*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77684 ***
[Inhoud]

Nieuw ontworpen voorkant.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

DE OUDHEIDKENNER.

LEIDEN,
B. C. VAN DOESBURGH.
’S-GRAVENHAGE,
JOH. IJKEMA.
1873.

[1]

[Inhoud]

DE OUDHEIDKENNER

Eerste Hoofdstuk

Bespreek een koets, men ga een koets bespreken,

En spreke, als spreker, aan hem die ze gaat bespreken,

Hij moge, in ’t bespreken, van en niets anders spreken,

Dan koets! koets! koets! Ach Goden! eene koets.

Chrononhotonthologos.

Op een vroegen morgen van een schoonen zomerdag, op het einde van de achttiende eeuw, besprak een jonkman van zeer fatsoenlijk voorkomen, die naar het noordoosten van Schotland reizen moest, een plaats in een dier postkoetsen, welke heen en terug rijden van Edinburg naar Queensferry, waar, zoo als de naam van deze plaats te kennen geeft, en alle Schotsche lezers weten, een veer is, om de Forth over te steken. De koets was berekend voor zes vaste plaatsen behalve de voetgangers, die de voerman onderweg mocht willen opnemen en aan de passagiers opdringen. De plaatsbriefjes voor dit weinig gemakkelijke rijtuig, werden uitgedeeld door een scherp uitziende oude vrouw, die op haar mageren, spitsen neus een grooten bril droeg. Zij bewoonde een soort van kelder, die met een steilen, smallen trap in de Hoogstraat uitkwam, en waarin zij lint, garen, naalden, wol, grof linnen, en andere vrouwelijke behoeften verkocht aan hen, die moed en behendigheid genoeg bezaten, om in de diepte van haar woning af te dalen, zonder hals over kop naar beneden te storten, of eenige der talrijke artikelen omver te werpen, die, aan beide zijden van den trap opgehoopt, het beroep van de kelderbewoonster aantoonden.

De geschreven aankondiging, die op een uithangbord aangeplakt was, en te kennen gaf, dat de Queensferry-postkoets, met klokslag twaalf, op Donderdag, den 15 Julij 17–, zou afrijden, om aan de reizigers de gelegenheid te geven met den vloed de Forth over te steken, loog ditmaal even erg als een dagblad want, ofschoon het twaalf uur op den Sint Aegidius kerktoren, en bij herhaling op de overige klokken, geslagen had, verscheen er toch geen postkoets. Er waren dan ook maar twee plaatsen besproken, en wellicht was het een afspraak tusschen de bewoonster van het onderaardsch verblijf en haar wagenmenner, om in dergelijke gevallen, een weinig te wachten in de hoop van [2]de ledige plaatsen aan te vullen: misschien ook had de man een lijkstatie moeten bijwonen, en was hij opgehouden door de noodzakelijkheid, om het rijtuig van zijn sombere bekleedselen te ontdoen; of vertoefde hij om nog een slokje met zijn ouden kennis den stalknecht te nemen, – of, – maar met een woord, hij verscheen niet.

De jonkman, die eenigzins ongeduldig werd, kreeg nu een deelgenoot in zijn ongeluk, een der kleine rampen van het menschelijk leven. Het was de bespreker van de tweede plaats. Gewoonlijk is de man die zich voor de reis uitgerust heeft zeer licht van zijne medeburgers te onderscheiden. De zware laarzen, de overrok, het regenscherm, het pakje in de hand, de diep in de oogen gedrukte hoed, de vaste stap, de haastige beantwoording van alle groetenden, zijn al de teekens, waaraan een ervaren reiziger met postwagen of diligence, op een afstand, zijn aanstaanden reisgenoot onderscheiden kan, als hij op de plaats van het vertrek komt aanstuiven. De eerstgekomene haast zich dan gewoonlijk, om, vóór de aankomst van zijn mededinger, de beste plaats in den wagen in bezit te nemen, en zijn goed zoo gemakkelijk mogelijk te bergen. Onze jongeling die over het algemeen weinig ondervinding had, en zich daarenboven, door het uitblijven der koets, buiten de mogelijkheid bevond om zijn voorrechten te doen gelden, vermaakte zich daarentegen met gissingen over het beroep en het karakter van den persoon, die nu aan het kantoor gekomen was.

Het was een man van zestig, of misschien meer jaren, die er zeer goed uitzag, en wiens gezonde kleur en vaste gang duidelijk bewezen, dat zijn krachten of gezondheid niets door den ouderdom geleden hadden. Hij had een echt Schotsch gezicht, sterk geteekende, en bijna harde gelaatstrekken, met een slim, doordringend oog, en een uitdrukking van ernst, verlevendigd door een trek van spotachtigen luim. Zijn kleeding was eenvoudig en van een kleur, die aan zijn jaren en zijn deftigheid paste; de net opgemaakte en gepoederde pruik en de breedgerande hoed, die ze bedekte, schenen een man uit den geleerden stand aan te duiden. Wellicht was hij een geestelijke; maar hij had in zijn voorkomen meer van een wereldman dan men bij de Schotsche predikanten placht aan te treffen, en zijn eerste uitroep deed hieromtrent allen twijfel ophouden.

Hij kwam met een verhaasten stap, wierp een onrustigen blik op den uur-wijzer van den kerktoren, en toen, terwijl hij naar de plaats zag, waar de koets staan moest, riep hij uit: „De drommel is in het spel! – Ik kom te laat!”

De jonge man stelde hem gerust door de verzekering, dat de koets nog niet verschenen was, en de oude heer, bewust dat hij zelf niet al te nauwkeurig op den tijd gelet had, gevoelde in den beginne geen moed, om op het verzuim van den voerman te schimpen. Hij nam van een kleinen jongen, die hem volgde, een pak, dat een grooten foliant scheen te bevatten, tikte hem vriendelijk op het hoofd, en beval hem terug te gaan bij den heer B–, en hem te zeggen, dat, als hij geweten had, dat hem nog zooveel tijd overbleef, hij den koop niet zoo spoedig zou gesloten hebben; – voorts beval hij den jongen goed op te passen, en voorspelde hem dat hij de knapste kerel zou worden, die ooit het stof van een duodecimo uitgeslagen had. De jongen draalde, wellicht in de hoop van een stuiver, om knikkers te koopen; maar daarvan kwam niets. De reiziger legde nu zijn pakje op een der palen boven aan den trap, en wachtte, terwijl hij den eerstgekomen reiziger aanbleefzien, vijf minuten lang de koets in stilte af. [3]

Eindelijk, na een paar ongeduldige blikken op de vorderingen van den minuutwijzer der klok geworpen, en dien met zijn eigen uurwerk, een groot ouderwetsch repetitiehorlogie vergeleken en eenige scheeve gezichten getrokken te hebben, om zijn misnoegde uitvallen behoorlijken nadruk bij te zetten, riep hij de oude spelonkbewoonster toe: „Vrouwtje! – hoe d–l heet ze? vrouw Macleuchar!”

Jufvrouw Macleuchar, bevreesd, dat ze zich tegen een aanval zou te verdedigen hebben, was geenszins verlangend, om, door dadelijk een antwoord te geven, den strijd te bespoedigen.

„Vrouw Macleuchar!” riep hij, de stem verheffende, „oude heks!” mompelde hij, „zij is doof als een kwartel! Vrouw Macleuchar, zeg ik!”

„Ik ben juist bezig met een klant te helpen,” klonk het nu van onder uit den kelder: „Waarlijk kind! het kan geen duit minder dan ik u zeg!”

„Vrouw,” hernam de reiziger, „denkt gij, dat wij hier den ganschen dag kunnen blijven staan tot gij die arme dienstmeid van haar halfjaars loon en fooien beroofd hebt?”

„Beroofd!” antwoordde vrouw Macleuchar, die gretig de gelegenheid aangreep, om met grond te kunnen twisten; „ik veracht uw woorden, mijnheer! gij zijt zeer onbeleefd, en ik verzoek u mij daar niet langer op mijn eigen trap te staan uitschelden!”

„Die vrouw,” zei de oude heer, met een spottenden glimlach, tegen zijn aanstaanden reisgenoot, „verstaat niet de woorden der drift! – vrouw,” riep hij nu weder naar den kelder gewend, „ik laster uw karakter niet; maar ik wensch te weten, wat er van uw koets geworden is?”

„Wat belieft?” antwoordde vrouw Macleuchar, die nu weêr doof geworden was.

„Jufvrouw!” zei de jongere vreemdeling, „wij hebben plaatsen genomen in uw wagen naar Queensferry.”

„En konden reeds half weg zijn,” vervolgde de oudere, maar minder geduldige reiziger, met steeds toenemende gramschap; „en nu zullen wij naar alle waarschijnlijkheid den vloed missen, en ik heb gewichtige zaken aan de overzijde, – en uw verwenschte koets –”

„De koets? God bewaar ons, mijn heeren! is die er dan nog niet?” antwoordde de oude vrouw, terwijl de scherpe toon van haar stem in een soort van verontschuldigend jammeren overging: „is het op de koets, dat gij hebt staan wachten?”

„Waarom anders zouden wij ons hier naast den goot in de zon laten branden, bedriegelijk wijf? Hé!”

Vrouw Macleuchar klom nu den steenen trap op, tot haar neus zich op gelijke hoogte bevond met de straat; waarop zij haar brilglazen afveegde, om te zoeken naar hetgeen zij wel wist, dat niet te vinden was, en met goed geveinsde verwondering uitriep: „Mijn hemel! – zag men ooit iets dergelijks!”

„Ja, oude heks!” riep de reiziger uit, „velen hebben iets dergelijks gezien, en allen zullen iets dergelijks zien, die iets te maken hebben met uw lichtzinnig geslacht!” en hij stapte met groote verontwaardiging op en neder voor de deur van den kelderwinkel, en loste, gelijk een oorlogsschip, dat bij het voorbijzeilen van een vijandelijke verschansing de volle laag geeft, telkens in het voorbijgaan zijn klachten, bedreigingen en verwijtingen op de verlegene jufvrouw Macleuchar. Hij zou een postrijtuig nemen, – hij zou een huurkoets ontbieden; – hij zou vier paarden nemen, – hij moest, – hij wilde vandaag aan den noordkant van de rivier zijn, – en al de onkosten van de [4]reis, met al de schade, rechtstreeks uit het oponthoud ontstaande, zouden gezamenlijk op het verwenschte hoofd van jufvrouw Macleuchar nederkomen.

Er was iets zoo grappigs in de wijze, waarop hij zijn grillig misnoegen uitte, dat de jonge reiziger, die niet zulk een dringende haast had, niet nalaten kon zich daarover te verlustigen, voornamelijk omdat het duidelijk bleek, dat de oude heer zelf, ofschoon zeer verstoord, nu en dan lachen moest over zijn eigene drift. Maar, zoodra jufvrouw Macleuchar ook mede begon te lachen, maakte hij een einde aan haar ontijdige vroolijkheid.

„Vrouw!” zei hij, terwijl hij haar een gekneuterd stuk gedrukt papier voorhield; „staat hierop niet aangekondigd, dat, zoo het God behaagt, gelijk gij u huichelend uitdrukt, de Queensferry koets heden te twaalf uur zou afrijden? en is het, schepsel! nu niet reeds kwart over twaalf, en is er iets van de koets te zien? Weet gij welke gevolgen het heeft, als men de menschen door valsche berichten misleid? Kent gij de wet, die op deze misdaad toe te passen is? Antwoord! en antwoord éénmaal in uw lang, nutteloos en slecht leven, oprecht en naar waarheid; – hebt gij zulk een koets? Is ze in rerum natura? Of is deze ellendige aankondiging slechts een aanslag op den onvoorzichtige, om hem van zijn tijd, zijn geduld, en drie Engelsche schellingen baar geld te berooven? Hebt gij, zeg ik, zulk een koets? Ja, dan heen?”

„O ja, best heer! de buren kennen de koets zeer goed, groen met rood, drie gele wielen en één zwart!”

„Vrouw! uw nauwkeurige beschrijving zal u niet helpen; – het kan best een leugen zijn, met een bijkomende gelogen omstandigheid!”

„Och, mensch, mensch!” riep de wanhopige jufvrouw Macleuchar, geheel van haar stuk gebracht door de onophoudelijke aanvallen van zijn welsprekendheid, „neem uw drie schellingen terug, als ik u maar kwijt raak!”

„Niet zoo gauw, niet zoo gauw, vrouw! – Zullen drie schellingen mij, overeenkomstig uw verraderlijke aankondiging, naar Queensferry brengen? Of zullen ze de schade vergoeden, die ik bij het verzuim mijner zaken lijden zal, of de onkosten betalen, die ik maken moet, als het missen van den vloed mij noodzaakt één geheelen dag aan de South Ferry te vertoeven? – Kan ik, vraag ik, er een boot voor huren, die alleen vijf schellingen kost, – wat de vaste prijs is!”

Hier werden zijn redeneeringen afgebroken door een rammelend geluid dat het naderen van het verwachte rijtuig aankondigde, en dat dan ook kwam opdagen met al den spoed, waartoe de dampige knollen, die het trokken, bij mogelijkheid konden aangedreven worden. – Met onuitsprekelijk genoegen zag jufvrouw Macleuchar den brompot op de lederen kussens der koets plaats nemen; maar ook nog toen die afreed, stak hij het hoofd uit het portier, en herinnerde haar, met woorden, die onder het gerammel der wielen verloren gingen, dat, wanneer de koets niet tijdig genoeg den Ferry bereikte om gebruik van den vloed te kunnen maken, zij, jufvrouw Macleuchar, verantwoordelijk bleef voor al de gevolgen, die er uit ontstaan konden.

De koets was reeds een paar mijlen verder gekomen, eer de oude heer geheel en al tot bedaren kwam, zoo als bleek uit de klachten, die hem van tijd tot tijd ontvielen over de al te groote waarschijnlijkheid, ja zelfs de zekerheid, dat hij het getij missen zou. Langzamerhand verminderde echter zijn gramschap; hij wreef zich het voorhoofd, ontfronsde de wenkbrauwen, en, na het pak dat hij in de hand hield geopend te hebben, bracht hij zijn foliant te voorschijn, waarop hij van tijd tot tijd met den ervaren blik van [5]een kenner staarde. Hij bewonderde de grootte en den goeden staat van het exemplaar, en verzekerde zich, door het nauwkeurig van blad tot blad na te zien, dat het boekdeel ongeschonden en compleet was, van het titelblad tot aan het einde.

De jonge man nam de vrijheid, naar het onderwerp der studiën van zijn medereiziger te vragen. Deze keek hem eenigszins spotachtig aan, alsof hij veronderstelde, dat zijn antwoord den jeugdigen vrager niet bevallen, althans dat hij het niet verstaan zou, en verklaarde dat het boek was Alexander Gordon’s Intinerarium Septentrionale, een boek ter opheldering van de Romeinsche oudheden in Schotland. De vrager schrikte niet op het hooren van dezen geleerden titel, en voegde er nog verscheidene andere vragen bij, die bewezen, dat hij een goed gebruik van een goede opvoeding gemaakt had, en dat hij, hoewel onervaren in de bijzonderheden der oudheidkunde, nochtans genoeg met de klassieke schrijvers bekend was, om een belangstellende en verstandige toehoorder te zijn en daarover te kunnen spreken. Met genoegen merkte de oude heer op, dat zijn reisgenoot in staat was hem te verstaan en te antwoorden, en verdiepte zich in een zee van verhandelingen over lijkbussen, vazen, wijaltaren, Romeinsche legerplaatsen, en de regels waarnaar men kampen aanlegde.

Dit aangenaam gesprek werkte zoo bedarend op hem, dat, ofschoon er tweemaal een oponthoud voorviel, dat veel langer duurde dan dat, hetwelk zijn toorn tegen de ongelukkige jufvrouw Macleuchar opgewekt had, onze Oudheidkenner nochtans het eerste slechts met een teeken van misnoegen vereerde, die eerder nog het afbreken van zijn betoogen, dan de vertraging der reis schenen te gelden.

De eerstemaal werd het oponthoud veroorzaakt door het breken van een veêr, die een half uur arbeids ter nauwernood herstelde. Tot de laatste vertraging werkte de oudheidkenner zelf mede, of liever, hij was er de voornaamste oorzaak van; want toen hij bespeurde, dat een der paarden een voorhoefsijzer verloren had, deed hij den voerman dit gewichtig gebrek opmerken.

„Jakob Martingale,” antwoordde deze, „heeft het leveren der paarden en het onderhoud er van op zich genomen, en ik ben niet bevoegd mij op te houden of bij dergelijke toevallen eenige schade te lijden.”

„En, als gij gaat naar de, – ik meen, schelm, naar de plaats waar gij verdient heen te komen, – wie denkt gij, zal het aannemen u te onderhouden? Als gij niet dadelijk stilhoudt, en het arme dier naar de naaste smederij brengt, zal ik u doen straffen, zoo er een vrederechter in geheel Mid-Lothian te vinden is!” Terzelfder tijd opende hij het portier van de koets en sprong er uit, terwijl de voerman gehoorzaamde; in zich zelf mompelende dat, „als de heeren nu te laat kwamen, ze niets anders zouden kunnen zeggen, dan dat het hun eigen schuld was; hij was bereid om door te rijden.”

Ik ben zoo weinig geneigd, om de ingewikkelde oorzaken van onze handelingen te ontleden, dat ik het niet wagen zal te beslissen, of het mededoogen van den oudheidkenner met het arme paard niet eenigermate vermeerderd werd door het verlangen, om zijn reismakker een legerplaats der Picten te laten zien; een onderwerp, waarover hij breedvoerig uitgeweid had, en er bestond, zoo als hij zei, „een voorwaar zeer belangrijk en volmaakt specimen van” op ongeveer tien roeden afstands van de plaats, waar het oponthoud voorviel. Maar werd ik gedwongen, om de beweegredenen na te sporen van mijn waardigen vriend, (want dat was de oude heer met de donkere kleeding en de gepoederde pruik,) dan zou ik zeggen, dat ofschoon hij zeker in geen [6]geval den voerman veroorloofd zou hebben, zijn weg te vervolgen; zoo lang het paard kreupel liep en waarschijnlijk nog meer zou lijden door het voortdrijven, de voerman nochtans aan eenige vervaarlijke scheldwoorden en verwijtingen ontkwam door de aangename wijze, waarop de reiziger hoopte den tijd van het oponthoud door te brengen.

Intusschen werd er door deze vertragingen zoo veel tijd verspild, dat, toen onze reizigers van den heuvel aan dezen kant der Hawes (zoo heet de herberg ten zuiden van Queensferry), nederdaalden, het ervaren oog van den oudheidkenner, aan de uitgestrektheid van het natte zand, en de menigte van zwarte met zeegras bedekte steenen en rotsen, die langs het strand zichtbaar waren, dadelijk merkte, dat de vloed voorbij was. De jonge reiziger verwachtte een uitval van verontwaardiging; maar, het zij dat, zoo als Croaker in het Blijspel: „de goedaardige man,” zegt, onze held uitgeput was door het klagen over te wachten wederwaardigheden, zoodat hij ze niet gevoelde wanneer ze wezenlijk bestonden; het zij, dat hij het gezelschap, waarin hij zich bevond, te zeer naar zijn smaak vond, om over iets te klagen dat zijn reis vertraagde; althans hij onderwierp zich vrij gelaten aan zijn lot.

„De duivel hale den snelwagen en de oude heks er bij!” barstte hij eindelijk los. „Snelwagen, zeg ik? men moest lui-wagen zeggen. „De vlieg!” noemt zij het ding? ja, omdat het zich beweegt als een vlieg in een strooppot, zooals de Ier zegt. Maar tijd en getij wachten op niemand; en dus, mijn jonge vriend, zullen wij hier aan de Hawes iets gebruiken; het is een zeer ordentlijke herberg, en ik zal het geluk hebben, het verhaal te eindigen, dat ik u deed van het onderscheid tusschen de wijzen van zich te verschansen in castra stativa en castra aestiva, die door zoo vele van onze historieschrijvers verward worden. Gelukkig ware het geweest als zij de moeite genomen hadden, uit eigen oogen te zien, in plaats van elkaar blindelings na te volgen! – Intusschen zullen wij het vrij goed in de Hawes hebben; in elk geval moeten wij toch ook ergens het middagmaal gebruiken, en het zal nog aangenamer zijn met de eb en in de avondkoelte over te varen.”

In deze Christelijke gemoedsstemming, die alle zaken van de beste zijde beschouwt, stapten onze reizigers aan de Hawes af.

[Inhoud]

Tweede Hoofdstuk

Hier deze streek Mijnheer! doet schande aan mijn naam!

Gebraden schapenvleesch, droog om geraspt te worden,

Drijft men met botermelk en bier, gemengd te zaam,

Den lijve daaglijks in, als half beschaafde horden.

Dit ’s strijdig met mijn recht, mijn erfgoed en mijn leen.

Wijn is het woord, dat ’t hart in ’t lijf doet vroolijk springen.

Een wijnhuis is mijn huis: deez’ tros zegt: Spaansche wijn!

Drink vroolijk en zijt vroolijk, zal dan de leenspreuk zijn.

Ben Johnson’s Nieuwe Herberg.

Toen de oudste der reizigers aan de herberg de onveilige treden der postkoets afklom, werd hij door den zwaarlijvigen, jichtigen, aâmborstigen waard begroet, met die vermenging van gemeenzaamheid en eerbied, waarvan zich [7]de Schotsche logementhouders van de oude school jegens hun geachtste klanten plegen te bedienen. „Lieve Hemel! Monkbarns!” (hij noemde hem bij den naam van zijn landgoed, wat den Schot steeds aangenaam in de ooren klinkt), „weinig dacht ik u hier te zien vóór de sluiting der zomerzittingen van het hof.”

„Wel domme, oude duivel!” antwoordde Monkbarns, met een Schotschen tongval, waarin hij verviel, zoodra hij driftig werd, maar die anders weinig hoorbaar was: „wel domme oude duivel! wat heb ik te doen met de zittingen of met de ganzen, die er naar toestroomen, of met de haviken, die haar de veêren uitplukken!”

„Ja, dat is waar,” zei de waard, die inderdaad slechts volgens een flauwe herinnering aan de eerste opvoeding van zijn gast gesproken had, maar niet gaarne wilde verondersteld worden, onnauwkeurig bekend te zijn met den stand en het beroep van één zijner bezoekers, – „dat is zeer waar; maar ik dacht, dat gij daar een eigen zaak te behartigen hadt. – Ik zelf heb er éen, – een proces, dat mijn vader mij naliet, die het van zijn vader erfde. Het is over een achtertuin, – wellicht hebt gij er van hooren spreken in het Parlementshuis. Hutchinson tegen Mackitchinson! – het is een welbekend proces; – viermaal diende het voor de rechters, – en zoo waar ik leef, de wijste van hen kon er niets van maken, dan om het weêr te verschuiven naar eene andere zitting. O, het is een schoone zaak te zien, hoe langzaam en hoe voorzichtig men het recht in dit land uitdeelt”

„Zwijg, oude gek!” zei de reiziger, maar in zeer goeden luim, „en zeg ons, wat gij dezen heer en mij te eten kunt geven?”

„O, daar is visch, dat spreekt; – forellen, of schelvisch,” zei Mackitchinson, terwijl hij zijn servet in de hand draaide; „en gij zult een schaapscotelet hebben, en er zijn ook frambozentaartjes, zeer lekker, en – met één woord alles, wat gij verlangt.”

„Dat wil zeggen, er is niets anders hoegenaamd? Goed, goed! de visch, het schapenvleesch en de taartjes zijn voldoende. Maar aap het voorzichtige dralen niet na, dat gij in de gerechtshoven prijst. Geen verzending van de eene zitting naar de andere, hoor je?”

„Neen, neen!” antwoordde Mackitchinson, die door het lang en zorgvuldig bestudeeren van geheele boekdeelen van verslagen van rechtszaken, met eenige geleerde uitdrukkingen was bekend geworden. „Men zal het eten opdragen quam primum, en dat wel instanter.” En met den vleienden lach van een veel belovenden waard, liet hij zijn gasten in de met zand bestrooide gelagkamer, die behangen was met prenten van de Vier Jaargetijden.

Intusschen waren, in weêrwil van zijn verzekering, de roemrijke uitstellen der wet niet zonder weerga in de keuken der herberg, en dit gaf onzen jongen reiziger gelegenheid, naar buiten te gaan, en bij de lieden van het huis eenige navorschingen te doen omtrent den rang en stand van zijn medgezel. De berichten, die hij kreeg, hoewel van algemeenen aard en niet geheel en al juist, maakten hem genoegzaam bekend met den naam, de geschiedenis en de omstandigheden van den ouden heer, dien wij nu kortelijk trachten zullen den lezer nauwkeuriger af te schilderen.

Jonathan Oldenbuck, of Oldinbuck, bij samentrekking Oldbuck, van Monkbarns was de tweede zoon van een landedelman, wiens kleine bezittingen in de nabijheid lagen van een handeldrijvende zeestad, aan de noordoostkust van Schotland, welke wij, om verscheidene redenen, Fairport zullen noemen. Sedert vele geslachten waren de heeren Oldenbuck als landeigenaren in het [8]graafschap gevestigd, en in vele graafschappen van Engeland zou men aan hun geslacht eenig aanzien hebben toegekend. Maar dit graafschap telde zeer veel edellieden van veel oudere afkomst en van veel grooter vermogen. De meeste heeren uit de buurt waren ook in de laatste tijden den huize der Stuarts toegedaan geweest; terwijl de eigenaren van Monkbarns, even als de burgers der stad, in welker nabijheid ze woonden, standvastige voorstanders van de Protestantsche troonsopvolging bleven. Ze hadden nochtans een eigen stamboom, waarop ze zich niet minder verhoovaardigden, dan zij, die hen verachtten, zich op hun onderscheidene Saksische, Normandische en Celtische geslachtslijsten beroemden.

De eerste Oldenbuck, die zich kort na de Hervorming in Schotland neêrzette, stamde, naar hun verzekering, af van een der eerste Duitsche boekdrukkers, en had zijn land verlaten, wegens de vervolgingen, waaraan de belijders van den hervormden godsdienst blootgesteld waren. In de stad, in welker nabijheid nu zijn nageslacht woonde, had hij des te gemakkelijker plaats gevonden als martelaar voor de zaak der Protestanten, omdat hij geld genoeg medebracht, om het kleine landgoed Monkbarns te koopen, dat hem toen werd aangeboden door een te grond gerichten edelman, aan wiens vader men het, benevens andere kerkelijke goederen, gegeven had, bij de opheffing van het groote en rijke klooster, waartoe het behoord had.

De Oldenbucks betoonden zich dus getrouwe onderdanen bij alle oproeren; en, daar ze in goede verstandhouding met de stedelingen leefden, werd een der heeren van Monkbarns, in het noodlottige jaar 1745, provoost der stad. Hij trok ook vurig partij voor Koning George, en deed daarbij uitgaven, die hem, overeenkomstig het mild gedrag van het toenmalige Gouvernement jegens zijn vrienden, nimmer vergoed werden. Met veel moeite verkreeg hij echter een plaats bij de ontvangsten der in- en uitgaande rechten, en daar hij een zuinig en oppassend man was, gelukte het hem, zijn vaderlijk vermogen aanzienlijk te vermeerderen.

Hij had slechts twee zonen, van wie, zoo als wij te kennen gaven, de tegenwoordige heer van Monkbarns de jongste was, en twee dochters, van welke de oudste nog steeds ongehuwd leefde, terwijl de andere, veel jeugdiger, uit genegenheid een kapitein van het twee-en-veertigste regiment trouwde, die niets bezat dan zijn officiers-patent en een Hooglandschen stamboom. De armoede verbitterde een huwelijk, dat de liefde anders gelukkig zou gemaakt hebben; en kapitein M’Intyre had zich, om den wille van vrouw en kinderen, verplicht gevoeld, zijn geluk in Oost-Indië te zoeken. In een tocht tegen Hyder Ali werd de afdeeling, waartoe hij behoorde, afgesneden, en zijn ongelukkige vrouw kreeg nimmer de zekerheid, of hij in den slag gebleven, dan wel in de gevangenis vermoord was, of steeds nog in een gevangenschap versmachtte, welke de gewoonten van de Indische dwingelandij hopeloos maakten. Ze bezweek onder de dubbele kwelling van smart en onzekerheid, en liet één zoon en één dochter na, ten laste van den tegenwoordigen heer van Monkbarns.

De geschiedenis van dezen heer zelven is kort. Daar hij, zoo als wij zeiden, een tweede zoon was, bestemde hem zijn vader tot deelgenoot in een handelszaak, van een zijner naastbestaanden van moederszijde gedreven. Hiervan had Jonathan een onoverwinnelijken afkeer; en hij werd daarom als leerling geplaatst, om tot het beroep van notaris of procureur opgeleid te worden, en slaagde daarin zoo goed, dat hij zich alle leenheerlijke formaliteiten eigen maakte, en vond er zulk een vermaak in, om de bronnen daarvan op te sporen en haar oorsprong na te gaan, dat zijn meester in hem een bekwamen [9]practizijn te gemoet zag. Maar hij bleef op den drempel der wetenschap staan; en ofschoon hij eenige kennis verwierf van den oorsprong en het stelsel der wetten van zijn land, kon men hem toch nooit overhalen, om die, als een bron van winst voor zich zelven te beoefenen. Niet, dat hij door zijn verblinding voor de voordeelen van het geld zijn meester te leur stelde. „Ware hij onnadenkend, of lichtzinnig, of rei suae prodigus,” zei zijn onderwijzer, „ik zou wel weten, wat van hem te maken. Maar hij geeft nooit één stuiver uit, zonder zorgvuldig de kans te berekenen, om van zijn duitje meer partij te trekken dan een andere jongen van een daalder, en hij zal liever dagen lang over een oude, met gothische letter gedrukte kopij eener parlements-akte peinzen, dan éénmaal naar de kolfbaan of de kroeg gaan; en toch wil hij geen enkele dier vrije dagen aan eene kleine practijk besteden, die hem een aardigen winst in den zak zou jagen; hij is een zonderlinge mengeling van zuinigheid, van vlijt en slordige onverschilligheid; – ik weet niet, wat ik er van maken moet.”

Maar, met den tijd kreeg zijn leerling de middelen, om te doen wat hij zelf verkoos; want zijn vader stierf, en de oudste zoon overleefde hem niet lang. De laatste, een aartsvisscher en jager, scheidde van dit leven ten gevolge van een verkoudheid, bij het jagen op eendvogels in het Kittlefitting-moeras opgedaan; hoewel hij nog den nacht voor zijn dood een geheele flesch brandewijn gedronken had, om de koude uit zijn maag te houden. Jonathan erfde dus de landerijen, en daarmede de middelen van bestaan, zonder dat hij den gehaten arbeid van een practizijn op zich behoefde te nemen. Zijn wenschen waren zeer matig; en daar de inkomsten van zijn kleine bezittingen met de verbetering van het land vermeerderden, gingen die weldra zijn behoeften en uitgaven ver te boven; en hoewel hij te onverschillig was om geld te verdienen, was hij echter geenszins ongevoelig voor het genot om zijn vermogen door spaarzaamheid te vermeerderen.

De burgers der stad, in welker nabijheid hij leefde, beschouwden hem met een soort van afgunst, als iemand, die hun maatschappelijken omgang verzaakte, en wiens studiën en vermaken hun onbegrijpelijk voorkwamen. Maar zekere ongeërfde hoogachting, die zij de heeren van Monkbarns toedroegen, verhoogd door de bewustheid, dat de tegenwoordige heer een bemiddeld man was, die alles baar betaalde, hield hem in aanzien bij deze klasse zijner buren. De landedellieden waren over het algemeen, wat rijkdom betreft, zijn meerderen; maar aan verstand en kennis zijn minderen, en gingen, enkelen uitgezonderd, met wie hij gemeenzaam en vertrouwelijk verkeerde, weinig met den heer Oldbuck van Monkbarns om. Intusschen bleef hem de gewone toevlucht over; het gezelschap van den predikant en van den geneesheer, als hij het goed vond hen bij zich te verzoeken; en dan ook had hij zijn eigen studiën en tijdkortingen daar hij in briefwisseling stond met de meeste geleerden van zijn tijd, die, gelijk hij, vervallene verschansingen en verwoeste kasteelen opnamen, onleesbare opschriften ontcijferden, en verhandelingen schreven over penningen, in de evenredigheid van twaalf bladzijden voor elke letter van het opschrift. Hij was uit gewoonte eenigzins driftig en opvliegend, gedeeltelijk, zoo als men in de stad Fairport zei, ten gevolge van een vroegere ongelukkige liefde; waarmede zijn vrouwenhaat, gelijk hij het noemde, begonnen was; maar veel meer nog door de nederige onderdanigheid zijner ongehuwde zuster en ouderlooze nicht, die gewoon waren hem voor den grootsten man ter wereld te houden, en van wie hij placht te roemen, dat zij de eenige vrouwen waren, die hij ooit goed afgericht en aan gehoorzaamheid gewend, ontmoet [10]had; ofschoon men bekennen moet, dat mejufvrouw Grizelda Oldbuck wel eens geneigd was te steigeren, als hij de teugels te straf aantrok. De overige bijzonderheden van zijn karakter moeten opgemaakt worden uit het vervolg onzer geschiedenis, en wij ontslaan ons gaarne van de lastige taak der herhaling.

De heer Oldbuck, gedreven door dezelfde nieuwsgierigheid, die zijn reisgenoot te zijnen opzichte gevoeld had, deed onder den maaltijd, eenige pogingen, welke hem zijn ouderdom en stand meer rechtstreeks veroorloofden, om met den naam, de bestemming en den rang van zijn jongen reisgezel bekend te worden.

Zijn naam, zei die heer, was Lovel.

„Hoe! „de kat, de rot en Lovel, onze hond?” – Kent gij het oude gezegde? stamt gij af van koning Richard’s gunsteling?”

„Hij maakte geen aanspraak”, zei hij, „om zich een afstammeling van dat geslacht te noemen. Zijn vader was in het noorden van Engeland te huis. Hij reisde thans naar Fairport”, (de plaats, in welker nabijheid Monkbarns gelegen was,) „en indien hem de stad beviel, zou hij er misschien eenige weken vertoeven.”

„Was de heer Lovel’s uitstap enkel tot vermaak?”

„Niet geheel en al.”

„Misschien om zaken met eenige der kooplieden te Fairport?”

„Het was gedeeltelijk om zaken, maar die geen betrekking hadden tot den handel.”

Hier zweeg hij; en daar de heer Oldbuck zoo ver gegaan was met zijn navorschingen, als de wellevendheid gedoogde, vond hij zich verplicht het gesprek te veranderen. De oudheidkenner, ofschoon geenszins een vijand van goede sier, had echter, op reis, een bepaalden afkeer van alle onnoodige verteringen, en hing, toen zijn reisgenoot van een flesch Portwijn sprak, een verschrikkelijk tafereel op van het ellendige mengsel, dat gewoonlijk onder dien naam verkocht werd, en verzekerende, dat een glas punch zuiverder was en beter te pas kwam in dien tijd van het jaar, legde hij de hand aan de schel, om het benoodigde daarvan te bestellen. Maar Mackitchinson had zelf anders bepaald, en verscheen, met een buitengewoon groote dubbele flesch, of magnum, zoo als men die in Schotland noemt, bedekt met zaagsel en spinnewebben, die van oudheid getuigden.

„Punch!” zei hij, toen hij het aangename woord bij het binnentreden der kamer opving, „de drommel weet, dat gij hier geen droppel punch krijgt vandaag, Monkbarns! Daar kunt gij staat op maken!”

„Wat bedoelt gij, onbeschaamde schelm?”

„Ei, ei, dat komt er niet op aan; – maar heugt u de poets, die gij mij de laatstemaal, dat gij hier waart, gespeeld hebt?”

„Ik u eene poets gespeeld?”

„Wel ja, gij zelf, Monkbarns! De Heer van Tamlowrie, Sir Gilbert Grizzlecleugh, de oude Rossballoh en de Baljuw waren toen juist hier, om den namiddag door te brengen; en gij, met een uwer historiën uit de oude wereld, waartegen niemand bestand is, hebt hen ik weet niet waarheen weggesleept, om de oude Romeinsche legerplaats te zien. – Och, mijnheer!” zich naar Lovel wendende, „Hij zou de vogels uit de boomen lokken met hetgeen hij van de oude volken, verhaalt, – en verloor ik er niet het gelag bij van zes flesschen goeden wijn? Want de drommel weet, dat zij geen van allen opgestaan zouden zijn, voor zij ten minste zoo veel gedronken hadden!” [11]

„Gij zijt een onbeschaamde bedrieger!” riep Monkbarns, al lachende; „wel nu, gij kunt ons een flesch Port zenden.”

„Port, neen, neen! Port en punch moogt gij voor ons geringe lui overlaten; de Fransche wijn is het, die u, heeren, voegt; en ik durf zeggen dat geen der volken, waarvan gij zoo veel spreekt, ooit hiervan geproefd heeft.”

„Hoort gij hoe beslissend de schelm spreekt? Welnu, mijn jonge vriend! dan moeten wij vooral het Falernum boven het vile Sabinum verkiezen.”

De dienstvaardige waard had dadelijk de flesch ontkurkt, goot den wijn zorgvuldig over, en betuigende, dat de geheele kamer er door geparfumeerd was, liet hij zijn gasten alleen, om den kostelijken drank te genieten.

Mackitchinson’s wijn was inderdaad goed, en werkte zoo op den geest van den oudsten gast, dat hij eenige lustige historiën vertelde, ettelijke kwinkslagen uitte, en eindelijk in een geleerde uitweiding trad over de oude tooneelschrijvers, – een punt waarop hij zijn nieuwen vriend zoo sterk vond, dat hij eindelijk begon te vermoeden, dat zijn reisgenoot wellicht het tooneel tot zijn beroep gekozen had. „Een reiziger gedeeltelijk voor zaken, gedeeltelijk voor vermaak? Wel nu, het tooneel levert het een en ander op; het is een bezigheid voor de spelers, en vermaakt, of wil ten minste de toeschouwers vermaken. In manieren en rang schijnt hij wel verheven boven de meeste jonge lieden, welke dien weg inslaan; maar ik herinner mij gehoord te hebben, dat bij de opening van den kleinen schouwburg van Fairport, een welopgevoed jonkman van goeden huize optreden zou. Als hij het ware! Lovel? – Ja! Lovel, of Belville, zijn juist de namen, die eerstbeginnenden bij zulke gelegenheden plegen aan te nemen. – Inderdaad, het spijt mij om den jongen!”

De heer Oldbuck was uit gewoonte spaarzaam, maar geenszins karig; zijn eerste gedachte was dus, om zijn reisgenoot een gedeelte te besparen van de gemaakte verteringen, die hij veronderstelde, dat hem in zijn omstandigheden meer of minder ongelegen moesten komen. Hij nam alzoo een gelegenheid waar, om afzonderlijk met den heer Mackitchinson af te rekenen. De jonge reiziger verzette zich bescheiden tegen deze mildheid, en verklaarde ten laatste alleen daarin te zullen berusten uit eerbied voor de jaren en achtbaarheid van den ouden heer.

Het genoegen, dat zij in elkanders gezelschap vonden, deed den heer Oldbuck voorstellen, en Lovel dadelijk goedvinden, dat zij verder den weg te zamen zouden afleggen. De heer Oldbuck wenschte twee derden te betalen van de huur van een postwagen, zeggende, dat hij voor zijn gemak een geëvenredigde groote ruimte noodig had; maar dit sloeg de heer Lovel stellig af. Zij reisden dus op gelijke kosten, uitgezonderd dat Lovel tusschenbeide een schelling in de hand van een morrenden postiljon liet glijden; want Oldbuck, die zich aan zijn oude gewoonte hield, wilde nooit zijn drinkgeld boven de achttien stuivers voor elk station brengen. Dus vervolgden zij hun weg, tot zij den volgenden dag tegen twee uur te Fairport aankwamen.

Lovel verwachtte waarschijnlijk, dat zijn reisgenoot hem, bij hun aankomst, ten eten zou genoodigd hebben, maar de bewustheid, dat men bij hem op onverwachte gasten niet voorbereid was, en misschien nog eenige andere redenen, beletten Oldbuck hem deze beleefdheid te bewijzen. Hij verzocht hem alleen, zoodra hij het schikken kon, hem ’s voormiddags te komen bezoeken, beval hem een weduwe aan, die kamers verhuurde, en iemand, die een fatsoenlijke tafel hield. Deze beide waarschuwde hij echter afzonderlijk, dat hij den heer Lovel slechts kende als een aangenaam reisgenoot, en geenszins wilde [12]aangemerkt worden als aansprakelijk te zijn voor eenige schuld, die hij gedurende zijn verblijf te Fairport zou maken. Het voorkomen en de manieren van den heer Lovel echter, om niet te spreken van een welgevulden koffer die weldra over zee aan zijn adres te Fairport besteld werd, deden misschien meer af tot zijn voordeel, dan de halve aanbeveling van zijn reismakker.

[Inhoud]

Derde Hoofdstuk

Hij had een’ hoop vermolmd gebeent,

En ongediert met stof vereend,

En oude scherven, zoo men meent,

Uit alle hoeken;

En roestig tuig, en vreemd gesteent,

En oude boeken.

Burns.

Toen de heer Lovel zijn woning te Fairport betrokken en in orde gebracht had, besloot hij bij zijn reisgenoot het beloofde bezoek te gaan afleggen. Hij had dit niet eerder gedaan, omdat hij, in weêrwil van de vriendelijkheid en behulpzaamheid van den ouden heer, van tijd tot tijd, in diens gesprekken en manieren jegens hem, een veel grootere aanmatiging van meerderheid bespeurd had, dan waartoe het onderscheid der jaren recht gaf. Lovel wachtte dus de aankomst van zijn zaken uit Edinburg af, ten einde zich naar den smaak te kunnen kleeden, en zijn voorkomen te doen overeenkomen met den rang, welke hij meende, of gevoelde, dat hem in de samenleving toekwam.

Vijf dagen waren alzoo verstreken, toen hij, na de noodige berichten omtrent den weg ingewonnen te hebben, zich naar Monkbarns begaf, om er zijn opwachting te maken. Een voetpad, dat over een met hei begroeiden heuvel en door een paar weiden ging, bracht hem naar het huis, dat aan den anderen kant van den heuvel lag, en een fraai uitzicht had op den zeeboezem en de schepen. Afgescheiden van de stad door de hoogten, welke haar tevens tegen den noordwesten wind dekte, scheen de woning eenzaam en toch aangenaam gelegen te zijn. Uitwendig beloofde ze overigens weinig. Het was een onregelmatig, ouderwetsch gebouw, waarvan één gedeelte tot een afzonderlijke pachterswoning behoord had, die tot verblijf strekte van den rentmeester, toen het landgoed nog in het bezit der monniken was. Hier pleegden dezen vroeger het koren op te stapelen, dat zij in plaats van huur van hun pachters ontvingen; met een eigenaardige voorzichtigheid lieten zij al hun inkomsten in voortbrengselen van den grond betalen; en vandaar, zoo als de tegenwoordige eigenaar gaarne verhaalde, de naam van Monkbarns of „Monniksschuur”. De latere, wereldlijke bezitters hadden de overblijfselen van de voormalige rentmeesters-woning langzamerhand vergroot, naar mate de inrichting hunner huishoudingen dit medebracht; en daar deze achtereenvolgende bijvoegsels met even weinig achting voor de bouwkunde, wat het uiterlijke, als voor het gemak, wat het inwendige van het huis betrof, gemaakt waren, leverde het natuurlijk een zonderling, onregelmatig, bont geheel op, dat geleek op een gehucht, welks huizen, door de tooverklanken van een Amphion of een Orpheus plotseling aan het dansen geraakt, op eens vast aan elkander [13]waren blijven staan. Het was omgeven door hooge, geschoren heggen van ijpen- en hulstboomen, waarvan er eenige nog van de bedrevenheid van den Topiarischen kunstenaar getuigden1, en wonderlijke leuningstoelen, torens in de gedaanten van St. Joris en den draak voorstelden. De smaak van den heer Oldbuck bracht mede, om deze overblijfsels van een thans vergeten kunst te bewaren, waartoe hij zich te meer geneigd voelde, daar het zeker den ouden tuinman het hart zou gebroken hebben, als men ze vernietigd had. Een groote, dichte hulstboom was intusschen aan de snoeischaar ontgaan, en het was onder diens schaduw, dat Lovel zijn ouden vriend vond, gezeten op een bank, met den bril op den neus en het brillenhuisje naast zich, aandachtig de Londensche courant lezende, terwijl het zomerkoeltje door de ruischende takken speelde, en men in de verte het bruischen der golven hoorde die op het strand braken.

De heer Oldbuck stond dadelijk op, en ging zijn reisgenoot te gemoet, om hem met een hartelijken handdruk te begroeten. „Op mijn woord”, zei hij, „ik begon te gelooven, dat gij uw voornemen vergeten, en het volkje van Fairport te onbeduidend gevonden hadt, om het met uw talenten te vereeren, en dus met de stille trom vertrokken waart, zoo als mijn oude vriend en mede-oudheidkenner Mac-Cribb deed, die met een mijner Syrische penningen verdween.”

„Ik hoop toch, waarde heer, tot zulke vermoedens geen aanleiding gegeven te hebben.”

„Het zou toch even erg geweest zijn, dat moet ik u zeggen, als gij verdwenen waart, zonder mij het genoegen te geven van u nog eenmaal te zien. De ontvreemding van mijn koperen Otto zelven zou mij niet meer gegriefd hebben. Maar kom, laat ik u den weg wijzen, naar mijn sanctum sanctorum, – mijn allerheiligste, – mijn cel, mag ik u zeggen; want, behalve een paar onnutte wijven”, (met deze verachtelijke uitdrukking, overgenomen van zijn mede-oudheidkenner Anthonius Wood, placht de heer Oldbuck de schoone sekse in het algemeen, en zijn zuster en nicht, in het bijzonder, te bestempelen), „die onder een ijdel voorwendsel van verwantschap, in mijn woning ingedrongen zijn, leef ik even eenzaam, als Jan van Girnell, wiens graf ik u straks toonen zal.”

Met deze woorden geleidde de oude heer, Lovel door een lage deur; maar toen hij op het punt stond om binnen te treden, hield hij eensklaps stil en wees hem eenige sporen van hetgeen hij „een inscriptie” noemde, en verklaarde met een hoofdschudden dat die geheel onleesbaar was. „Ach, mijnheer Lovel! als ge wist den tijd en de moeite, die mij deze vermolmde sporen van letters gekost hebben! Geen moeder in barensnood leed ooit zoo veel; – en alles te vergeefs; hoewel ik bijna zeker ben, dat deze twee laatste strepen de letters, of cijfers L. V. voorstellen, en wij daaruit de juiste en bepaalde oudheid van het gebouw, opmaken kunnen, daar het van elders bekend is, dat het gesticht werd door den abt Waldimir, omstreeks het midden der veertiende eeuw. Ook geloof ik zeker, dat betere oogen dan de mijne, misschien zouden kunnen ontdekken, wat het versiersel in het midden voorstelt.

„Ik denk”, antwoordde Lovel, geneigd om den ouden heer te believen, „dat het iets heeft van een bisschopshoed.” [14]

„Waarlijk, gij hebt gelijk! gij hebt volkomen gelijk! Dat is mij nooit ingevallen! – nu ziet men, wat een geluk het is jonge oogen te hebben! Een bisschopshoed! ja, het heeft alles van een bisschopshoed!”

Het geleek er intusschen niet veel meer op, dan de wolk van Polonius, in Shakespeare’s Hamlet, op een walvisch of een wezel; het denkbeeld was nochtans voldoende, om de verbeeldingskracht van den oudheidkenner op te wekken. „Een bisschopshoed, waarde heer!” vervolgde hij, terwijl hij hem den weg door een doolhof van ongemakkelijke en duistere gangen wees, en zijn aanmerkingen van tijd tot tijd door eenige noodige waarschuwingen afbrak, „een bisschopshoed, waarde heer, zal onzen abt even zoo goed passen, als aan een bisschop; hij had het recht om er een te dragen en stond boven aan de rol, – neem u in acht voor deze drie treden! – Ik weet wel, Mac-Cribb ontkent het; het is echter zoo zeker, als dat hij mijn Antigonus mede genomen heeft zonder het mij te vragen. – Gij zult den naam van den abt, van Trotcosey, Abbas Trottocosiensis, vinden aan het hoofd der parlementsrollen van de veertiende en vijftiende eeuwen. – Er is hier weinig licht, en dat verwenschte vrouwvolk laat altijd haar emmers in den weg staan, – wees voorzichtig daar bij den hoek, nu deze twaalf treden nog, en gij zijt veilig!”

De heer Oldbuck had intusschen den top van een wenteltrap bereikt, die naar zijn eigen vertrek leidde; en de deur openende, terwijl hij een stuk tapijt, dat die bedekte, ter zijde schoof, was zijn eerste uitroep: „Wat voert gij hier uit, gij sletten?” – Een morsige barrevoetsche meid betrapt op het wanbedrijf van het sanctum sanctorum in orde te brengen, wierp haar stoffer weg, en vluchtte door een andere deur uit het gezicht van haar vergramden meester. Een fatsoenlijk gekleed jong meisje, dat het toezicht over het werk voerde, bleef eenigzins beschroomd staan.

„Waarlijk, oom,” zei zij, „uw kamer was niet om te zien, en ik kwam juist om te zorgen, dat Jenny alles weêr neêrlegde, juist dáár waar zij het gevonden had.”

„En hoe durft gij, of Jenny u verstouten, om u met mijn bijzondere zaken te bemoeien? Ga naar uw naaiwerk, kind! en dat ik u hier niet weêr vinde, zoo gij uw ooren liefhebt! – Ik verzeker u, mijnheer Lovel, dat de laatste inval van deze zoogenaamde vriendinnen der reinheid bijna even noodlottig voor mijn verzameling was, als het bezoek van Hudibras2 voor die van Sidrophel:

„Mijn almanak, mijn kopren platen,

En meer, waar ’k mij op kon verlaten,

Een maanhorloge, en Napier’s been,

En meer dan één geleerde steen;

Mijn kever, vloo en ook mijn luis

Zijn zoek geraakt door dat gespuis,”

zoo als de oude Butler schrijft.”

De jonge dame had deze gelegenheid te baat genomen, en was na Lovel beleefd gegroet te hebben, onder het opsommen van deze verliezen ontsnapt. „Gij zult nu hier stikken in de stofwolken,” vervolgde de oudheidkenner; „maar ik verzeker u, het stof was zeer oud, en voor ongeveer een uur nog een zeer vreedzaam en rustig stof, en zou het nog een eeuw lang gebleven [15]zijn, als deze heksen het niet gestoord hadden, zoo als zij ook alles ter wereld in rep en roer brengen.”

Er verliep, inderdaad, eenigen tijd, eer Lovel door den dikken dampkring onderscheiden kon, welk soort van hol zijn vriend tot zijn verblijf had uitgekozen. Het was een kamer met een hooge verdieping en van middelbare grootte, slechts verlicht door hooge en nauwe tralievensters. Het eene einde daarvan was geheel bezet met boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste boekdeelen, die daarom in twee en drie rijen achter elkander gedrongen stonden, terwijl ontelbare anderen over den vloer en op de tafels, tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, perkamentsnippers bundels papier, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken, helmen en Hooglandsche schilden verstrooid lagen. Achter den zetel van den heer Oldbuck (een oude met leder overtrokken armstoel, tamelijk afgesleten door lang gebruik,) stond een ongemeen groot eikenhouten kabinet, op welks hoeken Hollandsche cherubijnen met groote hoofden en scheeve troniën tusschen twee kleine, uitgespreide eendenvleugeltjes, pronkten. De bovenste kap was versierd met borstbeelden, Romeinsche lampen en offerschalen, waaronder ook een paar bronzen beelden prijkten. De muren van het vertrek waren gedeeltelijk behangen met afzichtelijke, oude tapijten, die het beroemde bruiloftsfeest van den Ridder Gaweine3 voorstelden, en waarbij men de leelijkheid van de bruid4 volkomen recht had laten wedervaren; ofschoon de Ridder, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, wat het gebrek aan schoonheid der dame betreft, minder reden tot klagen had, dan hem de dichter schijnt toegekend te hebben. Het overige gedeelte der kamer was beschoten met zwart eikenhout, waartegen twee of drie mannen-portretten in volle wapenrusting hingen, – Oldbuck’s lievelingshelden uit de Geschiedenis van Schotland, – en even zoo vele starende gezichten met pruiken en gegalonneerde rokken van zijn eigen voorouders. Een groote, ouderwetsche tafel was bedekt met een menigte papieren, perkamenten, boeken en allerhande kleinigheden, die zich door niets schenen aan te bevelen, dan door den roest en de oudheid, welke ze kenmerkte. Te midden dezer verwarde mengeling van oude boeken en gereedschappen, zat, ernstig als Marius op de puinhoopen van Karthago, een groote zwarte kat, die in het oog van een bijgeloovig mensch zeer goed den genius loci, den beschermgeest van het vertrek zou hebben kunnen voorstellen. De vloer, zoo wel als de tafel en alle stoelen was door hetzelfde mare magnum van oude vodden overstroomd, waaronder het even onmogelijk zou geweest zijn, eenig benoodigd artikel te vinden, als om het te gebruiken, wanneer men het gevonden had.

Het viel dus niet gemakkelijk, door dezen verwarden boel den weg naar een stoel te vinden, zonder over een foliant te struikelen, of nog meer gevaar [16]te loopen van het een en ander stuk Romeinsch, of oud Engelsch aardewerk omver te werpen. En als men eindelijk den stoel bereikt had, moest men dien nog voorzichtig ontlasten van plaatwerken, die licht te beschadigen waren, en van oude sporen en gespen, die den onvoorzichtigen bezoeker zelven beschadigd zouden hebben. De oudheidkenner maakte den heer Lovel vooral hierop opmerkzaam, er bijvoegende, dat zijn vriend, de heer Professor Zwaar-op-de-hand, uit de Nederlanden, zich eens ernstig bezeerd had, door zich onvoorzichtiglijk neder te zetten op drie oude scherpe ijzeren angels, uit het moeras bij Bannockburn opgedolven, die Robert Bruce gebruikt had, om over den grond te strooien, en de paarden der Engelsche ruiterij dus kreupel te maken, en op boven beschreven wijze ook voorbestemd waren om een geleerden Utrechtschen professor gevoelig te kwetsen.

Lovel kwam eindelijk te recht, en veilig op zijn stoel gezeten, betoonde hij zich niet minder begeerig, om de vreemde voorwerpen die hem omringden nader te leeren kennen, dan zijn gastheer, om ze hem te verklaren. Hij toonde hem eerst een groote knots, van onderen met een ijzeren pen voorzien, welke voor eenigen tijd gevonden was op het goed van Monkbarns, nabij een oude begraafplaats. Deze knots geleek bijzonder veel op een van die knuppels, waarvan zich de Hooglandsche maaiers, bij hun jaarlijksche tochten uit hun bergen, bedienen. Maar de heer Oldbuck was zeer geneigd te gelooven, daar ze een eenigszins vreemden vorm had, dat ze een dier knotsen was, waarmede de monniken hun boeren, in plaats van met andere wapenen, plachten uit te rusten; om welke reden merkte hij aan, men die lieden colve carles of kolf-kerels, dat is, clavigeri, noemde. Ter staving hiervan, haalde hij de Kronijk aan van Antwerpen en van St. Martijn, waartegen Lovel niets in te brengen had, daar hij die werken thans voor het eerst hoorde noemen.

De heer Oldbuck vertoonde vervolgens eenige duimschroeven, die men in vroegere dagen ter bestraffing der Covenanters gebruikt had, als ook een halsband met den naam van een roover er op, dien men tot straf, zooals het opschrift luidde, in eigendom toegekend had aan een naburigen edelman. „Een andere wijze van straffen,” zei de heer Oldbuck, „dan die van onze hedendaagsche Schotsche wet, welke dergelijke schelmen het land uit zendt, om Engeland door hun arbeid, en zich zelven door hun behendigheid te verrijken.” Veelvuldig en verscheiden waren de zeldzaamheden, die hij verder liet zien; maar vooral was hij trotsch op zijn boeken, en zijn gast naar de volgepropte en stoffige boekenkasten geleidende, zei hij met een zeker welgevallen de verzen van den ouden Chaucer op:

„Want hij verkoos bij ’t bed veeleer

Een twintig zwarte of roode banden

Van Aristot’les leer voorhanden,

Dan psalter, lier of rijke kleêr’.”

De maat van deze schoone regels, gaf hij door een beweging van het hoofd aan, en hij sprak alle keelletters met den echt Angelsaksischen tongval uit, die nu in het zuidelijke gedeelte van Schotland bijna verloren gegaan is.

De verzameling was inderdaad zeldzaam, en geschikt om den nijd van een liefhebber op te wekken. Nochtans was die niet aangekocht tegen de ongehoorde prijzen der hedendaagsche tijden, die den vurigsten zoo wel als den eersten der bibliomanen afgeschrikt zouden hebben van wie wij ooit hoorden, – namelijk niemand anders dan den beroemde Don Quichot de la Mancha, van wien zijn geloofwaardige geschiedschrijver, Cid Hamet Benengelie, onder andere [17]blijken van zijn krankzinnigheid, aanvoert, dat hij landerijen en pachthoeven tegen ridderboeken in folio en kwarto verruilde. In deze heldendaden wordt de goede dolende ridder door onze hedendaagsche baronnen en graven nagevolgd: ofschoon wij nog niet vernomen hebben, dat iemand hunner een herberg voor een kasteel aanzag, of zijn lans tegen een windmolen richtte.

De heer Oldbuck nam deze kunstverzamelaars en hun buitensporige uitgaven niet tot voorbeeld; maar daar hij vermaak in den arbeid vond zelf zijn boeken te zoeken, spaarde hij zijn beurs ten koste van tijd en moeite. Hij was geenszins een aanmoediger van die doortrapte, peripatetische bemiddelaars, die zich als makelaars tusschen den onbekenden boekhandelaar en den gretigen liefhebber opwerpen, en ter zelfder tijd hun voordeel vinden bij de onwetendheid van den één, en de duur verkregen kunde en den smaak van den ander. Als men van dergelijke lieden in zijn bijzijn sprak, toonde hij gewoonlijk aan, hoe noodzakelijk het was, de voorwerpen zijner begeerte bij de eerste ontdekking in beslag te nemen, en verhaalde dan zijn lievelingsgeschiedenis van den Snuifneus-David en Caxton’s Schaakspel. – „David Wilson,” – „David Wilson,” zei hij, „in de wandeling genaamde Snuifneus-David, wegens zijn verslaafdheid aan zwarte rappé, won het allen af in het doorsnuffelen van donkere holen, kelders en stalletjes, waar zeldzame boeken te vinden waren. Hij had den neus van een speurhond, mijnheer, en was vasthoudend als een bulhond. Hij kon een oude ballade, in Gothische letter, uit een drom staatspapieren halen, en een editio princeps onder het masker van een schoolboek ontdekken. Snuifneus-David kocht het Schaakspel, 1474, – het eerste boek, dat in Engeland gedrukt werd, – in een Hollandsch winkeltje voor ongeveer drie stuivers. Hij verkocht het aan Osborn voor twintig pond sterling, en deze deed het weder aan Dr. Askew over voor zestig guinjes. Maar op de verkooping van Dr. Askew’s bibliotheek,” vervolgde de oude heer met steeds toenemend vuur, „blonk dit onschatbaar kleinood in zijn vollen luister uit, en werd door een koninklijken liefhebber zelven voor honderd-zeventig pond gekocht! Deed er zich nu slechts een exemplaar op!” riep hij, met een diepen zucht en gevouwen handen, uit: „God alleen weet, wat het gelden zou, en nochtans kreeg men het oorspronkelijke door kennis en navorsching, voor de geringe waarde van nog geen dubbeltje in handen! Gelukkige, dikwerf gelukkige Snuifneus-David! en gezegend de tijd, toen uw vlijt zoo mocht beloond worden!”5

„Ik zelf, mijnheer,” ging hij voort, „hoewel ver beneden dien grooten man in vlijt, doorzicht en tegenwoordigheid van geest, kan u eenige weinige, zeer weinige voorwerpen toonen, waarmede ik mijn verzameling verrijkte, niet door kracht van geld, zoo als sommige vermogenden doen, – die, naar het zeggen van mijn vriend Lucianus, dikwijls slechts hun goudstukken wegwerpen, om hun onwetendheid aan den dag te leggen; – maar verkregen op een wijze, die u zal doen zien, dat ik op dit stuk ook niet onervaren ben. Beschouw dezen bundel Balladen, waarvan niet één van lateren tijd is dan 1700, en ettelijke er van honderd jaren ouder zijn. Ik heb ze uit de handen eener oude vrouw gekregen, die ze liever had, dan haar psalmboek. Wat rook- en snuiftabak, mijnheer! en het werkje: „de Volmaakte Sireen,” waren de koopprijs! – Om dit weinig verminkte exemplaar van „de Klachte van Schotland” [18]meester te worden, heb ik twee dozijn flesschen sterke ale gedronken met den laatsten geleerden eigenaar er van, die het mij, uit erkentelijkheid, bij uitersten wil vermaakte. – Deze twee Elzeviers zijn de gedenkteekens en trofeën van menige wandeling ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat door het Cowgate, het Canongate en het Bow, door St. Mary’s Wynd, in ’t kort, overal, waar ik maar gissen kon, dat uitdragers en kooplieden in ’t klein in allerlei zeldzame en belangrijke dingen, te vinden waren. Hoe dikwijls heb ik niet een stuivertje staan afdingen, – uit vrees dat, door een te snel berusten in den gevraagden prijs, de koopman de waarde vermoeden zou, die ik aan het voorwerp hechtte! – hoe heb ik niet gesidderd bij de gedachte, dat de een of ander voorbijganger binnenkomen en mij overbieden zou! In elken armen student in de godgeleerdheid, die stil hield, om de uitgekraamde boeken te bekijken, geloofde ik een mededingenden liefhebber, of verkleeden, hebzuchtigen boekhandelaar te zien. – En dan, mijnheer Lovel, het stille genoegen, waarmede men het bedongene betaalt, en de gekochte zeldzaamheid, schijnbaar onverschillig, in den zak steekt, terwijl de hand van blijdschap beeft! – Ook om het oog van onze rijkere en ijverzuchtige mededingers te verblinden, wanneer men hun zulk een schat als dezen, („een klein zwart berookt boekje, ter grootte ongeveer van een spaboekje, opnemende”) laat zien, – wanneer men hun verwondering en afgunst beschouwt, terwijl men onder den sluier der geheimzinnigheid zijn eigene meerdere kennis en behendigheid verbergt, – dit, mijn jonge vriend, dit zijn de zalige oogenblikken des levens, die den arbeid, de moeite en de onafgebroken oplettendheid vergoeden, welke ons beroep, meer dan eenig ander, zoo bijzonder eischt!”

Lovel schiep er niet weinig vermaak in den ouden heer dus te hooren doordraven, en, hoewel onbekwaam, om de geheele waarde van hetgeen hij zag te erkennen, bewonderde hij nochtans, boven verwachting, de onderscheidene schatten, die Oldbuck hem aanwees. Hier stonden uitgaven, hoog geschat omdat ze de eerste, – daar anderen, weinig minder in aanzien, omdat ze de laatste en beste waren. Hier had een boek waarde, omdat het de laatste verbeteringen van den schrijver bevatte; daar was een ander (zonderling genoeg) gezocht, omdat die er aan ontbraken. Het één was kostbaar als foliant, het andere als duodecimo; eenige boekdeelen hadden bijzondere waarde, omdat zij lang, anderen, omdat zij kort waren. Van het één bestond de verdienste in de titelplaat, van het tweede in de letters, waarmede het woord Finis gedrukt was. Er was, naar het scheen, geen bijzonderheid, hoe gering en nietsbeduidend ook, welke het boek geen waarde bijzette, mits het slechts het onvermijdelijk vereischte bezat van „zeldzaam” of „schaarsch” te zijn.

Aantrekkelijk vooral was het oorspronkelijk geschriftje: „De laatste Woorden, de Bloedige Moord, of het Wondervolste Wonder der Wonderen,” den oorspronkelijken, gehavenden omslag, zoo als het door de straten gevent en voor den goedkoopen en geringen prijs van een stuiver verkocht werd, ofschoon het thans tegen goud opwoog. Over deze en soortgelijke werken weidde de oudheidkenner met geestdrift uit, en las, vol verrukking, de uitvoerige titels voor, die even veel overeenkomst hadden met den inhoud, als de geschilderde afbeeldsels vóór een beestenspel met de dieren, die er binnen vertoond worden. De heer Oldbuck was bijzonder ingenomen met het bezit van een boekje, dat hij eenig in zijn soort noemde, en waarvan de titel luidde: „Seldsaem ende miraculeus Beright uit Shipping-Morton, in het Graefschap Oxfort, van zeekere verschrickelijcke apparitiën, die daer in de lucht gezien zijn op den 26 Julij A.D. 1610, des middags te half tien ueren, [19]ende voortgheduert hebben tot elf ueren, in welken tussenteit men gesien heeft meinighte vlammende swaerden, vremde bewegingen in den boven Atmospheer, met ongewone fonkelingen der sterren, ende verdere verschrickelijke gevolgen: alsmede een verhael van het openen des hemels ende der vremde verschijnselen, die sich daer in vertoont hebben, met vele andere prodigieuse circumstantiën, nooit gesien ofte gehoort, tot groote verbasinghe der toeschouwers, so als het beschreven staat in een epistel aen seeckeren heer Colley, wonende in West-Smithfield, ende veroircond wordt door Thomas Brown, Elizabeth Greenaway, ende Anna Gutheridge, die ooggetuighen geweest sijn van deze verschrickelijcke apparitiën, – ende indien iemant sich verder soude willen overtuighen van de waerheit van dit verhael, die kan sich vervoeghen ten huise van den heere Nightingal, in de herberg de Beer, in West-Smithfield, waar hij volkomen gecontenteerd sal worden.” 6

„Gij lacht hierom,” zei de eigenaar der verzameling, na het eindigen van dezen ellenlangen titel; „maar ik vergeef het u. Ik beken, dat de bekoorlijkheden, waarop wij verliefd zijn, de jeugd niet zoo zeer in de oogen vallen, als die van een schoone dame; maar gij zult wijzer worden en juister leeren zien, als gij een bril draagt. – Maar wacht een oogenblik: ik heb nog één gedenkstuk der oudheid, dat gij misschien beter zult weten te waardeeren!”

Met deze woorden, opende de heer Oldbuck een schuiflade, en nam er een bos sleutels uit: vervolgens schoof hij een stuk tapijt weg, dat de deur van een kast in den muur bedekte, waarin hij langs vier steenen trappen neêrdaalde, en bracht, na eenigen tijd tusschen flesschen en kannen gerammeld te hebben, twee hooge wijnroemers te voorschijn, zoo als men die op de stukken van Teniers ziet, en een kleine flesch met hetgeen hij echten, besten Canarie-sec noemde, benevens een stukje koek op een klein zilveren presenteerblad van zeer oud en buitengemeen fraai maaksel. „Ik zal niet spreken van het blaadje,” zei hij, „ofschoon men zegt, dat het door dien dollen ouden Florentijner, Benvenuto Cellini, gemaakt is. Maar, mijnheer Lovel, onze voorouders dronken Canarie-sec, – gij, die een bewonderaar zijt van de tooneelkunst, zult weten, waar dat geschreven staat. Nu, op het welslagen uwer ondernemingen te Fairport!”

„En u, mijnheer, wensch ik een rijke vermeerdering van uw schat, met slechts zoo veel moeite van uw kant, als noodig is om uw aanwinsten waarde bij te zetten.”

Na deze versterking, die geheel strookte met het genoten vermaak, stond Lovel op, om afscheid te nemen, en de heer Oldbuck maakte zich gereed, om hem een eind op zijn wandeling naar Fairport te vergezellen, en hem onderweg iets merkwaardigs te toonen. [20]


1 Een Latijnsch dichtstuk, getiteld: Ars Topiaria, beschrijft zeer uitvoerig de kunst om ijpen heggen en bomen te kappen. W. S. 

2 Een Engelsch spotgedicht van Samuel Butler (1612–1680). 

3 Een beroemd Ridder van den fabelachtiger Koning Arthur. De Schrijver ziet hier op de Ballade, „The marriage of sir Gawaine” in Percy’s Relicks of Ancient English Poetry. Vert. 

4 In het 24ste vers dier Ballade zegt men van deze schoone:

Krom was haar neus, gewipt omhoog,

Zij had een scheeve kin;

Waar men het mondje zoeken zou,

Daar vond men, – wat? – haar oog?

5 Deze anecdote is letterlijk waar, en David Wilson is geen verdicht persoon. W. S. 

6 Van dit allerzeldzaamst boekje bezit de schrijver wezenlijk een exemplaar. W. S. 

[Inhoud]

Vierde Hoofdstuk

De listige Karel kwam me over de weide

Met buigende groeten eerbiedig ter zijde

En sprak: beste heer! och wees toch zoo goed,

En huisvest eenen armen, ouden bloed.

De oude bedelaar.

Onze beide vrienden gingen langzaam door een kleinen boomgaard, welks oude, rijk beladen appelboomen bewezen, wat men in de nabijheid der meeste kloosters gewoonlijk opmerken kan, namelijk dat de monniken hun tijd niet altijd in ledigheid doorbrachten, maar dikwerf ook aan boom- en tuinteelt toewijdden. De heer Oldbuck verzuimde niet Lovel te doen opmerken, hoe de toenmalige planters het hedendaagsch geheim bezaten, om door het plaatsen van steenen onder den boom, hem te beletten te diep wortels in den grond te schieten, en ze dus te dwingen, een zijdelingsche richting te nemen. „Deze oude boom,” zei hij, „die verleden zomer omver woei, en nog, ofschoon half ter aarde gebogen, met vruchten bedekt is, heeft, zoo als gij ziet, zulk een steenlaag er onder. Van dezen anderen boom verhaalt men eene geschiedenis: de vrucht er van heet de abtsappel, waarin de echtgenoote van een naburigen baron zoo veel smaak vond, dat ze dikwijls Monkbarns bezocht, om het genoegen te smaken zelve van die vrucht te plukken. De baron, waarschijnlijk een ijverzuchtig man, vermoedde, dat een smaak, die zoo veel overeenkomst, had met dien van moeder Eva, ook een dergelijken val voorspelde. Maar, de eer van een adellijk geslacht is er in betrokken; en ik zal er dus niets meer van zeggen, dan dat de goederen van Lochard en Cringlecut nog jaarlijks een bepaalde schatting in gerst moeten opbrengen, om de misdaad van hun roekeloozen eigenaar te boeten, die den abt en zijn biechtdochter met zijn wereldsche vermoedens en hartstochten durfde lastig vallen. Het kleine klokkenhuisje, dat zich boven het gindsche met klimop bedekte portaal verheft, verdient uw opmerking; – er was hier een hospitium, hospitale, of hospitamentum, (want het komt in de oude geschriften en akten dus verschillend geschreven voor), waarin de monniken de pelgrims plachten op te nemen. – Ik weet wel, onze dominé zegt, in zijn „Statistiek bericht,” dat het hospitium gelegen was op de landerijen van Haltweary, of op die van Halfstarvet; maar dat is niet juist, want, – maar dit is de poort, die nog steeds de Pelgrimspoort genoemd wordt, en mijn tuinman vond, toen hij den grond voor de winterselderij omspitte, nog vele gehouwen steenen, waarvan ik eenige als proeven gezonden heb aan mijn geleerde vrienden, en aan de verschillende oudheidkundige genootschappen, van welke ik een onwaardig lid ben. Maar ik wil daar nu niet verder over uitweiden, ik bewaar iets voor een volgend bezoek, en wij naderen hier een voorwerp, dat wezenlijk belangrijk is!”

Terwijl hij dus sprak, gingen ze door een paar schoone weiden naar een open heidevlakte, en vandaar kwamen zij op den top van een geringe hoogte. „Dit,” zei hij, „mijnheer Lovel, is een waarlijk merkwaardige plek.”

„Ze levert een schoon gezicht op, antwoordde zijn makker, in het rond ziende. [21]

„Dat is zoo: maar daarom was het niet, dat ik u hier heen bracht; ziet gij niets anders opmerkingswaardigs? – Niets op de oppervlakte van den grond?”

„Wel ja! ik zie iets, dat half en half op een gracht gelijkt.”

„Half en half! – Vergeef mij, mijnheer, dat moet aan uw oogen liggen, – niets kan duidelijker zijn! – een echte agger of vallum, met de gracht, of fossa. Onduidelijk! wel, mijn hemel! die deerne, mijn nicht, zulk een lichtzinnig gansje als maar alleen onder het vrouwenvolk te vinden is, heeft dadelijk de sporen der gracht herkend! Onduidelijk! Ja, de groote legerplaats te Ardoch, of die te Burnswark in Annandale kan men zonder twijfel duidelijker zien, omdat ze vaste verschansingen zijn, terwijl deze legerplaats hier slechts tijdelijk was. Onduidelijk! maar gij dient te begrijpen, dat dwazen, boeren en domkoppen het land omgeploegd, en als stomme dieren en onbeschaafde wilden twee zijden van den vierhoek verbroken, en de derde zijde voor een groot gedeelte beschadigd hebben; maar de vierde zijde, zoo als gij zelf ziet, is nog volkomen in haar geheel!”

Lovel trachtte zich te verontschuldigen en zijn eerste gezegde goed te maken, door gebrek aan ondervinding voor te wenden. Maar hij slaagde niet dadelijk. Zijn eerste antwoord was te gul en te natuurlijk geweest, om den oudheidkenner niet te verontrusten, en deze kon niet zoo spoedig den indruk vergeten, dien het op hem gemaakt had.

„Mijn waarde heer!” vervolgde hij, „uw oogen ontbreekt het niet aan ondervinding; gij kunt, veronderstel ik, een gracht wel van een vlakte onderscheiden? Onduidelijk! wel, het gemeene volk, zelfs de kleinste jongen, die een koe kan hoeden, noemt de plaats Kaim van Kinprunes, en als Kaim niet kamp beteekent, weet ik het niet.”

Daar Lovel dit toestemde, en eindelijk slaagde om de opgewekte en achterdochtige ijdelheid van den oudheidkenner in slaap te wiegen, vatte deze weder zijn taak van Cicerone op. „Onze Schotsche oudheidkundigen,” zei hij, „moet gij weten, zijn zeer verdeeld geweest omtrent de plaats van den laatsten veldslag tusschen Agricola en de Caledoniërs; – eenigen noemen Ardoch in Strathallan, eenigen Innerpeffrey, eenigen de Raedijken in Mearns, en eenigen brengen het krijgstooneel zoo ver noordwaarts als Blair, in Athole. En nu, na al dat onderzoek,” vervolgde de oude heer, terwijl hij een zijner slimste en meest zelftevreden blikken op Lovel wierp, „wat zoudt gij er van denken, mijnheer Lovel, – ik zeg, zoudt gij er van denken, – als deze gedenkwaardige slag voorgevalen ware hier, op deze zelfde plek, het kamp van Kinprunes genaamd, op de landerijen van den onbekenden, geringen persoon, die nu tot u spreekt?”

Hij zweeg een oogenblik, om zijn gast gelegenheid te geven, deze mededeeling in al haar gewicht te beseffen, en vervolgde dan, zijn stem verheffende: „Ja, mijn goede vriend, ik vergis mij zeer, als deze plaats niet overeenstemt met al de beschrijvingen van dat beroemde krijgstooneel. Het was nabij de Grampian-bergen; – eilieve! zie, hoe ze zich ginds aan den gezichteinder in de wolken verliezen! – het was in conspectu classis, in het gezicht van de Romeinsche vloot; en kon eenig vlootvoogd, Romein of Brit, een schoonere baai vinden, om er in te stevenen, dan die dáár, aan uw rechterhand? Men moet zich verwonderen, dat wij, oudheidkenners van beroep, soms zoo blind zijn. Sir Robert Sibbald, Saunders Gorden, de Generaal Roy, Dr. Stukely, wel nu, – het ontging hun allen! – Ik wilde er geen woord van reppen, vóór ik mij van den grond verzekerd had; want die behoorde [22]aan den ouden pachter Jan Howie, hier in de buurt, en het heeft lang geduurd, eer wij het eens konden worden. Eindelijk, – ik schaam mij haast het te zeggen, – besloot ik, om akker tegen akker van mijn bouwland voor zijn dorre plek te geven. Maar het was een nationaal belang; en toen het tooneel van zulk een beroemde gebeurtenis mijn eigendom werd, was ik meer dan genoeg betaald. – Wiens vaderlandsliefde, zegt de oude Johnson, zou niet blaken op de vlakte van Marathon? Ik liet aanvankelijk den grond omspitten; en den derden dag mijnheer Lovel, vonden wij een steen, dien ik naar Monkbarns heb laten overbrengen, om er in gips een afgietsel van te maken. Men ziet er een offervaas op met de letters A. D. L. L., die zonder ver te zoeken, beteekenen: Agricola Dicavit Libens Lubens.”

„Gewis, mijnheer, want de Nederlandsche oudheidkenners verklaren Caligula voor den stichter van een vuurtoren, enkel op het gezag der letters C. C. P. F., welke zij uitleggen: Cajus Caligula Pharum Fecit.

„Zeer juist, en men heeft het altijd voor de juiste uitlegging gehouden. Ik zie wel dat wij iets van u zullen maken, zelfs eer ge nog een bril draagt ofschoon gij de sporen van het schoone kamp, op het eerste gezicht eenigzins onduidelijk vondt.”

„Door den tijd, mijnheer, en met goed onderricht. –”

„Zult gij leeren? – Daar twijfel ik niet aan. Bij uw eerst volgende bezoek op Monkbarns, zal ik u iets ter lezing geven; mijn kleine verhandeling „over de Kunst van Legerplaatsen aan te leggen,” met eenige bijzondere „Aanmerkingen over de sporen van oude Verschansingen, onlangs door den Schrijver ontdekt in het kamp van Kinprunes. Ik geloof den onmiskenbaren toetssteen daarin aangewezen te hebben van hetgene men voor oudheden houdt. Ik stel vooraf eenige algemeene regels over den aard, van wat men in dergelijke gevallen als beslissend kan aannemen. Gelieve intusschen, bij voorbeeld, op te merken, dat ik mij zou kunnen bedienen van den beroemden dichtregel van Claudianus.

Ille Caledoniis posuit qui castra pruinis.

Want pruinis, ofschoon uitgelegd als rijp te bedoelen, waaraan ik beken, dat wij op deze noordoostelijke zeekust eenigzins onderhevig zijn, kan eveneens een plaatselijke benaming wezen, te weten; prunes; het castra Pruinis positum zou dan zijn het kamp van Kinprunes. Maar ik laat dat daar, uit vrees, dat de woordenvitters daarin gelegenheid mochten vinden, om mijn Castra te doen neêrdalen tot den zoo veel lateren tijd van Theodosius, die eerst in 367, of daar omstreeks, door Valentinianus naar Brittanië gezonden werd. Neen, mijn lieve vriend, ik beroep mij op het oog der menschen; – is hier niet de Decumaansche poort? en daar zou, zonder de verwoesting van den noodlottigen ploeg, zoo als mijn geleerde vriend het uitdrukt, de Praetoriaansche poort zijn. – Aan uw linker hand kunt gij eenige sporen van de porta sinistra zien, en aan de rechter, één zijde van de porta dextra, bijna onverminkt! – Hier dan zullen wij ons plaatsen, op dezen tumulus, die de grondslagen bevat van verstoorde gebouwen, – het middelpunt, – zonder twijfel, het Praetorium van het kamp. Van deze plaats, nu slechts van het overige der verschansing te onderscheiden door haar geringe verhevenheid en groenere zoden, mogen wij veronderstellen, dat Agricola het onmetelijke leger der Caledoniërs heeft aanschouwd, dat de helling van genen tegenoverliggenden heuvel bezette, terwijl het voetvolk, op de hoogte verschijnende, in rijen [23]achter elkander, hun slagorde op het voordeeligste uitbreidde, volgens het terrein, en het paardevolk en de covinnarrii, waardoor ik versta die in de strijdwagens waren, een geheel andere soort van menschen dan de hedendaagsche Britsche Wagenmenners met hun vier paarden, – zich in de vlakte aan den voet van den berg bevonden.

– Zie dan, Lovel, – zie –

Zie, hoe die heerdrom ginds komt van ’t gebergte zinken!

De gulden rustingen als drakenschelpen blinken;

Hun tocht schijnt donderstorm, die alles stelt ter neêr –

Zie en aanschouw, en dan zie Rome nimmer weêr! –

„Ja, waarde vriend, van deze standplaats is het waarschijnlijk, – zelfs bijna zeker, – dat Agrippa gadesloeg, hetgeen onze Beaumont1 zoo voortreffelijk schildert! – Van dit zelfde Praetorium. –”

Een stem achter hem, brak eensklaps deze hoogdravende beschrijving af. – „Praetorium hier, Praetorium daar: mij heugt, dat men er aan werkte!”

Beiden keken te gelijk om, Lovel niet zonder verwondering, en Oldbuck met een mengeling van verrassing en verontwaardiging over zulk een onbeleefde stoornis. Een toehoorder was, ongezien en ongehoord, genaderd, terwijl de oudheidkenner in het midden zijner vurige beschrijving was, en Lovel beleefd en oplettend toeluisterde. Hij had het uiterlijk van een bedelaar; – een in de oogen gedrukten hoed met breeden rand; een langen witten baard, die zich met zijn grijze haren vereenigde; door den ouderdom sterk geteekende, maar krachtige en sprekende gelaatstrekken, die door weêr en wind donker bruin geverwd waren; een langen blauwen rok, met een blikken plaatje op den rechter arm; een paar zakken, dwars over den schouder geslagen, om de onderscheidene etenswaren te bergen, als hij liefdegiften ontving van hen, die weinig rijker dan hij zelf waren, – dit alles kondigde dadelijk den bedelaar van beroep aan, en een van die bevoorrechte klasse, welke men in Schotland „’s Konings genadelieden,” of wel eens Blauwrokken noemt.

„Wat zegt gij; Adam?” vroeg Oldbuck, in de hoop dat hem zijn ooren bedrogen hadden: „waar spreekt gij van?”

„Van dit werk, mijnheer!” antwoordde de onverschrokken Adam; „mij heugt, dat het aangelegd werd.”

„Dat het aangelegd werd? Oude gek! het was al klaar eer gij geboren waart, en het zal er wezen nadat gij gehangen zijt, man!”

„Gehangen of verzopen, hier of daar, levend of dood, – mij heugt, dat het aangelegd werd.”

„Gij, – gij,” – stamelde de oudheidkenner, even verlegen als vergramd, „gij zwervende landlooper, wat duivel weet gij er van?”

„Wel, ik weet er dit van, Monkbarns; en waarom zou ik u een leugen vertellen? – Ik weet er juist dit van, dat voor ongeveer twintig jaren, ik en een paar andere vlugge kerels en de metselaarsknechts, die den langen dijk dáár aanlegden, en een stuk of wat koeherders, ons aan het werk zetten, en dat kleine ding hier maakten, dat gij het, – het Praetorium noemt, en wel voor een feest bij de bruiloft van den ouden Aiken Drum, – en een lief werkje was het bij guur en regenachtig weêr! En ik weet er nog dit van; [24]als gij den omtrek opgraaft, zoo als het schijnt, dat gij reeds begonnen zijt te doen, zult gij een steen vinden, als gij hem niet al gevonden hebt, waarop een der metselaarsgezellen een lepel sneed, en om den ouden bruidegom te plagen, zette hij er vier letters op: A. D. L. L., dat is Aiken Drum’s Lange Lepel, want Aiken kwam uit Fife en was een baas in het eten.”

Lovel waagde het heimelijk een blik op onzen oudheidkenner te werpen; maar wendde dien snel af, met een gevoel van diep medelijden. Want, zoo iemand onzer lezers ooit een jong meisje van zestien jaren gadesloeg, wier droomen van trouwe liefde, bij een onverwachte ontdekking, in duigen vallen, of een knaapje, dat zijn kaartenhuisje door een kwaadwilligen makker ziet omver blazen, – wij kunnen hem gerust verzekeren, dat Jonathan Oldbuck van Monkbarns, zich even onnoozel voordeed, en niet minder verslagen daar stond.

„Er heeft hier een misverstand plaats,” zei hij, terwijl hij zich ijlings van den bedelaar afwendde.

„Volstrekt niet van mijn kant,” antwoordde de stugge bedelaar; „ik handel nooit in misverstanden; want die geven misrekeningen. – Nu, Monkbarns, deze jonge heer, – met uw verlof, bekommert zich weinig om een kerel als ik, en evenwel wed ik, dat ik hem zeggen zal, waar hij gisteren avond tusschen licht en donker geweest is, of hij moest liever niet hebben, dat ik in gezelschap van anderen daar over spreek.”

Het bloed vloog Lovel naar het gezicht, en hij bloosde als een jongeling van twee en twintig jaren.

„Stoor u niet aan den ouden schelm,” zei Oldbuck; „geloof niet, dat ik slechte gedachten van u heb, uithoofde van uw beroep; het zijn alleen vooringenomene dwazen en lafbekken, die daaraan onderhevig zijn. Gij herinnert u wat de oude Cicero, in zijn redevoering pro Archia poeta, van een uwer broederschap zeide. „Quis nostrum tam animo agresti acduro fuit, – ut – ut –” het latijn is mij ontschoten, ziehier, waar het op neêrkomt „wie onzer was zoo woest en onbeschaafd, dat hij niet aangedaan werd bij den dood van den grooten Roscius, wiens gevorderde leeftijd, ver van ons op zijn afsterven voor te bereiden, veeleer deed hopen, dat een zoo bevallige, zoo voortreffelijke man in zijn kunst van het algemeene lot der sterfelijken bevrijd zou blijven.” Dus sprak de Vorst der Redenaren van het tooneel en van hen, die het beoefenen.”

De woorden van den ouden heer troffen Lovels oor zonder eenigen bepaalden indruk op zijn geest te maken, daar hem de gedachte bezig hield, hoe of de oude bedelaar, die hem steeds met een tergende houding en een doordringend oog bleef aanzien, iets van hetgeen hem betrof, was te weten gekomen. Hij stak de hand in den zak, als het gereedste middel, om hem zijn verlangen te kennen te geven dat hij zwijgen moest, en terwijl hij hem een aalmoes gaf, eerder afgeperst door vrees dan door liefdadigheid, keek hij hem nadrukkelijk aan; hetgeen de bedelaar, die van beroep een gelaatkundige was, zeer goed scheen te verstaan.

„Zijt onbezorgd, mijnheer! ik ben geen praatjesmaker; maar er zijn meer oogen in de wereld, dan de mijne,” zei hij, terwijl hij Lovels gift in den zak stak, met zulk een zachte stem dat hij alleen het hooren kon, en met een blik die duidelijk te kennen gaf wat hij verder verzweeg. Toen zich naar Oldbuck wendende: – „Ik ga naar de pastorij, mijnheer. Heeft mijnheer daar iets te bestellen, of aan sir Arthur, want ik ga ook tegen den avond naar het kasteel van Knockwinnock?” [25]

Oldbuck ontwaakte als uit een droom, en zei, terwijl hij zijn aalmoes in Adams slappen, smerigen en gehavenden hoed legde, op een toon waarin hij zijn misnoegen trachtte te verbergen: „Ga, ga naar Monkbarns – laat men u daar iets te eten geven, – of wacht, – als gij naar de pastorij, of naar Knockwinnock gaat, behoeft gij niet te spreken van uw malle historie!”

„Hoe, ik? – God beware mij daarvoor, mijnheer! niemand zal daarvan iets uit mijn mond hooren, niet meer, dan of de kleine wal daar sedert Noachs zondvloed gestaan had. Maar, mijnheer, men zegt, dat gij aan Jan Howie akker tegen akker van uw best bouwland voor dit lapje heigrond gegeven hebt! Nu, als hij u wezenlijk het walletje voor een oud werk aangepraat heeft, dan geloof ik nooit, dat de koop gehandhaafd zal worden, als gij het voor den rechter wilt brengen, en zeggen dat hij u om den tuin geleid heeft.”

„Tergende schurk!” mompelde de verontwaardigde oudheidkenner in zich zelven, „ik wilde, dat ge onder beulshanden waart, dat uw rug er voor boette!” – en dan op zachteren toon, – „praat er niet meer van, Adam! – het is alles een misverstand!”

„Waarlijk, dat geloof ik ook,” vervolgde zijn plaaggeest, die vermaak scheen te scheppen om de smartelijke wonde meer en meer te vergrooten, „waarlijk, dat geloof ik ook, en niet lang geleden nog zei ik tegen de oude Gemmels: geloof nooit, vrouwtje, zei ik, dat Monkbarns zulk een domme streek zou begaan hebben, om een grond, die wel vijftig shillings den bunder waard is, voor iets te geven, dat geen halve shilling gelden zou. Neen, neen, zei ik, reken er op, dat de heer van Monkbarns gefopt is door dien schelm van een Jan Howie. „Maar, goede hemel, hoe kan dat wezen,” zei zij, „daar de heer van Monkbarns zoo geleerd in de boeken is, dat hij zijns gelijken niet in den omtrek heeft, en Jan Howie nauwelijks verstand genoeg heeft, om zijn koeien uit zijn moestuin te houden?” – Wel, zei ik, gij zult zien, dat hij misleid is door het een of ander van zijn oude vertelsels; – want gij weet wel, mijnheer, verleden nog met dat koperen Schotsche muntje, dat ge voor een ouden penning hieldt. –”

„Loop naar den duivel!” riep Oldbuck; maar voegde er toen, als iemand, die bewust is dat hij zich in de macht van zijn vijand bevindt, vriendelijk bij: „pak je weg naar Monkbarns; en als ik terug kom, zal ik u een flesch bier in de keuken zenden.”

„De Hemel beloone u, edele heer!” antwoordde Adam met de echte, nederige, klagende stem van een bedelaar, en terwijl hij zijn stok weder opnam, sloeg hij den weg in naar Monkbarns, maar zich omkeerende, zei hij: „Hebt gij ooit het geld weêrgekregen, dat gij den marskramer voor dat driestuiversstukje gaaft?”

„Verwenschte kerel! pak je weg!”

„Wel, wel, heer! God zegen ons! – Ik hoop, dat gij het ook van Jan Howie winnen zult, en dat ik het nog beleven en zien mag!” Met deze woorden verwijderde zich de oude bedelaar, den heer Oldbuck van herinneringen bevrijdende, die hem niets minder dan aangenaam waren.

„Wie is die praatzieke oude?” vroeg Lovel, zoodra de bedelaar hen niet meer hooren kon.

„O, een der plagen van het land. – Ik ben altijd tegen armgestichten en werkhuizen geweest; – ik geloof echter, dat ik er nu vóór zal stemmen, om dezen schurk opgesloten te krijgen. O, zulk een oude bedelaar leert u even goed kennen, als zijn tafel, – wordt zoo gemeenzaam als zeker beestje, [26]dat, volgens Shakespeare, liefde beteekent2, – waarmede zijn beroep hem wel eens in aanraking brengt. Wie hij is? – wel, hij is overal te huis; – hij is soldaat, liedjeszanger, en reizende ketellapper geweest, en nu is hij bedelaar. Ons dwaas volkje in de buurt bedierf hem, door om zijn grappen te lachen en steeds de kwinkslagen van Adam Ochiltree in den mond te hebben.”

„Hij is zonder twijfel zeer vrijmoedig, en dat is toch de ziel van de geestigheid.”

„O ja, vrijmoedig genoeg; hij bedenkt altijd de een of ander verwenschte, onwaarschijnlijke leugen, om iemand te sarren, zoo als die wartaal, welke hij zoo even uitsloeg; – niet, dat ik mijn verhandeling in het licht zal geven, eer ik de zaak grondig onderzocht heb.”

„In Engeland,” zei Lovel, „zou men zulk een bedelaar weldra den mond stoppen.”

„Ja, uw diakens en dienders met hun geesel, zouden weinig toegeeflijkheid voor zijn luimen toonen. Maar hier, waarachtig, is hij een soort van bevoorrechte kwelgeest; een der laatste staaltjes van den voormaligen Schotschen bedelaar, die zich tot een bepaalde streek beperkte, en de nieuwskramer, de liedjeszanger, en soms de geschiedkundige van het land was. Die schelm daar, kent meer oude balladen en overleveringen, dan eenig ander mensch in dit of de vier omliggende gemeenten. En, alles samengenomen,” vervolgde hij, bedarende, bij de opsomming van Adams goede eigenschappen, „de kerel heeft toch ook iets goeds. Hij droeg zijn hard lot steeds met frisschen moed, en het zou wreed zijn hem den troost te misgunnen van zich over zijn meer gelukkige medemenschen vroolijk te maken. Het genoegen om mij voor het lapje gehouden te hebben, zoo als gij jonge heeren het noemen zoudt, zal voor hem een paar dagen lang zoo goed als spijs en drank zijn. Maar ik moet terugkeeren, om hem op te zoeken, of hij zal zijn vervloekte praatjes het halve land door verspreiden.”

Met dit gezegde namen de twee vrienden afscheid van elkander; de heer Oldbuck ging naar zijn hospitium te Monkbarns, en Lovel vervolgde zijn weg naar Fairport, waar hij, zonder eenige verdere ontmoeting, aankwam.


1 Een Engelsch Tooneeldichter (geb. 1585, gest. 1615). Vert. 

2 Zie „Merry Wives of Windsor,” 1ste tooneel. 

[Inhoud]

Vijfde Hoofdstuk

Launcelot Gobbo. Geef acht! Nu zal ik een storm opwekken.

De koopman van Venetië.

De voorstellingen in den schouwburg te Fairport waren begonnen; maar er verscheen geen Lovel op het tooneel; ook was er eigenlijk niets in de kleeding of in het gedrag van den jongen heer van dien naam, dat den heer Oldbuck recht gaf te gissen, dat zijn reisgenoot als tooneelspeler om de volksgunst dingen wilde. De oudheidkenner ondervroeg geregeld een ouden barbier, die [27]de eenige pruiken, welke nog, in weêrwil van de belastingen1 en den heerschenden smaak, in het stadje gekruld en gepoederd werden, opmaakte, en tot dat einde zijn tijd tusschen de drie klanten verdeelde, die de mode hem overgelaten had; – geregeld, zeg ik, vroeg de heer Oldbuck dezen man, wat nieuws het tooneel van Fairport opleverde? dagelijks verwachtende, dat hij de aanstaande optreding van den heer Lovel vernemen zou, als wanneer hij besloten had, zich, ter eere van zijn jongen vriend, op onkosten te jagen, en niet alleen zelf naar den schouwburg te gaan, maar er zijn zuster en nicht ook heen te brengen. Doch de oude Jacob Caxon meldde hem niets, wat hem tot den gewichtigen stap van plaatsen te bespreken, kon verleiden.

Hij berichtte integendeel, dat er zich te Fairport een man ophield, die een raadsel was voor de gansche stad (waardoor hij de ledigloopers verstond, die, bij gebrek van eigen bezigheden, zich met die van anderen bemoeien). Hij zocht geen omgang, maar vermeed veeleer dien, welke hem, wegens zijn goede manieren, en wellicht ook uit nieuwsgierigheid, aangeboden werd.

Niets kon geregelder zijn, of geleek minder op een fortuinzoeker, dan zijn wijze van leven, die zoo eenvoudig, maar tevens zoo geregeld was, dat allen, met wie hij te doen had, hem als uit één mond prezen.

„Dit zijn geen deugden van een tooneelheld,” dacht Oldbuck bij zich zelven, en hoewel door gewoonte hardnekkig in zijn eenmaal opgevatte gevoelens, had hij ze nochtans in dit geval moeten laten varen, zoo niet Caxon, onder anderen gezegd had dat: „men soms den jongen heer in zijn eenzaamheid hardop hoorde spreken, en in zijn kamer rondstappen, juist alsof hij tot den troep behoorde.”

Deze éénige omstandigheid echter uitgezonderd, was er niets, dat den heer Oldbuck in zijn gevoelen bevestigen kon; en het bleef steeds een hoogstbelangrijke en raadselachtige vraag, wat een welopgevoed jonkman, zonder vrienden, zonder betrekkingen, en zonder eenige beroepsbezigheden, te Fairport te doen had. Hij scheen even weinig smaak te vinden in het drinken van Portwijn, als in het whist-spelen. Hij bedankte er voor, aan de tafel der afdeeling vrijwilligers, die onlangs opgericht was, te eten, en hij weigerde de feesten bij te wonen der beide partijen, die toen het stadje Fairport, gelijk andere meer voorname plaatsen, verdeelden. Hij was te weinig aristocraat, om zich bij het genootschap der Koninklijke Echtblauwen te voegen, en niet democraat genoeg, om zich met de vereeniging der zich noemende Vrienden van het Volk te verbroederen, die de stad insgelijks het geluk had in haar midden te bezitten. Van de koffijhuizen had hij een bepaalden afkeer, en, ik zeg het met leedwezen, voor de theegezelschappen gevoelde hij geen grootere sympathie. In het kort: sedert de naam van Lovel in romans en schouwspelen gebruikt werd, en dit is reeds lang, is er nooit een heer Lovel geweest, van wien men zoo weinig stelligs wist, en die zoo algemeen alleen door negatieve hoedanigheden uitmuntte.

Maar er was één zeer gewichtige negatieve hoedanigheid onder: niemand wist iets ten nadeele van den heer Lovel; want had er het minste bestaan, dan was het weldra ruchtbaar geworden, daar de natuurlijke zucht, om kwaad van zijn buren te spreken, in dit geval, niet zou gematigd zijn geworden door eenig medelijden met zulk een ongezellig schepsel als hij was. [28]Één omstandigheid maakte hem echter eenigzins verdacht. Bij zijn eenzame wandelingen werd zijn potlood veel gebruikt, en uit meer dan één gezichtspunt had hij de haven van Fairport met den seintoren, ja zelfs met de batterij van vier stukken er bij afgeteekend, wat van eenige kwaadwilligen het gerucht hadden doen uitgaan, dat de geheimzinnige vreemdeling zeker een Fransche spion was. De Sheriff maakte dus bij den heer Lovel zijn opwachting; maar na dit bezoek scheen deze alle vermoedens bij den overheidspersoon te hebben doen verdwijnen, daar deze hem niet alleen verder ongestoord liet, maar ook, zoo als geloofwaardige berichten meldden, tweemaal aan zijn tafel noodigde, waarvoor Lovel echter telkens beleefd bedankte. Den aard nochtans van het gehouden gesprek hield de magistraatspersoon geheim, zoowel voor het publiek in het algemeen, als voor zijn substituut, zijn klerk, zijn vrouw en zijn twee dochters, die anders zijn geheime raad uitmaakten in alle zaken, die tot zijn ambt behoorden.

Daar al deze bijzonderheden door Caxon getrouw aan zijn patroon overgebracht werden, rees Lovel in de achting van zijn voormaligen reisgenoot. „Een bescheiden, verstandig jongmensch,” zei hij bij zichzelven, „die het beneden zich acht in de dwaasheden en ongerijmdheden van het volkje van Fairport te deelen. Ik moet iets voor hem doen, – ik moet hem ten eten noodigen. – Ik zal Sir Arthur schrijven op Monkbarns te komen, om kennis met hem te maken; ik moet dit evenwel met mijn vrouwenvolk overleggen.”

Na gehouden raadsvergadering, werd er een bijzondere bode, namelijk niemand anders dan Caxon zelf besteld, om naar het Kasteel van Knockwinnock te gaan, met een brief „voor den Hoogwelgeboren Heer Arthur Wardour van Knockwinnock, Baronet.” De inhoud daarvan luidde aldus:

„Mijn waarde Sir Arthur!

„Dinsdag den 17den dezer, s. n. houd ik een Caenobitisch symposion op Monkbarns, en ik verzoek u, met klokslag van vier, daarbij tegenwoordig te wezen. Kan en wil mijn schoone vijandin, Freule Isabella, ons de eer aandoen van u te vergezellen, zoo zal mijn vrouwenvolk maar al te trotsch zijn op de hulp van zulk een bondgenoote in zaken van weêrstand tegen wettige tucht en rechtmatig oppergezag. Zoo niet, zend ik mijn vrouwen dien dag naar de pastorij. Ik heb een jongen vriend, dien ik u wenschte voor te stellen, wiens aard boven de lichtzinnigheid van dezen tijd verheven is, – die ouderen van dagen eerbiedigt, en tamelijk wel bekend is met de klassieke schrijvers. – En daar zulk een jongeling een natuurlijken afkeer van het volkje te Fairport hebben moet, wenschte ik hem in eenig niet minder verstandig dan vereerend gezelschap te brengen. Ik ben, waarde Sir Arthur; enz. enz. enz.”

„Haast u met dezen brief, Caxon!” zei de oude heer, terwijl hij hem het stuk signatum atque sigillatum voorhield; „spoed u naar Knockwinnock, en breng antwoord terug. Ga zoo snel, alsof de vergaderde Stads-Raad op den Provoost, en de Provoost op u en zijn versch gepoederde pruik zat te wachten.”

„Och, mijnheer,” antwoordde de bode, met een diepen zucht, „die tijden zijn lang voorbij. Geen Provoost van Fairport heeft een pruik gedragen na den tijd van den ouden Provoost Jervie, – en die had nog een heks van een meid, die de pruik opmaakte met behulp van een eindje kaars en wat meel. Maar mij heugen de dagen, Monkbarns, dat de Stedelijke-Raad van Fairport veel liever hun stadsschrijver, of hun slokje brandewijn na de [29]zittingen zou gemist hebben, dan elk hunner een bepoederde, goed gekrulde eerbiedwaardige pruik op zijn hoofd! Och, mijnheer, geen wonder, dat de gemeente ontevreden is en zich tegen de wet verzet, als men de Raadslieden de Baljuwen, de Dekens en de Rechters zelven, met hoofden ziet, zoo naakt en kaal als mijn pruikebol.”

„En van binnen even goed voorzien, Caxon! Maar pak je weg; – gij doorziet de openbare aangelegenheden zeer goed, en hebt zeker de oorzaak van onze volksonlusten even juist gevat als de Provoost zelf het zou kunnen doen. Maar pak je nu weg, Caxon!”

En Caxon vertrok, en begon zijn tocht van ongeveer een uur gaans.

„Hij hompelde – maar ’t hart was koen:

Hij deed zijn best, – kon hij meer doen?”

Terwijl hij den heen- en terugtocht aflegt, zal het niet ongepast zijn, dat wij den lezer eenigzins bekend maken met den voornamen heer, bij wien hij als afgezant geaccrediteerd was.

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot, maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke veelbeteekenende gebaren uitpersen,2 of behendiger een gevaarlijken toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte, dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II, meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad [30]van hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de onbeëedigde3 huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden, zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en toegenegen onderdaan van George III betoonde.

In andere opzichten leefde Sir Arthur, zoo als de meeste landedellieden in Schotland; – hij jaagde en vischte, – gaf en bezocht maaltijden, – woonde wedrennen en kiesverzamelingen bij, – was vice-gouverneur van de graafschap en koninklijke commissaris voor de straatwegen. Maar toen hij, bij toenemende jaren, te traag of te onbehendig werd voor de jacht en andere dergelijke vermaken, verving hij die door nu en dan in de Schotsche geschiedenis te lezen, en na langzamerhand eenigen smaak voor oudheden verkregen te hebben, die echter niet zeer gevormd, noch zeer fijn was, werd hij gemeenzaam met den heer Oldbuck van Monkbarns, en diens medehelper in zijn oudheidkundige navorschingen.

Er bestonden nochtans tusschen deze twee zonderlingen eenige punten van verschil die soms aanleiding gaven tot oneenigheden. Het geloof van Sir Arthur, als oudheidkundige, was onbegrensd, terwijl de heer Oldbuck (in weêrwil van het geval het Praetorium in het kamp van Kinprunes), veel huiveriger was om oude overleveringen voor echte, gangbare munt aan te nemen. Sir Arthur zou zich schuldig gevoeld hebben aan de misdaad van hoogverraad, als hij het bestaan wezenlijk betwijfeld had van één der honderd en vier koningen van Schotland, wier beeltenissen noch steeds in de galerij van Holyrood grimmig van de muren staren en welke de geduchte lijst vullen, (door Boethius aangenomen en door Buchanan klassiek gemaakt,) waarop Jacobus VI de aanspraak grondde, om over zijn aloud koningrijk te heerschen. Oldbuck echter, een slim en achterdochtig man, en geenzins een eerbiediger van het goddelijke erfrecht, was geneigd om op die gewijde lijst te vitten, en te verzekeren, dat de optocht van het nageslacht van Fergus in de Schotsche geschiedrol [31]even onecht en verdicht was, als de reeks van Banquo’s nakomelingen, die in den heksenspelonk, in Macbeth optreden.

Een ander teeder punt was de goede naam van Maria Stuart welken de baronet op het ridderlijkst handhaafde, terwijl de heer Oldbuck dien, in weêrwil van Maria’s schoonheid en wederwaardigheden, hevig bestreed. En kwamen ze ongelukkig op de gebeurtenissen van nog latere tijden, dan leverde bijna elk blad der geschiedenis stof op tot oneenigheid. Oldbuck was, uit grondbeginsel, een echte Presbyteriaan, een ouderling van de kerk, de beginselen der omwenteling en der protestantsche erfopvolging genegen; Sir Arthur, daarentegen, juist het tegenovergestelde. Zij stemden, wel is waar, overeen, in plichtmatige liefde en trouw voor den souverein, die nu den troon bekleedde; maar dit was ook het eenige punt van overeenstemming. Er ontstond dus dikwijls een woordenstrijd tusschen de heeren, en dan kon Oldbuck niet altijd zijn scherpen, spotachtigen luim bedwingen; terwijl het den baronet soms toescheen, dat de afstammeling van een Duitschen boekdrukker, wiens voorouders verachtelijken omgang met geringe burgers hadden, te ver ging, en zich te veel vrijheid in het redetwisten veroorloofde tegenover iemand van zijn rang en van zijne afkomst. Dit en de vroeger gepleegde vijandelijkheden met de koetspaarden, en het gewelddadig innemen van zijne residentie en burg, door den vader van den heer Oldbuck kwamen wel eens bij hem op, en deden ter zelfder tijd zijne wangen en sluitredenen gloeien. De heer Oldbuck eindelijk, beschouwde zijn waardigen vriend en makker, in sommige opzichten, als niet veel beter dan een dwaas, en gaf hem deze ongunstige gedachte wel eens duidelijker te kennen, dan de regels der hedendaagsche beleefdheid gedoogen. Bij zulke gelegenheden, scheidden zij dikwijls hevig verbitterd, en met het besluit, om voortaan elkanders omgang te mijden:

„Maar de morgendauw bracht kalmte in de ziel;”

en daar beiden gevoelden, dat het gezelschap van den andere, door gewoonte hem onmisbaar was geworden, herstelde zich de vrede weldra. In zulke gevallen toonde Oldbuck, die de ontevredenheid van den Baronet even als het pruttelen van een kind opnam, gewoonlijk zijn meerder gezond verstand, en deed mededoogend de eerste stappen ter verzoening. Maar een paar maal was het gebeurd, dat de aristocratische trots van den oudadellijken ridder het eergevoel van des boekdrukkers naneef diep beleedigd had; en toen zou misschien de vredebreuk tusschen deze twee zonderlingen onherstelbaar geworden zijn, zonder de vriendelijke pogingen en de tusschenkomst van des Baronets dochter, Isabella Wardour, die, benevens een zoon, thans buitenslands in krijgsdienst, de eenige overblijvende spruiten van zijn geslacht waren. Zij wist zeer goed, hoe onmisbaar de heer Oldbuck voor haren vader was, en zelden mislukten hare pogingen, als hare tusschenkomst noodzakelijk geworden was door de spottende schalkachtigheid van den een, en de aangematigde meerderheid van den andere. Onder Isabella’s zachten invloed, werd het onrecht Koningin Maria aangedaan, door haren vader vergeten, en de heer Oldbuck vergat de lastertaal, die de nagedachtenis van Koning Willem beleedigde. Maar daar zij bij dergelijke geschillen steeds lachende de partij van haren vader nam, placht de heer Oldbuck Isabella zijne „schoone vijandin” te noemen; ofschoon hij inderdaad meer werk van haar maakte, dan van iemand anders van hare sekse, die, zoo als wij zagen, hij niet uitermate vereerde. [32]

Nog eene andere betrekking vereenigde en verwijderde beurtelings de vrienden. Sir Arthur wenschte altijd geld op te nemen; de heer Oldbuck was niet altijd geneigd te leen te geven. De heer Oldbuck, daarentegen, wenschte steeds geregeld betaald te worden; Sir Arthur was niet altijd, en zelfs niet dikwijls, in staat, om aan dit rechtmatig verlangen te voldoen; en bij het regelen van zulke verschillende belangen, ontstonden er nu en dan kleine twisten. Over het geheel nochtans, heerschte er tusschen hen een geest van onderlinge verdraagzaamheid, en zij gingen hun weg, even als gekoppelde honden, eenigzins lastig, soms knorrende, maar zonder tot een bepaalden stilstand te komen, of elkander te worgen.

Een klein misverstand van dezen aard, aan geldzaken of staatkundige twisten toe te schrijven, had juist tusschen de geslachten van Knockwinnock en Monkbarns plaats gehad, toen de bode van den laatstgemelde aankwam, om zijn last op Knockwinnock te volbrengen. Hier, in zijne oude Gothische huiskamer, welker vensters aan den eenen kant op den golvenden oceaan, en aan den anderen op de lange, rechte laan van het kasteel uitzagen, zat de Baronet, nu eens in een foliant te bladeren, en dan eens droevig de zonnestralen waar te nemen, schitterende op het loof en de stammen der breedgetakte lindebomen, waarmede de weg bepoot was; toen hij eindelijk, tot zijne vreugde, een levend wezen ontdekte, dat tot de gewone vragen noopte „Wie is dat? en wat mag hij te doen hebben?” – De oude, witachtig grijze rok, de strompelende gang, de half in de oogen gedrukte schuinstaande hoed, kondigden den eenigen pruikmaker aan, en liet slechts de tweede vraag ter beantwoording over. Deze werd dan ook weldra opgelost door een knecht, die de kamer binnentrad met de woorden: „Een brief van Monkbarns, mijnheer!”

Sir Arthur nam den brief met gemaakte deftigheid aan.

„Breng den ouden man in de keuken en geef hem eenige verfrissching,” zei Isabella, wier deelnemend oog reeds het grijze haar en den vermoeiden gang opgemerkt had.

„De heer Oldbuck, mijne lieve, verzoekt ons te eten, op Dinsdag den 17den,” zei de Baronet na een kort stilzwijgen; – „waarlijk! hij schijnt te vergeten, dat hij zich laatst niet zoo beleefd jegens mij gedragen heeft, als men wel zou hebben mogen verwachten.”

„Gij hebt, lieve vader,” antwoordde zijne dochter, „zoo veel vooruit op den goeden heer Oldbuck, dat het niet te verwonderen is, zoo het hem tusschenbeiden eenigzins verdrietig maakt; maar ik weet, dat hij uw persoon en uw omgang zeer hoog schat; niets zou hem meer grieven, dan wanneer hij in wezenlijke beleefdheid ten uwen opzichte te kort schoot.”

„Dat is waar, Isabella, en men moet toegeeflijk zijn wegens zijne afkomst. Er stroomt nog steeds in zijn bloed iets van de Duitsche lompheid; iets van van de Whigsche, stijfhoofdige tegenkanting tegen erfelijken stand en voorrechten. Gij zult opgemerkt hebben, dat hij, in onze twisten, nooit eenig voordeel op mij behaalt, dan wanneer hij zich bedient van zijne nietsbeduidende kennis van dagteekeningen, namen en beuzelachtige daadzaken; een vervelend, ijdel, kleingeestig en werktuigelijk geheugenwerk, enkel de vrucht van zijne gemeene afkomst!”

„Hij moet ze toch zeker nuttig vinden in zijne historische navorschingen, vader!”

„Het brengt hem tot eene onbeleefde en beslissende wijze van redetwisten, en niets komt mij onredelijker voor, dan hem zelfs Bellenden’s kostelijke overzetting van Hector Boecius, die ik bezit, – een foliant met Gothische [33]letter van zeer groote waarde, te hooren afkeuren, op het gezag van een oud perkament, dat hij onttrok aan zijne bestemming, toen het tot een kleêrmakers maat stukgesneden zou worden. En, buitendien, die lastige nauwkeurigheid in kleinigheden geeft hem de gewoonte, om alle zaken op zijn koopmans te behandelen, wat beneden de waardigheid is van een landeigenaar, wiens familie reeds sedert twee of drie geslachten hier gevestigd is. – Ik twijfel zeer, of er wel één winkelier te Fairport is, die beter eene interestrekening kan opmaken, dan Monkbarns.”

„Maar gij zult zijne uitnoodiging toch aannemen, vader?”

„Wel ja – ja! wij hebben toch nergens anders ons woord gegeven, voor zoo ver ik weet. Maar wie kan die jonkman zijn, van wien hij spreekt? Hij maakt zelden nieuwe kennissen: en ik hoorde nooit, dat hij eenige bloedverwanten had.”

„Waarschijnlijk een naastbestaande van zijn zwager, kapitein Mac Intyre.”

„Zeer mogelijk! Ja, wij zullen de uitnoodiging aannemen; de Mac Intyres zijn van een zeer oud Hooglandsch geslacht. Gij kunt de uitnoodiging aannemen, Isabella! Ik zelf heb geen tijd, om „waarde vriend enz.” te schrijven.”

Deze gewichtige zaak dus geregeld zijnde, berichtte Freule Wardour, met hare eigene en Sir Arthurs groeten, dat zij de eer zouden hebben den heer Oldbuck volgens zijne uitnoodiging te bezoeken. Zij voegde er schertsende, bij, dat zij zich van deze gelegenheid zou bedienen, om hare vijandelijkheden met den heer Oldbuck te hervatten, uithoofde zijner lange afwezigheid van Knockwinnock, waar zijne bezoeken zoo aangenaam waren. Met dit placebo besloot zij haar briefje, en de oude Caxon, thans uitgerust en verkwikt, begon daarmede zijn terugtocht naar het Hospitium van den oudheidkenner.


1 Onder de meest impopulaire belastingen van dien tijd in Engeland, was die op het haarpoeder. M. P. L. 

2 Een wijze van hun afkeer voor de dynastie van Oranje uit te drukken, welke de aanhangers der Stuarts bij alle gelegenheden zochten aan den dag te leggen. M. P. L. 

3 De Jacobieten, of aanhangers van den in 1688 verdreven Koning Jacob III, weigerden den eed aan de nieuwe Koningen, en zonderden zich af, ten einde niet voor hen te bidden, tot aan den dood van den laatsten Pretendent in 1788. 

[Inhoud]

Zesde Hoofdstuk

Bij Wodan, bij der Saksen God,

Van waar de Woensdag komt, – dat is de Wodansdag, –

Trouw is een deugd, die ’k altijd aan zal kleven

Tot aan den laatsten dag, dat ik ten grave daal! –

Cartwright.

Onze jonge vriend Lovel, die eene dergelijke uitnoodiging ontvangen had, nam het bepaalde uur nauwkeurig in acht en kwam den 17den Juli ongeveer vijf minuten voor vier, te Monkbarns aan. Het was zeer zoel in de lucht, en van tijd tot tijd waren er groote regendruppels gevallen, ofschoon het dreigende onweder thans overgetrokken was.

De heer Oldbuck ontving hem bij de Palmerspoort, in zijne bruin lakensche kleeding, grijze zijden kousen, en eene gepoederde pruik, waaraan de oude Caxon, die het middagmaal geroken had, al zijne behendigheid had besteed, terwijl hij wel zorg gedragen had om zijne taak niet te voleindigen, eer het etensuur gekomen was. [34]

„Welkom in mijn huis, mijnheer Lovel! Laat ik u nu mijne Clogdogdo’s, zoo als Thomas Otter haar noemt, mijn ongelukkig en tot niets nuttig vrouwvolkje voorstellen, – maliae bestiae, mijnheer Lovel!”

„Ik zal zeer teleurgesteld zijn, mijnheer, als ik niet bevind, dat de dames uwe spotredenen niet verdienen.”

„Praatjes, mijnheer Lovel, praatjes zeg ik; geene beleefdheden! Gij zult haar slechts zeer alledaagsche vrouwen vinden. – Maar hier zijn zij, mijnheer Lovel! Ik stel u dus, in behoorlijken vorm, mijne zeer bescheidene zuster Grizelda voor, die de eenvoudigheid zoowel als het geduld versmaadt, welke deugden anders met den goeden naam van Grizelda gepaard gaan; en mijne zeer voortreffelijke nicht Maria, – wier moeder Mary, soms ook Molly genaamd werd.”

De oudste dame ruischte in zijden en satijnen stoffen, en droeg op het hoofd een maaksel, naar het fatsoen van het modejournaal van het jaar 1770, – een prachtstuk der bouwkunst, – niet veel kleiner dan een hedendaagsch Gothisch kasteel, terwijl de haarlokken de torens, de zwarte haarspelden de Chevaux de Frise, en de strooken de banieren voorstellen konden. Haar gezicht, even als dat van de oude Vestabeelden met torens bekroond, was breed en lang, met spitsen neus en kin, en geleek overigens zoo sterk op de gelaatstrekken van den heer Jonathan Oldbuck, dat Lovel, als zij niet even als Sebastiaan en Viola, in het laatste tooneel van Shakespeare’s „Twelfth Night” beide te gelijk verschenen waren, wellicht de gedaante, die hij zag voor zijn vriend in vrouwenkleederen zou gehouden hebben. Een ouderwetsch gebloemd zijden kleedje versierde de gestalte van het zonderling wezen, dat den hoofdtooi droeg, die, naar het gevoelen van haren broeder, eerder geschikt was tot tulband voor een Mahomedaan, dan om door een redelijk schepsel, of eene fatsoenlijke Christenvrouw gedragen te worden. Twee lange, schrale armen waren op de hoogte der ellebogen door driedubbele kanten randen omgeven, en geleken, kruislings over elkander geslagen, en met lange schitterend vermiljoenkleurige handschoenen uitgedost, eenigzins op een paar zeekreeften. Schoenen met hooge hakken, en een kort zijden manteltje, losjes, over hare schouders geslagen, voltooiden het uiterlijk van mejufvrouw Grizelda Oldbuck.

Hare nicht, dezelfde die Lovel bij zijn eerste bezoek in het voorbijgaan, gezien had, was een mooi jong meisje, bevallig naar den smaak van den dag gekleed; zij had iets schalkachtigs in den blik, dat haar zeer goed stond, en misschien zijn oorsprong ontleende aan de spotachtige luim, die het geslacht van haren oom bijzonder eigen, maar bij overgang, in haar getemperd was.

De heer Lovel maakte zijn compliment bij de dames, en werd door de oudste beantwoord met de langdradige en statige hoffelijkheid van het jaar 1760, het rechtschapen tijdperk,

„Toen ’t volkje een half uur lang

Met bidden zich verheugde,

Eer de vrijdagsche kapoen

Vermeerderde ieders vreugde,”

door de jongste met eene buiging naar den nieuwen smaak, die, zoo tafelgebed der hedendaagsche geestelijken, veel korter duurde.

Onder dit weêrkeerig groeten, verscheen de Baronet, die zijn rijtuig weggezonden [35]had, met zijne schoone dochter onder den arm, aan de tuinpoort, en begroette de dames plechtig.

„Sir Arthur;” riep de oudheidkenner, „en gij mijne schoone vijandin, vergunt mij, dat ik u bekend make met mijn jongen vriend, den heer Lovel, een jongen heer, die bij de besmettelijke scharlakenkoorts, welke thans in ons eiland heerscht, den moed en de bescheidenheid heeft, om in een rok van deftige kleur te verschijnen. Maar de modeverw, die gij in de kleeding mist, ziet gij daarentegen op zijne wangen. Sir Arthur, vergun mij, dat ik u een jongen heer voorstelle, dien gij, bij nadere kennismaking, zult bevinden ernstig, verstandig, beleefd te zijn; een vriend der geleerdheid, zeer fatsoenlijk, door en door belezen, grondig bekend met al de verborgene geheimen der coulisses en van het tooneel, van David Lindsay’s tijden af, tot die van Dibdin; – hij bloost op nieuw, wat mijn gezegde staaft!”

„Mijn broeder,” zeide mejufvrouw Grizelda, zich tot den heer Lovel wendende, „heeft eene luimige wijze van zich uit te drukken, mijnheer! niemand gelooft iets van hetgeen Monkbarns zegt; – dus bid ik u, niet verlegen te wezen over zijne ongerijmdheden. Maar gij zult het zeer warm gehad hebben bij deze brandende zonnehitte, – zult gij niets gebruiken? – een enkel glaasje bessenwijn?”

Nog eer Lovel antwoorden kon, kwam de oudheidkenner tusschenbeide: „Pak u weg, heks! wilt gij mijne gasten vergeven met uwe helsche kooksels? Herinnert gij u niet, hoe het dien geestelijke ging, dien gij verleidde om dezen bedriegelijken drank te proeven?”

„O foei, foei, broeder! – Sir Arthur, hebt gij ooit iets dergelijks gehoord? – Alles moet naar zijn zin gaan, of hij bedenkt zulke histories! – Maar daar begint Jenny aan de oude klok te trekken, om ons te waarschuwen, dat het eten op tafel is.”

De heer Oldbuck, die zeer zuinig in zijne huishouding was, had geene mannelijke dienstboden. Dit verontschuldigde hij onder het voorwendsel, dat het mannelijke geslacht te edel was, om gebezigd te worden tot dergelijke werken van persoonlijke dienstbaarheid. „Waarom,” zeide hij gewoonlijk, „plunderde de jonge Thomas Rintherout, – dien ik, op den wijzen raad van mijne zuster, even wijs als zij zelve, op de proef nam, – waarom plunderde hij de appelboomen, en waarom haalde hij vogelnesten uit, brak hij glazen, en stal hij eindelijk mijn bril, dan omdat hij de edele eerzucht gevoelde, die in ’t hart van het mannelijk geslacht gloeit, – die hem, het geweer op schouder, naar Vlaanderen deed trekken, en buiten twijfel hem tot den roemrijken hellebaard van den sergeant, of wel aan de galg zal brengen? En waarom verricht die deerne, zijne eigene zuster, hetzelfde werk met behoedzamen en bedaarden tred, – geschoeid of barrevoets, – zacht als de stappen van eene kat, en daarbij volgzaam als een jachthond; – waarom? Alleen omdat zij hare bestemming volgt. Dat zij ons dan bediene, Sir Arthur! – Laat de vrouwen dienen, zeg ik; – het is het eenigste, waartoe zij geschikt zijn. Alle oude wetgevers, van Lycurgus af tot Mohammed, bij verbastering Mahomet genoemd, komen overeen, om haar in dien eigenaardigen en ondergeschikten rang te plaatsen, en het zijn slechts de verwarde hersens onzer ridderlijke voorvaderen geweest, die hunne Dulcinea’s tot den rang van despotieke meesteressen verhieven.”

Freule Wardour verzette zich luide tegen deze onhoffelijke leer; maar nu riep de klok tot den maaltijd.

„Laat mij al de plichten der hoffelijkheid vervullen jegens zulk eene schoone [36]tegenpartij,” zei de oude heer, haar den arm aanbiedende. „Ik herinner mij, Freule Wardour, dat Mohammed (gemeenlijk Mahomet) eenigzins aarzelde omtrent de wijze, om zijne volgelingen tot het gebed op te roepen. Hij verwierp de klokken, omdat de Christenen er zich van bedienden, de trompetten, als het sein gevende aan de Perzische Guebres, en bepaalde zich eindelijk tot de menschelijke stem. Ik heb eveneens rijp nagedacht over mijne oproeping ter maaltijd. De horens, nu werkelijk in gebruik, schenen mij eene nieuwigheid en van heidensche uitvinding, en de stem van het vrouwvolkje verwierp ik, als te scherp en wanluidend; ik heb mij dus, in tegenoverstelling van gezegden Mohammed, of Mahomet, weêr tot de klok bepaald. Zij is plaatselijk eigenaardig, daar zij het kloosterteeken gaf te dekken in de spijskamer, en zij heeft dit vooruit boven de tong van den eersten minister mijner zuster, Jenny, dat het gelui, ofschoon minder schel en scherp, ophoudt, zoodra men het touw loslaat; terwijl wij bij droevige ondervinding weten, dat elke poging, om Jenny te doen zwijgen, slechts het overeenstemmend klokkenspel van Mejufvrouw Oldbuck en van Mary Mac Intyre in beweging brengt, om zich daarmede te vereenigen.”

Met deze woorden geleidde hij het gezelschap in de eetkamer, welke Lovel nog niet gezien had. Ze was met hout beschoten, en versierd door eenige zeldzame schilderijen. De tafel werd door Jenny bediend; maar eene oude huishoudster, eene soort van hofmeesteres, stond aan de schenktafel, en moest menige scherpe berisping van den heer Oldbuck, en niet minder bijtende woorden van zijne zuster verduren.

Het middagmaal was zoo als het een oudheidkenner van beroep voegde, en leverde menig hartelijk gerecht der oude Schotsche tafel op, dat thans in onbruik is bij diegenen, die op grootere weelde aanspraak maken. Men vond er de smakelijke Solangans, zoo sterkriekend, dat men die nimmer binnenshuis toebereidt. Deze werd niet eens half gaar op tafel gezet, zoodat Oldbuck dreigde, den vetten vogel naar het hoofd der nalatige huishoudster te werpen, die als bedienende priesteres optrad, om het geurige offer aan te bieden. Maar, gelukkig was de hutspot beter uitgevallen, en werd eenparig voor overheerlijk verklaard. „Hierin,” zeide Oldbuck verrukt, „wist ik, dat wij slagen zouden; want David Dibble, de tuinman (een oude vrijer even als ik), draagt zorg, dat de schelmsche vrouwen onze groenten in eer houden. En hier is visch en saus, en groenten; ik beken, dat ons vrouwvolkje in dien schotel uitmunt. Die geeft haar het vermaak van tweemaal ’s weeks een half uur lang met Maggie Mucklebackit, ons vischwijf, te kijven. – De kippenpastei, mijnheer Lovel, is naar een recept vervaardigd, dat mijne overleden grootmoeder mij naliet. – En als gij het wagen wilt, een glas wijn te nemen, zult gij dien den man waardig vinden, die den stelregel van Koning Alfonso van Kastilië naleeft: „oud hout om te branden, – oude boeken om te lezen, – oude wijn om te drinken, – en oude vrienden, Sir Arthur, – (Ei ja, mijnheer Lovel; en jonge vrienden er bij,) om meê te verkeeren!””

„En wat nieuws brengt gij mede uit Edinburg, Monkbarns?” zeide Sir Arthur, „hoe maken het de menschen in de oude stad?”

„Zij zijn dol, Sir Arthur, dol, – onherstelbaar waanzinnig; – noch zeebaden, noch kruinscheren, noch nieskruid zou hen helpen. De ergste soort van waanzin, een krijgszuchtige waanzin heeft mannen, vrouwen en kinderen aangetast.”

„En te rechter tijd, dunkt me,” zeide Isabella Wardour, „daar wij met inval van buiten en opstand van binnen bedreigd worden.” [37]

„O, daar twijfelde ik niet aan, dat gij u met de roodrokken tegen mij vereenigen zoudt. Vrouwen en kalkoenen laten zich altijd door een rood lapje vangen! – Maar wat zegt Sir Arthur, die van staande legers en Duitsche onderdrukking droomt?”

„Wel, ik zeg, mijnheer Oldbuck, dat, voor zoo ver ik in staat ben er over te oordeelen, wij ons verzetten moeten cum toto corpore regni, – zoo als het heet, als ik niet al mijn Latijn vergeten heb, – tegen een vijand, die ons eene soort van Whig-bestuur, een republikeinsch stelsel wil opdringen, en die geholpen en aangezet wordt door dweepers van den ergsten aard in ons eigen vaderland. Ik heb eenige maatregelen genomen, dat beloof ik u, zoo als die aan mijn rang in de maatschappij voegen; ik heb de dienders bevolen, den schelmschen ouden bedelaar, Adam Ochiltree aan te houden, omdat hij door de geheele gemeente misnoegen tegen kerk en staat verspreidt. Hij zeide ronduit tegen den ouden Caxon, dat de Schotsche pet van William Howie meer gezond verstand bedekte, dan de drie pruiken in de plaats, bij elkander! – Die toespeling is gemakkelijk te begrijpen! – Maar men zal den schelm betere manieren leeren.”

„O neen, lieve vader!” riep Isabella, „niet den ouden Adam, dien wij zoo lang gekend hebben! – Ik verzeker u, dat ik het den diender nooit vergeven zal, die zulk een bevel uitvoert.”

„Ei! daar hebt gij ’t,” zei de oudheidkenner: „gij, Sir Arthur, een onverzettelijke Tory, hebt eene fraaie spruit der Whigs in uw boezem opgekweekt. – Wel uwe dochter is alleen in staat, om eene geheele rechtbank werk te geven! Ja, zij is eene Boadicea, – eene Amazone – eene Zenobia!”

„En toch, met al mijn moed, mijnheer Oldbuck, ben ik blijde te vernemen, dat het volk naar de wapens grijpt.”

„Naar de wapens – de Heere zij u genadig! Hebt gij nooit de geschiedenis van zuster Margaretha gelezen, die uit een hoofd voortvloeide, dat ofschoon nu oud en grijs, meer gezond verstand en wereldkennis bevat, dan men heden ten dage in eene geheele Synode aantreft? Heugt u, uit dat uitnemend werk, de droom der min, dien zij met zulken doodsangst aan Hubble-Bubble verhaalt? – Wanneer zij in den droom een stuk linnen aanraakte, goede God! dan gaf het een slag als een kanonschot. Wanneer zij de hand aan den haspel bracht, richtte die zich tegen haar op in de gedaante van een pistool. Het ging mij te Edinburg, ten naasten bij, even zoo. – Ik liet mij bij een rechtsgeleerde aanmelden; ik vond hem in dragonders uniform, met helm en sabel, gelaarsd en gespoord, op het punt van zijn strijdros te bestijgen, dat zijn klerk (als scherpschutter gekleed) heen en weêr leidde voor de huisdeur. – Ik ging naar mijn zaakwaarnemer om hem te vragen, waarom hij mij bij een waanzinnigen rechtsgeleerde om raad gezonden had; hij had de veder, die in stillere dagen tusschen zijne vingers speelde, op den hoed gestoken en vertoonde zich als artillerie-officier. – Mijn lakenkooper stond met de piek in de hand, als moest ze hem tot el dienen. De bankiersklerk, die mij een wissel uitbetalen moest, telde het geld tot driemaal toe verkeerd, daar hij slechts om de tempo’s-tellingen van de morgenexercitie dacht. Ik werd ziek, en zond om een heelmeester:

„Hij kwam, – maar was omgord met een zoo groot rapier,

Hij zag zoo barsch, en had een’ blik zoo grimmig fier,

Dat ik den wondarts gansch vergat,

En nedrig om mijn leven bad!”

[38]

„Ik nam mijne toevlugt tot den geneesheer; maar ook deze scheen eene grootscher manier van doodslaan te willen uitoefenen, dan die waartoe zijn eigenlijk beroep hem den weg opende. En nu, sedert ik terug ben, zijn onze wijze buren te Fairport even dapper geworden. Ik haat een snaphaan, even als een aangeschoten eendvogel, en de trom als een Kwaker; – en ze donderen en ratelen ginds op de gemeenteheide, dat mij ieder schot en elke roffel aan het hart gaan.”

„Lieve broeder, spreek toch zoo niet van de heeren vrijwilligers! – De uniform, die zij dragen, staat hun zeer goed. Ik wil wedden, dat zij verleden week tweemaal tot op het lijf toe nat zijn geweest; – ik zag hen binnentrekken onder een verschrikkelijken stortregen, en er waren er onder, die een leelijken hoest hadden. – En de moeite, die zij zich geven, eischt onze dankbaarheid.”

„En ik weet zeker,” zeide Mary, „dat mijn oom twintig guinjes zond, om hen te helpen uitrusten.”

„Dat was om drop en kandijsuiker te koopen,” antwoordde de Cynicus, „om den handel van Fairport te bevorderen, en om de keelen der officieren te verfrisschen, die zich schor geschreeuwd hadden in den dienst van het vaderland.”

„Pas op, Monkbarns!” viel de Baronet hem in de rede, „dat wij u niet onder de verdachten plaatsen.”

„Neen, Sir Arthur, ik doe niets dan knorren. Ik eisch alleen het recht om hier in mijn eigen hoek te kwaken, zonder mijne stem te voegen bij het groote koor der broeders in het moeras. – Ni quito Rey, ni pongo Rey. – „Ik maak, noch benadeel Koningen,” zoo als Sancho zegt, maar bid hartelijk voor onzen Souverein, betaal mijne belastingen, en knor op de commiezen. – Maar de schapenkaas komt daar juist van pas; ze is beter voor de spijsvertering, dan de staatkunde.”

Toen het eten gedaan was en de wijnflesschen op tafel geplaatst waren, stelde de heer Oldbuck voor een beker op het welzijn van den Koning te ledigen, wat èn Lovel èn de Baronet gaarne deden, – daar de oppositie van den laatste nog slechts in zijne verbeelding bestond, – en inderdaad niets meer was, dan de schim van eene schim.

Nadat de dames zich verwijderd hadden, traden de gastheer en Sir Arthur in onderscheidene hevige discussiën, – navorschingen, waaraan de jongere gast, het zij om de diepe geleerdheid, die ze vereischten, of om eenige andere reden, slechts zeer weinig deel nam, zoodat hij ten laatste als uit een diepen droom plotseling opgewekt werd door een onverwacht beroep op zijn oordeel.

„Ik laat het aan de beslissing van den heer Lovel over; hij werd in het noorden van Engeland geboren, en kent wellicht de plaats zelve.”

Sir Arthur geloofde niet, dat zulk een jong heer zich veel met dergelijke dingen zou hebben bemoeid.

„Ik ben van het tegendeel overtuigd,” zeide Oldbuck. – „Wat zegt gij er van, mijnheer Lovel? Spreek op, man, voor uw eigene eer!”

Lovel was in het moeielijk geval van te moeten bekennen, dat hij volstrekt niet wist, over welk onderwerp het gesprek en verschil liep, dat de heeren reeds een uur bezig gehouden had.

„God help den jongen! Hij heeft het hoofd vol muizennesten! – Hoe zou het ook anders kunnen zijn, als het vrouwvolkje toegelaten wordt? – Het duurt wel zes uren lang eer een jongen in staat is een verstandig woord te spreken! Wel man! er was eens een volk, genaamd de Piks –” [39]

„Juister Picten,” viel de Baronet in.

„Ik zeg de Pikar, Pihar, Piochtar, Piaghter of Peugtar,” schreeuwde Oldbuck; „zij gebruikten een Gothischen tongval.”

„Echt Celtisch,” hervatte de Baronet.

„Gothisch! Gothisch! daar wil ik op sterven!” hield Monkbarns vol.

„Ik begrijp, mijne heeren,” zei Lovel, „dat dit verschil gemakkelijk door de taalkenners te beslissen is, als er maar eenige sporen van die taal over zijn.”

„Er is slechts één woord overgebleven,” zei de Baronet; „dat echter, in weêrwil van de stijfhoofdigheid van den heer Oldbuck, het geschil beslist.”

„Ja, in mijn voordeel!” riep Oldbuck; „gij, mijnheer Lovel, zult uitspraak doen. – Ik heb den geleerden Pinkerton op mijne zijde!”

„Ik, den onvermoeiden en geleerden Chalmers, op de mijne.”

„Gordon kleeft mijn gevoelen aan!”

„Sir Robert Sibbald het mijne!”

„Innes is met mij!” schreeuwde Oldbuck.

„Ritson voelt geen twijfel!” juichte de Baronet.

„Inderdaad, mijne heeren, eer gij uwe krachten monstert, en mij met aanhalingen overlaadt, wenschte ik het betwistte woord te kennen.”

Benval,” luidde het ter zelfder tijd uit beider mond.

„Dat heet caput valli,” zei de Baronet.

„De kruin van den wal,” vertolkte Monkbarns.

Nu zweeg men stil. –

„Het is voorwaar een kleine grondslag, om er een stelsel op te bouwen!” merkte de scheidsman aan.

„Volstrekt niet,” zeide Oldbuck; „men vecht het best in een nauw strijdperk; – een van een duim breed is zoo goed als een van eene mijl, om een gezonden steek in toe te brengen!”

„Het is stellig Celtisch,” zei de Baronet; „de namen van alle heuvels in de Hooglanden beginnen met Ben.”

„Maar wat zegt gij van Val, Sir Arthur? is dat niet stellig het Saksische Wall?

„Het is het Romeinsche Vallum,” antwoordde Sir Arthur; „de Picten namen dat gedeelte van het woord over!”

„Neen, waarachtig niet! Als zij iets overnamen, moet het uw Ben geweest zijn, dat zij van hunne buren, de Britten van Strath-Cluyd, kunnen overgenomen hebben.”

„De Piks, of Picten,” zeide Lovel, „moeten eene zeer armoedige taal gehad hebben, daar er slechts één woord, van niet meer dan twee lettergrepen overig is, zoo als van weerskanten toegestaan wordt, en daarvan hebben zij nog ééne lettergreep uit eene andere taal moeten ontleenen. Het komt mij, mijne heeren, met eerbied gezegd, voor, dat het geschil zeer veel heeft van dat der twee ridders, die om het schild streden, waarvan de eene zijde wit, en de andere zwart was. Ieder uwer maakt aanspraak op de ééne helft van het woord, en schijnt de andere op te geven. Maar, hetgeen mij het meest bevreemdt, is de armoede van de taal, die zulke geringe sporen naliet!”

„Gij vergist u,” zeide Sir Arthur; „het was eene rijke taal, en zij waren een groot en machtig volk; – zij bouwden twee torens; één te Brechin, en één te Abernethy. De Pictische maagden uit het koninklijk geslacht werden bewaard in het Kasteel van Edinburg, van daar nog het Castrum Puellarum genaamd.”

„Eene kinderachtige uitlegging!” hernam Oldbuck, „en alleen uitgevonden, [40]om dat onnoozele vrouwvolkje eenig gewicht bij te zetten! Het droeg den naam van Maagdenkasteel, quasi lucus a non lucendo, omdat het alle aanvallen weêrstond, en de vrouwen dat nooit doen.”

„Er bestaat eene naamlijst der Pictische Koningen,” zei Sir Arthur, „die voor echt erkend is, van Chrentheminachryme, (van wiens regeering de dagteekening eenigzins onzeker is) àf, tot Drusterstone, met wiens dood het geslacht eindigt. De helft er van hebben het Celtische patronymicon Mac, voor hunne namen – Mac, – id est filius; – wat antwoordt gij hier op, mijnheer Oldbuck? Er is Drust Macmorachin, Trynel Maclachlin (de eerste van dien ouden stam, naar men gelooft,) en Gormach Macdonald, Alpin Mackmetegus, Drust Mactallargam,” – (hier overviel hem eene hoestbui,) „oegh, oegh, oegh! – Golarge Macchan, – oegh, oegh, Macchanan – oegh Macchananail – Kenneth – oegh, oegh, – Macferedith, Eachan Macfungus, – en twintig andere Celtische namen, die ik u zou kunnen opnoemen, als die verwenschte hoest het mij niet belette!”

„Neem een glas wijn, Sir Arthur, en spoel die lijst van tandenbrekende namen af, die den duivel zelven, in de keel zou blijven steken! – Wel, die laatste vent, dien gij opnoemdet, heeft den éénigen verstaanbaren naam. – Zij zijn allen van het geslacht van Macfungus – Paddestoelen! ontstaan uit den mest van bedrog, dwaasheid en valschheid, die in de hersenpan gistte van den een of anderen waanzinnigen Hooglandschen zanger!”

