedsel. Het is een product van een soort tamariskenstruiken. Een insect steekt een kleine opening in den bast van den boom, dan vloeit er een soort hars uit, dat, aan de buitenlucht blootgesteld, verstijft, en kleine korrels vormt, die worden opgezameld en gegeten. Alleen als er voldoende regen valt, is op een mannaoogst te rekenen. Ook kwakkelen zijn nog heden ten dage een gewild voedsel, en verschillende reizigers verzekeren dat ze daarvan een inderdaad smakelijk maal weten te maken.
De voornaamste drank is natuurlijk water, maar de bedoeïen is dol op koffie, en een „kopje koffie” is wel het eerste waarmee ze een aangekomen gast eeren. Eerst worden de boonen in een pan geroosterd, dan in een door jarenlang gebruik en vuilheid groezelig-viezen houten bak fijngestooten, welke bezigheid in een bepaalden rythmus en met een begeleidend neurie-wijsje wordt volbracht, dan wordt het grove meel in een kan gekookt, zoo dat de koffie als een drabbig vocht wordt ingeschonken, een soort dunne brij. Er schijnt geen beter middel om den dorst te verslaan.
De bedoeïen houdt verder bizonder veel van rooken. Iedere bedoeïen heeft zijn pijp, en rooken, koffiedrinken en vertellen breekt de eentonigheid van het leven dezer kinderen der woestijn. [68]
In een der reisbeschrijvingen vond ik een vergelijking tusschen het leven in de woestijn en het rondtrekken van Israël in diezelfde streken. De schrijver zegt: „Hoe dikwijls zeide ik niet tot mij zelf: Ziedaar Israël! Als men den armen Sheik, die thans in schamele kleeding ons met zijn twee kameelen begeleidde, schapen en runderen en kameelen, dienstknechten en dienstmaagden had gegeven, waarom zou hij er dan niet uitgezien hebben, zooals Abraham in zijn tijd? Zouden Izaäk en Ismaël niet juist zoo getwist hebben als die twee kloeke bedoeïenen-jongens het thans voor onze tent deden? Van Abraham af komen over het algemeen in de woestijn de bijbelsche verhalen ons natuurlijker en begrijpelijker voor dan de vroegere, waarmee wij minder vertrouwd zijn. De harem-geschillen van den grooten Sheik Ibrahim, zooals Abraham ook thans nog wel genoemd wordt, en van Jakob, zijn zeer gemakkelijk te verklaren in dit land, en onder dit volk. Het wonderschoone verhaal van de ontmoeting tusschen Izaäk en Rebekka ademt niet alleen een echt morgenlandschen geest, maar die gewoonte komt ons ook gemeenzaam en vanzelfsprekend voor in deze omgeving. Op de raadselachtige geschiedenis van de besnijdenis van Mozes valt, als men die in verband met een oud-Arabische opvatting beschouwt, een nieuw licht. Of wanneer de bedoeïenen, als wij hun van ons geconserveerd vleesch wilden geven, voordat ze er van durfden eten, eerst angstvallig [69]vraagden of daar geen chansir, varkensvleesch, bij was, dan werd men vanzelf herinnerd aan het Israëlietische gebod, betreffende de reine en onreine dieren.”
In het bovenstaand bijschrift is ons, hoewel wij die vergelijking niet trokken, ieder oogenblik de juistheid dezer woorden gebleken. [71]
[72]

[73]
Aangelegde weiden, zooals wij die kennen, bestaan in het Oosten niet. Men zaait geen graszaad om opzettelijk weiland te krijgen, en men zamelt geen hooi in tot voeder voor het vee des winters. Waar wij hooi gebruiken, neemt de Oosterling gekneusd stroo, dat onder de dorschslede zacht geworden is. Men noemt dit stroo teben precies als in Salomo’s dagen, 1 Kon. 4 : 28, waar wij lezen dat des konings beambten koren en teben verzamelen voor de paarden. Wanneer er dus sprake is van „grasrijke weiden”, dan hebben wij daarbij aan iets anders dan onze toestanden te denken. De „weiden” waarop men het vee, vooral schapen drijft om voedsel te zoeken, zijn hoofdzakelijk van tweeërlei aard. Allereerst de achtergrond rondom ieder dorp die gedurende eenige maanden van het jaar door het vee mag betreden worden. Maar dit land wordt niet bedoeld als de bijbel van „weiden” spreekt. Dan worden bedoeld de groote eenzame heuvelachtige steppe, midbar, welk woord in den bijbel meestal door „woestijn” is vertaald, maar dat toch niet [74]uitdrukt, wat wij onder „woestijn” plegen te verstaan. Uit Gen. 37 : 22 zien wij dat Jozefs broeders de schapen weiden in de midbar, eveneens 1 Sam. 17 : 28. In Palestina is natuurlijk geen woestijn in den zin dien wij aan dat woord hechten, maar van een midbar is herhaaldelijk sprake. Op de meeste plaatsen zouden wij het dan ook beter kunnen vertalen door „steppe”. ’t Zijn de groote vlakten, zooals in Palestina veelvuldig voorkomen en die gedurende het droge heete jaargetijde dor en doodsch liggen, enkel bedekt met wat stekelige distelsoorten en hard taai gras en houtachtige planten, maar die in den regentijd plotseling een heel ander aanzien vertoonen. Dan breekt als door een wonder een weelderige plantengroei los: uitgestrekte grasweiden, bezaaid met veelkleurige bloemen, waaronder de purperroode anemone, geven het land een feestelijk aanzien. Deze anemone is waarschijnlijk wel de „lelie des velds”, waarvan Jezus zeide (in Matth. 6 : 28 vv.) dat zij schooner bekleed is dan Salomo was. Er is overigens geen onbelangrijk verschil in plantengroei tusschen de hooger gelegen steppen en de lagere vlakten met moerasachtigen bodem. Vroeg in het voorjaar begint deze gelukkige tijd. Dan werpen de kudden, en vloeit de melk rijkelijk. De Mohammedaan spot dan met de Christenen die, wegens den vastentijd, dan juist geen melk mogen nuttigen: „De melk van Maart is aan de ongeloovigen verboden.” [75]
De kleine man, die maar enkele schapen of geiten houden kan, laat ze grazen in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis, en drijft ze ’s avonds terug naar den stal. De grootere kuddenbezitter laat ze door herders verder weg voeren, waar ze jaar in jaar uit leven in het vrije veld, ’s winters meer in de warmere dalen der wadi’s en valleien, voor zoover deze nl. nog niet voor den landbouw in gebruik zijn genomen, ’s zomers gaan ze naar meer bergachtige streken, waar de gesteldheid van den bodem het eetbare groen langer handhaaft, en waar bovendien allerlei struikgewas groeit, waarvan de bladeren en kleinere takjes het weidend vee tot voedsel dienen zoodra het gebrek aan gras begint. Deze manier van doen heeft voor den plantengroei van Palestina allerverderfelijkste gevolgen, want daar vooral de geiten, op hun achterpooten staande, zelfs tamelijk opgeschoten boompjes tot aan den top bereiken kunnen, bijten ze de jonge toploten af, en beletten het welig opschieten. Het gevolg daarvan is dat uren in de rondte een flink opgeschoten houtgewas haast niet te vinden is, daar het jonge hout zich nu zijwaarts uitbreidt, en het meest niet verder brengt dan struikgewas. Van overheidswege wordt tegen deze bosch-verdelgende methode geen enkele maatregel genomen, en de bevolking zelf ziet blijkbaar niet, hoe zij handelt tegen haar eigen belang in. In die streken van ons land waar heideschapen worden gehouden (vooral Drenthe) [76]wordt elke nieuwe aanplanting van dennen en ander hout zorgvuldig voor schapen enz. afgesloten totdat het houtgewas zoo groot is dat de top niet meer door de dieren bereikt kan worden. Zulke maatregelen zijn ook in Palestina hoog noodig, maar—ze worden niet genomen. Men moet in Palestina wèl onderscheiden tusschen den dorpsherder, dien men half-nomade zou kunnen noemen, en den eigenlijken herder-bedoeïen. Deze laatste leidt een geheel nomadisch leven, terwijl de dorpsherder met zijn schapen- en geitenkudden de omgeving van het dorp doorkruist, en bij slecht weer zijne toevlucht neemt in een der tallooze spelonken der rotswanden. Meestal heeft hij in het dorp een huis, dat zijne familie bewoont, terwijl hijzelf of anders leden zijner familie met de kudden rondzwerven.
Onze plaat laat ons zien een herder, die de schapen uitgedreven heeft uit den stal en die nu „voor hen henen gaat”. Het is dus Joh. 10 : 4 in beeld gebracht. De plaat geeft ons aanleiding tot verschillende opmerkingen. De bodem laat zien al de kaalheid en dorheid van het droge jaargetijde in de midbar. De plaat verplaatst ons dan ook niet in de nabijheid van een dorp maar in de steppe, zooals bovendien blijkt uit de op den achtergrond zichtbare herderstent. De herders nl. aan wie de zorg voor de schapen het geheele jaar door is toevertrouwd, en die met de kudde in het veld blijven ook ’s nachts—men denke aan Gen. 37 : 14, [77]waar Jakob zijn zoon Jozef zendt om onderzoek te doen naar den welstand zijner andere zonen en zijner kudden—leven daar niet in hutten, maar in tenten, terwijl de schapen werden gedreven in een door steenen omheinde ruimte, met een vierkant gat als deur (zie de plaat). Zulke „stallen”, van boven open, worden in de Schrift herhaaldelijk genoemd, en meestal door „schaapskooien” vertaald. Meestal zijn ze van ruwe onbehouwen stukken bergsteen, zóó in elkaar gelegd, dat ze zoo goed mogelijk sluiten, maar kalk of cement wordt niet gebruikt. Overigens doet hunne constructie denken aan wat de bouwkundigen noemen „cyclopen-verband”. Daar geen kalk wordt gebruikt, noch fundamenten gegraven, wordt de stevigheid bevorderd door ze van onder dikker te maken dan van boven; zoodat de dwars-doorsnede van zoo’n muur een pyramidalen vorm vertoont. Vroeger schijnt het een tamelijk algemeen gebruik geweest te zijn tot meerdere veiligheid daarbij nog een wachttoren te bouwen. 2 Chron. 26 : 10 wordt van Uzzia verteld, dat hij „torens in de woestijn” bouwde, omdat hij vele kudden had. Daarmee worden ongetwijfeld zulke wachttorens ter bescherming der kudden bedoeld.
Het komt wel voor dat verschillende kudden, d.w.z. van meer dan één herder in zoo’n schaapskooi overnachten. Bij het uitdrijven roept dan de herder zijne schapen en zij volgen hem (Joh. 10 : 1 v.v.). Een vreemde „zullen ze [78]geenszins volgen, overmits zij de stem des vreemden niet kennen”. Wij voelen wat een vriendelijk beeld dat is, door Jezus gebruikt om de verhouding tusschen hem en de zijnen aan te duiden. Die hem kennen als hun herder, loopen geen anderen na, vergissen zich niet als een stem hen tot volgen roept.
De herder is zeer eenvoudig gekleed. Over zijn grijs-kleurig hemd draagt hij een pels van schapen- of geitenvel. Wanneer men het haar of de wol er op laat zitten, dan draagt men hem ’s winters met de haren naar binnen. Soms ook worden eerst de haren verwijderd. Hebr. 11 : 37 blijkt voldoende dat deze kleeding werd gerekend als armoedige bedekking: onder de beproevingen, ondergaan door de geloovigen van den ouden dag wordt o.a. genoemd, dat ze gewandeld hebben in schaapsvellen en in geitenvellen.
Verder houdt hij in zijn linkerhand de staf, sjebet, met een haak aan het boveneind. Deze staf is ons ook uit den bijbel welbekend, als zinnebeeld voor het regeeren Gods over zijn volk. Ik herinner hier alleen aan Micha 7 : 14: weid uw volk met uw staf, de kudde uwer erfenis. En een bizonder mooi beeld Ps. 23 : 4, waar de Statenvertaling niet geheel den juisten zin getroffen heeft, en waar gelezen moet worden: al ging ik ook in een stikdonker dal, ik zou niet vreezen, want gij zijt met mij, Uw staf en Uw stok voeren mij opwaarts. De gedachte is dus dat het schaap dat in een rotsspleet [79]of diepe vallei is geraakt, door den herder wordt opgezocht en er uit gevoerd naar de hoogte. Nog een andere interessante toespeling op het gebruik van den staf vinden wij in Ezech. 20 : 37. Wanneer nl. de herder des avonds zijne kudde naar den stal voert, pleegt hij bij de deur staande ze te tellen door zijn staf over de binnengaande schapen uit te strekken, zoodat zij „onder den staf doorgaan”. In Jer. 33 : 13 wordt dat beeld gebruikt in deze woorden: In de steden van het gebergte, in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heer. Daar wordt dus alleen van het tellen gesproken, niet van den uitgestrekten staf. Dit laatste vinden wij Ezech. 20 : 34–38, waar niet meer van kudden maar van Israël sprake is, in deze prachtige beeldspraak: ik zal u leiden uit de volkeren, u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand en uitgestrekten arm, en door het uitstorten van gramschap. Ik zal u brengen in de steppe (—midbar) der volkeren, en u daar oordeelen, van aangezicht tot aangezicht. Zooals ik uwe vaderen geoordeeld heb in de steppe van Egypteland, zoo zal ik het u doen, spreekt de Heere Heer. En dan volgt: ik zal u onder den staf doen doorgaan, en u hoofd voor hoofd binnenleiden. De uitdrukking: onder den staf doen doorgaan [80]beteekent dus dat de Heer zorgen zal dat ze allen binnenkomen, dat niet één verloren gaat. Wie denkt hier niet aan de gelijkenis van het verloren schaap? Als de herder zijne schapen onder den staf doet doorgaan en één ontbreekt, dan zal hij uitgaan om dat ééne schaap te zoeken, „totdat hij het vindt”.
Deze uitdrukking werpt ook licht op een andere plaats der Schrift, nl. Levit. 27 : 32: Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder den staf zal door gaan, het tiende zal den Heer heilig zijn. Hier is de uitdrukking: onder den staf doorgaan niet alleen de aanduiding voor: al het vee, maar geeft meteen te kennen op welke wijze die tiende werd uitgekozen. Joodsche schrijvers vertellen nl. dat het de gewoonte was dat kudden, waaruit de tienden zouden genomen worden, werden saamgedreven in een omheinde ruimte, en dan een voor een door de nauwe opening werden uitgelaten, terwijl de herder bij de deur stond met zijn staf, waarvan het einde gedoopt was in een roode verf. Bij elk tiende schaap liet de herder zijn staf neer op dit dier en kleurde zijn rug rood, en de aldus gekleurde schapen waren dan de tienden. Wanneer genoemde joodsche schrijvers gelijk hebben en dit inderdaad de manier was om de tienden uit te zoeken wordt de bedoelde bijbelplaats inderdaad zeer sprekend.
Verder draagt de herder in zijn rechterhand zijn slinger, [81]een eenvoudig door hem zelf gemaakt werptuig: een stuk touw met in het midden een zakvormige verbreeding, waarin de slingersteen gelegd werd. Dit wapen wordt gebruikt om de kudde bijeen te houden. Dwaalt een schaap te ver af, dan legt de herder een steentje in den slinger en mikt daarmee, niet op het dier zelf, maar op diens onmiddellijke nabijheid, waardoor het beest verschrikt terugloopt naar de troep. Het werptuig dient dus voor hetzelfde doel waarvoor de herders b.v. in Drenthe een klein schopje gebruiken met zeer langen steel. Ze steken daarmee een brokje aarde uit den grond—ter grootte van een eetlepel—en werpen er de afgedwaalde dieren mee. Na eenige oefening kan men het verwonderlijk ver brengen in de juistheid van treffen, zelfs op zeer grooten afstand. Ook de Palestijnsche schaapherders weten met groote handigheid hun steenen te slingeren: bijna alle schaapherders zijn uitstekende slingeraars. We denken daarbij natuurlijk aan David, die van achter de kudden komende, met een slingersteen den reus Goliat doodde. En van den stam Benjamin lezen wij in Richt. 20 : 16 dat daar waren „700 uitgelezen mannen, welke linksch waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste.” Wij zouden in zoo’n geval zeggen: 700 scherpschutters. Ook elders in Israëls geschiedenis vinden we telkens melding gemaakt van de diensten die de slingeraars in den oorlog bewijzen. [82]
Op onze plaat zien wij den herder bovendien gewapend met een knots, die aan zijn kleeren is opgehangen. Natuurlijk was zoo’n wapen in vroeger dagen meer noodig dan nu, maar op de groote vlakten en heuvelruggen van Palestina is het toch niet geheel zonder oorzaak dat dit primitieve wapen uit de oudheid is bijgehouden.
De kudde schapen en geiten worden eigenlijk alleen gehouden om de wol en de melk, vooral de melk. In ’t voorjaar, als de vroege regen de groote vlakten in frisch-groene weide heeft herschapen, begint de melkovervloed, en meteen de bereiding van boter, zure melk en kaas. De zoete melk wordt in een geitenvel gedaan, opgehangen in de tent—ten minste bij de bedoeïenen doet men ’t zoo—en dan gedurende eenigen tijd krachtig heen en weer gestooten. De daardoor zich afscheidende boter wordt evenals de achterblijvende karnemelk, die leben heet, op allerlei wijze als voedsel gebruikt. Ook wat wij dikke melk noemen, wordt direct uit de zoetemelk bereid, door ze te koken, er wat zure melk bij te doen, dan in goed gedekte vaten te laten staan, en na ongeveer een dag is het voor gebruik gereed. Uit de overtollige melk wordt kaas bereid, of ook z.g.n. kisjk d.i. gedroogde dikke melk. De kaasbereiding is heel eenvoudig: de dikke melk wordt uitgedrukt, daarna met zout vermengd, tot platte schijven gekneed en dan in de lucht gedroogd. De boter wordt bij de bedoeïenen meestal [83]gekookt om ze duurzamer te maken, daar men anders het grootste deel van het jaar van boter zou verstoken zijn. Erg smakelijk is de aldus bewerkte „boter” niet, een Westerling vindt er bovendien allerlei dingen in die hij liever in boter niet vindt: geitenhaar is wel ’t meest onschuldige dat men er overvloedig in aantreft, meteen een sprekend bewijs dat het „natuurboter” is.
Tweemaal per jaar is het de tijd van het jongen werpen der schapen. De eerste tijd is December. Die heeten dan de „vroegelingen”. Deze lammeren zijn het krachtigst, daar zij tegen den regentijd, de vruchtbaarste tijd van het jaar, naar het veld gaan, en de voorwaarde voor hunne ontwikkeling het gunstigst is. Veel minder waard zijn de „laatgeborenen” (in Juni) die in het droge jaargetijde ter wereld komen. Uit dit oogpunt laat zich de handelwijze van Jakob verstaan, die de streepsgewijze geschilde jonge twijgen juist bij de „vroegelingen” in de drinkbakken legt, Gen. 30 : 41, waardoor hij niet alleen véél vee krijgt, maar tevens de beste exemplaren.
De herder is voor het goed gedijen zijner kudde aansprakelijk. Reeds in de Oud-testamentische wetgeving (Ex. 22 : 9–12) en in het wetboek van Chammurapi was bepaald, dat de herder het weggeraakte moest vergoeden. En wij zien dan ook in Gen. 31 : 39 dat Jakob zich tegenover Laban er op beroept, dat hij al wat er is weggeraakt, zoolang hij de kudde weidde, door hem „geboet” is. Alleen als de [84]herder bewijzen kon dat het schaap door een wild dier was verscheurd, ging hij vrij uit. Dat kon natuurlijk geschieden door dat hij, zooals Am. 3 : 12 zegt „een oorlapje” uit den muil van het roofdier redt, en zijn meester toont. Vandaar ook de teedere zorg voor de schapen, die ook werd in de hand gewerkt doordat de herder niet enkel in geld zijn loon ontving, maar een deel der kudden. Wij herinneren ons de vriendelijke beelden, waaronder het Evangelie schildert, hoe de herder voor zijn schapen zorgt: het gewonde verpleegt, het afgedwaalde op zijn schouder legt, het zieke verzorgt. Het brengen der eerstelingen, uit het Oude Testament welbekend, is nog in gebruik. Alleen dat de Mohammedaansche herder de eerstelingen meestal aan een of anderen heilige wijdt, b.v. Elia of Mozes. Zoo ligt ten Westen van de Doode Zee een heiligdom van Nebi Mûsa (Mozes). Daar worden vele eerstelingen ten offer gebracht. Is het wegens den afstand te bezwaarlijk de dieren aan het heiligdom zelf te offeren, dan kan men de dieren ook in naam van den heilige dooden aan de deur zijner tent. Meestal besprenkelt men dan de overige dieren der kudde met het bloed van het geslachte dier.
Een dergelijk offer voor het welzijn der kudde, komt ook overigens wel voor. Onder bepaalde ceremoniën wordt een dier geslacht en met het bloed worden de belhamels bestreken; ook strijkt men gaarne van het bloed aan de deurposten. [85]Zoo’n geslacht dier geldt dan als fedu, d.i. losprijs, voor de heele kudde.
