The Project Gutenberg EBook of Ons Mooi Indi: Uit Dajakland, by J. Jongejans

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever.  You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.  If you are not located in the United States, you'll have
to check the laws of the country where you are located before using this ebook.

Title: Ons Mooi Indi: Uit Dajakland
       Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving

Author: J. Jongejans

Release Date: July 3, 2020 [EBook #62550]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS MOOI INDI: UIT DAJAKLAND ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg






[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

DE MEULENHOFF-EDITIE
EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXXII

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

ONS MOOI INDI
UIT DAJAKLAND
KIJKJES IN HET LEVEN VAN DEN KOPPENSNELLER EN ZIJNE OMGEVING
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXXII

[Inhoud]

INHOUD

[Inhoud]

AAN MIJNE DAPPERE VROUW [1]

Afb. 1. Drie Kenja-dajaks.

Afb. 1. Drie Kenja-dajaks.

(Zie bladz. 147 en volgende)

Foto Jongejans.

[2]

Afb. 2. Dajaksch hoofd van de Mahakam met zijne vrouw, beiden in feestcostuum (van voren gezien).

Afb. 2. Dajaksch hoofd van de Mahakam met zijne vrouw, beiden in feestcostuum (van voren gezien).

(Zie bladz. 77 en volgende)

Foto Sitsen.

[3]

Afb. 3. Dajaksch hoofd van de Mahakam met zijne vrouw, beiden in feestcostuum (van achteren gezien).

Afb. 3. Dajaksch hoofd van de Mahakam met zijne vrouw, beiden in feestcostuum (van achteren gezien).

(Zie bladz. 77 en volgende)

Foto Sitsen.

[4]

Afb. 4. Gezicht op de midden Kajan (Boeloengan).

Afb. 4. Gezicht op de midden Kajan (Boeloengan).

(Zie bladz. 280)

Foto Posthumus.

Afb. 5. Prauwenvaart in een benedenrivier.

Afb. 5. Prauwenvaart in een benedenrivier.

(Zie bladz. 80)

Foto Posthumus.

[5]

Afb. 6. In de versnelling.

Afb. 6. In de versnelling.

(Zie bladz. 83)

Foto Jongejans.

[6]

Afb. 7. Dajaks in bivak.

Afb. 7. Dajaks in bivak.

(Zie bladz. 81)

Foto Jongejans.

[7]

Afb. 8. Het “nemen” van eene versnelling.

Afb. 8. Het “nemen” van eene versnelling.

(Zie bladz. 83)

Foto Jongejans.

Afb. 9. De Bem-Brem, de geweldigste van Borneo’s versnellingen.

Afb. 9. De Bem-Brem, de geweldigste van Borneo’s versnellingen.

(Zie bladz. 271)

Foto Posthumus.

[8]

Afb. 10. Dajaksch dorp aan de Mahakam.

Afb. 10. Dajaksch dorp aan de Mahakam.

(Zie bladz. 98)

Foto Jongejans.

Afb. 11. Dajaksch kinderspeelgoed.

Afb. 11. Dajaksch kinderspeelgoed.

(Zie bladz. 153)

Foto Jongejans.

[9]

Afb. 12. Schedelversiering in het huis van een dajaksch hoofd.

Afb. 12. Schedelversiering in het huis van een dajaksch hoofd.

(Zie bladz. 112)

Foto Jongejans.

[10]

Afb. 13. Ziekten afwerend houten beeld vr den ingang van een dajaksch dorpje.

Afb. 13. Ziekten afwerend houten beeld vr den ingang van een dajaksch dorpje.

(Zie bladz. 176)

Foto Posthumus.

[11]

Afb. 14. De prauwenvloot ligt gereed.

Afb. 14. De prauwenvloot ligt gereed.

(Zie bladz. 95)

Foto Sitsen.

[12]

Afb. 15. Dajaksche zwaarden of mandau’s.

Afb. 15. Dajaksche zwaarden of mandau’s.

(Zie bladz. 112)

Foto Jongejans.

[13]

Afb. 16. Dajaksch snijwerk. Verkleinde reproducties van deurpaneelen en plinten.

Afb. 16. Dajaksch snijwerk. Verkleinde reproducties van deurpaneelen en plinten.

(Zie bladz. 99)

Foto Jongejans.

[14]

Afb. 17 Kenja-huis naar verkleind model.

Afb. 17 Kenja-huis naar verkleind model.

(Zie bladz. 99)

Foto Jongejans.

[15]

Afb. 18. Snijwerk in het woonverblijf van een dajaksch hoofd.

Afb. 18. Snijwerk in het woonverblijf van een dajaksch hoofd.

(Zie bladz. 99)

Foto Jongejans.

[16]

Afb. 19. Dajaksch costuum in gebruik bij de toegalfeesten.