„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, u dat te hooren zeggen! Gij weet, of dient te weten, dat de lijst van deze souvereinen afgeschreven werd door Hendrik Maule van Melgum, uit de kronijken van Loch-Leven en van St. Andrews, en geplaatst werd vóor zijne korte, maar duidelijke historie der Picten, door Robert Freebairn te Edinburg gedrukt, en verkocht in zijn winkel bij het Parlementshuis, in het jaar zeventienhonderd en vijf, of zes, – welk van beiden weet ik niet zeker; – maar ik heb er een exemplaar van te huis, dat naast mijne duodecimo uitgave der Schotsche Parlementsacten staat, en in dezelfde rij daarmede zeer goed voldoet. Wat zegt gij daarop, mijnheer Oldbuck?”

„Wel ik lach om Hendrik Maule en zijne historie,” antwoordde Oldbuck, „en voldoe daarbij aan zijn verzoek, om die naar verdiensten te behandelen.”

„Lach niet om een man, die beter is, dan gij zelf zijt!” antwoordde Sir Arthur, eenigzins minachtend.

„Ik zie niet in, dat ik dat doe, Sir Arthur, als ik om hem of zijn boek lach.”

„Hendrik Maule van Melgum was een edelman, mijnheer Oldbuck!”

„Ik begrijp, dat die omstandigheid geen voordeel op mij geeft,” hernam de oudheidkenner eenigzins bits.

„Met uw verlof, mijnheer Oldbuck! – hij was een edelman uit een zeer aanzienlijk geslacht en van oude herkomst, en dus –”

„Moet de afstammeling van een Westfaalschen boekdrukker met eerbied van hem spreken? – Dit is wellicht uw gevoelen, Sir Arthur; – maar het mijne niet. – Ik begrijp, dat mijne afkomst van dien arbeidzamen, vlijtigen boekdrukker, Wolf brand Oldenbuck, die in de maand December 1498, onder het patronaat van Sebaldus Scheyter en Sebastian Kammermeister, zoo als het slot ons meldt, den druk voltooide van de groote Neurenbergsche kronijk, – ik begrijp, zeg ik, dat mijne afkomst van dien grooten hersteller der geleerdheid voor mij, als man van letteren, veel eervoller is, dan wanneer ik op mijn stamboom al de pochende, stijfhoofdige, Oud-Gotische Barons [41]sedert de dagen van Crentheminachcryme telde, van wie er, geloof ik, geen één zijn eigen naam schrijven kon!”

„Als gij met uwe aanmerking den spot wilt drijven met mijne voorouders,” zei de Baronet op een toon van deftige waardigheid en meerderheid, „zoo heb ik het genoegen u te berichten, dat de naam van mijn voorvader, Gamelyn de Guardover, Miles, wel degelijk met zijne eigene hand in het eerste afschrift van de Ragmanrol geschreven staat.”

„Wat slechts dient, om aan te toonen, dat hij een van de eersten was, die het verachtelijke voorbeeld gaf van zich aan Koning Eduard I te onderwerpen. Wat hebt gij in te brengen ten voordeele der vlekkelooze koningstrouw van uw geslacht, Sir Arthur, na zulk een afval als deze?”

„Genoeg, mijnheer!” zei Sir Arthur, terwijl hij woedend opsprong, en zijn stoel terugschoof, „ik zal in het vervolg wel vermijden iemand met mijn gezelschap te vereeren, die zich zoo ondankbaar voor mijne vriendelijkheid betoont.”

„Hierin moogt gij te werk gaan naar uwe eigene verkiezing, Sir Arthur! Ik hoop, dat, daar ik niet bekend was met de verplichting, die gij mij oplegdet door mijn gering huis te bezoeken, die gij verschoonen zult, dat ik mijne dankbaarheid niet op eene slaafsche wijze heb geuit!”

„Allerbest! – Allerbest, mijnheer Oldbuck! – ik wensch u goeden avond; – mijnheer a–a–a–Schovel! – ik wensch u goeden avond!”

En zoo stoof de vergramde Sir Arthur de eetzaal uit, alsof de geest van de geheele Tafel Ronde hem ontvlamde, en doorkruiste met groote stappen den doolhof van gangen, die naar de huiskamer voerde.

„Zaagt gij ooit zulk een kwaadaardigen ouden ezel?” zeide Oldbuck, het woord tot Lovel richtende; „maar ik moet hem toch in deze dolle stemming niet laten heen gaan.” Dit zeggende, liep hij den Baronet na, wiens spoor hij volgde op het geluid van het toeslaan van onderscheidene deuren, die deze opende, om naar de huiskamer te zoeken, en die hij bij elke mistasting met geweld achter zich toesloeg.

„Gij zult een ongeluk krijgen!” schreeuwde de oudheidkenner; „qui ambulat in tenebris nescit quo vadit: – die in het duister wandelt, weet niet, waarheen hij gaat; – gij valt nog van den achtertrap!”

De duisternis zelve, welker bedarende kracht op eigenzinnige kinderen, maar al te bekend is, had intusschen de schreden van den vertoornden Baronet doen bedaren, zoo ze al niet zijne gramschap verminderde, en de heer Oldbuck, beter bekend met de plaats, haalde in, juist toen hij de kruk van de deur der huiskamer in de hand had. „Wacht een oogenblik, Sir Arthur!” zeide Oldbuck, terwijl hij hem tegenhield; „niet zoo driftig, mijn goede, oude vriend! – ik tastte u, in onzen strijd, over Sir Gamelyn wat hard aan; – wel, man, hij is een mijner oude kennissen, en mijn lieveling; – hij was de wapenbroeder van Bruce en Wallace; – ik geloof, en wil het op een Bijbel met Gotische letters gedrukt, bezweren, dat hij de Ragmanrol, alleen onderteekende met het eerlijke en prijzenswaardige oogmerk, om den valschen Engelschman in zijne strikken te lokken. Het was eene opoffering, – eene echt Schotsche list, mijn waarde Baronet! – honderden deden hetzelfde! kom, kom, vergeet en vergeef! – Niet waar? wij gaven dien jongen heer daar het recht, om ons voor een paar knorrige oude dwazen te houden!”

„Spreek voor u zelven, mijnheer Jonathan Oldbuck!” zeide Sir Arthur met groote deftigheid. [42]

„Wel, wel – den eigenzinnigen man moet men zijn zin geven!”

En dit zeggende opende hij de kamerdeur en de lange magere gestalte van Sir Arthur trad binnen, gevolgd door Lovel en den heer Oldbuck, alle drie een weinig onthutst.

„Ik heb op u gewacht, lieve vader!” zeide Isabella Wardour, „om u voor te slaan, het rijtuig te gemoet te wandelen, daar het zulk een mooie avond is.”

Sir Arthur stemde gereedelijk in een voorslag toe, die zoo zeer strookte met de knorrige stemming, waarin hij zich bevond; en na beleefd voor de thee en koffij bedankt te hebben, volgens zijne aangenomen gewoonte, als hij driftig was, nam hij zijne dochter onder den arm, waarna hij, met een plechtig afscheid van de dames, en een zeer droog woordje tegen den heer Oldbuck, vertrok.

„Ik geloof,” zeide jufvrouw Oldbuck, „dat Sir Arthur weêr kwaad is!”

„Kwaad! – de drommel! hij is nog gekker dan het vrouwvolk! – Wat zegt gij, Lovel? – Hoe? de jongen is ook weg?”

„Hij nam afscheid, oom, terwijl Isabella Wardour zich gereed maakte; maar ik geloof niet, dat gij het gemerkt hebt.”

„De duivel steekt in het volk! Dat is alles, wat men wint met zich af te tobben en zich van stuk te brengen, met maaltijden te geven, – zonder van de kosten te spreken. – O Seged, Keizer van Ethiopië!” riep hij, met de eene hand een kop thee en met de andere een deel van The Rambler1 opnemende; want het was zijne vaste gewoonte, onder het eten of drinken, in tegenwoordigheid van zijne zuster te lezen, waardoor hij terzelfder tijd zijne minachting te kennen gaf voor vrouwelijk gezelschap, en zijn besluit volvoerde, om geen oogenblik ongebruikt te laten voorbij gaan; – „o Seged, Keizer van Ethiopië! hoe waar zijn uwe woorden: – „Niemand wage het te zeggen: dit zal een gelukkige dag zijn!””

Oldbuck zette zijne studiën bijna een uur voort, zonder door de dames gestoord te worden, die, in diep stilzwijgen, eenig vrouwelijk handwerk verrichtten. Eindelijk hoorde men een zachten, zedigen tik aan de kamerdeur. „Zijt gij het, Caxon: kom binnen!”

De oude man opende eventjes de deur; en zijn mager gezicht, omringd door eenige dunne grijze haarlokken, benevens eene der mouwen van zijn grijze jas in de kamer stekende, zeide hij op onderdanigen en geheimzinnigen toon: „ik wilde u eventjes spreken, mijnheer!”

„Kom binnen dan, oude gek! en zeg wat gij te zeggen hebt.”

„Ik ben bang, dat de dames schrikken zullen.”

„Schrikken! wat zou dat? – bekommer u niet om de dames. Hebt gij weêr een spook gezien?”

„Neen, mijnheer, ditmaal is het geen spook; – maar ik heb geen rust.”

„Hebt gij ooit van iemand gehoord die rust had?” antwoordde Oldbuck; „waarom zou een oude versleten poederkwast als gij, meer rust hebben, dan alle overige menschen?”

„Het is niet om mij zelven, mijnheer, maar ik vrees, dat het een verschrikkelijk weêr zal worden, en Sir Arthur en Freule Wardour, dat arme meisje –” [43]

„Wel, man! die moeten het rijtuig aan het einde der laan, of daar omstreeks, ontmoet hebben, en reeds lang te huis zijn!”

„Neen, mijnheer, zij zijn niet door het hek gegaan, maar sloegen den weg in naar het strand.”

Dit woord was een donderslag in de ooren van Oldbuck. „Naar het strand! onmogelijk!”

„Ja, mijnheer, dat zei ik ook tegen den tuinman; maar hij zeide, dat hij hen bij de Mosselklip had zien omkeeren – ja, zei ik tegen hem, als dat zoo is, David, dan vrees ik –”

„Een almanak! een almanak!” riep Oldbuck, in groote verwarring opstaande. – „Neen, dat ding niet!” een kleinen zakalmanak, dien hem zijne nicht aanbood, wegwerpende. – „Groote God! mijne arme, lieve Isabella! – haal mij dadelijk een grooten almanak!” Deze werd gebracht, geraadpleegd, en vermeerderde zeer zijne ontroering. „Ik zal zelf gaan; – roep den tuinman en zijn knecht; – laat hen touwen en ladders brengen; – en onderweg meer hulp zoeken; – klimt op de toppen der rotsen en roept hun toe; – ik zal zelf gaan!”

„Wat is er te doen?” vroegen zijne zuster en nicht.

„De vloed! de vloed!” antwoordde de verschrikte oudheidkenner.

„Was het niet beter, dat Jenny – maar neen, ik zal zelve gaan,” zei de jongste der dames, even verschrikt als haar oom; – „ik zal zelve naar Saunders Mucklebackit loopen, en hem de boot doen uitzetten.”

„Dank, mijne lieve! dat is het verstandigste woord, dat er nog gesproken is; – loop! loop! – Langs het strand te gaan!” terwijl hij zijn hoed en stok greep; „heeft men ooit iets dollers gehoord!”


1 Een Tijdschrift 1750–52 te Londen uitgegeven. 

[Inhoud]

Zevende Hoofdstuk

Een tijdlang schepten zij behagen

Aan d’oever van den oceaan;

De wat’ren weken, en zij zagen

Den weg verbreeden om te gaan;

Totdat het vloedgetij genaakte

En ’t pad al smal en smaller maakte.

Crabbe.

Het bericht van David Dibble, dat te Monkbarns zooveel onrust verspreid had, bleek volkomen juist te zijn. Sir Arthur en zijne dochter waren vertrokken, om, overeenkomstig hun eerste voornemen, langs den straatweg naar Knockwinnock terug te keeren; maar, aan het einde der groote laan gekomen, die eene soort van allée naar het huis van Monkbarns vormde, zagen zij Lovel vóór hen uitgaan, die zijne schreden scheen te vertragen, om hun gelegenheid te geven om hem in te halen. Isabella Wardour sloeg haren vader dadelijk voor van richting te veranderen, en daar het weder zeer fraai was, [44]langs het strand te wandelen, voorbij eene schilderachtige keten van rotsen, die bijna altijd een veel aangenamer pad tusschen Knockwinnock en Monkbarns, dan de straatweg opleverde.

Sir Arthur was dadelijk daartoe gereed. „Het zou onaangenaam zijn,” zeide hij, „door dien jongen, met wien de heer Oldbuck de vrijheid genomen heeft ons bekend te maken, aangesproken te worden.”

Zijne ouderwetsche beleefdheid had niets van het ongedwongene, waarmede men heden ten dage iemand, dien men al eene week lang kent, als geheel, vreemd onopgemerkt laat voorbijgaan, zoodra men zich in omstandigheden bevindt, of vooronderstelt, welke die onaangenaam maken, hem te herkennen. Sir Arthur bedong slechts, dat een kleine bedeljongen, wien hij een stuiver gaf, het rijtuig zou te gemoet loopen, en het naar Knockwinnock doen terug keeren.

Toen dit beschikt, en de bode vertrokken was, verlieten de Baronet en zijne dochter den straatweg, en kwamen weldra, langs een kronkelend voetpad, over zandachtige heuvels, gedeeltelijk heigrond, gedeeltelijk met lang gras begroeid, aan den oever der zee. Het getij was op verre na zoo laag niet, als zij berekend hadden; maar dit baardde geene zorg: zelden toch gebeurde het tien maal in het jaar, dat het water zoo dicht bij de rotsen kwam, dat men er niet meer voorbij kon. Bij springvloed echter, of als hevige winden de golven voortstuwden, werd ook deze weg door de zee bedolven; en men kende bij overlevering verscheidene noodlottige voorvallen, daaraan toe te schrijven. Maar dergelijke gevaren beschouwde men als lang geleden en onwaarschijnlijk, en hetgeen men elkander daarvan verhaalde, diende, even als andere oude vertelsels, eerder tot tijdkorting in het hoekje van den haard, dan om iemand af te schrikken, den weg tusschen Knockwinnock en Monkbarns langs het strand af te leggen. Terwijl nu Sir Arthur en zijne dochter de aangename wandeling over het koele, zachte, vaste zand genoten, kon Isabella niet nalaten op te merken, dat de laatste vloed boven het gewone watermerk gekomen was. Ook Sir Arthur viel dit op; maar geen van beiden kwam het in de gedachte, om daarover in het minst ongerust te worden. De zon, tot aan de kim gedaald, toonde nu hare groote schijf boven de oppervlakte der stille zee en vergulde de opeengestapelde wolken, waardoor zij den geheelen dag hare baan afgelegd had, en die thans van alle kanten verzameld waren even als de ongelukken en rampspoeden van een te grond gaand rijk en van een ongelukkigen vorst. Voor het laatst nog deelde haar verminderde glans aan de opeengehoopte massa’s eene sombere pracht mede, en tooverde uit de duistere schimmen gedaanten van burchten en rotsen, torens en pyramiden, sommigen met goud omzoomd, anderen met purper, eenigen van eene felle, donker-roode kleur. In de verte lag de zee onder dezen afwisselenden en trotschen troonhemel, in onheil voorspellende stilte, en kaatste ter zelfder tijd de schitterende en schuinsche stralen der dalende zon, en de prachtige kleuren der wolken, in welker midden zij rustte, terug. Meer van nabij ruischte de vloed met fonkelende zilveren golven, die ongevoelig maar snel op het strand inbreuk maakten.

In stille bewondering van dit schilderachtig en grootsch tooneel, of wellicht in minder kalme overpeinzingen, zette Isabella haren weg zwijgende aan de zijde van haren vader voort, wien het diep besef zijner kort te voren gekrenkte waardigheid niet toeliet, om eenig gesprek te beginnen. De kronkelingen van den oever volgende, trokken zij de eene vooruitstekende rotspunt na de andere voorbij, en bevonden zich eindelijk onder eene lange, [45]onafgebroken reeks dier steilten, welke de kust op de meeste plaatsen, als met een ijzeren gordel, verdedigen. Lange rotsketenen, zich onder het water uitstrekkende, en slechts kenbaar aan de dorre kruinen, welke zij hier en daar verhieven, of aan de branding, die over de gedeeltelijk bedekte rotsen schuimend brak, maakten de Knockwinnocks-baai bij stuurlieden en loodsen geducht. De klippen, die tusschen den oever en het vaste land, ter hoogte van twee- of driehonderd voet verrezen, boden, in hare kloven, eene schuilplaats aan een groot aantal zeevogels, daar de duizelingwekkende hoogte hen vrij goed verzekerde tegen de roofzucht der menschen. Vele dezer wilde zwermen, gedreven door het instinct, dat hen het land doet zoeken eer de storm losbreekt, vlogen nu naar hunne nesten met het schor en krassend geluid van onrust en vrees. De zonneschijf werd bijna geheel verdonkerd eer ze nog volledig onder den gezichteinder gedaald was, en eene vroegtijdige, akelige duisternis verving de helle schemering van den zomeravond. Straks begon zich de wind te verheffen; maar zijn woest en klagend gehuil werd eenigen tijd vroeger gehoord, dan men zijne uitwerking op de oppervlakte der zee bespeurde, of het waaien op het vaste land voelde. De wateren, nu duister en dreigend, begonnen in breedere golven te stijgen, en in diepere voren te zinken, en vormden baren, die hoog schuimend tegen de branding stuwden, of op het strand braken, met een geluid als dat van een onweder in de verte.

Verschrikt door deze plotselinge verandering van het weder, hield Isabella zich zoo dicht mogelijk bij haren vader en klemde zich aan zijn arm. „Ik wenschte,” zeide zij ten laatste, maar bijna fluisterend, en als schaamde zij zich haren toenemenden angst te uiten, „ik wenschte wel, dat wij onzen eersten weg vervolgd, of te Monkbarns het rijtuig afgewacht hadden.”

Sir Arthur keek rond, maar zag niet of wilde geene voorteekens van de uitbarsting van den storm erkennen. Zij zouden Knockwinnock bereiken, zeide hij, lang eer het onweder losbrak. Maar den haastigen tred, waarmede hij voortwandelde, en dien Isabella bezwaarlijk bij kon houden, toonde hoezeer hij zelf gevoelde, dat er eenige inspanning noodig was, om deze troostrijke voorzegging te vervullen. Zij bevonden zich nu nabij het middelpunt van eene diepe maar smalle baai, of inham, gevormd door twee vooruitstekende, hooge en ongenaakbare rotsen, welker uiteinden, of kapen, in zee staken, als de twee horens eener wassende maan; en geen der beide wandelaars durfde den anderen de bezorgdheid mededeelen, die zij begonnen te koesteren, dat wellicht de buitengewone vorderingen van den vloed hun de mogelijkheid benemen zouden, om rondom de kaap, die vóór hen lag, te komen, of langs den weg, welke hen derwaarts gevoerd had, terug te keeren.

Terwijl zij dus voortijlden, en verlangden om de lichte kronkeling van den weg, welke de bochten der baai hen noodzaakten te volgen, tegen een rechter en korter, hoewel minder aangenaam pad te verwisselen, bemerkte Sir Arthur eene menschelijke gedaante aan den oever, die op hen aan kwam loopen. „God dank!” riep hij uit, „wij zullen rondom Halket-head komen! Die mensch moet er voorbij gegaan zijn,” dus gaf hij lucht aan zijn gevoel van hoop, ofschoon hij dat der vrees onderdrukt had.

„Ja waarlijk, God dank!” herhaalde zijne dochter half luid, half bij zich zelve, met de uitdrukking eener diep gevoelde dankbaarheid.

De gedaante, die naar hen toekwam, maakte vele teekens, welke de betrokken dampkring, thans door wind en stofregen ontroerd, hen belette duidelijk [46]te onderscheiden; en het was eerst op het oogenblik, dat zij elkander zouden ontmoeten, dat Sir Arthur den ouden blauwrok, den bedelaar Adam Ochiltree herkende. Men zegt, dat zelfs de stomme dieren in het oogenblik van algemeen gevaar hunne vijandschap en afkeer vergeten. Het strand bij Halket-head, welks breedte door een alles overweldigenden springvloed en noordwesten wind schielijk afnam, werd dus een onzijdig gebied, waarop zelfs een vrederechter en een zwervende bedelaar elkander zonder gevaar naderen konden.

„Terug! Terug!” riep de oude man; „waarom keerdet gij niet om, toen ik wenkte?”

„Wij dachten,” hernam Sir Arthur in grooten angst, „wij dachten, dat wij om Halket-head komen konden!”

„Halket-head! De vloed zal er op dit oogenblik als een waterval tegen aan stormen! Ter nauwer nood kon ik er twintig minuten geleden voorbij! Drie voet hoog stuwde het op. Misschien kunnen wij nog terug langs Bally-burg Ness-kaap! God helpe ons! Het is de eenige kans. Wij moeten die wagen!”

„Mijn God! mijn kind!” „Mijn vader! mijn lieve vader!” riepen vader en dochter, terwijl de vrees hunne krachten en den spoed verdubbelde, waarmede zij terugkeerden en de kaap weder trachtten te bereiken, die den zuidelijken uithoek der baai vormde.

„Ik hoorde van den jongen, dien gij het rijtuig te gemoet zondt, dat gij hier waart,” zeide de bedelaar, terwijl hij een paar schreden achter Isabella wakker doorstapte, „en ik kon het gevaar niet vergeten, waarin zich de lieve jonge dame bevond, die altijd zoo goed is voor iedere ongelukkige ziel, die haar nadert. Dus keek ik zóó lang, naar het opkomen en de hoogte van den vloed, tot ik besloot, dat, als ik maar tijdig genoeg naar beneden kon komen om u te waarschuwen, ik u nog redden zou. Maar wie zag ooit zulk een vloed als deze? Zie, ginds de Rattons-klip; – zoo lang ik leef hield die den neus boven water; – maar nu is hij er onder geraakt!”

Sir Arthur wierp een blik in de richting, in welke de oude man wees. Eene ongemeen groote rots, die gewoonlijk, zelfs bij springvloeden, eene gestalte vertoonde als de kiel van een groot schip, was nu geheel onder water, en de plaats er van was slechts kenbaar aan de branding en het opstuwen der golven, welke op de ondergeloopene rotsen braken.

„Haast u, haast u,” vervolgde de grijsaard, „haast u, en misschien halen wij het nog. Neem mijn arm, – nu oud en zwak, maar die zich meer dan eens uit een even groot gevaar gered heeft! Ziet gij ginds eene zwarte plek tusschen de schuimende baren? Heden morgen was die zoo hoog, als de mast van een brik, – nu is ze klein genoeg; – maar, zoo lang ik slechts zoo veel zwart zie, als de kruin van mijn hoed, twijfel ik niet, of wij zullen nog om de Ballyburg-kaap komen eer de vloed zoo ver gestegen is!”

Isabella nam stilzwijgend van den ouden man de hulp aan, die Sir Arthur haar nu minder goed geven kon. De golven hadden thans reeds zoo veel van den oever bedekt, dat men het vaste en het effene voetpad, tot nu toe gehouden, tegen een ruweren weg verwisselen moest, die dicht langs den voet der rotsen ging, en zelfs op sommige plaatsen over den ondersten rand daarvan liep. Onmogelijk hadden Sir Arthur Wardour of zijne dochter den weg langs dit pad kunnen vinden zonder de leiding en aanmoediging van den bedelaar, die hier vroeger bij hooge vloeden geweest was, ofschoon nooit, zoo als hij zeide, „in zulk een verschrikkelijken nacht, als dezen!”

Het was werkelijk ontzagwekkend weder. Het huilen van den stormwind, [47]waaronder zich het geschreeuw der zeevogels mengde, klonk als een doodsklok voor de drie ongelukkigen, die ingesloten waren tusschen de twee prachtigste, maar tevens twee ontzettendste voorwerpen der natuur – een woedenden vloed en onbeklimbare hoogten; terwijl zij met veel moeite zich een weg baanden langs een moeielijk en gevaarlijk pad, en dikwijls bespat werden door het schuim der reusachtige baren, die, al hooger en hooger klimmende op den oever braken. Elk oogenblik won hun vijand zichtbaar veld op hen. In de vrees echter, om de laatste levenshoop op te geven, hielden zij de oogen steeds gevestigd op de zwarte rots, door Ochiltree aangewezen. Deze was nog duidelijk te onderscheiden in de branding, en bleef voor hen zichtbaar, tot zij op hun kronkelend pad eene wending namen, toen eene vooruitspringende rots ze aan hunne oogen onttrok. Dus verstoken van het gezicht der baak, waarop zij al hun vertrouwen stelden, ondervonden zij nu bij den zielkwellenden angst tevens de pijnlijkste onzekerheid. Zij haastten zich echter zoo veel mogelijk om verder te komen; maar toen zij de plaats bereikt hadden, van waar zij de rots hadden moeten zien, was deze niet meer zichtbaar. Het teeken hunner redding was onder duizende witte baren verdwenen, die, aan de spits van het voorgebergte, in onmetelijke hoogte het sneeuwwitte schuim tegen de donkere rotsen slingerden.

De oude man ontstelde zichtbaar. Isabella gaf een zachten gil, en het „God erbarme zich onzer!” dat hun gids plechtig uitte, herhaalde Sir Arthur weemoedig, – met de bijvoeging, „Mijn kind! mijn kind! – zulk een dood te sterven!”

„Mijn vader! mijn lieve vader!” riep zijne dochter uit, terwijl zij zich aan hem vasthield; – „en ook gij, die uw leven opoffert, om het onze te willen redden!”

„Het is niet de moeite waard, daarvan te spreken,” zei de grijsaard; „ik heb lang genoeg geleefd, om het leven moede te zijn; – en hier of ginds, – achter een dijk, in eene sneeuwvlaag, of in de golven, wat licht er aan gelegen, hoe de oude bedelaar sterft?”

„Mijn goede man!” riep Sir Arthur, „kunt gij niets bedenken? – niets, dat helpen kan? – ik zal u rijk maken; – ik zal u eene pachthoeve geven, – ik zal –”

„Onze rijkdommen,” antwoordde de bedelaar, „zullen weldra gelijk zijn,” – naar de schuimende golven ziende, – „ze zijn het ook nu reeds; want ik heb niets, en gij zoudt gaarne al uwe schoone goederen en uwe baronie daarbij geven voor één plekje kale rots, dat twaalf uren watervrij was!”

Onder deze woorden bleven zij op den hoogsten rotsrand staan, dien zij bereiken konden; want het scheen, dat elke poging, om verder te komen, slechts hun verschrikkelijk lot verhaasten moest. Hier dan bevonden zij zich ten naastebij in den toestand der martelaren uit de eerste tijden der Christen Kerk, die, door heidensche dwingelanden veroordeeld om door wilde dieren verscheurd te worden, genoodzaakt waren een tijdlang het ongeduld en de woede aan te zien, waarmede deze het teeken afwachtten ter opening der hokken, eer zij op hunne slachtoffers aanvallen konden.

Maar juist dit vreeselijk uitstel gaf Isabella den tijd, om al hare geestvermogens, die van natuur krachtig en moedig waren, te verzamelen, en in deze verschrikkelijke omstandigheden vereenigd te laten werken. „Moeten wij dan,” zeide zij, „ons leven vaarwel zeggen, zonder eenige poging, om het te redden? Is er geen pad, hoe ijselijk ook, waarlangs wij misschien de rots zouden kunnen beklimmen, of ten minste eenige hoogte boven den vloed [48]bereiken, waarop wij tot den morgen kunnen blijven, of tot er hulp opdaagt? Men moet onzen toestand raden, en de menschen zullen zich haasten, ons ter hulp te komen!”

Sir Arthur, die de vraag van zijne dochter hoorde, maar nauwelijks in staat was ze te verstaan, wendde zich nochtans onwillekeurig naar den grijsaard, alsof hun leven in zijne handen ware. Ochiltree zweeg een tijd lang, eer hij antwoordde. „Ik was,” zeide hij, „eens een stoute klimmer, en heb menig nest op deze zwarte rotsen uitgehaald; maar het is lang, lang geleden, en niemand kan ze bestijgen zonder touw, – en al had ik er een, mijne oogen, voeten en handen zijn reeds lang niet meer, wat zij waren; – en dan, hoe zou ik u helpen kunnen? – Maar er was hier eens een pad, – en toch geloof ik, als wij het zien konden, dat gij verkiezen zoudt te blijven, waar wij zijn! – God zegene hem!” riep hij eensklaps, „daar komt juist iemand de rots afklimmen!”

Daarop de stem verheffende, gaf hij den stouten waaghals schreeuwende de aanwijzingen, welke hem zijne vroegere oefening en de herinnering der plaatselijke omstandigheden oogenblikkelijk te binnen brachten. – „Goed zoo! – goed zoo! – dien weg, dien weg! – maak het touw vast om de Crummikpunt, om dien grooten zwarten steen! – leg twee slagen, – zoo, – ja zoo, – nu richt u wat oostwaarts, – nog wat meer, – naar die andere rots, wij noemden die de Kattebel; – dáár was vroeger de wortel van een ouden eik, – dat zal gaan! voorzichtig nu, jongen! – houd moed! – neem wat tijd! – God zegene u! neem wat tijd! – Zeer goed! – Nu moet gij gaan naar Lijsjes Schoot, – dat is de breede, vlakke steen, – en dan denk ik, dat wij met uwe hulp en met die van het touw, de jonge dame en Sir Arthur naar boven zullen krijgen!”

De waaghals, de aanwijzingen van den ouden Adam volgende, smeet hem het eind van het touw toe, dat deze zorgvuldig om het lijf van Isabella bond, na haar vooraf in zijn eigen blauwen rok gewikkeld te hebben, om haar zoo veel mogelijk te beveiligen. Toen, zelf het touw grijpende, dat boven vastgemaakt was, begon hij tegen de steile rots op te klouteren, – eene zeer gewaagde, duizelingwekkende onderneming, in welke hij nochtans, na twee gevaarlijke oogenblikken, slaagde, en behouden op den breeden, vlakken steen naast onzen vriend Lovel plaats nam. Hunne vereenigde krachten stelden hen ook dadelijk in staat, Isabella in veiligheid naar boven te trekken. Daarop liet Lovel zich naar beneden, om Sir Arthur bij te staan, wond het touw onder zijne schouders, en toen naar hunne wijkplaats terug klimmende, haalde hij, met den bijstand van den ouden Ochiltree, en zulke hulp als Sir Arthur zelf verleenen kon, ook dezen buiten het bereik der baren.

De bewustheid van een naderenden en oogenschijnlijk onvermijdelijken dood verlost te zijn, had de gewone uitwerking. Vader en dochter wierpen zich elkaâr in de armen, kusten elkander en weenden van vreugde, ofschoon hunne bevrijding verbonden was met het vooruitzicht van een stormachtigen nacht door te brengen op eene steile rots, nauwelijks breed genoeg voor de vier rillende wezens, die, gelijk de zeevogels om hen heen, zich daar te zamen drongen, in de hoop van eenige bescherming te vinden tegen het verslindend element, dat onder hen woedde. Het schuim der baren, die, steeds elkander vervangende, den voet der steilte bereikten, terwijl zij het strand overstroomden, waar zij nog zoo kortelings stonden, vloog tot aan hunne tegenwoordige wijkplaats; en het bedwelmend geluid, waarmede zij onder [49]tegen de rotsen sloegen, scheen nog altijd met eene donderende stem de gevluchten, als eene rechtmatige prooi terug te eischen. Het was, wel is waar een zomernacht, maar nochtans weinig waarschijnlijk, dat een gestel zoo tenger als dat van Isabella, tot aan den morgen zulk een grooten angst zou kunnen doorstaan; en de stortregens, die nu met geweld losbraken, vergezeld van lange, hevige windvlagen, vermeerderden hun nood en gevaar.

„Die lieve jonge dame, dat arme meisje!” zei de oude man; „menigen nacht van dien aard heb ik in en buiten mijn vaderland onder den blooten hemel doorgebracht; maar, God help ons, – hoe zal zij het uithouden?”

Met halve woorden gaf hij zijne bezorgdheid aan Lovel te kennen; want met die eigenaardige vlugheid, waarmede stoute en moedige zielen elkander in oogenblikken van gevaar dadelijk verstaan en herkennen, bestond er reeds een onderling vertrouwen tusschen hen. – „Ik zal de rots weêr opklimmen,” zeide Lovel; „er is eene schemering genoeg, om te zien waar ik den voet zet; ik zal weêr naar boven klimmen en hulp halen.”

„Doe dat, doe dat, om ’s Hemels wil!” riep Sir Arthur gretig.

„Zijt gij razend?” zei de bedelaar. „Frans van Fowlsheugh (en hij was de stoutste en beste klimmer, die ooit geleefd heeft; – hij brak dan ook den hals op de Dunbuyrotsen,) zou het op de Halket-head klippen na zonsondergang niet gewaagd hebben. – Het is door Gods goedheid alleen, en een groot wonder er bij, dat gij niet in ’t midden van de holle zee daar onder ons ligt, na hetgeen gij reeds gedaan hebt! Ik dacht niet, dat er één man leefde, die de klippen zou kunnen afkomen, zoo als gij dat gedaan hebt. Ik zelf, geloof ik, zou het niet klaar gespeeld hebben op dit uur en in dit weêr, toen ik nog jong en sterk was. Maar om het nog eens te wagen – dat is te veel, dat is de Voorzienigheid tarten!”

„Ik heb dienaangaande geene vrees,” zeide Lovel; „ik nam alles goed op, toen ik naar beneden kwam, en het is nog licht genoeg, om alles te onderscheiden; – ik ben zeker, dat ik het zonder gevaar doen kan. Blijf hier, mijn goede vriend, bij Sir Arthur en de jonge dame!”

„Dan zal mij de duivel terughouden,” antwoordde de bedelaar kortaf; „als gij gaat, ga ik meê; want zijn we met ons beiden, dan zal het ons toch zwaar genoeg vallen om den top der hoogte te bereiken!”

„Neen, neen! – blijf hier, en pas op de jonge dame; – gij ziet, dat Sir Arthur bijna uitgeput is!”

„Blijf gij zelf dan, en ik zal gaan,” hernam de oude man; „laat de dood het groene koren sparen en het rijpe nemen.”

„Blijft beiden hier, ik beveel het u!” sprak Isabella met zwakke stem. „Ik ben wèl, en kan den nacht zeer goed hier doorbrengen; – ik gevoel mij geheel hersteld” en met deze woorden begaf haar de stem; zij zeeg neêr, en zou van de klip gevallen zijn, als Lovel en Ochiltree haar niet ondersteund hadden. Zij plaatsten haar half zittende, half achterover liggende, naast haar vader, die, uitgeput door de overgroote en ongewone inspanning van geest en lichaam, zich reeds in een half wezenloozen toestand neêrgezet had op den steen.

„Wij kunnen hen onmogelijk aan zich zelven overlaten,” zeide Lovel; – „Wat nu te doen? – Maar stil! stil! ik hoor roepen?”

„Het geschreeuw van een zeevogel!” antwoordde Ochiltree, „ik ken het geluid zeer goed.”

„Neen, bij den hemel!” hernam Lovel, „het was eene menschelijke stem!” Het roepen werd in de verte herhaald, en het geluid was duidelijk te [50]onderscheiden van dat der twistende elementen, en der in de nabijheid krijschende zeemeeuwen. De bedelaar en Lovel verhieven nu hunne stemmen terwijl de eerste den zakdoek van Isabella aan het einde van zijn stok zwaaide, om van boven de aandacht te trekken. Ofschoon het roepen herhaald werd, duurde het echter eenigen tijd, eer het in antwoord op hunne stemmen was, en de ongelukkige lijders bleven zoolang in het onzekere, of zij, bij de duistere schemering en bij het toenemen van den storm, de lieden, die waarschijnlijk de toppen der steilten overtrokken om hun hulp toe te brengen, de plaats zouden kunnen kenbaar maken, waar zij eene toevlucht gevonden hadden. Eindelijk werden hunne „Holla’s!” geregeld en duidelijk beantwoord, en hun moed werd gesterkt door de zekerheid, dat zij zich binnen het gehoor, zoo al niet binnen het bereik van menschlijken bijstand bevonden.

[Inhoud]

Achtste Hoofdstuk

Er is een klip, wier hoog gebogen top

Verschriklijk hangt naar den afgrond beneden;

Breng mij slechts tot den rand daar op,

Voor al uw lijden stel ik u tevreden.

Shakespeare’s Koning Lear.

Het geluid der stemmen boven hunne hoofden nam weldra toe, en het licht der fakkels vereenigde zich met de avondschemering, die nog steeds door de duisternis van den storm flikkerde. De menschen op de hoogte, en de lijders in de diepte, nog altijd tot hunne gevaarlijke wijkplaats beperkt, deden eenige pogingen, om zich te doen verstaan; maar het gehuil der winden maakte het weêrkeerig geroep even onduidelijk en verward, als het geschreeuw, dat de gevleugelde rotsbewoners, verschrikt door de herhaalde klanken der menschenstemmen, waaraan zij weinig gewoon waren, gezamenlijk aanhieven.

Op de kruin der rots had zich nu eene met angst vervulde groep verzameld. Oldbuck was de eerste en driftigste; hij ijlde met zeldzamen moed vooruit, tot op den uitersten rand van den afgrond, en keek (met zijn hoed en pruik onder de kin met een zakdoek vastgebonden,) zoo onverschrokken van de bedwelmende hoogte naar beneden, dat het de minder moedige omstanders deed beven.

„Neem u in acht, neem u in acht, Monkbarns!” riep Caxon, terwijl hij zijn patroon bij de panden van den rok greep, en, zoo veel het zijne krachten toelieten, van het gevaar terughield; – „in Gods naam, pas op! – Sir Arthur is reeds verdronken, en als gij mij ook afvalt, dan blijft er nog maar ééne pruik in de buurt over, en dat is die van den Dominé!”

„Let op de rotspunt daar!” riep Mucklebackit, een oude visscher en smokkelaar. „Denk aan de spits, Steven! – Steven Wilks! breng het touwwerk [51]naar boven. Ik sta er reeds voor in, Monkbarns, wij zullen hen spoedig aan boord hijschen, als gij maar uit den weg wilt gaan!”

„Ik zie hen!” riep Oldbuck, „ik zie hen daar beneden op dien platten steen! Holla! – Holla hé! – holla hé!”

„Ik zie hen best,” zeide Mucklebackit, „zij zitten daar beneden, als kraaien in de mot; maar denkt gij hen te helpen met krassen, als eene oude meeuw voor een slagregen? Steven, jongen, breng den mast naar boven! Ik haal hen op, even als vroeger de jenever- en brandewijnsvaten! Breng het houweel; – maak een gat voor den mast; – bind den stoel aan den ketting vast! – hecht en stevig!”

De schippers hadden den mast uit eene boot mede gebracht, en daar thans bijna al de jonge borsten uit den omtrek, deels uit belangstelling, deels uit nieuwsgierigheid verschenen waren, stond de mast weldra vast in den grond. Eene ra, dwars tegen den rechtop staanden mast, en eene lijn, door katrollen gaande, vormde eene soort van kraan, waarmede men een welverzorgden en vastgemaakten leuningstoel naar de rots kon laten zakken, waarop zich de ongelukkigen bevonden. Maar de vreugde, die dezen bij het ontwaren der toebereidselen ter hunner verlossing gevoelden, werd merkelijk getemperd, toen zij het gevaarlijke middel zagen, dat hen naar boven brengen moest. De stoel zwaaide eenige voeten van de plaats, waar zij zich bevonden, in de ledige luchtruimte, door den storm in alle richtingen geslingerd, slechts door eene lijn gehouden, welke de toenemende duisternis bijna onzichtbaar maakte. En was het gewaagd, op zulk wrak tuig naar boven te stijgen, men liep daarbij het verschrikkelijke gevaar, van door den wind, of door de slingeringen van het touw tegen de scherpe rotspunten geslagen te worden. Maar om dit gevaar zoo veel mogelijk te verminderen, had de ervaren zeeman tegelijk met den stoel eene andere lijn naar beneden gelaten, die daaraan vastgemaakt, en beneden vast gehouden, zou kunnen dienen om de beweging van den stoel eenigzins vaster en meer geregeld te maken. Evenwel werd er een moed vereischt, dien de wanhoop alleen geven kon, om zich, onder het gehuil der stormwinden en regenvlagen, met overhangende steilten boven het hoofd, en een onpeilbaren afgrond onder de voeten, aan zulk een gevaarte toe te vertrouwen. Hoe verschrikkelijk groot intusschen het gevaar zich overal aan oog en oor voordeed; hoe bedenkelijk en gewaagd het middel om zich te redden ook scheen, besloten nochtans Lovel en de oude bedelaar, na een oogenblik beraads, om er zich van te bedienen, en, nadat Lovel, niet zonder groot gevaar, de voldoende sterkte van de lijn beproefd had, vonden zij het raadzaam Isabella in den stoel te plaatsen, en het aan de voorzichtigheid en zorg van hunne vrienden toe te vertrouwen om haar behouden naar de kruin der rots op te hijschen.

„Laat mijn vader eerst gaan!” riep Isabella uit, „om Gods wil, mijne vrienden, brengt hem eerst in veiligheid!”

„Dat kan niet,” zeide Lovel; „uw leven moet het eerst gered worden; – de lijn, tegen uw gewicht bestand, zou kunnen –”

„Neen, neen, neen! ik wil naar zulk eene zelfzuchtige reden niet hooren.”

„Maar gij moet er naar hooren, schoone dame;” sprak Ochiltree; „want het leven van ons allen hangt er van af. Daarbij, als gij daar op den top der hoogte gekomen zijt, kunt gij hun een duidelijk bericht geven, hoe het hier op ons Patmos gesteld is; – en Sir Arthur is niet in staat om dat te doen, naar het mij voorkomt.”

Getroffen door de juistheid van deze redeneering, riep, Isabella uit: „Dat [52]is waar – zeer waar! ik ben bereid, om de eerste kans te wagen. Wat moet ik onze vrienden daar boven zeggen?”

„Goed toe te zien, dat het touw niet tegen de zijden der steilte wrijft, en dat zij den stoel voorzichtig aflaten en ophalen. – Wij zullen roepen, als wij klaar zijn!”

Met de zorgvuldige oplettendheid van een vader voor zijn kind, bond Lovel Isabella, door middel van zijn zakdoek, das en des bedelaars lederen riem, vast aan den rug en de leuningen van den armstoel, nauwkeurig de hechtheid van elken knoop beproevende, terwijl Ochiltree Sir Arthur gerust stelde.

„Wat begint gij met mijne dochter? – Wat voert gij uit? – Men zal haar niet van mij scheiden. – Isabella! blijf bij mij, ik beveel het u!”

„Om Gods wil, Sir Arthur, houd u stil, en dank den hemel, dat er wijzere lieden zijn dan gij, om het werk te doen,” riep de bedelaar, eindelijk door het onredelijk geschreeuw van den armen Baronet uitgeput.

„Vaarwel, vader!” stamelde Isabella, – „vaarwel mijne – mijne vrienden!” en de oogen sluitende volgens den raad van den ervaren Adams, gaf zij het teeken aan Lovel, en deze aan hen die boven waren. Zij werd naar boven getrokken, terwijl Lovel den stoel in de richting hield, door de lijn die hij beneden greep. Met een kloppend hart staarde hij de zwevende, witte gestalte na, tot de stoel den bovensten rand der steilte bereikt had.

„Moed nu, jongens! moed nu!” riep de oude Mucklebackit, die als kapitein handelde; „draait de ra een weinig. – Nu, zoo, – daar zit zij op het drooge!”

Een luid hoezee! kondigde den gelukkigen uitslag aan hare vrienden beneden, die ook dadelijk met een hartelijk hoezee! antwoordden. In zijne verrukking, ontdeed Monkbarns zich van zijn overrok, om er de jonge dame in te hullen, en zou daarbij mede zijn jas en vest uitgetrokken hebben, als hem de zorgvuldige Caxon niet weêrhouden had. „Voorzichtig! voorzichtig, mijnheer! Gij zult u een doodelijke hoest op den hals halen! – in veertien dagen zijt gij de koû niet kwijt, die gij van nacht opdoet, – en dat zou ons slecht aanstaan. – Neen, neen! – daar staat het rijtuig dicht bij; laten twee van ons de jonge dame daar naar toe brengen!”

„Gij hebt gelijk,” zei de oudheidkenner, terwijl hij de mouwen en de kraag van zijn rok weêr toemaakte; „gij hebt gelijk, Caxon, dit is een ellendige nacht, om in te zwemmen! – Isabella, sta toe, dat ik u naar het rijtuig geleide!”

„Om alles ter wereld niet, eer ik mijn vader in veiligheid zie!”

Met weinige, duidelijke woorden, die te kennen gaven, hoezeer haar moed de natuurlijke vrees bij zulk een ontzettend gevaar overwonnen had, beschreef zij hoe het beneden gesteld was, en welke de wenschen van Lovel en Ochiltree waren.

„Gij hebt gelijk, – groot gelijk! – ik zou zelf den zoon van Gamelyn van Guardover op droog land willen zien. Mij dunkt, hij zou den eed van afzwering onderteekenen, en de Ragmanrol op den koop toe, en erkennen, dat Koningin Maria niet beter was dan zij behoorde te zijn, om bij mijne flesch ouden Portwijn te zitten, die hij versmaadde eer ze half leêg was. – Maar hij is nu behouden, en daar komt hij aan,” – (want de stoel was weêr naar beneden gelaten, en Sir Arthur, zich zelven haast onbewust, daarin vastgemaakt,) „daar komt hij; – haalt op, jongens! – voorzichtig! – een stamboom met honderd takken hangt aan een tienstuivers touw; – de [53]geheele baronie van Knockwinnock aan drie slagen hennep; – respice finem, respice finem; – zie naar het einde; – zie naar het touweinde! – Welkom, welkom, mijn goede oude vriend, op vast land, ofschoon ik niet zeggen kan op warm en droog land!”

Terwijl Oldbuck naar gewoonte verder doordraafde, bevond zich Sir Arthur behouden in de armen zijner dochter, die zich met de teederste aandoening aan hem vasthield en daarna, zich een gezag aanmatigende, dat de omstandigheden schenen te vorderen, aan eenigen der omstanders opdroeg, om hem naar het rijtuig te brengen, terwijl zij beloofde weldra zelve te volgen. Aan den arm van een ouden landman, begaf zij zich toen weêr naar den rand der rots, waarschijnlijk om ooggetuige te zijn van het behoud van hen, die het gevaar met haar gedeeld hadden.

„Wie komt daar aan?” zeide Oldbuck, toen de stoel nog eenmaal naar boven steeg. „Wat drommel is dat voor een zeevisch?” En toen de fakkels de ruwe gelaatstrekken en de grijze haren van den ouden Ochiltree verlichtten, – „hoe! zijt gij het? – Kom, oude spotboef, ik moet, of ik wil of niet, vriend met u zijn; – maar wie duivel is uw makker daar beneden?”

„Iemand, die alléén wel twee van ons waard is, Monkbarns! Het is de jonge vreemdeling, dien men Lovel noemt, – en hij gedroeg zich heden nacht, alsof hij tien levens te verliezen had en die allen op het spel wilde zetten, liever dan dat iemand anders gevaar zou loopen! – Voorzichtig, heeren! als gij hebben wilt, dat een oude man u zegene; – denkt, dat er niemand beneden is, om den stoel te bestieren! – Past op den hoek van de Kattebel! – let op den Crummicks-hoorn!”

„Ja, ja, voorzichtig!” herhaalde Oldbuck; „het is mijn rara avis – mijn zwarte zwaan! – mijn phenix der medereizigers; – draag zorg voor hem, Mucklebackit!”

„Zoo veel alsof hij een anker brandewijn was, meer kan ik niet doen! – Ho! ho, vrienden! naar boven met hem!”

Lovel liep inderdaad veel meer gevaar, dan zijne voorgangers. Hij woog niet zwaar genoeg, om zijn opstijgen te midden van zulk een stormwind veilig te maken, en de slingerende beweging bracht hem telkens in het doodsgevaar van tegen de rotsen verpletterd te worden. Maar hij was jong, stout, en vlug, en slaagde, met behulp van des bedelaars stevigen met ijzer beslagen staf, dien hij volgens den raad van den eigenaar bij zich gehouden had, om zich voor de zijden der steilten en van de nog veel gevaarlijker rotspunten te beveiligen, welke hem telkens bedreigden. Als eene lichte veder in de ledige ruimte gedreven, met eene beweging, die tegelijk de hersenen met schrik vervulde en bedwelmde, behield hij nochtans zijn moed, zijne behendigheid en tegenwoordigheid van geest, en eerst toen hij behouden op de kruin der klip aangeland was, gevoelde hij zich een oogenblik ontsteld. Toen hij uit eene soort van onmacht bijkwam, keek hij angstig in het rond. Het voorwerp, dat hij het meeste wenschte te zien, was reeds in de verte. Nog even kon hij de witte kleeding van Isabella onderscheiden, terwijl zij het pad volgde, dat haar vader gegaan was. Zij had getoefd, tot zij den laatste van het gezelschap buiten gevaar gezien en door de schorre stem van Mucklebackit de verzekering bekomen had, dat „de klant er met heele beenderen afgekomen, en alleen wat van streek was.” Maar Lovel wist niet, dat zij te zijnen opzichte eene deelnemende belangstelling getoond had, die hij, hoezeer ze niets meer te kennen gaf dan wat zij een vreemdeling, die [54]in zulk een tijdstip van nood haar hulp verleend had, verschuldigd was, nochtans blijmoedig gekocht zou hebben, door het trotseeren van nog veel grootere gevaren, dan die waaraan hij dien avond was blootgesteld geweest. Den bedelaar had zij reeds gevraagd, om den nacht op Knockwinnock te komen doorbrengen. Hij verontschuldigde zich. – „Dan moet ik u morgen bij mij zien!”

De oude man beloofde te gehoorzamen. – Oldbuck stopte hem iets in de hand. Ochiltree bekeek het bij het fakkellicht, en gaf het terug. „Neen, neen! ik neem nooit goud aan; – en behalve dat, Monkbarns, zoudt gij er morgen vroeg berouw over hebben. Toen zich naar de groep visschers en boeren wendende: „Nu, heeren! wie wil mij een avondmaal geven en wat zuiver stroo om op te liggen?”

„Ik!” „en ik!” „en ik!” antwoordden vele vriendelijke stemmen.

„Wel, nu ik dat zie, en ik maar in één schuur te gelijk slapen kan, wil ik mij bij Saunders Mucklebackit neêrleggen. Hij heeft altijd een droppeltje van iets versterkends in huis, – en, kinderen, ik hoop het te beleven om u allen te herinneren, dat gij mij huisvesting en een aalmoes beloofd hebt!” – Dit zeggende, vertrok hij met den visscher.

Oldbuck maakte zich meester van Lovel. – „Geene schrede verder van nacht naar Fairport! – gij moet met mij huiswaarts, naar Monkbarns. Wel, man! gij zijt een held geweest, – een volmaakte Sir William Wallace, in alle opzichten! Kom, mijn goede jongen! neem mijn arm; – ik ben niet al te vast ter been in zulk een wind; maar Caxon zal ons helpen. Hier, gij oude suffert! Kom aan de andere zijde! – En hoe drommel kwaamt gij daaronder op die helsche Lijsje’s Schoot, zoo als ze het noemen? Lijs, zeggen zij, – vervloekte heks! – Zij spreidt haar voddig vaandeltje of vrouwenbanier uit, gelijk al de overigen van hare sekse, om hare aanbidders in dood en verderf te storten.”

„Ik ben tamelijk aan het klimmen gewend, en heb lang de vogelaars nagegaan, hoe zij het maken bij het bestijgen der klippen.”

„Maar hoe kwaamt gij er toe, in Gods naam, om het gevaar van den knorrigen Baronet en van zijne veel beminnelijker dochter te ontdekken?”

„Ik zag hen van den rand der steilte.”

„Van den rand! – ei zoo! – en wat dreef u dumosa pendere procul de rupe? – ofschoon dumosa niet de gepaste benaming is; – wat duivel lokte u naar den rand van de klip?”

„Wel! – ik zie gaarne het samenpakken van een opkomenden storm; – of, om in uwe klassieke taal te spreken, mijnheer Oldbuck, suave est mari magno, en zoo voorts; – maar hier zijn wij aan den weg naar Fairport. Ik moet u goeden nacht wenschen!”

„Geene schrede verder, geen voet, geen duim en, als Antiquarius gesproken, geene shathmont, over de beteekenis van welk woord menigeen, die tot ons vak wil behooren, zich het hoofd heeft gebroken. Het is mij duidelijk, dat men lezen moet salmont’s-lengte, in plaats van shatmont’s-lengte. Gij weet, dat de ruimte die men voor den doortocht van een zalm door eene sluis, een dijk of een vijver laten moet, volgens de wet, de lengte is, binnen welke een volwassen varken zich kan omkeeren; – nu heb ik plan, te bewijzen, dat, daar men op het land levende wezens dus gebruikte, om de maat onder water te bepalen, men ook veronderstellen kan, dat de waterbewoners gebruikt werden als maatstaf om de uitgestrektheid van het land [55]te meten, shathmont, – salmont;1 – gij ziet de nauwe overeenstemming der klanken; twee hh en eene t weggelaten, en eene l aangenomen, dat maakt al het verschil! Gave God, dat geene oudheidkundige afleiding ooit grootere afwijkingen gevorderd had!”

„Maar, mijn goede heer, ik moet waarlijk naar huis gaan, ik ben door en door nat.”

„Gij zult mijn kamerjapon hebben, man! en mijne pantoffels, en u de antiquarische koorts op den hals halen, zoo als men de pest krijgt, door het dragen van besmette kleederen; – maar ik weet, waaraan het hapert; – gij vreest den ouden vrijer lastig te vallen. Maar zijn er niet de overgeschotene brokken van die kostelijke kippenpastei, die, meo arbitrio, beter koud is dan warm; – en die flesch van mijn ouden Port, waarvan de malle, waanzinnige Baronet (wien ik het niet vergeven kan, nu hij den hals niet gebroken heeft,) juist één glaasje gebruikt had, toen zijn zwak brein op hol gebracht werd door Gamelyn van Guardover?”

Met deze woorden, sleepte hij Lovel voort, tot zij binnen de Pelgrimspoort te Monkbarns kwamen. Nimmer, misschien, trokken er twee voetgangers door, die meer de rust behoefden; want de uitgestane vermoeienissen waren voor Monkbarns rechtstreeks in strijd met zijne dagelijksche gewoonten; en zijn jonger en sterker metgezel had dien avond zielsaandoeningen ondergaan, die hem veel meer geschokt en afgemat hadden, dan de buitengewone inspanning zijner lichaamskrachten.


1 Salmont – Zalm. 

[Inhoud]

Negende Hoofdstuk

„Zijt ge onversaagd, sprak zij, zoo kunt gij hier vernachten:

Ons best vertrek was steeds het spookvertrek, helaas!

Maar kan uw wakk’re moed gerust het spel verwachten

Van rammelend gordijn- en ketenengeraas;

Behoudt uw kloeke tong dan nog de macht van spreken,

Als een ontzettend spook zich aan uw bed vertoont;

Vraagt gij ’t dan stout: waarom ’t is aan zijn graf ontweken,

Welaan, zoo wijs ik u de kamer, waar het woont!”

Eene ware geschiedenis.

Zij bereikten de kamer, waar zij gegeten hadden, en werden hartelijk door mejufvrouw Oldbuck verwelkomd.

„Waar is het jongere vrouwmensch?” vroeg de oudheidkenner.

„Inderdaad, broeder, te midden van de verwarring, wilde Mary niet naar mij luisteren; zij stoof weg naar het Halket-head –het is vreemd, dat gij haar dáár niet gezien hebt!”

„Hoe! – wat, – wat zegt gij, zuster? – is de deern in een nacht als [56]deze uitgeloopen naar de Halket-head rotsen? Goede Hemel! de ellende van dezen nacht is nog niet voorbij!”

„Maar gij wilt mij niet aanhooren, Monkbarns, gij zijt zoo driftig en ongeduldig?”

„Gekheid, vrouw!” hernam de onstuimige en ontroerde oudheidkenner „waar is mijne lieve Mary?”

„Juist, waar gij zelf moest zijn, Monkbarns! – boven, en in een warm bed.”

„Dat had ik willen zweren,” zeide Oldbuck lachende, maar merkelijk verlicht, „ik had het willen zweren; – de luie aap zou zich er niet om bekommeren, al waren wij allen verdronken! waarom zeidet gij, dat zij uitgegaan was?”

„Maar gij liet mij niet uitspreken, Monkbarns! Zij ging uit, en kwam terug met den tuinman, zoodra zij zag, dat niemand van de klip gestort, en Isabella Wardour behouden in het rijtuig was. Zij is nu een kwartier tehuis; want het slaat nu tien uur; – het arme kind was door en door nat, en ik deed een glas Xeres in haar gortnat.”

„Recht zoo, Grizel! recht zoo; – dat vrouwvolkje vertroetelt elkander altijd! Maar hoor, mijne eerwaardige zuster! – het woord eerwaardig verschrikke u niet: het geeft vele prijzenswaardige hoedanigheden te kennen, behalve die van den ouderdom; en ook deze is eervol, ofschoon het de laatste hoedanigheid is, waarmede de vrouwen zich gaarne gevleid zien! Maar overweeg mijne woorden: laat Lovel en mij dadelijk het overschot hebben van de kippenpastei en de rest van den portwijn.”

„De kippenpastei, – de portwijn, – wel, broeder! – er waren slechts een paar beentjes over, en nauwelijks een droppel wijn meer!”

Het gelaat van den oudheidkenner betrok, ofschoon hij te goed opgevoed was, om in tegenwoordigheid van een vreemdeling lucht te geven aan zijne ontevredenheid en verwondering over het verdwijnen van de spijzen, waarop hij zeker gerekend had. Maar zijne zuster kende deze teekens van gramschap. „O, lieve Monkbarns, is het de moeite waard, om daar zoo veel leven om te maken?”

„Ik maak geen leven, zoo als gij het noemt, vrouw!”

„Maar is het de moeite waard, zoo zuur te kijken om een paar beentjes? – En gij zult de waarheid hooren: gij moet weten, de dominé kwam, de waardige man, – hij was geheel en al van streek, dat spreekt, over uw deerniswaardig lot, zoo als hij het noemde, (want gij weet, hoe keurig hij in zijne woorden is,) en hij wilde hier wachten, tot hij vernemen kon, hoe het waarschijnlijk met u allen zou afloopen. Veel heerlijks zeide hij van de verplichting, om zich aan den wil der Voorzienigheid te onderwerpen, de waardige man! – ja, dat deed hij!”

„De waardige man!” hervatte Oldbuck op denzelfden toon: „Het zou hem niet spijten als Monkbarns weldra aan eene vrouwelijke erfgename kwam, dat geloof ik – en, terwijl hij zich bezig hield met den Christenplicht van vertroosting tegen dreigend onheil, veronderstel ik dat de kippenpastei en mijn goede portwijn verdwenen!”

„Waarde broeder! hoe kunt gij van zulke kleinigheden spreken, na zoo gelukkig aan den dood ontsnapt te zijn?”

„Beter, dan mijn avondmaal aan den dominé ontsnapt is, Grizel! – Er is zeker niets meer van over, veronderstel ik?”

„Wel, Monkbarns! gij spreekt, alsof er geen ander vleesch in huis was! [57]Het zou u niet bevallen hebben, als ik den beleefden man niet eenige geringe verversching aangeboden had, nadat hij van de pastorie was komen wandelen.”

Oldbuck neuriede en bromde half en half het einde van het oude Schotsche liedje:

„Eerst aten zij de witte poddings,

En dan de zwarten, o!

Toen dacht de man zoo bij zich zelv’

De duivel huist daar, o!”

Zijne zuster haastte zich zijn misnoegen te doen bedaren, door hem eenige overblijfsels van het middagmaal voor te zetten. Hij sprak van eene andere flesch wijn; maar beval bij voorkeur een glas brandewijn aan, die inderdaad voortreffelijk was. Daar Lovel niet kon overgehaald worden, zich in de fluweelen slaapmuts en den gebloemden kamerjapon van zijn gastheer uit te dossen, drong Oldbuck, die vermeende eenige kennis van de geneeskunde te hebben, er op aan, dat hij zich zoodra mogelijk naar bed zou begeven, en sloeg voor ’s morgens vroeg een bode (den onvermoeiden Caxon) naar Fairport te zenden, om andere kleederen te halen.

Dit was de eerste wenk voor jufvrouw Oldbuck, dat de jonge vreemdeling dien nacht haar gast zou zijn; en zij ontstelde daarover zoo zeer, dat, als het bovenstuk van haar hoofdtooisel, dat wij reeds beschreven hebben, minder zwaar geweest ware, de grijze haarlokken overeind zouden gerezen zijn en het van zijne plaats verdrongen hebben.

„Heere beware ons!” riep de ontstelde dame uit.

„Wat is er, Grizel?”

„Als ik u eventjes spreken kon, Monkbarns!”

„Spreken! – Waarover? – Ik verlang naar bed; – en deze arme jongen ook; – laat maar dadelijk een bed voor hem gereed maken.”

„Een bed? – De hemel beware me!” steunde weder Grizelda.

„Wel, wat scheelt er aan? Zijn er geene bedden en kamers genoeg in huis? Was het niet vroeger een oud hospitium, waarin men, zoo als ik op goede gronden zeggen kan, alle nachten bedden spreidde voor een twintigtal pelgrims?”

„O, waarde Monkbarns, wie kan zeggen, wat men in die oude tijden deed? – maar in onzen tijd! – bedden! – ja wel, er zijn bedden genoeg en ook kamers genoeg, maar gij weet zelf, dat de bedden niet beslapen, en de kamers niet gelucht zijn, sedert de Hemel weet hoe lang. – Als ik het geweten had, hadden Mary en ik van nacht naar de pastorie kunnen gaan; Rebekka is zeer verlangend om ons te zien, (en de dominé ook, broeder!) maar nu, – wel! wel!”

„Hebben wij niet de groene kamer, Grizel?”

„Ja, die hebben wij, en die is behoorlijk in orde, ofschoon er niemand in sliep sedert Dr. Heavysterne, en –”

„En wat?”

„En wat? Gij weet zelf zeer goed, hoe hij den nacht daar doorbracht. Gij zult den jongen heer aan zoo iets niet willen blootstellen, niet waar?”

Lovel, dezen woordentwist aanhoorende, kwam tusschenbeide, en betuigde, dat hij veel liever naar huis wilde wandelen, dan hun de minste ongelegenheid veroorzaken, – dat de beweging hem goed zoude doen, – dat hij, [58]even goed ’s nachts, als over dag, den weg naar Fairport vinden kon, – dat de storm bedaard was, en zoo voorts; terwijl hij er bijvoegde al wat de beleefdheid aan de hand kon geven als aanleiding, om van eene gastvrijheid ontslagen te worden, die de lieden van het huis veel lastiger scheen te wezen, dan hij bij mogelijkheid had kunnen veronderstellen. Maar het gehuil van den wind en het kletteren van den regen tegen de vensters, gevoegd bij de herinnering aan de doorgestane vermoeienissen, zouden Oldbuck, ook wanneer hij minder achting voor zijn jongen vriend had gevoeld dan wezenlijk het geval was, belet hebben zijn vertrek te gedoogen. Daarbij was zijne eer er mede gemoeid, dat hij zich vrij en onafhankelijk van het vrouwvolkje toonde. – „Neem plaats, ga zitten; – ga zitten, man!” herhaalde hij: „en gij zoudt zoo vertrekken? Veel liever ontkurkte ik nooit van mijn leven eene enkele flesch meer, en hier komt er eene puik puik, met sterke ale – geen namaaksels, afkooksels, – maar gebrouwd van Monkbarnsche gerst. Jan van Girnell trok er nooit eene betere open, om een zwervenden minnezanger, of pelgrim, over het laatste nieuws uit Palestina uit te vragen. En om u den lust te benemen van te vertrekken, weet, dat bijaldien gij het doet, uw roem als wakkere ridder voor altijd verloren is. Wel, man, het is een avontuur, in de groene kamer te Monkbarns te slapen! – Zuster, ik verzoek u te zorgen, dat die in orde komt! En, ofschoon de dappere Heavysterne veel leed en angst doorstond in dat bekoorlijk vertrek, is dit geen reden, waarom een moedige ridder als gij, bijna tweemaal zoo lang, en minder dan half zoo zwaar als hij, de betoovering niet zou te gemoet gaan en verijdelen!”

„Hoe? een spook, veronderstel ik?”

„Wel zeker, wel zeker; – ieder huis in dit land, dat eenigzins oud is, heeft zijne geesten en zijne spookkamer, en gij moet onze woning voor niet minder aanzien, dan die van onze buren. De spoken zijn wel wat uit de mode geraakt; maar ik heb den tijd gekend, dat gij, met het aanwezen van den geest in eenig heerenhuis te betwijfelen, gevaar zoudt geloopen hebben om zelf tot een geest gemaakt te worden, zoo als Hamlet zegt. Ja, als gij aan het bestaan van Roodkapje in het kasteel van Glenstryrim getwijfeld hadt, zou de oude Sir Peter Pepperbrand u op zijn kasteelplein hebben uitgedaagd, en indien gij uw wapen niet zeer behendig wist te voeren, zou hij u als een kikkert op zijn eigen erf aangeregen hebben. Ik zelf ontsnapte eens ter nauwernood aan zulk een gevecht; maar ik verontschuldigde mij ootmoedig, en erkende Roodkapje; want zelfs in mijne jeugd was ik geen vriend van de monomachia, of tweestrijd, en ging liever met den geleerde, dan met den krijgsman om, – en het kan mij weinig schelen wie daarom mijn moed betwijfelt. God dank! nu ben ik oud, en kan mijne drift bot vieren, zonder in de noodzakelijkheid te zijn, om die met het blanke staal te verdedigen.”

Hier trad Mejufvrouw Oldbuck weder in de kamer met een bijzonder deftig gelaat. „Mijnheer Lovel’s bed is gereed, broeder! Schoone lakens, – goed gelucht, – wat vuur in den haard, – zeker, mijnheer Lovel, het was niet om de moeite, – en ik wensch u wel te rusten; maar, –”

„Gij hebt besloten, om dat zoo veel mogelijk te beletten.”

„Ik? – Dat heb ik zeker niet gezegd, Monkbarns!”

„Mijne lieve jufvrouw,” zeide Lovel; „vergun mij te vragen, wat toch die vleiende ongerustheid omtrent mijn welzijn beteekent?”

„Monkbarns hoort er niet gaarne van spreken; maar hij weet zelf, dat de kamer een slechten naam heeft. Men weet zeer goed dat het dáár was, dat [59]de oude Robert Tull, de stadsschrijver sliep, toen hij die wonderbaarlijke inlichtingen kreeg omtrent het groote proces tusschen ons en de heeren van Mosselklip. Het heeft honderden gekost, mijnheer Lovel, want de processen werden lang geleden, evenmin als tegenwoordig, zonder geld gevoerd, – en de Monkbarns van dien tijd, onze grootvader, mijnheer Lovel, zoo als ik te voren zeide, – stond op het punt, om veroordeeld te worden, bij gebrek van één papier. Monkbarns weet wel, wat voor een papier het was: maar ik ben zeker, dat hij mij niet zal helpen met mijne historie; – maar het was een papier van groot belang bij het proces, en wij moesten het verliezen, omdat wij het stuk niet hadden. Welnu, – de zaak moest dienen voor de zitting van het hof op een bepaalden dag, en de oude Robert Tull, de stadsschrijver kwam over, om nog een laatst onderzoek te doen naar het stuk, dat ontbrak, eer onze grootvader naar Edinburg ging, om bij de behandeling van de zaak tegenwoordig te zijn: dus was er niet veel tijd te verliezen. Het was maar een onwetende suffert, die Robert, zoo als ik gehoord heb; maar hij was toen stadsschrijver te Fairport, en de Monkbarns gebruikten hem in hunne rechtszaken, wegens hunne betrekking tot de stad, zoo als gij weet, –”

„Zuster Grizel, dit is onuitstaanbaar!” viel Oldbuck haar in de rede. „Bij den Hemel! gij zoudt de geesten van alle abten van Trotcosey sedert de dagen van Waldemar uit hunne graven hebben kunnen doen verrijzen, in den tijd, dien gij tot de bezwering van één enkel spook besteed hebt. Leer beknopt te zijn in uwe verhalen. Volg den korten stijl na van den ouden Aubrey, een ervaren geestbezweerder, die zijne aanteekeningen over deze onderwerpen op eene korte, zaakrijke wijze maakte; exempli gratia: „Te Cirencester, 5 Maart 1670, was er eene verschijning; – gevraagd zijnde, of een goede, of een kwade geest? antwoordde hij niet, maar verdween oogenblikkelijk, met een zonderlingen geur en een welluidenden klank.” Vide zijne Mengelschriften, blz. achttien, en, zoo veel ik mij herinneren kan, omtrent het midden van de pagina.”

„O, Monkbarns, mensch! denkt gij, dat iedereen zoo geleerd is als gij? – maar gij houdt er van de menschen voor den gek te houden; – gij doet dat met Sir Arthur, ja zelfs met den dominé!”

„De natuur is mij vóor geweest, Grizel, ten opzichte van deze beiden, en nog in éen ander geval, waarvan ik niet spreken zal; – maar neem een glas ale, Grizel, en ga voort met uw verhaal; want het wordt laat.”

„Jenny is bezig met uw bed te warmen, Monkbarns, en gij moet toch wachten totdat zij klaar is. – Wel, ik was juist tot het onderzoek gekomen, door onzen grootvader Monkbarns met den ouden Robert Tull ingesteld; maar wat zij deden, zij konden niets vinden, om hen te helpen; en zie, – nadat zij eene menigte lederen zakken met papieren leêg geschud en doorsnuffeld hadden, kreeg de stadsschrijver zijn glaasje punch; – maar niet meer dan noodig was, om de stof uit zijne keel te spoelen: want wij waren hier nooit groote drinkers, mijnheer Lovel; – maar die man had zich zoo gewend aan het drinken en klinken met de schouten en schepenen, als zij over de gemeente zaken vergaderden, (en dat was bijna alle avonden,) dat hij zonder dat niet slapen kon. Nu, hij kreeg dan zijn glaasje punch en ging naar bed – maar midden in den nacht werd hij verschrikt wakker! – na dien tijd is hij nooit meer recht bij zijn stuk geweest, en juist vier jaren daarna, kreeg hij op denzelfden datum eene beroerte. Het kwam hem voor, mijnheer Lovel, alsof hij de gordijnen van het bed hoorde rammelen, en hij [60]stak er het hoofd uit, denkende, die goede man! dat het de kat was; – maar hij zag, – de Hemel sta ons bij! – ik ril er van, ofschoon ik de historie wel twintigmaal verhaald heb, – hij zag een welvarenden ouden heer, in den maneschijn, naast zijn bed staan, met een ouderwetschen rok vol knoopen en lissen, en dat gedeelte van zijne kleeding, waarover het eene dame niet past te spreken, was heel breed en wijd, met vele plooien, als dat van een Hamburgschen schipper; – daarbij had hij een baard, en op de bovenlip een ontzettend langen knevel, die opwaarts krulde; en er waren nog vele andere bijzonderheden, daar Robert Tull van vertelde, maar die nu vergeten zijn: want het is eene oude historie. Wel nu, Robert was een eerlijk man voor een stadsschrijver, en was minder bang, dan men had mogen verwachten. Hij vroeg den geest, wat hij in vredes naam wilde? – En de geest antwoordde in eene onbekende taal. Toen, zeide Robert, beproefde hij ’t met het Celtisch; want hij kwam, in zijne jeugd, uit de Hooglanden van Glenlivat, maar dat wilde niet lukken. Wel nu, in zijne vrees, vielen hem een paar woorden Latijn te binnen, die hij in zijne stukken placht te gebruiken, – en nauwelijks had hij den geest daarmede aangesproken, of deze wierp hem zooveel Latijn naar het hoofd, dat de arme Robert Tull, die volstrekt geen geleerde was, er geheel van verpletterd stond. Hij vatte nochtans moed en herinnerde zich den Latijnschen naam van het stuk, dat hij zocht. Het was eene soort van kaart, naar ik mij verbeeld; want de geest schreeuwde maar: Carter, Carter!”.

Carta, gij taalschendster!” riep Oldbuck; „als mijn voorvader geene betere taal geleerd had in de andere wereld, zal hij toch ook niet zijn Latijn vergeten hebben, dat hem zoo beroemd op deze aarde maakte.”

„Wel, wel, zoo zij het; Carta dan; maar zij, die mij de historie vertelden, zeiden Carter; – hij schreeuwde dus Carta, als het Carta wezen moet, en gaf aan Robert een teeken om hem te volgen. Tull vatte moed als een Hooglander, sprong uit het bed, nam van zijne kleederen meê, wat hem het eerste voor de hand kwam, en volgde het spook, trap op, trap af, naar de plaats, die wij de hooge duiventil noemen, – een kleine toren aan den hoek van het huis, waar een stapel oude kisten en koffers stonden, – en daar gaf de geest Robert met één voet een stoot, en schopte hem met den anderen tegen dat oude, Oostindische gevaarte van een kabinet, dat mijn broeder nu naast zijne schrijftafel heeft staan; waarna hij als een tabakswolkje verdween, en Robert in een zeer beklagenswaardigen toestand achterliet.”

Tenues secessit in auras, zeide Oldbuck, „et mansit odor, – mijnheer! Maar zeker is het, dat het stuk gevonden werd in eene lade van dit vergeten repositorium, hetwelk vele andere belangrijke papieren bevatte, die nu behoorlijk schoon gemaakt en geschikt zijn, en welke aan mijne voorzaten, de eerste bezitters van Monkbarns, schijnen te hebben toebehoord. Hetgeen men dus op eene vreemde wijze terugvond, was het oorspronkelijke Charter, de Abdij, met de daarbij behoorende landen van Trotcosey, Monkbarns en anderen, tot eene leenheerlijkheid verheffende, ten behoeve van den eersten Graaf van Glengibber, een gunsteling van Jakob VI. Het is door den Koning onderteekend te Westminster, den zeventienden Januari van het jaar onzes Heeren duizend zes honderd en twaalf – dertien. Overigens is het de moeite niet waard om de namen der getuigen te noemen.”

„Ik wenschte liever,” zeide Lovel, „uw gevoelen te vernemen over de wijze, hoe men die ontdekking deed.”

„Had ik eene autoriteit noodig, om de overlevering omtrent het oude huis [61]Monkbarns te staven, ik zou u niemand minder dan den heiligen Augustinus noemen kunnen, die ons de geschiedenis verhaalt van een afgestorvene, die aan zijn zoon verscheen, dien men wegens eene reeds betaalde schuld vervolgde, en hem de plaats aanwees, waar de kwitantie te vinden was1. Maar ik kleef veeleer het gevoelen aan van Lord Bacon, die zegt, dat de verbeeldingskracht in een zeer nauw verband staat met het geloof aan wonderwerken. Van oudsher bestond er een ongerijmd verhaal, dat in die kamer de geest spookte van mijn voorvader Oldobrand Oldenbuck; – hij was een vreemdeling, en droeg zijne volkskleeding, waarvan men bij overlevering eene nauwkeurige beschrijving heeft; en er bestaat inderdaad een portret van hem, – naar men veronderstelt door Reginald Elstracke, – en waarop hij voorgesteld wordt op de drukkerij, met eigen hand aan de pers werkende, bij het afdrukken van zijne zeldzaam gewordene uitgave der Augsburgsche Geloofsbelijdenis. Hij was een even goed schei- als werktuigkundige, en eene van deze twee hoedanigheden was te dien tijd in dit land genoeg, om er ten minste een tooversprookje van te maken. De bijgeloovige oude schrijver Robert had dit alles gehoord, en geloofde het zeer waarschijnlijk, en in den slaap brachten hem de plaats en de herinnering aan mijn voorvader op dat van zijn kabinet terug, dat met de dankbare oplettendheid, die de oudheden en de nagedachtenis onzer voorouders veelal ten deel valt, in het duivenhok geduwd was, om het uit den weg te hebben. – Voeg er nu eene genoegzame hoeveelheid overdrijving bij, dan hebt gij den sleutel tot het geheim.”

„O, broêr, broêr! Maar Dr. Heavysterne, broêr! – wiens slaap zoo akelig gestoord werd, – die verklaarde, voor geheel, Monkbarns, geen tweeden nacht in de groene kamer te willen doorbrengen, zoodat Mary en ik genoodzaakt waren, de onze af te staan.”

„Nu ja, Grizel, de dokter is een goede eerlijke Duitscher, die vele verdiensten heeft, op zijne wijze; maar, even als velen zijner landslieden, is hij een liefhebber van het geheimzinnige. Den geheelen avond bracht gij te zamen over spoken sprekende door, terwijl hij u vertelsels opdischte van Mesmer, Shröpfer, Cagliostro en andere hedendaagsche voorstanders van de kunst, om geesten te doen verrijzen, schatten te ontdekken, en zoo voorts, in ruil tegen uwe vertelsels van de groene slaapkamer. En daarbij overwegende, dat de Illustrissimus anderhalf pond Schotsche schapenribbetjes gebruikte voor zijn avondmaal, zes pijpen rookte, en ale en brandewijn naar verhouding dronk, dan verwondert het mij niet, dat hij een aanval van nachtmerrie kreeg. – Vergun mij nu, mijnheer Lovel, u vóor te lichten naar uw vertrek. Gij hebt zeker rust noodig, – en ik vertrouw, dat mijn voorzaat te veel besef zal hebben van de plichten der gastvrijheid, om u in eene nachtrust te storen, die gij door uw manhaftig en ridderlijk gedrag zoo goed verdiend hebt.”

Met deze woorden nam de oudheidkenner een grooten kandelaar op van zwaar zilver en ouderwetschen vorm, waarvan hij deed opmerken, dat die gemaakt was van zilver in het Hartzgebergte gevonden, en het eigendom was geweest van den persoon zelven, die dezen avond de stof tot het gesprek geleverd had. En nu wees hij den weg door eene menigte donkere en tochtige gangen, nu eens klimmende, dan weêr dalende, tot zij het vertrek bereikten, dat voor zijn jongen gast bestemd was. [62]


1 Zie noot A aan het einde van het werk. 

[Inhoud]

Tiende Hoofdstuk

Wanneer de middernacht bij eene donk’re maan,

Het zwarte rouwkleed spreidt, en mensch en dieren zwijgen;

Wanneer de klokken ’t uur eentoonig langzaam slaan,

Waarop de dooden stil uit hunne graven stijgen;

Zoo zie ik wel geen schim mij volgen op den hiel,

Geen’ ontevred’nen geest mijn legerstede nad’ren;

Maar ak’lig spookt het dan in ’t diepste mijner ziel: –

Ik zie verdwenen hoop, en ’t bloed stolt in mijne ad’ren.

W. R. Spencer.

Toen zij in de zoogenaamde groene kamer gekomen waren, plaatste Oldbuck den kandelaar op eene toilettafel, vóor een zeer grooten spiegel met een zwart Chineesch verlakten rand, omgeven van toiletdoosjes in denzelfden smaak, en keek eenigszins ontroerd rond. „Zelden,” zeide hij, „kom ik in dit vertrek, en nooit, zonder mij aan eene sombere droefgeestigheid over te geven; – niet opgewekt door de kinderachtige ongerijmdheden, waarvan Grizel u vertelde; maar voortspruitende uit eene vroegere ongelukkige neiging. – Het is in oogenblikken als deze, mijnheer Lovel, dat wij de veranderingen, door den tijd veroorzaakt, gevoelen. Wij hebben dezelfde voorwerpen vóór ons; – deze onbezielde dingen, waarop wij als eigenzinnige kinderen, als onstuimige jongelingen, als nadenkende en bedaarde mannen staarden, zijn en waren onveranderlijk; maar, wanneer wij ze in onzen kouden, gevoelloozen ouderdom aanschouwen, kunnen wij dan, – veranderd in onzen gemoedsaard, in onze neigingen, en in onze gewaarwordingen, – veranderd in onze gestalte, in ons uiterlijk, in onze krachten, – kunnen wij dan nog wel dezelfden genoemd worden? Of zien wij niet eerder met een soort van verwondering op ons vorig bestaan terug, als op dat van een ander wezen, onderscheiden van hetgeen wij nu werkelijk zijn? De wijsgeer, die zich van den beschonken Filippus op den nuchteren Filippus beriep, koos geen zoo verschillenden rechter, als wanneer hij zich van Filippus den jongeling op Filippus den grijsaard beroepen had. Onwillekeurig overmeestert mij de gewaarwording, zoo heerlijk uitgedrukt in een dichtstuk, dat ik heb hooren voorlezen:1

„Een kindsche traan mijn oog bevocht,

Weemoedig wordt mijn hart;

Den klank toch, dien ’k toen hooren mocht,

Hoor ik nog onverward.

Zoo gaat het in den grijzen staat;

Nog treurt de wijze man

Meer om hetgeen de tijd hem laat,

Dan wat de tijd hem nam.”

[63]

„Wel nu, de tijd geneest iedere wonde, en ofschoon het litteeken overblijft en soms pijnigt, gevoelt men echter niet meer de smarte van het eerste oogenblik, toen ze ons toegebracht werd.” – Met deze woorden, drukte hij Lovel hartelijk de hand, wenschte hem goeden nacht, en vertrok.

Stap voor stap kon Lovel zijn gastheer zich hooren verwijderen door de verschillende gangen van het huis, en elke deur, die deze achter zich toedeed, klonk al doffer en doffer. Lovel, thans van de wereld afgescheiden, nam den kandelaar op, en onderzocht zijn slaapvertrek. Het vuur brandde helder. Mejufvrouw Grizel had de oplettendheid gehad om er een voorraad hout bij te laten, als hij verkiezen mocht door te stoken, en het vertrek had een aangenaam, hoewel geen vroolijk voorkomen. Het was behangen met een tapijt uit de fabrieken van Arras, in de zestiende eeuw geweven, dat de geleerde boekdrukker, van wien wij zoo dikwijls gewaagden, mede gebracht had, als een kunstwerk van het vasteland. Het stelde eene jacht voor: en daar de takken der boomen zich over het behangsel verspreidden, en het groen dus de heerschende kleur was, had het vertrek de benaming van de groene kamer gekregen. Stijve figuren, in oude Vlaamsche kleederdracht, met bonte wambuizen, bezet met linten, korte manteltjes en wijde broeken, waren bezig met hunne verschillende soorten van hazewinden, of jachthonden, gekoppeld vast te houden, of dreven ze op het wild aan. Anderen vielen met hartsvangers, zwaarden en ouderwetsche snaphanen, herten en everzwijnen aan, die tot staan gebracht waren. Op de takken der geweven boomen zaten vogels van verschillenden aard, elk met zijne eigenaardige bonte vederen. Het scheen alsof de vruchtbare verbeelding van den ouden Chaucer den Vlaamschen kunstenaar bezield had; en Oldbuck had dan ook de volgende dichtregels van dien voortreffelijken ouden dichter, met Gothische letter, op een soort van rand doen borduren, en onder aan het tapijt laten zetten:

„Zie! hoe die groete eycken zich heffen in accoert,

Ende onder ’t malsche gras preyckt als koerenaeren,

Negen voet van elkaer ghene sin naebuer stoert,

Met breide tacken rick vol van nuewe blaeren,

Ontsproenghen in die sonne sein

Gulden roed ende glinstrend gruen.”

Op een ander vak bevond zich het volgende oude vers:

„Ende viele harten ende seer viele hinden,

Waeren voer mi ende achter mi te vinden;

Van paeuwen van cudden crioelde ’t wout,

Boucken ende geyten doorgraesden ’t hout;

Enbe hoeg in die boemen en Eyckhoerns zaeten,

Die sproenghen of cloemmen of noeten aeten.”

Het bekleedsel van het ledekant was verschoten donker groen, in overeenstemming met het behangsel, maar van latere dagteekening en van een minder bekwamen meester. De zware, breede stoelen met gevulde zittingen en zwart [64]ebbenhouten ruggen, waren in denzelfden smaak geborduurd, en boven den ouderwetschen schoorsteenmantel hing een groote spiegel, waarvan de lijst met de versiersels van de toilettafel overeenkwam.

„Ik heb wel eens gehoord,” mompelde Lovel, terwijl hij een vluchtiger blik wierp op de kamer en hare stoffering, „dat de spoken dikwijls het beste vertrek in het huis kiezen voor hun oponthoud, en ik kan den smaak van wijlen den drukker der Augsburgsche Geloofsbelijdenis niet afkeuren.” Maar hij vond het zoo moeielijk, om zijne gedachten te vestigen op de verhalen, die men hem gedaan had van een vertrek, dat er zoo bijzonder voor geschikt scheen, dat het hem bijna speet, de onrustige gewaarwordingen, gedeeltelijk van vrees, gedeeltelijk van nieuwsgierigheid, niet te gevoelen, die met de oude ontzag en verwondering verwekkende overleveringen strookten, en waarvan hem de droevige zekerheid van zijne eigene hopelooze liefde thans geheel bevrijdde. Want hij gevoelde alleen, wat de volgende regels uitdrukken:

„Ach, liefdeloos meisje! hoe deedt gij veranderen

De stemming van mijn hart!

Dat hart, onverschillig omtrent alle anderen,

Wordt als het uwe hard!”

Hij poogde evenwel eenigszins de gewaarwordingen bij zich op te wekken, welke, onder andere omstandigheden, eigen aan zijn toestand zouden geweest zijn; maar hij was te zeer met andere gedachten vervuld, om aan zijne verbeeldingskracht vrij spel te laten. De herinnering, dat Isabella Wardour hem niet had willen herkennen, toen zij genoodzaakt geweest was zijn gezelschap te dulden, terwijl zij duidelijk deed blijken, dat zij hem opzettelijk vermeden had, zou reeds alleen genoeg zijn geweest om hem geheel bezig te houden. Maar hierbij voegden zich nog andere herinneringen, die, hoewel ze hare aangename zijde hadden, hem evenwel meer ontroerden, – hare redding van den rand des afgronds, – de gelukkige bijstand, dien hij haar had kunnen verleenen, – en, – wat was zijne belooning? – Zij verliet de klip, terwijl zijn lot nog onbeslist was, – terwijl het nog onzeker was, of haar redder, die zijn leven zoo roekeloos voor haar gewaagd had, dat leven er niet bij had ingeschoten. De dankbaarheid vorderde ten minste eenige belangstelling in zijn lot. – Maar neen! zij kon niet zelfzuchtig en onrechtvaardig zijn; – dit kon niet met haren aard strooken. Zij wilde slechts de hoop voor altijd uitblusschen en dat juist uit medelijden met hem, om eene neiging te smoren, waaraan zij niet beantwoorden kon.

Maar ook deze verliefde redenering scheen niet geschikt, om hem met zijn lot te verzoenen; hoe beminnelijker toch hij zich Isabella Wardour voorstelde, des te ongelukkiger was het voor hem, als hij alle hoop moest opgeven. Hij was zich wel bewust hare vooroordeelen over eenige punten uit den weg te kunnen ruimen; maar, ook in het uiterste besloot hij, bij zijn eerst opgevatte voornemen te volharden, om zich te overtuigen, dat zij opheldering wenschte, eer hij die opdrong. En hoe hij ook de zaak beschouwde, hij vond volstrekt geene reden, om ze als hopeloos te beschouwen. Zij scheen eenigzins verlegen, zoowel als zeer verwonderd, toen Oldbuck hem aan haar voorstelde, en wellicht diende haar ernst alleen om hare verlegenheid te verbergen. Dus wilde hij geene uitzichten opgeven, die hem reeds zoo veel smart veroorzaakt hadden. Ontwerpen, avontuurlijk als het brein, dat ze [65]smeedde, vervingen elkander, en zweefden door elkaâr in zijn hoofd, verward, als de stofdeeltjes in den zonneschijn, en bleven hem, lang nadat hij zich neêrgelegd had, de rust benemen, die hij zoo zeer behoefde. Eindelijk, mismoedig over de onzekerheid en moeielijkheden, die elk plan schenen te belemmeren, bepaalde hij zich tot het voornemen eener krachtige poging, om zijne liefde „als dauwdroppels van ’s leeuwen manen” af te schudden, en daartoe die studiën en den levensloop te hervatten, welke zijne onvergolden liefde zoo lang gestoord had. In dit besluit trachtte hij zich nu te versterken, door alles wat hem de trots zoowel als de rede kon ingeven. „Zij moet zich niet verbeelden,” zeide hij, „dat ik van een toevalliger dienst, aan haar of haren vader bewezen, misbruik wil maken, om mij aan haar op te dringen, terwijl zij mij, buiten dat, geen recht daartoe toekent. Ik wil haar niet meer zien. Ik wil naar een land terug keeren, waar, zoo geene schoonere, althans menige even schoone en minder hoogmoedige vrouwen zijn dan Isabella Wardour. Morgen neem ik van deze noordsche kusten afscheid, en tevens van haar, die even koud en ondankbaar is, als de luchtstreek.” – Na zich eenigen tijd in deze bittere overpeinzingen verdiept te hebben, kreeg de natuur eindelijk de overhand, en hij viel, in weêrwil van zijn toorn, zijne twijfeling en zijne gejaagdheid, in den slaap.

Zelden is, na hevige ontroeringen, de slaap gezond of verkwikkelijk. Die van Lovel werd gestoord door eene menigte zonderling verwarde droombeelden. Hij was een vogel, – hij was een visch, – of hij vloog als de een, en zwom als de ander, – hoedanigheden, die hem weinige uren te voren zeer te pas zouden gekomen zijn. Dan was Isabella Wardour eene Sireen of een paradijsvogel, haar vader een Triton of eene zeemeeuw, en Oldbuck beurtelings een bruinvisch of eene waterraaf. Deze aangename verbeeldingen gingen afwisselend gepaard met al de gewone verwarde voorstellingen van een koortsachtigen droom: de lucht wilde hem niet dragen; het water scheen hem te branden; – de rotsen waren zacht als donzen kussens, zoodra hij er tegen geslingerd werd; – wat hij ook ondernam, mislukte op eene wonderbare en onverwachte wijze, – en wat hij ook zag, verdween als hij het nader wilde gadeslaan of aanraken, soms onder de wonderlijkste gedaanteverwisselingen; terwijl hij gedurende al dien tijd eenigszins bewust bleef van de begoocheling, en er zich te vergeefs van poogde te bevrijden door wakker te willen worden. Dit zijn alle koortsachtige kenteekens, maar al te goed bekend aan hen die met de nachtmerrie, door de geleerden Ephialtis genoemd, vervolgd worden. Ten laatste schikten zich deze dolle droombeelden tot een eenigszins meer geregeld geheel, zoo inderdaad niet Lovel’s verbeeldingskracht; (eene der levendigste zijner gaven), hem langzamerhand op eene meer geregelde wijze het tooneel voorstelde, dat de slaap hem minder duidelijk geschetst had. Ook kan het wezen, dat zijn koortsachtige toestand iets bijdroeg tot de schepping der verschijning.

Dit mogen de geleerden beslissen; wij zullen alleen zeggen, dat, na eene reeks van de verwarde droombeelden, welke wij beschreven hebben, onze held, – want voor zoodanig moeten wij hem erkennen, – in zoo verre zijne bewustheid terugkreeg, dat hij zich kon herinneren waar hij was, en dat de geheele stoffeering der groene kamer zich aan zijne sluimerende oogen vertoonde. – En hier zij het mij vergund, nog eenmaal op het plechtigste te betuigen, dat, als er nog ouderwetsch geloof genoeg onder het tegenwoordig spotachtig en twijfelziek geslacht mocht bestaan, om te veronderstellen dat hetgeen volgt veeleer de indruk was door de oogen, dan door [66]de verbeeldingskracht ontvangen, wij die leer niet bestrijden. Lovel was dan, – of verbeeldde zich te zijn, – geheel wakker in de groene kamer, starende op de flikkerende vlammen, welke de nog onverbrande overblijfsels der takkebossen opzonden, als ze éen voor éen in de gloeiende kolen vielen, waarin het voornaamste gedeelte van den stapel, waartoe ze behoord hadden, reeds veranderd was. Onwillekeurig verrees het oude vertelsel van Odobrand Oldenbuck, en zijne geheimzinnige bezoeken aan de bewoners der groene kamer voor zijn geest, en ter zelfder tijd, zoo als wij dikwijls in droomen ontwaren, gevoelde hij eene angstige en benauwde verwachting, die zelden mist om ons dadelijk de denkbeeldige voorwerpen onzer vrees duidelijk voor te stellen. De vlammen in den schoorsteen werden hoe langer hoe helderder, en zoo schitterend, dat ze de geheele kamer verlichtten. Het tapijt golfde onstuimig aan den wand, tot de donkere gestalten er op begonnen te leven. De jagers stieten in den horen; – het hert scheen te vluchten, het everzwijn zich te verweren, en de honden het eene te vervolgen en het andere aan te vallen: het gebrul der dieren, door de honden verscheurd, het geschreeuw der jagers, en het gekletter van de hoefslagen der paarden werd van alle kanten gehoord; terwijl iedere groep, in de volle drift der jacht, de bezigheden verrichtte, die de kunstenaar afgebeeld had.

Lovel beschouwde deze vreemde vertooning zonder verwondering, – waaraan de verbeeldingskracht in den slaap zelden onderhevig is; – maar met een benauwd gevoel van huivering en schrik. Eindelijk verliet een der geweven jagers, terwijl Lovel meer bepaaldelijk op hem staarde, het tapijt en naderde het bed van den slaper. Nader gekomen, scheen de gestalte te veranderen. Zijn jachthoren werd een groot boek met bronzen sloten, zijn jachtmes veranderde in een van die bonten barets, welke de Burgemeesters van Rembrandt dragen; zijne kleeding bleef onveranderd, maar zijne gelaatstrekken, niet langer bewogen door de drift der jacht, werden ontzagwekkend en streng, zoo als best voegde aan den eersten bezitter van Monkbarns, volgens de beschrijving die zijne afstammelingen den vorigen avond van hem gegeven hadden.

Met deze gedaanteverandering bedaarde het gejoel en rumoer onder de overige personages op het tapijt, en de verbeelding van den droomende werd nu uitsluitend gevestigd op de ééne gestalte, welke voor hem stond. Lovel poogde dezen ontzagwekkenden persoon met eene soort van bezwering, naar den aard der omstandigheden, aan te spreken; maar zijne tong, zoo als bij de meeste verschrikkelijke droomen plaats heeft, weigerde haren dienst, kleefde aan zijn verhemelte. Aldobrand hield den vinger omhoog, als om den gast, die zich in zijn vertrek bevond, het stilzwijgen op te leggen, en ving toen bedaard aan het oude boek, dat hij in de linkerhand hield, te ontsluiten. Toen het opengeslagen was, doorbladerde hij het een oogenblik haastig, en zich daarna oprichtende, en het boek in de linkerhand opgeheven houdende, wees hij op de bladzijde, welke hij opgeslagen had. Ofschoon onze droomer de taal niet verstond, werden nochtans zijne oogen en aandacht sterk getroffen door den regel, welken de gedaante hem scheen te willen inprenten; de woorden er van vlamden als met een bovennatuurlijk licht, en bleven diep in zijn geheugen gegrift. Het spook sloeg nu het boek dicht, en oogenblikkelijk werd de kamer vervuld met de klanken eener bekoorlijke muziek. – Lovel sprong in zijn bed op, en ontwaakte thans geheel en al. De muziek bleef echter steeds nog in zijne ooren, en hield niet op, voordat hij duidelijk de wijs van eene oude Schotsche ballade onderscheiden kon.

Hij zat overeind in zijn bed, en trachtte zich van de droombeelden te bevrijden, [67]die den geheelen nacht door zijne hersens vervuld, en zijne rust zoo zeer gestoord hadden. De stralen der morgenzon vielen door de half geslotene blinden, en verlichtten het vertrek. Hij keek rond naar het behangsel; maar de bonte groepen van zijden en geweven jagers stonden vast aan de muren gehaakt; slechts de morgenkoelte, die zich een weg door het eventjes openstaande vensterraam had gebaand en over het behangsel streek, deed het zacht trillen. Lovel sprong uit het bed, en eene kamerjapon omwerpende, die men met de meeste oplettendheid voor hem klaar gelegd had, begaf hij zich naar het venster, dat het uitzicht over de zee had, die nog steeds, zoo als het geloei der baren aankondigde, ontroerd bleef door den storm van den vorigen avond, hoewel de morgen schoon en helder straalde. Het venster van een toren, die in een rechten hoek met den kamermuur vooruitstak, en dus zeer nabij Lovels vertrek was, stond half open, en van daar hoorde hij nu weêr dezelfde muziek, waardoor zeer waarschijnlijk zijn droom gestoord werd. De klanken hadden tegelijk met het bovennatuurlijke tevens veel van hunne bekoorlijkheid verloren; – thans hoorde hij niets meer dan eene wijs, vrij goed op de klavecimbel uitgevoerd; zoo sterk werkt de verbeelding ten opzichte der kunstwerken. Eene vrouwenstem zong, niet zonder smaak en met groote eenvoudigheid, eene soort van lied of lofzang, van den volgenden inhoud:

„Wat zit gij, grijsaard, droef en stom,

Bij dien bemosten bouwval neêr?

Wenscht gij die vroegre pracht weêrom,

Denkt ge aan dien luister van weleer?

„Kent gij mij niet,” zoo vangt hij aan,

„Zoo vaak misbruikt, zoo vaak belacht,

En beurtelings in trotschen waan

Begeerd, beschuldigd en veracht?

„Ik blaas als over brandend vlas

Mijn adem over ’t menschdom heen.

Wat gistren rijk en bloeiend was,

Stort morgen als dit puin ineen.

De tijd is kort, zie in dit glas,

Hoe ’t zand zich spoedt met snellen val;

Denk dat er eens – wie weet hoe ras! –

Voor u geen tijd meer wezen zal.”

Terwijl het gezang voortduurde, had Lovel zich weêr naar bed begeven. De denkbeelden, die het opwekte, waren aangenaam en romantisch, zoodat hij er een groot behagen in schepte, en thans zeer gaarne de moeielijke taak, om zijn toekomstig gedrag te bepalen tot later op den dag uitstelde, en zich overgevende aan den zoeten sluimer, waarin hem de muziek wiegde; viel hij in een gezonden en verkwikkelijken slaap, waaruit hij eerst laat door den ouden Caxon gewekt werd, die in zijne kamer sloop, om bij hem de diensten van kamerdienaar te verrichten.

„Ik heb uw rok uitgeborsteld, mijnheer,” zei de oude man, toen hij bemerkte, dat Lovel wakker was, „de knecht bracht hem heden morgen van [68]Fairport; want die, welken gij gisteren aanhad, is nog niet droog, hoewel hij den geheelen nacht in de keuken bij het vuur gehangen heeft; – en ik heb uwe schoenen gepoetst. Ik geloof niet, dat gij mij noodig zult hebben, om uwe haren op te binden; want” (met eene kleine zucht) „al de jonge heeren dragen ze tegenwoordig kort; – maar ik heb de krultang meêgebracht, om ze, als gij het goedvindt, een beetje om het voorhoofd te krullen, eer gij naar beneden gaat bij de dames.”

Lovel, die intusschen weêr opgestaan was, wees de dienst van den ouden man van de hand, maar vergezelde de weigering met een douceur, welke Caxon’s teleurstelling geheel en al vergoedde.

„Het is jammer, dat hij de haren niet opgebonden en gepoederd draagt,” zei de oude kapper, toen hij in de keuken kwam, waar hij, onder het een of ander voorwendsel, driekwart van zijn ledigen tijd, dat wil zeggen den geheelen dag doorbracht; – „het is wel jammer van zulk een schoon jong mensch.”

„Loop heen, oude gek!” antwoordde Jenny Rintherout, „wildet ge dat mooie bruine haar met uw vet insmeren, en het dan met meel poeieren, als de oude pruik van den dominé? – Ge komt om je ontbijt, veronderstel ik? – hier, daar is soep, – het zal beter zijn, dat ge daaraan en aan de karnemelk slobbert, dan je met het hoofd van mijnheer Lovel te bemoeien; – ge zoudt het mooiste en heerlijkste haar bederven, dat er in geheel Fairport, stad en graafschap, te vinden is.”

De arme barbier zuchtte over de minachting, waarin zijne kunst zoo algemeen gevallen was; maar Jenny was eene te gewichtige persoon, om haar door tegenspreken te beleedigen. Vreedzaam alzoo in de keuken gezeten, slikte hij terzelfder tijd zijne vernedering, en den inhoud van eene schaal, die eene Schotsche kan krachtige havermeelsoep bevatte.


1 Uit de Lyrische Gedichten van Wordsworth. 

[Inhoud]

Elfde Hoofdstuk

Dan dacht hij, de verschijning kwam van Hooger hand,

Die deed de beelden staan of stijgen aan den wand;

Dan weêr, dat alles slechts in de verbeelding lag,

Los overblijfsel, slechts herinnering van den dag.

Wij moeten nu de lezers verzoeken, zich te verplaatsen in het ontbijtvertrek van den heer Oldbuck, die met verachting van de hedendaagsche thee en koffij, zich more majorum, krachtiger onthaalde op een stuk koud rundvleesch, en eene soort van sterk bier, mum genaamd, gebrouwd van weit en bittere kruiden, welks naam echter nu slechts nog gevonden wordt in de accijns-wetten onder de meer bekende namen van appelwijn en andere belastbare dranken. Lovel, die zich liet overhalen, om het te proeven, stond op het punt van het afschuwelijk te noemen; maar hij hield zich in, toen hij bedacht, dat dit zijn gastheer ten hoogste beleedigen zou, die den drank jaarlijks met bijzondere zorg liet toebereiden, volgens een aloud recept, dat [69]hij van den reeds meer gemelden Aldobrand Oldenbuck gevonden had. De gastvrijheid der dames verschafte Lovel een ontbijt meer naar den hedendaagschen smaak, en terwijl hij het met haar deelde, werd hij door zijdelingsche navorschingen geplaagd over de wijze, hoe hij den nacht had doorgebracht.

„Broêr! wij kunnen den heer Lovel heden morgen geen compliment maken, dat hij er bijzonder goed uitziet; – maar hij wil volstrekt niet bekennen, dat het aan eenige storing zijner nachtrust toe te schrijven is. Het is zeker, dat hij er zeer bleek uitziet, en toen hij hier kwam, was hij bloeiend als eene roos.”

„Maar, zuster, bedenk, dat die roos gisteren avond door zee en wind heen en weêr geslingerd is als een hoop zeegras, en hoe drommel zoudt gij willen, dat ze heden nog hare kleur behield?”

„Ik gevoel mij zeker nog eenigszins vermoeid,” zeide Lovel, „in weêrwil van de heerlijke verkwikkingen, waarmede mij uwe gastvrijheid voorzien heeft.”

„Och mijnheer!” antwoordde jufvrouw Oldbuck, terwijl zij hem met een glimlach aanzag, die te kennen geven moest, dat zij harer zaak zeker was, „gij wilt uit beleefdheid voor ons niet bekennen, dat men u gestoord heeft.”

„Wezenlijk, ik ben in het geheel niet verontrust geweest; want zoo iets kan ik van de muziek niet zeggen, waarmede mij de eene of andere vriendelijke toovergodin verrast heeft.”

„Ik dacht wel, dat Mary u met haar gerammel wakker zou maken; zij wist niet, dat ik een reet van uw venster opengelaten had; want, van den geest niet te spreken, moest de groene kamer bij hoogen wind eens gelucht worden. – Maar ik geloof, dat gij meer gehoord hebt, dan het gerammel van Mary heden morgen. – Wel nu, de mannen zijn stoute schepsels; zij durven maar alles aan; zeker, als ik iets van dien aard had moeten uitstaan, – ik meen iets dat bovennatuurlijk is, ik zou het in eens hebben uitgeschreeuwd en het geheele huis op de been gebracht hebben, wat er ook van gekomen ware; – en de dominé, durf ik zeggen, zou het ook gedaan hebben, en dat heb ik hem ook wel gezegd. Ik ken niemand, dan mijn broêr, Monkbarns zelven, die er zoo zou hebben door heen getast, behalve u, mijnheer Lovel!”

„Zulk een geleerd man, als mijnheer Oldbuck, zou niet blootgesteld wezen aan de verlegenheid, waarin zich de heer, van wien gij gisteren spraakt, zich bevond.”

„Ei! ei! gij weet nu ook, waaraan het hapert: – aan de taal. Hij heeft middelen op zijne eigene hand, om alle soorten van spoken, God weet waarheen, te verbannen; maar men zou niet gaarne onbeleefd zijn jegens een zijner voorouders, al spookte hij nog zoozeer. – Zeker, broêr, als ooit iemand weêr in de kamer slapen moet, wil ik het recept beproeven, dat gij mij in een boek hebt laten zien; ofschoon het christelijker ware, dunkt mij, dat gij de mattenkamer in orde liet brengen. Het is er wel wat vochtig en somber, dat is zeker; maar wij hebben zelden eene logeerkamer noodig.”

„Neen, neen, zuster, vochtigheid en duisternis zijn erger dan spoken; de onzen zijn geesten des lichts: – gij moest liever zelve het tooverrniddel beproeven.”

„Dat zou ik gaarne doen, Monkbarns, als ik de bestanddeelen er van maar had, zoo als die in mijn kookboek opgenoemd zijn. Daar is ijzerkruid en anijskruid in, – dat heugt mij; – onze David Dibble zal er wel uitkomen, al geeft hij er geen Latijnsche namen aan, – en peperkorrels; nu die hebben wij genoeg want –” [70]

Hypericon, malloot! schreeuwde Oldbuck; „Waaraan denkt gij? of gelooft gij, dat de geesten, ofschoon uit lucht bestaande, door een recept tegen een windje te verdrijven zijn? – Deze wijze Grizel, mijnheer Lovel, herinnert zich (hoe nauwkeurig, moogt gij zelf oordeelen,) een toovermiddel, waarvan ik haar eens sprak, en dat haar bijgeloovig brein zoo zeer schijnt getroffen te hebben, dat zij het veel beter onthouden heeft, dan al de degelijke dingen, die ik in de laatste tien jaren vertelde. – Maar menig ander oud wijf –”

„Oud wijf, Monkbarns!” riep mejufvrouw Oldbuck, haren gewonen onderworpen toon eenigszins vergetende, „gij zijt waarlijk niet al te beleefd!”

„Ik blijf echter rechtvaardig, Grizel! Ik begrijp onder dezelfde benaming menigen beroemden naam, van Jamblichus af, tot Aubrey toe, die hun tijd verspild hebben met denkbeeldige middelen uit te vinden tegen niet bestaande kwalen. – Maar ik hoop, mijn jonge vriend, dat gij, met of zonder betoovering, – versterkt door de kracht der Hypericon,

„Met anijs- en met ijzerkruid,

Dat ’t spel van heks en spoken stuit,”

of ongewapend en weêrloos tegen de aanvallen der onzichtbare wereld, nog wel een tweeden nacht zult wagen aan de verschrikkingen van het spookvertrek, en een anderen dag schenken aan uwe getrouwe vrienden.”

„Ik wenschte hartelijk, dat ik het kon; maar –”

„Spreek mij van geen maar; – ik ben er zeer op gesteld!”

„Ik ben u ten hoogste verplicht, waarde heer, maar –”

„Nu hoor eens, – alweêr maar! – ik haat dat maar;maar is mij een veel afgrijsselijker klank, dan neen zelf. Neen is een stugge, eerlijke vent, die ruw en rond zijn gevoelen zegt; – maar is een kruipend, draaiend koppelwoord, dat den beker wegrukt, op het oogenblik dat men hem aan de lippen brengt.”

Maar neemt het vorig goede weg;

Weg dan met dat ja, maar!

Ja, maar is als een stokkenknecht,

Op zondaars wachtend na ’t gerecht.

„Wel,” antwoordde Lovel, wiens voornemens op dit oogenblik wezenlijk nog wankelend waren, „de herinnering aan mij zal zich bij u niet met zulk een ellendig woord verbinden. Ik vrees, dat ik weldra Fairport zal moeten verlaten, – en ik wil, daar gij zoo goed zijt het te wenschen, van deze gelegenheid gebruik maken, om nog één dag hier door te brengen.”

„En het zal u vergolden worden, mijn jonge vriend! Ten eerste zal ik u het graf laten zien van Jan van Girnell, en dan zullen wij langzaam langs het strand wandelen, na ons eerst van de hoogte van het water verzekerd te hebben, (want wij willen geene avonturen, geen klim- en hijschwerk meer,) tot aan het kasteel van Knockwinnock, en vragen, hoe de oude ridder en mijne schoone vijandin het maken; – wat niets meer is dan de beleefdheid vordert; en verder, –”

„Vergeef mij, waarde heer, maar wellicht ware het beter, dat gij uw bezoek tot morgen uitsteldet; – ik ben een vreemdeling, zoo als gij weet. –”

„En zijt daarom te meer gehouden, om uwe beleefdheid te toonen, zou ik denken. Maar vergeef mij, een woord genoemd te hebben, dat wellicht [71]bij den oudheidkenner alleen te huis behoort; – ik ben nog van de oude school.

„Wanneer men mijlen galoppeerde

Naar zijne schoone van het bal,

Te hooren of geen koû haar deerde.”

„Wel, als – als, – als gij denkt, dat men erop rekent; – maar ik geloof, dat ik beter deed met weg te blijven.”

„Neen, neen, vriend; ik ben niet ouderwetsch genoeg, om u te dringen tot hetgeen u onaangenaam is, – volstrekt niet! – Het is mij genoeg, dat ik eenige remora, eenige reden tot uitstel, eenig beletsel ontdek, waarnaar ik het recht niet heb te vragen. Wellicht zijt gij ook nog eenigszins vermoeid; – ik verzeker u, dat ik middelen zal vinden, om uwe geestvermogens te onderhouden, zonder uwe ledematen af te matten. Ik ben zelf geen vriend van al te sterke beweging. – Eenmaal daags eene wandeling in den tuin is beweging genoeg voor een denkend wezen, men moet een dwaas of een vossenjager zijn, om meer te verlangen. Wel, waar zullen wij meê beginnen? – met mijne verhandeling over de kunst van kampen aan te leggen? – maar deze hou ik in petto, als eene hartsterking na het eten. Ik zal u den pennestrijd laten zien tusschen Mac-Cribb en mij over Ossian’s Gedichten; ik ben het eens met den scherpzinnigen eilandbewoner; – hij met de voorstanders der echtheid. Die strijd begon met zachte, honigzoete, maagdelijke beleefdheid; maar is al doende scherper en heviger geworden; – het geschrift heeft reeds iets gekregen van den stijl van den ouden Scaliger. – Ik hoop maar niet, dat de schelm iets van Ochiltree’s verhaal zal te weten komen; maar, in het ergste geval, zou ik hem geducht kunnen havenen over den gestolen Antigonus. Ik zal u zijn laatsten brief eens geven en het blad met mijn antwoord: – het is nog al raak!”

Dit zeggende, trok de oudheidkenner eene lade open, en begon eene menigte oude en nieuwe geschriften te doorschommelen. Maar het ongeluk wilde, dat deze geleerde heer zich meermalen in het geval van zeer vele andere geleerden en ongeleerden bevond, en leed onder hetgeen Harlequin l’embarras des richesses noemt; – met andere woorden, de rijkdom van zijne verzamelingen belette hem dikwijls het voorwerp te vinden, waarnaar hij zocht. „Verwenschte papieren! – Ik geloof,” zei Oldbuck, terwijl hij alles ten onderste boven keerde, – „ik geloof, dat zij zich als de sprinkhanen vleugels maken, en wegvliegen. Maar zie hier, beschouw intusschen dezen kleinen schat!”

Met deze woorden gaf hij Lovel een eiken kistje over, aan de hoeken met zilveren rosetten en knopjes voorzien. – „Druk, bid ik u, op dat knopje,” zeide hij, toen hij merkte, dat Lovel aan het slot werkte. Lovel deed het; het deksel vloog open, en vertoonde een dun boekje, in kwarto formaat, keurig in zwart leder gebonden. „Daar mijnheer Lovel, daar is het werk, waarvan ik u gisteren avond sprak; – de zeldzame kwarto uitgave van de Augsburgsche Geloofsbelijdenis, de grondslag en tevens het bolwerk der Hervorming, opgesteld door den geleerden en eerbiedwaardigen Melanchthon, verdedigd door den Keurvorst van Saksen en andere kloekmoedige mannen, die voor hun geloof zelfs tegen een machtigen en overwinnenden Keizer opstonden, – en gedrukt door den weinig minder eerbied- en prijzenswaardigen Aldobrand Oldenbuck, mijn gelukkigen voorvader, in weêrwil van de despotieke [72]pogingen van Filips II, om terzelfder tijd de burgerlijke en godsdienstige vrijheid te vernietigen. Ja, mijnheer! wegens het drukken van dit werk, werd deze uitstekende man door zijn ondankbaar vaderland verdreven, en genoodzaakt, zijne huisgoden hier, te Monkbarns, te midden der puinhoopen van bijgeloof en heerschzucht, over te brengen. Aanschouw zijn eerwaardige beeldtenis, mijnheer Lovel, en eerbiedig de eervolle bezigheid, waarin hij voorgesteld wordt, als persoonlijk aan de pers werkende, ter verspreiding van christelijke en staatkundige kennis. En ziehier zijn lievelingsspreuk, het onafhankelijke zelfvertrouwen uitdrukkende, dat niets aan de bescherming van anderen wil verschuldigd zijn, dan hetgeen door verdiensten verkregen wordt, – dus die vastheid van gemoed, die onverzettelijke volharding te kennen gevende, door Horatius aanbevolen. Hij was inderdaad een man, die, te midden van de vernieling zijner drukkerij, zijner persen, vormen en letters, onverzettelijk zou zijn gebleven. Lees, zeg ik, zijne leuze: want elke drukker had er ééne, toen deze heerlijke kunst het eerst beoefend werd. Die van mijn voorzaat was, zoo als gij ziet, de Hoogduitsche spreuk: „Kunst macht Gunst,” – dat is, verstand of voorzichtigheid, in het aanwenden van onze natuurlijke talenten en goede gaven, zal ons genegenheid en bescherming verwerven, ook als vooroordeel of onkunde ons tegenwerken.”

„En dat,” zeide Lovel, na een oogenblik in gepeins gezwegen te hebben „dat is dus de beteekenis van deze Duitsche woorden?”

„Zonder twijfel; – gij ziet, hoe toepasselijk ze zijn op de bewustheid van innerlijke waarde, en voortreffelijkheid in eene nuttige en vereerenswaardige kunst. Ieder drukker, zoo als ik u reeds gezegd heb, had in die dagen zijne leuze, zijn motto, zijne spreuk, als ik het zoo noemen mag, zoo goed als de dappere ridders, die zich met vechten en steekspelen ophielden. Mijn voorzaat was zoo trotsch op de zijne, alsof hij het op het slagveld had aangenomen; ofschoon het eerder de uitbreiding der kennis, dan het bloedvergieten gold. En niettemin is er eene familie-overlevering, dat eene omstandigheid, die vrij romanesk was, hem deze spreuk deed aannemen.”

„En welke omstandigheid, waarde heer, is dat geweest?”

„Ze vermindert wel eenigzins den roem van mijn voorvader, ten aanzien van voorzichtigheid en wijsheid; – sed semel insanivimus omnes; – wie is er, die niet eenmaal in zijn leven eene dwaasheid beging? Men zegt, dat mijn voorvader gedurende zijne leerjaren bij den afstammeling van den ouden Faust, dien het volkssprookje onder den naam van Faustus aan den duivel overlevert, zich liet begoochelen door een nietig schepseltje, – de dochter van zijn meester, Bertha genoemd. Zij wisselden ringen met elkander, of voerden, zoo als het gebruik toen was, de eene of andere niets beteekenende plechtigheid uit om elkaar onderlinge liefde te verzekeren, en Aldobrand ving zijne reis door Duitschland aan, gelijk het een eerlijken ambachtsman betaamde, – en zoo als te dien tijd de gewoonte vorderde; want ieder werkman maakte zijn toer door het Rijk, en beoefende zijn beroep in al de voornaamste steden, eer hij zich ergens bepaald vestigde. Dit was eene wijze gewoonte; want daar dergelijke reizigers in iedere stad bij die van hun ambacht als broeders opgenomen werden, waren zij altijd zeker om kundigheden te verkrijgen, of mede te deelen. – Mijn voorzaat, te Neurenberg teruggekeerd, vernam, dat zijn oude meester onlangs gestorven was, en dat twee of drie mededingers, waaronder zelfs een paar half verhongerde adellijke spruiten, zich opdeden, die mejufvrouw Bertha het hof maakten, van wie verteld werd, dat zij door haars vaders dood, in het bezit was geraakt van een vermogen, dat zeer goed tegen [73]zestien adellijke kwartieren opwegen kon. Maar Bertha, die voor eene vrouw nog al verstand bezat, had de gelofte gedaan van geen man te zullen trouwen, dan die met haar vaders drukpers wist te werken. Die kunst was in dien tijd zeldzaam en bewonderenswaardig; de uitvlucht verloste haar dan ook niet alleen dadelijk van hare adellijke aanbidders, die even gaarne met een tooverroede, als met de zethaak van den drukker zouden hebben willen omgaan; maar ook eenige der gewone drukkers ondernamen de proef te vergeefs, daar geen hunner genoegzaam meester van de kunst was; – maar ik verveel u?”

„Volstrekt niet. Ik bid u, mijnheer Oldbuck, ga voort; ik luister met buitengewone belangstelling.”

„Wel – het is inderdaad niets dan gekheid, – maar hoe het zij, Aldobrand kwam te Neurenberg aan, in de gewone kleeding, zoo als wij het noemen zouden, van een drukkersknecht, – dezelfde, waarin hij Duitschland doorreisd, en met Luther, Melanchthon, Erasmus en andere geleerde mannen verkeerd had, die zijne kunde, en de macht, die hij bezat om die te verspreiden, niet verachtten, hoewel beide onder zulk een nederig uiterlijk verborgen waren. Maar wat in de oogen van de wijsheid, van den godsdienst, van de geleerdheid en de wijsbegeerte eerbiedwaardig was, scheen gering en verachtelijk in de oogen van een onnoozel en verwend meisje; en Bertha weigerde haren vorigen minnaar in het gescheurde wambuis, met eene lederen muts, schoenen met spijkers, en het schootsvel van een reizenden handwerksman, te herkennen. Hij eischte echter het recht om tot de proef toegelaten te worden; en toen de overige mededingers, òf den wedstrijd geweigerd, òf wel het werk zoo slecht ten uitvoer hadden gebracht, dat de duivel zelf het niet zou hebben kunnen lezen, al had zijne zaligmaking er van afgehangen, waren alle oogen op den vreemdeling gevestigd. Aldobrand trad bevallig voor, zette een stuk, zonder eene enkele letter, scheiteeken of komma te vergeten, bracht het over zonder dat zich iets in het minste verplaatste, en trok eene eerste proef zoo netjes en vrij van drukfeilen, alsof die eene persrevisie geweest ware! Allen juichten den waardigen opvolger van den onsterfelijken Faust toe; – het blozende meisje erkende hare dwaling, dat zij eerder op het oog, dan op het verstand vertrouwd had, en de gelukkige bruidegom koos dadelijk tot zijne leus de toepasselijke woorden: „Kunst macht Gunst.” – Maar wat scheelt u? – gij zijt in diep gepeins? Wel, – ik heb u immers gezegd, dat dit geen onderwerp was voor den denkenden man; – daar vind ik juist den Ossiaanschen tweestrijd onder mijne vingers!”

„Vergeef mij, mijnheer Oldbuck,” zeide Lovel; „gij zult mij wellicht zeer kinderachtig en wispelturig vinden; maar gij scheent te vooronderstellen, dat Sir Arthur, volgens alle regels der beleefdheid, op een bezoek van mij rekent?”

„Kom, kom! ik kan u verontschuldigen; en wanneer gij ons zoo gauw moet verlaten, als gij zegt, wat is er aan gelegen, hoe hoog gij in zijner gunst staat? – En ik waarschuw u, dat mijne verhandeling over de wijze van kampen aan te leggen, eenigszins uitvoerig is, en ons al den tijd, dien wij heden middag kunnen uitwinnen, zal bezig houden, zoodat gij den Ossiaanschen pennestrijd zult moeten missen, als wij er den morgen niet aan toewijden. Wij zullen ons naar mijn groen priëel, naar mijn heiligen hulstboom ginds begeven, en het dáár fronde super viridi hebben.

„Een hoezee! een hoezee! zij dien boom gewijd;

Is vriendschap oprechtheid? is liefde beleid?”

[74]

„Maar, wezenlijk!” vervolgde de oude heer, „nu ik u zoo aanzie, begin ik te gelooven dat gij wel van eene andere meening zoudt kunnen zijn. Amen! van ganscher harte! – Ik laster niemands stokpaardje als hij het slechts niet tegen het mijne aanrijdt; richt hij zijne lans op die wijze, dan moet hij op zijne oogen passen. – Wat antwoordt gij, – in de taal der wereld of der lage wereldlingen, als gij u tot dien bekrompen sfeer vernederen kunt, – zullen wij blijven of gaan?”

„Wel dan, in de taal der zelfzucht, die de heerschende taal der wereld is, – laat ons maar gaan.”

„Amen, amen! sprak de Graaf Maarschalk,”1 antwoordde Oldbuck, terwijl hij zijne pantoffels ruilde tegen een paar stevige wandelschoenen met slopkousen, van zwart laken. Hij verlengde slechts de wandeling door eene kleine afwijking naar het graf van Jan Girnell, den laatsten kloostervoogd, die op Monkbarns gewoond had. Op een heuvel, liefelijk naar het zuiden hellende, en over twee of drie heerlijke plaatsen in de verte, het gezicht op de zee en de Mosselklip aanbiedende, lag onder een ouden eikenboom een met mos begroeide steen, die ter nagedachtenis van den beroemden man een opschrift droeg welks vermolmde letters, naar de verzekering van den heer Oldbuck, die echter door velen betwijfeld werd, in dezer voege konden ontcijferd worden:

Hier Daen van de Girnelt lit,

Haeve ende gued en hat hi nit.

In sine tyd elcks wijfs henne eiere lei,

Ende hat elcks goeds mans haert kiendekes er by;

Hi veilde ’t schepel in parte vyve,

Vier voer die heilighe Kercke ende ein voer die

arme wyve.

„Gij ziet,” zeide hij, „hoe bescheiden de vervaardiger van dit grafschrift in zijne aanbeveling is; hij verhaalt ons, dat de eerlijke Jan vijf kwart uit het schepel kon maken, dat hij het vijfde deel aan de vrouwen van het kerspel gaf, en de overige vier aan den abt en het kapittel verrekende, – dat in zijn tijd de hennen der boerinnen altijd eieren legden, (dat dank hun de drommel, als zij een vijfde gedeelte van des abts koren kregen,) en dat de woning van elken braven man met kinderen gezegend was, – een wonderwerk, dat zij, even als ik, als geheel onverklaarbaar hebben moeten beschouwen! – Maar wij zullen Jan van Girnell verder ongemoeid laten rusten, en ons naar het gele zand begeven, waar de zee zich, thans als een verslagen vijand, van den grond verwijdert, waarop hij ons gisteren avond slag leverde.”

Dit zeggende, sloeg hij den weg in naar het strand. Op de duinen zag men vier of vijf hutten door visschers bewoond, wier booten, hoog op het strand gehaald, de welriekende geuren verspreidden van pik, smeltende onder eene brandende zon, vermengd met die der vischgraten en andere vuiligheden, waarvan de Schotsche hutten gewoonlijk omgeven zijn. Ongehinderd [75]door deze verfoeielijke reuken, zat eene vrouw van middelbare jaren, met een gelaat, dat duizend stormen getrotseerd kon hebben, een net te verstellen aan de deur van eene der hutten. Een zakdoek, vast om haar hoofd gebonden, en een soort van buis, dat vroeger aan een man toebehoord had, gaven haar een mannelijk voorkomen, hetwelk vermeerderd werd door hare sterke, buitengemeen groote gestalte en schorre stem.

„Wat hebt gij vandaag noodig, edele heer?” sprak of liever schreeuwde zij Oldbuck toe, „frissche schelvisschen van allerlei grootte en heerlijke tarbot?”

„Hoe veel voor de tarbot en schelvisch?” vroeg de oudheidkenner.

„Vier blanke shillings en zes stuivers,” antwoordde de waternimf.

„Vier groote duivels en zes kleine!” hernam de oudheidkenner; „denkt gij, dat ik gek ben, Maggie?”

„En denkt gij,” hervatte het vischwijf, de armen in de zijde zettende, „dat mijn man en mijne jongens naar zee zullen gaan in een weêr, als gisteren en vandaag, – zulk eene zee, als nu nog, – en niets voor hun visch krijgen, en nog op den koop toe uitgescholden worden, Monkbarns? Het is geen visch, dat gij koopt, – het zijn menschenlevens.”

„Wel, Maggie, ik zal u een goed bod doen; – ik bied u een shilling voor de tarbot en de schelvisch, of zes stuivers voor elk afzonderlijk, – en indien al uw visch zoo goed betaald wordt, zullen, denk ik, uw man en uwe zonen eene goede reis gemaakt hebben.”

„Ik wilde liever, dat de boot op de Bell-rots stuk geslagen ware! Een shilling, – twaalf stuivers, – voor die twee schoone visschen! dat is me een bod!”

„Wel dan, oude heks! breng uw visch naar Monkbarns, en zie, wat mijne zuster er voor geven wil?”

„Neen, neen, Monkbarns, de drommel ook! – ik heb liever met u zelven te doen; want ofschoon gij hard genoeg zijt, jufvrouw Grizel is toch nog vasthoudender.” (Op zachteren toon.) „Ik zal ze u laten voor drie shillings en zes stuivers.”

„Achttien stuivers, of niets!”

„Achttien stuivers!” (luidkeels, – vol verbazing, langzaam overgaande in eene soort van droevig geween.) – „Gij wilt ze dan niet hebben?” (en luider toen zij zag, dat hij heenging:) – „ik zal ze u geven, – en, – en, – en een half dozijn krabben toe, om de saus te maken, voor drie shillings en een borrel!”

„Een daalder dan, Maggie, en een borrel!”

„Wel dan, mijnheer, gij moet uw zin hebben; maar een borrel is geld waard, nu de stokerijen stilstaan!”

„En ik hoop, dat ze nooit weêr in werking zullen komen,” zei Oldbuck.

„Ei ja! – dat valt u en uws gelijken, groote lui, gemakkelijk te zeggen, die overvloed aan alles, vuur en brand, eten en kleeding hebt, en droog en vergenoegd bij den haard zit; – maar als gij geen vuur, geen eten, geene droge kleederen hadt, en van koû vergingt, en met een beklemd hart zat, wat nog het ergste van alles is, met juist één dubbeltje op zak, – zoudt ge niet blij zijn om er een borrel voor te koopen, die voor brand en kleeding en avondmaal en hartversterking op den koop toe dienen zou tot den volgenden morgen toe?”

„Dat is waar, – zeer waar, Maggie! – is uw man op zee? – al heden morgen vertrokken, na zijne vermoeienis van gisteren?” [76]

„Wel zeker is hij op zee, Monkbarns! hij vertrok heden morgen om vier uur, terwijl het nog al spookte op zee, na den wind van gisteren, en onze boot danste op het water als een kurk.”

„Wel, hij is een werkzaam mensch. Breng den visch naar Monkbarns.”

„Dat zal ik doen, – of ik zal liever de kleine Jenny sturen; zij zal harder loopen; maar om den borrel zal ik zelve bij Jufvrouw Grizel aangaan, en zeggen, dat gij me gezonden hebt.”

Een allervreemdst uitziend schepsel, dat voor eene soort van meermin, had kunnen doorgaan, en in eene plas tusschen de rotsen aan het waden was, werd door de heesche stem harer moeder uit het water geroepen; en nadat deze het kind eerst wat netjes gemaakt had, zoo als zij het noemde, door het éénige kleedingstuk, dat het bedekte, en dat nauwelijks tot aan de knieën reikte, met een soort van rooden mantel te omhangen, werd het met den visch in een mand, weggezonden en met een verzoek van Monkbarns er bij om dien voor ’t middagmaal gereed te maken. – „Het zou lang geduurd hebben,” zeide Oldbuck met zeer veel zelfbehagen, „eer mijn vrouwvolkje zulk een redelijken koop met de oude heks getroffen had; ofschoon zij dikwijls een uur lang, onder het venster van mijne studeerkamer, met haar vieren staan te kibbelen, en schreeuwen en vechten als meeuwen in een stormwind. – Maar, kom, laten wij onzen weg naar Knockwinnock vervolgen.”


1 In de oude Schotsche Ballade Queen Eleanor’s Confession, – de biecht van Koningin Eleonore. 

[Inhoud]

Twaalfde Hoofdstuk

Bedelaars? – De eenigste vrijen in uwen staat;

Vrijer dan schattingvrij, die geene wetten erkennen,

Geen landvoogd dienen, noch band van godsdienst kennen,

Dan welken zij afleiden uit hunne oude gewoonten,

Of zich zelven geven, – toch zijn het geene muiters.

Brome.

Met verlof van onze lezers, zullen wij nu de langzame, hoewel krachtige schreden van den oudheidkenner vooruitloopen, wiens gedurig stilhouden, als hij zich omkeerde, om Lovel iets merkwaardigs in den omtrek te wijzen, of eenige geliefde stelling met meer klem te betoogen dan de beweging der wandeling toeliet, hunne vorderingen zeer vertraagde.

De vermoeienissen en gevaren van den vorigen avond beletten Isabella Wardour niet, op haar gewoon uur op te staan, en aan hare dagelijksche bezigheden te gaan, zoodra zij zich gerust gesteld had omtrent de gezondheid van haren vader. Sir Arthur leed slechts nog aan de gevolgen der groote ontroering en buitengewone vermoeienis; maar deze waren genoeg, om hem op zijne kamer te doen blijven.

Alleronaangenaamst voor Isabella was de terugblik op de gebeurtenissen van den vorigen dag. Zij was haar leven en dat van haren vader verschuldigd aan hem, wien zij boven alle anderen, het minst wenschte iets verplicht [77]te zijn, omdat zij ook juist hem bezwaarlijk de geringste dankbaarheid kon betuigen, zonder eene hoop aan te moedigen, die wellicht voor beiden noodlottige gevolgen zou kunnen hebben. „Waarom toch moest ik zulke diensten, met zoo veel persoonlijk gevaar bewezen, van iemand ontvangen, wiens romantische liefde ik zoo onophoudelijk heb trachten tegen te gaan? Waarom moest het toeval hem nu dit voordeel op mij geven? En waarom, – och, waarom, moet ook thans een half gesmoord gevoel in mijn eigen hart, in weêrwil van mijn verstand, bijna juichen, dat hem die kans te beurt viel?”

Terwijl Isabella zich dus zelve van wispelturigheid en grillen beschuldigde; zag zij aan het einde der laan, niet haren jongeren en meer geduchten redder naderen, maar den ouden bedelaar, die zulk eene hoofdrol in het melo-drama van den vorigen avond gespeeld had.

Zij schelde om hare meid. „Laat den ouden man boven komen!”

De meid keerde binnen weinige minuten terug. – „Hij wil volstrekt niet boven komen, freule! – hij zegt, dat zijne schoenen met spijkers nog nooit op een tapijt geweest zijn, en dat, met ’s hemels zegen, ze er nooit op zullen komen. Zal ik hem in de dienstboden-kamer brengen?”

„Neen, – ik moet hem spreken. Waar is hij?” Want zij had hem uit het gezicht verloren, toen hij het huis naderde.

„Hij zit in de zon op de steenen bank, op het plein, naast het venster van de huiskamer.”

„Zeg hem, daar te blijven; – ik zal beneden komen en uit het venster met hem spreken.”

Zij ging dadelijk naar beneden, en vond den bedelaar, half zittende half leunende op de bank naast het venster. Adam Ochiltree, oud en bedelaar als hij was, had waarschijnlijk toch eenige bewustheid van den gunstigen indruk, welken zijne groote gestalte, gebiedende gelaatstrekken, en zijn lange witte baard en haar maakten. Men had van hem de opmerking gemaakt, dat hij zelden in eene houding gezien werd, die deze persoonlijke voorrechten niet op het voordeeligst deden uitkomen. Zoo als hij thans lag, half achterover, met zijne gerimpelde, hooggekleurde wang, en zijn helder grijs oog naar den hemel gericht, met zijn staf en zak naast zich, en eene eenvoudige wijsheid in zijn blik met een spottend lachje op het gelaat, terwijl hij een oogenblik op het plein rondkeek, en dan weder het oog omhoog sloeg, zou hem een kunstenaar tot het model hebben kunnen nemen van een ouden wijsgeer der Cynische school, peinzende over de ijdelheid der wereldsche dingen, en het onzekere der menschelijke bezittingen, en hemelwaarts ziende naar die bron, vanwaar alleen iets duurzaam goeds kan verwacht worden. Isabella, nu met hare rijzige en bevallige gestalte aan het open venster verschijnende, dat van het plein slechts gescheiden was door de traliën, waarmede men, in oude tijden, de benedenvensters van een kasteel verzekerde, wekte eene belangstelling van anderen aard, en had eene romantische verbeeldingskracht kunnen herinneren aan eene gevangen jonkvrouw, die haar lijden aan een pelgrim verhaalde, opdat hij de dapperheid van elken ridder, dien hij ontmoette, mocht inroepen, om haar uit de harde gevangenschap te verlossen.

Nadat Isabella haren dank in bewoordingen betuigd had, die zij dacht, dat het aangenaamst zijn zouden, en welke de bedelaar verklaarde zijne verdiensten verre te boven te gaan, begon zij zich op eene wijze uit te drukken, die zij veronderstelde, dat meer ingang vinden zou. „Zij wist niet,” zeide zij, „wat haar vader voornemens was voor hun redder te doen; maar zeker zou [78]het iets zijn, dat hem, zijn leven lang, rustige en gemakkelijke dagen verschaffen zou; – indien hij zijn intrek op het kasteel wilde nemen, zou zij bevel geven, –”

De oude man lachte en schudde het hoofd. „Ik zou uwe deftige dienstboden tot last en schande zijn, dame, en ik ben tot dusver niemand tot schande geweest, dat ik weet.”

„Sir Arthur zou strenge bevelen geven.”

„Gij zijt zeer goed; – ik twijfel er niet aan; – ja, ik twijfel er niet aan; maar er zijn dingen, die een meester kan gebieden, en ook anderen, die hij niet gebieden kan. Ik geloof wel, dat hij hun bevelen zou de handen van mijn lijf af te houden – (en ik geloof ook, dat zij dat buitendien zouden doen), en hij zou ook wel zorgen, dat zij mij mijne soep en een stukje vleesch gaven; – maar gelooft gij, dat Sir Arthur het spottend woord en den minachtenden blik zou kunnen beletten; of maken, dat zij mij het eten met dien vriendelijken oogopslag gaven, die het zoo smakelijk maakt; of dat hij hun het geheime spotten en de kleine steken zou kunnen verbieden, die meer leed doen, dan het ergste schelden? – Ik ben ook de luiste oude vent die er ooit leefde; en, om u de ronde waarheid te zeggen, ik zou een zeer slecht voorbeeld geven in eene geregelde huishouding.”

„Nu dan, Adam, wat dunkt u van een net huisje met een tuin, en den dagelijkschen middagkost, en niets te doen, dan wat in den tuin te spitten, als gij er lust in hadt?”

„En hoe dikwijls denkt gij, dat ik er lust in zou hebben, Freule? Misschien één- of tweemaal tusschen Lichtmis en Kermis. En al ging alles naar mijn zin, alsof ik Sir Arthur zelf was, dan zou ik het toch niet uithouden, altijd op dezelfde plaats te zijn, en nacht op nacht dezelfde balken en dwarshouten boven mijn hoofd te zien. En dan heb ik zoo wat mijne eigene grillen, die in een rondzwervenden bedelaar niet hinderen, die zich aan niemands luimen behoeft te storen; maar weet ge – Sir Arthur heeft ook de zijne; – en ik zou die bespotten of er om lachen, en gij zoudt kwaad worden, en dan was ik in staat, mij te verhangen!”

„O, gij zijt een bevoorrecht mensch, Adam! – wij zullen u alle mogelijke vrijheid geven. Dus laat u raden, – en denk aan uw ouden dag!”

„Maar ik ben nog niet zoo heel oud, – toen ik eens aan den gang kwam was ik gisteren nog los genoeg, en buigzaam als een aal. – En dan, wat zouden de menschen in den omtrek doen, als zij den ouden Adam Ochiltree missen moesten, die het nieuws en de kwinkslagen van de eene woning in de andere brengt, met peperkoek voor de meisjes, – en de jongens hunne netten helpt verstellen, en de vrouwen hare ketels lapt, en de kinderen hunne rieten sabels en grenadiersmutsen maakt, en vliegenklappen voor de heeren en dan nog op den koop toe meer oude gezangen en vertelsels kent, dan iemand in het geheele graafschap, en iedereen lachen doet, bij wien hij komt? – Waarlijk, Freule! ik kan mijn beroep niet neêrleggen, het zou een algemeen verlies zijn!”

„Wel nu, Adam, als gij denkt, dat gij zoo onmisbaar zijt, en zelfs het vooruitzicht van onafhankelijkheid u niet kan doen wankelen, –”

„Neen, neen, Freule! – het is juist omdat ik onafhankelijker blijf, zoo als ik ben. Ik vraag in elk huis niet meer dan één maal, of wellicht maar een mondvol; – weigert men het hier, ik krijg het dáár; – zie, men kan niet zeggen, dat ik van iemand in het bijzonder afhang, maar van de geheele landstreek over het algemeen.” [79]

„Nu dan, beloof mij slechts, dat gij mij het zult laten weten, als gij, op uw ouden dag, niet meer in staat, om uw gewonen gang te gaan, verlangt eene vaste woonplaats te kiezen; – en neem inmiddels dit aan!”

„Neen, neen, ik neem niet veel geld te gelijk aan, dat is tegen den regel; – en, – ofschoon het niet beleefd schijnt, zoo iets te zeggen; – men zegt, dat het geld bij Sir Arthur zelven schaarsch wordt, en dat hij zich ten gronde richt met zijn spitten en graven naar lood en koper daar ginds!”

Hoezeer Isabella reeds een voorgevoel had van hetgeen Ochiltree zeide, hoorde zij nochtans niet zonder ontroering, dat haar vaders verlegenheid reeds zoo algemeen bepraat werd: alsof de laster zich ooit een zoo aangenamen buit liet ontglippen, als het struikelen der braven, den val der machtigen, en het verarmen der rijken. – Zij zuchtte diep. – „Wel, Adam! laat de menschen maar praten wat zij willen, wij hebben genoeg, om onze schulden te betalen, – en om u onzen dank te betuigen is eene der eersten; – ik bid u dus dringend, dit geld aan te nemen!”

„Om den een of anderen nacht tusschen stad en dorp beroofd en vermoord te worden, – of, wat even erg is, in aanhoudende vrees te leven? Ik ben niet,” – (de stem latende dalen, tot een gefluister, en scherp in het rond ziende:) „ik ben niet geheel van alles ontbloot; en al kom ik ook in een sloot te sterven, zullen zij nog genoeg in dezen ouden blauwen rok vinden, om mij als Christen-mensch te begraven, en daarbij de jongens en meisjes nog iets voor het lijkbewaken te geven. Zie, zoo is er gezorgd voor de uitvaart van den ouden bedelaar, en meer is er niet noodig! – Zoo iemand van mijns gelijken ooit eene banknoot wilde wisselen, wie denkt gij, zou zoo dwaas zijn, hem ooit meer eene liefdegift te geven? Als een loopend vuur zou het weldra door het geheele land verspreid zijn, dat de oude Adam zoo iets gedaan had, en dan, verzeker ik u, – al klaagde ik mij dood, – geen mensch zou mij een mondvol vleesch of een stuiver meer geven.”

