*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77964 ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.

Alleenvertegenwoordigers voor België: Bestelhuis voor den Boek- en Dagblad handel.

[Inhoud]
EEN AVONTUUR IN ALASKA.

EEN AVONTUUR IN ALASKA.

HOOFDSTUK I.

De list eener vrouw.

Buitengewoon lang had dat jaar de winter in Alaska geduurd, vooral in de noordelijkste streken.

Maanden achtereen was de thermometer niet boven de veertig graden onder nul gekomen, en de opbrengst aan vellen van hermelijnen, blauwvossen, bevers, beren en andere pelsdieren, was buitengewoon groot geweest, terwijl het bont van uitstekende kwaliteit was geweest.

Maar eensklaps, toen men reeds April schreef, was het weder omgeslagen en uit het Zuiden woei luwe wind, die de sneeuwlaag snel deed smelten, en de rivieren buiten hun oevers deed treden, die het overvloedige smeltwater van de bergen bijna niet konden verzwelgen.

Het was plotseling Lente geworden, en zoo vlug was het gegaan, zoo warm was het geworden, dat men zich in een tropisch klimaat zou wanen. Nog nimmer hadden de ruwe bewoners in deze barre streken iets dergelijks beleefd.

Overal schoten de voorjaarsbloemen uit den bodem, die nog pas weinige dagen geleden met een decimeter dikke laag sneeuw was bedekt, de twijgen van de sparren en dennen botten uit, en een zoete geur vervulde de heerlijk blauwe lucht.

Op de heuvels en de bergen lag nog sneeuw, maar in de dalen bloeide en groeide het reeds, en wild bruischend stroomden de rivieren, terwijl de vele watervallen zich met donderend geweld van de hooge rotsen stortten.

De sleden werden opgeborgen, en men begon de paarden uit de stallen te halen, die des winters een gemakkelijk leventje hadden, daar dan hun werk door de sterke trekhonden werd gedaan.

Ook de sneeuwschoenen hadden voorloopig weder afgedaan, evenals de vetlederen laarzen, en de dikke pelsen.

Het was omstreeks elf uur in den avond.

In de nederzetting aan de Tanana, een zijrivier [2]van de machtige Jukon, welke niet meer dan veertig mijlen van Seratie is gelegen, en welke den naam Cedar Tree draagt, hadden alle bewoners zich reeds ter ruste begeven.

Het is een der grootste nederzettingen in dit gedeelte van Alaska, en het dorp is zeer trotsch op het bezit van iets zeer bijzonders in dit land—een steenen huis.

Dat was het Gemeentehuis, en het was nog niet eens geheel van steen, daar de eenige verdieping uit houten balken was opgetrokken.

Alle andere huizen waren van hout, en lagen, wegens het brandgevaar, vrij ver uit elkaar.

Ook de kleine gevangenis was uit hout opgetrokken.

Zij lag op de grens van het dorp, dat ongeveer twee duizend inwoners telde, wat zeer veel is in dit gebied.

De wanden bestonden uit vierkant gekapte boomstammen, stevig op elkaar bevestigd, en het gebouw was ongeveer vijftien meter lang, en tien meter breed.

Steeds liep een schildwacht om het huis, met de karabijn over den schouder.

In een der cellen zat een nog jonge vrouw, die daar vijf dagen geleden was binnengebracht, met nog een zestal anderen.

Zij was te Pine Creek, een nederzetting op een dertigtal mijlen van Cedar Tree gelegen, met die zes mannen gevangen genomen en wij zullen spoedig zien, om welke reden dit geschied was.

De vrouw had groote, zwarte oogen, waar nu een somber vuur uit gloeide, en glanzend, blauw-zwart haar, dat in een dikken wrong boven op haar hoofd was bevestigd.

Zij droeg nog haar winterkleederen, want toen men haar arresteerde, was het nog bitter koud.

Haar voeten waren in met bont gevoerde, hooge laarzen gestoken, en zij had een wollen trui aan, met lederen riempjes versierd.

Zij zat op een lage kruk, die dicht bij het bed was geschoven, dat slechts uit een stroomatras en een paar dekens bestond.

Tegen de zoldering bevond zich het kleine raam, dat van stevige tralies was voorzien.

De deur, van dikke houten balken gemaakt, was met ijzer beslagen.

Dolly Patterson—zoo was de naam van de gevangene—had reeds een uur in dezelfde houding gezeten, roerloos, met starenden blik.

En nu begon zij in zich zelf te spreken.

„Ik moet hier uit! Tot iederen prijs moet ik hier uit. Wreken wil ik mij op die vervloekte Engelschen, die mij hier in hebben gebracht, en die Pat O’Kelly hier eveneens hebben doen belanden. En niet alleen op hem wil ik mij wreken—ook op Jessie Barry en haar minnaar, dien ellendigen Tom Hatters! Hij is het geweest, die mijn vriend Mike Penalty heeft gedood!”

Zij bleef even in gedachten voor zich uitstaren, en ging toen op half fluisterenden toon voort:

„Als Mike niet zijn zinnen had gezet op die meid, die Jessie, dan zou dit alles niet gebeurd zijn—dan zouden die vreemdelingen uit Londen hun hulp niet aan Tom Hatters hebben geboden—dan zouden zij ons niet achtervolgd hebben, toen Mike met mijn hulp Jessie Barry had ontvoerd—en dan zou Mike niet gedood zijn in het gevecht, dat hij met Tom had! Maar dat is niet alles. Niet daarom alleen wil ik mij wreken. Ik had Pat O’Kelly tot opvolger van Mike gekozen—en die reusachtige kerel, die bij de Engelschen was, heeft hem behandeld als een ondeugend kind, en hem in een hoek van het danshuis te Pine Creek geworpen, alsof hij een baal vuil goed geweest ware! En toen wij hem er bijna onder hadden, toen hij al zijn schoten had afgevuurd, die er op zijn revolver zaten—toen kwamen die vervloekte Engelschen weder opdagen—en met hen de bereden politie en wij waren er bij! Ontvoering van een onmondig jong meisje—weet ik, hoe die lui het noemden—manslag en de rest! En hier zit ik nu, tot zij mij voor den sheriff sleepen—mij en Pat en de anderen. Maar daar zullen wij het niet op aan laten komen—ik moet hier uit—en ik zal hier uit!”

De zwarte oogen van de vrouw flikkerden, terwijl zij dit zeide en zij had haar vuisten gebald, tot de nagels haar in het vleesch drongen.

Haar gedachten gingen terug naar hetgeen er een paar weken geleden te Meadow Hill en later te Pine Creek geschied was .…..

In de eerst genoemde nederzetting woonde de predikant Richard Barry, en zijn dochter Jessie was verloofd met den jongen pelsjager Tom Hatters.

Maar Mike Penalty, de minnaar van Dolly, had zijn blikken op het jonge meisje laten vallen, en hij had haar door een lage list weten te ontvoeren, waarbij [3]zijn eigen minnares hem de behulpzame hand had geboden.

Toen waren die twee Engelschen sportsmen verschenen, met hun reusachtigen metgezel, die zooveel als hun bediende scheen te zijn, en zij hadden Tom geholpen, om de ontvoerders van Jessie te achtervolgen.

Er was een gevecht gevolgd, en Mike en drie der kerels, die hem hadden bijgestaan, hadden het onderspit moeten delven.

Dat was voorgevallen op den top van een hoogen heuvel, tamelijk dicht bij Pine Creek.

En zij, Dolly Patterson, door haar wraakzucht gedreven, was daarheen gesneld, en had een vijftigtal bandieten weten mee te krijgen, die den top gingen belegeren, zeker als zij waren, dat vroeg of laat de kleine troep daarboven zich zou moeten overgeven wegens gebrek aan voedsel.

Maar toen was het wonderbaarlijke gebeurd—op den tweeden nacht was er eensklaps een vliegmachine verschenen, die was neergestreken op den heuveltop en de belegerden had ontvoerd.

Het was zoo snel in zijn werk gegaan, en het kwam zoo onverwacht, dat de vliegmachine zich reeds lang in de lucht had begeven, toen de bandieten begrepen hadden wat er gaande was.

Onverrichter zake waren de gouddelvers weder naar hun nederzetting teruggekeerd, Dolly met een hart vol wraak.

Maar de rouw over den dood van haar minnaar duurde niet zeer lang—want een paar dagen later had zij haar gunsten aan diens vriend en medeplichtige Pat O’Kelly geschonken.

Toen had dat zonderlinge voorval in het danshuis van „Merry Pig” te Pine Creek plaats, en Dolly bracht het steeds weder in verband met het optreden dier geheimzinnige vreemdelingen.

Op een avond waren er twee mannen verschenen, naar hun uiterlijk te oordeelen goudzoekers.

Op een wijze, welke Dolly zich nog altijd niet kon verklaren, hadden zij zich van „Merry Pig” weten meester te maken, en een hunner had zijn plaats ingenomen.

Hij had alle aanwezige getracteerd op een glas wijn—en eenige minuten later waren zij allen bedwelmd, behalve zij zelve, Dolly Patterson, die zich slapend had gehouden, en dus tusschen haar oogwimpers alles had gezien wat er daarna geschiedde.

De twee gewaande goudzoekers hadden alle stofgoud van de speeltafel en uit de zakken van hun slachtoffers geroofd, en waren daarop snel als het weerlicht verdwenen.

Dolly had alarm gemaakt, maar zij had een kostbaren tijd verloren met het zoeken van „Merry Pig” dien zij ten slotte gebonden in den kelder van zijn danshuis vond, en pas een half uur later kon de achtervolging van de stoutmoedige roovers een aanvang nemen.

Men haalde hen in dicht bij de hut van Tom Hatters, die op dat oogenblik verlaten was, en men zou hen ook zeker gevangen hebben, ofschoon zij reeds zeven der achtervolgers buiten gevecht hadden gesteld, als niet een groote troep wolven het spel was komen bederven.

Want men moest zich uit alle macht tegen deze hongerige roofdieren verdedigen, en van die omstandigheid maakte de in de hut belegerde roovers gebruik, snel de plaat te poetsen.

Toen het gevecht met de wolven geëindigd was, waren de vogels gevlogen en zeker reeds lang in veiligheid.

Toen, weder een paar dagen later, was eensklaps die reusachtige Engelschman te Pine Creek verschenen, thans geheel alleen. Hij had er naar zijn twee metgezellen gevraagd, en toen hij vernam, dat zij vertrokken waren had hij het besluit genomen den volgenden morgen naar Serati terug te keeren, vanwaar hij gekomen was.

Maar dien avond verscheen hij in het danshuis van Murphy O’Reill, en het lot bracht ook Pat en Dolly daar.

Zij herkende hare vijand onmiddellijk, en er ontstond een gevecht van een tegen vijftig.

De reus sloeg vijftien man neer, maar de anderen zouden hem zeker gedood hebben, als niet ter elfder ure eensklaps weder die satansche Engelschen verschenen waren, thans nog wel in gezelschap van een zestal mannen der bereden politie.

Het pleit was toen spoedig beslist, en een achttal raddraaiers was gevankelijk weggevoerd, ook Dolly en haar nieuwe minnaar Pat O’Kelly.

En van dat oogenblik af was de vrouw slechts door een enkele gedachte bezield, zich te wreken op die geheimzinnige vreemdelingen en op Jessie en op Tom Hatters, die nu al reeds gehuwd zouden zijn. [4]

Hoe het kwam had zij niet juist kunnen zeggen, maar zij bracht steeds opnieuw verband tusschen den roof van het stofgoud in het danshuis van „Merry Pig” en de achtervolging van Mike Penalty.

Zij had de stemmen van de beide Engelschen gehoord en ook die van de roovers, toen zij zich in de speelzaal van het danshuis onbespied en geheel alleen waanden, en die stemmen waren dezelfde.

O, als zij maar eenmaal vrij was, dan zou zij niet rusten, voor zij die mannen weder terug had gevonden, en hen op hun beurt aan de politie kon doen overhandigen.

Zij stond een klaps op, en spitste de ooren.

Ergens in het sombere gebouw klonken voetstappen.

Zij wist wat dat beteekende—de cipier kwam haar het avondmaal brengen.

Een blik uit het nauwe venster overtuigde haar, dat de nacht zeer donker was.

En daarbuiten hoorde zij het getrappel van paardenhoeven—zeker was er ergens een paard vastgebonden, want het geluid klonk steeds op dezelfde plaats.

Een vast besluit kwam eensklaps bij de vrouw op.

Zij deed snel den halsdoek af, dien zij droeg, en nam de beide uiteinden stevig in de handen.

De voetstappen kwamen langzaam nader.

Telkens ging er een deur open en dicht, dan trad de cipier een cel binnen, om den gevangenen het avondmaal te brengen.

Nu stond hij even stil voor haar eigen cel.

Als een kat sloop zij achter de deur, zoodat zij niet dadelijk te zien zou zijn, als de man binnentrad.

De deur ging open en de cipier trad binnen, in de eene hand zijn lantaarn, in de andere een houten schaal, met een stuk brood en wat groenten.

Maar hij was nauwelijks twee passen in de cel of Dolly sprong als een tijgerin ruggelings op hem toe, en sloeg hem bliksemsnel den sterken doek om den hals.

Uit alle macht trok zij den doek aan, zoodat de man geen geluid kon geven, en lantaarn en schaal liet vallen, in een onwillekeurige beweging om zich van den wurgenden doet te bevrijden.

Toen hem dit niet gelukte, tastte hij naar de revolver in zijn holster, maar de vrouw was hem voor geweest.

De doekpunten in één hand vattend, en zoo sterk mogelijk vast wringend, nam zij met de vrije hand het wapen uit den holster, en liet het in haar zak glijden, daar zij wel begreep, er zich hier niet van te kunnen bedienen.

Toen trok zij uit alle macht den doek dicht.….

De woeste bewegingen van den cipier werden spoedig minder krachtig, zijn gelaat verkreeg een blauwe kleur, zijn oogen puilden uit zijn hoofd, toen gleed zijn lichaam slap op den houten vloer.

Dolly verloor geen tijd, daar zij niet zeker wist, of zij den man gedood had.

Zij stak de hand in zijn zak, en haalde er den sleutel uit, waarmede, naar zij wist, de deur van de gevangenis geopend kon worden, benevens de sleutels van de cellen, die aan een bos bijeen gebonden waren.

Zij nam de revolver in de vuist en snelde de cel uit, waarvan zij de deur zacht sloot.

Toen opende zij snel een paar celdeuren, die zij het eerst op haar weg ontmoette.

Maar toen zij de deur van de derde wilde openen, hoorde zij en de bevrijde bandieten beneden in het huis gerucht.

Zij mochten zich hier niet langer ophouden.

IJlings snelden zij de trap af, en bereikten de vestibule.

Juist trad een sergeant van de bereden politie uit een vertrek.

Hij bleef een oogenblik verstomd van verbazing staan—en die paar seconden werden hem noodlottig.

Een der bandieten bracht hem een hevigen slag op het hoofd toe met den poot van zijn stoel, dien hij zooeven had losgebroken, en de man stortte zonder een kreet achterover en bleef liggen.

Dolly opende snel de deur—de ontvluchten stonden buiten.

Op eenigen afstand stond een paard aan een boom gebonden, het was een dienstpaard van de politie en behoorde waarschijnlijk aan den sergeant toe, dien zij zooeven hadden neergeslagen.

Dolly wilde er op toevliegen, toen juist de wachtpost om den hoek van de gevangenis verscheen.

De man begreep dadelijk, wat er geschied was, en rukte zijn karabijn van den schouder. [5]

Maar voor hij het wapen kon aanleggen, kraakte er een schot—Dolly had haar revolver op hem afgeschoten.

De man slaakte een doffen kreet, en viel voorover.

Zonder om te zien, ijlde de vrouw naar het paard, maakte het los, en wierp zich schrijlings in het zadel.