Afb. 19. Dajaksch costuum in gebruik bij de toegalfeesten.

(Zie bladz. 102)

Foto Jongejans.

[17]

Afb. 20. Houten dansmasker.

Afb. 20. Houten dansmasker.

(Zie bladz. 102)

Foto Jongejans.

Afb. 21. Kajan-dajak van de beneden Boeloenganrivier.

Afb. 21. Kajan-dajak van de beneden Boeloenganrivier.

(Zie bladz. 274)

Foto Jongejans.

[18]

Afb. 22. Z.H. Maulana Sulthan Mohamad Kasim Aldin, Sultan van Boeloengan.

Afb. 22. Z.H. Maulana Sulthan Mohamad Kasim Aldin, Sultan van Boeloengan.

(Zie bladz. 273)

Foto Jongejans.

Afb. 23. Datoe Mansoer, eerste rijksgroote van Boeloengan.

Afb. 23. Datoe Mansoer, eerste rijksgroote van Boeloengan.

(Zie bladz. 273)

Foto Jongejans.

[19]

Afb. 24. Kiham Pajang in de Poedjoenganrivier. Links een rotan hangbrug over de rivier.

Afb. 24. Kiham Pajang in de Poedjoenganrivier. Links een rotan hangbrug over de rivier.

(Zie bladz. 210)

Foto Jongejans.

[20]

Afb. 25. Dajaksche muziekinstrumenten. Van links naar rechts: kledi, samp, ltng.

Afb. 25. Dajaksche muziekinstrumenten. Van links naar rechts: kledi, samp, ltng.

(Zie bladz. 224)

Foto Jongejans.

[21]

Afb. 26. Dajak met speer en schild. (Apokajan).

Afb. 26. Dajak met speer en schild. (Apokajan).

(Zie bladz. 147 en volgende)

Foto Jongejans.

[22]

Afb. 27. Dajak en Papoea uit Centraal Nieuw-Guinee.

Afb. 27. Dajak en Papoea uit Centraal Nieuw-Guinee.

(Zie bladz. 95)

Foto Jongejans.

[23]

Afb. 28. De dajaksche roeiers nemen een oogenblik rust.

Afb. 28. De dajaksche roeiers nemen een oogenblik rust.

(Zie bladz. 79)

Foto Jongejans.

[24]

Afb. 29. Dajakvrouwen met getatoueerde beenen.

Afb. 29. Dajakvrouwen met getatoueerde beenen.

(Zie bladz. 179, 180)

Foto Jongejans.

Afb. 30. Oude Kenja-dajak.

Afb. 30. Oude Kenja-dajak.

(Zie bladz. 148)

Foto Jongejans.

[25]

Afb. 31. Kiham Temolohong in de Kajan (Boeloengan).

Afb. 31. Kiham Temolohong in de Kajan (Boeloengan).

(Zie bladz. 280)

Foto Jongejans.

Afb. 32. Leisteenrif in de Kajan (Bem-Brem).

Afb. 32. Leisteenrif in de Kajan (Bem-Brem).

(Zie bladz. 271)

Foto Posthumus.

[26]

Afb. 33. Dajaks, rustig thuis zittend en musiceerend.

Afb. 33. Dajaks, rustig thuis zittend en musiceerend.

(Zie bladz. 138 en volgende)

Foto Jongejans.

[27]

Afb. 34. Dajaksche danser in krijgscostuum.

Afb. 34. Dajaksche danser in krijgscostuum.

(Zie bladz. 112)

Foto Jongejans.

Afb. 35. Dajaksche danser in krijgscostuum.

Afb. 35. Dajaksche danser in krijgscostuum.

(Zie bladz. 112)

Foto Jongejans.

[28]

Afb. 36. Eene geliefkoosde dajaksche bezigheid!

Afb. 36. Eene geliefkoosde dajaksche bezigheid!

(Zie bladz 138 en volgende)

Foto Jongejans.

[29]

Afb. 37. Dajak, een zwaardscheede snijdend.

Afb. 37. Dajak, een zwaardscheede snijdend.

(Zie bladz. 138 en volgende)

Foto Jongejans.

[30]

Afb. 38. Sabanmeisje met muziekinstrument (boven Bahau), ltng.

Afb. 38. Sabanmeisje met muziekinstrument (boven Bahau), ltng.

(Zie bladz. 221)

Foto Jongejans.

[31]

Afb. 39. Sabandajak met boomschorsbekleeding.

Afb. 39. Sabandajak met boomschorsbekleeding.

(Zie bladz. 221)

Foto Jongejans.

[32]

Afb. 40. Sabanmeisjes in boomschorsbekleeding.

Afb. 40. Sabanmeisjes in boomschorsbekleeding.