„Is er dan niets, dat ik voor u doen kan?”

„O ja; – ik zal als naar gewoonte om mijn aalmoes komen, en nu en dan wil ik wel wat snuif hebben, – en gij zoudt den veldwachter kunnen verzoeken, mij niet te plagen, en een goed woord doen bij Sander Netherstanes, den molenaar, dat hij zijn grooten hond aan de ketting legt; – ik zou niet willen dat hij het arme dier kwaad deed; want het is juist zijn plicht om de bedelaars, zoo als ik ben, aan te blaffen. – En dan is er noch iets; maar gij zult het zeer onbeschaamd van iemand als ik ben vinden, om er van te spreken.”

„Wat is het, Adam? – zoo het u betreft, zal het geschieden, als het in mijn vermogen is.”

„Het gaat u zelve aan, en het is in uwe macht, en het moet er uit! Gij zijt eene schoone jonge dame, en goed, en waarschijnlijk ook rijk; – maar wees nooit meer zoo hard tegen dien jongen Lovel, als gij eenigen tijd geleden waart, op eene wandeling langs de Briery-heuvels, toen ik u beiden zag en hoorde, ofschoon gij mij niet zien kondet. – Wees verstandig met den jongen; want hij houdt veel van u, en hij was het, en niet ik, die Sir Arthur en u gisteren redde.”

Hij sprak deze woorden zacht, maar duidelijk, en ging daarop, zonder een antwoord af te wachten, naar eene deur, die naar de vertrekken der dienstboden leidde, en trad zoo het huis binnen.

Isabella Wardour bleef eenige oogenblikken in dezelfde houding staan, [80]waarin zij deze zonderlinge toespraak had aangehoord, leunende, tegen de traliën van het venster, en zij kon niet besluiten, een enkel woord over zulk een teeder onderwerp te uiten, voordat de bedelaar uit het gezicht was. Moeielijk viel het, voorwaar, te bepalen wat zij doen moest. Dat hare zamenkomst en haar gesprek met dezen jongen en onbekenden vreemdeling een geheim was, in het bezit van iemand uit de allerlaagste klasse, waaruit eene jonge dame een vertrouweling zoeken zou, en dat zij dus in de macht was van iemand, die van beroep de algemeene nieuwskramer was van de geheele buurt, trof haar pijnlijk. Zij had wel geen reden, te veronderstellen, dat de oude man opzettelijk iets doen zou, om haar te grieven, veelmin om haar te beleedigen; maar de vrijheid, die hij nam, om haar over zulk een teeder onderwerp te onderhouden, toonde, zoo als men had mogen verwachten, een volslagen gebrek aan kieschheid; en wat hij ook bij de eerste gelegenheid in het hoofd zou krijgen te zeggen of te doen, het was vrij zeker, dat zulk een verklaarde bewonderaar der vrijheid niet aarzelen zou, het zonder den minsten schroom te vertellen, of ten uitvoer te brengen. Dit denkbeeld was haar zoo pijnlijk, en kwelde haar zoo zeer, dat zij half wenschte, den bijstand van Ochiltree en Lovel den vorigen avond te hebben gemist.

Terwijl zij dus ontroerd bleef staan, zag zij eensklaps Oldbuck en Lovel het plein opkomen. Zij keerde zich oogenblikkelijk ver genoeg van het venster af, om, zonder gezien te zijn, te kunnen opmerken, hoe de oudheidkenner voor den gevel van het huis bleef stilstaan, en, naar de verschillende wapenschilden van de voormalige eigenaren wijzende, bezig scheen met Lovel zeer veel belangrijke en geleerde uitleggingen te geven, die Isabella, uit de afgetrokken houding van zijn toehoorder, gissen kon, dat geheel en al voor hem verloren gingen. Het werd dringend noodzakelijk, oogenblikkelijk een besluit te nemen; zij schelde dus om een dienstbode, en beval hem de heeren binnen te laten, terwijl zij zich, langs een anderen trap, naar haar eigen vertrek begaf, om vóór zij zich vertoonde, te overleggen hoe zij zich gedragen zou. De bezoekers werden, overeenkomstig haar bevel, in de zaal gebracht, waar men gewoon was gezelschap te ontvangen.

[Inhoud]

Dertiende Hoofdstuk

– Er was een tijd, dat ik u haatte,

En nog is ’t niet, dat ik u liefde draag’,

Uw bijzijn, dat ’k als onbescheiden laakte,

Gedoog ik nu; –

Maar denk geenzins aan verdere belooning.

Zoo als ’t u belieft.

Het rood op de wangen van Isabella Wardour was aanmerkelijk verhoogd, toen zij, na den noodigen tijd, om hare denkbeelden te regelen, in de kamer trad.

„Het verheugt me, dat gij gekomen zijt, mijne schoone vijandin!” zei de [81]oudheidkenner, haar zeer vriendelijk groetende; „want ik heb een zeer weêrspannigen, of ten minste een zeer onoplettenden toehoorder gehad in mijn jongen vriend hier, terwijl ik hem trachtte bekend te maken met de geschiedenis van het kasteel van Knockwinnock. Ik geloof, dat het gevaar van gisteren nacht den armen jongen versuft heeft. Maar gij! Wel, gij ziet er uit alsof het vliegen door de nachtlucht uwe natuurlijkste en meest geschikte bezigheid ware. Uwe kleur is nog beter zelfs, dan toen gij gisteren mijn hospitium met uw bezoek vereerdet. En Sir Arthur, – hoe maakt het mijn goede, oude vriend?”

„Tamelijk wel, mijnheer Oldbuck, maar ik vrees, niet geheel in staat, om uwe gelukwenschen te ontvangen, of om den heer Lovel voor zijn voorbeeldeloozen moed te danken.”

„Ik wil het wel gelooven,” hernam Oldbuck; „een zacht donzen kussen is voor zijn waardig grijs hoofd veel beter, dan die vervloekte Lijsje’s schoot, – zoo als de rotsen heeten.”

„Ik was niet voornemens mij op te dringen,” zei Lovel, aarzelend en met slecht onderdrukte ontroering; „ik was niet, – ik was niet voornemens aan Sir Arthur of aan zijne dochter de tegenwoordigheid van iemand op te dringen, die, – die noodzakelijk onaangenaam zijn moet, – daar hij hen aan een ongelukkig oogenblik moet herinneren.”

„Geloof niet, dat mijn vader zoo onrechtvaardig en ondankbaar is,” antwoordde Isabella. „Ik durf zeggen,” vervolgde zij, terwijl zij Lovel’s verlegenheid deelde, – „ik durf zeggen, – ik ben zeker, dat mijn vader zich gelukkig achten zou zijne dankbaarheid te betoonen, – op iedere wijze, – die, – die mijnheer Lovel zelf geschikt zou kunnen oordeelen.”

„Wat drommel!” viel Oldbuck in, „wat is dat voor eene bepaling? – Op mijne eer, ze herinnert mij aan onzen dominé, die, als een uitgemaakte oude gek, eenmaal den inval kreeg, om op de inclinatie van mijne zuster Grizel te drinken, en het noodig oordeelde, er de heilzame clausule bij te voegen: wanneer – die deugdzaam is, mejufvrouw! – Kom, laat ons dien onzin vergeten. Sir Arthur zal ons bij eene volgende gelegenheid wel welkom heeten. – En wat nieuws is er uit het koninkrijk der onderaardsche duisternis en luchtige hoop? – wat zegt de zwarte geest der mijnen? – Heeft Sir Arthur iets goeds van zijne laatste onderneming in Glen-Withershins gehoord?”

Isabella schudde het hoofd; – „slechts zeer weinig goeds, vrees ik, mijnheer Oldbuck, maar daar liggen eenige stukken erts, die onlangs gezonden zijn.”

„Och, mijn arme, lieve honderd pond sterling, die Sir Arthur mij overreedde, als aandeel in die hopelooze speculatie te geven! ze zouden mij eene kar vol mineraliën opgebracht hebben; – maar laat ik ze eens zien!”

En dit zeggende, plaatste hij zich aan de tafel in den hoek, waarop de voortbrengselen der mijnen lagen, en ving aan, ze één voor één te onderzoeken, morrende bij elk stuk, dat hij opnam en ter zijde legde.

Intusschen werd Lovel als het ware gedwongen tot eene soort van tête-à-tête met Isabella Wardour, en hij nam deze gelegenheid waar, om haar met eene zachte en ontroerde stem toe te voegen: „Ik vertrouw, dat zeer onverwachte omstandigheden de onbescheidenheid van iemand zullen verontschuldigen, die reden heeft, zich een ongewenschten gast te achten.”

„Mijnheer Lovel,” antwoordde Isabella Wardour, op denzelfden voorzichtigen toon; „ik vertrouw, dat gij niet zult, – ik ben zeker, dat gij niet in [82]staat zijt, om het voordeel te misbruiken, dat de diensten u geven, welke gij ons bewezen hebt, en welke, daar zij mijn vader aangaan, – nooit genoeg erkend of vergolden kunnen worden. Kon mijnheer Lovel mij zien, zonder dat het zijne rust stoorde, – kon hij mij als eene vriendin, – als eene zuster zien, – zoo zou ons niemand, – en, naar al hetgene ik van mijnheer Lovel gehoord heb, moest ook niemand ons meer welkom zijn dan hij; maar, –”

Oldbuck’s verwensching van het voegwoordje maar, weêrklonk in Lovel’s hart. – „Vergeef mij, Freule Wardour, dat ik u in de rede val: – gij, behoeft niet te vreezen, dat ik u verder lastig zal vallen over een onderwerp, waaromtrent ik reeds zoo onverbiddelijk afgewezen werd; maar voeg niet bij de strengheid, waarmede gij mijne liefde verwerpt, de wreedheid van te eischen, dat ik ze verloochenen zou.”

„Ik ben zeer verlegen, mijnheer Lovel, over uwe – ik wenschte niet een hard woord te bezigen, – over uwe romaneske en hopelooze volharding. Het is voor u zelven, dat ik spreek, hopende, dat gij niet het recht zult vergeten, dat het vaderland op uwe talenten heeft; – dat gij niet in de ijdele vruchtelooze vervolging eener verkeerd geplaatste voorkeur, den tijd moogt opofferen, die uwe pogingen beloonende, den grondslag leggen zou tot uwen toekomstigen roem. Laat ik u bidden, een moedig besluit te nemen!”

„Genoeg, Freule Wardour! ik begrijp volkomen, dat –”

„Gij zijt beleedigd, mijnheer Lovel, en, geloof mij, ik deel in de smart die ik u veroorzaak; – maar kan ik, rechtvaardig jegens mij zelve, en billijk omtrent u, anders doen? – Zonder de toestemming van mijn vader, zal ik nooit aan het aanzoek van wien het ook zij, gehoor geven, en hoe geheel onmogelijk het is, dat hij de voorkeur, waarmede gij mij vereert, met een gunstig oog zou aanzien, daarvan zijt gij ten volle overtuigd, – en inderdaad, –”

„Neen, neen! ga niet voort. Is het niet genoeg, alle hoop in mijn tegenwoordigen toestand te verijdelen! Zeg niets verder: – waarom er bij voegen, wat gij ook doen zoudt, als Sir Arthur’s zwarigheden uit den weg konden worden geruimd?”

„Dat zou ook inderdaad onnoodig zijn, mijnheer Lovel, omdat het onmogelijk is die uit den weg te ruimen, en ik wenschte alleen als uwe vriendin, en als iemand, die u haar eigen en haar vaders leven te danken heeft, u te bidden die ongelukkige neiging te onderdrukken, – om een land vaarwel te zeggen, dat geen gelegenheid voor uwe talenten aanbiedt, – en het eervolle beroep te hervatten, dat gij schijnt verlaten te hebben.”

„Wel, uwe wenschen zullen vervuld worden: – heb slechts eene kleine maand geduld, en als ik in dien tijd u geene voldoende gronden kan aantoonen, om mijn verblijf te Fairport te verlengen, – gronden, die gij zelve zult moeten goedkeuren, – dan zal ik deze streken vaarwel zeggen, en tevens aan al mijne hoop op geluk!”

„Dat niet, mijnheer Lovel, vele, vele jaren van wel verdiend geluk, op een vaster grond steunende, dan uwe tegenwoordige wenschen beloofden, hebt gij, naar ik vertrouw, te wachten; – maar het is hoog tijd, om dit gesprek te eindigen. Ik kan u niet noodzaken, mijn raad te volgen; – ik kan mijn vaders huis niet ontzeggen aan den redder van zijn en mijn leven; maar hoe eerder de heer Lovel zich overwinnen kan, en zich onderwerpt aan de onvermijdelijke teleurstelling van wenschen, die zoo onbedachtzaam gekoesterd werden, des te hooger zal hij in mijne achting rijzen. Intusschen moet hij het [83]mij ten goede houden, dat ik, zoo wel om hem zelven, als om mij, eenige verdere woorden over een zoo smartelijk onderwerp vermijd.”

Op dit oogenblik kwam een bediende melden, dat Sir Arthur den heer Oldbuck wenschte te spreken op zijne kamer.

„Ik zal u den weg wijzen,” zeide Isabella, die waarschijnlijk voor een langer tête-à-tête met Lovel beducht was; en zij geleidde dan ook den oudheidkenner naar het vertrek van haren vader.

Sir Arthur lag, de beenen in flanel gewikkeld, op eene sofa. „Welkom, mijnheer Oldbuck!” zeide hij, „ik vertrouw, dat u de koude van gisteren avond beter bekomen is, dan mij?”

„Wel zeker, Sir Arthur, ik was er niet zoo zeer aan blootgesteld; – ik bleef op terra firma; – gij gaaft u aan de koude avondlucht over, in de ruimste beteekenis van het woord. Maar zulke waagstukken betamen een dapperen ridder beter dan een nederigen landman: te rijden op de vleugels van den nachtwind, te dalen in de ingewanden der aarde! – Wat nieuws van onze onderaardsche Goede Hoop, de terra incognita van Glen-Withershins?”

„Vooralsnog niets goeds,” zei de Baronet, zich haastig omkeerende, alsof de jicht hem juist pijnigde; „maar Dousterswivel wanhoopt niet!”

„Niet?” zei Oldbuck, „nu dan doe ik het, met zijn verlof. – Wel! de oude Dr. H–n1 zeide mij, toen ik te Edinburg was, dat, naar de proeven te oordeelen, die ik hem liet zien, de man nooit koper genoeg zou vinden, om een paar zes stuivers broekgespen van te maken, – en ik zie niet, dat die stukken op de tafel beneden, veel van de anderen verschillen.”

„De geleerde doctor is toch niet onfeilbaar, naar ik veronderstel.”

„Neen! maar hij is een van onze eerste scheikundigen; en uw peripatetische wijsgeer is, vrees ik, een van die geleerde gelukzoekers door Kircher beschreven; artem habent sine arte, partem sine parte, quorum medium est mentiri, vita eorum mendicatum ire; dat wil zeggen, Freule Isabella, –”

„Het is niet noodig, het te vertalen,” zeide Isabella; „ik begrijp zoo wat uwe meening; – maar ik hoop, dat de heer Dousterswivel een beter karakter aan den dag zal leggen!”

„Daaraan twijfel ik zeer,” antwoordde de oudheidkenner, „en wij zijn al mooi door hem gefopt, als wij de ader niet ontdekken, die hij ons al twee jaren lang voorspeld heeft.”

„Gij hebt geen heel groot belang bij de zaak, mijnheer Oldbuck!” zei de Baronet.

„En toch te veel; en toch te veel, Sir Arthur! – Evenwel zou ik, om den wille van deze mijne schoone vijandin hier, alles gaarne kwijt zijn, als gij er niet meer bij op het spel had!”

Er volgde een pijnlijk stilzwijgen van eenige oogenblikken; want Sir Arthur was te trotsch, om het verijdelen zijner gouden droomen te erkennen; ofschoon hij zich zelven niet langer verbergen kon, dat de onderneming zeer waarschijnlijk daarmede eindigen zou. „Ik hoor,” zeide hij ten laatste „dat de jonge heer, aan wiens moed en tegenwoordigheid van geest wij gisteren nacht zoo veel verschuldigd waren, mij met een bezoek vereerd heeft. Het spijt mij, dat ik hem niet ontvangen kan, en inderdaad niemand hoegenaamd, dan een ouden vriend zoo als gij, mijnheer Oldbuck!”

Eene buiging van des oudheidkenners stijve ruggegraat erkende dit voorrecht. [84]

„Gij hebt veronderstel ik te Edinburg met dezen jongen heer kennis gemaakt?”

Oldbuck verhaalde de omstandigheden, door welke zij elkander hadden leeren kennen.

„Wel, dan is mijne dochter eene oudere kennis van den heer Lovel dan gij.”

„Inderdaad! nu dat wist ik niet.”

„Ik ontmoette mijnheer Lovel,” zeide Isabella, eenigszins blozende „toen ik verleden lente bij tante Wilmot logeerde.”

„In Yorkshire? – en welken rang bekleedde hij of wat deed hij toen?” vroeg de heer Oldbuck; „en waarom herkendet gij hem niet, toen ik hem aan u voorstelde?”

Isabella beantwoordde de minst moeielijke vraag, en ontweek de andere. „Hij was officier bij het leger, en had, geloof ik, met roem gediend: hij was zeer gezien en geacht als een beminnelijk en veelbelovend jongeling.”

„En, eilieve!” hernam de oudheidkenner, die niet de man was, om zich met één antwoord op twee verschillende vragen tevreden te stellen, „als dat zoo is, waarom spraakt gij den jongen niet dadelijk aan, toen gij hem bij mij ontmoettet? – Ik dacht niet, dat gij zoo veel van dien kleingeestigen vrouwentrots bezat!”

„Daarvoor was eene reden,” zeide Sir Arthur deftig. „Gij kent de begrippen, – vooroordeelen, zult gij ze misschien noemen, – van ons huis, omtrent de zuiverheid der geboorte; deze jongeling schijnt de onechte zoon te zijn van een man van aanzien; mijne dochter verkoos niet de kennis te hernieuwen, eer zij wist of ik het goedkeurde, dat zij hem kende.”

„Indien het zijne moeder geweest ware, in plaats van hem zelven, zou ik het best kunnen begrijpen. De arme jongen! Dat was dus de reden, waarom hij zoo afgetrokken en verlegen scheen, toen ik hem de beteekenis uitlegde van den bastaardsbalk op het schild ginds op den hoektoren.”

„Juist!” zei de Baronet met veel zelfbehagen; „het is het schild van Malcolm den Overweldiger, zoo als men hem noemt. De toren, dien hij bouwde, heet naar hem de Malcolm’s toren, bij verbastering de Misticots toren. Op den Latijnschen stamboom van ons geslacht komt hij voor onder den naam van Miscolumbus Nothus; en zijne tijdelijke overweldiging van onzen eigendom, en zijne hoogst onrechtvaardige poging om zijn bastaard-geslacht op ons erfgoed Knockwinnock te vestigen, berokkende zoo vele vijandelijkheden onder en ongelukken aan ons geslacht, dat ze ons zeer stijfden in den afkeer en tegenzin, welken ik van mijne geëerbiedigde voorouders overerfde, voor bastaardbloed en onechte kinderen.”

„Ik ken die geschiedenis,” zelde Oldbuck, „en ik verhaalde die zoo even aan Lovel, met eenige der wijze grondregels en vaste grondbeginsels, welke ze uw geslacht ingeprent had. De arme jongen! Het moet hem zeer getroffen hebben; ik hield zijne afgetrokkenheid voor onachtzaamheid, en was er eenigzins knorrig over, en het blijkt slechts een overmaat van gevoel geweest te zijn! Ik hoop echter, Sir Arthur, dat gij uw leven niet te minder achten zult, omdat het door zulk een bijstand behouden werd?”

„En mijn redder ook niet,” antwoordde de Baronet; „mijn huis en mijn tafel zullen even goed voor hem openstaan, alsof hij van het roemrijkste geslacht afstamde.”

„Kom, dat verheugt mij; – hij weet dus, waar een maaltijd te zoeken, als hij er een noodig heeft. – Maar wat kan hij in dezen omtrek te doen hebben? Ik moet hem daarover ondervragen; en als ik vind, dat hij het [85]noodig heeft, – en zelfs in elk geval, – zal hij mijn besten raad hebben.” – Met deze edelmoedige belofte, nam hij van Isabella en haren vader afscheid, vol ijver om Lovel onder handen te nemen. Hij zeide hem kortaf, dat Isabella zich liet verontschuldigen, – dat zij moest blijven, om haren vader op te passen, nam hem onder den arm, en bracht hem buiten het kasteel.

Knockwinnock behield nog steeds in vele opzichten het uiterlijk van het kasteel eener oude heerlijkheid. Het had zijne ophaalbrug, ofschoon die niet meer opgetrokken werd, en droge grachten, welker hellingen met groene struiken bepoot waren. Daarboven verrees het oude gebouw, gedeeltelijk uit grondvesten in de roode rotsen gehouwen, die tot de klippen van het strand neêrdaalden, en gedeeltelijk loodrecht op de groene kanten der gracht. De boomen van de groote laan zijn reeds beschreven en vele anderen verhieven zich in het rond, hoog en zwaar, als om het vooroordeel te weêrleggen, dat men geen timmerhout in de nabijheid van den oceaan kan laten groeien. Onze wandelaars hielden stil en zagen naar het kasteel terug, zoodra zij den top van eene kleine hoogte bereikt hadden, waarover hun weg huiswaarts ging; want het spreekt, dat zij de gevaren van het getij niet wilden wagen, door langs het strand terug te keeren. Het gebouw spreidde zijne breede schaduw over het dichte lommer der heesters onder het gebouw; terwijl vóór, aan den gevel, de vensterruiten in de zon glinsteren. Onze vrienden beschouwden ze met zeer verschillende gewaarwordingen. Lovel, met de oogen van den verliefde, die zich voedt en leeft van de lucht, zooals men zegt, dat de kameleon doet, of van de onzichtbare schepseltjes, die ze bevat, terwijl hij trachtte te gissen, welke der tallooze vensters tot het vertrek behoorden, op dat oogenblik verheerlijkt door de tegenwoordigheid van Isabella. De overpeinzingen van den oudheidkenner waren van veel treuriger aard, en werden gedeeltelijk uitgedrukt door den uitroep van „Cito peritura!” toen hij zich van de beschouwing van het kasteel afwendde. Lovel, uit zijne mijmering ontwaakt, keek hem aan, als om de beteekenis van deze onheilspellende woorden te vragen. De oude man schudde het hoofd. „Ja mijn jonge vriend!” zeide hij, „ik vrees zeer, – en het snijdt mij door de ziel, terwijl ik het zeg, – dat dit oud geslacht langzamerhand te gronde gaat!”

„Inderdaad!” antwoordde Lovel, „gij verrast mij zeer!”

„Het is te vergeefs, dat wij ons verharden,” ging de oudheidkenner voort, terwijl hij de reeks zijner eigene gedachten volgde, – „het is te vergeefs, dat wij ons verharden, om met die onverschilligheid, die zij verdienen, de wisselvalligheden van deze bedriegelijke, onbestendige wereld te aanschouwen. Te vergeefs streven wij om die onafhankelijke, onkwetsbare wezens, de teres atque rotundus van den dichter, te zijn. De Stoïcijnsche hoogte, waarop de wijsbegeerte voorgeeft ons boven de rampen en ongelukken van het menschelijk leven te plaatsen, is even hersenschimmig, als de toestand van denkbeeldige rust en volmaaktheid, waarnaar eenige ijdele dweepers streven.”

„En de Hemel verhoede, dat het anders zijn zou,” riep Lovel met drift. „De Hemel verhoede, dat eenige vorderingen der wijsbegeerte ons ooit in staat stelden, ons gevoel zoo stomp en verhard te maken, dat het zich door niets bewegen liet, dan door hetgene dadelijk en onmiddellijk uit ons eigen baatzuchtig belang voortsproot! Ik zou even gaarne eene hand hard als horen hebben, om ze voor eenige toevallige snede of kneuzing beveiligd te zien, als dat ik het Stoïcisme najagen zou, dat mijn hart hard als een rotssteen maakte!” [86]

De oudheidkenner keek zijn jeugdiger begeleider aan, met een half medelijdenden, half goedkeurenden blik, en haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: „Wacht, eens, jong mensch! wacht, tot uwe levensschuit zestig jaren lang door den storm der aardsche wisselvalligheden geslingerd is; – in dien tusschentijd zult gij de zeilen leeren bijhalen en aan den storm nageven; – of, in de taal der wereld, gij zult wederwaardigheden genoeg verduurd hebben en te verduren vinden, om uw gevoel en uwe edelmoedigheid in aanspraak te nemen, zonder u meer met het lot van anderen te bemoeien! dan hoogst noodzakelijk is.”

„Wel, mijnheer Oldbuck, zoo zij het, maar vooralsnog gelijk ik meer op u in uw doen, dan in uw stelsel, want ik kan niet nalaten diep getroffen te zijn door het lot van de familie, die wij juist verlaten hebben.”

„En dit moogt gij wel,” antwoordde Oldbuck; „de nood van Sir Arthur is binnen kort zoo dringend geworden, dat het mij verwondert, dat die u nog niet bekend was. En dan zijne ongerijmde en kostbare ondernemingen, met dien Hoogduitschen landlooper, Dousterswivel!”

„Ik geloof dien heer gezien te hebben, toen ik mij, bij toeval, in het koffijhuis te Fairport bevond; – een lange, sombere, onhebbelijke man, met zware wenkbrauwen, – die zich over wetenschappelijke onderwerpen, zoo als het mij in mijne onwetendheid ten minste toescheen, eerder stout dan geleerd uitliet, zeer eigendunkelijk was in het voordragen en handhaven zijner gevoelens, en de kunsttermen op eene zonderlinge, geheimzinnige wijze, met zijne wartaal vermengde. Een eenvoudig jong mensch fluisterde mij in, dat hij een illuminé was, en omgang had met de onzichtbare wereld.”

„O, dezelfde, – dezelfde! – hij heeft juist kennis genoeg, om geleerd en verstandig te spreken met lieden, wier verstand hij vreest; en, om de waarheid te zeggen, deze hoedanigheid, gevoegd bij zijne voorbeeldelooze onbeschaamdheid, heeft mij een tijdlang misleid, toen ik hem voor het eerst leerde kennen. Maar sedert heb ik vernomen, dat hij zich bij gekken en vrouwen als een volmaakte kwakzalver gedraagt, – van het magisterium, – van sympathiën, – van de cabala, – van de tooverroede spreekt, en al de bedriegerijen in het werk stelt, waarmede de rozenkruisers eene minder verlichte eeuw begoochelden, en die, tot onze eeuwige schande, in de onze eenigszins herleven. Mijn vriend Heavysterne had dezen mensch buiten ’s lands gekend, en gaf mij, zonder het te willen, – want hij is, moet gij weten, zelf een der geloovigen, – den sleutel tot zijn karakter. Och! ware ik slechts voor één enkelen dag Kalif, zoo als de eerlijke Abu Hassan wenschte te zijn, ik zou deze goochelaars met schorpioen-roeden de wereld uit geeselen! Zij brengen het hoofd der eenvoudigen en lichtgeloovigen met hun geheimzinnig gemaal even zeker op hol, alsof zij hunne hersens door brandewijn verhit hadden, en ledigen hen dan even gemakkelijk de zakken. En nu heeft deze avontuurlijke kwakzalver den laatsten slag toegebracht, om een oud en achtingswaardig geslacht te gronde te richten!”

„Maar hoe heeft hij Sir Arthur kunnen verleiden tot eenige gevaarlijke ondernemingen?”

„Wel, ik weet het zelf niet. Sir Arthur is een goede, brave man; – maar heeft, zoo als gij uit zijne verwarde begrippen omtrent de Pictische taal zult gemerkt hebben, niet al te veel doorzicht. Zijne goederen blijven in de familie, en hij is altijd in geldverlegenheid geweest. Deze zakkenroller beloofde gouden bergen, en men vond eene Engelsche compagnie, die groote sommen voorschieten wilde: – naar ik vrees op Sir Arthur’s naam. [87]Eenige heeren, – en ik was dom genoeg er onder te zijn, – namen kleine aandeelen in de onderneming, en Sir Arthur zelf deed groote voorschotten: wij werden meêgesleept door den schoonen schijn, en nog meer door schoone leugens, en nu ontwaken wij en zien, dat het een droom geweest is!”

„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, dat gij Sir Arthur door uw voorbeeld aangemoedigd hebt.”

„Wel,” zeide Oldbuck, de zware, grijze wenkbrauwen fronsende, „ik ben er zelf eenigszins verwonderd en beschaamd over; het was geene winstzucht; – niemand geeft minder om geld, (ofschoon ik zeer voorzichtig ben,) dan ik; – maar mij dacht, ik kon een sommetje wagen. Men verwacht, (ofschoon ik zeker niet inzien kan waarom,) dat ik iets geven zal aan den een of anderen, die goed genoeg zal zijn, om mij van dat schepseltje, mijne nicht, Mary M’Intyre, te verlossen; en misschien denkt men, dat ik iets doen zal, om dien jongen kwast, haren broeder, die bij het leger is, voort te helpen. In beide gevallen zou het verdriedubbelen van het gewaagde mij geholpen hebben. En daarbij had ik eenig vermoeden, dat de Phoeniciërs, in vroegere tijden, juist op die plaats koper gegraven hadden. De doortrapte schurk, Dousterswivel, ontdekte mijne zwakke zijde, en dischte mij vreemde vertelsels op (die vervloekte vent!) van oude schachten en sporen van bergwerken, geheel anders aangelegd en bearbeid, dan die van latere tijden; en – met één woord, – ik was een gek, en daarmeê is het uit! Mijn verlies is niet zoo groot, dat het de moeite waard is, er van te spreken; maar Sir Arthur heeft zich, naar ik begrijp, zeer diep ingelaten, en mijn hart bloedt voor hem en voor het arme jonge meisje, dat zijne armoede deelen moet.”

Hier volgde een stilzwijgen, tot het gesprek, zoo als het in het volgend hoofdstuk beschreven wordt, hervat werd.


1 Waarschijnlijk Dr. Hutton, de bekende Geoloog. – W. S. 

[Inhoud]

Veertiende Hoofdstuk

Als ik het sluim’rend oog vertrouwen mag,

Dan duidt mijn droom eenig vreugdevol nieuws:

Mijn hart zit zacht op zijnen troon,

En den geheelen dag voerde een luchtige geest

Mij boven de aarde met blijde gedachten.

Shakespeare’s Romeo en Julia.

Het verhaal van Sir Arthur’s ongelukkige omstandigheden had Oldbuck eenigszins afgeleid van zijn voornemen, om Lovel te ondervragen over de oorzaak van zijn verblijf te Fairport. Nu echter besloot hij, om een begin te maken. „Gij waart reeds vroeger met Isabella Wardour bekend, vertelde zij mij, mijnheer Lovel!”

„Ik had het genoegen gehad,” antwoordde Lovel, „om haar bij mevrouw Wilmot, in Yorkshire, te ontmoeten.” [88]

„Zoo! dat hebt gij mij nooit gezegd; en gij spraakt haar niet aan als eene oude kennis?”

„Ik, – ik wist niet, dat het dezelfde dame was eer wij elkander ontmoetten,” zei Lovel, zeer verlegen, „en toen was het mijn plicht te wachten, tot zij mij verkoos te herkennen.”

„Ik begrijp uwe kieschheid. De Baronet is een kleingeestige, eigenzinnige, oude gek; maar zijne dochter, – deze, beloof ik u, is boven alle ongerijmde plichtplegingen en vooroordeelen verheven. En nu, daar gij hier een nieuw stel vrienden gevonden hebt, mag ik vragen, of gij Fairport nog zoo spoedig denkt te verlaten, als gij voornemens waart?”

„En als ik uwe vraag door eene andere beantwoordde,” hernam Lovel, „en vroeg, wat gij van droomen denkt?”

„Droomen, malle jongen! – wel, waar voor zou ik die anders houden, dan voor de begoocheling der verbeelding, als de rede de teugels laat vallen? – Ik ken tusschen droomen en de hallucinatiën van den waanzin geen verschil. De woeste paarden slepen het rijtuig in beide gevallen, waarheen ze willen; in het eene geval is echter de voerman dronken, en in het andere slaapt hij. Wat zegt ons Marcus Tullius; – „Si insanorum visis fides non est habenda, cur credatur somnientium visis, quae multa etiam perturbatiora sunt non intelligo.” Indien men aan de verbeeldingen der waanzinnigen geen geloof moet hechten, begrijp ik niet, waarom men de verbeeldingen der droomenden gelooven zou, die nog veel verwarder zijn.”

„Juist, mijnheer; maar Cicero doet ons ook opmerken, dat, even als iemand, die den ganschen dag de werpspies slingert, soms het doel treft, er evenzoo tusschen de menigte nachtelijke droomen één kan voorkomen, welke met toekomstige gebeurtenissen overeenstemt.”

„Ei, – dat wil zeggen, dat gij, naar uw wijs oordeel, het wit getroffen hebt? Goede hemel! wat zijn de menschen toch dwaas! Wel nu, ik wil voor dezen keer de wetenschap der droomuitlegging niet verwerpen; – ik zal gelooven, dat ze te verklaren zijn, en zeggen, dat er een Daniël verrezen is, om ze uit te leggen, als gij mij bewijzen kunt, dat uw droom u eene wijze gedragslijn aangewezen heeft.”

„Zeg mij dan,” antwoordde Lovel, „waarom ik, terwijl ik in twijfel stond, of ik eene onderneming op zou geven, waartoe ik misschien te voorbarig besloot, gisteren nacht in mijn droom uw voorzaat zien moest, die mij, op eene spreuk wees, welke mij tot volharding aanmoedigde? – Waarom moest ik aan woorden denken, die ik mij niet herinneren kon ooit te voren gehoord te hebben, die in eene mij onbekende taal dáár stonden, en die ik echter, toen ze mij vertaald werden, zoo volmaakt goed op mijne eigene omstandigheden kon toepassen?”

De oudheidkenner barstte uit in een schaterenden lach. „Verschoon mij, mijn jonge vriend, maar zoo is het, dat wij onnoozele stervelingen ons zelven bedriegen, en buiten ons om naar beweeggronden zoeken, die in onze eigene grillen te vinden zijn. Ik geloof, dat ik u uit de verlegenheid helpen kan, ten aanzien van uw vizioen. Gij waart gisteren na tafel zoo verdiept in gepeins, dat gij weinig acht gaaft op het gesprek tusschen Sir Arthur en mij, tot wij op het geschilpunt kwamen betreffende de Picten, dat zoo onverwacht afgebroken werd; maar ik herinner mij, dat ik aan Sir Arthur een boek toonde, door mijn voorzaat gedrukt, en hem het motto liet zien; uwe gedachten waren elders, maar uw oor heeft werktuigelijk de klanken opgevangen en behouden, en uwe levendige verbeelding, aangezet door Grizels [89]sprookje, heeft, naar ik veronderstel, u in den droom deze Hoogduitsche woorden weder voorgesteld. Wat de wakende wijsheid betreft, die zich van zulk eene beuzelachtige omstandigheid gretig bedient, om haar volharden in eenigen maatregel te verschoonen, voor welken zij geene betere rechtvaardiging vinden kan, – dat is juist eene dier looze streken, die de wijsten van ons zich nu en dan zelven spelen, om hunne neiging, ten koste van hun verstand, te volgen.”

„Ik beken het,” zei Lovel, blozende, – „ik geloof, mijnheer Oldbuck, dat gij gelijk hebt; en ik moet, vrees ik, in uwe achting dalen, daar ik een oogenblik gewicht aan zulke nietigheden heb kunnen hechten; maar ik werd geslingerd door tegenstrijdige wenschen en besluiten, en gij weet, welk een dun lijntje men noodig heeft, om de boot te slepen, wanneer ze vlot op de baren is, ofschoon een kabeltouw haar nauwelijks in beweging zou brengen, als ze hoog en droog op het strand ligt.”

„Goed zoo, goed zoo!” – riep de oudheidkenner: „In mijne achting dalen? Waarachtig niet? Ik houd te meer van u, man! wel, wij hebben over en weêr historie tegen historie, en ik kan, nu zonder beschaamd te zijn, er over nadenken, hoe ik mij zelven blootgesteld heb met dat vervloekte Praetorium; ofschoon ik nog altijd overtuigd ben, dat Agricola’s kamp ergens in dezen omtrek moet geweest zijn. – En nu, Lovel, mijn goede jongen, wees oprecht met mij. – Wat doet gij uit Wittemberg? – zoo als Hamlet zegt; – waarom verliet gij uw vaderland en uw beroep, om u te Fairport met niets doen op te houden? Uit lust tot lediggang, vrees ik?”

„Juist,” antwoordde Lovel, zich aan eene onvermijdelijke ondervraging onderwerpende, – „nu ben ik van alle menschen los, en ik heb er zoo weinigen, in wie ik belang stel, of die zich aan mij laten gelegen liggen, dat het verzaken van mijn beroep mij onafhankelijk maakt. De man, wiens voor- of tegenspoed niemand aangaat, is het best bevoegd, om zijn geluk op zijne eigene wijze te zoeken.”

„Vergeef mij, longman!” zei Oldbuck, hem de hand vriendelijk op den schouder leggende, en plotseling blijvende stilstaan, – „sufflamina: – een oogenblik geduld, als ’t u belieft; – ik wil veronderstellen, dat gij geene vrienden hebt, die in uw voorspoed deelen, of er zich over verheugen, – dat gij zelfs niet terug kunt zien op iemand, wien gij dankbaarheid verschuldigd zijt, of hopen op hen, die van u afhangen moesten; het is echter niet minder uw plicht, om rustig het pad der deugd te blijven bewandelen: want uw werkzaam streven behoort niet slechts aan de samenleving, maar in nederige dankbaarheid aan het Opperwezen, dat er u een lid van maakte, en met voldoende krachten uitrustte, om u zelven en anderen van nut te zijn.”

„Maar ik weet niet, dat ik zulke krachten bezit,” hernam Lovel, eenigszins ongeduldig; „ik vraag niets van de samenleving, dan de vergunning, om ongestoord mijn levensweg te bewandelen, zonder anderen te hinderen, of te moeten dulden, dat ik door anderen gehinderd worde; – ik ben niemand iets schuldig; – ik heb de middelen, om geheel onafhankelijk te leven, en mijne wenschen zijn te dien opzichte zoo matig, dat die middelen, hoe beperkt ook; eerder overvloedig dan ontoereikende zijn.”

„Dan voorwaar,” zei Oldbuck, de hand terug trekkende en weêr voortwandelende, „als gij zulk een echte wijsgeer zijt, dat gij gelooft geld genoeg te hebben, valt er niets meer te zeggen. – Ik heb geen recht om u raad te geven; – gij hebt de akmé – het toppunt der volmaaktheid bereikt. En waarom is Fairport de uitverkoren verblijfplaats geworden van zulk eene verhevene [90]wijsbegeerte? – het is, alsof een vereerder van den waren Godsdienst zich bij voorkeur vestigde te midden der afgodendienaren in het land van Egypte. Er is geen mensch in Fairport, of hij aanbidt het gouden kalf, – den mammon der ongerechtigheid; – wel, ik zelf ben zoo besmet met hunne ondeugd, dat ik soms geneigd ben, een afgodendienaar te worden.”

„Daar mijn lievelingsvak de letterkunde is, en omstandigheden, die ik niet wel mededeelen kan, mij, ten minste voor een tijd, den krijgsdienst deden verlaten, heb ik Fairport uitgezocht, als eene plaats, waar ik mij aan mijne bezigheden kon overgeven, zonder eenige dier verzoekingen tot afleiding, welke een meer deftige kring mij wellicht zou hebben aangeboden.”

„Zoo! zoo!” zei Oldbuck, met een veelbeteekenenden blik. – „Ik begin uwe toepassing van de spreuk van mijn voorvader te begrijpen; gij dingt naar de gunst van het publiek, ofschoon niet langs den weg, dien ik eerst vermoedde. – Gij wenscht als schrijver bekend te worden, en gij hoopt de volksgunst door vlijt en volharding te verwerven.”

Lovel, die eenigszins door het scherp ondervragen van den ouden heer in het nauw gebracht was, begreep, dat hij niet beter kon doen, dan hem in het denkbeeld te laten, dat hij zelf had gelieven op te vatten.

„Ik ben wel eens,” antwoordde hij, „dwaas genoeg geweest aan zoo iets te denken.”

„Och, mijn arme jongen, niets kan treuriger zijn; of gij moest, zoo als jonge lieden wel eens zijn, verliefd zijn op eenig nietig vrouwelijk schepseltje, wat zoo als Shakespeare naar waarheid zegt, zoo veel is, als terzelfder tijd dood gedrukt, gegeeseld en gehangen te worden.”

Hij ging nu met zijne vragen voort, die hij soms vriendelijk genoeg was van zelf te beantwoorden. Want deze goede oude heer had, bij zijne oudheidkundige navorschingen, langzamerhand smaak gekregen in het opmaken van besluiten uit veronderstellingen, die dikwijls zeer ver waren van gegrond te zijn; en daar hij, zoo als de lezer reeds zal hebben opgemerkt, vrij stijfhoofdig was, liet hij zich niet licht afleiden, of te recht wijzen, omtrent daadzaken of meeningen, – zelfs niet door diegenen, welke het grootste belang hadden bij de onderwerpen, waarover hij redeneerde. Hij ging dus voort met Lovel’s letterkundige loopbaan voor hem te schetsen.

„En waarmede denkt gij uwe loopbaan als man van letteren te openen? – Maar ik kan het gissen; – de poëzie, – de poëzie, – de geliefde verleidster der jeugd! Ja! ik merk een zedige, verlegene toestemming in uwe oogen en manieren. – En van welken aard is uwe dichterlijke ader? – Zijt gij geneigd naar de hoogere streken van den Parnassus te streven, of zult gij slechts beneden om den voet van den berg heen fladderen?”

„Tot dus ver ondernam ik niets dan eenige kleine lierdichten.”

„Juist zoo als ik dacht! – Uwe vleugels beproefd, van tak tot tak gehuppeld! Maar ik vertrouw, dat gij eene stoutere vlucht zult nemen. – Merk wel op, dat ik u in geenen deele aanraad, om op deze onvoordeelige loopbaan te volharden; – maar gij beweert geheel en al onafhankelijk te zijn van het publiek?”

„Geheel en al,” hernam Lovel.

„En dat gij besloten hebt, geene andere loopbaan voor het oogenblik te kiezen?”

„Voor het oogenblik is dat mijn besluit,” antwoordde Lovel.

„Wel, dan blijft er niets ander voor mij over, dan dat ik u in uw voornemen raad geef. Ik heb zelf twee Verhandelingen in het Magazijn der [91]Oudheidkunde uitgegeven, en ben dus een schrijver van ondervinding. Het waren mijne Aanmerkingen over Hearne’s uitgave van Robert van Gloucester, geteekend Scrutator; en de andere, geteekend Indagator, was over eene plaats in Tacitus. – Ik zou er iets kunnen bijvoegen, dat, in zijn tijd, veel opgang maakte, namelijk mijn stuk, in het Heeren-Magazijn, over de inscriptie van Oelia Lelia, hetwelk ik Oedipus onderteekende. – Dus ziet gij, dat ik geen nieuweling ben in de geheimen van den schrijver, en noodzakelijk bekend moet wezen met den smaak en den geest des tijds. – En nu nog eens, waarmede denkt gij te beginnen?”

„Ik ben niet van voornemen, om dadelijk iets uit te geven.”

„O! dat gaat nooit; in al uwe ondernemingen moet gij de vrees voor het publiek voor oogen hebben. Laat ons eens zien. – Eene verzameling van vluchtige stukken; – maar neen, – uwe vluchtige poëzie zou wellicht paalvast bij den boekverkooper blijven. – Het moet iets zijn, dat tevens degelijk en aantrekkelijk is. – Geene romances of bespottelijke vertelseltjes. – Ik wilde dat gij terstond eene hoogere vlucht naamt. – Laat zien – wat dunkt u van een echt heldendicht? – in den grootschen ouderwetschen, geschiedkundigen trant, – behoorlijk en deftig in twaalf, of vierentwintig boeken? Zie zoo! – ik zal u het onderwerp aan de hand geven: de Slag tusschen de Caledoniërs en de Romeinen. De Caledoniade, of de verijdelde inval, – zoo moet het heeten! Dat zal met den hedendaagschen smaak overeenkomen, en gij kunt er hier en daar iets toepasselijk op deze tijden invlechten.”

„Maar de inval van Agricola werd niet afgeweerd.”

„Neen; maar gij zijt een dichter; – een vrij man, en even zoo weinig aan waarheid, of waarschijnlijkheid gebonden, als Virgilius zelf. – Gij moogt de Romeinen verslaan, ondanks Tacitus.”

„En Agricola’s kamp verplaatsen naar het kamp van – hoe noemt gij het, in weêrwil van Adam Ochiltree?”

„Niets meer daarvan, als gij mij liefhebt! – En toch geloof ik wel, dat gij, zonder het te willen, in beide gevallen de juiste waarheid vertellen zoudt, in weêrwil van de toga van den geschiedschrijver, en van den blauwen kiel van den bedelaar.”

„Dat is eene stoute bewering! – Wel, ik zal mijn best doen; – gij zult mij wel bijstaan met plaatselijke ophelderingen?”

„Zou ik niet, man? – wel, ik zal de historische en kritische aanmerkingen bij ieder gezang voegen, en het plan van het gedicht zelf ontwerpen. Ik maak aanspraak op eenig dichterlijk genie, mijnheer Lovel, hoewel ik nooit verzen maken kon.”

„Het is jammer, mijnheer, dat gij te kort moest komen in eene hoedanigheid, die eenigszins een hoofdvereischte van de kunst genoemd mag worden.”

„Eene hoofdvereischte? – volstrekt niet; – het is slechts het werktuigelijke gedeelte! – Een mensch kan dichter zijn, zonder spondeën en dactylen te tellen als de ouden, of de einden der verzen in rijm te doen klinken, gelijk de hedendaagschen, – even als men een bekwaam bouwmeester zijn kan, zonder als een metselaar te kunnen werken. Gelooft gij, dat Palladius of Vitruvius ooit een kalkbak, hebben gedragen?”

„Dan moesten er twee schrijvers voor elk dichtstuk zijn; de ééne om het plan te ontwerpen, en de andere om het uit te voeren.”

„Wel, dat zou zoo kwaad niet zijn; in elk geval zullen wij dat beproeven; niet dat ik met mijn naam wenschte te prijken voor het publiek; gij zoudt in de voorrede van den bijstand van een geleerden vriend kunnen [92]spreken, met zoo veel ophef als gij verkiest. – De ijdelheid van den schrijver is mij geheel vreemd!”

Lovel vermaakte zich zeer over eene verklaring, zoo weinig strokende met de gretigheid, waarmede zijn vriend de gelegenheid scheen aan te grijpen, om voor het publiek op te treden, hoewel op eene wijze, meer gelijkende naar het klimmen achter op een rijtuig, dan het daarin plaats nemen. De oudheidkenner was inderdaad buitengemeen verheugd; want hij had, even als vele andere mannen, die hun leven in onbekende letterkundige navorschingen doorbrengen, eene geheime zucht, om in druk te verschijnen, die door vlagen van huiverigen angst, van vrees voor de kritiek, en door de gewoonten van traagheid en uitstel tegengehouden werd. „Maar,” dacht hij, „ik kan, als een tweede Trojaan, mijne pijlen slingeren van achter het schild van een vriend; en verondersteld, dat hij geen dichter van den eersten rang bleek te zijn, zoo ben ik in geenen deele verantwoordelijk voor zijne gebreken, en de degelijke aanteekeningen zullen waarschijnlijk den zwakken tekst verhelpen! – Maar hij is, – hij moet een goed dichter zijn; – hij heeft al de afgetrokkenheid van den bezoeker van den Parnassus; – hij beantwoordt zelden eene vraag eer men die tweemaal herhaald heeft; hij drinkt zijn thee kokend heet, en eet, zonder te weten wat hij in den mond steekt. Dit is de eigenlijke aestus, de divinus afflatus, de goddelijke adem, waardoor de dichter boven dit ondermaansche verheven is. – Ook zijne visioenen hebben vele kenmerken van dichterlijke razernij. – Ik moet niet vergeten Caxon heden avond naar zijne kamer te zenden, om te zien, of hij het licht uitdoet. Dichters en geestenzieners zijn daaromtrent soms wat nalatig.” Toen zich naar Lovel wendende, en zijne verdere gedachten hardop uitdrukkende, zeide hij:

„Ja, mijn waarde Lovel, gij zult noten in overvloed hebben, en ik geloof, wezenlijk, dat wij de geheele Verhandeling over de kunst van kampen aan te leggen in het aanhangsel opnemen kunnen; – dat zou het werk eene groote waarde bijzetten! Daarenboven zullen wij de goede oude vormen weêr invoeren, die men in de hedendaagsche tijden zoo zeer verwaarloost. Gij zult de Zanggodin inroepen, – en zeker moet zij een schrijver gunstig zijn, die in eene eeuw van algemeenen afval, met het geloof van een Abdiel, den ouden vorm van aanbidding getrouw blijft! – Dan moeten wij ook eene verschijning hebben, waarin de Genius van Caledonië zich aan Galgacus vertoont, en hem de deftige reeks der echt Schotsche Koningen laat zien; – en over Boethius zal ik loskomen in de noten; – neen, ik moet dat punt niet aanraken, nu Sir Arthur waarschijnlijk buitendien ergernissen genoeg zal hebben; – maar Ossian, Macpherson en Mac-Cribb zal ik vernielen!”

„Maar wij moeten aan de kosten van het drukken denken,” zeide Lovel, die beproeven wilde of deze wenk ook als koud water vallen zou op den blakenden ijver van zijn zelfbenoemden medewerker.

„Kosten!” zei de heer Oldbuck, terwijl hij werktuigelijk in den zak tastte, – „dat is zoo! – ik zou gaarne iets doen! – Maar zoudt gij het werk niet bij inteekening willen uitgeven?”

„Volstrekt niet!” antwoordde Lovel.

„Neen! neen!” hernam de oudheidkenner, blijmoedig toestemmende, „dat is niet fatsoenlijk. – Wil ik u wat zeggen; ik ken een boekverkooper, die eenig vertrouwen in mijn oordeel stelt, en het papier en drukwerk er aan wagen zal, en ik zal zoo vele exemplaren voor u zoeken te plaatsen, als ik maar kan.” [93]

„O, ik ben geen broodschrijver! ik wenschte slechts geen nadeel te lijden.”

„Stil! stil! – ik zal er wel voor zorgen: – het alles op de uitgevers schuiven. Ik ben verlangend, u aan het werk te zien. Gij zult ongetwijfeld rijmlooze verzen kiezen? – Die zijn grootscher en deftiger voor een geschiedkundig onderwerp; en, voor wat u betreft, mijn vriend, laten die zich, geloof ik, gemakkelijker schrijven.”

Dit gesprek bracht hen op Monkbarns, waar de oudheidkenner een scherpen uitval van zijne zuster verduren moest, die, zonder tot de wijsgeeren te behooren, in het voorportaal stond te wachten, om hem de les te lezen. „Bewaar ons, Monkbarns, is alles niet reeds duur genoeg, dat gij tot den visch toe moet opjagen, door aan dat oude wijf, Luckie Mucklebackit, juist te geven, wat zij goedvindt te vragen?”

„Wel, Grizel, ik dacht, dat ik een koopje had!”

„Een mooi koopje, als gij haar ruim de helft geeft van hetgeen zij vraagt! – Als gij u met de huishouding bemoeien wilt, en visch koopen op uwe eigene hand, moet gij nooit veel meer bieden, dan een vierde! En de onbeschaamde slet durfde nog een borrel komen vragen; – maar wij hebben haar de waarheid gezegd, Jenny en ik.”

„Waarlijk,” zei Oldbuck met een schelmschen blik tot zijn metgezel, „ons geluk, dunkt mij, was groot, dat ons buiten het gehoor van dien twist hield! – Wel, wel, Grizel! eens in mijn leven was ik dan ultra crepidam, – buiten mijn beroep – dat stem ik gaarne toe! Maar wat de kosten aangaat, – de zorg is doodelijk! – en wij zullen den visch eten, wat het ook koste! En nu, Lovel, moet gij weten dat ik te eerder aanhield, dat gij vandaag zoudt blijven, omdat onze maaltijd beter zal zijn, dan naar gewoonte; – de overblijfsels van een feest zijn mij aangenamer nog, dan het feest zelf! Ik vind smaak in de analecta, de collectanea, zoo als men die zou kunnen noemen, van den vorigen dag, die bij zulke gelegenheden op tafel gezet worden. En zie, daar gaat Jenny de etensklok luiden!”

[Inhoud]

Vijftiende Hoofdstuk

Men bezorge dezen brief met spoed – spoed – spoed!

Rijd, rijd! – om uw leven! – om uw leven! – om uw leven!

Oud opschrift op brieven van gewicht.

Terwijl de heer Oldbuck en zijn vriend hun duur gekochten visch nuttigen, verplaatsen wij ons met den lezer in de achterkamer van den postmeester te Fairport, waar de vrouw, bij afwezigheid van haren man, bezig was met de brieven uit te zoeken, die de post uit Edinburg had gebracht. In kleine landsteden, is dit zeer dikwijls, het tijdstip van den dag, dat nieuwsgierige praatzusters het bijzonder aangenaam vinden, om den postmeester of zijne vrouw te bezoeken, om uit het buitenste der brieven, en, [94]zoo men haar niet belastert, bij gelegenheid ook het binnenste er van, berichten in te winnen, of gissingen te maken omtrent de briefwisselingen en zaken harer buren. Twee vrouwen van dezen aard hielpen, of belemmerden dan ook nu jufvrouw Mailsetter in hare ambtsverrichtingen.

„Wel hemel!” riep de slagers vrouw, „daar zijn tien, elf – twaalf brieven voor Tennant en Comp. – die menschen doen meer zaken, dan de geheele stad bij elkaâr!”

„Ja; maar zie je, mensch!” antwoordde de bakkersvrouw, „twee er van zijn heel vierkant en op de beide kanten toegelakt: – daar zullen wel geprotesteerde wissels in zitten!”

„Kwam er nog geen brief voor Jenny Caxon? – de luitenant is al drie weken weg.”

„Ja zij heeft er een gekregen Dinsdag voor acht dagen.”

„Met scheepsgelegenheid?”

„Wel zeker!”

„Dan is hij van den luitenant,” zei de bakkersvrouw eenigszins teleurgesteld; „ik had nooit gedacht, dat hij meer naar haar zou omzien.”

„Ei kijk, daar is er nog één,” zei jufvrouw Mailsetter, „ook een scheepsbrief, – postmerk Sunderland!” – Allen vlogen op, om hem te grijpen. – „Neen, neen, dames!” zei jufvrouw Mailsetter; „niets meer van dat werk! – Weet gij, dat Mailsetter een geduchte vermaning gekregen heeft van den secretaris te Edinburg, wegens een klacht over den brief aan Aily Bisset, dien gij opengemaakt hebt, jufvrouw Shortcake?”

„Ik!” schreeuwde de echtgenoote van den eersten bakker uit Fairport; „gij weet zelve, dat die open ging, toen ik hem in de handen kreeg; – ’t was mijne schuld niet; – de menschen moesten beter lak gebruiken.”

„Nou, dat is waar,” zei jufvrouw Mailsetter, die ook een komenijswinkel hield, „en wij hebben wat gekregen, dat ik als extra goed kan recommandeeren, als gij soms iemand kent, die lak noodig heeft. – Maar het einde van de grap zal zijn, dat wij onze broodwinning verliezen, als er ooit weêr dergelijke klachten komen.”

„Ei ja! dat zal de Provoost wel beletten.”

„Neen – neen; ik vertrouw Provoost, noch baljuw: – maar ik wil wel beleefd en als goede buurvrouw met u handelen, en ik heb er niets tegen, dat gij het buitenste van een brief bekijkt. – Zie, er staat een anker op het lak; – hij zal, een van zijne knoopen gebruikt hebben!”

„Laat zien! laat zien!” riepen de vrouwen van den slager en den bakker, terwijl zij zich met dezelfde nieuwsgierige drift, en weinig minder kwaadwilligheid, op den veronderstelden minnebrief wierpen, als de zuster-heksen in Macbeth op den duim van den stuurman. Jufvrouw Heukbane was eene lange vrouw, en hield den brief tusschen hare oogen en het licht. Jufvrouw Shortcake, eene kleine dikke vrouw, rekte zich uit en stond op de teenen om ook deel aan het onderzoek te hebben.

„’t Is van hem, dat is zeker! – ik zie duidelijk Richard Taffril onder in den hoek; het is aan alle kanten vol geschreven.”

„Houd het papier wat lager!” riep jufvrouw Shortcake, op een toon, die veel hooger was, dan de voorzichtigheid bij hare bezigheid eischte – „houd het wat lager; – denkt gij, dat niemand schrift kan lezen, dan gij alleen?”

„Stil, stil, dames! in ’s hemels naam!” zei jufvrouw Mailsetter; „er is iemand in den winkel.” – toen overluid: „Zie eens wie er is, Baby!” [95]

Baby antwoordde van buiten op een gillenden toon: „Er is niemand, dan Jenny Caxon, juffer, om te vragen, of er ook een brief voor haar is?”

„Zeg haar,” zei de eerlijke postmeesteres, tegen hare vriendinnen knipoogende, „dat zij morgen om tien uur weêrkomen moet, dan zal ik het haar zeggen. Wij hebben nog geen tijd gehad, om de brieven uit te zoeken; – zij heeft altijd zoo veel haast, alsof aan hare brieven meer gelegen was, dan aan die van de eerste kooplieden der stad.”

De arme Jenny, een buitengewoon schoon en bescheiden meisje, trok haren mantel om zich heen, zocht den zucht te smoren, dien de teleurstelling haar afperste, en ging stil naar huis, om nog één nacht het leed te verduren, door de onzekerheid veroorzaakt.

„Daar staat iets in van eene naald en eene pool!” zei jufvrouw Shortcake, aan wie hare langere mededingster eindelijk ook een kijkje vergund had naar het voorwerp harer nieuwsgierigheid.

„Nu, dat is door het onbeschaamde heen!” zeide jufvrouw Heukbane; „een arme onnoozele deern voor den gek te houden, na er zoo lang meê verkeerd en haar ongelukkig te hebben gemaakt, zoo als ik niet twijfel, dat hij gedaan heeft!”

„Dat is maar al te waarschijnlijk,” steunde jufvrouw Shortcake; – „haar te verwijten, dat haar vader een barbier is, en hij een pruikestok voor de deur heeft, en dat zij zelve slechts eene naaister is! Foei, dat is schandelijk!”

„Bedaard, – bedaard, dames!” riep jufvrouw Mailsetter, „gij hebt het glad mis; – het is een regel uit een van zijne zeemansliedjes, die ik hem heb hooren zingen; – iets over „getrouw zijn, als de naald aan de pool.””

„Wel, wel, we willen hopen, dat het zoo is! Maar het staat eene jonge deern als haar slecht, om briefwisseling te houden met een van ’s Konings officieren!”

„Dat ontken ik niet,” zei jufvrouw Mailsetter; „Maar die minnebrieven brengen een boel op bij het postkantoor. – Zie hier! vijf of zes brieven aan Sir Arthur Wardour; – velen er van zijn met ouwels toegemaakt en niet ééns niet lak! het gaat hem niet best, gelooft mij!”

„Ei ja, dat zullen brieven over zaken zijn, en niet van zijne groote vrienden, die ze met hunne wapens toelakken, zoo als ze die dingen noemen,” zei jufvrouw Heukbane: „Hoogmoed komt voor den val! Hij heeft al in geen jaar met mijn man afgerekend: – het is een wrakke boel, geloof ik!”

„Met ons ook, in geen zes maanden!” zuchtte jufvrouw Shortcake; – „het is mis met hem: daar kunt ge staat op maken!”

„Dáár is een brief,” viel de getrouwe postmeesteres in de rede, „van zijn zoon den kapitein, denk ik; – op het zegel staan dezelfde dingen als op het rijtuig van Knockwinnock. Hij zal wel te huis komen, om te zien wat hij uit den brand redden kan!”

Op den Baronet volgde de heer Oldbuck. – „Twee brieven voor Monkbarns: – die komen van eenige zijner geleerde vrienden; zie, hoe dicht ineen gekrabbeld tot aan het lak toe; – om de dubbele vracht te vermijden: dat is naar Monkbarns zijn zin. Als hij een brief franco afzendt, vult hij hem juist op tot het gewicht van één ons, zoodat één korreltje de schaal zou doen overhellen: – maar ze zijn ook nooit een korrel te zwaar. Wel, ik zou bankroet gaan, als ik hun, die peper en zwavel en dergelijke dingen koopen, zulk gewicht gaf.”

„Het is een schriel heer, die Monkbarns,” zei jufvrouw Heukbane. „In Augustus zal hij weêr meer drukte maken over het koopen van een vierendeeltje [96]lam, dan een ander over een halve os! – Laat ons nog een glaasje kaneelwater proeven, jufvrouw Mailsetter, mijne lieve! – Och, menschen! als gij zijn broeder gekend hadt, zoo als ik! – menigmaal kwam hij hier inloopen, om mij te zien, met een paar wilde eendvogels in zijn zak, als mijn eerste man naar Falkirk was. – Wel, wel, – ik zou u daarvan het een en ander kunnen vertellen!”

„Ik zal niets ten nadeele van dezen Monkbarns zeggen,” zei jufvrouw Shortcake; „zijn broeder heeft mij nooit wilde eendvogels gebracht, en deze is een vriendelijk, braaf mensch. Hij neemt het brood voor zijn geheele huisgezin van ons, en hij rekent elke week met ons af; – eens echter was hij erg in de weer, toen wij hem een boekje, in plaats van den kerfstok zonden1, wat, zeide hij, de echte, ouderwetsche wijze was om af te rekenen, tusschen de winkeliers en hunne klanten; en dat is waar ook!”

„Maar zie eens hier!” riep jufvrouw Mailsetter, „hier is iets, om zich blind op te kijken! – Wat zoudt gij niet geven, om het binnenste van dien brief te zien? – dat is wat nieuws; – nooit zag ik iets dergelijks: „Aan den heer William Lovel, ten huize van Mejufvrouw Hadoway, Hoogstraat, Fairport, bij Edinburg.” Dit is de tweede brief, dien hij gehad heeft, sedert hij hier is.”

„In vredes naam, laat zien! In ’s Hemels naam, laat zien! – dat is hij, van wien de geheele stad niets weet, – het is een flinke jongen; – laat – laat zien!” riepen de twee waardige dochters van moeder Eva.

„Neen, neen, dames!” riep jufvrouw Mailsetter; „blijft er af, – blijft er af, zeg ik! – dit is geene van uwe vierstuivers waar, waarvan wij het bedrag voor het postkantoor onder ons kunnen vergoeden, als er een ongeluk aan komt. De vracht is vijfentwintig shillings, – en hier is de orde, om den brief aan den heer met eene expresse te verzenden, in geval hij niet te huis is! Neen, neen, hiermeê valt niet te spotten!”

„Maar laat het ons dan eventjes van buiten zien, mensch!”

Niets kon men daaruit opmaken, dan eenige aanmerkingen over de bijzondere eigenschappen, die de wijsgeeren aan de stof toeschrijven: lengte, breedte, diepte en zwaarte. Het couvert bestond uit sterk, dik papier, ondoordringbaar voor de nieuwsgierige oogen, welke er op staarden, als of ze uit hunne holen springen wilden. Het zegel toonde een afdruk van een wapen, en trotseerde alle pogingen om den inhoud in te zien, zonder het open te breken.

„Jongens!” zei jufvrouw Shortcake, terwijl zij het pakje in de hand woog, en, zeer waarschijnlijk, hoopte dat het al te sterke lak van zelf smelten en zich ontbinden zou; „ik zou wel eens willen weten, wat er in zit; want die Lovel is de vreemdste mensch, die ooit te Fairport geweest is. Niemand weet wat van hem te maken!”

„Wel, wel, dames!” hernam de postmeesteres, „wij zullen gaan zitten, en er eens over keuvelen. Baby, breng theewater binnen! – Zeer verplicht voor uwe koekjes, mejufvrouw Shortcake! – en dan zullen wij den winkel sluiten, en Baby binnen roepen, en een partijtje maken, tot de man te huis komt, – en dan zullen wij de heerlijke kalfszwezerikken proeven, die gij zoo goed geweest zijt mij te zenden, jufvrouw Heukbane!”

„Maar wilt gij niet eerst den brief aan den heer Lovel verzenden?” vroeg jufvrouw Heukbane. [97]

„Waarlijk, ik weet niet wien er meê te sturen eer mijn man te huis komt; want de oude Caxon vertelde mij, dat de heer Lovel den geheelen dag op Monkbarns bleef; – hij heeft er de koorts gekregen door dien heer en Sir Arthur uit zee te halen.”

„Die malle, oude kerels!” zei jufvrouw Shortcake; „wat bewoog hen, om in een nacht, als dien van gisteren uit te gaan.”

„Men had mij gezegd, dat het de oude Adam was, die hen redde,” zeide jufvrouw Heukbane, „Adam Ochiltree, de Blauwrok, weet ge, – en dat hij hen alle drie uit het water haalde; want Monkbarns had hen bepraat, om er in te gaan, om de werken van de oude monniken te zoeken.”

„Wel neen, – gekheid!” antwoordde de postmeesteres; „ik zal het u vertellen zoo als Caxon het mij verteld heeft. Zie je, Sir Arthur en zijne dochter en de heer Lovel hadden op Monkbarns zullen eten.”

„Maar, jufvrouw Mailsetter!” viel haar jufvrouw Heukbane op nieuw in de rede, „zult gij niet trachten, dezen brief met eene expresse te verzenden? – Onze hit en onze jongen, hebben al vroeger depèches voor het postkantoor overgebracht, en de hit heeft heden nog geene dertig mijlen afgelegd; – Jan was bezig met hem te poetsen, toen ik hier naar toe kwam.”

„Wel, jufvrouw Heukbane!” zei de brievenvrouw, op de lippen bijtende, „gij weet, dat mijn man zelf gaarne als expresse rijdt. Wij moeten onzen afval aan onze eigene honden geven; – het brengt hem telkens eene halve guinje in den zak, zoo dikwijls, hij zijne merrie bestijgt; en hij zal weldra hier zijn, – of het zal er wel niet veel toe doen, of die heer den brief heden nacht, of morgen vroeg krijgt.”

„Alleen maar dat de heer Lovel te huis zal zijn, eer de expresse vertrokken is,” zeide jufvrouw Heukbane, „en wat dan? – maar gij weet zelve het best wat te doen!”

„Wel, wel, jufvrouw Heukbane!” antwoordde hare vriendin, eenigszins verdrietig en zelfs verlegen; „ik ben gaarne wèl met mijne buren; – leven en laten leven, zoo als men zegt, is mijn grondbeginsel, – en daar ik zoo mal was van de order te laten zien, – moet men zeker daaraan gehoorzamen; – maar ik heb uw knecht niet noodig; – hartelijk dank; – ik zal den kleinen David op uw hit zenden, en dat zal juist vijf shillings en drie stuivers voor ieder van ons zijn.”

„David! Wel Heere! die jongen is nog geen tien jaar oud: en, om rond met u te werk te gaan, onze hit is koppig, en de weg is niet best, en niemand kan hem rijden, dan onze Jan.”

„Dat spijt mij,” antwoordde de postmeesteres deftig; „dan moeten wij maar wachten, tot de man te huis komt, – want ik zou niet gaarne de verantwoordelijkheid op mij nemen van den brief aan zulk een klant als uw Jan te hebben toevertrouwd; – onze David behoort zoowat tot de posterijen.”

„Wel, wel, jufvrouw Mailsetter, ik zie, waar gij heen wilt; – maar hebt gij lust, om er den jongen aan te wagen, ik waag er het beest aan!”

Men gaf dus de noodige bevelen. Het onwillige paard werd van zijn bos stroo afgenomen, en op nieuw voor den dienst uitgerust. David, een lederen brievenzak dwars over zijne schouders, werd in den zadel geplaatst, met een traan in het oog en een zweep in de hand. Jan leidde vriendelijk het dier tot buiten de stad, en dwong het door het klappen van zijn zweep en het geschreeuw zijner welbekende stem, om den weg naar Monkbarns in te slaan.

De buurjufvrouwen maakten intusschen, even als de Sybillen, nadat zij hare tafels geraadpleegd hadden, het nieuws van den avond op, dat den volgenden [98]morgen, langs honderden kanalen en met even zoo vele veranderingen, door de wereld van Fairport verspreid werd. Talrijk, vreemd en onzamenhangend waren de geruchten, die hare berichten en gissingen deden ontstaan. Eenigen zeiden, dat Tennant en Comp. bankroet waren, en dat al hunne wissels met protest terug gekomen waren; – anderen, dat zij eene groote bestelling voor het Gouvernement gekregen hadden, en brieven van de voornaamste kooplieden te Glasgow, die er, tegen eene premie, aandeelen in verlangden. Het eene bericht meldde, dat de Luitenant Taffril bekend had, in het geheim met Jenny Caxon getrouwd te zijn, – een ander, dat hij haar een brief gezonden had, vol verwijtingen over hare lage geboorte en slechte opvoeding en waarin hij haar voor eeuwig vaarwel zeide. Algemeen verhaalde men, dat de zaken van Sir Arthur hopeloos verward waren; en dit gerucht werd door de verstandigen slechts betwijfeld; omdat men nagaan kon, dat het uit den winkel van jufvrouw Mailsetter kwam, en deze bron meer beroemd was wegens het veelvuldige, dan wel wegens het nauwkeurige nieuws, dat zij opleverde. Maar allen kwamen overeen, dat er een pakje van het ministerie gekomen was aan het adres van den heer Lovel, en dat het uit het hoofdkwartier te Edinburg gezonden werd door een ordonans-dragonder, die Fairport door gegaloppeerd was, zonder zich op te houden, dan alleen om naar den weg naar Monkbarns te vragen. Men legde de reden tot zulk eene buitengewone zending aan een zeer stil en afgezonderd levend man verschillend uit. Eenigen zeiden, dat Lovel een geëmigreerd edelman was, die opgeroepen werd, om zich aan het hoofd van een opstand te plaatsen, die in de Vendée uitgebroken was, – anderen, dat men hem voor een spion hield, – anderen, dat hij een generaal was, die in het geheim de kusten opnam; – anderen, dat hij een prins was, die incognito reisde.

Intusschen was de tocht van het pakje, dat tot zoo vele gissingen aanleiding gegeven had, op weg naar den eigenaar, te Monkbarns, gevaarlijk en niet onafgebroken geweest. De overbrenger, David Mailsetter, geleek, zoo als men zich verbeelden kan, weinig op een moedigen dragonder, en werd alleen verder naar zijne bestemming gevoerd, zoolang het dier zich het geklap der zweep en het geschreeuw van den slagersknecht herinnerde. Maar zoodra het gevoelde, hoe David, wiens beentjes niet lang genoeg waren, om hem in evenwicht te houden, op zijn rug heen en weêr zwaaide, begon het paard de ontvangen aanwijzingen te verachten. Eerst zette de hit zich langzamerhand in den stap. Dit maakte geen punt van twist uit tusschen hem en zijn ruiter, die zeer onthutst was geweest door de snelheid der eerste beweging, en nu de gelegenheid van den langzamen gang waarnam, om op een stuk peperkoek te kauwen, dat hem zijne moeder in de hand gestopt had, om den jeugdigen zendeling van het postkantoor tevreden te stellen en tot het kwijten van zijn plicht aan te moedigen. Langzamerhand maakte het paard gebruik van dit gebrek aan kracht, om de teugels uit Davids handen te rukken, en zich langs de laan aan het grazen te zetten. Zeer verschrikt door deze teekens van koppigen weêrstand, en even bevreesd, om te blijven zitten, als te vallen, verhief de arme David de stem en begon bitter te weenen. De hit, dit gedruisch boven zijn kop hoorende, begon waarschijnlijk te denken, dat het beter voor hem en voor David ware, terug te keeren vanwaar zij kwamen, en maakte dus ook rechtsomkeerd naar Fairport. Maar, even als de meeste terugtochten in eene vlucht ontaarden, begon ook het ros, – verschrikt door het schreeuwen van het knaapje, en het slaan der teugels, die langs zijne beenen slingerden, – daar het toch eenmaal in de [99]richting naar Fairport was, – zoo door te draven dat, indien ten minste David in den zadel gebleven ware (wat zeer te betwijfelen stond), het hem weldra voor Heukbane’s staldeur zou gebracht hebben; toen, op een draai van den weg, een bondgenoot in de gestalte van Adam Ochiltree, tusschenbeide kwam, die den toom greep en het paard tegenhield.

„Wat scheelt er aan kleine? wat! is dat een jongen om te rijden?”

„Ik kan ’t niet helpen! – zij heeten mij kleinen David.”

„En waar ga je naar toe?”

„Ik ga naar Monkbarns.”

„Wel! dit is de weg niet naar Monkbarns.”

Maar David kon slechts met snikken en tranen antwoorden.

De oude Adam was gauw tot medelijden bewogen, als het kinderen gold. „Ik ging dien kant niet uit,” dacht hij; „maar dat is het voordeel van mijne levenswijze, dat ik nooit verkeerd kan gaan. Zij zullen mij wel te Monkbarns laten overnachten, en ik zal met het kind daarheen sukkelen; want het paard zal hem de hersens nog inslaan, als er niemand bij is, om het te leiden. – Dus hebt gij een brief, kind? – Wilt gij mij dien laten zien?”

„Ik mag den brief aan niemand laten zien,” stamelde de jongen, „tot ik hem aan den heer Lovel gegeven heb; want ik ben een trouwe dienaar van het postkantoor, als het maar niet om den hit ware.”

„Goed zoo, kleine man!” zei Ochiltree, den kop van het weêrspannige paard naar Monkbarns wendende; „maar wij zullen den hit met ons beiden den weg wijzen, als hij niet al te halsstarrig is.”

Juist op de hoogte van Kinprunes, waar Monkbarns Lovel na tafel uitgenoodigd had, was de oudheidkenner (weder verzoend met de vroeger in waarde gedaalde plek), bezig met de plaats op te nemen, die een geschikt tooneel opleverde voor eene beschrijving van Agricola’s kamp bij het aanbreken van den dag, toen zijn blik getroffen werd door de verschijning van den bedelaar met zijn beschermeling.

„Wat drommel! – daar komt, geloof ik, de oude Adam aan met pak en zak.”

De bedelaar verklaarde de reden van zijne komst, en David, die er op stond, om zijn last letterlijk uit te voeren en tot het huis van Monkbarns te gaan, werd met moeite overgehaald om het pakje aan den eigenaar zelven af te staan, hoezeer hij hem eene mijl dichterbij aantrof, dan de plaats, waarheen hij gezonden was. – „Maar moeder zei, ik moest vijfentwintig shillings port ontvangen, en tien shillings en zes stuivers voor de expresse: – daar is het papiertje.”

„Laat zien, – laat zien!” zei Oldbuck, den bril opzettende en het gekneuterde afschrift der post-reglementen onderzoekende, waarop David zich beriep. „Expresse, één dag met man en paard, niet boven de tien shillings en zes stuivers. – Een dag? wel, het is nog geen uur; – man en paard? wel, het is een aap op eene half doode kat!”

„Vader zou zelf gekomen zijn,” zeide David, „op de groote bruine merrie, als gij tot morgen avond hadt willen wachten.”

„Vierentwintig uur na den bepaalden tijd der bestelling! – Gij schelm! begint gij zoo vroeg met bedriegen?”

„Wel, Monkbarns, vaar niet uit tegen een kind,” zei de bedelaar; „denk er aan, dat de slager zijn beest, en de moeder haar zoontje er aan waagde, en ik ben zeker, dat tien shillings en zes stuivers niet te veel is. Gij hebt het ook zoo nauw niet genomen met Jan Howie, toen –” [100]

Lovel, die, op het veronderstelde praetorium gezeten, den inhoud van het pakje doorloopen had, maakte een einde aan den twist, door aan Davids eisch te voldoen; keerde zich daarop zeer ontroerd naar den heer Oldbuck, en verschoonde zich, dat hij dien avond niet niet hem naar Monkbarns kon terugkeeren. „Ik moet dadelijk naar Fairport, en misschien die stad op het eerste bericht, dat elk oogenblik komen kan, verlaten. Ik zal nooit uwe goedheid vergeten, mijnheer Oldbuck.”

„Geen slecht nieuws, hoop ik?” zei de oudheidkenner.

„Van zeer gemengden aard,” antwoordde zijn vriend. „Vaarwel! in voor of tegenspoed, zal ik nooit uwe vriendschap vergeten.”

„Neen, neen, – blijf, blijf nog één oogenblik. Indien, – indien, –” (met veel inspanning) „indien gij wat geld noodig hebt, – ik heb vijftig, – of honderd guinjes tot uwe beschikking – tot – tot Pinksteren, – of inderdaad, zoolang gij verkiest.”

„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer Oldbuck, maar ik ben van geld voorzien,” zeide zijn geheimzinnige jonge vriend. „Verschoon mij; – ik kan wezenlijk nu niets verder zeggen! Ik schrijf, of zie u, eer ik Fairport verlaat, – dat is, als ik genoodzaakt word, die plaats te verlaten.” Dit zeggende drukte hij den oudheidkenner hartelijk de hand, wendde zich van hem af, en ging snel stadwaarts, zonder op verdere vragen te wachten.

„Vreemd, zeer vreemd, voorwaar!” zeide Oldbuck; „maar er is iets aan dien jongen, dat ik niet doorgronden kan; en toch kan ik geen kwaad van hem denken. Ik moet naar huis gaan, en het vuur in de groene kamer uitdoen; want geene van mijn vrouwvolkje zou zich er na de schemering in wagen!”

„En hoe zal ik weêr naar huis komen?” stamelde de ongelukkige expresse.

„Het is een mooie avond,” zei de blauwrok, naar den hemel ziende; „ik kan even goed naar de stad gaan, en voor het kind zorgen.”

„Doe dat, doe dat, Adam, en,” voegde de oudheidkenner er bij, terwijl hij een oogenblik in zijn grooten vestzak schommelde, tot hij het voorwerp, dat hij zocht, gevonden had, „daar heb je een shilling, om snuif te koopen!”


1 Zie noot B aan het einde van het werk. 

[Inhoud]

Zestiende Hoofdstuk

Ik ben betooverd door des schelms omgang. Zoo de schurk mij geene toovermiddelen gaf, dat ik hem genegen werd, laat ik mij hangen! Het kan wel niet anders; hij heeft toovermiddelen gebruikt!

Shakespeare’s Hendrik IV, 2de DL.

Veertien dagen lang ondervroeg de oudheidkenner geregeld den ouden Caxon, of hij niet gehoord had, waarmede de heer Lovel zich bezig hield? en geregeld gaf deze ten antwoord, „dat men in de stad niets hoegenaamd van hem [101]te weten kon krijgen, dan dat hij een stuk of wat dikke brieven uit het zuiden gekregen had, en dat men hem nooit op straat zag.”

„Hoe leeft hij, Caxon?”

„Wel, jufvrouw Hadoway zet hem een beefsteak voor, of eene lamskotelet, of een kip, of iets waarvan zij zelve houdt, en hij eet het in de kleine roode huiskamer naast zijne slaapplaats. Zij kan niet eens van hem te weten komen, waarvan hij het meest houdt; en ’s morgens zet zij thee voor hem, en hij rekent elke week trouw met haar af.”

„Maar gaat hij nooit uit?”

„Hij heeft het wandelen glad opgegeven, en hij brengt den dag door op zijne kamer met lezen en schrijven. Hij schreef ook een heel pak brieven; maar hij wilde die niet eens op ons postkantoor doen, ofschoon jufvrouw Hadoway aanbood, om ze zelve te brengen; maar zond ze onder couvert aan den Sheriff, en jufvrouw Mailsetter gelooft, dat deze zijn knecht stuurde, om ze op het postkantoor te Tannonburgh te bezorgen; het is mijn bescheiden meening, dat hij het doorsnuffelen van zijne brieven te Fairport vreesde; – en dat mocht wel; want mijne arme dochter Jenny, –”

„Plaag mij nu niet met uw vrouwvolkje Caxon! – Wat den armen jongen betreft; – schrijft hij niets anders dan brieven?”

„O ja! – heele vellen vol andere dingen, zegt jufvrouw Hadoway. Zij had zoo gaarne, dat men hem kon overhalen, om eens te gaan wandelen: zij vindt, dat hij er slecht uitziet, en zijn eetlust is glad weg; maar hij wil niet hooren van een voet over den drempel te zetten: – hij, die vroeger zoo veel placht te wandelen.”

„Dat is verkeerd, ik weet ten naaste bij, waar hij meê bezig is; maar hij moet ook niet te hard werken. Ik zal hem vandaag nog gaan bezoeken; – hij is zeker in de Caledoniade verdiept.”

Na het nemen van dit kloek besluit, rustte zich de heer Oldbuck tot den tocht uit; dat is, hij trok zijne dikke wandelschoenen aan, nam zijne rotting met gouden knop in de hand, en begaf zich op weg, onder het mompelen van Falstaff’s woorden, die wij tot motto van dit hoofdstuk verkozen hebben; want de oudheidkenner was zelf verwonderd, dat hij zich zoo sterk door dezen vreemdeling aangetrokken gevoelde.

Eene wandeling naar Fairport was voor den heer Oldbuck eene onderneming geworden, waartoe hij zelden geneigd was. Hij haatte het groeten op straat, en er waren over het algemeen lediggangers genoeg, die hem vervolgden, òf met het nieuws van den dag, òf met de eene of andere nietige zaak. Zoo had hij, bij deze gelegenheid, den voet nauwelijks in de straten van Fairport gezet, of het heette: „Goeden morgen, mijnheer Oldbuck, – het is een trefje, als men u te zien krijgt! – Wat denkt gij van het nieuws in de courant van vandaag? binnen veertien dagen, zegt men zal de inval plaats hebben.”

„Ik wenschte, bij God, dat die gedaan en voorbij was, en dat ik er niet meer van hoorde spreken.”

„Monkbarns, uw dienaar,” zei de bloemkweeker, „ik hoop, dat de planten voldaan hebben? en als gij eenige bloembollen, nieuwe uit Holland, of,” (dit zachter) „een anker of wat echt Keulsche jenever noodig hebt, een van onze brikken kwam gisteren binnen.”

„Dank je, dank je, – voor het oogenblik niets, mijnheer Crabtree!” antwoordde de oudheidkenner, fiks doorstappende.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de stadsschrijver, (een gewichtige persoon, die [102]op hem aankwam, en het waagde den ouden heer staande te houden.) „De burgemeester, vernomen hebbende dat gij in de stad waart, verzoekt u haar in geen geval te verlaten, zonder hem bezocht te hebben; hij moet u noodzakelijk spreken over een ontwerp, om het water van de Fairwell-bronnen door een gedeelte van uwe landerijen te brengen.”

„Wat drommel! – hebben zij geen ander land dan het mijne, om er aan te knoeien en te kerven? – ik geef mijne toestemming niet; – zeg hun dat! –”

„En de burgemeester en de raad,” vervolgde de stadsschrijver, „hebben er niet tegen, dat gij de oude steenen van de Donagild’s kapel, om welke gij gevraagd hebt, wegneemt.”

„Ei? – zoo! zoo! dat is wat anders. – Wel, ik zal bij den burgemeester aankomen, en wij zullen er over spreken.”

„Maar gij moet u dadelijk verklaren, Monkbarns, als gij de steenen noodig hebt; want de Deken Harlewalls oordeelt, dat men de gebeeldhouwde steenen zeer goed in den gevel van het nieuwe stadhuis zou kunnen te pas brengen; – dat is, de twee figuren, met gekruiste beenen, die de menschen in de wandeling Robin en Bobbin noemen; aan weerskanten van de deur, en den anderen steen, dien zij Ailie Dalie noemen, boven de deur. Het zal zeer netjes zijn, zegt de Deken; en juist in den nieuw-Gothischen stijl.”

„De Heer verlosse ons van dit Gothisch geslacht! – Een gedenkteeken van een tempelridder aan weerskanten van eene Grieksche poort, en eene Madonna er boven! – O crimini! – Wel, zeg den burgemeester, dat ik de steenen hebben wil, en wij geen geschil zullen hebben over den waterloop. Het is gelukkig, dat ik juist vandaag dezen kant uitkwam.”

Zij scheidden over en weêr tevreden; maar de slimme schrijver had groote reden, om zich over zijne behendigheid te verheugen; want het geheele voorstel eener ruiling van de gedenkteekens, (die de raad besloten had, als onnut puin te laten opruimen, omdat ze drie voet van het wandelpad innamen,) tegen het voorrecht, om het water naar de stad over het erf van Monkbarns te leiden, was een denkbeeld, dat bij hem zelven in den drang van het oogenblik ontstaan was.

Door deze verschillende beletselen baande zich Monkbarns (om den titel te bezigen, waarbij hij in de landstreek bekend was), eindelijk den weg naar het huis van jufvrouw Hadoway. Deze goede vrouw was de weduwe van een der geestelijken te Fairport, en verkeerde, door het vroegtijdig afsterven van haren man, in die bekrompen en benauwde omstandigheden, waarin men de weduwen der geestelijken in Schotland zoo dikwijls aantreft. De woning, die zij gehuurd had, en de meubels, welke zij bezat, verschaften haar de middelen, om een gedeelte van haar huis te verhuren; en daar Lovel een rustig, geregeld en voordeelig inwoner was, en den onderlingen, onvermijdelijken omgang met zeer veel beleefdheid en hoffelijkheid paarde, had dit jufvrouw Hadoway, die wellicht niet gewoon was aan zulk eene vriendelijke bejegening, eene zeer groote genegenheid voor haren huurder doen opvatten, zoodat zij geene van die kleine oplettendheden verzuimde, welke de omstandigheden haar toelieten hem te bewijzen. Iets beters dan gewoonlijk voor „het middagmaal van den armen jongen heer” te bereiden; zich te beijveren, om bij hen die zich haren echtgenoot nog herinnerden, of haar om haar eigen wil liefhadden, eenige schaarsche groenten te krijgen, of iets anders, hetwelk zij in hare eenvoudigheid veronderstelde, dat den eetlust van haren kamerbewoner kon opwekken, was een werk, waarin zij vermaak schepte, [103]ofschoon zij het zorgvuldig verborg voor den persoon, die er het voorwerp van was. Zij hield hare welwillendheid echter niet geheim, om den spot te ontgaan van hen, die zouden kunnen veronderstellen, dat een rond gezichtje niet donkere oogen en eene gezonde gelaatskleur, ook zelfs bij eene vrouw van vijfenveertig jaren, en daarbij in de nauw sluitende weduwenmuts gehuld, streven kon naar het maken van overwinningen; want, om de waarheid te zeggen, daar zulk eene belachelijke gedachte nooit bij haar zelve opkwam, kon zij ook niet denken, dat die bij anderen zou ontstaan. Maar zij verborg hare oplettendheden slechts uit kieschheid voor haren gast, aan wiens vermogen, om ze te vergelden, zij evenzeer twijfelde, als zij geloofde, dat hij er toe geneigd was en pijnlijk gegriefd zou zijn, als hij de geringste van hare beleefdheden onbeloond moest laten. – Nu opende zij de deur voor den heer Oldbuck, en de verrassing van hem te zien, bracht haar tranen in de oogen, die zij nauwelijks weêrhouden kon.

„Ik ben blij u te zien, mijnheer! – ik ben zeer blij u te zien! Mijn arme jonge heer is, vrees ik, niet wel; en o, mijnheer Oldbuck, hij wil noch dokter, noch dominé, noch notaris spreken! en hoe zou het gaan, indien, zoo als mijn arme man placht te zeggen, iemand kwam te sterven, zonder den bijstand der drie geleerde faculteiten?”

„Veel beter dan met haar bijstand,” bromde de cynische oudheidkenner, „Ik zeg u, jufvrouw Hadoway! de geestelijken leven van onze zonden, de dokters van onze ziekten, en de rechtsgeleerden van onze rampen.”

„O foei, Monkbarns, zoo iets van u te hooren! – Maar wilt gij naar boven gaan en den armen jongen zien? – och, mijnheer, zoo jong en krachtig – en dagelijks eet hij al minder en minder, en nu raakt hij bijna niets meer aan; voor het fatsoen, neemt hij slechts één hapje uit den schotel, en zijne arme wangen worden bij den dag magerder en bleeker, zoodat hij er nu wezenlijk zoo oud uitziet, als ik, die zijne moeder kon zijn, – niet dat ik juist zóó oud ben, maar toch nagenoeg!”

„Waarom neemt hij niet wat beweging?” vroeg Oldbuck.

„Ik geloof dat wij hem daartoe overgehaald hebben; want hij heeft een paard gekocht van Gibbie Golightly, den stalknecht. Gibbie zeide, dat mijnheer een paardenkenner was; want hij bood hem een paard aan, dat hij dacht, hem lijken zou, omdat hij maar een geleerde is; maar mijnheer Lovel wilde het niet eens aankijken, en nam er een, dat een vliegenden dragonder zou kunnen dienen; – het staat op stal in de herberg aan den overkant van de straat, en hij ging gisteren en heden morgen vóor het ontbijt uit. – Maar wilt gij niet naar boven gaan?”

„Dadelijk, dadelijk; – is er ook iemand bij hem?”

„O, mijn lieve mijnheer Oldbuck! geen mensch; hij wilde niemand ontvangen, toen hij frisch en gezond was, hoe zou het dus mogelijk zijn, dat iemand uit Fairport, nu naar hem om zou zien?”

„Ja, ja, zeer waar! Het zou vreemd zijn, als het anders ware. – Kom, wijs mij den weg jufvrouw Hadoway, opdat ik mij niet vergis, en ergens heen kom, waar ik niet wezen moet.”

De goede jufvrouw wees den heer Oldbuck den smallen trap, geleidde en waarschuwde hem voor elke wending, terwijl zij hem aanhoudend beklaagde, dat hij genoodzaakt was, om zoo hoog te klimmen. Eindelijk tikte zij zachtjes aan de deur van Lovel’s zitkamer. „Binnen!” riep deze, en jufvrouw Hadoway liet den heer van Monkbarns binnen.

De kleine kamer was net en zindelijk en betamelijk gestoffeerd, en daarbij [104]versierd met die overblijfsels van mejufvrouw Hadoway’s jeugdig borduurwerk, welke zij nog bewaard had, maar het vertrek was klein en benauwd, en, zoo als het den heer Oldbuck toescheen, een zeer ongezond verblijf voor een jong mensch, wiens gezondheid verzwakt was, eene opmerking, die hem in een ontwerp versterkte, dat reeds lang ten opzichte van Lovel bij hem opgekomen was. Deze zat aan eene schrijftafel met eene menigte boeken en papieren, op eene sofa, in zijne kamerjapon en muilen. Oldbuck schrikte over de verandering, die hij in hem opmerkte. Wangen en voorhoofd waren doodsbleek, uitgezonderd daar, waar eene schitterende roode plek sterk en pijnlijk in het oog viel, als zeer verschillend van de gezonde, heldere kleur, die vroeger zijn gelaat overdekte en eenigszins blozend maakte. Oldbuck merkte op, dat de kleeding, die hij aanhad, zoo wel als de rok, die naast hem over een stoel hing, zwaren rouw aanwezen. Zoodra de oudheidkenner binnentrad, stond Lovel van de sofa op en kwam hem te gemoet, om hem te verwelkomen.

„Dit is zeer vriendelijk,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte en hartelijk dankte voor zijn bezoek; „dit is zeer vriendelijk, – en daarbij voorkomt gij mij, daar ik voornemens was u eerstdaags te komen zien; – gij moet weten, ik heb mij onlangs een paard aangeschaft.”

„Dat hoor ik van jufvrouw Hadoway: – ik hoop maar, mijn goede jonge vriend, dat gij gelukkig geslaagd zijt met een mak paard te vinden. Ik had ook eens de onvoorzichtigheid een paard van denzelfden Gibbie Golightly te koopen; dat dier rende met mij op zijn rug twee mijlen de jachthonden achter na, waarmeê ik zoo weinig te maken had, als met de sneeuw van laatstleden winter, en, nadat ik, zoo als ik veronderstel, veel toegebracht had tot het vermaak der jachtpartij, was het vriendelijk genoeg, mij in eene drooge sloot er af te smijten. Het uwe, hoop ik, zal een vreedzamer beest zijn?”

„Ik hoop ten minste, dat wij meer eensgezind zullen zijn op onze tochten.”

„Dat is te zeggen, gij verbeeldt u een goed ruiter te zijn?”

„Ik zou mij niet gaarne voor een zeer slecht ruiter houden.”

„Neen, gij jonge lieden gelooft u dadelijk meesters in de kunst te moeten noemen. Maar, hebt gij er ooit ondervinding van gehad? Want, crede experto, met een driftig paard is geen gekscheren!”

„Wel, ik zou het niet wagen mij een groot ruiter te noemen; maar toen ik, verleden jaar, in het gevecht te .… als adjudant van Sir .… dienst deed, zag ik menigen beteren ruiter dan ik uit den zadel gelicht!”

„O! gij hebt den verschrikkelijken God des oorlogs in de oogen gezien; – gij zijt bekend met de vertoornde blikken van den krijgshaftigen Mars? – Die ondervinding volmaakt uwe bekwaamheden voor het heldendicht! – Maar de Britten, zult gij u herinneren, vochten in wagens, – covinarii zegt Tacitus; – gij herinnert u de schoone beschrijving van de slachting daardoor onder het Romeinsche voetvolk aangericht, ofschoon de geschiedschrijver ons verhaalt, dat de ruwe, ongelijke bodem weinig geschikt was voor paarden. En waarlijk, over het geheel, welke soort van wagens men ergens anders in Schotland heeft kunnen gebruiken dan op de straatwegen, is altijd voor mij een raadsel geweest. – En nu, – heeft de Zanggodin u bezocht? – Hebt gij iets afgemaakt om mij te laten zien?”

„De tijd,” zeide Lovel, een blik op zijne zwarte kleeding werpende, „is minder aangenaam door mij besteed geworden.”

„De dood van een vriend?” [105]

„Ja, mijnheer Oldbuck, van bijna den eenigen vriend, dien ik mij ooit beroemen kon te bezitten.

„Inderdaad? – Wel, jonkman wees getroost,” zei de oudheidkenner op een ernstigen toon, die zeer verschilde van zijne gewone, gemaakte deftigheid. „Een vriend door den dood verloren te hebben, terwijl de onderlinge achting nog warm en onverkoeld was, – terwijl de traan nog vloeien kan, onverbitterd door eenige pijnlijke herinnering aan verkoeling, of wantrouwen, of verraad, is misschien een gelukkig ontsnappen aan eene zwaardere bezoeking. Zie rond, – hoe weinigen ziet gij oud worden, omringd door hen, die hunne eerste vrienden waren! – Onze bronnen van gemeenschappelijk genoegen drogen langzamerhand op, naarmate wij voorttrekken door het dal van Bacha, en wij graven ons nieuwe putten, van welke de eerste deelgenooten van onzen tocht verstooten blijven. Afgunst, naijver, nijd komen tusschenbeide, en verwijderen anderen van onze zijde, tot ons niemand meer overblijft, dan diegenen, met welke wij eerder door gewoonte, dan door voorkeur verbonden zijn, of die, nader in bloedverwantschap dan in neigingen, den ouden man bij zijn leven gezelschap houden, om niet vergeten te worden bij zijn dood – Haec data poena diu viventibus! – O, Lovel, als het uw lot wordt, om den kouden, nevelachtigen, eenzamen avond van het leven te bereiken, zult gij aan de smarten uwer jeugd terugdenken, als aan de lichte wolkjes, die voor een oogenblik de stralen van de nog opkomende zon verduisteren. – Maar mijne woorden dringen in uwe ooren door, zonder uw hart te bereiken.”

„Ik ben zeer gevoelig voor uwe deelneming,” antwoordde de jongeling; „maar de pas toegebrachte wond moet altijd hevig pijn doen, en – houd het mij ten goede, – het zou mij weinig troosten in mijne tegenwoordige droefheid om overtuigd te zijn, dat het leven mij verder niets opleveren zou, dan eene reeks van teleurstellingen. En vergun mij er bij te voegen: gij, mijnheer Oldbuck, hebt minder redenen, dan vele andere menschen, om het leven uit zulk een somber oogpunt te beschouwen. Gij bezit een voldoend en zelfs ruim vermogen, – zijt algemeen geacht en geëerd, – kunt, naar uwe eigene uitdrukking, vacare musis, en in uwe studiën uw smaak vrij volgen; – buiten ’s huis kunt gij uw eigen vriendenkring vormen, en daar binnen geniet gij de liefderijkste en onvermoeidste verpleging uwer dierbare naastbestaanden.”

„Wel ja! mijn vrouwvolkje is voor vrouwen, – dank zij mijne strenge tucht, – nog al beleefd en handelbaar; zij storen mijne morgenstudiën niet, – sluipen langs den vloer met den stillen tred eener kat, als ik lust heb, na tafel, of na de thee, in mijn leuningstoel een dutje te doen. Dat is alles goed en wel; maar ik mis iemand, aan wien ik mijne gedachten kan meêdeelen, – iemand om meê te praten!”

„Waarom verzoekt gij dan niet uw neef, den kapitein M’Intyre, om bij u te komen? Hij staat voor een geestig jong mensch bekend.”

„Hoe! mijn neef Hector? – dien heethoofd? – Hoe! – De hemel beware mij; ik zou even graag eene brandende toorts op mijne hooizolders brengen. – Hij is een Almanzor, een Chamont, – heeft een Hooglandschen stamboom even lang als zijn zwaard, en een zwaard zoo lang als de Hoogstraat te Fairport, dat hij tegen den heelmeester aldaar trok, toen hij er de laatste maal was. Ik verwacht hem eerstdaags hier; maar ik zal hem op een afstand houden, dat beloof ik u! – Hij, een vaste bewoner van mijn huis! om mijne stoelen en tafels van zijne drift te zien beven! – Neen! [106]neen! ik wil geen Hector M’Intyre. – Maar hoor, Lovel, gij zijt een stil, zachtaardig jong mensch; zoudt gij niet goed doen met u een paar maanden te Monkbarns te vestigen; want ik begrijp, dat gij niet dadelijk voornemens zijt deze streek te verlaten? – Ik zal eene deur uit uwe kamer naar den tuin laten maken; – dat zou slechts eene kleinigheid kosten, – er is al eene oude deur daar, die lang geleden toegemetseld werd; door deze deur kunt gij de groene kamer uit- en ingaan naar verkiezing, zoodat gij niets met den ouden man, noch hij met u, zal te doen hebben. Wat den kost betreft, jufvrouw Hadoway zegt me, dat gij, zoo als zij het noemt, zeer matig in het eten zijt: dus zult gij u met mijn eenvoudigen disch wel vergenoegen. Uw linnen, –”

„Ik bid u, waarde heer Oldbuck,” viel hem Lovel, met een glimlach in de rede, welken hij niet bedwingen kon; „eer uwe gastvrijheid mijne leefwijze regelt, vergun mij u welmeenend te danken voor zulk een vriendelijk aanbod. Thans is het mij onmogelijk, er gebruik van te maken; maar zeer waarschijnlijk zal ik, eer ik Schotland vaarwel zeg, gelegenheid vinden om u een bezoek van eenigen duur te geven.”

De heer Oldbuck was eenigszins uit het veld geslagen. „Wel, ik dacht iets gevonden te hebben, dat ons beiden lijken zou; en wie weet, wat er met den tijd gebeurde, en of wij ooit weder scheiden zouden? Wel ik ben heer en meester over mijne landerijen! – dat is het voordeel van af te stammen van een mensch, die meer gezond verstand dan hoogmoed had. Men kan mij niet noodzaken, mijne landerijen, have en goed aan iemand anders te vermaken, dan ik wil. Er bestaat geen band, om menschen tot erfgenamen te benoemen, die zoo onbeduidend en nietig zijn als de papiertjes onder aan den staart van een vlieger, om de vlucht van mijne neigingen te belemmeren! – Wel, ik zie, dat u dit voor het oogenblik niet verleidt; – maar de Caledoniade gaat toch door, hoop ik?”

„O zeker,” zeide Lovel; „ik kan er niet aan denken, om een plan te laten varen, dat zoo veel belooft!”

„Dat doet het wezenlijk,” zei de oudheidkenner met een plechtigen blik; want ofschoon hij verstand en doorzicht genoeg bezat, om de plannen te beoordeelen, die door anderen ontworpen werden, was hij nochtans, natuurlijk, overdreven ingenomen met degenen, welke hij zelf gesmeed had. – „Het is wezenlijk een ontwerp dat, indien volbracht in den geest waarin het gevormd werd, de letterkunde van het tegenwoordige geslacht zal helpen zuiveren van den blaam van lichtzinnigheid!”

Hier werden zij gestoord door een tikken aan de kamerdeur, en een briefje voor den heer Lovel werd binnengebracht. De knecht wachtte, op antwoord, zei jufvrouw Hadoway. – „Dit betreft u mede, mijnheer Oldbuck,” zeide Lovel, het briefje, na het eventjes ingezien te hebben, aan den oudheidkenner overhandigende.

Het was een schrijven van Sir Arthur Wardour, in de beleefdste bewoordingen, waarmede hij zijn leedwezen te kennen gaf, dat een aanval van jicht hem tot nog toe belet had den heer Lovel de beleefdheden te bewijzen, waarop hem zijn gedrag in een oogenblik van groot gevaar zoo zeer het recht gaf, – en zich verontschuldigende, dat hij niet in persoon zijne opwachting kwam maken, (in de hoop, dat de heer Lovel hem van deze plechtigheid wel zou willen verschoonen), noodigde hij hem uit om deel te nemen aan eene kleine partij, welke hij tegen den volgenden dag voorsloeg naar de bouwvallen van het klooster van St. Ruth, om daarna op het kasteel Knockwinnock [107]het middagmaal te gebruiken en den avond door te brengen. Sir Arthur eindigde met te zeggen, dat hij insgelijks de familie Monkbarns verzocht had. De plaats van vereeniging was bepaald bij een slagboom, die zich ongeveer op een gelijken afstand bevond van de onderscheidene punten, van welke het gezelschap samen moest komen.

„Wat zullen wij doen?” vroeg Lovel, den oudheidkenner aanziende: maar tamelijk vast bepaald omtrent hetgene hij zelf voornemens was.

„Gaan, man! – gaan in elk geval, ofschoon het mij ook een wagen kosten zal, die u en mij en Mary Mac Intyre zeer goed bevatten zal; en het andere vrouwelijk schepsel kan naar de pastorie gaan, en gij kunt met den wagen naar Monkbarns komen, daar ik hem voor den ganschen dag nemen zal.”

„Maar mij dunkt, dat ik beter deed van te paard te gaan.”

„Juist! ik vergat uw Bucephaal. Maar gij zijt, in het voorbijgaan gezegd, een malle jongen; gij zoudt beter gedaan hebben met achttien stuivers per rid voor het beest te betalen, dan het dier te koopen, – als gij toch meer vertrouwen in zijne beenen, dan in uwe eigen ledematen hebt.”

„Wel, daar de paarden het voordeel opleveren van hunne beenen veel sneller te bewegen, en, behalve dat, vier beenen in plaats van twee hebben, beken ik over te hellen –”

„Genoeg –genoeg! – volg uw eigen zin! Dan zal ik Grizel of den dominé meêbrengen; want ik geniet gaarne de volle waarde voor mijn geld, – en wij ontmoeten elkander aan den Tirlingen-slagboom, Vrijdag, klokslag twaalf.” – En met deze afspraak scheidden de vrienden.

[Inhoud]

Zeventiende Hoofdstuk

Men spreekt van kloosters, waar bij ’t scheem’rend toortsenlicht,

Te midden van den nacht, de paters biddend zingen:

Hier vindt de bange ziel een schuilplaats, die haar sticht,

Waar ze eig’ne driften doodt, geene and’re komen dingen.

Der godsvrucht vrome plicht stilt de gewetenssmart,

En de gebogen trots boet tranen van het hart.

Crabbe’s Burg.

De Vrijdag morgen was helder en schoon, alsof geene buitenpartij ware bepaald geweest; wat iets zeldzaams is, zoo wel in het werkelijke leven als in de romans. Lovel, op wien het weder den natuurlijken invloed uitoefende, en die zich verheugde in het vooruitzicht van Isabella Wardour weder te ontmoeten, draafde naar de plaats der vereeniging, in eene veel opgeruimder stemming, dan hij sedert lang geweest was. De toekomst scheen, in vele opzichten, voor hem op te helderen, en de hoop, gelijk de morgenzon door wolken en slagregens heenbrekende, straalde vroolijk op zijn weg. Hij was, zoo als men uit deze gemoedsstemming begrijpen zal, de eerste op de plaats der bijeenkomst, en, als men ook begrijpen kan, zijne blikken waren uitsluitend [108]gericht op den weg van het kasteel van het Knockwinnock, zoodat hij de aankomst van de partij van Monkbarns slechts gewaar werd door het schreeuwen van den voerman, toen het zware rijtuig den berg achter hem oprolde. In dit rijtuig bevonden zich opgesloten: vooreerst, de deftige gestalte van den heer Oldbuck zelven; ten tweede, de weinig minder deftige persoon van den eerwaardigen heer Blattergowl, predikant te Trotcosey, tot welk kerspel Monkbarns en Knockwinnock behoorden. Zijn eerwaarde was uitgedoscht met eene kleine krulpruik, waarop een gelijkzijdige driekantige hoed prijkte. De zijne was de schoonste der drie pruiken, die zich nog in het kerspel bevonden, en welke, zoo als Monkbarns gewoonlijk aanmerkte, onderling verschilden als de drie trappen van vergelijking; zijnde die van Sir Arthur de stellige, zijne eigene de vergelijkende trap, terwijl de in het oog vallende grijze pruik van den eerwaarden geestelijke de overtreffende trap voorstelde. De oude Caxon, die belast was met de zorg voor deze ouderwetsche sieraden, begrijpende, of voorwendende te begrijpen, dat hij niet wel afwezig kon zijn bij eene gelegenheid, waarop alle drie vereenigd waren, had achter op het rijtuig plaats genomen, „om bij de hand te wezen, ingeval de heeren zijn bijstand behoefden, eer zij aan tafel gingen.” Tusschen de twee deftige figuren van Monkbarns en den geestelijken heer gedrongen, zat de tengere gestalte van Mary M’Intyre; daar hare tante een bezoek in de pastorie, en een gezellig praatje met Rebekka Blattergowl, boven het onderzoek der bouwvallen van het klooster van St. Ruth verkozen had.

Juist toen het gezelschap van Monkbarns en Lovel elkander welkom heetten, kwam des Baronets rijtuig, eene opene kales, aanstuiven, terwijl de dampende paarden, de vlugge postiljons, de met wapens prijkende paneelen, en een paar knechts te paard, een sterke tegenstelling opleverden met het gehavend rijtuig en de dampige huurpaarden, die den oudheidkenner en de zijnen vervoerden. De voornaamste plaatsen waren door Sir Arthur en zijne dochter bezet. Bij den eersten blik, welken Isabella Wardour en Lovel op elkander wierpen, verhoogde zich haar blos merkelijk; maar zij had zich waarschijnlijk voorgenomen, hem als een vriend, en slechts als zoodanig, te ontvangen, en zij beantwoordde zijn verlegen groet met evenveel beleefdheid als bedaardheid. Sir Arthur deed de kales stilstaan, om zijn redder vriendelijk de hand te drukken, en hem het genoegen te kennen te geven, dat hij nu in de gelegenheid was, om hem persoonlijk zijn dank te betuigen, en zeide daarop, als om hem eventjes voor te stellen: „Mijnheer Dousterswivel, mijnheer Lovel”

Lovel bewees daarop de noodige beleefdheid aan den Hoogduitschen goudzoeker, die gezeten was op de voorste bank van het rijtuig, waar men gewoonlijk de onderhoorigen of minderen plaatst. De onderdanige, gemaakt vriendelijke buiging, waarmede de vreemdeling Lovel’s vluchtigen groet beantwoordde, vermeerderde den inwendigen afkeer, welken deze reeds voor hem opgevat had: en het bleek duidelijk aan het fronsen van des oudheidkenners zware wenkbrauwen, dat ook hij deze vermeerdering van het gezelschap met misnoegen aanzag. Overigens was er geene gelegenheid tot iets meer dan eenige vriendschappelijke groeten onder de leden van het gezelschap, tot eindelijk de rijtuigen, ongeveer drie Engelsche mijlen verder dan de plaats der ontmoeting voortgerold waren en stil hielden voor eene kleine herberg, de Vier Hoefijzers, waar Caxon nederig het portier van de chais opende en de trede neêrliet, terwijl de reizigers in de kales door hunne meer deftige dienaren uit het rijtuig geholpen werden.

Hier werden de onderlinge begroetingen herhaald; de jonge dames gaven [109]elkander de hand, en Oldbuck, geheel en al in zijn element, plaatste zich als leidsman en cicerone aan het hoofd der partij, die zich nu naar het eigenlijke doel van den tocht begaf. Hij droeg zorg, om Lovel dicht aan zijne zijde te houden, als den besten toehoorder van het gezelschap, en wendde zich nu en dan met een paar woorden tot Isabella Wardour en Mary M’Intyre, die achter hem waren, om haar iets uit te leggen of te leeren. Den Baronet en den geestelijke vermeed hij eenigszins, daar hij wel wist, dat zij beiden dachten, niet minder, maar zelfs meer van de zaak te verstaan dan hij zelf; en Dousterswivel beschouwde hij niet alleen als een kwakzalver, maar ook geheel als de oorzaak van zijn gevreesd verlies in de fondsen van ’t mijngenootschap, zoodat hij hem niet verduren kon. Deze beide heeren werden dus trawanten van Sir Arthur, bij wien zij zich buitendien natuurlijk voegden, omdat hij de voornaamste persoon van het gezelschap was.

Niet zelden liggen de schoonste oorden van Schotland in eenig afgezonderd dal verborgen, zoodat men de geheele landstreek in alle richtingen zou kunnen doorkruisen, zonder te gissen, dat men zich in de nabijheid van iets merkwaardigs bevond, als men niet, voorbedachtelijk of bij toeval, op de plaats zelve gebracht werd. Dit is meer bepaald het geval met de landstreek rondom Fairport, die, over het algemeen, open, vlak en kaal is. Maar hier en daar vormen de beddingen van beken en kleine rivieren diepe valleien, in Schotland onder den naam van dens bekend, op welker steile en rotsachtige zijden boomen en struiken van allerlei aard eene schuilplaats vinden, en in weelderige pracht opgroeien; wat des te aangenamer is, daar het een onverwachte tegenstelling oplevert met de geheele landstreek. Vooral was dit het geval met den weg naar de bouwvallen van St. Ruth, die een tijdlang niets anders was, dan eene schapendrift langs een steilen en naakten heuvel. Langzamerhand zag men, naarmate het pad naar de laagte ging en langs den heuvel kronkelde, boomen verschijnen, eerst enkele, mismaakte en afgeknotte stammen, waaraan de wolvlokken der schapen nog hechtten, en welker wortels holten opleverden, schuilplaatsen, waarin de lammeren zich zoo gaarne neêrleggen, een gezicht overigens, aangenamer voor den beminnaar van het schilderachtige, dan voor den planter en boomkweeker. Langzamerhand vormden de boomen groepen met overhangende kruinen, en tusschen de stammen groeiden hazelnooten en doornstruiken; en eindelijk stonden deze groepen zoo dicht bij elkander, dat, ofschoon zich hier en daar eene open plaats onder de takken bevond, of eene kleine plek moeras of hei gezien werd, die onvruchtbaar gebleven was voor het zaad, dat ze in het rond verspreidden, men echter, over het geheel, de streek niet anders dan boschrijk noemen kon. De hellingen der vallei naderden elkander meer en meer; men hoorde het ruischen der beek in de diepte; en door de openingen, welke het bosch opleverde, zag men de wateren helder en snel vlieten onder de groene takken.

Oldbuck matigde zich nu in alle opzichten het gezag van een cicerone aan, en waarschuwde het gezelschap zorgvuldig zich geen voet breed van het pad te verwijderen, dat hij aanwees, als men het volle genot wilde smaken van hetgeen men ging bezoeken. „Gij zijt gelukkig mij tot gids te hebben, Isabella,” riep de oude heer, en dreunde, – de versmaat met hand en hoofd aangevende, met geestdrift de volgende regels op:

„Ik ken elk pad, en elke groene laan,

Elke vallei, en fraai begroeide diepte,

Elke priëel in deze schuilplaats der Natuur.

[110]

„Och! de drommel haal ze! – die braamstruiken hebben al den arbeid van Caxon vernietigd, en mijne pruik bijna in de beek gewipt, – dat heeft men van aanhalingen hors de propos!

„Dat moet u niet verontrusten, waarde heer Oldbuck” zeide Isabella Wardour; „gij hebt uwen trouwen dienaar bij de hand, om dergelijke rampen te herstellen; en, als gij met uw hoofdsieraad weder in den vorigen luister verschijnt, zal ik u ook met eene aanhaling ontvangen:

„Zoo zinkt de zonneschijf in d’Oceaan ter neder,

En beurt zij ’t zinkend hoofd nog eens voor ’t laatst omhoog,

Dan prijkt met nieuwen gloed de gouden straalkrans weder,

Die om haar voorhoofd vlamt –”

„O genoeg, genoeg!” antwoordde Oldbuck; „ik had moeten weten, wat het is u eenig voordeel op mij te geven. – Maar hier is een voorwerp, dat uwe spotader stuiten zal, want ik weet, dat gij eene bewonderaarster der natuur zijt!” Inderdaad, toen het gezelschap hem door een gat in een ouden, vervallen muur gevolgd was, openbaarde zich een tooneel, dat even onverwacht als treffend was.

Zij stonden vrij hoog op de helling der vallei, die zich eensklaps geopend had en eene soort van amphitheater vormde, en die ruimte verschafte aan een helder en diep meer van een paar bunders in oppervlak, omgeven door eene ruime vlakte. Daarachter verhieven zich de hoogten van alle kanten steil, op sommige plaatsen afgewisseld door rotsen, op andere bedekt met struiken, die de hellingen licht en onregelmatig stoffeerden, en het eentoonige van het groene weiland braken. Beneden ontlastte zich het meer in de ruischende beek, die hen vergezeld had van het oogenblik, dat zij de vallei binnen traden. Op het punt, waar deze uit het moedermeer stroomde, stonden de bouwvallen, die men ging bezoeken. Zij waren niet zeer uitgestrekt maar de bijzondere schoonheid er van, zoowel als de woestheid en de afgelegenheid der plaats, waar zij zich bevonden, gaven ze eene meerdere bekoorlijkheid dan de overblijfselen van een grootsch gebouw bezitten, die nabij gewone huizen geplaatst, en door minder romantische schoonheden omgeven zijn. De oostelijke vensters der kerk waren nog in hun geheel, met alle versierselen en beeldwerk, en de zijden, ondersteund door lichte bogen, die, van den muur, waartegen zij geplaatst waren, afgeweken, en met kroon en snijwerk versierd, afwisseling en licht in het gebouw brachten. Het dak en het westelijk gedeelte der kerk waren geheel vervallen; maar de laatste scheen ééne zijde te hebben daargesteld van een vierkant, waarvan de bouwvallen der kloostervertrekken de twee anderen, en de tuin de vierde uitmaakten. Die zijde van de gebouwen, welke over de beek hingen, was gedeeltelijk op eene steile rots opgericht; want de plaats was bij vroegere gelegenheden tot krijgshaftige doeleinden aangewend, en met veel bloedvergieten in den tijd van Montrose ingenomen. De grond, die eertijds tot tuin gediend had, onderscheidde zich nog door eenige weinige vruchtboomen. Op een grooteren afstand van de gebouwen, stonden enkele verspreide eiken-, olmen- en kastanjeboomen, die eene aanmerkelijke hoogte bereikt hadden. Het overige der ruimte tusschen de bouwvallen en den heuvel, bestond uit eene groene vlakte, met kort gras bedekt, welke de dagelijksche bezoeken der schapen in veel fraaier orde hielden, dan indien zij aan de zeis en den bezem ware onderworpen geweest. Het geheele tooneel had iets rustigs, dat bedarend [111]en treffend was, zonder eentonig te zijn. De donkere, diepe kom, waarin het helder blauwe meer rustte, dat de waterleliën terugkaatste, die op de oppervlakte van het water groeiden, en de boomen, die hier en daar hunne takken van de steile rotsen uitspreidden, dit alles leverde een schoon kontrast op met de onrust der woelende wateren van de beek, welke door de opening, als uit een kerker, losbrak, en verder door de vallei stroomde, rondom den voet der rotsen, waarop de bouwvallen stonden, kronkelende en tegen iedere hoogte of elken steen, die haren loop belemmerde, schuimend aanbruischende. Een even groot kontrast leverde de vlakke groene weide, waarin de bouwvallen gelegen waren, en de oude zware boomen, die er verspreid stonden, vergeleken met de steile hellingen, gedeeltelijk van onderen gestoffeerd met licht en luchtig struikgewas, gedeeltelijk zich verliezende in steile klippen, bekleed met purperen heideplanten, en gedeeltelijk afgebroken en breede kruinen van grauwe rots vertoonende, geschakeerd met klimop en die krachtige planten, welke zelfs in de dorste rotskloven wortel vatten.

„Hier was de wijkplaats der geleerdheid in de dagen der duisternis, mijnheer Lovel!” zeide Oldbuck, om wien zich het geheele gezelschap nu verzameld had, terwijl men het onverwachte gezicht van de romantische plek bewonderde; „daar plachten de wijzen uit te rusten die, deze wereld moede, zich toewijdden aan de toekomst en aan de welvaart der geslachten, die hen zouden opvolgen. – Ik zal u dadelijk de boekerij toonen. Ziet gij dien muur met vierkante, van boven spits toeloopende vensterramen? daar stond zij, gevuld, zoo als een oud handschrift, dat ik bezit, mij verzekert, met vijf duizend boekdeelen; – en hier mocht ik wel het klaaglied aanheffen van den geleerden Leland, die het tegrondgaan der kloosterboekerijen betreurende (even als Rachel, hare kinderen) uitroept: dat, bijaldien de pauselijke breven, decreten, decretalen, en andere dergelijke duivelsche uitvindingen, ja, indien de sophismen van Heytesburg, de Universaliën van Porphyrius, de logica van Aristoteles, er de godgeleerdheid van Dunce, en dergelijke (verschoon mij, Freule Wardour!) luizige listen en vruchten van den bodemloozen afgrond, uit onze boekerijen geroofd waren, ten gerieve der kruidenierswinkels, kaarsenmakers, zeepverkoopers en andere bezitters van het aardsche, wij ons daarover zouden hebben kunnen troosten; – maar om onze oude kronieken, onze edele historiën, onze geleerde commentariën en oorspronkelijke oorkonden tot zulke verachtelijke doeleinden te gebruiken, – dat heeft onze natie verlaagd, en moet ons onteeren in de oogen van het laatste nageslacht. O schandelijke onachtzaamheid, voor ons land!”

„En o, John Knox!” zei de Baronet, „door wiens invloed, en onder wiens opzicht, deze vaderlandslievende taak verricht werd!”

De oudheidkenner, eenigermate in den toestand van eene houtsnip, die in een strik gevangen is, draaide zich om en hoestte, om een lichten blos te verbergen, terwijl hij zich op een antwoord bedacht. – „Wat den Apostel der Schotsche Reformatie, –”

Maar Isabella Wardour viel hem in de rede, ten einde zulk een gevaarlijk gesprek af te breken. „Mag ik vragen, wie de schrijver was, dien gij aanhaaldet, mijnheer Oldbuck?”

„De geleerde Leland, die tot waanzin verviel door het vernielen der kloosterboekerijen in zijn tijd.”

„Nu, zijn ongeluk mag misschien het verstand gered hebben van menigen hedendaagschen oudheidkenner, die zeker zou verdronken zijn, als zulk eene uitgestrekte zee van geleerdheid niet door eenige afleiding ware verminderd geworden.” [112]

„Wel, dank zij den Hemel, dat gevaar is voorbij; – zij hebben ons nauwelijks een lepel vol overgelaten.”

Dit zeggende, bracht hij het gezelschap van de helling, langs een steil, maar veilig pad, dat op de groene weide leidde, waar de bouwvallen stonden. „Daar leefden zij,” vervolgde de oudheidkenner, „zonder iets te doen te hebben, dan hun tijd door te brengen met het nasporen van de geheimen der meest verwijderde oudheid, met het overschrijven van manuscripten, en het samenstellen van nieuwe werken ter onderrichting van het nageslacht.”

„En,” voegde de Baronet er bij, „met het uitoefenen hunner godsdienstplichten, op eene het priesterschap waardige, prachtige en plechtige wijze.”

„En met Sir Arthur’s verlof” zei de heer Dousterswivel met eene diepe buiging, en in zijn gebroken dialect: „die monniken kunnen ook zeer mooie proeven, in derzelver laboratoria, genomen hebben in de scheikunde en de magia naturalis

„Ik verbeeld mij,” zei de geestelijke, „dat zij genoeg te doen hadden met het inzamelen van de tienden voor de pastorie en voor den vicaris over drie rijke kerspelen.”

„En alles,” voegde Isabella Wardour er bij, terwijl zij den oudheidkenner toeknikte, „zonder eenige stoornis van den kant der vrouwen!”

„Juist zoo, mijne schoone vijandin!” antwoordde Oldbuck, „dit was een Paradijs, waar geen Eva toegelaten werd; en des te meer moeten wij ons verwonderen, dat de goede vaders het kwamen te verliezen.”

Met zulke aanmerkingen over de bezigheden van hen, die vroeger de bouwvallen bewoond hadden, wandelden zij een tijdlang van het eene met mos begroeide overblijfsel naar het andere, onder geleide van Oldbuck, die met veel genot den platten grond van het gebouw uitlegde, en het gezelschap de verscheidene vermolmde opschriften voorlas en verklaarde, welker sporen men nog kon nagaan op de grafsteenen der dooden, of onder de ledige nissen der heilige beelden. „Wat is de reden,” vroeg eindelijk Isabella Wardour den oudheidkenner, „dat de overlevering ons zulke schrale berichten bewaard heeft omtrent de bewoners van deze deftige gebouwen, met zoo veel moeite en met zoo veel smaak opgericht, en welker eigenaren in hun tijd zulk een groot gezag en algemeenen invloed bezaten? De minste toren van een roofzieken baron of landjonker, die van zijne lans en zijn breed zwaard leefde, heeft zijne eigene oude overlevering, en de schaapherder zal u nauwkeurig de namen en daden opnoemen van de bewoners; maar ondervraagt men een landman over deze schoone en uitgebreide overblijfsels, – deze torens, deze bogen en zuilen, en spitse vensterramen, met zulke kosten voltooid, dan luidt zijn antwoord in drie woorden: „Ze werden lang geleden door de monniken gebouwd.””

De vraag was eenigszins lastig. Sir Arthur keek opwaarts, als hoopte hij, dat hem eenig antwoord mocht worden ingegeven; – Oldbuck schoof ongeduldig zijne pruik naar achteren; – de geestelijke was van gevoelen, dat de leden zijner gemeente te diep doordrongen waren van de rechtzinnige leer der Presbyteriaansche kerk, om eenige overleveringen te bewaren van de Paapsche puinhoopen van het land, welke takken waren van den alles overschaduwenden boom der ongerechtigheid, welks wortels in de ingewanden stonden van de zeven heuvelen der zonde. – Lovel dacht, dat zich de vraag het best liet oplossen door in aanmerking te nemen, welke voorvallen de diepste indrukken nalaten in de gemoederen van het volk. „Dit,” beweerde hij, „zijn niet zulke gebeurtenissen, welke op de trapsgewijze vorderingen [113]van eene vruchtbaar makende rivier gelijken, maar de zoodanige, die de toomelooze woede eener overstrooming in hare werking evenaren. De tijdstippen, volgens welke het volk den tijd berekent, zijn altijd die van vrees en ontroering, en het begint te rekenen na een storm, of na eene aardbeving, of na het uitbarsten van een burgeroorlog. En als dit de daadzaken zijn, die het meest in het geheugen van het gemeen bewaard worden, kunnen wij ons niet verwonderen,” eindigde hij, „dat de woeste krijgsman in de herinnering blijft, terwijl de vreedzame kloosterling aan de vergetelheid overgeleverd wordt.”

„Met uw verlof, mijne Herren en Damen, en met de uwe, Sir Arthur en ook met de uwe, Freule Wardour, en met goedvinden van den eerwaarden heer prediker, en van mijn goeden vriend den heer Oldenbuck, die mijn landsman is, en van den goeden jongen heer Lovel ook, ik denke, het komt alles van de hand der eere.”

„Wat voor eene hand?” riep Oldbuck.

„De – eerehand, mijn goede heer Oldenbuck! dat is een zeer groot en verschrikkelijk geheim, – dat de monniken gebruikten, om hunne schatten te verbergen, als ze uit hun klooster verdreven werden, door hetgeen gij de Reformation noemt.”

„Zoo, waarlijk! geef ons daar eenige beschrijving van,” zeide Oldbuck; „want dat is iets, dat men wel zou willen weten.”

„Wel, mijn goede heer Oldenbuck! Gij zult zeker gelieven mij uit te lachen. – Maar die eerehand is zeer wel bekend in die landstreken, waar Uwé’s voorouders woonden, – en het is die hand, die men van een dood mensch, die wegens moord gehangen is, heeft afgesneden en zuiver in den rook van jeneverhout heeft drogen laten, en als Uwé een beetje van wat men taxis noemt daarbij voegt, zoo is het niet beter, – dat is, het zal geen kwaad, – dan neemt Uwé een weinig vet van een beer, en van een das, en van een wild zwijn, en van een zuigend kind, dat echter nog niet gedoopt is (want dat is eene hoofdzaak), en Uwé maakt van dat alles eene kaars, en steekt die in de hand der eere op het juiste uur en de minuut, en met de daarbij behoorende ceremoniën, en hij die naar schatten zoekt, zal er geene vinden, wie hij ook zijn moge.”

„Dit resultaat zou ik gerust durven bezweren,” zei de oudheidkenner; „en placht men, mijnheer Dousterswivel, zich in Westfalen van dit elegant candelabrum te bedienen?”

„Gewis, heer Oldenbuck! zoodra men niet gaarne had, dat van wat men deed gesproken werd; – en de monniken plachten het te doen, als zij het zilver en de groote kelken, en de ringen met zeer precieuse steenen en juweelen verbergen wilden.”

„En toch hebt gij, heeren ridders van het Rozenkruis, zonder twijfel, middelen om het tooverspel te breken, en datgene te ontdekken, hetwelk de arme monniken zich zoo vele moeite gaven, om te verbergen?”

„Ach! lieve heer Oldenbuck!” hernam de goudzoeker met een veelbeteekenend hoofdschudden, „Uwé is zwaar van geloof; doch als Uwé die groote stukken gezien hadt, zoo massief, Sir Arthur! – zoo curieus fatsoeneert, Freule Wardour! – en het zilveren kruis dat wij, (Schroepfer1 en ik,) [114]voor den heer Freigraaf, das heisst, den Baron van Blunderhausen, vonden, dan geloof ik, heer Oldenbuck, zou Uwé ook wel geloofd hebben.”

„Voorwaar zien, is gelooven. – Maar waarin bestond uwe kunst; – wat was uw geheim, Mijnheer Dousterswivel?”

„Aha! dat is ja mijn klein geheim, mijn goede heer Oldenbuck! – Uwé excuseert, dat ik dat voor mij houd; – doch wil ik Uwé wel zeggen, dat er vele middelen toe zijn, – als bij voorbeeld de droom, welken men driemaal gehad heeft, dat is een zeer goed middel.”

„Dat verheugt mij,” zeide Oldbuck; „ik heb een vriend,” (van ter zijde een blik op Lovel werpende) „die bijzonder begunstigd is met de bezoeken van de koningin Mab2.”

„Dan hebben wij nog de sympathiën, en de antipathiën, en de vreemde eigenschappen en natuurlijke krachten van verscheidene kruiden, en de kleine tooverroede.”

„Ik zou veel liever eenige van die wonderen zien, dan er van hooren, zeide Isabella Wardour.”

„Maar zeer vereerde jonge dame, om dat groote wonder te doen, en om al het zilver en de schatten te vinden, daartoe ontbreekt het ons aan de benoodigdheden in dit oogenblik; toch om Uwé te obligeeren en Sir Arthur, mijn genadigen patroon, en den eerwaarden geestelijken heer, en den goeden heer Oldenbuck, en den jongen heer Lovel, die ook een zeer goede jonge heer is, wil ik Uwé zien laten, dat het mogelijk, zeer mogelijk is, de wellen en de kleine beekjes, die in den grond verborgen zijn, zonder eenige schop of spade te ontdekken.”

„Hm!” zeide de oudheidkenner, „ik heb van dat raadseltje gehoord. In ons land zal het niet veel opbrengen; – gij moest er meê naar Spanje en Portugal gaan, en er partij van trekken.”

„Ja toch, mijn beste heer Oldenbuck, daar is de Inquisition, en het Auto-da-fé; – daar kon ik, die slechts een filosoof ben, als een toovenaar verbrand worden!”

„Dan zouden zij altoos nog hunne kolen verspillen,” zeide Oldbuck. – „Maar,” vervolgde hij fluisterend tegen Lovel, „indien zij hem te pronk stelden als den meest onbeschaamden schurk, die ooit de tong roerde, zouden zij hem meer naar verdienste straffen. – Ik geloof waarachtig, dat hij ons een van zijne goochelkunstjes gaat vertoonen!”

De goudzoeker had zich werkelijk naar een klein bosch kreupelhout, op eenigen afstand van de bouwvallen begeven, waar hij zich druk bezig hield met te zoeken naar hetgeen hij tot zijn geheimzinnig oogmerk behoefde; en, na verscheidene takjes afgesneden, onderzocht en verworpen te hebben, koos hij eindelijk een hazeltakje met eene vork aan het einde, hetwelk hij verklaarde, dat de vereischte kracht bezat, om er de proef, die hij voorhad, mede te doen. En nu, met de twee einden van de vork, elk tusschen den vinger en duim, en dus den stok overeind houdende, trok hij, stapvoets, door de vervallen gangen der kloostergebouwen, door de overige nieuwsgierige leden van het gezelschap gevolgd.

„Ik geloof werkelijk, dat er hier geen water was,” zei de goudzoeker, na verscheidene gedeelten van het gebouw te hebben rondgewandeld, zonder [115]eenige van die teekens op te merken, welke hij voorgaf te wachten. „Ik geloof, dat deze Schotsche monniken het water te koud vonden voor het klimaat, en dronken altijd den goeden Rhein-wein; – maar, aha! – zie daar!” – De oogen der omstanders vestigden zich nu allen op de roede, en zij zagen, dat die tusschen zijne vingers draaide, ofschoon hij verzekerde, dat hij die zeer stevig vasthield. – „Hier in den omtrek is water,” – en zich heen en weêr wendende, zoo als de bewegingen der tooverroede schenen te eischen, trad hij eindelijk in eene ledige ruimte der bouwvallen, waar de keuken van het klooster geweest was, toen de roede zich zoodanig keerde, dat ze bijna loodrecht naar den grond wees. „Hier is de plek,” zei de goudzoeker, „en als Uwé hier geen water vindt, zoo mag Uwé mij vrij een onbeschaamden bedrieger noemen!”

„Die vrijheid zal ik toch nemen,” fluisterde de oudheidkenner Lovel toe, „of wij water vinden, of niet.”

Een knecht, die met eene mand vol ververschingen gekomen was, werd nu naar de hut van een naburiger boschwachter gezonden, om eene spade en een houweel te halen. Nadat de steenen en het puin van de plaats, door den heer Dousterswivel aangewezen, opgeruimd waren, kwam men weldra tot de zijden van een gemetselden put; en toen men verder, met behulp van den boschwachter en zijn zoon, eenige voet puin opgeruimd had, begon het water snel op te borrelen, tot groot genoegen van den wijsgeer, tot verwondering van de dames, van den heer Blattergowl en van Sir Arthur, tot verrassing van Lovel, en tot beschaming van den ongeloovigen oudheidkenner. Hij liet echter niet na, om Lovel zijn protest tegen het wonderwerk in het oor te blazen. „Dit is slechts eene list, en anders niets,” zeide hij; „de schurk heeft door het een of ander toeval geweten, dat deze oude put hier was, eer hij met zijn goochelkunstje voor den dag kwam. Let op hetgene hij er van zal opsnijden! Ik vergis mij zeer, zoo dit stukje niet op erger bedrog doelt. Zie, hoe de schurk pocht op het gelukken zijner proef, en hoe de arme Sir Arthur zich laat overstelpen door den vloed van wartaal, die hij staat uit te kramen, als de grondbeginselen zijner geheime wetenschappen!”

„Uwé ziet, mijn goede patroon! Uwé ziet, mijne schoone dames, Uwé ziet, eerwaarde heer Blattergowl, en zelfs heer Lovel en heer Oldenbuck kunnen zien, als zij gelieven willen te zien, dat de kunst geen anderen vijand heeft dan de onwetendheid. Bezie dit stokje van eene hazelstruik; – het is tot niets goed, dan om een klein kind te straffen, – („Daartoe is ’t slechts te misbruiken; maar voor u wenschte ik eene fiksche geesel,” mompelde Oldbuck), – „en neemt het een filosoof in de hand – paf! zoo maakt het de grootste ontdekking. Maar dat is niets Sir Arthur! – niets, – in het geheel niets, eerwaarde heer Blattergowl! niets, dames! – volstrekt niets, jonge heer Lovel en goede heer Oldenbuck, bij wat de kunst doen kan. Ah! als iemand hoofd en hart had, ik zou hem wel andere dingen, dan de waterbronnen zien laten – ik zou hem –”

„En er zou maar weinig geld daartoe noodig zijn, niet waar?” vroeg de oudheidkenner.

„Bah! eene kleinigheid, dat niet waard is over te spreken,” antwoordde de goudzoeker.

„Dat dacht ik wel!” hernam de oudheidkenner; „en ik zal u intusschen, zonder eenige tooverroede, eene heerlijke pastei van wildbraad, en eene flesch echte Madera toonen, en ik geloof, dat dit ruim opwegen zal tegen alles, wat de kunst van mijnheer Dousterswivel in staat is te doen verschijnen!” [116]

Het maal werd, naar de uitdrukking van den heer Oldbuck, aangericht fronde super viridi, onder een zwaren ouden boom, „des abts eik” genaamd, en het gezelschap, in het rond plaats nemende, bewees alle eer aan den inhoud van de mand.


1 Deze befaamde geestenbezweerder moet zich in 1774 in het Rozendal, bij Leipzig, hebben van kant gemaakt. 

2 Eene toovergodin, ook uit Spenser’s Fairy queen, – bij Shakespeare; zie zijn Romeo en Juliet, I. 4. Tooneel. 

[Inhoud]

Achttiende Hoofdstuk

Als een Griffoen, die door de wildernis,

Gevleugeld snel, over berg, moeras en dal,

Den Armaspier najaagt, die ter sluiks

Aan zijn te waakzaam oog het goed bewaarde goud

Ontrooven wil: zoo woedend viel de Satan.….

Milton, Het verloren Paradijs.

Na het gebruik der ververschingen, hervatte Sir Arthur het gesprek over de geheimzinnige tooverroede, als een onderwerp, waarover hij reeds vroeger met Dousterswivel gesproken had. „Mijn vriend, de heer Oldbuck, zal nu voorbereid zijn, mijnheer Dousterswivel, om met meer ontzag het bericht aan te hooren, dat gij ons gegeven hebt van de laatste ontdekkingen, door de broeders van uw genootschap in Duitschland gedaan.”

„Och, Sir Arthur, het zijn slechts kleinigheden om deze heeren er over te spreken; want zij zijn niet lichtgeloovig; – das heisst, het ontbreekt hun, – zoo als men hier zegt, – aan geloof en dat verijdelt de grootste onderneming.”

„Laat dan ten minste mijne dochter u het verhaal voorlezen, dat zij van de geschiedenis van Marten Waldeck op het papier bracht.

„O! dat is eene ware historie; – maar Freule Wardour is zoo fijn en geestig, dat zij zeker wel een roman daarvan gemaakt heeft, – even goed als Goethe of Wieland het doen konden, op mijn woord van eer!”

„Om u de waarheid te zeggen, mijnheer Dousterswivel,” antwoordde Isabella Wardour, „het romaneske had zoo zeer de overhand boven het waarschijnlijke in de oude overlevering, dat eene liefhebster van het tooverland, zoo als ik, niet nalaten kon om ze hier en daar een weinig op te sieren, ten einde ze in hare soort te volmaken. – Maar hier is ze, en indien gij niet geneigd zijt, om dezen lommer te verlaten voor dat de hitte van den dag eenigszins verminderd is, en gij u tevreden wilt stellen met mijn slechten arbeid, zal wellicht Sir Arthur, of heer Oldbuck, ons het verhaal voorlezen.”

„Ik niet,” zeide Sir Arthur; „ik hield er nooit van, om hardop te lezen.”

„Ik ook niet,” zeide Oldbuck; „en ik heb mijn bril vergeten; – maar daar is Lovel, met scherpziende oogen en eene goede stem; want de heer Blattergowl, dat weet ik, leest nooit iets, uit vrees dat men denken mocht, dat hij ook zijne preeken leest!”

De taak werd dus aan Lovel opgedragen, die met eenige ontroering het manuscript aannam, dat Isabella Wardour hem eenigszins verlegen overhandigde: – het bevatte toch de regels door die schoone hand geschreven, [117]welker bezit hij heimelijk begeerde als den grootsten zegen, dien hem de aarde kon opleveren. Maar het was noodzakelijk deze gewaarwordingen te onderdrukken, en na het handschrift doorloopen te hebben, als om zich met het karakter er van bekend te maken, las hij het gezelschap het volgende verhaal voor:

De lotgevallen van Marten Waldeck.1

De eenzame oorden van het Hartzwoud in Duitschland, maar voornamelijk het gebergte, bekend onder den naam van Blocksberg, of liever de Brocken, zijn geliefkoosde tooneelen voor de verhalen van toovenaars en heksen, geesten en verschijningen. De leefwijze der landlieden, die òf mijnwerkers òf jagers zijn, is van dien aard, dat ze hen bijzonder bijgeloovig maakt; en dikwijls schrijven zij de natuurverschijnselen, die zij bij het beoefenen van hun eenzaam, of onderaardsch werk ontwaren, aan de tusschenkomst van eenigen geest, of aan bovennatuurlijke krachten toe. Onder de verschillende oude vertelsels, welke in die woeste landstreek in omloop zijn, is er één zeer algemeen, namelijk: dat de Hartz bewoond is door eene soort van beschermgeest, in de gedaante van een wilden man van reusachtige gestalte, het hoofd bekransd met eikenbladeren, en zijn midden op dezelfde wijze versierd, terwijl hij in de hand een omgekeerden denneboom, met de wortels naar boven, draagt. Het is zeker, dat zeer vele menschen verklaren hem in deze gestalte gezien te hebben, met verbazende schreden over den top van den tegenoverliggenden berg gaande, terwijl slechts eene smalle vallei die hoogten van diegene waarop de reiziger zich bevond, scheidde; en de echtheid der verschijning is inderdaad zoo algemeen erkend, dat de hedendaagsche vrijgeesten zich alleen hebben weten te redden, door ze toe te schrijven aan een optisch bedrog.2

In vroegere tijden was de omgang van den geest met de inwoners gemeenzamer, en volgens de overleveringen van den Hartz, placht hij, met de wispelturigheid, veelal aan dergelijke onderaardsche machten toegeschreven, zich met de zaken der stervelingen, dan eens tot hun welzijn, dan eens tot hun ongeluk, te bemoeien. Maar men had opgemerkt, dat op den langen duur zijne giften noodlottig werden voor hen, die ze ontvingen, en niet zelden hielden de geestelijke leeraars lange preeken aan hunne toehoorders, die neêrkwamen op eene waarschuwing, om geen gemeenschap te hebben met den geest van den Hartz. De ongelukkige lotgevallen van Marten Waldeck werden dikwijls door de ouders tot een voorbeeld aangehaald, wanneer zij hunne lichtzinnige kinderen hoorden lachen om een gevaar, dat zij voor denkbeeldig hielden.