Het schapenscheren was in oude dagen een soort feest. In 1 Sam. 25 blijkt hoe dan zelfs naburige stammen bij zoo’n gelegenheid hun gelukwensch kwamen brengen, zooals David bij Nabal deed. Dan werd een feestmaal aangericht en de scheerders feestelijk onthaald. Van dat oude feest van het schapenscheren is niet anders overgebleven dan dat de scheerders—ten minste bij de grootere kuddebezitters—nog worden onthaald. De tijd van het scheren is afhankelijk van de meerdere of mindere warmte in het voorjaar. De eigenlijke tijd is einde April of begin Mei—in ons land met zijn kouder klimaat is het wat later,—en niet alle kuddenbezitters rekenen evenveel met het koude lijden der dieren. Een schaap, dat zoo pas van zijn dikke vacht is ontdaan staat vaak te trillen van koude. Ook de handeling van het scheren zelf is voor het dier alles behalve aangenaam (men denke aan de uitdrukking uit Jes. 53 van het schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders), vooral als het wat ruw gebeurt. Het is zelfs in Nederland geen bizonderheid als men ziet hoe de scheerder niet alleen de wol afknipt, maar tegelijk een heel stuk van de plooiige huid, zoodat een bloedende wonde ontstaat. Niet vergeefs vinden we in de Schrift tal van waarschuwingen tegen hardvochtigheid tegenover weerlooze dieren. [87]
[88]

[89]
De Jordaanvallei, eigenlijk een breede vulkanische kloof, is een der merkwaardigste verschijnselen in Palestina. De rivier heeft een zeer sterk verval. De bron ligt 520 meter boven, de Doode Zee ligt 393 meter beneden den zeespiegel. Het geheele verval is dus 913 meter. En de heele afstand is niet meer dan 220 kilometer. Dit verbazend sterke verval heeft mede ten gevolge gehad de tallooze kronkelingen, zoodat de werkelijke loop der rivier bijna driemaal zoolang is als de hemelbreedte die hij doorloopt. Aan den bovenloop stroomt de rivier tusschen dicht aansluitende rotswanden door. Verder Zuidelijk treden de bergen verder terug en ontstaat een veel breeder bedding van kalk en leem. Daarin vormt de rivier een dubbele bedding: eerst een stroombed, van ongeveer een half uur breed, met bijna loodrechte wanden, en daarin weer de tegenwoordige bedding van ongeveer 30 meter breed met zeer scherpe bochten. Zelfs bij den hoogsten waterstand vult de rivier niet de oude breede bedding. Bijna overal is het Jordaandal alleen te bereiken langs steile en haast onbegaanbare paden. [90]De breedte van het dal zelf is zeer verschillend; in de nabijheid van Jericho is ze ’t grootst, ongeveer 3 uur gaans. Het water, dat bij het verlaten van de zee van Tiberias nog helder is, neemt uit den bodem zoovele bestanddeelen op, dat het troebel en chocolade-kleurig wordt. Door de diepe ligging is het dal voor de koele vochtige winden niet bereikbaar, en heerscht er een tropisch klimaat, vooral naar het Zuiden toe, waar de rivier zich ten slotte in de Doode Zee uitstort. De temperatuur is hier van dien aard dat de 6 millioen tonnen water, die de rivier dagelijks in de Doode Zee zendt, daar verdampen, want de Doode Zee heeft geen uitwatering. De Doode Zee vormt een 915 vierkante kilometer groot verdampingsoppervlak, waarvan naar berekening dagelijks een waterlaag van ruim 13 millimeter water verdampt. Volgens sommigen hebben die berekeningen echter weinig waarde, daar men onderstelt dat aan de Westzijde van de Doode Zee op den zeebodem bronnen zijn, die misschien dezelfde hoeveelheid water toevoeren als de Jordaan en de bij-riviertjes. Is dit inderdaad zoo dan zou de hoeveelheid water dat door verdamping wordt opgelost, nog veel grooter zijn. Ten gevolge dier buitengewoon sterke verdamping, bevat het water der Doode Zee ongeveer 25 % vaste stoffen. Op sommige plaatsen iets minder, op andere iets meer. Het water is daardoor zoo zwaar dat een versch ei er niet alleen in drijft, maar zelfs nog een [91]derde deel er van boven water uitsteekt. Een mensch kan zonder eenige moeite aan de oppervlakte blijven drijven, en niet dan met groote moeite duiken. In het water der Doode Zee komen geen levende wezens voor, en zeevisschen die men er in loslaat, sterven na korten tijd, maar de bewering dat in de nabijheid geen levend wezen bestaan kan, noch een vogel er over vliegt, is een legende. Wel is de plantengroei in den omtrek uiterst karig, wat door gebrek aan zoet water in de nabijheid te verklaren is. Ook ziet men geen schip op het water, zoodat de heele toestand dezer watervlakte den naam „Doode Zee” inderdaad rechtvaardigt.
Anders is het met de oevers van den Jordaan. De langwerpig ronde Jordaanvallei, tusschen 7.5 en 18 kilometer breed, een sterk uitgerekt ovaal is wel de oorzaak van den hebreeuwschen naam kikkar, in Gen. 13 : 10 en 11 vertaald door „vlakte der Jordaan”. Een andere naam is arabah, drooge vlakte, steppe, met welken naam vroeger werd aangeduid het heele dal van de zee van Tiberias af tot den Elanitischen zeeboezem toe, maar die nu meestal gebruikt wordt voor de Zuidelijke helft, terwijl het Noordelijk gedeelte Gòr, inzinking, heet. Uit Gen. 13 : 10 is te zien wat een weelderigen aanblik de Jordaanvallei van de heuvels van Bethel uit, moet hebben geboden, want als Lot „zijne oogen ophief”, en zag de gansche vlakte van den Jordaan, begeerde hij die tot weide voor zijn vee. [92]
Gedeeltelijk tengevolge van de jaarlijksche overstrooming, gedeeltelijk door de tropische hitte, verschijnt aan beide oevers der rivier een rijke sub-tropische plantengroei van bamboe, ineengestrengelde struiken, slingerplanten en riet van 12 tot 15 voet hoog. Deze wilde, verwarde en eenzame vegetatie bood en biedt nog heden ten dage een natuurlijke schuilplaats voor wilde dieren. Die jaarlijks na elke overstrooming met veelsoortige planten en veelkleurige struiken zich sierende Jordaanstrook, scherp afstekend tegen de omgevende dorre landstreek, heet in den Bijbel „de pronk der Jordaan”. Het Hebreeuwsche woord gaôn wordt in de Statenvertaling soms weergegeven door „verheffing”, soms door „hoogmoed” der Jordaan. In vroeger dagen huisden daar meer wilde dieren dan tegenwoordig. Jer. 49 : 19 beschrijft den inval der Chaldeeën: zie hij zal komen als een leeuw uit de pronk der Jordaan. Zoo in tal van plaatsen, waar de leeuw wordt vermeld als een gevreesd roofdier. Tegenwoordig is hij in Palestina niet meer te vinden; sedert de dichte bosschen werden verwoest, vindt hij geen schuilplaats genoeg, en kan zich voor de vervolgingen der menschen niet meer bergen. Sedert heeft hij zich tot achter den Euphraat teruggetrokken. De beer heeft zich sedert lang teruggetrokken in de bergkloven van den Hermon. Ook de ontembare wilde ezel, eens het beeld voor de nakomelingen van Ismaël (Gen. 16 : 12), wiens hand tegen ieder zou zijn [93]en de hand van een ieder tegen hem, vindt men er niet meer, behalve misschien op de bergen van Basan. Daarentegen is het luipaard nog heden ten dage het gevreesde roofdier, niet alleen in de bergen van Gilead, maar ook in de „pronk der Jordaan” vindt hij zijn schuilplaats. Hier blijkt tevens dat de Statenvertaling, die onder „verheffing des Jordaans” blijkbaar bedoelde het wassen van het water, waardoor de leeuwen uit hun schuilplaats werden verdreven, de uitdrukking gaôn hebben misverstaan. Overigens neemt Jer. 12 : 5 elken twijfel dienaangaande weg. De profeet zegt: Wanneer gij met voetgangers geloopen hebt, en zij hebben u afgemat, hoe zult gij dan met de paarden gelijken tred houden? In een vredig land waart gij gerust, maar hoe zult gij het maken in de pronk des Jordaans? Hier is dus het „vredig land” tegenovergesteld aan de pronk des Jordaans, de ontoegankelijke, door roofdieren bedreigde wildernis, de schuilplaats van leeuwen en luipaarden. Trouwens uit Zach. 11 : 3 „de pronk des Jordaans is vernield”, is het bovendien duidelijk dat niet het wassen der rivier kan zijn bedoeld.
Onze plaat teekent ons deze „pronk des Jordaans” tegen den avond. Op den voorgrond twee luipaarden, gereed om een hert en een gazelle te bespringen, die hun dorst komen lesschen. Deze dieren, luipaard of panther, in het Oude Testament bekend onder den naam namar, is voor Palestina, wat de Bengaalsche tijger voor Indië is, hoewel minder [94]gevaarlijk voor de menschen. Hij moet vroeger zeer veelvuldig zijn voorgekomen, zooals sommige Palestijnsche plaatsnamen doen zien, bv. Beth-Nimrah letterlijk: panterhuis, (Nimr of Namr is de Arabische naam voor het dier) en het riviertje Nakr-Nimrim, letterlijk: panterstroom. Tegenwoordig komt hij weinig meer voor en bijna uitsluitend in de omgeving van de Doode Zee en in Gilead en Basan, een enkele maal ook in Syrië. Des avonds komt het dier uit zijn schuilhoek te voorschijn, en sluipt rond, loerend op zijn prooi; men zegt dat de nachtelijke tochten zich soms uren gaans uitstrekken. De inwoners vertellen, dat het dier zich nooit langer dan drie nachten op dezelfde plek ophoudt, dan gaat het weer verder, roof zoekende. In de bekende schildering der Messiaansche eeuw Jes. 11 : 6 zien we dat dit dier gold als hèt type van een roofdier; dat „het luipaard bij den geitenbok” zal nederliggen is het teeken van volkomen vreedzaamheid. Zulke beelden spraken natuurlijk te sterker in dagen toen deze roofdieren in grooten getale voorkwamen, en ze ’s nachts loerende slopen om steden en dorpen (Jer. 5 : 6), en de vlugheid en onhoorbaarheid hunner bewegingen als beeld werd gebruikt, zooals Hab. 1 : 8: hunne paarden zijn vlugger dan luipaarden, wordt daar van de snelheid der Chaldeeuwsche strijdrossen gezegd. In Dan. 7 : 6 dient het beeld van een gevleugeld luipaard om het Perzische rijk te schilderen, dat snel als een luipaard om zich heen grijpt. [95]
[96]

[97]
Na hetgeen wij bij plaat 4 over het herdersberoep hebben gezegd, kan ons bijschrift bij deze plaat kort zijn. Ze verplaatst ons in de woestijn van Juda, in een der daar talrijk voorkomende ravijnen of rotsspleten, van welke sommige dienen als doorgang of schuilplaats voor heen en weer trekkende bedoeïenen, maar waaronder er ook zijn, die vooral in vroeger dagen onveilige en zelfs gevaarlijke schuilhoeken waren voor tal van roofdieren. Sommige dezer ravijnen zijn zeer grillig van vorm waar door bodemverschuivingen enz. loodrechte of zelfs overhangende rotswanden zijn ontstaan, die honderden voeten hoog zich verheffend, maar weinig daglicht ontvangen, en door mensch en dier worden vermeden. Een dier donkere dalen stelt onze plaat voor. Een eenzaam schaap is van de kudde weggedwaald en in dit diepe dal terechtgekomen, en daar omringd door hongerige hyena’s, en overgegeven aan een wissen dood.
Wij moeten deze gesteldheid van de woestijn van Juda in het oog houden om het sprekende der beelden te zien, [98]zooals die in Oud- en Nieuw Testament voorkomen, ontleend aan het herdersleven. Onze plaat is een illustratie zoowel bij Psalm 23 : 4, als bij de gelijkenis van het verloren schaap. In Psalm 23 heeft de Statenvertaling: dal der schaduw des doods. Die vertaling is verkregen door een onjuiste vocalisatie. Daar men nl. in het Hebreeuwsch niet de klinkers schrijft, maar alleen de medeklinkers, is het mogelijk een bepaald woord op verschillende manieren te lezen door er telkens andere klinkers tusschen te voegen. Soms krijgt men daardoor een geheel anderen zin. Nu las de Statenvertaling tsel-mawet, dus twee woorden (wat mogelijk is doordat in het oud-hebreeuwsch tusschen de verschillende woorden van een zin geen open ruimte werd gelaten zooals bij ons), en vertaalde: schaduw des doods. Beter is het echter te lezen één woord nl. tsalmut en te vertalen: duisternis. De bedoeling komt natuurlijk ongeveer op hetzelfde neer. Wat de dichter met zoo’n dal der duisternis bedoelde, zien wij op onze plaat. Wee het schaap dat er verdwaalt, want dat dal der duisternis wordt hem een dal des doods!
Maar nu verstaan wij ook de krachtige geloofsuiting, die uit Psalm 23 spreekt. Zelfs al ging ik door zulk een dal der duisternis, zegt de dichter, al werd ik aan alle kanten door doodsgevaren omringd, dan nog zou ik niet vreezen, want Gij, o Heer zijt met mij. Uw stok en Uw staf, die [99]voeren mij opwaarts. Voor de bedoeling van de woorden stok en staf verwijs ik naar het gezegde bij plaat 4. Die woorden duiden dus aan het grootst mogelijke gevoel van veiligheid, daar de psalmist zich geborgen weet bij zijn God. Het is de veiligheid, die zich ook uitspreekt in het bekende:
Als gevaren mij omringen
Wil ik zingen
Van genade trouw en macht
of van dat andere: de Heer is mijn Herder, ’k Heb al wat mij lust. En de Israëliet, die van nabij wist wat een doodsgevaar en angst er ligt uitgedrukt in dat „dal der duisternis”, moest bij het hooren en het zingen van dien Psalm 23 wel zeer sterk onder den indruk komen van de trouw en hulpe Gods.
De andere bijbelplaats, die sprekend wordt toegelicht door onze plaat, is de gelijkenis van het verloren schaap. We zien in gedachten den herder van het schaap, dat in de ravijn geraakt is, zijne honderd schapen tellen, en—hij mist er een. Dan laat hij de 99 aan hun plaats, zoekt zijn knots (zie plaat 4) en gaat de woestijn in, al is het tegen den avond, om het verlorene te zoeken. Allerlei overwegingen, die ten minste een schijn van recht zouden hebben, als: ik vind het toch niet, of: ’t is mogelijk al verslonden door [100]wilde dieren, of: ik begeef mij zelf in levensgevaar, vinden bij hem geen plaats, hij gaat er op uit, en zoekt, en treft het misschien aan, zooals het schaap op onze plaat, omgeven door wolven of hyena’s. Maar, zegt Jezus, de goede herder stelt zijn leven voor de schapen, hij waagt zich er aan. Hij zegt niet, dat één van de honderd toch zoo erg niet is, hij vlucht niet voor „den wolf”, maar valt de dieren aan, en verjaagt of doodt ze, en redt zijn schaap uit hun muil. Dan „neemt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde”, en met gejuich brengt hij zijn schaap dat verloren was, terug in den stal, in veiligheid.
Wij moeten ons dat alles indenken om te verstaan de diepte en schoonheid van het beeld, door den Heer gebruikt om aan te duiden zijne liefde voor de zondaren, die hij komt redden uit de verdelgende macht van zonde en dood. Het is dan ook niet te verwonderen dat het beeld van schaap en herder een der meest geliefkoosde beelden is, waarin de Schrift zoowel het verloren zijn van den zondaar als de reddende liefde Gods pleegt uit te drukken.
Dat de hyena in vroeger dagen niet zelden voorkwam in Palestina schijnt vrij zeker uit het feit dat sommige plaatsnamen aan dit dier herinneren. Het dal van Zeboïm b.v. heet bij de tegenwoordige Arabieren sjuk ed-Dubba d.w.z. ravijn der hyena’s. Tegenwoordig schijnen ze in het eigenlijke Palestina zoo goed als verdwenen te zijn. [101]
[102]

[103]
Het eerste wat op onze plaat de aandacht trekt, is de eigenaardige welving, waaronder de fellah-vrouw zit en koren maalt. Het is noodig allereerst iets te zeggen over den bouw der huizen, en het daarvoor gebruikte materiaal. Dat materiaal is nog tegenwoordig hetzelfde als vroeger: in de vlakten leem, in bergstreken kalksteen, die overal voorkomt. Men kent daarvan verschillende soorten: de kakoeli is een geelachtig gekleurde steen die zoo zacht is dat hij met een mes kan uitgesneden worden, maar die, aan de lucht blootgesteld, spoedig verhardt, evenwel niet zoo dat men er duurzame huizen mee bouwt. Deze steen is te vergelijken met de bekende Limburgsche steen te Valkenburg, die met een zaag aan groote stukken als koek wordt uitgesneden in de groote onderaardsche grotten, maar eenmaal als muur opgemetseld spoedig verhardt. Deze steen wordt in Palestina gaarne gebruikt voor een tweede verdieping omdat hij zoo licht is. Een hardere soort steen is de malaki, die voor den bouw der betere huizen wordt gebruikt. In de buurt van Bethlehem [104]gebruikt men tegenwoordig ook veel een nog hardere steen, terwijl in de omgeving van Nazareth een zeer poreuze kalksteen wordt gebruikt, die ook overigens voor ovens uitstekend dienst doet, omdat hij tegen de vuurhitte kan zonder te barsten. Bij de zee van Tiberias en de Doode Zee, waar de bodem rijk is aan bazalt, wordt deze zwarte steensoort veel gebruikt, die aan de huizen hun somber aanzien geeft. Heeft men een ruïne in de nabijheid, dan worden kapiteelen en andere stukken steen daar vandaan gehaald en in het te bouwen huis ergens onder gebracht, want op symmetrie en schoonheid wordt niet gelet: als ’t maar een veilige bedekking geeft tegen regen en hitte. Zoo’n huis ziet er uit de verte meer uit als een steenhoop dan als een huis, en een fellah-dorp dat niet omgeven is door tuinen of palmboomen, maar op de kale vlakte staat, is uit de verte gezien van een groep steenhoopen niet te onderscheiden. Het armelijkst zijn wel die huizen die uit gedroogde baksteen of leem met gehakt stroo vermengd, gebouwd zijn. Zoo vindt men ze meest in de groote vlakten. Zulke huizen zijn al heel weinig duurzaam. Zoo komt het ook dat tal van plaatsen, wier namen in den Bijbel genoemd worden, spoorloos verdwenen zijn: als de bewoners ze verlaten hebben, keeren ze in korten tijd terug tot een vormelooze massa, terwijl bij nauwkeurig toezien een eigenaardig afgeronde steen verraadt dat hij eens als molensteen dienst deed, en daar [105]dus een huis of misschien wel een geheel dorp stond.
In bergstreken, waar steen genoeg te krijgen is, bouwt men gaarne in koepelvorm, waarboven het platte dak dat dikwijls aan den straatkant voorzien is van een borstwering, zooals reeds Deut. 22 : 8 bevolen werd. Meestal bestaat zoo’n borstwering uit een meter-hoogen muur met gaten om door te zien, zoodat wie zich op het dak bevindt, op de straat kan zien, zonder zelf gezien te worden. Wanneer de armoede het bouwen van een gewelf verbiedt, dan worden de vier muren met ruwe boomstammen en twijgen bedekt. Daarover wordt dan een voet dik aarde gelegd en goed aangestampt, en daarover heen giet men een uit leem en gehakt stroo bereiden dikken brei, die aan de lucht blootgesteld, hard wordt. Hier en daar begint in den laatsten tijd een soort van tegels (dakpannen) in gebruik te komen. Voor het begin van den regentijd moet die deklaag worden vernieuwd, anders lekt het door, of zelfs wordt het door de zwaarte gevaarlijk voor de inwoners. Zulk een dak hebben wij ons waarschijnlijk in Mark. 2 : 4 te denken, dat door vier mannen wordt opengebroken om een zieke door te laten. Op zulk een dak groeit in het voorjaar gras, en soms loopt er een geit op te grazen. Door ’t opstellen en neerleggen van matten maakt men er in een oogenblik een logeerkamer van, waar men even veilig en in elk geval frisscher logeert dan in huis. 1 Sam. 9 : 25 vermeldt zoo’n [106]geval. Meer welgestelde bewoners hebben vaak op het dak nog een verdieping, de z.g.n. ollije, die dient als logeerkamer voor aanzienlijke gasten, en waar de huisheer met vrienden vrij kan converseeren zonder dat hij voor luistervinken behoeft te vreezen. Zoo lezen wij Richt. 3 : 20, dat Eglon, de koning der Moabieten, in die „koele opperzaal” Ehud ten gehoore ontvangt. Deze „opperzaal” is meestal ook wat netter afgewerkt, de vloer gecementeerd en de wanden glad. De rest van het dak dient dan tot balkon, behoorlijk gelambrizeerd, waar de bewoners graag des avonds en des morgens vroeg wat koelte opvangen. In de groote vlakten ziet men in de plaats daarvan op het dak der leemhutten een soort groote twijgen-kooien, uit matten, takken en loof in mekaar gewerkt, waar de bewoners vooral des nachts, gedurende den zomer, tegen de drukkende hitte en het ongedierte bescherming zoeken. De eigenlijke woning is dan bijna onbewoonbaar en onze westersche „woningwetten” zouden in Palestina toegepast, handen vol werk leveren.
Bij den bouw van een huis, vooral bij gewelfbouw, is het een zaak van belang er op te letten, dat de fundamenten op vasten grond rusten, liefst op een rots, en men graaft op de berghellingen vaak even diep in den grond als het huis zich boven den grond verheft, en is niet eer gerust, voor men rotsbodem heeft. De oorzaak daarvan is natuurlijk in de eerste plaats de lompe zware bovenbouw, maar verder [107]ook de massa’s regenwater die in den winter zoo diep in den bodem dringen, dat ze een „huis, op zandgrond gebouwd”, door verweeking en verzakking van den bodem zouden ondermijnen. Van hier uit valt een verklarend licht op de bekende woorden van Jezus, Matth. 7 : 24 vg., over het huis op een steenrots. Ook bouwt men om dezelfde reden de dorpen gaarne op de helling of den top van een heuvel, daar de aanhoudende regens de dalen vaak in ondoorwaadbare poelen veranderen. Tevens zijn ze op de hoogte beter tegen de aanvallen van bedoeïenen-horden beschermd. Op deze bouw-wijze zinspeelt Jezus’ woord over „een stad op een berg” liggende, die niet kan verborgen zijn.