Zij spoorde het paard met tong en hielen aan, en het snelde weg in de duisternis.….….…

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De bevrijding van Pat O’Kelly.

Als een stormwind vloog het paard door de breede straten van het dorp, en spoedig had Dolly Patterson de laatste hutten achter zich gelaten.

Zij wierp een blik achter zich.

Er was niemand te zien.

En zij wist, dat het eenigen tijd zou duren, eer de achtervolging begonnen kon worden.

Van dat uitstel moest zij gebruik maken, dat begreep zij maar al te goed.

Zij spoorde daarom het paard tot den grootsten spoed aan, en de hoefslagen van het dier klonken in snellen cadans op den grond.

Onder het rijden had zij haar plan opgemaakt.

Zij zou trachten, de kloof bij Pine Creek te bereiken, waar zij wist, vrienden van Pat te zullen vinden, evenals hij lieden zonder geweten, die zich bezig hielden met roof en moord, als zij genoeg hadden van goud zoeken.

Maar zij zou voorloopig volkomen veilig zijn, want de kloof was vol schuilplaatsen, en men kon er zich uitstekend in hinderlaag liggen.

De „Bereden Noordwestelijke” zou zich nog wel eens bedenken, voor zij zich daar waagde, om de vluchtelinge weder te vangen.

Dolly woonde hier reeds jaren, en zij wist wel, dat de politie hier niet te vergelijken was met die in de beschaafde streken van Amerika en Canada.

De manschappen waren weinig in aantal en door de verbazend groote afstand moesten zij soms dagen achtereen reizen, vaak geheel alleen, om een of andere opdracht van den inspecteur te gaan vervullen.

En daarbij werden zij door honderden gevaren bedreigd—van de zijde der meedoogenlooze natuur, van de wilde dieren en niet het minst van den mensch.

Als zij eenmaal daar was, zou zij de vrienden bijeen roepen—want Pat moest tot iederen prijs bevrijd worden, voor hij voor den rechter zou verschijnen.

Want als dat eenmaal het geval was geweest, dan zou hij naar elders worden overgebracht, en daar zijn straf moeten uitzitten in een steenen gevangenis—en daaruit ontsnapt men niet zoo gemakkelijk.

Wat er van de andere ontsnapten geworden was wist zij niet, maar zij stelde er ook geen belang in, nu het toeval gewild had, dat zij vreemden in vrijheid had gesteld inplaats van kameraden, kon het haar niet schelen wat er van hen terecht kwam.

Zij galoppeerde bijna een vol uur aan een stuk door, en daarna pas gunde zij het paard een weinig rust, en liet het in stap overgaan.

Maar een half uur later begon opnieuw de wilde rit over de vlakte, die zich uitstrekte van Cedar [6]Tree tot eenige mijlen voor Pine Creek, en die slechts hier en daar onderbroken wordt door lage heuvelketens, en rivieren, die zoo goed als allen schatplichtig zijn aan de Jukon, de voornaamste rivier van Alaska.

Om een uur in den nacht steeg Dolly af, want haar paard begon teekenen van vermoeidheid te geven, en het dier moest haar redden—zij mocht er niet het uiterste van vergen, wilde zij het niet onder zich zien doodvallen.

Zij hield dus halt aan den zoom van een dicht woud, voornamelijk uit sparren en dennen bestaande.

Het was wonderlijk zoel in de lucht, en de vrouw snoof met wijd geopende neusgaten die lucht der vrijheid op, die haar bijna bedwelmde, na die dagen in de gevangenis.

Zij luisterde scherp naar de geluiden uit de wildernis, waarvan zij de beteekenis kende door een jaren lang verblijf in deze streek.

Zij onderscheidde het eentonig geroep van den cojote, den halfwilden woestijnhond, het fladderen van de reusachtige uilen onder de takken der geweldige woudreuzen, het woedend geblaas van den lynx, die in een val gevangen zat, het tikken van de smeltende sneeuw op de dorre bladeren in het bosch, alle geluiden der natuur.

Heel ver huilde een wolf, en Dolly dacht er een oogenblik aan, een vuur aan te leggen, om de verscheurende dieren af te schrikken.

Maar dit achtte zij bij nader inzien toch te gevaarlijk, de achtervolgers mochten eens nader bij zijn dan zij vermoedde.

Deze gedachte joeg haar opnieuw op, en zij ging te voet verder, het paard aan den toom mee voerend.

Om drie uur in den nacht begon het reeds licht te worden in het Oosten.

Zij had nu het woud in zijn volle breedte doorschreden, en toen zij aan den anderen zoom stond, zag zij in de verte flauw de omtrekken van een gebergte.

Een woeste juichkreet steeg uit haar borst omhoog.

Daar lag de vrijheid—daar was het gebergte met zijn diep en lang ravijn!

Zij wierp zich weder in het zadel en zette haar vlucht voort.

Snel werd het dag.

Nu en dan wierp zij een blik achter zich, maar niets liet zich zien, dat haar kon verontrusten.

Zij zag slechts weinig menschen, en die kwamen allen uit een andere richting, het waren veedrijvers, die, nu de winter heengegaan was, weder arbeid voor hun handen konden vinden, gouddelvers, pelsjagers, die hun wintervoorraden naar Seratie gingen brengen.

Wel duchtte de vrouw van deze lieden geen gevaar, maar zij bleef hun toch uit den weg, zij wist maar al te goed, dat zij niet zeer gezien was in deze streek.

Mike Penalty was een schurk geweest, en Pat O’Kelly was weinig beter, en de minnares van die lieden kon ook niet veel zaaks zijn.

Doodelijk vermoeid door den langen rit, hongerig en vaal bereikte Dolly ten slotte, omstreeks vijf uur in den morgen, den voet van het gebergte, dat zich uitstrekte zoover het oog kon zien.

Weer rustte zij, alvorens de beklimming te beginnen.

Zij wist een smal pad, dat kronkelend naar een soort pad voerde, en van daar kon men naar het ravijn afdalen.

Het paard, aan deze klimpartij wel gewend, klauterde tegen het pad op, en een uur later stond de vluchtelinge aan het einde van de pas.

Zij richtte zich hoog in het zadel op, en wierp een blik over het diepe dal, dat zich nu aan haar voeten uitstrekte.

Het was hier en daar dicht begroeid met hooge heesters, lang prairiegras en ceders.

Drie watervallen stortten zich met luid geraas van een vijftig meter hooge rots omhoog.

Op vele plaatsen liepen diepe kloven op dit ravijn uit, die een waar doolhof vormden, waar men goed den weg moest kennen, om er niet te verdwalen.

Plotseling slaakte Dolly een luiden kreet, die het paard verschrikt de ooren deed spitsen.

Op nauwelijks een halve mijl afstand kronkelde een lichtblauwe rookspiraal bijna rechtstandig in de wolkenlooze lucht omhoog.

Dat moesten de jongens zijn!

Zij drukte het paard de hielen in de flanken, en het dier stoof weg, door zijn instinct gedreven, dat het zeide, dat daar ginds soortgenooten, versch gras, en water te vinden zou zijn.

Tien minuten reed Dolly snel voort, bergafwaarts. [7]

Toen steeg zij af, bond het paard aan een boom, en drong voorzichtig het kreupelhout binnen.

Na ongeveer honderd passen aldus te zijn voort gegaan, boog zij behoedzaam de takken terzijde.

Zij zag nu een open plek in het bosch, welig met gras begroeid en in het midden daarvan brandde het vuur, dat den rook naar den hemel had gezonden.

Daarom heen zaten een tiental mannen, reeds in zomerdracht, met slappe hoeden op, katoenen geruiten hemden aan, en half hooge laarzen.

Om hun hals was een kleurige doek geknoopt, die met een punt in den nek viel.

Dolly uitte een doordringenden kreet.

Onmiddellijk sprongen de mannen op, en grepen hun geweren.

Maar zij lieten de wapens dadelijk weder vallen, toen Dolly met luid gelach uit het kreupelhout te voorschijn sprong, en ineens midden in het grasveld stond.

„Daar ben ik, jongens!” riep zij uit, met een woest gebaar het hoofd in den nek werpend. „Wat zeggen jullie er wel van!”

„Dolly!”

„Duivelsche meid!”

„Een dochter van den booze!”

„Zij moet kunnen tooveren!”

Deze en andere uitroepen werden hoorbaar.

De mannen, blijkbaar zeer verheugd over de onverwachte komst van de „Verloren dochter” zooals een geletterde onder hen haar noemde, omringden haar, luidruchtig schreeuwend en lachend.

„Je bent er dus uitgebroken, meisje?” vroeg een der kerels, die de aanvoerder scheen te zijn.

„Ja Fred,” antwoordde Dolly. „Ik geloof dat ik een paar kerels koud heb gemaakt—maar het ging niet anders. En daar ben ik nu.”

„En Pat?” vroeg er een.

Het gelaat van de vrouw kreeg een sombere uitdrukking, toen zij antwoordde:

„Pat is—nog daar! Ik heb twee kunnen bevrijden—maar hij was er niet bij. Daarom juist kom ik hier, jongens, Pat mag daar niet blijven, versta jullie. Dat mag niet!”

De mannen keken nadenkend voor zich.

Zij begrepen wel, wat Dolly bedoelde, zonder het nog te hebben gezegd—maar dat was een zaak, die hun het hachje kon kosten.

Dolly keek hen een voor een met half dicht geknepen oogen aan, en hernam toen:

„Ik hoop toch niet, dat ik met zuigelingen te doen heb? Vloeit er geen bloed meer in jullie aderen? Heeft de winter het doen bevriezen—voor goed?”

„Dat zou geen man ons mogen zeggen, Dolly!” kwam Fred op somberen toon. „Maar je weet zelf, dat het een gevaarlijk ding is! Er ligt nu politie in Cedar Tree, naar ik heb gehoord, en het is een groote plaats!”

„Te groot voor een vastberaden troep van tien man?” vroeg Dolly op verachtelijken toon. „Jullie willen dus een man in gevangenschap laten, die jullie zoo menigmaal heeft aangevoerd, als er wat te rooven viel, ik moet het dus alleen gaan doen?”

Die laatste vraag had doel getroffen.

Er lieten zich kreten van protest en woede hooren.

„Zij heeft gelijk!” riep er een. „Het zou een schande zijn, als wij Pat daar lieten zitten, en het aan een vrouw overlieten, hem te bevrijden.”

„Laat ik jullie zeggen, dat ik het niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats doe om Pat zelf!” vervolgde Dolly. „Maar hij en ik hebben nog een appeltje te schillen met een paar Engelschen, die hier nog wel in de buurt zullen zwerven, en die ons in de gevangenis hebben geholpen. Niemand kent zoo goed als Pat O’Kelly de sluipwegen hier, en hij moet ons aanvoeren als wij wraak gaan nemen voor wat zij ons hebben aangedaan. Ook die Tom Hatters zal er van lusten! Weet jullie al, dat hij getrouwd is, en nu met zijn vrouw dicht bij den nieuwen spoorweg woont, en dat hij dezer dagen het geld voor zijn pelsen moet gaan ontvangen van den agent der Hudson Compagnie in Serati?”

Deze vraag had een groote uitwerking op de schurken, die hier bijeen waren.

Hun oogen schitterden, en zij keken Dolly en daarna elkander veelbeteekenend aan.

Daarop zeide Fred:

„Als dat zoo is, dan zal er dezer dagen wel een goeden slag zijn te slaan in zijn huis, hij heeft een prachtigen winter gehad.”

„Dat meende ik ook,” hernam Dolly kortaf. „Het blijft dus afgesproken, dat wij Pat gaan bevrijden, zoo spoedig mogelijk?”

„Ja, wij geven ons woord!” schreeuwden de mannen door elkander. [8]

„Zoo mag ik het hooren!” riep Dolly. „Ik moet nu eerst hier uitrusten, en afwachten, of zij mijn spoor zijn bijster geworden, maar daarna gaan wij dadelijk naar Cedar Tree, en ik zou wel eens willen zien, dat die gevangenis bestand is tegen tien vastberaden mannen!”

„Tien mannen—en een vrouw, die wel voor twee geldt,” zeide Fred op hoffelijken toon.

„Ik dank je voor het compliment, Fred,” zeide Dolly lachend. „Wij zeggen dus, dat wij hier nog een vollen dag blijven, en dan gaat het er op los. Wij kunnen in dien tijd een goed plan beramen. En geef mij nu wat te eten, want ik kom van honger om. Laat een van jullie mijn paard gaan halen, het is op honderd passen van hier vastgebonden.”

Een oogenblik later zat Dolly midden in den kring mannen en deed zich te goed aan een stuk konijnenvleesch, aan het spit gebraden.

Haar paard graasde met de rijdieren der bandieten, aan een der voorbeenen gekluisterd met een zwaar stuk boomstam.

De troep bleef den geheelen dag op denzelfden plek, maar het vuur werd gedoofd want het was mogelijk, dat de achtervolgers het spoor van de vluchtelinge hadden gevonden, en dan zou de rook hen natuurlijk aanlokken.

Maar er deed zich niets bijzonders voor.

De wachtposten, die nu waren uitgezet, gaven slechts eenmaal het sein, en dat was nog overbodig, want zij hadden verkeerdelijk gemeend, eenige ruiters te zien, die naderhand slechts een kleine kudde rendieren scheen te zijn.

Toen de avond viel werden de voorzorgsmaatregelen verdubbeld, en de wachtposten kregen bevel, goed uit hun oogen te zien.

Fluisterend bespraken intusschen Fred en Dolly hunne plannen, terwijl de andere mannen zich bij het schijnsel van het kampvuur onledig hielden met dobbelen en kaartspelen, waarbij het soms zoo ruw toeging, dat Fred zijn gezag moest laten gelden, en hen met een waarschuwend woord en een beweging naar zijn revolver tot de orde moest roepen.

Zij besloten, dat zij den volgenden dag laat in den middag op weg zouden gaan, ten einde ver na middernacht te Cedar Tree aan te komen.

Tenslotte wikkelden allen zich in hun mantels en begaven zich ter ruste.

Dolly had zich zoo ver mogelijk van de tien schurken teruggetrokken, want zij vertrouwde hen maar ten halve .…..

De volgende dag ging op dezelfde wijze voorbij en omstreeks drie uur in den middag werden de paarden gezadeld, en de kleine troep begaf zich op weg.

De mannen waren allen gewapend met geweer en revolver en zij waren vast besloten om er gebruik van te maken, als het noodig mocht zijn.

Want bijna allen stonden zij bij de politie in het krijt en als zij gevangen genomen werden, zou hun zeer waarschijnlijk een langjarige gevangenis wachten.

Twee mannen reden een paar honderd pas voor hen uit, om bij het eerste verdachte teeken de anderen te kunnen waarschuwen.

Maar zij ontmoetten geen manschappen der bereden politie, en de rustige bevolking ging hun zooveel mogelijk uit den weg.

De duisternis was allang gevallen toen zij op ongeveer tien mijlen afstand van Cedar Tree halt hielden om het tijdstip af te wachten, waarop zij den aanslag konden wagen.

Om een uur in den nacht trokken zij verder, en het was omstreeks kwart over tweeën toen zij opnieuw halt hielden, op 200 passen afstand van het dorp.

Een der mannen zou bij de paarden achter blijven en de negen andere slopen met Dolly het dorp binnen, dat in diepe rust verzonken was.

Geen geluid liet zich hooren.

Aangevoerd door de minnares van Pat O’Kelly begaven de bandieten zich naar de gevangenis, zorgdragende dat zij in de schaduw der huizen bleven.

Toen zij het gebouw konden zien liggen, hielden zij opnieuw halt en nu snelde Dolly en twee mannen zoo vlug zij konden naar de gevangenis, juist toen de schildwacht zich aan den anderen kant van het gebouw bevond.

„Let goed op, daar ga ik,” fluisterde Dolly tot de beide bandieten.