Een reizende Kapucijner monnik had zich in het bezit van den preekstoel gesteld in de kerk van een klein gehucht, in het Hartzgebergte, Morgenbrodt genaamd, en voer hevig uit tegen de goddeloosheid der inwoners, hunne gemeenschap [118]met booze geesten, toovenaars en heksen, en, in het bijzonder, met den boozen geest van den Hartz. De leerstellingen van Luther hadden reeds begonnen zich te verspreiden onder de landlieden; – want ons verhaal speelt onder de regeering van Karel V, – en zij bespotten den ijver, waarmede de waardige man zijne leer verkondigde. Maar zijne hevigheid vermeerderde met de tegenkanting, en hunne tegenkanting nam in evenredigheid tot zijne hevigheid toe. De inwoners hoorden ongaarne een gemeenzaam geworden en rustigen geest, die den Brocken zoo vele eeuwen bewoond had, kortaf met Baalpeor, Astaroth en Beëlzebub zelven vergelijken en, rechtstreeks tot den bodemloozen Tophet veroordeelen. De vrees, dat de geest zich op hen, wegens het luisteren naar zulk een onmeêdoogend vonnis, wreken mocht, verhoogde het volksgevoel dat voor hem pleitte. Een reizende monnik, zeiden zij, die vandaag komt en morgen gaat, kan zeggen wat hem goeddunkt; maar wij zijn het, wij, de oude en vaste ingezetenen van de landstreek, die aan de willekeur van den beleedigden geest blijven overgelaten, en natuurlijk voor alles boeten moeten. – Aangevuurd door deze bedenkingen, gingen de boeren van scheldwoorden tot steenen over, en den priester vrij mild daarop onthaald hebbende, verdreven zij hem uit het dorp, om ergens anders tegen de geesten te gaan preken.

Drie jonge lieden, die hierbij tegenwoordig en werkzaam geweest waren, keerden naar de hut terug, waar zij, met den vermoeienden arbeid van houtskolen voor de smeltovens te bereiden, den schralen kost verdienden. Onderweg kwam het gesprek natuurlijk op den geest van het Hartzgebergte, en de leer van den Kapucijner. Max en George Waldeck, de twee oudste broeders, stemden toe, dat de taal van den Kapucijner onbescheiden en berispenswaardig geweest was, daar hij zoo vermetel over het eigenlijk karakter en het verblijf van den geest gesproken had, maar zij begrepen nochtans, dat het in den hoogsten graad gevaarlijk was, om geschenken van hem aan te nemen, of eenige gemeenschap met hem te hebben. Hij was, wel is waar, zeer machtig, zeiden zij, maar ongemakkelijk en luimig, en hun, die zich met hem afgaven, ging het zelden goed. Gaf hij niet den dapperen ridder, Egbert van Rabenwald, het beroemde zwarte ros, waarmede hij al de ridders op het groote steekspel te Bremen overwon? En stortte daarna niet hetzelfde ros met zijn ruiter in zulk een diepen en verschrikkelijken afgrond, dat man en paard voor altijd verdwenen? Gaf hij ook niet aan vrouw Truitje Trodden een toovermiddel om boter te maken? en werd zij niet, bij vonnis van het keurvorstelijk crimineel-gerecht, wegens tooverij verbrand, omdat zij zich op deze gift beroemd had? – Maar deze en vele andere voorbeelden, die zij aanhaalden van ongelukken en wederwaardigheden, welke eindelijk met de veelbelovende giften van den Hartzgeest gepaard gingen, maakten geen indruk op Marten Waldeck, den jongsten der broeders.

Marten was jeugdig, voortvarend en driftig; hij muntte uit in alle oefeningen, die de bergbewoners onderscheiden, en was dapper en onverschrokken geworden door dagelijksche gemeenzaamheid met de gevaren, welke hem omringden. Hij lachte om de schroomvalligheid van zijne broeders. „Spreekt mij niet van dergelijke gekheden,” zeide hij; „de geest is een goede geest; – hij leeft onder ons, alsof hij een boer was, gelijk wij zijn; – hij bezoekt de eenzame kloven en schuilplaatsen der bergen, als een jager en geitenherder, – en hij, die het Hartzwoud en zijne woeste tooneelen bemint, kan niet onverschillig zijn omtrent het lot der wakkere kinderen van het land. Maar zelfs, indien ook de geest zoo kwaadaardig was, als gij zegt, [119]hoe zou hij dan nog macht kunnen uitoefenen over stervelingen, die zich slechts van zijne geschenken bedienen, zonder zich aan zijn wil te onderwerpen? Wanneer gij uwe houtskool naar den smeltoven brengt, is dan het geld, dat u de godslasteraar Blaize, de oude, rampzalige opzichter betaalt, niet even gangbaar, alsof gij het van den pastoor zelven ontvingt? Het zijn dus niet de geschenken van den geest, die gevaarlijk zijn; het gevaar hangt alleen af van het gebruik, dat men er van maakt. En zoo mij de geest op dit oogenblik verscheen, en mij eene goud- of zilvermijn aanwees, ik zou aan het delven gaan, zelfs eer hij mij den rug toegekeerd had, en ik zou mij onder de bescherming achten van een veel Grootere dan hij, zoolang ik een goed gebruik maakte van den rijkdom, dien hij mij aanwees.”

Hierop antwoordde de oudste broeder, dat slecht verkregen rijkdom zelden goed besteed werd; terwijl Marten stoutweg hernam, dat al de schatten van den Hartz niet de minste verandering zouden brengen in zijne gewoonten en grondbeginselen, of in zijn karakter.

Zijne broeders verzochten Marten minder roekeloos hierover te spreken, en slaagden met moeite, om zijne gedachten af te leiden, door ze op eene op handen zijnde everzwijnenjacht te vestigen. Dit gesprek bracht hen aan hunne hut, een ellendig verblijf, gelegen op den rand van eene woeste, romantische vallei in eene der eenzaamste schuilhoeken van den Brocken. Zij losten hunne zuster af bij het passen op de verbranding van de houtskool, wat aanhoudende oplettendheid vereischt, en verdeelden de nachtwacht onderling, overeenkomstig hunne gewoonte, volgens welke altijd één der broeders waakte, terwijl de anderen sliepen.

Max Waldeck, de oudste, waakte gedurende de twee eerste uren van den nacht, en schrikte zeer toen hij, op de tegenovergelegene helling der vallei, een ontzachlijk groot vuur zag, omgeven door eenige gedaanten, die met wonderlijke gebaren daarom heen schenen te dansen. Max kwam aanvankelijk in verzoeking, om zijne broeders op te roepen; maar zich den roekeloozen aard van den jongsten herinnerende, en het onmogelijk achtende, om den oudsten te wekken, zonder den eerstgenoemde te storen, – en tevens denkende, dat, hetgeen hij zag, eene begoocheling was van den geest, uitgelokt misschien, door de gewaagde uitdrukkingen, door Marten den avond te voren gebezigd, oordeelde hij het best, om zich toe te vertrouwen aan de bescherming der gebeden, die hij van buiten kende, en sloeg verder in grooten schrik en angst deze vreemde en treffende verschijning gade. Nadat het vuur eenigen tijd gevlamd had, verdween het, langzamerhand verflauwend, in de duisternis, en het overige gedeelte van de nachtwacht van Max werd slechts verontrust door de herinnering aan den doorgestanen schrik.

George trad nu in de plaats van Max, die zich ter rust begeven had. Het verschijnsel van een verbazend groot vlammend vuur, op den top van de tegenovergelegene helling, vertoonde zich op nieuw aan het oog van den waker. Het was, als te voren, omgeven door donkere gestalten, tusschen den waarnemer en het heldere licht van het vuur te onderscheiden, die er om heen dansten en zweefden, alsof zij bezig waren met het verrichten van eenige geheimzinnige plechtigheid. George, ofschoon even voorzichtig als Max, was van ondernemender aard. Hij besloot het voorwerp zijner verwondering meer van nabij te beschouwen, en beklom dus, na het riviertje, dat door de diepe vallei vloeide, overgestoken te zijn, de tegenoverliggende hoogte, en naderde tot binnen een korten afstand het vuur, dat klaarblijkelijk met dezelfde woede brandde, als toen hij het uit de verte had gadegeslagen. [120]

Het voorkomen van hen, die het omgaven, geleek naar dat der spoken, welke men in akelige droomen ziet, en bevestigde hem dadelijk in zijn eerste denkbeeld, dat zij niet tot deze wereld behoorden. Onder deze bovennatuurlijke gedaanten, onderscheidde Waldeck die van een verbazenden reus, in zijne hand, met den wortel naar boven, een denneboom houdende, waarmede hij van tijd tot tijd het vlammende vuur scheen aan te stoken, en met geene andere kleeding, dan een krans van eikenloof om hoofd en lendenen. George ontzonk de moed, toen hij in deze verschijning den Hartzgeest herkende, zoo als die hem dikwijls beschreven was geworden door de oude schaapherders en jagers, die hem over de bergen hadden zien stappen. Hij keerde zich om, en was op het punt van te vluchten; maar, bij nadere overweging, schaamde hij zich over zijne angst, zeide in zich zelven het vers van den gewijden zanger: „Alle goede geesten loven den Heere!” wat in dat land voor een krachtig formulier gehouden wordt om geesten te bezweren, en wendde zich nog eenmaal om naar de plaats, waar hij het vuur gezien had. Maar het was niet meer zichtbaar.

Slechts de bleeke maan verlichte de helling der vallei, en toen George met bevende schreden, met angstzweet op het voorhoofd, en haren, die onder zijne kolenbrandersmuts overeind rezen, op de plaats kwam, waar het vuur nog onlangs zichtbaar was, en die hij aan een ouden, verwelkten eikenboom herkennen kon, vond hij op de hoogte geen spoor meer van al wat hij gezien had. Het mos en de wilde bloemen waren onverzengd, en de takken van den ouden eik, die zoo straks nog door vlammen en rook omhuld scheen, waren met den zwaren middernachtsdauw bedekt.

George keerde met bevende schreden terug naar zijne hut, en in den geest van zijn oudsten broeder, besloot hij, niets te zeggen van hetgeen hem overkomen was, uit vrees van bij Marten die roekelooze nieuwsgierigheid op te wekken, welke hij bijna als goddeloos beschouwde.

Het was nu de beurt van Marten, om te waken. De haan had reeds gekraaid, en de nacht liep ten einde. Toen hij naar den toestand van het vuur keek, waarin het hout lag, dat tot kolen moest verbrand worden, was hij verwonderd te zien, dat men den brand niet goed onderhouden had; want George had, bij zijn uitstapje en de gevolgen er van, het hoofddoel van zijn waken vergeten. Martens eerste gedachte was, om zijne broeders op te roepen; maar ontwarende, dat zij buitengemeen vast en zwaar sliepen, eerbiedigde hij hunne rust, en begon zelf het vuur van het noodige brandhout te voorzien. Hetgeen hij er op legde, scheen nat en niet goed te zijn; want het vuur verflauwde eerder, dan dat het weder opflikkerde. Marten ging dus eenige takken van een houtstapel halen, zorgvuldig tot dat doel gehakt en gedroogd; maar bij zijne terugkomst, vond hij het vuur geheel uitgebluscht. Dit was een ernstig ongeluk, en dreigde hun, voor meer dan één dag, hun onderhoud te kosten. De geplaagde en verdrietige kolenbrander wilde nu vuur slaan, om het hout weêr aan te steken; maar het tondel was nat, en ook hierin slaagde hij niet. Hij wilde nu zijne broeders gaan roepen, – want de omstandigheden schenen dringend, – toen op eenmaal de flikkeringen van een glinsterend licht, dat niet alleen door het venster, maar ook door elke opening van de ruwe hut schitterde, hem op dezelfde verschijning opmerkzaam maakte, die te voren de nachtwaken van zijne beide broeders verontrust had. Zijne eerste gedachte was, dat de Muhlhausers, hunne mededingers in den handel, en met wie zij menigen twist hadden gehad, zich over de grenzen gewaagd hadden, om in hun bosch te stroopen, en hij besloot, [121]zijne broeders te wekken, en de stoutmoedigheid der roovers te bestraffen. Maar, na een oogenblik nagedacht, en de gebaren en bewegingen van hen, die bij het vuur waren, gadegeslagen te hebben, veranderde hij van gevoelen, en, hoewel anders een twijfelaar aan dergelijke zaken, besloot hij nu, dat hij eene bovennatuurlijke verschijning zag. „Maar het mogen menschen of booze geesten zijn,” zei de onverschrokken kolenbrander, „die ginds met zulke vreemde gebaren rondspringen, ik zal naar hen toegaan, en een licht vragen, om mijn vuur weêr aan te steken.” Hij gaf terzelfder tijd het denkbeeld op, van zijne broeders te wekken; want er heerschte een bijgeloovig begrip, dat dergelijke ondernemingen, als hij voorhad, slechts door één persoon volbracht konden worden. Hij vreesde ook, dat zijne broeders, met hunne angstige schroomvalligheid, hem verhinderen mochten de navorschingen te doen, waartoe hij besloten had. Dus greep hij zijne jachtspies van den muur, en de onverschrokken Marten Waldeck ging alleen op zijn gewaagden tocht uit.

Met geen minder voorspoed dan zijn broeder George, maar met vrij wat meer moed, trok Marten over het riviertje, beklom den berg, en naderde de geesten zoo dicht, dat hij de gedaante en het uiterlijk van den Hartzgeest dadelijk herkende. Eene koude rilling overviel hem voor het eerst van zijn leven; maar de herinnering, dat hij op een afstand de ontmoeting, welke hij nu had, niet gevreesd, maar zelfs gewenscht had, versterkte zijnen wankelenden moed, en zijn trots hem verder aanprikkelend, ging hij tamelijk bedaard naar het vuur, terwijl de gedaanten, die het omgaven, hoe langer hoe wilder, spookachtiger en bovennatuurlijk schenen, naarmate hij naderde. Hij werd met een luiden, wanklinkenden, onnatuurlijken lach ontvangen, wat in zijne verbaasde ooren ontzettender luidde dan het noodlottigste en droefgeestigste gehuil, dat men zich verbeelden kan. „Wie zijt gij?” vroeg de reus, met eene soort van gemaakte deftigheid op zijne woeste gelaatstrekken, die tusschenbeide stuipachtig vertrokken door den lach, welken hij scheen te onderdrukken.

„Marten Waldeck, de kolenbrander,” antwoordde de stoutmoedige jongeling; „en wie zijt gij?”

„De Koning van de Woestenij en van de Mijn,” antwoordde het spook. – „En waarom waagt gij het, mijne geheimen te bespieden?”

„Ik kom een kool halen, om mijn vuur weêr aan te maken,” antwoordde Marten stout, en vroeg daarop vrijmoedig: „Wat zijn dat voor geheimen, die gij hier viert?”

„Wij vieren,” antwoordde de beleefde geest, „het huwelijk van Hermes met den Zwarten Draak. – Maar neem het vuur, dat gij kwaamt zoeken, en vertrek! – Geen sterveling kan ons lang aanschouwen en blijven leven.”

De boer stak de punt van zijne speer in een groot stuk vlammend hout, dat hij slechts met eenige moeite oplichten kon, en keerde daarop naar zijne hut terug, terwijl de lachende stemmen met driedubbeld geweld door de smalle vallei weêrklonken. Toen Marten zijne hut weêr bereikt had, legde hij, hoezeer ook verwonderd over hetgeen hij gezien had, dadelijk zorgvuldig de gloeiende kool tusschen het hout, op eene wijze, die het best geschikt was, om het vuur spoedig te doen branden; maar, na menige poging en het vergeefsche gebruik van blaasbalk en vuurtang, doofde de kool, die hij van het vuur van den geest gekregen had, geheel en al uit. Hij keerde zich om, en zag het vuur steeds nog op den berg vlammen, hoewel zij, welke het omgeven hadden, verdwenen waren. Daar hij begreep, dat het spook [122]den spot met hem gedreven had, prikkelde dit zijn ondernemenden geest, en hij besloot dus de zaak door te zetten, en begaf zich andermaal naar het vuur, vanwaar hij, ongedeerd door den geest, op dezelfde wijze een vlammend stuk houtskool medebracht; maar steeds zonder te slagen in het aanmaken van zijn vuur. Zijne ongestrafte poging vermeerderde zijne roekeloosheid; hij ondernam eene derde reis, en bereikte als te voren het vuur; maar toen hij zich op nieuw van een brandend stuk hout voorzien had, en zich omkeerde om te vertrekken, hoorde hij de schorre en bovennatuurlijke stem, die hem vroeger toegesproken had, deze woorden uiten: „Waag het niet ten vierdemaal terug te keeren!”

Daar de poging, om het vuur met deze laatste kool aan te maken, even vruchteloos als de vorige bleef, gaf Marten wanhopig de onderneming op, en wierp zich op een stapel drooge bladeren, besloten, om de mededeeling van zijn vreemd avontuur aan zijne broeders tot den volgenden morgen uit te stellen. Hij werd uit een diepen slaap, waarin de vermoeienis van zijn lichaam en de ontroering van zijn geest hem dompelden, gewekt door luide kreten van verrassing en vreugde. Zijne broeders, verwonderd dat zij bij hun ontwaken het vuur uitgebluscht vonden, hadden het willen opstoken, en toen zij het brandhout verschikken wilden, vonden zij in de asch drie zeer zware stukken metaal, welke zij, met die mineralogische kennis, die de meeste boeren uit den Hartz bezitten, dadelijk voor zuiver goud herkenden.

De onderlinge vreugde en gelukwenschingen werden eenigszins verminderd, toen zij van Marten de wijze vernamen, waarop zich de zaak toegedragen had, waaraan zij, na de ondervinding, die zij zelve van de nachtelijke verschijning hadden, volledig geloof sloegen. Maar zij konden de verzoeking niet weêrstaan om zijne schatten met hem te deelen. Marten Waldeck begon nu, als hoofd van het huis, den grooten heer te spelen: hij kocht landerijen en bosschen, bouwde een kasteel, verkreeg een adelbrief, en werd, tot groote verontwaardiging van de aanzienlijken uit de buurt, met al de voorrechten van een man van hooge afkomst bekleed. Zijn moed in den oorlog, zoowel als in bijzondere veten, gevoegd bij het groot aantal onderhoorigen, die hij bezoldigde, hielden hem een tijdlang staande tegen den haat, welken zijne plotselinge verheffing, zijn overmoed en zijne aanmatigingen verwekten. En nu zag men, in het voorbeeld van Marten Waldeck, wat men bij zoo veel anderen heeft opgemerkt; hoe weinig de stervelingen de uitwerking voorzien kunnen, welke onverwachte voorspoed op hun karakter hebben zal. De booze driften, welke de armoede onderdrukt en verborgen had, werden nu rijp, en droegen heillooze vruchten onder den invloed der verzoeking en der macht om daaraan te voldoen. Even als de eene golf de andere opvolgt, zoo verwekt de eene slechte drift de andere; – de booze geest der gierigheid wekte dien van den trots op, en de trots werd ondersteund door wreedheid en onderdrukking. Waldeck’s karakter, – altijd stout en ondernemend, – hard en aanmatigend geworden door den voorspoed, maakte hem niet slechts gehaat bij den adel, maar evenzeer bij de lagere standen, die met dubbele ontevredenheid de drukkende macht van den leenheer zoo gewetenloos uitgeoefend zagen door iemand zelf uit den laagsten stand van het volk verrezen. Zijn avontuur, hoe zorgvuldig ook geheim gehouden, begon insgelijks onder de menschen bekend te worden, en de geestelijken brandmerkten reeds als een toovenaar en medeplichtige van booze geesten den vrek, die na op zulk eene vreemde wijze een ontelbaren schat verkregen te hebben, dien niet had zoeken te heiligen, door er een aanmerkelijk gedeelte van aan de kerk te schenken. [123]Omringd door openbare en geheime vijanden, door duizenderlei hatelijkheden getergd, en door de kerk met een banvloek bedreigd, betreurde Marten Waldeck, of, zoo als wij hem nu noemen moeten, de Baron van Waldeck, dikwijls oprecht het harde werk en de onschuldige genoegens van zijne vroegere onbenijde armoede. Maar zijn moed begaf hem niet onder al deze kwellingen, en scheen eerder toe te nemen met de gevaren, die hem als dreigende onweêrswolken omgaven, totdat ééne omstandigheid zijn val verhaastte.

De regeerende Hertog van Brunswijk had al de Duitsche edellieden van hooge en roemrijke afkomst openlijk doen uitnoodigen op een plechtig steekspel; en Marten Waldeck had de onbeschaamdheid, om, schitterend gewapend, vergezeld door zijne twee broeders en een prachtig uitgerust gevolg, onder de ridderschap der provincie te verschijnen, en te vragen om tot het strijdperk toegelaten te worden. Dit beschouwde men als het toppunt van verwaandheid. Duizend stemmen deden zich hooren: „Wij willen geen kolenbrander in onze ridderspelen!” Razend geworden, ontblootte Marten het zwaard, en velde den wapenheraut ter neder, die, aan het algemeen verlangen toegevende, hem het binnentreden in het strijdperk beletten wilde. Dadelijk zag men een honderdtal zwaarden ontbloot, om eene misdaad te wreken, die men te dien tijde slechts als iets minder dan heiligschennis en koningsmoord beschouwde. Waldeck, na zich als een leeuw verdedigd te hebben, werd gegrepen, staandsvoets door de scheidsrechters ondervraagd, en veroordeeld, omdat hij den landvrede van zijn vorst verbroken en geweld gepleegd had aan de heilige persoon van een wapenheraut, de rechterhand te verliezen, voorts uit den adelstand, dien hij onwaardig was, ontzet en uit de stad verdreven te worden. Nadat men hem zijne wapenrusting afgerukt, en hij de verminking volgens het wreede vonnis ondergaan had, gaf men het ongelukkig slachtoffer der eerzucht aan het gemeen prijs, dat hem met bedreigingen en scheldwoorden vervolgde, – beurtelings tegen den heksenmeester en onderdrukker, zoo als men hem noemde, uitvoer, tot men eindelijk tot gewelddadigheden overging. Zijne broeders (want zijn gevolg was gevlucht en verstrooid), slaagden ten laatste, om hem uit de handen van het gemeen te redden, toen het, na zijne wreedheid verzadigd te hebben, hem half dood door bloedverlies en de geleden mishandelingen had laten liggen. Het werd hun nochtans niet vergund, zoo groot was de wreedheid van hunne vijanden, om zich van eenig ander vervoermiddel voor den ongelukkige te bedienen, dan juist van eene van die kolenbranderskarren, welke zij vroeger zelven plachten te gebruiken: daarin plaatsten zij dus hun broeder op een bos stroo, nauwelijks hopende dat zij eenige schuilplaats vinden zouden, eer de dood hem van zijne ellende bevrijd had.

Toen de Waldeck’s op deze rampzalige wijze voorttrekkende, hun geboorteland genaderd waren, zagen zij, in een hollen weg tusschen twee bergen, eene gestalte op hen toekomen, die op het eerste gezicht op een ouden man geleek. Maar, naar mate de gedaante naderde, werden de ledematen en de gestalte grooter, de mantel viel van de schouders, de pelgrimsstaf werd een omgekeerde pijnboom, en de reusachtige gestalte van den Hartzgeest vertoonde zich in al zijne verschrikkelijkheden. Tegenover de kar gekomen, waarop zich de ongelukkige Waldeck bevond, vertrokken zich zijne ontzagwekkende gelaatstrekken tot eene grijns van onbeschrijfelijke verachting en boosaardigheid, terwijl hij den lijder vroeg: „Hoe vindt gij het vuur, dat mijne kolen aangestookt hebben?” De geestkracht, die met den schrik zijne twee broeders verlaten had, scheen Marten zelven op nieuw te bezielen. Hij verhief zich [124]op de kar, fronste de wenkbrauwen, en, de vuist ballende, schudde hij die tegen het spook, met een afzichtelijken blik van haat en tergende bedreiging. Het spook verdween, naar zijne gewoonte, met een ijselijken en minachtender lach, en liet Waldeck uitgeput door de laatste poging der bezwijkende natuur.

De verschrikte broeders wendden de kar naar de torens van een klooster, dat in een dennebosch naast den weg verrees. Zij werden liefderijk door een barrevoetschen, langgebaarden kapucijner ontvangen, en Marten leefde slechts lang genoeg, om zijne eerste biecht te doen sedert den dag van zijnen onverwachten voorspoed, en absolutie te bekomen van denzelfden priester, dien hij, juist op dien dag drie jaren te voren, uit het gehucht Morgenbrodt had helpen verdrijven. De drie jaren van zijn schijnbaren voorspoed beschouwde men als in geheimzinnig verband met het getal zijner gangen naar het vuur op den heuvel.

Het lichaam van Marten Waldeck werd in het klooster ter aarde besteld, waar hij den geest had gegeven, en in hetwelk zijne broeders, na het ordekleed aangenomen te hebben, leefden en stierven, onder het uitoefenen van liefdadige en vrome plichten. Zijne landerijen, waarop niemand eenige aanspraak maakte, bleven onbebouwd liggen, tot zij door den Keizer, als een vervallen leen, opgeëischt werden; en de bouwvallen van het kasteel, dat Waldeck naar zijn eigen naam genoemd had, worden nog steeds door de mijnwerkers en kolenbranders gemeden, als de woonplaats van booze geesten. Aldus zag men de ellende, welke plotseling verkregen en slecht besteede rijkdommen aankleeft, levendig voor oogen gesteld in de lotgevallen van Marten Waldeck.


1 Dit verhaal is in de hoofdomstandigheden naar het Hoogduitsch, hoewel ik op het oogenblik niet meer weet, in welke verzameling van volkslegenden het oorspronkelijke te vinden is. W. S. 

2 De schaduw van hem, die de verschijning ziet, op eene wolk weêrgekaatst, gelijk het beeld uit eene tooverlantaren op een wit laken, schijnt aanleiding tot de schepping van dit spook te hebben gegeven. W. S. 

[Inhoud]

Negentiende Hoofdstuk

Hier had eene onstuimige ontmoeting plaats,

Tusschen mijn neef den kapitein, en dezen krijgsman,

Over ik weet niet wat! een niets voorvaar;

Mededinging, rang en vergelijkingen

Van krijgsroem! –

Een eerlijke twist.

De aandachtige toehoorders bedankten de schoone schrijfster van bovenstaand volksverhaal met de de noodige beleefdheid. Oldbuck alleen haalde den neus op, en merkte op, dat de behendigheid van Freule Wardour eenigszins geleek op die der goudzoekers, daar het haar gelukt was, om eene nuttige zedeles te trekken uit een zeer ijdel en belachelijk sprookje. – Men zegt, dat het de mode is dergelijke ongerijmde verdichtsels te bewonderen, – maar

– mij is een Engelsch hart verleend:

Het schrikt voor spook, noch rammelend gebeent!”

„Met uw verlof, mijn goeden heer Oldenbuck!” zeide de heer Dousterswivel, „Freule Wardour heeft deze geschiedenis, even als alles, wat het [125]haar behaagt in handen te nemen, zeer verfraaid; maar de geheele historie van den Hartzgeest, en hoe hij over de woeste bergen gaat met een grooten denneboom tot wandelstok, en met groote groene kransen om hoofd en lijf, – dat is even waar, als dat ik een eerlijk man ben!”

„Eene stelling, die zoo gewaarborgd wordt, is niet te betwisten,” antwoordde de oudheidkenner droogjes. Maar hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een vreemdeling.

Deze was een schoon jonkman van ongeveer vijfentwintig jaren, als militair gekleed, en die in zijn blik en zijne manieren zeer veel van den krijgsman had; zelfs wellicht iets meer dan den volmaakt fatsoenlijken man geheel en al betaamt, in wiens manieren zijn beroep nooit doorstralen moet. Hij werd door het grootste gedeelte van het gezelschap begroet. „Mijn waarde Hector!” riep Mary M’Intire, terwijl zij opstond om hem de hand te geven.

„Hector, zoon van Priamus! van waar komt gij?” vroeg de oudheidkenner.

„Van Fife, mijn leenheer!” antwoordde lachende de jonge krijgsman, en vervolgde, na het overige van ’t gezelschap en vooral Sir Arthur en zijne dochter beleefd gegroet te hebben: „ik vernam van één uwer bedienden, terwijl ik naar Monkbarns reed, om u mijne opwachting te maken, dat ik het gezelschap hier zou vinden, en ik nam deze gelegenheid waar, om aan zoo vele vrienden tegelijk mijne hulde te brengen.”

„En tevens aan een nieuwen, mijn Trojaan!” zeide Oldbuck. „Mijnheer Lovel, zie hier mijn neef de kapitein M’Intyre. – Hector, ik beveel mijnheer Lovel in uwe vriendschap aan.”

De jonge krijgsman vestigde nu zijn scherp oog op Lovel, en groette hem eerder met terughouding, dan met hartelijkheid; en daar onze vriend die terughouding bijna aanmatigend vond, was hij even koud en stijf in zijne beantwoording van den groet, en dus scheen er, zelfs bij de eerste kennismaking, iets vijandigs tusschen hen te bestaan.

De opmerkingen, welke Lovel gedurende het overige gedeelte van den dag maakte, waren niet geschikt, om hem met deze vermeerdering van het gezelschap te verzoenen. Kapitein M’Intyre betoonde zich, met de beleefdheid, die men van zijne jaren, en van zijn beroep verwachten mocht, zeer opmerkzaam jegens Isabella Wardour, en had voor haar bij elke gelegenheid die oplettendheden, welke Lovel, met opoffering van zijn leven, zou hebben willen bewijzen, en die alleen de vrees van haar te mishagen hem belette haar te betoonen. Beurtelings met wanhopige neêrslachtigheid, en met scherp geprikkelde gevoeligheid, zag hij den schoonen jongen krijgsman al de voorrechten uitoefenen van een cavalier servente. Hij overhandigde Isabella Wardour de handschoenen, hielp haar bij het omdoen van haar doek, begeleidde haar op de wandeling, had eene hand gereed, om elke hindernis van haar pad te weren, en een arm, om haar te ondersteunen, waar het pad ruw of moeielijk was; zijne woorden waren tot haar gericht, en telkens als de omstandigheden toelieten, tot haar alleen. – Lovel wist zeer goed, dat dit alles slechts die soort van zelfzuchtige hoffelijkheid kon zijn, waarop sommige jonge lieden zich heden ten dage toeleggen, om de opmerkzaamheid van de schoonste vrouw in het gezelschap uitsluitend op zich te vestigen, alsof anderen haar blik niet waardig zijn. Maar hij meende in het gedrag van kapitein M’Intyre eene genegenheid te bespeuren, die geschikt was, om de ijverzucht van een minnaar gaande te maken. Isabella Wardour liet zich ook zijne oplettendheid welgevallen, en ofschoon Lovel bekennen moest, dat de [126]aard er van niet toeliet, om die zonder eenigen schijn van gemaaktheid af te wijzen, zoo verbitterde het hem toch, dat zij het niet deed.

Het hartverscheurende gevoel, door deze gewaarwordingen opgewekt, maakte hem zeer onverschillig voor de drooge oudheidkundige betoogen, waarmede Oldbuck, die op zijne bijzondere aandacht aanspraak maakte, hem onophoudelijk vervolgde, en hij verduurde met een ongeduld, dat bijna op walging geleek, eene reeks van verhandelingen over klooster-gebouwen, van allerlei aard, in den deftig Saksischen, of den sierlijk Gothischen bouwtrant opgericht, of soms zelfs in den gemengden en zamengestelden stijl van de tijden van Jacobus I, toen, volgens Oldbuck, alle bouwordes verward, en zuilen van onderscheidene soorten naast elkander geplaatst of opeen gehoopt werden, als ware alle symmetrie en verhouding tusschen de onderdeelen en het geheel vergeten, en de eerste grondbeginselen der kunst tot de oorspronkelijke verwarring teruggebracht moesten worden. „Wat kan hartverscheurender zijn, dan het gezicht van onheilen,” zeide Oldbuck met geestdrift, „die wij genoodzaakt zijn te aanschouwen, zonder de middelen te hebben, om ze te verhelpen?” – Lovel antwoordde met een onwillekeurigen zucht. – „Ik zie, mijn waarde jonge vriend in u een alleszins met mij nauw verwanten geest, en dat gij deze ijselijkheden even diep gevoelt als ik. Hebt gij die ooit kunnen aanschouwen, zonder dat de wensch bij u opkwam, om al wat zoo, onteerend is, te verscheuren en te vernielen?”

„Onteerend!” herhaalde Lovel, „in welk opzicht onteerend?”

„Ik meen schandelijk voor de kunst.”

„Waar? Hoe?”

„Op het Portico, bij voorbeeld, van de Hoogeschool te Oxford, waar de barbaarsche, grillige en onwetende bouwmeester, met onmetelijke onkosten, verkozen heeft, al de vijf ordes der bouwkunst in den gevel van één gebouw te vereenigen!”

Met zulke aanvallen, noodzaakte Oldbuck, onbewust hoezeer hij hem kwelde, Lovel om eenigszins op hem te letten, – even als de behendige visscher met de hengelroede door middel van de lijn zijne gekwelde prooi houdt, en zijne macht, in weêrwil van hare wanhopigste pogingen doet gevoelen.

Zij waren nu op den terugweg naar de plaats, waar zij de rijtuigen gelaten hadden; en het is moeielijk te begrijpen, hoe dikwijls gedurende die korte wandeling Lovel, uitgeput door het onophoudelijk gebabbel van zijn waardigen medgezel, heimelijk wenschte, dat een gedienstige geest hem verlossen mocht van al de ordes en al de wanorde der bouwkunst, ooit uitgevonden of bedacht sedert het stichten van Salomo’s tempel. Eéne kleine omstandigheid nochtans stortte eenige lavende droppels geduld over zijne koortsachtige onrust uit.

Isabella Wardour en haar zelfbenoemde ridder gingen de anderen in het nauwe pad vooruit, toen de jonge dame, waarschijnlijk wenschende zich met het overige gezelschap te vereenigen, en haar tête-à-tête met den jongen officier af te breken, plotseling bleef stilstaan, tot de heer Oldbuck haar inhaalde. „Ik wenschte u eene vraag te doen, mijnheer Oldbuck, omtrent de dagteekening van deze belangrijke bouwvallen.”

Men zou te kort doen aan het savoir faire van Isabella Wardour, met te veronderstellen, dat zij niet begreep, hoe op deze vraag een antwoord van onmetelijke lengte volgen moest. De oudheidkenner, opgewekt als het strijdros door het geluid van de trompet, verdiepte zich dadelijk in de verschillende bewijsgronden vóór en tegen de dagteekening van 1273, die men aan [127]het klooster van St. Ruth, in een onlangs verschenen werk over de Bouwkundige Oudheden van Schotland had toegekend. Hij noemde de namen op van al de abten, die het gesticht bestuurd hadden, van al de edelen, van wie zij goederen gekregen hadden, en van de koningen, die in de vervallen kerk eene laatste rustplaats gevonden hadden. Even als een hoeveelheid buskruid, die vuur vat, niet nalaat eene andere in de nabijheid in brand te steken, begon de Baronet, (den naam van één zijner voorouders, door Oldbuck genoemd, opvangende), een verhaal van diens oorlogen, overwinningen en zegepralen; en de waardige Dr. Blattergowl werd, door de melding van eene gift in landerijen, cum decimis inclusis, tam vicariis quam garbalibus, et nunquam antea separatis, bewogen, om eene lange verklaring te beginnen van de uitlegging, door het Tiendgerecht aan eene dergelijke clausule gegeven, bij gelegenheid van een rechtsgeding over de laatste vermeerdering zijner bezoldiging. De redenaars streefden, gelijk drie wedrenners, elk naar zijn doel, zonder zich veel te bekommeren, hoe de een den ander in den weg liep en hinderde. De heer Oldbuck harangueerde, de Baronet declameerde, de heer Blattergowl betoogde en verklaarde de wet, terwijl Latijnsche phrases, uit middeleeuwsche officiële stukken, vermengd werden met de vreemdklinkende uitdrukkingen der heraldiek en de nog barbaarscher taal van het Schotsche Tiend-gerecht. „Hij was,” riep Oldbuck uit, sprekende van den abt Aldemar, „voorwaar een voorbeeldig prelaat; en wegens de nauwgezetheid van zijne zeden, de stipte naleving der boetregels, gevoegd bij zijn liefderijken gemoedsaard en de ongesteldheden, waaraan hij door zijne hooge jaren en vroome kloosteroefeningen leed, –”

Hier moest hij toevallig hoesten, en Sir Arthur viel in, of liever vervolgde, – „werd gemeenlijk de Geharnaste Duivel genoemd; hij voerde een rood schild met een zwarten dwarsbalk, wat wij sedert afgelegd hebben, en viel in den veldslag van Verneuil in Frankrijk, nadat hij zes Engelschen met eigen hand gedood had. –”

„Dekreet tot aanvoering van bewijs,” vervolgde de geestelijke op dien dralenden, bedaarden betoogtrant, welke, hoewel in het begin door de heftigheid van zijne mededingers overschreeuwd, nochtans op de lange baan, in deze soort van wedstrijd, de overhand behaalt; „dekreet tot aanvoering van bewijs gepronuntiëerd zijnde, en partijen daarvan gediend hebbende, scheen de quaestie uitgemaakt te zijn, toen hun zaakwaarnemer, in plaats van verder te renuntiëren, integendeel daarop aanhield, tot grond aanvoerende, dat hij getuigen had, om te bewijzen, dat zij altijd de lammerentiend van het tiendvrije land geheven hadden, wat echter slechts eene uitvlucht was; want, –”

Maar, de Baronet en de heer Oldbuck, weêr tot adem gekomen, begonnen hier hunne verscheidene redevoeringen te vervolgen, en de drie draden, zoo als men ze naar touwslagers stijl zou kunnen noemen, werden op nieuw in eene onoplosbare streng van verwarring samen gehaspeld.

Maar, hoe nietig deze wartaal ook schijnen moge, was het nochtans klaarblijkelijk Isabella’s voornemen om er naar te luisteren, liever dan den kapitein M’Intyre gelegenheid te geven om hun gesprek te hernieuwen; zoodat hij, na een korten tijd gewacht te hebben met een ongeduld, dat zijne fiere gelaatstrekken slecht verbergen konden, haar overliet aan het gesprek, dat zij den slechten smaak had boven het zijne te verkiezen, en zijne zuster onder den arm nemende, leidde hij haar op een kleinen afstand van het overige gezelschap. [128]

„Naar ik bemerk, Mary, is de buurt noch levendiger, noch minder geleerd geworden gedurende mijne afwezigheid.”

„Wij hebben uw geduld en uwe wijsheid gemist; om ons te onderrichten, Hector!”

„Wel verplicht, waarde zuster! Maar gij hebt een wijzer, zoo al geen levendiger man ter vermeerdering van uw gezelschap gekregen, dan uw onwaardigen broeder. Zeg me toch wie is deze heer Lovel, dien onze oude oom zoo dadelijk lief voor zich gewonnen heeft? – hij placht niet zoo genaakbaar te zijn voor vreemdelingen.”

„De heer Lovel, Hector, schijnt een zeer fatsoenlijk jonkman te zijn.”

„Zoo? dat wil zeggen: hij maakt eene buiging als hij in de kamer komt, en draagt een rok, die gaaf aan de ellebogen is?”

„Neen, broeder, het beteekent vrij wat meer. Het beteekent, dat zijne manieren en woorden de gevoelens en opvoeding der hoogere klassen uitdrukken.”

„Maar ik wenschte te weten, wat zijne geboorte en de rang is, dien hij in de maatschappij bekleedt, en welke aanspraak hij heeft om in den kring te verschijnen, waarin ik hem gemeenzaam opgenomen vind?”

„Indien gij bedoelt, hoe hij op Monkbarns gekomen is, dan moet gij dat aan oom vragen, die waarschijnlijk zal antwoorden, dat hij in zijn eigen huis zulk gezelschap verzoekt, als hem goeddunkt en als gij met uwe vraag Sir Arthur bedoelt, moet gij weten, dat mijnheer Lovel aan hem en aan Isabella Wardour een zeer gewichtigen dienst bewezen heeft.”

„Hoe! die romantische geschiedenis is dus waar? – En eilieve! dingt de dappere ridder, volgens de aangenomen gewoonte, naar de hand van de jonge dame, die hij uit het gevaar verloste? – Ik weet, dat zoo iets in alle opzichten naar de regels van een roman is; en ik vond haar buitengewoon droog toen wij samen wandelden, en zij scheen van tijd tot tijd als bezorgd, om haren dapperen ridder geen aanstoot te geven.”

„Mijn waarde Hector, indien gij nog wezenlijk eenige genegenheid voor Isabella Wardour koestert, –”

„Indien, Mary? wat beteekent indien?

„Ik beken, dat ik uwe volharding als hopeloos beschouw.”

„En waarom hopeloos, mijne wijze zuster?” vroeg kapitein M’Intyre; „Freule Wardour kan, zoo als haar vaders zaken staan, geen aanspraak maken op een groot vermogen; en, wat geboorte betreft, geloof ik dat de naam van M’Intyre niet minder, –”

„Maar, Hector,” vervolgde zijne zuster, „Sir Arthur beschouwt ons nog altijd als leden van de familie Monkbarns.”

„Sir Arthur mag ons beschouwen uit welk oogpunt hem goeddunkt; maar iedereen, die zijn gezond verstand bezit, zal weten; dat de vrouw den rang aanneemt van haren man, en dat mijns vaders stamboom van vijftien kwartieren, waarop niets te zeggen valt, mijne moeder geadeld moet hebben, al stroomde er niets anders dan boekdrukkersinkt door hare aderen.”

„Om Gods wil, Hector, neem u in acht! – Eene enkele uitdrukking als deze, door eenigen onbescheiden of baatzuchtigen luisteraar aan mijn oom overgebracht, zou u voor altijd zijne gunst doen verliezen, en de kans vernietigen van hem ooit in zijne bezittingen op te volgen.”

„Ook goed! Ik heb een beroep gekozen, dat onmisbaar is, en ook nog, ten minste voor de eerste halve eeuw, onmisbaar zal blijven; en mijn goede oude oom mag, als het hem belieft, zijne erfenis en zijn burgerlijken naam [129]aan uw boezelaar hangen, Mary, en gij kunt, als het u belieft, dezen zijn nieuwen gunsteling trouwen, en dan kunt gij beiden gerust, vreedzaam en geregeld leven, als het den Hemel behaagt! Mijn besluit is genomen, – ik zal niemand om een erfenis vleien, die mij door geboorterecht toekomt!”

Mary M’Intyre legde de hand op den arm van haren broeder, en bad hem zijn drift te beteugelen. „Wie anders,” zeide zij, „beleedigt u, of zoekt u te beleedigen, dan uwe eigene onstuimigheid? – Welke gevaren tart gij, dan die, waaraan gij u zelf verkiest bloot te stellen? – Onze oom was tot nog toe altijd goedig en vaderlijk in zijn gedrag jegens ons, en waarom zouden wij veronderstellen, dat hij in de toekomst anders zou zijn, dan hij altijd geweest is, sedert wij als weezen aan zijne zorgen overgelaten werden?”

„Hij is, dat moet ik bekennen, een voortreffelijke oude heer,” hernam M’Intyre, „en ik word woedend op mij zelven, als ik hem soms beleedig; maar zijne eeuwige redeneeringen over dingen, die geen duit waard zijn; – zijne navorschingen over potten en pannen en onbruikbare pijpenkrabbers; – dit alles put mijn geduld uit. Ik ben, ik moet het bekennen, wat driftig van aard, zuster!”

„Maar al te driftig, lieve broeder! In hoe veel gevaren – en, vergeef mij dat ik het zeg, eenige daarvan weinig eervol van aard, – heeft deze opvliegende en geweldige drift u niet gebracht! Laat zulke wolken de oogenblikken niet bederven, die gij in ons midden zult doorbrengen; laat liever onzen ouden weldoener zijn bloedverwant zien zoo als hij is: – edelmoedig, vriendelijk en levendig, zonder woest, stijfhoofdig of driftig te zijn.”

„Wel,” antwoordde kapitein M’Intyre, „ge hebt me nu de les gelezen; – de beleefdheid zal mijn streven zijn! Ik zal mij beleefd jegens uw nieuwen vriend gedragen; ik zal den heer Lovel aanspreken.”

Met dit besluit, dat voor het oogenblik zeer oprecht was, voegde hij zich weêr bij de partij, die vóór hen uitwandelde. De driedubbele verhandeling was nu geëindigd, en Sir Arthur sprak over het buitenlandsch nieuws en den staatkundigen toestand van het land; onderwerpen, waarover iedereen zich bevoegd acht zijn gevoelen mede te deelen. Toen men bij toeval sprak over een gevecht, het vorige jaar voorgevallen, gaf Lovel, die zich toevallig in het gesprek mengde, eenig bericht dienaangaande, van welks nauwkeurigheid kapitein M’Intyre niet scheen overtuigd te zijn, hoezeer hij zijne twijfelingen zeer beleefd te kennen gaf.

„Ditmaal, Hector, moet gij bekennen ongelijk te hebben,” zeide zijn oom, „ofschoon ik weet, dat niemand dat zoo ongaarne doet als gij; maar gij waart te dien tijde in Engeland, en mijnheer Lovel was zeer waarschijnlijk in de zaak betrokken.”

„Ik spreek dus tot een militair,” zeide M’Intyre; „mag ik vragen, tot welk regiment de heer Lovel behoort?” – De heer Lovel gaf hem den naam op van het regiment. – „Het is vreemd, dat wij elkander nooit te voren ontmoet hebben, mijnheer Lovel. Ik ken uw regiment zeer goed, en heb er op verschillende plaatsen, lang mede gediend.”

Een blos bedekte voor een oogenblik Lovel’s gezicht. „Ik ben een tijd lang niet bij mijn regiment geweest,” antwoordde hij, „ik was in den laatsten veldtocht bij de staf van den Generaal –”

„Wel! dat is nog vreemder; want ofschoon ik niet onder den Generaal – diende, had ik nochtans gelegenheid, om de namen der officieren van zijn staf te kennen, en kan mij dien van Lovel niet herinneren.”

Bij deze opmerking bloosde Lovel op nieuw, zoo sterk, dat hij de aandacht [130]van het geheele gezelschap tot zich trok, terwijl een spottende lach de zegepraal van kapitein M’Intyre bekrachtigde. „Daar is iets vreemds in,” zeide Oldbuck bij zich zelven; „maar ik zal niet licht mijn fenix der reismakkers opgeven, – al zijne daden en woorden en zijn geheele gedrag zijn die van een fatsoenlijk man!”

Lovel had intusschen zijn zakboek genomen, en na er een brief uitgezocht te hebben, nam hij dien uit het couvert en gaf hij het schrijven aan M’Intyre over. „Gij kent naar alle waarschijnlijkheid de hand van den Generaal; – ik beken, ik moest die overdreven uitdrukkingen van onderscheiding en achting, waarmede hij mij vereert, niet toonen.” De brief bevatte zeer verplichtende en hoffelijke uitdrukkingen van den bedoelden Generaal, wegens onlangs verrichtte krijgsdiensten. Kapitein M’Intyre, kon toen hij hem doorzien had, niet ontkennen, dat hij door den Generaal geschreven was; maar merkte droogjes aan, terwijl hij hem terug gaf, dat het adres ontbrak. „Het adres, kapitein M’Intyre,” antwoordde Lovel op denzelfden toon, „zal te allen tijde tot uw dienst zijn, als gij verkiest, er naar te komen vragen.”

„Ik zal zeker niet in gebreke blijven om dat te doen,” antwoordde de jonge krijgsman.

„Kom, kom!” riep Oldbuck uit, „wat moet dat alles beteekenen? – Is Hiras onder ons verschenen? – Wij verlangen hier geen zwetsen, jonge heeren! Zijt gij uit den oorlog gekomen, om in ons vreedzaam land huiselijken twist te stoken? Wilt gij als de jonge bulhonden, wanneer de stier weggevoerd is, elkander aanvallen, verscheuren, en de brave lieden, die er bij staan, in de beenen bijten?”

Sir Arthur vertrouwde, zoo hij zeide, dat de heeren zich zelven niet zoo zeer vergeten zouden, om in twist te geraken over zulk een nietig voorwerp als de omslag van een brief!

De beide twistenden loochenden eenig voornemen van dien aard, en verzekerden, met eene kleur als vuur en fonkelende oogen, dat zij nooit in hun leven bedaarder geweest waren, dan op dat oogenblik. Maar er was eene blijkbare verlegenheid onder het gezelschap ontstaan; het gesprek was verder te zeer afgepast, om gezellig te zijn, en Lovel, voelende dat hij door het overige gezelschap met een koel en wantrouwend oog beschouwd werd, en dat hij, door zijne onduidelijke antwoorden, het recht gegeven had tot zonderlinge vermoedens te zijnen opzichte, nam het kloekmoedig besluit om het geluk op te offeren, dat hij zich voorgesteld had door den dag op Knockwinnock door te brengen.

Hij klaagde dus over erge hoofdpijn, veroorzaakt door de hitte van het weder, waaraan hij, sedert zijne laatste onpasselijkheid, niet was blootgesteld geweest, en verschoonde zich beleefd bij Sir Arthur, die, eerder gehoor gevende aan zijne tegenwoordige verdenkingen, dan aan de dankbaarheid voor vroegere diensten verschuldigd, niet meer bij hem aandrong, om zijn gegeven woord te houden, dan de stijfste wellevendheid vereischte.

Toen Lovel afscheid van de dames nam, scheen Isabella Wardour ongeruster, dan hij tot nog toe had opgemerkt. Zij gaf hem de oorzaak daarvan te kennen door een blik, alleen voor hem verstaanbaar, dien zij op kapitein M’Intyre wierp, en hoopte, met eene stem, die veel aandoenlijker klonk dan anders, dat het geene minder aangename partij was, die hen allen van het vermaak van Lovels gezelschap beroofde. „Er was volstrekt niets,” verzekerde hij haar, „tusschenbeide gekomen; het was slechts een nieuwe aanval eener ongesteldheid, waaraan hij sedert eenigen tijd onderhevig was.” [131]

„De voorzichtigheid is zeker in zulke gevallen het beste middel, en ik, – en elke vriend van den heer Lovel zal gaarne zien, dat hij die in acht neemt.”

Lovel boog diep en met een hoogen blos, en Isabella Wardour, alsof zij gevoelde, dat zij te veel gezegd had, keerde zich om, en ging naar het rijtuig. Lovel was nu gereed om afscheid te nemen van Oldbuck, die intusschen met behulp van Caxon, zijne gehavende pruik had hersteld, en den rok afgeborsteld, die eenige teekens droeg van het ruwe pad, waar langs zij gegaan waren. „Hoe, man!” zeide Oldbuck, „gij gaat ons toch niet verlaten wegens de dwaze, onbescheidene nieuwsgierigheid en drift van Hector? – Wel! hij is een onbezonnen jongen, – altijd een baloorig kind geweest, sedert hij in de armen zijner min was; – hij smeet mij zijne bel en koralen naar het hoofd, omdat ik hem wat suiker weigerde, – en gij hebt te veel verstand, om u aan dien twistzieken jongen te storen; æquam servare mentem is de spreuk van onzen vriend Horatius. Ik zal Hector straks de les oplezen, en alles terecht brengen.” Maar Lovel volhardde in zijn voornemen, om naar Fairport terug te keeren.

De oudheidkenner nam nu een ernstiger toon aan. „Jonkman! pas op uwe tegenwoordige gevoelens. Het leven is u tot nuttige en waardige doeleinden gegeven, en moet bewaard blijven, om de letterkunde op te luisteren, als gij niet opgeroepen wordt, het ter verdediging van het vaderland, of ter redding der onschuld te wagen. Het tweegevecht, een gebruik bij de beschaafde ouden onbekend, is van al de ongerijmdheden, die ons de Gothische horden aanbrachtten, de grootste, de meest goddelooze en de wreedste! Laat mij niets meer van deze ongerijmde twisten hooren, en ik zal u het vertoog tegen het tweegevecht laten zien, dat ik opstelde, toen de stadsklerk en de rechter Mucklewame zich het voorrecht aanmatigden elkander uit te dagen. Ik wilde mijne verhandeling, die ik Pacificator onderteekende, laten drukken; maar het was niet noodig, daar de stedelijke raad zich de zaak aantrok!”

„Maar ik verzeker u, waarde heer, dat er tusschen kapitein M’Intyre en mij niets is, dat zulk eene eerbiedwaardige tusschenkomst noodzakelijk zou maken.”

„Het zij zoo! want anders zal ik beide partijen tot secondant dienen.”

Dit zeggende, klom de oude heer in den wagen, waarnaast Mary M’Intyre haren broeder aan de praat hield, uit het beginsel, dat den eigenaar van een twistzoekenden hond hem aan zijne zijde doet houden, om hem te beletten op iemand anders aan te vallen. Maar het gelukte Hector, aan hare voorzorg te ontsnappen; want, daar hij te paard zat, draafde hij achter de rijtuigen, tot zij werkelijk den weg ingeslagen hadden naar Knockwinnock, en toen, rechtsomkeerd makende, gaf hij zijn ros de sporen in de tegenovergestelde richting.

Weinige minuten brachten hem bij Lovel, die, wellicht zijn oogmerk gissende, stapvoets voortreed, tot de hoefslagen achter hem kapitein M’Intyre aankondigden. De jonge krijgsman, wiens natuurlijke drift door de snelheid der beweging nog meer opgewekt was, hield zijn paard plotselijk en met geweld stil naast Lovel’s zijde, en vroeg toen, even den hoed aanrakende, op een zeer hoogen toon: „Wat moet ik begrijpen, mijnheer, uit uw gezegde, dat uw adres tot mijn dienst was?”

„Eenvoudig, mijnheer, dat mijn naam Lovel, en dat mijn verblijf voor het oogenblik te Fairport is, – zoo als gij zien zult op dit kaartje.”

„En dit zijn al de inlichtingen, welke gij geneigd zijt mij te geven.”

„Ik zie niet, dat gij het recht hebt, meer te vragen.” [132]

„Ik vind u, mijnheer, in gezelschap van mijne zuster, en ik heb het recht, te weten, wie in het bijzijn mijner zuster toegelaten werd.”

„Ik zal de vrijheid nemen, u dat recht te betwisten. Gij vindt mij in een gezelschap, dat tevreden is met de inlichtingen, die ik voegzaam oordeelde ten aanzien mijner zaken te geven, en gij, geheel vreemd, hebt geen recht, om meer te vragen.”

„Mijnheer Lovel, indien gij gediend hebt, zoo als gij gezegd hebt, –”

„Indien!” antwoordde Lovel. – „Indien ik gediend heb, zoo als ik gezegd heb?”

„Juist, mijnheer, dat zijn mijne woorden, – indien gij gediend hebt, moet gij weten, dat gij mij satisfactie verschuldigd zijt, op de eene of op de andere wijze.”

„Als gij het zoo begrijpt, zal ik niet nalaten u die te geven, kapitein M’Intyre, op de wijze, waarop dat woord gewoonlijk onder fatsoenlijke lieden gebezigd wordt.”

„Zeer wel, mijnheer!” hervatte Hector, en, zijn paard omkeerende, galoppeerde hij weg om zijne vrienden weêr in te halen.

Zijne afwezigheid had hen reeds verontrust, en zijne zuster, die het rijtuig had laten stilstaan, lag met het hoofd uit het portier, om te zien waar hij bleef.

„Wat nu te doen?” zei de oudheidkenner, „gij rijdt heen en weêr, alsof uw nek er meê gemoeid was? – waarom blijft gij niet bij het rijtuig?”

„Ik had mijne handschoenen vergeten,” zeide Hector.

„Uwe handschoenen vergeten! – Gij wilt, veronderstel ik, zeggen, dat gij gingt om den handschoen neder te werpen; – maar ik zal maatregelen omtrent u nemen, jonge heer! – gij zult heden avond met mij naar Monkbarns terugkeeren!” Dit zeggende, beval hij den voerman door te rijden.

[Inhoud]

Twintigste Hoofdstuk

– Indien gij de eer veracht,

Vermeet u niet haar verder dan te dienen;

Roem niet meer op onbevlekte wapenen;

En de eervolle naam van wakker krijgsman

Ontvalt u, als der eere lauwerkrans,

Dond’rend van een onwaardig hoofd geslagen!

Een eerlijke twist.

In den vroegen morgen van den volgenden dag liet zich een heer aanmelden bij den heer Lovel, die op en gereed was, om hem te ontvangen. Het was een officier, een vriend van kapitein M’Intyre, voor het oogenblik te Fairport om rekruten te werven. Lovel kende hem eenigermate. „Ik veronderstel, mijnheer,” zei de heer Lesley, (want zoo heette zijn bezoeker), „dat gij de reden gissen zult, waarom ik u zoo vroeg kom lastig vallen.” [133]

„Eene boodschap, zoo als ik veronderstel, van kapitein M’Intyre?”

„Juist: – hij houdt zich beleedigd door de wijze, waarop gij gisteren geweigerd hebt eenige vragen te beantwoorden, tot welke hij zich gerechtigd oordeelt ten aanzien van iemand, dien hij in gezelschap met zijne naastbestaanden vond.”

„Mag ik u vragen, mijnheer Lesley, of gij u zoudt geneigd gevoeld hebben, om vragen te beantwoorden, die u op zulk een hoogen en onbeleefden toon gedaan werden?”

„Misschien niet; en daarom, daar ik de drift van mijn vriend M’Intyre bij dergelijke gelegenheden ken, wenschte ik zeer als vredestichter op te treden. Daar de heer Lovel alleszins het voorkomen heeft van een fatsoenlijk man, zou het iedereen natuurlijk alleraangenaamst zijn, als hij die soort van dubbelzinnigen schijn wilde vermijden, welke degene pleegt te volgen, van wien men niet volledig weet, wie hij is. Indien hij mij dus, als aan een gemeenschappelijken vriend wilde veroorloven, zijn wezenlijken naam aan kapitein M’Intyre mede te deelen; – want wij moeten opmaken, dat die van Lovel aangenomen is, –”

„Vergeef mij, mijnheer! ik kan die gevolgtrekking niet goedkeuren.”

„Of ten minste,” zeide Lesley voortgaande, „dat het niet de naam is, onder welken de heer Lovel zich altijd onderscheiden heeft. Als de heer Lovel de goedheid wilde hebben, om deze omstandigheid op te helderen, wat hij, ook naar mijn gevoelen, behoorde te doen ter rechtvaardiging van zijn eigen karakter, zoo neem ik de vereffening van deze onaangename zaak op mij.”

„Dat wil zeggen, mijnheer Lesley, dat, wanneer ik toestem, om op vragen te antwoorden, die men geen recht heeft mij te doen, en welke nu geopperd worden, op straf van kapitein M’Intyre’s ongenoegen, kapitein M’Intyre zoo goed zal zijn, om voldaan te zijn? – Mijnheer Lesley, ik heb maar één woord over dit onderwerp te zeggen: ik twijfel niet, of mijn geheim, indien ik er een had, zou veilig aan uwe eer kunnen toevertrouwd worden maar ik gevoel mij niet geneigd, om de nieuwsgierigheid te voldoen van wien het ook zij. Kapitein M’Intyre ontmoette mij in een gezelschap, dat reeds op zich zelf mij bij iedereen, en vooral bij hem, als fatsoenlijk man moest aanbevelen. Hij heeft, naar mijn begrip, geen recht, om verder te gaan, of naar den stamboom, den rang of de omstandigheden van een vreemdeling te vragen, die, zonder eenige nauwere betrekking tot hem of de zijnen te zoeken, toevallig bij zijn oom komt eten, of met zijne zuster gaat wandelen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre u in aanmerking te nemen, dat uwe verdere bezoeken op Monkbarns zoo wel als alle omgang met jufvrouw M’Intyre moeten gestaakt worden, daar die hem onaangenaam zijn.”

„Ik zal zeer zeker,” zeide Lovel, „mijnheer Oldbuck gaan bezoeken, zoo dikwerf het mij gelegen komt, zonder in het minst acht te slaan op de bedreigingen en de gevoeligheid van zijn neef. Ik eerbiedig den naam van de jonge dame te zeer (hoe weinig ik haar ook ken), om dien in een dergelijken twist te mengen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre, dat de heer Lovel, als hij niet wenscht te worden bekend gemaakt als iemand op wien zeer ergerlijke verdenkingen rusten, hem te willen begunstigen met eene ontmoeting heden avond, tegen zeven ure, bij den doornboom in het kleine dal, dicht bij de bouwvallen van St. Ruth.”

„Ik zal hem zeker opwachten. Er is slechts ééne zwarigheid: – ik moet een vriend vinden, om mij te vergezellen, en waar er een te zoeken binnen deze [134]korte tijdruimte, daar ik geene kennissen te Fairport heb, weet ik niet; – ik zal mij echter op de plaats bevinden, kapitein M’Intyre kan er op rekenen.”

Lesley had den hoed genomen, en was reeds aan de deur van het vertrek, toen hij, als getroffen door de eigenaardigheid van Lovel’s toestand, terugkeerde, en hem weder aansprak: „mijnheer Lovel, er is in dit alles iets zoo zonderlings, dat ik niet over mij verkrijgen kan, niet nog ééns op de zaak terug te komen. Gij moet zelf op dit oogenblik gevoelen, hoe lastig het voor u is om uw incognito te bewaren, voor hetwelk ik overtuigd ben, dat geen onteerende reden bestaan kan. Intusschen maakt deze geheimzinnigheid het moeielijk voor u, den bijstand te verkrijgen van een vriend op een beslissend oogenblik, waarop die zoo noodzakelijk is; – ja, vergun mij er bij te voegen, dat zeer velen het zelfs als een blijk van overdreven eergevoel in M’Intyre zullen aanmerken, dat hij u eene ontmoeting geeft, terwijl uw karakter en uwe omstandigheden zoo raadselachtig schijnen.”

„Ik begrijp, waar gij heen wilt, mijnheer Lesley,” hervatte Lovel; „en ofschoon ik mij zou kunnen beleedigd achten door uwe veronderstellingen; ben ik het echter niet, omdat ze welgemeend zijn. Maar, naar mijn oordeel, kan diegene aanspraak maken op al de voorrechten van een fatsoenlijk man, wien men, zoolang men hem kent, niets onbetamelijks of onfatsoenlijks kan te laste leggen. Wat een vriend betreft, ik hoop, dat ik den een of ander vinden zal, om mij den gevorderden dienst te bewijzen; en indien hij al minder ondervinding van dergelijke zaken moge hebben, dan wenschelijk is, zoo ben ik altoos verzekerd, dat ik door die omstandigheid niet verliezen zal als gij u op de strijdplaats, al is het ook aan de zijde van mijn tegenstanders, bevindt.”

„Dat vertrouw ik ook,” zeide Lesley; „maar daar ik voor mij zelven wenschen moet, zulk eene zware verantwoordelijkheid met een anderen bekwamen vriend te deelen, zoo vergun mij te zeggen, dat de oorlogsbrik van den luitenant Taffril op de reede aangekomen is, en dat hij zelf zich bij den ouden Caxon bevindt, waar hij logeert. Ik geloof, dat gij hem ongeveer zoo veel kent, als mij; en daar ik ongetwijfeld u denzelfden dienst gaarne zou bewezen hebben, als ik niet voor de andere partij in de zaak betrokken was, ben ik zeker, dat ook hij op uw eerste verzoek gereed zal zijn.”

„Dus bij den doornboom, mijnheer Lesley, heden avond te zeven ure: – de wapens, veronderstel ik, zijn pistolen?”

„Juist! M’Intyre heeft dit uur verkozen, omdat hij dan het best van Monkbarns ontsnappen kan. Hij was heden morgen om vijf uur bij mij, om terug te keeren en tegenwoordig te zijn eer zijn oom opstond. Ik wensch u goeden morgen, mijnheer Lovel” – en Lesley verliet het vertrek.

Lovel was zoo moedig als een mensch maar zijn kan; maar niemand kan bij zich zelven over zulk een beslissend oogenblik, als thans op handen was, nadenken, zonder een gevoel van ontzagwekkenden ernst. Binnen weinige uren kon hij in eene andere wereld zijn, om rekenschap te geven van eene daad, welke, bij bedaard nadenken, uit een godsdienstig oogpunt niet te rechtvaardigen was; of hij kon op aarde ronddolen als een Kaïn, met het teeken van den broedermoord op het voorhoofd. En dit alles kon hij voorkomen door het spreken van één enkel woord. Maar dan fluisterde de trots hem in, dat men, als hij dit woord nu uitsprak, dat aan eene beweegreden zou toeschrijven, die hem meer zou verlagen, dan de meest beleedigende verdenking, tot welke zijn stilzwijgen aanleiding kon geven. Iedereen, Isabella Wardour zelve, moest hem dan ook, dacht hij, voor een lagen en onteerden lafaard [135]houden, die, door de vrees voor eene ontmoeting met kapitein M’Intyre gedreven, de opheldering gaf, welke hij aan de bedaarde en beleefde verzoeken van den heer Lesley geweigerd had. M’Intyre’s onbeschoft gedrag tegen hemzelven, de aanmatigende manieren, die hij zich omtrent Isabella Wardour veroorloofd had, en de alles te bovengaande onbillijkheid en onbeleefdheid zijner vragen omtrent iemand, die hem geheel vreemd was, schenen Lovel te rechtvaardigen in zijne weigering om aan zijne onrechtvaardige eischen te voldoen. In ’t kort, hij nam het besluit, dat men van zulk een jongen man kon verwachten, om, namelijk, de oogen zijner meer bedaarde rede te sluiten, en de ingeving van zijn beleedigden trots te volgen. Met dit voornemen zocht hij den luitenant Taffril op.

De luitenant ontving hem met al de beleefdheid van een fatsoenlijk man een al de rondborstigheid van den zeeman, en hoorde, niet zonder verwondering, de bijzonderheden aan, welke Lovels verzoek voorafgingen, dat hij hem bijstaan wilde bij zijne ontmoeting met kapitein M’Intyre. Toen hij geëindigd had, stond Taffril op; en wandelde een paar maal in het vertrek op en neêr.

„Dit is eene zonderlinge zaak,” zeide hij, „en inderdaad, –”

„Ik begrijp, mijnheer Taffril, hoe weinig ik gerechtigd ben tot het doen van mijn tegenwoordig verzoek; maar de drang der omstandigheden laat mij bijna geene keuze over.”

„Sta mij eene vraag toe,” zeide de zeeman; „is er iets, waarover gij u schaamt, in de omstandigheden, welke gij weigert mede te deelen?”

„Op mijn woord van eer, neen! er is niets in, dan wat ik vertrouw, dat ik binnen zeer korten tijd aan de geheele wereld zal kunnen openbaren.”

„Ik hoop, dat uwe geheimhouding niet ontstaat uit valsche schaamte over den nederigen stand van uwe vrienden, of betrekkingen?”

„Neen, op mijn woord!” hernam Lovel.

„Ik kan mij in zulke dwaasheden niet wel voegen,” zeide Taffril „inderdaad, men zou die bij mij niet veronderstellen kunnen, want ik ben, wat mijne afkomst betreft, zoo te spreken, van vóór den mast gekomen, en denk weldra eene verbintenis aan te gaan, die de wereld vernederend genoeg vinden zal, met een zeer beminnelijk meisje, dat ik leerde kennen toen wij buren waren, op een tijdstip, dat ik weinig dacht aan het geluk, dat mij in den dienst voorthielp.”

„Ik verzeker u, mijnheer Taffril, dat, welke ook de stand mijner ouders ware, ik nimmer er aan denken zou, om dien uit kleingeestigen trots te verbergen. Maar mijn toestand is van dien aard, dat ik de vrijheid niet heb, vooralsnog van mijne familie te spreken.”

„Dat is meer dan genoeg,” zei de eerlijke zeeman; „geef mij de hand; ik zal trachten u door deze zaak te helpen, zoo goed ik kan, ofschoon het altijd een zeer onaangenaam iets is – maar wat doet dat er toe? Onze eigen eer is ons, na die van ons land, het naaste; – gij zijt een flinke jongen, en ik beken, dat de heer Hector M’Intyre, met zijn langen stamboom en zijn familietrots, mij voorkomt zeer veel van een kwast te hebben. Zijn vader was een arme krijgsman, even als ik; – hij zelf, geloof ik, is weinig meer, als zijn oom hem niet voort helpt, – en of iemand het geluk ter zee of te land volgt, daarin, zou ik denken, is weinig onderscheid!”

„Volstrekt geen!” antwoordde Lovel.

„Kom,” zei zijn nieuwe bondgenoot, „wij zullen samen eten en het noodige voor de ontmoeting beramen. Ik hoop, dat gij u goed van het pistool weet te bedienen?” [136]

„Niet bijzonder,” antwoordde Lovel.

„Dat doet mij leed, – M’Intyre, zegt men, schiet scherp.”

„Dat spijt mij,” zeide Lovel, „zoowel voor hem, als voor mij; – ik moet dus uit zelfverdediging mijn best doen.”

„Wel,” voegde er Taffril bij, „ik zal onzen chirurgijn medenemen; – het is een goede, knappe jongen om eene wond te kalefateren. Ik zal Lesley, die voor een soldaat een ronde vent is, doen weten, dat de dokter beide partijen ten dienste staat. – Is er nog iets, dat ik voor u doen kan, in geval van een ongeluk?”

„Ik heb slechts weinig, waarmede ik u lastig zal vallen,” zeide Lovel; „dit kleine briefje bevat den sleutel van mijne schrijftafel, en van mijn geheim; – er is één brief in de schrijftafel,” eene onwillekeurige opwelling onderdrukkende, „dien ik u verzoek de goedheid te willen hebben, eigenhandig af te geven.”

„Ik begrijp u,” zei de zeeman; „neen, vriend, schaam u daarover niet – een liefderijk hart mag voor een oogenblik overloopen, als het schip voor den slag gereed is; – en verlaat u op mij, wat ook uw wensch zijn moge, Taffril zal dien beschouwen als den laatsten wil van een stervenden broeder. Maar dit is alles onzin: – wij zullen de wapens behoorlijk in orde brengen en gij eet om vier uur met mij en mijn kleinen chirurgijn in de herberg hier over de deur.”

„Afgesproken!” zeide Lovel.

„Afgesproken!” zeide Taffril; en de zaak was afgedaan.

Het was een schoone zomeravond, en de schaduw van den eenzamen doornboom verlengde zich op de groene oppervlakte der smalle vallei, die door de wouden omgeven was, waar binnen zich de bouwvallen van St. Ruth bevonden.

Lovel en de luitenant Taffril, met den wondarts, betraden de plaats met een doel, welks aard zeer in strijd was met de rust en den vrede, die er, vooral op dezen tijd van den dag, heerschte. De schapen, welke, gedurende de brandende hitte, in de kloven en diepten der rotsachtige hoogten, of onder de wortels der oude holle bomen, geschuild hadden, waren nu verspreid op de hellingen der bergen, om hun avondvoedsel te zoeken, en blaatten elkander toe met dat eentonig treurig geluid, dat te gelijk aan het landschap leven geeft, en de eenzaamheid doet gevoelen. Taffril en Lovel vervolgden, in een ernstig gesprek gewikkeld, hun weg, daar zij, uit vrees van ontdekt te worden, hunne paarden, met den knecht van den luitenant, naar de stad terug gezonden hadden. Hunne tegenpartij was nog niet op de kampplaats verschenen. Maar, toen zij er kwamen, zat er, op den wortel van den ouden boom, een man, zoo krachtig in zijne grijsheid, als de met mos begroeide, maar sterke en knoestige takken, die zich boven hem uitstrekten. Het was de oude Ochiltree. „Dit is lastig genoeg,” zeide Lovel „hoe komen wij van den ouden man af?”

„Hier, vader Adam!” riep Taffril, die den bedelaar van ouds herkende; „hier is een daalder voor u; – gij moet ginds naar de Vier Hoefijzers gaan, – de kleine herberg, die gij kent, en vragen naar den knecht met blauw en gele liverei. Als hij nog niet gekomen is, moet gij op hem wachten en hem zeggen, dat wij binnen een uur bij zijn meester zullen zijn. In elk geval blijft gij daar, tot wij terug zijn, – en nu pak op! – Kom, kom ligt je anker!”

„Dank voor uwe aalmoes,” zeide Ochiltree, het geldstuk in den zak [137]stekende; „maar vergeef het mij, mijnheer Taffril, ik kan op dit oogenblik uwe boodschap niet doen.”

„Waarom niet man? Wat zou u beletten?”

„Ik wilde een woord met den jongen heer Lovel spreken.”

„Met mij?” vroeg Lovel; „wat hebt gij mij te zeggen. Kom, spreek maar op, en maak het kort!”

De bedelaar leidde hem eenige weinige schreden ter zijde. „Zijt gij aan Monkbarns iets schuldig?”

„Schuldig! – Wel neen! – Wat beteekent dat? – hoe komt gij op die gedachte?”

„Gij moet weten, dat ik vandaag aan het huis van den Sheriff was; want, de hemel helpe mij! ik dwaal langs den weg als een onrustige geest, – en wie denkt gij, dat daar aan kwam rijden in een wagen? Wel, Monkbarns geheel alleen! nu is het geene kleinigheid, die mijnheer Oldbuck een wagen en postpaarden doet nemen, twee dagen achter elkander!”

„Goed, goed; maar wat gaat mij dat alles aan?”

„O, gij zult het hooren, dadelijk hooren. – Wel, Monkbarns ging afzonderlijk met den Sheriff; al wat arm volk was, moest buiten blijven; – gij weet toch, hoe beleefd de groote heeren altijd onder elkander zijn –”

„Om ’s Hemels wil, mijn oude vriend!”

„Waarom zegt gij niet liever ronduit loop naar den drommel! mijnheer Lovel. Dat zou meer gepast zijn, dan op die ongeduldige wijze van den hemel te spreken.”

„Maar ik heb hier dringende zaken met den luitenant Taffril af te doen.”

„Wel, wel, alles op zijn tijd, – ik mag een weinig vrijheid nemen met mijnheer Daniel Taffril; ik heb lang geleden veel houten dingen voor hem gemaakt; want ik arbeidde in hout en was ook ketellapper er bij.”

„Gij zijt gek, Adam, of zoekt mij dol te maken.”

„Geen van beide,” zeide Adam, eensklaps zijne slepende bedelaars dreun in een korten en beslissenden toon veranderende; „de Sheriff zond om zijn klerk, en daar de jongen vrij los van tong is, vernam ik, dat het was ter uitvaardiging van een bevelschrift, om u te vatten; – ik dacht wegens schulden; want iedereen weet, die heer laat niemand gaarne de hand in zijn zak steken. – Maar nu mag ik wel zwijgen; want ik zie den jongen M’Intyre en mijnheer Lesley aankomen, en ik gis, dat Monkbarns oogmerk goed was, en dat het uwe veel slechter is, dan het behoorde te zijn.”

De partijen naderden thans, en groetten elkander met de ernstige beleefdheid, die de omstandigheden eischten. „Wat doet deze oude knaap hier?” vroeg M’Intyre.

„Ik ben wel een oude knaap,” antwoordde Adam; „maar ik ben ook een oud soldaat van uw vader; – want ik diende met hem bij het 42ste regiment.”

„Gij moogt gediend hebben waar gij wilt, gij hebt geen recht om u hier op te dringen,” hernam M’Intyre, „of” – en hij hief den stok op om hem te verschrikken, ofschoon zonder het oogmerk, om den ouden man aan te raken. Maar Ochiltree’s moed was door de beleediging gaande gemaakt. „Houd uw stokje maar voor u, kapitein M’Intyre! Ik ben een oud soldaat, zoo als ik u zeide, en ik zal veel van uw vaders zoon verdragen; maar raak mij niet aan met uw rotting zoo lang mijn eigen stok heel is!”

„Wel, wel, ik had ongelijk; – ik had ongelijk,” zeide M’Intyre; „hier is een daalder voor u, ga maar weg – maar wat is er nu te doen?” [138]

De oude man verhief zich tot zijne volle buitengewone lengte, en geleek, in weêrwil van zijne kleeding, die inderdaad meer had van die eens pelgrims, dan van een gewonen bedelaar, door zijne gestalte, manieren, en de waardigheid zijner stem en gebaren, veeleer op een grijzen monnik, of preekenden kluizenaar en raadgever der jonge lieden, die in het rond stonden, dan wel op een voorwerp van hunne liefdadigheid. Zijne taal was, wel is waar, ongekunsteld en eenvoudig als zijne kleeding; maar even stout en vrijmoedig, als zijne houding deftig en vol waardigheid was. „Jongelingen! waarom kwaamt hij hier?” sprak hij, zich tot de verwonderde toehoorders wendende; „zijt gij gekomen te midden van de liefelijkste werken van God, om daar zijne wetten te schenden? – Hebt gij daarom de werken der menschen verlaten, de huizen en steden, die slechts klei en stof zijn, gelijk zij, die ze oprichtten; en zijt gij hier gekomen te midden der vreedzame bergen, en bij de rustige wateren, – die duren zullen zoo lang het aardsche bestaat, – om elkander het leven te benemen, dat in den loop der natuur toch zoo kort duurt, om er eene lange rekenschap van te geven, als het eenmaal uitgebluscht is?”

„O, heeren! hebt gij broeders, zusters, vaders, die u verzorgden, en moeders, die voor u hebben geleden, – vrienden, die u als een stuk van hun eigen hart beschouwen? En is dit de weg, dien gij inslaat, om hen kinderloos en broederloos te maken, en hen van hunne vrienden te berooven? – Och! het is een slechte strijd, waarin hij, die overwint, de ongelukkigste is. Bedenkt dit, kinderen! – Ik ben een arme man; – maar ik ben ook een oud man, en wat mijne armoede aan het gewicht van mijn raad beneemt, wordt twintigmaal vergoed door grijze haren en een oprecht u toegenegen hart. – Gaat naar huis, gaat naar huis! – De Franschen zullen eerstdaags komen, om ons uit te plunderen, en gij zult genoeg te vechten hebben; en misschien sukkelt de oude Adam zelf nog meê, als hij eenig geschikt steunpunt kan vinden, om er zijn geweerloop over te leggen, – en moge hij het dan nog beleven, te verhalen, wie van u zich het best gekweten heeft, als het eene goede zaak gold.”

Er was iets in de onverschrokken en onafhankelijke wijze van handelen, in de stoute gevoelens en manhaftige, ruwe welbespraaktheid van den grijsaard, dat diepen indruk op de partijen maakte, en voornamelijk op de secondanten, die niet door hun trots aangespoord waren, om den twist tot eene bloedige beslissing te brengen, en die integendeel, hartelijk naar eene gelegenheid verlangden, om op eene verzoening aan te dringen.

„Op mijn woord, mijnheer Lesley,” zeide Taffril, „de oude Adam spreekt als een orakel. – Onze vrienden hier waren gisteren zeer driftig, en dus natuurlijk zeer dwaas. – Vandaag behoorden zij koelbloedig te wezen, of wij, ten minste, moesten het voor hen zijn. Mij dunkt, alles moest van weêrszijden vergeven en vergeten wezen; wij zullen elkander allen de hand geven, onze schoten in de lucht doen, en naar huis gaan, om samen in de herberg te soupeeren.”

„Dat raad ik ook aan,” zeide Lesley; „want, met zeer veel drift en knorrigheid van weerskanten, beken ik mij niet in staat, eenigen redelijken grond van twist te ontdekken.”

„Heeren!” zeide M’Intyre, zeer koel, „dit alles had men van te voren moeten bedenken. Naar mijn begrip, zouden menschen, die eene zaak van dezen aard zoo ver doorgedreven hebben als wij, en dan uit elkander gingen zonder ze verder door te zetten, zeer vroolijk in de herberg kunnen gaan [139]eten; maar den volgenden morgen zouden zij met een naam opstaan, even gehavend als de kleeding van onzen vriend hier, die ons verplicht heeft met eene vrij onnoodige tentoonspreiding van zijne welsprekendheid. Ik spreek voor mij zelven, maar ik gevoel mij gedrongen, u te verzoeken, zonder langer verwijl een einde aan de zaak te maken.”

„En,” zeide Lovel, „daar ik nooit eenig uitstel gewenscht heb, moet ik ook deze heeren verzoeken, de noodige schikkingen zoodra mogelijk te maken.”

„Kinderen, kinderen!” riep de oude Ochiltree; maar merkende, dat men niet langer naar hem luisterde, – „dolkoppen, moest ik zeggen, – maar uw bloed kome op uwe eigene hoofden!” – En de oude man verwijderde zich van den grond, die nu door de secondanten afgemeten werd, en ging voort bij zich zelven te pruttelen en zijne verontwaardiging en angst te uiten, die met een diep gevoel van pijnlijke nieuwsgierigheid vermengd waren. Zonder verder op zijne tegenwoordigheid en vertoogen acht te slaan, maakten de heer Lesley en de Luitenant de noodige beschikkingen voor het tweegevecht, en men kwam overeen, dat beide partijen vuur zouden geven, zoodra de heer Lesley zijn zakdoek liet vallen.

Het noodlottige teeken werd gegeven, en beide vuurden bijna op hetzelfde oogenblik. De kogel van den kapitein M’Intyre vloog dicht langs de zijde van zijne tegenpartij, maar zonder hem te raken. Die van Lovel ging juister naar het doel; M’Intyre wankelde en viel. Terwijl hij zich op den arm verhief, was zijn eerste uitroep: „Het is niets; – het is niets; – geeft ons de andere pistolen!” Maar op hetzelfde oogenblik zeide hij op zachteren toon „Ik geloof dat ik genoeg heb, en wat nog erger is, ik vrees dat ik het verdien. Mijnheer Lovel, of hoe uw naam ook zij, vlucht, en red u; – getuigt gij allen, dat ik de aanleiding gaf tot alles.” Toen op nieuw op zijn arm steunende, voegde hij er bij: „Geef mij de hand, Lovel! – ik houd u voor een fatsoenlijk man, – vergeef mijne lompheid, en ik vergeef u mijn dood. – Mijne arme zuster!”

De wondarts kwam, om zijne rol in het treurspel te verrichten, en Lovel stond met een ontroerd en verwilderd oog te staren op de ellende, waarvan hij de werkdadige, hoewel de onwillige oorzaak geweest was. Eindelijk werd hij uit zijne verbijstering gerukt door den bedelaar, die hem bij den arm pakte. – „Waarom staat gij te gapen op hetgeen gedaan is? – Wat beslist is, is beslist! – Gedane zaken hebben geen keer! Maar weg, weg met u, indien gij uw jong bloed van een schandelijken dood wilt redden. – Ik zie de lieden ginds, die te laat komen, om u te scheiden; – maar toch, meer dan vroeg genoeg, om u in de gevangenis te sleepen!”

„Hij heeft gelijk! – hij heeft gelijk!” riep Taffril; „gij moet niet beproeven den straatweg te houden; – blijf tot van nacht in het bosch. Mijn brik zal tegen dien tijd onder zeil zijn, en om drie uren in den morgenstond, als het getij gunstig is, zal ik de boot bij de Mosselklip zenden, om u te wachten.”

„O ja, vlucht, vlucht!” herhaalde de gewonde, terwijl stuipachtige snikken zijne woorden belemmerden.

„Kom met mij,” zei de bedelaar, Lovel meêsleepende; „het plan van den kapitein is het beste; – ik zal u naar eene plaats brengen, waar gij inmiddels veilig zoudt zijn, al zochten zij u met speurhonden.”

„Ga, ga!” herhaalde de luitenant Taffril dringend; „hier te blijven zou loutere dwaasheid zijn.” [140]

„Het was erger dan dwaasheid, hier te komen,” zeide Lovel, hem de hand drukkende. – „Maar vaarwel!” en hij volgde Ochiltree in het dichtste van het bosch.

[Inhoud]

Eenentwintigste Hoofdstuk

– De heer Abt heeft een’ geest,

Scherpzoekend, slim, doordringend gelijk vuur!

Diep als de hel daalt hij langs toovertrappen,

En, heeft de duivel goud in zijn bezit,

Hij haalt er iets van af; – het licht in holen,

Die niemand kent, dan ik. –

Het wonder van een koninkrijk.

Lovel volgde bijna werktuigelijk den bedelaar, die met haastigen maar vasten stap den weg insloeg door bosch en braamstruiken, terwijl hij de gebaande paden vermeed, en zich dikwijls omkeerde, om te luisteren, of er ook eenig teeken van vervolging achter hem te hooren was. Soms daalden zij tot in het bed zelf van de beek, soms hielden zij een nauw en gevaarlijk pad, dat de schapen (die, met de groote onachtzaamheid, welke in Schotland algemeen omtrent eigendommen van deze soort heerscht, in het kreupelhout omzwerven mochten) op den uitersten rand van de overhangende steilten gemaakt hadden. Van tijd tot tijd, wierp Lovel een blik op het pad, dat hij den vorigen dag, in gezelschap van Sir Arthur, den oudheidkenner, en de jonge dames bewandeld had. Neêrslachtig, verlegen, en door duizenderlei zorgen geplaagd, als hij toen was, wat zou hij thans niet gegeven hebben, om het gevoel van onschuld terug te krijgen, dat alléén tegen duizend rampen opwegen kan? „Zelfs toen,” zoo waren zijne vluchtige en onwillekeurige gedachten, „zelfs toen, onschuldig en geëerd door allen die mij omgaven, gevoelde ik mij ongelukkig. Wat ben ik nu, bezoedeld met het bloed van dezen jongen man? – Het gevoel van trots, dat mij tot deze daad dreef, is geweken, even als men zegt, dat ook de booze geest dengenen verlaat, die hij in het verderf stortte.” Zelfs zijne genegenheid voor Isabella Wardour bezweek in dit oogenblik onder de knaging van fijn geweten, en hij zou, naar het hem scheen, al de zielskwellingen eener versmade liefde kunnen te gemoet gaan, om, vrij van bloedschuld, zijne zielerust terug te hebben.

Deze smartelijke beschouwingen werden niet afgebroken door eenig gesprek met zijn leidsman, die het kreupelhout vóór hem wegruimde, terwijl hij nu eens de takken terughield om zijn pad gemakkelijk te maken, hem dan eens vermaande, zich te haasten, dan weêr bij zich zelven sprak, volgens de gewoonte van den eenzamen grijsaard, woorden, die wellicht aan Lovel zouden ontsnapt zijn, ook als hij er naar geluisterd had, of die, opgevangen en onthouden, te afgebroken waren, om eenige samenhangende gedachte te geven, – iets dat dikwijls eigen is aan oude en praatzieke lieden.

Toen eindelijk Lovel, verzwakt door zijne vroegere ongesteldheid, en uitgeput, [141]zoowel door de hartverscheurende gevoelens, die hem ontroerden, als door de inspanning om zijn gids te volgen, reeds begon te dralen en achter te blijven, brachten hem een paar zeer gevaarlijke schreden op den rand van een afgrond, met struiken en hakhout behangen. Hier duidde eene kleine opening in de rots, bedekt door de vooruitstekende takken van een ouden eikenboom, die met zijne dikke en knoestige wortels in het bovenste gedeelte der rotsen groeide, een hol aan, bij den ingang niet breeder dan een vossengat, en dat, dus verborgen, de opmerking zelfs van hem had kunnen ontgaan, die er vlak bijstond. In dit uiterlijk weinig verleidelijk verblijf, begaf zich nu de bedelaar. Maar inwendig was de spelonk hooger en ruimer, in twee afgezonderde gangen verdeeld, die, elkander in rechte hoeken snijdende, het zinnebeeld van het kruis vormden, en de voormalige schuilplaats van een kluizenaar uit oude tijden aanwezen. Men vindt vele dergelijke grotten in verschillende deelen van Schotland. Ik behoef slechts die van Gorton bij Roslin te noemen, eene plek, zeer bekend bij de bewonderaars der romantische natuur.

Het licht in het hol was slechts eene duistere schemering bij den ingang, en ontbrak geheel en al van binnen. „Er zijn er maar weinigen, die deze plaats kennen,” zei de oude man, „naar mijn weten slechts twee buiten mij, namelijk, de Klinkende Jan en de Lange Linker. Ik heb dikwijls zoo bij mij zelven gedacht: wanneer ik eenmaal oud en afgeleefd ben, en Gods gezegende lucht niet langer genieten kan, wil ik mij hier naar toe slepen met wat havermeel in mijn zak, en zie, daar is nog eene schoone bron, die zomer en winter water geeft; – en mij hier neêrleggen als eene oude hond, die in een bosch of hol sterven gaat, waar de menschen zijn lijk niet vinden kunnen. – En dan, als de honden van eene eenzame pachthoeve blaften, zou de huisvrouw roepen: „Stil! hoor, het is zeker de oude Adam!” en de kinderen zouden naar de deur loopen, om den ouden Blauwrok wat in den zak te stoppen; – Maar de oude Adam zou er niet zijn, en men zou nooit meer iets van hem hooren!”

Toen bracht hij Lovel, die hem gewillig volgde, in een der gangen van de spelonk. „Hier,” zeide hij, „is een trap, die naar de vervallen kerk boven ons voert. Sommigen zeggen, dat deze plaats in oude tijden door de monniken uitgehouwen werd, om er hunne schatten in te verbergen, en anderen zeggen, dat zij die gebruikten, om langs dezen weg bij nacht dingen in het klooster te brengen, die zij er niet goed onder de oogen der menschen, en bij dag in konden brengen; – en anderen zeggen, dat een van hen een heilige werd, (of ten minste daarvoor wilde gehouden worden,) en zijn intrek nam in de cel van St. Ruth, zoo als men het in oude tijden noemde, en dat hij dezen trap heeft laten maken, om er mede naar de kerk te gaan, als er dienst was. De heer van Monkbarns zou u daar veel van weten te zeggen, even als van meer andere dingen, als hij de plaats maar kende. Maar ze mag ten dienste van menschen of van God gemaakt zijn, ik heb er in mijne dagen meer dan te veel kwaad in zien begaan, waaraan ik ook meer deel had dan behoorde, – ja ja, in deze zelfde donkere schuilplaats. Menige huismoeder is verwonderd geweest, dat zij haren rooden haan ’s morgens niet had hooren kraaien, als de arme vogel reeds hier, in dit donkere hol, gebraden was. – En, och! dat dit en dergelijke kleinigheden het ergste ware! Als gij het geraas gehoord hadt, dat wij in de ingewanden der aarde maakten, toen Sanders Aikwood, die boschwachter was, (hij is de vader van Ringan, die het nu is,) de bosschen afliep, om op het wild te passen, – [142]en soms het licht uit den ingang van het hol zag flikkeren op de hazelstruiken aan de tegenoverliggende hoogte, – en dan wat hij uitkraamde van heksen en spoken, die zich ’s avonds in de oude bouwvallen ophielden, en van de lichten, die hij gezien had, en het geschreeuw, dat hij gehoord had, als allen sliepen, behalve hij alleen; en – och! als hij dat steeds van voren af aan, ’s avonds bij het vuur, aan mij en mijns gelijken verhaalde, en als ik den ouden mallen vent woord om woord, en vertelsel om vertelsel terug gaf, hoewel ik veel meer van de zaak afwist, dan hij. Ei, ei! – dat waren dolle dagen, die – maar ze waren ijdel en slecht, en het is billijk, dat hij, die een lichtzinnig en los leven geleid heeft en de liefdadigheid misbruikte, toen hij jong was, ze misschien missen zou, als hij oud wordt.”

Terwijl Ochiltree dus zijne daden en streken van vroegere dagen verhaalde, op een toon, waarin beurtelings vroolijkheid en berouw heerschte had zijn ongelukkige toehoorder zich neêrgezet op de kluizenaars bank, die in de rots uitgehouwen was, en zich aan die uitputting van ziel en lichaam overgegeven, welke gewoonlijk op eene reeks van gebeurtenissen, die beide ontroeren, volgt. – „De arme jongen!” zei de oude Adam, „en hij slaapt in dit vochtig hol; hij wordt misschien nooit weêr wakker, of krijgt eene gevaarlijke ziekte; het is niet met hem als met ons gelijken, die ons gerust overal kunnen neêrleggen. Sta maar op, mijnheer Lovel! het zal wel schikken met den kapitein; – en in elk geval zijt gij de eerste niet, wien dat ongeluk overkomen is: ik heb menig man zien dooden, en zelf helpen dooden, ofschoon wij te zamen geen twist hadden, – en als het geen kwaad is, menschen te dooden, met wie men geen twist heeft, alleen omdat zij eene andere kokarde dragen en eene vreemde taal spreken, kan ik niet begrijpen, dat de man niet te verontschuldigen is, die zijn vijand doodt, die opzettelijk gewapend komt, om hem te dooden. Ik wil niet zeggen, dat het goed is! – of dat het geene zonde is, dat te ontnemen, wat men niet weêr kan geven, zoo als de adem van den mensch, – maar ik zeg, dat het eene zonde is, die vergiffenis vinden kan, als men er berouw over heeft. Zondige menschen zijn wij allen; maar, als gij een ouden grijzen zondaar gelooven wilt, die het slechte van zijne levenswijze heeft leeren inzien, dan bevatten de bladzijden van den Bijbel beloften genoeg, om den slechtsten van ons allen zalig te maken, als wij er maar aan gelooven willen.”

Met dergelijke troostgronden en blijken zijner godgeleerdheid ging de bedelaar voort, de aandacht van Lovel bezig te houden, tot de schemering van den ingang in de duisternis verdwenen was! „Nu,” zeide Ochiltree, „zal ik u naar eene meer geschikte plaats geleiden, waar ik menigmaal gezeten heb, om het krassen van den nachtuil te hooren, en het maanlicht door de oude vensterramen der bouwvallen te zien vallen. Op dezen tijd van den nacht kan niemand hier komen; en als de laffe gerechtsdienaren eenige vervolging beproefden, staakten zij die gewis reeds lang geleden. Geloof mij, zij zijn niet moediger dan anderen, met al hunne bevelschriften en machtspreuken. Ik heb hen, in mijn tijd, meermalen een schrik aangejaagd, als zij mij te nabij kwamen. – Maar, God dank! zij kunnen mij nu niet meer van eenig ander wanbedrijf betichten, dan dat ik een oud man en een bedelaar ben, en dan nog is Freule Wardour een krachtige steun, zoo als gij wel weet.” – (Lovel zuchtte) „kom, wees niet neêrslachtig – het zal wel eens weêr te recht komen, – geef de dame maar tijd om zich te bedenken: zij is de schoonste van het land en mijne goede vriendin. – Ik trek nu zoo [143]gerust voorbij het tuchthuis, als Zondags naar de kerk; – ik geloof voor den drommel niet, dat iemand het nu wagen zou, om den ouden Adam slechts een haar te krenken. Ik loop langs ’s heeren straatweg, als ik naar de stad ga, en ik geef even weinig om een schout, als om een das!”

Terwijl de bedelaar dus sprak, hield hij zich bezig met de losse steenen in een hoek van het hol weg te ruimen, die den ingang van den trap, waarvan hij gesproken had, verborgen. „Er is hier frissche lucht genoeg,” zei de oude man, „de monniken zorgden daarvoor; want zij waren kort van adem. Zij hebben hier en daar openingen aangebracht, die frissche lucht genoeg binnen laten.”

Lovel vond den trap hoewel nauw, zeer luchtig, en noch vervallen, noch laag. Zij kwamen dus weldra in eene nauwe galerij, loopende langs den zijmuur van het koor, waaruit zij lucht en licht kregen door openingen, die behendig gemaskerd waren door de rijke versierselen der Gothische bouwkunst.

„Deze geheime gang,” – zei de bedelaar – „liep eens rondom een groot gedeelte van het gebouw naar de plaats, die ik Monkbarns het Refractorium,” (waarschijnlijk wilde hij Refectorium zeggen,) „heb hooren noemen, en zoo verder tot aan de woning van den Prior zelven. – Het is waarschijnlijk, dat hij er gebruik van kon maken, om te luisteren naar wat de monniken vertelden, als zij aan het eten waren, en dan kon hij ook hier komen en zien, of zij zich daar ginds beneden bezig hielden met hunne psalmen te schreeuwen, – en dan, als alles goed verzorgd was, kon hij aftrekken en daar beneden in het hol een mooi meisje binnen laten; want zij waren wonderlijke heiligen de monniken, – of men moet veel leugens van hen verteld hebben. Maar wij gaven ons jaren geleden veel moeite, om dezen gang op sommige plaatsen op te vullen, en om anderen af te breken, uit vrees, dat de een of ander onbekende er inkomen, en den weg naar beneden, naar de spelonk, vinden mocht; – dat zou een noodlottige slag geweest zijn, die, zoo als ik zeker weet, aan eenige van de onzen den nek had doen jeuken!”

Zij kwamen nu aan eene plaats, waar de galerij uitgebouwd was in een halfrond, groot genoeg, om eene steenen bank te bevatten. Eene nis, vlak daarvoor aangebracht, stak vooruit in het koor, en daar de zijden van opengewerkte steen waren, kon men daar door heen, van de bank, het geheele koor in alle richtingen overzien. Waarschijnlijk was deze plaats, zoo als Adam giste, gemaakt, om den Prior tot een geschikten schuilhoek te verstrekken, waaruit hij het gedrag der monniken kon gadeslaan, en zich met eigene oogen overtuigen omtrent het nauwgezet waarnemen der godsdienstige plechtigheden, waaraan hij, uit hoofde van zijn rang, geen deel behoefde te nemen. Deze nis was eene van de reeks, welke zich langs den muur van het koor uitstrekte, en, daar ze van beneden gezien in geenen deele van de anderen verschilde, kon men de geheime zitplaats, die nog bovendien gemaskerd was door het steenen beeld van St. Michiel en den draak, en door het rijk versierde metselwerk rondom de nis, volstrekt niet ontdekken. De galerij, tot hare eerste breedte teruggebracht, had zich oorspronkelijk verder uitgestrekt; maar de landloopers, die het hol van St. Ruth bezochten, hadden ze, uit voorzorg, met de omliggende steenen toegemetseld.

„Wij zullen hier beter zijn, dan dáár beneden,” zeide Adam, zich neêrzettende op de steenen bank en de slip van zijn blauwen rok er over uitspreidende, terwijl hij Lovel uitnoodigde, naast hem te gaan zitten, – „wij [144]zullen hier beter zijn dan daar beneden; de lucht is zuiver en zacht, en de geur der muurbloemen en der struikgewassen, die op de bouwvallen staan, is vrij wat verkwikkelijker, dan de vochtige muffe reuk daar beneden. Zij rieken het aangenaamst bij nacht, die bloemen, en men vindt ze het meest op vervallen gebouwen; – welnu, mijnheer Lovel, kan een van uwe geleerden eene goede reden daarvoor geven?”

Lovel antwoordde ontkennend. „Ik denk,” hernam de bedelaar, „dat ze gelijk zijn aan de liefdegiften van vele menschen, die, in tegenspoed gegeven, de grootste waarde hebben; – of wellicht is het een parabel, om ons te leeren, hen niet te verachten, die zich in de duisternis der zonde bevinden, of door tegenspoed ter neêrgeslagen zijn, daar God geuren zendt, om het donkerste uur te verfrisschen, en bloemen en liefelijke planten, om het vervallen gebouw weder op te sieren. En nu wilde ik, dat een wijs man mij vertelde, of de Heer het meeste behagen schept in den aanblik, welken wij nu genieten, – de zilveren en rustige stralen van het maanlicht, die daar zoo stil over den vloer van deze oude kerk spelen, en tusschen de groote pilaren en het vensterwerk doorschijnen en schitteren op de bladeren van het donkere klimop, als de wind ze beweegt, – ik zou willen weten, zeg ik, of dit aangenamer voor den Heere is, dan wanneer deze kerk verlicht en verheerlijkt was door lampen en kandelaren, en toortsen, en myrrhe en wierook, waarvan de Heilige Schrift spreekt, en met bazuinen, en mannen- en vrouwenstemmen en muziekinstrumenten. Ik zou willen weten, of die allen stichtelijk waren, dan of het van die grootsche, weidsche pracht en heerlijkheid is, dat de Heilige Schrift zegt: zij zijn verfoeielijk! – Ik denk, mijnheer Lovel, dat bijaldien twee arme ter neêrgedrukte harten, als het uwe en het mijne, de gave kregen van te bidden, –”

Hier legde Lovel plotseling de hand op des bedelaars arm, en zeide: „Stil! ik hoor iemand spreken!”

„Ik ben eenigszins hardhoorig,” antwoordde Adam fluisterend; „maar wij zijn hier veilig; – vanwaar kwam het geluid?”

Lovel wees naar de deur van het koor, die, rijk versierd, aan het westelijk einde van het gebouw stond onder een gothisch venster, door hetwelk het volle maanlicht in de kerk viel.

„Het kan niemand van ons volk zijn,” zeide Adam op denzelfden zachten en voorzichtigen toon; „slechts twee van hen kennen deze plaats, en zij zijn vele mijlen van hier, als zij nog steeds hun moeielijken levensweg bewandelen. Ik kan niet denken, dat politie-agenten op dit uur van den nacht zich hier zouden wagen. Ik sla geen geloof aan de oudewijvenvertelsels van spoken, ofschoon deze plaats wel voor hen zou geschikt zijn. Maar menschen of geesten, daar komen zij aan; – twee mannen met een licht!”

En inderdaad, terwijl de bedelaar sprak, verduisterden twee menschelijke gedaanten met hare schaduwen, den ingang van het koor, door welks opening men te voren in het verschiet de door de maan verlichte weide zien kon, en de kleine lantaren, welke een van hen droeg, glinsterde bleek in de heldere en krachtige stralen der maan, gelijk de avondster bij het licht van den vallenden avond. De eerste en natuurlijkste gedachte was, dat, in weêrwil van de verzekeringen van Adam Ochiltree, de personen, die op zulk een ongewoon uur de bouwvallen naderden, dienaren der justitie moesten zijn, om Lovel te zoeken. Maar zij deden niets, om dit vermoeden te bevestigen. De oude man stiet Lovel aan, en waarschuwde hem fluisterend, dat het beste was om rustig te blijven, en uit hunne tegenwoordige schuilplaats de bewegingen [145]der indringers gade te slaan. Deed er zich iets voor, dat hun aftocht noodzakelijk maakte, dan hadden zij den geheimen trap en het hol achter zich, waardoor zij in het bosch zouden kunnen ontsnappen, voor dat zij eenig gevaar liepen van achterhaald te worden. Zij hielden zich dus zoo stil mogelijk, en namen met ongeduldige en angstige nieuwsgierigheid elk geluid en elke beweging van hunne rustverstoorders waar.

Na eenigen tijd zacht te zamen gesproken te hebben, naderden de twee gedaanten tot in het midden van het koor, en eene stem, welke Lovel dadelijk aan toon en tongval voor die van Dousterswivel herkende, sprak hoorbaar, hoewel steeds gedempt:

„Waarlijk, mijn goede heer, daar kan geene betere gelegenheid en stonde zijn voor deze groote onderneming. Uwé zal zien, dat het louter onzin is, wat de heer Oldenbuck zegt, en dat hij niet meer verstaat van wat hij spreekt, als een klein kind. Bij mijne ziel! hij verwacht zoo rijk te worden als een jood, voor zijne ellendige honderd pond, waaruit ik mij, op mijn eerewoord, zoo veel maak als uit honderd stuivers. Maar aan Uwé, mijn grootmoedige patroon! aan Uwé’s Genade wil ik alle geheimen der kunst zien laten, – ja, zelfs het geheim van den grooten Pymander.”

„Die ander daar,” fluisterde Adam; „zal waarschijnlijk Sir Arthur zijn. Ik ken niemand dan hem, die hier op dit uur zou willen komen, en wel met dien vreemden landlooper. Men zou zeggen, dat hij door hem behekst is; – hij doet hem nog gelooven, dat kalk kaas is; – maar laten wij zien wat zij doen.”

Deze stoornis en de zachte toon, waarop Sir Arthur sprak, maakten, dat het geheele antwoord van dezen aan den goudzoeker voor Lovel verloren ging, uitgezonderd de drie laatste woorden, die met nadruk uitgesproken werden: „Zeer groote onkosten;” – waarop Dousterswivel dadelijk hernam: „Onkosten! – gewis ja! – daar moeten groote onkosten gemaakt worden! – Men kan toch niet oogsten zonder zaaien; – de onkosten zijn het zaad – de rijkdommen en de mijnen van edele metalen, en dan de groote, dikke kisten met zilver zijn de oogst – en ja, een zeer goede oogst op mijn woord! Nu, Sir Arthur, heeft Uwé heden nacht een weinig zaad van tien guinjes gestrooid; zooveel als een snuifje – en zoo Uwé niet een grooten oogst krijgt – dat is een groote oogst voor een beetje zaad; want alles moet in proportie zijn, zoo als Uwé weet, dan noem Herman Dousterswivel nimmer meer een eerlijk man! Nu ziet Uwé, mijn geëerde patroon! – want voor Uwé wil ik niets geheim houden – Uwé ziet deze kleine zilveren plaat. – Uwé weet, dat de maan in achtentwintig dagen het gansche Dierenriem omwandelt; – elk kind weet dat. – Welnu, als zij in de vijftiende station, das heisst aan het hoofd van Libra is, neem ik de plaat, en graveer op den eenen kant de woorden Schedharschemoth schartachan, – das heisst, de Intelligencies der Intelligencies van de maan, en ik teeken de figuur daarvan als eene vliegende slang met het hoofd van een kalkoen – zoo! – Dan maak ik op dezen kant de tafel van de maan, das heisst, een quadraat van negen, vermenigvuldigd met zich zelf, met eenentachtig getallen op alle kanten, en diameter negen – dat is het zeer goed! – Nu zal ik mij daarvan bedienen bij ieder quartier der maan, dat ik vinden zal in dezelfde proporties van onkosten, die ik aan suffumigationen maak, als negen staat tot het produkt van negen gemultipliceerd met zich zelf. – Heden nacht zal ik niet meer vinden dan twee of driemaal negen, wegens eene vijandige macht, die zich in het huis der ascensie bevindt.” [146]

„Maar, Dousterswivel!” zeide de onnoozele Baronet, „gelijkt dat niet op tooverij? Ik ben een getrouwe, hoewel onwaardige zoon der Episcopale kerk, en ik wil niets te doen hebben met den boozen geest.”

„Bah! Bah! – niets van tooverij! – niets daar van! – Het is alles gegrond op den planetarischen invloed en de sympathie en kracht der getallen. – Ik zal Uwé nog wel iets geheel anders zien laten. – Ik zeg niet, dat geen geest daarbij is; wegens de suffumigation; maar als Uwé niet bang is, zal hij niet onzichtbaar zijn.”

„Ik ben in het geheel niet verlangend, om hem te zien,” zeide de Baronet, wiens moed, naar eene zekere trilling zijner stem te oordeelen, aan een aanval van koorts scheen te lijden.

„Dat is jammer,” zeide Dousterswivel; „ik had Uwé gaarne den geest laten zien, die dezen schat als een grimmige wachthond bewaart. – Doch ik weet met hem om te gaan! – Uwé is dus niet nieuwsgierig om den geest te zien?”

„In het geheel niet,” antwoordde de Baronet, als op onverschilligen toon; „ik geloof, dat wij niet veel tijd over hebben.”

Excuseer, mijn patroon! het is nog geen twaalf, en twaalf is juist het planetarische uur; en ik kon Uwé intusschen den geest zien laten, alleen tot genoegen. Zie, ik zou maar een vijfhoek in een kring trekken, wat heel makkelijk is, en in het midden maakte ik mijne suffumigation, en daar waren wij als in eene sterke burcht, en Uwé zoudt het zwaard houden, terwijl ik de noodige woorden sprak. Dan zou Uwé den vasten muur open zien gaan als de poort eener stad; en dan, – wacht eens – ja, – dan zou Uwé eerst zien een hert, door drie jachthonden vervolgd, die het nederwerpen als op de groote jacht van den keurvorst, – en dan zou een leelijke, kleine, vuile, zwarte neger verschijnen en de honden het hert afnemen, – en paf, – alles verdwijnen! – Dan zou Uwé horens blazen hooren, dat al de ruïnen zouden weêrgalmen, – ja, op mijn woord, zeer aardige jachtstukken zouden ze spelen, zoo goed als de heer Fischer op zijne hoboe. – Recht zoo! – Dan kwam een heraut, dien wij Ehrenhold noemen, die op de trompet blaast, – en dan kwam de groote Peolphan, de Machtige Jager van het Noorden genoemd, op zijn zwarten hengst; – maar Uwé verlangt niet, dit alles te zien?”

„Wel, ik ben niet bang,” antwoordde de arme Baronet; „maar, – er gebeuren soms wel groote ongelukken bij zulke gelegenheden?”

„Bah! – ongelukken? neen! bij gelegenheid, ja, als de kring niet zuiver rond is, of de helpende toeschouwer bang wordt, en het zwaard niet vast en recht op den grooten jager houdt, maakt deze er gebruik van, om hem uit den kring te halen, en hem te worgen, – anders niet!”

„Nu dan, Dousterswivel, met het meeste vertrouwen in mijn eigen moed en in uwe bekwaamheid, zullen wij ons van deze verschijning verschoonen en tot onze bezigheid overgaan.”

„Van ganscher harte; mij kan het niet schelen; en de tijd is ook dáár. – Belieft Uwé het zwaard te houden, tot ik het vuurtje heb aangelegd.”

„Dousterswivel stak hierop een klein hoopje spanen in brand, die toebereid waren met eene harsachtige stof, om ze hevig te doen vlammen, en toen het vuur op het helderste brandde, en voor een korten tijd met zijn glans al de bouwvallen in het rond verlichtte, wierp de goudzoeker er een handvol kruiden in, die een sterken en prikkelenden reuk verspreidden. De bezweerder en zijn leerling werden er zoo zeer door aangedaan, dat zij sterk [147]hoesten en niezen moesten, en daar de dampen zich tusschen de pilaren van het gebouw verspreidden, en door al de reten drongen, hadden ze dezelfde uitwerking op den bedelaar en Lovel.

„Wat is dat voor een echo?” riep de Baronet, verwonderd over het niezen, dat van boven weêrgalmde; „of,” – zich aan den goudzoeker vasthoudende, – „kan het de geest ook zijn, van wien gij spraakt, die onze onderneming tegen zijne verborgen schatten bespot?”

„N–n – neen,” stamelde de goudzoeker, die den schrik van zijn leerling begon te deelen, „ik hoop van neen!”

Op het zelfde oogenblik bracht eene geweldige niesbui, die de bedelaar niet weêrhouden kon, en welke bij geene mogelijkheid voor eene echo te houden was, vergezeld van een hollen half onderdrukten hoest, de beide schatgravers geheel en al van streek. „God sta ons bij!” riep de Baronet.

Alle guten Geister loben den Herrn!” gilde de verschrikte goudzoeker uit. – „Ik denk,” vervolgde hij, na een oogenblik van stilzwijgen, „dat het beter zou zijn dit bij daglicht te doen; – het beste ware, dat wij van hier weggingen!”

„Lage bedrieger!” riep de Baronet, bij wien deze uitdrukkingen een vermoeden deden ontstaan, dat zijn schrik overwon, daar het zich vereenigde met het gevoel van wanhoop bij het gevaar van geheel en al te gronde gericht te zijn; „bedriegelijke kwakzalver! dit is een uwer streken, om u te ontslaan van het houden uwer belofte, zoo als gij dat reeds zoo dikwijls gedaan hebt. Maar, bij den hemel! heden nacht wil ik weten, waarop ik vertrouwde, toen ik mij tot mijn ongeluk met u inliet! – ga dan voort! – en komen er duivelen of heksen, gij zult mij den schat laten zien, of zelf bekennen een schurk en bedrieger te zijn, of, bij het woord van een wanhopend en te gronde gericht man, ik zend u naar een plaats, waar gij geesten genoeg zult zien!”

De schatgraver, evenzeer bevangen door den angst voor de bovennatuurlijke wezens, door welke hij zich omringd geloofde, als voor het verlies van zijn leven, dat in de macht stond van een wanhopig geworden man, kon slechts uitbrengen: „Mijn patroon! dit is niet eene allerbeste behandeling. – Bedenk, mijn geëerde heer Baron, dat die geesten, –”

Hier liet Adam! die deel begon te nemen aan het kluchtige van het tooneel, een akelig gehuil hooren, eene overdrijving en verlenging van den weemoedigen klaagtoon, waarop hij gewoon was aalmoezen te vragen. – Dousterswivel wierp zich op de knieën en steunde: „Beste Sir Arthur, laat ons gaan, of laat mij gaan!”

„Neen, bedriegelijke schurk!” riep de Baronet, het zwaard, dat hij voor de bezwering had medegebracht, uit de schede trekkende, „deze uitvlucht zal u niet helpen! – Monkbarns waarschuwde mij reeds lang voor uwe schelmsche streken; – ik wil den schat zien, eer gij deze plaats verlaat, of gij zult u zelven een bedrieger verklaren, en doet gij dat niet, waarlijk ik jaag u dit zwaard door het lijf, al zouden alle geesten uit de hel rondom ons verrijzen!”

„In ’s hemels naam! heb geduld, mijn geëerde patroon! en Uwé zal al de schatten hebben, die ik ken; ja – ja, voorwaar, Uwé zal ze hebben; – maar spreek niet van de geesten, dat maakt hen boos!”

Adam Ochiltree maakte zich nu gereed, om een nieuw gehuil aan te heffen, maar werd teruggehouden door Lovel, die meer belangstelling in de zaak begon te gevoelen, toen hij het ernstige en bijna wanhopige gedrag van [148]Sir Arthur gadesloeg. Dousterswivel, terzelfder tijd bezield met de vrees voor den boozen geest en voor het geweld van Sir Arthur, speelde zijne rol van bezweerder buitengemeen slecht, daar hij de genoegzame mate van kalm zelfvertrouwen niet durfde toonen, die noodig was om den laatste te bedriegen. Hij rolde nochtans de oogen, mompelde en stotterde vreemde bezweringen, verdraaide de gelaatstrekken en ledematen, meer met wezenlijken angst, dan met overleg, en ging eindelijk naar een hoek van het gebouw, waar een platte steen lag, met de daarop uitgehouwen beeldtenis van een gewapenden krijgsman in liggende houding. „Mijn patroon!” mompelde hij tegen Sir Arthur, – „hier is het – God helpe ons!”

Sir Arthur, die, nadat het eerste oogenblik van bijgeloovige vrees voorbij was, al zijne vermogens scheen te hebben opgewonden tot het uiterste besluit, om het waagstuk door te zetten, verleende den goudzoeker zijn bijstand, om den steen om te wentelen, wat zij met vereenigde krachten, door middel van een hefboom, waarvan de goudzoeker voorzien was, met moeite volbrachten. Geen bovennatuurlijk licht steeg uit den grond op, om de onderaardsche schatten aan te wijzen, noch had er eenige verschijning van geesten, aardsche of helsche, plaats. Maar toen Dousterswivel, hevig bevende, een paar slagen met een houweel gedaan, en in de haast een paar schoppen aarde uitgeworpen had, (want de noodige werktuigen ter opdelving waren door hem medegebracht,) hoorde men den klank van vallende stukken metaal; en Dousterswivel, snel grijpende naar het voorwerp, dat dus geklonken had, en met de schop uit de aarde was uitgeworpen, riep uit: „O, mijn beste, waardige patroon! dit is alles – voorwaar! – ik meen alles, dat wij heden nacht doen kunnen!” – En hij keek rond met een schichtigen blik, als om te zien, uit welken hoek de wreker van zijn bedrog verrijzen zou.

„Laat zien,” zeide Sir Arthur; en herhaalde daarop met steeds toenemenden, strengen ernst: „ik wil voldaan zijn: – ik zal met eigene oogen zien en oordeelen!” Hij hield dan ook het voorwerp bij het licht der lantaren. Het was een klein kistje, – maar Lovel kon uit de verte niet duidelijk den vorm onderscheiden, – hetwelk hij, volgens de uitroepingen van den Baronet, bij het opendoen, besloot, dat opgevuld was met munten. „Ei zoo!” zeide de Baronet, „dit is inderdaad gelukkig, en indien het een geëvenredigd goed geluk op grootere ondernemingen voorspelt, zal het waagstuk geschieden. Die zeshonderd pond, die ik opgenomen heb, gevoegd bij mijne andere schulden, moeten mij voorwaar te gronde richten. – Gelooft gij, dat wij dit kunnen voorkomen door de proef te hervatten, – bij de eerstvolgende verandering van maan, bij voorbeeld, – dan zal ik het noodige voorschot wagen, hoe ik er ook aan kome!”

„O mijn goede patroon!” antwoordde Dousterswivel „laat ons van dat alles nu niet spreken; maar help mij den steen weder op zijn plaats leggen, en dan zullen wij weg gaan.” – Dienovereenkomstig bracht hij, zoodra zij met den steen klaar waren, Sir Arthur, die zich nu op nieuw door hem liet leiden, van de plaats weg, waar een kwaad geweten en bijgeloovige vrees den goudzoeker achter elken pilaar spoken deden veronderstellen, loerende met het oogmerk, om hem voor zijn verraad te straffen.

„Zag men ooit iets dergelijks?” zeide Adam, toen beiden gelijk schimmen verdwenen waren door dezelfde poort, waardoor zij binnen gekomen waren; – „zag men ooit iets dergelijks? – Maar wat kunnen wij doen voor dien armen, dommen Baronet? – Toch toonde hij veel meer moed, dan ik bij hem verwacht had; – ik dacht, dat hij den vreemden landlooper het koude [149]staal door het lijf gejaagd zou hebben. Sir Arthur was niet half zoo moedig op Lijsjes Schoot; maar toen was zijn bloed niet warm, en dat maakt een machtig onderscheid. Ik heb menig man gezien, die een ander in drift zou overhoop gestoken hebben, en niet veel lust zou gehad hebben, tegen het Crummie’s-hoorn op te klimmen. Maar wat zullen wij voor hem doen?”

„Ik veronderstel,” zeide Lovel, „dat zijn vertrouwen op dezen kerel weêr volkomen hersteld zal zijn door dit bedrog, dat zeer zeker te voren beraamd was.”

„Wat! – het geld? – Ei ja, – geloof dat vrij! – Zij, die verbergen, weten het best waar te vinden; – hij wacht maar, tot hij hem voor zijne laatste guinje opgelicht heeft, om zich weg te pakken naar het land, waar hij te huis behoort, die landlooper! Ik had grooten lust, om zoo net van pas te komen en hem een klapje met mijn dikken stok te geven; hij zou dat voor eene benedictie van den een of anderen der vorige abten gehouden hebben. – Maar het is beter niet onvoorzichtig te zijn; – langzaam gaat zeker; – vroeger of later vind ik hem!”

„Wat dunkt u er van, om den heer Oldbuck in te lichten?” zeide Lovel.

„Ja! dat weet ik niet! – Monkbarns en Sir Arthur gelijken elkander, en toch gelijken zij elkander niet. Monkbarns heeft soms invloed op hem, en soms bekreunt zich Sir Arthur even weinig om hem, als om mij. Monkbarns is ook zelf in eenige dingen niet al te wijs. – Hij zou een oud tweestuivers-stuk voor eene Romeinsche munt aannemen, zoo als hij ze noemt, of eene gracht voor eene legerplaats houden, alleen op een leugen, die er de leêgloopers van verzinnen. Ik zelf, God vergeve het mij! heb hem menig fijn uitgedacht vertelsel voor goede munt aangepraat. Maar met dat al, is hij zeer weinig toegeeflijk jegens anderen; en hij is vlug en hard genoeg, om hen hunne dwaasheden te verwijten, – alsof hij er zelf geene had! Hij zal u den geheelen dag aanhooren, als gij hem vertelt van Wallace, en den blinden Hendrik, en David Lindsay; maar gij moet hem niet spreken van spoken en heksen, of geesten, die op de aarde rondwaren, of iets dergelijks. Hij heeft den ouden Caxon bijna uit het venster gesmeten, (en hij had even goed hem zijne beste pruik achterna kunnen smijten,) omdat hij hem vertelde, dat hij een geest gezien had op den humlock-berg. En als hij het nu in dien zin opnam, zou hij wellicht driftig worden en meer kwaad dan goed doen; – dat is al een paar maal het geval geweest wat die mijnen betreft; – het was, alsof Sir Arthur genoegen schepte om er zich dieper in te steken, naarmate Monkbarns hem daartegen waarschuwde.”

„Hoe zoudt gij het dan vinden,” zeide Lovel, „indien, wij de zaken ter kennis van Freule Wardour brachten!”

„Och, het arme kind! hoe zou zij haren vader beletten zijn zin te doen? – En dan, wat zou het helpen? – Men spreekt reeds onder de menschen over de zeshonderd pond, en een van de procureurs te Edinburg heeft Sir Arthur reeds de sporen van de wet in de zijde gedrukt om hem te doen betalen, en als hij het niet kan, moet hij òf in de gijzeling, òf het land ruimen. Hij is wanhopig geworden, en grijpt naar deze kans, als het eenige wat hem van den ondergang kan redden. Waartoe zou het dus dienen, het arme meisje te plagen met iets, dat niet te verhelpen is? – En buitendien, om de waarheid te zeggen zou ik niet gaarne het geheim van deze plaats ontdekken. Het komt altijd te pas, zoo als gij zelf nu ziet, om eene schuilplaats op eigen hand te hebben, en ofschoon ik er nu geene meer noodig heb, en den hemel bid, dat ik niets doen zal, om er weêr eene te behoeven, [150]zoo kan toch niemand weten, aan welke verzoeking hij blootgesteld zal worden. En, om kort te gaan, ik kan de gedachte niet uitstaan, dat iemand iets van deze plaats zou weten. Men zegt: bewaar een ding zeven jaren, en het zal u te pas komen; – en het kan gebeuren, dat ik het hol noodig heb voor mij zelven, of iemand anders.”

Deze reden, waarbij Adam Ochiltree, in weêrwil van zijne zedelessen en vroome woorden, bijzonder gehecht scheen te zijn, zoowel uit gewoonte als uit eigenbelang, kon niet goed door Lovel bestreden worden, die op dat oogenblik het voordeel genoot van het geheim, over welks bewaring de oude man zich zoo ongerust toonde.

Intusschen was dit avontuur voor Lovel van grooten dienst geweest, want het had zijn geest afgeleid van de ongelukkige gebeurtenis van den avond, en merkelijk de veerkracht zijner ziel hersteld, die hem bij het eerste gezicht van zijn ongeluk verlaten had. Hij bedacht zich, dat het geenszins noodzakelijk volgde, dat eene gevaarlijke wonde doodelijk was; – dat men hem van de plaats weggebracht had, zelfs eer de wondarts een woord over den toestand van Kapitein M’Intyre gezegd had, – en dat ook, als het ergste gebeurde, hem plichten op aarde te vervullen bleven, die, zoo zij de zielskalmte, of het gevoel der onschuld al niet konden herstellen, altijd een beweeggrond zouden opleveren, om zijn leven te verduren, en het ter zelfder tijd aan de meest werkzame weldadigheid toe te wijden.

Zoo waren de gevoelens van Lovel, toen het uur naderde, waarop, volgens de berekening van Adam Ochiltree, die ten gevolge van zijne opmerkingen aangaande den loop der sterren, den bijstand van uurwerk of een anderen tijdmeter niet behoefde, het zaak was, om hunne schuilplaats te verlaten, en zich naar het strand te begeven, om de boot van Luitenant Taffril, overeenkomstig de afspraak, te ontmoeten.

Zij keerden langs denzelfden gang terug, die hen tot de geheime zitplaats der voormalige abten gebracht had; en toen zij uit de grot in het bosch kwamen, kondigde het geluid, en zelfs het gezang der vogelen den reeds naderenden dageraad aan. Hierin werden zij bevestigd door de licht gele wolken, welke zich over de zee vertoonden, zoodra zij, toen zij het bosch achter zich hadden, een vrij gezicht op den horizon kregen. Het morgenuur, hetwelk men zegt dat de zanggodinnen gunstig is, heeft waarschijnlijk deze eigenschap verkregen door zijne uitwerking op de verbeeldingskracht en de gevoelens der menschen. Zelfs voor hen, die, gelijk Lovel, een slapeloozen en angstigen nacht hebben doorgebracht, is de morgenkoelte eene versterking en verkwikking voor geest en lichaam. Met nieuwe krachten bezield, stapte dus Lovel, aangevoerd door den trouwen bedelaar, wakker en opgeruimd, door den dauw over de duinen, welke de Den of het woud van St. Ruth, zoo als de bosschen, die de bouwvallen omgeven, algemeen genoemd werden, van het zeestrand scheidden.

Toen hare schitterende schijf uit den Oceaan begon te verrijzen, vielen de eerste stralen der zon op den kleinen oorlogsbrik, die op de reê lag. Aan het strand bevond zich de wachtende boot reeds, en Taffril zelf, in zijn mantel gehuld, zat aan het roer. Hij sprong uit de boot, zoodra hij den bedelaar met Lovel zag naderen, en den laatste hartelijk de hand schuddende, verzocht hij hem niet neêrslachtig te zijn. „M’Intyre’s wond,” – zeide hij, – „was bedenkelijk, maar waarschijnlijk niet doodelijk.” – Hij had zorg gedragen om het goed van Lovel in stilte aan boord van den brik te doen brengen; en hij vertrouwde, dat, als Lovel op het schip verkoos te [151]blijven, de straf van een klein tochtje het eenige onaangename gevolg van deze ontmoeting zou zijn. Wat hem zelven betrof, zijn tijd en zijne bewegingen waren grootendeels vrij, uitgezonderd de noodzakelijke verplichting van op zijn station te blijven.

„Wij zullen over onze verdere bewegingen spreken,” zeide Lovel, „zoodra wij aan boord zijn.”

Daarop zich naar Adam wendende, trachtte hij hem wat geld in de hand te drukken. „Ik geloof,” zeide Adam, terwijl hij het terug wilde geven, „dat alle menschen hier gek zijn geworden, of dat zij mijn ambacht te gronde richten willen, even als men zegt, dat te veel water den molenaar verdrinkt. Men heeft mij in deze laatste paar weken meer goud aangeboden, dan ik ooit vroeger in mijn leven gezien heb. Bewaar uw geld, jongeling! gij zult het noodig hebben, geloof mij, en ik behoef het niet. Voor mijne kleederen heb ik niet veel noodig, en ik krijg alle jaar een blauwen rok, en juist zoo veel zilveren vierstuivers-stukken, als de Koning, God zegene hem, jaren oud is! Gij en ik dienen denzelfden heer, zoo als gij weet, Kapitein Taffril! Wij krijgen onze uitrusting, – en eten en drinken heb ik voor het vragen als ik rondga, of, is er iets buitengewoons te doen, dan kan ik er een paar dagen buiten; want mijn regel is, om nooit te betalen: – zoodat al het geld, dat ik noodig heb, alleen dient om tabak en snuif te koopen, en soms een slokje bij koud weêr, ofschoon ik geen jeneverdrinker ben, al ben ik een oude bedelaar. Dus neem uwe goudstukken terug, en geef mij een blanken schelling.”

Van deze eigenzinnige begrippen, die zoo als Adam zich verbeeldde, ten nauwste in verband stonden met de eer van zijn beroep, was hij niet af te brengen en was noch door drangredenen noch door bidden daartoe te bewegen, en Lovel was dus verplicht, zijne gift weêr op te steken, en een vriendelijk afscheid van den bedelaar te nemen; hij gaf hem dus de hand en betuigde hem zijn hartelijken dank voor den gewichtigen dienst, welken hij hem bewezen had; terwijl hij hem ter zelfder tijd geheimhouding aanbeval van hetgeen zij dien nacht gezien hadden. – „Twijfel daar niet aan,” zeide Ochiltree; „nooit in mijn leven vertelde ik iets uit gindsch hol, ofschoon ik er menig aardig stukje in beleefd heb.”

De boot stak nu in zee. De oude man bleef haar nakijken, terwijl zij snel naar den brik vloog, door de riemen van zes wakkere roeiers gedreven, en Lovel zag hem op nieuw zijne blauwe muts zwaaien tot teeken van afscheid eer hij zich omwendde en zijn weg langzaam langs het strand vervolgde, als om zijne dagelijksche rondzwervingen te hervatten. [152]

[Inhoud]

Tweeëntwintigste Hoofdstuk

Raimond neemt proef op proef, en wijkt niet van ’t fornuis,

Lacht wat met het gevaar, dat ondermijnt zijn huis,

En ziet gerust zijn land in gulden rook verdwijnen.

Een tweede proef mislukt, toch raakt hij niet aan ’t kwijnen;

Een derde geeft nog hoop, die maakt hem moedig, stout,

En doet hem pot en pan toewijden aan het goud.1

Ongeveer eene week na de voorvallen, die wij in het laatste hoofdstuk mededeelden, merkte de heer Oldbuck, toen hij naar zijne ontbijtkamer beneden kwam, dat zijn vrouwvolkje haren plicht niet vervuld had: zijn geroosterd brood was niet gereed, en de zilveren kan, voor zijn bier bestemd, was niet behoorlijk verwarmd.

„Die verwenschte, heethoofdige jongen!” – zeide hij bij zich zelven, „nu dat hij buiten gevaar begint te zijn, kan ik deze wijze van leven niet langer verduren! – Hij brengt alles in de war! Het is, alsof de Saturnalia in mijne vreedzame en geregelde huishouding gevierd werden. – Ik vraag naar mijne zuster; – geen antwoord; ik roep, ik schreeuw, – ik bezweer mijne huisgenooten bij meer namen, dan de Romeinen aan hunne godheden gaven: – eindelijk verwaardigt zich Jenny, wier schelle stem ik reeds een half uur in het onderaardsch verblijf der keuken heb gehoord, om mij te woord te staan; maar zonder naar boven te komen, zoodat het gesprek ten koste van mijne longen moet worden voortgezet.” – Hier verhief hij de stem op nieuw: „Jenny! waar is jufvrouw Oldbuck?”

„De jufvrouw is in de kamer van den kapitein.”

„Dacht ik het niet! – en waar is mijne nicht?”

„Jufvrouw Mary zet thee voor den kapitein!”

„Zoo! ook dat kon ik raden; – en waar is Caxon?”

„Naar de stad, om mijnheers geweer en jachthond te halen!”

„En wie drommel zal mij de pruik opmaken, onnoozel schepsel? – gij weet wel, dat Sir Arthur en freule Wardour dadelijk na het ontbijt komen en hoe kondet gij Caxon op zulk eene dollemans boodschap zenden?”

„Ik! hoe zou ik het beletten? Mijnheer zou toch niet willen, dat ik juist nu den kapitein zou tegenspreken, en de oorzaak van zijn dood zijn?”

„Dood!” riep de verschrikte oudheidkenner, – „hoe – wat? is hij dan erger geworden?”

„Neen, erger is hij niet, dat ik weet!”2

„Dan moet hij beter zijn; – en waartoe zouden hier een hond en een [153]geweer dienen? – de een, om al mijn huisraad te vernielen, de vleeschkast te bestelen, en misschien de kat te plagen, en het ander, om dezen of genen ongelukkige door het hoofd te schieten? – Hij is reeds zóó door geweren en pistolen toegetakeld, dat hij, dunkt mij, het er een tijdlang meê doen kan!”

Hier trad jufvrouw Oldbuck in de kamer, aan welker deur Oldbuck het gesprek voerde, – hij brullende naar de diepte toe, en Jenny hare antwoorden opwaarts krijschende. „Waarde broeder!” zei de oude dame, „gij zult u zoo schor maken als een raaf! – schreeuwt men ook zóó, als er een, zieke in huis is!”

„Op mijn woord, de zieke schijnt het geheele huis in bezit te hebben. Ik heb geen ontbijt gehad, en het laat zich aanzien, dat ik ook zonder pruik moet blijven; en ik durf niet zeggen, dat ik honger en koude voel, uit vrees van den zieken jongen heer te storen, die zich toch wel genoeg bevindt, om zijn hond en zijn geweer te laten halen, ofschoon hij weet, dat ik zulke dingen altijd verfoeid heb, sedert onze oudste broeder, de arme Williewald, deze aarde verliet met een paar natte voeten, die hij in de Kittlefitting-moeras haalde. Maar dat beteekent alles niets; – men verwacht, naar ik veronderstel, dat ik straks de hand zal leenen, om den heer Hector op een draagstoel naar buiten te helpen dragen, om hem in de gelegenheid te stellen, zijne liefde voor de jacht bot te vieren, met mijne duiven en kalkoenen dood te schieten; – de ferae naturae zullen, denk ik, een tijdlang van hem bevrijd blijven.”

Mary M’Intyre trad nu binnen, en begon hare gewone morgentaak, het ontbijt voor haren oom in orde te brengen, met de vlugheid van iemand, die te laat aan het werk gaat en zich spoedt, om den verloren tijd in te halen. Maar dit hielp haar niet. „Wees voorzichtig, onnoozele deern! – het bier is te dicht bij het vuur; – de flesch zal springen, – en ik veronderstel, dat gij het geroosterd brood tot eene kool wilt laten verbranden, als een zoenoffer voor Juno, – of met welken heidenschen naam gij die teef daar noemt, – welke uw wijze broeder, in zijne eerste oogenblikken van rijp nadenken, laat halen als een geschikt lid van mijn huisgezin, (ik bedank hem zeer!) en een geschikt gezelschap, voor het overige vrouwvolkje hier, in het dagelijksch gesprek en den omgang met hem!”

„Lieve oom, wees niet knorrig op het arme dier; het lag geketend in mijn broeders kamer te Fairport, en is tweemaal losgebroken, en hier naar toe komen loopen, om hem op te zoeken; en gij zoudt toch niet willen dat wij het trouwe beest wegjoegen; – het jankt, alsof het eenig besef van Hectors ongeluk had, en is nauwelijks van zijne kamerdeur weg te krijgen.”

„Wel! zij zeiden, dat Caxon naar Fairport gegaan was om den hond en het geweer te halen!”

„O neen, waarde oom, het was om een nieuw verband te halen, en Hector verlangde alleen, dat, nu hij toch ging, hij zijn geweer mede zou brengen.”

„Wel, dan is, alles samengenomen, de boodschap zoo ongerijmd niet, aangezien een pak vrouwen zich daarmede bemoeid hebben; verband, zegt gij? – en wie zal mijne pruik opmaken? – maar ik veronderstel, dat Jenny dat ondernemen zal,” vervolgde de oude heer, terwijl hij zich in den spiegel bekeek. – „En nu laat ons ontbijten, zoo goed wij kunnen. – Wel mag ik tot Hector zeggen, wat Sir Isaäk Newton tegen zijn hond Diamant zeide toen het dier (ik heb een afkeer van honden), het licht omver wierp op berekeningen, die den wijsgeer twintig jaren arbeids gekost hadden, en ze allen [154]verbrandde: „Diamant, Diamant! gij beseft weinig de schade, die gij veroorzaakt hebt!””

„Ik verzeker u, oom, dat het mijn broeder zeer spijt zoo driftig te zijn geweest, en hij bekent, dat de heer Lovel zich zeer goed gedragen heeft.”

„En dat zal veel helpen, nadat hij den jongen van schrik het land heeft doen ruimen! – Ik zeg u, Mary, Hector’s verstand, en veel minder nog dat van eenig vrouwelijk wezen, is in staat om de grootte van het verlies te beseffen, dat hij het tegenwoordige geslacht en de geheele nakomelingschap heeft toegebracht; – aureum quidem opus, – een dichtstuk over zulk een onderwerp! – met ophelderende noten betreffende alles wat klaar en alles wat duister, en alles wat noch duister noch klaar is, maar in de donkere schemering der Caledonische oudheden zweeft! Ik zou de Celtische lofredenaars voorzichtigheid geleerd hebben! – Fingal, zoo als zij stijfhoofdig Fin-Mac-Coul noemen, zou voor mijne navorschingen verdwenen zijn, en zich, als de geest van Loda3, in zijne wolk gehuld hebben. Zulk eene gelegenheid biedt zich zelden ten tweeden male aan een ouden man aan, – en die te verliezen door de dollemans drift van een heethoofdigen jongen! – maar ik onderwerp mij; – ’s Hemels wil geschiede!”

Dus ging de oudheidkenner onder het ontbijt steeds voort met pruttelen, zoo als zijne zuster het noemde; terwijl zijne aanmerkingen, in weêrwil van de suiker en den honig en al de konfijten van eene Schotsche ontbijttafel, het genot daarvan voor al de aanwezigen verbitterde. Maar zij kenden zijn hart. „Monkbarns,” zeide Grizelda Oldbuck, in een vertrouwelijk gesprek met jufvrouw Rebekka Blattergowl, „blaft vinniger, dan hij bijt.”

Hij had zeer veel geleden, zoolang zijn neef zich werkelijk in gevaar bevond, en nu, dat deze begon te herstellen, gevoelde hij zich in staat, om lucht aan zijne klachten te geven over de onrust, die men hem veroorzaakt had, en het storen zijner oudheidkundige bezigheden. Met een eerbiedig stilzwijgen door zijne nicht en zuster aangehoord, uitte hij dan ook zijn misnoegen, knorrende en morrende, zoo als wij beschreven hebben, met menige steek tegen de vrouwen, soldaten, honden en geweren, welke geraasmakende werktuigen van tweedracht en oproer, zoo als hij die noemde, hij verklaarde zoo veel mogelijk te verfoeien.

Het rollen van een rijtuig vóór de deur maakte plotseling een einde aan deze uitboezemingen, en Oldbuck vergat zijne kwade luim, om vlug trap af trap op te loopen, want beide was noodig, eer hij Isabella Wardour en haren vader aan de voordeur kon ontvangen.

Men begroette elkander over en weêr hartelijk; en Sir Arthur, sprekende van de vorige berichten, die hij schriftelijk en mondelings omtrent de gezondheid van Kapitein M’Intyre ingewonnen had, verzocht nader te mogen vernemen, hoe deze zich bevond.

„Beter, dan hij verdient,” was het antwoord; „beter, dan hij verdient, na ons verontrust te hebben met zijne krakeelen en de wetten van God en den koning geschonden te hebben.”

„De jonge man,” zeide Sir Arthur, „is onvoorzichtig geweest; maar wij zijn hem, naar ik verneem, dank schuldig, omdat hij het verdachte karakter van den jongen Lovel ontdekt heeft.” [155]

„Niet meer verdacht, dan het zijne; – de jonge heer was een weinig dwaas en stijfhoofdig, en weigerde op de beleedigende vragen van Hector te antwoorden; – dat is alles! Lovel, Sir Arthur, weet zijne vertrouwelingen beter te kiezen; – ja, freule Wardour, gij poogt mij aankijken zooveel gij wilt, – het is nochtans de zuivere waarheid! Aan mij vertrouwde hij de geheime reden van zijn verblijf te Fairport, en van mijne zijde zal ik niets onbeproefd laten om hem in de onderneming, waaraan hij zich toewijdde, te ondersteunen.”