Een groote rol speelt bij den bouw van een huis het bijgeloof. Zoowel bij stedelingen als bij fellahs vindt men de meening dat onder den deurdrempel booze geesten wonen, die men bezweren moet. Wie een huis laat bouwen, verzuimt niet tegenwoordig te zijn bij het leggen van den drempel, en dan legt hij daaronder een muntstuk—niet van koper—om den geest te bevredigen. Verder wordt vaak een haan—liefst een witte—geslacht, en diens bloed laat men op den drempel uitstroomen, of de deurposten worden er mee bestreken. De bedoeling daarvan is, door zulke riten den boozen geesten het wonen onder of aan den drempel onmogelijk te maken. Is straks het gewelf gereed, dan wordt boven de deur een been, meest een [108]kameel-kinnebakken, opgehangen, of groote blauwe glasstukken, of knoflook of aluin. Een gebruik dat overigens ook bij de boerenbevolking ten onzent hier en daar nog in gebruik is. Dat alles dient tot afwending van het „booze oog”. Vooral de blauwe kleur is in dat opzicht heilzaam. Ook vindt men vaak boven de deur een blauw gekleurde hand geschilderd, van reusachtige afmetingen, als kwaadafwerend symbool. In vroeger dagen verkreeg men datzelfde resultaat—afweren der booze geesten—door het z.g.n. bouwoffer. De opgravingen in Palestina hebben aangetoond hoe algemeen dit gruwelijk gebruik vroeger was. In en onder de muren vindt men telkens kinderlijkjes ingemetseld. In Gezer werd o.a. gevonden het lijk van een vrouw en een kind, ingemetseld in de muur. Uit dat oogpunt is 1 Kon. 16 : 34 te verstaan: toenmaals bouwde Hiel van Bethel de stad Jericho weer op, op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijnen jongsten zoon, heeft hij hare poorten gesteld. Men heeft langen tijd gemeend, dat dit beeldsprakig was te verstaan; nù weten wij dat het letterlijk is bedoeld: ze werden levend ingemetseld. Later toen de zeden verzachtten, verzachtte ook dit gebruik: men offerde een dier of, zooals nog heden in Bulgarije: men offert de schaduw van een mensch in den muur. „Ieder huis wil zijn doode hebben”, hetzij man, vrouw, kind of dier, zegt men nog heden in het Oosten, opdat de anderen [109]te beter leven kunnen. Vraagt men nader naar de bedoeling, dan wordt het verschillend omschreven: „om des zegens wil” zegt de een; „opdat niet iemand van de familie sterft”, zegt de ander; „opdat het huis niet boven de bewoners instorte”, verklaart een derde. Het geslachte dier is in alle geval de „fedu an el-beit” d.i. de losprijs voor het huis. Dat woord fedu, hebreeuwsch pada komt in het Oude Testament telkens voor in den zin van verlossing, en de Nieuw-Testamentische uitdrukking, rantsoen of losprijs, gaat er op terug. Een Moslim zeide: gewoonlijk heeft de fedu betrekking op de toekomst, om een kwaad af te weren, ieder huis moet door een dieroffer worden losgekocht, opdat de menschenlevens worden behoed. Men giet daarom dikwijls het bloed van het geofferde dier op de fundamenten uit. Bij de bouwlieden bestaat een spreuk: geen bouwwerk zonder bloedvergieten! Het is God welgevallig en brengt zegen. ’t Zelfde gebruik past men tegenwoordig zelfs toe bij de opening van een nieuwen spoorweg. De priester van een heiligdom te Homss zeide: Bij het betrekken van een nieuwe woning doodt men in den eersten nacht, dien men in het huis doorbrengt, de fedu, en laat het bloed voor Gods aangezicht vloeien; het is losgeld voor de heele familie en houdt ongeluk en djinns (= booze geesten) weg. Dit gebruik gaat zelfs zoo ver, dat dorpbewoners, die gedurende den oogsttijd hunne huizen verlaten en op het land in [110]holen wonen, bij het betrekken van zulk een tijdelijke hol-woning soms nog een dier slachten voor den heer van dat hol, een djinn, opdat hun eigen leven veilig zij.
Het geldt hier duidelijk het plaatsbekleedend sterven, een gedachte aan het Oude Testament ontleend, en die niet alleen bij den bouw van huizen, maar bij tal van andere gelegenheden wordt aangetroffen. Zoo wordt bv. een schaap geslacht, de belhamels der kudde met het bloed bestreken: „dat is de verlossing voor de heele kudde tot behoud van alle”.
In dorpen waar de bevolking meer welvarend is, zijn de huizen ook veel gecompliceerder dan de alleenstaande, één verdieping hooge, ruwe steenklompen der fellah-woningen, hoewel ook dan nog alle elegantie en bevalligheid verre te zoeken is. Men kan ’t niet beter omschrijven dan door zich te denken ettelijke fellah-woningen tegen elkander aan en op elkaar gezet, en het geheel omgeven door een hoogen, dikken muur, vaak met een open plein in het midden, terwijl de afzonderlijke kamers rusten op logge dikke pilaren. Zoo’n heel complex heet dan dàr en de enkele vertrekken beit. Binnen dien muur is plaats voor ’t vee. Eenige tientallen van zulke dàr’s vormen samen een dorp, en daar de huizen familiegewijze bij elkaar staan, precies zooals de bedoeïenententen, krijgt men vanzelf de indeeling in wijken, die „van huis uit” bij mekaar behooren. ’t Zijn dus geen [111]rijen huizen, met straten daartusschen, maar woninggroepen, waaromheen de straat loopt. Zoo’n wijk of kwartier ligt niet zelden met de aangrenzende wijk of kwartier in jarenlangen twist. Iedere wijk heeft dan zijn eigen moskee, welks voorhof vaak meteen als herberg dienst doet, en zijn eigen kerk. Dan is er tusschen de verschillende wijken van een dorp niet de minste gemeenschap. Het bezit van één herberg en één kerk voor het heele dorp kan gelden als bewijs voor vreedzame verhouding der bewoners. In dorpen, waar de moskee ontbreekt, dient de herberg meteen als verzamelplaats der geloovigen.
De deur van het huis schijnt reeds in oud-Israël met eenzelfde soort slot geopend en gesloten te worden als nog tegenwoordig. Daarvoor dient nl. een houten toestel van aanzienlijke grootte, zoo groot dat men hem op den schouder dragen kan. Vergelijk daarvoor Jes. 22 : 22, waar sprake is van het dragen van den sleutel op den schouder, wat ons verklaarbaar wordt als we zien de afmetingen van dit voorwerp, zooals het nog heden dienst doet.
Nu we den bouwtrant en uiterlijke verschijning van een Palestijnsche fellah-woning kennen, gaan we aan de hand van onze plaat het inwendige bezien. Het vertrek, waar de vrouw koren zit te malen, is het eenige vertrek van het huis, en dient tegelijk als ontvangkamer, slaapkamer, eetkamer, veestal enz. Op de plaat zien we dat het vee staat [112]en ligt in een lager gedeelte van het vertrek, terwijl het hooger gelegene deel voor woning dient. De deur die altijd open staat, wanneer de bewoners thuis zijn en het niet al te koud is—een gesloten deur, terwijl de bewoners aanwezig zijn, zou het vermoeden wekken dat men daarbinnen iets uitvoerde wat het licht niet mag zien,—de deur dan geeft allereerst toegang tot het lagere gedeelte, waar de verschillende diersoorten, die de fellah er op na houdt, ’t zij vreedzaam, ’t zij in oneenigheid bij elkaar wonen. Een koe, alleen bij de meer welgestelden te vinden, de ezel, „der Geist der stets bejaht”, een geit, een paar schapen, soms kippen en een kat. Daar het vee lager huist dan de mensch, is het hooger gelegene deel van het vertrek, vaak met een soort cement-vloer voorzien, gemakkelijker rein te houden, doordat men alle onreinheid eenvoudig in den „stal” veegt. De deur binnenkomende, gaat men dus door den „stal” het steenen trapje op naar de woonkamer, dat door de familie wordt bewoond. Voor een gast legt men daar een mat of een kussen—stoelen zijn onbekend—en de vreemdeling moet dan wennen aan het half of drie kwart-donker van het vertrek—want als venster dienen alleen een paar kleine openingen, zonder glas, die bovendien gedurende het koude jaargetijde nog worden „dichtgespijkerd”—en als dan de rook niet al te dicht is en het zien onmogelijk maakt, kan men langzamerhand een en ander [113]onderscheiden, en het ontvangsalon in oogenschouw nemen. Als de rook niet al te dicht is, want een schoorsteen is onbekend, en de rook moet maar zien hoe hij door de reten, deur en „vensters” een uitweg vindt. Daar bovendien het vuur meestal gevoed wordt met niet al te droog hout of onkruid of met gedroogde schapen- en rundermest—beide brandstoffen die veel rook verspreiden—krijgen de wanden van het woonvertrek op den langen duur een natuurlijk zwart glanzend behang, door de vaste stoffen die de rook er op afzet; maar wat erger is, de bezoeker zit er neer met tranen in de oogen, en hoest alsof hij een keelaandoening had. Door een en ander te bedenken, valt op sommige bijbelsche uitdrukkingen een eigenaardig licht. B.v. de oostersche spreekwijze: als rook voor de oogen, zoo is de luiaard dengenen die hem uitzenden.
Mede om den hinder van den rook wordt het vuur alleen, bij erge koude den heelen dag brandende gehouden, maar als het even kan, dooft men het uit omdat het haast niet uit te houden is, den heelen dag in den rook. Daarop wordt gezinspeeld in Jes. 65 : 5, waar God van de goddeloozen zegt: deze zijn een rook in mijn neus, een vuur den ganschen dag brandende.
Bij gebrek aan voldoende hoeveelheid hout of gedroogde mest, brandt men ook het om het dorp groeiende onkruid, struiken, dor gras en alles wat maar branden wil. Daarom [114]spreekt Jezus Matth. 6 : 30 van het gras des velds dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt.
In de eerste plaats bevinden zich in dit vertrek eenige door de vrouwen zelf uit leem vervaardigde etagères met tal van vakjes, waarin kannen, vaten enz. tot het bewaren van levensmiddelen. Tegenwoordig worden die gaandeweg vervangen door gekochte blikken bussen, vaak leege petroleumbussen enz. En verder een kist waar de meest heterogene zelfstandigheden in ongestoorden vrede bijeen liggen: een zak met suiker, houten lepels, kleedingstukken, schotels, geld en sieraden. In een hoek een groot aarden vat voor drinkwater. Al deze benoodigdheden staan een eindje van den muur, zoodat daarachter voldoende ruimte blijft voor een rommelkamer, waar allerlei mogelijke en onmogelijke dingen door en over mekaar liggen.
Links op de plaat zien we een ovaalrond koepelvormig voorwerp: dat is de oven, die bij iedere eenigszins welgestelde familie te vinden is. Brood behoort tot de dagelijksche levensbehoeften van de fellah’s, en hij eet het alle dagen versch. ’s Morgens is het eerste teeken van leven dat in een fellah-dorp gehoord wordt, het knarsend geluid der molens, door fellah-vrouwen bewogen, waarin het koren wordt gemalen, en binnen een half uur is het brood gereed. Wanneer daar is „een nederig geluid der maling”, d.i. als de knarsende molens slechts zelden en flauw worden gehoord, [115]dan is dat een bewijs dat de familie is verarmd, en de verkondiging dat „het geluid der molens” zal worden weggenomen (Jer. 25 : 10), of dat „geen geluid des molens meer zal gehoord worden”, dan is dat een overdrachtelijke uitdrukking, die verwoesting of verbanning aanduidt. In den oven bevindt zich een uit leem gevormde plaat, die met kiezelsteentjes wordt belegd, en daarop weer een deksel met langen greep. Moet nu gebakken worden, dan wordt op dat deksel een hoeveelheid gedroogde koe-, paarden- of schapenmest gelegd en aangestoken. Na eenige minuten is het deksel en zijn vooral de kiezelsteentjes gloeiend heet. Dan wordt het deeg op die heete kiezelsteenen gelegd, waar het in weinige minuten gebakken is. Na het wegnemen van het brood wordt de nog gloeiende koemest op het deksel weer in den oven gedaan, om zoodoende des winters een voortdurend brandende „kachel” te hebben. F. A. Klein vertelt dat eens een moeder, die haar kind eens lekker koesteren wou, het wicht op een mat in een verwarmden oven legde, toen zij later het kind er weer uit wou nemen, was de kleine al dood en half geroosterd: de oven was te warm geweest. Wat de gedroogde koemest als brandstof betreft, is het misschien niet ondienstig te verwijzen naar Ezech. 4 : 12–15, een plaats, die, zooals ze in de Statenvertaling gelezen wordt, de gedachte wekt aan walchelijk eten. Inderdaad is niets anders bedoeld, [116]dan dat het brood bereid wordt door verbranden van gedroogde meststoffen.
In den allerlaatsten tijd vestigden zich hier en daar, ook op de dorpen, beroepsbakkers, en op hen is het spreekwoord bekend: „geef uw deeg aan den bakker, ook al eet hij er de helft van op.” Hun eerlijkheid schijnt dus niet boven bedenking. Ook in ons land was het hier en daar tot voor korten tijd nog gewoonte het deeg naar den bakker te brengen ten einde het door hem tegen een kleine vergoeding te doen bakken. Men was niet altijd overtuigd dat men al het deeg als brood terug ontving. Misschien werkte dat wantrouwen mee om de gewoonte in onbruik te brengen.
De fellah-vrouw op de plaat is bezig koren te malen. In de steden is dat het werk van de laagstgeplaatsten en als men zeggen wil: van den koning af tot den slaaf toe, d.w.z. allen, dan heet het (Ex. 11 : 5): alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao’s eerstgeborene af, die op zijnen troon zitten zou, tot de eerstgeborene der dienstmaagd, die achter den molen is. De uitdrukking: „eerstgeborene der dienstmaagd” herinnert ons er aan dat wij hier niet te doen hebben met ons begrip: dienstbode, die zich voor geld bij een ander verhuurt, maar aan een gehuwde vrouw. ’t Is nl. aan een ongehuwd meisje niet toegestaan als dienstbode ergens in dienst te treden: alle vrouwelijke dienstboden zijn gehuwde vrouwen of weduwen. [117]Op onze plaat is het blijkbaar de fellah-vrouw zelf, die dezen zwaren arbeid verricht. Zware arbeid, want de molen bestaat uit twee groote bazaltsteenen, de onderste steen ligt vast, heeft soms een opstaanden rand en in het midden een pen, die door een opening in het midden van den bovensten steen steekt, zoodat ook deze op zijn plaats blijft en tevens draaien kan. Het koren wordt in de opening rondom de pen met de hand gestrooid, valt dan tot op den ondersten steen, en wordt door het draaien van den bovensten gekneusd. Wegens de zwaarte van het werk wordt het dikwijls door twee vrouwen gehanteerd. Op dat gebruik wordt o.a. Matth. 24 : 41 gezinspeeld. Koren te moeten malen is wel de diepste vernedering die eene aanzienlijke oostersche vrouw kan worden aangedaan. Als de profeet het oordeel aan Babel aankondigt, zegt hij (Jes. 47 : 1 en 2): daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, gij dochter der Chaldæën! want gij zult niet meer genoemd worden de teedere, noch de wellustige. Neem den molen en maal meel!.… En als in de Klaagliederen (5 : 13) gejammerd wordt om de ellende des volks dan komt daaronder voor de klacht: zij hebben de jongelingen weggenomen om te malen; voor een jongeling des te onteerender, omdat het malen, evenals het halen van water sjoegal niswan, vrouwenwerk is. [118]
Hoewel al dit zware en minderwaardige werk tot de taak der vrouw behoort, kan men toch niet zonder meer zeggen dat ze de slavin is van den man. De eigenlijke grond voor de minderwaardige positie van de vrouw ligt wel in de polygamie, waarover later. Maar daaruit vloeit meteen voort, dat door het steeds meer in zwang komen van het monogame huwelijk de positie der vrouw verbetert, en ze als huismoeder vaak hooge achting geniet. In Mohammedaansche steden is de vrouw meer een luxe-voorwerp van den man, met al de narigheid die daaruit voortvloeit; in de dorpen is ze de levensgezellin, die naast hem arbeidt voor het gezin en zijn leed en vreugde deelt. Dat vindt goeddeels zijn oorzaak daarin dat op het platteland de vrouw ongesluierd gaat, èn niet minder hierin dat de armoede vanzelf het hebben van meer vrouwen tegengaat. De monogamie bij de Mohammedanen is dus niet het gevolg van een hooge zedelijke opvatting betreffende de vrouw als mensch, maar noodgedrongen. En een arme fellah ziet niet zelden met afgunst naar zijn rijken buurman, die zich de luxe van meer vrouwen kan veroorloven. Maar nog tegenwoordig laat men de meisjes vrijwel zonder onderwijs opgroeien: zij hebben het niet noodig.
De stadbewoner, soms ook de fellah, roept zijne vrouw door ja masa, o vrouw!—welke uitdrukking tegenover een vrouw niets beleedigends inhoudt: vergelijk de woorden [119]van Jezus tot Maria: vrouw wat heb ik met u te doen?—of ook ja hurme, o verbodene, een uitdrukking die heenwijst op de afgesloten positie der vrouw tegenover vreemden. Men zou niet verwachten dat er in de gegeven omstandigheid, ergens in het Oosten een „pantoffelheld” gevonden werd. Toch schijnt dat volstrekt geen uitzondering te zijn. Men zegt zelfs dat bij de fellah’s een gebruik bestaat dat de bruidegom zijn bruid een slag op het hoofd geeft, ten teeken dat hij niet „onder den pantoffel” wil. Wij zouden zoo zeggen: door zóó te doen heeft hij het spel al verloren.
Een dame die langen tijd in Palestina woonde, vertelt van een fellah-vrouw, die twist kreeg met haar man, die zoo hoog liep dat de man haar met de daarvoor gebruikelijke formule haar congé gaf. Spoedig kreeg hij echter berouw van zijn overhaaste daad, en wenschte de wettig ingetreden echtscheiding ongedaan te maken. Zijn vrouw bewilligde, op voorwaarde dat ze dan opnieuw haar „bruidschat” hebben moest. De man stemde toe, en daar de bruidschat eigenlijk is de som waarvoor een fellah zijne vrouw koopt, was hij door de vrouwelijke list gedwongen te erkennen dat zijn vrouw wel een dubbele som waard was. De verhaalster voegt er aan toe: blijkbaar was ze dat ook!
Maar in ’t algemeen genomen is de vrouw de dienares van den man en is al tevreden als ze door hem als een [120]groot kind vriendelijk behandeld wordt. Behalve het malen van het koren en het bakken van brood, is ook het melken van het vee haar werk. De overtollige melk wordt door de vrouwen in steenen of blikken vaten gedaan, deze in groote manden gezet, en zoo op het hoofd naar de stad gedragen. Dikwijls hangt bovendien nog een zuigeling in een soort hangmat op den rug. Anderen doen hetzelfde met allerlei „groenten”, vruchten, eieren, vogels, hout enz. Het is ongeloofelijk, welke reusachtige hoeveelheden koopwaar een fellah-vrouw in één keer naar de stad draagt. Ik zag een fotografie van zoo’n Palestijnsche boerin die zooveel bloemkoolen op haar hoofd en langs haar lichaam had hangen, dat ze sprekend geleek op één groote wandelende bloemkool. In de stad gekomen, wordt deze waar op de markt of op de straat verkocht. Hebben ze geen „zaken” in de stad te doen, dan bezorgen of verwaarloozen ze thuis haar eigen huishouding. Met wasschen van kleedingstukken maken ze zich niet druk, want zindelijkheid is juist niet haar fort, maar ’t kan toch zoo erg worden dat het noodig is met de door vuil ontoonbare kleedingstukken naar de bron te gaan om ze schoon te maken. Ze nemen daar een grooten platten steen voor zich, leggen het eerst natgemaakte goed daarop als een bal, houden dien met de eene hand vast, en slaan met een knuppel of steen er op, aldoor het goed met water besprenkelend, zoolang, tot dat het eerst koffie-kleurig [121]vocht dat er uitgeslagen wordt, een meer doorschijnende kleur krijgt.
In Juli begint voor vele vrouwen den tijd om hun geschonden of gebroken huisgereedschap te herstellen of door ander te vervangen. Met opgestroopte mouwen hanteeren ze het leem tot fabrikatie van nieuwe vaten en potten, welke bezigheid veelal op het dak plaats vindt. De vaten worden uit een mengsel van leem en haksel vervaardigd en door de zonnewarmte gedroogd. Hier en daar worden de vaten bovendien gebakken, door ze in een gat in den grond te plaatsen, met gedroogden mest te omgeven, dit aan te steken, en de pottebakkersoven is in werking.
Het hardste lot hebben die fellah-vrouwen die als weleer Ruth, wegens gebrek aan werk te huis, naar ’t Oostjordaanland trekken en daar van April tot Juni beproeven een zuur stukje brood te verdienen, door of als dagloonster te werken voor geld of voor een ellendig bundeltje koren. Ook lezen ze (vg. Ruth 2 : 3) op het afgemaaide land de aren op, die ze ’s avonds met een stok uitkloppen.
Op onze plaat zien we vooraan op het verhoogde deel der vloer aan weerszijden van de trap een soort kribbe, voederbak voor ’t vee. Zulke voederbakken zijn of ruw uit hout getimmerd, of, zooals op onze plaat, uitgehold in den steenen vloer, waarin we het gekneusde stroo, dat als veevoeder dient, zien liggen. [122]
Over één ding op onze plaat sprak ik nog niet: op den achtergrond zien we een hangmat, waarin een slapend kind. De eigenaardige manier waarop dit kind „verpakt” is vraagt om eenige opmerkingen betreffende de behandeling en opvoeding der jeugd. Een der hartelijkste wenschen van een Oosterling is, veel kinderen, en vooral veel zonen te hebben. Een man die veel zonen, kleinzonen en achterkleinzonen heeft, geniet daardoor niet alleen den noodigen steun op zijn ouden dag, daar de zonen meestal in of bij het ouderlijk huis blijven wonen, maar elk mannelijk lid zijner familie vertegenwoordigt een stuk invloed en macht bij zijne dorpsgenooten. Eigenaardig is dan ook dat men de talrijkheid van een familie pleegt te tellen naar het getal bawardiye, schutters. Een familie van 200 „schutters” heeft uiteraard in den dorpsraad heel wat meer te zeggen dan een van 50. Een kleine familie is in den regel eene van weinig invloed, de groote deelen de lakens uit. Daarom ziet de vader met trots op zijn zonen neer, en een dochter des huis geniet als ze van haar „broers” vertellen kan. Het is feest in huis als een zoon geboren is, en de verwanten en vrienden komen met hun gelukwensch: mubarak ma adsjak, gezegend zij wat tot u kwam! En trotsch en blij beantwoordt de gelukkige vader den groet: allah jebarek fik, God zegene u! Een kop koffie wordt gepresenteerd—de Oosterling is dol op koffie—, en als het „Christenen” zijn volgen ze de [123]„christelijke” gewoonte en drinken een borrel. Droevig dat de „Christenen” overal de beste importeurs van jenever zijn geweest. Men vergelijke overigens het op blz. 22 gezegde ter kenschetsing van het Palestijnsche „Christendom”. Is de jonggeborene een meisje, dan is ’t al mooi als de vader niet boos en heftig uitvalt, maar een feest is hem de geboorte van een dochter niet, tenzij hij al een heele rij zonen heeft. Ook nemen vrienden en verwanten geen notitie van de geboorte van een dochter. Worden iemand eenige dochters geboren, dan komt het voor dat hij zulk een schepseltje Temâm noemt, d.w.z.: nu is ’t genoeg! Ook uit de talrijke spreekwoorden, waarin smadelijk over dochters gesproken wordt, blijkt diezelfde voorstelling. B.v.: „wie veel dochters heeft, die neemt ten slotte nog honden als schoonzonen”, d.w.z. tegen elken prijs wil hij ze uithuwelijken. Nog erger is dit: „het graf is de beste schoonzoon”. Dit spreekwoord doelt blijkbaar op de zede, de dochters levend te begraven. Aan een bedoeïenen-sheik werd gevraagd, hoeveel kinderen hij had. Hij antwoordde: Allah gaf mij zes kinderen. De waarheid was, dat hij zes zonen had, benevens eenige dochters. Maar die laatsten telde hij niet mee. Een Engelsche consul speelde eens een partij schaak met een aanzienlijk Arabier. Daar komt een slaaf van den Arabier aanloopen, en zegt tot zijn meester: Mijnheer, u is een zoon geboren! Deze spoedde [124]zich naar huis en vond zijne vrouw in tranen: het was maar een dochter! De slaaf had in tegenwoordigheid van vreemden niet durven zeggen dat het een meisje was! Oostersche meisjes weten dat alles zeer wel. En als ze willen zeggen dat iets hun maar heel matig plezier doet, zeggen ze b.v.: ’t Is een blijdschap als op den dag mijner geboorte. Toch heeft een Oosterling liever dochters dan heelemaal geen kinderen, want gelijk de geboorte van een zoon voor de familie beteekent toename van eer en invloed, zoo beteekent de geboorte van een meisje toename van kapitaal. Zoodra het meisje nl. kan uitgehuwelijkt worden, ontvangt de vader een niet onaanzienlijke som geld voor zijn dochter, die hem door den bruidegom in zekeren zin moet worden afgekocht. Men zegt zelfs dat het voorkomt dat iemand aan een vader van b.v. vier dochters een niet onaanzienlijk crediet verleent op dien basis.