Zij ijlde den schildwacht achterna, die op het hooren van haar schreden dadelijk stilstond en zich omwendde terwijl hij het geweer van zijn schouder rukte.

Dolly trad glimlachend op hem toe, en vroeg met haar liefste lachje: [9]

„Ken je mij niet meer, schat?”

De schildwacht deed ten hoogste verbaasd een stap achteruit en zeide op gedempten toon: „Bij mijn arme ziel, het is waarachtig Dolly Patterson, zoo, je komt je dus weer gevangen geven?”

„Ja, zij zaten mij zoo dicht op de hielen, dat ik de partij wel als verloren moest beschouwen,” antwoordde de vrouw.

„Nu, ga dan maar gauw met mij mee,” grinnikte de schildwacht. „Je hebt er verstandig aan gedaan, dat je .….”

Maar hij kon niet verder spreken.

De twee bandieten hadden hem van achteren beslopen, terwijl Dolly hem sluw aan de praat hield, zij hieven tegelijkertijd hun breed jachtmes op, en door de beide wapens getroffen, zakte de schildwacht zonder een geluid te geven ineen.

Dadelijk liep het drietal op de voordeur van de gevangenis toe, en met een stem, alsof zij doodelijk uitgeput en bevreesd was riep Dolly op jammerenden toon:

„Doe open, om Gods wil doe open. Ik ben het Dolly Patterson, ik ben uitgeput en stervende.”

Dadelijk werd er achter de deur sleutelgerammel gehoord en de zware deur werd op een kier geopend.

De lichtstraal van een lantaarn drong naar buiten. Dadelijk rukten de beide bandieten de deur verder open en wierpen zich op den politiebeambte, die haar geopend had.

De man verdedigde zich wanhopend, en trachtte zijn revolver te grijpen, maar een vreeselijke slag met een gummiknuppel op zijn hoofd deed hem duizelend ter aarde storten.

Dolly maakte zich meester van den sleutelbos die aan zijn gordel hing, en zoo vlug zij kon begon zij de cellen te openen.

Zij was zeker op het goede spoor, want de drie eerste boeven die zij in vrijheid stelde waren handlangers van Pat O’Kelly, en de vierde was haar minnaar in eigen persoon.

Op een scherp fluitsein van een der bandieten waren de andere mannen van Fred ter hulp komen snellen, en dat was wel noodig, want op het gerucht van den strijd vlogen er deuren open en een aantal politiebeambten, uit hun sluimering gewekt, kwamen toesnellen.

Van weerszijden kraakten de revolverschoten, en twee der bandieten werden doodelijk gewond.

Maar de anderen wisten buiten het gebouw te komen en snelden zoo vlug zij konden naar de paarden, nu en dan ophoudend om op hun achtervolgers te vuren.

Door het schieten waren vele bewoners wakker geworden, maar niemand dacht er ook maar een oogenblik aan zich in den strijd te mengen, want iedereen kende de noodlottige gevolgen daarvan.

De mannen van Fred hadden onderweg voor paarden gezorgd en zoo behoefde Pat O’Kelly en de andere bevrijden niets anders te doen dan zich in het zadel te werpen. Eenige seconde later joeg de geheele troep in razend galop in de duisternis weg, terwijl de politiemannen hen vruchteloos nog eenige schoten achterna zonden.

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

In het huis van Tom Hatters.

Omstreeks denzelfden tijd dat zich dit voorval afspeelde, zaten vroeg in den morgen een viertal mannen en een jonge vrouw in een licht en zonnig vertrek van een farm op eenige mijlen ten Zuid Westen van het dorp Lime Beach gelegen op ongeveer honderd passen afstand van de nieuwe lijn, welke pas onlangs was aangelegd en juist in gebruik genomen, tot groot gerief van de veehandelaars die daar hun groote bezittingen hadden, en die tot dusverre steeds genoodzaakt waren geweest hun vee honderden mijlen ver [10]vaak door cowboys naar het naaste station te laten drijven.

Toch was deze farm mijlen in het rond nog altijd de eenige van de streek en het zou zeker jaren duren, voor Tom Hatters en zijn jonge vrouw, want zij waren de bewoners van dit huis, buren zouden krijgen.

De drie andere mannen in het vertrek waren John Raffles, Charly Brand en James Henderson, dezelfde Engelschen waaromtrent Dolly zich in zoo weinig vleiende bewoordingen tijdens haar alleenspraak in haar cel had uitgelaten.

Raffles was hier, eenvoudig omdat een gril hem naar Alaska had heengedreven, waar hij op den „Blauwvos” had willen jagen, en inplaats daarvan op bandieten gejaagd had, want hij had in de paar weken van zijn verblijf al meer avonturen beleefd, dan een ander in een jaar.

Hij had zijn jongen gastheer, den pelsjager Tom Hatters, een van die diensten kunnen bewijzen, welke men niet zoo spoedig vergeet, want zij hebben betrekking op dood of leven.

Maar zeker zou de brave kerel geen oogenblik hebben kunnen vermoeden, dat de man, die zijn meisje aan de handen van zijn belagers ontrukt had, dezelfde was die in de hoofdstad van Engeland de gentleman-inbreker heette, of ook wel Lord Lister de groote onbekende.

Neen, hij zou zeker eerder zijn kostbaarste vellen hebben gegeven, dan toe te geven, dat zijn gast iemand was, naar wien de politie te Londen reeds jaren speurde met een ijver die omgekeerd evenredig was aan het bereikte resultaat van haar nasporingen.

Wie hem gezegd had, dat de man die daar tegenover hem zat en daar zoo rustig zijn pijp rookte een man kon zijn, wiens leven een voortdurende reeks van gevechten met de wet was, dien zou hij hebben uitgelachen of voor krankzinnig hebben verklaard.

En toch was het zoo, daar zat, op duizend mijlen afstand van zijn grootsten vijand, den hoofdinspecteur Baxter, de stoutmoedige gentleman-inbreker in de gedaante van een Engelschen sportman, die hier voor zijn vermaak kwam jagen, en ondertusschen gelegenheid vond een bevallig jongmeisje te redden dat nu tegenover hem gezeten was en hem vroolijk lachend aankeek, maar thans als de wettige gade van Tom Hatters.

Pas eenige dagen woonde het jonge paar in deze farm, welke Tom gepacht had, in de vaste overtuiging, dat zijn werkkracht binnen kort een kapitaal er uit zou slaan.

Hij had grootsche plannen, hij zou een boomgaard aanleggen, konijnen in het groot gaan fokken, en tegelijkertijd zijn eigenlijk beroep, dat van pelsjager niet vergeten, zoodra de eerste sneeuw weder zou zijn gevallen.

Wat Raffles, zijn vriend Charly Brand en zijn trouwe metgezel, den chauffeur Henderson betreft, zij stonden op het punt weder naar hun land terug te keeren, op dezelfde wijze als zij gekomen waren, namelijk per vliegmachine, welk toestel zich thans te Serati bevond, waar het was toevertrouwd aan de hoede van den plaatselijken commandant.

Hij zou met zijn metgezellen nog een paar dagen doorbrengen in de farm om met zijn vriendelijken gastheer wat te jagen.

Maar nu zouden niet langer de sneeuwschoenen, de sleden en de honden gebruikt worden, maar men zou er te voet op uitgaan, want de sneeuw was reeds verdwenen en de schitterende zonnestralen hadden den grond spoedig doen opdrogen.

Jessie, de jonge vrouw van den pelsjager, weinig meer dan een kind nog, liep bedrijvig af en aan, en pakte eenige eetwaren in een rugzak van haren echtgenoot.

Charly Brand, die juist een blik door het groote venster had geworpen, zeide nu:

„Het is buitengewoon schoon weer en men kan zich bijna niet voorstellen, dat het nog geen week geleden veertig graden vroor.”

„Dergelijke snelle weersveranderingen komen hier wel eens meer voor, mijnheer,” zeide Tom, „maar zoo snel en aanzienlijk als deze lente heb ik het nog nimmer bijgewoond.”

„Het is eigenlijk jammer, dat de nieuwe lijn zoo dicht voorbij uw huis loopt,” hernam Charly. „Meestal komt een spoorweg het natuurschoon niet ten goede!”

„Dat is zoo, en hij verdrijft het wild,” gaf Tom toe. „Maar daarentegen is het heel gemakkelijk voor het vervoer van mijn pluimvee en landbouwproducten naar de stad.”

„Wat zijn eigenlijk onze plannen voor heden?” vroeg Raffles nu.

„Ik wilde den kant van Pine Creek opgaan, mijnheer, [11]en in het terugkomen wilde ik te Serati het geld voor mijn vellen gaan halen.”

„En wilt ge dat hier bewaren?” vroeg Raffles verwonderd. „Is dat niet zeer gevaarlijk?”

„Heel lang zal het niet in huis zijn, mijnheer, ik moet het voor het grootste gedeelte dadelijk weer betalen aan den man die mij deze hoeve verkocht.”

„Maar dat kunt gij toch onmogelijk alles te voet afdoen?”

„Zeker niet! Daarom wilde ik voorstellen, heden te paard te jagen, er is op een paar mijlen hier vandaan een prachtig jachtgebied, waar het nog krioelt van wilde schapen, elanden en beren. Morgen kunnen wij dan wat meer in de buurt blijven, en te voet jagen.”

Aldus werd afgesproken en de toebereidselen voor de jacht waren spoedig afgeloopen.

Tom had in zijn stal een viertal uitstekende paarden, waarvan hij er drie ter beschikking zijner gasten zou stellen.

Om half negen reed de kleine troep uit, juist toen er met donderend geweld een sneltrein gepasseerd was.

Jessie stond in de deuropening en keek hen zoo lang zij kon na.

Van tijd tot tijd draaide Tom zich in het zadel om, teneinde haar toe te wuiven.

Eindelijk onttrok een heuvelrug de geheele hut aan het oog.

„Vindt gij het zelf niet wat gewaagd, uw jonge vrouw zoo geheel alleen achter te laten, met den naasten buurman op een tien mijlen afstand?” vroeg Raffles nadat zij eenigen tijd voort gereden hadden, terwijl Fang, de prachtige wolfshond, vroolijk voor hen uit galoppeerde.

Tom haalde even de schouders op en antwoordde:

„Wat zal ik u zeggen mijnheer, als wij bewoners van deze streken ons met dergelijke dingen gingen ophouden, dan zouden alle oogenblikken van ons leven vergald worden, de vrouwen zijn hier ook niet wat zij in Europa zijn, zij kunnen allen met het geweer en de revolver omgaan, en zij kennen de wildernis bijna evengoed als wij mannen. En dan, welk gevaar zou Jessie kunnen loopen? Dolly en Pat zitten gelukkig in de gevangenis, en de anderen zullen het niet wagen, zich zelf in het gevaar te storten, nu de bereden Noord Westelijke hier juist aan het patrouilleeren is geweest.”

Het gesprek eindigde hiermede, want reeds sprongen er in de verte een paar groote elanden over het pad.

De jacht was spoedig in vollen gang, en tegen den middag rustten de vier jagers uit op een plek, die ongeveer twee mijlen van Serati was gelegen.

Vervolgens begaven zij zich naar deze stad en Tom ging bij den agent der Hudson-Maatschappij zijn geld halen, ongeveer achttien honderd dollar, een zeer groot bedrag voor deze streken. Daarvan zou hij er dadelijk vijftien honderd voor zijn hoeve moeten betalen en over vier dagen zou de man komen, die ze hem verkocht had.

Beladen met vier zakken goudgeld die twee aan twee aan zijn zadel hingen, keerde Tom in gezelschap van zijn gasten naar de hoeve terug.

Toen zij op ongeveer een halve mijl afstand van het huis waren, zagen zij een armoedigen zwerver, die uit de richting van de hoeve kwam, en nauwelijks opkeek toen de vier ruiters voorbij gingen.

De rand van zijn hoed was diep in zijn oogen getrokken, en van zijn gezicht was weinig of niets te zien.

Toen de man een meter of tien voorbij was, draaide Raffles zich nog eens in zijn zadel om.

Hij kreeg den indruk, dat de man had stilgezeten, om hen na te kijken, en nu zich haastig weer omdraaide, om zijn weg te vervolgen.

Naar zijn bewegingen te oordeelen was hij nog zeer jong, bijna een knaap, met smalle schouders, en een dunnen hals.

„Hebt gij hier veel last van landloopers?” vroeg Raffles, die een oogenblik in gedachten verzonken scheen te zijn geweest.

„Des zomers wel, dan komen zij hier bij geheele troepen, maar schadelijk zijn zij niet, behalve dat zij soms de eieren uit de hokken stelen, of wortelen uit de akkers trekken.”

Hij wilde nog iets zeggen, maar nu werd zijn geheele aandacht in beslag genomen door Jessie, die op den deurdrempel stond, en de thuiskomende jagers verwelkomde, door met haar zakdoekje te zwaaien.

Zooals zij daar stond, in haar licht katoenen japonnetje, was zij nog wel echt een kind, de verpersoonlijkte lente, met de zon op haar gouden haar, dat in dikke vlechten over haar teederen boezem nederviel. [12]

Tom liet een juichkreet hooren, zijn oogen schitterden van liefde en blijdschap.

Toen gaf hij zijn paard de sporen, en joeg in een woesten galop over de vlakte om ten slotte zijn paard met een ruk vlak voor de deur tot staan te brengen, zoodat het hier als het ware op de achterbeenen kwam te zitten.

Hij was in een oogwenk uit het zadel, liep op zijn jonge vrouw toe, en nam haar in zijn armen.

Met de armen om elkanders nek, elkander teeder in de oogen ziende, ging het paartje het huis binnen, zonder zich om het paard of iets anders te bekommeren.

Raffles keek hen met een wonderlijke uitdrukking in zijn groote grijze oogen na, en mompelde toen zacht:

„Als ik er nog iets van weet, dan is dat werkelijk liefde, onbedorven, rein en sterk. Ik geloof, dat men zoo iets nog maar alleen in deze afgelegen streken der aarde vindt.”

„Misschien ben je nu wel een weinig onbillijk, Edward,” zeide Charly glimlachend. „Maar ik erken, dat het goed doet, die twee jonge menschen te zien, in de volheid van hun geluk.”

„Als het maar duurt,” zeide Raffles voor zich heen, zoo zacht, dat Charly hem bijna niet verstond.

„Waarom zou dat niet?” vroeg de jonge man. „Zij hebben elkander immers innig lief.”

„Ja, maar de liefde beschermt tegen de boosheid niet,” gaf Raffles ten antwoord. „Ik hoop dat die Dolly en haar kornuiten heel lang gevangen worden gehouden, anders zeg ik niet.”

„Ach, vrees je daarvoor?” riep Charly uit. „Je denkt dus, dat de haat van die vrouw nog niet geluwd is?”

„Dat denk ik, daarvoor is zij juist een vrouw,” zeide Raffles op ernstigen toon.

Zij waren nu het huis genaderd en stegen af.

Charly bond de paarden vast en Raffles ontlastte het paard van Tom van de goudzakken, voor het dier te ver uit de buurt kon raken.

Hij droeg ze naar binnen, en legde ze glimlachend neder voor Tom, die met zijn vrouwtje op de rustbank gezeten was, en aan heel andere dingen dacht dan aan goud, of het moest het goud zijn, dat op den schedel van Jessie glinsterde.

„Neem mij niet kwalijk, dat ik je kom storen, mijn waarde Tom,” zeide hij schertsend, „maar je zult je misschien herinneren, dat je hier met vier zakken goud geld bent teruggekomen. Hier zijn ze.”

De jonge man sprong verlegen op, en riep uit:

„Dat is waar, ik dacht er niet aan.”

Jessie was ook blozend opgestaan, en zeide:

„Het is goed, dat mijnheer Bristol—dat was de naam, dien Raffles hier had aangenomen—het goud maar heeft binnengebracht, anders was je paard er mee vandoor gegaan, Tom. En nu zal ik eens voor een goed maal gaan zorgen, de heeren zullen wel hongerig zijn.”