Toen Isabella Wardour deze stoute verklaring van den oudheidkenner hoorde, veranderde zij meer dan eens van kleur en kon nauwelijks hare ooren gelooven; want van alle menschen, die men tot vertrouweling in eene liefdezaak zoude kunnen kiezen, – en zij moest natuurlijk veronderstellen, dat het medegedeelde van dezen aard geweest was, – scheen haar (na Adam Ochiltree) Oldbuck de minst kiesche en de meest zonderlinge. Ook was zij evenzeer verwonderd en gekweld door den vreemden samenloop van omstandigheden, die dus een geheim van zoo teederen aard in de macht van menschen brachten, zoo weinig geschikt, om er mede bekend te wezen. Zij had daarbij de wijze te duchten, waarop Oldbuck de zaak aan haren vader zou openbaren; want zij twijfelde geenszins, of dit was zijn voornemen. Zij wist zeer goed, dat de eerlijke oude heer, ofschoon bijzonder ingenomen met zijne eigene begrippen, nochtans weinig toegeeflijk was omtrent die van anderen; en zij voorzag een zeer onaangenaam tooneel, als het tusschen de beide heeren tot eene verklaring kwam. Het was dus niet zonder grooten angst, dat zij haren vader om een afzonderlijk gesprek hoorde verzoeken, en Oldbuck vlug zag opstaan en hem den weg naar zijn studeervertrek wijzen. Zij bleef achter en trachtte zich met de dames van Monkbarns te onderhouden; maar met de verstrooide, gejaagde gewaarwordingen van Shakespeare’s Macbeth, als hij, om zijn boos geweten te verbergen, genoodzaakt is, naar de aanwezige hovelingen te luisteren, en hunne aanmerkingen over den storm van den vorigen nacht aan te hooren, terwijl hij met zijne gansche ziel aan den moordkreet hangt, welken hij weet, dat oogenblikkelijk aangeheven zal worden door hen, die zich naar het slaapvertrek van Duncan begeven. – Maar het gesprek van de twee geleerde heeren bepaalde zich tot een geheel ander onderwerp, dan Isabella Wardour gevreesd had.

„Mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, zoodra zij, na behoorlijke weêrkeerige plichtplegingen, deftig in het sanctum sanctorum van den oudheidkenner plaats genomen hadden, – „gij weet zoo veel van mijne huiselijke aangelegenheden, dat gij waarschijnlijk verwonderd zult zijn over de vraag, die ik ga doen.”

„Inderdaad, Sir Arthur, indien het geldzaken betreft, doet het mij zeer veel leed; maar, –”

„Het betreft geldzaken, mijnheer Oldbuck!”

„Waarlijk dan, Sir Arthur,” vervolgde de oudheidkenner, „in den tegenwoordigen staat van de geldmarkt, en daar de fondsen zoo laag staan, –”

„Gij begrijpt mij verkeerd, mijnheer Oldbuck,” zeide de Baronet; „ik wenschte raad, hoe eene groote som gelds op voordeelige wijze te beleggen.”

„De drommel!” riep de oudheidkenner uit; maar tevens gevoelende, dat dit onwillekeurig blijk van verwondering niet al te beleefd was, rechtvaardigde hij het, door zijne vreugde te kennen te geven, dat Sir Arthur eene som gelds te beleggen had op een oogenblik, dat het geld zoo schaarsch was. „En wat de wijze betreft, hoe het te besteden,” vervolgde hij, een [156]oogenblik zwijgende, „de fondsen zijn tegenwoordig laag, zoo als ik reeds zeide, en men kan zeer goede koopjes in landerijen doen. Maar deedt gij niet beter, Sir Arthur, als gij begont met hetgeen gij opgenomen hebt, af te doen? – Daar is eerst uwe schuldbekentenis, – en dan de drie uitgestelde wissels,” – vervolgde hij, terwijl hij uit de lade, aan de rechterhand van zijn kabinet, zekeren rooden portefeuille nam, welks gezicht Sir Arthur, door de ondervinding van vroegere veelvuldige beroepen er op, niet meer verdragen kon, „met de interesten, bedragende te zamen, – laat zien, –”

„Ongeveer duizend pond,” zeide Sir Arthur haastig; „gij gaaft mij onlangs het bedrag op.”

„Maar er is sedert dien tijd een nieuw termijn van de interesten verschenen, Sir Arthur, en het bedraagt (abuizen uitgezonderd), elf honderd en dertig pond, zeven schellingen, en drie vierde stuivers sterling; – maar, zie zelf de optelling na!”

„Ik geloof wel, dat gij volkomen gelijk hebt, waarde heer!” zei de Baronet het boek met de hand wegschuivende, zoo als iemand de ouderwetsche beleefdheid afwijst, die hem iets blijft opdringen, nadat hij meer dan genoeg gebruikt heeft; – „volmaakt gelijk en na verloop van drie dagen, of eerder, zult gij de volle som hebben; – dat is, indien gij die verkiest aan te nemen in ongemunt metaal.”

„Ongemunt metaal! ik veronderstel, dat gij lood bedoelt. Wat drommel! hebben wij dan eindelijk de aâr getroffen? – Maar wat zou ik met duizend pond waarde, en meer, aan lood doen? De voormalige abten van Trotcosey hadden er wellicht hunne kerk en klooster meê belegd; – maar voor mij, –”

„Door metaal” – viel hem de Baronet in de rede, „bedoel ik de edele metalen: – goud en zilver.”

„Zoo waarlijk? – En welk Eldorado zal die schatten opleveren?”

„Een, dat niet ver van hier is,” antwoordde Sir Arthur met veel beteekenis, „en nu ik er aan denk, zult gij de gansche toedracht der zaak vernemen, onder ééne geringe voorwaarde.”

„En die is?” vroeg de oudheidkenner.

„Wel, gij zult mij uw vriendelijken bijstand verleenen, door één honderd pond, of daaromtrent, voor te schieten.”

De heer Oldbuck, die reeds meende het geld in handen te hebben, hoofdsom en al renten van eene schuld, die hij meer dan half opgegeven had, was zoo zeer verwonderd om de kaart dus onverwacht tegen hem gekeerd te zien, dat hij slechts op een toon van teleurstelling en verwondering de woorden herhalen kon: „Honderd pond voorschieten!”

„Ja, mijn waarde heer!” vervolgde Sir Arthur; „maar met de stellige verzekering van binnen twee of drie dagen uw geld terug te ontvangen!”

Er heerschte een oogenblik van stilzwijgen, – hetzij dat Oldbuck nog niet genoegzaam hersteld was om een weigerend antwoord uit te brengen, of dat hem de nieuwsgierigheid deed zwijgen.

„Ik zou u niet voorslaan,” vervolgde Sir Arthur, „om mij dus te verplichten, indien ik niet werkelijk de bewijzen in handen had van de vervulling der verwachtingen, die ik u thans mededeel. En ik verzeker u, mijnheer Oldbuck, dat ik u die alleen mededeel als een bewijs van mijn vertrouwen, en om u te toonen hoe diep ik de goedheid besef, die gij bij zoo vele vroegere gelegenheden gehad hebt.”

De heer Oldbuck gaf zijne verplichting te kennen; maar vermeed zorgvuldig, zich door eenige belofte tot verderen bijstand te verbinden. [157]

„De heer Dousterswivel,” ging sir Arthur voort, „ontdekt hebbende, –”

Hier viel Oldbuck hem in de rede, terwijl zijne oogen van verontwaardiging fonkelden. „Sir Arthur, ik heb u zoo dikwijls voor dien bedriegelijken kwakzalver gewaarschuwd, dat ik waarlijk verwonderd ben, u hem in mijn bijzijn te hooren noemen.”

„Maar luister eens, – luister eens,” riep Sir Arthur op zijne beurt, „dat kan u geen kwaad! Met één woord: Dousterswivel overreedde mij, eene proef bij te wonen, die hij nemen wilde in de bouwvallen van St. Ruth, – een wat denkt gij, dat wij vonden?”

„Een anderen waterput, veronderstel ik, van welks ligging de schurk zich te voren zorgvuldig verzekerd had.”

„Neen, neen! – een kistje met gouden en zilveren munten! – hier zijn ze!”

Ter zelfder tijd haalde Sir Arthur een grooten ramshoren met koperen deksel uit zijn zak, dat een aanmerkelijk aantal muntstukken bevatte, vooral zilveren, maar ook eenige gouden. De oogen van den oudheidkenner glinsterden, terwijl hij ze ongeduldig over de tafel verspreidden.

„Op mijn woord, – Schotsche, Engelsche en vreemde munten van de vijftiende en zestiende eeuw, en eenige er van rari, – et rariores, – etiam rarissimi – Hier is een stuk van Jakob V, – de eenhoren van Jakob II, – ei! en de gouden penning van Koningin Maria, met haar hoofd en dat van den Dauphin. – En deze werden in de bouwvallen van St. Ruth gevonden?”

„Wel zeker! – ik heb het met eigen oogen gezien.”

„Wel,” hernam Oldbuck, „maar gij moet mij mededeelen het wanneer, het wáár, – het hoe, –”

„Het wanneer –” antwoordde Sir Arthur – „was te middernacht bij de laatste volle maan; – het wáár, zoo als ik u gezegd heb, in de bouwvallen van St. Ruth, – het hoe, was door eene nachtelijke proef van Dousterswivel, alleen door mij bijgewoond.”

„Inderdaad!” riep Oldbuck, „en welke middelen ter ontdekking hebt gij gebezigd?”

„Slechts eene eenvoudige berooking,” zeide de Baronet, „die van kracht was, omdat wij ons van het juiste planeetuur bedienden.”

„Eenvoudige berooking? eenvoudige ongerijmdheid! – planeetuur? planeetonzin! – sapiens dominabitur astris. – Mijn waarde Sir Arthur, die vent heeft een uil van u gemaakt boven den grond en onder den grond, en hij zou ook nog een uil van u gemaakt hebben in de lucht, als hij er bij geweest ware, toen gij opgeheeschen werd te Halket-head; – toen ware de verandering bijzonder à propos geweest!”

„Wel, mijnheer Oldbuck, ik ben u zeer verplicht voor de vleiende gedachte, die gij van mijn doorzicht hebt; maar gij zult, denk ik, gelooven dat ik gezien heb, wat ik beweer dat ik zag!”

„Zonder twijfel, Sir Arthur!” zei de oudheidkenner, „in zoo verre ten minste, dat ik zeer wel weet, dat Sir Arthur Wardour niet zal zeggen iets gezien te hebben, dat hij zich niet verbeeld heeft te zien.”

„Nu dan,” antwoordde de Baronet, „zoo zeker, als er een hemel boven ons is, mijnheer Oldbuck, zag ik met eigen oogen deze munten opdelven te middernacht, in het koor van St. Ruths kerk. – En wat Dousterswivel betreft, ofschoon de ontdekking aan zijne wetenschap te danken is, zoo geloof ik echter, om u de waarheid te zeggen, dat hij den moed niet zou gehad hebben, om ze door te zetten, als ik niet bij hem geweest ware!” [158]

„Zoo! inderdaad!” zeide Oldbuck, op den toon van iemand, die het einde van een verhaal wenscht te hooren, eer hij eenige aanmerking daarover maakt.

„Ja, waarlijk,” vervolgde Sir Arthur, „ik verzeker u, dat ik op mijne hoede was; – wij hoorden ook eenige zeer vreemde geluiden van tusschen de bouwvallen.”

„O, zoo?” zeide Oldbuck, „zeker een van zijne makkers daaronder verstopt?”

„Volstrekt niet,” zei de Baronet; „de klanken, ofschoon van schrikbarenden en bovennatuurlijken aard, geleken veeleer op het geluid van iemand, die hard niest, dan op iets anders; – daarbij hoorde ik nog duidelijk een diepen zucht, – en Dousterswivel verzekerde mij, dat hij den geest Peolphan, den grooten jager van het Noorden, zag, (sla over hem uw Nicolaus Remigius, of uw Petrus Thyracus na, mijnheer Oldbuck), die deed alsof hij een snuifje nam, en toen niesde.”

„Deze geluiden, hoe zonderling ook, bij zulk een wezen, schijnen zeer á propos geweest te zijn,” zei de oudheidkenner; „want gij ziet, dat het kistje, waarin zich de munten bevinden, het voorkomen heeft van eene oude Schotsche snuifdoos. Maar gij hield vol, in weêrwil van de verschrikkelijkheden van dit niezend spook?”

„Wel, ik geloof dat iemand van minder verstand of karakter zich zou hebben laten afschrikken; maar ik wilde mij niet laten bedriegen; ik ben het aan mijn naam verschuldigd, om in alle omstandigheden moed te behouden, en dus noodzaakte ik Dousterswivel wel, door ernstige en hevige bedreigingen, om voort te gaan met hetgeen hij verrichtte; en, mijnheer, hij gaf blijken van zijne bekwaamheid en eerlijkheid door het ontdekken van deze gouden en zilveren stukken, waaruit ik u verzoek die munten te kiezen, welke u het best in uwe verzameling te pas komen.”

„Wel, Sir Arthur, daar gij zoo goed zijt, en onder voorwaarde, dat gij mij vergunt, er de waarde van, volgens Pinkerton’s opgave en waardeering, tegen uwe rekening in mijn rood boekje aan te teekenen, zal ik gaarne, –”

„Neen!” zeide Sir Arthur Wardour, „ik wenschte, dat gij ze niet anders beschouwdet, dan als een blijk mijner vriendschap, en het minst van alles zou ik mij willen houden aan de waardeering van uw vriend Pinkerton, die het gezag bestreden heeft der oudste en geloofwaardigste schrijvers, op wie, als op eerbiedwaardige en met mos begroeide zuilen, het aanzien van onze Schotsche oudheden rust.”

„Zoo, zoo,” hernam Oldbuck, „gij bedoelt waarschijnlijk Maire en Boece, den Jachin en den Boas, niet der geschiedenis, maar van de vervalsching en van het bedrog. En niettegenstaande al wat gij mij verhaald hebt, beschouw ik uw vriend Dousterswivel als even weinig geloofwaardig als één van hen.”

„Wel nu, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „om geene oude twisten op te rakelen, gij denkt, naar ik veronderstellen moet, dat het mij, dewijl ik aan de oude geschiedenis van mijn vaderland geloof, aan oogen en ooren ontbreekt, om zeker te zijn van de gebeurtenissen, die onder mijne oogen voorvallen?”

„Vergeef, mij, Sir Arthur!” antwoordde de oudheidkenner; „maar ik beschouw al de blijken van schrik, welke deze waardige heer, uw collaborator, verkoos voor te wenden, slechts als een gedeelte van zijne rol. En, wat de gouden en zilveren munten betreft, deze leveren zulk een mengelmoes op van verschillende landen en dagteekening, dat ik die onmogelijk voor een verborgen schat houden kan, maar veeleer veronderstel, dat ze gelijk zijn aan de beurzen op de tafel van Hudibras’ pleitbezorger: [159]

„Geld ten toon gespreid, als eieren in een nest,

Om cliënten aan te halen

En valschen raad te doen betalen.”

„Dergelijke kunstjes zijn in ieder beroep bekend, waarde Sir Arthur! Maar, mag ik u vragen, hoeveel kost deze ontdekking?”

„Ongeveer tien guinjes.”

„En gij hebt de wezenlijke waarde gekregen van twintig guinjes in ongangbare munten, en zoo veel meer nog, als ze daarenboven waard mogen zijn voor zulke dwazen als wij, die de zeldzaamheid er van betalen. Dit, moet ik veronderstellen, was een lokaas, om er bij de eerste gelegenheid partij van te trekken. En wat stelt hij u nu voor te wagen?”

„Honderdenvijftig pond; ik heb hem een derde gedeelte van het geld gegeven, en met het overige, dacht ik, zoudt gij mij kunnen bijstaan.”

„Dit dunkt mij kan de laatste slag niet wezen; – het is te weinig en niet beduidend genoeg; waarschijnlijk laat hij ons ook nog dezen keer winnen, zoo als fijne spelers soms met een onervarene doen. – Sir Arthur, gij gelooft, hoop ik, dat ik u gaarne van dienst zou zijn?”

„Zeker, mijnheer Oldbuck, ik verbeeld mij, dat mijn vertrouwen in u bij deze gelegenheid daaromtrent geen twijfel over laat.”

„Nu dan, sta mij toe, dat ik met Dousterswivel spreek. Indien het geld tot uw nut en voordeel kan worden voorgeschoten, zult gij er als oude buurman, niet om verlegen blijven; maar indien ik, zoo als ik me verbeeld, den schat voor u ontdekken kan zonder een dergelijk voorschot, zult gij, veronderstel ik, er niets tegen hebben?”

„Dat is aan geen bedenking onderhevig; ik kan er niets hoegenaamd tegen hebben!”

„Nu dan! Waar is Dousterswivel?” vervolgde de oudheidkenner.

„Om u de waarheid te zeggen, hij is in mijn rijtuig, voor de deur; maar daar ik wist, dat gij tegen hem ingenomen waart, –”

„Dank zij den Hemel! ik ben tegen niemand ingenomen, Sir Arthur! Stelsels, en geene bijzondere personen zijn het, die ik bestrijd.”

Hij schelde. „Jenny, Sir Arthur en ik zenden onze complimenten aan mijnheer Dousterswivel, den heer in Sir Arthur’s rijtuig, en verzoeken om het genoegen van zijn gezelschap.”

Jenny vertrok en bracht de boodschap over. Het was geenszins het plan van Dousterswivel geweest den heer Oldbuck tot deelgenoot van zijn voorgewend geheim te maken. Hij had gerekend, dat Sir Arthur de noodige bijdrage zou kunnen krijgen, zonder eenigen uitleg over de wijze, waarop die besteed zou worden, en hij wachtte beneden slechts met het oogmerk, om zich zoodra mogelijk in het bezit van geld te stellen, daar hij wel voorzag, dat zijne rol ten einde liep. Nu echter uitgenoodigd, om in de tegenwoordigheid van Sir Arthur en van den heer Oldbuck te verschijnen, besloot hij kloekmoedig zich op de kracht zijner onbeschaamdheid te verlaten, waarmede de lezer zal hebben opgemerkt, dat hem de natuur zeer mild bedeeld had. [160]


1 De schrijver herinnert zich niet meer waar hij deze regels gelezen heeft; misschien in de satiren van Bisschop Hall. W. S. 

2 Het schijnt eene gewetenszaak onder de lagere standen in Schotland, om ooit te bekennen, dat een patiënt beter wordt. Het meeste, dat zij ooit toegeven, is, dat „hij niet erger is!” W. S. 

3 Loda (Odin), onder de eerstgemelde benaming dikwijls voorkomende in de gedichten van Fingal en Ossian. 

[Inhoud]

Drieëntwintigste Hoofdstuk

– En deze doctor,

Uw vuile en berookte medgezel, hij

Zal u een’ pot vullen met goud,

En straks tegen het andere verwisselen,

Met vluchtig kwik, dat het in de hitte barsten zal

En verdwijnen in fumo.….

De alchimist.

„Hoe bevindt zich de goede heer Oldenbuck? en ik hoop dat Uwé’s jonge heer, de Kapitein M’Intyre, weder beter is? – Ach! het is geene goede zaak, als jonge heeren zich looden kogels in het lijf jagen!”

„Alle soorten van ondernemingen in lood zijn zeer gewaagd, mijnheer Dousterswivel! maar het is een geluk voor mij,” vervolgde de oudheidkenner, „van mijn vriend, Sir Arthur, te vernemen, dat gij een beter beroep bij de hand genomen hebt, en een goudontdekker geworden zijt.”

„Ach, mijnheer Oldenbuck! mijn goede en geëerde patroon moest van deze kleine zaak niet één woord gesproken hebben; want hoewel ik alle mogelijke vertrouwen op des goeden heeren Oldenbuck’s voorzichtigheid en discretie heb, en op zijne groote vriendschap voor Sir Arthur Wardour, toch, mijn hemel! het is een groot en zwaar geheim!”

„Zwaarder, dan één der metalen, die wij er door ontdekken zullen, vrees ik,” antwoordde Oldbuck.

„Dat hangt alleen af van Uwé’s geloof en geduld bij het groot experiment. – Als Uwé zich vereenigt met Sir Arthur, en als hij honderd en vijftig pond er aan waagt, – zie hier een ellendige Fairport banknoot, voor vijftig pond; – als Uwé, zeg ik nog honderdvijftig pond in ellendige banknoten er bij legt, zal Uwé zuiver goud en zilver hebben; – en hoeveel kan ik niet zeggen.”

„En niemand anders ook, geloof ik,” zei de oudheidkenner. „Maar hoor eens, mijnheer Dousterswivel, verondersteld, dat wij, zonder dien niezenden geest verder door eenige berookingen te storen, gezamenlijk, onder begunstiging van het helder daglicht en ons goed geweten, met geene andere werktuigen ter bezwering dan goede, stevige houweelen en schoppen, naar de bouwvallen van St. Ruth gingen, en de oppervlakte van het koor ter dege, van het eene einde tot het andere omspitten, en ons alzoo omtrent het bestaan van den veronderstelden schat verzekerden, zonder eenige verder onkosten te maken; – de bouwvallen behooren aan Sir Arthur zelven toe, dus kan dit geene zwarigheid opleveren: – wat dunkt u? Zouden wij slagen, als wij de zaak op die wijze behandelen?”

„Bah! geen koperen vingerhoed zal Uwé vinden! Maar Sir Arthur kan doen wat hem goed dunkt; – ik heb hem laten zien, hoe het mogelijk is een groot kapitaal te verkrijgen; – belieft het hem dat niet te gelooven, dat kan Herman Dousterswivel niet schelen; Sir Arthur verliest alleen het geld, en het goud en het zilver, – meer niet!”

Sir Arthur wierp een benauwden blik op Oldbuck, die, als hij tegenwoordig [161]was, een meer dan gewonen invloed op hem uitoefende, hoe dikwijls beiden ook van gevoelen verschilden. De Baronet wist inderdaad, wat hij echter niet gaarne zou hebben toegestemd, dat zijn verstand te kort schoot bij dat van den oudheidkenner. Hij had ontzag voor diens redelijken, scherpen, spotachtigen geest; hij vreesde zijn bijtenden scherts, en had ook vertrouwen op zijn algemeen gezond oordeel. Hij keek hem dus aan, als om zijne toestemming te vragen, om aan zijne eigene lichtgeloovigheid gehoor te geven. Dousterswivel ontwaarde, dat de onnoozele Baronet op het punt stond van hem te ontsnappen, en trachtte dus op zijn raadsman te werken.

„Ik weet, mijn goede heer Oldenbuck, dat het te vergeefsch is, met Uwé over geesten en spoken te redeneeren. Doch bezie slechts dezen curieuzen horen; ik weet, dat Uwé die curiositeiten van alle landen kent, en u herinnert hoe de groote Oldenburgsche horen, die nog in het Museum te Kopenhagen bewaard wordt, aan den Hertog van Oldenburg door een vrouwelijken geest gegeven werd; zoodat ik, zelfs als ik het wilde, Uwé niet zou bedriegen kunnen, – Uwé, die alle curiositeiten zoo wel kent; en daar is het horen vol munten; – ware het eene doos, een kistje, ik had geen woord meer daarover te zeggen.”

„Dat het een horen is,” zeide Oldbuck, „zet voorwaar uw gezegde kracht bij. Hij was reeds door de natuur gefatsoeneerd, en daarom zeer veel in gebruik bij onbeschaafde volkeren, ofschoon misschien de horen in een overdrachtelijken zin meer in de mode kwam, naarmate de beschaving vorderingen maakte. En deze horen hier,” vervolgde hij, terwijl hij dien op zijne mouw wreef, „is een zeldzaam en eerbiedwaardig overblijfsel der oudheid, en zonder twijfel bestemd, voor den een of ander een cornu-copia, of horen van overvloed te worden; maar, òf voor den goudzoeker, òf voor zijn patroon, daaromtrent mag men recht twijfelen.”

„Wel, mijnheer Oldenbuck! ik vind Uwé nog immer zwaar van geloof. – Doch die monniken, dat kan ik Uwé verzekeren, kenden het Magisterium.”

„Laat ons van het Magisterium liever zwijgen, mijnheer Dousterswivel, en een weinig aan den Magistraat denken. Weet gij, dat deze uwe bezigheid strijdig is met de wetten van Schotland, en dat wij beiden, Sir Arthur en ik, vrederechters zijn?”

„Mijn hemel! en wat doet dat er toe, als ik de heeren alleen van dienst wil wezen?”

„Hoe! gij moet weten, dat, toen de wetgeving de wreede wetten tegen de tooverij afschafte, zij zich geenszins vleide met de hoop om de bijgeloovige gevoelens der menschheid te vernietigen, waarop dergelijke hersenschimmen gegrond waren! – en om te voorkomen, dat listige bedriegers misbruik van dergelijke gevoelens zouden maken, is er, in het negende jaar van de regeering van George II, Hoofdst. 5 zijner wetten, bepaald, dat al wie voorgeven zal, door zijne bedrevenheid in eenige geheime wetenschap, verloren, gestolen, of verborgen goed te ontdekken, met tepronkstelling en gevangenis, als een gemeene oplichter en bedrieger, zal gestraft worden.”

„En spreekt zóó de wet?” vroeg Dousterswivel met eenige ontroering.

„Gij zult die zelf zien!” antwoordde de oudheidkenner.

„Dan, mijne heeren, wil ik afscheid van u nemen; ik verlang niet te pronken zoo als Uwé het bedoelt, – dat is eene zeer onaangename wijze om een luchtje te scheppen, naar ik mij verbeeld; en in Uwé’s gevangenis heb ik nog veel minder zin; want daarin kan men in het geheel geene lucht krijgen.” [162]

„Als gij dat gevoelt, mijnheer Dousterswivel, raad ik u te blijven, waar gij zijt; want ik kan u niet laten gaan, dan in het gezelschap van een agent van policie; en, daarenboven, verwacht ik, dat gij ons nu zult vergezellen naar de bouwvallen van St. Ruth, en ons de plaats aanwijzen, waar gij u verbeeld dien schat te vinden.”

„Mijn hemel! mijnheer Oldenbuck! zoo maakt men het toch niet met een ouden vriend, en ik zeg Uwé ronduit, dat, wanneer Uwé nu daarheen gaat, Uwé niet eens een zesstuiversstuk zult vinden.”

„Ik zal toch de proef nemen, en gij zult behandeld worden, naar dat ze uitvalt; – altijd met Sir Arthurs verlof!”

Sir Arthur had gedurende dit onderzoek zeer verlegen gestaan. Oldbuck’s hardnekkig ongeloof deed hem het bedrog van Dousterswivel sterk vermoeden, en de goudzoeker had zijne zaak lang niet zoo bedaard en dapper verdedigd, als hij verwacht had. Evenwel verzaakte hij hem niet geheel.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de Baronet, „gij zijt niet geheel rechtvaardig omtrent den heer Dousterswivel. Hij heeft aangenomen, om de ontdekking te doen met behulp van zijne kunst, en door gebruik te maken van den bijstand der onzichtbare wezens, die gesteld zijn over het planeetuur, waarin de proef moet ondernomen worden; en gij vergt van hem, onder bedreiging van straf, dat hij die nu zal doen, zonder hem eenig gebruik der middelen te vergunnen, die hij er voor noodig acht om te slagen.”

„Dit zeide ik juist niet; – ik verlang slechts van hem, dat hij tegenwoordig zij, als wij het onderzoek doen, en dat hij ons intusschen niet verlate. Ik vrees, dat hij eenige verstandhouding heeft met de wezens waarvan gij spreekt, en dat hetgeen nu te St. Ruth mocht verborgen zijn, verdwijnen kon, eer wij er heen komen.”

„Wel, mijne heeren!” zei Dousterswivel verdrietig, „ik wil zonder zwarigheid met u gaan; doch ik zeg het u te voren, Uwé zult niets vinden, om uwe moeite te beloonen.”

„Wij willen er de proef van nemen,” zei de oudheidkenner; en men gaf bevel om het rijtuig van den Baronet in te spannen, terwijl Isabella Wardour van haren vader de boodschap kreeg, te Monkbarns te toeven, tot hij van zijn uitstap zou zijn terug gekeerd. De jonge dame gaf zich eenige vergeefsche moeite, om deze beschikking met het gesprek overeen te brengen, dat, naar zij veronderstelde, tusschen Sir Arthur en den oudheidkenner moest plaats gehad hebben, maar zag zich voor het oogenblik genoodzaakt, in onzekerheid achter te blijven.

Overigens was de rid der schatgravers droefgeestig genoeg. Dousterswivel bewaarde een somber stilzwijgen, daar zijne gedachten vervuld waren met zijne teleurgestelde verwachting en de straf, die hem dreigde; – Sir Arthur, wiens gouden droomen langzamerhand verdwenen waren, dacht, in somber gepeins verdiept, over naderende ongelukken na; en Oldbuck, die begreep, dat eene zoo krachtdadige bemoeiing met de zaken van zijn buurman dezen het recht gaf, om eenigen bijstand van hem te verwachten, overlegde in hoe ver hij genoodzaakt zou wezen, zijne beurs te openen.

Terwijl zij dus alle drie in onaangename beschouwingen verzonken waren, werd er ter nauwernood een woord gewisseld, tot zij bij de herberg van de Vier Hoefijzers aankwamen. Hier voorzagen zij zich van de noodige hulp en werktuigen voor hunne opdelvingen, en terwijl zij met deze toebereidselen bezig waren, voegde zich de oude bedelaar Ochiltree onverwachts bij hen.

„Zoo! – God zegene u, edele heeren, en schenke u een lang leven! – [163]ik ben blij te hooren, dat de jonge Kapitein M’Intyre weldra weêr op de been zal zijn. – Gedenkt heden den armen grijsaard!”

„Wel, oude vriend,” zei Oldbuck, „gij zijt niet meer te Monkbarns gekomen, sedert uwe gevaren tusschen land en water: – hier is iets voor u om snuif te koopen;” – en, terwijl hij naar de beurs tastte, trok hij ter zelfder tijd den horen uit den zak, waarin zich de munten bevonden.

„Ei! en daar is iets, om de snuif in te doen,” zei de bedelaar den ramshoren ziende; – „dat stuk is een oude kennis van mij. Met eede zou ik die snuifdoos onder een duizendtal herkennen; – menig jaar heb ik die bij mij gedragen, tot ik ze tegen deze blikken doos met den ouden George Glen, den mijnwerker, verruilde, toen hij er te Glen-Withershins zin in kreeg.”

„Zoo! inderdaad?” zeide Oldbuck; – „dus hebt gij dien met een mijnwerker verruild! maar ik veronderstel, dat gij hem nooit te voren zóó gevuld hebt gezien?” – ter zelfder tijd opende hij den horen en toonde hem de munten.

„Dat is waar, Monkbarns! – toen die mij toebehoorde, heb ik er nooit meer, dan voor de waarde van zes stuivers zwarte rappé te gelijk in gehad; maar gij zult er eene oudheid van maken, zoo als gij van zoo veel andere dingen gedaan hebt, die tot niets anders goed zijn. Ik wilde wel dat de een of ander ook eene oudheid van mij maakte; maar menigeen stelt meer belang in oude stukken koper, en horen en erts, dan in een ouden kerel uit zijn eigen land en volk.”

„Gij kunt nu gissen,” zeide Oldbuck, zich tot Sir Arthur wendende, „aan wien gij verleden nacht verplichting hadt. Het nasporen van deze cornu copia tot in de handen van een mijnwerker, brengt het tamelijk dichtbij die van onzen vriend; – ik hoop, dat wij heden morgen even gelukkig slagen zullen, zonder er iets voor te betalen.”

„En waarheen gaan vandaag de heeren,” vroeg de bedelaar, „met de houweelen en schoppen? – Dat is zeker weêr een zet van u, Monkbarns! gij zijt er op uit, om eenige van die oude monniken daar uit hunne graven op te halen vóór den dag der opstanding; – maar ik zal u in elk geval volgen, en zien wat gij er van maakt.”

Het gezelschap kwam weldra bij de bouwvallen van de abdij aan, en hield in het koor stil, om te overleggen, in welke richting men beginnen zou. De oudheidkenner wendde zich intusschen tot den goudzoeker.

„Mag ik vragen, mijnheer Dousterswivel, hoe gij er over denkt? – zullen wij, naar alle waarschijnlijkheid, het best slagen met van het westen naar het oosten, of wel van het oosten naar het westen te graven? – of wilt gij ons bijstaan met uw driehoekig fleschje met meidauw, of met uwe tooverroede? of zult gij de goedheid hebben van ons te voorzien met eenige hoogdravende, bulderende kunsttermen, die, als ze bij de tegenwoordige verrichtingen niet baten, toch noch van dienst kunnen zijn voor degenen onder ons, die het geluk niet hebben van ongetrouwd te wezen, om hunne schreeuwende kinderen daarmede stil te maken?”

„Mijnheer Oldenbuck!” zeide Dousterswivel gemelijk, „Ik heb het reeds gezegd, Uwé zult niets goed doen, en voor uwe complimenten zal ik wel een middel vinden, om u later te bedanken – ja, dat zal ik!”

„Als de heeren voornemens zijn, den grond op te graven,” zei de oude Adam, „en den raad van eene arme ziel willen aannemen, zou ik met dien grooten steen beginnen, waarop een liggende man afgebeeld is.” [164]

„Ik heb zelf eenige reden, om goede gedachten van dat plan te hebben,” zei de Baronet.

„En ik,” – zeide Oldbuck, – „heb er niets tegen in te brengen: het was niet ongewoon, de schatten in de graven der afgestorvenen te verbergen: – men zou vele voorbeelden daarvan kunnen aanhalen, uit Bartholinus en anderen.”

De grafzerk, dezelfde, waaronder de munten door Sir Arthur en den goudzoeker gevonden waren, werd weder opgelicht, en de grond week gemakkelijk voor de spade.

„Het is nieuw bewerkte grond,” zeide Adam, „en gemakkelijk om hem om te spitten: – dat weet ik wel; want ik werkte eens een zomer bij den ouden Willem Winnet, den doodgraver, en heb meer dan één graf in mijn tijd gemaakt; maar ik verliet hem ’s winters; want het was zeer koud werk; en toen kregen wij eene groene kersmis, en het volk stierf als de muizen; – want gij weet, eene groene kersmis maakt een vet kerkhof; – en ik was nooit, mijn leven lang, tegen harden arbeid bestand; – dus trok ik af en liet Willem zijne laatste woningen alleen graven.”

De spitters waren nu ver genoeg met hun arbeid gevorderd, om te ontdekken, dat de zijden van het graf, hetwelk zij opruimden, aanvankelijk voorzien waren geweest met vier muren van ruwen steen, een langwerpig vierkant vormende, waarschijnlijk ter opname van de doodkist.

„Het is de moeite waard met onzen arbeid voort te gaan,” zei de oudheidkenner, „al ware het alleen uit nieuwsgierigheid. Het zal mij benieuwen te zien, aan wiens graf men zoo buitengewoon veel moeite heeft besteed.”

„Het wapen en het schild,” zeide Sir Arthur met een zucht, „zijn dezelfde als die op Misticot’s toren, welke men veronderstelt dat door Malcolm den overweldiger gebouwd werd. Niemand weet, waar hij begraven is, en er bestaat nog eene oude voorspelling in onze familie, die ons niets goeds belooft, als men zijn graf ontdekt.”

„Ik weet het,” zei de bedelaar, „ik heb het dikwijls gehoord, toen ik nog een kind was:

„Coemt Malcolm Misticot syn graft oyt aen de sonne,

Is ’t lant van Knockwinnock verlore ende ghewonne.”

Oldbuck lag reeds met den bril op den neus op de grafzerk geknield, en trachtte, gedeeltelijk met het oog, gedeeltelijk met den vinger, het vermolmde wapenschild na te gaan, dat bij de beeldtenis van den afgestorven krijgsman uitgehouwen was. „Het is zeker genoeg,” riep hij uit, „het wapen der Knockwinnock’s, met dat der Wardour’s er bij.”

„Richard, bijgenaamd Wardour met de roode hand,” zeide Sir Arthur, „huwde met Sybilla Knockwinnock, de erfgename van het Saksische geslacht, en door deze verbintenis gingen het kasteel en de landerijen over op de Wardours, in het jaar 1150.”

„Juist, Sir Arthur! en hier is de noodlottige balk, het teeken van onechtheid, dwars over de beide wapens. Waar zijn onze oogen geweest, dat wij dit belangrijke gedenkstuk niet al lang geleden ontdekt hebben?”

„Ei ja! waar lag liever de grafsteen, dat hij ons niet vroeger onder de oogen gekomen is?” zei Ochiltree; „want ik heb deze oude kerk, als man en kind, reeds meer dan zestig jaren gekend, en ik heb de zerk nooit te voren gezien, en ze is toch zoo klein niet, dat men ze licht voorbijgaan zou.”

De omstanders werden dus op den vroegeren toestand der bouwvallen in [165]dien hoek van het koor opmerkzaam gemaakt, en allen kwamen overeen, dat zij zich een grooten puinhoop herinnerden, welken men had moeten wegruimen, om den grafsteen zichtbaar te maken. Sir Arthur had zich, wel is waar, hebben kunnen te binnen brengen, het gedenkstuk bij de vorige gelegenheid gezien te hebben; waar hij was te zeer ontroerd geweest, om zich die omstandigheid te herinneren.

Terwijl men zich dus bezig hield met deze herinneringen en redeneeringen, gingen de werklieden niet hun arbeid voort, en daar het uitwerpen der aarde hoe langer zoo moeielijker werd, begon hun de taak ten laatste te vervelen.

„Wij zijn nu tot op den grond,” zei een hunner, „en er is noch kist, noch iets anders hier; – deze of gene slimme vogel zal ons vóór geweest zijn;” en de arbeider klom uit het graf.

„Kom, jongen!” zeide Adam, terwijl hij in zijne plaats in het graf klom; „laat ik eens zien, wat een oude doodgraver kan: – gij kunt goed zoeken, maar slecht vinden.”

Zoodra hij in het graf was, stiet hij zijn staf zoo diep hij kon in den grond benedenwaarts: – hij vond weêrstand, en de bedelaar riep, even als een schooljongen, als hij wat vindt: „Deelen doe ik niet: – alles mijn! Half part doe ik niet!”

Een ieder, van den ter neêrgeslagen Baronet af, tot den misnoegden goudzoeker toe, werd nu door den geest van nieuwsgierigheid bezield; allen verdrongen zich rondom het graf en zouden er in gesprongen zijn, als het ruim genoeg geweest ware, om hen gezamenlijk te bevatten. De werklieden, die in hun vervelenden en waarschijnlijk hopeloozen arbeid begonnen waren te verflauwen! grepen weder naar hunne gereedschappen, en gebruikten ze met den meesten ijver. Hunne schoppen stieten weldra op eene harde houten oppervlakte, die, toen de aarde er van opgeruimd was, den duidelijken vorm aannam van eene kist, welke echter veel kleiner was dan eene doodkist. Dadelijk waren allen in de weer, om ze uit het graf te lichten, en terwijl ze opgeheven werd, verhieven zich alle stemmen over de zwaarte, en voorspelden de waarde er van. Zij hadden zich niet vergist.

Zoodra de kist op den grond geplaatst en het deksel door een houweel er afgebroken was, vond men eerst een omhulsel van grof linnen, dan eene groote hoeveelheid werk, en daaronder eene menigte zilveren staven. Een algemeene vreugdekreet begroette eene zoo verrassende en gewenschte ontdekking. De Baronet hief handen en oogen ten hemel, met de stille verrukking van iemand, die zich van eene onuitsprekelijke kwelling des geestes bevrijd vindt. Oldbuck, die nauwelijks zijne oogen gelooven kon, ligtte het eene stuk zilver na het andere op. Er was geen opschrift op te vinden, noch eenig merk, behalve slechts op één, dat Spaansch scheen te zijn. Aan de echtheid en groote waarde van den schat, die vóór hem lag, kon hij niet meer twijfelen; evenwel legde hij stuk voor stuk ter zijde, en vergeleek de lagen met elkander, verwachtende, dat de onderste van mindere waarde zouden zijn; maar ook te dezen opzichte kon hij geen onderscheid vinden, en hij moest eindelijk bekennen, dat Sir Arthur nu in het bezit was van staven, ter waarde van ten minste duizend pond sterling. Sir Arthur beloofde nu eene ruime belooning aan de werklieden voor hunne moeite, en begon reeds met zijn vriend te overleggen, hoe dezen rijken buit naar het kasteel van Knockwinnock over te brengen, toen de goudzoeker, van zijne verwondering, welke niet minder dan die van al de overige leden van het gezelschap geweest was, eindelijk hersteld, Sir Arthur zachtjes aan de mouw trok, hem [166]zijne nederige gelukwenschingen bracht, en zich dadelijk daarop met een zegevierenden blik tot Oldbuck wendde.

„Ik zeide Uwé, mijn goede vriend, heer Oldenbuck, dat ik gelegenheid zoeken wilde, om Uwé voor Uwé’s hoffelijkheid te bedanken; nu, dunkt het Uwé niet, dat ik daartoe een goed middel gevonden heb?”

„Hoe! gij, mijnheer Dousterswivel? Gij verbeeldt u iets tot onzen voorspoed bijgedragen te hebben! – Gij vergeet, dat gij ons den bijstand van uwe wetenschap weigerdet, man! En gij zijt ook hier zonder de wapens, die de overwinning verzekeren moesten, welke gij nu voorgeeft, te hebben behaald. Gij hebt noch tooverij, noch talisman, noch bezwering, noch kristal, noch geheimzinnige figuren gebruikt. Waar zijn uwe Abraxas en Abrakadabra’s?1

„Uw pad, uw kraai, uw draak, en uw panter,

Uw zon, uw maan, firmament, dierenkring,

Uw Lato, Azoch, Zernich, Chibrit, Heautarit,

Uw kooksels en toestel, met tooverroede en ring,

Te talrijk om hier op te noemen? –

„O, voortreffelijke Ben Jonson! lang moge uwe asch in vrede rusten; gij geesel der kwakzalvers van uwe dagen! – wie had kunnen denken hen weêr te zien opstaan in de onze?”

Het antwoord van den goudzoeker op dezen uitval van den oudheidkenner moeten wij tot ons volgend hoofdstuk bewaren.


1 Beide oude tooverformulieren van dezelfde waarde; de letters van Abraxas moeten het getal 365 bevatten, volgens Vos, 1802. Over Abrakadabra zie Stephanus Woordenb. &c. 

[Inhoud]

Vierentwintigste Hoofdstuk

Claude. Nu zult gij den Koning kennen van ’s bedelaars schat; –

Ja – eer ’t morgen is, zult ge hier een toevlucht vinden, –

Stel mij niet te leur; want, leef ik, dan vergelde ik het u!

’s Bedelaars bosch.

De goudzoeker, besloten, naar het scheen, van het voordeel gebruik te maken, dat de ontdekking hem opgeleverd had, antwoordde met veel trots en deftigheid op den aanval van den oudheidkenner: „Mijnheer Oldenbuck! dat alles mag zeer geestig en aardig zijn; maar ik zeg niets, – in het geheel niets, – aan menschen, die niet gelooven willen, wat zij zelfs met eigene oogen zien. Het is zeer waar, dat ik geen hulpmiddel der kunst bij [167]mij heb; dit echter maakt het wonder nog veel grooter. Maar Uwé, mijn geëerde, en groote, en edelmoedige patroon! – Uwé bid ik de hand in den rechter vestzak te steken, en mij zien te laten, wat Uwé daarin vinden zal!”

Sir Arthur deed wat hem gevraagd werd, en trok er een klein zilveren plaatje uit, waarvan hij zich, bij de vorige gelegenheid met den goudzoeker, bediend had. „Het is waar,” zei Sir Arthur, den oudheidkenner ernstig aanziende; „dit is de schaal van graden en berekeningen, waarnaar de heer Dousterswivel en ik onze eerste ontdekking regelden.”

„Bah! bah! waarde vriend!” riep Oldbuck, „gij zijt te verstandig, om aan den invloed te gelooven van een platgeslagen kroondaalder, met eene menigte wonderlijke krassen er op! Ik zeg u, Sir Arthur, dat, als Dousterswivel geweten had waar dien schat te vinden, gij zelf niet van het geringste gedeelte er van eigenaar zoudt zijn.”

„Met verlof van de heeren,” zeide Adam, die bij iedere gelegenheid een woord in te brengen had, „mij dunkt, waarlijk, dat, daar mijnheer Dousterswivel zoo veel bijgedragen heeft tot het ontdekken van den schat, gij niet minder kunt doen, dan hem voor zijne moeite dat te geven, wat er nog overgebleven is; want hij, die zooveel heeft weten te vinden, zal, zonder twijfel, ook meer weten te ontdekken.”

Dousterswivel keek zeer zuur toen hij dit voorstel hoorde, om hem, naar de uitdrukking van Ochiltree, aan zijne „eigene ontdekkingen” over te laten; maar de bedelaar, nam hem ter zijde, en fluisterde hem een paar woorden in het oor, waarnaar hij aandachtig scheen te luisteren.

„Intusschen,” zei Sir Arthur, wiens hart verzacht was door zijn geluk, „stoor u niet, mijnheer Dousterswivel, aan onzen vriend Monkbarns; maar kom morgen op het kasteel, en ik zal u overtuigen, dat ik niet ondankbaar ben voor de wenken, die gij mij in deze zaak gegeven hebt, en de vijftig pond aan ellendige banknoten, zoo als gij ze noemt, zijn gaarne tot uw dienst. – Komt, jongens, maakt het deksel weêr vast op deze kostbare kist!”

Maar het deksel was in de verwarring ter zijde onder het puin gevallen, of onder de losse aarde, welke men uit het graf opgeworpen had; – in het kort, het was niet meer te vinden.

„Dat doet er niet toe, jongens! Dekt het met het linnen toe, en brengt de kist naar het rijtuig. – Monkbarns, wilt gij gaan? ik moet met u terug, om Isabella af te halen.”

„En ik hoop, om ook uw middagmaal bij ons te gebruiken, Sir Arthur, en een glas wijn te drinken op den gelukkigen uitslag van onze onderneming. Daarbij dient gij over de zaak aan het ministerie te schrijven; men kon er zich wellicht van wege de kroon mede bemoeien. In dat geval zal echter niet veel moeite kosten, om een akte van donatie te krijgen; – maar wij moeten nader daarover spreken.”

„En ik beveel in het bijzonder het stilzwijgen allen aan, die hier tegenwoordig zijn,” zeide Sir Arthur, in het rond ziende. Allen bogen diep, en verklaarden stom als het graf te zijn.

„Wat dat betreft,” zeide Monkbarns; „geheimhouding aan te bevelen, waar een twaalftal menschen met de omstandigheden bekend zijn, die men verbergen wil, is slechts de waarheid in maskerade te doen optreden; want de historie zal rondloopen onder twintig verschillende gedaanten. Maar bekommer u daarover niet; wij zullen de waarheid bij het ministerie bekend maken, en meer is niet noodig.” [168]

„Ik ben voornemens van nacht eene expresse te zenden,” zei de Baronet.

„Ik kan mijnheer er eene aan de hand doen,” zei Ochiltree; „den kleinen David Mailsetter, op des slagers hitje.”

„Wij zullen over de zaak spreken, op weg naar Monkbarns,” zeide Sir Arthur. – (Tot het werkvolk): „Jongens, komt met mij naar de Vier Hoefijzers; daar zal ik al uwe namen opschrijven. – Dousterswivel, ik zal u niet vragen, meê naar Monkbarns te gaan, daar die heer en gij zoo zeer in gevoelens verschillen; maar vergeet niet, mij morgen te komen zien.”

Dousterswivel mompelde een antwoord, waarvan men alleen de woorden „plicht,” – „mijn geëerde patroon” en „Sir Arthur opwachten,” – onderscheiden kon; en nadat de Baronet en zijn vriend de bouwvallen verlaten hadden, gevolgd door de dienaren en werklieden, die in de hoop op eene ruime belooning, vol vreugde waren, bleef de goudzoeker in somber gepeins aan den rand van het open graf.

Wer hätte das vermuthen können!” riep hij zonder het te weten uit: „Meine Heiligkeit! Ik heb veel van dergelijke dingen gehoord, en veel over zulke dingen verteld. – Aber, sapperment! nooit dacht ik, dat ik zoo iets beleven zou! En had ik maar een voet of drie dieper gegraven, – mijn hemel! het ware alles mijn geweest; en vrij wat meer, dat ik ooit van dien ouden gek had kunnen krijgen!”

Hier eindigde de goudzoeker zijne alleenspraak; want, de oogen opslaande, ontmoette hij die van Adam Ochiltree die het overige gezelschap niet gevolgd was, maar, naar gewoonte op zijn stok rustende, aan de andere zijde van het graf stond. De gelaatstrekken van den ouden man, altijd slim en sprekend, zelfs bijna listig, schenen op dit oogenblik zoo veel bewustheid uit te drukken van hetgeen hij gehoord had, dat zelfs de onbeschaamdheid van den gelukzoeker Dousterswivel daarvoor bezweek. Maar hij zag de noodzakelijkheid eener opheldering in, en, moed scheppende, begon hij dadelijk den bedelaar te polsen over hetgeen gebeurd was. „Goede heer Adam Ochiltree, –”

„Adam Ochiltree, geen heer – uw en ’s konings arme bedelaar!” antwoordde de Blauwrok.

„Nu dan, goede Adam, wat dunkt u van dit alles?”

„Ik dacht juist, dat het zeer beleefd was (want ik durf niet zeggen zeer onnoozel), van u, om aan twee rijke heeren, die landen en eigendommen en geld hebben zonder einde, dezen verborgen schat te geven, (driemaal in het vuur gelouterd, zoo als de Heilige Schrift zegt), die u en nog een paar eerlijke menschen daarbij zoo gelukkig en tevreden zou gemaakt hebben, als de dag lang is!”

„Jawel, Adam, mijn beste vriend! dat is alles zeer waar; maar ik wist niet, das heisst, ik was niet zeker waar ik het geld vinden zou.”

„Hoe! was het dan niet op uw raad, dat Monkbarns en de heer van Knockwinnock hierheen kwamen?”

„Aha! – ja, – juist; maar toch niet. Ik wist niet, dat zij den schat geheel en al zouden vinden, vriend, hoewel ik, aan het hoesten en proesten en kuchen en zuchten, dat ik op zekeren nacht hier onder de geesten hoorde, dacht, dat hier in de buurt schatten en goudstaven zijn moesten. Ach, mijn hemel! de geest zal jammeren en steunen over het geld, als een Hollandsche Burgemeester, die na een feestmaal op het stadhuis, zijne daalders telt.”

„En gelooft gij waarlijk aan zoo iets, mijnheer Dousterswivel? – zulk een verstandig man, als gij – foei, foei!”

„Mijn vriend! ik geloofde er niet meer aan, dan gij, of wie ook, tot ik [169]verleden nacht het spektakel hoorde en weder de oorzaak er van zag, das heisst, eene groote kist vol Mexikaansch zilver – en wat verlangt gij nu, dat ik denken zou?”

„En wat zoudt gij hem geven, die u aan eene tweede kist zilver hielp?”

„Geven? – mijn hemel! – een groot zwaar vierde deel daarvan.”

„Nu, als het mijn geheim was,” zei de bedelaar, „zou ik op de helft staan; want gij begrijpt, dat, ofschoon ik een bedelaars rok draag, en geen goud of zilver kan rondventen, uit vrees van opgepakt te worden, ik er nochtans meer dan één zou kunnen vinden, die het voor mij met grooter voordeel aan den man zou willen brengen, dan gij mij aanbiedt.”

„Ach hemel! Mijn goede vriend! wat zeide ik? – Gij zult drie kwart voor uwe helft, en ik een kwart voor mijn billijk aandeel hebben.”

„Neen, neen, mijnheer Dousterswivel! wij zullen gelijk op deelen; alles wat wij vinden, als broeders. Nu, bezie die plank eens, die ik in den donkeren hoek smeet, terwijl Monkbarns op het zilver stond te staren. Hij is een slimme vent, die Monkbarns. Ik was blij, het voor hem te verbergen. Gij zult de letters beter kunnen lezen, dan ik; – ik ben geen geleerde, ten minste, ik heb niet veel oefening meer.”

Met deze zedige bekentenis van zijne onkunde, bracht Ochiltree van achter een pilaar het deksel der kist te voorschijn, hetwelk men van de hengsels afgebroken had, en in de driftige nieuwsgierigheid, om te weten wat het bedekte, achteloos ter zijde geworpen, en dat naderhand naar het schijnt door den bedelaar verborgen werd. Er stond één enkel woord en één getal op, en de bedelaar maakte het eene en andere duidelijker, door zijn gescheurden blauwen zakdoek te bevochtigen, en er de klei, welke het opschrift bedekte af te wrijven. Het was in de gewone Gothische letter.

„Kunt gij er wijs uit worden?” vroeg Adam aan den goudzoeker.

„S,” zeide de wijsgeer, als een kind, dat zijne les in het schoolboek spelt, „S, T, A, R, C, H, – starch (stijfsel) – dat is, wat de waschvrouwen in de halsdoeken en in de kragen doen.”

Starch!” herhaalde Ochiltree; „neen, neen, mijnheer Duisterduivel! gij zijt een beter bezweerder, dan geleerde: – het is search, man! search, – dat is zoek! – ziedaar is de e, nu klaar en duidelijk!”

„Aha! – Nu zie ik het. – Het is search; – No. 1! – Mijn hemel! dan moet er ook een nommer twee zijn; want search is, wat de Engelschen zoeken en graven heeten, en dit is eerst nommer een! – Op mijn woord, daar is een groote zware prijs voor ons in het rad, goede heer Ochiltree!”

„Wel, dat mag zijn! – maar wij kunnen nu niet spitten: – wij hebben geene schoppen; want zij hebben die meêgenomen; – en het is waarschijnlijk, dat een van hen terug komen zal, om de aarde in het gat te werpen, en alles weêr in orde te brengen. Maar als gij een oogenblik bij mij in het bosch wilt komen zitten, zal ik u overtuigen, dat gij juist den eenigen man in het land ontdekt hebt, die u van Malcolm Misticot en zijne verborgen schatten bericht kan geven. – Maar eerst zullen wij de letters op de plank uitschrappen, uit vrees dat zij klappen!”

En met behulp van zijn mes schraapte de bedelaar de letters zoo uit, dat ze volstrekt niet meer te onderscheiden waren; daarna besmeerde hij de plank met klei, zoodat alle sporen van zijn werk verdwenen.

Dousterswivel staarde op hem in een weifelend stilzwijgen verdiept. Er vertoonde zich in alles wat de oude man deed, zooveel doorzicht en vlugheid, dat ze hem kenmerkten als iemand, dien men niet licht zou kunnen bedriegen; [170]en evenwel (want de schurken zelven zijn eerzuchtig) gevoelde de goudzoeker de vernedering van eene tweede rol te spelen, en het voordeel met zulk een geringen makker te deelen. Zijne winstzucht was nochtans sterk genoeg, om zijn beleedigden trots te onderdrukken, en hoewel eerder een bedrieger, dan een bedrogene, was hij echter zelf niet geheel vrij van eenig geloof aan de domme kunstjes, waarmede hij anderen soms fopte. Intusschen, gewoon, om bij zulke gelegenheden als aanvoerder te handelen, gevoelde hij zich vernederd bij de beschouwing, dat hij zich in den toestand bevond van een gier, die onder bevel van een raaf op buit uittrekt. – „Ik zal echter zijne historie ten einde hooren,” dacht Dousterswivel, „en het zal hard houden, als ik er geene betere rekening bij maak, dan de heer Adam Ochiltree zich voorstelt!”

De goudzoeker, dus van een onderwijzer in een leerling der geheimzinnige kunst herschapen, volgde Ochiltree lijdelijk naar den Prior’s Eik – eene plaats, zoo als de lezer zich wellicht herinneren zal, op korten afstand van de bouwvallen, – waar hij naast den ouden man plaats nam, en stilzwijgend afwachtte, wat deze hem zou mededeelen.

„Mijnheer Duisterduivel,” begon de bedelaar, „het is al lang geleden, sedert ik over deze zaak heb hooren spreken; want noch de heeren van Knockwinnock, noch Sir Arthur, noch zijn vader, noch zijn grootvader, – en ik herinner mij heel wat van hen, – hoorde er gaarne van spreken, – en nog hooren zij het niet graag; maar dat doet er niet toe; gij kunt verzekerd zijn, dat men er over praatte in de keuken, gelijk over alle andere zaken, in groote huizen, ofschoon in de huisvertrekken verboden, – en zoo heb ik de omstandigheden hooren verhalen door oude dienstboden in de familie; en in deze dagen, dat men de dingen van die soort niet meer ophaalt, zoo als men vroeger placht te doen, twijfel ik, of er iemand in het land is, die van de historie afweet, dan ik, – behalve de heer zelf; want er is een perkamenten boek van, zoo als ik gehoord heb, in de bibliotheek op het kasteel van Knockwinnock.”

„Goed! – dat is alles zeer goed; – maar ga voort met uwe historie, mijn goede vriend!” zeide Dousterswivel.

„Wel nu, ziet gij,” vervolgde de bedelaar, „dit is eene zaak, die in de oude tijden voorviel, in de tijden, dat men het geheele land door roofde en plunderde, toen het heette ieder voor zich zelven, en God voor ons allen; toen het niemand aan iets ontbrak, als hij de macht had, om het te nemen, en hij ook niet langer zijn eigendom behield, dan hij de macht had, om het te verdedigen. Het ging juist zoo: nu boven, dan er onder, wie het sterkste was; en zoo ging het hier in het oosten van ons land, en buiten twijfel in het overige gedeelte van Schotland juist op dezelfde wijze!”

„Nu: in deze dagen kwam Sir Richard Wardour in deze streken, en deze was de eerste van den naam, die ooit in dit land was. – Sedert zijn tijd zijn er vele geweest, en de meesten, even als hij dien men Hel in ’t Harnas noemde, slapen ginds onder de bouwvallen. Het was een trotsch en hard slag van menschen, maar vol moed, en zij streden voor het best van het land; – God zegene hen allen! – Men noemde hen de Normandische Wardours, ofschoon zij uit het zuiden in dit land kwamen. Dus maakte Sir Richard, dien zij de Roodhandige noemden; kennis niet den ouden Knockwinnock van dien tijd; – want toen heetten zij Knockwinnock, naar het goed, of, zoo gij wilt, de Knockwinnocks van Knockwinnock, – en hij wenschte diens eenige dochter te trouwen, om het kasteel en het land er bij [171]te krijgen. Ongaarne, zeer ongaarne, wilde het meisje, – zij werd Sybille Knockwinnock genoemd, zoo als zij zeiden, die mij de historie vertelden, – het huwelijk aangaan; want zij was reeds al te zeer ingenomen met een neef van haar, tegen wien de vader iets had opgevat; en zoo kwam het, dat zij pas vier maanden met Sir Richard getrouwd was, – want trouwen moest zij hem, – of zij verrastte hem met een kindje, en wel met een frisschen jongen. – Dat gaf toen een spel, zoo als men er nooit een zag; en: „zij moet verbrand, en het kind vermoord worden,” waren de zachtste woorden, die men vernam. Maar het werd op de eene of andere wijze bijgelegd, en men zond het kind naar de Hooglanden, waar men het opvoedde; en het groeide op tot een wakkeren knaap, gelijk menig ander, die op eene verkeerde wijze in de wereld komt, en Sir Richard met de Roode Hand had een deugdelijken spruit van zijn eigen, en alles bleef bedaard en rustig, tot hij onder den grond lag. Maar toen kwam Malcolm Misticot – (Sir Arthur zegt, dat het Misbegot moet zijn; maar zij hebben hem Misticot genoemd, al lang geleden,) nu deze Malcolm kwam aanzetten, met eene bende langbeenige Hooglanders uit Glen-Isla, die altijd gereed zijn om kwaad te doen, en hij beweerde, dat het kasteel en de landerijen hem toekwamen, als den oudsten zoon van zijne moeder, en hij dreef er de Wardours uit, naar de bergen. En er kwam eene soort van gevecht, of bloedige vete uit voort; want de edelen kozen verschillende partijen; maar Malcolm behield langen tijd de overhand, en nam het kasteel van Knockwinnock in bezit, en bouwde dien grooten toren, welken zij tot op den huidigen dag Misticot’s toren noemen.”

„Mijn goede vriend, oude heer Adam Ochiltree!” viel hem Dousterswivel in de rede, „dit is alles niets anders, dan eene van die lange histories van kale baronnen met zestien kwartieren in mijn eigen land; maar ik zou liever van het zilver en het goud hooren.”

„Wel, zie je, deze Malcolm werd bijgestaan door een oom, een broeder van zijn vader, die Prior was, hier van St. Ruth, en zij verzamelden met elkander groote schatten, om de opvolging van hun huis in de goederen der Knockwinnock’s te verzekeren. – Het volk zegt, dat de monniken in die dagen de kunst hadden, om de edele metalen te vermenigvuldigen; – in elk geval, zij waren zeer rijk. Ten laatste kwam het zoover, dat de jonge Wardour, die de zoon was van den Roodhandige, Misticot uitdaagde, om met hem te vechten in het strijdperk, – een afgesloten ding, dat men voor hen oprichtte, om als twee kemphanen te vechten. Wel nu, Misticot werd overwonnen, en was in de handen van zijn halfbroeder. Maar deze wilde hem het leven niet benemen, om het bloed van Knockwinnock, dat in zijne aderen vloeide: dus werd Malcolm genoodzaakt om monnik te worden, en hij stierf kort daarna in de priorij, enkel van spijt en verdriet. Niemand weet, waar zijn oom, de abt, hem liet begraven, of wat hij deed met zijn goud en zilver; want hij stond op de rechten van de kerk, en wilde er niemand rekenschap van geven. Maar het sprookje is in het land verspreid, dat, als men ooit het graf van Misticot ontdekt, het goed van Knockwinnock verloren en gewonnen zal worden.”

„Ach, en dat is zeer mogelijk, mijn goede oude vriend, heer Adam! als Sir Arthur met zijne goede vrienden twist wil maken, om den heer Oldbuck te believen. En alzoo denkt gij, dat dit goud en zilver aan den goeden heer Malcolm Mishdigot toebehoort?”

„Wel zeker denk ik dat, mijnheer Duisterduivel!”

„En gij gelooft, dat er nog meer van te vinden is?” [172]

„Zeer zeker, geloof ik dat! – Hoe zou het anders zijn: – Search – No. 1. – Dat is even zoo veel gezegd, als: zoek en gij zult nommer twee vinden! Bovendien, die kist bevat slechts zilver, en ik heb gehoord, dat Misticot’s verborgen rijkdom uit veel geel goud bestaat.”

„Nu dan, mijn goede vriend!” zei de goudzoeker, haastig opspringende, „waarom niet dadelijk onzen kleinen arbeid verricht?”

„Om twee goede redenen,” antwoordde de bedelaar, die in dezelfde houding bedaard bleef zitten; „vooreerst, omdat, zoo als ik u reeds zeide, wij niets hebben, om meê te graven; – want zij namen de houweelen en schoppen mede; en ten tweede, omdat er eene menigte leêgloopers komen zullen, om op het gat te staroogen, zoolang de zon aan den hemel is, en wellicht zend de heer iemand, om het toe te smijten. Maar als ge mij hier, op deze plaats, om twaalf uur van nacht, met eene dievenlantaaren wilt komen zoeken, zal ik gereedschap bij de hand hebben, en wij zullen met ons beiden het werk verrichten, zonder dat iemand er iets van weet.”

„Maar, – doch, – maar, mijn goede vriend!” zei Dousterswivel, die zijn nachtelijk avontuur nog niet geheel vergeten kon, zelfs niet in de schitterende hoop, die het verhaal van Adam bij hem opgewekt had, „het is niet zoo heel veilig en sekuur bij het graf van den goeden heer Mishdigot ’s nachts; – gij hebt vergeten, dat ik u zeide, dat de geesten daar jankten en spookten. Gewis het spookt dáár!”

„Als gij bang zijt voor geesten,” antwoordde de bedelaar koeltjes, „zal ik de taak zelf verrichten, en u uw aandeel van den schat brengen, op welke plaats gij verkiest te bepalen!”

„Neen, – neen, – mijn voortreffelijke oude heer Adam! – dat is al te veel moeite; – dat wil ik niet vergen: – ik zal zelf komen, – en dat zal ook beter zijn; want, mijn oude vriend, ik, Herman Dousterswivel, was het, die het graf van Mishdigot vond, toen ik eene plaats zocht, om er eenige munten in te verbergen, waarmede ik mijn vriend Sir Arthur eene poets wilde spelen, alleen voor de aardigheid en tot tijdverdrijf. Daar nam ik iets van het puin weg, en vond het graf van den heer Mishdigot. – Het is alsof hij wilde, dat ik zijn erfgenaam zou zijn! – en het zou dus onbeleefd van mij wezen, als ik niet zelf de erfenis kwam halen.”

„Om twaalf uur dus,” zei de bedelaar, „zien wij elkander weêr onder dezen boom. – Ik zal een tijd lang oppassen, dat niemand zich met het graf bemoeie: – ik heb maar te zeggen, dat de heer het verboden heeft; – dan ga ik mijn avondmaal halen bij Ringan, en vraag hem, in zijne schuur te mogen slapen, en ik zal er van nacht uit gaan, en niet gemist worden.”

„Doe dat; mijn goede heer Adam! en ik zal hier op deze plek zijn, al mochten ook alle geesten hoesten en zich de hersens uitproesten!”

Met deze woorden gaf hij den ouden man de hand, en beide, wederkeerig de belofte gedaan hebbende van getrouw te zijn aan de afspraak, scheidden voor het oogenblik. [173]

[Inhoud]

Vijfentwintigste Hoofdstuk

– Ziet ge de zakken liggen

Van gierige kloosterlingen? Gevangene munten

Moet gij verlossen: –

Schel, boek en toorts drijven mij niet weg,

Waar goud en zilver wenken mij te nad’ren –

Koning Johan.

De nacht was onstuimig, met wind en regenvlagen. „Eilieve” zei de oude bedelaar, toen hij zich aan den droogen kant van den grooten eikenboom neêrzette, om op zijn makker te wachten – „de menschelijke natuur is toch een koppig, eigenzinnig iets! – De geldzucht alleen, drijft dien Duisterduivel door een weêr als dit, te middernacht, naar deze woeste, akelige streken! – en ben ik zelf geen grooter gek, dat ik hem hier zit te wachten?”

Na deze wijze bedenkingen, wikkelde hij zich dicht in zijn mantel, en keek naar de maan, die zich tusschen de stormachtige en donkere wolken vertoonde, die de wind voor zich uitdreef. Het spookachtige en ongestadige licht viel tusschen de voorbijtrekkende schaduwen op de gebarsten bogen en spitse vensterramen van het oude gebouw: deze werden dus voor een oogenblik duidelijk zichtbaar; en dan weêr een duistere massa waarvan men niets kon onderscheiden. Het kleine meer was ook verlicht door de flikkerende lichtstralen, en vertoonde zijne wateren, ontroerd onder den storm, golvend en bruischend, echter, als de wolken over de maan joegen, slechts te onderscheiden door hun dof ruischen tegen de oevers. Het boschrijke dal weêrgalmde met elke windvlaag, die er achtereenvolgens door heen vloog; van het gekraak en gesteun, waarmede de boomen den storm beantwoordden, en het geluid ging over, als de vlaag voorbij was, in een ontzagwekkend en steeds afnemend gekerm, gelijkende op de laatste zuchten van een zieltogenden misdadiger, als de eerste pijnen van zijne foltering voorbij zijn. Het bijgeloof zou in deze geluiden voedsel genoeg gevonden hebben voor die rillingen, welke het vreest en toch tevens zoekt. Maar dergelijke gevoelens waren aan Ochiltree vreemd. Zijn geest keerde terug naar de tooneelen zijner jeugd.

„Ik heb,” – sprak hij tot zich zelven, – „in menigen ergeren nacht dan deze op schildwacht gestaan, op de voorposten in Duitschland en Amerika, terwijl ik wist, dat een twaalftal schutters in de struiken op mij loerden. Maar ik was altijd wakker op mijn post: – geen mensch vond ooit den ouden Adam in den dut.”

Terwijl hij dus bij zich zelven prevelde, nam hij, zonder er aan te denken, zijn getrouwen stok op schouder en de houding van eene schildwacht aan, en riep, toen hij een voetstap in de nabijheid van den boom hoorde, op een toon, die beter met zijne krijgshaftige herinneringen, dan met zijn tegenwoordigen toestand strookte: „halt! – wie daar?”

„De duivel, goede Adam!” antwoordde Dousterswivel; „waarom roept gij [174]zoo hard als een grenadier op de wacht, – of wat gij een dienstdoende noemt, ik meen eene schildwacht? –”

„Juist omdat ik in dit oogenblik mij verbeeldde eene schildwacht te zijn. – Dit is een verschrikkelijke nacht: – hebt gij eene lantaren en een zak voor het geld meêgebracht?”

„Wel ja! – ja – mijn goede vriend! daar zijn ze: – een paar mantelzakken; – de eene kant is voor u, de andere voor mij; en daar gij een oude man zijt, wil ik de zakken op mijn paard nemen, om u die moeite te sparen.”

„Hebt gij dus een paard hier?”

„O ja, mijn vriend! daar aan het hek gebonden.”

„Wel, ik heb slechts één woord te zeggen: – er zal niets van mijn goed op den rug van uw beest komen.”

„Hoe! waar zijt gij bang voor?”

„Eenvoudig van paard, man en geld tegelijk uit het oog te verliezen.”

„Weet gij, dat gij van een fatsoenlijk man een grooten schurk maakt?”

„Menig fatsoenlijk man,” – antwoordde Ochiltree – „maakt dat van zichzelven; – maar, waarom twisten? – Wilt gij, zoo als ik wil, kom dan meê; – wilt gij niet, dan keer ik naar het drooge stroo in de schuur van Ringen Aikwood terug, dat ik ongaarne genoeg verliet, en breng het houweel en de schop weêr op de plaats, vanwaar ik ze genomen heb.”

Dousterswivel overlegde een oogenblik, of hij, door Adam te laten vertrekken, niet wellicht bezit van den ganschen schat zou kunnen nemen. Maar het gebrek aan de noodige gereedschappen, de onzekerheid, of hij ook, wanneer hij die had, zonder hulp het graf diep genoeg zou kunnen opruimen, en, vooral, de tegenzin dien hij gevoelde, om, na de ondervinding van den vorigen nacht, alleen de verschrikkelijkheden van Misticot’s graf te torschen: – dit alles overtuigde hem dat de onderneming eenigszins gewaagd zou zijn. Hij poogde dus, hoezeer innerlijk vergramd, zijn gewonen vleienden toon aan te nemen, en verzocht „zijn goeden vriend, mijnheer Adam Ochiltree, vóór te gaan, en verzekerde, dat hij zich in alles voegen wilde, wat zulk een voortreffelijke vriend mocht voorstellen.”

„Wel nu dan,” zeide Adam, „pas op uwe voeten tusschen het lange gras en de losse steenen. – Ik hoop, dat wij vooreerst het licht zullen kunnen aanhouden bij dezen verschrikkelijken wind; – maar tusschenbeide schemeren de stralen van de maan toch door.”

Met deze woorden sloeg de oude Adam, vergezeld van den goudzoeker, die hem zoo dicht mogelijk op zijde ging, den weg in naar de bouwvallen; maar bleef plotseling vlak daarvoor staan. „Gij zijt een geleerd man, mijnheer Duisterduivel, en weet zeer veel van de wonderen der natuur; – nu wilde ik u iets vragen: gelooft gij aan geesten en spoken, die op de aarde rondwaren? ja! of neen?”

„Hoe! mijn goede heer Adam! is dit nu de tijd en de plaats voor zulk eene vraag?”

„Wel zeker mijnheer Duisterduivel! want ik moet u ronduit zeggen: men wil, dat de oude Misticot hier spookt. Nu zou dit juist geen gelukkige nacht zijn, om hem te ontmoeten; en wie weet, of hij wel bovenmate in zijn schik zou zijn met ons voornemen, om zijn graf te bezoeken?”

Alle guten Geister!” – mompelde de goudzoeker, terwijl het overige van zijne bezwering door zijne bevende stem onhoorbaar werd. „Spreek toch niet zoo, mijn goede heer Adam, want uit alles wat ik gisteren nacht hoorde, geloof ik wel –” [175]

„Wat mij betreft,” – zeide Ochiltree, het koor binnen tredende, met eene uittartende beweging van de hand, „hij zou mij geen knip voor den neus waard zijn, al verscheen hij op dit oogenblik zelf! – hij is slechts een geest zonder lichaam, en wij beide hebben lichamen en geesten er bij!”

„Om ’s hemels wil!” zeide Dousterswivel, „zeg toch niets van de geesten met of zonder lichamen!”

„Wel nu,” zei de bedelaar, de lantaren openende, „hier is de steen; en geest of geen geest, ik zal wat dieper in zijn graf kijken,” – en hij sprong in het gat, waarin men ’s morgens de kostbare kist had gevonden. Na eenige slagen gedaan te hebben, werd hij moede, of wendde voor moede te worden, en zeide tegen zijn makker: „Ik ben nu oud en zwak, en kan het niet volhouden. – Ieder zijne beurt is recht van ’t spel, buurman! – nu moet gij er in, en de schop ter hand nemen, en de losse aarde uitwerpen, en dan zal ik u weêr aflossen.”

Dousterswivel nam dus de plaats in, die de bedelaar verlaten had, en werkte met al den ijver, welken de ontwaakte geldzucht, gepaard met den beangstigenden wensch, om de onderneming te eindigen en de plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten, iemand kon inboezemen, die te gelijker tijd winstzuchtig, achterdochtig en vreesachtig was.

Adam, stond zeer op zijn gemak naast het gat en vergenoegde zich met zijn deelgenoot te vermanen, om wat harder te werken. „Op mijn woord! daar zullen er niet veel zijn, die voor zulk een goed dagloon gewerkt hebben, en laat het slechts het tiende gedeelte zoo groot zijn als de kist No. 1., dan zal het toch nog eens zoo veel waard wezen, daar ze met goud in plaats van met zilver gevuld is. – Wel, gij werkt alsof gij bij houweel en schop waart groot gebracht: – gij zoudt ridderlijk uw halven daalder daags verdienen kunnen. Berg uwe teenen voor dezen steen!” Terzelfder tijd stootte Adam, als bij ongeluk, een zeer zwaren steen, dien de goudzoeker met groote moeite naar boven getild had, ten koste van diens schenen, naar beneden terug.

Dousterswivel, dus aangevuurd door den bedelaar, sloofde zich af tusschen de steenen en den vasten kleigrond, terwijl hij zoo hard hij kon werkte, en tusschen de tanden vloekte. Maar, zoodra hem eene verwensching ontviel, veranderde Adam van batterij.

„O, vloek niet, vloek niet! – men kan niet weten, wie er naar luistert! – Hoe! God helpe ons! wat staat daar? – O! het is maar een tak van een klimop, die zich in den wind beweegt; toen er de maan op scheen, geleek het volmaakt op den arm van een dood mensch, met eene kaars; ik dacht, dat het Misticot zelf was! Maar stoor u er niet aan; werk maar door: – smijt de aarde flink buiten het gat; – op mijn woord, gij zoudt even netjes een graf kunnen maken als Willem Winnet zelf! Wat doet u nu ophouden? – Gij zijt juist op de diepte, waar het geld zijn zal!”

„Ophouden!” herhaalde de goudzoeker, op den vergramden toon van iemand, die zich teleurgesteld vindt; „ik ben ja op den steengrond zelven, waarop die verdoemde ruïnen (God vergeef het me!) gebouwd zijn.”

„Wel,” zei de bedelaar, „gij zijt juist op de rechte plaats: – het zal slechts eene groote grafzerk zijn, die men er ingelegd heeft, om het goud te bedekken; neem het houweel, en zet er meer kracht bij, man! – één flinke slag, van boven aangebracht, zal den steen doen barsten, ik verzeker het u! – Ja, zoo, – dat zal helpen; – waarachtig, gij slaat er fiks op!”

De goudzoeker, door Adam aangespoord, deed inderdaad een paar wanhopige [176]slagen, en het gelukte hem ook, om te breken – niet juist datgene, waarop hij sloeg, dat, zoo als hij reeds gegist had, de vaste rots zelve was, – maar het gereedschap, dat hij hanteerde, terwijl de kracht der slagen, door den tegenstand welken ze ontmoetten vergroot, hem tot aan de schouderbladeren door de armen trokken en zeer deden.

„Jongens, jongens! – daar gaat Ringan’s houweel naar de maan!” riep Adam; „het is schande van het volk te Fairport, zulk slechte waar te verkoopen. Neem de schop nog eens ter hand, mijnheer Duisterduivel!”

De goudzoeker, klouterde zonder te antwoorden, nu uit het gat, dat zes voet diep was, en wendde zich tot zijn deelgenoot met eene stem, die van gramschap beefde. „Kent ge, mijnheer Adam Ochiltree den man, waarmede gij u lustig maakt?”

„Zeer goed, mijnheer Duisterduivel! – zeer goed, en dat heb ik reeds lang gedaan; maar gekheid komt hier niet te pas: want ik verlang onze schatten te zien. Wij moesten de beide kanten van den mantelzak nu reeds gevuld hebben: – ik hoop, dat die ruim genoeg zal zijn, om alles te bergen.”

„Pas op, gij leelijke oude kerel! nog ééne aardigheid, en ik sla u het hoofd met deze schop stuk!”

„En waar zouden mijne handen en mijn stok op dat oogenblik zijn? – Wel, mijnheer Duisterduivel! ik ben ook zoo lang niet in de wereld geweest, om er nu op die wijze uit te raken. Wat deert u, man! om zoo nijdig op uwe vrienden te wezen? Ik wed, dat ik den schat dadelijk vind!” en hij sprong in het gat, en nam de schop op.

„Als ge mij eene slimme streek speelt,” zei de goudzoeker, wiens verdenkingen nu ontwaakt waren, „zal ik u een fiksch pak slagen geven, heer Adam, dat zweer ik u!”

„Hoor hem nu eens!” zeide Ochiltree; „hij weet, hoe men de menschen schatten kan doen vinden! – Inderdaad, ik geloof haast, dat hij zelf eens op die wijze gedrild is geweest.”

Op dit gezegde, dat klaarblijkelijk zinspeelde op wat vroeger tusschen Dousterswivel en Sir Arthur had plaats gehad, verloor de wijsgeer het weinige geduld dat hem nog was overgebleven, en ligtte in zijne drift het dikke einde van het gebroken houweel op, om er het hoofd van den ouden man meê in te slaan. De slag zou, naar alle waarschijnlijkheid, noodlottig geweest zijn, zoo hij, tegen wien die gericht was, niet met eene ernstige en vaste stem uitgeroepen had: „Schaam u, man! – Gelooft gij, dat hemel en aarde dulden zullen, dat gij een ouden man doodt, die uw vader zijn kon? – kijk om, man!”

Dousterswivel keerde zich onwillekeurig om en zag, tot zijne uiterste verbazing, een lange, zwarte gestalte achter hem staan, die hem geen tijd gaf, tot bezweringen of iets anders zijne toevlucht te nemen, maar, rechtstreeks tot dadelijkheden overgaande, drie- of viermaal de maat van zijne schouders met zulke geduchte slagen nam, dat hij er onder bezweek en eenige minuten lang tusschen vrees en schrik bewusteloos bleef liggen. – Toen hij weêr tot zich zelven kwam, was hij alleen in het koor, waar de losse en vochtige aarde, die men uit het graf van Misticot had opgeworpen, hem tot rustbed diende. Hij richtte zich op met een gemengd gevoel van gramschap, smart en schrik; en niet dan na eenige minuten overeind gezeten te hebben, kon hij zijne gedachten genoegzaam bijeen krijgen, om zich te herinneren, hoe, en met welk doel hij daarheen gekomen was. Naarmate hij zich alles herinnerde, [177]bleef hem weinig twijfel meer over, of de moeite, die Ochiltree zich gegeven had om hem op die eenzame plaats te brengen, de spotternijen, waarmede deze hem tot een twist gedreven had, en de hulp, welke hij gevonden had, om aan dien twist een voor hem gewenschten uitslag te geven, alle onderdeelen waren van een overlegd plan, om Herman Dousterswivel in het verderf te lokken. Hij kon moeilijk veronderstellen, dat hij zijn vermoeiend werk, den angst en de slagen, welke hij ontvangen had, alleen aan de kwaadaardigheid van Adam Ochiltree te danken had; maar hij besloot, dat de bedelaar eene rol gespeeld had, hem door eenig persoon van meer gewicht opgelegd. Zijne verdenkingen waren verdeeld tusschen Oldbuck en Sir Arthur Wardour. De eerste had zich geene moeite gegeven, om den afkeer, dien hij van hem had, te verbergen; – maar den laatste had hij zwaar beleedigd; en ofschoon hij begreep, dat Sir Arthur niet wist, in hoe ver hij tegen hem gezondigd had, kon hij toch licht veronderstellen, dat hij er genoeg van besefte, om de gelegenheid te zoeken, om zich te wreken. Ochiltree had ten minste op ééne omstandigheid gezinspeeld, die de goudzoeker zich verbeeldde, dat aan niemand dan aan Sir Arthur en hem zelven bekend was, en alzoo hem door den Baronet moest medegedeeld zijn. Daarbij voerde Oldbuck eene taal, die duidelijk bewees, dat hij Dousterswivel voor een schurk hield, en Sir Arthur hoorde die aan, zonder hem met vuur te verdedigen. Eindelijk, kwam de wijze, waarop Dousterswivel dacht, dat de Baronet zijne wraak uitgeoefend had, zeer goed overeen met die, welke de gelukzoeker in andere landen had leeren kennen, waar hij meer te huis was, dan in Schotland. Bij hem, even als bij vele slechte menschen, waren het vermoeden van eene beleediging, en het voornemen om die te wreken, gelijktijdig in zijn hart opgekomen. En eer Dousterswivel opgestaan was, had hij het verderf gezworen van zijn weldoener, dat hij, ongelukkig genoeg, maar al te goed bewerken kon.

Maar, hoezeer ook het denkbeeld van wraak, zijn geest vervulde, was het echter geenszins het oogenblik, om zich nu daarmede op te houden. Het uur, de plaats, zijn eigen toestand, en wellicht de tegenwoordigheid, of de nabijheid van zijne aanvallers, maakten zelfbehoud tot het eerste voorwerp van zijne zorgen. De lantaren was in de verwarring omver gesmeten en uitgebluscht. De wind, die vroeger door de bouwvallen loeide, was nu gaan liggen, en er viel een zeer dichte regen. De maan was dus geheel verduisterd; en ofschoon Dousterswivel eenige kennis van de bouwvallen had en wist, dat hij trachten moest, om de oostelijke deur van het koor te bereiken, waren echter zijne gedachten zoo verward, dat hij eenigen tijd stond te twijfelen, in welke richting hij die zoeken moest. In deze verlegenheid, begon het bijgeloof, door de duisternis en zijn slecht geweten aangewakkerd, levendig op zijne ontroerde verbeelding te werken. „Maar, bah!” sprak hij moedig bij zich zelven, „het is alles gekheid: niets anders dan het gevolg van de verwenschte streek, die men mij gespeeld heeft! De drommel zal mij halen, als een domme Schotsche Baronet, dien ik vijf jaren lang bij den neus heb gehad, nu eindelijk Herman Dousterswivel foppen zou!”

Toen hij tot dit besluit gekomen was, gebeurde er iets, dat zeer strekte, om de gronden te doen wankelen, waarop het steunde. Te midden van het zuchten van den afnemenden wind en het kletteren der regendroppels op bladeren en steenen, verhief zich, op geringen afstand, een weemoedig en plechtig gezang, alsof de geesten der afgestorvene monniken, die eenmaal deze nu verlatene bouwvallen bewoonden, de eenzaamheid en verwoesting [178]betreurden, waaraan hunne vroegere heilige verblijfplaats overgeleverd was. Dousterswivel, die thans, langs de muren van het koor rondtastende, den weg zocht, bleef onbewegelijk staan. Zijne geheele ziel scheen op dit oogenblik enkel gehoor te zijn en hij overtuigde zich weldra, dat het slepende, plechtstatige gezang, dat hij nu hoorde, eene lijkdienst der Roomsche kerk was. Maar waarom het in deze eenzaamheid, en door welke koorzangers het uitgevoerd werd, waren vraagstukken, welke de verschrikte verbeelding van den goudzoeker, – vervuld met het geloof aan heksen, weerwolven, spoken en geesten, – het niet waagde, op te lossen.

Een ander van zijne zintuigen werd weldra in de zaak betrokken. Aan het einde van een vleugel der kerk, een paar steenen trappen af, was eene kleine deur, met ijzeren traliën, die, voor zoo ver hij zich herinneren kon, in een laag gewelf, of eene sakristij, uitkwam. Terwijl hij in de richting van het geluid keek, zag hij een lichtstraal schemeren door deze traliën en op de trappen. Dousterswivel wist een oogenblik niet, wat te doen; maar eensklaps een wanhopig besluit nemende, kroop hij langs den muur naar de plaats, waaruit het licht straalde.

Gesterkt door het teeken van het kruis, en al de bezweringen, welke hij zich kon te binnen brengen zocht hij de deur te bereiken, waardoor hij, ongezien, alles kon gadeslaan, wat er binnen het gewelf voorviel. Terwijl hij dus, met wankelende schreden, schroomvallig naderde, eindigde het droevig gezang, en een diep stilzwijgen volgde. Zoodra hij de deur bereikt had, bood deze hem een zonderling schouwspel aan in het binnenste der sakristij. Een open graf, met vier groote fakkels, elk zes voet lang, geplaatst aan de vier hoeken, – eene doodkist, en een lijk in doodsgewaad, de armen over de borst gekruist, rustte op den rand, van het graf, als gereed, om daarin te worden nedergelaten; – een priester, in zijn gewonen tooi, hield een opengeslagen boek in de hand; – een ander geestelijke, mede in priesterlijk gewaad, hield de wijkwast, en twee jongens, in witte koorhemden, zwaaiden wierookvaten: – een man van eene gestalte, die vroeger forsch en gebiedend moest geweest zijn, maar nu door de jaren of lichaamsgebreken gebogen was, stond alleen bij het lijk, in diepe smart gedompeld. Dit waren de voornaamste figuren van de groep. Op een kleinen afstand bevonden zich een paar menschen van beiderlei kunne, met groote rouwhoeden en mantels; en vijf of zes anderen, in hetzelfde treurgewaad, stonden nog meer verwijderd, langs de muren van het gewelf in orde geschaard, elk met eene zware toorts van zwart was in de hand. Het walmend licht van zoo vele flambouwen, gevoegd bij den rooden, somberen glans, welken zij verspreidden, gaf een onduidelijk, onbepaald en, als het ware, spookachtig voorkomen aan deze zonderlinge verschijning. De stem van den priester – helder, duidelijk en welluidend, hief nu uit het gebedenboek, dat hij in de hand hield, de plechtige woorden aan, waarmede, volgens de gebruiken der Roomsch-Katholieke kerk, het stof aan het stof wedergegeven wordt.

Intusschen bleef Dousterswivel, wegens het uur, de plaats en het verrassende van het tooneel, steeds onzeker, of hetgeen hij zag, wezenlijk bestond, dan of het eene bovennatuurlijke voorstelling was van die plechtigheden, welke, in vroegere tijden, binnen deze muren menigvuldig, maar thans zelden in Protestantsche landen, en bijna nooit in Schotland, plaats vonden. Hij wist nog niet, of hij tot het einde toe zou blijven, of trachten om weêr in het koor te komen, toen hij, van houding veranderende, door de traliën, voor een der rouwenden zichtbaar werd. De persoon, die hem het eerst [179]opmerkte, gaf zijne ontdekking aan den man, die alleen naast de kist stond, door een wenk te kennen; en op een anderen wenk, welken deze tot antwoord gaf, zonderden zich twee van de groep af, met zachte treden, als vreesden zij den dienst te storen, en ontsloten en openden de traliëndeur, die hen van den goudzoeker scheidde. Zij namen hem elk bij een arm, en een geweld gebruikende, waaraan hij niet zou hebben kunnen weêrstaan, ook wanneer hem de vrees veroorloofd had, eenige poging daartoe te beproeven, plaatsten zij hem op den grond in het koor, en zich zelven aan weerskanten, als om hem in bewaring te houden. Overtuigd dat hij zich in de macht van stervelingen bevond, wilde de goudzoeker hun eenige vragen doen; maar, terwijl de één naar het gewelf wees, waaruit men de stem van den priester duidelijk hooren kon, legde hem de ander den vinger op den mond, tot teeken dat hij zwijgen moest, en de goudzoeker achtte het voorzichtig aan dien wenk te gehoorzamen. In dezen toestand hielden zij hem, tot een luid Hallelujah, door de eenzame bouwvallen van St. Ruth weêrgalmde, en de zonderlinge plechtigheid besloot, die hij aanschouwd had.

Zoodra de lofzang met al zijne echo’s uitgestorven was, zei een der zwartgekleeden, onder wiens bewaring de goudzoeker gebleven was, op gemeenzamen toon: „Mijn tijd, mijnheer Dousterswivel, zijt gij het? kondt gij het ons niet hebben laten weten, dat gij bij de plechtigheid wildet zijn? – Milord zou het wellicht kwalijk kunnen nemen, dat gij ons zoo kwaamt bespieden.”

„In den naam van alle goedheid, zeg mij, wie ge zijt?” hernam de goudzoeker op zijne beurt.

„Wie ik ben? wel, wie zou ik anders zijn, dan Ringan Aikwood, van Knockwinnock. – En wat doet gij hier op dit uur van den nacht, zoo gij niet kwaamt om de begrafenis van de dame bij te wonen?”

„Ik verklaar u, mijn goede Aikwood,” zei Dousterswivel, opstaande, „dat ik heden nacht vermoord, beroofd en in doodsangst geweest ben!”

„Beroofd! wie zou zoo iets hier doen? – Vermoord! wel, gij spreekt vlug genoeg voor een vermoorde! – Verschrikt geweest! wat verschrikt u hier, mijnheer Dousterswivel?”

„Ik zal het u zeggen, meester Ringan Aikwood! juist die oude ongeloovige hond, die blauwrok, dien gij Adam Ochiltree noemt.”

„Dat geloof ik nooit!” antwoordde Ringan. „Ik en mijn vader vóór mij hebben Adam altijd gekend als een eerlijk, rechtschapen, goed mensch; en wat meer is, hij slaapt nu ginds in onze schuur, en is sedert tien uur van avond dáár geweest. – Zie je, wie u ook aangevallen heeft, mijnheer Dousterswivel, als dat iemand gedaan heeft, ben ik zeker, dat Adam er niet bij is geweest.”

„Meester Ringan Aikwood, ik weet niet, wat gij er niet bij zijn noemt; maar hij mag zoo goed zijn als hij wil, ik zeg u, dat ik heden nacht van vijftig pond beroofd werd, door uw ouden, goeden vriend, Adam Ochiltree; hij is niet meer in uwe schuur, dan ik in het koninkrijk des hemels komen zal.”

„Wel, mijnheer, als gij met mij gaan wilt, zoodra de lijkvolgers naar huis gaan, zullen wij u bij ons een bed geven, en wij zullen zien, of Adam zich in de schuur bevindt. Toen wij hier naar toe kwamen met het lijk, waren er twee kerels, die er vreemd uitzagen, aan den linker kant van de oude kerk, dat is zeker, en de priester, die ongaarne heeft dat de ketters onze plechtigheden begluren, zond twee knechts te paard op hen af, – zie je, wij zullen er wel van hooren.” [180]

Dit zeggende, ontdeed zich de vriendelijke schim, met behulp van zijn zwijgenden makker, die zijn zoon was, van den rouwmantel, en maakte zich gereed, om Dousterswivel te begeleiden naar de rustplaats, die hij zoo zeer behoefde.

„Ik zal mij morgen tot den magistraat wenden,” zei de goudzoeker; „en ik wil de wet tegen het geheele volk inroepen!”

Terwijl hij dus wraak zwoer over de beleediging hem aangedaan, wankelde hij van tusschen de bouwvallen uit, leunende op Ringan en zijn zoon, wier bijstand in zijn zwakken toestand hoogst noodzakelijk was.

Zoodra zij uit de abdij gekomen waren, en de kleine weide bereikt hadden, waarin ze stond, kon Dousterswivel de toortsen zien, die hem zoo zeer verontrust hadden, in ongeregelde orde uit de bouwvallen te voorschijn komen en hare stralen als dwaallichtjes over de oevers van het meer verspreiden. Na een tijdlang met eene golvende en onregelmatige beweging langs het pad gezweefd te hebben, werden zij eensklaps uitgedoofd.

„Wij blusschen altijd onze flambouwen in de bron van het heilige kruis uit, bij zulke gelegenheden,” zei de boschwachter tot zijn gast; en Dousterswivel zag dan ook verder geene zichtbare teekens van den optocht, ofschoon zijn oor den verwijderden klank van hoefslagen kon opvangen in de richting, welke de rouwdragers volgden.

[Inhoud]

Zesentwintigste Hoofdstuk

Het ga u goed, o visschers pink!

Vlieg spoedig heen en weêr!

Het ga u goed, o visschers pink!

Kom, voed ons, als weleer!

’t Zijn menschenvrienden, die gij draagt,

God! sta den visscher bij!

Maak hem, die stout zijn leven waagt,

Het leven lustig, blij!

Oude ballade.

Wij moeten nu den lezer brengen in het binnenste der visschershut, die wij in een vorig hoofdstuk van deze stichtelijke geschiedenis uiterlijk leerden kennen. Ik wenschte te kunnen zeggen, dat die inwendig ordelijk, van net huisraad voorzien, en tamelijk zindelijk was. Maar ik vind mij in tegendeel genoodzaakt te erkennen, dat er wanorde, – dat er verval heerschte, en – dat men er eene aanmerkelijke hoeveelheid stof vond. Met dat al vertoonde zich bij de huisgenooten, Luckie Mucklebackit en haar gezin, een schijn van welvaart, van overvloed en van levensgenot, die hun eigen walgelijk spreekwoord, „hoe morsiger, hoe warmer!” scheen te bevestigen. Een groot vuur brandde in den haard, ofschoon men midden in den zomer was en diende ter zelfder tijd, om licht, warmte en middelen voor de toebereiding der spijzen te verschaffen. De vischvangst was voordeelig geweest, en het [181]huisgezin had zich, met de gewone zorgeloosheid omtrent de toekomst, sedert de ontscheping der vracht, onafgebroken bezig gehouden met het bakken en braden van dat gedeelte der opbrengst, hetwelk voor het huiselijk gebruik bewaard werd; en de graten en overblijfselen lagen op houten borden, onder stukken van overgebleven havermeelkoek, en afgewisseld door half uitgedronken kannetjes bier. De forsche en groote gestalte van Maggie zelve, zich werende onder een hoop half volwassen meisjes en jongere kinderen, van welke zij de eene hier, de andere daarheen stiet, nu en dan met den uitroep: „Uit den weg, lastig ding!” stak bijzonder af, bij den lijdelijken en half wezenloozen blik en toestand van haar mans moeder, eene vrouw van hoogen ouderdom, die in haren leuningstoel bij het vuur zat, welks warmte zij zocht, maar nauwelijks scheen te gevoelen; nu eens bij zich zelve mompelende, dan eens, bij tusschenpoozen, de kinderen flauw toelachende, als zij aan de banden van hare muts trokken, of met haar blauw geruiten voorschoot speelden. Het spinrokken in den boezem, en de klos in de hand, werkte zij traag en wezenloos, naar de oud-Schotsche wijze, aan hare oud-Schotsche taak. De kleinste kinderen, die tusschen de beenen van de grooteren door kropen, letten er op, hoe grootmoe’s klos grooter werd, en waagden het nu en dan, hem tegen te houden, als hij heen en weêr op den vloer danste met eene onregelmatigheid, welke, bij de tegenwoordig beter ingerichte spinnewielen zoo goed belet wordt, dat zelfs de verwenschte prinses uit het tooversprookje geheel Schotland zou kunnen doortrekken, zonder gevaar te loopen van hare hand aan de klos van een spinnewiel te wonden en aan die wond te sterven.

Hoe laat het ook wezen mocht (want het was reeds lang na middernacht), bevond zich echter het gansche huisgezin nog op de been, en dacht er niet aan, om naar bed te gaan. De huisvrouw was nog druk bezig met eene soort van koeken (bij de visschers in Schotland onder den naam van carcakes bekend), en de oudste dochter, de half naakte meermin, van wie wij elders gewaagden, bereidde een grooten schotel schellevisch, boven groen hout gerookt, om bij deze smakelijke koeken genuttigd te worden.

Terwijl zij dus bezig waren, kondigde een zacht tikken op de deur, gepaard met de vraag: „Zijt ge nog op?” een bezoeker aan. Het antwoord „Ja, ja, – ga je gang; kom binnen!” deed de klink oplichten, en Jenny Rintherout, de meid van onzen oudheidkenner, verscheen in het vertrek.

„Ei, ei!” riep de vrouw van het huis uit, – „hoe! zijt gij het, Jenny, het is een gelukje, meid, als men u eens te zien krijgt.”

„O, mensch! wij hebben het altijd zoo druk gehad met de wond van Kapitein Hector, dat ik in geen veertien dagen den voet buiten de deur gezet heb; maar, hij is nu beter, en de oude Caxon slaapt in zijne kamer, in geval hij wat noodig heeft. Dus, zoodra ons volk naar bed was, bond ik mijn haar wat op, en liet de huisdeur op de klink, als er iemand uit of in moest terwijl ik er niet was, en ik kom hier eens aanloopen, om te hooren, of er wat nieuws onder ulieden was.”

„Ei, ei!” antwoordde Luckie Mucklebackit; „ik zie gij hebt u opgeschikt; – gij zoekt Steven; – maar hij is van nacht niet te huis, – en gij lijkent Steven niet, meid! – zulk een onnoozel ding als gij, is niet in staat, om een man te onderhouden.”

„Steven zou mij niet lijkenen!” antwoordde Jenny met eene beweging van het hoofd, die eene dame van hoogere geboorte goed gestaan zou hebben, – „ik moet een man hebben, die zijne vrouw onderhouden kan.” [182]

„O, ja – zoo denkt gij landlieden en stedelingen! Waarlijk! de visschersvrouwen weten het beter; – zij bestieren den man, en bestieren het huis, en bestieren het geld er bij, meid!”

„Gij zijt niets dan ongelukkige, arme sloffen,” antwoordde de landnimf aan de nimf der zee. – „Zoodra de kiel van een visschers pink grond raakt, weigert de luie visscher, eene hand meer uit te steken; maar de vrouwen moeten haar kleed opbinden, en naar boord waden, om den visch aan strand te halen. En dan legt de man het natte pak af, en doet er een droog aan, en zet zich met zijne pijp en zijne jeneverflesch in den hoek van den haard, als eene oude baker, en wil geen voet verzetten, tot de pink weêr vlot is! – En de vrouw – zij moet de mand op den rug nemen, en weg met den visch naar de naastgelegen stad, en keffen en vloeken met elk wijf, dat met haar keffen en vloeken wil, tot zij hare vracht verkocht heeft, – en dat is het vroolijke leven der visschersvrouwen, ellendige slavinnen!”

„Slavinnen? loop heen, meid! – kan ’t hoofd van het huis eene slavin zijn? gij weet er weinig van, meid! – Noem mij één woord, dat mijn Saunders durft spreken, of toon mij één stap, dien hij in huis mag zetten, als het niet juist is, om zijn eten, en zijn drinken, en zijn uitspanning te nemen, – juist als een kind. Hij heeft te veel verstand, om iets in het geheele huis het zijne te noemen, van den dakspar af, tot een gebroken houten schotel op het rek. Hij weet best wie hem voedt en hem kleedt, en alles hecht en dicht houdt, als zijne pink op de golven danst, de arme vent! Neen, neen, meid! – zij, die de waar verkoopen, bestieren de beurs, – zij, die de beurs bestieren, bestieren het huis, – toon mij één van de geringste uwer boeren, die hunne vrouwen de vruchten naar de markt zouden laten brengen, en het geld ophalen, dat zij in te vorderen hebben! Neen, neen!”1

„Wel, wel, Maggie! elk land heeft zijne eigene gewoonten; – maar waar is Steven van nacht? wanneer kwam hij te huis en waarom ging hij uit? en waar is uw man?”

„Ik heb mijn man naar bed gezonden; – want hij was zeer afgetobd; en Steven is uit, op een pretje, met den ouden Blauwrok, Adam Ochiltree: – zij zullen weldra weêr komen, en gij kunt zoo lang gaan zitten.”

„Inderdaad, moeder!” (een stoel nemende), „ik heb niet lang tijd, om te blijven: – maar ik moet u wat nieuws vertellen. Gij zult gehoord hebben van de groote kist met goud, die Sir Arthur hier dichtbij, te St. Ruth, gevonden heeft? – Hij zal nu trotscher dan ooit te voren zijn; – hij zal het hoofd niet kunnen buigen om te niezen, uit vrees van zijne schoenen te zien!”

„O ja! – de geheele buurt is er vol van; maar de oude Adam zegt, dat zij er tienmaal meer van maken, dan het is, en dat hij de kist heeft zien opdelven. Inderdaad, eene arme ziel, die het noodig heeft, zou lang kunnen wachten, eer hem zulk een geluk ten deel viel!”

„Ja, dat is zeker! – en gij zult gehoord hebben, dat de Gravin van Glenallan dood is, en op een prachtbed ligt, en heden nacht te St. Ruth zal begraven worden met flambouwen; en al de Roomsche bedienden, en [183]Ringan Aikwood, die ook Roomsch is, zullen er bij zijn, en het zal zulk eene heerlijke vertooning wezen, als men er ooit eene gezien heeft!”

„Ei, voorwaar,” antwoordde de waternimf, „als er slechts Katholieken bij verzocht worden, kan de vertooning niet zoo heerlijk zijn; want de oude bedriegster zoo als de eerwaarde heer Blattergowl de Roomsche Kerk noemt, heeft weinig aanhangers hier; maar waarom begraven zij het oude wijf, (het was een kras mensch) ’s nachts – ik ben zeker, dat moeder dat weet!”

Hier verhief zij de stem, en riep een paar maal: „Moeder! moeder!” maar verzonken in de bewusteloosheid der jaren en der doofheid, ging de oude vrouw, tot wie zij zich wendde, met spinnen voort, zonder haar te hooren.

„Spreek gij tegen grootmoe, Jenny! – ik zou liever de pink op eene halve mijl afstands toeroepen, met een noordwesten wind mij vlak in de tanden!”

„Grootmoe!” riep de kleine meermin op een toon, waaraan de oude vrouw beter gewend was, „moeder wilde weten, waarom de menschen van Glenallan hunne dooden altijd bij nacht, en met flambouwen te St. Ruth begraven?”

De oude vrouw hield een oogenblik op met hare klos te draaien, keerde zich tot de aanwezigen, legde de dorre, bevende, magere hand op het bleeke, gerimpelde aangezicht, dat de levendige beweging van twee lichtblauwe oogen hoofdzakelijk van het gelaat eens dooden onderscheidde, en, als was zij blijde, om eenig aanrakingspunt te vinden met de levende wereld, antwoordde zij: „Waarom de Glenallan’s de dooden bij toortslicht begraven? – Is er dan nu een Glenallan gestorven?”

„Wij konden allen dood en begraven zijn,” zei Maggie, „zonder dat gij er iets van weten zoudt;” en toen de stem verheffende zoodat hare schoonmoeder haar hooren kon, voegde zij er bij: „Het is de oude Gravin, grootmoe!”

„En is zij dan eindelijk heengegaan!” zei de oude vrouw met eene stem, die van meer gevoel beefde, dan haar buitengewoon hooge ouderdom, en de algemeene onverschilligheid en wezenloosheid van hare natuur medebrachten; – „is zij dan eindelijk opgeroepen om rekenschap te geven van hare lange loopbaan van overmoed en hoogheid? – De Heere zij haar genadig!”

„Maar moeder vroeg u,” hernam Jenny, „waarom de Glenallans hunne dooden bij toortslicht begraven?”

„Zij hebben dat altijd gedaan,” hernam de grootmoeder, „sedert den tijd, dat de groote Graaf in den bloedigen slag bij Harlaw viel, toen men zegt, dat de lijkzang aangeheven werd van de monding van de Tay tot aan den berg Cabrach, zoodat men overal niets hoorde, dan dat treurgekerm over de menigte groote lui, die gevallen waren in het gevecht tegen Donald van de eilanden. Maar de moeder van den grooten Graaf leefde, – zij behoorden tot een moedig en fier ras, de vrouwen van het huis van Glenallan, – en zij wilde niet, dat men den lijkzang aanhief voor haren zoon, maar liet hem in de stilte van den middernacht begraven, zonder den rouwbeker te vullen, of den treurzang aan te heffen. – Zij zeide, dat hij den dag van zijn eigen dood genoeg Hooglanders had neêrgeveld, zoodat hunne weduwen en dochters den lijkzang mochten zingen over degenen, die zij verloren hadden, en tevens over haar zoon, en zoo legde zij hem in het graf, met droge oogen, en zonder zuchten of tranen. – En dit werd in de familie als een waardig woord beschouwd; en zij zijn er bij gebleven; – en meer nog in latere tijden, omdat zij in den nacht meer vrijheid hadden, om hunne Roomsche plechtigheden bij duisternis en in het geheim te verrichten, dan bij daglicht, – ten minste [184]dat was het geval in mijn tijd; zij zouden anders over dag verontrust zijn geworden door het gerecht en het gemeen van Fairport; – zij mogen nu meer vrijheid hebben; – de wereld is veranderd. – Ik weet soms nauwelijks meer, of ik sta, dan of ik zit, of ik leef, dan of ik dood ben!”

En in het vuur starende, in den staat van wezenloosheid, waarover zij klaagde, verviel de oude Elspeth weder tot hare gewone en werktuigelijke bezigheid bij het spinnewiel.

„Wel!” zei Jenny Rintherout, binnensmonds, tegen Maggie, „het is verschrikkelijk, uwe schoonmoeder zoo te hooren uitvallen; – het is alsof de dood tot de levenden sprak!”

„Gij hebt het zoo ver niet mis, meid! zij onthoudt niets van al wat er in den loop van den dag gebeurt; maar breng haar op oude histories, dan kan zij spreken als een gedrukt boek. Zij weet meer van de familie Glenallan, dan de meeste menschen; – mijn mans vader was langen tijd hun vischverkooper. Gij moet weten, dat de Roomschen veel visch gebruiken, en voor ons ten minste is te dien opzichte hun godsdienst goed, hoe die ook overigens is. Ik kon altijd den besten visch tegen den hoogsten prijs voor de tafel van de Gravin kwijt raken – zij ruste in vrede! voornamelijk op een Vrijdag. – Maar zie eens, hoe moeders handen en lippen gaan, – nu werkt het in haar hoofd als gist: – zij zal van nacht genoeg praten; – anders spreekt zij geen woord in de geheele week, of het moest tegen de kleine kinderen zijn.”

„Zeker, vrouw Mucklebackit, het is een mensch om bang voor te wezen: – maar denkt gij, dat zij geheel en al bij haar verstand is? – Men zegt, dat zij niet in de kerk gaat, of met den dominé spreekt, en dat zij vroeger Roomsch was; maar sedert haar mans dood weet niemand wat zij is; – gelooft gij zelve, dat zij geheel bij haar verstand is?”

„Bij haar verstand, onnoozele meid! denkt gij, dat eene oude vrouw minder verstandig is, dan eene andere, of het moest Alison Breck zijn! – Ik zou inderdaad niet voor haar willen instaan. – Ik heb de doozen gezien die zij met kreeften vulde, toen –”

„Stil, stil, Maggie; uwe schoonmoeder gaat weêr spreken!”

„Was er niet iemand van u, die zeide,” vroeg de oude Sybille, „of droomde ik het, of is het mij geopenbaard, dat Joscelinde, gravin van Glenallan, dood en heden nacht begraven is?”

„Ja, moeder!” schreeuwde de schoondochter, „zoo is het!”

„En zoo zij het!” zei de oude Elspeth; „in haar leven maakte zij menig hart bedroefd, zelfs dat van haren zoon; – leeft hij nog?”

„Ja, hij leeft nog; – maar evenwel – hoe lang hij nog leven zal! – heugt u niet, dat hij in de lente naar u is komen zien en geld voor u achterliet?”

„Het kan zijn, Maggie! – ik herinner het mij niet; – maar hij was een braaf heer, en zijn vader vóór hem. Och! als zijn vader geleefd had, hadden het gelukkige menschen kunnen wezen! – maar hij was er niet meer, en de dame dreef het te ver met haren zoon, en deed hem iets gelooven, dat hij nooit had moeten gelooven, en iets doen, waarover hij zijn gansche leven berouw heeft gehad, en altijd berouw hebben zal, al was zijn leven zoo lang, als mijn eigen lang en verdrietig leven.”

„O, wat was dat, grootmoe?” en „wat was het, moeder?” en „wat was het Lukie Elspeth?” vroegen de kinderen, de moeder, en de bezoekster, in één adem. [185]

„Vraagt nooit, wat het was; maar bidt God, dat gij niet overgeleverd moogt worden aan den hoogmoed en de boosheid van uwe eigene harten! Die kunnen even machtig werken in eene hut, als in een kasteel; – ik kan er eene droevige getuigenis van afleggen. – O, die ongelukkige en verschrikkelijke nacht! zal die mij nooit uit het hoofd gaan? – Och! haar op den vloer te zien liggen, met hare lange haren druipende van het zoute water! – De Hemel zal het wreken op degenen, die er meê te doen hadden. – Is mijn zoon in dezen stormachtigen nacht uit met de pink?”

„Neen, neen, moeder! – geene pink kan zee houden bij dezen wind; – hij slaapt in zijn bed ginds, achter in de kamer.”

„Is Steven dan op zee?”

„Neen, grootmoe! – Steven is uit met den ouden Adam Ochiltree, den blauwrok – mogelijk zijn zij gegaan, om de begrafenis te zien.”

„Dat kan niet zijn,” zei de moeder van het gezin, „wij wisten er niets van, tot dat Jan Rand kwam, en ons vertelde, dat de Aikwood’s gewaarschuwd waren, om er bij te zijn. Zij houden alles zeer geheim, en zij wilden het lijk den geheelen weg van het kasteel, tien mijlen ver, in de duisternis van den nacht brengen. Zij heeft op een praalbed gelegen, tien dagen lang, op het kasteel van Glenallan, in eene groote kamer met zwart behangen, en met waskaarsen verlicht.”

„God vergeve haar!” riep de oude Elspeth uit, in wier hoofd, zoo het scheen, de dood der Gravin steeds nog spookte. – „Zij was eene harde vrouw; maar zij is heen gegaan, om er rekenschap van te geven, en Zijne goedertierenheid is oneindig! – God geve dat zij dat ondervinde!” – En zij verviel weder tot een stilzwijgen, dat zij gedurende het overige gedeelte van den nacht niet meer verbrak.

„Ik begrijp niet, wat de oude, dolle bedelaar en onze zoon Steven uitvoeren in een nacht als deze,” zeide Maggie Mucklebackit, en hare uitroeping van verwondering werd door hare bezoekster herhaald. „Ga, een van u, ginds op den top van de klip, en roep hen toe, als zij u hooren kunnen; – de koeken zullen tot kool verbranden.”

De kleine bode vertrok, maar kwam na weinige minuten weêr binnen stuiven met een luiden uitroep: „Hé, moeder! hé, grootmoe! daar is een wit spook, dat twee zwarten de klip af najaagt.”

Het geluid van voetstappen volgde op deze zonderlinge aankondiging, en de jonge Steven Mucklebackit, op de hielen gevolgd door Adam Ochiltree, vloog de hut binnen. Zij hijgden en waren buiten adem. Het eerste, wat Steven deed, was naar den boom van de deur te zien, maar die was in den harden winter, voor drie jaren, tot brandhout gemaakt: „want waartoe, zeide zijne moeder, „zouden boomen dienen, voor ons gelijken?”

„Er is niemand, die ons nazet,” zei de bedelaar; „wij geleken zoo even op de boosdoeners, die vluchten, ook wanneer zij niet vervolgd worden.”

Wij werden wel degelijk vervolgd,” zeide Steven, „door een spook of iets, dat niet veel beter was.”

„Het was een man in ’t wit, te paard,” zeide Adam; „want de losse grond, die het beest niet dragen kon, deed hem heen en weêr slingeren; – ik wist dat wel; maar ik had niet gedacht; dat mijne oude beenen mij er zoo gauw zouden hebben afgebracht; ik liep bijna zoo hard, alsof ik bij Prestonpans geweest ware.”

„Zwijgt, malle schepsels!” zeide Luckie Mucklebackit, „het zal een der dienaren bij de begrafenis van de Gravin geweest zijn.” [186]

„Hoe!” zeide Adam, „is de oude Gravin heden nacht te St Ruth begraven; – „Zóó? dat waren dus de lichten en het geraas, die ons van schrik deden vluchten. Ik wilde dat ik het geweten had; – ik had ze gestaan en den kerel ginds niet laten liggen; – maar zij zullen wel voor hem zorgen. Gij sloegt wat te hard, Steven! – wie weet, of gij den schurk niet dood sloegt!”

„Wel neen,” zeide Steven lachende; „hij heeft goede breede schouders, en ik nam er met mijn stok de maat van. – Inderdaad, als ik het niet kort met hem gemaakt had, zou hij u de oude hersens uit het hoofd geslagen hebben, vriend!”

„Wel, als ik van deze grap goed afkom,” zeide Adam, „zal ik de Voorzienigheid niet meer tergen. Maar ik kan niet denken, dat het zonde is, eene kleine poets te spelen aan zulk een landlooper en schurk, die leeft van de streken, waarmede hij eerlijke lieden oplicht.”

„Maar wat deed hij hiermede?” zeide Steven, een zakboek voor den dag halende.

„God helpe ons, man!” zeide Adam, met groote ontroering, „wat deed u die waar aanraken? een enkel blad van dat zakboek zou genoeg zijn, om ons beide op te hangen!”

„Ik wist het niet,” zeide Steven; „het boek, geloof ik, is hem uit den zak gevallen; want ik vond het tusschen mijne voeten, toen ik rondtastte, om hem weêr op de been te zetten, en stak het in mijn zak, om het te bewaren; en toen kwam dat paardengetrappel, en gij riept: loopt! loopt! en ik dacht niet meer om het boekje.”

„Wij moeten het aan den eigenaar terug bezorgen, op de eene of andere wijze; het beste zou zijn, denk ik, dat gij het zelf, met het aanbreken van den dag, bij Ringan Aikwood bracht. Ik wou voor geen honderd pond, dat men het in onze handen vond!”

Steven nam op zich, om te doen, zoo als men hem aanbevolen had.

„Gij hebt den nacht op eene schoone wijze doorgebracht,” zeide Jenny Rintherout, die, ongeduldig van zoo lang onopgemerkt te blijven, zich nu zelve aan den jongen visscher voorstelde; – „gij hebt den nacht op eene schoone wijze doorgebracht, met rondloopen met oude bedelaars, en u weerwolven op den hals te halen, terwijl gij in uw bed had moeten liggen slapen, gelijk de brave man, uw vader.”

Deze aanval gaf aanleiding tot een gepast antwoord van den plaagzieken jongen visscher. Een algemeene aanval, op de koeken en den gerookten visch ving nu aan, en werd met groote volharding voortgezet, onder den bijstand van een paar bekers bier en eene flesch jenever. De bedelaar trok zich daarop terug naar het stroo, in een nabij gelegen schuurtje; – de kinderen waren, het één voor het ander na, in hun nest gekropen; de oude grootmoeder werd op haar bed gelegd; – Steven, zonder om zijne reeds uitgestane vermoeienis te denken, had de hoffelijkheid, om Jenny Rintherout naar huis te geleiden, en de geschiedenis vermeldt niet hoe laat hij terugkeerde, en de moeder des huisgezins, na het vuur opgepord, en alles in orde gebracht te hebben, begaf zich het laatst van de huisgenooten ter rust. [187]


1 Zie noot D. over de vischvrouwen. 

[Inhoud]

Zevenentwintigste Hoofdstuk

– Menige groote kon missen

Zijn halve goed, had hij de kunst en gunst

Van bedelen op hoogen trant.

Het bedelaarsbosch.

De oude Adam was met den leeuwerik op, en zijne eerste vraag was naar Steven en het zakboek. De jonge visscher had zijn vader reeds vóór den dageraad moeten vergezellen, om den vloed niet te verzuimen; maar hij had beloofd, dat hij, dadelijk na zijne terugkomst, het zakboek, met alles wat er in was, zorgvuldig in een stuk zeildoek gepakt, aan Ringan Aikwood zou ter hand stellen voor Dousterswivel, den eigenaar.

De moeder had het morgenmaal voor het huisgezin klaar gemaakt, en begaf zich, met hare vischmand op den schouder, met krachtige schreden op weg naar Fairport. De kinderen liepen buiten het huis; want het was een schoone dag, en zonneschijn. De oude grootmoeder, weêr op haren matten stoel gezeten, had haar eeuwige spinrokken hervat, en bleef onbeweeglijk, bij het gejoel en geschreeuw der kinderen, en het kijven der moeder, dat het verspreiden van ’t huisgezin was vooraf gegaan. Adam had zijne zakken in orde gebracht, en stond uitgerust, om op nieuw zijn zwervend leven te beginnen, maar naderde eerst met behoorlijke beleefdheid de oude vrouw, om afscheid van haar te nemen.

„Goeden dag, vrouwtje, en de hemel schenke u er vele van. Ik zal in het begin van den herfst weêrkomen, en ik hoop u gezond en wel te vinden.”

„Bid, dat ge mij in mijn stil graf moogt vinden,” zei de oude vrouw, met eene holle stem, maar zonder eenige uitdrukking op haar gelaat.

„Ge zijt oud, moeder! en dat ben ik ook; maar wij moeten wachten. Zijn wil! – wij zullen op onzen tijd niet vergeten worden!”

„En onze daden ook niet,” antwoordde de oude; „wat in het lichaam gedaan is, moet in den geest verantwoord worden!”

„Ik weet, dat het zoo is; en ik mag dat gezegde wel onthouden, daar ik een los en zwervend leven geleid heb. Maar gij waart altijd eene brave vrouw! Wij zijn allen zwak; – maar gij kunt toch zoo veel niet hebben, om er onder gebukt te gaan.”

„Minder dan ik had kunnen doen, maar meer, o veel meer dan genoeg, om den grootsten brik, die ooit uit de haven van Fairport zeilde, te doen zinken! – Zei er gisteren niet iemand, – ten minste zoo staat het mij voor, – maar oude lieden hebben vreemde verbeeldingen, – zei niet iemand, dat de Gravin van Glenallan gestorven was?”

„Wie het ook zeide, heeft de waarheid gesproken,” antwoordde de bedelaar; „zij werd gisteren bij toortslicht te St. Ruth begraven, en ik, als een gek, ik kreeg een schrik, toen ik de lichten en de ruiters zag.”

„Het was hunne manier sedert de dagen van den grooten Graaf, die bij Harlaw gedood werd; – zij doen het, om te toonen, dat zij niet willen sterven en begraven worden als andere menschen. – De vrouwen van het [188]huis van Glenallan rouwden niet over hare mannen, noch de zuster over den broeder, – maar is zij dan werkelijk opgeroepen tot rekenschap?”

„Zoo zeker,” antwoordde Adam, „als dat ons beiden dat te wachten staat!”

„Dan wil ik mijn hart luchten, wat er ook van kome!”

Deze woorden sprak zij met meer levendigheid, dan gewoonlijk hare uitdrukkingen vergezelde, en voegde er een gebaar met de hand bij, alsof zij iets van zich afweerde. Toen verhief zij zich in hare volle grootte, – zij was eens lang geweest, zoo als men nog zien kon, ofschoon thans gebukt door ouderdom en ziekte, – en stond vóór den bedelaar als eene mummie, welke voor een oogenblik door een zwervenden geest bezield wordt. Hare lichtblauwe oogen rolden heen en weêr, alsof zij dan eens vergat en zich dan weêr te binnenbracht het doel, waarom hare lange, dorre hand de verscheidene voorwerpen doorzocht, welk zich in een grooten, ouderwetschen zak bevonden. Eindelijk trok zij er een klein spanen doosje uit, en na het geopend te hebben, nam zij er een fraaien ring uit, die haar bevatte van twee verschillende kleuren, donker- en lichtbruin, tezamen gevlochten, en omgeven met edelgesteenten van zeer groote waarde.

„Oude man!” zeide zij tegen Ochiltree, „als gij ooit op genade hoopt, moet gij eene boodschap voor mij doen op het kasteel Glenallan, en naar den Graaf vragen.”

„Naar den Graaf van Glenallan, oude! hoe? hij wil geen van de edellieden uit de buurt zien, en zou hij dan den ouden bedelaar willen ontvangen?”

„Ga maar en beproef het; – en zeg hem, dat Elspeth van Craigburnfoot; – hij zal mij het best bij dien naam kennen, – hem zien moet, eer zij hare lange levensreis geëindigd heeft, en dat zij hem dien ring zendt, als eene herinnering aan de zaak, waarover zij hem spreken wil!”

Ochiltree bekeek den ring met eenige verwondering over de schijnbare waarde er van, en na hem weêr zorgvuldig in het doosje gelegd, en dit in een ouden, gescheurden zakdoek gewikkeld te hebben, stak hij het in zijne borst.

„Wel, oude!” zeide hij, „ik zal doen, wat gij verzoekt, of het zal mijne schuld niet zijn. – Maar zeker werd er nooit te voren zulk een fraai ding als dit aan een Graaf uit naam van een oud vischwijf door een ouden bedelaar gezonden.”

Met deze aanmerking nam Adam zijn stok, zette den breedgeranden hoed op, en vertrok om zijn tocht te ondernemen. De oude vrouw bleef eenigen tijd onbewegelijk in dezelfde houding staan, de oogen naar de deur gericht, waaruit haar afgezant vertrokken was. De schijn van opgewektheid, welke het gesprek veroorzaakt had, verdween langzamerhand van hare gelaatstrekken; – zij zonk neêr op haren stoel, en hervatte haren werktuigelijken arbeid met haar gewoon gevoelloos uiterlijk.

Adam Ochiltree vervolgde zijn weg – de afstand van Glenallan was omtrent drie uren gaans, een marsch, welken de oude soldaat in ongeveer vier uren aflegde. Met eene nieuwsgierigheid, aan zijn beroep en de levendigheid van zijn karakter eigen, pijnigde hij zich den geheelen weg over, met te gissen, wat het doel zijn kon van de geheimzinnige boodschap, die hem was toevertrouwd, of welk belang de hoogmoedige, rijke en machtige Graaf van Glenallan in de misdaden, of het berouw stellen kon van eene oude, versufte vrouw, wier rang in de samenleving niet veel boven dien van haren bode verheven was. Hij trachtte zich alles weêr te herinneren, wat hij ooit van de familie Glenallan geweten of gehoord had; maar bleef buiten staat, om eenige gissing [189]omtrent het onderwerp zijner zending te maken. Hij wist, dat al de uitgestrekte goederen van dit oud en machtig geslacht aan de onlangs afgestorvene Gravin gekomen waren, die, in zeer aanmerkelijke mate, het gestrenge, harde, willekeurige karakter bezat, dat het huis van Glenallan onderscheidde sedert de eerste melding, die er in de Schotsche geschiedenis van gemaakt wordt. Even als de overigen van hare voorouders, was zij het Roomsch-Katholieke geloof oprecht toegedaan, en gehuwd geweest met een Engelschen edelman van denzelfden godsdienst, en van een zeer groot vermogen, die deze verbintenis geene twee jaren overleefde. De Gravin bleef dus vroeg weduwe, met het onbeperkt beheer over de groote bezittingen van hare twee zonen. De oudste, lord Geraldin, die in den titel en het vermogen van Glenallan opvolgde, was gedurende haar leven geheel en al afhankelijk van zijne moeder. De jongere, tot jaren gekomen zijnde, nam den naam en het wapen van zijn vader aan, en trad in het bezit van zijne goederen, overeenkomstig de bepalingen, bij de huwelijks-voorwaarden gemaakt. Sedert dien tijd, hield hij zich grootendeels op in Engeland, en legde slechts zeer weinige en korte bezoeken af bij zijne moeder en zijn broeder; en deze bleven er ten laatste geheel van bevrijd, toen hij tot den hervormden godsdienst overging.

Maar, ook vóór dat hij zijne moeder dus ernstig beleedigde, had het verblijf te Glenallan weinig aanlokkelijks voor een vroolijken jongen man, gelijk Eduard Geraldin Nelville, ofschoon het sombere en de afzondering der plaats scheen te strooken met den eenzamen en droefgeestigen aard van zijn oudsten broeder. Lord Geraldin, bij zijne intrede in de wereld, had zich voorgedaan als een kundig en veel belovend jonkman. Degenen die hem op zijne reizen leerden kennen, hadden de grootste verwachting van zijne toekomstige loopbaan. Maar zulke fraaie dageraden ziet men dikwijls reeds in den morgen door wolken verduisterd. De jonge edelman keerde naar Schotland terug, en, na ongeveer een jaar in het gezelschap zijner moeder op het huis Glenallan te hebben doorgebracht, scheen hij al het gestrenge, sombere en droefgeestige van haar karakter te hebben aangenomen. Uitgesloten van staatsambten door onbevoegdheid, uithoofde van zijn godsdienst, en van andere bezigheden door eigene keuze, bracht lord Geraldin het leven in de strengste afzondering door. Zijn gewoon gezelschap bestond uit den geestelijke van zijne gemeente, die hem van tijd tot tijd bezocht; en zeer zeldzaam, bij bepaalde gelegenheden, op hooge feestdagen, werden een paar familiën, die nog den Roomsch-Katholieken godsdienst beleden, plechtstatig op het huis Glenallan onthaald. Maar dat was ook alles; – hunne Hervormde naburen wisten van de familie niets hoegenaamd, en de Katholieken zelven zagen weinig meer, dan het deftig onthaal en de pracht, welke men bij die gelegenheden ten toon spreidde, en allen keerden terug, zonder te weten, of zij zich meer verwonderen moesten over de ernstige en fiere houding der Gravin, of over de diepe en sombere neêrslachtigheid, die altijd op de gelaatstrekken van den zoon rustte. Het laatste sterfgeval had hem in het bezit van zijn vermogen en zijn titel gesteld, en men begon reeds gissingen te maken, of de opgeruimdheid met de onafhankelijkheid zou terugkeeren, toen zij, die eenige kennis van den toestand der familie hadden, het gerucht verspreidden, dat de gezondheid van den graaf ondermijnd was door godsdienstige kastijdingen, en dat hij, naar alle waarschijnlijkheid, weldra zijne moeder in het graf zou volgen. Dit was te waarschijnlijker, daar zijn broeder mede aan eene kwijnende ziekte overleden was, die in de laatste jaren van zijn leven, lichaam en ziel terzelfder tijd had aangetast: zoodat de wapen- en geslachtkundigen reeds hunne registers [190]opsloegen, om den erfgenaam van deze ongelukkige familie te ontdekken, en de rechtsgeleerden met een genoegelijk voorgevoel spraken over de waarschijnlijkheid van een „langdurig proces over de goederen der familie Glenallan.”

Toen Adam Ochiltree den voorgevel van het kasteel Glenallan naderde, – een oud en uitgestrekt gebouw, van hetwelk het nieuwste gedeelte door den beroemden Inigo Jones ontworpen werd, – begon hij te overleggen, op welke wijze hij best slagen zou, om toegang te verkrijgen, ten einde zijne boodschap te verrichten; en hij besloot, na lange overweging, om het doosje met den ring door een der dienstboden aan den Graaf te zenden. Met dit oogmerk, begaf hij zich naar eene kleine woning, waar hij de benoodigdheden verkreeg, om den ring in een verzegeld pak te sluiten, dat hij als een bedelbrief adresseerde: Aan den hooggeboren Graaf van Glenallan. – Deze! Maar wetende, dat brieven aan deuren van groote huizen, door zijns gelijken afgegeven, niet altijd hunne bestemming bereiken, nam Adam, als oud soldaat, het besluit, om het terrein op te nemen, eer hij den beslissenden aanval deed. Dienovereenkomstig, het portiershuisje naderende, ontdekte hij aan het getal armen, daarvoor geschaard, – van welken er eenigen behoeftigen uit de buurt, en anderen zwervers van zijn eigen beroep waren, – dat er eene algemeene uitdeeling geschiedde.

„Een goede dienst,” – zeide Adam bij zich zelven, – „blijft nooit onvergolden: – ik krijg hier wellicht eene goede aalmoes, die ik gemist zou hebben, als ik niet voor de oude vrouw op het pad was!”

Hij rangschikte zich dus onder de havelooze bende, en drong zoo dicht mogelijk vóor in het eerste gelid, – eene onderscheiding, die hij begreep, dat zijn blauwen rok en zak, niet minder dan zijne jaren en ondervinding, toekwam; maar hij merkte weldra, dat men den voorrang in deze vergadering volgens een ander beginsel schonk, waaraan hij niet gedacht had.

„Zijt ge Roomsch, vriend, dat gij u zoo stout naar voren dringt? – Ik geloof het niet; want er zijn geene Katholieken, die den blauwen rok dragen.”

„Neen, neen! ik ben geen Roomsche!” zeide Adam.

„Dan pak u weg naar de Episcopalen of Presbyterianen ginds; – ’t is schande, een ketter zulk een langen, witten baard te zien dragen, die een kluizenaar eer zou aandoen!”

Ochiltree, dus uit het genootschap der Katholieke bedelaars verstooten, of van diegenen, welke zich dus noemden, ging zich plaatsen bij de armen van de gemeente der kerk van Engeland, aan welken de edele gever eene dubbele bedeeling van zijne liefdegiften toelegde. Maar nooit werd een ongelukkige afvallige ruwer door de hooge Kerkvergadering behandeld, zelfs niet ten tijde dat men de zaak met hartstocht behandelde, – in de dagen van Koningin Anna.

„Ziet hem met zijn zak!” zeiden zij; „hij hoort des morgens van elken koning’s verjaardag, een van de Presbyteriaansche kapelanen eene preek opdisschen, en nu zou hij zich voor een van de Episcopaalsche kerk willen uitgeven! Neen, neen! daar zullen wij voor zorgen!”

Adam, dus door Roomschen en Episcopalen verstooten, was genoodzaakt, zich onder het gelach zijner makkers te verschuilen bij de kleine groep Presbyterianen, die hunne godsdienstige gevoelens voor eene ruimere bedeeling niet hadden willen verzaken, of misschien wisten, dat zij het bedrog niet konden beproeven, zonder zeker te zijn van ontdekt te worden. [191]

Ook in de wijze, waarop men de liefdegiften, bestaande uit brood, rundvleesch, en een stuk geld, aan elken persoon van alle drie klassen uitdeelde, werd dezelfde graad van voorrang in acht genomen. De aalmoezenier, een geestelijke, deftig van voorkomen en manieren, bestierde in persoon de verzorging der Katholieke bedelaren, stelde bij de uitreiking der gift aan ieder een paar vragen, en beval in hunne gebeden de ziel aan van Joscelinde, laatste Gravin van Glenallan, moeder van hun weldoener. De portier, kenbaar aan zijn langen staf, van boven met zilver beslagen, en aan zijn zwarten tabbaard, omzoomd met kant van dezelfde kleur, welke hij als rouw droeg, had het toezicht over de uitdeeling aan de Episcopalen. De lieden der minst begunstigde kerkgemeente waren overgelaten aan de zorg van een bejaarden dienstbode.

Terwijl deze laatste over eenig verschilpunt met den portier sprak, troffen zijn naam, die bij toeval genoemd werd, en zijne gelaatstrekken Ochiltree, en wekten bij hem herinneringen op aan vroegere tijden. De laatsten der verzamelde menigte waren nu aftrekkende, toen de knecht, weêr de plaats naderde, waar Adam nog bleef dralen, en met een sterken Hooglandschen tongval zeide: „Wat scheelt den ouden, dat hij niet weg kan gaan, nu hij zijn vleesch en geld gekregen heeft?”

„Frans Macraw!” antwoordde Adam Ochiltree, „heugt u Fontenoy niet meer, en het „houdt u gesloten! sluit de gelederen?”

„Oho, oho!” riep Frans, met een echt hooglandschen gil van herkenning, „niemand kan die woorden gezegd hebben, dan mijn oude voorman van het eerste gelid, Adam Ochiltree – Maar het spijt mij, man! dat ik u in zulk een toestand zie.”

„Niet zoo slecht, als gij denken zoudt, Frans! Maar ik zou niet gaarne deze plaats verlaten, zonder eens met u te praten, en ik weet niet, wanneer ik u weêr te zien zal krijgen; want de Protestanten zijn bij uw volk niet recht welkom, en dat is de reden, waarom ik vroeger nooit hier geweest ben.”

„Foei, foei!” zeide Frans, „laat dat dáár, – als de modder droog is, laat hij zich afwrijven – kom maar met mij, en ik zal u wat beters geven, man, dan dat runderbot!”

Daarop, na den portier iets ingefluisterd te hebben (waarschijnlijk, om zijne toestemming te verzoeken), en na gewacht te hebben tot de aalmoezenier met langzame en statige schreden in het huis was terug gekeerd, bracht Frans Macraw zijn ouden kameraad op het plein van het kasteel Glenallan, boven welks sombere poort zich een groot wapenschild bevond, waarop, als gewoonlijk, de zinnebeelden van menschelijken trots en menschelijke nietigheid vereenigd voorgesteld waren: het geslachtswapen van de Gravin, met al de ontelbare kwartieren, in een ruit afgebeeld, en omgeven door de bijzondere schilden van hare vaderlijke en moederlijke voorouders, – en verder door zeisen, zandloopers, doodshoofden en andere zinnebeelden der sterfelijkheid, welke alle onderscheidingen tot de oorspronkelijke gelijkheid terugbrengt. Zijn vriend zoo spoedig mogelijk over de breede plaats geleidende, bracht Macraw hem door eene zijdeur in een klein vertrekje naast de dienstbodenkamer, dat hij, omdat hij den Graaf van Glenallan persoonlijk bediende, het zijne noemde. Koud gebraad van allerlei aard, sterk bier en zelfs een glas likeur te voorschijn te brengen, leverde geene zwarigheid op voor zulk een gewichtigen persoon als Frans, die, bij het gevoel van zijne waardigheid, de slimme Hooglandsche voorzorg niet had vergeten, welke hem eene goede [192]verstandhouding met den hofmeester voorschreef. Onze bedelaar dronk zijn glaasje bier, en sprak over oude tijden met zijn kameraad, tot hij, geene stof meer voor een gesprek kunnende bedenken, besloot, om het onderwerp van zijn gezantschap aan te roeren, dat hem eenige oogenblikken lang uit het geheugen gegaan was.

„Hij had den Graaf,” zeide hij, „een verzoekschrift aan te bieden;” – want hij oordeelde het voorzichtig, om niets van den ring te zeggen, daar hij niet wist, zoo als hij naderhand opmerkte, in hoe ver de eerlijkheid van een oud soldaat in den dienst van een grooten heer, ongeschonden was gebleven.

„Hoe! wat, man!” zeide Frans; „de Graaf wil zich met geene verzoekschriften bemoeien; – maar ik kan het den aalmoezenier geven!”

„Maar het heeft betrekking tot een geheim, zoodat de graaf het wellicht liever zelf zou willen zien.”

„Dit is juist eene reden, waarom de aalmoezenier het eerst, en het allereerste van allen, zou willen zien.”

„Maar ik ben hierheen gekomen, om het zelf over te geven, Frans, en waarlijk gij moet er mij meê helpen!”

„Nu dan, het ga mij nooit weder goed, als ik het niet doe,” antwoordde de Hooglander. „Zij mogen zoo kwaad zijn, als zij willen, zij kunnen mij toch slechts wegjagen, en ik was reeds zoo wat van plan, om mijn ontslag te nemen, en mijne dagen te Inverary te gaan eindigen.”

„Met dit stout besluit, om zijn vriend in elk geval te dienen, daar hij in deze omstandigheden toch niets onaangenaams te vreezen had, verliet Frans Macraw het vertrek. Het duurde lang eer hij terugkeerde, en toen hij weêr binnen trad kondigde zijn gelaat verwondering en ontroering aan.

„Ik ben nu niet zeker, of gij Adam Ochiltree zijt van Carrick’s compagnie van het twee-en-veertigste, of wel de duivel in persoon!”

„En wat doet u dat denken, man?” vroeg de verwonderde bedelaar.

„Omdat de graaf zoo aangedaan en zoo verwonderd geweest is, als ik nooit iemand in mijn leven zag. Maar hij wil u zien; – ik gaf hem dat ingebakerd ding, en hij was eenige minuten glad van zijn stuk; ik dacht, dat hij in onmacht vallen zou; – en toen hij weêr tot zichzelven kwam, vroeg hij, wie het pakje gebracht had, – en wat denkt gij, dat ik zei?”

„Een oud soldaat!” antwoordde Adam; „dat doet het meeste af aan de deur der grooten; – aan den boer is het beter te zeggen, dat men een oude ketellapper is, als men een kwartier zoekt; want de vrouw kan iets te maken hebben.”

„Maar ik heb geen van beiden gezegd,” hernam Frans; „de graaf geeft zoo weinig om den een als om den anderen; – maar hij houdt het meest van hen, die de zonden repareeren kunnen. Zie je, ik heb gezegd, dat het papier gebracht werd door een ouden man met een langen, witten baard; – het kon wel een Kapucijner zijn, voor zoover ik wist; want hij was gekleed als een oude pelgrim. Dus zal hij u laten ontbieden, zoodra hij zich sterk genoeg gevoelt, om u te zien.”

„Ik wenschte, dat ik die taak al achter den rug had,” dacht Adam bij zich zelven; „velen denken; dat de graaf niet juist bij zinnen is, en wie zal zeggen, hoe ver hij in zijne drift gaan kan, omdat ik deze zaak op mij nam?”

Maar het was nu te laat om terug te treden. – Er klonk eene bel uit een verwijderd gedeelte van het huis, en Macraw zeide met eene benauwde [193]stem, alsof hij reeds in de tegenwoordigheid van zijn heer was: „dat is de bel van den graaf! – volg mij, vlug en bedaard, Adam!”

Adam volgde zijn gids, die scheen te stappen, alsof hij bang was om gehoord te worden, door een langen gang een achtertrap op, waardoor zij in de familievertrekken kwamen. Deze waren hoog en ruim, en de kostbare stoffeering getuigde van het aanzien en den ouden luister der familie. Maar al de versierselen waren in den smaak van een vroeger tijdperk, en men zou zich bijna hebben kunnen verbeelden, door de zalen te trekken van een Schotschen edelman van vóór den tijd van de vereeniging der kronen. De laatste gravin had, gedeeltelijk uit diepe minachting voor de tijden, waarin zij leefde, gedeeltelijk uit een gevoel van familietrots, niet gewild, dat men de meubels veranderen, of den hedendaagschen smaak huldigen zou gedurende haar verblijf op het kasteel Glenallan. Het prachtigste gedeelte der versierselen bestond uit eene verzameling schilderijen van de beste meesters, die echter, wat de zware lijsten betrof, eenigszins door den tijd geleden hadden. Er hingen eenige fraaie familieportretten van Van Dijk en andere uitstekende schilders; maar de verzameling was het rijkste in de Heiligen en Martelingen van Domenichino, Velasquez en Murillo, en andere onderwerpen van denzelfden aard, die men bij voorkeur boven landschappen en historiestukken gekozen had. De wijze, waarop deze godsdienstige, en soms pijnlijke onderwerpen waren voorgesteld, strookte met den somberen aard der vertrekken; eene omstandigheid, welke den ouden man niet geheel en al ontging, terwijl hij er, onder geleide van zijn voormaligen krijgsmakker, doorheen stapte. Hij wilde er een paar woorden over zeggen; maar Frans gaf hem een teeken om te zwijgen, en eene deur, aan het einde der lange galerij met schilderijen, openende, liet hij hem in een klein, zwart behangen woonvertrek. Hier vonden zij den aalmoezenier, met het oor tegen eene deur gekeerd, vlak over degene welke zij binnenkwamen, in de houding van iemand, die aandachtig luistert, maar terzelfder tijd vreest om op de daad betrapt te worden.