Bij de geboorte wordt het kind ingewreven met fijngestooten zout. Dit wordt geregeld gedurende eenige weken herhaald en men zegt dat het kind daardoor gehard wordt. Maar ook kwade gevolgen zijn niet zeldzaam. F. A. Klein vertelt van een knaap te Bethlehem die door het onzinnige inwrijven met zout reeds als zuigeling zijn gezicht verloor, daar de scherpe pekel hem in de oogen vloeide. Maar over ’t algemeen schijnt het geen kwaad te doen, want ondanks verregaande verwaarloozing, ondoelmatige voeding, ongeloofelijke [125]onreinheid, sterke wisseling van temperatuur en ons ondoeltreffend schijnende zout-inwrijvingen groeien de kleine, vuile, half of heel naakte fellah-tjes als kool—alle hygiënische theorieën ten spijt. Evenwel, hoe groot het getal der vroegstervende kinderen is, kan niet worden nagegaan, of liever, kon tot nog toe niet, want sedert eenigen tijd is van gouvernementswege bevolen de geboorte van een kind bij den „burgerlijken stand” aan te geven, terwijl op het nalaten boete is gesteld. Maar de kleinen die er dóór komen, zijn in elk geval sterk en taai van gestel. Verwend worden de kleinen niet: uren en uren moet het kind van nog geen acht dagen oud daar liggen in lompen, totdat de moeder, die den 4en of 5en dag na de bevalling alweer met de waterkan op ’t hoofd naar de bron loopt, weer terug is. Trouwens zulke dingen gebeuren niet alleen in Palestina. Schrijver dezes herinnert zich een geval uit Drenthe, waar de moeder ’s morgens haar vierjarig kind vastbond in de wieg, het vuur wat opstookte opdat het warm zou blijven in het vertrek en toen den heelen dag uit werken ging. Toen ze ’s avonds terugkwam, lag haar zoden hut in puin, ze was met kind en al verbrand! Vooral door de tallooze vliegen en andere insecten lijden de kinderen ontzaglijk veel. Werpt de moeder een doek over ’t hoofd van de kleine, dan dreigt het door gebrek aan lucht, te stikken, laat ze het na, dan verzamelen zich zwermen van die dieren op [126]oogen, neus, mond en ooren. De kleine gilt en trapt, maar kan er niets tegen doen, evenmin als de moeder: straks schikt het kind zich in het onvermijdelijke, en doet geen poging meer de insecten te verjagen. Zoo komt het dat ze, grooter geworden, op de straat en vuilnishoopen spelende, om ieder oog een kring van vliegen kunnen hebben zitten, zonder de minste poging om ze te verjagen: een mensch kan aan alles wennen.
De kinderen worden, indien even mogelijk, door de moeders niet korter dan twee jaren gezoogd, en soms veel langer. Men zegt dat het gebeurt, dat jongens van 5 jaar, die op straat en in den modder rondkruipen met een „boterham” in de vuist, moeder ziende, naar haar toeloopen en om een massa d.i. een „slokje” vragen. Want vooral als het jongens zijn, vindt de moeder er een eer in ze zoolang mogelijk te zoogen. Op haar manier verzorgen de Palestijnsche moeders dus hunne kinderen zoo goed mogelijk, en met verontwaardiging hoorden ze door een Europeeschen reiziger vertellen dat hier in Europa instellingen bestaan, die ten doel hebben kinderen tegen de verwaarloozing hunner ouders te beschermen (de kinderwetten!). Het feit dat een dronken fellah-vrouw feitelijk tot de onmogelijkheden behoort, zal wel mee een oorzaak zijn, dat zij nog geen „kinderwetten” noodig hebben. Van hieruit ontvangt het verhaal uit 1 Sam. 1 : 22–28 en 2 : 11 een [127]zekere belichting. Daar wordt gezegd dat Hanna haar kind Samuel volgens hare gelofte, naar den tempel bracht, zoodra hij gespeend was, en dat Samuel daar den Heer diende voor het aangezicht van den priester Eli (2 : 11). Dat wordt begrijpelijk, wanneer wij bedenken dat dit spenen pas zoo laat plaats had of ten minste kon hebben. Hanna heeft haar kind zeker tot zijn vijfde jaar bij zich gehouden, en toen pas gespeend en naar den tempel gebracht. Mogelijk was hij nog wel ouder. Zoo zal ook Mozes’ moeder haar zoon niet maar een maand of wat, maar ettelijke jaren bij zich gehouden hebben (Ex. 2 : 7–10). Ook Matth. 21 : 16: Uit den mond der kinderen en der zuigelingen hebt gij U lof toebereid, komt daardoor tot zijn juiste beteekenis. ’t Zijn dan geen kinderen die nog geen woord kunnen zeggen, maar kinderen die kunnen loopen en praten.
Zoolang de kleinen nog geheel hulpeloos zijn, worden ze ingepakt op de wijze, waarop onze plaat het aangeeft. Ze hebben dan de gedaante van een worst met een hoofd er op of van een kleine mummie. Reeds in Ezech. 16 : 4 vinden we deze gewoonte vermeld, trouwens dat vers bevat een heel repertoire voor bakers: ten dage als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden, en gij zijt niet met water gewasschen, gij zijt ook niet met zout ingewreven, noch in windselen gewonden. De profeet wijst er op hoe de onreinheid en gebrek aan goede behandeling in Jeruzalems jeugd[128]—het goddelooze Jeruzalem wordt hier bij een pasgeboren meisje vergeleken, dat door de ouders niet behoorlijk wordt verzorgd, omdat ze zich van het schepseltje willen ontdoen: vs. 5 het wordt te vondeling gelegd—nog nawerkt, en tevens om te laten zien hoe God zich over dit verwaarloosde kind ontfermde, toen Hij het vond bij den weg, en alzoo Jeruzalem alles aan den Heer te danken heeft. Dat inwikkelen gebeurt zeer soliede. De voeten worden tegen elkaar gelegd, de armen tegen het lichaam en zoo wordt het omwonden tot het geen vinger meer verroeren kan. Meestal hoort daarbij een band onder de kin en over het hoofd, waardoor het kind niet met open mond kan slapen zoodat geen ongedierte in den mond kruipt.
Een eigenaardigheid is nog dat na de geboorte van een zoon de naam van den vader dikwijls wordt veranderd, hij heet voortaan naar zijn zoon. Ook van de moeder geldt het menigmaal. Hem naar een meisje te noemen, zou een beleediging zijn. Dat gebruik noemt men kunja. Men doet dat zoo, dat de vader den naam van zijn zoon krijgt met voorvoeging van abu: vader. B.v. een man wiens zoon Izaäk is genoemd, heet voortaan abu Izaak, waarvoor dan nog menigmaal zijn eigen naam mee genoemd wordt. Ook wordt een zoon vaak genoemd met denzelfden naam als zijn vader en er ibn: zoon, voorgevoegd. Overigens hebben zelden bepaalde ceremoniën plaats bij de naamgeving van [129]het kind. Alleen dit dat de vader, zoodra hij den naam van het kind noemt, er bismillah, „in den naam van Allah”, bij zegt. Een eigenaardigheid is, dat men er algemeen op gesteld schijnt, in één familie, één en denzelfden naam onder allerlei vormen te dragen, een gebruik dat ook in Nederland op ’t platteland voorkomt. Zoo ken ik een boerenfamilie met een zestal kinderen, waar bijna uitsluitend de naam Jan in allerlei variaties voorkomt: Jan, Jantje, Jansje, Jantien, Johan, Jannes, Janus. Om het opgroeiende kind voor het „booze oog” en allerlei andere onheilen te beschermen, worden zijne haren dikwijls aan een heilige gewijd. Zoodra het een of twee jaar oud is, volgt een bedevaart naar een of andere heilige plaats, waar de haren van het kind worden afgeschoren onder bepaalde ceremoniën. Bovendien hangt men de kleine graag allerlei amuletten om, om het voor booze invloeden te beschermen. Ook hier speelt het bijgeloof een groote rol. Zoolang de kleine nog niet loopen kan draagt de moeder het in een soort hangmat op den rug overal heen, en het kind verlaat die verheven zitplaats dikwijls ook niet als de moeder haar werk doet.
Een groot feest is de besnijding, welke plechtigheid plaats vindt in ’t 6e of 7e jaar, of nog later. Het kind dat besneden moet worden, wordt in feestelijken optocht door de straten gevoerd, zittende op een voor die gelegenheid geleend en met allerlei moois opgepoetst paard, gevolgd door [130]een heelen stoet belangstellenden, en voorafgegaan door een barbier of rondreizenden „dokter” mohel genoemd, die de handeling van het besnijden verricht, en muzikanten. De knaap is prachtig uitgedoscht in vrouwenkleeren en veel blinkend metaal. Deze versiering dient om de aandacht van hem zelf af te trekken en op al die kostbaarheden te vestigen, terwijl hij zelf een doek voor den mond houdt. Dit alles uit vrees voor het „booze oog”, dat hem kwaad zou doen. Om de kosten van zulk een optocht minder kostbaar te maken en het toch nog al wat te doen lijken, voegen zich vaak twee of drie families, waarvan een kind moet besneden worden, bijeen, of ook, men sluit zich bij een bruiloftstoet aan, en deelt op die manier op goedkoope wijze in de algemeene belangstelling.
Over de bijgeloovigheden die achter deze en dergelijke handelingen schuilen, zal bij de volgende plaat meer worden meegedeeld. [131]
[132]

[133]
De plaat stelt voor een slapende fellah-familie. Het slaapvertrek is hetzelfde dat wij op de vorige plaat als woonvertrek leerden kennen. Maar we zien het hier van de andere zijde. Bij de vorige plaat stond de toeschouwer bij de deur in het lager gelegen gedeelte. Hier is dat lager gelegen gedeelte op den achtergrond, waar de ezel staat. De oven, op de vorige plaat geheel boven den grond staande, is hier voor een deel onder den bodem verborgen. In het koude jaargetijde slaapt men gaarne in een ronden kring rondom den oven, met de voeten naar den oven gekeerd. Op deze plaat zien we waarom het in Luk. 11 : 7 een bezwaar wordt geacht bij nacht op te staan en den vriend brood te leenen: mijne kinderen zijn met mij te bed. (De Statenvertaling heeft hier niet geheel juist: in de slaapkamer. Het grieksche woord duidt veeleer aan de plaats waar men neerligt). Wanneer niet de heele familie ligt in één vertrek, maar ieder zijn eigen slaapkamer heeft, zelfs een eigen ledikant, zou het geen zin hebben als bezwaar [134]aan te voeren: mijne kinderen en ik zijn te bed. Maar op de wijze als onze plaat aangeeft, spreekt het vanzelf dat het opstaan, ’t zoeken van het brood, het openen van de deur, de heele familie wekken zou. Hier moet evenwel dadelijk worden bijgevoegd dat in meer welgestelde kringen men wel degelijk afzonderlijke slaapkamers heeft, en ook vroeger reeds had, waarom bv. in 2 Sam. 4 : 7 sprake is van het liggen op het bed in de slaapkamer.
Op de plaat zien wij verder dat de Oosterling zich niet ontkleedt bij het naar bed gaan, maar men doet alleen den mantel af, maakt den gordel los en trekt de schoenen uit. Dikwijls dient de mantel, dien men daags draagt, ’s nachts als deken. Daarom wordt Ex. 22 : 26 en Deut. 24 : 12, 13, 17 bevolen een in pand genomen kleed voor den avond terug te geven: indien gij uws naasten kleed te pand neemt zoo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat, want dat is zijn eenige bedekking. Het doet weldadig aan, wanneer we reeds in die oude dagen zulke humane geboden vinden als bekend onder het volk. Door deze wijze van gaan slapen is het mogelijk dat in deze huizen met één vertrek, waar de heele familie slaapt, men toch gasten logeeren kan zonder eenig bezwaar.
Het bed zelf bestaat uit een soort dunne matras, zeer licht en buigzaam, die na gebruik gemakkelijk kan worden opgerold, onder den arm weggedragen en opgeborgen. Zoo [135]wordt ons in de Evangeliën (Matth. 9 : 6; Mark. 2 : 11) van den geraakte verteld, hoe hij op Jezus’ bevel zijn „bed” opneemt en wegdraagt. Reizigers vertellen, dat een Oosterling zelden den heelen nacht doorslaapt: nadat men een paar uur heeft geslapen, staat men op, rookt bv. een sigaret, drinkt wat water, en legt zich dan weer te slapen. Maar dit schijnt speciaal de stedelingen te betreffen. In het heete jaargetijde brengt men dikwijls den nacht op het dak door, waar ’t veel frisscher is dan in de bedompte woningen. Lane zegt dat velen tengevolge van het blootgesteld zijn aan de nachtelijke lucht, oogziekten opdoen, een opmerking die bij ons Westerlingen minder gereedelijk ingang vindt, dan wanneer hij zeide dat de berookte benauwde atmosfeer in de schoorsteenlooze vertrekken dat gevolg had.
Midden in het vertrek zien we op een soort schraag een lampje brandende. Nog tegenwoordig heeft de lamp der fellah’s ongeveer denzelfden vorm als die van 3000 jaar geleden: een aarden schotel, waarvan de randen naar elkaar toegebogen zijn, terwijl op één plaats de rand tot een soort tuit is bijeengedrukt, zoodat het geheel een schelpvormig karakter heeft. In die „tuit” wordt de pit gelegd, zoodat het eene einde in de olijfolie ligt, waarmee het bakje gevuld is. Verscheidene van zulke lampen zijn in Palestina uitgegraven, waaronder er zijn, die dateeren uit den voor-Israëlietischen tijd. [136]
De lamp brandt den heelen nacht door. Niemand slaapt in donker, behalve de bedelaars. De uitdrukking: „hij slaapt in duister” beteekent: hij is geruïneerd. Een van de eerste plichten der huisvrouw is te zorgen dat er olie in de lamp is. Zoo wordt Spreuk. 31 : 18 als een der eigenschappen van een goede vrouw genoemd: hare lamp gaat des nachts niet uit. Een Palestijnsche vrouw, die voor het eerst in haar leven in Europa kwam, en daar langen tijd logeerde, werd op zekeren dag gevraagd, wat haar in onze westersche levenswijze het meest getroffen had. Zonder aarzelen zei ze: twee dingen, in de eerste plaats dat ik als vrouw, hier overal veilig rondloopen kan, en in de tweede plaats: uwe vreeselijke gewoonte om zonder licht te slapen. Duisternis is voor den Oosterling een schrikkelijk ding, en het verwondert niet, in den Bijbel te zien, hoe vaak de duisternis wordt gebruikt als beeld van de gruwzaamste ellende. Een paar bijbelplaatsen ten bewijze. Jes. 47 : 5 wordt het oordeel over Babel in dezen vorm gegeven: ga heen in duisternis, gij dochter der Chaldeën. Psalm 35 : 6 wordt den goddeloozen toegewenscht: hun weg zij in duisternis. En in Job 17 : 13 klaagt de lijder: in duisternis spreid ik mijn bed. Ook in het Nieuwe Testament is de plaats des oordeels een plaats der duisternis, en van de plaats der gezaligden heet het: er zal aldaar geen nacht zijn. Men kent in het Oosten den „schrik des nachts” (Psalm 91 : 5). Daar tegenover is [137]het licht altijd het beeld van leven en kracht en heerlijkheid.
Om nu die nachtelijke duisternis te ontkomen, brandt den heelen nacht door de lamp. En wij verstaan Petrus beeldspraak zoo goed als hij zegt (2 Petr. 1 : 19) dat het profetisch woord is een lamp, schijnende in de duisternis. Zoo is de lamp dikwijls het beeld voor leven, en iemands lamp uitblusschen is: hem dooden of ten minste verdrijven uit zijn huis. Job 18 : 6 heet het van den goddelooze: zijn lamp zal worden uitgebluscht. Nog sterker Job 21 : 17: hoe dikwijls geschiedt het dat de lamp der goddeloozen uitgebluscht wordt, en hun verderf overkomt. Op dezelfde wijze beteekent „iemand een lamp geven”: zijn huis bevestigen (2 Kon. 8 : 19; 1 Kon. 15 : 4).
Die vrees der Oosterlingen voor de donkerheid van den nacht vindt goeddeels haar oorsprong in bijgeloof, nl. de vrees voor booze geesten, waaronder de meest voorkomende wel zijn de z.g.n. djinns. Men gelooft dat ze geschapen zijn eerder dan de menschen, en dat ze een tusschen-positie innemen tusschen engelen en menschen. Vaak vindt men de meening dat ze geschapen zijn uit vuur, en de macht hebben in allerlei vormen te verschijnen, als menschen, wilde beesten, enz. Ook kunnen ze zich naar believen onzichtbaar maken. Ze eten, drinken, planten zich voort, dit laatste zelfs door vereeniging met menschen, en zijn sterfelijk, hoewel ze soms eenige honderde jaren leven. Hun eigenlijke woonplaats is [138]de Kaf, d.i. een bergketen die de aarde omgeeft, maar ze dwalen, vooral bij nacht, overal rond. De boosaardigen onder hen heeten sjeitan d.i. duivels; hun hoofd is Iblis, satan. Overal moet men voor hen op zijn hoede zijn. Ze omringen de menschen aan alle kanten en bewerken onverwacht allerlei onheil, ziekte en dood. In ’t algemeen worden alle onbegrepen verschijnselen aan de djinns toegeschreven. Lane vertelt van een Oosterling, die in Europa werd meegenomen naar een schouwburg, waar plotseling alle lampen werden uitgedaan, zonder dat er iemand aanraakte (’t was electrisch licht), en deze oostersche bezoeker schreef dat aan den invloed der djinns toe. Een krankzinnige wordt beschouwd als speciaal in de macht van een of meer djinns, maar ook overigens wordt elke ziekte aan hunne werking toegeschreven.
Daar de Oosterling zich door tallooze geesten omringd acht, is hij er op bedacht zich tegen hunne grillen te wapenen. Tal van gebruiken in het dagelijksch leven vinden hunne verklaring als maatregelen tegen booze geesten. Als het meest werkzame middel geldt: het noemen van den naam van Allah. Bijna bij elke handeling spreekt de Mohammedaan den naam van Allah uit. Het begint al dadelijk bij de eerste bezigheid in den morgen, het malen van het koren. Als een vrouw koren giet in de opening van den molen, dan zegt ze: smalla d.i. naam van Allah. Bakt ze iets op de [139]gloeiende kolen, dan zegt ze: „gaat weg (nl. gij daemonen) opdat gij U niet brandt”, enz. Vooral in donker zijn ze te vreezen. Daarom is het voorzichtig bij het binnengaan van een donkere kamer den naam van Allah uit te spreken. Intusschen zijn de maatregelen tegen de djinns lang niet alle van zoo’n onschuldigen aard. Zoo gebeurde het in het dorp el-Chadr in de buurt van Jeruzalem, dat in een zekere familie alle kinderen jong stierven, behalve een kind, dat Ali heette. De ouders kwamen daardoor op de gedachte dat in Ali een daemon huisde die de andere kinderen doodde, en besloten dien daemon er uit te drijven. Daartoe hingen ze Ali met het hoofd naar beneden, boven een put, en ranselden hem zoolang tot de daemon uit zijn lichaam in de put was ontweken. Maar Ali was door deze kunstbewerking bewusteloos. Dat ze hem juist boven een put hingen, vindt zijn oorzaak hierin, dat daemonen graag in putten huizen, en deze daemon dus wel het rustig wonen in de put verkiezen zou boven het doodgeslagen worden. Niet het minst bij de opvoeding der kinderen speelt het daemonengeloof een groote rol. Zoo geeft men b.v. een bizonder mooi of voordeelig ontwikkeld kind bij voorkeur een afschuwelijken naam, of kleedt het opvallend leelijk en slordig, of geeft de leeftijd eenige jaren te hoog op, opdat het niet een voordeelig ontwikkeld kind schijne enz. Trouwens de meeste van zulke maatregelen vindt men [140]terug bij alle „animistische” volken, d.w.z. bij al die volken waar het geestengeloof een groote rol speelt.
Gedurende de maand Ramadan, d.i. de 9e maand van het mohammedaansche jaar, de maand waarin een strenge vasten is voorgeschreven gedurende den heelen dag van zonsopgang tot zonsondergang, zijn de djinns in de gevangenis opgesloten, volgens de moslims. Die theorie vindt zijn oorsprong in de gewoonte om zich ’s nachts dubbel schadeloos te stellen voor het honger en dorst lijden des daags. Men kan dan veilig eten en drinken en feestvieren gedurende den nacht. Daar de djinns na afloop van den vastentijd weer loskomen, is het hier en daar gewoonte dat de vrouwen aan het einde dier maand zout strooien op den vloer om de djinns het binnentreden te beletten. Ze spreken daarbij de bekende formule: in den naam van God den genadige en barmhartige.
Een bepaald soort van djinns zijn de Ghoels, die liefst in de gedaante van monsterdieren, kerkhoven en eenzame wegen opzoeken, van lijken leven, nachtelijke reizigers doen verdwalen en in het ongeluk storten. Een mohammedaansche traditie zegt dat djinns, die zooals we boven zagen de bergen rondom de aarde bewonen en vandaar gemakkelijk den ondersten hemel kunnen bereiken, probeeren stilletjes af te luisteren wat Allah in den hemel spreekt, door Allah met steenworpen worden weggejaagd (die steenen zijn de vallende sterren), [141]komen ze dan op ’t vaste land terecht, dan zijn het Ghoels.