En vlug als een eekhorentje was zij weggesneld.

Tom keek haar met een blik vol innige liefde na, en ging toen zijn geld wegbergen, in een ouderwetsche ladekast, een erfstuk van zijn moeder.

Het overige van den dag werd doorgebracht met praten en rooken, en na het avondmaal begaf men zich vroeg ter ruste.

Den volgenden dag zouden de drie Engelschen om twee uur in den middag vertrekken met den trein, die het naaste station aandeed, op ongeveer vijftien mijlen van de hoeve gelegen.

Maar de morgen zou nog aan de jacht gewijd zijn.

Toen zij zich gereed maakten om te vertrekken, wende Raffles zich tot Tom en zeide zacht:

„Luister eens, mijn waarde Tom, vindt gij het nu wel verstandig, mede te gaan, en uw jonge vrouw geheel alleen te laten, terwijl er een groote som geld in huis is?”

Tom keek een weinig bedremmeld voor zich, en zeide:

„Maar, wie kan dat weten, behalve gij?”

„O, zeg dat niet, denkt gij, dat men dergelijke dingen geheim kan houden? Er zullen zeker wel meer personen zijn, die zeer goed weten, dat gij gisteren uw geld bij den agent van de Maatschappij zijt gaan halen.”

Tom scheen te aarzelen.

Als woudlooper kon hij zich de ongerustheid van den Engelschman niet goed voorstellen, hij begreep niet, wat men hier te vreezen kon hebben, als Jessie achterbleef met een goed geweer en een span woeste trekhonden, die haar zeker zouden verdedigen als een brutale zwerver het mocht wagen, die hoeve binnen te dringen.

„Als gij ons gaarne vergezelt, laat dan tenminste mijn bediende bij uw vrouw achterblijven,” drong [13]Raffles aan, die zelf niet begreep, waarom hij door ongerustheid werd gekweld van het oogenblik af, dat hij zich den dag te voren op den zadel had omgewend, toen de jonge zwerver was voorbijgegaan, en gezien had, hoe die zich haastig afwendde.

„Nu, goed dan,” riep Tom uit, die niet gaarne het tochtje gemist had, en volkomen gerust was omtrent het lot van zijn geld. „Als gij er dan op staat, dan zal mijnheer de reus hier blijven. Als Jessie dan niet goed bewaakt is, dan weet ik het niet.”

Raffles wenkte Henderson terzijde, en wisselde eenige woorden met hem, welke de reus zwijgend aanhoorde.

Daarop keerde Henderson in het huis terug, en de drie anderen zagen, hoe hij voor een der ramen zijn revolver begon na te zien, na ook zijn geweer voor zich op de tafel te hebben gelegd.

„Nu ben ik tot uw dienst,” riep Raffles opgewekt uit. „Uw vrouwtje is nu wel veilig, zou ik denken.”

„Op weg dan!” kwam Tom, verheugd dat nu alles naar den wensch van zijn gast geschikt was.

Allen grepen hun geweer en tasch, sloegen den knapzak over den schouder, en namen afscheid van Jessie.

De jagers zouden voor de lunch—de laatste—terug zijn.

Na een voorspoedige jacht die eenige hazen, parelhoenders en een speenvarkentje had opgeleverd, keerden de drie mannen weder naar de hoeve terug.

Evenals den vorigen dag stond Jessie hen in de deur op te wachten.

Maar zij was niet zoo opgewekt als den vorigen dag, het vertrek van de mannen, die haar het leven en de eer gered hadden, was op handen.

Ook Tom was stiller dan anders, en zijn vroolijke lach bleef achterwege.

Toen de maaltijd ten einde liep, stond hij op, en zeide met trillende stem:

„Ik ben beter jager dan spreker, vrienden—maar ik moet u toch zeggen, dat het mijn vrouw en mij groot leed doet, dat gij ons weder gaat verlaten. Gij hebt voor Jessie en mij gedaan, wat niet veel anderen zouden doen, onder gelijke omstandigheden. Dat vergeten wij nooit—neen nooit. Het is niet waarschijnlijk, dat wij nog ooit in de gelegenheid zullen komen, u een dienst van dien omvang te vergelden, maar mocht het lot zulk een zonderlingen keer nemen, dat dit wel het geval is, dan zult gij bemerken, dat Tom en Jessie weten wat de dankbaarheid beteekent. Onder alle omstandigheden, wat er ook zou kunnen gebeuren, wij zouden u helpen als gij in gevaar zou mogen verkeeren.”

Raffles had zwijgend en meer ontroerd, dan hij wilde laten blijken, naar deze eenvoudige woorden geluisterd.

Nu richtte hij zijn doordringende oogen vast op Tom, en zeide:

„Onder alle omstandigheden, zegt hij. Wat er ook zou kunnen gebeuren?”

„Ja, dat herhaal ik,” riep de jonge pelsjager uit, terwijl hij de hand van Raffles greep en die met kracht drukte.

Een oogenblik was het stil in de groote kamer.

Toen kwam Jessie aarzelend op Raffles aan, zij had een kleinen ruiker veldbloemen in de hand.

„Wilt gij deze bloemen van mij aannemen, mijnheer, als aandenken?” vroeg zij schuchter.

Raffles scheen te weifelen, maar een blik in de reine oogen van het kindvrouwtje deed hem haastig besluiten, hij stak de hand uit, en nam voorzichtig de bloemen aan.

Zijn stem had een klank, dien Charly er maar zeer zelden in hoorde, toen hij zeide:

„Ik zal deze bloemen mede naar England nemen, Madame—als een aandenken aan een paar schoone dagen; ik heb hier, waar ik ze stellig niet kon verwachten, echte en zuivere liefde gevonden—en goedheid des harten. Als gij mij kendet, en wist wie ik was, dan zoudt gij beter begrijpen, als ik u zeide, welke groote waarde deze veldbloemen voortaan voor mij zullen hebben.……”

Hij had het ruikertje tusschen een paar knoopen gestoken en reikte Jessie de hand.

„Wij zullen elkander waarschijnlijk nimmer terug zien,” zeide hij. „Vaarwel!”

Weinig uren later zou Raffles moeten bekennen, dat hij zich hierin vergist had.…… [14]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

De bandieten vallen aan.

De drie Engelschen waren ongeveer een uur weg, toen Jessie, die stil en bedroefd voor het raam zat, een zachten uitroep slaakte.

„Wat is er,” vroeg Tom, die bezig was, een paar vallen in het vet te zetten die bestemd waren om in de sneeuw te worden gebruikt, en nu voorloopig geen dienst meer zouden doen.

„Daar is die zelfde man weer, dien ik gisteren ook al om het huis heb zien zwerven,” antwoordde Jessie.

Jessie wees naar een jongen man, in een havelooze plunje, die aan de overzijde van de spoorbaan stond, en naar het huis scheen te kijken.

Tom stond op en keek naar het raam.

Hij slaakte een uitroep van verbazing.

„Wel, dat is dezelfde kerel, dien wij gisteren dicht bij het huis gezien hebben toen wij van de jacht terugkeerden. Wat staat de kerel daar te loeren?”

Voor Jessie hier antwoord op had kunnen geven, was de man verdwenen, alsof hij door den grond gezonken was.

Hij was nog even zichtbaar, toen hij tegen de helling van een heuvel opklauterde, op omstreeks tweehonderd meter van het huis, en eensklaps gaf Jessie een gil, die Tom verschrikt weder naar het raam deed terug keeren.

„Wat is er toch, Jessie? Waarom schreeuw je zoo?”

„Die man—die zwerver—het is een vrouw!”

Met een bleek gelaat wees zij met uitgestrekten vinger naar de gedaante, die nu zoo snel mogelijk den heuveltop trachtte te bereiken.

Tom uitte een gedempten vloek.

De zwerver had onder het loopen zijn hoed verloren, of die was hem van het hoofd getrokken door de laaghangende twijgen van eenige heesters, en nu golfde een dichte stroom van blauwzwart haar over den rug van den gewaanden man, er kon niet aan getwijfeld worden, het was een vrouw, als man vermomd!

„Wat voor den duivel heeft dat te beteekenen?” riep Tom uit. „Wat is dat voor een maskerade?”

Op dat oogenblik keek de vrouw nog eens om. Het was maar een ondeelbaar oogenblik, en de afstand was groot—maar het vrouwelijke instinct in Jessie sprak luide:

„Het is Dolly Patterson!” schreeuwde zij, met de hand op het hart, en zoo wit als het laken waaraan zij zooeven genaaid had.

„Kom, meisje—je vergist je!” riep Tom uit. „Je moet je vergissen, Dolly zit immers in de gevangenis in Cedar Tree.”

„Ik zeg je, dat zij het is, Tom. Ik kan mij niet bedriegen!” riep Jessie uit.

Tom keek scherp naar buiten, maar van de vrouw was niets meer te bespeuren.

Zij moest nu in de kleine dalkom, die zich achter den heuvel van het huis uitstrekte, zijn.

Zonder een woord te zeggen, stond Jessie op, en liep naar den schoorsteen.

Daar hingen, op een rek, een viertal geweren, voor de jacht op grof wild.

Zij nam een der geweren, en overtuigde zich, dat het geladen was.

Toen snelde zij naar een kast, en nam er een groote doos patronen uit.

„Als zij het zijn, dan zullen wij ons toch verdedigen, nietwaar Tom?” vroeg zij met gesmoorde stem.

„Ja, Jessie,” antwoordde Tom met een woeste uitdrukking van vastberadenheid in zijn oogen. „Als zij tenminste niet al te talrijk zijn .……”

„Maar wij kunnen niet vluchten! Waar zouden wij heen moeten gaan? Zij zijn natuurlijk bereden, [15]en de dichtst bij zijnde plaats ligt twintig mijlen hiervandaan!”

Zij had nauwelijks uitgesproken, toen boven op den heuvelkam, op ongeveer tweehonderd meter afstand, een aantal ruiters verscheen.

Zij waren met z’n tienen op zijn minst.

Een oogenblik schenen zij in beraad te staan, en toen zwenkten er een paar ter rechter en ter linker zijde af, naar allen schijn, om ter zijde van de blokhut te komen.

Aan weerskanten bevond zich laag kreupelhout, en het zou gemakkelijk vallen vandaar het huis onder vuur te nemen, zonder zich zelf te vertoonen, als eenmaal de paarden onder het dichte gebladerte waren vastgemaakt.

Zonder zich te bedenken, hief Jessie haar geweer op, en vuurde door het open venster op een der voortgaloppeerende ruiters.

Zij miste, en de bandiet reed snel als de wind verder.

Tom had zijn geweer van het rek gerukt, en legde nu op zijn beurt aan.

Het schot kraakte, het paard van een der bandieten, midden in het hart getroffen, maakte een verbazenden sprong, en wierp zijn ruiter af, waarna het neerstortte, en dood bleef liggen.

Tom en Jessie konden zien, hoe de man zich snel van onder het doode paard bevrijdde, en zoo vlug hij kon weghinkte, om zich achter den heuvelkring in veiligheid te brengen.

Ook de andere ruiters waren eensklaps weder verdwenen, daar zij wel begrepen op dien heuvelkam een al te gemakkelijk doelwit op te leveren voor bekwame schutters.

Maar den andere ruiter die naar den zijkant van het huis was gerend, had reeds het beschuttend kreupelhout bereikt, en er was nu niets meer van hem te zien.

Maar dat hij er was, toonde hij gauw genoeg.

Want nauwelijks een halve minuut later knalde een schot vanonder het dichte gebladerte ter rechterzijde van het huis, op nog geen tweehonderd meter afstand.

De kogel drong diep in het hout van den zijmuur maar ging er gelukkig niet door—daartoe waren de balken te dik—bijna twee decimeters in doorsnede, en van het hardste cederhout.

Intusschen was de toestand zeer gevaarlijk.

Want de jonge lieden konden ten eerste niet weten, of die tien man, die zij gezien hadden, de geheele aanvalsmacht vormden, en dan konden de bandieten de duisternis wel eens willen afwachten, om dan van alle kanten op het huis toe te sluipen, en de beide verdedigers te overvallen.

Jessie, die zeer bleek was, maar haar tegenwoordigheid van geest geen oogenblik had verloren, trad nu met het geweer in de hand op Tom toe, zoo diep mogelijk bukkend, opdat de bandieten haar niet achter het raam konden zien bewegen, en zeide haastig:

„Luister, Tom. Als wij niets doen, dan worden wij hier als muizen in de val afgemaakt, want zij zullen wel een middel weten te vinden, om ons in te sluiten, zonder dat zij onder ons schot komen. Ik zal hulp halen in Lime Beach.”

„Wat?” schreeuwde Tom. „Nooit! Zij zouden je opvangen en je dooden. Nooit zeg ik je!”

„Ja, Tom, het moet!” hernam Jessie kalm, en op vasten toon. „Het is onze eenige kans. Jij schiet beter dan ik, en je kunt de ellendelingen wel een paar uur bezig houden. Ik zal met Bessy langs de spoorbaan gaan, en ik kan met een half dozijn dappere kerels binnen drie uur terug zijn. Ik kan nu nog achter het huis wegkomen, maar als ik wacht, dan zal het misschien te laat zijn, het moet Tom, het moet!”

De jonge pelsjager was aan een vreeselijken tweestrijd ten prooi.

En toch—Jessie had gelijk—als er niets gedaan werd, dan zouden zij hier eenvoudig worden afgemaakt, vroeg of laat!

Op hulp behoefden zij niet te rekenen, want daartoe lag het huis te afgelegen—en de telegraaf was nog niet tot hier doorgetrokken.

Tom trok Jessie in zijn arm en riep half snikkend:

„Ga dan, en moge God je beschermen. Ik zal vechten, tot ik geen patroon meer heb!”

Hij drukte een innigen kus op de lippen van de jonge vrouw, en Jessie snelde naar den stal, die achter het huis gelegen was, en maakte Bessy, de bruine merrie los.

Zij behoefde het dier alleen maar het zadel op te leggen en het gebit in den mond te doen, want in deze streken was het de gewoonte, het hoofdstel der paarden nooit af te doen.

Zij overtuigde zich nogmaals, dat de kleine revolver [16]in haar gordeltasch stak, trok het paard naar buiten, en wierp zich in het zadel.

Zij drukte het dier de hielen in de zijde, en als een pijl uit den boog vloog het voorwaarts.

Maar het had de spoorbaan nog niet bereikt, of uit het heesterboschje knalde een schot .…..

Bessy maakte een geweldigen sprong, en het had niet veel gescheeld, of het dier had zijn berijdster afgeworpen.

Toen stond het eensklaps doodstil en daarna liep een lange rilling over zijn lichaam.

En zoo onverhoeds viel het op zijde, dat Jessie maar juist den tijd had zich uit de stijgbeugels te bevrijden.

Het arme dier was zwaar gewond, en niet in staat, zijn meesteres te dragen.

Dadelijk wierp Jessie zich plat op den grond en het was tijd, want een tweede schot knalde, en de kogel vloog dicht boven haar hoofd voorbij.

Een ziekmakend gevoel van vrees greep de jonge vrouw een oogenblik aan, maar zij verzette zich er uit alle macht tegen.

Van haar alleen hing het af, of haar man, of haar hoeve gered zou worden en zij mocht niet aarzelen.

Maar de trouwe Bessy was gewond, wat moest zij doen, hoe kon zij nog naar Lime Beach gaan?

Zij hief het hoofd een weinig op, en wierp een blik op de spoorbaan.

Zij liet een zachten kreet van blijdschap hooren, daar, op het zijspoor, stond een trolley, een van die kleine wagentjes op spoorwielen, welke met behulp van een hefboom, zooals die, waarmede men handbrandspuiten aan het werk zet, in beweging kunnen worden gebracht.