De oude dienstbode en de geestelijke ontstelden toen zij elkander zagen; maar de aalmoezenier bedaarde het eerst, en zeide, op Macraw toetredende, op onderdrukten maar gebiedenden toon: „Hoe durft gij het vertrek van den graaf naderen zonder u te melden? en wie is die vreemdeling, en wat heeft hij hier te doen? – Ga terug naar de galerij, en wacht mij daar!”

„Het is onmogelijk, op dit oogenblik Uw Eerwaarde te gehoorzamen,” antwoordde Macraw, zijne stem verheffende, zoodat hij in de nabijzijnde kamer kon gehoord worden, wel wetende dat de monnik den woordentwist binnen het gehoor van zijn beschermheer niet zou volhouden; – „de graaf heeft om mij gescheld.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er werd op nieuw gescheld, met veel grooter geweld dan te voren; en de geestelijke, bemerkende dat het onmogelijk was verder te volharden, hief, terwijl hij het vertrek verliet, den vinger tegen Macraw op, met een dreigend gebaar.

„Heb ik het u niet gezegd?” zeide Frans fluisterende tegen Adam, en opende daarop de deur, bij welke zij den luisterenden kapelaan gevonden hadden. [194]

[Inhoud]

Achtentwintigste Hoofdstuk

– Deez ring, –

Deez kleine ring, met zwarte tooverkracht,

Deed den geest van ’t geluk verrijzen in mijn hart,

Bezwoer ’t gevoel van eer en liefde, beiden,

Zoodat ik bang ben voor mij zelven, .….

Het noodlottig huwelijk.

De oude rouwgebruiken werden in het Kasteel Glenallan nageleefd, in weêrwil van de volharding, waarmede men algemeen geloofde, dat de familie weigerde, om de dooden, op de gebruikelijke wijze, te beweenen. Men had bij de Gravin, toen zij den noodlottigen brief, die den dood van haren tweeden en eenmaal, zoo als men dacht, haren meest geliefden zoon meldde, ontving, niet de minste beving van de hand, noch siddering van het ooglid, noch eenige andere gewaarwording bespeurd, dan wanneer zij een gewonen brief over alledaagsche zaken las. De hemel alleen weet, of het onderdrukken der moederlijke smart, dat haar trots gebood, niet eenigermate medewerkte om haren dood te verhaasten. Ten minste werd het algemeen geloofd, dat de aanval van beroerte, welke kort daarna een einde aan haar leven maakte als het ware de wraakoefening der beleedigde natuur was voor het geweld, dat zij haar gevoel had aangedaan. Maar, ofschoon Lady Glenallan de gewone uitwendige teekens van smart versmaadde, had zij nochtans verscheidene vertrekken, onder anderen haar eigen en dat van den graaf, met de gebruikelijke rouwteekens laten inrichten.

De graaf van Glenallan zat dus in een vertrek met zwart laken behangen, dat in donkere plooien langs de hooge muren golfde. Een scherm, eveneens met zwart laken bedekt, aan den kant van het hooge en nauwe venster geplaatst, benam zeer veel van het gebroken licht, hetwelk zich een weg door het beschilderde glas baande, dat, met de kunst van de veertiende eeuw, het leven en het lijden van den Profeet Jeremias voorstelde. De tafel, waaraan de graaf zat, was verlicht door twee zilveren lampen, met dat onaangenaam en twijfelachtig licht, dat ontstaat door de vereeniging van kunstlicht met dat van den dag. Op de tafel lagen een crucifix en een paar perkamenten boeken met zware sloten. Eene groote, heerlijke schilderij, door Spagnoletto, stelde het lijden van den heiligen Stefanus voor, en was het éénigste sieraad van het vertrek.

De bewoner en heer van deze sombere kamer was een man nog in zijne beste jaren, echter zoo terneêrgeslagen door ziekte en zielskwelling, dat hij nauwelijks meer op een menschelijk wezen geleek; en toen hij haastig opstond en op zijn bezoeker toeging, scheen zijn verzwakt gestel bijna onder die poging te bezwijken. Toen zij elkander te midden van het vertrek ontmoetten, leverden zij eene zeer treffende tegenstelling op. De gezonde kleur, de vaste stap, de opgerichte gestalte en de onverschrokken, opgewekte houding van den ouden bedelaar getuigden van geduld en vergenoegen in den hoogen ouderdom, en in den laagsten stand, waartoe de mensch vervallen kan; terwijl de diepliggende oogen, de bleeke wangen en de wankelende gestalte [195]van den edelman, die tegenover hem stond, toonden, hoe zeer rijkdom, macht en zelfs de voorrechten der jeugd niets gemeen hebben met datgene, wat rust aan den geest en sterkte aan het gestel geeft.

De graaf ontmoette den ouden man te midden van het vertrek, en na zijn dienaar bevolen te hebben, zich naar de galerij te begeven, en niemand in de voorkamer te laten eer hij de bel hoorde, wachtte hij met gejaagd en angstig ongeduld, tot hij eerst de deur van zijn vertrek en vervolgens die der voorkamer had hooren sluiten. Zoodra hij dus verzekerd was van niet beluisterd te zullen worden, trad Lord Glenallan dicht bij den bedelaar, dien hij waarschijnlijk voor een verkleeden geestelijke aanzag, en zeide driftig, hoewel met eene bevende stem: „In den naam van al wat onzen Godsdienst het heiligste is, zeg mij, eerwaarde vader, wat ik te verwachten heb van eene mededeeling, voorafgegaan door een teeken, waarmede zulke verschrikkelijke herinneringen verbonden zijn?”

De oude man, aangesproken op eene wijze zoo zeer verschillende van die, welke hij van den trotschen en machtigen edelman verwacht had, wist niet wat te antwoorden en hoe hem uit den waan te brengen. – „Zeg mij,” vervolgde de graaf op een toon van toenemenden schrik en doodsangst, – „zeg mij, komt gij om mij te verklaren dat alles, wat tot nog toe gedaan is, om zulk eene verschrikkelijke misdaad te boeten, te weinig is, te gering voor de schuld, en om nieuwe en strengere boete voor te schrijven? – Ik zal er mij niet aan onttrekken, vader! – Laat mij de straf van mijne misdaad hier in ’t lichaam lijden, liever dan hier namaals in de ziel!”

Adam was nu genoegzaam bedaard, om te bemerken dat, indien hij de openhartigheid van Lord Glenallan niet voorkwam, hij waarschijnlijk de vertrouweling zou worden van meer, dan het voor hem veilig zijn zou te weten. – „Milord vergist zich; – ik ben niet van uw geloof, noch een geestelijke, maar, – met allen eerbied, – slechts de arme Adam Ochiltree, ’s Konings bedelaar en uw onderdanige dienaar!”

Deze opheldering was gepaard met eene diepe buiging naar zijne wijze, en toen zich weêr oprichtende, legde hij de arm op zijn staf, schoof zijn lang wit haar terug, en vestigde zijn oog op den graaf, als wachtte hij op een antwoord.

„En gij zijt dus,” zeide lord Glenallan, na van verwondering eenigen tijd gezwegen te hebben, „gij zijt dus geen Katholieke priester?”

„God behoede!” zeide Adam, in zijne verlegenheid vergetende tot wien hij sprak; „ik ben slechts ’s Konings bedelaar en uw dienaar, zoo als ik reeds gezegd heb.”

De graaf keerde zich haastig om, stapte een paar maal in de kamer op en neêr, als om te herstellen van de uitwerkselen zijner misvatting, en toen, dicht bij den bedelaar komende, vroeg hij hem, op strengen en hoogen toon, wat hij bedoelde met zich dus op eigen gezag in te dringen, en van wien hij den ring gekregen had, welken hij had goedgevonden hem te zenden? Adam, een man van zeer veel verstand, was minder verschrikt over deze wijze van ondervragen, dan hij verlegen geweest was over den vertrouwelijken toon, waarop de graaf het gesprek begonnen had. Op de herhaalde vraag, van wien hij den ring gekregen had, antwoordde hij bedaard „Van iemand die de graaf beter kende, dan hij.”

„Die ik beter ken, mensch!” zeide lord Glenallan. „Wat wilt gij zeggen? Verklaar u op het oogenblik, of gij zult de gevolgen ondervinden van u hier in te dringen op een oogenblik als dit!” [196]

„Het was de oude Elspeth Mucklebackit, die mij hier heen zond,” antwoordde de bedelaar, „om te zeggen, –”

„Gij raaskalt, oude man!” zeide de graaf; – „maar dit verschrikkelijk teeken brengt mij te binnen –”

„Ik herinner mij nu, Milord,” hernam Ochiltree; „dat ze mij zeide, dat gij haar beter zoudt kennen, indien ik haar noemde Elspeth van Graigburnfoot. Zij droeg dezen naam, toen zij op uwe goederen woonde, dat is op die van uwe overleden moeder, – zij ruste in vrede!”

„Ja,” zei de ontstelde edelman, terwijl zijne gelaatstrekken stuipachtig vertrokken en zijne wang verbleekte, „die naam staat voorwaar geschreven op het treurigste blad van eene beklagenswaardige geschiedenis! – Maar wat kan zij van mij verlangen? Leeft zij, of is zij dood?”

„Zij leeft, Milord, en smeekt u te mogen zien eer zij sterft; want zij heeft u iets te berichten, dat haar op de ziel drukt, en zij zegt, dat zij niet in vrede sterven kan, zonder u te zien.”

„Zonder mij te zien! – wat kan dat beteekenen? – maar zij is versuft van ouderdom en zwakte. – Ik zeg u, vriend, dat ik zelf aan hare woning geweest ben, geen twaalf maanden geleden, op het bericht dat zij in armoede verkeerde, en zij herkende zelfs mijn aangezicht of mijne stem niet.”

„Indien het mij veroorloofd is,” zeide Adam, wien de duur van het gesprek een gedeelte der vrijmoedigheid van zijn beroep en van zijn aangeboren praatzucht teruggegeven had, – „indien het mij veroorloofd is, zou ik, onder verbetering, zeggen, dat de oude Elspeth gelijk is aan een van die oude vervallen sterkten en kasteelen, welke men tusschen de bergen ziet. Er zijn vele deelen van haren geest, die nu, zoo te zeggen, verspreid en verstrooid schijnen te liggen; maar dan zijn er deelen, welke zich des te steviger, en des te sterker, en des te grootscher vertoonen, omdat zij zich verheffen juist als overgebleven tusschen de bouwvallen der overige. Zij is eene schrikbarende vrouw!”

„Dat is zij altijd geweest,” zei de graaf, bijna zonder het te weten de aanmerking van den bedelaar herhalende; „zij was steeds anders, dan andere vrouwen. – In haren gemoedsaard en aanleg kwam zij misschien het meest overeen met degene, welke nu niet meer hier is. Zij wenscht mij dus te zien?”

„Eer zij sterft,” zeide Adam, „smeekt zij dringend om dat geluk.”

„Het zal voor geen van ons beiden een geluk zijn,” zei de graaf ernstig, „maar zij zal haar zin hebben. Zij woont, geloof ik, op het strand, ten zuiden van Fairport?”

„Juist, tusschen Monkbarns en het kasteel Knockwinnock, maar dichter bij Monkbarns. Milord kent buiten twijfel den heer en Sir Arthur?”

Een blik, alsof hij de vraag niet begreep, was het antwoord van lord Glenallan. Adam zag dat hij om iets anders dacht, en waagde het niet eene vraag te herhalen, die zoo weinig ter zaak deed.

„Zijt gij Katholiek, oude man?” vroeg de graaf.

„Neen, Milord!” antwoordde Ochiltree stoutmoedig; want op dat oogenblik kwam hem het onderscheid bij de uitdeeling voor den geest; „dank zij den Hemel, ik ben goed Protestant.”

„Hij, die zich in gemoede goed kan noemen, heeft inderdaad reden, om den Hemel te danken, tot welke sekte van het Christendom hij ook behoore! Maar wie is er, die dat van zichzelven durft beweren?”

„Ik niet,” zeide Adam; „ik hoop bewaard te blijven voor zondigen hoogmoed.” [197]

„Wat was uw beroep in uwe jeugd?” vervolgde de graaf.

„Soldaat, Milord, en ik heb menigen warmen dag en guren nacht doorgestaan. Ik was op het punt van sergeant te worden; maar –”

„Soldaat! Dus hebt gij gedood, en verbrand, en geplunderd, en geroofd?”

„Ik wil niet zeggen,” antwoordde Adam, „dat ik beter ben geweest dan mijne buren; – het is een woest leven, – de oorlog is aanlokkelijk voor degenen, die er geen ondervinding van hebben.”

„En gij zijt nu oud en ellendig, en moet van de grillige liefdadigheid het voedsel bedelen, dat gij in uwe jeugd aan de handen van den armen boer ontruktet?”

„Ik ben een bedelaar, dat is waar, Milord, maar ik ben juist daarom niet zoo ellendig. – Wat mijne zonden betreft, ik heb de genade gekregen om er berouw over te hebben, indien ik het zoo zeggen mag, en van ze dáár neêr te leggen, waar zij beter kunnen gedragen worden dan door mij; – en wat mijn voedsel betreft, niemand weigert een ouden man een stuk brood en eene teug water. – Dus leef ik zoo goed ik kan, en ben bereid om te sterven, als ik opgeroepen word.”

„En dus met weinig waarop ge terug kunt zien, dat aangenaam of prijzenswaardig is in uw vorig leven, – met nog minder dat ge verwachten kunt aan dezen kant van het graf, slijt gij in tevredenheid het overige van uw leven! – Ga nu henen; en met uwe jaren en armoede en ellende, benijd nooit den heer van zulk een verblijf als dit, noch in de oogenblikken van zijn slaap, noch van zijn waken! – Hier is iets voor u.”

De graaf legde vijf of zes guinjes in de hand van den ouden man. Adam zou misschien, even als bij andere gelegenheden, zijne bedenkingen hebben ingebracht over het bedrag der weldaad; maar de toon van Lord Glenallan was te beslissend, om antwoord of tegenkanting te gedoogen. De graaf riep toen zijn dienaar. – „Zie toe, dat deze oude man veilig uit het kasteel kome, – dat niemand hem eenige vragen doe, – en gij, vriend, ga nu, en vergeet den weg naar mijn huis.”

„Dat zou zeer moeielijk voor mij zijn,” zeide Adam, op het goud ziende, dat hij nog steeds in de hand hield; – „dat zou zeer moeielijk zijn, nadat gij mij zooveel reden gegeven hebt om er aan te denken.”

Lord Glenallan keek hem verwonderd aan, daar hij zich bezwaarlijk een begrip kon vormen van de stoutmoedigheid, waarmede de oude man hem te woord stond, en gaf hem met de hand een teeken om te vertrekken, waaraan de bedelaar oogenblikkelijk gehoorzaamde. [198]

[Inhoud]

Negenentwintigste Hoofdstuk

Want hij was steeds bij al hun tijdverdrijf

En regelde, als Vorst, hun spel en hun gekijf;

Den taaien boog, en den vliegender bal,

En kegel en kogel, hij maakte het al.

Crabbe’s Dorp.

Frans Macraw vergezelde, volgens de bevelen van zijn meester, den bedelaar, om hem van het landgoed te verwijderen, zonder te gedoogen dat hij eenig gesprek of gemeenschap hield met iemand van de onderhoorigen of dienstboden. Maar zeer wijselijk in aanmerking nemende, dat die bepaling zich niet tot hem zelven uitstrekte, die de persoon was, aan wien het geleide toevertrouwd werd, wendde hij alle mogelijke middelen aan, om van Adam den aard van zijn vertrouwelijk en geheim gesprek met lord Glenallan te vernemen. Maar Adam had in zijn tijd op menige strikvraag moeten antwoorden, en wist zich gemakkelijk te redden uit die van zijn voormaligen kameraad. „De geheimen der grooten,” – zeide Ochiltree bij zich zelven, – „zijn juist als de wilde beesten, die in kooien opgesloten zitten. Houd ze vast en stevig achter de traliën, dan gaat het goed; maar laat ze los, zij keeren zich om en verscheuren den mensch. Het heugt mij, hoe slecht het Dugald Gunn bekwam, dat hij gebabbeld had over des majoors vrouw en kapitein Bandilier.”

Frans werd dus afgeslagen in zijne aanvallen op de getrouwheid van den bedelaar, en even als een slecht schaakspeler, gaf hij zich bij iederen mislukten zet hoe langer hoe meer aan zijne tegenpartij bloot.

„Dus gij houdt vol, dat gij mijn meester over niets te spreken hadt dan over uwe eigen zaken?”

„Wel ja, – en over de kleinigheden, die ik van buiten ’s lands meêgebracht had. Ik wist, dat gij Katholieken bijzonder gesteld zijt op reliquiën, die ver van hier, van kerken en dergelijke plaatsen gehaald zijn.”

„Inderdaad; – en de graaf moet geheel van zijn stuk geweest zijn, om zich zoo in de weer te stellen over iets, dat gij hem brengen kondet, Adam!”

„Ik twijfel niet, of gij hebt in de hoofdzaak gelijk kameraad! – maar misschien heeft hij in zijne jeugd eenig ongeluk gehad, en dat verbittert den mensch –”

„Inderdaad, Adam! zeg dat vrij; – en daar gij waarschijnlijk nooit meer hier komen zult, en, indien gij het doet, mij er niet meer zult vinden, kan ik u zeggen, dat zijn hart in zijn jongen tijd deerlijk gegriefd werd, en men mag er zich over verwonderen, dat het niet al lang gebroken is.”

„Dacht ik het niet!” zeide Ochiltree; „daar moet eene vrouw in het spel geweest zijn!”

„Juist! gij hebt het getroffen, – eene van zijne nichtjes – Eveline Neville, zoo als zij heette. Men praatte er over onder de menschen; maar het werd gesust, omdat de grooten er meê gemoeid waren; – het is meer dan twintig jaren geleden, – ja, het zal drieëntwintig jaar zijn.”

„Zoo? – Toen was ik in Amerika,” zei de bedelaar, „en niet in de gelegenheid om de praatjes van den dag te hooren.” [199]

„Er viel niet zwaar over te praten, man!” hernam Macraw; „hij was verliefd op de jonge dame en zou haar getrouwd hebben; maar zijne moeder kwam er achter, en daar was de duivel in het spel. Althans, het arme meisje wierp zich van de rots bij Craigburnfoot in zee, en daar was het meê uit.”

„Uit voor de arme dame; maar zeker niet uit voor den armen graaf!”

„Neen, niet uit, zoolang hij leeft,” antwoordde de Hooglander.

„Maar waarom verbood de oude gravin het huwelijk?” vervolgde de onvermoeide vrager.

„Waarom? – Dat zal zij misschien zelve wel niet recht geweten hebben; maar alles moest naar haar zin zijn, goed of kwaad. – Maar men wist, dat de jonge dame het oor leende aan de ketters in het land; – en te meer noch, omdat zij den graaf nader verwant was, dan onze kerk toelaat. – Zie je, de dame werd gedreven tot de wanhopige daad, en de graaf heeft sedert dien tijd nooit weêr het hoofd opgericht.”

„Wel!” hernam Ochiltree; „het is toch wonder, dat ik tot heden nooit iets van de zaak gehoord heb.”

„Het is zelfs een wonder, dat gij er nu van hoort; want ik ben des duivels, als een van de dienstboden er van zou hebben durven spreken bij het leven van de oude gravin. Hé, man, zij kon er door heen slaan; – het zou menig man moeielijk gevallen zijn, om haar te staan! – Maar zij ligt in het graf, en wij kunnen nu een woordje praten, als wij een vriend ontmoeten. – Maar, vaarwel Adam! ik moet terug naar den avonddienst. – En als gij wellicht over een maand of wat te Inverary komt, vergeet niet, naar uw vriend Frans Macraw te vragen.”

Adam beloofde aan den wensch van zijn vriend te voldoen, en beiden scheidden dus met alle mogelijke betuigingen van weêrkeerige achting. De bediende van Lord Glenallan nam zijn weg terug naar het kasteel van zijn meester, en liet Ochiltree aan zich zelven over, om zijn gewoon slenterleven te hervatten.

Het was een schoone zomeravond, en de wereld, dat is de kleine kring, welke alles in alles was voor den persoon, die hem bewandelde, lag voor Adam Ochiltree open, om er een nachtleger te kiezen. Zoodra hij buiten het ongastvrije grondgebied van Glenallan gekomen was, had hij zoo vele plaatsen, waar hij zijn intrek dien avond kon nemen, dat hij besluiteloos, ja, zelfs moeielijk was in zijne keuze. De herberg van Ailie Sims lag aan den weg, ongeveer eene mijl vóór hem; maar dáár zou veel jong volk zijn met den Zaterdag avond, en dat was lastig bij het voeren van eenig geregeld gesprek. Andere pachters en hunne vrouwen deden zich achtereenvolgens aan zijne verbeelding op; maar de een was doof, en kon hem niet hooren; de ander had geene tanden, en kon hem niets laten hooren; een derde was slecht van humeur, en een vierde had een kwaadaardigen huishond. Te Monkbarns en Knockwinnock was hij zeker van een goed en gastvrij onthaal; maar die plaatsen waren te ver afgelegen, om er zich dien avond vroeg genoeg te kunnen aanmelden.

„Ik weet niet, hoe het komt,” zei de oude man; „maar ik ben heden avond moeielijker omtrent mijn kwartier, dan ik mij herinner ooit van mijn leven geweest te zijn. Ik geloof dat ik, na het zien van al de pracht ginds, en na de ontdekking dat men zonder die gelukkig kan zijn, trotsch geworden ben op mijn eigen lot. – Zoo het mij maar niet opbreekt; want hoogmoed komt voor den val. In elk geval zal de slechtste schuur, waarin [200]ooit een mensch sliep, een aangenamer verblijf zijn, dan het huis van Glenallan, met al die schilderijen en het zwarte laken en het fraaie zilverwerk, dat er bij behoort. Dus zal ik het maar in eens bepalen, en bij Ailie Sims intrekken.”

Toen de oude man den berg afging, die zich boven het kleine gehucht verhief, waarheen hij zijne schreden richtte, had de ondergaande zon de bewoners der streek hun arbeid doen staken, en de jonge lui, zich den fraaien avond te nutte makende, waren bezig met kegelen op het gras, terwijl de vrouwen en ouders toezagen. Het geschreeuw, het gelach, de luide stemmen der winners en verliezers waren hoorbaar op het pad, langs hetwelk Ochiltree neêrdaalde, en deden bij hem de herinnering der dagen ontwaken, waarin hij zelf een bekwaam mededinger en meer dan eens de overwinnaar was in spelen, waarbij sterkte en vlugheid van lichaam vereischt werden. Deze herinneringen laten zelden na een zucht te verwekken, zelfs dan, wanneer de avond van het leven door schitterender vooruitzichten vervroolijkt wordt, dan die van onzen armen bedelaar. „Op dien tijd van den dag,” – was zijne natuurlijke opmerking, „zou ik mij even weinig bekommerd hebben om een ouden pelgrim, die van den heuvel van Kinblythemont kwam nederdalen, als eenige van deze fiksche jonge knapen zich thans om Adam Ochiltree bekommeren.”

Hij werd echter dadelijk in eene vroolijker stemming gebracht, toen hij bevond, dat men meer belang in zijne komst stelde, dan zijne zedigheid had durven verwachten. Er was namelijk een betwiste worp gedaan door een der spelers, en daar de kommies de eene partij, en de schoolmeester de andere partij toegedaan was, mag men wel zeggen, dat de zaak door de hoogere autoriteiten in handen genomen werd. De molenaar en de smid hadden even eens verschillende partijen gekozen, en de hevigheid van twee zulke twistenden in aanmerking genomen, mocht men met reden twijfelen, of de strijd in der minne eindigen zou. Maar de eerste der aanwezenden, die een blik op den bedelaar wierp, riep uit: „Ha! daar komt de oude Adam aan, die de regels van het spel beter kent dan iemand, die ooit hier speelde; – laat ons niet kibbelen, jongens! – Wij zullen ons aan de uitspraak van Adam houden!”

Adam werd dus welkom geheeten en tot scheidsrechter benoemd, met een luiden, algemeenen kreet van gelukwensching. Met al de zedigheid van een bisschop, die zijne benoeming aanneemt, of van een spreker, die voor het eerst den kansel beklimt, praatte de oude man van het groot vertrouwen, dat men in hem stelde, en van de groote verantwoordelijkheid, die men hem wilde opleggen, en had, ter belooning van zijne zelfverloochening en nederigheid, het genoegen, de herhaalde verzekeringen van jong en oud te ontvangen, dat hij stellig en zeker de bekwaamste en meest bevoegde persoon was voor scheidsrechter, „in de geheele landstreek!”

Dus aangemoedigd, ging hij deftig over tot het vervullen van zijn ambt, en verbood bepaaldelijk alle beleedigende uitdrukkingen van weerskanten; hij hoorde den smid en den ijker aan de eene, den molenaar en den schoolmeester aan de andere zijde. Adam had echter bij zich zelven de zaak beslist, vóór dat de pleidooien begonnen, gelijk vele rechters, die desniettemin alle vormen bewaren, en tot het einde toe de welsprekendheid en de betoogen der advocaten verduren moeten. Zoodra dus alles van weerskanten gezegd, en veel daarvan meer dan eens gezegd was, sprak onze rechter, na goed en rijp overleg, het verzoenend en heilzame vonnis uit, dat de worp moest overgedaan, [201]en dus voor geene der partijen gerekend worden. Deze wijze beslissing herstelde de eendracht onder de spelers; zij begonnen op nieuw de kegels op te zetten en hunne weddingschappen te maken, met al de luidruchtigheid, welke dergelijke landelijke vermakelijkheden gewoonlijk vergezelt, en de driftigsten trokken reeds hunne buizen uit en gaven die, met hunne gekleurde zakdoeken, ter bewaring over aan hunne vrouwen, zusters, of liefsten. Maar de vreugde werd op eene zonderlinge wijze gestoord.

Aan den buitenkant van de groep spelers verhief zich een geluid, zeer verschillend van de stem der vroolijkheid; – men hoorde verward die soort van onderdrukte zuchten, waarmede het eerste nieuws van een groot ongeluk ontvangen wordt. Er ontstond eenige beweging onder de vrouwen, en men herhaalde de woorden: „Och! zoo jong en zoo plotseling opgeroepen!” – Weldra verspreidde zich de droevige mare onder de mannen en het vreugdegeschreeuw verstomde. Allen begrepen dadelijk, dat een groot ongeluk gebeurd was, en iedereen vroeg zijn buurman naar de tijdingen; maar deze wist er even weinig van als de vrager. Eindelijk bereikte het gerucht duidelijk de ooren van Adam Ochiltree, die zich geheel in het midden der vergadering bevond. De boot van Mucklebackit, den visscher, van wien wij meermalen gewaagd hebben, was op zee omgeslagen, en vier menschen waren er bij omgekomen, onder anderen Mucklebackit en zijn zoon. Het gerucht had nochtans ook nu de waarheid overschreden. De boot was inderdaad omgeslagen, maar Steven Mucklebackit alleen was verdronken. Ofschoon zijne woonplaats en zijne wijze van leven hem verwijderd hadden van het gezelschap der landlieden, lieten zij echter niet na, om hun landelijk spel te staken en in het onverwachte ongeluk die deelneming te toonen, welke het in treffende gevallen meestal opwekt. Ochiltree, in het bijzonder, werd door dit nieuws als door een donderslag getroffen, te meer, daar hij dezen jongen mensch nog zoo onlangs overgehaald had, om hem bij eene zaak behulpzaam te zijn, die, ofschoon ze geen groot nadeel of verlies aan den goudzoeker toebrengen zou, toch juist niet tot die bezigheden behoorde, waaraan men de laatste uren van zijn leven besteden moet.

Een ongeluk komt zelden alleen. Terwijl Ochiltree, in diep nadenken op zijn staf leunende, zijne smart met die der gehuchtbewoners vereenigde, welke den plotselijken dood van den jongen visscher betreurden, en hij zich inwendig berispte wegens de overtreding der wet, waarin hij hem zoo onlangs gewikkeld had, werd de oude man bij den kraag gepakt door een dienaar van het gerecht, die zijn stok met zijne rechterhand in de hoogte hief, en uitriep: „In ’s konings naam!”

De kommies en de schoolmeester vereenigden hunne welsprekendheid, om den diender en zijn gezel te overtuigen, dat hij geen recht had, om des konings bedelaar aan te houden als een landlooper; en de stomme welbespraaktheid van den molenaar en den smid, die zich in hunne stevig geslotene vuisten vertoonde, was gereed, om op zijn Hooglandsch borg voor hun scheidsman te geven: „zijn blauwe rok,” zeiden zij ook, „was zijn vrijbrief, om het land ongemoeid door te trekken.”

„Maar zijn blauwe rok,” antwoordde de gerechtsdienaar, „beschermt hem niet wegens gewelddadigen aanval, roof en moord; en ik moet hem wegens deze misdaden aanhouden.”

„Moord!” zeide Adam, „wien zou ik vermoord hebben?”

„Den heer Dousterswivel, den bestuurder van de mijnen te Glen-Withershins.” [202]

„Duisterduivel vermoord! – hij leeft! hij is springlevend, man!”

„Dat heeft hij u niet te danken; hij heeft een harden strijd gehad voor zijn leven, als het waar is, wat hij zegt, en gij moet u daaromtrent verantwoorden.”

De verdedigers van den bedelaar schrikten op het hooren van de gruwelijke beschuldiging tegen hem ingebracht; maar meer dan eene vriendelijke hand stak Adam vleesch en brood en geld toe tot zijn onderhoud in de gevangenis, werwaarts hem de gerechtsdienaar wilde brengen.

„Dank u! – God zegene u kinderen! – ik ben aan menigen strik ontkomen, toen ik het minder verdiende dan nu. Ik zal als de vogel uit de knip vrijkomen. Speelt uw spel maar uit, en bekommert u niet om mij. – Ik heb meer verdriet over den armen jongen, dan over alles, wat zij mij kunnen aandoen.”

De gevangene werd dus zonder tegenstand weggevoerd, terwijl hij werktuigelijk de aalmoezen, die men hem van alle kanten toereikte, ontving en in den zak stopte, en eer hij het gehucht verliet, was hij beladen als een marskramer. De moeite, om deze vracht te dragen, werd hem nochtans verlicht, daar de gerechtsdienaar kar en paard bezorgde, om den ouden man voor een overheidspersoon te brengen, om ondervraagd te worden eer hij naar de gevangenis ging.

Het ongeluk van Steven en het gevangennemen van Adam hadden een einde gemaakt aan het spel der dorpelingen, die begonnen na te denken over de wisselvalligheden der wereldsche dingen, welke zoo plotseling een van hunne makkers naar het graf, en den bestuurder van hun spel in gevaar gebracht hadden van gehangen te worden. Het karakter van Dousterswivel, dat vrij algemeen bekend was, wat, in zijn geval, zeggen wil, vrij algemeen gehaat was, gaf aanleiding tot vele gissingen over de mogelijkheid, dat de beschuldiging boosaardiglijk verzonnen was. Maar allen kwamen daarin overeen, dat, indien Adam Ochiltree bij de uitkomst dezer zaak eenig leed moest ondergaan, het ten zeerste te betreuren was, dat hij zijn lot niet beter verdiend had door Dousterswivel werkelijk dood te slaan.

[Inhoud]

Dertigste Hoofdstuk

Wie is hij? – Een, die, bij gebrek aan land,

Moet vechten op ’t water. – Hij daagde eens uit

Den grooten walvisch, en bij zijne titels

Van Leviathan, Behemoth, en zoo voorts,

Schermutselde hij met een zwaardvisch. – Maar, heer!

’t Zeemonster won het; – dit verbittert

Nog steeds onzen kampioen.

Oud tooneelspel.

„En die arme jongen, Steven Mucklebackit, zal heden morgen begraven worden,” zei onze waardige vriend de oudheidkenner, terwijl hij zijne geborduurde [203]kamerjapon tegen een ouderwetschen zwarten rok in plaats van het snuifkleurig kleed, dat hij gewoonlijk droeg, verwisselde, „en men verwacht, veronderstel ik, dat ik de lijkstatie zal bijwonen”

„O! ja!” antwoordde de oude Caxon, gedienstig de witte draden en vlokken van zijn patroons rok afborstelende; „het lijk was zoo verpletterd tegen de rotsen, dat zij zich haasten moeten met het te begraven. De zee is een bedriegelijk iets, zeg ik tegen mijne dochter, als zij troost noodig heeft, dat arme ding, – de zee, zeg ik Jenny, is eene onzekere kostwinning, –

„Gelijk de kostwinning van een ouden pruikenmaker, van zijn brood beroofd door het dragen van eigen haar en de belasting op het poeder. Caxon, uwe troostgronden zijn even slecht gekozen, als ze bij ons tegenwoordig gesprek weinig te pas komen. Quid mihi cum foemina? Wat heb ik met uw vrouwvolkje te doen, die last genoeg van het mijne heb? – Ik vraag u nog eens: verwachten deze arme lieden dat ik de begrafenis van hun zoon zal bijwonen?”

„O, zonder twijfel wacht men mijnheer,” antwoordde Caxon; „ik ben zeker, dat men u wacht. Gij weet, hoezeer men er in dit land op gesteld is, dat de heer de beleefdheid heeft, om het lijk op zijn eigen grond te volgen. – Gij behoeft niet verder te gaan, dan tot aan het begin der laan; – men verwacht niet, dat mijnheer zijn eigen land verlaten zou; – het is slechts eene kelso-begrafenis, zoo als men zegt, anderhalve stap over den deurdrempel.”

„Eene kelso-begrafenis!” herhaalde de nieuwsgierige oudheidkenner: „en wat is dat, – eene kelso-begrafenis?”

„Wel, mijnheer!” antwoordde Caxon, „hoe zou ik het weten? dat is slechts zoo bij manier van spreken.”

„Caxon,” hernam Oldbuck, „gij zijt niets dan een pruikenmaker! – Had ik Ochiltree de vraag gedaan, hij zou mij dadelijk met eene oude overlevering gediend hebben.”

„Mijn werk” – antwoordde Caxon, met meer vuur dan hij gemeenlijk toonde, „bepaalt zich tot den buitenkant van uw hoofd, zoo als mijnheer altijd zelfs zegt.”

„Dat is waar, Caxon, zeer waar! en men kan het den leidekker niet kwalijk nemen, dat hij geen behanger is!”

Hij haalde nu zijn zakboekje voor den dag en schreef op: „kelso-begrafenis – anderhalve stap over den deurdrempel. Gezag – Caxon. Quaere? – waarvan stamt het af? Mem. Over het onderwerp aan Dr. Graysteel schrijven.”

Na dit geboekt te hebben, hernam hij: „En voorwaar, deze gewoonte van den heer, om het lijk van den boer te begeleiden, keur ik goed, Caxon! Ze stamt van oude tijden af, en was gegrond op de begrippen van onderlingen bijstand en afhankelijkheid tusschen den heer en den bebouwer van zijn land. En hierin, moet ik zeggen (even als ten aanzien der hoffelijkheid jegens de vrouwen, welke zij overdreven) – hierin, zeg ik, temperden en matigden de leenheerlijke gebruiken de strengheid der klassieke tijden. Niemand, Caxon, hoorde ooit, dat een Spartaan de begrafenis van een Heloot volgde. – Daarentegen durf ik zweren, dat Jan van Girnell, – gij hebt wel eens van hem gehoord, Caxon?”

„Ja, ja, mijnheer!” antwoordde Caxon; „niemand kan lang in uw gezelschap geweest zijn, zonder van dien heer gehoord te hebben.”

„Wel,” vervolgde de oudheidkenner, „ik zou eene kleinigheid willen verwedden, dat er niet één kolbkerl of slaaf, of boer, ascriptus glebae, op het [204]grondgebied der monniken hier stierf, of Jan van Girnell zag hem ordelijk en betamelijk begraven!”

„Ei, ja; maar met goedvinden van mijnheer, men zegt, dat hij meer te maken had met de geboorten dan met de begrafenissen. Ha! ha! ha!” schuddende van het lachen.

„Goed, Caxon! zeer goed! wèl! het is van morgen helder weder bij u.”

„En daarenboven” – voegde Caxon, aangemoedigd door de goedkeuring van zijn patroon, er slim bij, „zegt men ook nog, dat de priesters er in die tijden een duitje aan verdienden, met naar de begrafenissen te gaan.”

„Recht zoo, Caxon, recht als mijn handschoen! – in het voorbijgaan gezegd; ik geloof dat deze spreekwijze komt van de gewoonte, om een handschoen tot pand te geven als teeken van onverbrekelijke trouw; – recht, zeg ik, als mijn handschoen, Caxon! – maar thans is het verdienstelijker voor ons, voor niets dien plicht te vervullen, die zeer veel kostte in den tijd des bijgeloofs, hetwelk Spenser, Caxon, in zijne allegorische regels noemt:

– De dochter van die blinde vrouw,

Abessa, dochter van Corecca –

Maar waarom spreek ik over deze dingen met u? – Mijn arme Lovel heeft mij bedorven, en mij geleerd om hardop te spreken, als men bijna even goed is, als alleen. – Waar is mijn neef Hector M’Intyre?”

„Hij is in de zaal, mijnheer, bij de dames.”

„Goed,” zeide de oudheidkenner; „ik zal er heen gaan.”

„Nu, Monkbarns!” zeide zijne zuster, toen hij in de kamer trad, „gij moet niet boos zijn.”

„Waarde oom!” begon Mary M’Intyre.

„Wat moet dat beteekenen?” zeide Oldbuck, eenig kwaad nieuws verwachtende, gelijk eene bezetting reeds bezorgd wordt voor een aanval bij het eerste trompetgeschal, dat de opeisching aankondigt. „Wat is er? waarom roept gij mijn geduld in?”

„Voor iets van geen groot belang, wil ik hopen, oom!” zeide Hector, die met den arm in een draagband aan de ontbijttafel zat; „wat het echter ook zij, ik ben er verantwoordelijk voor, zoo als ik het steeds blijf voor zoo veel overlast, dien ik u veroorzaak, en waarvoor ik weinig meer dan mijn dank kan aanbieden.”

„Neen, neen! hartelijk welkom, hartelijk welkom! – alleen laat u het eene waarschuwing zijn tegen uwe aanvallen van gramschap, die eene korte razernij is, – Ira furor brevis; – maar waarin bestaat nu dit nieuwe ongeluk?”

„Mijn hond, oom, heeft ongelukkig iets naar beneden gesmeten, –”

„In ’s Hemels naam! ik hoop toch niet het tranenfleschje van Clochnaben!” viel hem Oldbuck in de rede.

„Inderdaad, oom,” zeide Mary, „ik vrees, dat het juist dàt was, hetwelk op het buffet stond; het arme dier wilde slechts bij de versche boter komen.”

„Waarin het arme dier volkomen geslaagd is, veronderstel ik; want die op tafel, zie ik, is winterboter. Maar dat is niets! – mijne tranenflesch, de steunpilaar van mijn stelsel, waarop ik vertrouwde, ondanks de onnoozele stijfhoofdigheid van Mac-Cribb, om te bewijzen dat de Romeinen deze bergengten doorgetrokken waren en sporen achtergelaten hebben van hunne kunsten en wapenen, – vernietigd, – verbrijzeld als een gebroken – bloempot!” [205]

– Hector! ik heb u lief;

Maar dien mij nimmer meer!”

„Wel, oom, ik vrees inderdaad, dat ik eene slechte vertooning zou maken bij een regiment van uwe werving.”

„Ten minste, Hector, zou ik willen, dat gij u ontdeedt van uwe volgelingen, of dat gij op marsch gingt expeditus, dat is relictis impedimentis. Gij kunt niet begrijpen, hoe zeer mij uw hond verveelt; – het dier is ook schuldig aan inbraak, geloof ik; want ik hoorde het beschuldigen van in de keuken te zijn ingebroken, nadat de deuren gesloten waren, en van een schapenbout te hebben opgegeten.” – (Onze lezers, als zij zich bij toeval de voorzorg van Jenny Rintherout herinneren, om de deur open te laten, toen zij naar de visschershut ging, zullen waarschijnlijk de arme Juno vrijspreken van deze verzwarende omstandigheden, die de rechtsgeleerden claustrum fregit noemen, wat het verschil uitmaakt tusschen diefstal met inbraak begaan, en enkel stelen).

„Het spijt mij inderdaad, oom,” zeide Hector, „dat Juno zoo veel wanorde heeft aangericht; maar Jan Muirhead, de hondenafrichter, heeft mij gezegd, dat hij Juno nooit onder appèl had kunnen brengen. Zij is verder geweest, dan eenige hond, dien ik kende; maar, –”

„Dan, Hector, wenschte ik, dat uw hond ook uit mijn huis verder ging.”

„Wij zullen ons beide verwijderen, morgen of vandaag; maar ik zou niet gaarne van den broeder mijner moeder in onmin scheiden om een ellendigen aarden pot.”

„O broeder, broeder!” riep Mary M’Intyre in de uiterste wanhoop uit over deze minachtende benaming.

„Wèl, hoe zal ik het noemen?” vervolgde Hector; „het was juist zulk een ding, als waarvan wij ons in Egypte bedienden, om den wijn, of de sorbet, of het water in af te koelen; – ik bracht er een paar van mede; ik had er even goed twintig kunnen meêbrengen.”

„Hoe!” zeide Oldbuck, „van denzelfden vorm als die, welken uw hond ter neêrsmeet?”

„Ja, oom! juist zulk een soort van aarden vaas, als die, welke op het buffet stond. Ze staan in mijne kamer te Fairport; wij brachten er eenige van mede, om er onzen wijn in af te koelen op den overtocht; – dat ging ook best. – Als ik denken kon, dat ze eenigermate uw verlies konden vergoeden, of liever, dat zij u aangenaam zouden zijn, verzeker ik u, dat gij mij zeer vereeren zoudt met ze aan te nemen.”

„Inderdaad, mijn lieve jongen, ik zou mij zeer verheugen, ze te bezitten. De betrekkingen der volkeren na te gaan uit hunne gebruiken en de overeenkomst der gereedschappen, waarvan zij zich bedienden, is lang mijne geliefkoosde studie geweest. Alles, wat dergelijke betrekkingen kan ophelderen, is mij zeer veel waard!”

„Wel, oom, ik zal mij zeer verplicht gevoelen, als gij ze aannemen wilt, en eenige andere kleinigheden van denzelfden aard. – En nu, mag ik hopen, dat gij mij vergeven hebt?”

„O, mijn lieve jongen! gij zijt alleen maar gedachteloos en lichtzinnig.”

„Maar Juno, – zij is ook slechts lichtzinnig, dat kan ik u verzekeren; – Muirhead zeide, dat zij geen ander gebrek had, en volstrekt niet koppig was.”

„Wel, ook Juno heeft mijne vergiffenis, – mits gij haar navolgt in het [206]vermijden van alle gebreken en stijfhoofdigheid, en dat zij zich voortaan van de woonkamers verwijderd houdt.”

„Wel dan, waarde oom,” riep de krijgsman, „het zou mij spijten, en ik zou mij geschaamd hebben, om u iets tot boete mijner zonden of van die van mijn hond aan te bieden, hetwelk ik dacht, dat eenige wezenlijke waarde had; maar nu alles vergeven is, zult gij den ouderloozen neef, voor wien gij een vader geweest zijt, vergunnen, u eene kleinigheid aan te bieden, die ik zeker weet, dat eene zeldzaamheid is, en welke mijne wond mij alleen belet heeft, om u eerder ter hand te stellen. Ik kreeg het van een Franschen geleerde, wien ik eenige diensten bewezen had, na de gevechten bij Alexandrië.”

De kapitein gaf met deze woorden den oudheidkenner een klein doosje over, dat een antieken ring van zuiver goud bevatte, met een zeer schoone camee, het hoofd van Cleopatra voorstellende. De oudheidkenner geraakte in de grootste verrukking, schudde hem hartelijk de hand, bedankte hem wel honderdmaal, en toonde den ring aan zijne zuster en nicht, welke laatste slim genoeg was, dien uitermate te bewonderen; maar Grizelda (ofschoon zij haren neef dezelfde genegenheid toedroeg), was niet behendig genoeg om hem bij te staan.

„Het is een aardig ding,” zeide zij, „Monkbarns, en, zeker van waarde; – maar het is boven mijne kennis; gij weet, ik begrijp niets van dergelijke zaken.”

„Daar hoort men geheel Fairport in eene stem!” riep Oldbuck uit; „het is de echte geest van de stad, die ons allen besmet heeft: mij dunkt, ik heb er den rook van gemerkt deze twee dagen, daar de wind, gelijk eene remora, in het noordoosten is blijven hangen, – en de vooroordeelen vliegen verder dan de dampen. Geloof mij, mijn waarde Hector, – als ik de Hoogstraat van Fairport opwandelde, en dezen onwaardeerbaren schat aan iedereen dien ik ontmoette ten toon spreidde, geen sterveling, van den burgemeester af tot den scheepsomroeper toe, zou blijven staan, om mij naar de geschiedenis er van te vragen. Maar, als ik een stuk linnen onder den arm droeg, zou ik de paardenmarkt niet bereiken kunnen, zonder met vragen overstelpt te zijn omtrent het weefsel en den prijs. O! men zou hunne onwetendheid in de woorden van Gray kunnen parodiëeren

„Weef de schering en weef ’t getouw,

De zweetlap van vernuft en rede;

De doek wordt voor u doek van rouw,

En ’t geld alleen geeft heil en vrede.”

Hoe aangenaam echter dit zoenoffer was, bleek eerst op dit oogenblik; want terwijl de oudheidkenner dus declameerde, had Juno, die hem ontzag met dat opmerkingswaardig instinct, waarmede de honden dadelijk diegenen ontdekken, die hun genegen of afkeerig zijn, herhaaldelijk den neus in de kamer gestoken, en niets afschrikkends ontwarende, zich eindelijk verstout om er geheel in te komen, en door straffeloosheid aangemoedigd, had zij werkelijk het geroosterd brood van Oldbuck opgevreten, terwijl deze, nu den een, dan den ander van zijne toehoorders aanziende, met veel zelfbehagen herhaalde

„Weef de schering en weef ’t getouw, –”

[207]

„Gij herinnert u de plaats in de Noodlottige Zusters, die, in ’t voorbijgaan gezegd, niet zoo schoon is, als in het oorspronkelijke! – Maar, heidaar! mijn geroosterd brood is verdwenen! – ik zie al waarheen. Ah! gij type der vrouwen! geen wonder, dat uw geslachtsnaam eene beleediging is!” (Dit zeggende, hief hij de vuist dreigend tegen Juno op, die uit de spreekkamer stoof). – „Evenwel, daar Jupiter, volgens Homerus, Juno in den hemel niet temmen kon, en daar Muirhead, volgens Hector M’Intyre, er op aarde even weinig in geslaagd is, veronderstel ik, dat men haar zal moeten laten begaan!” En deze zachte berisping beschouwden broeder en zuster met recht als eene volledige vergiffenis van Juno’s overtredingen, en gebruikten nu vergenoegd het morgenmaal.

Na het ontbijt sloeg de oudheidkenner aan zijn neef voor, met hem naar de begrafenis te gaan. De krijgsman verontschuldigde zich, omdat hij geen rouwkleed had.

„O! dat doet er niet toe; – uwe tegenwoordigheid is alles, wat vereischt wordt. Ik verzeker u, gij zult iets zien, dat u vermaken, – neen, dat is de juiste uitdrukking niet, – dat u belang inboezemen zal door de gelijkenis, die ik u zal doen opmerken tusschen de gebruiken bij ons bij zulke gelegenheden, en die der ouden.”

„De Hemel vergeve het mij!” dacht M’Intyre; „ik zal zeker iets verkeerds doen, en de genade verspelen, die ik zoo even bij toeval verworven heb.”

Toen zij vertrokken, nam de krijgsman, door de waarschuwende en smeekende blikken van zijne zuster onderricht, het vaste besluit, om geen aanstoot te geven door eenig blijk van onoplettendheid of ongeduld. Maar onze beste voornemens zijn te vergeefsch, zoodra ze strijden met onze heerschende neigingen. Onze oudheidkenner, om niets onuitgelegd te laten, was begonnen met de begrafenisplechtigheden der oude Scandinaviërs, toen zijn neef hem te midden eener uitweiding over den „ouderdom der heuvelen,” in de rede viel met op te merken, dat eene groote zeemeeuw, die om hen heen vloog, tweemaal binnen schot gekomen was. Deze misslag erkend en vergeven zijnde, ging Oldbuck met zijne verhandeling voort.

„Dit zijn omstandigheden, welke uwe opmerking verdienen en u genoegzaam bekend moeten zijn, waarde Hector; want in den zonderlingen loop van den tegenwoordigen oorlog, die alles in Europa in beweging brengt, is het niet mogelijk te weten, waar gij eens zoudt kunnen geroepen worden te dienen. Zoo het bij voorbeeld in Noorwegen ware, of in Denemarken, of in eenig gedeelte van het oude Scania, of, zoo als wij het noemen, Scandinavië, wat zou dan nuttiger zijn, dan op uw duimpje de geschiedenis en oudheden te kennen van dat oude land, de officina gentium, de moeder van het hedendaagsche Europa, de bakermat van die helden,

Stout in ’t besluiten, paalvast in ’t verduren,

Glimlachende in den dood! –

„Hoe bemoedigend, bij voorbeeld, zou het wezen, na een vermoeienden marsch, u in de nabijheid van een gedenkteeken der Runen te bevinden, en te ontdekken, dat gij uwe tent opgeslagen hadt naast de begraafplaats van een held!”

„Ik geloof, oom, dat onze tafel beter voorzien zou worden, als wij ons in de nabijheid van eene flinke boerderij bevonden.”

„Het spijt mij, u zoo te hooren spreken! – Geen wonder dat de dagen [208]van Crécy en Agincourt voorbij zijn, als de eerbied voor de oude dapperheid in het hart van den Britschen soldaat uitgedoofd is.”

„In geenen deele, oom! – volstrekt niet! maar ik verbeeld mij dat Eduard en Hendrik en alle overige helden om hun eten dachten, eer zij zich de moeite gaven, om een ouden grafsteen te onderzoeken. Maar ik verzeker u, wij zijn geenszins ongevoelig voor de herinnering aan den roem onzer voorvaderen; ik placht ’s avonds dikwijls den ouden Rory M’Aldin te laten komen, om ons gezangen van Ossian over de gevechten van Fingal en Lamon Mor, en Magnus, en den geest van Muirartach, voor te zingen.”

„En gelooft gij,” vroeg de driftige oudheidkenner, „gelooft gij inderdaad, dat het lapwerk van Macpherson wezenlijk oud is, gij onnoozele jongen?”

„Gelooven, oom? – hoe kon ik anders doen dan het gelooven, daar ik die gezangen heb hooren zingen van kindsbeen af?”

„Maar niet die van Macpherson’s Engelschen Ossian; – gij zijt, hoop ik, niet dwaas genoeg om dat te zeggen?” zei de oudheidkenner, terwijl zich zijne wenkbrauwen van gramschap samentrokken.

Maar Hector wachtte den storm moedig af. Gelijk menige wakkere Celt, oordeelde hij, dat de eer van zijn land en van zijne moedertaal eischte om het gezag van deze volksliederen te handhaven; en hij zou eerder lijf en goed in den steek hebben gelaten, dan er één enkelen regel van op te geven. Hij hield dus onverschrokken vol, dat Rory M’Alpin het geheele boek van begin tot einde kon opzeggen; en het was slechts, na vragen en wedervragen, dat hij het algemeene van dat gezegde bepaalde, door er bij te voegen: „ten minste, als men hem brandewijn genoeg gaf, kon hij er zoo lang mede volhouden, als er iemand was, die naar hem luisteren wilde.”

„Zoo, zoo!” zei de oudheidkenner, „en dat, veronderstel ik, zal niet zeer lang geweest zijn.”

„Wel, oom, wij hadden onzen dienst te doen, en konden niet den geheelen nacht zitten luisteren naar een ouden pijper.”

„Maar herinnert gij u nu nog,” zeide Oldbuck, door de geslotene tanden, en zonder ze te openen, wat zijne gewoonte was, als men hem tegensprak, – „herinnert gij u eenige van die verzen, welke gij zoo schoon en belangwekkend vondt; – gij, die zonder twijfel een bevoegd beoordeelaar van dergelijke dingen zijt?”

„Ik maak geene aanspraak op veel verstand, oom! maar het is niet zeer redelijk om knorrig op mij te wezen, omdat ik de oudheden van mijn eigen land meer bewonder, dan die der Harolds, Harfagers en Haco’s, waarmede gij zoo veel op hebt!”

„Wel, deze machtige en onverwonnene Gothen waren uwe voorouders! De broekelooze Celten die zij onderwierpen, en in het leven lieten, als een vreesachtig volk, in de holen der rotsen, waren slechts hunne Mancipia

Hector fronste op zijne beurt de wenkbrauwen. „Oom, ik versta de beteekenis niet van Mancipia; maar ik begrijp, dat dergelijke namen zeer verkeerd aan Hooglanders gegeven worden. Niemand anders dan de broeder mijner moeder zou zulk eene taal in mijne tegenwoordigheid durven voeren; en ik verzoek u te bedenken, dat zoo iets noch gastvrij, noch beleefd, noch vriendschappelijk, noch edelmoedig is omtrent uw gast en uw bloedverwant. Mijne voorouders oom, –”

„Waren groote en moedige helden, ik wil het wel gelooven, Hector! en ik meende waarlijk niet, u eene zoo groote beleediging aan te doen door over een oudheidkundig onderwerp te spreken, waarbij ik zelf altijd koelbloedig, [209]nadenkend en zonder drift blijf. Maar gij zijt vurig en opvliegend, alsof gij Hector en Achilles en Agamemnon tegelijk waart!”

„Het spijt mij, dat ik mij zoo driftig uitdrukte, voornamelijk tegen u, die zoo edelmoedig en goed zijt. – Maar mijne voorouders, –”

„Niets meer daarvan, jongen! ik wilde hen niet beleedigen; – geen van allen.”

„Dat verheugt mij, oom, want het geslacht van M’Intyre, –”

„Vrede zij met hen allen!” riep de oudheidkenner. „Maar om tot ons onderwerp terug te keeren, – herinnert gij u, zeg ik, eenige van die gedichten, die u zoo veel vermaak verschaften?”

„Het is zeer hard,” dacht M’Intyre, „dat hij met zoo veel genoegen over alles spreekt, wat oud is, uitgezonderd mijn geslacht.” – Hij deed toen eenige pogingen om iets te bedenken, en voegde er hardop bij: „Ja, oom, ik geloof dat ik mij eenige regels herinner; maar gij verstaat geen Gaëlisch!”

„En wil gaarne verschoond blijven van het te hooren. Maar kunt gij mij eenig denkbeeld van den zin, in onze moedertaal geven?”

„Ik zal een ellendig vertaler wezen,” zeide M’Intyre; daarop zeide hij het oorspronkelijke, dat vol was van aghes, aughs en oughs en dergelijke keelklanken, snel op, en hoestte en kuchte toen, alsof de vertaling hem in de keel bleef. Eindelijk, na vooraf aangemerkt te hebben, dat het dichtstuk ene samenspraak was tusschen den dichter Oisin of Ossian, en Patrick, den Beschermheilige van Ierland, en dat het moeielijk, zoo niet onmogelijk was, de uitgezochte schoonheid der twee of drie eerste regels even gelukkig over te brengen, zeide hij, dat de zin hier op neêr kwam:

„Patrick de psalmzinger!

Daar gij niet wilt luist’ren naar een van mijn vertelsels,

Ofschoon gij die nimmer tot nu toe gehoord hebt,

Smart het mij u te zeggen

Dat gij weinig meer zijt dan een ezel. –”

„Goed! goed!” riep de oudheidkenner uit; „maar ga voort! Wel, dit is, in elk geval, kostelijk! Ik geloof wel, dat de dichter gelijk had. Wat zegt de Heilige?”

„Hij spreekt in zijn karakter,” antwoordde M’Intyre; „maar gij moest M’Alpin het oorspronkelijke hooren zingen. De woorden van Ossian zijn voor eene zware, lage basstem gezet; – die van Patrick voor een tenor.”

„Gelijk M’Alpin’s groote en kleine fluitjes, veronderstel ik,” zeide Oldbuck; „ik bid u, ga voort!”

„Nu dan, Patrick geeft aan Ossian ten antwoord:

„Op mijn woord, Fingal’s zoon!

Terwijl ik psalmen zing,

Stoort het geschreeuw uwer oudwijven sprookjes

De oefeningen van mijne aandacht.”

„Voortreffelijk! – Wel, het gaat hoe langer hoe beter. Ik hoop, dat de Heilige Patrick beter zal gezongen hebben dan Blattergowl’s voorlezer. Maar wat ik bewonder, is de onderlinge beleefdheid van deze twee hooge personages. Het is jammer, dat daarvan geen woord in Macpherson’s overzetting staat.” [210]

„Indien gij daar zeker van zijt,” zeide M’Intyre deftig, „dan moet hij zich eigendunkelijk zeer veel vrijheid veroorloofd hebben met het oorspronkelijke.”

„Het zou gevaarlijk zijn, dat zoo kortaf te beslissen; – maar ik bid u – ga voort.”

„Nu,” zeide M’Intyre, „zie hier het antwoord van Ossian:

„Durft gij uwe psalmen vergelijken,

Gij, zoon van eene –”

„Zoon van eene – wat?” riep Oldbuck.

„Het beteekent, geloof ik,” antwoordde Hector met eenigen weêrzin, „zoon van eene teef!”

„Durft gij uwe psalmen vergelijken

Met ’t verhaal van den Fenier met bloote armen?”

„Weet ge zeker dat ge de twee laatste woorden nauwkeurig vertaalt, Hector?”

„Zeer zeker, oom,” antwoordde Hector verdrietig.

„Omdat ik gedacht zou hebben, dat wellicht de naaktheid van een ander gedeelte van het lichaam vermeld moest zijn.”

Hector verwaardigde zich niet hierop te antwoorden, en ging voort met zijn gedicht:

„Ik zou er weinig om geven,

Om u het kale hoofd te wringen van de schouders,

„Maar wat is dat ginds?” riep Hector afbrekende.

„Eén uit de kudde van Proteus,” antwoordde de oudheidkenner – „een Phoca of zeehond, die op het strand ligt te slapen.”

Hierop vergat M’Intyre, met al de drift van een jongen jager, geheel en al Ossian, Patrick, zijn oom en zijne wond, en uitroepende: „ik zal hem krijgen! ik zal hem krijgen!” greep hij den wandelstok uit de hand van den verwonderden oudheidkenner, met eenig gevaar van hem omver te werpen, en stoof weg zoo hard hij kon, om zich bij tijds te plaatsen tusschen de zee en het dier, dat verschrikt in het water zocht te vluchten.

Sancho Pancha, toen zijn meester het verhaal van de bestrijders van Pentapolin met den naakten arm afbrak, om persoonlijk op de kudde schapen aan te vallen, stond niet meer verbaasd dan Oldbuck, bij deze onverwachte vlaag van zijn neef.

„Is hij bezeten!” was zijn eerste uitroep, „om het stomme dier, dat niet om hem dacht, te gaan verontrusten?” – Toen de stem verheffende: „Hector, – neef, – dwaas! – laat de Phoca met vrede! – laat de Phoca met vrede! – Ze bijten woedend, zeg ik u! – Hij bekreunt zich niet meer om mij, dan om een boonenstaak; – daar, – daar hebben ze elkander beet! – Hemel! de Phoca heeft de overhand. Dat mag ik zien!” zeide hij verbitterd, ofschoon wezenlijk verontrust over zijn neef, „dat verheugt mij van ganscher harte!”

Inderdaad, toen de zeehond den terugtocht afgesneden zag door den vluggen soldaat, bood hij hem dapper tegenstand, en zonder letsel bekomen te [211]hebben, fronste hij, naar de gewoonte dezer dieren als zij vertoornd zijn, de wenkbrauwen, en, ter zelfder tijd gebruik makende van een zijner lompe, maar sterke voorpooten, rukte hij het wapen uit de hand van den aanvaller, smeet hem omver in het zand, en pakte zich weg in zee, zonder hem eenig verder leed aan te doen. Kapitein M’Intyre, vrij wat onthutst door den uitslag van zijn gevecht, stond juist bij tijds op, om de spotachtige gelukwenschen van zijn oom te ontvangen over een tweegevecht, waardig door Ossian zelven bezongen te worden, „daar” – zei de oudheidkenner, „uwe grootmoedige tegenpartij gevlucht is (ofschoon niet op arendsvleugelen) voor den vijand, die gevallen was. – Ei, het dier stoof weg met al den trots van een overwinnaar, en heeft dan ook mijn stok als spolia opima meê genomen!”

M’Intyre kon weinig meer te zijner verantwoording zeggen, dan dat een Hooglander nimmer een hert, een zeehond, of een zalm kon voorbijgaan, als er eenige mogelijkheid was om er bij te komen, en dat hij vergeten had, dat hij één arm in een draagband had. Hij gebruikte verder zijn val tot verontschuldiging, om naar Monkbarns terug te keeren, en ontsnapte dus aan de verdere spotternijen van zijn oom, zoowel als aan zijne klaagliederen over het verlies van zijn wandelstok.

„Ik sneed hem,” – zeide hij, „in de klassieke bosschen van Hawthornden, toen ik niet dacht altijd ongetrouwd te blijven! – ik zou hem voor geen oceaan vol zeehonden gegeven hebben! – O Hector, Hector, uw naamgenoot werd geboren om een steun van Troje te wezen, en gij, om de plaag van Monkbarns te zijn!”

[Inhoud]

Eenendertigste Hoofdstuk

Spreek m’ er niet van, vriend! – wanneer de deugd weent,

Zijn hare tranen lauwe schuim: – uit onze oude oogen

Vloeit de smart als hagel uit het Noorden,

Die de voren onzer wangen doet bevriezen,

Koud als onze hoop, verhard als ons gevoel.

In het vallen verdwijnen de hare; – de onze

En alles voor ons, wordt tot kil ijs.

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, thans alleen, verhaastte zijne schreden, die vertraagd waren geweest door de verschillende twistredenen en de gebeurtenis, welke er een einde aan maakte, en bereikte weldra het zestal hutten bij de Mosselklip. Deze hadden nu, behalve haar gewoon smerig en ellendig voorkomen, tevens al de treurige kenteekens van den rouw. De schuiten lagen op het strand getrokken, en ofschoon het weder fraai en het jaargetij gunstig was, hoorde men noch het gezang der visschers op zee, noch het lachen der kinderen, [212]noch het schelle gezang der moeders, als zij aan de deur zitten om hare netten te verstellen. Eenige buren, sommigen in ouderwetsche en welbewaarde zwarte rokken, anderen in hunne gewone kleederdracht, maar allen met eene uitdrukking op hun gelaat van het diepste medelijden met een ongeluk, dat hun zoo plotseling en onverwacht overkomen was, stonden voor de deur van Mucklebackit’s hut te wachten tot het lijk weggedragen zou worden. Toen de heer van Monkbarns naderde, maakten zij plaats voor hem om binnen te gaan, terwijl zij, met eene soort van droefgeestige beleefdheid, de hoeden en petten afnamen, en hij beantwoordde hunne groeten op dezelfde wijze.

Binnen in de hut was er een tooneel, dat onze Wilkie alleen zou hebben kunnen schilderen met dat uitgezochte gevoel, dat zijne verrukkelijke voortbrengselen kenmerkt.

Het lijk lag in de kist, in de houten bedstede, waarin de jonge visscher bij zijn leven geslapen had. Op kleinen afstand stond de vader, wiens ruw en mager aangezicht, beschaduwd door het bijna grijze haar, menigen nachtelijken storm en pikdonkeren dag getrotseerd had. Hij scheen aan zijn verlies te denken met dat diep gevoel van pijnlijke smart, aan harde en ruwe karakters bijzonder eigen, dat hen bijna de geheele wereld en al wat die nog oplevert doet haten, als zij van het voorwerp hunner liefde beroofd zijn. De oude man had de wanhopendste pogingen aangewend, om zijn zoon te redden, en was alleen door geweld verhinderd geworden om ze te hernieuwen op het oogenblik, waarop hij, zonder in de mogelijkheid te zijn om den lijder te helpen, zelf zou hebben moeten omkomen. De kwellende herinnering aan dit alles vervulde blijkbaar zijn geest. Zijne blikken waren van ter zijde gericht op de doodkist, als op een voorwerp, dat hij niet rechtstreeks kon aanschouwen, en waarvan hij echter de oogen niet kon afwenden. Zijne antwoorden op de noodzakelijke vragen, die men hem soms doen moest, waren kort, knorrig en soms ruw. Geen lid van het huisgezin had hem tot dusver één woord durven toespreken over gemeenschappelijk lijden, of van gemeenschappelijke vertroosting. Zijne kloeke vrouw, hoe onverschrokken ook, en ofschoon onbepaalde meesteres van het huis, waarop zij zich, met recht, bij elke gewone gelegenheid beroemde, was, bij dit groot verlies, door den schrik tot zwijgen gebracht en genoodzaakt, voor haren man de uitbarstingen harer moederlijke smart te verbergen. Daar hij van het oogenblik af, dat hem de ongelukkige slag getroffen had, niets had willen nuttigen, en zij hem zelve niet durfde naderen, had zij dien morgen, met liefderijke list, het jongste en meest beminde kind gezonden, om zijn vader eenig voedsel aan te bieden. Zijne eerste opwelling was geweest, om het kind van zich af te weren met eene heftigheid, die den jongen verschrikte; maar in hetzelfde oogenblik greep hij hem op, en hem als het ware met kussen bedekkende, zeide hij: „Gij zult een brave jongen worden, als gij ons gespaard wordt, Patie! – maar nooit zult gij, – nooit kunt gij worden – wat hij voor mij was. Sedert zijn tiende jaar ging hij met mij mede, en geen één was er tusschen hier en Buchannes, die zóó met het net wist om te gaan als hij. – De menschen zeggen, men moet zich onderwerpen; – ik zal mijn best doen!”

En van dat oogenblik af had hij niet meer gesproken, als hij niet genoodzaakt was te antwoorden op de onvermijdelijke vragen, waarvan wij reeds melding maakten. Zoodanig was de troostelooze toestand van den vader.

In een anderen hoek der hut zat de moeder, het aangezicht bedekt met haar voorschoot; maar de aard van hare smart was duidelijk te zien in het [213]wringen der handen en in het krampachtige snikken, dat zij niet onderdrukken kon. Twee buurvrouwen, die haar gedienstig allerlei dagelijksche woorden van onderwerping aan onherstelbare rampen in de ooren fluisterden, schenen te streven om de smart, die zij niet konden verzachten, ten minste te bedwelmen.

De droefheid der kinderen was vermengd met verwondering over die toebereidselen, die zij om zich heen zagen, en de ongewone tentoonspreiding van wittebrood en wijn, welk een en ander de armste boer of visscher aan zijne gasten bij dergelijke rouwgelegenheden aanbiedt; en dus loste zich hunne droefenis over den dood van hun broeder weldra bijna geheel op in hunne bewondering van de pracht zijner uitvaart.

Maar de houding der grootmoeder was het meest opvallend van de geheele treurende groep. Gezeten op haren gewonen stoel, steeds met dezelfde stompheid en hetzelfde gebrek aan belangstelling in alles wat haar omgaf, scheen zij elk oogenblik werktuigelijk de bewegingen te hervatten van iemand die spint, – en op hare borst naar het spinrokken te zien, ofschoon men het een en ander had weggelegd. Dan sloeg zij de blikken in het rond, als verwonderd hare gewone gereedschappen te missen, en scheen getroffen over de zwarte kleur van het kleed, dat men haar aangedaan had, en verbaasd over het aantal menschen, door wie zij omringd was; – dan, eindelijk, richtte zij het spookachtig gelaat op, en vestigde de oogen op het bed, waarin de doodkist van haren kleinzoon stond, alsof zij eensklaps, en voor de eerste maal, besefte welk onuitsprekelijk onheil gebeurd was. Deze afwisselende gewaarwordingen van verlegenheid, verwondering en smart vertoonden zich meer dan eens op hare strakke gelaatstrekken. Maar zij sprak geen woord en had geen traan gestort; niemand van het huisgezin kon uit hare blikken of bewegingen opmaken, in hoe ver zij begreep, wat de buitengemeene drukte om haar heen beteekende. Zoo zat zij onder de vergaderde rouwenden als een schakel tusschen de overlevenden en het lijk, dat zij beweenden; – een wezen, waarbij het licht des levens reeds verduisterd werd door de steeds toenemende schaduwen des doods.

Toen Oldbuck het sterfhuis binnentrad, begroette men hem stilzwijgend met eene buiging, en er werd, volgens het Schotsche gebruik bij zulke gelegenheden, den gasten in het rond wijn en sterke dranken aangeboden. Toen dit geschiedde, verschrikte Elspeth het gezelschap, daar zij den persoon, die rondging, een wenk gaf om stil te staan, en, terwijl de glimlach der verkindschdheid op hare gerimpelde gelaatstrekken speelde, hem met eene holle en bevende stem zeide: „Uw aller gezondheid, vrienden, en mogen wij elkander nog dikwijls zoo vroolijk ontmoeten!”

Allen schrikten over deze onheilspellende woorden en zetten de glazen onaangeroerd neder, wat niemand verwonderen zal, die weet hoeveel bijgeloof er nog bij zulke gelegenheden onder het Schotsche volk heerscht. Maar toen de oude vrouw den drank proefde, riep zij eensklaps met een kleinen schrik uit: „Wat is dat? – wijn! – hoe zou er wijn in mijns zoons huis zijn? – Ja,” vervolgde zij, met een onderdrukten zucht, „ik herinner mij nu de droevige reden” en het glas uit de hand latende vallen, stond zij een oogenblik op het bed te staren, waarop de doodkist van haren kleinzoon rustte, en toen langzamerhand op haren stoel zijgende, bedekte zij oogen en voorhoofd met de dorre, magere hand.

Op dit oogenblik trad de geestelijke in de hut. De heer Blattergowl, ofschoon een langdradig redenaar, in het bijzonder over het onderwerp van [214]kerkelijke wetten, tienden, en de Vergadering der Algemeene Synode, waarin hij, ongelukkig genoeg voor zijne toehoorders, eens het woord had gevoerd, was desniettemin „een goed mensch.” Geen geestelijke was ooit onvermoeider in het bezoeken van zieken en bedrukten, in het onderwijzen der jeugd, in het onderrichten van de onwetenden; en in het vermanen van de dwalenden; en dus had onze oudheidkenner, in weêrwil van zijn ongeduld over dominé’s langdradigheid en zijne vooroordeelen, en niettegenstaande een zekere minachting voor zijne kennis, voornamelijk in zaken van vernuft en goeden smaak, waarover Blattergowl zeer geneigd was uit te weiden in de hoop om zich vroeger of later den weg te banen tot een leerstoel van rhetorica en fraaie letteren, – om deze redenen, zeg ik, had onze vriend, de oudheidkenner, in weêrwil van al de vooroordeelen door de vermelde omstandigheden bij hem ontstaan, groote achting en veel eerbied voor genoemden Blattergowl; ofschoon ik bekennen moet, dat hij zelden, niettegenstaande al zijn gevoel van betamelijkheid en al de vermaningen der dames, de deur uitgejaagd kon worden, zoo als hij het noemde, om hem te hooren preeken. Maar hij verklaarde geregeld dat hij zich over zijne afwezigheid schaamde, telkens als Blattergowl te Monkbarns kwam eten, waartoe hij altijd des Zondags genoodigd werd; eene wijze van zijn eerbied te betuigen, welke de oudheidkenner even aangenaam oordeelde voor den geestelijke, en die tevens veel beter strookte met zijne eigene gewoonten.

Om van deze uitweiding terug te keeren, – die alleen dienen kan, om den lezer met den eerlijken geestelijke wat beter bekend te maken, – de heer Blattergowl was nauwelijks in de hut getreden, waar hij de stomme en treurige groeten van het gezelschap ontving, of hij begaf zich naar den ongelukkigen vader, en scheen te pogen, om eenige weinige woorden van rouwbeklag en vertroosting bij hem ingang te doen vinden. Maar de oude man was voor geen van beide vatbaar; hij knikte echter eventjes, en stak den geestelijke de hand toe uit erkentelijkheid voor zijne goede bedoelingen; maar hij was buiten staat, of onwillig, om iets te antwoorden.

De geestelijke ging toen naar de moeder, terwijl hij zich zoo zacht, zoo stil en zoo langzaam over den vloer bewoog, alsof hij bang geweest ware, dat de grond, als broos ijs, onder zijne voeten instorten mocht, of dat de eerste klank van een voetstap de betoovering zou breken, en de hut, met al die er zich in bevonden, in een onderaardschen afgrond storten. Den inhoud van wat hij de arme vrouw influisterde kon men slechts opmaken uit hare gezegden, toen zij met woorden, half gesmoord door snikken, en haar gelaat steeds achter haar voorschoot bedekt houdende, telkens, als hij een oogenblik ophield, weemoedig antwoordde: „Ja, mijnheer! ja, – ja, gij zijt zeer goed, – gij zijt zeer goed! – Zonder twijfel, zonder twijfel! – Wij moeten ons onderwerpen! – Maar, o lieve! mijn arme Steven! de trots van mijn hart, die zoo knap, zoo hupsch was, en de steun van zijne familie, en een troost voor ons allen, en de vreugde van iedereen, die hem kende! – O mijn kind, mijn kind, mijn kind! waarom ligt gij daar, en och! waarom leef ik nog, om u te beweenen!”

Het was niet mogelijk, zich bij deze uitbarsting van smart en moederlijke liefde goed te houden. Oldbuck nam herhaaldelijk toevlucht tot zijne snuifdoos om de tranen te verbergen, die, in weêrwil van zijne verstandige en cynische zelfbeheersching, bij dergelijke gelegenheden hem wel eens ontvielen. De vrouwen klaagden mede; de mannen hielden de petten vóór het gezicht en spraken zacht met elkander. De predikant wendde zich nu met zijne [215]troostredenen tot de oude grootmoeder. In het begin luisterde zij, of scheen zij te luisteren, naar hetgeen hij zeide, met hare gewone ongevoeligheid. Maar toen hij, op zijn onderwerp aandringende, zoo dicht bij haar oor kwam, dat de zin zijner woorden voor haar verstaanbaar werd, ofschoon de meer verwijderde omstanders ze niet hoorden, nam haar gelaat eensklaps die strenge en veelbeteekenende uitdrukking aan, welke tusschenbeide haar eigen was. Zij richtte hoofd en lichaam op, schudde het hoofd op eene wijze, die ten minste ongeduld over, zoo niet verachting van zijn raad te kennen gaf, en bewoog de hand zenuwachtig heen en weêr, maar op zulk eene nadrukkelijke wijze, dat het aan allen, die het zagen, duidelijk was, dat zij den geestelijken troost versmaadde, dien hij haar aanbood. De afgewezen predikant trad terug, en zachtkens de hand opheffende en weêr latende vallen, scheen hij tegelijk verbazing, smart en medelijden aan den dag te leggen over den onrustbarenden toestand van haar gemoed. De overigen van het gezelschap deelden zijn gevoelen, en een onderdrukt gefluister, dat in het rond gehoord werd, gaf te kennen, hoe zeer hare wanhopige en ongewillige houding allen met verbazing, ja zelfs met schrik, vervulde.

Intusschen werd het gezelschap vermeerderd en aangevuld door de weinige nog ontbrekende personen, die men uit Fairport verwachtte. De wijn en sterke drank gingen nog eens rond, en nog eenmaal begroette men elkander, over en weder zwijgende. De grootmoeder nam andermaal een glas wijn op, dronk het leêg en riep uit met een harden lach: „Ha! ha! ik heb tweemaal op één dag wijn gedronken, – wanneer heb ik dat voor den laatsten keer gedaan, denkt ge, vrienden? – Nooit sedert –”

En de vluchtige opgewektheid verdween van haar gelaat; zij zette het glas weg, en zeeg neêr op den stoel, waarvan zij opgestaan was, om het te grijpen.

Toen de algemeene verbazing bedaard was, meende de heer Oldbuck, wien het hart bloedde om hetgeen hij voor de afdwaling hield van een verzwakt denkvermogen, kampende met ouderdom en gebrek, den geestelijke te moeten doen opmerken dat het tijd was, tot de plechtigheid over te gaan. De vader was buiten staat om iets te doen; maar de naaste bloedverwanten gaven den timmerman een teeken. Het gekras der schroeven kondigde dadelijk aan, dat het deksel van de laatste verblijfplaats der sterfelijkheid werkelijk boven hem, die er in lag, gesloten werd. Het laatste bedrijf, dat ons voor altijd scheidt, zelfs van de sterfelijke overblijfsels van hem, dien wij ten grave brengen, werkt gewoonlijk op de onverschilligste, zelfzuchtigste en hardvochtigste harten. Met een geest van tegenspraak, dien wij aan eene bekrompene denkwijze moeten toeschrijven, en in zoover vergeven kunnen, verwierpen de vaders der Schotsche kerk, zelfs bij deze allerplechtigste gelegenheid, den vorm van eene aanspraak aan de Godheid, uit vrees dat zij aan de gebruiken van Rome en Engeland iets mochten toegeven. Met een vrij betere, meer liberale gezindheid, plegen de meeste Schotsche geestelijken thans van deze gelegenheid gebruik te maken, om een gebed te doen en eene indrukwekkende vermaning te richten tot de levenden, terwijl zij zich nog in de tegenwoordigheid der overblijfsels bevinden van hem, wien zij nog zoo onlangs in denzelfden toestand zagen als die, waarin zij zelven verkeeren, en die nu daarhenen gaat, waarheen zij, op hun tijd, hem zelven moeten volgen. Maar dit betamelijk en prijzenswaardig gebruik bestond nog niet in de dagen waarvan ik spreek, of, ten minste, de heer Blattergowl handelde niet dienovereenkomstig, en de plechtigheid had plaats zonder eenige godsdienstoefening. [216]

De doodkist, met een doodskleed overdekt en door de naaste bloedverwanten gedragen, wachtte slechts op den vader, om, zoo als het de gewoonte meebrengt, het hoofdeinde te dragen. Twee of drie der bevoorrechte personen spraken hem aan; maar hij antwoordde slechts met een hoofdschudden en eene afwijzende beweging der hand. Met meer gevoel dan verstand zouden de vrienden, die dat als een plicht voor den levende en als een blijk van eerbied voor den afgestorvene beschouwden, volhard hebben, indien Oldbuck zich niet geplaatst had tusschen den ongelukkigen vader en zijne welmeenende kwellers, en hen onderricht had, dat hij, als landeigenaar en heer van de plaats, „zelf het hoofd van den overledene in het graf wilde leggen.” In weêrwil van de droevige gelegenheid, liep het hart der naastbestaanden bij zulk eene uitstekende onderscheiding van den kant van den heer over, en de oude Alison Breek, die onder de vischvrouwen tegenwoordig was, zwoer bijna overluid: „dat Monkbarns nooit zijn dozijntje oesters missen zou in het saizoen,” (men wist, dat hij er veel van hield), „al moest zij zelve op zee gaan om er naar te visschen in den hardsten wind, die er ooit woei!” En zoo is de aard van het Schotsche volk, dat de heer Oldbuck, door dit bewijs van zijn eerbied voor hunne gebruiken en van zijne achting voor hunne personen, zich meer bemind maakte, dan door al de sommen, die hij jaarlijks in de streek besteedde aan bijzondere en algemeene liefdadige doeleinden.

De treurige optocht bewoog zich nu langzaam voort, voorafgegaan door de boden met hunne stokken, – oude mannen van een ellendig voorkomen, wankelend, alsof zij zelven op den rand van het graf stonden, waarheen zij een ander brachten, en, naar de Schotsche wijze, uitgedost in versletene zwarte rokken en jagersmutsen met smerig floers versierd. Monkbarns zou waarschijnlijk bedenkingen ingebracht hebben tegen deze overtollige uitgaven indien men hem geraadpleegd had; maar, dan zou hij meer aanstoot gegeven hebben, dan hij liefde won door zijne welwillendheid om de plaats van den eersten rouwdrager goed te bekleeden. Dit wist hij zelf, en hij onthield zich wijselijk van alle vermaning, waar hij begreep, dat vermaning en raad even nutteloos zouden geweest zijn. Inderdaad, de Schotsche boerenstand is werkelijk nog bezield met die woede voor begrafenisplechtigheden, welke eenmaal de grooten van het koninkrijk zoodanig onderscheidde, dat eene wet door het parlement van Schotland gemaakt werd om ze tegen te gaan; en ik heb vele menschen van de laagste klasse gekend, die zich niet slechts de gemakken, maar zelfs bijna de noodwendigste behoeften van het leven onthielden, ten einde eene genoegzame som bijeen te brengen, om hunne overblijvende vrienden in staat te stellen hen „als Christenen,” zoo als zij het noemen, te begraven, noch konden de getrouwe overblijvenden, hoe behoeftig ook het van zich verkrijgen, om tot het gebruik en onderhoud der levenden het geld aan te wenden, dat nutteloos op de begrafenis der dooden verspild werd.

De optocht naar het kerkhof, op ongeveer eene halve mijl afstands, geschiedde met al de plechtigheid, bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk; – het lijk werd aan de moeder-aarde overgegeven, – en toen de doodgravers het graf gevuld en het met nieuwe zoden bedekt hadden, groette de heer Oldbuck, den hoed afnemende, de dragers, die een somber stilzwijgen bewaard hadden, en met dien groet liet hij hen uiteengaan.

De geestelijke sloeg onzen oudheidkenner voor, met hem naar huis te wandelen; maar de heer Oldbuck was zoo getroffen geweest door het gedrag van den visscher en zijne moeder, dat hij, bewogen door medelijden, en misschien ook eenigermate door de nieuwsgierigheid, die ons zelfs datgene doet zoeken, [217]wat ons pijnlijk valt te aanschouwen, de voorkeur gaf aan eene eenzame wandeling langs de kust, met oogmerk om in het voorbijgaan de visschershut weder te bezoeken.

[Inhoud]

Tweeëndertigste Hoofdstuk

Welke is deze zonde, – dit verzwegen geheim,

Die geen kunst ontdekken, geen boete zuiv’ren kan?

– In de spieren, geene verandering!

Noch geroerd, verbleekt, noch strak,

Geen vluchtige blos, geen bevende lip.

De geheimzinnige moeder.

De doodkist was weggedragen van de plaats, waar zij gestaan had. De gasten waren, de een na den anderen, volgens hun rang en hunne verwantschap met den overledene, gevolgd; de stoet had de hut verlaten, terwijl de kleine kinderen bij de hand werden medegevoerd, om achter de baar van hun broeder te trippelen, en met verwondering eene plechtigheid bij te wonen, waarvan zij zich moeielijk een begrip konden maken. Nu ook maakten zich de vrouwen gereed om te vertrekken, en namen, wegens den toestand der ouders, de meisjes mede, om het ongelukkige paar gelegenheid te geven, ongestoord hunne harten te openen en hun leed door mededeeling te verlichten. Maar het liefderijke doel werd niet bereikt. De laatste der bezoekers had, bij het uitgaan, den ingang der hut nauwelijks verduisterd en de deur zachtjes achter zich toegetrokken, toen de vader, zich eerst door een haastigen blik verzekerende dat er niemand vreemds meer tegenwoordig was, opvloog, zijne handen woest boven het hoofd ineen sloeg, een luiden gil gaf, en zich half wierp, half voorover viel op het bed, waarop de kist was geplaatst geweest, en, het hoofd tusschen de kussens verbergende, lucht gaf aan zijne smart. Het was te vergeefs dat de ongelukkige moeder, verschrikt over de hevige droefheid van haren man, – eene droefheid te vreeselijker in een mensch van zijn ruwen aard en sterk lichaamsgestel, – haar eigen snikken en hare tranen onderdrukte, en hem, terwijl zij hem bij de panden van den rok trok, bad om op te staan en zich te herinneren, dat, ofschoon hem één kind ontnomen was, hij nog altoos eene vrouw en kinderen had, die troost en hulp behoefden. De vermaning kwam te vroeg, en werd niet gehoord; hij bleef liggen, en toonde door zijn snikken, zoo bitter en geweldig, dat het bed en het beschot, waartegen het lag, er van schudden, door met zijne handen, die het beddelaken gegrepen hadden te wringen, en door de geweldige en stuipachtige beweging zijner voeten, hoe diep en hoe verschrikkelijk de benauwdheid der vaderlijke smart was.

„O, welk een dag is deze!” riep de arme moeder, wier vrouwelijke smart reeds door snikken en tranen uitgeput, nu vergeten was door den schrik over [218]den toestand, waarin zij haren man zag; „o welk een uur is dit! en niemand is hier, om eene arme verlatene vrouw te helpen! – O, grootmoe! kondet gij hem maar een woord toespreken! – kondet gij hem maar wat troost geven!”

Tot hare verwondering, en zelfs tot vermeerdering van haren angst, hoorde en antwoordde hare schoonmoeder. Deze stond op en ging zonder ondersteuning, zonder merkbare zwakte, door de kamer, en, bij het bed staande, waarop haar zoon zich uitgestrekt had, zeide zij: „Sta op, mijn zoon, en treur niet over hem, die boven zonde en kommer en verzoeking is! De kommer is voor hen, die in dit aardsche dal van rampen en duisternis achterblijven! – Ik, die geen verdriet heb en geen verdriet kan hebben over iemand, heb het meeste noodig, dat gij over mij treurt!”

De stem van zijne moeder, sedert jaren niet meer gehoord als deelende in iets dat voorviel, bleef niet zonder uitwerking. Haar zoon richtte zich op aan den kant van de bedstede, en zijn voorkomen, zijne houding en gebaren toonden nu in plaats van bittere wanhoop, slechts diepe smart en neêrslachtigheid. De grootmoeder keerde naar haren stoel terug, de moeder nam werktuigelijk haren verscheurden bijbel ter hand en scheen te lezen, ofschoon hare oogen in tranen zwommen.

Zoo waren zij nog bezig, toen men een hard kloppen op de deur hoorde.

„Hé!” zei de arme moeder, „wie kan daar nu aankomen? – Het is zeker iemand, die niets van ons ongeluk gehoord heeft.”

Daar het kloppen herhaald werd, stond zij op, verdrietig zeggende „Wat is dat voor een doen, om dus een sterfhuis te verontrusten?”

Een lang man, in het zwart gekleed, stond voor haar, in wien zij dadelijk lord Glenallan herkende.

„Woont er niet,” vroeg hij, „in deze, of in eene der andere naburige hutten, eene oude vrouw, genaamd Elspeth, die lang geleefd heeft op Craigburnfoot, te Glenallan?”

„Dat is mijne schoonmoeder, Milord!” zeide Margaretha: „maar zij kan nu niemand zien. – O! wij hebben een bitter lot gehad; – wij gaan onder eene zware bezoeking gebukt!”

„De hemel weet,” zeide lord Glenallan, „dat ik om geene kleinigheid u in uwe droefheid zou willen storen! – maar mijne dagen zijn geteld; – uwe schoonmoeder is zeer bejaard, en als ik haar vandaag niet zie, zullen wij elkander misschien nooit weêr in dit leven ontmoeten.”

„En wat zoudt gij er aan hebben om eene oude vrouw te zien, die versuft is onder jaren en kommer en hartzeer? – Voornaam of gering, niemand zal binnen mijne deur komen op den dag, dat mijn kind er uitgedragen is als lijk,” zei de bedroefde moeder.

Terwijl zij dus sprak, en aan de drift lucht gaf, aan hare natuur en haar beroep eigen en die zich eenigszins met hare smart begon te vereenigen, nadat de eerste hevigste uitbarstingen voorbij waren, hield zij de deur ongeveer voor een derde gedeelte open, en plaatste zich in de tusschenruimte, als om den bezoeker het binnentreden onmogelijk te maken. Maar de stem van haren man liet zich uit het binnenste der woning hooren: „Wat is er, Maggie? Waarom sluit gij de menschen uit? – laat hem binnen; – het kan mij niets schelen, wie voortaan dit huis in of uit gaat!”

De vrouw trad, op bevel van haren man, ter zijde, en veroorloofde lord Glenallan de hut binnen te treden. [219]

De neêrslachtigheid, die zich nu in zijn ontzenuwd lichaam en uitgeteerd gelaat vertoonde, stak zeer af bij de smart, zoo als die zich op het ruw en door wind en weder verhard gezicht van den visscher, en de grove gelaatstrekken van zijne vrouw vertoonde. Hij naderde de oude grootmoeder, die op haren stoel zat, en vroeg haar op een toon, zoo hoorbaar als zijne stem het toeliet: „Zijt gij Elspeth van Craigburnfoot, van Glenallan?”

„Wie vraagt naar het ellendige verblijf van die slechte vrouw?” was het antwoord op zijne vraag.

„De ongelukkige graaf van Glenallan.”

„Graaf – graaf van Glenallan!”

„Hij, dien men noemde Willem, lord Geraldin,” hernam de graaf; „en wien de dood van zijne moeder tot graaf van Glenallan gemaakt heeft.”

„Open het vensterluik!” zei de oude vrouw op vasten en driftigen toon tot hare schoondochter, „open het luik, gauw! dat ik zien kan, of dit de echte lord Geraldin, de zoon van mijne meesteres is; hij, dien ik in de armen kreeg zoodra hij geboren werd; – hij, die reden heeft om mij te vloeken, omdat ik hem op dat oogenblik niet smoorde.”

Het venster, dat gesloten geweest was om eene duistere schemering over de plechtige begrafenis-bijeenkomst te verspreiden, werd, overeenkomstig haar bevel, geopend, en verspreidde dadelijk een helder licht door de berookte en met walm vervulde hut. Daar de sterkste stralen op den schoorsteen vielen, verlichtten ze op eene wijze, die Rembrandt zou bekoord hebben, de gelaatstrekken van den ongelukkigen edelman en van de oude vrouw, die nu opstond, en hem bij de hand houdende, nieuwsgierig op zijne gelaatstrekken met hare lichtblauwe oogen tuurde, en haren langen, mageren vinger op een kleinen afstand van zijn gelaat houdende, dien langzaam bewoog, als om de omtrekken na te gaan en datgene, wat zij zich herinnerde, in overeenstemming te brengen met wat zij nu aanschouwde. Nadat zij hare navorsching geëindigd had, zeide zij met een diepen zucht: „Het is bitter, – bitter veranderd! – en wiens schuld is dat? – maar dat staat opgeschreven, waar het eens verantwoord zal worden; – het is op bronzen tafels met een stalen griffel geschreven, daar waar alles geboekt staat, wat in den vleesche gedaan wordt! – En wat,” zeide zij, na een oogenblik van stilzwijgen, „wat zoekt lord Glenallan bij een arm, oud schepsel zoo als ik ben, dat reeds dood is, en alleen in zoover tot de levenden behoort, dat zij nog niet in het graf ligt?”

„Maar,” antwoordde lord Glenallan, „in ’s Hemels naam! waarom hebt gij zoo dringend verzocht om mij te zien? en waarom ondersteundet gij uw verzoek door mij een teeken te zenden, waaraan gij wel wist, dat ik gehoorzamen zou?”

Dit zeggende, nam hij uit zijne beurs den ring, welken Adam Ochiltree hem op het kasteel Glenallan had overhandigd. Het gezicht van dit teeken had eene vreemde en oogenblikkelijke werking op de oude vrouw. Het beven der vrees voegde zich oogenblikkelijk bij dat van den ouderdom, en zij begon dadelijk met eene angstige en gejaagde ontroering hare zakken te doorzoeken, als iemand, die voor het eerst beseft, dat zij iets van groot gewicht verloren heeft; – daarop, als overtuigd dat hare vrees gegrond was, keerde zij zich naar den graaf, en vroeg: „En, hoe kwaamt gij er aan? – ik meende het zoo veilig bewaard te hebben; wat zal de gravin zeggen?”

„Gij weet,” antwoordde de graaf, „ten minste gij moet gehoord hebben, dat mijne moeder dood is!” [220]

„Dood! bedriegt gij mij niet? – Heeft zij eindelijk geld en goed, pracht en weelde moeten verlaten?”

„Alles, alles!” zei de graaf, „zoo als stervelingen alle menschelijke ijdelheden moeten verlaten!”

„Ik herinner mij nu,” antwoordde Elspeth, „er van gehoord te hebben; maar er is sedert zoo veel droefheid in ons huis geweest, en mijn geheugen is zoo verzwakt; – – maar zijt gij zeker dat uwe moeder, de gravin, overleden is?”

De graaf verzekerde haar op nieuw, dat hare voormalige meesteres niet meer was.

„Dan,” zeide Elspeth, „zal het niet langer op mijn geweten drukken! – Toen zij leefde, durfden wij niet spreken van wat zij niet verkoos dat onder de menschen zou komen. – Maar zij is weg; – en ik zal alles bekennen!”

Toen, zich tot haren zoon en hare schoondochter wendende, beval zij hun op gebiedenden toon weg te gaan, en lord Geraldin (want zoo noemde zij hem nog) alléen met haar te laten. Maar Maggie Mucklebackit, nadat hare eerste opwelling van smart voorbij was, gevoelde zich geenszins geneigd, om in haar eigen huis eene onbepaalde gehoorzaamheid aan de bevelen van hare schoonmoeder te bewijzen, een gezag, voor lieden uit haren stand altijd bijzonder onaangenaam, en hetwelk zij te meer verwonderd was te zien herleven, daar het reeds zoo lang scheen nedergelegd en vergeten te zijn.

„Het is iets vreemds,” zeide zij op knorrigen toon, – want de rang van lord Glenallan hield haar eenigszins in bedwang, – „het is iets vreemds eene moeder te gelasten, om haar eigen huis te verlaten, met de tranen nog in haar oogen, op het oogenblik, dat haar oudste zoon als een lijk de deur uitgedragen wordt!”

De visscher voegde er ter zelfder tijd barsch en kortaf bij: „Dit is geen dag voor uwe oude historiën, moeder! – De graaf, als hij een graaf is, kan op een anderen dag wederkomen, – of hij kan zeggen, wat hij te zeggen heeft, als het hem belieft; er is niemand hier, die zich de moeite zal geven, naar hem of naar u te luisteren. Maar, heer of knecht, voornaam of gering, voor niemand ter wereld verlaat ik mijn eigen huis op den dag zelven, dat mijn arme, –”

Hier begaf hem de stem en hij kon niet voortgaan; maar, daar hij opgestaan was toen lord Glenallan binnentrad, en was blijven staan, wierp hij zich nu op een stoel, en bleef in de houding zitten van iemand, die vast besloten heeft om woord te houden.

Maar de oude vrouw, die in het beslissend oogenblik weêr in het bezit scheen te geraken van al die geestvermogens, waarmede zij eens zoo rijk begaafd was, verhief zich, en op hem toegaande, zeide zij op plechtigen toon: „Mijn zoon, als gij het verhaal van de schande uwer moeder niet hooren wilt; als gij niet opzettelijk getuige wilt zijn van hare schuld; – als gij haren zegen verdienen en haren vloek ontgaan wilt, beveel ik u, ik, die u onder mijn hart droeg en voedde, om mij de vrijheid te laten met lord Geraldin over iets te spreken, dat geen sterfelijk oor dan het zijne vernemen mag. Gehoorzaam aan mijne bevelen, opdat, wanneer gij mij in het graf legt, (en o, dat die dag gekomen ware!) gij u dit uur herinneren moogt zonder het verwijt, dat gij ongehoorzaam zijt geweest aan het laatste bevel, dat uwe moeder u op deze aarde gaf!”

Deze plechtige woorden wekten in het hart van den visscher de werktuigelijke gehoorzaamheid op, waarin zijne moeder hem had groot gebracht, en [221]waaraan hij zich blindelings onderworpen had, zoolang zij nog in staat was geweest, ze van hem te vorderen. Deze herinnering verbond zich dus met de heerschende gedachte in zijn hart; want, een blik op het bed werpende, waarop het lijk was geplaatst geweest, mompelde hij binnensmonds: „Hij was nooit ongehoorzaam, of ik gelijk of ongelijk had; en waarom zou ik haar kwellen?” Daarop zijne weêrspannige vrouw onder den arm nemende, bracht hij haar zachtjes buiten de hut en trok de deur achter zich toe.

Terwijl de ongelukkige ouders zich verwijderden, drong lord Glenallan, om te voorkomen, dat de oude vrouw weder in haren wezenloozen staat verviel, op nieuw bij haar aan, om de mededeeling te ontvangen, die zij voornemens was hem te doen.

„Gij zult het spoedig genoeg weten,” antwoordde zij; „mijn geest is nu helder genoeg, en er is niets, – ik geloof niets, – dat ik vergeten zal van al wat ik u te zeggen heb. Mijne woning te Craigburnfoot staat mij voor de oogen, alsof ze er nog was: – de groene zodenbank, juist waar de beek en de zee elkander ontmoeten; – de twee kleine pinken, met gereefde zeilen, in de bocht; – de hooge klip, die haar met de lusttuinen van het kasteel van Glenallan vereenigt, en loodrecht over den stroom hangt. – Och, ja! ik zou kunnen vergeten, dat ik een man had en hem verloren heb, – dat slechts nog één van onze vier zonen in leven is; – dat ongeluk op ongeluk onze slecht verkregen rijkdommen verslonden heeft; – dat men het lijk van mijns zoons oudsten zoon heden morgen uit dit huis droeg; – maar nooit kan ik de dagen vergeten, die ik op het schoone Craigburnfoot doorbracht!”

„Gij waart de lieveling mijner moeder,” zeide lord Glenallan, om haar terug te brengen op het punt, waarvan zij afweek.

„Dat was ik, dat was ik; – gij behoeft het mij niet te herinneren! – Zij gaf mij eene opvoeding boven mijn stand, en ik leerde meer dan mijne kennissen; maar, even als de eerste verleider, leerde zij mij, tegelijk met de kennis van het goede, ook de kennis van het slechte.”

„Om Gods wil, Elspeth!” zei de verwonderde graaf, „ga over, zoo gij kunt, tot de opheldering van de verschrikkelijke wenken, die gij mij geeft. – Ik weet wel, dat gij bekend zijt met een verschrikkelijk geheim, dat genoeg is om dit huis boven ons te doen instorten; – maar ga voort!”

„Dat zal ik doen,” zeide zij, – „dat zal ik doen! heb slechts een weinig geduld met mij!” – en zij scheen op nieuw verdiept in hare herinneringen, die echter niet meer gepaard waren met verkindschdheid en wezenloosheid. Zij was nu op het punt om eene omstandigheid aan te roeren, die lang haar geweten bezwaard had, en welke, ongetwijfeld, dikwijls hare geheele ziel vervuld had in tijdstippen, dat zij dood scheen voor alles, wat haar omgaf. En ik kan er als eene opmerkingswaardige daadzaak bijvoegen, dat de veerkrachtige werking van den geest op hare lichamelijke krachten en haar zenuwgestel zoo groot was, dat in weêrwil van haar zwak gehoor, elk woord, dat lord Glenallan gedurende dit merkwaardig gesprek zeide, ofschoon op den zachtsten toon van schrik en ontroering gesproken, Elspeth zoo helder en duidelijk in de ooren klonk, als het ooit in eenig tijdperk van haar leven had kunnen doen. Zij zelve ook sprak klaar, duidelijk en langzaam, als bezorgd, om het bericht, dat zij mededeelde, volledig te doen verstaan, ter zelfder tijde beknopt, en zonder eenige der praatzieke of wijdloopige bijvoegingen, welke aan lieden van haar geslacht en haren stand anders eigen zijn. In het kort, hare taal getuigde van eene goede opvoeding, zoo wel als van [222]een buitengemeen sterken en vasten geest, en van een van die karakters, van welke men natuurlijk groote deugden of groote misdaden verwachten kan. De inhoud van hare mededeeling wordt in het volgende hoofdstuk vermeld.

[Inhoud]

Drieëndertigste Hoofdstuk

Gewetenswroeging! – die verzaakt ons nooit!

Als een spoorhond volgt ze onze snelste vlucht

Door den woesten doolhof der jeugdige drift;

Soms ongehoord tot aan den ouden dag;

Maar op ons rustbed door den tijd verlamd,

Onze hoop vernield op strijden of op vlieden,

Hooren we haar hol geblaf; dan luist’ren wij

Sidderend, en leven voor de toekomst.

Oud tooneelspel.

„Ik behoef u niet te zeggen,” sprak de oude vrouw, zich tot den graaf van Glenallan wendende, „dat ik eene getrouwe dienares was van Joscelinde, gravin van Glenallan, die God vergeve!” (hier maakte zij een kruis) „en gij zult, denk ik, ook niet vergeten hebben, dat ik jaren lang hare gunst genoot. Ik beantwoordde die met de meest oprechte verkleefdheid; – maar ik viel in ongenade, wegens eene geringe ongehoorzaamheid, die aan uwe moeder werd overgebracht door iemand, die dacht, – en zij had geen ongelijk, – dat ik hare en uwe daden bespiedde.”

„Ik beveel u, vrouw!” zei de graaf met eene stem, die van drift beefde, „noem haren, naam niet in mijne tegenwoordigheid!”

„Ik moet het doen,” hernam de oude vrouw vast en bedaard; „hoe zoudt gij mij anders begrijpen?”

De graaf, leunende op een der houten stoelen van de hut, trok den hoed diep in de oogen, wrong de handen en sloot de tanden als iemand, die al zijn moed verzamelt om eene pijnlijke operatie te ondergaan, en gaf haar een teeken om voort te gaan.

„Ik zeg dan,” hernam zij, „dat mijne ongenade bij mijne meesteres hoofdzakelijk veroorzaakt werd door Eveline Neville, die op het kasteel van Glenallan groot gebracht werd, als de dochter van een vollen neef van uw vader, die overleden was. Er was veel geheimzinnigs in hare geschiedenis; maar wij durfden er niet meer naar vragen dan de gravin goedvond te vertellen. – Allen op het kasteel hadden Eveline Neville lief; – allen, op twee na: – uwe moeder en ik; – wij haatten haar!”

„God! om welke reden? Nimmer heeft zulk een zachtzinnig, lief wezen, zoo geschikt om genegenheid te verwekken, deze ongelukkige aarde betreden!”

„Dat kan zijn,” antwoordde Elspeth; „maar uwe moeder haatte allen die van uws vaders geslacht waren; allen, hem alleen uitgezonderd! Wat de aanleiding tot dien haat betreft, die weldra na haar huwelijk ontstond, die behoort tot bijzonderheden, die niets ter zake afdoen. Maar o! zeer zeker haatte zij Eveline Neville, toen zij merkte, dat er eene genegenheid tusschen [223]u en die ongelukkige jonge dame ontstond. Gij zult u herinneren, dat de afkeer der gravin in den beginne niet verder ging, dan dat zij haar met koelheid behandelde; maar op den duur brak die met zooveel hevigheid uit, dat Eveline Neville genoodzaakt was, eene wijkplaats te zoeken op het kasteel Knockwinnock, bij Sir Arthurs vrouw, die (God zegene haar!) toen nog leefde.”

„Gij verscheurt mij het hart met deze bijzonderheden op te halen; – maar ga voort, en moge mijn tegenwoordig lijden aangenomen worden als eene vermeerderde boete voor de onwillekeurige misdaad!”

„Zij was eenige maanden afwezig geweest,” vervolgde Elspeth, „toen ik op zekeren nacht in mijne hut de terugkomst afwachtte van mijn man, die uit visschen was, en in mijne eenzaamheid bittere tranen stortte, welke mijn trotsch hart mij afperste, zoo dikwijls ik aan mijne ongenade dacht. De klink werd opgelicht, en de gravin trad mijne woning binnen. Ik meende eerst een spook te zien; want dit was eene eer, die zij mij, zelfs toen ik in de grootste gunst stond, nooit had aangedaan, en zij zag er zoo doodelijk bleek uit, alsof zij uit het graf verrezen was. Zij ging zitten en droogde zich de haren en den mantel af, want er viel een fijne stofregen, en zij had door het plantsoen moeten gaan, dat van vochtigheid droop. Ik vertel dit alles alleen, om u te doen inzien, hoe levendig die nacht mij nog in het geheugen is, – en dat mag wel! Ik was verwonderd haar te zien, maar ik durfde in het begin niet meer spreken, dan alsof ik een schim gezien had; – neen, ik durfde niet, Milord! ik, die veel verschrikkelijks gezien heb en er nooit voor beefde. – Dus, na een kort stilzwijgen, zeide zij: „Elspeth Cheyne,” (want zij noemde mij altijd bij mijn familienaam), „zijt gij niet de dochter van dien Reginald Cheyne, die stierf, om zijn heer, lord Glenallan te redden op het slagveld van Sherifmuir?” – En ik antwoordde haar, bijna zoo trotsch als zij zelve: „Zoo zeker als gij de dochter van dien graaf van Glenallan zijt, welken mijn vader dien dag redde door zijn eigen dood.””

Hier zweeg zij weder.

„En hoe ging het verder? – hoe ging het verder? – om ’s hemels wil, goede vrouw! – Maar waarom zou ik dat woord gebruiken? – Evenveel, goed of kwaad, ik beveel u mij alles te verhalen!”

„En ik zou mij aan een aardsch bevel weinig storen,” antwoordde Elspeth, „als geene stem tot mij gesproken had, die mij slapende en wakende aanspoort, om deze droevige gebeurtenis te verhalen. – Wel, Milord, – de gravin zeide tot mij: „Mijn zoon bemint Eveline Neville; – zij zijn het eens; – zij zijn verloofd! – krijgen zij een zoon, dan vervalt mijn recht op Glenallan, – en ik word, op dat zelfde oogenblik, in plaats van gravin, eene ellendige, eene jaargeldtrekkende weduwe! – Ik, die mijn man landerijen en leenmannen, oud adellijk bloed en voorouderlijken roem aanbracht, moet ophouden meesteres te zijn, zoodra mijn zoon een mannelijken erfgenaam krijgt. Doch dit deert mij niet: – had hij iedere andere getrouwd, dan eene der gehate Nevilles, ik zou het verdragen hebben; – maar zij, – dat hare afstammelingen de rechten en waardigheden van mijne voorouders genieten zouden, is mij een dolksteek in het hart! En dit meisje, – ik verfoei haar!” – En ik antwoordde, – want mijn hart gloeide bij hare woorden, „dat mijn haat niet geringer was dan de hare.”

„Ellendige!” riep de graaf uit, in weêrwil van zijn besluit om haar niet in de reden te vallen; – „ellendige vrouw! welke reden tot haat kon u zulk een onschuldig en beminnelijk schepsel gegeven hebben?” [224]

„Ik haatte al wat mijne meesteres haatte, zoo als de vazallen van het huis van Glenallan gewoon waren te doen; want ofschoon ik, Milord, beneden mijn stand gehuwd ben, zoo ging nochtans geen van uwe voorouders op het slagveld, of een voorzaat van deze zwakke, versufte, oude, nuttelooze, ellendige vrouw droeg zijn schild voor hem uit. – Maar dat was niet alles,” vervolgde de oude, wier aardsche en booze driften weêr ontwaakten in het vuur van haar verhaal, „dat was niet alles: – ik haatte Eveline om haar zelve! Ik bracht haar uit Engeland over, en op de geheele reis spotte en lachte zij om mijn Noordschen tongval en mijne kleeding, even als hare Engelsche juffers en kameraden gedaan hadden op de kostschool, zoo als men het noemt.” (En, hoe vreemd het ook schijnen moge, zij sprak van eene beleediging, haar door een argeloos schoolmeisje zonder kwaad opzet aangedaan, met een gevoel van wrok, hetwelk eene doodelijke beleediging, na zulk een langen tijd, in elk welgestemd gemoed noch gewettigd, noch verwekt zou hebben). – „Ja, zij beschimpte mij en dreef den spot met mij; – maar zij, die het plaid beschimpen, mogen den dolk vreezen!”

Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: „Maar ik ontken niet, dat ik haar meer haatte, dan zij verdiende. – Mijne meesteres, de gravin, ging voort en zeide: „Elspeth Cheyne, deze moedwillige jongen wil zich met het valsche Engelsche bloed verbinden. Waren wij nog in de dagen van vroegere eeuwen, dan zou ik haar in den kerker van Glenallan kunnen werpen, en hem in den toren van Strathbonnel. Maar die tijden zijn voorbij, en het gezag, dat de edelen van het land uitoefenen moesten, is overgegaan aan haarklovende pleitbezorgers en hunne nog verachtelijker afhangelingen. Hoor mij aan, Elspeth Cheyne! als gij uws vaders dochter zijt, zoo als ik die van den mijnen ben, zal ik een middel vinden, om hun huwelijk te beletten. – Zij wandelt dikwijls naar die klip, welke over uwe woning hangt, om naar de boot van haren beminde te zien; – (gij zult u herinneren, dat gij toen dikwijls uit zeilen gingt, Milord). Laat haar een paar honderd voet lager vinden, dan hij verwacht! – Ja, gij moogt staroogen en de wenkbrauwen fronsen en de handen wringen; maar, zoo zeker als ik voor den rechterstoel moet komen van het eenige Wezen, dat ik ooit gevreesd heb – en och! had ik Hem meer gevreesd! – dit waren uw moeders woorden: – wat zou het mij ook baten om u te bedriegen? – Maar ik wilde mijne handen niet met bloed bevlekken. – Toen zeide zij: „Volgens de leer van onze heilige kerk, zijn zij elkander te na; maar ik verwacht niet minder, dan dat zij beiden ketters zullen worden, zoowel als ongehoorzame verworpelingen;” – dat voegde zij er nog bij. – En toen, daar de booze geest altijd meer dan te veel werkt op hersens als de mijne, die meer ontwikkeld zijn dan zij behoeven en hun stand medebrengt, kreeg ik ongelukkig in het hoofd, om er bij te voegen: maar men zou hen kunnen doen gelooven, dat zij elkander zóó na bestonden, dat geene Christelijke wet hun huwelijk gedoogen zou!” Hier herhaalde de graaf van Glenallan hare woorden met zulk een luiden gil, dat de hut er van weêrgalmde: – „dus was Eveline Neville niet de– de –”

„De dochter, meent gij, van uw vader?” vervolgde Elspeth. „Neen! – het mag u tot kwelling of tot troost strekken; – verneem de waarheid! zij was niet meer de dochter van uw vader, dan ik ben!”

„Vrouw! bedrieg mij niet, – doe mij niet de gedachtenis van eene moeder vloeken, die ik zoo onlangs in het graf gelegd heb; maak niet, dat ik haar verwensch, omdat zij de wreede, de helsche list goedkeurde!” [225]

„Bedenk u, Milord Geraldin, eer gij de nagedachtenis van eene afgestorvene moeder vervloekt! – Leeft er niet één van het bloed van Glenallan, die aanleiding gegeven heeft tot de droevige uitkomst?”

„Meent gij mijn broeder? – Ook hij is dood!” zei de graaf.

„Neen!” antwoordde de oude, „ik meen u zelven, Lord Geraldin. Hadt gij niet uw plicht als zoon overtreden, door met Eveline Neville in het geheim te trouwen, terwijl zij op Knockwinnock woonde, ons plan zou u wellicht een tijdlang van uwe beminde gescheiden hebben, maar nooit uwe smart door de knagingen van uw geweten verbitterd hebben. Maar uw eigen gedrag heeft den dolk vergiftigd, waarmede wij u troffen, en het heeft u te dieper doorboord, omdat gij u er op wierpt! Indien uw huwelijk was afgekondigd en bekend geweest, zou ons plan, om een hinderpaal in den weg te leggen die onoverkomelijk was, niet ten uitvoer zijn gebracht.”

„Groote Hemel!” riep de ongelukkige edelman; „het is alsof er een sluier van mijne verblinde oogen valt! – Ja, ik begrijp nu de dubbelzinnige wenken van mijne ongelukkige moeder, strekkende om zijdelings mij de zekerheid te benemen van de ijselijkheden, waaraan hare kunstgrepen mij hadden doen gelooven!”

„Zij kon niet duidelijker spreken,” antwoordde Elspeth, „zonder haar eigen bedrog te belijden; en zij zou zich liever door wilde paarden hebben laten vaneen scheuren, dan iets te ontdekken, wat zij gedaan had; en, als zij nog leefde, zou ik hetzelfde om harentwil doen! Het ras van Glenallan, mannen en vrouwen, was een trotsch ras, en dat waren allen, die in den ouden tijd de leuze voerden: Clachnaben! „schouder aan schouder!” – Geen één van hen verliet ooit zijn aanvoerder om geld of winst, om recht of onrecht. – De tijden zijn, hoor ik, nu veranderd!”

De ongelukkige edelman was te zeer in zijne verwarde gedachten en kwellende herinneringen verdiept, om de hartstochtelijke uitdrukkingen van getrouwheid op te merken, waarin de ongelukkige bewerkster van zijne rampen, zelfs in de laatste uren van haar leven, troost scheen te vinden.

„Groote Hemel!” riep hij uit. „Ik ben dus vrij van eene schuld, de grootste, waarmede een mensch kan bezoedeld zijn, en waarvan het bewustzijn, hoe onwillekeurig ze ook begaan was, mijne zielerust verstoord, mijne gezondheid ondermijnd, en mij tot een vroegtijdigen dood bestemd heeft! Ontvang,” voegde hij er geroerd bij, de oogen ten hemel opslaande, „ontvang mijne nederigste dankbetuigingen! – Is mijn leven ellendig, ik zal ten minste niet sterven, bezoedeld met die onnatuurlijke schuld! – En gij, – ga voort, als gij meer te zeggen hebt! – ga voort, terwijl gij nog stem hebt om te spreken, en ik krachten om te luisteren.”

„Ja,” antwoordde de oude, „de tijd, waarop gij zult hooren en ik zal spreken, snelt voorwaar ras voorbij! De dood heeft uw voorhoofd met zijn vinger gemerkt, en ik voel zijne koude hand met iederen dag dichter bij mijn hart. – Stoor mij nu niet meer met uwe uitroepingen; maar hoor mijn verhaal ten einde! en dan, – als gij inderdaad zulk een graaf van Glenallan zijt, als die van welken ik vroeger gehoord heb, – laat uwe vazallen de doornen en de distelen en de groene hulst opstapelen, zoo hoog als het dak van het huis, en verbrand, – verbrand, – verbrand de oude tooverheks Elspeth, en alles wat u herinneren kan, dat zulk, een schepsel ooit geleefd heeft!”

„Ga voort,” zei de graaf, „ga voort; ik zal u niet meer storen!”

Hij sprak met eene half gesmoorde, maar vaste stem, besloten zich door [226]geene drift van de gelegenheid te berooven, om bewijzen te verkrijgen van de verrassende ontdekking, die hij gedaan had. Maar Elspeth was uitgeput geworden door een geregeld verhaal van zulk eene ongewone lengte; het volgende gedeelte van hare geschiedenis was meer afgebroken, en, ofschoon nog in de meeste opzichten verstaanbaar, droeg het niet de kenteekens van een helder zelfbewustzijn, welke het eerste gedeelte van haar verhaal zoo treffend gekenmerkt hadden. Lord Glenallan vond het noodzakelijk, toen zij eenige vruchtelooze pogingen om voort te gaan, gedaan had, om haar geheugen op te wekken door de vraag: welke bewijzen zij kon aanvoeren, om de waarheid te staven van een verhaal, dat zoo zeer verschilde van al hetgeen zij vroeger volgehouden had?

„De bewijzen,” antwoordde zij, „van Eveline Neville’s wezenlijke geboorte waren in het bezit der gravin; er waren redenen, om die voor eenigen tijd geheim te houden. Zij zouden wellicht gevonden worden, als zij ze niet, vernietigd had, in de linkerlade van het ebbenhouten kabinet, dat in de kamer stond, waar de gravin zich placht te kleeden. – Zij wilde die zoo lang achterhouden, tot gij op nieuw buiten ’s lands zoudt zijn gegaan, wanneer zij rekende, om vóór uwe terugkomst Eveline Neville naar haar eigen land terug te zenden, of uit te huwen.”

„Maar liet gij mij geene brieven zien van mijn vader, die, zoo mij niet mijn verstand op dat verschrikkelijk oogenblik bedrogen heeft, zijne nauwe bloedverwantschap scheen te erkennen met – met de ongelukkige?”

„Dat is zoo; en, met mijne getuigenis, hoe kondet gij of zij, een van beiden, aan het geval twijfelen? – Maar wij verzwegen de ware uitlegging van deze brieven, en die was, dat uw vader het voorzichtig oordeelde om de jonge dame een tijdlang voor zijne dochter te laten doorgaan, uit hoofde van zekere familiebelangen.”

„Maar waarom bleeft gij volharden in deze list, na dat gij onze vereeniging vernomen hadt?”

„Het was niet,” antwoordde zij, „dan na dit valsch bericht te hebben medegedeeld, dat de gravin het vermoeden kreeg, dat gij werkelijk een huwelijk hadt aangegaan; – en zelfs toen wildet gij geene opheldering geven, of de plechtigheid inderdaad had plaats gehad of niet. – Maar gij herinnert u wel, – o, gij kunt niet anders, dan u wel herinneren, al wat er bij die verschrikkelijke samenkomst voorviel!”

„Vrouw! gij bezwoert op den Bijbel de daadzaken, die gij nu ontkent!”

„Ik deed dat, en ik zou er nog tien plechtige eeden meer op gedaan hebben, als het noodig ware geweest; – ik zou noch het bloed van mijn lichaam, noch de rust mijner ziel gespaard hebben, om het huis van Glenallan te dienen!”

„Ellendige! noemt gij dien verschrikkelijken meineed, met nog verschrikkelijker gevolgen gepaard, – noemt gij dat een dienst aan het huis uwer weldoeners bewezen?”

„Ik diende haar, die toen het hoofd van het huis van Glenallan was, toen zij mij opeischte om haar te dienen. De reden waarom, was tusschen God en haar geweten; – de wijze hoe, tusschen God en het mijne! – Zij is opgeroepen om zich te verantwoorden, en ik moet volgen; – heb ik genoeg gezegd?”

„Neen!” antwoordde lord Glenallan; „gij hebt mij nog meer te zeggen. – Gij moet mij zeggen of de dood van de engelin, die door uw meineed tot wanhoop gedreven werd, omdat zij zich bezoedeld geloofde door eene zoo verschrikkelijke [227]misdaad, – spreek nu de waarheid! – was dat ontzettend – was dat verschrikkelijk voorval,” – hij kon nauwelijks de woorden uitbrengen, – „was het, zóó als men het verhaald heeft, of was het door nog verdere, ofschoon niet gruwelijker wreedheid van anderen veroorzaakt?”

„Ik begrijp u,” zeide Elspeth; „maar het gerucht heeft waarheid gesproken. Onze valsche getuigenis was wezenlijk de oorzaak; maar de daad was haar eigen wanhopig bedrijf. Na die verschrikkelijke ontdekking, toen gij uit de tegenwoordigheid van de gravin vluchttet, en uw paard naamt, en het kasteel in wanhoop verliet, had de gravin uw geheim huwelijk nog niet ontdekt; zij wist niet dat de vereeniging, die zij door deze schrikbarende geschiedenis wilde beletten, reeds gesloten was. Gij waart uit het huis gevlucht, alsof het vuur van den Hemel u dreigde te treffen en Eveline Neville, half waanzinnig, werd onder zekere bewaring gesteld. Maar de bewakers sliepen en de gevangene bleef wakker; – het venster stond open; de weg lag voor haar; – dáár was de klip en dáár was de zee! – O, wanneer zal ik dat vergeten!”

„En dus stierf zij,” vroeg de graaf, „juist zóó als men verhaald heeft?”

„Neen, Milord! Ik was uitgegaan naar het strand; – de vloed kwam op, en die sloeg, zoo als gij u zult herinneren, tegen den voet van die klip; – het was een groot gemak voor mijn man, – doch waar dwaal ik heen? – Ik zag een wit voorwerp van den top der klip schieten, gelijk eene zeemeeuw door den mist, en toen begreep ik uit het klotsen en spatten van het water dat het een menschelijk wezen moest zijn, dat in de golven gevallen was. Ik snelde heen en greep haar kleed; ik trok haar er uit, en droeg haar op mijne schouders weg, – ik had toen twee zulke schepsels kunnen dragen – droeg haar naar mijne hut en legde haar op mijn bed. Er kwamen buren om te helpen; – maar de woorden, die zij in haar ijlen stamelde, toen zij begon bij te komen, waren zoodanig, dat ik het goed vond om hen weg te zenden, en om bevelen te gaan vragen op het kasteel Glenallan. De gravin zond hare Spaansche meid Therese; – als er ooit een booze geest in menschelijke gedaante op aarde verscheen, was die vrouw er een! – zij en ik moesten op de ongelukkige dame passen en niemand haar laten naderen. God weet, wat de taak van Therese zou geweest zijn; – zij zeide het mij niet; maar de Hemel zelf nam het overige op zich! – De arme dame! zij kreeg de barensweeën vóór den tijd, bracht een mannelijk kind ter wereld, en stierf in de armen van mij, – van hare doodelijke vijandin! Ei, gij weent, – het was ook een droevig iets om te zien; – maar denkt gij, dat ik, die haar toen niet betreurde, haar nu betreuren kan? Neen, neen! – Ik liet Therese bij het lijk en het pas geboren kind, terwijl ik de bevelen van de gravin ging halen. Hoe laat het ook was, ik wekte haar, en zij beval mij, uw broeder te roepen, –”

„Mijn broeder?

„Ja, Lord Geraldin, uw broeder zelven, dien zij, zoo als sommigen zeiden, altijd tot erfgenaam wenschte te hebben. In elk geval had hij het meeste belang bij de zaak, als erfgenaam van het huis van Glenallan.”

„En is het dan mogelijk te gelooven dat mijn broeder, uit zucht om mijne erfgoederen te bezitten, zich vernederd zou hebben tot zulk eene lage en verschrikkelijke misdaad?”

„Uwe moeder geloofde dat hij het doen zou,” zeide de oude met een duivelschen lach; „ik had er niets mede te maken; – maar wat zij deden of spraken zal ik niet zeggen, omdat ik het niet weet. Lang en druk raadpleegden [228]zij te zamen in de zwarte met hout beschoten kleedkamer der gravin, en toen uw broeder door de kamer kwam, waar ik wachtte, scheen het mij toe, (en ik heb het sedert dikwijls gedacht,) dat helsch vuur op zijne wangen en in zijne oogen schitterde. Maar hij had er, in elk geval, iets van bij zijne moeder achtergelaten. Zij trad de kamer binnen als een razend mensch, en de eerste woorden die zij sprak, waren: „Elspeth Cheyne, hebt gij ooit eene pas ontloken bloem geplukt?” – Ik antwoordde, zoo als gij denken kunt, dat ik dat dikwijls gedaan had. – „Dan,” zeide zij, „zult gij te beter weten, hoe den onechten en ketterschen telg te vernielen, die dezen nacht tot schande van het edele huis van mijn vader geboren is! – zie hier – (en zij gaf mij eene gouden naald) – niets dan goud moet het bloed van Glenallan doen stroomen! Dit kind is reeds een kind des doods, en daar gij en Therese alléén weet, dat het leeft, ga er meê te werk, zoo als ik verlang!” – en zij ging weg in hare woede en liet mij met de naald in de hand. Hier is ze; deze en de ring van Eveline Neville zijn alles, wat ik van mijn slecht gewonnen goed bewaard heb; want het was veel, dat ik kreeg! En ik heb ook het geheim goed bewaard; maar niet om het goud of het voordeel!”

Hare lange, magere hand hield nu aan lord Glenallan eene gouden naald voor, die hij, in zijne verbeelding, besmet zag met het bloed van zijn kind.

„Ellendige! hadt gij het hart, –”

„Ik weet niet of ik het zou gehad hebben of niet. Ik keerde naar mijne hut terug, zonder den grond te voelen dien ik betrad; maar Therese en het kind waren weg; – al wat leven had was weg; – niets was er meer dan het ontzielde lijk.”

„En hebt gij nooit iets vernomen van het lot van mijn kind?”

„Ik kon slechts gissen. Ik heb u het voornemen verhaald van uwe moeder, en ik weet, dat Therese een duivelin was. Men zag haar nooit weêr in Schotland, en ik heb gehoord dat zij naar haar eigen land teruggekeerd was. Een duistere sluier is over het verledene gevallen, en de weinigen, die er een gedeelte van zagen, kunnen slechts iets gissen van verleiding en zelfmoord. Gij, gij zelf, –”

„Ik weet het, – ik weet alles!” antwoordde de graaf.

„Gij weet inderdaad nu alles, wat ik zeggen kan. – En nu, erfgenaam van Glenallan! kunt gij mij vergeven?”

„Vraag vergiffenis van God, en niet van de menschen!” hernam de graaf, zich afwendende.

„En hoe zal ik van den reine en onbevlekte datgene vragen, wat mij geweigerd wordt door een zondaar, even als ik ben? – Indien ik gezondigd heb, zoo heb ik ook geleden. – Heb ik één dag vrede of één uur rust gehad, sedert die lange, natte haarlokken op mijn kussen te Craigburnfoot lagen? – Is mijn huis niet afgebrand, met mijn kind in de wieg? – Zijn mijne booten niet vergaan, terwijl de andere den storm trotseerden? – Heeft niet alles, wat mij dierbaar en waard was, voor mijne zonden geboet? – Heeft niet het vuur er zijn deel, – hebben de winden niet hun deel, – heeft de zee niet haar deel er van gehad? – En och!” voegde zij er met een zucht bij, eerst opwaarts naar den Hemel ziende en dan hare oogen op den grond vestigende – „och! dat de aarde haar deel wilde nemen, dat lang, lang zucht, om er mede vereenigd te worden!”

Lord Glenallan had de deur der hut bereikt; maar zijn edelmoedige aard liet niet toe, om de ongelukkige vrouw in dezen staat van wanhopige zelfveroordeeling [229]te verlaten. „Moge God u, ellendige vrouw! zoo oprecht vergeven als ik het doe! – Wend u tot Hem om genade, en mogen uwe gebeden verhoord worden, alsof die mijne eigene waren! – Ik zal u een geestelijke zenden.”

„Neen, neen, geen priester!” riep zij uit; – op dat oogenblik ging de deur van de hut open, en zij werd verhinderd om voort te gaan.

[Inhoud]

Vierendertigste Hoofdstuk

Steeds in zijn doode hand blijven de snaren,

Die ’s vaders hart doen trillen; – gelijk het lid,

Dat, afgekapt en in ’t graf, zoo als men zegt,

Gemeenschap behoudt met den verminkten stomp,

Wiens zenuwen nog altijd pijnlijk trekken.

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, zoo als wij den lezer op het einde van het voorlaatste hoofdstuk berichtten, was het gezelschap van den waardigen heer Blattergowl ontsnapt, niettegenstaande het aanbod van dezen om hem een kort verslag te geven van de schoonste pleitrede, die er ooit, voor zoo ver hij wist, voor een tiendgerecht gehouden werd, uitgesproken door den procureur voor de kerk, in zake van de gemeente Gatherem. Deze verzoeking weêrstaande, sloeg onze vriend een eenzamen weg in, die hem op nieuw bij de woning van Mucklebackit bracht. Toen hij voor de visschershut kwam, ontwaarde hij een man, druk bezig, naar het scheen, met het kalefateren van eene schuit die op het strand lag, en, op hem toegaande, was hij niet weinig verrast Mucklebackit zelven te zien. „Ik ben blij,” zeide hij op deelnemenden toon, „ik ben blij, Saunders, – dat gij u in staat bevindt om uw werk te verrichten.”

„En wat zoudt gij willen dat ik deed,” antwoordde de visscher kortaf; „als ik niet vier kinderen van honger zou willen zien sterven, omdat er één verdronken is? Dat is goed voor u, heeren, die, als gij een vriend verliest, te huis kunt blijven zitten met den zakdoek voor de oogen; maar lieden van ons slag moeten weêr aan het werk, al klopt ons het hart als een hamer.”

Zonder zich verder om Oldbuck te bekommeren, ging hij met zijn arbeid voort, en de oudheidkenner, wien de uitwerking der menschelijke natuur onder den invloed van ontroerende driften nooit onverschillig was, stond naast hem, stil en opmerkzaam, alsof hij de vorderingen van het werk gadesloeg. Hij merkte meer dan eens op, hoe ’s mans harde gelaatstrekken zich als door de kracht der gewoonte vertrokken, als om den klank van de zaag en den hamer met zijn welbekend neuriën of fluiten te vergezellen, en hoe [230]dikwijls eene krampachtige, pijnlijke uitdrukking toonde, dat, eer de klanken geuit waren, eene opkomende gedachte ze onderdrukte. Eindelijk, toen hij één groot gat dicht gemaakt had en een ander begon te kalefateren, scheen hem zijn gevoel geheel en al van de noodige aandacht bij zijn werk te berooven. Het stuk hout, dat hij er op spijkeren moest, was eerst te lang; toen zaagde hij het te kort af, en koos toen weêr een ander, dat even weinig tot het doel geschikt was. Eindelijk wierp hij het hout gramstorig weg, en riep, na zijn beneveld oog met de bevende hand te hebben afgeveegd, half wanhopig uit: „Er rust een vloek op mij, of op deze oude, zwarte boot, die ik al zoo menig jaar op het strand heb gehaald en dicht gemaakt en gekalefaterd, om haar eindelijk mijn armen Steven in zee te zien werpen. Ik geef den brui van de heks!” en hij smeet den hamer tegen de schuit, alsof deze de boosaardige bewerkster van zijn ongeluk geweest ware. Toen weêr bedarende, voegde hij er bij: „En toch, wat helpt het boos op haar te zijn, die ziel noch gevoel heeft! – ofschoon ik zelf niet veel beter ben. Ze is slechts een klomp oude, verrotte planken te zamen gespijkerd, en door wind en zee gebeukt, – en ik ben een stijve kerel, zoo lang door stormen ter zee en te land geteisterd, dat ik even gevoelloos ben als de planken. Ze moet evenwel weêr dicht zijn tegen den morgenvloed; – dat is volstrekt noodzakelijk.”

Dit zeggende, ging hij zijn gereedschap bijeen zoeken, om zoo mogelijk zijn arbeid te hervatten; maar Oldbuck nam hem vriendelijk bij den arm. „Kom, kom,” zeide hij, „Saunders, dat is heden geen werk voor u! Ik zal Shavings, den timmerman, naar het strand zenden om de boot te herstellen, en hij kan zijn dagloon op mijne rekening zetten, – en gij zoudt beter doen met morgen niet uit te gaan, maar te huis te blijven, om uw huisgezin te troosten onder deze bezoeking, en de tuinman zal u wat groenten en meel van Monkbarns brengen.”

„Ik dank u, Monkbarns!” antwoordde de arme visscher; „ik ben een eenvoudig man en niet vlug in het praten. Ik had lang geleden iets meer kunnen leeren van mijne moeder; maar ik zag nooit, dat zijzelve er veel aan had; ik dank u echter. Gij waart altijd beleefd, vriendelijk en behulpzaam voor uwe buren, wat men ook zeggen mag van uwe zuinigheid; en ik heb dikwijls gezegd, in den tijd dat men het volk tegen de grooten ophitste, – ik heb dikwijls gezegd: „nooit zal iemand Monkbarns een haar krenken, zoo lang Steven en ik een vinger kunnen verroeren” – en dat zei Steven ook. En, Monkbarns, toen gij zijn hoofd in het graf legdet, (en hartelijk dank ik u voor die eer), zaagt gij den grond dicht werpen over een braven jongen, die u wel mocht lijden, ofschoon hij er niet veel praats van maakte.”

Oldbuck, wiens cynische trots bezweken was, zou niet gaarne gehoord hebben dat iemand op dat oogenblik zijne geliefkoosde grondbeginsels der Stoïcijnsche wijsbegeerte had aangehaald. De heete tranen stonden in zijne oogen, terwijl hij den vader, die nu overweldigd was door de herinnering aan de kordaatheid en de edelmoedige gevoelens van zijn zoon, dringend bad, om toch eene droefheid te matigen, die nergens toe dienen kon; terwijl hij hem bij den arm terug leidde naar zijne eigene woning, waar onzen oudheidkenner eene nieuwe ontmoeting wachtte. – Want toen hij binnentrad, was de eerste persoon, dien hij zag, lord Glenallan.

Wederzijdsche verwondering was op beider gelaat te lezen, toen zij elkander groetten, met stijve terughouding van de zijde van den heer Oldbuck, en met veel verlegenheid van die van den graaf. [231]

„Milord Glenallan, geloof ik?” zeide Oldbuck.

„Ja, – veel veranderd sedert den tijd, toen hij u kende, mijnheer Oldbuck!”

„Mijn oogmerk is niet,” zei de oudheidkenner, „u lastig te vallen. Ik kwam alleen, om dit ongelukkig huisgezin te bezoeken.”

„En gij hebt iemand gevonden, mijnheer, die nog grooter aanspraak op uw medelijden heeft!”

„Medelijden van mij? Lord Glenallan kan mijn medelijden niet behoeven! Als Lord Glenallan dat behoefde, geloof ik, dat hij er niet licht om vragen zou!”

„Onze vroegere kennis –,” zei de graaf –

„Is van zulke oude dagteekening, Milord, – was van zoo korten duur, en ging met zulke pijnlijke omstandigheden gepaard, dat wij ons, geloof ik, kunnen verschoonen van die nu te vernieuwen!”

Met deze woorden wendde de oudheidkenner zich af en verliet de hut; maar lord Glenallan volgde hem in de vrije lucht, en, niettegenstaande een haastig, „goeden morgen, Milord!” verzocht hij hem om een kort onderhoud, en om zijn raad in eene gewichtige zaak.

„Gij zult velen vinden, die beter in staat zijn dan ik om u raad te geven, Milord, en die er zich meê zullen vereerd vinden. Ik, voor mij, ben vreemd aan alle zaken, en niet zeer geneigd om vroegere gebeurtenissen uit mijn nutteloos leven weêr op te halen; en, vergeef mij, als ik er bijvoeg, het grieft mij zeer herinnerd te worden aan een tijdstip, toen ik handelde als een dwaas, en gij, Milord, als een, –” hij brak af.

„Als een schurk, wildet gij zeggen,” voegde lord Glenallan er bij: „want in dat licht heb ik u moeten voorkomen.”

„Milord! Milord! ik begeer niet om uwe biecht aan te hooren!” riep de oudheidkenner.

„Maar, mijnheer, als ik u bewijzen kan, dat men meer tegen mij gezondigd heeft, dan dat ik zelf zondigde; – dat ik een ongelukkig mensch, boven alle beschrijving ongelukkig geweest ben, en dat ik nu op een vroegtijdig graf zie, als op eene rustplaats, zult gij u niet langer aan eene mededeeling onttrekken, die, – uwe verschijning in dit beslissend oogenblik voor een wenk van den hemel houdende, – ik het wagen moet u op te dringen!”

„Milord, ik zal nu niet meer de voortzetting van deze verrassende samenkomst vermijden.”

„Ik moet u dus aan onze toevallige ontmoetingen herinneren, ongeveer twintig jaren geleden, op het kasteel van Knockwinnock, en ik behoef u niet te herinneren aan eene dame, die toen een lid van dat huisgezin was.”

„De ongelukkige Eveline Neville, Milord! – ik herinner mij haar wel.”

„Wie gij gevoelens toedroegt, –”

„Zeer verschillende van die, waarmede ik vroeger en later hare sekse aanschouwd heb. Hare zachtheid, hare leerzaamheid, haar smaak in die studiën, waarop ik hare aandacht vestigde, maakten mij haar meer genegen, dan met mijne jaren, ofschoon ik toen nog niet al te oud was, en met den ernst van mijn karakter overeenkwam. Maar ik behoef u niet te herinneren aan al de gelegenheden, waarop gij uw lachlust botvierdet ten koste van een onhandigen, in de eenzaamheid levende geleerde, die verlegen was in het uitdrukken van gevoelens, welke hem zoo nieuw waren; en ik twijfel niet, of de jonge dame nam deel aan den welverdienden spot: – dit is zoo vrouwenaard. Ik heb de pijnlijke omstandigheden van mijn aanzoek en de verwerping er van aangeroerd, opdat gij u overtuigen zult, dat mij alles nog [232]duidelijk in het geheugen ligt, en dat gij uwe geschiedenis, wat mij aangaat, zonder schroom of onnoodige achterhouding kunt verhalen.”

„Dat zal ik ook doen,” zeide lord Glenallan; „maar vergun mij eerst te, zeggen, dat gij onrecht doet aan de nagedachtenis van de zachtste, beminnelijkste en ongelukkigste der vrouwen, door te veronderstellen dat zij met de oprechte toegenegenheid van een man als gij zou hebben kunnen spotten! Zeer dikwijls berispte zij mij, mijnheer Oldbuck, als ik mijne lichtzinnigheid ten uwen koste botvierde. – Mag ik mij nu vleien, dat gij den jeugdigen overmoed, die u toen aanstoot gaf, vergeven zult? – Mijn zielstoestand heeft mij sedert nooit in de noodzakelijkheid gebracht om mij te verontschuldigen over de onbedachtzaamheden aan een opgeruimd en gelukkig mensch eigen.”

„Milord, gij hebt mijne vergiffenis,” zei de heer Oldbuck; „gij zult u herinneren dat ik, evenmin als iemand anders, in dien tijd wist dat ik mij tot uw mededinger opwierp, en ik begreep dat Eveline in eene afhankelijkheid leefde, die haar een redelijk vermogen en de hand van een eerlijk man als iets wenschelijks moest doen voorkomen. – Maar ik verspil den tijd: – ik wenschte te kunnen gelooven, dat de oogmerken, die anderen omtrent haar koesterden, even rechtschapen en eerlijk waren als de mijne!”

„Mijnheer Oldbuck, gij velt een hard oordeel!”

„Niet zonder reden, Milord! Toen ik alleen, van al de overheidspersonen in de streek, die noch de eer had, gelijk sommigen hunner, in betrekking te staan met uw machtig geslacht, noch gelijk anderen, de laagheid had om het te vreezen, – toen ik eenig onderzoek instelde naar de wijze van Eveline Neville’s dood, – gij schrikt Milord, maar ik moet oprecht zijn, – vond ik reden te gelooven, dat men haar slecht behandeld had, en dat zij òf bedrogen was geweest door een schijn-huwelijk, òf dat men zeer ongeoorloofde middelen had gebezigd, om het bewijs van een wezenlijk bestaand huwelijk te verduisteren en te vernietigen. En ik kan bij mij zelven niet twijfelen, of deze wreedheid van uwen kant, Milord, hetzij die uit uw vrijen wil voortgesproten, of wel door den invloed der overleden gravin veroorzaakt werd, dreef de ongelukkige jonge dame tot de wanhopige daad, die een einde aan haar leven maakte.”

„Uwe besluiten, mijnheer Oldbuck, zijn niet juist, ofschoon ze natuurlijk uit de omstandigheden voortvloeien moesten. Geloof mij, ik eerbiedigde u, toen ik het meest gekweld werd door uwe werkzame pogingen om onze familiewederwaardigheden te onderzoeken. Gij toondet u Eveline Neville waardiger dan ik, door den ijver, waarmede gij volhieldt, om hare eer, zelfs na haren dood, te handhaven. Maar het vaste geloof, dat uwe welgemeende pogingen alleen dienen konden om een verschrikkelijk geheim aan het licht te brengen, bewoog mij, om mijne moeder in hare plannen bij te staan en de bewijzen te vernietigen van de wettige vereeniging, die er tusschen Eveline en mij had plaats gevonden. En nu, laten wij hier op deze hoogte plaats nemen, want ik gevoel mij buiten staat om langer te blijven staan, en heb de goedheid, te luisteren naar de wonderbaarlijke ontdekking, die ik heden gedaan heb.”