Nog tal van andere spook-achtige wezens zijn er volgens het fellah-geloof, die we hier niet zullen noemen. Het spreekt vanzelf dat al deze wezens bij voorkeur de nachtelijke duisternis benutten voor hunne werkzaamheden. En vandaar dat de Oosterling de duisternis vreest, en bij het gaan slapen licht ontsteekt. Ook daar waar dergelijk bijgeloof niet meer heerscht, blijft natuurlijk die gewoonte toch in zwang.
Eene in Palestina wonende dame vertelt een aardig verhaal dat duidelijk laat zien hoezeer het geestengeloof het leven der fellah’s beheerscht. Het komt hierop neer: In een dorp woonde een jong echtpaar; aanvankelijk in goeden doen, nam gaandeweg hun vermogen af, zonder dat ze er een verklaring voor konden vinden, daar beide zeer zuinig leefden, en geen enkele buitensporige uitgave deden. Sommige huishoudelijke artikelen raakten op onverklaarbare wijze zoek, en zelfs miste de man op een goeden dag zijn paard. Hij en zijne dorpsbewoners gingen zoeken in alle richtingen, vergeefs. De man, die zijn paard niet missen kon, besloot er alleen op uit te gaan, en den omtrek af te reizen, daar hij vermoedde dat rondtrekkende bedoeïenen zijn paard hadden gestolen. Bij zijn vertrek waarschuwde hij zijn vrouw dat hij mogelijk vele dagen van huis zou zijn. Op den eersten dag zwierf hij door een omgeving, die rijk was aan holen [142]en spelonken, waarin zich de herders met hunne kudden ’s nachts plegen op te houden. Tegen den nacht langs zulk een hol komende, zag hij daarbinnen licht. Hij vermoedde dat daar herders waren, en besloot er binnen te gaan en te vragen of ze zijn paard ook hadden gezien, en anders gastvrijheid voor den nacht bij hen te ontvangen. Hij trad de grot binnen, en stond daar plotseling voor een gezelschap djinns die hem uitnoodigden, den nacht bij hen door te brengen. Uit vrees hen boos te maken, nam hij hunne uitnoodiging aan, hoewel hij veel liever het hazenpad gekozen zou hebben. Ze noodigden hem uit deel te nemen aan den maaltijd, die juist beginnen zou. Hij weigerde, vast van plan te ontsnappen, zoodra de gelegenheid zich maar voor deed. Maar zij drongen sterk aan, zeggende, dat alles wat hij hier om zich zag, immers zijn eigendom was. Daar de Oosterlingen dat dikwijls zeggen tot hun gasten, louter als een beleefdheidsvorm, zooals wij zeggen: doe alsof ge thuis waart, meende hij dit ook enkel als vriendelijke zegswijze te moeten opvatten. Hij liet zich echter niet overhalen. Toen vroegen hem de djinns, wat hij zoo laat op ’t veld uitvoerde, waarop hij vertelde het droevig verhaal van het gestolen paard. O, zeiden ze, dat treft goed, want wij hebben uw paard, en tegelijk gaf de overste bevel, het paard te brengen. Aangenaam verrast herkende de man dadelijk zijn eigen paard. Welnu zeide de overste, ge kunt dus gerust zijn, ik zal ook [143]uw paard laten voederen, en ge ziet dat ge in goed gezelschap zijt, en kunt rustig met ons mee eten. De man liet zich nu den maaltijd der djinns, die precies was toebereid als die in zijn eigen huis, goed smaken. Zelfs zijn lievelingsgerecht ontbrak niet.
Toen hij verzadigd was, stond hij op en bedankte met de gewone formule: Allah jekattir cherkom, d.i. Allah vermeerdere uw welvaart. Maar de gastheer antwoordde: mijn waarde, ge behoeft in het geheel niet te bedanken, want de rijst en de boonen, ook het voer voor uw paard, het is alles uw eigendom. De man hield ook die woorden voor niets anders dan beleefdheidsphrasen, waarmee de Oosterling zoo kwistig is, bedankte nogmaals en reed goedsmoeds op zijn paard naar huis. Tegen middernacht kwam hij daar aan, tot groote verrassing van zijne vrouw het verloren paard medebrengend. Zij zette hem in de blijdschap van haar hart een schotel met zijn lievelingsmaal voor. De man was verbaasd, want hij meende precies denzelfden schotel bij de djinns in de grot te hebben gezien, en die verwondering steeg nog, toen de deksel er werd afgenomen, en het bleek, dat juist den handvol, die hij bij de djinns uit dien schotel genomen had, hier ontbrak. Zijne vrouw zei: o excuseer, ik dacht dat ik den schotel had toegedekt, maar ik zie dat de kat er van gesnoept heeft. Maar de man antwoordde: neen, vrouw, niet de kat heeft dat gedaan, dat heb ik vannacht [144]zelf gedaan, en nu begrijp ik, waarom de djinns zeiden, dat alles wat ik at, mijn eigendom was. De djinns die mijn paard gestolen hebben, hebben ook van onze rijst en onze gerst gestolen, en mij mijn eigendom voorgezet. Verschrikt liep de vrouw naar haar voorraad koren, en zag dat inderdaad ook daarvan wat ontbrak. Nu wist het echtpaar meteen, waaraan hun achteruitgang te danken was: de djinns ontstalen hen hun goed. De man zeide: ik mag u geen verwijt maken, want ’t is mijn schuld evengoed als de uwe. Ik had, dadelijk toen ik u trouwde, moeten vragen: bitsammi? d.w.z. pleegt gij bij al uwe handelingen de naam van Allah uit te spreken? Voortaan zullen we altijd bij alles wat we doen, den naam van Allah noemen. Zoo geraakte dit echtpaar weer tot vroegere welvaart.
Dit verhaal is leerzaam om te weten hoe de fellahs leven in voortdurende vrees voor booze geesten, en hoe, behalve het vermijden van de duisternis, door den heelen nacht de lamp te branden, het noemen van den naam van Allah een werkzaam middel is, om aan hunne listen te ontkomen. [145]
[146]

[147]
Men onderscheidt in Palestina zoowel bij stad- als landbewoners eigenlijk maar twee maaltijden, een morgenmaaltijd en een avondmaaltijd, wat niet wegneemt dat ook tusschentijds wel gegeten wordt. De avondmaaltijd is het hoofdmaal. Het eten wordt soms opgediend in de pan waarin het gereed gemaakt is, soms in een houten schotel, die behalve voor eten, ook wel dient om de handen of de hemden te wasschen. Lepels, vorken, borden enz. zijn bij de eenvoudigste fellah’s onbekend; in de steden en in de om de steden gelegen dorpen begint men evenwel van deze dingen gebruik te maken. In vele gevallen wordt de tafel „uitgespreid”, d.i. een mat die men op den vloer legt, of ook dient een groote steenen of metalen plaat die op een soort drievoet of op den oven wordt gezet, voor tafel, waaromheen men dan gehurkt zit met onder het lichaam gekruiste beenen. Soms ook vindt men een meer liggende houding, b.v. Joh. 13 : 23. Maar dit „aanliggen” is in Palestina lang niet zoo algemeen als dikwijls wordt gedacht, en een gewoonte [148]die waarschijnlijk van buitenaf is ingevoerd, en vooral in de steden bij weelderige maaltijden in gebruik kwam. In Richt. 19 : 6, 1 Sam. 20 : 5, 1 Kon. 13 : 20 en andere plaatsen vinden wij nadrukkelijk vermeld, dat men, aan tafel aanzat. Op onze plaat zien wij de bij de fellah’s meest gewone manier van aanzitten.
De huisvader eet meestal samen met zijn vrouw en kinderen, maar, vooral in de hoogere klassen worden er gevonden, die daarvoor te trotsch zijn, en alleen eten; hun vrouw, die voor hun maaltijd zorgt, eet dan later. Meestal ontbloot de eter zijn rechterarm tot den elleboog—op onze plaat is dit niet zoo—omdat men met de hand eet, en de lange mouwen anders met den inhoud van den schotel in aanraking zouden kunnen komen. Ons Westerlingen lijkt die manier van eten nogal onsmakelijk, maar reizigers, die in een fellah-woning gastvrijheid hebben genoten, zeggen, dat dat erg meevalt, aangezien men niet maar met de hand in den schotel omgrabbelt, maar bij voorkeur een stukje brood afbreekt, dat doopt in den dikken brij die zich in den schotel bevindt, en ’t dan op eet. Of ook wel maakt men van het stuk brood, dat gebakken wordt in den vorm van een platten ronden pannekoek, door de kanten op te drukken een soort van broodlepel, schept daarmee de saus uit de midden op de tafel staande kom en eet dan den lepel met den inhoud op. Voor meer soepachtige spijzen gebruikt [149]men meestal een houten lepel. Men schept met ’t zelfde stukje brood nooit twee keer. Het eten op zoo’n manier is vooral niet onsmakelijker dan de wijze, nog tegenwoordig veelvuldig bij de plattelandsbevolking in het oosten van ons land gebruikelijk, om nl. midden op tafel een grooten schotel te zetten, waaruit de heele familie met lepels eet. Daarbij gaat de lepel van den schotel naar den mond en van den mond weer naar den schotel. Op onze plaat zien we op den voorgrond een stapel van die pannekoek-vormige brooden liggen. De naam „brood” beantwoordt dus, vooral wat den vorm betreft, heelemaal niet aan onze voorstelling van brood. Ook is het volume veel kleiner. Zoo moeten wij verstaan als in het Evangelie Jezus de gelijkenis bezigt van den man die ’s nachts tot zijn vriend komt met de vraag: vriend leen mij drie brooden. Voor ons zou één brood al meer dan voldoende zijn om een hongerigen reiziger te verzadigen, maar ten eerste zette men graag zijn gast veel meer voor dan hij noodig had—zie beneden—en vervolgens is „drie brooden” volstrekt niet zoo’n groote hoeveelheid. Het brood wordt nooit met een mes gesneden, maar altijd gebroken, een gewoonte die ons ook uit den Bijbel welbekend is. Voor dat het maal begint, zegt men gaarne: bismillah, d.i. in den naam van Allah. Men zegt dat zacht, haast onhoorbaar, nadat de gastheer of huisheer het ’t eerst heeft gezegd. Zijn er gasten, dan is dat [150]„bismillah” meteen de uitnoodiging om mee toe te tasten. Is toevallig een mohammedaansch of christelijk priester aanwezig, dan zal men hem vragen een „gebed” te doen, zooals dat ook ten onzent op het platte land niet ongewoon is. Overigens bidt men vóór het eten niet, maar vergenoegt zich met het bovengenoemde „bismillah”. De huisheer begint het eerst te eten, en op zijn voorbeeld volgen de anderen, allen hun brood in denzelfden schotel indoopende. ’t Is op deze wijze dat Jezus met zijne discipelen aan den laatsten maaltijd aanzat, en zeide: die met mij de hand in den schotel indoopt, die zal mij verraden. Wanneer een gastheer een zijner gasten bizonder eeren wil of ook een kleine attentie wil bewijzen, dan neemt hij een smakelijk stukje brood, doopt het in den schotel en geeft het aan den gast. Op de plaat zien we den gastheer een zijner gasten zulk een „bete” toereiken. En uit de Evangeliën herinneren wij ons hoe Jezus in den nacht waarin hij verraden werd de „bete” gaf aan Judas den verrader. Judas had al heel wat vriendelijkheden van den Meester ondervonden, maar nu hij hier boven de anderen door den Heer wordt uitgekozen voor deze daad van vriendelijke toegenegenheid, nu wordt het den verrader te machtig; die „bete” wil hem niet door de keel, hij kan ’t nu in dien kring, en vooral bij dien Meester, die altijd goed voor kwaad vergeldt, niet langer uithouden. „En hij de bete genomen [151]hebbende, ging terstond uit; en het was nacht,” Joh. 13 : 30.
Bij den maaltijd komt de eigenaardige oostersche gastvrijheid het meeste uit. Nooit zal men ter wille van een bezoeker die wat lang blijft, het etensuur laten passeeren: dat zou strijden met de welvoegelijkheid. Hetzij de bezoeker een vreemdeling is of een vriend, zoodra het etensuur daar is, zal de huisheer bevelen het eten te brengen. Te eten in tegenwoordigheid van een gast, zonder hem uit te noodigen mee te eten, zou eenvoudig onhebbelijk worden gevonden. Wil iemand zijne gasten bizonder eeren, dan eet hij niet met hen mee, maar staat erbij om hen te bedienen. Zoo lezen wij van Abraham, Gen. 18 : 8, dat hij onder den boom stond, toen zijne gasten aten. Alleen als de gasten hem uitnoodigen mee te eten, neemt hij in dat geval ook deel aan den maaltijd. Men laat een gast zelfs niet wachten tot het eten, maar presenteert hem vast cigaretten of citroen-limonade. Onderwijl wordt de koffie gereedgemaakt, d.w.z. de boonen worden geroosterd en in een soort vijzel stuk gestampt. Dat stukstampen geschiedt opzettelijk met veel lawaai en op een bepaalde rythmus, om de buren opmerkzaam te maken dat er een gast is. Deze komen aanloopen en bestormen den vreemdeling met hun nieuwsgierige vragen, onderwijl hem de koffie wordt gepresenteerd.
Het eten met de hand, waarvan boven sprake was, heeft natuurlijk invloed op de bereiding der spijze. Het hoofdvoedsel [152]is voor de fellah’s brood en water. Dat is zoo gebleven sedert oude dagen. Zoodat Abraham die Hagar met haar zoon wegzendt met brood en water (Gen. 2 : 14) haar daarmee den gewonen landkost meegeeft, evenals Obadja (1 Kon. 18 : 4) die 100 profeten in grotten verbergt en met brood en water onderhoudt, d.i. hun het gewone voedsel verstrekt. Op „brood en water” leven heeft voor onze ooren een heel anderen klank. De fellah vindt het een bizonder genot als hij zijn brood in olie doopen kan bij het eten. Die olijfolie wordt dan vooraf met wat pekel vermengd, en is in heel Palestina zeer gezocht. Het verhaal van de weduwe te Sarepta laat zien hoe toen dezelfde wijze van brood eten werd gevolgd (1 Kon. 17 : 12). Als toespijs neemt men gaarne ingemaakte olijven.
Behalve brood, olijven en olie levert het plantenrijk van Palestina tal van eetbare „groente”, die deels gekookt, deels gedroogd, deels als gelei gegeten wordt. Boonen, linzen, erwten, spinazie, bloemkool, en vooral ook uien en knoflook. Reeds in Num. 11 : 5 zien wij dat die dingen toen ter tijde reeds als lekkernij golden: wij gedenken aan … de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look en aan de ajuinen, en aan het knoflook. Verder zijn vijgen, druiven en abrikozen zeer gewilde vruchten. Vleeschgebruik is zelden en bepaalt zich hoofdzakelijk tot de feestdagen, als bij de geboorte van een zoon of diens besnijdenis, bruiloft, schapenscheren of [153]’t bouwen van een huis. Het vleesch eet men meestal met rijst, een soort currie-schotel. Het vleesch wordt met de hand stukgescheurd, van de rijst maakt men met de hand balletjes, die met den duim heel handig in den mond geschoven worden. In de buurt van de zee van Galilea wordt natuurlijk veel visch gegeten. Vermelding verdient nog de merkwaardige manier waarop soms een heel dier gebraden wordt. Men graaft een ondiep gat in den grond, en bouwt daaroverheen een uit steenen en leem samengesteld gewelf. In dezen „oven”, voorzien van een deuropening en een rookgat, wordt één tot twee uur lang hard gestookt. Daarna schuift men ’t schaap, na den kop en de ingewanden verwijderd te hebben door de opening naar binnen, stopt vervolgens alle openingen goed dicht, en wacht dan twee uur lang. Dan is het gebraad gereed. Natuurlijk vindt zoo iets alleen bij feestelijke gelegenheden plaats. Als ’t kàn heeft men graag een kop koffie na het eten, vooral als er gasten zijn. De gast geeft dan de leege kop terug, zeggende: daiman d.i. altijd. Het is een verkorte uitdrukking voor: moogt gij altijd koffie hebben. Ook staat het netjes als de gast bij het opstaan van tafel door luide oprispingen of „boeren” te kennen geeft dat ’t hem goed smaakte. Wij vinden zulke gewoonten vreemd en eigenaardig, maar op het platteland ook ten onzent kan men dagelijks waarnemen dat gebruiken die ons tegen de borst zijn, niet den minsten [154]aanstoot verwekken. Onder die ons vreemde gebruiken behoort ook dit dat de gastheer zelf het vleesch met de handen vaneen scheurt en elk der gasten het voor hem bestemde portie voorlegt, een gebruik dat trouwens ook bij onze plattelandsbevolking nog veelvuldig gevonden wordt. Wil men daarbij een gast bizondere eer bewijzen dan legt men voor hem een heel groote portie neer. Zoo lezen wij dat Jozef, toen zijne broeders in Egypte kwamen om koren te koopen, en hij hen te gast had, voor Benjamin een vijfmaal zoo groote portie deed neerleggen als voor de anderen, om te zien of ze ook jaloersch zouden zijn. Dat jaloersch zijn was dan natuurlijk niet omdat Benjamin nu zooveel méér kon eten dan zij—want het gebruik eischt dat men voor een gast altijd veel meer neerzet dan hij noodig heeft maar wegens de eer die daarmee aan Benjamin werd aangedaan. [155]
[156]

[157]
Onze plaat stelt een typisch tooneeltje in Palestina voor, nl. de verdeeling van het land bij het begin van den zaaitijd. Om de plaat goed te verstaan, is het noodig op enkele bizonderheden van het Palestijnsche landleven wat nader in te gaan.
Palestina heet in den Bijbel het land, vloeiende van melk en honig. In den letterlijken zin des woords is dat tegenwoordig niet meer zoo. Er groeien in Palestina veel te weinig bloemen, dan dat er overvloed van honig zou kunnen zijn. Daar echter honig weinig gevraagd wordt, is de prijs niet bovenmatig hoog: ongeveer 60 cent per kilo. Anders is het met de melk. In het voorjaar betaalt men voor koe- of geitenmelk 30 tot 36 cent per liter; in het najaar zelfs meer dan 60 cent. Trouwens er zijn er die het ook voor de oude dagen niet letterlijk meenen te moeten opvatten, maar het òf verklaren als: alle vruchten van Palestina zijn zoo zoet als melk en honig, òf er onder verstaan: Israël zal in Kanaän overvloed van melk hebben vanwege de veelheid der kudden en op allerlei wijze honig kunnen bereiden, [158]’t zij als bijen- of vijgen- of dadel- of druivenhonig. In dat geval zou de uitdrukking „vloeiend van melk en honig” niet anders bedoelen dan te wijzen op de buitengewone vruchtbaarheid van het land. Maar ook dàt kan van het hedendaagsche Palestina niet meer worden gezegd. Het schijnt evenwel dat de tegenwoordige toestand van het land veel meer een gevolg is van verwaarloozing, en dat bij goede behandeling het land ook nu groote opbrengsten leveren kan. Het Duitsche consulaat te Jaffa (Joppe) schreef voor enkele jaren: „Bij de vruchtbaarheid van den bodem in het algemeen zou het land zich tot een rijk en ook oeconomisch beteekenisvol deel van het Turksche rijk ontwikkelen,” en een consul te Haïfa schreef dat akker- en tuinbouw in dit land nog een groote toekomst hebben. Uit allerlei sporen is nog op te maken dat men in vroeger dagen de productiviteit van den grond beter heeft weten te benutten dan tegenwoordig.
Er is echter de laatste 30 jaar weer een vooruitgang te bespeuren. In sommige streken is het terrein voor landbouw verdubbeld, in de buurt van Joppe worden voortreffelijke boomgaarden aangelegd; ook de wijnbouw begint een groote rol te spelen. Abrikozen- en amandelkultuur begint zich weer te ontwikkelen. En als de sociale positie der bevolking maar een betere was, zou er heel wat meer energie ontwikkeld worden. De voorwaarde voor een goed kultuurland zijn er goeddeels wel aanwezig. [159]
Maar in alle geval zal de regenval in de oudheid een overwegenden invloed hebben gehad, zoo goed als tegenwoordig. Reeds Deut. 11 : 10 vgg. wordt Palestina onderscheiden van Egypte hierin dat het een land is, dat niet als een groentetuin kan worden bevloeid, maar dat den regen van den hemel indrinkt, „een land waarvoor de Heer uw God zorgt.” Het hedendaagsch Palestina vertoont buitengewoon sterk den invloed der jaargetijden. Midden October heeft het land het meest verlaten en onvruchtbaar aanzien: de velden zijn kaal, de vruchtboomen en wijnstok leeg. Het groen is verdord of reeds afgevallen. De bodem hard als steen met diepe scheuren door ’t opdroogen. Dat begint tegen het einde van October, den tijd van den eersten regenval te veranderen, en van dat oogenblik af vertoont het land van maand tot maand een ander aspect.
De Palestijnsche landman verdeelt het jaar in drie gedeelten, ingevolge zijn landarbeid:
In den loop van October verzamelen zich wolken in het Westen, plotseling steekt een hevige wind op, en alles is in verwachting van den komenden regen, die meestal gepaard [160]gaat met onweer. Eenige zware dikke regendruppels kondigen den naderenden stortvloed aan en worden met gejuich begroet. Dat is de „vroege regen” waarvan ook in den Bijbel zoo dikwijls sprake is. Den 16en November viert men in Lydda, noordwestelijk van Jeruzalem, het feest van een zekeren heilige, die door de Joden Elias, door de Mohammedanen el-Chidr, door de Christenen St. George wordt genoemd. Zijn feest beteekent voor den Palestijnschen fellah het begin van de landarbeid, nl. wanneer minstens 14 dagen van te voren de regentijd is begonnen. Soms blijft hij uit tot midden November, ja zelfs tot December, en komt pas tegen dat de echte winterkou optreedt. Dat is groote schade voor den fellah, want zoodra de op tijd komende „vroege” regen den uitgedroogden en door de droogte gebarsten bodem heeft doorweekt, kan hij beginnen met het „winterkoren”. In dezen tijd verplaatst ons de scène op de plaat. Al moet bij het woord „winterkou” niet aan onze winters worden gedacht, toch is ’t er vaak zóó, dat de temperatuur beneden het vriespunt komt, en sneeuw is niets ongehoords. De maand Februari staat in een kwaden reuk. Bij de grillige „Maartsche buien” vertelt men elkaar gaarne een anecdote: „een oude vrouw, blij dat de gure Februari-dagen ten einde liepen zei: daar gaat Februari, en krijgt „’t heilige kruis” na. De maand Februari voelde zich beleedigd en zon op wraak. Hij verzocht aan zijn broeder Maart om drie dagen, om samen [161]die oude vrouw met haar spinnewiel te straffen. Maart willigde in: en begin Maart woedden de gure buien met nieuwe kracht, en de koude werd ondragelijk. De oude vrouw verbruikte al haar brandhout, en toen dit op was, verbrandde ze haar spinnewiel, en stierf ten slotte van kou.” Zoo’n verhaal bewijst voldoende dat men ook in Palestina de „Maartsche buien” kent. De Palestijnsche boer heeft een spreekwoord: „als ’t gedijt: Maart komt nog; als ’t niet gedijt: Maart komt nog,” d.w.z. gij moet bij goed en bij slecht vooruitzicht uw oordeel opschorten, totdat Maart voorbij is.