De afstand bedroeg niet meer dan twintig meter—maar zij liep gevaar, onderweg daarheen te worden getroffen door den bandiet, die in het boschje verscholen zat.

En toch was het de eenige weg.

Zij mocht niet aarzelen.

Op handen en voeten kruipend, zorg dragend, dat zij het hoofd niet boven het lange gras uitstak, sloop zij naar de spoorbaan.

Toen zij de grens van de weide bereikt had, stond zij eensklaps op, en rende zoo hard zij kon naar de trolley.

Zij sprong er op, maakte den ketting van den hefboom los, en begon de handgreep op en neer te bewegen.

Die eerste seconden zouden over leven en dood kunnen beslissen, en zij leken haar uren.

De man in het boschje had haar zeker niet op die plek verwacht want het duurde een paar tellen, voor hij haar zag, en toen hij schoot was de trolley reeds in beweging.

Jessie was op de hurken gaan zitten, om zoo weinig mogelijk van haar lichaam als doelwit bloot te stellen.

Het was zeer vermoeiend en lastig, om in die houding den hefboom op en neer te bewegen.—Maar het moest!

Het wagentje kreeg hoe langer hoe meer vaart.

De bandiet had reeds tweemaal geschoten en een der beide kogels was met een harden tik tegen een der wielen afgeschampt.

Maar nu kwam de trolley achter het huis vandaan, en de overige bandieten, achter den heuvelkring zouden haar te zien krijgen.

Tot haar groot geluk schenen de kerels juist krijgsraad te houden, op de andere helling van den heuvel, zoodat zij de spoorbaan niet konden zien.

De trolley kreeg steeds grooter vaart, maar toen Jessie zich eindelijk durfde oprichten, en steeds den hefboom neerduwend en optrekkend, een blik achter zich wierp, zag zij, dat de bandiet, die in het boschje verscholen was geweest, zijn paard had bestegen, en haar nu in vliegenden galop achterna zette.

Hij dreef zijn paard tegen de flauwe helling van de spoorbaan op, en joeg het nu tusschen de glinsterende rails voort.

Jessie was ongeveer tweehonderd meter voor hem uit, en spande zich tot het uiterste in, om dien afstand te bewaren.

Tot haar schrik zag zij, dat de spoorlijn hier langzaam begon te stijgen.

Het paard zou van die geringe stijging weinig gevoelen, maar de trolley des te meer.….

Jessie rukte aan den hefboom, zoo snel zij maar kon.

Door de snelle en inspannende beweging was haar overvloedig haar losgegaan en nu en dan moest zij het uit de oogen strijken om te kunnen zien. [17]

Boven het snorren van de wielen uit, hoorde zij reeds het tikken van de paardenhoeven op het versche grint tusschen de rails.

De bandiet had zijn geweer in den holster naast het zadel laten glijden, en tastte nu naar zijn revolver.

Want de afstand was tot niet meer dan honderd meter op zijn hoogst verminderd.…..

Juist toen de kerel voor de eerste maal schoot, had de trolley den top van de flauwe helling bereikt, en tot haar vreugde bemerkte Jessie, dat de lijn nu even langzaam weder daalde.

Dat was dadelijk te merken aan de vaart, waarmede de trolley nu voorwaarts stoof, en het meerdere gemak waarmede zij den hefboom kon hanteeren.

De bandiet schoot voor den tweeden keer, na zijn paard met een woesten ruk tot stilstand gedwongen te hebben.

Hij hoopte zeker, aldus beter te kunnen mikken.

De kogel boorde door de dikke strengen van haar loshangend haar, met een mat geluid als van een zwakken zweepslag.

Steeds verder verwijderde de trolley zich van den ruiter.

Deze wilde nog een laatste poging doen, en dreef zijn paard met een woesten kreet opnieuw aan.

Maar hij had nog geen tien meter afgelegd, of het dier struikelde over een grooten, ronden keisteen.

Het stortte op de knieën en wierp den man uit het zadel.

Hij bonsde met het hoofd tegen de rails en bleef bewegingloos liggen, terwijl het bloed uit een zware hoofdwond gutste.

Jessie, die voortdurend had omgezien, slaakte een luiden kreet.

Dat deed zij niet, omdat de bandiet van zijn paard was gestort, dat met gebroken poot zachtjes hinnikend op het spoor lag, maar omdat zij, op geen twee mijlen afstand achter zich, en juist ter hoogte van het blokhuis, een rookpluim boven den heuvel op zag stijgen.

Die rook kwam uit de pijp van de locomotief, welke den sneltrein trok, die daar in pijlsnelle vaart naderde, om zich naar Lime Beach te begeven, waar hij het eerst zou stoppen.….. [18]

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Een onverwacht wederzien.

Raffles, Charly en Henderson hadden met hun vrij omvangrijke bagage plaatsen genomen in den sneltrein, die hen naar een plaats dicht bij de stad Serati zou brengen, waar hun vliegmachine bewaard werd, en vanwaar zij weder naar Engeland zouden terugkeeren.

De nieuwe lijn was nog maar zeer kort en Raffles zou er waarschijnlijk geen gebruik van hebben gemaakt, maar te paard gereisd hebben, ware het niet, dat hij eens kennis wilde maken met het nieuwe traject.

Eenmaal te Serati, zouden zij het stofgoud te voorschijn halen uit de veilige schuilplaats, waar zij het hadden verborgen, en dan stond niets meer hun terugkeer naar Londen in den weg.

De wagens van den trein waren splinternieuw, en zij waren zoo goed in de veeren opgehangen, dat men van schokken zoo goed als niets merkte.

Ook de snelheid was zoo groot, als men die op de groote Amerikaansche lijnen maar zou kunnen wenschen.

De lijn liep door een van de schoonste streken van Alaska, en spoedig zou het hier zeker wemelen van hoeven, en welvarende dorpen zouden uit den bodem rijzen, terwijl zij er thans nog maar sporadisch voorkwamen.

De trein naderde nu de hoeve van Tom Hatters, en Raffles en Charly gingen naar het uitkijkplatform van hun wagen, in de hoop, dat zij nog een glimp van hun vriendelijke gastvrouw en haar man zouden kunnen opvangen, al passeerden zij het huis ook aan de achterzijde.

Zij zagen evenwel niets, en het huis leek wel uitgestorven te zijn.

Maar eensklaps riep Charly uit:

„Kijk eens—wat is dat? Die bruine vlek daar, dicht bij den voet van den spoordam? Het lijkt wel een dood paard!”

Raffles kneep zijn oogen half dicht en antwoordde toen:

„Je hebt gelijk—het is een bruin paard—en wat— — —wat beteekent dat? Het is Bessy, de bruine merrie van Jessie Hatters!”

Een oogenblik keken de beide vrienden elkander vragend aan, en toen zij weder naar de bruine vlek keken, was de trein de plek al voorbij geraasd.

„Ik kan niet zeggen, dat dat mij bevalt,” bromde Raffles voor zich heen. „Hoe komt dat paard daar—dood of zwaar gewond?”

„Misschien is het bij ongeluk gestort of heeft het een poot gebroken,” meende Charly.

„Maar Jessie was heelemaal niet voornemens dezen middag te paard er op uit te trekken,” riep Raffles uit. „Neen, ik vrees dat hier iets anders achter schuilt.”

Hoofdschuddend verliet hij het platform weder en begaf zich, door Charly gevolgd, weder naar de coupés.

Maar nauwelijks vijf minuten later werden de remmen zoo sterk aangedraaid dat de reizigers door elkaar dreigden te rollen.

Raffles wierp een blik door het portierraampje.

Het spoor maakte hier een flauwe bocht, en op ongeveer twee honderd meter voor den trein lag iets over het spoor heen, en nog wat verder stond een trolley en daarop had een jonge vrouw zich in haar volle lengte opgericht en zwaaide met een rooden lap—een halsdoek of iets dergelijks.

„Maar dat is Jessie!” riep Charly verwonderd uit, die naast Raffles was komen staan.

„Ja, zij is het, hoe komt zij hier—wat doet zij [19]hier, en wat is dat zwarte ding dat over de rails ligt?”

„Een paard!” antwoordde Charly. „Nog een paard dus!”

De trein had zijn vaart aanzienlijk verminderd en op ongeveer 20 meter voor het gevallen dier stond hij stil.

Overal kwamen hoofden naar buiten steken, die van dit oponthoud midden in de vlakte niets begrepen.

De hoofdconducteur sprong uit den bagagewagen en liep naar de locomotief om den machinist te vragen wat er gaande was.

Maar daarbij kreeg hij de trolley en Jessie in het oog en het lichaam van een zwaar gewond man, uit wiens voorhoofd donkerrood bloed stroomde.

Jessie was doodsbleek van de trolley gekomen, den rooden doek nog steeds in de hand en liep toen snel op den hoofdconducteur toe, die nu pas besefte, aan welk groot gevaar de reizigers ontkomen waren, daar de mogelijkheid volstrekt niet was buitengesloten, dat de trein zou zijn ontspoord, als de locomotief tegen het lichaam van het paard was aangereden.

Onder de passagiers die den trein verlaten hadden bevonden zich ook Charly en Raffles, die haastig op de jonge vrouw toeijlden.

„Wat is er toch gebeurd?” riep Charly, terwijl hij het jonge vrouwtje dat van opwinding beefde de hand toestak.

„Ons huis is door bandieten aangevallen, mijnheer—ik wilde met Bessy hulp gaan halen in Lime Beach, zij hebben mijn paard onder mij neergeschoten en toen zag ik de trolley staan op het zijspoor, dat zich niet ver van ons huis met het hoofdspoor vereenigt.

„Een der bandieten zette mij achterna—en toen hij mij bijna had ingehaald gleed zijn paard uit over een ronden keisteen en wierp hem af. Hij kwam met het hoofd tegen de rails terecht—en het paard viel met gebroken poot dwars over het spoor.

„Ik keerde dadelijk zoo ver mogelijk terug, omdat ik de rookpluim van de locomotief zag en gaf het onveilige sein met mijn rooden halsdoek.”

„Gij hebt u kranig gehouden!” riep de hoofdconducteur uit, die de uiteenzetting mede had aangehoord.

„De bandieten belegeren dus nog altijd uw huis?” vroeg Raffles.

„Ja, mijnheer, en ik smeek u om in Lime Beach, zoodra de trein daar is aangekomen, hulp te gaan halen. Gij behoeft slechts naar den Sheriff te gaan, dien wij goed kennen, Tom en ik, en hij zal dadelijk met een tiental van zijn jongens komen opdagen”

„De boodschap zal gedaan worden, Madame—maar niet door ons!” antwoordde Raffles. „Wij keeren nu aanstonds met u terug, want als wij het goed begrijpen, dan strijdt Tom op dit oogenblik geheel alleen tegen een groote overmacht.”

„Er zijn minstens tien mannen, mijnheer. Een was er buiten gevecht gesteld, toen ik wegging. En Dolly Patterson is er ook bij!”

„Wat zegt gij daar? Is zij dus ontsnapt?” riep Charly uit.

„Ja, zij was de zwerver, dien gij eergisteren bij het thuiskomen van de jacht niet ver van ons huis zijt tegengekomen.”

„Ik vertrouwde dien kerel niet van het eerste oogenblik, dat ik hem zag,” hernam Raffles. „Maar dat had ik toch niet gedacht. Nu, wij zullen geen tijd verliezen met praten,—wij keeren dadelijk met behulp van de trolley naar uw huis terug, waarvan wij hier ongeveer 8 kilometer verwijderd zijn.”

Hij wendde zich tot den hoofdconducteur, en vervolgde:

„Wij kunnen er zeker op rekenen, dat gij dadelijk bij aankomst van den trein een boodschap stuurt naar den Sheriff?”

„Dat kunt gij aan mij overlaten, mijnheer,” riep de hoofdconducteur uit. „Wij zullen die kerels tien van onze jongens op hun dak sturen.”

Intusschen waren de machinist, de stoker, en eenige conducteurs bezig het lichaam van het gewonde paard van de rails te sjorren.

De zwaar gewonde bandiet werd in den trein gedragen, en tenslotte werd de trolley op het terug gaande spoor over gebracht, zoodat de trein zijn weg kon vervolgen.

Maar eerst was Charly James Henderson gaan waarschuwen—en daar stonden de drie mannen naast het spoor, duchtig gewapend, maar zonder een enkel stuk bagage, die zou mede gaan naar Lime Beach.

Een schel gefluit klonk en de trein zette zich langzaam in beweging. [20]

De wielen draaiden al sneller en sneller en de trein reed weg om in een dollen rit den verloren tijd weer in te halen.

Raffles en zijn metgezellen waren op de trolley toegestapt en Henderson greep den hefboom.

De eerste wendde zich tot Jessie, en zei glimlachend:

„Dat is een wederzien, madame, waarop wij geen van allen hadden durven hopen.”

„Maar u doet veel meer voor ons, mijnheer, dan wij u ooit kunnen vergelden,” riep Jessie met tranen in de oogen uit. „Wij sturen al uw plannen in de war.”

„Ik verzeker u dat wij allen drie zeer gesteld zijn op zulke onverwachte intermezzi—niet waar Henderson?” zoo wendde hij zich met een knipoogje tot zijn trouwen chauffeur.

„Ik voor mij zou geen dag kunnen leven, zonder minstens een paar bandieten neer te leggen!” riep Henderson op gullen toon. „Ik verzeker U, madame, dat het niets dan een aangename ontspanning voor ons is.”

„Gij hoort het,” hernam Raffles glimlachend. „In ernst, wij konden toch onmogelijk toelaten, dat uw man daar wellicht wordt afgemaakt door die schurken, terwijl wij er iets aan konden doen.”

Henderson had de trolley reeds in beweging gebracht en zijn gespierde armen brachten den hefboom zoo snel in beweging, als twee zuigerstangen het ter nauwernood hadden kunnen doen.

De trolley reed over de rails met een vaart van bijna 50 kilometer in het uur, en de personen, die zich op het kleine wagentje bevonden, moesten zich goed vasthouden aan de vier ijzeren stangen op den hoek om er niet af te tuimelen.

Er waren nog geen tien minuten verstreken of het scherpe oor van Raffles ving den knal van een geweerschot op, dat nog drie maal herhaald werd.

Het was nu zaak om voorzichtig te zijn, want aanstonds zouden zij in het gezicht van de bandieten komen, wier stelling de jonge vrouw hun had aangeduid.

Henderson bracht dus de trolley tot stilstand, achter een groepje dichte heesters en het viertal sprong van het wagentje, en daalde langs de helling van den spoordam naar de vlakte af, het geweer in den aanslag en zorgvuldig om zich heen spiedend.

„Daar is de heuvelkring, waarachter zij verborgen zijn, mijnheer,” zeide Jessie op zachten toon, terwijl zij met uitgestrekte armen naar den top van de lage heuvels tegenover het huis wees, waarvan op deze plek alleen het bovenste gedeelte was te zien.

„Dan zullen wij hen in den rug trachten te komen,” zeide Raffles kortaf. „Zij zijn natuurlijk te paard gekomen?”

„Ja.”

Zooveel mogelijk dekking zoekend tegen de hooge heesters, waarvan de takken nog kaal waren, en het prairiegras dat reeds welig begon op te schieten, slopen de vier voort teneinde achter de belegeraars te komen.

Het was een vrij lange tocht, want zij moesten, trachten buiten het gezicht van de bandieten te blijven.

Na een half uur hadden zij den bodem van een soort dalkom bereikt, en Charly bood zich aan, naar boven te kruipen, en de omgeving op te nemen.

„Dat is goed,” zeide Raffles op zachten toon. „Als je iets ziet, en het is veilig dan wenk je ons en wij zullen ons bij je voegen.”

Charly begon door het lange gras naar boven te klauteren, en hief toen voorzichtig het hoofd op.

