*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 *** DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF GEÏLLUSTREERD DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst, die drie zonen had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch. De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon bogen op het eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van de zeldzaamste soorten groeiden er, terwijl de vreemdste vogels zongen en zich wiegden op de takken. Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na de warme dagen koelte en rust. Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van hield, want hij droeg gouden appels. Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal verminderden. Dat verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn noch drank gebruikte en door het groote verdriet zelfs niet slapen kon. Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak: —Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart knaagt; jullie moet weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin komt, die de gouden appels steelt, zoodat ik hun aantal met elken dag zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren. Toen spraken de zonen: —Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen! Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden zij het eens: ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken. Den eersten nacht waakte de oudste. Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg pijn in al zijn ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich op het zachte gras ging uitstrekken. Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel beter hij nu de zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat nadenken in, en ontwaakte pas, toen de helle, lichte zon hem in het gelaat lachte. Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond eindelijk traag op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij: —Vannacht is de dief niet gekomen. Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom zitten en wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn, indien hij zich in het groene gras neervlijde. Hij strekte zijn ledematen uit en sliep in. Toen hij weer ontwaakte, was het reeds lang dag. Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee: —Vannacht is de dief niet gekomen. In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom zitten en verroerde zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en nog een. Maar hij hield de oogen open en werd niet slaperig. Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel, vanuit het Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij op den boom neer, waar prins Iwan onder zat. De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd beschenen. Nu zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden veeren en oogen had. Dicht tegen den stam aangeleund stond Iwan. Zijn wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te ademen. De vogel sprong van tak tot tak, en plukte de gouden appels. Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den schrik liet deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de lucht weg. Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde een licht, waardoor de geheele tuin in vlam scheen te staan. ’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den vogel. En toen hij zijn vader de veer overhandigde, verlichtte deze op zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er lichten in hem waren aangebracht. Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak: —Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je? Iwan antwoordde: —Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u moet weten, dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw gouden appels steelt. En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en kuste hem innig op het voorhoofd. Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden appels meer werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust; hij vergat de ernstige dagen. Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen: —De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken, om jullie geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te vertrekken. Zoekt wat je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor alles den vuurvogel te vinden. Wie hem mij levend brengt, dien schenk ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft voor hem zijn. Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun broeder, omdat het hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken. Om nu te verhinderen, dat Iwan hen voor zou zijn, vertrokken zij in allerhaast. Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak: —Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders volg. Ik zou ook gaarne mijn geluk beproeven... Het zou mij bovendien verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen. Maar de koning sprak: —Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig hebt, is lang. Ik echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet niet wanneer ik sterven zal. Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik afscheid van het leven neem, wie zal dan het volk regeeren en het over mogelijke tweedracht heen helpen? Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te brengen. Daarom schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te vertrekken. Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan recht toe zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin een wegwijzer stond, die drie armen had. Op den eersten stond vermeld: «Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.» Op den rechter arm stond te lezen: «Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten doode opgeschreven.» Den linker arm verkondigde: «Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn paard zal blijven leven.» Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de overweging, dat weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in leven bleef. Later zou hij zich wel een ander paard kunnen aanschaffen. Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar woud. Maar uit het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf tegemoet. Deze sprak tot prins Iwan: —Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard sterven! En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard verscheurd. Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan een stuk door. Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om wat uit te rusten, stond nogmaals de grijze wolf voor hem. Deze sprak: —Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb verscheurd. Maar het moest! Of hebt gij niet gelezen, wat er achter u stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan zal ik u dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge wilt! Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou moeten reizen tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den grijzen wolf zitten. In vliegende vaart, vlugger dan een vogel, trokken zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een hoogen muur stil hielden. Toen zei de grijze wolf: —Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een kooi, waarin de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en raak de gouden kooi niet aan! Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet meer vandaan, en zal men u gevangen nemen. Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder beschenen, alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van den vuurvogel, die in een gouden kooi zat, welke midden in den tuin stond. Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf kwam, loerde hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel uit de kooi. Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de vermaning van den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee. Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de kooi uit liepen zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel en brachten den jongen prins voor koning Dalmat. Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe: —Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken? Prins Iwan antwoordde: —Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. Deze vogel is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit mijn vaders tuin steelt. Waarop de koning antwoordde: —Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij er om had verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu verdient ge, dat ik u door het geheele land stuur en bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld. —Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal tiende koninkrijk trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het paard met de gouden manen, zal ik uw wandaad vergeven en u met eerbewijzen den vuurvogel overhandigen. Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de gouden manen te zullen brengen. Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug. —O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt? —Ik ben door jou schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het weer goedmaken! Breng mij naar koning Alfons, bij wien ik het paard met de gouden manen moet halen. —Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar je heen wil. Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een pijl uit een boog schoten zij vooruit. Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons. De Grijze Wolf sprak nu tot den prins: —Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet moeilijk zal vallen het paard met de gouden manen uit den stal te brengen. Maar aan den muur hangt een gouden tuig; denk er vooral om dat niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan je niet meer weg en wordt je gevangen genomen. Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had gezegd, de wachters in slaap en het paard met de gouden manen los op z’n plaats. Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den muur het gouden tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing van den Grijzen Wolf vergat en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had zijn hand het tuig aangeraakt, of door al de stallen weerklonk klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar alle kanten. De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den dief en brachten hem voor koning Alfons. Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe: —Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken? Prins Iwan antwoordde: —Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. —Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de gouden manen als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat ik door het geheele land bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld! Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw: —Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen trekt, naar het drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met de gouden manen en ook het gouden tuig schenken. Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in de grootste droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde. —O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me geluisterd, en nam je het gouden tuig? —Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me niet helpt! —Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen, waarheen je wilt. Maar nu is het mijn beurt! Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken, en bevonden zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een breed dal. In het midden daarvan stond een groene eik. —Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen eik op mij! De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot hij voor een gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der schoone prinses. De Grijze Wolf sprong over de omheining en verstopte zich achter kreupelhout. Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele windjes in den tuin waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar kamermeisjes naar den tuin, waar zij babbelend en schertsend heen en weer wandelden. Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat, sprong deze plotseling van achter het kreupelhout te voorschijn. Hij greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek heen. Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren, weenden en snelden naar het paleis terug. Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er op uit om den Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen, zij konden hem niet inhalen. Zij keerden onverrichterzake tot hun heer en meester terug. Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over en legde haar voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof zij dood was, zoo hevig had de Grijze Wolf haar doen schrikken. Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde diep, wat haar nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam haar vóór zich op den rug van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl uit den boog voortvloog, naar het land van koning Alfons. Maar toen zij voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de prinses niet meer van elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en Iwan was diep bedroefd. Nu vroeg de Grijze Wolf: —Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan? En de prins antwoordde: —Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses scheiden en geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen. Maar als ik het niet doe, ben ik voor de geheele wereld onteerd! —Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook nu dienen. —Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee droppels gelijken op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons brengen, zoodat je dan het paard met de gouden manen in ruil ontvangt. Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt, ben ik weer bij je. Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins Iwan een prinses, die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij niet kon onderscheiden wie de echte of de valsche was. Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen. Maar de schoone Helena gebood hij in het woud te wachten. Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was deze zeer verheugd. Hij schonk dus Iwan het paard met de gouden manen. Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde weg. Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning Alfons wilde zijn bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand wilde vatten, voelde hij in de zijne een ruigen zwaren poot. En tot hevigen schrik van al de aanwezige gasten ontwaarden zij, in plaats van een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf naast den koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde, was de wolf al de deur uit en verdwenen. Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij hadden zooveel met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel vergaten. Maar toen Iwan eens aan hem dacht en sprak: —Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en zei: —Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met de gouden manen rijden. Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van den Grijzen Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat. Maar toen het oogenblik was aangebroken, dat hij het paard met de gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven, overviel hem nogmaals een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer: —Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan? —Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers het paard met de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend. Maar als ik het niet doe, wordt ik voor de geheele wereld onteerd. —Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!... Ook nu zal ik je dezen dienst bewijzen, en me omtooveren in het paard met de gouden manen. Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins Iwan een paard met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het andere, dat men niet kon zeggen, welke van beiden het echte was. Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd: —Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen. En wanneer je maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn. Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten. Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het paard met de gouden manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat hij zijn vertrekken verliet en zijn gast tegemoet snelde. Hij nam den prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren zaal. Daar overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi. Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad. Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen ter jacht te gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele hofhouding naar het woud. Er waren geen woorden genoeg om het heerlijke paard te loven. Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg. —Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop voorbereid. Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn vaderland. En toen hij opeens dacht: —Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak: —Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het paard met de gouden manen rijden! Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder. Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins had verscheurd, bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak: —Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer dienen. En in ’t vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig, en stel geen vertrouwen in je broeders! Bij deze woorden verdween hij in het woud. Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou terugkeeren. Toen hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte, zette hij treurig gestemd met de schoone prinses, het paard met de gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort. Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij in het groene veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie beschrijft zijn vreugde, toen hij zijn broeders uit de tent zag komen! Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken, maar den vuurvogel hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd keerden zij met leege handen naar hun vaderland terug. Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone koningsdochter er boven op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak hun haast het hart van naijver. Maar zij veinsden de vreugde van hun broeder te deelen. Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en zetten hen spijzen en drank in overvloed voor. Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de waarschuwing van den Grijzen Wolf, en vertelde wat er was gebeurd. In zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van gelaatskleur wisselden. Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange reis, vielen in diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok zijn zwaard en stak zijn broeder midden in het hart. Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij haar nu naar hun vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard met de gouden manen. Maar toen de prinses zag, dat Iwan was vermoord, brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde onder tranen: —Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend mensch niet als een doode? Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het zwaard op het hart en sprak: —Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je onzen vader zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en het paard met de gouden manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal ik je onmiddellijk om hals brengen! In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen wat haar zou worden bevolen. De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie het paard met de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de bruid aan, de oudste bekwam echter het paard met de gouden manen. De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen aan de teugels mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter bij zich hield. Zoo trokken zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te brengen. Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde, dat de Grijze Wolf in de buurt rondzwierf, en den verslagen jongeling vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe. Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde. Omstreeks dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die boven het lijk heen en weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om zich aan het vleesch te goed te doen. Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde een raaf vangen. Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig neerstreken, sprong hij te voorschijn, snapte er een en wilde de raaf verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe: —Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen kwaad gedaan! De Wolf antwoordde: —Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien koninkrijken vliegen, en mij het water des levens en het water des doods brengen. Dan eerst zal je kind ongedeerd blijven. En de raaf antwoordde: —Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet! En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween spoedig in de lucht. Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water des levens en het water des doods was. De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de jonge raaf in tweeën. Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des doods. De raaf groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des levens; de kleine raaf richtte zich op en vloog weg. Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des doods. Diens lichaam groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met het water des levens besprenkelde, stond Iwan op en sprak: —Ach, waarom heb ik zoolang geslapen? —Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je niet hier gevonden had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander heeft je bruid genomen en zal vandaag met de schoone Helena trouwen. Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht slechts: —Droom ik, of waak ik? Maar deze sprak: —Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen. Anders zie je de schoone prinses niet terug! Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd. Hij nam op den rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig voor de stad zijns vaders. Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf, waarna hij de stad inging. Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld. Boven aan tafel zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn broeders, een aan haar rechter zij en een aan haar linker kant. Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast ontwaarde, sprong zij op en riep luid: —Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is een booswicht! Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals. Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van verbazing, wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter vertelde alles: hoe Iwan haar verkreeg; dat het paard met de gouden manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe de broeders hem in den slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde te vertellen. En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden, hem weer levend had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles nog op het laatste oogenblik opgehelderd kon worden. De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders onmiddellijk in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker geworpen. Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van het geheele rijk. En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en leefde in eendracht en liefde naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg, wat hij met zooveel moeite en strijd verworven had. EINDE DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg had om er van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch waren hun inkomsten ontoereikend. Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de haren niet meer kon voorzetten dan een harden korst. Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop van achter den oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de handen der arme vrouw en snelde naar haar schuilhoek terug. De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje voor den mond weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen kruimeltje was er meer in huis voor hem, zijn vrouw en zijn zoon. Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën. Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij eenmaal afgenomen had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend geven, die eiken dag een gouden ei zou leggen. —Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer ongeloovig, dan zullen wij gaarne honger willen lijden tot morgen ochtend. De oude heks gaf nu tot bescheid: —Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar zal je op den vijver, de eend zien zwemmen! Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en zoon wachtten nog een poos, want zij hoopten, dat het oudje zou terugkomen; zij kwam echter niet weer. De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich op bed. De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen stond hij vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den vijver de eend zwemmen. Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den oever kwam. Snel pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw. Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd waren de drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en bedekte haar met een zeef. Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het ei had gelegd. Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen het ei, betastten en bekeken het aan alle kanten, wikten het op de hand, drukten het aan hart en lippen, streelden het de een na de ander en gedroegen zich dwaas van vreugde. Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij het ten slotte genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht het naar de stad, om het te verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een groote som geld. Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en allerlei groenten, zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken buit naar huis terug. Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den zelfden prijs aan den goudsmid verkocht. Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg, erg rijk. Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te handelen. Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er een vreemde man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet, dat zij gouden eieren legde. Hij verbaasde zich daarom er niet weinig over, dat het dier in de kamer verbleef en onder een zeef geborgen was, terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven. Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging dichterbij en bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met gouden letters onder de vleugels stond geschreven: «Hij, die de eend opeet, zal koning worden.» Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de boerin, dat zij de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde doen, probeerde hij het met vriendelijkheid, smeekte, dreigde en drong zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen voldeed. Maar zij waagde het niet uit vrees voor haar man. De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het behoud van die eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de eend afhing, zoodat zij den vogel niet kon of durfde braden. Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo vriendelijk, dat de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den oven zette. De onbekende dacht bij zichzelf: —Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn maag. En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen den middag terug te komen. De vrouw ging evenwel ook naar de stad. Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter. Hij had grooten honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger te stillen. Opeens drong vanuit den oven een heerlijke lucht tot hem door. Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo heerlijk, het vleesch zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de eend zonder erover na te denken, heelemaal verslond. Hij liet alleen de beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel. Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig verbaasd, dat hij de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel met ongeduld, tot zij weerom kwam. De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de ontsteltenis, toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was! De vreemdeling werd boos en zeide: —Je hebt zeker zelf de eend opgegeten? Slecht geluimd ging hij weer heen. ’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte dadelijk, dat de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar de vogel was gebleven. Zij antwoordde hem, dat zij er niet meer van wist dan hij, daar zij in de stad was geweest. Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn moeder niet thuis was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot op de beenderen opgegeten had. Maar hij wist niet of het de eend met de gouden eieren of een andere was geweest. Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn zoon de deur uit. De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat hij tien dagen en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot, vreemd land. Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was gestorven; het wist niet wien het op den troon zou roepen. De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende besluit: «Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort kwam, zou tot koning worden gekroond.» Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het geheele volk: —Hier komt onze koning aan! De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten hem in de koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de kroon op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij zijn bevelen bekend maakte. Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij droomde. Toen zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun koning hadden gekozen, verheugde hij zich werkelijk. De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde hem zeer. Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die hij vergaf en die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten. EINDE DE DRIE SPINSTERS Er was eens een lui meisje, dat niet wilde spinnen. Haar moeder mocht haar nog zoo beknorren en berispen, zij kon het meisje er niet toe bewegen aan het spinnewiel te gaan. Ten slotte overmeesterden de moeder op zekeren keer woede en ongeduld, zoodat zij haar luie dochter een dracht klappen gaf. Het meisje begon luidkeels te huilen. En juist kwam toen de koningin voorbij. Bij het hooren van het geweeklaag, liet zij haar koets stilhouden, stapte uit en ging het huis binnen. De vorstin vroeg de moeder, waarom zij haar dochter sloeg, zoodat men buiten het gehuil kon hooren. De moeder schaamde zich echter de luiheid harer dochter bekend te maken en antwoordde: —Ik kan maar niet van haar verkrijgen, dat zij met spinnen ophoudt. Zij wil maar altijd en eeuwig spinnen. Ik ben arm en kan me geen vlas aanschaffen. Daarop antwoordde de koningin: —Ik hoor niets liever dan spinnen en voel mij nooit aangenamer dan wanneer ik het gesnor der wielen hoor; geef mij uw dochter mee naar het paleis. Ik heb vlas genoeg, zoodat zij naar hartelust zal kunnen spinnen. Daar was de moeder zeer tevreden mee. Dus nam de koningin het meisje met zich. Toen zij in het paleis waren gekomen, bracht de vorstin haar naar drie kamers, die van onder tot boven vol lagen met het mooiste vlas. —Nu moet je dit vlas voor mij spinnen, sprak zij. Als je gereed komt wordt je de gemalin van mijn oudsten zoon. Je bent wel arm, maar daar let ik niet op. Je onverdroten vlijtigheid is een voldoende bruidschat. Het meisje schrok, want zij kon het vlas niet spinnen, al was zij driehonderd jaar oud geworden, al had zij van ’s morgens tot ’s avonds erbij gezeten. Toen zij nu alleen was, begon zij te huilen en bleef zonder een vinger uit te steken, zoo drie dagen zitten. Den derden dag kwam de koningin. Toen zij zag, dat er nog niets gesponnen was, verbaasde zij zich erover. Maar het meisje verontschuldigde zich met de bewering, dat zij door de verwijdering uit moedershuis zoo bedroefd was, dat zij nog niet kon beginnen. Dit liet zich de koningin aanleunen. Bij het vertrek sprak zij echter: —Morgen moet je beginnen met te werken. Toen het meisje weer alleen was, wist zij geen raad meer. Bedroefd ging zij voor het venster staan. Zij zag drie vrouwen aankomen. De eerste had een breeden platvoet, de tweede had zoo’n groote onderlip, dat die over haar kin heenhing en de derde had een breeden duim. Zij bleven voor het raam staan, keken omhoog en vroegen het meisje, wat haar scheelde. Zij klaagde bij hen haar nood, waarna de drie vrouwen haar hun hulp aanboden en spraken: —Zal je ons op de bruiloft uitnoodigen, je niet over ons schamen, zeggen, dat wij je tantes zijn, ons ook aan je tafel laten plaats nemen? Dan zullen wij al het vlas opspinnen en wel in zeer korten tijd. Het meisje antwoordde: —Heel graag. Kom maar en begin dadelijk aan het werk! Zij liet de drie zonderlinge vrouwen binnen, en maakte in de kamer, waar de vrouwen moesten zitten en spinnen, een bres. De eene trok aan den draad en trapte het rad in beweging, de andere breide den draad, de derde draaide hem en sloeg met den vinger op de tafel. En iederen keer, dat zij sloeg, viel er een getal netten op den grond. En die waren allerfijnst gesponnen. Voor de koningin verborg zij de drie spinsters en toonde haar, zoo dikwijls zij kwam, den stapel gesponnen netten, zoodat haar lofzang geen einde nam. Toen de eerste kamer leeg was, werd aan de tweede begonnen en ten slotte het derde vertrek, dat spoedig opgeruimd was. Nu namen de drie vrouwen afscheid en zeiden tot het meisje: —Vergeet niet wat je ons hebt beloofd. Het zal je geluk zijn. Toen het meisje aan de koningin de leege kamers en de groote hoopen netten toonde, werden de voorbereidingen tot de bruiloft getroffen. De prins verheugde zich zeer, dat hij zoo’n handige en vlijtige vrouw kreeg. Hij prees haar uitermate. Het meisje sprak nu: —Ik heb drie tantes. Daar zij mij veel goed hebben gedaan, wil ik hen in mijn geluk niet vergeten. Veroorloof mij, dat ik hen op de bruiloft uitnoodig en hen aan den feestdisch laat aanzitten. De koningin en de prins spraken: —Waarom zouden wij dit niet toestaan? Toen het feest begon, traden de drie vrouwen wonderlijk uitgedost binnen. En nu zei de bruid: —Weest welkom, lieve tantes! De bruidegom vroeg: —Ach, hoe kom je aan zulke vieze vriendinnen? Hij trad op hen toe en vroeg aan de vrouw met den breeden platvoet: —Hoe komt u aan zoo’n breeden voet? —Van het loopen, antwoordde zij; van het loopen. Daarna ging de bruidegom naar de tweede, die hij vroeg: —Hoe komt u toch aan die afhangende lip? —Van het likken, antwoordde zij, van het likken. En nu vroeg hij aan de derde: —Hoe komt u aan dien breeden duim? —Van het draaien der draden, antwoordde zij, van het draaien der draden. De koningszoon schrok nu vreeselijk. Hij sprak: —Dan zal mijn schoone bruid nooit meer een spinnewiel aanraken! En daarmee was zij van het akelige vlasspinnen voorgoed verlost. EINDE *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***