Het uitblijven van den regen beteekent voor den Palestijnschen boer een mislukte oogst. Dan worden bidstonden gehouden, speciaal ook Maria, de „regenmoeder” wordt aangeroepen, en processies worden gehouden, waarbij de schuldbelijdenis soms een groote plaats inneemt: om onzer zonden wil, is de zomer tot winter geworden! Een eigenaardig gebruik is ook, dat bij het uitblijven van den regen vrouwen met ledige korenmolentjes in de hand naar buiten loopen, de molentjes doen draaien, zingend dat ze niets te malen hebben. Dit gebruik heerscht vooral te Nazareth. Kinderen loopen met een leege petroleumkan in de eene, en een stok in de andere hand, waarmee ze aan de ledige kannen een soort van muziek ontlokken, schreeuwend door de straten. Daarbij klagen ze over het gebrek, waardoor ze geen nieuwe kleeren kunnen koopen en straks misschien, [162]als weleer Jakob naar Egypte de wijk moeten nemen. Op sommige plaatsen wordt vooral Sint Nicolaas om regen gebeden. Een in onze oogen zeer zonderling gebruik vindt men bij sommige mohammedaansche fellahs: een oude vrouw wordt op een ezel gezet, terwijl ze een haan in de hand houdt. In optocht, waaraan tal van dorpelingen deelnemen, wordt ze naar het dorpshoofd gevoerd. Onderweg drukt en knijpt ze den haan zoolang, tot hij kraait. Dit alles gaat gepaard met het opzeggen van een kreupelrijm, vragend om regen. Bij het dorpshoofd aangekomen, treedt deze naar buiten, besprenkelt de menigte met water en zegt: God moge u met uws Heeren barmhartigheid drenken.
Tot recht verstand moeten nog enkele opmerkingen voorafgaan over het grondbezit. Men kan in Palestina onderscheiden, wat het gekultiveerde land betreft, drie soorten van bouwland. Het eerste heet ard miri, d.i. staatsdomein, regeeringsland. De naam is afgekort voor ard emiri. De emir is de regeeringspersoon, de stadhouder. Tot dit ard miri behooren vooral de groote vlakten, zooals de vlakte van Jaffa, Ramle, Esdrelon enz. Deze landerijen worden door de regeering aan een geheel dorp of ook aan enkele personen verpacht. De pachter moet voor het recht van bebouwen den pachtheer de tienden opbrengen. De pachter heeft natuurlijk niet het recht om miri-land te verkoopen, maar heeft alleen het recht van bebouwen gedurende langeren [163]tijd. Dat recht blijft gedurende het leven van den pachter van zelf voortbestaan; komt hij te sterven dan gaat dat recht op zijne kinderen of zelfs verdere verwanten over. Heeft hij die niet, dan valt het weer terug aan den Staat, en volgt een nieuwe verpachting. Een groote belemmering is ook dat de velden waarop sedert jaren de bedoeïenen met hunne kudde rondzwierven, nadat ze in particuliere handen zijn overgegaan, door de bedoeïenen nog steeds als een soort eigendom worden beschouwd, zoodat ze den daarop groeienden oogst vaak vernielen of rooven.
De tweede soort grond heet: ard wakf, wij zouden zeggen: ad pios usus. Dat is land dat door een vroegeren eigenaar geschonken is aan een of andere stichting, klooster, moskee, school, armenhuis enz. Sommige zulke stichtingen, zooals de Omarmoskee te Jeruzalem, hebben uitgestrekte landerijen in bezit. Men zegt dat vooral christelijke boeren zich door de kloosters lieten overhalen hunne akkers aan de kloosters af te staan, en zelf als vruchtgebruikers het land bleven bebouwen, ze dachten daardoor van de zware en vaak onbillijke belastingen af te komen, maar raakten natuurlijk van den regen in den drup. Dit land is eenigszins te vergelijken met onze „kloostergoederen”. Ook dit land kan niet verkocht, maar alleen verpacht worden. De tiende wordt hiervan natuurlijk aan de bepaalde stichting ter hand gesteld, d.w.z. aan den bestuurder van zoo’n wakf (stichting), maar [164]men zegt dat daar dikwijls niet veel van terechtkomt, en die bestuurders ’t hoofdzakelijk voor eigen onderhoud gebruiken.
Het derde soort land heet ard mulk d.i. eigendom. Dat is zooals de naam al zegt, land waarover de eigenaar de vrije beschikking heeft, daarnaast onderscheidt men dan nog braakliggend land (ard-búr) en dood land (ard-mejjite). Deze beide laatste soorten ontbreken in Palestina met zijn slechte oeconomie, niet.
Van het voor bouwgrond bruikbaar land is het overgroote deel ard miri of ard wakf, waarvan de bebouwers dus slechts pachters zijn. Bij de meeste dorpen behoort een stuk van het omliggende land, dat ze sedert onheugelijke jaren op deze wijze in pacht hebben. Dat land ligt zonder scheiding of grens tusschen de verschillende akkers als één groote vlakte rondom het dorp. De bebouwers wonen dan niet, zooals wij dat bij ons vaak kunnen waarnemen, verspreid, ieder op hun stuk land, maar bij elkaar in het dorp. Dat hangt eenerzijds samen met de meerdere veiligheid, anderzijds met het feit dat zij niet individueel pachters zijn, maar dat het dorp als geheel pachter is. Dat is van oude tijden al zoo geweest. Toen Jozua volgens het bijbelsch verhaal aan Israël bij het lot zijn grondgebied aanwees, beteekende dat niet dat elke Israëliet een bepaald stuk land ontving, maar werd het land verdeeld aan de stammen, en binnen elken stam weer aan de geslachten, en binnen elk geslacht weer [165]aan de families. De families woonden, zooals we vroeger al zagen, gaarne bijeen in het zelfde dorp, en in grootere dorpen in bepaalde kwartieren. En ook toen de familieverhouding tusschen de leden van één dorpsgemeenschap fictief werd, bleef toch altijd het te-zamen-behooren in het volksbewustzijn leven.
Zoo ligt dus om elk dorp een groote strook land, die als gemeenschappelijk bezit geldt, ten minste als pachtbezit, en waarvan de deelen door geen heg of sloot zijn gescheiden. Dat is het „veld” (sade waarvan in den Bijbel zoo dikwijls sprake is). Toch is er wel een scheiding tusschen de stukken die ieder ter bebouwing krijgt. Zoo’n apart stuk heet chakel, in den hebreeuwschen bijbel chelka, waarvan b.v. sprake is 2 Kon. 9 : 25, waar Jehu beveelt het lijk van Achab te werpen op het stuk land van Nabot, of Ruth 2 : 3, waar Ruth aren leest op het deel van het veld van Boaz. (In de Statenvertaling staat onjuist „een” deel van het veld van Boaz, er wordt mee bedoeld dat stuk land dat door Boaz werd bearbeid). Het woord chelka werd en wordt ook gebruikt voor een akker dien men in vollen eigendom heeft, maar uit den naam chelka is nog te zien dat de oorspronkelijke bedoeling was: een stuk land ter bebouwing toegewezen.
Zulke stukken land dragen dikwijls een eigen naam: de patrijsakker, de muizenakker, de bronnenakker, de pottebakkersakker, enz. Zoo vinden wij in Matth. 27 : 8; Hand. 1 : 19 [166]gesproken van den bloedakker, in het syro-chaldeesch: hakel-dama, waarvan het eerste woord natuurlijk gelijk is aan het bovengenoemde chakel.
Op welke wijze worden deze stukken (chakels) onder de bewoners verdeeld? In November, bij het begin van den regentijd, ligt het ard miri zonder eenige onderverdeeling als één groot uitgestrekt veld rondom het dorp. Is nu de tijd tot ploegen gekomen, dan verzamelen zich allen die een stuk land „onder de ploeg” willen hebben in de saha (open plein) of madafe (herberg), zooals op onze plaat te zien is. De imâm of chatib, wij zouden zeggen, de burgemeester, die allerlei functies tegelijk vervult, en gewoonlijk de eenige is die behoorlijk schrijven kan, is de voorzitter. Op de plaat is hij op den voorgrond hurkende voorgesteld. Hij neemt de namen van alle aanwezigen op, en schrijft achter hun naam het getal „ploegen” waarover deze beschikt. Een „ploeg” wil zeggen: één juk ossen. Heeft iemand maar „een halven ploeg” d.w.z. één trekdier, dan voegt hij zich met een ander die in gelijke conditie verkeert, tezamen. Wanneer nu b.v. 40 „ploegen” in het geheel zijn opgegeven, dan worden die in 4 groepen verdeeld, elk van 10 ploegen, en over elk van die groepen wordt een chef gekozen, die voor hen handelt, en hen vertegenwoordigt. Zijn nu aldus de deelnemers in 4 groepen (elk van 10) verdeeld, dan wordt het geheele te bebouwen terrein, zoodanig [167]in vieren verdeeld, dat het slechte en ’t goede land gelijkelijk aan de 4 groepen toevalt. Over deze verdeeling in vieren, die wegens het groote verschil in vruchtbaarheid van het land zeer moeielijk billijk uit te voeren is, worden tusschen de chefs der afdeelingen vaak langdurige besprekingen gevoerd. Zijn ze het over deze indeeling eens, dan wordt het lot geworpen, aan wie der 4 groepen elk der 4 deelen zal komen. Onze plaat stelt het oogenblik dier loting voor. Dat gebeurt nl. zoo dat elk der chefs een of ander voorwerp, steentje, blikje enz. doet in een leeren zak, dien de chatib in de hand houdt. Nu noemt de chatib een der 4 deelen waarin het geheel verdeeld is, door de namen der „akkers” op te noemen, waaruit dat deel bestaat. Onderwijl wordt een kleine jongen opgedragen een der 4 voorwerpen uit de zak te nemen. Degene der chefs, van wie dit voorwerp is, krijgt het stuk land, waarvan de naam genoemd is. Men kiest voor het uitnemen der „loten” graag een klein kind, om knoeierij te voorkomen. Op dezelfde wijze wordt met de andere drie stukken land gehandeld.
Nu is het land dus verdeeld in 4 groote stukken, elk van 10 „ploegen”. Dan beginnen de chefs de hun toegewezen stukken te verdeelen onder de menschen van hun afdeeling. Daartoe wordt het toegewezen stuk verdeeld in tien akkers, en elk der tien akkers in tien strooken, welke door een osseprikkel (een stok van ongeveer 8 voet lengte of door een ander [168]meetsnoer) worden afgemeten. Op den achtergrond onzer plaat zien wij mannen bezig de akkers uit te meten. Dat verdeelen der akkers in tien strooken geschiedt omdat niet ieder een afgebakend stuk van het geheel krijgt, maar van elk tiende deel een stuk, wat alweer gebeurt om redenen van billijkheid: anders zou de één een veel vruchtbaarder stuk onder den ploeg kunnen krijgen dan de ander. Het behoeft niet eens te worden gezegd, hoe verderfelijk deze manier van landverhuren voor het land zelf is. Daar een fellah bijna zeker weet dat hij elk volgend jaar een ander stuk land onder den ploeg zal krijgen, doet hij natuurlijk niets om het te verbeteren, onkruid weg te ruimen of te bemesten. Hij haalt er eenvoudig uit wat er uit te halen is, er niet om gevend in welken toestand zijn opvolger het volgend jaar dien akker vinden zal. Onze Nederlandsche boeren zouden zulk een manier van landbewerking „roofbouw” noemen.
Zulk een meetsnoer wordt ook in het oude Testament herhaaldelijk genoemd, het heet daar chebel. Zoo bedreigt Amos de goddelooze Israëlieten dat hun land door het meetsnoer (chebel) zal verdeeld worden aan anderen (Am. 7 : 17), en wordt in Psalm 105 : 11 gezegd dat Kanaän aan Israël is ten deel gevallen door het meetsnoer. Zeer bizonder licht valt hieruit op de bekende bijbelplaats Psalm 16 : 5b en 6, waar letterlijk vertaald, gezegd wordt: „gij handhaaft mijn lot; de meetsnoeren zijn mij gevallen in [169]liefelijke oorden, ja mijn erfdeel bekoort mij zeer.” Als wij bedenken dat dit woord gesproken werd te midden van een volk dat aan de jaarlijksche uitmeting en loting van het land gewoon was, krijgt deze uitdrukking een zeer teekenachtig karakter. „Gij handhaaft mijn lot.” Het woord dat hier door „handhaven” is vertaald, levert eenige moeielijkheid, maar ik geloof toch den juisten zin te hebben weergegeven. Gij handhaaft mijn lot, zegt de dichter, en wil er mee zeggen: gij o God zult het mij toebedeelde beschermen tegen elken vijandigen aanval. „God handhave mijn lot” zegt nog heden ten dage de man wiens steentje uit den zak kwam, en wiens „lot” daarmee was aangewezen. Het woord „lot” in Psalm 16 heeft dus niets te maken met levenslot, maar is bij wijze van overdrachtelijke uitdrukking den naam voor het stuk land, dat door het lot is toegewezen. De dichter stelt er te meer prijs op dat God zijn lot handhaaft, omdat „de meetsnoeren hem gevallen zijn in liefelijke oorden.” Letterlijk wil dat natuurlijk zeggen dat hij bij het uitmeten van het land mooie stukken land heeft getroffen, want hoeveel moeite men ook deed om alles evenredig te verdeelen, toch kon ’t niet uitblijven dat de een een vruchtbaarder stuk land kreeg dan de ander. Maar de dichter spreekt hier in beeldspraak, en wil zeggen dat zijn weg zoo voorspoedig is geweest, dat alles hem is „meegeloopen”, en in dat meeloopen ziet hij Gods hand, [170]die hem leidde, en van wien hij dan nu ook verwacht dat hij zijn lot handhaven zal en de liefelijke oorden, waarin zijne meetsnoeren vielen, in zijn bezit zal doen blijven.
Ook Spreuk. 1 : 14 vindt hier zijne verklaring. Daar staat: laat uw lot in ons midden vallen, d.w.z. ga onder ons wonen, zoodat gij te zamen met ons deelneemt aan de loting en meting des lands. Een zeer duidelijke toespeling vinden we ook in Deut. 32 : 9 want des Heeren deel (chèlek) is zijn volk, Jakob is het meetsnoer (chebel) zijner erfenis. Dat is een bizonder mooi beeld. De gedachte is deze: De heele aarde met alle volken is het veld, de sade, of bouwgrond, bestaande uit tal van chèlka’s of akkers, elk verdeeld in strooken door ’t meetsnoer, waarvan een deel, Israël, is toegevallen aan Jehovah, Jakobs God. In Jes. 34 : 17 blijkt dan dat die gedachte ook bij de profeten geliefd is: Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen, en zijne hand heeft het hun uitgedeeld met het meetsnoer, tot in der eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.
Was eenmaal aan ieder zijn deel door het meetsnoer toegewezen, dan was men er op bedacht de grenzen daarvan tegenover den buurman duidelijk af te bakenen. Men deed dit door het plaatsen van een grenssteen, in de Statenvertaling „landpale” genoemd. Het behoort tot de schandelijkste misdrijven „zijns naasten landpale te verzetten” (Job 24 : 2) [171]waarom reeds in Deut. 27 : 17 den vloek wordt uitgesproken over wie dat durft doen.
De landpalen te verzetten was te schandelijker omdat het zoo gemakkelijk was, en in een oogenblik te volvoeren, zonder dat iemand het merkte. Ik heb geen aanduidingen kunnen vinden voor de Palestijnsche fellahs, van de gewoonte, die men wel bij de Nederlandsche boerenbevolking aantreft, om nl. op bepaalde plaatsen den grenssteen in den grond te graven, zonder dat de buurman weet waar hij zit. Met een hooivork met lange tanden voelt men dan van tijd tot tijd of de grens nog met de plaats van den grenssteen overeenkomt. Trouwens deze manier van doen zou ook in Palestina bij het jaarlijks uitmeten niet kunnen worden toegepast, zonder dat men het heele veld langzamerhand vol steenen stopte. In het oude Babel bekleedden die grenssteenen een groote plaats. Er zijn er al heel wat gevonden, groote, eenigszins behouwen steenen met tal van opschriften en afbeeldingen bedekt. Die opschriften bevatten soms heele verhalen om het eigendomsrecht uiteen te zetten, en eindigen met een schrikkelijke vloekformule voor wie den steen zou willen wegnemen of schenden. Gewoonlijk zijn dan tal van godenfiguren bovendien afgebeeld om den vloek kracht bij te zetten. [173]
[174]

[175]
Wij zouden een gansch onjuiste voorstelling van den Palestijnschen landbouw hebben, als wij ons voorstellen dat het akkerland scherp gescheiden is van den woesten grond daar om heen. Reeds het bij de vorige plaat gezegde, bewijst dat van eigenlijk gezegde akkers geen sprake kan zijn. Juist doordat elk jaar het terrein wisselt, dat de fellah te bebouwen krijgt, ontbreekt hem de lust om er van te maken wat er van te maken is. Hij roeit de struiken niet uit, ruimt de steenen niet weg, bemest niet behoorlijk, kortom zorgt alleen voor de onmiddellijke opbrengst, zonder te zorgen voor het land. Hoeveel meer er uit te halen zou zijn wordt bewezen door Europeesche kolonisten, die zich op een bepaalde plaats hebben neergezet, grond gekocht en dat nu bewerken zooals dat noodig is. Aan het einde van het drooge jaargetijde valt weinig verschil op te merken tusschen bouwland en braakliggende grond en de wegen loopen er door in verschillende richtingen. Ook is de akker gewoonlijk zoo bezaaid met groote en kleine steenen dat het haast niet meer op een [176]akker gelijkt. Men zegt dat die steenen opzettelijk niet worden weggeruimd, om de vochtigheid van den bodem te bewaren. Intusschen blijkt uit Jes. 5 : 2 dat het zuiveren van steenen wel degelijk gerekend wordt tot het in orde brengen van den akker. Maar om reeds vroeger genoemde redenen neemt men dikwijls die moeite niet. Begint nu het ploegen, dan wordt zoo’n „weg” eenvoudig mee omgeploegd, om even spoedig, dwars door den „akker” heen weer als weg gebruikt te worden. Trouwens ook in ’t Oosten van ons land kan men hetzelfde verschijnsel hier en daar zien: hoe midden door een akker met koren een voetpad loopt, terwijl de halmen zóó overhangen dat ze het heele pad bedekken. Onwillekeurig zal iemand gaande door zoo’n veldpad, aren plukken en de korrels opeten, zooals wij dat van Jezus’ discipelen lezen.
De eigenlijke ploegtijd begint in November. Bij de vorige plaat noemden we als datum het feest van St. George, 16 November. Men telt gaarne bij bepaalde feestdagen, of bij gebeurtenissen aan het landleven ontleend. In dat opzicht schijnt de boerenbevolking van alle oorden ’t zelfde gebruik te volgen. Ook de landbouwbevolking ten onzent heeft tal van spreuken en zegswijzen, waaruit blijkt hoe het oogstjaar en ’t heele natuurleven met bepaalde heilige dagen wordt saamgebracht. St. Peter betaalt men de pacht, St. Jan schiet het hout geen loten meer, St. Jakob is de rogge rijp, en [177]„wie op zijn tijd knollen wil eten, moet St. Laurens niet vergeten”, d.w.z. St. Laurens is de tijd van knollen zaaien, enz.
Het heeft op het eerste gezicht iets opvallends dat in Palestina ook de Mohammedanen hun landbouwtijden bepalen volgens christelijke feestdagen. Dat heeft wel mee zijn oorzaak in het feit dat de Mohammedanen rekenen volgens het maanjaar, waarbij de maand slechts 29 dagen heeft, zoodat na verloop van 33 jaar elke maand successievelijk in alle jaargetijden is gevierd geworden. Daardoor deugt het mohammedaansche jaar met zijne feestdagen niet voor bepaling van zaai- en oogsttijden, en sluiten ze zich bij de christelijke feestdagen aan. Ook ten onzent spreekt een protestantsche boer even goed van St. Jan en St. Peter als een Roomsche.
Onze plaat verplaatst ons evenwel niet in de eerste zaaitijd, komende na de „vroege regen”, maar in het voorjaar, den tweeden zaaitijd, nl. van het zomerkoren. Dat deze tijd bedoeld wordt blijkt uit den bloeienden olijfboom rechts op de plaat. Er is in Palestina een tijd dat men tegelijk zaait en oogst, nl. de eerste oogst van het winterkoren valt samen met het zaaien van het zomergraan in het voorjaar. In Amos 9 : 13 wordt op dat feit gezinspeeld, als daar wordt verkondigd de vruchtbaarheid des lands: de tijd zal komen dat de ploeger den maaier.… genaken zal, d.i. dat ze tegelijk zullen bezig zijn op het land. [178]
De plaat stelt blijkbaar een dal voor, op den achtergrond zien we bergen. Ook de hellingen dier bergen zijn voor bouwland geschikt, ten minste ten deele. Die bergen bestaan nl. voor een goed deel, vooral aan de oppervlakte, uit een soort krijtachtige kalk, die onder den invloed van regen en lucht zich omzet tot een roodachtige leem-aarde, die zeer vruchtbaar is, maar ook dikwijls zoo’n dun laagje humus vormt dat het woord van Jezus letterlijk van toepassing is: het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Ook heeft dat soort land natuurlijk buitengewoon spoedig last van de droogte. Daarbij komt nog iets: door de geweldige regenstroomen wordt die leemlaag van de bergen weggespoeld naar de laagte, waar ze blijft liggen en aan het land groote vruchtbaarheid geeft. Vooral in de omgeving van Nazareth, waar onze ploeger werkzaam is, vindt men dezen vruchtbaren mineraal-rijken bodem, die door verweering van de bergkalk ontstaan is. Jammer dat door gebrek aan goede maatregelen, zooveel van die leem-aarde de bedding der beken bereikt, en in den wintertijd door de snelvlietende stroomen wordt meegevoerd. Daardoor verarmt het land. In de laatste jaren wordt hier en daar dit voor het land zoo verderfelijke proces tegengegaan door het aanleggen van terrassen op de berghellingen, waardoor de vaste stoffen worden tegengehouden. Nog meer afdoende zou het zijn, als de Turksche regeering het mogelijk maakte door [179]een minderen belastingdruk, dat die hellingen weer met olijfboomen werden beplant, waardoor zoowel de vruchtbare teelaarde zou worden vastgehouden, als een nieuwe gemakkelijk te openen bron van blijvende welvaart zou ontstaan.