Zij gingen zitten, en lord Glenallan verhaalde kortelijk zijne ongelukkige familiegeschiedenis, zijn geheim huwelijk, en het verschrikkelijke verzinsel, waardoor zijne moeder gehoopt had die vereeniging, welke reeds voltrokken was, onmogelijk te maken. Hij verklaarde de kunstgrepen, waarmede de gravin, met al de bewijsstukken van Eveline Neville’s geboorte in handen, [233]alleen diegene had doen zien, welke betrekking hadden tot een tijd, gedurende welken zijn vader om familieredenen ingestemd had, die jonge dame als zijne natuurlijke dochter te erkennen, en toonde, hoe onmogelijk het voor hem zelven was, om het bedrog te vermoeden of te ontdekken, waardoor hem zijne moeder misleidde, en dat door Therese en Elspeth gestaafd werd. „Ik verliet mijn vaderlijk huis,” voegde hij er ten slotte bij, „als gejaagd door alle geesten uit de hel, en reisde met eene waanzinnige snelheid, ik weet niet waarheen. Ook had ik niet de minste herinnering van hetgeen ik deed of waarheen ik ging, tot ik door mijn broeder ontdekt werd. Ik zal u niet lastig vallen met eene beschrijving van mijn ziekbed en herstel, en hoe lang het duurde eer ik waagde naar de deelgenoote van mijn ongeluk te vragen, en vernam, dat hare wanhoop een verschrikkelijk geneesmiddel gevonden had tegen al de kwalen van het leven. Het eerste, wat mij weêr tot denken bracht, was het bericht van uwe navorschingen in deze rampzalige zaak, en gij zult niet meer verwonderd zijn dat, in den waan waarin ik verkeerde, ik die middelen om uwe navorschingen te stuiten, welke mijne moeder en mijn broeder goedkeurden, ook van mijn kant beaamde. De inlichtingen, die ik hun gaf omtrent de omstandigheden en getuigen van ons geheim huwelijk, stelden hen in staat, om uw ijver te verijdelen. De geestelijke en getuigen, als lieden, die slechts gehandeld hadden om den machtigen erfgenaam van Glenallan te believen, waren dan ook vatbaar voor zijne beloften en bedreigingen, en ontvingen zulke ruime belooningen, dat zij er niets tegen hadden om dit land te verlaten. Wat mijzelven aangaat, mijnheer Oldbuck,” vervolgde de ongelukkige graaf, „ik beschouwde mij van dat oogenblik af als niet meer onder de levenden, en ik wilde ook niets meer te doen hebben met deze wereld. Mijne moeder beproefde mij weêr met het leven te verzoenen door alle mogelijke kunstgrepen; – zelfs door wenken, die ik mij nu verklaren kan, als geschikt, om twijfel te doen ontstaan omtrent het verschrikkelijke verhaal, dat zij zelve verdicht had. Maar ik beschouwde al wat zij zeide als uitvluchten der moederlijke toegenegenheid. Ik zal mij van elk verwijt onthouden, – zij is niet meer, – en, naar het zeggen van hare ellendige vertrouweling, wist zij niet, hoe vergiftigd de werpspies was, en hoe diep die treffen moest, toen zij die slingerde. Maar, mijnheer Oldbuck, als er ooit in deze laatste twintig jaren een levend wezen op aarde leefde, dat uw medelijden verdiende, ben ik het geweest. Mijne spijzen hebben mij niet gevoed, – de slaap heeft mij niet verkwikt, – mijne godsdienstige oefeningen hebben mij niet getroost; – al wat den mensch waard en onmisbaar is, heeft zich voor mij in vergif veranderd. De geringe en beperkte omgang, dien ik met anderen had, is mij gehaat geweest. Het was mij, alsof ik de besmetting van eene onnatuurlijke en onuitsprekelijke misdaad onder de vroolijken en onschuldigen bracht. Er zijn oogenblikken geweest, dat ik gedachten had van anderen aard: – om mij in de gevaren van den krijg te werpen, of de avonturen te trotseeren van den reiziger in vreemde en woeste landen; – om mij in staatskuiperijen te mengen, of mij terug te trekken in de strenge afzondering van den kluizenaar. Dit alles is beurtelings bij mij opgekomen; maar tot elk dezer voornemens werd eene veerkracht vereischt, welke ik niet meer bezat na den slag, die mij verlamd had. Ik kwijnde voort op dezelfde plek, terwijl verbeelding, gevoel, oordeel en gezondheid afnamen, even als bij een boom, wiens schors vernield is, eerst de bloesem verwelkt, dan de takken, tot de dorre en stervende stam overblijft, die thans voor u staat! – Beklaagt en vergeeft gij mij nu?” [234]

„Milord,” antwoordde de oudheidkenner zeer aangedaan, „mijn medelijden, – mijne vergiffenis behoeft gij niet te vragen, want uwe ongelukkige geschiedenis is op zich zelve niet alleen eene voldoende verontschuldiging voor alles, wat geheimzinnig scheen in uw gedrag; maar ook een verhaal, dat uwe ergste vijanden (en ik, Milord was er nooit onder), tot tranen en deelneming bewegen zou. Maar veroorloof mij te vragen wat gij nu doen wilt, en waarom gij mij, wiens gevoelen van zeer weinig belang voor u kan wezen, met uw vertrouwen bij deze gelegenheid vereerd hebt?”

„Mijnheer Oldbuck,” antwoordde de graaf, „daar ik nooit den aard van de bekentenis kon voorzien, welke ik heden aangehoord heb, behoef ik u niet te zeggen, dat ik geen bepaald plan had, om u of iemand anders over zaken te raadplegen, welker bestaan ik niet eens had kunnen vermoeden. Maar ik ben zonder vrienden, ongeschikt om te handelen, en, door lange afzondering, eveneens onbekend met de wetten van het land en de gewoonten van het levend geslacht; en daar ik mij nu op het alleronverwachtst gedompeld vind in zaken, waarvan ik weinig besef, grijp ik, als een drenkeling, naar den eersten steun, die zich aanbiedt. Gij zijt die steun, mijnheer Oldbuck! Ik heb u altijd hooren noemen als een man van verstand en doorzicht, – ik zelf heb u gekend als een man van een onbevreesden en onafhankelijken geest, – en er is ééne omstandigheid, welke ons eenigszins vereenigen moet, – die van onze gemeenschappelijke hulde aan de deugden der arme Eveline! Gij boodt u zelven aan in mijn nood, en gij waart reeds bekend met het begin van mijne ongelukken; – het is dus tot u, dat ik nu mijne toevlucht neem, om raad, om deelneming en om ondersteuning!”

„Gij zult dat niet te vergeefs bij mij zoeken, Milord!” zeide Oldbuck, „voor zoover mijne geringe krachten toereiken, en ik ben vereerd door uw vertrouwen, hetzij ik het aan de keuze of aan het toeval verschuldigd ben; maar dit is eene zaak, die rijpelijk overlegd moet worden. Mag ik vragen wat uwe eerste bedoelingen zijn?”

„Om van het lot van mijn kind verzekerd te worden,” zei de graaf, „wat er van kome, en om recht te doen aan de eer van Eveline, die ik slechts aan verdenking blootgesteld heb om de ontdekking te voorkomen van eene nog verschrikkelijker schande, die zij, naar ik mij verbeeldde, zou hebben moeten verduren.”

„En de nagedachtenis van uwe moeder?”

„Moet den last harer zonden dragen,” antwoordde de graaf met een zucht; „het is beter dat zij rechtmatig overtuigd worde van bedrog, als dat noodzakelijk mocht wezen, dan dat anderen onrechtvaardig zouden beschuldigd worden van nog veel verschrikkelijker misdaden!”

„Dan, Milord,” zeide Oldbuck, „moet onze eerste zorg zijn, om de bekentenis van de oude Elspeth in een geregelden en wettigen vorm te verkrijgen.”

„Dat,” antwoordde lord Glenallan, „zal voor het oogenblik, vrees ik, onmogelijk zijn. – Zij is uitgeput, en omringd door het ongelukkig huisgezin. Morgen, misschien, als zij alleen is, en dan nog twijfel ik, naar de onvolmaakte begrippen die zij van recht en onrecht heeft, of zij in tegenwoordigheid van een derde zal willen spreken. – Ook ik ben zeer vermoeid.”

„Dan, Milord,” zei de oudheidkenner, dien het belang van het oogenblik boven het denkbeeld van onkosten en ongemak verhief, wat anders zwaar bij hem woog, „wilde ik u voorslaan om, in plaats van, vermoeid zoo als gij nu zijt, naar Glenallan terug te keeren, of anders uw intrek in eene slechte [235]herberg te Fairport te nemen en de ledigloopers van de stad in het oog te loopen, – om heden mijn gast op Monkbarns te zijn. – Morgen zullen deze arme lieden hunne bezigheden buiten ’s huis hervat hebben, – want bij hen brengt de smart geene verlichting van den arbeid aan, – en wij zullen de oude Elspeth alleen bezoeken en hare bekentenis behoorlijk opteekenen.”

Na zich verontschuldigd te hebben wegens den last, dien hij veroorzaakte, stemde lord Glenallan er in toe om met hem te gaan, en luisterde, onder de wandeling naar huis, naar de geheele geschiedenis van Jan van Girnell, eene overlevering, welke men niet weet, dat de heer Oldbuck ooit kwijtschold aan iemand, die den voet over zijn drempel zette.

De aankomst van een vreemdeling van zoo veel aanzien, met twee rijpaarden en een knecht in het zwart, welke knecht holsters op zijn zadel had en eene kroon op de holsters, bracht te Monkbarns alles in beweging. Jenny Rintherout, nauwelijks hersteld van de zenuwtoevallen, die haar overvielen bij het vernemen van Steven’s ongeluk, maakte jacht op kalkoenen en gevogelte, gilde het uit en schreeuwde bijna harder dan de vogels, en eindigde met er een half dozijn te veel te slachten. Grizelda maakte menige wijze aanmerking over de driftige onbezonnenheid van haren broeder, die zulk eene verwoesting veroorzaakt had, door zoo onverwacht den Roomschen edelman meê te brengen; en zij waagde het, den heer Blattergowl een wenk te doen geworden omtrent de buitengewone slachting, die er in de basse-cour had plaats gehad, wat dezen eerlijken geestelijke bewoog, om te komen vernemen hoe zijn vriend Monkbarns het maakte, en of hij zich wèl bevond na zijn gang naar de begrafenis, – zoo kort voor het luiden der etensklok, dat de oudheidkenner niet anders kon, dan hem verzoeken om te blijven en het gebed aan tafel te doen. Mary M’Intyre was van haren kant eenigszins nieuwsgierig, om den machtigen Pair te zien, van wien allen hadden hooren spreken, even als de Oostersche onderdanen van hun Kalif of Sultan hooren; maar was tevens toch beschroomd, om een man te ontmoeten, van wiens wonderlijke gewoonten en strenge leefwijze zoo veel verteld werd, dat hare vrees eindelijk hare nieuwsgierigheid evenaarde. De oude huishoudster was niet minder onthutst en gejaagd bij het gehoorzamen van de talrijke en tegenstrijdige bevelen van hare meesteres aangaande konfijten, gebakken, vruchten, de wijze van de tafel te dekken en het eten op te doen, de noodzakelijkheid om Juno, – die, ofschoon formeel uit de zaal gebannen, echter niet naliet in den omtrek op roof uit te gaan, – toch vooral uit de keuken te houden.

De eenigste huisgenoot van Monkbarns, die geheel onverschillig bleef bij deze gewichtige gelegenheid, was Hector M’Intyre, die zich niet meer om een graaf bekommerde dan om een burgerman, en hij gevoelde slechts in zoover belang bij zijn bezoek, als het hem eenigszins dekken zou tegen het ongenoegen van zijn oom, waar hij aanleiding toe gegeven had door de begrafenis niet bij te wonen, en het hem nog bovendien tegen alle spotternijen over zijn dapper, hoewel ongelukkig tweegevecht met de Phoca, of zeehond, beveiligen zou.

Aan de leden van zijn huisgezin stelde Oldbuck den graaf van Glenallan voor, die gedwee en onderworpen beleefd de lang gerekte aanspraken verduurde van den eerlijken geestelijke en de breedvoerige verontschuldigingen van Grizelda, welke haar broeder te vergeefs poogde te voorkomen. Vóór het eten verzocht lord Glenallan zich een oogenblik naar zijne kamer te mogen begeven. De heer Oldbuck begeleide zijn gast naar de groene kamer, [236]welke men in de haast voor zijne ontvangst had gereed gemaakt. Hij keek dáár als met eene pijnlijke herinnering rond.

„Ik geloof,” merkte hij eindelijk op, „ik geloof, mijnheer Oldbuck, dat ik nog eens in dit vertrek geweest ben?”

„Ja, Milord,” antwoordde Oldbuck, „bij gelegenheid van een uitstap hierheen van Knockwinnock; – en nu wij eenmaal op dit treurig onderwerp zijn, zult gij u misschien ook nog herinneren, wie mij deze regels van Chaucer aan de hand gaf, die nu het behangsel versieren.”

„Ik kan het wel raden,” zei de graaf, „ofschoon ik het mij niet herinneren kan. Zij overtrof mij in letterkundigen smaak en in kennis, en het is eene geheimzinnige beschikking der Voorzienigheid geweest, dat een wezen, zoo rijk begaafd naar geest en lichaam, op zulk eene ellendige wijze moest omkomen, alleen omdat zij eene noodlottige genegenheid opgevat had voor een ellendeling als ik ben!”

De heer Oldbuck beproefde niet, iets te antwoorden op deze uitbarsting van de smart, die het hart van zijn gast vervulde; maar de hand van lord Glenallan drukkende, en met de andere hand de tranen afwisschende, die zijn gezicht benevelden, liet hij den graaf ongestoord tot men aan tafel ging.

[Inhoud]

Vijfendertigste Hoofdstuk

– Het leven bij u

Gloeit in de hersens en danst in uwe aderen;

Het is als goede wijn, vroolijk gedronken,

Die het hart verheugt, de verbeelding opwekt. –

Het mijne is ’s bekers sober overschot,

Vervlogen, flauw en smakeloos, welks droesem

Het vat bezoedelt, waarin het rust.

Oud tooneelspel.

„Nu, oordeel zelf eens, mijnheer Blattergowl, wat soort van mensch mijn broeder is, met al zijne wijsheid en geleerdheid; daar brengt hij nu zóó maar dezen graaf in huis, zonder er eenige levende ziel een enkel woord van te zeggen! – En daarbij komt dat ongeluk van de Mucklebackits; – wij kunnen geen stukje visch krijgen; – en er is geen tijd om naar Fairport om rundvleesch te zenden, en het schapenvleesch is te versch geslacht, en die zottin, Jenny Rintherout, heeft het op de zenuwen gekregen, en lacht en schreeuwt sedert twee dagen onophoudelijk – en nu moeten wij dien vreemden knecht achter de tafel hebben, die zoo grootsch en deftig is als de graaf zelf! En ik kan niet in de keuken komen om naar iets te zien; want hij staat daar bij het vuur een schotel voor Milord te koken; want die eet niet als een ander mensch. – En wat te doen met dien vreemden knecht [237]onder etenstijd? – Ik verzeker u, mijnheer Blattergowl, het gaat alles mijn verstand te boven!”

„Ja, jufvrouw Grizelda!” antwoordde de heer Blattergowl, „het was wel onvoorzichtig van Monkbarns! Hij had een dag van te voren moeten vaststellen, ten gerieve der belanghebbenden, zoo als gedaan wordt in alle kerkelijke zaken van belang. – Maar de groote man zou in geen huis van dit kerspel onverwacht hebben kunnen komen, dat beter van levensmiddelen is voorzien, – dat moet ik zeggen; – de geur uit de keuken kittelt mijn verhemelte reeds, – en, als gij eenige huishoudelijke bezigheden te verrichten hebt, jufvrouw Grizelda, maak toch vooral geene plichtplegingen met mij: – ik kan mij intusschen bezig houden met deze groote uitgaaf van Erskinels Instituten.”

En dezen vermakelijken foliant (de Schotsche Coke over Littleton), van de vensterbank nemende, sloeg hij het boek als door instinct op bij het tiende hoofdstuk van het tweede boek „over de tienden,” en was weldra verdiept in eene geleerde verhandeling over de wettelijke inkomsten van geestelijke goederen.

Het gastmaal, waarover Grizelda Oldbuck zich zoo ongerust maakte, werd eindelijk opgedaan, en de graaf van Glenallan zat voor het eerst, sedert den dag van zijn ongeluk, aan eene vreemde tafel, door vreemden omgeven. Hij gevoelde zich als iemand die droomt, of die nog niet ten volle hersteld is van de uitwerking van een bedwelmend vergif. Verlost, zoo als hij dien morgen geworden was, van het schuldbesef, dat zoo lang op zijn hart gerust had, was zijne smart wel verlicht en dragelijker geworden, maar hij bleef nog steeds buiten staat om eenig deel te nemen aan het algemeen gesprek. En het verschilde ook, inderdaad, zeer van den omgang, waaraan hij gewoon was geworden. De zorgelooze vrijmoedigheid van Oldbuck, de herhaalde en langdradige verontschuldigingen van zijne zuster, de deftige gemaaktheid van den geestelijke, en de levendigheid van den jongen krijgsman, welke eer het kenmerk van het leger dan van het hof droeg, was alles even nieuw voor een edelman, die zoo lange jaren in afzondering en neêrslachtigheid verkeerd had, dat de manieren van de wereld hem even vreemd als onaangenaam voorkwamen. Mary M’Intyre alleen scheen, door hare natuurlijke beleefdheid en ongekunstelde eenvoudigheid, tot die klasse van menschen te behooren, waaraan hij in vroegere en gelukkiger dagen gewoon was geweest.

Maar ook het gedrag van lord Glenallan wekte geene mindere verwondering bij het gezelschap op. Ofschoon men voor een eenvoudig maar voortreffelijk maal gezorgd had, (want, zoo als de heer Blattergowl te recht opgemerkt had, was het niet mogelijk om Grizelda te overvallen op een oogenblik, dat hare provisiekamer leêg was), en ofschoon de oudheidkenner zijn besten portwijn aanprees en met den Falernerwijn van Horatius vergeleek, bleef lord Glenallan nochtans tegen de verleidingen van beiden bestand. Zijn knecht plaatste een kleinen schotel met groenten vóór hem, – over welks toebereiding Grizelda zich zoo verontrust had, – opgedaan met de grootste en zorgvuldigste zindelijkheid. Hiervan at hij zeer spaarzaam, en een glas zuiver water besloot zijn maaltijd. Zoo, zei de knecht, was de leefregel van den graaf geweest sedert zeer vele jaren, uitgezonderd op hooge feestdagen van de kerk, of als er gezelschap van den hoogsten rang op het kasteel van Glenallan onthaald werd, wanneer hij een weinig van de strengheid zijner leefwijze afweek en zich een paar glazen wijn veroorloofde. Maar te Monkbarns zou geen kluizenaar een eenvoudiger en schraler maal hebben kunnen doen. [238]

De oudheidkenner was, zoo als wij gezien hebben, even kiesch als iemand ter wereld, maar rond en ongedwongen in den omgang, omdat hij altijd met personen verkeerde, die hij in niets behoefde te ontzien. Hij viel dus dadelijk zijnen hoogadellijken gast aan over de strengheid van zijn dieet.

„Een beetje halfkoude groenten en aardappels! – een glas ijskoud water! – daarvoor levert de oudheid geen gezag op, Milord! Dit huis placht gehouden te worden voor een hospitium, eene wijkplaats voor Christenen; maar uw leefregel is die van een Heidenschen Pythagoreër of Indischen Bramin, – ja, strenger dan een van beiden, als gij weigert deze schoone appels te proeven.”

„Ik ben Katholiek, zoo als gij weet,” zeide lord Glenallan, wenschende den redetwist te ontgaan, „en het is u bekend, dat onze kerk –”

„Vele regels voorschrijft ter kastijding van den vleesche; maar ik heb nooit gehoord, dat men die zoo streng naleefde. Getuige mijn voorganger Jan van Girnell en de vroolijke abt, die zijn naam aan dezen appel gaf, Milord!”

En terwijl hij de fruit schilde, in weêrwil van het „Foei, Monkbarns! van zijne zuster en het herhaalde hoesten van dominé Blattergowl, gepaard met het schudden van zijne groote pruik, ging de oudheidkenner voort met het avontuur, dat den abtsappel beroemd gemaakt had, uitvoeriger en nauwkeuriger te verhalen dan in elk geval noodig was. Maar zijne aardigheid (zoo als men licht begrijpen kan) nam niet op; want zijn vertelsel van den minnehandel riep niet eens den flauwsten schijn van een glimlach op het gelaat van den graaf op. Oldbuck nam nu zijne toevlucht tot Ossian, Macpherson en Mac-Cribb; maar lord Glenallan had zelfs nooit iets van een dezer heeren gehoord, zoo weinig was hij in de hedendaagsche letterkunde bedreven. Het gesprek was nu bijna uitgeput, of zou in de handen van den heer Blattergowl gevallen zijn, die juist het verschrikkelijke woord „tiendvrij” uitgesproken had, toen het onderwerp der Fransche omwenteling aangeroerd werd; eene staatkundige gebeurtenis, welke lord Glenallan met al den bevooroordeelden afkeer van een bijgeloovigen Katholiek en een echten aristocraat beschouwde. Oldbuck was lang niet zoo hevig in het veroordeelen der grondbeginselen er van.

„Er waren,” zeide hij, „in de eerste constitueerende vergadering zeer vele mannen, die gezonde Whigsche grondbeginselen aankleefden, en eene staatsregeling zochten, waarbij behoorlijk gezorgd werd voor de vrijheden van het volk. En bevonden er zich nu vele dolzinnige heethoofden aan het roer van den Staat, dit was wat men dikwijls bij groote staatsomwentelingen zag, als in de gisting van het oogenblik buitengewone maatregelen genomen worden, en de Staat op een geschokten slinger gelijkt, die een tijdlang onrustig heen en weêr slaat, eer hij weder tot zijne geregelde beweging overgaat. Of men kon het vergelijken bij een storm, of orkaan, die, over eene landstreek heen trekkende, op zijn doortocht groot nadeel veroorzaakt, maar toch de vuile, stilstaande en ongezonde dampen wegvoert, en door latere vermeerderde gezondheid en vruchtbaarheid de eerste onheilen en verwoestingen vergoedt.”

De graaf schudde het hoofd, maar had moed noch lust hem te wederleggen, en liet dus zijne argumenten onbetwist doorgaan.

Hector M’Intyre vond daarentegen aanleiding, om van zijne ervaring als krijgsman te gewagen, en hij sprak van de bedrijven, waaraan hij deel genomen had, met zedigheid en ter zelfder tijd met een vuur en geestdrift, waarin de graaf behagen schepte, die, even als de andere leden van zijn huis, opgevoed werd in het denkbeeld, dat het beroep van den krijgsman [239]het eervolste is voor den mensch, en geloofde dat het strijden tegen de Franschen eene soort van heiligen oorlog was.

„Wat zou ik er voor geven,” zeide hij ter zijde tegen Oldbuck, toen zij opstonden om zich bij de dames in de zaal te vervoegen, „wat zou ik er voor geven, om zulk een zoon te hebben! – Er ontbreekt slechts in zijne wijze van zich voor te doen en in zijne manieren een zweem van die fijne beschaving, die hem de omgang met de groote wereld weldra geven zou; – maar met hoeveel vuur en hoe levendig drukt hij zich uit; met hoeveel vooringenomenheid met zijn beroep – met hoeveel geestdrift als hij anderen prijst, – en hoe zedig spreekt hij over zich zelven!”

„Hector is u zeer verplicht, Milord! ik geloof oprecht, dat niemand ooit te voren half zoo veel goeds van hem zeide, uitgezonderd misschien de sergeant van zijne kompagnie, als hij een Hooglandschen boer wil overhalen om zich te laten werven. Hij is echter een goede jongen, ofschoon hij niet juist de held is, waarvoor gij hem houdt, en hoewel mijn lof eerder zijne welwillendheid dan de levendigheid van zijn karakter geldt. Ik kan u verzekeren, dat zijne bezieling eene soort van drift is, die bij alles werkt, wat hij voorheeft, en dikwijls zeer lastig is voor zijne vrienden. Ik zag hem vandaag in een zeer hevigen strijd met eene phoca, die wij seal of zeehond noemen (ons volk zegt juister sealgh, met behoud van den Gothischen keelklank gh), met een moed bezield, alsof hij tegen Dumouriez zelven vocht. – Maar, Milord, de phoca overwon, even als Dumouriez. En hij zal met dezelfde, zoo niet met grootere verrukking over een jachthond spreken, als over het plan van een veldtocht.”

„Hij kan verlof krijgen, op mijne landerijen te jagen,” zei de graaf, „zooveel hij wil, als hij zulk een liefhebber van de jacht is.”

„Gij zult hem met lijf en ziel aan u verbinden, Milord! Vergun hem zijn jachtgeweer op eene ongelukkige vlucht patrijzen of kor-hoenders af te schieten, en hij is de uwe voor altijd! – Dit bericht zal hem in verrukking brengen. Maar, o Milord, als gij mijn fenix Lovel gezien hadt, – den edelsten en besten der jeugd van deze eeuw; en ook niet ontbloot van moed! – Ik beloof het u, hij gaf mijn onstuimigen neef een quid pro quo, – een Roeland voor zijn Olivier, zoo als het gemeen zegt, zinspelende op de twee beroemde Paladijns van Karel den Groote.”

Na de koffie verzocht lord Glenallan om een afzonderlijk gesprek met den oudheidkenner, en werd in zijne studeerkamer geleid.

„Ik moet u aan uwe beminnelijke familie onttrekken,” zeide hij, „om u in de aangelegenheden te wikkelen van een ongelukkig mensch. Gij zijt bekend met de wereld, waaruit ik sedert lang gebannen ben; want het kasteel van Glenallan is voor mij eerder eene gevangenis geweest dan eene woning, hoewel eene gevangenis, die ik moed noch lust had te verlaten.”

„Mag ik vooraf vragen, wat uwe eigene wenschen en bedoelingen zijn in deze zaak?”

„In de allereerste plaats, wenschte ik mijn huwelijk openbaar te maken en de nagedachtenis van de ongelukkige Eveline te zuiveren, dat is, indien gij dat mogelijk acht, zonder het gedrag van mijne moeder ruchtbaar te maken.”

Suum cuique tribuito!” zei de oudheidkenner, „ieder het zijne! De nagedachtenis van die ongelukkige heeft reeds te lang geleden, en wat gij wenscht kan, denkelijk, geschieden zonder uwe moeder verder daarin te halen, dan dat men in het algemeen te verstaan kan geven, dat zij het huwelijk [240]zeer afkeurde en zich ernstig daartegen verzette. Allen, – vergeef mij, Milord, – die ooit iets van de gravin van Glenallan hoorden, zullen dat zonder verwondering vernemen.”

„Maar gij vergeet ééne verschrikkelijke omstandigheid, mijnheer Oldbuck!”

„En die is?”

„Het lot van het kind, – zijn verdwijnen met de vertrouwelinge mijner moeder, en de verschrikkelijke gevolgtrekkingen, die uit mijn gesprek met Elspeth zouden kunnen gemaakt worden.”

„Als gij, Milord, mijn onbewimpeld gevoelen wilt hooren, en daaraan niet te voorbarig wilt hechten als aan eene stellige hoop, dan moet ik u zeggen, dat het mij zeer mogelijk voorkomt, dat uw kind nog in leven zou zijn. Want zoo veel ben ik, door mijne vroegere navorschingen omtrent de gebeurtenissen van dien ongelukkigen avond met zekerheid te weten gekomen, dat er een kind en eene vrouw dien nacht uit de hut te Craigburnfoot, in een rijtuig met vier paarden vervoerd werden door uw broeder Edward Geraldin Neville, wiens reis naar Engeland in dit gezelschap ik verscheidene stations ver heb nagespoord. Ik geloofde toen dat het een gedeelte van het plan was, om het kind, dat gij voornemens waart als onecht te brandmerken, uit dit land daarheen te brengen, waar het wellicht bescherming en bewijzen van zijne rechten zou gevonden hebben; maar ik denk nu dat uw broeder, even als gij, reden had om het kind met eene schande bevlekt te gelooven, die nog minder uit te wisschen was, en het medegenomen heeft, gedeeltelijk om de eer van zijn eigen huis, gedeeltelijk om het aan het gevaar te onttrekken, waaraan het misschien zou zijn blootgesteld geweest in de nabijheid van lady Glenallan.”

Bij deze woorden werd de graaf van Glenallan doodsbleek, en zeeg bijna van zijn stoel. De beangste oudheidkenner liep heen en weêr, om het een of ander hulpmiddel te zoeken; maar zijn museum, ofschoon overvloedig voorzien van eene menigte nuttelooze voorwerpen, leverde niets op, dat in dit of eenig ander geval van dien aard van dienst kon zijn. Toen hij uit de kamer stoof, om het reukfleschje van zijne zuster te halen, kon hij niet nalaten om op zijne eigene wijze zijn verdriet en verwondering te uiten over de verschillende gebeurtenissen, die zijn huis eerst in een hospitaal voor een gewonden krijgsman, en nu in een toevluchts-oord voor een stervenden edelman veranderd hadden. „En evenwel,” zeide hij, „heb ik mij altijd op een afstand gehouden van het militairwezen en van den adel. Mijn Coenobitium behoeft nu nog maar in een hospitaal voor kraamvrouwen herschapen te worden, en dan, geloof ik, zal de verandering volkomen zijn.”

Toen hij met zijn hulpmiddel terugkeerde, bevond zich lord Glenallan reeds veel beter. Het nieuwe licht, dat de heer Oldbuck over de droevige geschiedenis van zijn familie verspreid had, had hem bijna overweldigd. „Gij denkt dus, mijnheer Oldbuck, – want gij zijt in staat om te denken, wat ik niet kan, – gij denkt dus, dat het mogelijk is, – dat is, dat het niet onmogelijk is, – dat mijn kind nog leeft?”

„Ik geloof,” zei de oudheidkenner, „dat het onmogelijk eenig geweld aangedaan is door toedoen van uw broeder. Hij was bekend als een lichtzinnig en zelfs losbandig mensch; maar hij was geenszins wreed of onedel. – Ook is het niet mogelijk, dat hij, als hij eenige slechte oogmerken had, zooveel zorg voor het kind zou gedragen hebben, als ik u bewijzen zal dat hij deed.”

Met deze woorden opende hij eene lade van het kabinet van zijn voorzaat [241]Aldobrand, en bracht een bundel papieren te voorschijn, toegebonden met een zwart lint en ten opschrift hebbende: Informatiën, enz. door Jonathan Oldbuck genomen, den 10 Februari 17–; – een weinig lager stond, kleiner geschreven: Eheu Evelina! De heete tranen liepen langs de wangen van den graaf, terwijl hij te vergeefs poogde den knoop los te maken, die de papieren te zamen hield.

„Gij zoudt beter doen, Milord,” – zeide Oldbuck, „met deze stukken op dit oogenblik niet te lezen, ontroerd als gij zijt, en daar gij nog veel te doen hebt, moet gij uwe krachten niet uitputten. Uws broeders nalatenschap is nu, veronderstel ik, de uwe, en gij zult zonder veel moeite onder de dienstboden navorschingen kunnen doen, om te vernemen waar het kind is, indien het, bij geluk, nog leven mocht.”

„Dat durf ik haast niet hopen; – waarom zou mijn broeder het voor mij verzwegen hebben?”

„Wel, Milord! waarom zou hij u het bestaan hebben medegedeeld van een wezen, dat gij voor het kind hadt moeten veronderstellen van –”

„Volkomen waar! – Dat is eene zeer voegzame en natuurlijke reden voor zijn zwijgen. Indien er inderdaad iets was, dat de ijselijkheid zou hebben kunnen vermeerderen van den akeligen droom, die mijn geheel leven verpest heeft, had het de kennis moeten zijn, dat zulk een kind der zonde bestond.”

„Dus, – ofschoon het voorbarig zou zijn, om na een tijdsverloop van meer dan twintig jaren te besluiten, dat uw zoon zeker nog moet leven, omdat hij in zijne kindschheid niet vermoord werd, oordeel ik, dat gij dadelijk uwe navorschingen moet beginnen.”.

„Dat zal ook geschieden,” antwoordde lord Glenallan; – „ik zal aan een getrouwen rentmeester van mijn vader schrijven, die in dezelfde hoedanigheid bij mijn broeder Neville was. – Maar, mijnheer Oldbuck, ik ben mijns broeders erfgenaam niet.”

„Inderdaad! dat spijt mij zeer, Milord! – het is een aanzienlijk goed, en alleen de bouwvallen van het oude kasteel van Neville’s Burg, die de schoonste overblijfsels zijn van de Anglo-Normandische bouwkunst in dat gedeelte van het land, zijn eene allerwenschelijkste bezitting! Ik dacht, dat uw vader geen anderen zoon of betrekkingen had.”

„Die had hij ook niet, mijnheer Oldbuck,” antwoordde lord Glenallan; „maar mijn broeder omhelsde staatkundige grondbeginselen en een godsdienst, die verschilde van die van ons geslacht. Wij hadden sedert lang verschillende neigingen, en mijne ongelukkige moeder vond niet, dat hij haar met genoegzamen eerbied behandelde. In het kort, er had een familietwist plaats, en mijn broeder, die vrij over zijn eigendom beschikken kon, gebruikte zijne macht, om een vreemde tot zijn erfgenaam te benoemen. Dit heeft mij niet in het minst getroffen; want als wereldsche goederen ellende verzachten konden, dan heb ik zelf genoeg. Maar nu zal ik het betreuren, indien het onze navorschingen moeielijker mocht maken, – en ik bedenk, dat dit wel het geval kan zijn; want, als ik zelf een wettigen zoon heb, daar mijn broeder zonder wettige erfgenamen kwam te overlijden, moeten de voorvaderlijke goederen op mijn zoon overgaan. Het is dus niet waarschijnlijk dat de tegenwoordige erfgenaam, wie het ook zij, ons zijn bijstand zal verleenen om eene ontdekking te doen, die voor hem zoo nadeelig zou zijn.”

„En naar alle waarschijnlijkheid is de rentmeester, van wien gij gewaagt, mede in zijn dienst?” [242]

„Allerwaarschijnlijkst; en daar hij een Protestant is, mag men wel vragen in hoever men hem in dit geval veilig zou kunnen vertrouwen?”

„Ik zou hopen, Milord,” zei ernstig de oudheidkenner, „dat een Protestant evenveel vertrouwen verdiende als een Katholiek. Ik stel dubbel belang in het Protestantsche geloof, Milord! Mijn voorzaat, Aldobrand Oldenbuck, drukte de beroemde Augsburgsche Geloofsbelijdenis, zoo als ik bewijzen kan uit de oorspronkelijke uitgaaf, hier in dit huis.”

„Ik twijfel er in het minste niet aan, mijnheer Oldbuck! Ook spreek ik niet uit bijgeloovigheid of onverdraagzaamheid; maar zeer waarschijnlijk zal de Protestantsche rentmeester eerder den Protestantschen dan den Katholieken erfgenaam genegen zijn, – indien ten minste mijn zoon in zijns vaders godsdienst is groot gebracht, – of, helaas, indien hij nog leeft.”

„Wij moeten alles nauwkeurig onderzoeken,” zeide Oldbuck, „eer wij ons in iets bloot geven. Ik heb een letterkundigen vriend te York, met wien ik langen tijd in briefwisseling geweest ben over den Saksischen hoorn, die in de kerk aldaar bewaard wordt. Ik zal dadelijk aan dien heer, Dr. Dryasdust, schrijven, en in het bijzonder naar het karakter enz. van uws broeders erfgenaam en van zijn rentmeester vernemen, en naar alles, wat onze navorschingen bevorderen kan. Intusschen zult gij, Milord, de bewijzen van het huwelijk zoeken, die ik hoop, dat men nog zal kunnen bijeenkrijgen.”

„Zonder twijfel; – de getuigen, welke men te voren aan uw onderzoek onttrok, leven nog. De geestelijke, mijn leermeester, door wien het huwelijk voltrokken werd, verkreeg eene hooge kerkelijke waardigheid in Frankrijk, vanwaar hij onlangs in dit land terugkeerde onder de uitgewekenen, als een slachtoffer van zijn ijver voor den koning, de legitimiteit en den godsdienst.”

„Dat is één gelukkig gevolg van de Fransche omwenteling, Milord! – dit ten minste moet gij toestaan; – maar scherts ter zijde; ik zal even oprecht voor uwe belangen zorgen, alsof wij beiden van één geloof in staatkunde en godsdienst waren. En, neem mijn raad aan: – wilt gij eene zaak van belang goed behandeld hebben, geef die in handen van een oudheidkundige; want, daar zoo iemand altijd zijn vernuft scherpt en zijn geest van navorsching op kleinigheden oefent, kan hij onmogelijk in zaken van gewicht feilen. – De oefening volmaakt, en het korps, dat het meest op de parade gedrild wordt, zal het vlugste in zijne krijgsverrichtingen zijn in den veldslag. – En, nu ik over dit onderwerp spreek, wenschte ik wel u iets voor te lezen, om u den tijd te korten tot aan het avondmaal, –”

„Laat mij, bid ik u, geene stoornis brengen in uwe huishoudelijke gebruiken,” zeide lord Glenallan; „maar ik, voor mij, gebruik nooit iets na zonsondergang.”

„Ook ik niet, Milord, ofschoon men zegt dat zulks niet de gewoonte der ouden was. – Maar mijn middagmaal verschilt van het uwe, en ik kan daarom te beter die spijzen ontberen, welke mijn vrouwvolkje (dat is, mijne zuster en mijne nicht, Milord!) op tafel plaatsen, eerder om haar huishoudelijk talent aan den dag te leggen, dan om in onze behoeften te voorzien. – Evenwel, een stukje vleesch of visch, of een oestertje, of een stuk spek hier in huis gerookt, – of iets dergelijks met een glaasje bier of wijn, om de maagholte te sluiten eer men naar bed gaat, zijn niet begrepen onder hetgeen ik weiger, en ik hoop, dat gij dat ook niet bedoelt.”

„Mijn niets gebruiken is letterlijk gemeend, mijnheer Oldbuck; maar ik zal met genoegen aan uwe tafel mede aanzitten.”

„Wel, Milord, dan zal ik ten minste trachten uwe ooren te vergasten, [243]daar ik het uwe maag niet kan. Hetgeen ik u ga voorlezen, heeft betrekking tot de Hooglandsche valleien en bergengten.”

Ofschoon lord Glenallan liever zou zijn teruggekomen op het onderwelf van zijne eigene belangen, was hij genoodzaakt, hoe ongaarne ook, met de meeste beleefdheid dezen wensch van den oudheidkenner in te willigen.

Deze haalde dus zijne portefeuille vol losse bladen voor den dag, en na vooraf te hebben aangemerkt, dat de plaatselijke bijzonderheden, hier opgeteekend, bestemd waren ter opheldering van eene verhandeling over de kunst van legerplaatsen aan te leggen, welke voorlezing met veel goedkeuring in verscheidene genootschappen van oudheidkenners was aangehoord, begon hij op de volgende wijze: „Het onderwerp, Milord, is de bergsterkte van Quickensbog, welker ligging u zonder twijfel zeer goed bekend moet zijn; het is op uwe pachthoeve van Mantanner, in de Baronie van Clochnaben.

„Ik heb, geloof ik, de namen van die plaatsen wel gehoord,” zei de graaf, in antwoord op de opmerking van den oudheidkenner.

„De namen gehoord! – en de hoeve brengt hem zeshonderd pond ’s jaars op! – mijn hemel!”

Dus luidde de ter nauwernood onderdrukte uitroeping van den oudheidkenner. Maar zijne gastvrijheid overwon ditmaal zijne verwondering en hij ging voort met de lezing van zijne verhandeling, met eene opgeruimde stem, verblijd, zich een geduldigen en, zoo als hij hoopte, een belangstellenden toehoorder verzekerd te hebben.

„Quickensbog kan, bij den eersten oogopslag, den naam schijnen te ontleenen aan de plant Quicken, waaronder wij, Scoticé, eene soort van gras, of het Tricticum repens van Linnaeus verstaan, en van het bekend Engelsch woord bog, waarmede wij, in de volkstaal, een poel of moeras, in het Latijn palus, bestempelen. Maar de al te voorbarige voorstanders der gemakkelijke woordafleidingen zullen met verbazing hooren, dat het gras, of, om juister te spreken, het Tricticum repens van Linnaeus niet groeit binnen een vierde mijl van dit castrum of fort, welks wallen eenparig bekleed zijn met kort groen gras, en dat wij een moeras (bog, of palus) op nog grooteren afstand zoeken moeten, zijnde het naastbijgelegene dat van Gird-the-mear, eene goede halve mijl van daar. De laatste lettergreep bog, in Quickensbog, is dus klaarblijkelijk eene loutere verbastering van het Saksische woord Burgh, Burrow, Brough, Bruff, Buff, en Boff, welk laatste zeer veel overeenkomst heeft met den bedoelden klank bog. – Immers, verondersteld dat het woord oorspronkelijk Borgh is geweest, volgens de zuivere Saksische spelling, zoo zal eene geringe verandering, zoo als men heden bij het uitspreken van oude klanken dikwijls maakt, eerst Bogh vormen, en dan, de h afkappende, of wel de keelletter, overeenkomstig het algemeen gebruik, latende wegsmelten, heeft men Boff of Bog, zoo als het valt, in plaats van het oorspronkelijke Borgh. Het woord Quickens in Quickensbog (nu reeds hersteld tot Quickensborgh), moet eveneens veranderd worden, – verbasterd zoo als het is, – en tot zijn oorspronkelijken en zuiveren klank worden teruggebracht, eer wij er de eigenlijke meening van kunnen onderscheiden. Door de gewone verwisseling van de Qu in Wh, bekend aan den onbedrevensten leerling, die ooit een Schotsch dichtwerk opensloeg, verkrijgen wij den naam: Whilkens, of Wichensborgh – zoo als men veronderstellen mag, in den vorm van eene vraag, – alsof degeen, die den naam gaf, getroffen door de buitengemeene oudheid van de plaats, zulks uitgedrukt had door de vraag: „Wiens borgh wiens sterkte is deze?” – Of het zou ook kunnen zijn Whackensburgh, [244]van het Saksische Whacken, met de hand slaan, daar ongetwijfeld de schermutselingen, nabij eene plaats van zulk groot aanbelang, eene dergelijke naamsafleiding zouden gewettigd hebben,” enz. enz. enz.

Ik zal barmhartiger voor mijne lezers zijn, dan Oldbuck het jegens zijn gast was; want daar de gelegenheid, om de geduldige aandacht te verwerven van een zoo gewichtigen persoon als lord Glenallan, niet dikwijls voorkwam, maakte hij, zoo veel in zijne macht lag, er gebruik of liever misbruik van.

[Inhoud]

Zesendertigste Hoofdstuk

Ouderdom en jeugd

Leven slecht te zamen. –

Jeugd is vol van lust,

Ouderdom vol zorgen;

Jeugd is zomermorgen,

Ouderdom is winterweêr.

Gene als de zomer kloek,

Deze als de winter bar.

Shakespeare.

Den volgenden morgen werd de oudheidkenner, die er van hield om tamelijk lang te slapen, een goed uur vroeger dan gewoonlijk door Caxon gewekt.

„Wat is er nu te doen?” riep hij geeuwende uit, terwijl hij de hand naar het dikke repetitie-horlogie uitstrekte, dat op een Oostindisch zijden zakdoek veilig bij zijn hoofdkussen lag. – „Wat is er nu te doen Caxon? – het kan nog geen acht uur zijn!”

„Neen, mijnheer, – maar de bediende van Milord zocht mij op; want hij gelooft, dat ik uw valle-de-sham ben, – en dat ben ik ook buiten twijfel, de kamerdienaar van u en van den dominé; – ten minste, zooveel ik weet, hebt gij er geen ander, – en dan help ik ook Sir Arthur; maar dat is eerder als kapper.”

„Wel, wel, laat dat maar dáár! – gelukkig hij, die zijn eigen kamerdienaar is; – maar waarom stoort gij mijne morgenrust?”

„O mijnheer, de heer graaf is sedert het aanbreken van den dag op en heeft naar de stad gezonden om eene expresse, die zijn rijtuig is gaan bestellen, en het zal weldra hier zijn, en hij wenschte u te zien eer hij vertrekt.”

„Wel, wel! de groote heeren maken zich meester van iemands huis en tijd, alsof ze hun eigendom waren! Welnu, het is maar voor één keer! Is Jenny weêr bij haar verstand, Caxon?”

„Ja, mijnheer, dat is maar zoo wat. – Zij was heden morgen deerlijk van haar stuk met de chocolade, en had in hare verlegenheid bijna alles in de spoelkom gegoten en zelve opgedronken, – maar zij is het te boven gekomen met behulp van jufvrouw M’Intyre.” [245]

„Zoo? – dus is al mijn vrouwvolkje op de been en in de weer, en ik moet niet langer in mijn rustig bed blijven, als ik een geregeld huis wil hebben. – Geef mij mijn kamerjapon! – En wat nieuws is er te Fairport?”

„Wel, mijnheer! waarvan zou men anders spreken dan van het groote nieuws van Milord! – die, zeggen ze, sedert twintig jaren niet over den drempel geweest is, – van het groote nieuws, dat hij u is komen bezoeken!”

„Aha!” zeide Monkbarns; „en wat zegt men daarvan, Caxon?”

„Wel, mijnheer, er wordt verschillend over gesproken. Die kerels, welke zich Democraten noemen, die tegen den koning en de wet en het haarpoeier zijn, – een hoop schelmen, – zeggen dat hij gekomen is om met u te spreken over een plan, om met zijn Bergschotten en Hooglandsche vazallen de bijeenkomsten der vrienden van het volk te beletten; en toen ik zeide, dat mijnheer zich nooit met dingen bemoeide, die den schijn hadden van vechten en bloedstorten, zeiden zij, dat, als gij het niet deedt, uw neef het wel deed, en dat hij genoeg bekend was als een koningsgezinde, en dat gij het hoofd en hij de hand was, en dat de graaf de manschappen en het geld zou leveren.”

„Kom aan, ik ben blijde dat mij de oorlog niets dan mijn goeden raad kosten zal.”

„Neen, neen, niemand gelooft dat mijnheer zelf zou willen vechten of eenig geld geven aan een der beide partijen!”

„Zoo! – Wel, dat is het gevoelen der Democraten, zoo als gij ze noemt; – en wat zeggen de andere menschen te Fairport?”

„Inderdaad,” antwoordde de trouwe berichtgever, „ik kan niet zeggen, dat dat veel beter is. Kapitein Coquet van de vrijwilligers, – dat is hij, die ontvanger moet worden, – en eenige andere heeren van de Blauwe klubs zeggen: het is niet goed dat Roomschgezinden, die zoo vele Fransche vrienden hebben als de graaf van Glenallan, het land doortrekken, en – maar mijnheer zou het kwalijk kunnen nemen!”

„Ik niet, Caxon! – geef vuur, alsof gij het geheele peloton van kapitein Coquet zelf waart, – ik ben er tegen bestand.”

„Wel dan, mijnheer, zij zeggen dat, daar gij het verzoekschrift ten aanzien van den vrede en der nieuwe belastingen niet hebt willen ondersteunen, en daar gij er tegen geweest zijt, om de schutterijen tegen het gemeen te laten gebruiken, en het volk alleen door de policie in orde wilt houden; – zij zeggen, dat gij ons bestuur niet genegen zijt, en dat die soorten van samenkomsten van zulk een schatrijk man als de graaf, met zulk een wijs man als gij, – nu ja – zij zeggen dat er een onderzoek naar moest ingesteld worden, en sommigen zeggen dat men u beiden naar Edinburg op het kasteel moest brengen.”

„Op mijn woord,” zei de oudheidkenner, „ik ben mijne buren zeer verplicht voor de gunstige meening, die zij van mij koesteren! En dus word ik, die mij nooit met hunne geschillen bemoeid heb dan om bedaarde en gematigde maatregelen aan te bevelen, door beide partijen opgegeven als een man, die zeer waarschijnlijk hoogverraad pleegt tegen den koning of het volk? Geef mij mijn rok, Caxon, geef mij mijn rok! Het is gelukkig, dat ik onafhankelijk van hunne meening leef. – Hebt gij iets gehoord van Taffril en zijn schip?”

Het gelaat van Caxon betrok. „Neen mijnheer, en het heeft woedend gewaaid, en deze kust is verschrikkelijk om er op te kruisen bij oostenwind; – de klippen strekken zich zoo ver in zee uit, dat een schip weg kan zijn in [246]den tijd dat ik een scheermes slijp; en dan is er haven, noch wijkplaats op die kust vol rotsen en brandingen. Een schip, dat bij ons grond raakt, vliegt uiteen gelijk de poeier uit mijne kwast, als ik er aan begin te schudden, en is even moeielijk om weêr bijeen te krijgen. – Ik heb dat alles aan mijne dochter gezegd, toen zij ongeduldig werd naar een brief van luitenant Taffril. Het is toch altoos eene verontschuldiging voor hem. – Gij moet het hem niet kwalijk nemen, zei ik, Jenny, want gij weet niet, wat er wellicht gebeurd is!”

„Ei, ei, Caxon, gij zijt een even goed raadsman als kamerdienaar. – Geef mij eene witte stropdas, man! Gelooft gij dat ik hiermede naar beneden kan gaan, als ik gezelschap heb?”

„Wel mijnheer! de kapitein zegt dat een halsdoek de eerste mode is, en die stijve dassen goed zijn voor u en mij, die van den ouden tijd zijn. – Houd het ten goede, dat ik u en mij te gelijk noem; maar dat waren zijne woorden.”

„De kapitein is een kwast, en gij zijt een dwaas, Caxon!”

„Dat is best mogelijk,” hernam de beleefde kapper, „mijnheer zal het wel weten!”

Vóór het ontbijt ging lord Glenallan, die opgewekter scheen dan den vorigen avond, de verschillende omstandigheden na, welke de vroegere navorschingen van Oldbuck opleverden; en hij gaf, met aanwijzing der middelen, die hij bezat om zijn huwelijk te bewijzen, zijn voornemen te kennen, om dadelijk de pijnlijke taak te beginnen van de bewijsstukken te verzamelen en in orde te brengen van de geboorte van Eveline Neville, welke Elspeth gezegd had, dat zich in het bezit van zijne moeder bevonden hadden.

„En toch, mijnheer Oldbuck,” zeide hij, „gevoel ik mij als een man, die eene gewichtige tijding ontvangt, eer hij nog geheel wakker is, en twijfelt, of die werkelijk echt is dan wel slechts een vervolg van zijn droom. – Deze vrouw, – deze Elspeth, – zij is aan het einde van haar leven, en in vele opzichten bijna verkindscht. – Heb ik niet te overhaast hare tegenwoordige verklaring geloofd, na diegene, welke zij mij vroeger gaf, en die van eene zeer – zeer verschillende strekking was?”

De heer Oldbuck zweeg een oogenblik en antwoordde toen met vastheid: „Neen, Milord! ik kan niet denken dat gij eenige reden hebt, aan de waarheid te twijfelen van hetgeen zij u het laatst verhaald heeft, klaarblijkelijk zonder eenigen anderen aandrang, dan dien van het geweten. Hare bekentenis was vrijwillig, belangeloos, duidelijk, afdoende in de bijzonderheden, en overeenkomende met al de andere omstandigheden, die van de zaak bekend zijn. Ik zou echter niet dralen met de andere bewijsstukken, waarvan zij gewaagde, te onderzoeken en in orde te brengen, en ik geloof ook dat men, zoo mogelijk, hare verklaring in wettigen vorm behoorde in te winnen. Wij waren voornemens om gezamenlijk werk daarvan te maken; maar het zal eene verlichting voor u zijn, en daarenboven een onpartijdiger voorkomen hebben, als ik alleen het onderzoek, in mijne hoedanigheid van vrederechter, op mij neem. Dit zal ik doen, ten minste ik zal het beproeven, zoodra ik haar in een gunstigen toestand vind om ondervraagd te worden.”

Lord Glenallan drukte hem de hand ten teeken van zijne dankbare toestemming. „Ik kan u niet zeggen,” voegde hij er bij, „mijnheer Oldbuck, hoe zeer uwe ondersteuning en medewerking in deze duistere en droevige zaak mij verlicht en aanmoedigt. Ik kan mij niet genoeg verheugen, dat ik aan mijne eerste opwelling toegaf, die mij dreef, om u, als het ware, mijn vertrouwen [247]op te dringen, en die ontsproot uit de ondervinding, welke ik reeds had van uwe vastheid in het volvoeren van uw plicht als ambtenaar en als vroegere vriend der ongelukkige. – Wat ook de uitkomst van dit alles zijn moge, – en ik ben geneigd te hopen, dat er een lichtstraal over de rampen van mijn huis opgaat, ofschoon ik het niet beleven zal om zijn vollen glans te genieten; – maar wat ook de uitkomst zij, gij hebt mij en mijn geheel geslacht eene gewichtige verplichting opgelegd.”

„Milord,” antwoordde de oudheidkenner, „ik moet noodwendig den grootsten eerbied koesteren voor uw geslacht, hetwelk ik zeer wel weet, dat een der oudste is in Schotland, daar het zeker afstamt van Aymer de Geraldin, die in het parlement zat te Perth, onder de regeering van Alexander II, en die volgens de wel onzekere maar toch zeer aannemelijke overlevering gezegd wordt af te stammen van den heer van Clochnaben. – Maar, met allen eerbied voor uwe oude afkomst, moet ik bekennen, dat ik mij nog meer verbonden reken, om uzelven zoo veel bijstand te verleenen als in mijn zwak vermogen ligt, uit oprechte deelneming in uwe smart en afkeer van het bedrog dat men zoo roekeloos tegen u gepleegd heeft. – Maar, Milord, het ontbijt, zie ik, is gereed; – vergun mij, dat ik u den weg wijs door mijn coenobitium, dat eerder eene reeks van cellen is, op eene wonderlijke wijze aaneengevoegd en op elkander gestapeld, dan een huis. – Ik vertrouw, dat gij eenige vergoeding zult zoeken voor den soberen kost van gisteren.”

Maar dit behoorde in geenen deele tot het aangenomen stelsel van lord Glenallan. Na het gezelschap met de ernstige en droefgeestige beleefdheid gegroet te hebben, die hem eigen was, plaatste zijn knecht eene snede geroosterd brood en een glas schoon water vóór hem; het dagelijksch ontbijt van den graaf. – Terwijl de jonge krijgsman en de grijze oudheidkenner op eene vrij wat degelijker wijze hun eetlust stilden, hoorde men het geraas van wielen.

„Uw rijtuig, Milord, geloof ik,” zeide Oldbuck naar het venster gaande. „Op mijn woord, eene fraaie Quadriga! want dit was, volgens het beste scholium het vox signata der Romeinen voor een rijtuig, hetwelk, als het uwe, door vier paarden getrokken werd.”

„En ik durf volhouden,” riep Hector met geestdrift, uit het venster kijkende, „dat er nooit vier fraaier of beter loopende bruinen ingespannen werden! – Welke schoone voorhanden! Het zouden uitmuntende strijdrossen zijn! Mag ik vragen, Milord, zijn ze uit uwe eigene fokkerij?”

„Ik – ik – geloof het haast,” zeide lord Glenallan; „maar ik ben zoo nalatig geweest omtrent mijne huiselijke aangelegenheden, dat ik mij wezenlijk op Calvert beroepen moet;” (den knecht aanziende).

„Zij zijn allen, Milord, uit uwe eigene fokkerij,” zeide Calvert; „afstammelingen van Mad Tom, en van Jemima en Yarico, de twee merries.”

„Zijn er meer van het ras?” vroeg lord Glenallan.

„Twee, Milord, – het eene pas vier, het andere pas vijf jaren oud, beiden zeer schoon.”

„Laat Dawkins die dan morgen hier brengen, naar Monkbarns. – Ik hoop, dat kapitein M’Intyre ze zal willen aannemen, als zij eenigermate geschikt zijn voor den dienst.”

De oogen van kapitein M’Intyre fonkelden, en hij was onuitputtelijk in zijne dankbetuigingen; terwijl Oldbuck, van den anderen kant, den graaf bij de mouw trekkende, een geschenk poogde te voorkomen, dat zijne haverkist en zijn hooizolder zoo duur zou te staan komen. [248]

„Milord! – Milord! – zeer verplicht, – zeer verplicht! – Maar Hector dient te voet en bestijgt nooit een paard in het gevecht. Hij is een Hooglandsch soldaat, en zijne kleeding is ook niet geschikt voor de ruiterdienst. Macpherson zelf liet zijne voorouders nooit te paard zitten, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft van te zeggen dat zij den strijdwagen bestegen, en dat is het, Milord, wat Hector in het hoofd spookt; het is de oefening met den wagen en niet te paard, waarnaar hij begeerig is: –

Sunt quos curriculo pulverem Olympicum

Collegisse juvat.”

„ – Wat hem het hoofd warm maakt, is het denkbeeld van een wagen, dien hij noch geld heeft om te koopen, noch verstand om te mennen; – ik verzeker u, dat het bezit van twee zulke viervoetige dieren grooter onheilen zou te weeg brengen, dan zijne tweegevechten, hetzij met een menschelijken vijand of met mijne vriendin, de phoca.”

„Gij voert thans het bevel over ons allen, mijnheer Oldbuck,” zei de graaf beleefd; „maar ik hoop dat gij mij niet geheel en al beletten zult, om mijn jongen vriend te verplichten op eenige andere wijze, die hem genoegen geeft.”

„Met alles, wat hem nuttig zijn kan, Milord! maar geen curriculum! Ik betuig u, hij zou even goed kunnen voorslaan, om in eens eene quadriga te houden. – En, nu ik er aan denk, wat doet die oude postchais hier, die daar van Fairport komt aanrammelen? – Ik heb er geene besteld.”

„Dat deed ik, oom!” zeide Hector eenigszins gemelijk; want hij was niet zeer in zijn schik, dat zijn oom den graaf in zijne edelmoedige voornemens gedwarsboomd had, en was weinig geneigd, zich te vreden te stellen òf met de minachting, die hij voor zijn beleid als wagenmenner betoond had, òf met zijne vernederende zinspeling op zijn ongeluk in het tweegevecht en in den strijd tegen den zeehond.

„Gij, jongen?” herhaalde de oudheidkenner in antwoord: „en mag men vragen wat gij met dien wagen wilt uitvoeren? – Moet dit schitterende rijtuig, – deze biga, zoo als ik het zou kunnen noemen, – tot inleiding dienen van eene quadriga of een curriculum?

„Wezenlijk, oom, als het noodig is om u opheldering te geven, ik ga naar Fairport, om eene kleine zaak te verrichten.”

„En wilt gij mij veroorloven naar den aard van uwe bezigheden te vragen, Hector? Ik zou veronderstellen, dat al de zaken van het regiment konden volbracht worden door uw waardigen vertegenwoordiger, den sergeant, – een hupsch heer, die zoo goed is om Monkbarns tot zijn t’huis te maken, sedert zijne aankomst onder ons; – ik zou, zeg ik, veronderstellen dat hij al uwe zaken kon verrichten, zonder u een dag traktement te kosten voor twee bonken van paarden, en zulk eene kast van verrot hout, gebarsten glas en oud leer, – zulk een geraamte van een wagen, als die voor de deur!”

„Het zijn geene zaken van het regiment, oom, die mij roepen; en daar gij er op aandringt om te weten wat het is, moet ik u zeggen, dat Caxon heden morgen is komen vertellen dat de oude Ochiltree de bedelaar vandaag verhoord zal worden; en ik ga om toe te zien, dat de arme oude kerel niet onbillijk behandeld worde, – anders niets.”

„Zoo? – Ik wist er iets van, maar ik kon niet denken dat het ernst was. En, zeg mij nu eens, kapitein Hector! Gij die zoo gereed zijt, iedereen bij te staan in elken twist, burgerlijk of militair, te land, [249]water en op het zeestrand, welk bijzonder belang stelt gij in den ouden Adam Ochiltree?”

„Hij was soldaat bij de compagnie van mijn vader, oom, en daarbij kwam hij eens, toen ik eene dwaasheid wilde doen, tusschenbeide, om het mij te beletten, en gaf mij bijna even zoo veel goeden raad, als gij zelf hadt kunnen doen.”

„En met evenveel gevolg, zou ik durven zweren, – niet waar, Hector? – Kom, beken het, de goede raad was verspild.”

„Dat is waar, oom! – maar ik zie geene reden, waarom mijne dwaasheid mij minder dankbaar voor zijne welgemeende vriendschap zou maken.”

„Bravo, Hector! dat is het verstandigst woord, dat ik ooit van u hoorde; – maar deel mij altoos uwe voornemens zonder terughouding mede. – Wel, ik zal zelf met u meêgaan, jongen! – Ik ben zeker dat de oude man niet schuldig is, en ik zal hem in eene dergelijke zaak krachtdadiger bijstand verleenen, dan gij het doen kunt. Buitendien zal ik u de halve guinje besparen, mijn goede jongen, eene omstandigheid, welke ik u vriendelijk verzoek in het oog te houden.”

Lord Glenallan had zich uit beleefdheid afgewend en zich tot de dames gericht, zoodra de woordenwisseling tusschen oom en neef heviger dreigde te worden dan geschikt was om door een vreemdeling aangehoord te worden; maar toen de toon van den oudheidkenner verzacht scheen, mengde hij zich op nieuw in het gesprek. Na een kort bericht ingewonnen te hebben omtrent den bedelaar, en de tegen hem ingebrachte beschuldiging, welke de oudheidkenner zonder bedenking aan de kwaadwilligheid van Dousterswivel toeschreef, vroeg lord Glenallan of de bedoelde persoon niet vroeger soldaat was geweest? Het antwoord luidde bevestigend.

„Draagt hij niet,” vervolgde de graaf, „een groven blauwen rok, of kiel? – Is het niet een lang, schranderuitziend oud man met grijze haren en baard, die zijn lichaam bijzonder recht houdt, en eene ongedwongene en vrije wijze van spreken heeft, die zeer in tegenstelling is met zijn beroep?”

„Dit is juist de man,” antwoordde Oldbuck.

„Nu dan,” vervolgde lord Glenallan, „ofschoon ik vrees, dat ik hem in zijn tegenwoordigen toestand van geen dienst zal kunnen zijn, ben ik hem echter een bewijs mijner dankbaarheid schuldig, omdat hij de eerste geweest is, die mij eene tijding van het uiterste gewicht bracht. Ik zou hem gaarne eene geschikte huisvesting aanbieden, zoodra hij uit de verlegenheid gered is, waarin hij zich thans bevindt.”

„Ik vrees, Milord,” zeide Oldbuck, „dat het hem moeielijk zou vallen, om zijne zwervende gewoonten met het aannemen van uw aanbod te vereenigen, ten minste ik weet, dat men het al vruchteloos met hem beproefd heeft. Van iedereen in het algemeen te bedelen, beschouwt hij als afhankelijkheid, vergeleken met de verplichting om zijn onderstand aan de mildheid van één enkelen persoon te moeten danken. Hij is in zoover een echt wijsgeer, dat hij niets geeft om de gewone regeling van uur en tijd. Als hij honger heeft, eet hij; als hij dorst heeft, drinkt hij; als hij moede is, slaapt hij, en met zoo veel onverschilligheid ten aanzien van de middelen en gemakken, waarover wij ons bekommeren, dat hij, veronderstel ik, nog nooit slecht gegeten of slecht geslapen heeft. Daarbij is hij, in zekeren graad, het orakel van de streek, die hij bezoekt; – hij is de geslachtkundige, de nieuwskramer, de bestierder der vermaken, de geneesheer in den nood, of zelfs de godgeleerde. – Ik beloof het u, hij heeft te veel te doen [250]en is te werkzaam, dan dat hij zich licht van zijn beroep zou laten afschrikken. Maar het zou mij hartelijk leed doen, als zij den armen, opgeruimden man voor eenige weken naar de gevangenis zonden. Ik ben overtuigd, dat hem de opsluiting het hart zou breken.”

Dus eindigde het gesprek. Na afscheid van de dames genomen te hebben, hernieuwde Lord Glenallan aan den kapitein M’Intyre zijn aanbod van vrijheid tot jagen op zijne gronden, wat met blijdschap aangenomen werd.

„Ik kan er slechts bijvoegen,” zeide hij, „dat, indien uwe opgeruimdheid tegen een somber gezelschap bestand is, het huis Glenallan ten allen tijde voor u openstaat. – Twee dagen in de week, Vrijdags en Zaterdags, blijf ik op mijne kamer, wat voor u eerder eene verlichting dan eene ontbering zal zijn, daar gij alsdan ongestoord het gezelschap van mijn aalmoezenier, den heer Gladsmoor, zult kunnen genieten, die tegelijk een geleerde en een man van de wereld is.”

Hector, wiens hart klopte bij de gedachte aan de uitgestrekte jachtvelden van het huis Glenallan en van de wildrijke vlakten van Clochnaben, uitte zijne oprechte dankbetuigingen voor de eer die hem aangedaan werd. De heer Oldbuck wist de oplettendheid van den graaf voor zijn neef te waardeeren; Mary M’Intyre was vergenoegd, omdat zij haren broeder tevreden zag, en Grizelda wierp in hare verbeelding een zegevierenden blik op de zakken vol korhoenders, watersnippen en al het wild dat in de keuken zou aanlanden, en waarvan de heer Blattergowl een verklaarde liefhebber was. Dus, wat altijd het geval is, als een man van rang een burger-huisgezin verlaat, waar hij zich opzettelijk vriendelijk betoont – waren allen gereed, om den lof van den graaf te verkondigen, zoodra hij afscheid genomen had en wegrolde in zijn rijtuig door de vier bewonderde bruinen getrokken. Maar hunne lofspraken werden afgebroken; want Oldbuck en zijn neef namen plaats in de huurkoets, die, met het ééne paard dat draafde, en het andere in een soort van handgalop, kraakte, rammelde en rolde naar die beroemde zeestad, op eene wijze, die zeer veel verschilde van de vlugheid, waarmede lord Glenallan’s rijtuig verdwenen was.

[Inhoud]

Zevenendertigste Hoofdstuk

De Gerechtigheid is mij waard, als u; –

Dan, daar de vrouw blind is, zal zij verschoonen

Dat ik, naar tijd en reden, mij stom houd; –

Het woord, dat ik nu spreek, moet mij niet

Den dood berokkenen in de toekomst.

Oud tooneelspel.

Door de liefdadigheid der stedelingen en met behulp van de vracht levensmiddelen, welke Adam Ochiltree met zich in de gevangenis bracht, had hij [251]een paar dagen lang zijne opsluiting zonder groot ongeduld verduurd, en betreurde hij het gemis zijner vrijheid te minder, omdat het weêr slecht en regenachtig was.

„De gevangenis,” zeide hij, „is zoo verschrikkelijk niet, als, men wel zegt. Men heeft er altoos een goed dak boven het hoofd, om het slechte weêr af te keeren; en zijn er geene glazen in de vensterramen, des te luchtiger en aangenamer is het er ’s zomers. En er is volk genoeg om meê te praten en brood genoeg om te eten, en waarom zou men zich om iets anders bekommeren?”

De moed van onzen wijsgeerigen bedelaar begon hem echter te verlaten, zoodra de zonnestralen helder schenen op de verroeste staven van zijn getralied verblijf, en een ongelukkige vink, wiens kooi de een of andere arme schuldenaar de vergunning gekregen had, om aan het venster te hangen, ze met zijn gezang begon te begroeten.

„Gij zijt opgeruimder dan ik,” zeide Adam tot den vogel; „want ik kan fluiten, noch zingen, als ik denk aan de schoone oevers der rivier en de groene boschjes, waar ik drentelen zou bij zulk weêr als dit. – Wel, wel, – daar hebt gij een paar kruimeltjes, omdat gij zoo vroolijk zijt; maar, waarlijk, gij hebt ook reden om te zingen; want het is niet uwe eigene schuld dat gij in de kooi zit, en ik heb het mij zelven te danken, dat ik in deze droevige plaats opgesloten ben.”

Ochiltree’s alleenspraak werd nu gestoord door een bode van het vredegerecht, die kwam om hem voor den rechter te brengen. Dus trok hij op, in plechtigen optocht, tusschen twee oude mannen, die geen van beiden half zoo krachtig waren als hij, om onder het oog van de nieuwsgierige gerechtigheid gebracht te worden. Toen de oude gevangene tusschen zijne afgeleefde wachters werd weggevoerd, riep het volk elkander toe: „Ei, ziet, den grijsaard die op ’s Heeren wegen, met één voet in het graf, gaat rooven!” – en de kinderen wenschten de dienders Puggie Orrock en Jock Ormston, beurtelings de voorwerpen van hunne vrees en van hun spot, geluk, dat zij een misdadiger gevonden hadden, zoo oud als zij zelven.

Onder dit geleide werd Adam (volstrekt niet voor de eerste maal) voor den Baljuw Littlejohn gebracht, die, weinig in overeenkomst met zijn naam (kleine Jan), een lang, deftig man was, aan wien de zorg voor de gemeente niet vruchteloos was opgedragen. Hij was een ijverig Koningsgezinde van dat hartstochtelijk tijdperk, eenigszins streng en koppig in de uitvoering van zijn plicht, bezield met het gevoel van zijne eigene macht en gewicht, overigens echter een eerlijk, welmeenend en nuttig burger.

„Brengt hem naar binnen, brengt hem naar binnen!” riep hij uit. „Op mijn woord, het zijn verschrikkelijke en onnatuurlijke tijden, – de bedelaars zelven van zijne Majesteit zijn de eersten, om zijne wetten te schenden! Hier hebben wij al een blauwrok, die roof begaan heeft! ik verbeeld mij, dat de eerstvolgende de koninklijke liefdadigheid, die hem rok, brood en vrijheid tot bedelen geeft, door verraad, of ten minste door oproer, beloonen zal! – Maar breng hem binnen!”

Adam maakte zijne buiging en stond toen, als gewoonlijk, vast en recht, met zijn gelaat een weinig schuins naar boven gekeerd, als om elk woord, dat de magistraat hem toesprak, op te vangen. De eerste algemeene vragen, die alleen betrekking hadden tot zijn naam en beroep, beantwoordde de bedelaar snel en nauwkeurig; maar toen de vrederechter zijn schrijver bevolen had, om deze bijzonderheden op te teekenen, en begon te vragen, [252]waar de bedelaar den nacht van Dousterswivel’s ongeluk geweest was, begon Adam zwarigheden te opperen. „Kunt gij mij nu zeggen, Baljuw, gij, die de wet verstaat, wat het mij helpen zou, om op uwe vragen te antwoorden?”

„Helpen? neen, – helpen voorzeker niet, vriend, als ge mij door een getrouw verhaal te geven van wat ge gedaan hebt, niet bewijzen kunt dat gij onschuldig zijt, en mij dus in staat stelt om u vrij te laten.”

„Maar het komt mij redelijker voor, dat gij, Baljuw, of wie ook iets tegen mij te zeggen heeft, mijne schuld zoudt bewijzen, dan mij gelasten om mijne onschuld te bewijzen.”

„Ik zit hier niet,” antwoordde de rechter, „om met u over rechtspunten te twisten. Ik vraag u slechts: verkiest gij te antwoorden op mijne vraag: of gij in de woning van Ringan Aikwood den boschwachter waart, op den dag welken ik u genoemd heb?”

„Wezenlijk, mijnheer, ik gevoel mij niet geroepen, om het mij te herinneren.”

„En of gij, in den loop van dien dag of nacht, Steven Mucklebackit gezien hebt? – gij hebt hem gekend, veronderstel ik?”

„O, zeker kende ik Steven, den armen jongen! – maar ik kan niet juist het oogenblik bepalen, dat ik hem voor het laatst zag.”

„Waart gij dien avond in de bouwvallen van St. Ruth?”

„Baljuw Littlejohn!” zei de bedelaar, „als het u behaagt, zal ik een lang verhaal kort maken, en u juist zeggen, dat ik niet voornemens ben om op ééne vraag te antwoorden. – Ik ben al te oud geworden om mij door mijne praatjes in ongelegenheid te brengen.”

„Schrijf op,” zei de vrederechter, „dat hij weigert te antwoorden op alle vragen, omdat hij, door de waarheid te zeggen, in ongelegenheid zou kunnen geraken.”

„Neen, neen!” zei de bedelaar „ik wil dat niet als mijn antwoord opgeschreven hebben; – ik wilde maar zeggen dat ik, na al wat ik mij herinner ondervonden te hebben, nooit iets goeds zag voortkomen uit het beantwoorden van onnoodige vragen.”

„Schrijf dan dat de declarant, door ondervinding bekend met gerechtelijke onderzoekingen, en het nadeel ondervonden hebbende van de vragen te beantwoorden, die hem gedaan werden, weigert, –”

„Neen, neen, Baljuw!” herhaalde Adam, „op die wijs komt ge mij ook niet aan het lijf!”

„Geef dan uw antwoord zelf, vriend!” zei de rechter, „en de griffier zal het uit uw eigen mond opschrijven.”

„Ja, ja,” zeide Adam, „dat is zoo als het behoort; dat zal ik zonder tijdverlies doen! – Zoo, buurman! nu kunt gij opschrijven dat Adam Ochiltree, de declarant, de vrijheid ophoudt, – neen, dat moet gij niet zeggen, – ik ben geen voorstander van de vrijheid, – ik heb er tegen gevochten in de oproeren te Dublin, – daarenboven heb ik lang ’s Konings brood gegeten. – Wacht, laat zien! – ja – schrijf, dat Adam Ochiltree, de Blauwrok, een voorstander is van het prerogatief – (zie toe, dat gij dat woord goed spelt – het is lang) – van het prerogatief van de onderdanen van dit land, en niet één enkel woord wil antwoorden, dat hem heden zal gevraagd worden, of hij moet er reden voor zien. – Schrijf dat maar op, jonge heer!”

„Dan, Adam, als ge mij niets wilt zeggen, moet ik u terug zenden naar de gevangenis, tot gij behoorlijk voor de assises komt.” [253]

„Wel, mijnheer, als het de wil van den Hemel en van u is, moet ik mij ongetwijfeld onderwerpen. Ik heb niet veel tegen de gevangenis in te brengen, dan alleen, dat men er in moet blijven; en indien het u, Baljuw, geliefde daarmede tevreden te zijn, zou ik u mijn woord geven om voor het Landgericht, of eenig ander Hof dat u behaagt, te verschijnen op den dag dien gij zult goedvinden te bepalen.

„Ik geloof, vriend, dat uw woord een slechte waarborg zou zijn, als uw hals in gevaar is. Ik ben geneigd te denken, dat gij u troosten zoudt, als de borg niet deugde. – Als ge mij echter goede borgen kunt bezorgen, inderdaad, –”

Op dit oogenblik traden de oudheidkenner en kapitein M’Intyre het vertrek binnen. – „Goeden morgen, mijne heeren!” zei de vrederechter; „gij vindt mij werkzaam in mijn gewoon beroep; – onderzoekende de ongerechtigheden van het volk, – werkzaam voor de res publica, mijnheer Oldbuck, – den koning onzen heer dienende, kapitein M’Intyre, – want gij weet, veronderstel ik, dat ik het zwaard heb aangegord?”

„Het is ongetwijfeld een van de zinnebeelden der gerechtigheid,” antwoordde de oudheidkenner; „maar ik zou gedacht hebben, dat de schalen u beter zouden voegen, Baljuw, voornamelijk daar gij ze bij de hand hebt in het pakhuis.”

„Zeer goed, Monkbarns! – voortreffelijk; maar ik heb het zwaard niet opgevat als magistraat, maar als krijgsman, – inderdaad, ik moest liever zeggen het geweer en de bajonet, – daar staan zij bij mijn stoel; want ik ben thans nauwelijks geschikt voor de wapenoefening, – een lichte aanval van mijn oude vijandin, het podagra; – ik kan mij nochtans op de been houden, als de sergeant mij de handgrepen leert. Ik wenschte wel te weten, kapitein M’Intyre, of hij de handgrepen goed leert; – het presenteeren gaat, dunkt mij, maar half goed.” En hij hompelde naar zijn wapen, om zijne twijfelingen en vorderingen te doen zien.

„Ik verheug mij over zulke ijverige verdedigers van het vaderland, Baljuw,” hernam Oldbuck, „en ik geloof wel, dat het Hector aangenaam zal zijn u zijne gedachten over uwe vorderingen in dit nieuw beroep mede te deelen. Gij zijt gelijk de Hekate der ouden, mijn waarde heer! – een koopman op de markt, een magistraat op het stadhuis, een soldaat in het veld, – quid non pro patria? Maar mijne zaken betreffen de Gerechtigheid; dus laat dan den koophandel en den oorlog voor een oogenblik ter zijde.”

„Wel, mijn waarde heer!” zei de Baljuw, „en welke bevelen hebt gij voor mij?”

„Wel hier is een van mijne oude kennissen, genaamd Adam Ochiltree, dien eenige van uwe handlangers in de gevangenis gesleept hebben, uit hoofde van een hem te last gelegden aanval op dien Dousterswivel, van wiens beschuldiging ik geen enkel woord geloof.”

De magistraat nam hier een air van gewicht aan. „Gij moet vernomen hebben, dat hij zoo wel van roof als van aanranding beschuldigd is: voorwaar eene zeer ernstige zaak; – het gebeurt niet dikwijls, dat ik zulke misdadigers in het verhoor krijg.”

„En,” hernam Oldbuck, „gij neemt de gelegenheid waar, om van degenen, die zich opdoen, de meeste partij te trekken. Maar is het geval van dezen armen ouden man inderdaad zoo ernstig?”

„Het is eigenlijk niet in den regel” zei de Baljuw; „maar daar gij er u meê bemoeit, Monkbarns, maak ik geene zwarigheid, om u de verklaring [254]van Dousterswivel en de overige stukken van het voorloopig onderzoek te toonen.” En hij gaf de papieren over aan den oudheidkenner, die zijn bril nam en zich in een hoek terugtrok, om ze te doorloopen.

De boden van het vredegerecht kregen intusschen bevel, om hun gevangene in een ander vertrek te brengen; maar eer zij het doen konden, nam M’Intyre de gelegenheid waar, om den ouden Adam te groeten en hem heimelijk eene guinje in de hand te drukken.

„God zegene u!” riep de oude man; „het is de gift van een jongen soldaat, en zij zal zekerlijk een ouden te pas komen. Ik sla die niet af, ofschoon ze boven de taks is; – want als zij mij hier opsluiten, is het waarschijnlijk genoeg, dat mijne vrienden mij vergeten zullen; – uit het oog uit het hart, is een waar spreekwoord. – En het zou voor mij, die een konings bedelaar ben, en gerechtigd om van huis tot huis te bedelen, niet passen, dat ik uit het venster van de gevangenis naar halve stuivertjes stond te hengelen met den voet van eene kous aan een langen draad.”

Terwijl hij deze aanmerking maakte, werd hij uit de kamer gebracht.

De verklaring van den heer Dousterswivel bevatte een overdreven verhaal van de aanranding en het verlies, dat hij geleden had.

„Maar ik zou hem hebben willen vragen,” zeide Monkbarns, „welk voornemen hij kon gehad hebben met de bouwvallen van St. Ruth te bezoeken, zulk eene eenzame plaats, en op zulk een uur, en met zulk een medgezel als Adam Ochiltree. Er gaat geen weg dien kant uit, en ik geloof niet, dat alleen liefde voor het schilderachtige Herman Dousterswivel daarheen gevoerd zal hebben op zulk een stormachtigen en winderigen nacht. Wees verzekerd, dat hij op eenig schelmstuk uitgeweest, en, naar alle waarschijnlijkheid, in een strik gevallen is, door hem zelven gelegd. – Nec lex justitior ulla, –”

De magistraat bekende, dat er iets geheimzinnigs in die omstandigheid was, en verontschuldigde zich, dat hij Dousterswivel geene opheldering daarvan gevraagd had, door te zeggen, dat zijne verklaring vrijwillig afgelegd was. Maar, ter schraging van de hoofdbeschuldiging, toonde hij de verklaring van de Aikwood’s omtrent den toestand, waarin Dousterswivel gevonden werd, de gewichtige daadzaak bevestigende, dat de bedelaar de schuur, waarin hij opgenomen was, verlaten had, en niet daarheen was teruggekeerd. Twee lieden van den begrafenisbezorger te Fairport, welke dien nacht bij de ter aarde bestelling van lady Glenallan waren tegenwoordig geweest, hadden ook verklaard, dat zij, uitgezonden om twee verdachte personen te vervolgen, die de bouwvallen van St. Ruth verlieten toen de lijkstaatsie aankwam, en die, zoo als men veronderstelde, voornemens waren om eenige der versierselen, voor de plechtigheid bestemd, te stelen, die menschen meer dan eens uit het gezicht verloren en weêr te zien gekregen hadden, wat toe te schrijven was aan den aard van het terrein, dat weinig geschikt was voor paarden; maar dat eindelijk de twee vluchtelingen hun intrek genomen hadden in de hut van Mucklebackit. En een der declaranten voegde er bij, dat „hij, van zijn paard gestegen zijnde, en zich naar het venster van de hut begeven hebbende, den ouden Blauwrok en den jongen Steven Mucklebackit gezien had, met anderen etende en drinkende binnen in de hut, en dat hij ook opgemerkt had, dat genoemde Steven Mucklebackit een zakboek aan de anderen toonde; en de declarant twijfelde geenszins, of Ochiltree en Steven Mucklebackit de personen waren, die hij en zijn kameraad vervolgd hadden, zoo als hij boven verklaard had. En, gevraagd zijnde, waarom hij niet in de hut gegaan was, verklaart, „dat hij geen recht had, om dat te doen, en [255]dat Mucklebackit en zijn huisgezin bekend staande als ruwe menschen, hij, declarant, geen lust gevoelde, om zich met hunne zaken te bemoeien. Causa scientiae patet. Al hetwelk hij verklaarde overeenkomstig de zuivere waarheid, enz.”

„Wat zegt gij van al die bewijsstukken tegen uw vriend?” vroeg de magistraat, zoodra hij opgemerkt had, dat de oudheidkenner het laatste blad omsloeg.

„Wel, als de zaak iemand anders betrof, zou ik zeggen dat het, prima facie, er niet best uitziet; maar ik kan niet toestemmen dat iemand ongelijk heeft, omdat hij Dousterswivel een pak slagen geeft. – Ware ik slechts wat jonger geweest, of had ik maar ééne enkele vonk van uw krijgshaftigen geest, Baljuw, ik zou het reeds lang zelf gedaan hebben. Hij is nebulo nebulonum, een onbeschaamde, bedriegelijke, leugenachtige kwakzalver, die mij honderd pond gekost heeft met zijne schelmsche streken, en mijn buurman Sir Arthur, de hemel weet hoeveel. – En daarbij, Baljuw, ik houd hem niet voor een oprechten vriend van het Gouvernement.”

„Zoo!” zei de Baljuw, „als ik dat dacht, zou het de zaak merkelijk veranderen.”

„Wel zeker! want door hem te slaan, moet de Blauwrok zijne dankbaarheid aan den koning betoond hebben, daar hij zijn vijand trof; en door hem te berooven, zou hij slechts een Heiden geplunderd hebben, dien men wettig zijn rijkdom ontneemt. En, gesteld, dat deze samenkomst in de bouwvallen van St. Ruth betrekking had op staatszaken, – en deze verborgene schatten, en wat niet al meer, een geschenk waren van den overkant van het Kanaal, ter omkooping van eenig groot man, of het fonds, bestemd om eene oproerige club meê te stichten?”

„Mijnheer, gij spreekt, alsof gij in mijne ziel gelezen hadt! Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik het nederige werktuig mocht wezen om dat kwaad met den wortel uit te roeien! – Oordeelt gij, dat ik goed zou doen met de vrijwilligers onder het geweer te brengen, en hen dadelijk in dienst te stellen?”

„Op dit oogenblik niet, daar het podagra hun korps van een onmisbaar lid berooven zou. – Maar wilt gij mij vergunnen Ochiltree te ondervragen?”

„Dat spreekt van zelf; maar gij zult niets uit hem, krijgen. Hij gaf mij duidelijk te verstaan, dat hij wist, hoe gevaarlijk het voor een beschuldigde was, om eene gerechtelijke verklaring af te leggen, wat, om de waarheid te zeggen, menig eerlijker man, dan hij, aan de galg heeft gebracht.”

„Wel! dus, Baljuw!” vervolgde Oldbuck, „gij hebt er niets tegen dat ik hem pols?”

„Niets ter wereld, Monkbarns! – Ik hoor den sergeant beneden; – ik zal intusschen de handgrepen eens doorloopen. – Betje, breng mijn geweer en bajonet naar beneden; – het maakt er minder gedruisch, als wij het geweer bij den voet brengen.” – En zoo ging de krijgshaftige magistraat de kamer uit met zijne meid, die de wapens droeg, achter zich.

„Een goede schildknaap voor een jichtigen kampvechter!” merkte Oldbuck op. – „Hector, jongenlief, houd hem vast, houd hem vast! – Ga met hem; houd hem bezig, man! voor een half uurtje, of zoo; – streel hem met eenige krijgshaftige loftuitingen; roem, zijne houding en zijne behendigheid.”

Kapitein M’Intyre, die, gelijk velen van zijn beroep, met diepe verachting op die burgersoldaten neêrzag, welke de wapens aangegord hadden zonder [256]te weten hoe ze te dragen, stond met grooten weêrzin op, terwijl hij verklaarde, dat hij niet wist, wat hij den heer Littlejohn moest zeggen; en dat het al te belachelijk was, om een ouden, jichtigen winkelier de oefeningen en den dienst van een soldaat in zijn eigen huis op zich te zien nemen.

„Dat kan zijn, Hector,” zei de oudheidkenner, die het zelden dadelijk met iemand eens was omtrent het hoofdpunt van eenige kwestie, – „dat kan wellicht in dit en eenige andere gevallen waar zijn, maar thans gelijkt ons land aan de eischers, die voor de rechtbank zelven hunne zaak bepleiten, bij gebrek aan geld om de geregelde helden van de balie te betalen. Ik ben verzekerd dat wij, in het eene geval, nimmer het gemis van de scherpzinnigheid en welsprekendheid der heeren advocaten betreuren; en dus, hoop ik, zullen wij, in het andere, onze toevlucht tot onze harten en geweren nemen, ofschoon wij uwe strengere tuchtmeesters ontberen moeten.”

„Ik, oom, heb er voorwaar niets tegen dat de geheele wereld vocht, als men er vermaak in schept; mits men mij slechts vergunne rustig te blijven,” antwoordde Hector gemelijk.

„Ja, gij zijt inderdaad een zeer rustig mensch! Iemand, wiens lust tot krakeelen zelfs geene arme phoca, die op het strand slaapt, ongestoord kan laten.”

Maar Hector, die de wending van het gesprek merkte en een schrik had voor alle zinspelingen op de nederlaag, welke hij ondergaan had, ontsnapte, eer de oudheidkenner uitgesproken had.

[Inhoud]

Achtendertigste Hoofdstuk

Wel, ’t is noch diefstal noch valschmunten;

Gesteld, ik wist al wat gij mij opdringt:

Ofschoon ook het graf andermaal baarde,

En den schat hem gaf, die er niets van wist –

Nooit toch was deugdelijke ruiling roof,

Veel minder loutere mildheid. –

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, zich de gelegenheid willende ten nutte maken, om den beschuldigde te ondervragen, verkoos naar het vertrek te gaan waarin Ochiltree gevangen zat, liever dan aan het onderzoek een plechtig voorkomen te geven door hem in de raadkamer te laten terugbrengen. Hij vond den ouden man bij het venster zitten, dat op zee uitzag, en terwijl hij daarop staarde, kwamen hem, zijns ondanks, heete tranen in de oogen, die over zijne wangen en zijn witten baard vloeiden. Zijne gelaatstrekken waren niettemin kalm en rustig, en zijne geheele houding getuigde van geduld en gelatenheid. Oldbuck was hem genaderd zonder opgemerkt te worden, en [257]wekte hem uit zijne overpeinzingen op, door hem vriendelijk te zeggen: „Het spijt mij, Adam, u zoo neêrslachtig te zien over deze zaak.”

De bedelaar schrikte, droogde zich de oogen af met de mouw van zijn rok, trachtte zijn gewonen onverschilligen en spottenden toon aan te nemen, en antwoordde, maar met eene stem, die meer dan anders beefde: „Ik had het wel kunnen gissen, Monkbarns, dat gij het waart, of uws gelijken, die mij kwaamt storen; – want het is een groot voorrecht van de gevangenissen en gerechtshoven, dat men zich de oogen kan uitweenen als men wil, zonder dat iemand, die er bij hoort, ooit vragen zal waarom?”

„Wel, Adam,” hernam Oldbuck, „ik hoop dat de tegenwoordige oorzaak van uw verdriet niet zoo groot is, of ze zal nog wel uit den weg te ruimen zijn.”

„En ik had gehoopt, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar op verwijtenden toon, „dat gij mij te goed zoudt gekend hebben, om te gelooven dat deze nietsbeteekenende kleinigheid tranen zou brengen in mijne oude oogen, die vrij grooter leed gezien hebben. – Neen, neen! – Maar het arme meisje, de dochter van Caxon, is hier geweest om troost te zoeken, en heeft er maar weinig gevonden. Men heeft niets van Taffril’s brik vernomen sedert den laatsten storm, en de menschen op de kaai vertellen, dat er een koningsschip op de rotsen van Rattray geslagen en met man en muis vergaan is. – God verhoede dat! want zoo zeker als gij leeft, Monkbarns, moet dan de arme Lovel, dien gij zoo gaarne lijden moogt, mede omgekomen zijn!”

„Ja, God verhoede het!” herhaalde de oudheidkenner. – „Ik zag liever geheel Monkbarns in brand staan. Mijn arme, beste vriend en medewerker! – Ik ga dadelijk naar de kade.”

„Ik ben zeker, dat gij er niets meer vernemen zult, dan ik u verteld heb mijnheer,” hernam Ochiltree; „want de dienders hier waren zeer beleefd (dat is op hunne wijze), en lazen al hunne brieven en berichten na, en konden er geen licht in vinden.”

„Het kan niet waar zijn; – het zal niet waar zijn!” riep de oudheidkenner, „en ik wil het niet gelooven, al is het waar. – Taffril is een voortreffelijk zeeman, en Lovel (mijn arme Lovel!) heeft al de hoedanigheden van een voorzichtigen en aangenamen metgezel te land en ter zee; – iemand, Adam, dien ik om de eerlijkheid van zijn aard uitzoeken zou, als ik ooit eene zeereis maakte (wat ik nooit doe, dan alleen om het veer over te steken), fragilem mecum solvere phaselum, om den metgezel van mijne onderneming te zijn, als iemand, tegen wien de elementen geen wrok koesteren kunnen. – Het is een verdichtsel van die leugenachtige snapster, die ik wenschte dat gehangen was, met hare trompet om den hals, welker nachtuilstonen slechts brave lieden schrik aanjagen en van streek brengen. – Zeg mij nu, hoe het met uwe zaak staat?”

„Vraagt gij mij als magistraat, Monkbarns, of is het alleen uit belangstelling?”

„Alleen uit belangstelling,” antwoordde de oudheidkenner.

„Zoo! – dan steek uw zakboek en potlood op; want ik spreek niet ronduit tegen u, zoolang gij uw schrijfgereedschap in handen hebt; – dat is iets afschrikkends voor onwetende menschen als ik. – Inderdaad, een van de klerken hier is in staat zooveel wit op zwart te zetten, als genoeg is om een man te hangen, eer hij weet wat hij zegt.”

Monkbarns gaf den ouden man zijn zin, en stak zijn zakboekje op.

Adam doorliep nu met groote rondborstigheid dat gedeelte der geschiedenis [258]dat den lezer reeds bekend is, beschreef den oudheidkenner het tooneel, dat hij bijgewoond had tusschen Dousterswivel en zijn patroon, in de bouwvallen van St. Ruth, en bekende openhartig, dat hij de gelegenheid niet had kunnen laten voorbijgaan, om den goudzoeker nog eenmaal naar het graf van Misticot te lokken, met oogmerk om hem eene kleine bestraffing te geven voor zijne kwakzalverij. Het had hem weinig moeite gekost, om Steven, die een ondernemende, onnadenkende jongen was, over te halen, om hem op dien gang te vergezellen, en de grap was onverwachts verder gedreven dan men bedoeld had. Hij beschreef wat het zakboek betrof, de verwondering en de smart die hij aan den dag gelegd had, zoodra hem gebleken was, dat het zoo onvoorzichtig meêgenomen was; en dat Steven openlijk, voor al de bewoners der hut, op zich genomen had, om het den volgenden dag terug te bezorgen, en daarin alleen door den dood was belet geworden.

De oudheidkenner dacht een oogenblik na, en zeide toen: „Uw verhaal komt mij zeer waarschijnlijk voor, Adam, naar hetgeen mij van de partijen bekend is; – maar het komt mij mede waarschijnlijk voor, dat gij meer weet van die schatontdekking, dan gij goedgevonden hebt mij te verhalen. – Ik vermoed, dat gij eenigszins de rol van den Lar familiaris in Plautus gespeeld hebt, – eene soort van beschermgeest of toovenaar, Adam, die over verborgen schatten waakt. Ik herinner mij dat gij de eerste persoon waart dien wij ontmoetten, toen Sir Arthur zijn gelukkigen aanval op Misticot’s graf deed, en ook dat, toen de arbeiders den moed opgaven, gij, Adam, weêr de eerste waart, die in de opening sprongt, en ook nog de ontdekking van den schat deedt. Dit alles nu moet gij mij verklaren, als gij niet wilt dat ik u zoo ongemakkelijk behandel als Euclio Staphyla behandelt in de Aulularia van Plautus.”

„Om ’s Hemels wil, mijnheer! wat weet ik van Howlularia? – dat gelijkt meer op honden- dan op menschentaal.”

„Gij wist toch, dat de kist met den schat dáár was?” vervolgde Oldbuck.

„Mijn goede heer! hoe zou dat waarschijnlijk zijn? Gelooft gij, dat zulk een arm oud schepsel als ik, van iets dergelijks weten zou zonder er gebruik van te maken? – en gij weet wel, dat ik niets zocht en niets kreeg. Hoe zou ik er van weten?”

„Dat is het juist, wat ik van u verlang te vernemen; want ik blijf er stellig bij, gij wist dat het er was!”

„Mijnheer spreekt stellig, – en – voor een stellig sprekenden man moet ik bekennen, dat gij dikwijls gelijk hebt.”

„Gij stemt dus toe, dat mijn vermoeden gegrond is?”

Adam knikte van ja.

„Wees dan zoo goed mij de geheele zaak te ontvouwen van het begin tot het einde,” zei de oudheidkenner.

„Als het mijn eigen geheim was, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar, „zoudt gij het mij niet tweemaal vragen; want ik heb het achter uw rug gezegd, dat gij, in weêrwil van de ongerijmdheden, waarmede gij soms vervuld zijt, de verstandigste en beste van onze heeren hier zijt. Maar ik zal openhartig met u zijn, en zeggen, dat dit het geheim is van een vriend, en dat men mij met wilde paarden zou kunnen vaneenscheuren, of in tweeën zagen, zoo als zij de kinderen Ammons deden, zonder dat ik één woord meer zeggen zou, dan dit: dat er niets kwaads meê bedoeld werd, maar zeer veel goeds; en het oogmerk was, om degenen te dienen, die tweehonderd maal meer waard zijn dan ik. Maar er is geen wet, geloof ik, die het tot eene [259]zonde maakt te weten waar het geld van anderen is, als wij er onze handen van afhouden!”

Oldbuck wandelde een paar maal de kamer op en neder, om, zoo mogelijk, eenige waarschijnlijke reden te ontdekken voor zulke geheimzinnige handelingen; maar zijne scherpzinnigheid schoot hier te kort. Daarop plaatste hij zich weêr voor den gevangene.

„Deze uwe historie, vriend Adam, is mij een volslagen raadsel, en er zou een tweede Oedipus moeten komen, om het op te lossen; – wie Oedipus was, zal ik u een andermaal vertellen, als gij er mij aan herinnert. – Intusschen, hetzij dan uit verstand, of uit de grilligheid die ge mij toekent, ben ik zeer geneigd te gelooven dat gij de waarheid gesproken hebt; te meer, omdat gij geen dier beroepen op hoogere machten gebezigd hebt, waarvan ik merk, dat gij en uwe makkers u altijd bedient, als gij de menschen bedriegen wilt.” (Hier kon Adam een glimlach niet bedwingen). „Indien gij mij dus ééne vraag wilt beantwoorden, dan zal ik trachten uwe in vrijheidstelling te bewerken.”

„Als gij mij de vraag eerst laat hooren,” zeide Adam, met de voorzichtigheid van een doortrapten Schot, „zal ik zeggen, of ik die beantwoorden wil of niet.”

„Het is eenvoudig dit,” zeide de oudheidkenner: „Wist Dousterswivel iets van het verbergen van de kist met staven?”

„Hij, de leelijke schelm!” antwoordde Adam; „er zou weinig van te recht zijn gekomen, als Dousterswivel geweten had dat het dáár was; – het zou weggesmolten zijn als boter voor het vuur!”

„Dat dacht ik ook,” zeide Oldbuck. „Wel, Adam, indien ik u in vrijheid stel, moet gij woord houden, en op den bepaalden dag opkomen om mijn borgtocht te zuiveren: want het zijn geene tijden voor een voorzichtig man, om verbeurdverklaringen te ondergaan, tenzij gij een ander aulam auri plenam quadrilibrem, een ander „Zoek No. 1,” aanwijzen kunt!”

„Och!” zei de bedelaar, het hoofd schuddende, „ik geloof dat de vogel gevlogen is, die de gouden eieren legde; – ik wil hem geene gans noemen, ofschoon hij zoo heet in de kinderboekjes. – Maar ik zal woord houden, Monkbarns! gij zult door mij geen stuiver te kort komen. – En, wezenlijk ik wil er graag uit, nu het weêr goed is, en dan heb ik de beste kans, om het eerste nieuws van mijne vrienden te hooren.”

„Wel, Adam, daar het bonsen en stampen beneden opgehouden heeft, veronderstel ik dat de Baljuw Littlejohn zijn onderwijzer in de krijgskunst heeft weggezonden, en van den dienst van Mars tot dien van Themis is teruggekeerd; ik zal hem eens gaan spreken. – Maar ik kan, noch wil iets gelooven van het ongelukkig nieuws dat gij mij verteld hebt.”

„God geve, dat gij gelijk hebt!” zei de bedelaar, terwijl Oldbuck de kamer verliet.

De oudheidkenner vond den magistraat, afgemat door de vermoeienissen der wapenoefening, in zijn leuningstoel gezeten, het deuntje neuriënde: „Hoe vroolijk leeft de krijgsman, en tusschen elke maat zijn troost zoekende in een lepel vol schildpadsoep. Hij bestelde eene dergelijke verkwikking voor Oldbuck, die het van de hand wees met de aanmerking, dat hij, geen soldaat zijnde, niet geneigd was van zijne gewoonte af te gaan van op geregelde uren te spijzigen. – „Soldaten als gij, Baljuw,” zeide hij, „moeten hun voedsel nemen, als zij er tijd en middel toe vinden. – Maar het spijt mij ongelukkig nieuws te hooren van de brik van den jongen Taffril.” [260]

„Och, de arme jongen! – hij was eene eer voor de stad, – en onderscheidde zich zoo op den eersten Juni.”

„Maar,” zeide Oldbuck, „het doet mij leed, dat gij van hem in den verleden tijd spreekt!”

„Ja, ik vrees dat er maar al te veel reden voor is, Monkbarns, en evenwel, laat ons het beste hopen. Het ongeluk, zegt men, moet plaats gehad hebben tusschen de rotsen van Rattray, ongeveer twintig mijlen noordwaarts van hier, nabij Dirtenalan-baai. Ik heb iemand gezonden, om er onderzoek naar te doen, – en uw neef vloog zelf weg, als om het bericht van eene overwinning te halen.”

Hier trad Hector binnen, uitroepende: „Ik geloof dat het alles een vervloekte leugen is; – ik kan er niet den minsten grond voor vinden, dan een algemeen gerucht.”

„En, ik bid u, mijnheer Hector,” zeide zijn oom, „als het blijkt waar te zijn, wiens schuld is het dat Lovel aan boord was?”

„Zeer zeker de mijne niet,” antwoordde Hector; „het zou alleen mijn ongeluk geweest zijn.”

„Inderdaad!” hernam zijn oom, „daar had ik niet aan gedacht.”

„Wel, oom, met al uw lust om mij in het ongelijk te stellen, zult gij denkelijk moeten toestemmen, dat mijn oogmerk in dit geval niet te laken was. Ik deed mijn best om Lovel te raken, en, als het mij gelukt was, zou klaarblijkelijk mijn lot het zijne, en zijn lot het mijne geweest zijn.”

„En wien of wat bedoelt gij nu te raken, daar gij dat pakje met u sleept, geteekend: Buskruit?

„Ik moet gereed zijn voor de jacht bij lord Glenallan op den twaalfden, oom!” zeide M’Intyre.

„Och, Hector! uwe groote chasse, zoo als de Franschen het noemen, zou het best geschieden

Omne cum Proteus pecus egit altos

Visere montes, –”

kondet gij u slechts met een phoca meten in plaats van met een vreedzamen trekvogel.”

„De drommel hale den zeehond, oom, of de phoca, zoo als gij hem verkiest te noemen; – het is hard, dat men nooit het laatst kan hooren van eene kleine dwaasheid!”

„Wel, wel,” zeide Oldbuck, „ik ben blijde dat gij verstand genoeg hebt u er over te schamen. – Daar ik het geheele geslacht der Nimrods verfoei, wenschte ik dat allen zoo te pas kwamen. – Schrik niet voor eene grap, jongen! – Ik heb gedaan met de phoca, – ofschoon ik durf zeggen, dat de Baljuw ons juist nu de waarde van de zeehondsvellen zou kunnen zeggen.”

„Zij zijn opgeslagen,” antwoordde de magistraat; „zij zijn ter deeg opgeslagen; – de visscherij is de laatste reizen mislukt.”

„Dat kunnen wij getuigen,” hernam de spotzieke oudheidkenner, die zich verheugde over de soort van meerderheid, welke dit toeval hem over den jongen jager gegeven had; „nog één woord, Hector! en

„Een zeehondsvel bedekke dan de uitgeteerde leden!”

„Wel, jongen! – denk er niet meer om; ik ga aan het werk! – Baljuw! een woord met u; – ik stel borgtocht, – een redelijken borgtocht, – versta mij wel, – voor de verschijning van den ouden Ochiltree.” [261]

„Gij weet niet wat gij vraagt,” antwoordde de Baljuw; „de misdaad is aanranding en roof.”

„Stil! geen woord daarvan!” zei de oudheidkenner. „Ik gaf u reeds een wenk; – ik zal u later nadere inlichtingen geven. – Ik verzeker u, daar is een geheim bij.”

„Maar, mijnheer Oldbuck, als de Staat er meê gemoeid is, heb ik, die hier al het werk doe, het recht om er in gekend te worden, en zoo niet, –”

„Stil! stil!” hernam de oudheidkenner, hem een knipoogje toewerpende en den vinger aan den neus brengende, „gij zult het volledigste vertrouwen hebben; – de geheele behandeling er van, als de zaak rijp is; maar het is een stijfhoofdige oude kerel, die er niet van hooren wil, dat vooralsnog twee menschen zijn geheim zouden kennen, en hij heeft mij nog niet alles verteld van Dousterswivel’s schandelijke oogmerken.”

„Aha! dus moeten wij de wet omtrent de vreemdelingen op den goudzoeker toepassen, veronderstel ik?”

„Om de waarheid te zeggen, ik wilde wel dat gij dat deedt.”

„Geen woord meer!” zei de magistraat, „het zal dadelijk geschieden; hij zal verwijderd worden, tanquam suspect; – naar ik meen is dit eene van uwe eigene uitdrukkingen, Monkbarns!”

„Het is klassiek, Baljuw! – Gij maakt vorderingen.”

„Wel, de openbare aangelegenheden hebben mij onlangs zoo veel drukte gemaakt, dat ik mijn winkelknecht tot deelgenoot in mijne zaken heb moeten nemen. – Ik heb twee verschillende briefwisselingen gehad met den Onder-Secretaris van Staat: – de eene over de voorgestelde belasting op Rigasch hennepzaad, en de andere over het sluiten der politieke clubs. Dus kunt gij mij zeer goed vertrouwen en zoo veel als gij weet vertellen van de ontdekking, door dezen ouden kerel gedaan, van eene samenzwering tegen den Staat.”

„Ik zal het dadelijk doen, zoodra ik daartoe in staat ben. – Ik houd er niet van mij met dergelijke zaken zelf te bemoeien. Herinner u nochtans, dat ik niet stellig sprak van eene samenzwering tegen den Staat; ik hoop maar door middel van den bedelaar eene verraderlijke samenspanning te ontdekken.”

„Als er eenige samenspanning is, moet er verraad, of ten minste oproer, onder schuilen. – Wilt gij een borgtocht voor hem stellen van vierhonderd merk1?”

„Vierhonderd merk voor een ouden Blauwrok! – Denk aan de akte van 1701 op de Borgtochten! – Veeg één nul uit; ik wil wel een borgtocht voor hem stellen van veertig merk.”

„Wel, mijnheer Oldbuck, iedereen in Fairport staat u gaarne ten dienst – en daarbij weet ik, dat gij een voorzichtig man zijt en iemand, die even ongaarne veertig als vierhonderd merk zou verliezen. Ik zal dus uw borgtocht aannemen, meo periculo; – wat zegt gij van deze tweede rechtsgeleerde uitdrukking? – Ik heb die van een advocaat: – „Ik sta er voor in, Milord,” zeide hij, „meo periculo””

„En ik wil, eveneens meo periculo instaan voor Adam Ochiltree,” zeide [262]Oldbuck; „laat dus uw klerk de akte van borgtocht opmaken, en ik zal ze onderteekenen.”

Zoodra deze plechtigheid volbracht was, deelde de oudheidkenner aan Adam de blijde tijding mede dat hij weêr in vrijheid was, en gelastte hem, zich naar het huis Monkbarns te spoeden, werwaarts hij zelf met zijn neef, na het verrichten van dit goede werk terugkeerde.


1 Merk – eene Schotsche munt van geringe waarde. 

[Inhoud]

Negenendertigste Hoofdstuk

Vol van wijze taal en hedendaagsche voorbeelden.

Shakespeare.

„Om ’s Hemels wil, Hector!” zei de oudheidkenner, den volgenden morgen na het ontbijt, „ik wenschte dat gij onze zenuwen spaardet, en met het afketsen van uw jachtgeweer wildet uitscheiden!”

„Wel oom, het spijt mij u verontrust te hebben; maar het is een mooi geweer: het is een stuk van Manton, en kost veertig guinjes.”

„Een dwaas en zijn geld zijn weldra gescheiden, neef! Ik ben verheugd, dat gij zoo vele guinjes weg te werpen hebt.”

„Iedereen naar zijn smaak, oom! – de uwe valt op boeken.”

„Ja, Hector, en als mijne verzameling de uwe was, zoudt gij die weldra naar den geweermaker, de paardenmarkt en den hondenkramer brengen, – coëmptos undique nobiles libros – mutare loricis Iberis.”

„Ik zou uwe boeken niet kunnen gebruiken, waarde oom, dat is waar: en gij zult goed doen met te zorgen, dat ze in betere handen geraken dan de mijne; maar reken de gebreken van mijn hoofd mijn hart niet toe. – Ik zou van een olifant, die aan een ouden vriend toebehoord had, niet scheiden willen om een stel paarden te bekomen gelijk dat van lord Glenallan.”

„Ik geloof wel, mijn jongen, dat gij het niet zoudt doen; ik geloof het wel! – Ik plaag u soms een weinig; het onderhoudt den geest van tucht en ondergeschiktheid. – Gij zult hier uw tijd gelukkig doorbrengen, daar gij mij bij u zult hebben om u te kommandeeren, in plaats van kapitein of kolonel, of dapperen ridder, zoo als bij Milton staat, en in plaats van de Franschen te bevechten hebt gij Gens humida ponti – want zoo als Virgilius zegt:

Sternunt se somno diversae in littore phocae.

wat men zou kunnen overbrengen:

„Hier rusten phocae op het strand,

Binnen ’t bereik van Hector’s hand.”

[263]

„Neen, als gij kwaad wordt, schei ik er uit. – Ook zie ik Adam op de plaats, met wien ik iets te doen heb. Dag, Hector! – Heugt het u nog, hoe zij in de zee plaste gelijk haar God, Proteus, et se jactu dedit aequor in altum?

M’Intyre, hoewel wachtende tot zijn oom de deur achter zich had toegetrokken, gaf zich toen ongestoord over aan zijne drift.

„Mijn oom is de beste mensch van de wereld, en op zijne wijze de vriendelijkste; maar liever dan iets meer van die vervloekte phoca te hooren, zoo als hij ze verkiest te noemen, zou ik dienst nemen naar West-Indië, en hem nooit weêr zien!”

Mary M’Intyre, door dankbaarheid aan haren oom gehecht, en haren broeder met geestdrift beminnende, trad bij dergelijke gelegenheden als bemiddelaarster op. Zij haastte zich, haren oom bij zijnen terugkeer te gemoet te gaan, eer hij in de zaal kwam.

„Welnu, Mary, vrouwmensch! wat beteekent dat smeekend gelaat? – heeft Juno weêr iets misdaan?”

„Neen, oom, maar Juno’s meester is bang voor uwe spotternijen over den zeehond. Ik verzeker u, hij voelt het meer dan gij wenschen zoudt; – het is dwaas van hem, dat is zeker; maar gij weet ook iedereen zoo belachelijk te maken!”

„Wel, kindlief, ik zal mijn spotlust beteugelen, en, zoo mogelijk, nooit meer van de phoca spreken. Ik ben geenszins monitoribus asper, maar de Hemel weet het, de zachtste, vreedzaamste en gemakkelijkste der menschen, dien zuster, nicht en neef naar welbehagen bestieren.”

Met deze kleine lofrede op zijne eigene lijdzaamheid trad de heer Oldbuck de zaal binnen, en stelde zijnen neef eene wandeling voor naar de Mosselklip. „Ik heb eenige vragen te doen aan eene vrouw in de hut van Mucklebackit,” voegde hij er bij, „en ik had er gaarne een verstandigen getuige bij; – dus, bij gebrek aan beteren, Hector, moet ik mij met u behelpen.”

„Daar is de oude Adam, oom, of Caxon: – zouden die niet beter zijn dan ik?”

„Op mijn woord, jonkman, gij verwijst mij naar zeer fraai gezelschap, en ik ben allergevoeligst voor uwe beleefdheid. Neen, jongen, mijn oogmerk is, dat de oude Blauwrok met mij gaan zal, – niet als getuige, want hij is nu, zoo als onze vriend de Baljuw Littlejohn zegt, (God zegene zijne geleerdheid!) tanquam suspectus, en gij zijt suspicione major, zoo als onze wet zegt.”

„Ik wenschte dat ik majoor was, oom!” zeide Hector, die slechts het laatste der Latijnsche woorden opving, als den meesten indruk makende op het oor van een soldaat; „maar zonder geld en protectie is er weinig kans voor mij, om het zoo ver te brengen.”

„Wel, wel, zeer dappere zoon van Priamus!” zei de oudheidkenner; „laat u door uwe vrienden raden, en gij weet niet, wat er gebeuren kan. – Kom met mij, en gij zult iets zien, dat u van nut kan zijn, als gij eens in een krijgsraad zit.”

„Ik heb vele regiments-krijgsraden bijgewoond, oom!” antwoordde M’Intyre. – „Maar hier is een nieuwe stok voor u.”

„Zeer verplicht, zeer verplicht!”

„Ik kocht hem van onzen tamboermajoor, die tot ons regiment kwam uit het Bengaalsche leger, toen het de Roode Zee kwam afzakken. De stok werd op de oevers van den Indus gesneden, dat verzeker ik u.” [264]

„Op mijn woord, het is een schoone rotting, en vergoedt dien, welke de pho – Bah! wat wilde ik zeggen?”

Het gezelschap, bestaande uit den oudheidkenner, zijn neef en den ouden bedelaar, begaf zich nu op weg naar de Mosselklip, – de eerste, met den grootsten lust bezield, om zijne wijsheid uit te kramen, en de anderen, met het gevoel van vorige verplichtingen en eenige hoop op toekomende gunsten, bescheiden en oplettend om hem aan te hooren. De oom en de neef wandelden naast elkander, de bedelaar ongeveer anderhalve stap achter hen, juist zoo dicht bij zijn beschermer, dat deze tot hem spreken kon met eene lichte wending van het hoofd, zonder de moeite te nemen van zich om te keeren. Petri, in zijne verhandeling over eene goede opvoeding, opgedragen aan de magistraten van Edinburg, beveelt, naar zijne eigene ondervinding als opvoeder in een aanzienlijk huis verkregen, aan alle minderen van stand, huisonderwijzers en afhankelijke lieden van elken aard, deze houding aan.

Dus begeleid, trok de oudheidkenner, met zijne geleerdheid bezield, op, – gelijk een trotsch oorlogschip, zich elk oogenblik dan naar bakboord en dan naar stuurboord wendende, om eene laag te lossen op degenen, die hem, volgden.

„En gij denkt dus,” zeide hij tegen den bedelaar, „dat dit gelukje, – deze arca auri, zoo als Plautus zegt, Sir Arthur niet veel helpen zal in zijn nood?”

„Of hij zou tienmaal zoo veel moeten vinden!” antwoordde de bedelaar, „en daaraan twijfel ik zeer. – Ik hoorde Puggie Orrock en den anderen bode van het gerecht samen spreken, – en het moet er slecht uitzien, als zulk volkje zoo plomp weg over de zaken van een groot heer spreekt. Ik geloof, dat Sir Arthur voor zijne schulden geplakt zal worden, als er niet spoedig een zekere hulp opdaagt.”

„Gij spreekt als een gek,” zei de oudheidkenner. – „Neef! het is iets merkwaardigs, dat in dit gelukkig land niemand wettig voor schulden kan gezet worden.”

„Inderdaad, oom!” antwoordde M’Intyre, „dat heb ik nooit te voren, geweten. – Dit gedeelte van onze wet zou eenigen van mijn regiment goed te pas komen.”

„En als zij niet voor schulden mogen opgesloten worden,” zeide Ochiltree, „wat doen dan zoo vele arme schepsels in de gevangenis ginds, te Fairport? Men zegt, dat zij gezet zijn door hunne schuldeischers. – Inderdaad! zij moeten er meer van houden dan ik, als zij het uit vrijen wil doen.”

„Eene zeer natuurlijke opmerking, Adam! – en menig wijzer man dan gij zou ze maken; maar ze is geheel en al gegrond op onkunde van het leenstelsel. Hector, wees zoo goed van op te letten, als gij niet omziet naar eene andere – hm!” (Hector deed zich op dezen wenk geweld aan om oplettend te zijn). „En u, Adam, zal het ook tot nut kunnen strekken, rerum cognoscere causas. De aard en oorsprong van een bevel tot arrestatie is iets haud alienum a Scaevolae studiis. Gij moet dan weten, dat niemand in Schotland voor schulden in hechtenis kan genomen worden.”

„Daaraan ligt mij niet veel gelegen, Monkbarns!” zei de oude man; „want niemand zal ooit een duit aan een ouden bedelaar toevertrouwen.”

„Ik bid u zwijg! – Als een dwangmiddel, derhalve tot betaling, – iets, waartoe geen schuldenaar zich geneigd voelt, zoo als ik getuigen kan uit eigene ondervinding, – hadden wij in het eerst de brieven in vier vormen, eene soort van beleefde uitnoodiging, waardoor onze Souvereine Heer, de [265]Koning, zich als Vorst latende gelegen liggen aan het regelen van de bijzondere zaken zijner onderdanen, eerst bij zachte vermaning, en daarna bij brieven van meer krachtigen aard, – wat kijkt gij naar dien vogel, Hector? – het is eene zeemeeuw.”

„Het is eene zeezwaluw,” zeide Adam.

„En wat dan, – wat doet dat ter zaak? – Maar ik zie, dat gij ongeduldig zijt; ik zal dus de brieven van vier vormen overslaan, en komen tot de hedendaagsche manier van procedeeren. – Gij veronderstelt nu, dat een man naar de gevangenis gezonden wordt, omdat hij zijne schulden niet betalen kan? Geenszins! de waarheid is, dat de Koning de goedheid heeft, op een verzoekschrift van den schuldeischer tusschenbeide te komen, en den schuldenaar zijn koninklijk bevel te zenden, om binnen zekeren tijd zijne schuld te voldoen, – vijftien, of zestien dagen, naardat de zaak is. Nu, de schuldenaar verzet zich en is ongehoorzaam; – wat is er het gevolg van? Wel, dat hij wettig en naar alle vormen weêrspannig verklaard wordt tegen onzen genadigen Souverein (aan wiens bevelen hij ongehoorzaam geweest is), met trompetgeschal op de markt te Edinburg, de hoofdstad van Schotland. En hij wordt dan wettiglijk in de gevangenis gezet, niet uithoofde van eene burgerlijke schuld, maar omdat hij het koninklijk bevel heeft geschonden. Wat zegt gij hiervan, Hector? – Dat is iets, dat gij nog niet wist.”

„Neen, oom, maar ik beken, dat als ik geld noodig had om mijne schulden te betalen, ik den Koning veel dankbaarder zou zijn, als hij mij wat zond, dan wanneer hij mij weêrspannig verklaarde, omdat ik niet deed, wat ik niet doen kon.”

„Uwe opvoeding heeft u voor diergelijke zaken niet vatbaar gemaakt,” hernam zijn oom; „gij zijt niet in staat, om de schoonheid van deze vinding te waardeeren, en de wijze, waarop ze die strengheid, welke men, ter bescherming van den koophandel, noodig gevonden heeft tot de halsstarrige schuldenaren uit te strekken, vereenigt met de meeste bezorgdheid voor de vrijheid van den onderdaan.”

„Ik weet het niet, oom! maar als iemand zijne schulden moet betalen of naar de gevangenis gaan, maakt het weinig onderscheid, of hij als weêrspannig aan de wet of als schuldenaar er in gaat, zou ik denken. Maar gij zegt, dit bevel van den Koning geeft een uitstel van zoo en zoo vele dagen; nu, inderdaad, als ik in den nood ware, zou ik met stille trom vertrekken en den Koning en de schuldenaar de zaak onder elkander laten vereffenen, eer zij tot dwangmaatregelen overgingen.”

„Dat zou ik ook doen,” zeide Adam; „ik zou stilletjes optrekken.”

„Juist; maar omtrent degenen, welke de wet verdacht houdt van niet voornemens te zijn haar plechtig bezoek af te wachten, gaat zij korter en met minder omslag te werk, dan met lieden, aan wie geduld en toegeeflijkheid geheel en al verspild zouden wezen.”

„Ja,” zeide Ochiltree, „met bevelschriften voor het aanhouden van vluchtelingen: – ik heb er eenige ondervinding van. – In Zuid-Schotland hebben zij er nog andere kunstjes bij, – die dadelijk en streng werken. Ik werd op die wijze eens op de Sint-Jacobs kermis aangehouden en een heelen dag en nacht in de oude kerk te Kelso bewaard; en dat was eene sombere en akelige plaats, dat verzeker ik u. – Maar wie is die vrouw met hare mand, op den rug? Het is, geloof ik, de arme Maggie zelve.”

Zij was het. De smart van de arme vrouw, ofschoon niet verminderd, was evenwel bedaarder geworden door de noodzakelijkheid, om in het onderhoud [266]van haar huisgezin te voorzien; en de groet, dien zij Oldbuck toebracht, was eene vermenging van haren gewonen spreektrant, waarmede zij hare klanten zocht te lokken, en van den klagenden toon over haar pas geleden verlies.

„Hoe gaat het vandaag, Monkbarns? – Ik heb u nog niet kunnen bedanken voor de eer, die gij den armen Steven bewezen hebt, door zijn hoofd in een vroegtijdig graf te leggen, den armen jongen!” Hier steunde zij en veegde zich de oogen af met het puntje van haar blauwe voorschoot. – „Maar de vischvangst gaat zoo slecht niet, ofschoon mijn man het hart niet gehad heeft, om zelf naar zee te gaan. Wel zou ik hem graag zeggen, dat het hem goed zou doen, de hand aan het werk te slaan; – maar ik schrik er van, om hem toe te spreken, en het is ook niet goed, dat eene vrouw zoo spreekt van haar man. – Maar ik heb toch eenige lekkere schelvisschen, en ze kosten maar drie schelling het dozijn; want ik heb nu geen lust om lang te kibbelen, en moet juist nemen wat een Christenmensch geven wil, met weinig woorden en zonder omwegen.”

„Wat zullen wij doen, Hector?” zeide Oldbuck stilstaande. „Ik haalde mij eens het ongenoegen van mijn vrouwvolkje op den hals, omdat ik een slechten koop met haar had aangegaan. Deze zeedieren, Hector, brengen ongeluk over ons geslacht.”

„Hoe, oom! wat gij doen moet? – De arme Maggie geven wat zij vraagt, of mij vergunnen, een schotel visch naar Monkbarns te zenden.”

En hij reikte haar het geld toe; maar Maggie trok de hand terug. „Neen, neen, kapitein! gij zijt te jong en te los met uw geld. – Gij moet eene vischvrouw nooit haren eersten eisch geven; en wellicht ook sluit ik een koopje met de oude huishoudster op Monkbarns, of met jufvrouw Grizelda. – En ik moet zien, hoe die malle Jenny het maakt; – zij zeggen, dat zij niet wel geweest is; – zij zal over Steven getobd hebben, de onnoozele meid, alsof hij ooit naar haars gelijke zou hebben willen omzien! – Wel, Monkbarns! het zijn schoone, versche schelvisschen, en zij behoeven mij maar weinig aan uw huis te bieden, als gij vandaag visch noodig hebt.”

En zoo stapte zij verder met haren last, terwijl smart, dankbaarheid voor de deelneming van hare meerderen, en de gewone zucht tot handel en winst zich in hare gedachten verdrongen.

„En nu, daar wij voor de hut zijn,” zeide Ochiltree, „wenschte ik wel te weten, Monkbarns, wat u bewogen heeft, u dezen geheelen weg over met mij te kwellen? Ik zeg u oprecht, ik heb geen lust om daar binnen te gaan. Ik mag er niet aan denken, hoe de jongen allen wegsterven, en mij als een onnutten, ouden stam achtergelaten hebben met nauwelijks één groen blad meer over.”

„De oude vrouw zond u met eene boodschap naar den graaf van Glenallan, niet waar?”

„Ja!” antwoordde de verwonderde bedelaar; „hoe weet gij dat?”

„Lord Glenallan verhaalde het mij zelf, dus is er geene verklikkerij, – geene schennis van vertrouwen van uw kant, – en daar hij wenscht, dat ik hare getuigenis zou afnemen over eenige gewichtige familiezaken, koos ik u uit om mede te gaan, omdat het, in haren toestand, die tusschen verkindschdheid en bewusteloosheid zweeft, mogelijk is, dat uwe verschijning herinneringen opwekken zal, waartoe ik buiten staat zou zijn. – De menschelijke geest, – wat doet gij, Hector?”

„Ik floot mijn hond slechts, oom! die loopt altijd te ver af. – Ik vreesde al, dat ik u hinderen zou.” [267]

„In het geheel niet, in het geheel niet!” zeide Oldbuck den draad hervattende. – „De menschelijke geest behoort behandeld te worden als eene streng verwarde zijde, waarvan men eerst voorzichtig een einde moet zien te vatten, eer men eenige vorderingen kan maken met ze te winden.”

„Daar heb ik geen verstand van,” zei de bedelaar; „maar als de oude niet zeer veranderd is, kan het gebeuren, dat zij ons wat vreemd zal doen opkijken. Het is verschrikkelijk, haar te zien en te hooren, als zij zoo met de armen zwaait en haar zuiver Engelsch praat, en als een gedrukt boek spreekt, – ofschoon zij maar een oud vischwijf is. Maar zij kreeg, inderdaad, eene voorname opvoeding, en was zeer gezocht, eer zij een weinig beneden haren stand trouwde. Zij is een tiental jaren ouder dan ik; – maar het heugt mij nog goed, dat men even veel sprak over haar huwelijk met Simon Mucklebackit, den vader van dezen Saunders, alsof zij een meisje van hoogen stand geweest was. Maar zij was eerst eene gunstelinge van de gravin, en dan was zij het weêr niet, zoo als ik haar zoon heb hooren vertellen, toen hij nog zeer jong was; en toen kregen zij veel geld, en verlieten het land van de gravin, en kwamen hier wonen. Maar het ging hun toch nooit goed. Maar zij is eene vrouw, die wat geleerd heeft, en als zij aan haar Engelsch gaat, zoo als ik haar eens op een goeden dag heb gehoord, zal zij ons misschien nog allen vast zetten.”

[Inhoud]

Veertigste Hoofdstuk

Van zulken ouderdom wijkt het leven ongevoelig

En stil, als eene eb, wanneer de golfslag

Geheel en al het gestrande schip verlaat.

Eerst deed de minste wind of golf het zachtjes wiegen;

Maar nu raakt de kiel het diepe, zware zand;

Straks maken mast en kim een hoek, die niet verandert.

Elke wijkende baar schokt de boot al minder en minder,

Tot zij, gemetseld in ’t zand, blijft liggen

Onbruikbaar en bewegingloos.

Oud tooneelspel.

Toen de oudheidkenner de klink van de deur der hut oplichtte, was hij verwonderd, de bevende, krassende stem van Elspeth eene oude ballade te hooren zingen in den smaak van een onregelmatig, klagend recitatief:

De haring mint het zachte licht der maan,

En de makreel den stormwind in den nacht;

Den oester trekt het lied des visschers aan,

Want zij is van een adellijk geslacht.

[268]

Als een vlijtig verzamelaar van dergelijke brokken van oude dichtstukken, bleef Oldbuck luisterend staan, en zijne hand wapende zich onwillekeurig met potlood en aanteekenboekje. Van tijd tot tijd sprak de oude vrouw als tegen de kinderen: „Stil kleinen, stil! en ik zal er nog een mooier zingen dan dat:

Zwijgt stil en luistert, vrouw en man,

Naar ’t geen mijn lied u meldt;

Ik zing u van Glenallan’s graaf

En Harlaw’s bloedig veld.

De lijkzang klaagt in Bennachie

En jammert om den held,

En Hoog- en Laagland dragen rouw

Om Harlaw’s bloedig veld. –

„Ik herinner mij het volgend vers niet goed; – mijn geheugen is weg, en daar overvallen mij nare gedachten. – De Heer brenge ons niet in verzoeking!”

Hier ging hare stem in een onduidelijk gemompel over.

„Het is eene geschiedkundige ballade!” zeide Oldbuck met geestdrift; – „een oorspronkelijk en echt fragment uit den tijd der minnezangers! – Percy zou de eenvoudigheid daarvan bewonderen, – Ritson de echtheid er van niet kunnen betwisten!”

„Het kan zijn; maar het is bedroevend,” zeide Ochiltree, „het menschelijk gevoel in deze vrouw zoo verdoofd te zien, dat zij oude liedjes gaat krassen, na een verlies als het hare!”

„Stil, stil!” zei de oudheidkenner, – „zij heeft den draad van de ballade hervat!” – En terwijl hij sprak, zong zij:

Twee honderd rossen toomden ze op,

Gedost in blinkend staal,

Op ’t fiere hoofd de strijdkaproen,

Een ridder in den zaâl.

„Strijdkaproen!” riep de oudheidkenner uit, – „dat woord komt zelden voor! – het is goud waard!” – en dadelijk stond het in zijn zakboekje.

Zij snelden weg en reden voort

En de aarde dreunde er van;

Daar rukte Donald ’t heîveld op

Met twintig duizend man.

Hun mantels wuifden; zwaard bij zwaard

Blonk schittrend overal,

En oorverdoovend klonk ’t geraas

Van ’t dondrend krijgsgeschal.

De graaf verheft zich in den zaâl,

Bij ’t nadren van dien stoet;

„Op, wakkre ridders!” roept hij, „op!

Toont hier uw heldenmoed.”

[269]

„Welaan mijn schildknaap, die zoo fier

Aan mijne zijde rijdt,

Verbeeld u dat ’k uw schildknaap ben,

En gij Glenallan zijt.”

„Te blijven is hier doodsgevaar;

Te keeren – ons onwaard!

Wat zoudt gij, Roeland Cheyne, doen?

Als gij Glenallan waart?”

„Gij moet weten, kinderen! dat deze Roeland Cheyne, zoo arm en oud ik hier in den hoek van den haard zit, mijn voorvader, en dien dag een dapper man was in het gevecht; maar vooral nadat de graaf gevallen was: want hij verweet zich zelven, dat hij den graaf aangeraden had om te vechten, eer Mar opdaagde met Mearns en Aberdeen en Angus.”

Zij verhief de stem en werd hoe langer hoe meer bezield, terwijl zij de oorlogzuchtige raadgevingen van haren voorvader beschreef:

„O, dat ik graaf Glenallan waar,

En gij mijn schildknaap, gij!

Mijn teugels op den hals van ’t paard!

Mijn sporen in zijn zij!

„En overtreft hun aantal ook

Het onze honderdmaal;

Hen dekt slechts ’t lichte mantelkleed,

Ons ’t ondoordringbaar staal.

„Mijn ros zal rennen door hun heir,

Als door het heidegras;

Geen eed’le Noorman wijkt er ooit

Voor ’t Hooglandsch slavenras!”

„Hoort gij dat neef?” zeide Oldbuck. „Gij merkt, dat uwe Gaëlische voorouders voormaals niet veel geteld werden door de krijgslieden uit het zuidelijk gedeelte van Schotland.”

„Ik hoor,” zeide Hector, „eene onnoozele oude vrouw een onnoozel liedje zingen. Ik verwonder mij, oom, dat gij, die niet luisteren wilt naar Ossian’s gezangen van Selma, behagen kunt scheppen in zulken onzin! Ik beweer, dat ik nooit ellendiger straatdeuntje gehoord heb: ik geloof niet, dat gij een soortgelijk bij eenigen liedjeskramer meer in het geheele land zult vinden! Ik zou mij schamen, als ik dacht, dat de eer der Hooglanders door zulke rijmelarij kon besmet worden!” – Met deze laatste woorden richtte hij het hoofd trotsch op, en keek met verontwaardiging rond.

Waarschijnlijk hoorde de oude vrouw het geluid van hunne stemmen, want zij hield op met zingen en riep: „Kom binnen, kom binnen! – die het wel meent, blijft niet aan den drempel staan!”

Zij traden binnen en vonden, tot hunne groote verwondering, Elspeth alleen, „als een spook aan den haard zittende,” gelijk de geest van den [270]Ouderdom in het jagerslied van den Uil1, „gerimpeld, haveloos, morsig, met troebele oogen en verkleumd.”

„Zij zijn allen uit,” zeide zij, toen Oldbuck binnentrad: „maar als gij een oogenblik wilt gaan zitten, zal er wel iemand komen. Als gij zaken hebt met mijne schoondochter of mijn zoon, zullen zij weldra hier zijn, geloof ik. Ik spreek nooit over zaken. – Kinderen, geeft stoelen! – de kinderen zijn ook uit, geloof ik,” – om zich heen ziende. – „Ik zong hun straks wat voor, om hen stil te houden; maar zij zijn toch weg! – Gaat zitten, heeren! zij zullen weldra te huis zijn, geloof ik;” en zij liet de klos uit de hand vallen op den grond, en begon te spinnen, en scheen weldra uitsluitend bezig met het regelen van de bewegingen van het spinnewiel, en even onbewust van de tegenwoordigheid der vreemdelingen, als zij onverschillig was omtrent hun rang of hetgeen zij daar te verrichten hadden.

„Ik wenschte,” zeide Oldbuck, „dat zij dat gezang of die ballade hervatten wilde. – Ik heb altijd vermoed, dat er eenige schermutseling van ruitervolk heeft plaats gehad vóór den hoofdslag van Harlaw2.”

„Met verlof,” zeide Adam, „zou het niet beter zijn als mijnheer tot de zaak overging, die ons hier bracht? Ik kan het liedje altijd van haar krijgen.”

„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Adam! – Do manus – ik onderwerp mij. Maar hoe zullen wij het aanleggen? Zij zit daar als de verpersoonlijking der verkindschdheid. – Spreek haar aan, Adam, – zie, of gij haar te binnen brengen kunt, dat zij u naar het kasteel Glenallan zond.”

Adam stond op, en, haar naderende, plaatste hij zich in dezelfde houding, die hij in zijn vroeger gesprek met haar gehad had. „Ik ben blij u zoo wel te zien, oude! te meer, daar u een ongeluk getroffen heeft sedert ik onder uw dak was.”

„Ja,” zeide Elspeth; maar veel eerder met een algemeen denkbeeld van ongeluk, dan uit eenige duidelijke herinnering van hetgeen er plaats had; – „wij hebben onlangs veel verdriet gehad. Ik weet niet, hoe het jonge volk dat verdragen kan. – Ik verdraag het slecht. Ik kan den wind niet loeien, en de zee niet bruischen hooren, of ik zie, dunkt mij, de boot met de kiel naar boven, en één van hen in de golven dobberen. – Och, heeren! zulke nare droomen als men heeft tusschen het slapen en het waken in, eer men den langen en gerusten slaap gevat heeft! Ik verbeeld me soms dat mijn zoon, of Steven, mijn kleinzoon, dood is, en dat ik de begrafenis gezien heb. Is dat geen nare droom voor eene dwaze, oude vrouw? Waarom zou een van hen vóór mij sterven? – Het is tegen den loop der natuur, zoo, als gij weet.”

„Ik geloof, dat gij met deze onnoozele oude vrouw weinig uitrichten zult,” zeide Hector, bij wien misschien nog eenigszins de afkeer werkte, welken de verachtelijke melding van zijne landslieden in haar gezang bij hem verwekt had; – „ik geloof dat gij met haar weinig uitrichten zult, oom, en het is tijd verspillen met hier te zitten luisteren naar hare wartaal.”

„Hector,” zei de oudheidkenner met verontwaardiging, „als gij haar ongeluk niet eerbiedigt, eerbiedig ten minste haren hoogen ouderdom en hare [271]grijze haren; – dit is het laatste bedrijf van het menschelijk leven, zoo fraai geschilderd door den Latijnschen dichter:

– Omni

Membrorum damno major dementia, quae nec

Nomina servorum, nec vultus agnoscit amici,

Cum quo praeterita coenavit nocte, nec illos

Quos genuit, quos eduxit, –”3

„Dat is Latijn!” zeide Elspeth, zich oprichtende alsof zij naar de regels luisterde, welke de oudheidkenner met grooten nadruk opdreunde, – „dat is Latijn!” en zij wierp een woesten blik in het rond. – „Heeft mij dan eindelijk een priester ontdekt?”

„Gij ziet, neef, zij verstaat even veel van deze schoone plaats als gij!”

„Gij zult, hoop ik, gelooven, oom, dat ik, even goed als zij, wist, dat het Latijn was?”

„Ja, wat dat aangaat; – maar wacht, zij wil verder spreken.”

„Ik wil geen priester hebben! – volstrekt niet!” zei de oude vrouw, met onmachtige hevigheid; – „zoo als ik leefde, wil ik sterven; – niemand zal zeggen, dat ik mijne meesteres verried, al ware het om mijne ziel te redden!”

„Dat getuigt van een slecht geweten,” zei de bedelaar; „ik wilde, dat, zij haar hart lucht gaf, al ware het slechts om haar eigen wil;” en hij sprak haar op nieuw aan.

„Wel, moeder! ik heb uwe boodschap aan den graaf overgebracht.”

„Aan welken graaf? ik ken geen graaf; – ik kende eens eene gravin; – gave de Hemel, dat ik haar nooit gekend had! want door die kennis, buurman, kwam er –” en zij telde op hare dorre vingers, terwijl zij sprak, – „eerst hoogmoed, dan kwaadwilligheid, dan wraak, dan valsche getuigenis; en moord klopte aan de deur, zoo hij al niet binnen kwam; – en waren dat geene aangename gasten, om te nestelen in een vrouwenhart? Dat was gezelschap genoeg, geloof ik!”

„Maar, oude, het was niet de gravin van Glenallan, die ik meende, maar haren zoon, hem, dien men lord Geraldin heet.”

„Ik herinner het mij nu,” zeide zij; „ik zag hem niet lang geleden, en wij hadden een lang gesprek te zamen. – Och, heeren, de knappe jonge lord is zoo oud en zwak geworden als ik zelve; – zoo werken smart en hartzeer en teleurstelling in de liefde dikwijls op het jonge bloed! – Maar moest zijne moeder niet zelve daarop gepast hebben? Wij volbrachten slechts hare bevelen, zoo als gij weet; – ik ben zeker, dat mij niemand laken kan; – hij was mijn zoon niet, en zij was mijne meesteres. – Gij weet, hoe het liedje gaat; – ik ben het zingen haast vergeten, de wijs weet ik niet meer: [272]

„Hij draaide hem heen en weêr, en zei:

Geen’ spot met moeder, broeder!

Overal vind ik minnarij,

Nergens een andere moeder.”

„En dan was hij slechts van het halve bloed, zoo als gij weet, en zij was eene echte Glenallan! Neen, neen! ik moet nooit klagen over hetgeen ik voor de Gravin Joscelinde deed; – nooit zal ik er over klagen.”

En daarop het vlas van het spinrokken opwindende met den starren blik van iemand, die besloten heeft niets te bekennen, hervatte zij haar gestaakt werk.

„Ik heb gehoord,” zei de bedelaar, aanleiding nemende uit hetgeen Oldbuck hem van de familiegeschiedenis verhaald had; – „ik heb gehoord, oude, dat er eenige kwaadsprekers tusschen den graaf, dat is tusschen lord Geraldin en zijne jonge bruid gekomen zijn?”

„Kwaadsprekers?” riep zij, driftig en ontroerd; „en waarom zou zij lastertaal vreezen? – Zij was goed en schoon genoeg; – ten minste iedereen zeide dat. Maar had zij zelve omtrent andere menschen gezwegen, dan had zij misschien nog heden geleefd, – in weêrwil van al wat men tegen haar ondernam!”

„Maar ik hoorde zeggen, moeder, dat het praatje ging, dat haar man en zij te na aan elkander bestonden, toen zij samen trouwden?”

„Wie durft daarvan spreken?” riep de oude vrouw driftig; „wie durft zeggen, dat zij getrouwd waren? – Wie weet daarvan? – Ik niet! – Als zij in het geheim trouwden, werden zij in het geheim gescheiden. – Zij ledigden den kelk van hun eigen bedrog!”

„Neen, ellendige!” riep Oldbuck uit, die niet langer zwijgen kon, „zij dronken het vergif, dat gij en uwe goddelooze meesteres haar bereidden!”

„Ha! ha!” hernam zij, „ik heb wel gedacht, dat het daartoe komen zou; – ik heb slechts stil te zitten en te zwijgen, als zij mij ondervragen; – er is geene pijnbank meer in onze dagen; – en als er een ware, dan konden ze mij verscheuren! – De mond van een vazal mag hem niet verraden, die hem voedt!”

„Spreek maar tot haar, Adam!” zei de oudheidkenner; „zij kent uwe stem, en antwoordt u het best.”

„Wij zullen er niets meer uit krijgen,” zeide Ochiltree. „Als zij zoo gaat zitten en de armen gevouwen heeft, zegt men, dat zij weken achtereen geen woord spreken wil. En daarbij is, naar het mij voorkomt, haar gelaat zeer veranderd, sedert wij hier zijn. Evenwel zal ik haar nog eens polsen, als gij het wenscht. – Welnu, oude, kunt gij u niet meer herinneren, dat uwe oude meesteres, de gravin Joscelinde, overleden is?”