De achter geblevenen zagen hem eenigen tijd rondkijken en toen hief hij de hand op en wenkte hen, om snel naderbij te komen, waarop hij zich dadelijk plat in het gras wierp.

Zoodra de anderen zich bij hem hadden gevoegd, zeide Charly op fluisterenden toon:

„Daarginds, op een open plek, is een man bij de paarden van de bandieten, een tiental zou ik zeggen.”

„En zijzelven?”

„Ik kan hen niet zien, maar ik geloof wel te weten, waar zij zijn, want je kunt hen hier duidelijk hooren schieten. Ik kan ook het dak van het huis zien.”

„Dan moet het eerst die man bij de paarden onschadelijk worden gemaakt,” zeide Raffles, „en wel zonder gerucht te maken om de anderen niet ontijdig te waarschuwen.”

„Dat zal niet zoo gemakkelijk gaan—als er niet geschoten mag worden,” hernam Charly, „want de plek is geheel open en de man zou ons dadelijk hooren aankomen.

Henderson die even had nagedacht, vroeg nu:

„Hoe dicht denkt gij dat wij dien kerel kunnen naderen, mijnheer Brand, zonder dat hij het merkt?” [21]

„Tot op ongeveer tien meter—dichter zeker niet.”

„Dat is ruim voldoende!” kwam Henderson tevreden.

„Waarom? Wat wil je dan doen?” vroeg Charly.

„Ik zal hem eenvoudig met de lasso vangen, mijnheer Brand,” antwoordde de reus. „Dat maakt geen leven, en het is afdoende. Ik zal eens zien of ik nog wat ken van mijn vroegere kunsten als cowboy. Madame Jessie, mag ik u verzoeken om de lasso, die gij daar bij u hebt?”

De jonge vrouw ontdeed zich dadelijk van het zorgvuldig opgerolde koord, dat zij bij wijze van een bandelier over den schouder droeg en reikte het Henderson toe.

„Het is een lasso van 15 meter, mijnheer,” zeide zij.

„Het kon niet mooier,” hernam Henderson, die het koord met het oog van een kenner bekeek en goedkeurend knikte.

Hij stak zijn revolver weg en zeide, zich tot Raffles wendend:

„Misschien is het goed, dat gij voorzichtig toeziet, of het mij gelukt, Mylord, want zoo niet dan zullen er andere maatregelen genomen moeten worden.”

„Dat is een goede inval, Henderson. Ga nu, en geluk met je worp!”

Henderson rolde de lasso zorgvuldig op, woog haar eens op de hand, teneinde de zwaarte te taxeeren, en daarnaar zijn worp te berekenen en kroop toen voorzichtig over den rand van de dalkom terwijl de anderen hem met de oogen bleven volgen.

Henderson had dadelijk zijn man in het oog gekregen, hij zat op 100 passen afstand op een boomstronk en rookte uit een kort stompje pijp.

Het was een groot geluk, dat hij met den rug naar Henderson toezat, want er was geen enkele boom of struik tusschen hem en zijn vijand.

Hij zou Henderson gezien hebben voor hij 5 passen verder was.

Nu echter scheen al zijn aandacht bepaald te zijn op de schietpartij en hij hield den blik onafgewend gericht op den heuvelrug die aan den anderen kant de kleine vlakte afsloot, en waar de bandieten ergens in het struikgewas verborgen moesten zijn.

Op zijn buik voortkruipend, de lasso gereed, sloop Henderson op den man toe.

Op enkele passen van hem vandaan waren elf paarden vastgebonden, die zich aan het malsche, verbazend snel opschietende gras te goed deden.

Het was voor een man van den lichaamsbouw en de grootte van Henderson geen kleinigheid om zich zoo onzichtbaar mogelijk te maken, en in het geheel geen gerucht te verwekken, maar hij slaagde er niettemin in.

Op ongeveer 20 passen afstand van den man hield hij stil en stond op.

Bijna op hetzelfde oogenblik hief een der grazende paarden den kop op, en liet een zacht gehinnik hooren, dat als een waarschuwing klonk.

De man op den boomstronk wendde het hoofd om, maar hij was even te laat.

Nog voor hij had kunnen opstaan en zijn revolver grijpen, suisde de lasso door de lucht, de lus was boven zijn hoofd en viel hem om het bovenlichaam.

Hij trachtte haar nog snel af te werpen, maar reeds trok Henderson de lasso aan, en de man kon nu wel zeggen, dat zijn lot beslist was.

Hij verliet den boomstam op een hoogst eigenaardige manier, het was letterlijk alsof hij er van opvloog, zooals een spreeuw of een musch het zou doen, en hij had reeds een paar meter in de lucht afgelegd voor hij zeer onzacht weder op den grond terecht kwam, zoo verdoofd door den val, dat hij geen lid kon verroeren.

Henderson was in een oogenblik bij hem en bond snel de armen van den bandiet op den rug vast, waarna hij hem met zijn eigen halsdoek den mond snoerde.

Raffles, Charly en Jessie, die het geheele voorval hadden gevolgd, kwamen snel toeloopen en Raffles zeide goedkeurend:

„Knap gedaan, Henderson, en ik zie tot mijn genoegen, dat je nog niets van je kundigheden hebt verloren. De vangst van dezen Sinjeur is van groote beteekenis, want wij zullen er wel voor zorgen, dat zij hun paarden niet meer kunnen bereiken.”

In een oogwenk waren de dieren van hun kluisters bevrijd, en een heel eind terug gebracht.

Daar werden zij van zadels en hoofdstellen ontdaan en met een flinken klap op het kruis werden zij de vlakte ingestuurd.

Zij galoppeerden dadelijk weg, in de richting waaruit zij dien ochtend gekomen waren, naar het verscholen ravijn. [22]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Een onvoorzien voorval.

De drie mannen keerden nu zoo spoedig zij konden terug, naar de plek waar zij Jessie Hatters hadden achtergelaten om den bandiet te bewaken.

Het was ook nu nog niet mogelijk met juistheid de stelling van de bandieten te ontdekken.

Toch hoorden zij duidelijk het knallen van geweerschoten, en op geregelde tijden antwoordde in de verte het geweer van Tom Hatters.

Hij was dus in ieder geval nog niet buiten gevecht gesteld.

„Ik vermoed, dat zij hun stelling veranderd hebben, sedert ik heenging,” zeide Jessie, „anders zouden wij hen moeten zien van deze plek. Ik denk haast, dat zij zich verdeeld hebben en ons huis nu van twee kanten onder vuur nemen.”

„Dan zullen wij eens een onderzoek instellen, om dat uit te maken,” zeide Raffles.

Voorzichtig gingen zij nu af op het knallen der geweerschoten, dat telkens duidelijker werd, zij moesten zich nu tamelijk dicht in de nabijheid van de schutters bevinden, en toch konden zij nog altijd niets van hen gewaar worden.

„Zal ik er eens alleen op uit gaan?” stelde Charly voor. „Zij zullen mij niet zoo spoedig in het oog krijgen.”

„Als je mij belooft, heel voorzichtig te zijn, ga dan je gang,” zei Raffles. „Je kunt ons weer een wenk geven, als je iets verdachts ziet”

Charly nam zijn revolver in zijn eene hand, en sloop weg, zich zooveel mogelijk verschuilend tusschen het hooge prairiegras.

Vijf minuten later hadden de anderen hem uit het oog verloren.

Maar Henderson, die een scherpen blik had, meende weder eenigen tijd later iets te zien bewegen op ongeveer 200 passen afstand, niet ver van den eenzamen spar.

„Ik geloof dat het de geruite pet van mijnheer Brand is,” zeide Henderson op fluisterenden toon aan het oor van Raffles.

De reus had goed gezien, want een oogenblik later rees de pet boven het gras uit en werd snel eenige malen heen en weer bewogen, waarop zij weder verdween.

Dadelijk togen de twee mannen en de jonge vrouw op de plek af, waar zij het kleedingstuk het laatst hadden gezien en tien minuten later hadden zij zich bij Charly gevoegd, die hen met gebaren beduidde zich plat op den grond uit te strekken.

Toen zeide hij zachtjes:

„Zij liggen in hinderlaag op nauwelijks 100 passen hier vandaan, in een kleine inzinking van den bodem, daarom konden wij hen onmogelijk zien. Hef het hoofd voorzichtig op, dan kunt gij hen duidelijk zien liggen. Een weinig ter zijde van dien zwaren ceder.”

Raffles en Henderson keken behoedzaam voor zich uit, en daar zagen zij vijf mannen languit in een soort kuil liggen, met den loop van het geweer rustend op den rand daarvan, die met kort struikgewas beplant was, zoodat het bijna onmogelijk zou zijn, dat men hen van het huis uit zou zien.

Dadelijk was het plan van Raffles gemaakt.

Hij liet zijn stem tot een zwak gefluister dalen en zeide:

„Drie schoten, dat is drie man. Wij zijn wat te ver af, dan dat Madame Jessie van haar kleine revolver gebruik zou kunnen maken. Goed mikken en tegelijk schieten!” [23]

De drie mannen grepen hun geweren, richtten zich op de knie op, legden aan, en op het zacht gegeven commando van Raffles, drukten zij tegelijk af, en het was alsof er maar een enkele knal klonk.

En de schoten troffen doel, drie van de bandieten rolden om en om, als aangeschoten konijnen, en bleven roerloos liggen.

De beide anderen hadden zich zoo diep mogelijk in hun kuil gedrukt, en staarden met verwilderde blikken om zich heen.

„Alle duivels! Die eene is Dolly Patterson,” riep Charly uit.

„Dan zal die andere haar minnaar Pat O’Kelly zijn,” kwam Raffles. „Wij zullen nu te voorschijn springen, zij zullen natuurlijk wel zoo verstandig zijn, om tegen zulk een overmacht geen weerstand te bieden.”

„Maar waar zijn de anderen?” vroeg Charly. „Ik meende dat er tien waren.”

„Met de vrouw mee elf, mijnheer,” zeide Jessie. „Twee daarvan zijn ver hier vandaan gedood of zwaar gewond. De man bij de paarden is gevallen. Gij hebt er zooeven zeker nog drie geraakt, dat is zes. Als er hier nu nog twee in den kuil liggen, dan moeten er dus nog drie ergens anders zijn, ik denk aan den anderen kant van het huis.”

„Vooruit dan, laten wij geen tijd verliezen,” kwam Raffles.

Op hetzelfde oogenblik sprongen de drie mannen en de jonge vrouw op, en ijlden met het geweer in den aanslag naar de twee in hun kuil.

Gehoor gevend aan haar wraakzucht en haar tijgerachtige woede bracht Dolly haar geweer aan den schouder en schoot op Jessie Hatters.

De kogel floot de jonge vrouw op nauwelijks eenige millimeters voorbij en sloeg met een doffen klap in het hout van den ceder.

Tot een tweede schot had zij geen gelegenheid, want Henderson vuurde onder het loopen en zijn kogel verbrijzelde het geweer in haar hand.

De andere bandiet, die inderdaad Pat O’Kelly was, wilde het hazenpad kiezen, zonder zich ook maar een grein om zijn minnares te bekommeren, maar een luid:

„Halt, of ik schiet,” deed hem als vastgenageld stilstaan, zijn geweer wegwerpen en op zijn schreden terug keeren.

„Jij lafbek,” gilde Dolly. „Dat zou Mike nooit gedaan hebben, ik zal je toonen waartoe een vrouw in staat is.”

En ontembaar als een lynx tastte zij naar haar revolver, maar voor zij het wapen uit den holster had kunnen trekken, was Henderson reeds bij haar en riep spottend:

„Wat is dat, jij teedere engel? Heb je nu nog niet genoeg gehad? Je wilt ons toch niet dwingen geweld te gebruiken. Kom, laat dat proppenschietertje eens gauw los, en reik mij je kleine handjes maar eens toe, dan zal ik ze samen binden.”

Een giftige blik uit de zwarte oogen trof den spotter, maar Henderson was er de man niet naar om zich daarvan iets aan te trekken.

Hij bond de polsen van de vrouw niet erg zachtzinnig samen, en deed vervolgens hetzelfde met haar enkels, zoodat zij zich niet kon verroeren.

Maar ook nu zelfs, gaf Dolly zich nog niet gewonnen, want eensklaps gilde zij zoo luid zij kon:

„Te hulp, jongens!”

Die waarschuwing was natuurlijk bestemd voor de drie andere bandieten die niet ver daarvandaan eveneens in hinderlaag lagen, en wier vuren reeds eenige oogenblikken had opgehouden, daar ze waarschijnlijk het schieten uit een geheel andere richting dan van het huis gehoord hadden, en niet begrepen, wat dat beteekende.

Zoo vlug zij konden maakten Raffles en Charly Pat O’Kelly onschadelijk door hem aan handen en voeten te binden en daarop wierpen zij het gebonden tweetal zonder veel omhaal op den bodem van den kuil om de handen vrij te hebben als de andere drie vrijbuiters den hulpkreet van de vrouw misschien gehoord hadden.

En dat bleek spoedig het geval te zijn want nauwelijks hadden Raffles en zijn metgezellen zich neergeworpen of op eenigen afstand verschenen tusschen de hooge ceders, die daar den heuvel bekroonden, een drietal bandieten, die zich onkenbaar hadden gemaakt, door hun halsdoek zoo voor hun gelaat te binden, dat alleen hun oogen zichtbaar waren en met het geweer in den aanslag.

Zij kwamen blijkbaar eens zien, wat het roepen te beteekenen had, en zij zouden er verstandiger aan gedaan hebben, dit een weinig voorzichtiger te doen. [24]

Want voor zij zelve konden schieten kraakten de schoten van de Engelschen, en hiermede kon het beleg gevoegelijk als opgeheven worden beschouwd, want een der schurken was midden in het hart getroffen, en de twee anderen waren zoo ernstig gewond, dat zij volkomen buiten gevecht waren gesteld.

Bijna op hetzelfde oogenblik klonken er hoefslagen op ongeveer een mijl ten Oosten van de hoeve, blijkbaar afkomstig van een vrij talrijken troep.

Dat waren zeker de mannen uit Lime Beach, die onder aanvoering van den sheriff tot ontzet kwamen opdagen.

Raffles schoot zijn geweer af, om hen op het goede spoor te brengen, en daarop bleven zij rustig wachten.

Dolly Patterson lag op haar zijde in het zand van den kuil en hield haar brandende blikken voortdurend op het gelaat van Raffles gevestigd, terwijl er een zonderlinge glimlach om haar lippen speelde, maar daarvan begreep Raffles tot zijn ongeluk op dat oogenblik de beteekenis niet.……

Er verliepen nog ongeveer tien minuten, en toen daagde er eensklaps een kleine ruiterschaar op, kenbaar als mannen van den sheriff aan het breede lint om den hoed.

Zij waren allen gewapend met korte karabijnen, die in de holsters naast het zadel staken, en een groote dienstrevolver.

De sheriff, een rijzig man, met een streng, gebaard gelaat, reed vooraan, en hield zijn paard pas in, toen het met de voorpooten bijna den gebonden bandiet in den kuil aanraakte.

Hij steeg snel af, en zijn voorbeeld werd door al zijn manschappen gevolgd.

Daarna liet hij zijn blikken van de gebonden vrouw naar Pat O’Kelly dwalen, en zeide:

„Ik heb het wel gedacht, dat wij dien schurk wel zouden vinden! Voor het overige, ik denk, dat alles hier al is afgeloopen?”

„Ik zou tenminste niet weten, wat er nog meer te doen was, dan snel naar huis te gaan, en ons te overtuigen, dat Tom niets is overkomen!” riep Jessie uit.

„Tot uw dienst, madame,” hernam de sheriff. „Maar eerst zullen wij den toestand hier eens opnemen. Hoeveel aanvallers waren er?”

„Elf, met de vrouw mee!” antwoordde Jessie.

„Dan zullen wij eerst het wild eens bijeen gaan zoeken. Kom jongens!” riep de sheriff uit.