De ploeg is een uiterst eenvoudig instrument. Trouwens in Palestina vindt men, afgezien van de westersche stoomwerktuigen en het door westersche kolonisten gebruikt materiaal, die er de laatste jaren hun intrede hebben gedaan, alles nog precies als in bijbelsche tijden, dezelfde simpele manier van leven, dezelfde onbeholpen landbouwwerktuigen, dezelfde primitieve toestanden. Men spreekt van een juk ossen, en bedoelt daarmee een stuk land van een bepaalde grootte, nl. zoo groot dat een man het met één juk ossen in een dag ploegen kan. In het Zeitschrift des deutschen Palästina-Vereins wordt daarover de onnoozele opmerking gemaakt, dat dat nog al een onbepaalde maataanduiding is. Deze schrijver vergeet dat ook onze boeren diezelfde aanduidingen hebben voor de grootte van het land: men spreekt van een „dag maaien” en bedoelt daarmee een stuk grasland dat één maaier in één dag maaien kan; of een „schepelzaad”, en verstaat daaronder een stuk land waarvoor een schepel zaad noodig is om het behoorlijk te bezaaien. Maar onbepaalde aanduidingen zijn dat heelemaal niet: zoo’n stuk land heeft een heel precieze grootte, zoo lang en zoo breed. ’t Is er hetzelfde mee als wanneer [180]men spreekt van een machine van 10 paardekracht, wat ook een allesbehalve vage aanduiding is.
Uit de verschillende photographieën, die ik heb gezien, schijnt het dat de ploeger den ploegstaart meestal met de rechterhand vasthoudt, dus anders dan bij ons (voorzoover men ten onzent nl. geen tweestaartige ploegen gebruikt), waar de ploeger in de voor loopt, en dus met de linkerhand den ploegstaart houdt. In de andere hand houdt de ploeger op de plaat den osseprikkel: een lange stok met aan het eene einde een spatel, om den ploeg schoon te maken en voor allerlei andere doeleinden, aan het andere einde van een scherpe punt voorzien. Met die punt wordt het trekvee tot meerder spoed aangemaand. Mocht een os boosaardig terugslaan met de achterpooten, dan slaat hij „de verzenen tegen de prikkels” (Hand. 26 : 14). Het is zulk een osseprikkel die Samgar als wapen diende, waarmee hij 600 Philistijnen versloeg, en Israël redde (Richt. 3 : 31).
Boven wees ik er reeds op, hoe weinig een Palestijnsch bouwland op het onze gelijkt. Akker en ruwe grond zijn niet scherp gescheiden. Op en in den akker vinden we struiken, steenen, boomwortels, rotsbodem, riet en dorens. Daardoor kan het zaad vallen onder de dorens, en verstikken, want ook door den ploeg worden die dingen niet weggeruimd. Trouwens de ploeg is een veel te licht werktuig, en de wijze van ploegen veel te ondiep, om struiken [181]en dorens weg te ruimen. Men werkt er met den ploeg omheen en overheen, en wroet alleen die gedeelten los, die geen al te groote hinderpalen bieden. Daardoor is het zeer noodig nog meer dan bij ons, dat de ploeger alle aandacht hebbe bij het werk, want één oogenblik van onachtzaamheid, en de ploeg is geraakt onder een boomwortel of onder taaie struiken, en breekt. Het is van hier uit dat wij moeten waardeeren het woord van den Heiland: Wie de hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is niet bekwaam tot het koninkrijk Gods. Wij voelen hoe sprekend dat beeld wordt bij de overweging van de bezwaren van het ploegen in het Oosten. Op onze westersche, effen gelegde en gezuiverde akkers, heeft het achterom zien geen ander gevolg dan dat men kromme voren trekt, in Palestina is het gevaarlijk wegens het breken van den ploeg.
De ossen trekken, evenals bij ons, voorzoover nog ossen of koeien voor den ploeg worden gebruikt, aan een juk, bestaande uit drie stukken hout: een dwarshout dat over den nek ligt, en twee neerhangende stukken, ter weerszijde van den hals, welke dan van onder door leeren riemen worden saamgebonden. Het is bekend genoeg hoe vaak in de Schrift het juk dient als beeld der dienstbaarheid en slavernij. „Verbreken van het juk” beteekent dan: bevrijding, verlossing.
Natuurlijk komt bij ploegen en zaaien heel wat bijgeloof [182]te pas—wat trouwens ook ten onzent niet is uitgestorven. In Palestina is wel de meest voorkomende vorm de gelofte, d.w.z. dat men zaaiende, een deel van de opbrengst belooft aan een of anderen heilige, ingeval deze een goeden oogst geeft. Zoo wordt het voor dien heilige een zaak van eigenbelang te zorgen dat de oogst voorspoedig is. [183]
[184]

[185]
Reeds midden April of Mei, in de warmere dalen iets vroeger, op de koudere berghellingen wat later, begint de oogsttijd. Daarom kan Jer. 8 : 20 deze volgorde worden genoemd: de oogst is voorbijgegaan, en de zomer is ten einde, een uitdrukking die in ons klimaat, waar de oogst na den zomer komt, niet passen zou. De oogst valt in den drogen tijd, en vele fellah’s verlaten hunne woningen, en wonen gedurende den oogsttijd in holen of hutten of tenten of op het open land, slechts primitief beschut. Eerst komt de gerste- dan de tarwe-oogst. ’t Is de vroolijke tijd, waaraan mannen, vrouwen en kinderen gelijkelijk deel nemen. Daar niet in alle deelen van het land de oogsttijd precies op denzelfden tijd valt, hebben de armere fellah’s uit het gebergte gelegenheid om bij den oogst in de vlakte een stuk brood te verdienen.
De halmen worden met een sikkel afgesneden, die men alleen met de rechterhand hanteert, terwijl de linker de afgesneden halmen vasthoudt. Deze wijze van doen verklaart [186]een eigenaardig gezegde. Wanneer een arme wandelaar de maaiers passeert, roept hij hen toe: sjimélak, d.i. (geef mij wat gij in) uw linkerhand (hebt), dus een vraag om een aalmoes. Deze uitdrukking is in het Oosten merkwaardig, omdat overigens alles wat met de linkerhand in verband staat, veracht is. Door Duitsche kolonisten is de zeis bekend geworden, die daarom brusiani heet. De halmen worden losjes tot bundels gebonden, die op ezels of muildieren worden geladen om ze naar den dorschvloer te brengen. De beesten worden soms zoo hoog en breed met koren bepakt, dat ze lijken op een korenhoop op 4 pooten. Onder het zingen van allerlei oogstversjes drijft men de beesten naar den dorschvloer. Op het afgemaaide korenveld mogen de armeren aren lezen; dat Ruth (2 : 15) ook tusschen de garven aren zoeken mag is een bizonder voorrecht.
De dorschvloer (bedar) is voor het heele dorp gemeenschappelijk. Het is een groote effen plaats, liefst een kaal rotsplateau; heeft men die niet in de nabijheid van het dorp, dan wordt ze gemaakt door den grond te effenen en met leem of klei te harden. Soms wordt daarvoor gedroogde koe-mest gebruikt. Ieder dorpeling heeft op dezen dorschvloer zijn eigen plekje, waar hij zijn gerst of tarwe samenbrengt. Daar het de regenlooze tijd is, behoeft hij niet te vreezen voor onweer of regen, en brengt ook den nacht dikwijls op den dorschvloer door, gedurende enkele weken, [187]of zelfs enkele maanden, naarmate zijn voorraad groot is. In het dorp zijn gedurende dezen tijd tal van huizen verlaten, daar de heele familie op den dorschvloer is. De armeren dorschen al heel eenvoudig: hij drijft zijn vee, met of zonder muilkorf, heen en weer over het uitgespreide koren, dat door de hoeven der dieren zoolang wordt getreden en door elkaar gehaald, tot het koren er uit is, en het stroo tevens zacht is geworden en stuk getreden, zoodat het als veevoeder dienst kan doen. Uit den Bijbel herinneren wij ons het gebod, dat een dorschenden os niet mag gemuilband worden. De meer gegoeden hebben dorschsleden, d.i. een zwaar houten bord, waarvan de onderkant bezet is met kleine scherpe punten van metaal of steen, zooals wij op de plaat links er een ’t onderste boven zien liggen. Een trekdier wordt daarvoor gespannen, en de fellah zelf of zijne kinderen zitten er op om de slede nog te verzwaren. Deze slede wordt over het stroo heen en weer getrokken, waardoor de korrels uit de aren loslaten, en het stroo tot grof haksel wordt gemaakt. Een ander dorschwerktuig is rechts op de plaat afgebeeld: een vierkant houten raam, waarin tal van kleine houten wielen met een soort zitbank er dwars overheen, waarop de voerman zit. Of ook slaat men het koren uit de aren door middel van lange stokken. Alle drie manieren van dorschen waren reeds in de oudheid bekend, Jes. 28 : 27 lezen wij reeds: Men dorscht de wikken [188]niet met een dorschslede, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan, maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok. De heele handeling van het dorschen vinden we ook in Jes. 41 : 15 en 16 vermeld: ik heb u tot een nieuwe scherpe dorschsleden gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult de bergen dorschen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen als kaf; gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien. De bergen en de heuvelen worden hier vergeleken met de korenhoopen, die geleidelijk wegslinken naarmate de arbeid voortgaat.
Zijn op deze wijze de korrels uit de aren verwijderd, dan begint het wannen, of zooals het Richt. 6 : 11 eigenaardig heet, het „vluchten”. Dat gebeurt liefst des avonds als er een koeltje waait, want om te wannen heeft men wind noodig. Met een gaffel of vork werpt men de verwarde massa van stroo, kaf en koren in de hoogte. Het koren valt door de zwaarte dadelijk, vlak voor den wanner, op den grond, de lichtere stroostoppelen worden een eindweegs door den wind meegevoerd, en vallen daar neer, en het nog lichtere kaf waait nog verder weg, of wel, als er een sterken wind staat, wordt het ver weg gevoerd en „door den wind verstrooid”, een beeld in den Bijbel gaarne gebruikt om aan te duiden het lot der goddeloozen. Men denke aan het beeld in Job 21 : 18: dat zij gelijk stroo worden [189]voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt. Het haksel wordt bijeengebracht tot voedsel voor het vee, en het koren wordt in schuren of kelders opgehoopt, nadat het eerst door middel van een zeef nog nauwkeuriger gereinigd is. Het haksel-dragen wordt door vrouwen en meisjes verricht. Naar die bezigheid heet de melkweg aan den hemel—ik kan niet uitvinden waarom—tarik et-tebbenèt = „de weg der hakseldraagsters”. Van het langere stroo vlechten de meisjes kleine mandjes. De bewaarplaatsen voor het koren zijn vaak zeer ongeschikt, in de aarde gegraven holen of in de rots gehouwen bakken, die dan vooral als ’t gaten in de aarde zijn, rondom met haksel worden belegd. Daardoor krijgt het aldus opgespaarde koren dikwijls een alleronaangenaamsten reuk. Dan blijft er op den dorschvloer nog een rest harde stoppelen, die niet voor veevoeder deugen. Deze worden dan gebruikt of om den oven te stoken, of om, vermengd met leem, te dienen tot reparatie van het dak. Het gebruik om zulk gekneusd stroo te gebruiken voor huizen, door het te vermengen met leem en er dan steenen van te bakken, is in het heele Oosten verbreid. Reeds in Ex. 5 : 5–19 lezen wij dat de Israëlieten in Egypte de „tichelsteenen” bakten door het nijlslib met stroo te vermengen, en dan te drogen. Het kaf, en wat er overigens nog op den dorschvloer blijft liggen, wordt dikwijls tegen den avond in brand gestoken, wat een plotseling hoog opvlammend vuur geeft. [190]Dat vuur leverde het beeld voor het bijbelsche beeld van het „kaf dat met vuur verbrandt wordt”. Trouwens het beeld van den dorschvloer, waar het goede zaad van het kaf wordt gescheiden, is uiteraard een geliefd bijbelsch beeld, om aan te duiden het oordeel dat eenmaal scheiding maken zal.
Het bovenvermelde verzamelen van het koren in de schuren vindt echter meestal niet dadelijk plaats. Want er moet belasting van worden betaald. De opbrengst van het veld blijft dan liggen op den dorschvloer, en wordt door den eigenaar, die dag en nacht op den dorschvloer doorbrengt, bewaakt. Eindelijk verschijnt de pachter der belastingen, die meestal wacht totdat een geschenk in geld hem beweegt het koren op den dorschvloer te taxeeren. Gedurende de taxatie moeten de pachter met zijn knecht, benevens hunne paarden, door het dorp worden onderhouden. Bij deze taxatie van de verschuldigde belasting hebben tal van chicanes plaats, b.v. de pachter laat opzettelijk op zich wachten; de fellah, die al langen tijd heeft geborgd, moet zijn schuldeischer betalen van zijn koren, hij neemt nu alvast wat van het op den dorschvloer liggend zaad, en betaalt zijn schuld, of hij heeft het noodig voor levensonderhoud voor zijn gezin. Nu komt de belastingambtenaar en slaat het reeds weggenomene veel te hoog aan. Zoo gebeurt het dat van menigen fellah, wiens reclames natuurlijk vergeefsch zijn, niet het tiende [191]maar het achtste, zesde deel of mogelijk wel de helft van zijn weinigje wordt ontnomen. Niet overal heerschen precies dezelfde toestanden, en de hierboven gegeven schets is maar één der vele gevallen, die echter alle hierin overeenkomen dat ze teruggaan op het z.g.n. belasting-verpachtingssysteem: de bron van tal van onheilen.
Deze directe belasting wordt door de regeering jaarlijks verpacht aan den meestbiedende. De pachters moeten een vermogensbewijs overleggen, opdat de regeering zekerheid hebbe, dat de pachtsom binnen komt. Is voor een bepaald dorp een zekere som betaald, dan moet de pachter maar zien hoe hij het uit dat dorp terug krijgt, en er bovendien nog aan te verdienen. En dat kan dikwijls alleen gebeuren door de fellahs te veel te laten betalen. Daar de regeering belang heeft bij hooge pachtsommen, beschermt ze eerder de pachters dan de fellah’s, die meestal tegenover allerlei afpersingen machteloos staan. Het spreekt vanzelf dat groote welvarende dorpen of welgestelde grondbezitters minder last zullen hebben van dit verderfelijke pachtsysteem, dan kleine armere plaatsen voor wie het vaak een echte uitzuigingsmethode is. En het is niet vreemd dat deze belastingpachters, die in het Nieuwe Testament „tollenaren” heeten, al van ouds in een kwaden reuk stonden. Het komt dan ook niet zelden voor dat armere fellah’s geheel in de macht van den pachter geraken. [192]Behalve de roofvogels in den vorm van schuldeischer en belastingpachter, loeren nog andere roofvogels op het karig bezit van den fellah dat op den dorschvloer ligt. Heeft hij bij ’t ploegen gebruik gemaakt van anderer hulp, dan moet die hulp ook van den dorschvloer worden betaald; de dorpsgeestelijke die de verloting en uitmeting leidde, eveneens, verder de rondzwervende derwischen, die overal zijn waar wat te halen is. Afzonderlijk moeten hier nog genoemd worden de priesters van de talrijke heiligdommen. De fellah pleegt nl. bij het begin van het oogstjaar een of anderen heilige aan te roepen om een goeden oogst. Bij die gelegenheid wordt dan niet zelden een gelofte gedaan dat men den heilige een deel van de opbrengst geven zal, wanneer hij een goeden oogst verschaft. En daar zoo’n gelofte doorgaans bij het heiligdom zelf wordt afgelegd, weten de priesters precies wie de gelofte deed en voor welk bedrag. En zoodra het koren rijp is, frisschen ze het geheugen der fellah’s wat op, door een persoonlijk bezoek hen herinnerende, dat de heilige N. N. hun dien oogst verschafte. Soms nemen ze het resultaat der gelofte maar dadelijk mee. Soms ook geeft men het beloofde koren aan de armen. Een groot klooster van den heilige St. George in Noord-Syrië heeft zelfs agenten in elke stad met de volmacht de geloften in vee, koren enz. in ontvangst te nemen. Meestal steekt de fellah bovendien in oude schulden, zoodat zijn heele [193]opbrengst soms niet eens in staat is, deze af te doen, en daar hij toch wat voor zichzelf en zijn gezin moet houden, moet hij zich vaak vergenoegen met een afbetaling van een deel zijner schuld, terwijl de rest tegen hooge rente weer blijft wachten op een volgenden oogst. Zoo raakt hij steeds dieper in de schuld, en als hij een paar jaar misgewas heeft, wordt het hem te benauwd en plotseling is hij met pak en zak verdwenen naar het overjordaansche, waar geen schuldeischer hem terugvinden kan. De tegenwoordige Turksche regeering schijnt betere toestanden in het belastingwezen te beoogen, maar in ver-afgelegen provinciën hangt toch bijna alles af van de medewerking der belastingambtenaren.
Het „30, 60 en 100 voud” waarvan het Evangelie spreekt, is tegenwoordig nergens meer te vinden. De korenopbrengst schijnt tegenwoordig gemiddeld het zesvoud te leveren, terwijl een twaalfvoudige opbrengst reeds tot de zeldzaamheden behoort. Hoewel: het schijnt ook nu nog voor te komen dat hier en daar uit één enkelen tarwekorrel 10 tot 15 halmen schieten, en dan van honderd tot tweehonderdvoudige vrucht draagt. Mogelijk heeft de Heer daarop het oog gehad in de bekende gelijkenis in Matth. 13 : 8.
Op den voorgrond van onze plaat vinden we nog een voorstelling, die eigenlijk niet tot den dorschvloer behoort, en hier vermoedelijk alleen is terechtgekomen, omdat het een handeling betreft, die nog al eens op de dorschvloer [194]wordt uitgeoefend. Het is nl. een pottebakker, die bezig is met een grooten, ruwen steen gebroken kannen en aarden vaten tot gruis te slaan. De harde dorschvloer leent zich daartoe uitnemend, maar in zooverre is de plaat niet geheel juist, dat dat werk pas plaats vindt nadat het dorschen is afgeloopen, en de plaat ons voorstelt een pottebakker die bezig is tegelijk met den dorscher.
Zooals ik vroeger reeds aanwees, maakt de fellah of zijne vrouw—want het pottebakken is een echt vrouwenwerk—hun aarden huisgereedschap zelf. Een der middelen is deze: In sommige bergstreken—vooral in de omgeving van Gaza—wordt een bepaald soort leem gevonden dat zich voor het maken van potten bizonder leent. Dat leem wordt van vreemde bestanddeelen gereinigd, en gaarne vermengd met gruis van potscherven, welk gruis verkregen wordt door met een grooten steen oude en onbruikbare vaten tot poeder te slaan. Dan wordt dit deeg gekneed en op de pottebakkersschijf gebracht. Uit Jer. 18 : 3 blijkt dat het in Jeremia’s dagen al op dezelfde manier werd behandeld. De potten en kannen worden overigens geheel met de hand gevormd, en hebben niet zelden een bevalligen vorm. De kleur is door ’t branden, groezelig zwart. Ter versiering worden er vaak nog roode figuren op aangebracht. Glazuursel kent men niet meer, zooals in oude dagen.
Het gruis van potscherven wordt nog voor een ander [195]doel gebruikt. De in den grond gegraven of in de rotsen uitgehouwen waterreservoirs hebben om het water voor wegzakken te bewaren, goed gecementeerde wanden noodig. Die wanden worden gepleisterd uit potscherven en een mengsel van kalk en asch, en daar over heen komt een soort cement van opgeloste kalk, een potscherven-poeder, wat, na gladgestreken te zijn, een vaste en harde, voor water ondoordringbare oppervlakte geeft.
Als in Psalm 2 tot den Messias-koning wordt gezegd ten opzichte van de oproerige heidenen: gij zult ze verbrijzelen als een pottebakkersvat, dan is dat wel een toespeling op de bezigheid van den man op onze plaat, en nog duidelijker Jes. 30 : 14: Hij zal ze verbreken, gelijk een pottebakkerskruik verbroken wordt, in het verbrijzelen zal hij niet verschoonen, alzoo dat van hare verbrijzeling niet één scherf zal gevonden worden. In die bijbelplaatsen wordt duidelijk niet bedoeld een bij ongeluk stuk gaan van een vat, maar zeer nadrukkelijk het opzettelijk stukslaan. Het beeld wordt nog sprekender als men bedenkt, dat zulk stukslaan alleen plaats heeft met reeds gebroken vaten, niet met ongeschondene. Zoodat in Psalm 2 de hooghartige vorsten, die het gezag Gods verwerpen, vergeleken worden met gebroken vaten.
Ook het beeld uit Nebucadnezars droom in Dan. 2 : 34, 35 met zijn leemen voeten die door een steen verbrijzeld worden, zal wel aan deze zelfde handeling zijn ontleend. [197]
[198]

[199]
De op den grond hurkende vrouw is een fellah-vrouw, bezig met het ziften van koren, om het straks te malen en er brood van te bakken. Het is dus niet het koren ziften op den dorschvloer, waarvan bij de vorige plaat sprake was. Dat blijkt al dadelijk hieruit dat zij deze bezigheid verricht voor de deur van haar uit leem gepleisterd huisje, door een doek op den grond uit-te-spreiden en daarop het koren te ziften. Zooals wij bij de vorige plaat opmerkten, wordt het koren op den dorschvloer niet volkomen van kaf en onkruid gereinigd, maar alleen voor zoover als noodig is om het in de schuur te kunnen opbergen. Moet het straks gebruikt worden om meel te malen en brood te bakken, dan moet het eerst opnieuw worden gereinigd van allerlei dat er mee vermengd bleef: onkruidzaden, steentjes, stoppels, fijn gestampt stroo enz.
Voor de kleeding van de ziftende vrouw, haar grijsachtig-grauwe mantel, de witte hoofddoek, de roode band met [200]versierselen rondom haar hoofd, het snoer om haar hals, is reeds vroeger gesproken.