„Overleden!” riep zij uit; want dit woord maakte altijd een diepen indruk op haar; „dan moeten wij volgen. Allen moeten te paard, als zij in den zadel zit; – zeg hun, dat zij lord Glenallan doen weten, dat wij reeds vooruit zijn. – Breng mijn hoed en mijn sjerp; gij wilt toch niet dat ik in deze kleeding met mevrouw uitga, en met mijn haar, zoo als het nu is?”

Zij hief de dorre armen op, en scheen bezig met haren mantel om te doen om uit te gaan, en liet de armen dan weêr langzaam zakken; en hetzelfde denkbeeld van een tocht waarschijnlijk steeds in het hoofd, ging zij gejaagd en afgebroken voort: „Roep Eveline Neville! – Wat bedoelt gij met lady Geraldin? Ik zeide: Eveline Neville, – niet lady Geraldin; – er [273]is geene lady Geraldin! – zeg haar dit, en dat zij haar nat kleed moet uittrekken, en niet zoo bleek zien. – Kind! wat zou zij met een kind doen? – Meisjes hebben geene kinderen, denk ik! – Therese! – Therese! – de gravin roept ons! – Breng licht, de groote trap is donker als de middernacht. – Wij komen, mevrouw!” Met deze woorden zonk zij terug op den stoel, en zeeg languit op den grond4.

Adam snelde toe, om haar op te helpen; maar nauwelijks had hij haar in de armen genomen, of hij zeide: „Het is voorbij; – zij is overleden; dat was haar laatste woord!”

„Onmogelijk!” zeide Oldbuck, haastig toetredende met zijn neef. Maar niets was zekerder. Zij had den geest gegeven bij het uitspreken der laatste woorden, en zij zagen niets meer voor zich, dan de sterfelijke overblijfsels van het wezen, dat zoo lang geworsteld had met een inwendig gevoel van verborgen schuld, gevoegd bij de ellende van ouderdom en armoede.

„God geve, dat zij naar betere gewesten heengegaan is!” zeide Adam, terwijl hij het levenlooze lichaam aanschouwde. „Maar, och, er was iets, dat haar zwaar op het hart lag. Ik heb menigeen zien sterven op het slagveld en op een bos stroo in huis; maar ik zou hen allen veel liever op nieuw zien sterven, dan zulk een dood als de hare weêr bijwonen!”

„Wij moeten de buren roepen,” zeide Oldbuck, zoodra hij eenigszins herstelde van zijn schrik en zijne verrassing, „en hun dit ongeluk bekend maken. – Ik wenschte, dat men haar iets had kunnen doen bekennen. En, ofschoon het van veel minder gewicht is, zou ik gewenscht hebben dat fragment van een lied over te schrijven. Maar ’s Hemels wil geschiede!”

Zij verlieten de hut, en brachten het gehucht in rep en roer. De matronen verzamelden zich dadelijk, om het lijk te verzorgen van haar, die men als de gemeenschappelijke moeder, naar leeftijd, van al de dorpelingen beschouwde. Oldbuck beloofde zijn onderstand voor de begrafenis.

„Mijnheer” zeide Alison Breek, die na de overledene de oudste was, „moest ons iets zenden, om ons hart op te beuren bij het bewaken van het lijk; want al de jenever van den armen Saunders werd bij de begrafenis van Steven opgedronken, en wij zullen er niet veel aan hebben, om met droge lippen bij het lijk te zitten. Elspeth was zeer knap in hare jonge dagen, zoo als ik mij herinner; maar er liep altijd een praatje, dat zij niet gelukkig was. Van de dooden moet men geen kwaad spreken, – en veel minder nog van zijne kameraden en buren; – maar er werden vreemde dingen verteld van eene dame en haar kind, eer zij Craigburnfoot verliet. En dus, wezenlijk, het zal een bedroefde lijkbewaking5 zijn, als mijnheer ons niets zendt, om ons aan de praat te houden.”

„Gij zult wat jenever hebben,” antwoordde Oldbuck, „te meer, omdat gij het eigenlijke woord voor het oude gebruik van het lijk te bewaken behouden hebt. Let op, Hector, dat lijkbewaking oorspronkelijk Teutonisch is, van het Gothische Leichnam, een lijk. Het is geheel verkeerd, dat men het de laatste wacht noemt, ofschoon Brand die hedendaagsche verbastering en afleiding voorstaat.”

„Ik geloof,” zeide Hector bij zichzelven, „dat mijn oom geheel Monkbarns zou geven, als iemand het hem in het echte oud-Angel-Saksisch kwam vragen! [274]Geen droppel zouden deze oude schepsels gekregen hebben, als het wijf het gevraagd had, om bij de laatste wacht te gebruiken!”

Terwijl Oldbuck eenige verdere beschikkingen maakte en bijstand beloofde, kwam een bediende van Sir Arthur in vollen ren langs het strand rijden, en hield stil, toen hij den oudheidkenner zag. „Er was iets,” (hij kon of wilde niet verklaren wat), „en Freule Wardour had hem oogenblikkelijk naar Monkbarns gezonden, om mijnheer Oldbuck te verzoeken zonder tijdverlies bij hen te komen.”

„Ik vrees,” zei de oudheidkenner, „ook zijn loop snelt ten einde; – wat kan ik doen?”

„Doen, oom?” riep Hector uit met zijne gewone hevigheid, – „te paard stijgen, het dier omkeeren, – en in tien minuten zijt gij te Knockwinnock!”

„Het is een best paard,” zei de knecht, terwijl hij afsteeg om de singels en stijgbeugels na te zien; „het is slechts wat hard in den bek, als het een bangen ruiter op zijn rug voelt.”

„Ik geloof, dat het mij weldra tot een zandruiter zou maken, vriend!” zei de oudheidkenner. „Wat drommel, neef! zijt ge mij moede? of denkt gij, dat ik mijn leven moede ben, om op den rug van zulk een Bucephaal als dezen te gaan zitten? – Neen, neen, vriend! als ik vandaag te Knockwinnock moet komen, zal het geschieden door bedaard op mijne eigene voeten daarheen te wandelen, wat ik ook zoo spoedig mogelijk zal doen. Kapitein M’Intyre mag dat dier zelf bestijgen, als het hem behaagt.”

„Ik heb weinig hoop, oom, dat ik van eenigen dienst zal kunnen zijn; maar ik kan aan hun gebrek aan hulp niet denken, zonder te wenschen ten minste mijne deelneming te toonen: – ik zal dus vooruitrijden, en uwe aankomst melden. – Ik moet u om uwe sporen verzoeken, vriend!”

„Mijnheer zal ze niet noodig hebben,” zei de man, ze echter afdoende en den kapitein aangespende; „het paard heeft vuur genoeg.”

Oldbuck stond verstomd over deze laatste roekeloosheid. „Zijt gij waanzinnig, Hector? of hebt gij vergeten wat er in Quintus Curtius, die u, als soldaat, bekend moet zijn, staat: nobilis equus umbra quidem virgae regitur; ignavus ne calcari quidem excitari potest, hetgeen duidelijk aantoont, dat de sporen altijd nutteloos, en, ik zou er kunnen bijvoegen, dat zij meestal gevaarlijk zijn.”

Maar Hector, die zich weinig stoorde aan het gevoelen van Quintus Curtius, of van den oudheidkenner, in dergelijke zaken, antwoordde slechts met een luchtig: „Wees niet bezorgd, wees niet bezorgd, oom!”

Daarmeê gaf hij den teugel aan ’t moedig ros,

Boog zich voorwaarts, en stiet den spoor

In de hijgende ribben van het dier

Tot over der rad’ren kop; dus voortvliegend

Verslond hij als het ware in den ren den weg,

En stond niet langer hem te woord.”

„Daar gaan ze heen! – een schoon paar!” zeide Oldbuck, hen nakijkende terwijl zij verdwenen, – „een dol paard en een wilde jongen, de twee lastigste schepsels in het Christendom; en dat alles, om een half uur vroeger daar aan te komen, waar niemand hen noodig heeft. Want ik denk, dat Sir Arthur’s ongeluk door onzen lichthoofdigen ruiter niet zal te verhelpen [275]zijn. Het is buiten twijfel het uitwerksel van Dousterswivel’s schurkenstreken, voor wien Sir Arthur zoo veel gedaan heeft; want ik kan niet ontkennen, dat bij sommige karakters het gezegde van Tacitus steek houdt: Beneficia eo usque laeta sunt dum videntur exsolvi posse; ubi multum antevenere, pro gratig odium redditur, – waaruit een verstandig man kan leeren voorzichtig te zijn, en niemand verder te verplichten, dan hij verwachten mag door hem te zien vergelden, uit vrees van zijn bankroet te maken aan dankbaarheid.”

Onder het opprevelen van dergelijke brokken van Cynische wijsbegeerte, stapte onze oudheidkenner over het strand naar Knockwinnock, maar wij moeten hem voorbijsnellen, ten einde de reden te ontwikkelen, waarom hij zoo dringend opontboden werd.


1 Zie de overzetting uit het Gaëlisch bij mevr. Grant, on the Highland superstitions (over de Hooglandsche bijgeloovigheden), vol. II. p. 260. 

2 Zie noot F. de slag van Harlaw

3

Schrikkelijker nog, dan het verlies der leden, is de waanzin,

Die de namen niet kent der slaven, noch ’t gezicht des vriends,

Met wien hij den avond te voren den maaltijd hield, noch degenen,

Aan wie hij ’t leven gaf en welke hij opvoedde.

4 Zie noot G. Elspeth’s dood 

5 Like-wake eene vrij algemeene gewoonte in Schotland. Vert. 

[Inhoud]

Eenenveertigste Hoofdstuk

Zoo rooft de knaap, naar ’t geen de fabel schoeit,

Terwijl de gans haar gouden ei’ren broeit,

Onduurzaam, wreed, met uitgestrekte hand,

Den vogel weg uit het goud eierland; –

Uit geldzucht wordt de kleine roover stout,

En doodt den vogel om het gele goud!

Oude ballade.

Sedert den tijd, dat Sir Arthur bezitter geworden was van den schat uit Misticot’s graf, scheen hij eerder krankzinnig, dan bij zijn gezond verstand te wezen. Zijne dochter was, inderdaad, ernstig bezorgd voor zijne verstandelijke vermogens; want hij twijfelde geenszins, of hij bezat het geheim om zich onnoemelijke schatten te verwerven, en sprak en gedroeg zich als iemand, die den steen der wijzen gevonden had. Hij wilde alle omliggende landerijen opkoopen, en, naar de taal die hij voerde, wilde hij voortgaan tot hij aan den anderen kant van het eiland gekomen was, alsof hij besloten had, geen anderen buurman te gedoogen dan de zee. Hij had een beroemden bouwkundige geschreven over een plan, om den zetel zijner voorvaderen te vernieuwen op eene zoo groote schaal en in zulken prachtigen stijl, dat zijn verblijf het kasteel van Windsor zou hebben kunnen evenaren, en met daaraan geëvenredigde lusttuinen. Benden van livereibedienden doorkruisten reeds in zijne verbeelding de zalen, en – waartoe konden zulke onmetelijke rijkdommen den bezitter niet berechtigen? – de kroon van een markies, wellicht zelfs van een hertog, schitterde voor zijne oogen. – En zijne dochter – op welke aanzienlijke partijen mocht zij niet rekenen? – ja, eene verbintenis met het koninklijk huis ging zijne verwachting niet te boven. – Zijn zoon was reeds generaal, – en hij zelf al wat de eerzucht in hare buitensporige vlucht droomen kon.

Beproefde het iemand, om Sir Arthur uit dezen gemoedstoestand tot het [276]dagelijksch leven terug te brengen, zijne antwoorden waren in den smaak van den ouden Pistol bij Shakespeare:

„’k Lach om den grooten hoop en ’t laag gemeen;

Ik spreek van Afrika en gulden vreugd!”

De lezer zal zich de verwondering kunnen voorstellen van Isabella Wardour, toen zij, in plaats van ondervraagd te worden omtrent de oogmerken van Lovel, zoo als zij na het lange gesprek tusschen haren vader en Oldbuck den morgen waarop men den schat ontdekte, verwacht had, Sir Arthur hoorde praten als iemand, wiens verbeelding verhit was door de hoop van de onmetelijkste schatten te bezitten. Maar zij werd ernstig ongerust, toen Dousterswivel op het kasteel ontboden werd, – zich met haren vader opsloot, over zijn ongeluk getroost werd, zijn aandeel ontving, en zijn verlies vergoed kreeg. – Al de vermoedens, die zij lang tegen dezen man opgevat had, herleefden en vermeerderden, zoodra zij opmerkte hoe hij zich beijverde om de gouden droomen van haren vader aan te moedigen, en zich onder verschillende voorwendsels zoo veel mogelijk toeëigende van het geld, dat op zulk eene zonderlinge wijze Sir Arthur was ten deel gevallen.

Andere slechte voorteekens begonnen zich voor te doen, en volgden elkander snel op. Elken postdag kwamen er brieven, die Sir Arthur, zoodra hij het adres gelezen had, in het vuur wierp, zonder zich de moeite te geven van ze te openen. Isabella Wardour kon het vermoeden niet weêrstaan, dat deze brieven, welker inhoud aan haren vader door eene soort van ingeving scheen bekend te zijn, van dringende schuldeischers kwamen. Intusschen verminderde de tijdelijke hulp, die hij van den schat ontvangen had, snel. Het grootste gedeelte was verzwolgen door de noodzakelijkheid, om de schuldbekentenis voor zeshonderd pond te betalen, die Sir Arthur met eene oogenblikkelijke vervolging bedreigd had. Van het overige was een gedeelte aan den goudzoeker gegeven, een gedeelte aan buitensporigheden verkwist, waartoe zich de arme Baronet ten volle gerechtigd gevoelde uithoofde van zijne groote verwachtingen, – en een gedeelte werd er gebruikt, om voor een tijd die dringende schuldeischers den mond te stoppen, welke, met Harpagon, begrepen hadden, dat het noodig was iets van meer stoffelijken aard, dan bloote beloften, te verkrijgen. Eindelijk werd het maar al te duidelijk, dat alles binnen twee of drie dagen na de ontdekking was uitgegeven, en dat er geen vooruitzicht bestond op nieuwe hulp. Sir Arthur, ongeduldig van aard, verweet nu Dousterswivel op nieuw de schennis van zijne beloften, waardoor hij gehoopt had al zijn lood in goud te zien veranderen. Maar deze eerzame heer had nu zijn buit gehaald; en daar hij bescheiden genoeg was, om liefst den val niet bij te wonen van het huis, dat hij ondermijnd had, trachtte hij Sir Arthur met eenige kunsttermen te bevredigen, opdat deze, ten minste niet vóór zijn tijd, ongerust mocht worden. Hij nam afscheid van hem met de verzekering, dat hij den volgenden morgen op Knockwinnock zou terugkeeren, en berichten medebrengen, die Sir Arthur zeer zeker uit zijne verlegenheid helpen zouden.

„Want zoo lang ik over zulke zaken geraadpleegd ben,” zeide hij, „was ik nooit zoo nabij het arcanum, het groote geheim – de Panchresta – de Polychnesta. Ik weet er zoo veel van als Pelaso de Taranta, of Basilius, – [277]en ik breng Uwé in twee of drie dagen Numero II van den heer Misticot, of Uwé zal mij een schurk noemen, en Herman Dousterswivel nooit weder zien.”

De goudzoeker vertrok met deze verzekering, vast besloten om het laatste gedeelte van zijne belofte te houden, en nooit weêr voor zijn beleedigden patroon te verschijnen. Sir Arthur bleef in eene twijfelende en beangstigde stemming terug. De stellige verzekering van den wijsgeer, met de harde woorden Panchresta, Basilius, en zoo voorts, hadden eenigen indruk op hem gemaakt. Maar hij was te dikwijls door dergelijke wartaal misleid geworden om geheel en al van zijn twijfel bevrijd te zijn, en hij begaf zich vóór den avond naar zijne boekenkamer in den verschrikkelijken toestand van iemand, die, zonder middelen om terug te keeren, op eene steilte boven een afgrond staat, en opmerkt dat de rots, waarop hij zich bevindt, zich al meer en meer van het overige afscheurt en op het punt is van met hem in de diepte te storten.

De droombeelden der hoop verdwenen; doch naar evenredigheid vermeerderde dat koortsachtig, beangstigend voorgevoel, waarmede een man, groot gebracht in het denkbeeld van zijn eigen gewicht en aanzien, en bezield met de zucht naar rijkdommen, – de stamhouder van een oud geslacht en de vader van twee veelbelovende kinderen, – het uur zag naderen, waarop hij van al den glans, welken de gewoonte hem eigen en noodzakelijk gemaakt had, beroofd en in de wereld gestooten zou worden, om er met armoede, hebzucht en verachting te kampen. Onder deze voorboden werd hij, reeds door vergeefsche hoop verzwakt, gemelijk en lichtgeraakt, en zijne woorden en daden drukten soms eene wanhopige onverschilligheid uit, die Isabella Wardour buitengemeen verontrustte. Wij hebben bij eene vorige gelegenheid gezien, dat Sir Arthur, in weêrwil van de zwakheid van zijn karakter, in andere opzichten prikkelbaar en hevig was; hij was niet gewoon tegengesproken te worden, en, indien hij tot hiertoe over het algemeen opgeruimd en goed gehumeurd was geweest, was dat waarschijnlijk, omdat zijn levensloop geene genoegzame aanleiding opgeleverd had, om zijne zwartgalligheid op te wekken.

Den derden dag na het vertrek van Dousterswivel, legde de bediende, naar gewoonte, de nieuwspapieren en de brieven van den dag op de ontbijttafel. Isabella Wardour nam de couranten in de hand, om zich te onttrekken aan de gestadige kwade luim van haren vader, die zich allerdriftigst gemaakt had, omdat het geroosterde brood te bruin was.

„Ik zie hoe het gesteld is,” dus besloot hij zijne rede over dit belangrijk onderwerp; – „mijne bedienden, die hun aandeel in mijn geluk gehad hebben, beginnen te denken, dat er in het vervolg weinig meer van mij te halen zal zijn. Maar zoo lang ik heer en meester van de schurken ben, zal ik het ook toonen, en geene onachtzaamheid gedoogen, – neen! geen haarbreed zullen zij van den eerbied afwijken, dien ik het recht heb van hen te eischen.”

„Ik ben bereid om op dit oogenblik mijnheers dienst te verlaten,” zei de knecht, wien men de schuld gegeven had, „als mijn loon maar betaald is.”

Sir Arthur, als had hem een slang gestoken, stak de hand in den zak, en trok er dadelijk al het geld uit, dat er in was, maar niet genoeg om den man te voldoen. „Hoeveel geld hebt gij bij u, Isabella?” vroeg hij schijnbaar bedaard, maar met verborgene, hevige ontroering.

Zijne dochter gaf hem hare beurs; hij trachtte de banknoten te tellen, die er in waren, maar hij kon het niet doen. Na een paar vergeefsche pogingen, [278]smeet hij het zijner dochter toe, en zeide op gestrengen toon: „Betaal den schelm, en laat hem dadelijk de deur uitzetten!” hiermede stapte hij de kamer uit.

De meesteres en de dienstbode stonden beiden evenzeer verwonderd over de ontroering en de hevigheid van zijn gedrag.

„Zeker, Freule, als ik gedacht had in het minste schuld te hebben, zou ik niet één enkel woord hebben geantwoord, toen Sir Arthur mij berispte. – Ik ben lang in zijn dienst geweest, en hij is een goed heer voor mij geweest, en gij, Freule, eene goede meesteres, en het zou mij leed doen, als gij dacht, dat ik om een enkel driftig woord zou willen vertrekken. Het was zeker verkeerd van mij gedaan, van mijn loon tegen mijnheer te spreken, als hij iets heeft, dat hem kwelt. Ik had niet gedacht, op deze wijze het huis te moeten verlaten.”

„Ga naar beneden, Robert!” zeide zijne meesteres; „er is iets gebeurd, dat mijn vader hindert; – ga naar beneden, en laat Alick op de bel passen.”

Zoodra de knecht de kamer verliet, kwam Sir Arthur weêr binnen, alsof hij op zijn vertrek gewacht had. „Wat beteekent dit,” zeide hij driftig, toen hij zag dat de banknoten nog op tafel lagen, – „is hij niet vertrokken? Zal men mij niet meer gehoorzamen als heer, of als vader?”

„Hij is gegaan, vader, om hetgeen hem toekomt aan de huishoudster op te geven. – Ik dacht niet, dat er zoo veel haast bij was.”

„Er is haast, Isabella!” antwoordde haar vader, haar in de rede vallende, – „wat ik voortaan in het huis mijner voorvaderen doen wil, moet dadelijk gedaan worden, of nooit!”

Hij ging toen zitten en nam met eene bevende hand de kop thee, die voor hem was gereed gemaakt, en rekte het drinken er van zoo lang hij kon, als om het openen der brieven te verschuiven, die vóór hem op de tafel lagen, en waarnaar hij van tijd tot tijd keek, alsof het een nest met adders geweest ware, die gereed waren om er uit te komen en op hem toe te schieten.

„Het zal u aangenaam zijn te hooren,” zeide Isabella Wardour, om haren vader af te leiden van de sombere overpeinzingen, waarin hij verzonken scheen te zijn, „het zal u aangenaam wezen te vernemen, vader, dat de brik van luitenant Taffril behouden op de reede van Leith is aangekomen. – Ik zie, dat er eenige vrees geweest is voor zijn behoud. Ik ben blij, dat wij er niets van wisten.”

„En wat raakt mij Taffrils brik?”

„Vader!” zeide Isabella Wardour met verwondering; want Sir Arthur, in zijne gewone stemming, gevoelde eene soort van rustelooze belangstelling in al de praatjes van den dag en van het land.

„Ik zeg,” herhaalde hij op hevigen en steeds ongeduldiger toon, „wat ligt mij er aan gelegen, wie behouden en wie omgekomen is? – Dat raakt mij niet, veronderstel ik.”

„Ik wist niet, dat gij bezig waart, vader, en ik dacht dat, daar de heer Taffril een braaf man en uit onze eigene streek is, het u aangenaam zou zijn, te hooren, –”

„O, het is mij aangenaam! – het maakt mij zoo gelukkig mogelijk, – en om er u gelukkig bij te maken, zult gij op uwe beurt iets van mijne goede tijdingen vernemen!” En hij nam een brief op. „Het is onverschillig, welken ik eerst openbreek; – zij zijn allen van denzelfden aard.”

Hij brak haastig het lak, doorliep den brief, en wierp hem zijne dochter [279]toe. – „Ja! ik had het niet gelukkiger kunnen treffen: – deze is afdoende!”

Isabella Wardour zweeg verschrikt en nam den brief. „Lees maar, lees maar hardop!” zei haar vader; „gij kunt het niet te dikwijls lezen; het zal u in eens gewennen aan verdere tijdingen van denzelfden aard.”

Zij begon te lezen met bevende stem:

„Waarde Heer!”

„Hij noemt mij zijn waarde, zoo als gij ziet, – die onbeschaamde pennelikker, die twaalf maanden geleden niet goed genoeg was om aan mijne tafel te zitten; – langzamerhand, veronderstel ik, zal het kortaf waarde Baronet! heeten.”

„Waarde Heer!” – hernam Isabella; „maar,” brak zij af – „het zal u slechts hinderen als ik hardop lees.”

„Indien gij mij vergunnen wilt mijn eigen zin te volgen, Isabella, zoo verzoek ik u voort te gaan! Mij dunkt, ik zou u de moeite niet geven, als ik dacht dat het onnoodig ware!”

„Onlangs als deelgenoot opgenomen,” vervolgde Isabella Wardour, den brief lezende, „door den heer Gilbert Greenhorn, den zoon van uw vorigen correspondent en agent, den heer Girnigo Greenhorn, procureur alhier, wiens zaken ik als klerk vele jaren lang bestierd heb, wat in het vervolg onder de firma van Greenhorn en Grinderson geschieden zal (hetgeen tot uw gouverno diene, bij het adresseeren van uwe verdere brieven), en onlangs ontvangen hebbende uw geacht schrijven, geadresseerd aan mijn voormelden compagnon, den heer Gilbert Greenhorn, en ten gevolge van zijne afwezigheid wegens de wedrennen te Lamberton, heb ik de eer, uw brief te beantwoorden.”

„Gij ziet, mijn vriend gaat stelselmatig te werk, en begint met mij de redenen te ontwikkelen, welke mij zulk een bescheiden en aangenamen correspondent verschaft hebben. – Ga voort, – ik ben er tegen bestand!”

En hij lachte met dien bitteren lach, welke wellicht de verschrikkelijkste uitdrukking is van het lijden der ziel. Vreezende om te vervolgen, en nochtans niet wagende om ongehoorzaam te zijn, ging Isabella Wardour voort met lezen: „Het doet mij, voor mijzelven en mijn compagnon, leed, dat wij niet kunnen verplichten met naar de door u gemelde sommen om te zien, of met uitstel te vragen in zake van Goldiebird’s vorderingen, wat te moeielijker zou zijn, daar wij gebezigd zijn, om als zaakwaarnemers en gevolmachtigden van genoemden Goldiebird te handelen, in welke hoedanigheid wij een lastbrief tot betaling tegen u verkregen hebben, zoo als gij vernomen zult hebben uit de dagvaarding, voor de som van vierduizend zevenhonderd zesenvijftig pond, vijf shilling, zes en een vierde stuiver sterling, welke som, met een jaar interesten en onkosten, wij veronderstellen, dat onmiddellijk zal vereffend worden, ter voorkoming van verdere ongelegenheden. Ik gevoel mij genoodzaakt te doen opmerken, dat onze eigene schuldvordering, ten bedrage van zevenhonderd negenenzestig pond, tien shilling en zes stuivers, mede verschenen is, en de vereffening daarvan ons aangenaam zou zijn; maar, alzoo wij uwe obligatiën, bewijzen van eigendom, en hypotheken bezitten, zullen wij er niets tegen hebben, om een redelijk uitstel te verleenen, – bij voorbeeld tot den eerstvolgenden vervaldag. – Ik moet, voor mijzelven en voor mijn compagnon, er bijvoegen, dat de last van den heer Goldiebird ons gebiedt, om peremptoir en sine mora te procedeeren, waarvan ik het genoegen heb u te adviseeren ter voorkoming van abuizen, ons reserveerende om verder te ageeren, als gezegd. Ik ben, voor mijzelven en mijn compagnon, [280]Waarde Heer, uw verplichte en dienstwillige dienaar, Gabriel Grinderson, voor de firma Greenhorn en Grinderson.”

„De ondankbare schelm!” riep Isabella Wardour.

„Wel neen! het is de gewone wijze van handelen, veronderstel ik; om zwaar te treffen, moest deze hand den slag geven; – het is alles zoo als het behoort,” antwoordde de arme Baronet, terwijl zijne bevende lip en zijne ongedurige blikken zijne gemaakte bedaardheid weêrspraken. – „Maar hier is een naschrift, dat ik niet gezien had, – kom, lees den brief maar uit!”

„Ik heb er nog bij te voegen (niet voor mijzelven maar voor mijn compagnon), dat de heer Greenhorn u ten dienste wil zijn, door uw tafelzilver en de bruine paarden, bijaldien deze geene gebreken hebben, tegen schatting en in gedeeltelijke betaling van uw rekening over te nemen.”

„De duivel hale hem!” riep Sir Arthur, buiten zich zelven bij dit beleefde aanbod. „Zijn grootvader besloeg mijns vaders paarden, en deze afstammeling van een ellendigen hoefsmid stelt mij voor, om mij de mijne af te troggelen! Maar ik zal hem antwoorden, zoo als hij verdient!”

En hij ging zitten en begon met groote drift te schrijven, brak dan af, en las hard op: „Mijnheer Gilbert Greenhorn! In antwoord op mijne twee laatste brieven ontving ik een brief van iemand, zich noemende Grinderson, en uw compagnon. Als ik aan iemand schrijf, ben ik niet gewoon dat men mij door de derde hand antwoordt. – Ik geloof, dat ik uw vader van dienst geweest ben, en vriendelijk en beleefd jegens u, en daarom verwondert het mij nu,” – „Maar” zeide hij, eensklaps ophoudende, „waarom zou ik mij daarover of over wat anders verwonderen, – of waarom zou ik mijn tijd verspillen met aan zulk een jakhals te schrijven? – Ik zal niet altijd in de gevangenis blijven, veronderstel ik, en dien kerel de beenderen te breken, zal het eerste zijn wat ik doe, zoodra ik er uit kom!”

„De gevangenis, vader?” vroeg Isabella Wardour met eene bevende stem.

„Wel ja, – wel zeker, – in de gevangenis, kunt gij daar een oogenblik aan twijfelen? – Wel! de fraaie brief van dien, – hoe heet hij, voor zich zelven en compagnon, schijnt gij vergeten te hebben, of gij moet vierduizend en zoo veel honderd pond, met het juiste aantal shillings, stuivers en halve stuivers hebben, om „bovenstaande som,” zoo als hij ze noemt, te betalen!”

„Ik, vader! – O, als ik de middelen had! – Maar waar is mijn broeder? – Waarom komt hij niet? Hij is juist al zóó lang in Schotland? Wellicht zou hij iets kunnen doen, om ons te helpen.”

„Wie, Reginald? – Ik veronderstel dat hij met den heer Gilbert Greenhorn, of den een of anderen zeer aanzienlijken man, naar de wedrennen te Lamberton gegaan is. – Ik heb hem verleden week gewacht; maar ik behoef mij niet te verwonderen, dat mijne kinderen mij verontachtzamen, even als alle andere menschen. – Maar ik moet u verschooning vragen, mijn kind, – neen, nooit in uw leven hebt gij mij veronachtzaamd of beleedigd.”

En hare wang kussende, terwijl zij hare armen om zijn hals sloeg, ondervond hij dien troost, welken een vader, zelfs in den wanhopigsten toestand, vindt in de zekerheid van een kind te bezitten, dat hem liefheeft.

Isabella Wardour trachtte zich deze opwelling van gevoel ten nutte te maken, om haren vader tot bedaren te brengen. Zij herinnerde hem, dat hij vele vrienden had.

„Ik had er eens velen!” zeide Sir Arthur; „maar, de goedheid van eenigen heb ik uitgeput door mijne dolle ondernemingen; – anderen zijn buiten staat, om mij bij te staan; – anderen zijn onwillig; – het is met mij gedaan. [281]– Ik hoop maar, dat Reginald een voorbeeld zal nemen aan mijne dwaasheid!”

„Zou ik niet goed doen met naar Monkbarns te zenden, vader?” zeide zijne dochter.

„Waartoe? Hij kan mij zulk een som niet leenen, en zou het niet willen doen, al kon hij het; want hij weet, dat ik nog andere schulden heb, en hij zou mij alleen vervelende menschenhatende phrases en fraaie brokken Latijn naar het hoofd werpen.”

„Maar hij is verstandig en goed, en in zaken grootgebracht, en ik ben zeker, dat hij onze familie altijd hartelijk toegedaan was.”

„Ja, ik geloof dat hij het was. – Wij hebben het ver gebracht, dat de genegenheid van een Oldbuck van gewicht wordt voor een Wardour! – Maar als de zaak tot het uiterste komt, zoo als ik veronderstel dat spoedig het geval zal wezen, – zal het misschien niet kwaad zijn, om hem te ontbieden. – En nu, ga uwe wandeling doen, kindlief! – Ik ben thans bedaarder, dan toen ik u deze vervloekte ontdekking doen moest. – Gij weet nu het ergste, en kunt het met elken dag en elk uur te gemoet zien. Ga uwe wandeling doen! – Ik wenschte een oogenblik alleen te zijn.”

Toen Isabella Wardour het vertrek verlaten had, was haar eerste zorg, om, overeenkomstig de halve vergunning door haren vader gegeven, een bode naar Monkbarns te zenden, die, zoo als wij reeds gezien hebben, den, oudheidkenner met zijn neef op het strand ontmoette.

Zonder te denken, en inderdaad haast zonder te weten waarheen zij ging sloeg zij toevallig de wandeling in langs den zoogenaamden Rozenheuvel. Eene beek, die in vroegere dagen de gracht van het kasteel van water voorzien had, liep hier naar beneden door eene nauwe vallei, waarin Isabella Wardour een pad had doen aanleggen, dat netjes onderhouden werd, zonder het voorkomen te hebben van door kunst gemaakt en gebaand te zijn. Het strookte alleszins met het karakter van het kleine dal, dat overschaduwd was door bomen en struikgewas, hoofdzakelijk laurierboomen en hazelstruiken, met de gewone afwisseling van den doorn en de wilde roos. Op deze wandeling had de verklaring tusschen Isabella Wardour en Lovel plaats gehad, welke door den ouden Adam Ochiltree gehoord was. Met een hart, diep bedroefd over de naderende ellende harer familie, bracht zich Isabella nu elk woord, elke spreekwijze te binnen, door Lovel gebezigd, om zijn aanzoek te ondersteunen, en zij moest zich zelve bekennen, dat het niet weinig vleiend was voor haar, het voorwerp van zulk eene ernstige en belangelooze genegenheid te zijn. Dat Lovel een beroep zou verlaten hebben, waarin hij, gelijk men zeide, snelle vorderingen maakte, om zich in eene stille plaats als Fairport te gaan begraven en eene onbeantwoorde liefde te koesteren, zou door anderen als overdreven hebben kunnen bespot worden, maar werd licht als eene overmaat van genegenheid vergeven door diegene, die zich daardoor gestreeld gevoelde. Als hij een onafhankelijk bestaan, hoe matig ook, gehad, of bewijzen gegeven had van onbetwistbare aanspraken op den rang in de samenleving, welken hij zoo zeer geschikt was te bekleeden, dan zou zij nu wellicht in staat geweest zijn, om haren vader, in zijn tegenspoed, eene schuilplaats aan te bieden. Deze gedachten, zoo gunstig voor den afwezige, kwamen nu bij haar op, met zulk eene nauwkeurige herinnering aan zijne woorden, blikken en gebaren, dat zij maar al te diep gevoelde, hoe hare voormalige afwijzing eerder de uitspraak was geweest van plichtbesef, dan van haar hart. Isabella peinsde beurtelings over dit onderwerp en het ongeluk [282]van haren vader na, toen zij, het pad volgende, dat rondom een kleinen, met struiken bedekten heuvel kronkelde, eensklaps den ouden Blauwrok ontmoette.

Op eene wijze, alsof hij iets gewichtigs en geheims mede te deelen had, nam hij de pet af, en den voorzichtigen stap en de zachte stem aan van iemand, die niet gaarne door vreemden wil gehoord zijn. „Ik heb zeer gewenscht, u te ontmoeten, Freule, want gij weet, ik durf niet aan huis komen wegens Dousterswivel.”

„Ik heb inderdaad gehoord,” zeide Isabella Wardour, eene aalmoes in zijne pet leggende, „ik heb gehoord, dat gij een zeer dwaas, zoo al niet een zeer slecht iets begaan hebt, Adam, en het deed mij leed dat te hooren.”

„Zachtjes, schoone dame! – dwaas? – De geheele wereld is dwaas, – en hoe zou de oude Adam Ochiltree altijd wijs zijn? – En wat het kwaad aanbelangt, – laat diegenen zeggen, die ooit met Dousterswivel te doen hebben gehad, of hij één greintje meer gekregen heeft, dan hij verdient.”

„Dat kan waar zijn, Adam, en toch,” antwoordde Isabella Wardour, „kunt gij groot ongelijk gehad hebben!”

„Wel, wel! wij zullen dat juist nu niet beslissen; – het is over u zelve, dat ik gekomen ben om te spreken. – Weet gij, wat het huis van Knockwinnock boven het hoofd hangt?”

„Een groot ongeluk, vrees ik, Adam!” antwoordde Isabella; „maar ik ben verwonderd, dat het reeds ruchtbaar is!”

„Ruchtbaar! – Sweepclean, de deurwaarder, zal er vandaag zijn met al zijne kerels. Ik weet het van een der dienders, die gewaarschuwd is, om hem hier te ontmoeten, en zij zullen ruw te werk gaan, geloof ik. – Waar zij knippen, daar is geen kam noodig; – zij scheren kaal genoeg!”

„Zijt gij zeker, Adam, dat dit ongelukkig uur reeds zoo nabij is? – Dat het komen zal, weet ik!”

„Het is juist zoo als ik zeg! maar wees niet neêrslachtig: – er is een hemel boven uw hoofd, even goed heden, als in dien verschrikkelijken nacht tusschen Bally-Burghness en Halket-head. Gelooft gij niet, dat Hij, die toen de wateren keerde, u tegen kwaadwilligheid der menschen beschermen kan, al zijn zij met het gezag der wetten gewapend?”

„De hemel is inderdaad nu onze eenige hoop.”

„Gij weet het niet; – gij weet het niet; – als de nacht het donkerst is, is de dageraad het meest nabij. Als ik een goed paard had, of er op rijden kon als ik er een had, – geloof ik, dat ik u nog helpen kon. – Ik dacht een stuk wegs met de brievenpost af te leggen; maar de koets viel ginds bij Kittlebrig om. Er zat een jonge heer op den bok, en hij wilde mennen; en Tom Sang, die wijzer had moeten wezen, liet het hem doen, en de dolle jongen kon den draai niet nemen bij den hoek van de brug, en daar rijdt hij tegen den hoeksteen en werpt den wagen ten onderste boven, – even als een legen beker; – het was een geluk, dat ik er niet boven op zat. – Dus kwam ik hier naar toe, tusschen hoop en vrees in, om te zien of gij mij zoudt willen verder helpen.”

„En, Adam, – waarheen wildet gij gaan?”

„Naar Tannonburgh,” (het eerste station van Fairport, maar veel nader bij Knockwinnock), „en dat zonder uitstel; – het is om uw eigen best!”

„Ons eigen best, Adam? Helaas! ik heb geen den minsten twijfel aan uwe goede bedoeling; maar, –”

„Geene maars, Freule! want ik moet weg!” [283]

„Maar wat wilt gij te Tannonburgh doen? – of hoe kunt gij mijn vader daar van nut zijn?”

„Inderdaad, schoone dame, gij moet dit kleine geheim aan het grijze hoofd van den ouden Adam toevertrouwen en er niet naar vragen. – Als ik op zekeren nacht mijn leven voor u waagde, zal ik nu wel geene reden hebben, om u te bedriegen in het uur van tegenspoed!”

„Wel, volg mij maar, Adam!” zeide Isabella Wardour; „en ik zal trachten u naar Tannonburgh te doen brengen.”

„Haast u dan, haast u dan, om alles ter wereld!” en hij bleef er op aandringen, tot zij het kasteel bereikt hadden.

[Inhoud]

Tweeënveertigste Hoofdstuk

Mag het zien wie wil; – ik verlang het niet; –

Want, was hij al een slaaf van rang en pracht

En al den klinkklank, waarvan hem ’t noodlot

Nu onverbiddelijk streng doet scheiden;

Altijd grieft de blik van ’t ontsteld gelaat,

Waar de ijdelheid onder haar nietig floers

De rimpels sluiert van berouw en angst.

Oud tooneelspel.

Toen Isabella Wardour op de plaats van het kasteel kwam, merkte zij dadelijk, dat de gerechtsdienaren er reeds waren. Er heerschte verwarring en neêrslachtigheid, verdriet en nieuwsgierigheid onder de dienstboden, terwijl de gerechtspersonen van de eene plaats naar de andere gingen en al de goederen opschreven, die volgens de wet in beslag genomen werden. Kapitein M’Intyre vloog naar haar toe, toen zij, bij de droevige overtuiging van haars vaders ongeluk, sprakeloos aan de poort bleef staan.

„Waarde Freule,” zeide hij, „maak u niet ongerust; mijn oom komt oogenblikkelijk, en ik ben zeker, dat hij eenig middel zal vinden, om het huis van deze schurken te zuiveren.”

„Helaas, kapitein M’Intyre, ik vrees dat het te laat zal zijn!”

„Neen!” antwoordde Adam ongeduldig. – „Kon ik slechts naar Tannonburgh komen! In ’s hemels naam, kapitein, tracht op de eene of andere wijze mij er naar toe te krijgen, en gij zult deze ongelukkige, te grond gerichte familie den besten dienst doen, die haar sedert de dagen van de Roodhand bewezen is; – want, zoo zeker als er ooit eene oude voorspelling uitkwam, zullen het huis en de goederen van Knockwinnock heden verloren en gewonnen worden.”

„Wat zoudt gij kunnen doen, oude man?” vroeg Hector.

Maar Robert, de oude knecht, op wien Sir Arthur des morgens zoo ontevreden was geweest, trad, alsof hij wachtte op eene gelegenheid om zijn ijver aan den dag te leggen, dadelijk vóór, en zeide tot zijne meesteres: [284]„Met uw verlof, Freule, deze oude Ochiltree is zeer slim en heeft ondervinding van vele dingen, als het genezen van koeien en paarden en dergelijke, en ik ben zeker, dat hij niet zonder reden verlangt vandaag te Tannonburgh te zijn, daar hij er zoo op staat, en als het u belieft, zal ik hem met de kar er naar toe brengen binnen één uur tijds! – Ik wilde zoo gaarne van eenigen dienst zijn. – Ik zou mij de tong kunnen afbijten, als ik aan heden morgen denk.”

„Ik ben u verplicht, Robert!” antwoordde Isabella Wardour; „en als gij wezenlijk denkt dat het de minste kans oplevert, –”

„In Gods naam!” zei de bedelaar, „span de kar maar in, Robert, en als ik niet van dienst ben, kunt gij mij over de Kittlebrig werpen als gij terug komt! – Maar, haast u, man, want de tijd is heden kostbaar!”

Robert zag zijne meesteres aan, terwijl zij zich naar huis begaf, en ziende dat men het hem niet verbood, vloog hij naar de stallen, welke aan het plein grensden, om de kar in te spannen; want, ofschoon een oude bedelaar geen geschikt persoon scheen om, in gevallen van geldnood, krachtdadige hulp te verleenen, heerschte er nochtans onder de menschen van Adams kring een groot denkbeeld van zijne voorzichtigheid en doorzicht, wat Robert’s oordeel rechtvaardigde, dat hij niet zoo ernstig op zijn tocht zou aangedrongen hebben, indien hij niet overtuigd geweest ware van de noodzakelijkheid er van. – Maar, zoodra de knecht de hand aan een paard sloeg, om het voor de kar te spannen, tikte een gerechtsdienaar hem op den schouder: „Vriend! gij moet van dat beest afblijven; het staat opgeschreven!”

„Hoe!” zeide Robert; „mag ik mijns meesters paard niet nemen om eene boodschap voor hem te doen?”

„Gij moogt niets van hier wegnemen,” antwoordde de gerechtsdienaar, „of gij zult verantwoordelijk zijn voor al de gevolgen.”

„Wat drommel!” riep Hector, die gevolgd was om Ochiltree nader te ondervragen over den aard van zijne hoop en verwachtingen, en reeds driftig begon te worden, even als de dashond van zijne vaderlandsche bergen de haren opsteekt en een voegelijk voorwendsel zoekt, om zijn ongenoegen lucht te geven, „hebt gij de onbeschaamdheid, om den knecht van eene jongedame te beletten aan hare bevelen te gehoorzamen?”

Er was iets in de houding en stem van den jongen krijgsman, dat scheen aan te duiden dat zijne tusschenkomst zich niet tot bloote woorden bepalen zou; en dat, indien het al bij den uitslag de voordeelen eener schadevergoeding voor gewelddadigen aanval en weêrstand opleverde, zeker beginnen zou met de onaangename omstandigheden, die noodig waren om zulk eene klacht gegrond te maken. De dienaar der wet, die zich dus tegenover den krijgsknecht gesteld zag, greep met eene onzekere hand zijn smerigen stok, die strekte om zijn gezag kracht bij te zetten, en toonde met de andere het kleine stafje, dat hij als gerechtsbode droeg, met zilver beslagen, en boven van een lossen ring voorzien. – „Kapitein M’Intyre, – mijnheer! – ik wil geen twist met u; – maar als gij mij in het uitvoeren van mijn dienst verhindert, zal ik den staf breken, en mij gewelddadig aangerand verklaren.”

„En wie drommel geeft er wat om,” riep Hector, „of gij u gewelddadig of weldadig verklaart? – En wat het breken van uw staf, of van den vrede, of hoe gij het noemt, betreft, alles wat ik er van weet is, dat ik u de ribben zal breken, als gij den knecht belet de kar in te spannen, om aan de bevelen van zijne meesteres te gehoorzamen.” [285]

„Ik neem allen, die hier staan, tot getuigen,” zei de gerechtsbode, „dat ik hem mijn staf toonde en mijn ambt openbaarde; – des menschen zin is des menschen leven.” – En hij liet zijn raadselachtigen ring van het eene einde van den staf naar het andere glijden, tot teeken dat hij gewelddadig belet was in het volvoeren van zijn plicht.

De eerlijke Hector, eerder gewoon aan het slagveld dan aan de vormen der wet, zag deze geheimzinnige plechtigheid zeer onverschillig aan, en hij verontrustte zich evenmin, toen de bode ging zitten, om het procesverbaal van zijne gewelddadige aanranding op te maken. Maar op dit oogenblik kwam, om den welmeenenden, heethoofdigen Hooglander aan het gevaar eener zware geldboete te onttrekken, de oudheidkenner hijgend aanblazen, met zijn zakdoek in zijn hoed en zijne pruik op de punt van zijn stok.

„Wat drommel is hier te doen?” riep hij uit, haastig zijn hoofdtooi in orde brengende. „Ik ben u gevolgd, in de vrees van uw leêg, dol hoofd tegen de eene of andere rots verbrijzeld te vinden, en nu vind ik u hier, gescheiden van uw Bucephaal, en twistende met Sweepclean! Een gerechtsbode, Hector, is een erger vijand dan eene Phoca, hetzij het eene Phoca barbata, of de Phoca vitulina is van uw laatsten tweestrijd.”

„De drommel hale de Phoca, oom!” antwoordde Hector, „van welk ras ook! – Ik zeg, de drommel hale alle beide. – Gij zoudt, denk ik, niet willen hebben, dat ik hier rustig bleef staan en aanzag, hoe een schurk als deze, omdat hij zich ’s konings bode noemt (de koning heeft, hoop ik, er menigen beteren voor zijne geringste boodschappen), eene jonge dame van aanzien en stand, gelijk Freule Wardour, beleedigde?”

„Goed geredeneerd, Hector! maar de koning heeft, gelijk andere lieden, nu en dan gemeene boodschappen te doen, en (onder ons gezegd), moet hij ook gemeene kerels hebben om die te verrichten. Maar, verondersteld ook, dat gij onbekend zijt met de statuten van Koning Willem den Leeuw, waar capite quarto, versu quinto, deze misdaad van gewelddadigen weêrstand genoemd wordt despectus domini Regis, eene minachting, namelijk, van den koning, in wiens naam alle wettelijke vervolgingen geschieden, kondet gij dan niet uit hetgeen ik mij zooveel moeite gaf u vandaag in te prenten, begrijpen, dat diegenen, welke gerechtspersonen storen, die brieven van gevangenneming ten uitvoer brengen, tanquam participes criminis rebellionis zijn, daar hij, die den weêrspannige helpt, zelf quodammodo een medeweêrspannige is; – maar ik zal u uit de klem helpen.”

Hij sprak toen met den bode, die, bij zijne aankomst, alle gedachten op een buitenkansje wegens gewelddadige aanranding had laten varen, en zich tevreden stelde met de verzekering van den heer Oldbuck, dat de kar en het paard binnen den tijd van twee of drie uren behouden terug zouden zijn.

„Goed,” zei de oudheidkenner, „daar gij wel zoo beleefd wilt zijn, zult gij eene andere opdracht hebben, die u allerbest voegt, – eene kleine staatsaangelegenheid; – eene misdaad, strafbaar per legem Juliam, mijnheer Sweepclean, – hoor eens!”

Na ongeveer vijf minuten met hem afzonderlijk gesproken te hebben, gaf hij hem een stukje papier over, bij het aannemen waarvan de bode zijn paard besteeg, en, met een van zijne makkers, op snellen draf wegreed. De man, die achterbleef, scheen nu zijne werkzaamheden met opzet te vertragen, ging zeer langzaam met het verrichten van zijne ambtsbezigheden voort, en met de voorzichtigheid en nauwkeurigheid van iemand, die gevoelt dat hij nagegaan wordt door een kundigen en strengen opzichter. [286]

Terzelfder tijd bracht Oldbuck zijn neef, dien hij onder den arm nam, in huis bij Sir Arthur Wardour, die, wankelend tusschen gekwetsten trots, angst, en ijdele pogingen om beide onder eene vertooning van onverschilligheid te verbergen, een belangwekkend maar pijnlijk onderwerp voor den deelnemenden toeschouwer opleverde.

„Blijde u te zien, mijnheer Oldbuck! – altijd blijde om mijne vrienden te zien, bij goed of slecht weder,” zei de arme baronet, trachtende bedaard te schijnen, terwijl zijne gemaakte opgeruimdheid zeer streed met de zenuwachtige en driftige wijze, waarop hij zijne vrienden de hand drukte, en met de ontroering, zichtbaar in zijne geheele houding. – „Ik ben blijde u te zien. – Gij zijt komen rijden, zie ik; ik hoop dat men, in deze verwarring, goed voor uwe paarden zal gezorgd hebben: – ik ben er altijd op, gesteld, dat men de paarden van mijne vrienden goed oppast. – Maar zij zullen het nu wel gedaan hebben; want gij ziet dat zij mij waarschijnlijk geen van mijne eigene paarden zullen laten, – ha! ha! ha! mijnheer Oldbuck!”

Deze poging om te lachen ging vergezeld van een krampachtig gegrijns dat de arme Sir Arthur meende te doen doorgaan voor een onverschilligen glimlach.

„Gij weet, Sir Arthur, dat ik nooit te paard rijd,” antwoordde de oudheidkenner.

„Vergeef mij; maar ik ben zeker, dat ik uw neef te paard zag aankomen, – niet lang geleden. Voor officierspaarden moet men zorg dragen, en het zijne was zulk een fraaie schimmel, als ik er ooit een gezien heb.”

Sir Arthur ging aan de bel trekken, toen de heer Oldbuck zeide: „Mijn neef is op uw eigen schimmel gekomen, Sir Arthur!”

„De mijne!” antwoordde de baronet; „was ’t de mijne? dan moet mij de zon in de oogen geschenen hebben. – Wel, ik ben niet waard een paard te hebben, nu ik mijn eigen dier niet meer ken als ik het zie.”

„Goede Hemel!” dacht Oldbuck bij zich zelven, „hoe zeer is deze man veranderd wat de deftigheid van zijne gewone manieren betreft! – hij wordt dartel in den tegenspoed – sed pereunti mille figurae!” – Hij zeide daarop: „Sir Arthur, wij moeten noodwendig eens over zaken spreken.”

„Wel zeker,” zeide Sir Arthur; – „maar het was toch aardig, dat ik het paard niet herkende, dat ik vijf jaren lang gereden heb, – ha! ha! ha!”

„Sir Arthur,” hernam de oudheidkenner, „laat ons geen tijd verliezen die zoo kostbaar is; wij zullen, hoop ik, menige betere gelegenheid vinden om te lachen; – desipere in loco, is de regel van Horatius. – Ik vrees maar al te zeer, dat al het onheil hier door de schelmstreken van Dousterswivel bewerkt is.”

„Noem hem niet, mijnheer!” riep Sir Arthur, en zijne gemaakte vroolijkheid veranderde in razende woede; – zijne oogen vonkelden, zijn mond schuimde, zijne handen waren krampachtig gesloten; „noem zijn naam niet, mijnheer!” barstte hij hevig uit, „zoo gij mij niet wilt zien razen in uwe tegenwoordigheid! Dat ik zulk een ellendige dwaas was, – zulk een stijfhoofdige nar; – zulk een dier, ja, driemaal stommer dan een dier, om mij te laten leiden, en drijven, en aansporen door zulk een schurk, en onder zulke belachelijke voorwendsels – mijnheer Oldbuck! ik zou mij zelven kunnen verscheuren, als ik er aan denk.”

„Ik wilde slechts zeggen,” antwoordde Oldbuck, „dat deze kerel waarschijnlijk zijne belooning ontvangen zal; en ik geloof zeker, dat wij hem uit [287]vrees iets zullen doen bekennen, dat u van dienst kan zijn. – Hij heeft zeker eenige ongeoorloofde verstandhouding gehad aan den overkant van het Kanaal.”

„Heeft hij? – Heeft hij dat? – Heeft hij dat inderdaad gehad? – dan, weg met de meubels, paarden en den geheelen rommel! – Ik ga als een gelukkig man in de gevangenis, mijnheer Oldbuck! Ik hoop, bij den Hemel, dat er eenige kans is om hem te zien hangen!”

„Wel, kans genoeg,” antwoordde Oldbuck, die deze afleiding wilde te baat nemen, om, zoo mogelijk, de hevigheid der gewaarwordingen te temperen, welke den armen man van zijn verstand schenen te berooven; „er zijn eerlijker lieden dan hij aan de galg gekomen, of de gerechtigheid is deerlijk gefopt! – Maar deze uwe ongelukkige zaak – is er niets te doen? Laat mij de stukken zien!”

Hij nam de papieren, en, terwijl hij ze doorlas, betrok zijn gelaat hoe langer hoe meer. Isabella Wardour was op dat oogenblik de kamer binnen getreden, en hare oogen op den heer Oldbuck vestigende, als wilde zij haar noodlot op zijn gelaat lezen, merkte zij weldra aan de neêrslachtigheid zijner blikken en aan het zakken van zijne onderlip, hoe weinig hoop er nog was.

„Wij zijn dus onherstelbaar te grond gericht, mijnheer Oldbuck?”

„Onherstelbaar? – ik hoop van neen; – maar de tegenwoordige schuldvordering is zeer groot, en waarschijnlijk zullen er nog andere opdagen?”

„Ja, twijfel daar niet aan, Monkbarns!” zei Sir Arthur; „waar eene slachting is, daar verzamelen zich de roofvogels. – Ik ben gelijk aan een schaap, dat in een afgrond gestort, of ziek neêrgevallen is; al is er veertien dagen lang geen enkele raaf of kraai te zien geweest, zal het echter geene tien minuten op de heide gelegen hebben, of een half dozijn van die vogels zijn bezig met hem de oogen uit te pikken,” (en hij veegde met de hand over zijne eigene oogen), „en om hem het hart uit het lijf te scheuren, eer de arme drommel den tijd heeft gehad om te sterven. Maar die verwenschte gier, die zoo lang om mij heen gevlogen heeft; – gij hebt hem, hoop ik, vast?”

„Vast genoeg!” antwoordde de oudheidkenner. „Die heer wenschte zich van de vleugels van Aurora te bedienen en nam plaats in (hoe noemt gij de koets)? – met vier paarden; maar hij zou strikken gereed gevonden hebben te Edinburg. Hoe het zij, hij kwam zoo ver niet; want de koets sloeg om, – en hoe kon het goed gaan met zulk een Jonas er in? – Hij heeft een zwaren val gedaan, is in eene hut bij Kittlebrig gebracht, en, om alle mogelijkheid van te ontsnappen te voorkomen, heb ik uw vriend Sweepclean gezonden, om hem, in nomine regis, naar Fairport terug te brengen, of hem te Kittlebrig tot oppasser te dienen, naar het uitkomt. – En nu, Sir Arthur, vergun mij een paar woorden over den tegenwoordigen ongelukkigen toestand van uwe zaken, om te overwegen wat er gedaan kan worden om dien te verbeteren.” En de oudheidkenner ging vooruit naar de boekenkamer van den baronet, door den ongelukkigen edelman gevolgd.

Zij waren ongeveer twee uren te zamen gebleven, toen Isabella Wardour hen kwam storen, met haren mantel omgeslagen, als gereed om op reis te gaan. Haar gelaat was bleek, maar drukte nochtans die kalmte van ziel uit, welke haar eigen was.

„De bode is terug, mijnheer Oldbuck!”

„Wat drommel! hij heeft den kerel toch niet laten ontsnappen?” [288]

„Neen! – hij zegt dat hij hem in hechtenis genomen heeft; en nu is hij teruggekeerd, om mijn vader te vergezellen, en zegt, dat hij niet langer wachten kan.”

Op hetzelfde oogenblik werd er een luide woordentwist op de trap gehoord, waarbij de stem van Hector zich onderscheidde: „Gij, een gerechtsdienaar! en deze landloopers uw volk! op zijn best een hoop kleêrmakersknechts! – Dringt niet zoo op elkander, en wij zullen uwe wezenlijke sterkte kunnen zien!”

De knorrige stem van den gerechtsdienaar hoorde men nu een onduidelijk antwoord mompelen, waarop Hector hernam: „Kom, kom, dat gaat niet; pak u weg met uw volk, zoo als gij hen noemt, dadelijk de deur uit, of ik zal u en hen, staande voets, daarheen zenden, waar gij te huis behoort!”

„De drommel hale Hector!” riep de oudheidkenner, zich naar de plaats van den strijd spoedende: „zijn Hooglandsch bloed is weêr aan het koken, en wij zullen hem nog in een tweegevecht gewikkeld zien met den deurwaarder. – Kom, mijnheer Sweepclean, gij moet ons een oogenblikje vergunnen; – ik weet, dat gij Sir Arthur niet zoudt willen overhaasten.”

„Geenszins, mijnheer!” hernam de deurwaarder, den hoed afnemende, welken hij opgezet had, om te toonen dat hij de bedreigingen van kapitein M’Intyre trotseerde; „maar uw neef, mijnheer, voert eene zeer onbeleefde taal; ik heb het reeds lang genoeg verduurd, en ik ben niet bevoegd, om mijn gevangene langer hier te laten, volgens de instructiën, die ik ontvangen heb, tenzij ik betaling ontvang van de sommen, die hier vermeld staan.” – En hij haalde het bevel ter inhechtenisneming te voorschijn, met den ontzagwekkenden staf, dien hij in de rechterhand hield, de verschrikkelijke reeks van cijfers aanwijzende, die achter op het stuk geschreven stonden.

Hector, van zijn kant, zweeg uit eerbied voor zijn oom, maar beantwoordde die aanwijzing door zijne vuist tegen den deurwaarder te schudden met een blik, die zijne echt Hooglandsche woede uitdrukte.

„Dwaze jongen! houd u stil!” zeide Oldbuck, „en kom met mij in de kamer; – de man doet zijn ellendigen plicht, en gij zult de zaak slechts erger maken door u te verzetten. – Ik vrees, Sir Arthur, dat gij dezen man tot Fairport zult moeten vergezellen; dit is vooreerst niet te verhinderen. Ik zal met u gaan, om te overleggen, wat er verder kan gedaan worden. Mijn neef zal uwe dochter naar Monkbarns geleiden, waar ik hoop, dat zij haar verblijf zal willen nemen, tot deze onaangename zaken geregeld zijn.”

„Ik ga met mijn vader mede, mijnheer Oldbuck! Ik heb zijne kleederen en de mijne gereed gelegd. – Ik veronderstel, dat wij gebruik van het rijtuig kunnen maken?”

„Alles wat redelijk is, Freule!” zei de deurwaarder; „ik heb het besteld, en het staat voor de deur; – ik zal bij den koetsier op den bok gaan zitten, – ik verlang geenszins om mij op te dringen; maar twee van het volk moeten ons te paard vergezellen.”

„En ik zal u ook vergezellen,” zeide Hector, en hij snelde naar beneden om zich een paard te verschaffen.

„Dan moeten wij maar gaan,” zei de oudheidkenner.

„Naar de gevangenis!” zei de baronet, onwillekeurig zuchtende; „en wat beteekent dat?” hernam hij met gemaakte vroolijkheid; – „het is, in elk geval, niets meer dan een huis, waaruit men niet komen kan; – verondersteld dat ik een aanval van jicht had, dan zou Knockwinnock niets anders [289]zijn. – Wel ja, Monkbarns, wij zullen het een aanval van jicht noemen, zonder de verwenschte pijnen!”

Maar de tranen kwamen hem in de oogen, terwijl hij sprak, en zijne stamelende stem toonde genoeg, hoe veel hem deze inspanning kostte. De oudheidkenner drukte hem de hand, en gelijk de Oost-Indische Banianen, die door teekens eene gewichtige overeenkomst sluiten, terwijl zij over onverschillige zaken schijnen te spreken, gaf Sir Arthur zijn vriend, door het krampachtig beantwoorden van zijn handdruk, zijne dankbaarheid en zijn wezenlijk zielelijden te kennen. Zij gingen langzaam de prachtige trap af; – elk overbekend voorwerp deed zich aan den ongelukkigen vader en zijne dochter nu levendiger en duidelijker voor dan naar gewoonte, als om zich voor de laatste maal te dieper in hun geheugen te prenten.

Op het eerste bordes bleef Sir Arthur diep ontroerd staan, en toen hij opmerkte dat de oudheidkenner hem angstig aanzag, zeide hij met eene zekere waardigheid: „Ja, mijnheer Oldbuck, men mag het den afstammeling van een oud geslacht, – den vertegenwoordiger van Richard Roodhand en van Gamelyn de Guardover, vergeven, dat hij een zucht loost, als hij het kasteel zijner voorvaderen onder zulk geleide verlaat! Toen ik, in het jaar 1745, met mijn vader naar den Tower gezonden werd, geschiedde het ten gevolge van eene beschuldiging, die aan onze geboorte geene schande aandeed: – het was wegens hoogverraad, mijnheer Oldbuck! – Wij werden van Highgate af door een detachement van de garde begeleid, en op bevel van den minister zelven naar de gevangenis gevoerd; en zie mij nu hier, op mijn ouden dag uit mijne woning gesleept door een ellendig schepsel als dat!” (wijzende op den bode), „en voor eenige armzalige ponden, schellingen en stuivers!”

„Ten minste,” zeide Oldbuck, „hebt gij nu het gezelschap van eene geliefde en minnende dochter, en van een oprechten vriend, als ik mij zoo noemen mag; en dit mag u tot eenigen troost strekken, behalve de zekerheid dat er, in dit geval, geen hangen, doodschieten of vierendeelen te pas kan komen. – Maar ik hoor dien driftigen jongen weêr zoo luidruchtig aan den gang! Ik hoop, om God’s wil, dat hij zich niet op nieuw in moeielijkheden zal gewikkeld hebben! – Het was een verwenscht toeval, dat hem hier bracht!”

Inderdaad, een plotseling geschreeuw, waarbij de harde stem met den eenigszins Noordschen tongval van Hector zich weêr boven alles verhief, brak dit gesprek af. De oorzaak er van zullen wij in het volgende hoofdstuk mededeelen. [290]

[Inhoud]

Drieënveertigste Hoofdstuk

De fortuin, zegt ge, ontvliedt ons. – Zij draait slechts,

Gelijk de zeevogel om ’s vogelaars boot, –

Straks verloren in den mist, straks daarop

Rakende ’t witte zeil met lichte vleugels,

Trotseerende het schot. – De ondervinding waakt,

En houdt haar op het draaiend rad. –

Oud tooneelstuk.

De triomfkreet was in Hector’s oorlogzuchtigen toon niet licht te onderscheiden van dien van den aanval. Maar toen hij de trap op kwam stuiven met een pak in de hand, uitroepende: „Leve een oud soldaat! hier komt Adam met een heelen zak vol goed nieuws!” werd het duidelijk, dat de tegenwoordige oorzaak van het rumoer van aangenamen aard was. Hij gaf den brief over aan Oldbuck, schudde Sir Arthur hartelijk de hand, en wenschte Isabella Wardour geluk met al de hartelijkheid van een Hooglander. De deurwaarder, die eene soort van natuurlijken schrik voor kapitein M’Intyre had, voegde zich bij zijn gevangene, en sloeg met bezorgdheid al de bewegingen van den krijgsman gade.

„Verbeeld u niet, ellendeling, dat ik mij met u bemoeien zal!” riep deze „daar is eene guinje voor den schrik, dien ik u aangejaagd heb; en hier komt een oud soldaat van het 42ste regiment aan, die eene geschikter partij voor u is, dan ik.”

De gerechtsbode (een van die honden, welke ook den vuilsten brok gretig inslokken) ving de guinje op, die Hector hem toewierp, en wachtte voorzichtig en bezorgd den keer af, welken de zaken nu namen. Alle stemmen waren intusschen luide in vragen, waarop niemand zich haastte te antwoorden.

„Wat is er te doen, kapitein M’Intyre?” vroeg Sir Arthur.

„Vraag het den ouden Adam,” antwoordde Hector; „ik weet alleen, dat alles weder in orde is.”

„Wat beteekent dit, Adam?” vroeg Isabella Wardour aan den bedelaar.

„Gij moet het Monkbarns vragen, Freule; want hij heeft de brieven.

„Leve de Koning!” riep de oudheidkenner uit, na den inhoud van het pakje eventjes ingezien te hebben, en hij smeet, in zijne opgewondenheid zijn gevoel van betamelijkheid, zijne wijsbegeerte en zijn phlegma vergetende, zijn opgetoomden hoed in de lucht, waaruit hij niet terugkeerde, daar hij in den val aan een arm van een kandelaar bleef hangen. Daarna, vroolijk rondziende, greep hij zijne pruik, die waarschijnlijk den hoed zou zijn nagezonden, als Adam zijne hand niet tegengehouden had, uitroepende: „Om ’s hemels wil! hij is gek geworden! – Bedenk dat Caxon niet hier is, om de schade te herstellen!”

Iedereen drong er nu bij den oudheidkenner op aan, om de oorzaak te weten van zulk een schielijken overgang, toen hij, eenigszins beschaamd over zijne verrukking, kortaf, gelijk een vos op het geblaf der jachthonden, rechtsomkeert maakte en de trap, twee treden tegelijk opklimmende, naar het [291]bovenste bordes week, waar hij zich omkeerde, en de verwonderde toehoorders aldus aansprak:

„Mijne vrienden! favete linguis! – Om u bericht te geven, moet ik volgens de regels der logica, het eerst zelf gekregen hebben en dus zal ik mij, met uw verlof, in de boekenkamer begeven, om deze papieren te onderzoeken. – Sir Arthur en Freule Wardour zullen de goedheid hebben van in de zaal te gaan. – Mijnheer Sweepclean, secede paulisper! of, in uwe eigene taal: vergun ons een uitstel van vijf minuten. – Hector, trek af met uwe macht, en laat uwe krijgstrompet elders weêrgalmen. – En, eindelijk, zijt allen goedsmoeds tot ik terugkom, wat instanter zal zijn.”

De inhoud van het pakje was inderdaad zoo verrassend, dat men den oudheidkenner zoowel zijne verrukking als zijne begeerte vergeven mag, om de mededeeling van alles uit te stellen tot hij het zelf behoorlijk nagegaan en begrepen had.

In het couvert was een brief, gericht aan den Heer Jonathan Oldbuck, van Monkbarns, luidende als volgt:

„Waarde Heer! – Aan u, als aan een beproefden en waardigen vriend van mijn vader, waag ik het mij te wenden, daar ik door dienstzaken, welke geen uitstel lijden, niet van hier kan. Gij moet thans bekend zijn met den ongelukkigen toestand van onze zaken; en gij zult, dat weet ik zeker, met genoegen vernemen, dat ik mij gelukkig en zeer onverwacht in de gelegenheid gesteld zie, om alles te verhelpen. Ik verneem dat Sir Arthur strenge maatregelen te duchten heeft, welke lieden, die vroeger zijne zaakgelastigden geweest zijn, tegen hem genomen hebben; en, op den raad van een zeer geachten zaakwaarnemer hier, heb ik mij voorzien van inliggend schrijven, hetwelk ik vertrouw, de procedures staken zal, tot alle schuldvorderingen wettelijk zullen onderzocht en tot de wezenlijke waarde teruggebracht zijn. Ik sluit hierbij tevens eenige banknoten in, te zamen ter waarde van duizend pond sterling, om in de dringendste vorderingen te voorzien, en verzoek u, als vriend, om ze daartoe, naar uw oordeel, aan te wenden. Gij zult verwonderd zijn, dat ik deze moeite van u verg, en het zou u natuurlijker schijnen, dat ik aan mijn vader over zijne eigene zaken schreef. Maar ik heb tot nog toe de zekerheid niet verkregen, dat zijne oogen geopend zijn omtrent het karakter van zekeren persoon, voor wien ik weet, dat gij hem dikwijls gewaarschuwd hebt, en wiens noodlottige invloed de oorzaak is van de tegenwoordige rampen. En, daar ik de middelen om Sir Arthur te redden verschuldigd ben aan de edelmoedigheid van een onvergelijkelijken vriend, is het mijn plicht, om de zekerste maatregelen te nemen tot bereiking van het oogmerk, waartoe ze bestemd zijn, en ik ben overtuigd, dat uw doorzicht en uwe vriendschap daarvoor zorgen zullen. Mijn vriend, die u hoog schat, wenscht u zijne eigene gevoelens in den ingesloten brief te ontvouwen. Daar de staat van het postwezen te Fairport algemeen bekend is, moet ik dezen op Tannonburgh richten; maar de oude Ochiltree, dien bijzondere omstandigheden als vertrouwenswaardig aanbevelen, heeft tijding ontvangen, wanneer dit pakje op laatstgenoemde plaats zal aankomen, en zal voor de verdere, spoedige terhandstelling zorgen. Ik verwacht weldra in de gelegenheid te zijn, om mij in persoon te verontschuldigen wegens de moeite, die ik u veroorzaak, en heb de eer te zijn uw zeer toegenegen dienaar en vriend, – Reginald Gamelyn Wardour. Edinburg den 6den Augustus 179–.”

[292]

De oudheidkenner verbrak haastig het lak van het ingeslotene, welks inhoud hem evenzeer verraste en verheugde. Zoodra hij zich eenigermate hersteld had na het lezen van de onverwachte tijdingen, onderzocht hij zorgvuldig de overige papieren, welke alle betrekking hadden op zaken; – hij stak de banknoten en brieven in zijn zakboek, en schreef eene korte kwitantie, om met omgaande post verzonden te worden, – want hij was buitengemeen ordelijk in geldzaken, – en eindelijk, uitgerust met al het gewicht zijner tijdingen, ging hij de trap af naar de zaal.

„Sweepclean!” zeide hij, toen hij in de kamer trad, tot dien ambtenaar, die eerbiedig aan de deur stond, „Sweepclean! gij moet u uit het kasteel Knockwinnock wegpakken met al uw gevolg, zak en pak! Ziet gij dit papier, man?”

„Een bevel ter opschorting van verdere proceduren,” zei de deurwaarder met een teleurgesteld gelaat; „ik dacht wel dat het moeielijk zou gaan, het tot het uiterste te drijven met zulk een heer als Sir Arthur. Wel, mijnheer, ik zal met mijn volk optrekken. – En wie zal mij betalen?”

„Zij, die u hierheen zonden,” antwoordde Oldbuck, „zoo als gij zeer wel weet. – Maar zie hier eene andere expresse; dit is, dunkt mij, een dag van verrassingen!”

Het was de heer Mailsetter op zijne merrie, van Fairport komende met een brief voor Sir Arthur, en een anderen voor den deurwaarder, welke beide brieven, zoo als hij zeide, dadelijk besteld moesten worden. De deurwaarder opende den zijnen, met de aanmerking dat Greenhorn en Grinderson goed waren voor zijne onkosten, en dat het een brief van hen was, waarbij hij verzocht werd, om alle vervolgingen te staken. Dienovereenkomstig verliet hij dadelijk het vertrek, en vertoefde niet langer dan noodig was om zijn volk bijeen te brengen, waarna hij, volgens de uitdrukking van Hector, die zijn vertrek gadesloeg, even als een knorrende bulhond den aftocht van een afgewezen bedelaar waarneemt, het bezette land ontruimde.

De brief aan Sir Arthur was van den heer Greenhorn, en eene zeldzaamheid in zijne soort. Wij deelen dien mede, met de aanmerkingen van den waardigen baronet.

„Mijnheer! – (o! ik heet niet meer waarde heer; men is de heeren Greenhorn en Grinderson alleen waard, als men in tegenspoed is), – Mijnheer, het spijt mij zeer te vernemen bij mijne terugkomst van buiten, waarheen mij zaken van belang geroepen hadden,” (waarschijnlijk de wedrennen) „dat mijn compagnon de lompheid heeft gehad, om, in mijne afwezigheid, de belangen van de heeren Goldiebird te behartigen bij voorkeur boven de uwe, en u op eene onbetamelijke wijze daarover te schrijven. Ik verzoek u mijne nederigste verontschuldigingen aan te nemen, zoo wel als die van den heer Grinderson” – (kom, ik zie dat hij ook schrijven kan voor zich zelven en voor zijn compagnon), – „en ik vertrouw, dat gij mij niet zult kunnen in staat achten te vergeten, of met ondankbaarheid te vergelden de bescherming, welke mijne familie” (zijne familie! die vervloekte kwast!) „altijd genoten heeft van die van Knockwinnock. Het doet mij leed, uit een gesprek, hetwelk ik dezer dagen met den heer Wardour had, te vernemen, dat hij zeer gebelgd is, en ik moet bekennen, met eenigen schijn van recht. Maar ten einde, zoo veel als in mijne macht is, het misverstand te herstellen, waarover hij klaagt,” (een fraai misverstand, om zijn beschermer in de gevangenis te stoppen!) „heb ik deze expresse afgezonden om alle procedures te staken, en tegelijk mijne meest eerbiedige verontschuldigingen [293]over te brengen. Ik heb er alleen nog bij te voegen, dat de heer Grinderson van gevoelen is, dat, als hij in uw vertrouwen hersteld is, hij omstandigheden zou kunnen opgeven, die betrekking hebben op de tegenwoordige schuldvordering van de heeren Goldiebird, en welke het bedrag daarvan zeer verminderen zouden,” (zoo! zoo! bereid, om den schurk van weerskanten te spelen!) „en dat er volstrekt geene haast bij is, om het saldo der rekening met ons te sluiten; terwijl ik ben, zoo wel voor den heer G. als voor mij zelven, Waarde Heer! (o ja, al schrijvende is hij gemeenzaam geworden!), „uw zeer verplichte en zeer nederige dienaar, Gilbert Greenhorn.

„Goed geschreven, mijnheer Gilbert Greenhorn!” zei Monkbarns. „Ik zie nu dat het zijn nut heeft, twee zaakwaarnemers in ééne firma te hebben. Hunne bewegingen gelijken op die van het mannetje en het vrouwtje in een poppenhuisje. Als het fraai weêr is bij degenen, welke zij bedienen, draait de heer compagnon vooruit om te kwispelstaarten als een schoothondje; is het weêr slecht, fluks verschijnt de kwaadaardige broeder, om aan te vallen als een bulhond. – Wel, ik dank den hemel, dat mijn zaakwaarnemer steeds een opgetoomden hoed draagt, een huis in de oude stad heeft, zoo bang voor een paard is als ik zelf ben, Zaterdags in de kolfbaan gaat, Zondags naar de kerk, en, geen compagnon hebbende, slechts zijne eigene dwaasheden behoeft goed te maken.”

„Men vindt toch eenige pennelikkers, die zeer brave kerels zijn,” zeide Hector; „ik zou wel eens iemand willen hooren zeggen dat mijn neef, Donald M’Intyre, de zevende zoon van Strathtudlem, (de andere zes zijn in dienst), geen eerlijke kerel was!”

„Zonder twijfel, zonder twijfel, Hector! dat zijn al de M’Intyres; – zij hebben dat bij ingeving, man! Maar, ik wilde zeggen dat in een beroep, waarmede noodwendig een onbegrensd vertrouwen gepaard gaat, het niet te verwonderen is, dat er dwazen zijn, die het in hunne lichtzinnigheid verwaarloozen, en bedriegers, die het in hunne slechtheid misbruiken. – Maar des te grooter eer is het voor degenen, en ik wil er voor menigeen instaan, die rechtschapen eerlijkheid met kunde vereenigen, en eerlijk en kordaat hunne zaken verrichten, terwijl er zoo vele strikken en struikelbokken zijn voor mannen van een minder vast karakter. Aan de eerstgemelden mogen hunne medeburgers veilig de zorg en bescherming van hunne rechten toevertrouwen, en hun vaderland de meer heilige bewaking van zijne wetten en voorrechten.”

„Zij zijn er nochtans het beste aan toe, die er het minste meê te doen hebben,” zeide Ochiltree, die het hoofd om de deur gestoken had; want, in de algemeene verwarring van het huisgezin waren de dienstboden, gelijk de golven als de orkaan voorbij is, nog niet binnen de juiste palen teruggekeerd, maar doorkruisten het huis in alle richtingen.

„Aha, getrouwe! zijt gij daar?” zei de oudheidkenner. „Sir Arthur! vergun mij dat ik den geluksbode binnen brenge, ofschoon hij slechts een lamme bode is. Gij spraakt van de roofvogels, die den slag van verre ruiken; maar hier is eene blauwe duif, (wel van de oudste en taaiste, dat beken ik), die het goede nieuws zes of zeven mijlen ver bespeurde, in de kar daarheen vloog, en met den olijftak terugkeerde.”

„Gij hebt dat den armen Robert te danken, die mij reed, – de arme schelm!” zei de bedelaar; „hij vreest, dat hij in ongenade bij de Freule en Sir Arthur is.” [294]

Men zag het berouwvol en verlegen gelaat van Robert over den schouder van den bedelaar.

„In ongenade bij mij?” vroeg Sir Arthur; – „hoe zoo?” – want hij was reeds lang vergeten, hoe hij zich over het geroosterd brood driftig gemaakt had. – „O, nu herinner ik mij – Robert! ik had mij boos gemaakt, en gij hadt ongelijk; – ga naar uw werk, en antwoord nooit een meester, die in drift tot u spreekt.”

„En evenmin iemand anders,” zei de oudheidkenner; „want een zacht antwoord verdrijft de gramschap.”

„En zeg uwe moeder, die zoo met de jicht geplaagd is, dat zij morgen bij de huishoudster moet komen,” zeide Isabella Wardour, „en wij zullen zien, wat er voor haar gedaan kan worden.”

„God zegene u,” zei de arme Robert, „en Sir Arthur, en den jongen heer, en het huis van Knockwinnock in al zijne vertakkingen; – het is altijd een goed huis voor de armen geweest, – al vele honderd jaren lang.”

„Daar!” zei de oudheidkenner tegen Sir Arthur, – „wij willen geen twist maken; – maar daar ziet gij, hoe de dankbaarheid van de arme lieden zich natuurlijk wendt tot de burgerlijke deugden van uw geslacht. Gij hoort hen niet spreken van Roodhand of van Hel in het Harnas. Ik voor mij, ik moet zeggen: Odi accipitrem qui semper vivit in armis, – laat ons dus in vrede eten en drinken en vroolijk zijn, heer ridder!”

Weldra was er eene tafel in de zaal gedekt, waaraan het opgeruimd gezelschap plaats nam, om eenige ververschingen te gebruiken. Op het verzoek van Oldbuck werd aan Ochiltree vergund, bij het buffet te zitten op een grooten, lederen stoel, gedeeltelijk achter een scherm verborgen.

„Ik sta dit te gereeder toe,” zeide Sir Arthur, „omdat ik mij herinner, dat in de dagen van mijn vader deze stoel toebehoorde aan Ailshie Courlay, die, voor zoo ver ik weet, de laatste nar was, die bij eenige aanzienlijke familie in Schotland gehouden werd.”

„Wel, Sir Arthur,” antwoordde de bedelaar, die nooit een oogenblik aarzelde tusschen zijn vriend en zijne scherts, „menig verstandig man zit nu op den stoel van een dwaas, en menige dwaas op dien van een verstandig man, vooral in familiën van aanzien.”

Isabella Wardour, vreezende voor de uitwerking, welke dit gezegde (hoezeer ook Ailshie Courlay of iederen anderen bevoorrechten nar waardig) zou kunnen hebben op het zenuwgestel van haren vader, haastte zich te vragen, of men geen bier en rundvleesch zou uitdeelen aan de dienstboden en aan het volk, dat het nieuws om het kasteel verzameld had.

„Zeker, mijn lieve!” zeide haar vader; „wanneer ging men ooit anders in ons geslacht te werk, na het opheffen van een beleg?”

„Ja, een beleg, ondernomen door Saunders Sweepclean den deurwaarder, en opgebroken door Adam Ochiltree den ouden bedelaar: – par nobile fratrum!” zeide Oldbuck, „en wel geschikt voor elkander ten aanzien van stand! Maar bekommer u daar niet om, Sir Arthur! – dat zijn van die belegeringen en ontzetten, welke onze tijden medebrengen; – en onze verlossing is daarom niet minder waard om gevierd te worden met een glas van dezen voortreffelijken wijn. Op mijn woord, het is Bourgonje, geloof ik.”

„Als er iets beters in den kelder ware,” zeide Isabella Wardour, „zou het toch te gering zijn om u te onthalen, na uwe vriendelijke bemoeiingen.”

„Zegt gij dat?” zei de oudheidkenner. – „Welaan dan, eene teug van dankzegging zij u toegebracht, mijne schoone vijandin! en dat gij weldra [295]moogt belegerd worden op de wijze, die de dames het liefst hebben, en dat gij de capitulatie moogt teekenen in de kapel van Sint-Winnox.”

Isabella Wardour bloosde, Hector ook, en werd daarop bleek.

Sir Arthur antwoordde: „Mijne dochter is u zeer verplicht, Monkbarns, maar, tenzij gij haar zelf wilt nemen, weet ik inderdaad niet, hoe de dochter van een armen baronet een man zou vinden in deze baatzuchtige tijden.”

„Ik, Sir Arthur? – Neen, ik niet; ik wil het voorrecht inroepen van het tweegevecht, en, als zelf onbekwaam zijnde om mijne schoone tegenpartij te ontmoeten, zal ik door een kampvechter verschijnen; – maar hierover een andermaal! – Wat vindt gij in die nieuwspapieren, Hector, dat gij er met uw hoofd op ligt, alsof uw neus bloedde?”

„Niets bijzonders, oom, dan dat ik, daar mijn arm nu bijna geheel hersteld is, u binnen een dag of twee van mijn gezelschap denk te verlossen en naar Edinburg te gaan. Ik zie, Majoor Neville is daar aangekomen; – ik wilde hem gaarne ontmoeten.”

„De majoor – wie?”

„De majoor Neville, oom!”

„En wie drommel is de majoor Neville?”

„O, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „gij moet u herinneren zijn naam dikwijls in de dagbladen gelezen te hebben; – een zeer uitmuntend jong officier. Maar het is mij een genoegen te kunnen zeggen, dat de heer M’Intyre Monkbarns niet behoeft te verlaten om hem te zien; want mijn zoon schrijft mij dat de majoor met hem op Knockwinnock zal komen, en ik behoef er niet bij te voegen, hoe gelukkig ik mij achten zal, de heeren met elkander bekend te maken, bijaldien zij elkander niet reeds kennen.”

„Neen, persoonlijk niet,” antwoordde Hector; „maar ik ben in de gelegenheid geweest zeer veel van hem te hooren, en wij hebben vele gemeenschappelijke vrienden, van wie uw zoon er één is. – Maar ik moet gaan, want ik zie dat mijn oom mij begint moede te worden, en ik ben bang, –”

„Dat gij zelf hem moede zult worden?” viel Oldbuck in. – „Ik vrees, dat er geen bidden meer helpen zal. Maar gij hebt vergeten dat de heerlijke twaalfde Augustus nadert, en dat gij afgesproken hebt, om één van Lord Glenallans jachtopzieners, de hemel weet waar, te ontmoeten, ten einde de vreedzame vogels te vervolgen.”

„Dat is zoo, dat is zoo, oom! – ik dacht er niet om,” riep de lichtzinnige Hector. – „Maar gij zeidet daar juist iets, dat mij alles deed vergeten.”

„En, met verlof van de heeren,” zei de oude Adam, zijn grijs hoofd van achter het scherm uitstekende, waar hij zich volop met bier en koud vleesch te goed gedaan had, – „en, met verlof van de heeren, ik kan u iets vertellen, wat den kapitein bij ons zal houden, evenzeer als de jacht. – Hebt gij niet gehoord dat de Franschen komen?”

„De Franschen, domkop?” antwoordde Oldbuck, „bah!”

„Ik heb den tijd niet gehad,” zeide Sir Arthur Wardour, „om mijne officiëele briefwisseling deze week in te zien. – Inderdaad, over het algemeen heb ik mij tot regel gemaakt, om die alleen ’s Woensdags te lezen, uitgezonderd in dringende gevallen, want ik doe alles stelselmatig; – maar met een enkelen blik dien ik in mijne brieven sloeg, merkte ik, dat er eenige ongerustheid daaromtrent gekoesterd werd.”

„Ongerustheid?” zeide Adam, – „zeker is er ongerustheid; want de provoost heeft bevolen, dat de brandstoffen tot het alarmvuur op het Halket-head, (die reeds voor een halfjaar hadden moeten gereed zijn,) in aller ijl [296]zouden worden klaar gemaakt, en de Raad heeft niemand anders dan den ouden Caxon zelven benoemd om er het opzicht over te hebben. Sommigen zeggen dat deze benoeming geschied is uit beleefdheid jegens den Luitenant Taffril; want het is zeker, dat hij met Jenny Caxon trouwen zal; – sommigen zeggen dat het is, om u en Monkbarns te behagen, die zijne pruiken dragen, – en sommigen zeggen dat er een oud historietje bij is van eene pruik, welke een van de raadsleden heeft laten maken, en die nooit betaald is geworden. – Hoe het zij, daar zit hij nu als een vogel op den top van de klip, om te krassen als er slecht weêr opkomt.”

„Op mijn woord, een fraaie wachter!” zeide Monkbarns; „en wat zal er in al dien tusschentijd van mijne pruik worden?”

„Ik heb Caxon dezelfde vraag gedaan,” antwoordde Ochiltree, „en hij zeide mij, dat hij er elken morgen naar kon komen zien en ze eventjes opmaken, vóórdat hij naar bed ging, want er is iemand anders, om over dag de wacht te houden; en Caxon zegt, dat hij de pruik van mijnheer even goed slapende als wakende opmaken kan.”

Dit nieuws gaf eene andere wending aan het gesprek, dat nu liep over de nationale verdediging en den plicht om voor het land te strijden, waarin men woont; dit duurde tot het tijd werd om te scheiden. De oudheidkenner en zijn neef begonnen hunne wandeling huiswaarts, nadat zij afscheid genomen hadden van de bewoners van Knockwinnock met de hartelijkste uitdrukkingen van wederkeerige achting, en met de afspraak om elkander zoodra mogelijk weêr te zien.

[Inhoud]

Vierenveertigste Hoofdstuk

Neen, zoo zij mij niet bemint, verlang ik haar niet;

Zal ik wegkwijnen, omdat zij weelderig bloeit?

Zuchten omdat zij lacht, – glimlacht tegen anderen?

Ik niet, bij den Hemel! Mijn rust is mij te waard,

Om die, gelijk de pluimen op haar hoofd,

Te laten verstoren door hare grillen.

Oud tooneelspel.

„Hector!” zeide zijn oom tegen kapitein M’Intyre op hunne wandeling, huiswaarts, „ik betrap me somtijds op het vermoeden, dat gij, in één opzicht, een dwaas zijt.”

„Als gij dit slechts in één opzicht gelooft, oom, ben ik zeker dat gij mij genadiger behandelt, dan ik verwachtte of verdiende.”

„Ik meen in ééne bijzonderheid, par excellence,” hernam de oudheidkenner; „ik verbeeld me soms, dat gij een oog hebt laten vallen op Isabella Wardour.” [297]

„Wel, oom!”

„Wel, nu! De drommel hale hem, de knaap antwoordt mij, alsof het de verstandigste zaak ter wereld was, dat hij, een kapitein bij het leger en anders niets, de dochter van een baronet zou willen trouwen!”

„Ik heb de verwaandheid te gelooven, oom, dat het freule Wardour niet vernederen zou, wat de familie betreft.”

„De Hemel beware ons van op dit stuk te komen! – neen, neen, beiden gelijk; beiden op den top van den berg van Heidenschen adeldom, en gerechtigd om uit de hoogte neder te zien op elken roturier in Schotland!”

„En in vermogen zijn wij ook tamelijk gelijk, daar wij geen van beiden iets hebben,” vervolgde Hector. „Het is mogelijk dat ik dwaal; maar van verwaandheid mag ik niet beschuldigd worden.”

„Daarin dan bestaat uwe dwaling, dewijl gij het zoo noemt,” antwoordde zijn oom, „dat zij u niet hebben wil, Hector!”

„Inderdaad niet, oom?”

„Zeer zeker, Hector! en om het dubbel zeker te maken, moet ik u zeggen dat zij iemand anders bemint. Zij begreep eens eenige woorden, die ik haar zeide, verkeerd, en sedert heb ik den zin kunnen gissen, dien zij er aan gaf. Op het oogenblik zelf kon ik mij geene reden geven van hare ontroering en haar blozen; maar nu, mijn arme Hector, duidt het mij den dood aan van uw wenschen en hopen. – Ik raad u dus, om den aftocht te blazen en met al uwe strijdkrachten af te trekken; want de sterkte is te goed bemand, dan dat gij die zoudt kunnen bestormen.”

„Ik ben niet in de noodzakelijkheid, oom, van een aftocht te blazen,” zeide Hector, zich zeer recht houdende, en met eene soort van misnoegde en beleedigde deftigheid voortstappende; „de man, die nooit voorwaarts rukte, behoeft zich ook niet terug te trekken. Er zijn vrouwen genoeg in Schotland van goede familie, behalve freule Wardour –”

„En van beteren smaak ook,” zeide zijn oom; „zonder twijfel zijn er die, Hector; en, ofschoon ik niet anders zeggen kan dan dat zij eene van de liefste en verstandigste meisjes is, die ik ooit gezien heb, geloof ik echter, dat vele van hare verdiensten aan u zouden verspild zijn. Eene in het oog vallende figuur, met twee bonte pluimen op het hoofd, – de eene groen de andere blauw; die een rijkleed zou willen dragen van de kleuren van het regiment, den éénen dag een rijtuig mennen en den volgenden dag het regiment in oogenschouw nemen op den grijzen, dampigen hit, welke de wagen trok, hoc erat in votis. – Dit zijn de hoedanigheden, die u treffen zouden voornamelijk als zij eenigen smaak in de natuurlijke historie had, en van eene phoca hield!”

„Het is wel hard, oom, dat ik bij elke gelegenheid dien verwenschten zeehond naar mijne ooren moet krijgen; – maar ik geef er niet om, – en ik zal niet treuren om Freule Wardour. Zij kan kiezen, wien zij wil, en ik wensch haar alle mogelijk geluk!”

„Grootmoedig besloten, gij steun van Troje! Wel Hector! ik zag een tooneel te gemoet; – uwe zuster zeide mij, dat gij op Isabella Wardour wanhopig verliefd waart!”

„Oom! gij zoudt mij niet wanhopig verliefd willen zien op een meisje, dat mij niet hebben wil?”

„Wel, neef!” zei de oudheidkenner ernstiger; „er is zeer veel gezond verstand in hetgeen gij zegt; en ik zou voor twintig of vijf-en-twintig jaren, heel wat gegeven hebben, om zoo te kunnen denken als gij nu doet.” [298]

„Een ieder, veronderstel ik, kan over dergelijke onderwerpen denken zoo als hem goeddunkt,” antwoordde Hector.

„Niet volgens de leer der oude school,” zeide Oldbuck; „maar, zoo als ik u te voren zeide, de hedendaagsche handelwijze schijnt in dit geval de voorzichtigste, ofschoon, dunkt mij, niet juist de meest belangwekkende. – Maar zeg mij nu uwe gedachten over het gerucht van een inval. – Men wil nog steeds, dat zij komen?”

Hector, den spijt verkroppende, dien hij, uit vrees voor den spot van zijn oom, zoo zorgvuldig mogelijk trachtte te verbergen, liet zich gereedelijk in een gesprek in, dat de gedachten van den oudheidkenner van Isabella Wardour en den zeehond afleidde. Dus bereikten zij Monkbarns, en daar werd ook het teedere onderwerp vergeten bij het verhaal, dat men aan de dames te doen had, van hetgeen er op het kasteel was voorgevallen, en het tegenbericht, dat men moest aanhooren, van hoe lang het vrouwvolkje gewacht had, eer zij, in de afwezigheid van den oudheidkenner, het gewaagd hadden aan tafel te gaan.

Den volgenden morgen stond Oldbuck vroegtijdig op, en daar Caxon nog niet verschenen was, begon hij innerlijk het gemis te voelen van het nieuws en de loopende praatjes, waarvan de oude kapper een getrouwe overbrenger was, en die hem door gewoonte even noodzakelijk geworden waren als het snuifje, dat hij van tijd tot tijd nam, ofschoon hij volhield, dat hij aan beide evenveel, en niet meer waarde dan ze verdienden, toekende. Het onaangenaam gevoel der leêgte bij eene dergelijke ontbering natuurlijk, werd verlicht door de verschijning van Adam Ochiltree, die langs de geschorene iepenboomen en palmheggen slenterde, als iemand, die geheel en al op Monkbarns te huis behoorde. En zoo gemeenzaam was hij inderdaad in de laatste dagen geworden, dat Juno zelfs hem niet aanblafte, maar zich vergenoegde met hem nauwkeurig en waakzaam in het oog te houden. Onze oudheidkenner stapte in zijne kamerjapon naar buiten en ontving en beantwoordde dadelijk zijn groet.

„Zij komen nu in goeden ernst, Monkbarns! – Ik kom van Fairport om u dit nieuws te brengen, en ga dan weer terug. – De Search is op de ree, en de Fransche vloot, zeggen ze, heeft jacht op haar gemaakt.”

„De Search?” zeide Oldbuck, zich een oogenblik bedenkende. „Zoo!”

„Ja, ja, kapitein Taffril’s brik, de Search.”

„Wat! is die verwant met Search N°. 2?” riep de oudheidkenner, zich den naam op het deksel van de geheimzinnige kist vol zilver herinnerende.

De bedelaar hield, gelijk iemand die op eene snakerij betrapt wordt, de pet voor het gezicht, maar kon zich niet weêrhouden van hartelijk te lachen. „Gij zijt maar al te slim, Monkbarns! men behoeft u niet te vertellen dat twee maal twee vier is. – Wie had kunnen denken, dat gij dit en dat zoudt hebben kunnen rijmen? – Daar ben ik er nu ingeloopen!”

„Ik zie het alles,” zeide Oldbuck, „zoo duidelijk, als het randschrift van een goed bewaard muntstuk! – De kist, waarin de zilveren staven gevonden werden, behoorde aan de oorlogsbrik, en de schat aan mijn feniks?” (Adam knikte van ja.) – „En werd daar begraven met het doel om Sir Arthur uit zijne verlegenheid te redden?”

„Door mij,” zeide Adam, „en twee matrozen van de brik; – maar zij wisten niet wat er in de kist zat, en zij dachten dat het eene kleine smokkelpartij was waarbij de kapitein belang had. Ik waakte dag en nacht, tot ik het in de rechte handen zag; en toen ik daarop dien drommelschen landlooper naar het deksel zag staren, als een hond naar de plaats waar het [299]wild gelegen heeft, gaf mij, denk ik, de duivel in, om hem ginds die poets te spelen. – Nu ziet gij dat, als ik iets meer of minder aan den Baljuw Littlejohn gezegd had, de geheele historie zou hebben moeten uitlekken; en dat zou den heer Lovel gespeten hebben, – en daarom dacht ik, wil ik veel liever alles afwachten, wat er van kome.”

„Ik moet zeggen dat zijne keuze van een vertrouweling goed, ofschoon eenigszins vreemd was.”

„Ik kan van mij zelven verklaren, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar, „dat ik de geschiktste man ben in het geheele land, om geld aan toe te vertrouwen; want ik behoef het niet, en verlang het niet, en zou het niet kunnen gebruiken als ik het had. Maar de jongen had niet veel keus; want hij dacht dat hij het land voor altijd ging verlaten, (ik hoop, dat hij zich vergist heeft,) en het was reeds nacht, toen wij, door een vreemd toeval, de verlegenheid van Sir Arthur vernamen, en Lovel moest met den dageraad aan boord zijn. Maar vijf nachten daarna liep de brik weêr binnen, en ik ontmoette de boot volgens afspraak, en wij begroeven den schat, waar gij hem gevonden hebt.”

„Het was een zeer romantisch en dwaas stuk!” hernam Oldbuck „Waarom mij niet, of eenigen anderen vriend in zijn vertrouwen genomen?”

„Het bloed van uw zusters zoon lag op zijn geweten, en misschien zijn dood; – hoe weinig tijd had hij om raad in te winnen? – of hoe kon hij hem van u vragen – en door wien?”

„Gij hebt gelijk. – Maar hoe, als Dousterswivel u vóór geweest ware?”

„Er was weinig vrees, dat hij zonder Sir Arthur komen zou; – hij had den vorigen nacht een geduchten schrik gehad, en zou de plaats nooit meer genaderd zijn, zoo hij er niet toe was genoodzaakt. Hij wist zeer goed dat, wat de eerste maal gevonden werd, door hemzelven daar verstopt was, en hoe kon hij verwachten op dezelfde plaats iets meer te vinden? Hij had het maar gedaan om Sir Arthur nog meer te plukken.”

„Maar hoe,” zeide Oldbuck, „zou Sir Arthur anders daarheen gekomen zijn, als de goudzoeker hem er niet gebracht had?”

„O!” antwoordde Adam droogjes, „ik had eene historie omtrent Misticot, die hem, of u, veertig mijlen ver zou gebracht hebben. Daarbij was het te denken, dat hij zich de moeite zou geven, om de plaats te onderzoeken, waar hij het geld gevonden had; – hij wist het fijne van dat stukje niet. In ’t kort, daar het zilver in staven, Sir Arthur in de uiterste verlegenheid was, en Lovel besloten had dat hij nooit de hand zou kennen, die hem hielp, – want daar stond hij op, – konden wij geen beter middel bedenken, om hem den schat in handen te spelen, hoe wij er ook over tobden. En, als door eenig toeval Dousterswivel zijne klauwen er aan geslagen had, zou ik dadelijk u of den Sheriff van de geheele historie kennis hebben gegeven.”

„Wel, in weêrwil van al deze wijze voorzorgen, geloof ik, Adam, dat uw plan beter gelukt is dan het verdiende. Maar hoe drommel kwam Lovel aan zulk eene menigte zilveren staven?”

„Dat is juist, wat ik niet zeggen kan; – maar zij werden waarschijnlijk met zijne goederen te Fairport aan boord gebracht, en wij deden ze in eene der ammunitiekisten van de brik, om ze te verbergen en om ze gemakkelijk te vervoeren.”

„Goede hemel!” zeide Oldbuck, zijne eerste kennismaking met Lovel herdenkende, „en voor dezen jongen, die dus honderden te verspillen heeft, moest ik de vertering van het veer betalen! Nooit meer betaal ik de vertering [300]voor iemand, wie het ook zij; – dat is uitgemaakt! – En gij waart steeds in briefwisseling met Lovel, veronderstel ik?”

„Ik kreeg juist één stukje papier van hem, om te zeggen, dat er gisteren een pakje te Tannonburgh zou zijn met brieven van groot gewicht voor de familie van Knockwinnock; want zij vreesden het openen der brieven te Fairport. – En dat was goed, want ik hoor dat jufvrouw Mailsetter haar post kwijt raakt, omdat zij de zaken van anderen bespiedt en hare eigene verwaarloost.”

„En wat verwacht gij nu, Adam, voor uwe hulp als raadsman en bode, als wachter en vertrouweling in al deze bedrijven?”

„Wel, wat zou ik verwachten? – uitgezonderd dat al de heeren op de begrafenis van den ouden bedelaar zullen komen; – en mogelijk wel, Monkbarns, zult gij zelf mijn hoofd in het graf willen leggen, zoo als gij dat deedt voor den armen Steven Mucklebackit. – Wat ik gedaan heb, kostte mij geene moeite; ik was toch altijd op het pad. – O, maar ik was toch blij, toen ik uit de gevangenis kwam; want, dacht ik bij mij zelven, hoe zal het gaan, als die ongelukkige brief komt, terwijl ik hier opgesloten zit als eene oester, en alles ten onderste boven gaat, omdat zij hem niet krijgen; en dan dacht ik, moest ik mijn hart lucht geven en er u van vertellen; maar dan weêr kon ik het niet goed doen, zonder tegen het stellige bevel van den heer Lovel te handelen, en ik rekende dat hij nog iemand te Edinburg zien moest, eer hij doen kon, wat hij doen wilde voor Sir Arthur en zijne familie.”

„Wel, – en nu uw staatkundig nieuws, Adam? – De Franschen komen nog altijd, – niet waar?”

„Ja, dat zegt men, mijnheer, en er zijn stellige bevelen gekomen voor de krijgsmacht en de vrijwilligers om zich gereed te houden; en er moet ook nog een dappere jonge officier komen, om onze verdedigingsmiddelen op te nemen. – En ik zag de meid van den Baljuw zijne bandelieren en leêren broek poetsen; – ik hielp haar een handje, want gij kunt wel denken dat het haar niet te best afging, en zoo kreeg ik al het nieuws voor mijne moeite.”

„En wat denkt gij er van, als oud soldaat?”

„Inderdaad, ik weet niet; – indien er zoo veel komen, als men zegt, zullen wij de handen vol hebben. – Maar er zijn vele flinke jongens onder de vrijwilligers; en ik moet niet veel zeggen van hen, die niet zoo flink en vlug meer zijn, omdat ik zelf daaronder behoor. – Maar wij zullen ons best doen.”

„Hoe, Adam! uw krijgsmansgeest ontwaakt weêr? Het oude vuur gloeit nog in de asch! Ik zou niet gedacht hebben, Adam, dat gij veel hadt om voor te vechten?”

„Ik niet veel om voor te vechten, mijnheer? – Kan ik dan niet voor het land vechten, en voor de mooie beekjes, waar langs ik zoo dikwijls slenter, en voor het vee der huismoeders, die mij mijn stuk brood geven, en voor de kindertjes, die aan komen huppelen om met mij te spelen, als ik in de buurt kom? – Ik ben des duivels, mijnheer!” vervolgde hij, met groote hevigheid zijn staf grijpende, „als mijne krachten ten minste even goed als mijn wil zijn, en ik voor eene goede zaak strijd, als ik hun niet wat te doen geef!”

„Bravo, bravo, Adam! het vaderland is nog niet in het uiterste gevaar, als de bedelaar even gereed is voor zijn stuk brood te vechten, als de landeigenaar voor zijn grond!” [301]

Hun gesprek kwam nu terug op de bijzonderheden van den nacht, dien de bedelaar en Lovel in de bouwvallen van St. Ruth doorbrachten en waarvan de beschrijving den oudheidkenner ten hoogste vermaakte.

„Ik zou eene guinje willen gegeven hebben,” zeide hij, „om dien bedriegelijken landlooper in den doodsangst te zien, welken zijne kwakzalverij soms bij anderen doet ontstaan, en hem beurtelings te zien beven voor de woede van zijn patroon en voor de vrees van de verschijning van een spook.”

„Werkelijk,” zei de bedelaar, „waren er oogenblikken voor hem om bang te zijn; want gij zoudt gedacht hebben, dat de geest van Hel in ’t Harnas Sir Arthur bezielde. – Maar wat zal er van dien landlooper worden?”

„Ik heb heden morgen een brief ontvangen, waaruit ik verneem dat hij u vrijspreekt van de beschuldigingen, die hij tegen u inbracht, en aanbiedt om ontdekkingen te doen, die de vereffening van Sir Arthur’s zaken veel gemakkelijker zullen maken, dan wij dachten. – Zoo schrijft de Sheriff, en voegt er bij, dat hij iets van groot gewicht aan het Gouvernement medegedeeld had, om welke reden men hem vrij zal laten gaan, om den schurk in zijn eigen land te spelen.”

„En de fraaie werktuigen, en raderen, en de holen en gangen ginds te Glenwithershins, wat zal daarvan worden?”

„Van hun knoeituig zullen, hoop ik, de werklieden, eer zij uiteen gaan, een groot vuur stoken, even als een leger zijn geschut vernagelt, als het een beleg moet opbreken. En wat de holen betreft, Adam, deze laat ik als rattenvallen ten behoeve van den eersten wijzen man, die, hetgeen hij heeft, verkiest te laten vallen om naar eene schaduw te grijpen!”

„Wel, mijnheer! God beware ons! de werktuigen verbranden? Dat zou groote verkwisting zijn. Zou het niet beter zijn dat gij, uit den verkoop van den voorraad, een gedeelte van uwe honderd pond zaagt terug te krijgen?” vervolgde hij op den toon van geveinsde deelneming.

„Geen duit!” riep de oudheidkenner gramstorig, terwijl hij zich van hem afwendde en een paar schreden ver ging. Toen keerde hij terug, en half glimlachende over zijne eigene lichtgeraaktheid, voegde hij er bij: „Ga in huis, Adam, en volg mijn raad: spreek nooit tegen mij van de mijnwerken, of tegen mijn neef Hector van eene Phoca, dat is van een zeehond, zoo als gij dien noemt!”

„Ik moet nu naar Fairport terug gaan,” zei de bedelaar; „ik moet hooren, wat men daar van den inval vertelt; – maar ik zal onthouden wat gij mij gezegd hebt, en niet tegen u spreken van een zeehond, of tegen den kapitein van de honderd pond, die gij aan Douster –”

„Verwenschte schelm! – ik verzocht u daar niet van te reppen tegen mij!”

„Mijn lieve!” zeide Adam met gemaakte verwondering, „ik dacht dat er niets was, dat u aanstoot kon geven in een vriendschappelijk gesprek, dan alleen dat, wat betrekking had tot het Praetorium ginds, of tot het driestuiversstuk, dat u de kramer voor eene oude munt verkocht?”

„Onzin! onzin!” zei de oudheidkenner, terwijl hij zich haastig van hem afwendde en naar huis terugkeerde.

De bedelaar keek hem een oogenblik na, en betrad weder met een schaterenden lach, als dien, welken een ekster of papegaai na het volvoeren van eenigen streek laat hooren, den weg naar Fairport. De gewoonte had hem eene soort van ongedurigheid gegeven, die zeer vermeerderd werd door het vermaak, dat hij er in schepte, om nieuws te verzamelen; en in korten tijd had hij de stad bereikt, die hij in den morgenstond verlaten had, om [302]geene andere hem bekende reden, dan juist „om een praatje te maken met Monkbarns.”

[Inhoud]

Vijfenveertigste Hoofdstuk

Een vuurbaak zag hij op Pownell,

Drie op Skiddaw in gloed;

Door berg en dal weêrklonken

De horens hem te gemoet.

James Hogg

De wachter, die post hield op den heuvel en het oog naar Birman gericht had, moet waarschijnlijk gedacht hebben dat hij droomde, toen hij de eerste beweging van ’t noodlottig boschje gadesloeg, dat tegen Dunsiane begon op te rukken1. Even zoo ging het den ouden Caxon, toen hij, op de rotspunt in zijne hut gezeten, zijne gedachten liet gaan over het naderend huwelijk van zijne dochter, en over de eer van den schoonvader van den luitenant Taffril te worden, en dus niet weinig verwonderd was, toen hij, toevallig een blik slaande op de baak waarnaar hij de zijne regelen moest, een licht in die richting ontdekte. Hij wreef zich de oogen, keek op nieuw, en regelde zijne waarneming naar een kruisstok, die op het eigenlijke punt gericht was. Nu vergrootte zich het licht voor zijne oogen, gelijk eene komeet voor die van den sterrekundige, en hij zag het „met vrees voor de ontroering der volkeren.”

„De Heere beware ons!” zeide Caxon, „wat nu gedaan? – Maar er zullen wijzere hoofden zijn dan het mijne, om daarvoor te zorgen; ik zal het baakvuur maar aansteken.”

Hij stak de baak in vlam, die een langen golvenden lichtstroom ten hemel zond, welke de zeevogels uit hunne nesten dreef en teruggekaatst werd door de golven. De ambtgenooten van Caxon, even waakzaam als hij, zagen en beantwoordden het gegeven teeken. Het licht schitterde op voorgebergten, rotsen en binnenlandsche heuvels, en het geheele distrikt werd verontrust door het alarmteeken van den inval2.

Onze oudheidkenner, het hoofd gehuld in twee dubbele slaapmutsen, genoot vreedzaam zijne rust, toen die eensklaps gestoord werd door het schreeuwen van zijne zuster, van zijne nicht en van de twee meiden.

„Wat drommel is er te doen?” vroeg hij, zich in het bed oprichtende; – „vrouwvolk in mijne kamer op dit uur van den nacht! – zijt gij allen dol?”

„De baak, oom!” riep Mary M’Intyre. [303]

„De Franschen, die ons komen vermoorden!” schreeuwde Grizelda.

„De baak, de baak! – de Franschen, de Franschen! – moord, moord – en erger dan moord!” gilden de twee meiden, als het koor in eene opera.

„De Franschen!” riep Oldbuck, opspringende, – „gaat de kamer uit, vrouwvolk daar gij zijt, tot ik mijne plunje aangedaan heb, – en, hoor je, brengt mij mijn zwaard!”

„Welk zwaard, Monkbarns?” riep zijne zuster, hem een kort Romeinsch zwaard van geel koper met de eene hand, en met de andere eene kling van Andrea Ferrara zonder gevest aanbiedende.

„Het langste, het langste!” schreeuwde Jenny Rintherout, een slagzwaard uit de twaalfde eeuw binnen slepende.

„Vrouwen!” zeide Oldbuck zelf zeer ontroerend, „blijft bedaard, en geeft u niet over aan ijdelen schrik! – Zijt gij zeker, dat zij komen?”

„Zeker! – zeker!” riep Jenny uit; – „maar al te zeker! – De zeemacht en de landmacht, de vrijwilligers en de landstorm zijn op de been en haasten zich naar Fairport, zoo hard als man en paard maar loopen kunnen, – en de oude Mucklebackit is ook meê; – hij zal veel helpen! – O! hij zal gemist worden, die arme Steven, die koning en land zoo goed zou gediend hebben!”

„Geef mij,” zeide Oldbuck, „den degen, dien mijn vader in het jaar vijfenveertig droeg; – er is geen draagband of bandelier meer aan; maar wij zullen er wat op vinden.”

Met deze woorden stak hij het wapen door de klep van zijn rokzak. Op dit oogenblik trad Hector binnen, die op de naburige hoogten was gaan onderzoeken of het alarmteeken wezenlijk gegeven was.

„Waar zijn uwe wapens, neef?” riep hem Oldbuck toe. – „Waar is uw jachtgeweer met de twee loopen, dat nooit uit uwe handen was, zoolang men diergelijke dingen niet noodig had?”

„Bah, bah, oom!” antwoordde Hector, „wie nam ooit een jachtgeweer meê in het gevecht? – Gij ziet, ik heb mijn uniform aangetrokken. – Ik hoop dat ik van meer nut zal zijn, als men mij een commando geven wil, dan ik met tien dubbele loopen zou kunnen wezen. – En gij, oom, moet naar Fairport gaan om bevelen te geven voor de inkwartiering en het onderhoud der manschappen en paarden, ten einde alle verwarring te voorkomen.”

„Gij hebt gelijk, Hector! – ik geloof, dat ik ook wel zoo veel met mijn hoofd als met mijn arm zal doen. – Maar daar komt Sir Arthur Wardour, die, onder ons gezegd, niet geschikt is, om op eenige wijze veel te verrichten.”

Sir Arthur was waarschijnlijk van een ander gevoelen, want hij was mede op weg naar Fairport, uitgedost in zijn officieel kostuum, en meldde zich, in het voorbijrijden, bij den heer Oldbuck aan, om hem af te halen, daar de gebeurtenissen der laatste dagen hem bevestigd hadden in zijne meening omtrent diens doorzicht. En, niettegenstaande het bidden der vrouwen dat de oudheidkenner tot hare bescherming op Monkbarns zou blijven, nam de heer Oldbuck, met zijn neef, het verzoek van Sir Arthur dadelijk aan.

Alleen zij, die dergelijke tooneelen hebben bijgewoond, kunnen zich een denkbeeld maken van de verwarring, die te Fairport heerschte. De vensters schitterden met honderden lichten, die, nu eens schijnende en dan weêr snel verdwijnende, de drukte binnen in huis aanduidden. De vrouwen der lagere volksklasse verzamelden zich schreeuwende op de straat. De mannen van den landstorm, die uit hunne verschillende woonplaatsen aankwamen snellen, [304]galoppeerden door de straten, òf alleen, òf in troepjes van vijf of zes, zoo als zij elkander op weg ontmoet hadden. De trommels en fluiten der vrijwilligers werden afgewisseld door de stemmen der officieren, den klank der horens, en het gelui der klokken van de kerktorens. De schepen in de haven waren verlicht, en de booten der gewapende vaartuigen vermeerderden de drukte door het landen van manschappen en geweren, om de plaats te helpen verdedigen. Taffril bestierde ijverig dit gedeelte der toebereidselen. Twee of drie der kleinere vaartuigen hadden reeds het anker gelicht en staken in zee, om den naderenden vijand te bespieden.

Zoodanig was de algemeene verwarring, toen Sir Arthur Wardour, Oldbuck en Hector zich met moeite een weg baanden naar het plein, waarop het stadhuis zich bevond. Het was verlicht, en de raad en vele der naburige landedellieden waren vergaderd. En ook nu, even als bij andere soortgelijke gelegenheden in Schotland, bleek ten duidelijkste, hoezeer het gezond verstand en het vaste karakter van het volk het gebrek aan ondervinding vergoedden. De regeeringsleden waren omgeven van de kwartiermeesters der onderscheidene korpsen, die biljetten voor hunne manschappen en paarden verlangden.

„Laten wij,” zei de Baljuw Littlejohn, „de paarden in onze magazijnen en de manschappen in onze huiskamers opnemen, – onzen maaltijd met de manschappen, en onze fourage met de paarden deelen. Wij zijn rijk geworden onder een vrij en vaderlijk bestuur, en nu is het tijd te toonen, dat wij het naar waarde weten te schatten.”

Luid en blijmoedig stemden alle aanwezigen hiermede in, en het vermogen der rijken, zoowel als de persoonlijke diensten van allen werden eenparig ter verdediging van het vaderland aangeboden.

Kapitein M’Intyre strekte bij deze gelegenheid het voorzittend regeeringslid tot krijgskundigen raadsman en adjudant, en legde eene tegenwoordigheid van geest en eene kennis van zaken aan den dag, waarop zijn oom volstrekt niet gerekend had, en die, zich zijne gewone insouciance en drift herinnerende, hem van tijd tot tijd met verwondering aankeek, toen hij de kalme en bedaarde wijze opmerkte, waarop zijn neef de verschillende maatregelen van voorzorg ontwikkelde, die hem zijne ondervinding aan de hand bood, terwijl hij de bevelen gaf om ze in gereedheid te brengen. Hij vond de verschillende korpsen, hunne vreemdsoortige bestanddeelen in aanmerking genomen, in goede orde, zeer talrijk, vol zelfvertrouwen en met den meesten moed bezield. En de krijgskunde had, in dit oogenblik, zoodanig het overwicht op alle andere aanspraken ter onderscheiding, dat zelfs de oude Adam, wel verre van als Diogenes te Sinope aan het rollen van zijne ton overgelaten te blijven, terwijl allen om hem heen zich ter verdediging voorbereidden, last kreeg, om het uitdeelen van de ammunitie te bestieren, wat hij ook met veel oordeel deed.

Men zag nu nog met het meeste ongeduld twee zeer gewichtige gebeurtenissen te gemoet, – namelijk het opkomen van de Glenallansche vrijwilligers, welke, uit aanmerking van het aanzien dier familie, een afzonderlijk korps uitmaakten, – en de aankomst van den aangekondigden officier, aan wien de maatregelen ter verdediging van deze kust door den opperbevelhebber waren toevertrouwd, en die alzoo bevoegd zou zijn, om het bevel over de gewapende macht op zich te nemen.

Weldra hoorde men het horenmuziek van de Glenallansche vrijwilligers, en de graaf zelf verscheen, tot groote verwondering van allen, die zijne gewoonten [305]en den staat van zijne gezondheid kenden, in uniform aan hun hoofd. Het was een zeer schoon en goed bereden eskadron, geheel samengesteld uit pachters uit de Laaglanden, en zij werden gevolgd door een bataljon van vijfhonderd man, die hij uit de valleien der Hooglanden had samengebracht, volkomen op de Bergschotsche krijgswijze uitgerust, onder het geluid hunner doedelzakken aanrukkende. De flinke en krijgshaftige houding van deze leenmannen trok de bewondering van Kapitein M’Intyre tot zich; maar zijn oom was nog meer getroffen door de wijze, waarop, in dit hachelijke oogenblik, de oude krijgsmansgeest van het huis Glenallan den graaf, hun aanvoerder, scheen te bezielen, en aan zijn verzwakt gestel nieuwe kracht te geven. Hij verzocht en verkreeg voor zich en zijne volgelingen den post, die naar alle waarschijnlijkheid het eerst bedreigd zou worden, legde eene groote vlugheid aan den dag in het nemen van de noodige beschikkingen, en betoonde geen minder doorzicht in het beramen der middelen, die nog genomen moesten worden. Onder deze krijgstoerustingen brak de morgenstond te Fairport aan, terwijl allen steeds ijverig bezig waren met de noodige voorzorgen voor de verdediging.

Eindelijk ging er een kreet onder het volk op: „Daar komt de dappere Majoor Neville aan, met nog een anderen officier!” en een reiswagen, met vier paarden bespannen, kwam het stadhuisplein oprijden te midden van de hoezee’s der vrijwilligers en inwoners. De overheidspersonen, met de assessoren, snelden naar de deur van het stadhuis, om hen te ontvangen; maar hoe groot was de verwondering van allen, en vooral van den oudheidkenner, toen zij, onder de rijke uniform en den krijgsmanshoed, den persoon en de gelaatstrekken van den vreedzamen Lovel bespeurden! Eene hartelijke omhelzing en een warme handdruk moesten hem verzekeren, dat hij zich niet vergist had. Sir Arthur was niet minder verwonderd om zijn zoon, den kapitein Wardour, te herkennen in Lovel’s of liever in Majoor Neville’s gezelschap. De eerste woorden der jonge officieren waren eene stellige verzekering aan alle aanwezigen, dat de moed en de ijver, die zij aan den dag gelegd hadden, geheel overtollig geweest waren, en dat ze slechts dienden, om een bewijs op te leveren van hunne vaderlandsliefde en waakzaamheid.

„De wachter op Halket-head,” zeide Majoor Neville, „was, zoo als wij bij nader onderzoek op onzen weg herwaarts ontdekt hebben, zeer natuurlijk misleid geweest door een vreugdevuur, dat eenige leêgloopers op den heuvel boven Glenwithershins aangestoken hadden, juist in de lijn van de baak, waarmede de zijne in verband stond.”

Oldbuck gaf Sir Arthur een verlegen wenk, welken deze met een dergelijken blik en een schouderophalen beantwoordde.

„Het moeten de werktuigen geweest zijn, die wij in onze gramschap tot de vlammen veroordeelden,” zei de oudheidkenner, moed vattende, ofschoon een weinig beschaamd, dat hij zoo veel onrust veroorzaakt had. – „De duivel hale Dousterswivel! ik geloof, dat hij ons een legaat van domme streken en onheil vermaakt heeft, en dat hij bij zijn afscheid nog een vuurwerk afgestoken heeft. – Het zal mij benieuwen, welke voetzoeker ons nu tusschen de beenen zal losgaan. – Maar daar komt de voorzichtige Caxon. – Houd het hoofd op, ezel! uwe meerderen moeten uwe schande dragen. – En hier, neem dit ding, – hoe noemt gij het?” – (hem zijn degen gevende) – „ik weet niet, wat ik gisteren zou geantwoord hebben, als mij iemand gezegd had, dat ik zoo iets zou aangorden!”

Op dit oogenblik gevoelde hij zich zacht bij den arm getrokken door Lord [306]Glenallan, die hem in een afzonderlijk vertrek bracht. „Om Gods wil! wie is die jonge man, die zoo volmaakt gelijkt, –”

„Op de ongelukkige Eveline!” viel hem Oldbuck in de rede. „Mijn hart voelde zich tot hem aangetrokken op het eerste oogenblik, en gij brengt mij nu op de ware reden.”

„Maar wie, – wie is hij?” vervolgde Lord Glenallan, den oudheidkenner krampachtig bij den arm houdende.

„Vroeger zoude ik hem Lovel genoemd hebben; maar nu komt het uit, dat hij de Majoor Neville is.”

„Dien mijn broeder grootbracht als zijn natuurlijken zoon, – dien hij tot zijn erfgenaam maakte. – Goede Hemel! het kind van mijne Eveline!”

„Bedaard, Milord! – bedaard!” zeide Oldbuck, „geef u niet te voorbarig aan dit vermoeden over; – welke waarschijnlijkheid is daarvoor?”

„Waarschijnlijkheid? neen! er is zekerheid! stellige zekerheid! De rentmeester, van wien ik u sprak, schreef mij de geheele geschiedenis. – Gisteren ontving ik den brief; – niet eerder. – Breng hem, om Gods wil, bij mij, opdat het oog van een vader hem zegene, eer ik deze wereld verlaat!”

„Ik zal het doen; maar om uw en zijnentwil, vergun hem eenige weinige minuten ter voorbereiding.”

En besloten, om de zaak nog nader te onderzoeken eer hij ze als zeker aannam, zocht hij den Majoor Neville op, en vond hem bezig met het nemen der noodige maatregelen, om de verzamelde krijgsmacht uiteen te doen gaan.

„Als ik u verzoeken mag, Majoor Neville, laat dit werk een oogenblik over aan kapitein Wardour en aan Hector, met wien ik hoop, dat gij geheel en al verzoend zijt,” (Neville lachte en de heeren gaven elkander de hand) „en vergun mij een oogenblik gehoor!”

„Gij hebt recht op mij, mijnheer Oldbuck, al waren mijne bezigheden nog veel dringender dan ze zijn,” antwoordde Neville, „daar ik uw huis onder een vreemden naam bezocht, en uwe gastvrijheid beloonde met uw neef te beleedigen.”

„Gij hebt hem behandeld zoo als hij verdiende,” zeide Oldbuck, „ofschoon hij heden even veel gezond verstand als moed aan den dag gelegd heeft. Wel! als hij terug wilde komen op hetgeen hij geleerd heeft, en Caesar en Polybius en de Stratagemata Polyaeni lezen, geloof ik, dat hij in den dienst vooruit zou komen, en ik zou hem zeker een handje helpen.”

„Hij verdient dat in alle opzichten,” antwoordde Neville; „en ik ben verheugd, dat gij mij vergeeft, – wat gij te gereeder zult doen, als ik u zeg, dat ik het ongeluk heb van niet meer recht te hebben op den naam van Neville, onder welken ik algemeen bekend ben, dan op dien van Lovel, waaronder gij mij leerdet kennen.”

„Inderdaad! dan vertrouw ik, dat wij er een zullen vinden, waarop gij een vast en wettig recht hebt.”

„Mijnheer, ik vertrouw, dat gij het ongeluk van mijne geboorte voor geen geschikt onderwerp –”

„Volstrekt niet,” antwoordde de oudheidkenner, hem in de rede vallende, – „ik geloof dat ik meer van uwe geboorte weet, dan gij zelf, – en, om er u van te overtuigen, gij werdt opgevoed en waart bekend als de natuurlijke zoon van Geraldin Neville van Neville’s-burg in Yorkshire, en ik veronderstel, als zijn erfgenaam?”

„Vergeef mij, – dergelijke oogmerken had men met mij niet; ik werd [307]goed opgevoed en in den dienst voortgeholpen door geld en protectie; maar ik geloof, dat mijn veronderstelde vader langen tijd het denkbeeld koesterde van te trouwen, ofschoon hij het niet ten uitvoer bracht.”

„Gij zegt uw veronderstelde vader? – Wat doet u denken, dat de heer Geraldin Neville niet uw vader was?”

„Ik weet, mijnheer Oldbuck, dat gij mij deze vragen omtrent zulk een teeder onderwerp niet doen zoudt om alleen uwe nieuwsgierigheid te voldoen; ik zal u dus ronduit vertellen, dat ik verleden jaar, toen wij in eene kleine stad van Fransch-Vlaanderen lagen, in een klooster, in welks nabijheid ik ingekwartierd was, eene vrouw vond, die tamelijk goed Engelsch sprak. – Zij was eene Spaansche, – haar naam Therese D’Acunha. Verder met haar bekend geworden, ontdekte zij mij, wie ik was, en zich zelve als de persoon, die belast was geweest met de zorg mijner eerste kindsheid. Zij gaf mij meer dan één wenk, dat ik op hoogen rang aanspraak had, en dat mij onrecht aangedaan was, en beloofde mij eene vollediger ontdekking na den dood van eene dame van aanzien in Schotland, daar zij besloten had, zoo lang deze leefde, het geheim te bewaren. Zij gaf ook te verstaan, dat de heer Geraldin Neville mijn vader niet was. Wij werden door den vijand aangevallen, uit de stad verdreven, en deze werd door de Republikeinen geplunderd. De godsdienstige orden waren in het bijzonder het voorwerp van hun haat en hunne vervolging. Het klooster werd verbrand en zeer vele nonnen kwamen om, – onder anderen Therese, en met haar ging alle hoop verloren op de beloofde geschiedenis van mijne geboorte. – Die moet tragisch geweest zijn, naar hetgeen ik er van begrijp.”

Raro antecedenten scelestum, of, zoo als ik hier zeggen mag, scelestam,” zeide Oldbuck, „deseruit poena; – zelfs de Epicuristen stemden dat toe, en – wat deedt gij toen?”

„Ik schreef er over aan den heer Neville; – maar te vergeefs. Ik kreeg toen verlof, en ging mij aan zijne voeten werpen, en bezwoer hem de ontdekking te voltooien, die Therese begonnen had. Hij weigerde, en verweet mij, op mijn onafgebroken aandringen, met verontwaardiging de gunsten, die hij mij reeds bewezen had. Ik begreep, dat hij het recht van een weldoener misbruikte, nu hij genoodzaakt was te erkennen dat hij geene aanspraak had op dat van een vader, en wij scheidden van elkander, weêrkeerig misnoegd. Ik gaf den naam van Neville op, en nam dien aan, waaronder gij mij gekend hebt. – Het was in dezen tijd, dat ik, gelogeerd bij een vriend in het noorden van Engeland, die mijne naamsverandering goedkeurde, kennis maakte met Freule Wardour, en romantisch genoeg was om haar naar Schotland te volgen. Mijne gedachten wankelden omtrent verscheidene ontwerpen voor de toekomst, toen ik besloot, om mij nog eenmaal tot den heer Neville te wenden, en hem om eene verklaring van het geheim mijner geboorte te smeeken. Het duurde lang eer ik antwoord kreeg; gij waart er bij, toen het mij ter hand werd gesteld. Hij berichtte mij den slechten toestand van zijne gezondheid, en bezwoer mij, om mijn eigen wil, geen verder onderzoek te doen naar den aard van zijne betrekking tot mij, maar te berusten bij zijne verklaring. „Zij is,” schreef hij, „zoodanig en zoo nauw, dat ik voornemens ben, u tot mijn erfgenaam te benoemen.” Terwijl ik mij gereed maakte om Fairport te verlaten, bracht mij eene tweede expresse het bericht van zijn dood. Het bezit van groote rijkdommen kon het grievende leed niet verdooven, waarmede ik nu dacht aan mijn gedrag jegens mijn weldoener, en daar zich eenige wenken in zijn brief bevonden, die [308]schenen aan te duiden, dat er een grootere smet dan die van gewone onechtheid op mijne geboorte lag, herinnerde ik mij zekere vooroordeelen van Sir Arthur, –”

„En gij koesterdet sombere gedachten tot gij ziek werdt, in plaats van bij mij te komen om raad, en mij uwe geheele historie te verhalen?” zeide Oldbuck.

„Juist! daarna kwam mijn ongelukkige twist met kapitein M’Intyre, die mij noodzaakte, om Fairport en de omstreken te verlaten.”

„De liefde en de dichtkunst, – Isabella Wardour en de Caledoniade!”

„Het is maar al te waar!”

„En sedert dien tijd waart gij, veronderstel ik, bezig met ontwerpen ter redding van Sir Arthur?”

„Ja, met behulp van kapitein Wardour, te Edinburg.”

„En Adam Ochiltree hier; – gij ziet, ik weet alles. Maar hoe kwaamt gij aan dezen schat?”

„Het was een servies tafelzilver, dat mijn weldoener toebehoord had, en bij iemand te Fairport in bewaring gebleven was. Eenigen tijd vóór zijn dood had hij bevel gezonden om het op te smelten. Wellicht wilde hij niet, dat ik er het wapen van Glenallan op zou zien.”

„Wel, majoor Neville! of – laat ik liever zeggen – Lovel! want in dien naam schep ik het meeste behagen; – gij moet, geloof ik, beide verwisselen voor den naam en den titel van Willem, Lord Geraldin.”

De oudheidkenner doorliep nu de vreemde en treurige omstandigheden van den dood van Neville’s moeder.

„Ik twijfel geenszins,” zeide hij, „of uw oom wenschte te doen gelooven, dat het kind van dit ongelukkig huwelijk niet meer bestond; – misschien had hij zelf wel een oog op de erfenis van zijn broeder; – hij was toen een lichtzinnig, los jonkman. – Maar van alle slechte bedoelingen tegen uw persoon pleiten hem, wat ook het booze geweten van Elspeth haar deed vermoeden uit zijne ontroering, de geschiedenis van Therese en uw eigen verhaal volkomen vrij. En nu, mijn waarde heer, laat ik het genoegen smaken van een zoon bij zijn vader te brengen!”

Wij wagen het niet, om zulk eene ontmoeting te beschrijven. Alle bewijzen werden overtuigend bevonden; want de heer Neville had een duidelijk bericht van het geheele voorval aan zijn vertrouwden rentmeester nagelaten in een verzegeld pak, dat niet moest geopend worden, dan na den dood der oude Gravin: eene voorzorg, die scheen ontstaan te zijn uit vrees voor de uitwerking, welke eene ontdekking, met zoo veel schande verbonden, op haar hoogmoedig en hartstochtelijk karakter zou kunnen hebben.

In den avond van denzelfden dag dronken de manschappen van de vrijwilligers van Glenallan de gezondheid van hun jongen Landheer. Binnen eene maand daarna was Lord Geraldin in het huwelijk getreden met Freule Wardour, en de oudheidkenner bood de jonge bruid een trouwring van antiek fatsoen, met de spreuk van Aldobrand Oldenbuck „Kunst macht Gunst,” er op gegraveerd, aan.

De oude Adam, de gewichtigste blauwrok die ooit geleefd heeft, doet zijne ronde van het eene vriendenhuis naar het andere, en beroemt zich er op, dat hij nooit op weg is, dan wanneer de zon schijnt. Hij heeft, inderdaad, sedert eenigen tijd teekens gegeven van rustiger te worden, daar men hem dikwijls gevonden heeft in den hoek van een aardig boerenhuisje tusschen Monkbarns en Knockwinnock, dat Caxon na het huwelijk van zijne [309]dochter betrok, om nabij de drie pruiken van het kerspel te zijn, welke hij steeds, hoewel thans slechts uit liefhebberij, getrouw friseert. Men heeft Adam hooren zeggen „Dit is eene lieve, dichte plaats, en het is aangenaam zulk een hoek te hebben, om er bij slecht weêr in te zitten.”

Men gelooft, dat, als hem het loopen moeielijker begint te worden, hij eindigen zal met hier zijn intrek te nemen.

De welwillendheid van zulke vermogende beschermers als Lord en Lady Geraldin is onbegrensd voor jufvrouw Hadoway en de Mucklebackits. De eerste maakt er een gepast gebruik van; de laatsten verkwisten hetgeen hun geschonken wordt. Zij blijven het echter nog altijd genieten, maar onder het bestier van Adam Ochiltree; en zij ontvangen het nooit zonder te morren over het kanaal, langs hetwelk het hen bereikt.

Hector maakt snelle vorderingen in den dienst, is meer dan eens met lof vermeld geworden en klimt, naar evenredigheid, in de gunst van zijn oom. En, wat den jongen krijgsman bijna evenzeer verheugt, hij heeft daarbij twee zeehonden geschoten, en dus een einde gemaakt aan het gedurig terugkomen van den oudheidkenner op de historie van de Phoca.

Men spreekt van een huwelijk tusschen Mary M’Intyre en kapitein Wardour; maar dit gerucht eischt nadere bevestiging.

De oudheidkenner bezoekt zeer dikwijls de huizen van Knockwinnock en Glenallan, klaarblijkelijk ter voltooiing van twee verhandelingen, de eene over het harnas van den Grooten Graaf, en de andere over den linker ijzeren handschoen van Hel in ’t Harnas. Hij vraagt geregeld, of Lord Geraldin de Caledoniade begonnen heeft, en schudt het hoofd over de antwoorden, die hij ontvangt. Nochtans voltooit hij, en attendant, zijne noten, die wij gelooven dat ten dienste zullen zijn van iedereen, die ze verkiezen mocht in het licht te geven, zonder gevaar en onkosten voor DEN OUDHEIDKENNER.

EINDE.


1 Shakespeare’s Macbeth. 

2 Zie noot H over het alarm van den inval. 

[Inhoud]

Noten van den schrijver1

Noot A. Het verhaal van Grizelda Oldbuck.

De legende, door Grizelda Oldbuck verhaald, is gedeeltelijk ontleend aan de berichten van eene merkwaardige gebeurtenis, welke omstreeks zeventig jaren geleden in het zuiden van Schotland voorviel, en volgens welke zeker landeigenaar, in proces gewikkeld over het tiendrecht, ongeveer op dezelfde wijze, als in den tekst beschreven is, een gewichtig stuk terugvond, waarvan de beslissing van het rechtsgeding afhing.

Opmerkelijk is het, dat deze gebeurtenis ongelukkige gevolgen had voor den heer R–d, den persoon van wien sprake is; want hij gevoelde zich sedert dien tijd zoodanig verplicht, om altijd op zijne droomen te letten, dat zijne gezondheid en verstandelijke vermogens daardoor zeer verzwakt werden.

Noot B. Over de wijze om met de bakkers af te rekenen.

Oudtijds gebruikte men daartoe een stokje, waarop men telkens eene kleine insnijding maakte. Elke familie had een bijzonderen kerfstok, en bij de rekenkamer in Engeland werden zekere rekeningen op dezelfde wijze gehouden.

Noot C. De bezweringen van Dousterswivel.

Veel onzin van denzelfden aard als die, welke door den Hoogduitschen alchymist aan den dag gebracht werd, is te vinden bij Reginald Scott, in zijn werk Discovery of Witchcraft, 3de editie, Londen 1665.

Noot D. Over de vischrouwen.

In de visschersdorpen aan de Forth en de Tay, regeeren de vrouwen als in den tekst beschreven staat. Bij gelegenheid, dat de kusten van Schotland gedurende den laatsten oorlog met Frankrijk door de verschijning van eenige vreemde schepen verontrust werden, scheepten zich al de visschers onmiddellijk in aan boord van de kanonneersloepen, om den veronderstelden vijand tegen te gaan. De schepen bleken aan de Russen te behooren, en de schrik was onnoodig geweest; maar de landlieden van Mid-Lothian waren zoo tevreden over den ijver door de visschers aan den dag gelegd, dat zij hun een prachtigen zilveren Punch-bowl vereerden. [312]De vrouwen echter kwamen er tegen op, dat men vergeten had haar eenige eer aan te doen voor de toestemming, welke zij gegeven hadden, dat de mannen zich inschepen zouden, wat zonder hare goedkeuring niet zou gebeurd zijn. Deze eisch werd als geldig beschouwd en de dames ontvingen eene kostbare speld, om bij feestelijke gelegenheden door de koningin-vischvrouw te worden gedragen. Er heerscht ook eene strenge etikette onder deze zeenimfen, en men hoorde eene ervarene dame er onder over eene jongere klagen, „dat het een arm, onnoozel schepseltje was, dat nooit iets beters dan mossels te koop zou bieden.”

Noot E. Gevangenzetting voor schulden.

Hoe vreemd het ook klinke, is toch de theorie van Oldbuck over het gevangenzetten voor schulden juist die, welke bij het hoogste gerechtshof in Schotland in eene zaak, welke op 5 Dec. 1828 behandeld is, aangenomen werd.

Noot F. De slag bij Harlaw.

De groote slag bij Harlaw mag gezegd worden beslist te hebben, of het Gaëlische of het Saksische ras in Schotland de overhand zou behouden. De slag viel voor op 24 Julij 1411, tusschen Donald, Lord of the Isles, en zijne Hooglandsche troepen, en den graaf van Mar aan het hoofd der edellieden van Saksische en Normandische afkomst. Donald, die in de Laaglanden ingevallen was, werd genoodzaakt zich terug te trekken, en later zich aan den regent te onderwerpen.

Noot G. Over Elspeths dood.

Het sterven van een getrouwen knecht van den hertog van Roxburghe, heeft den schrijver de laatste woorden van Elspeth ingegeven. De arme man lag zieltogend aan eene leverkwaal, toen hij de bel hoorde, die hem vroeger naar de kamer van den pas overleden hertog riep. „Ik kom, ik kom!” stamelde hij, – en stierf.

Noot H. Schrik voor den inval der Franschen.

De omstandigheden van het valsch alarm, in den tekst beschreven, zijn naar daadzaken geschetst. Op den 2den Febr. 1804 viel eene dergelijke vergissing met een vuurbaak voor, en een gedeelte van het land werd in rep en roer gebracht.


1 In de eerste vertaling waren deze noten weggelaten: ik heb ze hier zeer verkort bijgevoegd, daar ze in het oorspronkelijke veel bevatten, dat van geen belang kon wezen voor den Hollandschen lezer. M. P. L. 

Inhoudsopgave

Eerste Hoofdstuk 1
Tweede Hoofdstuk 6
Derde Hoofdstuk 12
Vierde Hoofdstuk 20
Vijfde Hoofdstuk 26
Zesde Hoofdstuk 33
Zevende Hoofdstuk 43
Achtste Hoofdstuk 50
Negende Hoofdstuk 55
Tiende Hoofdstuk 62
Elfde Hoofdstuk 68
Twaalfde Hoofdstuk 76
Dertiende Hoofdstuk 80
Veertiende Hoofdstuk 87
Vijftiende Hoofdstuk 93
Zestiende Hoofdstuk 100
Zeventiende Hoofdstuk 107
Achttiende Hoofdstuk 116
Negentiende Hoofdstuk 124
Twintigste Hoofdstuk 132
Eenentwintigste Hoofdstuk 140
Tweeëntwintigste Hoofdstuk 152
Drieëntwintigste Hoofdstuk 160
Vierentwintigste Hoofdstuk 166
Vijfentwintigste Hoofdstuk 173
Zesentwintigste Hoofdstuk 180
Zevenentwintigste Hoofdstuk 187
Achtentwintigste Hoofdstuk 194
Negenentwintigste Hoofdstuk 198
Dertigste Hoofdstuk 202
Eenendertigste Hoofdstuk 211
Tweeëndertigste Hoofdstuk 217
Drieëndertigste Hoofdstuk 222
Vierendertigste Hoofdstuk 229
Vijfendertigste Hoofdstuk 236
Zesendertigste Hoofdstuk 244
Zevenendertigste Hoofdstuk 250
Achtendertigste Hoofdstuk 256
Negenendertigste Hoofdstuk 262
Veertigste Hoofdstuk 267
Eenenveertigste Hoofdstuk 275
Tweeënveertigste Hoofdstuk 283
Drieënveertigste Hoofdstuk 290
Vierenveertigste Hoofdstuk 296
Vijfenveertigste Hoofdstuk 302
Noten van den schrijver 309

Colofon

De nieuwe omslagillustratie van dit eboek is hiermee aan het publieke domein verleend.

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77684 ***