Allen bestegen weder het paard, op drie mannen na, die de wacht bleven houden bij den kuil.

Na verloop van een half uur had de sheriff den staat van zaken opgemaakt.

Er waren drie bandieten gedood, en drie gevangen, de andere vijf waren min of meer zwaar gewond.

„Wij kunnen niet anders dan u dankbaar zijn voor wat gij gedaan hebt, mijnheer,” zeide de sheriff, zich tot Raffles wendend. „Wij hebben hier te doen met een bende van het allergevaarlijkste soort, en alleen die Fred, die nu met een kogel door het hoofd ergens in het boschje daarginds ligt, heeft op zijn minst vijf moorden op zijn geweten. Wij zullen nu de gewonden op de trolley naar Lime Beach brengen, met de gevangenen—die lieve dame daarginds incluis.”

De sheriff had met het hoofd naar Dolly gewezen, die nog altijd onbewegelijk op haar zijde lag, en ook nog altijd naar Raffles staarde.

Thans pas scheen er beweging in haar te komen.

Zij richtte zich zoover op, als de touwen het haar veroorloofden, en zeide tot den sheriff, terwijl haar zwarte oogen begonnen te fonkelen:

„Als gij mij meeneemt naar Lime Beach—dan geeft gij mij toch gezelschap?”

„Dat spreekt van zelf, schoone dame,” antwoordde de sheriff op spottenden toon. „Uw vriend, Pat O’Kelly, zal u vergezellen, wees daar maar niet bevreesd voor. En de man die bij de paarden was, gaat ook mee, zijt gij nu tevreden?”

„Nog niet geheel en al,” antwoordde Dolly langzaam. „Ik zou ook willen dat gij de mannen medenaamt, die te Pine Creek het stofgoud gestolen hebben!”

Geen geluid werd vernomen, nadat de vrouw deze woorden gezegd had.

De meeste aanwezigen waren zeer verbaasd—en er waren drie, die nog wat anders ook gevoelden.

Raffles wierp een onderzoekenden blik om zich heen.

De mannen van den sheriff stonden in een kring om hen heen, en allen hadden de revolver ter hand genomen.

Het waren er veertien, en het waren alle sterke [25]jonge kerels, die er naar uitzagen, alsof zij op een afstand van 100 passen een kogel door een haas konden jagen.

Toen gleden zijn blikken naar Charly, die een weinig bleek was geworden, maar wiens gelaat overigens niet verried wat er in hem omging.

Wat Henderson betreft, hij wist niet zeker wat zijn meester en diens vriend die dagen in Pine Creek hadden gedaan, toen hij gewond in het hospitaal van Serati lag, maar een zeker voorgevoel zeide hem dat er iets broeide.

De sheriff was de eerste die weder sprak.

Hij deed langzaam een paar stappen naar de vrouw toe, en zeide:

„Wat praat gij daar toch? Weet gij dan, waar de mannen zijn, die het stofgoud gestolen hebben?”

„Ja, daar staan zij!” schreeuwde Dolly op heeschen toon, en haar hoofd wees in de richting van Raffles en Charly, die naast elkander stonden.

De lichtgrijze oogen van den sheriff gingen naar de beide vreemdelingen die rustig bleven staan.

„Hoort gij, wat die vrouw daar zegt, mijnheer?” vroeg hij toen een weinig schor.

„Ik hoor het zeer goed, en ik begrijp het niet, mijnheer!” antwoordde Raffles glimlachend.

„Wilt gij u van de domme houden?” vroeg Dolly hoonend. „Denkt gij soms, dat ik uw stem niet herken? Gij dacht dat ik bewusteloos was, even als de anderen, niet waar? Maar ik had niet gedronken van den wijn, waarin gij het bedwelmend middel had gedaan, omdat ik u van het beginne af wantrouwde. En ik heb gezien, hoe gij u van het stofgoud meester hebt gemaakt, en ik heb u uw pruik zien aflichten die u zeker hinderlijk was, ik heb met de anderen deelgenomen aan de achtervolging van u en uw medeplichtigen. Laat Pat zeggen of ik de waarheid niet spreek. Pat, kijk die mannen eens goed aan. Zijn het niet dezelfde, die toen in het danshuis van „Merry Pig” zijn gekomen? Is die groote niet de man die je heeft neergeslagen?”

Pat O’Kelly, die eerst verbluft had toegeluisterd, keek nu met zijn valsche groenzwarte oogen beurtelings van Charly naar Raffles, en schreeuwde toen luid:

„Bij Sint Patrick! Zij zijn het zeker, ik had het dadelijk moeten zien.”

Raffles begon het zich bitter te beklagen, dat hij niet voor een meer afdoende vermomming had zorg gedragen, maar daar was nu niets meer aan te doen, hij kon alleen nog trachten, door eenvoudig te loochenen, de zaak weder in het goede spoor te brengen.

Hij haalde dus de schouders op, en zeide kortaf:

„Die vrouw raaskalt. Wij zijn Engelschen, die hier voor ons genoegen zijn komen jagen, en wij weten niets van stofgoud.”

„Trek hem zijn pruik van het hoofd!” gilde Dolly, die een blik op het gelaat van den sheriff had geworpen, dat grooten twijfel uitdrukte. „Als hij nu geen pruik draagt, zeg dan dat ik een gekkin ben!”

De sheriff wendde zich tot Raffles en zeide eenigszins aarzelend:

„Duit het mij niet ten kwade, mijnheer, maar met een enkel gebaar kunt gij de beschuldigingen van die vrouw te schande maken. Zet uw hoed af, wat ik U verzoeken mag, zoodat ik onderzoeken kan of gij inderdaad geen pruik draagt.”

Ja, Raffles droeg er een, dat was maar al te waar—en het was geen pronkstuk want hij had het voorwerp te Serati bij een kapper gekocht, die de klandizie had van de dilettanten, die daar wel eens een uitvoering gaven van een of ander tooneelstuk.

Hij had gedacht, dat dit voor de ruwe kerels daar in het hooge Noorden voldoende zou zijn, en hij bleek zich te hebben vergist.

En toch mocht hij geen oogenblik aarzelen, zijn hoed af te zetten, want reeds gingen de revolvers als ongemerkt in de hoogte.

De „jongens” van den sheriff waren zeer wantrouwend, dat was zeker.

Raffles nam dus glimlachend zijn hoed af en zeide:

„Als een vertegenwoordiger van het gezag het mij verzoekt—dan heb ik aan dat verzoek te voldoen—al moet ik erkennen dat ik niet geloofd had, op die wijze tegen een sheriff te staan, toen ik Londen verliet.”

Terwijl hij dit zeide, liet Raffles zijn blik naar Jessie dwalen, die zeer bleek en de kleine handen op de borst samengevouwen, naar dit tooneeltje had gekeken.

Een oogenblik verduisterde zijn gelaat—toen verscheen er weder dezelfde glimlach op. [26]

De sheriff was op hem toegetreden, en bekeek nauwkeurig zijn haar.

Toen—deed hij een bliksemsnellen ruk … en hij hield een pruik in zijn hand.

De sheriff deed een paar passen achteruit, keek Raffles scherp aan, en toen riep hij uit:

„Maar voor den duivel—dat moet John Raffles zijn, wiens portret ons dezer dagen is toegezonden!”

Een doodsche stilte volgde op deze woorden.

En toen deed Henderson iets zeer onvoorzichtigs, maar dat hem werd ingegeven door zijn trouwe liefde aan zijn meester.

Hij wierp zich op de dichtstbijzijnde mannen van den sheriff en aanstonds lagen er drie op den grond te spartelen.

Maar daar klonk reeds de bevelende stem van Raffles, die riep:

„Laat dat, James!”

Beschaamd stond de reus voor zich heen te kijken, maar met een trek van woede en wraakzucht op zijn gelaat.

Raffles wendde zich tot den sheriff en vervolgde:

„Ik weet niet, wat die uitroep van u te beduiden heeft, mijnheer, zeker ik droeg een pruik, maar is dat voldoende, om iemand van diefstal te beschuldigen?”

„In ieder geval is het in deze streken zeer merkwaardig, mijnheer,” antwoordde de sheriff droogjes. „Men is hier niet gewoon, pruiken te dragen, vooral niet in de lente. En dan gij lijkt al bijzonder veel op het portret van John Raffles, dat ons dezer dagen door Scotland Yard is toegezonden!”

„Wie is dat, als ik vragen mag?” kwam de Groote Onbekende.

„Dat is de stoutmoedigste inbreker, die er in de Engelsche hoofdstad te vinden is,” antwoordde de sheriff.

„Ja, ik heb wel eens van hem gehoord,” hernam Raffles. „Maar ik meende—dat men dien man nimmer had kunnen vangen—hoe is het dan mogelijk, dat men u een portret heeft kunnen zenden?”

De sheriff beet zich op de lippen, en zeide toen:

„Daarop kan ik u niet antwoorden, mijnheer. Laat het u genoeg zijn, dat ik het portret in mijn bezit heb, en dat ge er bijzonder veel op gelijkt.”

Hij stak de hand in zijn binnenzak en haalde er een foto uit, welke hij Raffles liet zien.

Deze bekeek het portret nauwkeurig en zeide toen kalm:

„Ik moet wel erkennen, dat ik op dit portret gelijk, mijnheer—al is het dan niet zoo frappant, als gij het doet voorkomen, maar dit portret is niet van John Raffles.”

„Wat? Van wien zou het dan zijn?” riep de sheriff verbaasd uit.

„Het is een aanvoerder van een Londensche dievenbende!”

„En mag ik weten hoe gij het zoo goed weet?” vroeg de sheriff op scherpen toon.

„Ik ken den man!” antwoordde Raffles bedaard.

„Ei, en vindt gij dat niet merkwaardig voor een Engelschen gentleman?”

„Och, neen, zoo iets komt meer voor,” antwoordde Raffles.

Charly had een snellen blik op de foto geworpen en hij zag dadelijk dat Raffles gelijk had, het was het portret van Black Jimmy, den aanvoerder van de bende der raven, en hij vroeg zich af, hoe Scotland Yard kon vermoeden, dat dit Raffles was, toen hem eensklaps inviel, dat Raffles niet lang geleden het uiterlijk van dien bandiet zeer nauwkeurig had geïmiteerd, daarop was de schurk in handen van de politie geraakt, en deze had gemeend, John Raffles te vangen.

Waarschijnlijk was „Black Jimmy” daarop weder ontsnapt, en de Londensche politie had dadelijk zijn signalement naar alle windstreken verspreid.

En zoo was het ook in deze afgelegen streken gekomen.

Het was een noodlottige samenloop van omstandigheden, maar er viel niets aan te doen, de sheriff was niet op de hoogte, en hij oordeelde alleen naar het uiterlijk van den man tegenover hem die helaas bij toeval veel geleek op het portret.

En dan, een van de metgezellen van den verdachte had zich op zijn mannen geworpen, zou dat geschied zijn, als die niets op zijn geweten had?

De sheriff keek de drie Engelschen eenigen tijd strak aan, en toen zeide hij op den korten toon van iemand die zijn besluit heeft genomen:

„Het spijt mij, ik kan mij natuurlijk vergissen, en als gij hiermede niets te maken hebt gehad, des [27]te beter voor u, maar nu moet ik u verzoeken, mij uw wapens te overhandigen—gij zijt mijn gevangenen.”

Henderson maakte een beweging van woede, maar een enkele blik van Raffles was voldoende, om hem te doen bedaren.

Deze begreep maar al te goed, dat er op dit oogenblik aan verweer niet te denken viel.

En daarom zeide hij volmaakt kalm:

„Doe met ons wat ge wilt, mijnheer, wij zijn tot uw beschikking.……

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Een schuld van dankbaarheid.

Jessie bleef een oogenblik onbewegelijk op dezelfde plek staan, en keek de kleine groep menschen na, die zich nu verwijderde, met de drie gevangenen in hun midden.

Allen zaten te paard, en de handen der gevangenen waren samen gebonden.

De oogen van de jonge vrouw vulden zich met tranen—en toen snelde zij zoo vlug zij kon naar het blokhuis, waar Tom reeds voor de deur stond, en haar met een kreet van blijdschap aan het hart trok.

Maar spoedig maakte Jessie zich weer los, en riep met gesmoorde stem:

„Weet je wat er gebeurd is, Tom?”

„Ik kan het mij wel voorstellen, meisje,” antwoordde Tom, terwijl hij haar opnieuw aan zijn borst wilde trekken.

„Neen, neen, Tom, nu niet. O, het is vreeselijk, je weet niet alles. Onze goede vriend en zijn beide metgezellen zijn gevangen genomen, en zij worden nog vannacht naar Serati over gebracht. De sheriff denkt dat hij John Raffles is, en Dolly zegt, dat hij de man is die het stofgoud in het danshuis „Merry Pig” heeft gestolen.”

„Wat zeg je daar?” schreeuwde Tom. „Maar dat is onmogelijk, het is te gek om er ook maar een seconde aan te kunnen gelooven. Natuurlijk vergist de sheriff zich.”

„Maar Dolly houdt vol, dat zij hem herkend heeft, hem en zijn vrienden, en hij droeg een valsche pruik, hij heeft dik, zwart haar, dat even begint te grijzen.”

Als versuft door deze mededeeling keek Tom voor zich.

De naam van John Raffles klonk hem in het geheel niet onbekend in de ooren.

Het was nog slechts weinige maanden geleden, dat die naam bij herhaling genoemd werd in de Amerikaansche bladen, ten tijde van het bloedbewind van het „Kwade Oog”, die vreeselijke misdadigersbende, welke weken achtereen geheel New-York in angst en vreeze had gehouden, en aan welks bestaan juist John Raffles een eind had weten te maken.

Dat alles was Tom bekend, want hij kwam des zomers vaak in de groote plaatsen, waar men de [28]voornaamste bladen uit New-York ontving, al was het dan soms een volle maand na hun verschijning.

Jessie was op hem toegetreden en sloeg nu haar mooie armen met een liefkozend gebaar om zijn hals.

„Zeg, Tom,” begon zij, „dat mag toch niet? Dat mogen wij toch niet dulden?”

„Maar als die man werkelijk John Raffles is, dan.…” kwam Tom aarzelend.

„En wat zou dat dan nog?” riep Jessie met vuur uit, en haar wangen gloeiden. „Verandert dat dan iets aan het feit, dat wij het aan hem, en aan hem alleen te danken hebben, dat wij nu hier samen in ons lief huis wonen, dat wij leven? Vergeet je dat, Tom? Vergeet je dat?”

„Neen, mijn meisje, natuurlijk vergeet ik het niet,” antwoordde Tom. „Hij heeft zich edel jegens ons gedragen, en als hij er niet geweest was, dan lagen nu onze beenderen te bleeken op den top van den heuvel dicht bij Pine Creek.”

„Zoo is het!” riep de jonge vrouw op hartstochtelijken toon. „En daarom moeten wij hem redden voor het te laat is. Het is onze plicht! Al ware hij duizend maal die geheimzinnige gentleman-inbreker van wien je mij wel eens verhaald hebt, dan nog mochten wij geen oogenblik aarzelen, nooit, zoo iets zou ik mij zelf nooit kunnen vergeven, als wij hem nu aan zijn lot overlieten.”

Nog even scheen Tom te weifelen.

Toen barstte hij uit:

„Je hebt gelijk, Jessie. En ik had niet zoolang moeten aarzelen, wie hij ook zijn moge, hij redde ons het leven, en maakte ons gelukkig, wij zullen alles doen om hem te redden, maar, hoe zullen wij dat doen?”

„Luister, Tom,” zeide Jessie. „Jij kent hier honderden mijlen in het rond alle sluipwegen, en de politie niet, want zij komt maar zelden hier, en weet alleen de voornaamste paden. Wij volgen een van die wegen, en zorgen dat wij hen voorkomen, zij moeten naar Serati, zei ik je, en de weg is te lang, om dien in een enkelen nacht te doen, vooral daar hun paarden al vermoeid zijn.”