Het ziften gebeurt tegenwoordig in Palestina op dezelfde manier als bij ons. Een vrij groote ondiepe zeef wordt voor de helft gevuld met het mengsel van koren, kaf, stroo etc. De mazen in de zeef zijn zoo fijn, dat geen korrel er door kan vallen, alleen het ietwat kleinere onkruidzaad, kleine steentjes en kaf valt er door. Nu schudt men de zeef eenige malen krachtig heen en weer, waardoor zand, kaf, onkruidzaad door de zeef valt, en het grove zeer lichte stroo, aren enz. zich boven op het koren tot een hoop verzamelt, zoodat men het met de hand verwijderen kan. Daarna voert de zeefster een andere beweging uit: ze houd de zeef een weinig schuin voor zich uit, zóó dat de van haar af gekeerde zijde het dichtst bij den grond is, en werpt met handige beweging de inhoud van de zeef in de hoogte, en vangt het daarna weer op in de zeef. Onderwijl blaast ze uit alle macht in de opgeworpen massa. Deze wijze van doen is dus in ’t klein min of meer wat het „vluchten” op den dorschvloer is. Men moet om dit werk goed te doen, eenige bedrevenheid hebben in het hanteeren van de zeef. Wie dit goed doet, reinigt het koren zóó dat er niets onreins in blijft, zonder één korrel te verliezen, ja zelfs kan men op die manier door handige bewegingen met de zeef het koren zelf weer onderscheiden in betere en minder goede kwaliteit. [201]
Het wannen van koren, zooals onze boeren dat plegen te doen, berust op dezelfde bewegingen, maar gaat veel sneller door de grootere hoeveelheid koren die tegelijk kan worden bewerkt.
Een van de mooiste beelden uit de beeldrijke profetie van Amos berust op deze wijze van koren reinigen. Am. 9 : 9 staat: zie, ik geef bevel, en ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als (zaad) geschud wordt in een zeef; en niet één korrel zal ter aarde vallen. De Statenvertaling heeft het hebreeuwsche woord tseroor vertaald door „steentje”. Dat is stellig onjuist. Iemand die koren zift, is het er niet om te doen, dat geen steentje, maar dat geen korrel ter aarde valt. De steentjes vallen juist wel ter aarde. Amos’ bedoeling is, dat er een oordeel over Israël zal komen van wege zijn goddeloosheid, dat oordeel zal evenwel niet allen verdelgen, de godvreezenden, hier met korrels vergeleken, zullen worden gescheiden van de goddeloozen, en deze laatsten zullen omkomen.
Ook in het Nieuwe Testament komt hetzelfde beeld voor in Luk. 22 : 31 waar Jezus tot Petrus zegt: Simon, Simon, de Satan heeft zeer begeerd u te ziften als de tarwe. Hier komt het woord ziften voor naar een heel anderen kant. Hier treedt niet de gedachte van zuiveren, reinigen, voorop, maar het schudden en stooten van het koren wordt hier gebruikt als beeld voor zware verzoekingen: zoo werd Simon geslingerd en geschokt als het koren in een zeef, maar de [202]Heer heeft voor hem gebeden, dat zijn geloof niet ophield.
Op den achtergrond der plaat zien we een fellah naderen, gekleed in het gewone hemd, en daar over heen een kort buis van een schapenvel. Op zijn schouder draagt hij de knots, het eenvoudigste wapen, dat fellahs dikwijls en herders meestal met zich voeren, en dat gebruikt kan worden zoowel tot wapen als tot jachtwerktuig. In zijn hand draagt hij een door hem gevangen haas en een patrijs. Deze twee wildsoorten komen in Palestina veelvuldig voor, en worden door de bevolking vervolgd zoowel om de schade die ze aanrichten als ook om hun vleesch, dat door de bevolking gaarne gegeten wordt, behalve dat Joden en Turken nooit hazenvleesch eten. Jachtwetten, hetzij tot bescherming van het wild, hetzij tot bescherming der jagers, kent men in Palestina niet, zooals in Nederland, waar wel het wild en de jagers wettelijke bescherming ondervinden, maar de boeren, van wier vruchten en arbeid de dieren leven, nog altijd onbeschermd staan tegen overlast van wild en van jagers.
Het is merkwaardig dat wij in den Bijbel zoo weinig gesproken vinden van de jacht, vooral omdat Palestina oudtijds nog meer dan nu een wildrijk land was. Toch zijn enkele bijbelsche beelden aan de jacht ontleend. Vooral in de Psalmen is herhaaldelijk sprake van het spannen van een strik, of het graven van een kuil. Dat is nog heden een der meest voorkomende middelen om het wild te verschalken. [203]
Nog moet ik iets zeggen over den achtergrond van onze plaat. Over het gepleisterd leemen huisje sprak ik reeds vroeger, evenals over de gewelf-vormigen bouw die ook de deur typeert. Deze manier van bouwen is wel een van de minst soliede. Als niet elk jaar tegen de regentijd het huis wordt nagezien en opgeknapt, is het in heel korten tijd veranderd in een puinhoop.
Naast de deuropening zien we op den muur drie ronde schijven. Dat zijn koeken van koemest die in de zon moeten drogen om straks als brandstof te dienen. Daar hout zeer schaarsch is, vooral in de vlakten, wordt voor branden alles gebruikt wat brandbaar is: stoppelen, struiken, gedroogde koe-, schapen- en kameelenmest enz. Deze mestbrandstof is zelfs zeer gezocht, omdat ze beter vuur houdt dan de licht ontvlambare stoppelen. Ze vertegenwoordigt eenigszins onze turf, daar ze ook meer gloeit dan brandt. Aesthetisch is evenwel die drogerij aan den deurpost niet, maar met schoonheidsvragen houdt de fellah zich niet op.
Verder op den achtergrond verheft zich de met sneeuw bedekte top van een der bergen uit het Libanongebied. Over ’t algemeen valt in Palestina meer sneeuw dan meestal gedacht wordt. Van 1860 tot 1882 viel in Jeruzalem 47 maal sneeuw, dus gemiddeld vaker dan twee keer per jaar. Daarbij werd geconstateerd een temperatuur van 6 graden onder nul, zoodat het stilstaand water bevroor. In de laag [204]gelegen streken blijft echter de sneeuw zelden langer dan een paar uur liggen, en het ijs houdt het nooit een dag lang uit. Op dat snelle verdwijnen der sneeuw voor de zon in het Oosten wordt in Job 24 : 19 gezinspeeld. Anders is het in het gebied van den Libanon en Anti-Libanon, twee bergketenen, die gescheiden door het diepe Beka-dal, zich hoog verheffen. De hoogste top van den Libanon, de Timaron, is 3212 meter hoog, wedijvert dus met de Eiger, Mönch en Jungfrau-groep; terwijl de hoogste top van den Anti-Libanon, de groote Hermon 2860 meter hoog is. Aan de benedenhelling vindt men nog de ceder-boomen, hoewel van cederwouden, zooals in de dagen van Salomo, eigenlijk geen sprake meer is. Het is bekend hoe vaak in het Oude Testament de ceder voorkomt als beeld van krachtigen groei, welvaart en gedijen. De ceder, met zijn massieven, sterken stam, zijn altijd groene naalden, zijn eeuwen-verdurende groeikracht, maakt inderdaad een indruk van onverwoestbaarheid. Er zijn stammen bij, die op 3000 jaar worden geschat. De ceder heeft veel weg van onze dennen, maar is meestal zwaarder gebouwd en minder slank. Boven 25 meter is hij zelden of nooit. Gemiddelde hoogte is 14–20 meter. Op de hoogste toppen van den Libanon groeit hij niet meer, deze steken boven de plantenzone uit, en zijn, zooals onze plaat laat zien, soms met een dikke laag sneeuw bedekt. In Psalm 68 : 15 wordt gezinspeeld op sneeuw liggende op den [205]Salmon. Nu ligt de Salmon volgens Richt. 9 : 48 bij Sichem, en is geen sneeuwberg. En volgens de Statenvertaling is het besneeuwd zijn karakteristiek voor den Salmon. Volgens juistere vertaling staat er: toen de Almachtige koningen daar uitbreidde, lag er sneeuw op den Salmon. De bedoeling schijnt dus te zijn, dat de aanblik der verslagen koningen in hun blinkende wapenrusting was, als was de Salmon met sneeuw bedekt.
Men zou overigens kunnen meenen dat het vroeger in Palestina meer sneeuwde dan tegenwoordig, ten minste sommige plaatsen der Schrift geven daartoe aanleiding. Spreuk. 31 : 21 wordt van een deugdelijke huisvrouw gezegd dat ze niet vreest van wege de sneeuw, omdat zij haar huis er tegen heeft beschut. En 2 Sam. 23 : 20 wordt van Benaja verteld dat hij een leeuw sloeg in den sneeuwtijd. Vergelijken wij dezen tekst met 1 Kron. 11 : 22, dan blijkt dat bedoeld is, dat het zoo veel gesneeuwd had dat de leeuw, door de sneeuw misleid, onverhoeds in den voor hem gegraven kuil kon vallen. En uit Spreuk. 25 : 13 blijkt dat de oude Israëlieten ook het gebruik kenden om hunne dranken, vooral in den oogsttijd met sneeuw af te koelen. Hoe dit zij, de vraag, in hoeverre het klimaat en de neerslag in Palestina tegenwoordig verschilt van oude tijden, misschien mede onder den invloed van de ontbossching van het land, is nog een open vraag. [207]
[208]

[209]
De olijfboom is dè boom van Palestina. Geen andere boom komt zoo veelvuldig voor, noch is van gelijke beteekenis voor de bewoners. Daarom vergelijkt de profeet het na de ballingschap herstelde en vernieuwde Israël bij een olijfboom: Hozea 14 : 11; zijne heerlijkheid zal zijn als van den olijfboom. En in Jothams fabel, waar de boomen zich een koning willen kiezen, wenden ze zich het eerst tot den olijfboom: kom, wees koning over ons.
De olijfboom is de nuttigste der boomen in Palestina. Voor allerlei doeleinden weet men zijne producten te gebruiken. Daarover straks. Bijna ieder dorp wordt door een groep olijfboomen omringd: reeds Deut. 28 : 40 wordt gezegd: olijfboomen zult gij hebben in al uwe landpalen. Zoo’n olijvenbosch met zijne altijd-groene bladeren geeft aan het landschap een vriendelijk aanzien. Door verstandig aanplanten zou ook in de olijven-kultuur nog heel wat verbetering aan te brengen zijn, maar ook hier ontbreekt alle gemeenschappelijk handelen, en menige olijfboom valt onder [210]de handen van den fellah, die in geldnood verkeert en nu de „kip met de gouden eieren slacht.” Evenwel: ook het gouvernement werkte door allerlei onverstandige maatregelen de uitroeiing dezer zoo nuttige boomen in de hand. Vooral door de onverantwoordelijke manier van belasting innen. De belasting werd nl. geheven van het getal boomen, zonder dat in aanmerking genomen werd, of het reeds vruchtdragende boomen zijn of niet. Men kan zeggen dat dit meer de schuld is van de belastingpachters, die hierbij geheel willekeurig te werk gingen (zie het gezegde bij de vorige platen), maar ze hadden bij die praktijken dan toch den steun der Turksche regeering. Dat alles is in den allerlaatsten tijd veel verbeterd, maar het land zucht nog onder de ernstige gevolgen dezer praktijken. Een aanplanting van olijfboomen te bevorderen behoorde de regeering als een harer eerste plichten tegenover Palestina te beschouwen, èn omdat daardoor de humus beter wordt vastgehouden, èn om het zoo noodige brandhout, èn om den meerderen neerslag, en niet het minst om de groote opbrengst voor weinig moeite. Het is duidelijk dat een fellah, die 20 olijfboomen heeft, waarvan 10 nog jong—ze dragen geen vrucht vóór het 15e jaar—en die dus van 20 boomen belasting betaalt, er in geldnood toe komt zijne 10 nog jonge boomen om te hakken, waardoor hij ten eerste geld ontvangt voor het hout, en ten tweede zijne belasting tot op de helft vermindert, terwijl de onmiddellijke [211]opbrengst hetzelfde blijft. Het behoeft geen betoog, hoe deze tijdelijke hulp hem straks zal ruïneeren. Dat vernietigen van goede olijfboomen, ja zelfs van geheele olijfboomgaarden, heeft hier en daar een grooten omvang genomen, zoodat heele streken van deze boomen worden ontbloot. Naast de genoemde oorzaak (onbillijk hooge en ondoelmatig geheven belasting) komt ook in aanmerking het groote gebrek aan brandhout. De van hun inkomsten beroofde fellahs zien zich niet zelden genoodzaakt naar elders (vooral Zuid-Amerika) de wijk te nemen.
Een oorzaak, waarom de olijfboom voor den fellah met zijn geringe finantieele draagkracht van zoo voortreffelijk nut is, is ook hierin gelegen dat hij zoo weinig zorg eischt, en groeien kan op een bodem, zoo schraal en rotsachtig, dat het bekende „olie uit den rotssteen” (Deut. 32 : 13) door den olijfboom werkelijkheid wordt. Uit dit oogpunt is een Palestijnsche spreekwijze interessant. Ze luidt: de wijnstok is een sitt, (d.i. een voorname dame, die veel zorg en aandacht vraagt), de vijgeboom is een fellah-vrouw (d.i. stelt minder hooge eischen) en de olijfboom is een bedawije (d.i. een bedoeïenenvrouw, die het in de grootste ontbering, en op allerlei bodem, uithouden kan). De zorg, die men er aan besteed, is dan ook weinig meer dan niets. Rondom den boom wordt in den regentijd de grond wat omgewoeld, bemesting vindt zoo goed als nooit plaats, en de boom redt [212]zich zelf wel verder. Daar hij zeer oud wordt, en de knoestige, vaak in 3 of meer reuzenarmen zich verdeelende stam, die soms tot 7 à 8 Meter in omvang hebben kan, en wel 13 Meter hoogte, gaat barsten en splijten en regenwater hem bij den grond doet rotten, hoopt men onder om den stam soms puin en steenen op, om hem te beschermen. Op onze plaat rechts op den achtergrond staat een op die wijze beschermde boom. Kolonisten, naar Palestina gekomen om uit den bodem te halen wat er in zit, en minder traag dan de oorspronkelijke bewoners, wijden meer zorg aan de kultuur van den olijfboom, en dan is ook de opbrengst aanzienlijk grooter. Deze kolonisten zijn het vooral die begrepen hoe een doelmatige watertoevoer ook de kwaliteit van de olie ten goede komt. Vandaar dat graven van kanaaltjes rondom de boomen, om ’t water op te vangen. Men beweert dat de olie van boomen die voldoende watertoevoer hadden, van veel betere kwaliteit is, en zonder bitteren bijsmaak. Men kan dan ook op een schuldbekentenis b.v. lezen: „ik ondergeteekende verklaar aan N. N. schuldig te zijn zoo en zooveel olie, die behoorlijk met kanûnwater (= Januari-regen) gedrenkt is, en zuiver, zonder bezinksel en bitteren bijsmaak.” Naar men zegt is ook bij de verwaarloozende fellah-bewerking een boomgaard van 150 boomen ruim voldoende om een fellah-familie te onderhouden.
Kweekerijen voor jonge olijvenstekken ontbreken natuurlijk. [213]Ook hier helpt de fellah zich zelf. Uit de knoestigen stam spruiten tal van jonge twijgjes—misschien is aan deze takjes het beeld uit Psalm 128 : 2 ontleend.—Deze takjes worden geoculeerd, en als ’t aanslaat, met een stukje uit den stam, weggenomen en opnieuw geplant. Wil men een volwassen, heel of half wilden olijfboom veredelen, dan brengt men ter manshoogte in den stam een loot van een goeden olijfboom, en snijdt boven deze entplaats de bast van den boom tot op het hout door, opdat de sappen meer op de enting worden geconcentreerd. Het gevolg is, dat dat jaar veel minder bloesems afvallen dan anders en dat de jonge loot voorspoedig groeit. Na de oogst wordt dan de boom boven de geënte plaats afgekapt, en de bewerking is gereed. In Rom. 11 : 17–24 spreekt Paulus van het inenten van wilde takken op een goeden olijfboom. Dat is dus precies omgekeerd als de gewone handeling. De apostel zegt dat ook zelf in vs. 24 door op te merken dat dit een handeling is „tegen de natuur”, om te scherper te doen uitkomen de genade die God aan de heidenen bewees, door hen in te zetten in de goeden olijfboom: Israël.
Het valt op dat in den Bijbel steeds wijnstok en vijgeboom samen genoemd worden, zelden wijnstok en olijfboom. Dat komt doordat de olijfboom zijn plaats altijd alleen wil hebben, hij wil vrij staan. Hij beneemt den in zijne nabijheid staanden wijnstok de levensvoorwaarden door het [214]voedsel uit den bodem tot zich te trekken, en met zijne dichte takken lucht en licht aan den onder hem staanden wijnstok te benemen. Hoewel de aldus vrij staande olijfboom een zeer hoogen ouderdom, vele honderde jaren, bereiken kan, is het toch zeer onwaarschijnlijk dat de olijfboomen in den hof van Gethsemane dezelfden zijn, die getuige waren van den zielestrijd van den Heiland.
De olijfboomen in Palestina zijn lang niet altijd het eigendom van dengene die den grond bezit, waarop ze staan. Menigmaal wordt de grond verkocht, terwijl de boomen in het bezit blijven van den vorigen eigenaar. Deze houdt dan het recht den grond rondom den boom—waar toch niet gezaaid worden kan—om te woelen, en in den oogst de olijven te plukken.
Einde September zijn de vruchten rijp. Ze worden deels geschud, deels met stokken afgeslagen, zooals op onze plaat te zien is. Deze laatste manier van oogsten komt dikwijls zeer ten nadeele van den boom zelf, want daarbij worden dikwijls heel wat jonge takjes stukgeslagen, die het volgend jaar zouden vrucht dragen. Het is dan ook merkwaardig, dat, terwijl de door de fellahs behandelde boomen slechts om het andere jaar vrucht geven, de duitsche kolonisten, die de vruchten niet afslaan, maar plukken, elk jaar kunnen oogsten. ’t Is nog dezelfde manier als in de dagen van het Oude Testament. Reeds in Deut. 24 : 20, wordt geboden [215]bij dit oogsten niet al te nauwkeurig toe te zien of er nog een is blijven zitten: voor den vreemdeling, den wees en de weduw zal het zijn. En in Jes. 17 : 16 wordt dit het beeld voor het „overblijfsel” des volks na het oordeel: een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk bij de afschudding van den olijfboom, twee of drie beziën in den top van de bovenste takjes.
De bijeengezochte vruchten worden gedurende tien tot veertien dagen op het dak van het huis te drogen gelegd, of zooals men zegt: om te gisten. Dan komen ze in de olijfpers, voor zoover ze nl. niet worden ingezouten, om straks als voedsel te dienen. Maar de overgroote hoeveelheid komt in de pers, of liever eerst in den molen, d.i. een grooten steen, van boven in den vorm van een reusachtig tafelbord. Daarop staat een ronden, schijfvormigen steen op zijn kant (beda), die door een trekdier of met de hand op den ondersten steen wordt voortgerold, op de manier als in de ook nog in Nederland te vinden ouderwetsche oliemolens. In deze molens worden de olijven tot een brij geperst (bidrusja). Deze brij brengt men vervolgens naar de eigenlijke pers, waar op allerlei manieren de olie er uit gewonnen wordt: door persen met steenen, trappen met de bloote voeten, of zelfs door er kokend water op te gieten, waardoor de olie boven komt, en kan worden afgeschept. Als Ex. 27 : 20 en 29 : 40 wordt gesproken van „gestooten [216]olie”, dan is dat natuurlijk eene toespeling op deze manier van olie persen. Eveneens Job 29 : 6 waar Job spreekt van den tijd dat „de rots bij mij oliebeken uitgoot”, bedoelt te zinspelen op dit persen in steenen kuipen, waarbij de olie door een gleuf van den steen (= rots) stroomt. Ook doet men wel de brij in een mand, waarop van boven druk wordt geoefend, zoodat het sap door de mandopening wegloopt in een bassin. De in de mand achtergebleven brijachtige massa dient als voeder. Dat elke zindelijkheidsmaatregel ontbreekt, behoeft niet te worden gezegd. Hoe vleeziger de olijf, hoe minder olie; de beste olie komt van onrijpe olijven.
De aldus bereide olie dient als voedsel, om de lamp te branden, voor zeepfabricatie, als geneesmiddel, als zalf enz. Volgens het duitsche consulaatbericht uit Haïfa loopt de opbrengst alleen uit dat gebied tot 800.000 K.G. olie, die ongeveer voor de helft wordt uitgevoerd, goeddeels naar Amerika. Reeds het Oude Testament weet van olie-uitvoer naar Tyrus, Egypte enz. (1 Kon. 5 : 25; Ezech. 27 : 17; Hoz. 12 : 2). Maar de manier van bereiden sluit natuurlijk uit dat goede consumptie-olie op deze wijze kan gewonnen worden. De overgebleven pulp na de uitpersing is een goede brandstof. [217]
| Bladz. | ||
| Een woord vooraf | V | |
| Bij de bron | 11 | |
| Woestijnbewoners | 37 | |
| In een Bedoeïenentent | 55 | |
| Herder en schapen | 71 | |
| In de „pronk van den Jordaan” | 87 | |
| In het dal der duisternis | 95 | |
| Interieur van een fellahwoning | 101 | |
| Een fellahwoning bij nacht | 131 | |
| De maaltijd | 145 | |
| Lot en meetsnoer | 155 | |
| Een ploeger bij Nazareth | 173 | |
| De dorschvloer | 183 | |
| Zaad ziftende | 197 | |
| In de olijvengaarde | 207 |


Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 49 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| IX | Palestinavereins | Palästina-Vereins | 3 |
| 21 | ongelooflijk | ongeloofelijk | 1 |
| 23 | , | . | 1 |
| 28 | of | òf | 1 / 0 |
| 32 | Kanaan | Kanaän | 1 / 0 |
| 32, 34 | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 33 | tattoeëeren | tatoeëeren | 1 |
| 34, 177 | roomsche | Roomsche | 1 |
| 35 | , | [Verwijderd] | 1 |
| 35, 205 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| 62 | fellahvrouw | fellah-vrouw | 1 |
| 65, 211 | bedoeïenen-vrouw | bedoeïenenvrouw | 1 |
| 73, 133, 177 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 84, 89, 90, 91 | doode zee | Doode Zee | 2 |
| 85 | plooiïge | plooiige | 1 / 0 |
| 89 | Jordaan-vallei | Jordaanvallei | 1 |
| 90 | bebestanddeelen | bestanddeelen | 2 |
| 111 | oud-Israel | oud-Israël | 1 / 0 |
| 120 | fotographie | fotografie | 2 |
| 128 | Izaak | Izaäk | 1 / 0 |
| 135 | , | ; | 1 |
| 135 | voor-israëlietischen | voor-Israëlietischen | 1 |
| 140 | . | , | 1 |
| 142 | zegwijze | zegswijze | 1 |
| 157, 164, 168, 170, 180, 213 | Israel | Israël | 1 / 0 |
| 158 | Haifa | Haïfa | 1 / 0 |
| 168, 189, 205 | Israelieten | Israëlieten | 1 / 0 |
| 169 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 178 | leemaarde | leem-aarde | 1 |
| 179 | Palestina-vereins | Palästina-Vereins | 2 |
| 179 | preciese | precieze | 1 |
| 201 | ,, | , | 1 |
| 211 | rotsteen | rotssteen | 1 |