Zij sprak haastig en de woorden kwamen stootend over haar bleeke lippen.

„Ik zal mij in mannenkleederen steken, en wij binden een zakdoek voor het gelaat, voor het geval wij soms mochten worden gezien. Maar dat moeten wij trachten te vermijden. Wij nemen handpaarden mede, en in de duisternis zullen wij hun banden losmaken, als zij ergens kampeeren, en met de paarden kunnen zij dan verder gaan. Ik meen dat hier ergens hun wonderlijke vliegmachine is onder gebracht.”

„Ja, te Serati,” kwam Tom, die aandachtig had geluisterd.

„Laten wij dan voortmaken, het begint al te schemeren,” hernam Jessie, die door een zonderlinge onrust aangegrepen scheen te zijn, en het denkbeeld niet kon verdragen dat de mannen, die hun leven voor haar en Tom gewaagd hadden, nu groote kans liepen, in een gevangenis terecht te komen.

Zij verloren nu geen tijd meer, en maakten alles voor de gevaarlijke onderneming in gereedheid, welke, als zij mislukte, hen zelve in groot gevaar zou kunnen brengen.

Jessie ging spoedig eenige kleederen van Tom aantrekken terwijl deze in den stal de drie paarden ging zadelen, en er toen nog twee van de bandieten ging opvangen, die in de buurt van het blokhuis liepen te grazen. Bessy, de gewonde merrie, was uit eigen beweging overeind gekrabbeld, en naar den veiligen stal gehinkt, maar het dier was voorloopig niet te berijden.

De zon was reeds ondergegaan, toen de beide jonge lieden met hangenden teugel over de vlakte galoppeerden, in de richting van Serati.

Spoedig week Tom van den hoofdweg af, en beiden volgden nu een smal pad, dat eerst vele tientallen mijlen verder weder op den hoofdweg uitkwam.

Zonder ophouden renden zij voort, terwijl de duisternis zich over het land vlijde.

De handpaarden, waarvan Tom er twee, Jessie een aan den teugel voerde, liepen gedwee mede.

Zij waren gezadeld en getoomd, en aan den zadelknop van ieder paard hing een geweer met een voorraad patronen.

Eindelijk, omstreeks tien uur in den avond, bereikten zij den hoofdweg weder.

Zij konden er zeker van zijn, dat zij den sheriff en zijn gevangenen nu een paar mijlen op zijn minst voor waren.

Het struikgewas terzijde van den rullen weg was nog weinig dicht maar iets verder op teekende zich [29]de omtrek van een boschje af, ongeveer twee kilometer breed en lang.

„Als zij werkelijk kampeeren, en niet aan een stuk doorrijden, wat mij zeer onwaarschijnlijk voorkomt, dan zullen zij wel beschutting zoeken onder die boomen,” zeide Tom op fluisterenden toon. „Laat ons nog wat verder gaan.”

Zij dreven de paarden opnieuw aan, en bereikten den zoom van het bosch, waar het zoo stikdonker was, dat alleen een ervaren woudlooper als Tom Hatters er den weg kon vinden.

Hier stegen zij af, en brachten de paarden een eind van den weg, in het dichtst van het kreupelhout.

En toen wachtten zij.

Een kwartier verstreek.

Toen ving het scherpe oor van Tom in de verte het doffe geluid van hoefslagen in het rulle zand van den hoofdweg op.

„Daar zijn zij,” fluisterde hij. „Laten wij ons nu onherkenbaar maken.”

Zij bonden zich den halsdoek voor het benedenste gedeelte van het gelaat, en trokken zich van den rand van den weg terug.

Tien minuten later reed een troep van ongeveer zestien man het bosch binnen.

Tom hoorde dadelijk aan het geluid van de hoefslagen, dat de paarden vermoeid waren.

Dat was een voordeel, want hun eigen paarden waren nog zoo goed als versch.

Nog eenige meters, en toen steeg de troep af, op een kort bevel van den sheriff, die aan het hoofd had gereden.

De paarden werden van de zadels ontdaan, en bijeen gedreven terzijde van den weg, en daar vastgebonden.

De gevangenen kregen bevel, zich op den grond uit te strekken, en twee mannen plaatsen zich bij hen met de revolver in de vuist.

De anderen begonnen een vuur aan te leggen, want het was des nachts nog bitter koud, of richtten tenten op welke de manschappen van den sheriff te Lime Beach hadden gehaald, welke plaats op hun weg naar Serati lag. Daar ook waren de overige van den troep achter gebleven, daar de sheriff het vervoer van zijn gevangenen, gemakkelijk met vijf man meende te kunnen opknappen.

Dolly, Pat O’Kelly en de derde bandiet waren te Lime Beach achter gelaten, om vandaar naar Cedar Tree terug te worden gebracht, vanwaar zij uit de gevangenis ontsnapt waren.

Van de plek, waar de kleine troep kampeerde, tot Serati was nog omstreeks zestig mijlen.

Tom en Jessie konden, van de plek waar zij zich verscholen hadden, duidelijk al deze toebereidselen zien.

Het vuur laaide reeds hoog op, en de levensmiddelen werden te voorschijn gehaald.

Bij het schijnsel van het vuur konden Tom en Jessie zien, hoe de sheriff zich tot zijn gevangenen wendde, en een oogenblik later aten deze, zoo smakelijk, alsof zij zich in een eetzaal van een restaurant bevonden, maar zij aten niet allen te gelijk, dat vond de sheriff, blijkbaar een voorzichtig man, wat al te gewaagd.

Van den een na den ander werden de touwen losgemaakt, die hun polsen omklemd hielden en een voor een aten zij.

Daarna werd er een man bij de paarden geplaatst, die over eenige uren wel zou worden afgelost, en nog twee man bij de gevangenen.

De anderen kropen in de tent.

En toen werd het stil.

Even later klonk de blazende schreeuw van een civetkat door de nachtelijke stilte.

Het was Tom, die den kreet had laten hooren.

Hij wist, dat Raffles dien kreet zou herkennen, want menigmaal hadden zij elkander met dien schreeuw gewaarschuwd, als zij op de jacht een weinig van elkander waren afgeraakt.

Misschien begrepen de gevangenen nu wel, dat er vrienden in de buurt waren.

De bewakers der drie mannen onderhielden het vuur, door er van tijd tot tijd droge takken op te werpen.

Een paar uren verstreken, en toen begrepen Tom en Jessie, dat het oogenblik om te handelen was aangekomen.

Zij slopen omzichtig vooruit, naar de plek waar de paarden waren vastgebonden, de bewaker leunde tegen een van de dieren aan, met de armen over de borst gekruist en het hoofd gebogen, het leek wel, of hij sliep.

Zonder eenig gerucht te maken, kroop Tom op handen en voeten naderbij, en toen onder het paard door, dat diep in slaap was, en zich in het geheel niet bewoog. [30]

Hij wierp van onder den buik van het dier een blik op den gordel van den man, die er tegen aanleunde, de revolver stak in den holster.

Met een beweging, vlugger dan het weerlicht, had Tom de revolver uit de tasch getrokken, en tegelijkertijd was hij op de been, en hield den onthutsten schildwacht zijn eigen wapen onder den neus.

„Geen beweging, of het zal je berouwen,” fluisterde Tom van wiens gelaat niets anders te zien was dan de oogen, die dreigend glommen in den gloed van het kampvuur. „Je handen op!”

De handen van den man gingen de hoogte in.

Jessie, die snel naderbij was gekomen, begon met den man een doek in den mond te duwen, waarop zij hem snel en handig de armen op den rug bond, en tenslotte zijn beenen stevig kluisterde.

Dit alles had nauwelijks eenige minuten geduurd.

Tom tilde den man op, en legde hem achter den stam van een dikken boom.

Daarop wendden zich de twee naar het kampvuur.

Op nog geen tien meter afstand hielden zij stil.

De gevangenen schenen te slapen maar de bewakers waren klaar wakker, zij speelden kaart.

Maar opeens gebeurde er iets, waarop Tom en Jessie zeker niet verdacht waren geweest.……

De grootste van de drie gevangenen, de reus die zij den naam James hadden hooren geven, hief eerst voorzichtig het hoofd op, en scheen even te luisteren.

Uit de tent klonk het zagend geluid van twee snorkende mannen.….….

Toen hief hij zich op, en Tom en Jessie zagen tot hun verbazing, dat zijn handen niet langer op zijn rug waren vastgebonden—de reus was er zeker in geslaagd, zich van zijn banden te ontdoen.

Hij sloop nu achter de beide kaartspelers, en zoo bliksemsnel stortte hij zich op hen, dat zij zelfs geen gelegenheid kregen, een zucht te slaken.

Hij had hen beiden met zijn geweldige handen in den nek genomen, en hen zoo vlug met het gelaat voorover in het mos van den bodem gedrukt, dat zij geen kik konden geven.

Tom en Jessie zagen, hoe nu ook de beide anderen worstelden om los te komen, en zij aarzelden niet langer.

Binnen eenige tellen waren zij op de plek, waar het kampvuur langzaam begon uit te dooven.

Tot groote verbazing van Henderson, die hen niet had hooren aankomen, bonden zij een van de spartelende mannen met een stuk van een lasso de armen stijf tegen het lichaam, terwijl Jessie den man met de revolver in bedwang hield.

Vervolgens werd hetzelfde gedaan met den anderen man, en tenslotte kregen zij beiden een prop in den mond.

Jessie snelde naar de beide Engelschen, die zich nog niet van hun touwen hadden kunnen bevrijden, en sneed die met haar scherp jachtmes door.

Raffles begreep volstrekt niet, wie die beide gemaskerde mannen konden zijn, die hem en zijn metgezellen zoo onverwachts te hulp waren gekomen, maar hij aanvaardde den bijstand dankbaar.

Alles was zoo snel en geruischloos in zijn werk gegaan, dat de beide vermoeide mannen in hun tent, die zich op ongeveer vijf meter afstand bevond, nog altijd doorsnurkten.

Tot dusverre was er ook geen woord gesproken tusschen de bevrijders en de bevrijden.

Raffles en zijn metgezellen voelden zich nu bij den arm gegrepen, en snel medegevoerd.

Allen slopen het bosch weder binnen, en begaven zich naar de paarden, waar de gebonden man bezig was met vruchtelooze pogingen, zich van de touwen te ontdoen, die hem bonden.

De paarden werden allen snel losgemaakt, en Tom voerde de dieren bij den teugel naar de plek, waar hij zijn eigen paarden had achtergelaten.

In een oogwenk waren allen in het zadel, en een enkel klappend tonggeluid van Tom was voldoende om de paarden van den sheriff te bewegen, uit zich zelf mede te loopen met de anderen.

Zwijgend traden allen snel het bosch uit, en daarna begon de tocht over de vlakte, en langs de boschwegen, welke Tom alleen kende.

Nog altijd was er geen woord gesproken.

Twee uur later ging de zon op.

Met een ruk hield Tom zijn paard in, en dadelijk stonden alle anderen stil.

De paarden van de politiemannen werden met den kop naar den kant gedraaid van waar zij gekomen waren, en een enkele klap op de bil was voldoende, om hen weder terug te doen draven.

Op dat oogenblik verlichtten de eerste stralen van de zon het landschap.

De leeuwerik steeg op en vervulde de lucht met zijn jubelenden kreet. [31]

Een oogenblik keken Tom en Jessie de bevrijde mannen aandachtig aan, en toen maakten zij langzaam den zakdoek los, die den onderkant van hun gezicht had verborgen.

„Tom! Jessie!” riep Raffles uit, meer ontroerd dan hij wilde laten blijken.

„Ja, mijnheer, wij zijn het,” antwoordde Tom, met trillende lippen, „wij wilden niet ondankbaar zijn, en .….……”

„En daarom hebt gij u aan het grootste gevaar bloot gesteld om ons te redden,” vulde Charly den zin aan, terwijl hij het hoofd boog, en het vermeed, de jonge vrouw in de reine oogen te zien.

Raffles was zeer bleek geworden, en zeide nu op doffen toon:

„Gij vermoedt nu zeker, wie en wat wij zijn, nietwaar?”

„Dat raakt ons niet, mijnheer,” riep Jessie op hartstochtelijken toon. „Gij moogt wezen wie en wat gij wilt, tegenover ons hebt gij allen gehandeld als gentlemen, als dappere edelmoedige mannen, ik.….…. ik wil u een hand geven.…..”

Met iets als een snik boog Raffles zich snel over het kleine, gebruinde handje, dat hem over den fraaien hals van Jessie’s paard werd toegestoken, en wat hij te Londen nimmer deed als Lord Aberdeen, dat deed hij hier in de wildernis, hij kuste dat handje, gehard door eerlijken arbeid.

Toen hij zich weder oprichtte, lag er dezelfde harde trek van vroeger op.

Zijn stem echter had een omfloersten klank, toen hij zeide:

„Eens zult gij wellicht alles begrijpen—en mij op een andere wijze beoordeelen—dan de anderen het meestal doen.”

„Wij zullen ons u altijd herinneren als een edelman,” was alles wat Tom zeide.

„Maar nu moogt gij niet langer hier blijven, onze wegen scheiden hier. Het is nog twee uur rijden tot Serati en gij kunt u niet meer vergissen, volg slechts dezen breeden zandweg, den telegraaf kan u niet inhalen, want die is hier niet, en de sheriff heeft in de eerste uren geen paarden. Gij zijt dus vrij en kunt van Serati vertrekken met uw vliegmachine.”

Eenige oogenblikken staarden de mannen elkander aan.

Toen wendde Raffles eensklaps den teugel en als een pijl uit den boog vloog zijn paard over de vlakte in de richting van Serati.

En lang, lang keken Tom en Jessie, met tranen in de oogen, de weg ijlende gedaanten na, tot zij verdwenen waren achter een heuvelrug.….……

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 337) bevat:

Het geheim van Cheduba. [32]

Inhoudsopgave

I. De list eener vrouw. 1
II. De bevrijding van Pat O’Kelly. 5
III. In het huis van Tom Hatters. 9
IV. De bandieten vallen aan. 14
V. Een onverwacht wederzien. 18
VI. Een onvoorzien voorval. 22
VII. Een schuld van dankbaarheid. 27

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 53 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1, 27 [Niet in bron] , 1
1 barometer thermometer 4
2, 28, 29, 29, 29, 29, 30, 31 sherif sheriff 1
3 onmiddelijk onmiddellijk 1
3 gedachten gedachte 1
4 Ijlings IJlings 1
4 seconde seconden 1
5 vluchtinge vluchtelinge 2
6 moeidheid vermoeidheid 3
7 bocsh bosch 2
7 Onmiddelijk Onmiddellijk 1
7 zeg zeggen 3
7 julle jullie 1
8 schilwacht schildwacht 1
9 konden kon 3
9 j onge jonge 1
10 g ntleman-inbreker gentleman-inbreker 1
10 slan slaan 1
10 lang langer 2
12 de der 1
12 . . 2
13 na naar 2
14 Jessy Jessie 2
15 ze z’n 2
16 zouden zou 3
18 uitkijkplatvorm uitkijkplatform 1
18 platvorm platform 1
19 mogenlijkheid mogelijkheid 1
19 [Niet in bron] mij 4
19 beheeft behoeft 1
20, 27 [Niet in bron] 1
21 voorzicht voorzichtig 2
23 milimeters millimeters 1
24 mjjnheer mijnheer 1
25 [Verwijderd] 1
26 [Verwijderd] 1
26 Carly Charly 1
26 geimiteerd geïmiteerd 1 / 0
27 u uw 1
28 zijnminst zijn minst 1
30 hen hem 1
30 voelde voelden 1
30 grijpen gegrepen 4
30 medevoeren medegevoerd 4
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77964 ***