(Zie bladz. 221)

Foto Jongejans.

[33]

Afb. 41. Sabanvrouw uit de Boven-Bahau.

Afb. 41. Sabanvrouw uit de Boven-Bahau.

(Zie bladz. 221)

Foto Jongejans.

[34]

Afb. 42. Het tegenwoordige Poedjoengan-hoofd Djaloeng Ipoei alias Taman Kahang met zijn blinden vader.

Afb. 42. Het tegenwoordige Poedjoengan-hoofd Djaloeng Ipoei alias Taman Kahang met zijn blinden vader.

(Zie bladz. 207)

Foto Jongejans.

[35]

Afb. 43. Dajakvrouw uit Poedjoengan in rouw (nieuw lendenschort en hoofdbedekking van boomschors).

Afb. 43. Dajakvrouw uit Poedjoengan in rouw (nieuw lendenschort en hoofdbedekking van boomschors).

(Zie bladz. 210)

Foto Jongejans.

[36]

Afb. 44. Taman Soelau, hoofd van de kampong Lepo Maoet.

Afb. 44. Taman Soelau, hoofd van de kampong Lepo Maoet.

(Zie bladz. 212)

Foto Jongejans.

[37]

Afb. 45. Dajakdorp in Lepo Maoet.

Afb. 45. Dajakdorp in Lepo Maoet.

(Zie bladz. 212)

Foto Jongejans.

[38]

Afb. 46. Zoogenaamde “vrijhuisjes” in Lepo Maoet.

Afb. 46. Zoogenaamde “vrijhuisjes” in Lepo Maoet.

(Zie bladz. 214)

Foto Jongejans.

[39]

Afb. 47. Dajak, wandelend met zijn baby.

Afb. 47. Dajak, wandelend met zijn baby.

(Zie bladz. 138)

Foto Jongejans.

[40]

Afb. 48. Dajakgraven der Liboen-dajaks (Lepo Maoet).

Afb. 48. Dajakgraven der Liboen-dajaks (Lepo Maoet).

(Zie bladz. 157, 217)

Foto Jongejans.

[41]

Afb. 49. Dajaksch hoofd van de Sembakoeng-rivier (Tidoengsche Landen).

Afb. 49. Dajaksch hoofd van de Sembakoeng-rivier (Tidoengsche Landen).

(Zie bladz. 233)

Foto Jongejans.

[42]

Afb. 50. Tinggalansch meisje in feestcostuum.

Afb. 50. Tinggalansch meisje in feestcostuum.

(Zie bladz. 244)

Foto Jongejans.

[43]

Afb. 51. Oebaudajaks uit het Mentaranggebied (Tidoengsche Landen).

Afb. 51. Oebaudajaks uit het Mentaranggebied (Tidoengsche Landen).

(Zie bladz. 228 en volgende)

Foto Jongejans.

[44]

Afb. 52. Drie geslachten. Dajaksvrouwen uit de beneden Sembakoeng-rivier. Gedegenereerde typen.

Afb. 52. Drie geslachten. Dajaksvrouwen uit de beneden Sembakoeng-rivier. Gedegenereerde typen.

(Zie bladz. 230)

Foto Jongejans.

[45]

Afb. 53. Tinggalansch huis uit de Tidoengsche Landen. (Voorzijde).

Afb. 53. Tinggalansch huis uit de Tidoengsche Landen. (Voorzijde).

(Zie bladz. 247)

Foto Posthumus.

[46]

Afb. 54. Tinggalansch huis uit de Tidoengsche Landen. (Achterzijde).

Afb. 54. Tinggalansch huis uit de Tidoengsche Landen. (Achterzijde).

(Zie bladz. 247)

Foto Posthumus.

[47]

Afb. 55. Akal, de beruchte koppensneller uit de Tidoengsche Landen.

Afb. 55. Akal, de beruchte koppensneller uit de Tidoengsche Landen.

(Zie bladz. 254)

Foto Jongejans.

[48]

Afb. 56. De eed op den hond van den beruchten koppensneller Akal.

Afb. 56. De eed op den hond van den beruchten koppensneller Akal.

(Zie bladz. 254)

Foto Jongejans.

[49]

Afb. 57. Vlecht- en snijwerk der Tinggalans (Tidoengsche Landen).

Afb. 57. Vlecht- en snijwerk der Tinggalans (Tidoengsche Landen).

(Zie bladz. 248)

Foto Jongejans.

[50]

Afb. 58. De Barito bij Bandjarmasin.

Afb. 58. De Barito bij Bandjarmasin.

(Zie bladz. 258, 259)

Coll. Koloniaal Instituut.

[51]

Afb. 59. Maleische woningen te Bandjarmasin.

Afb. 59. Maleische woningen te Bandjarmasin.

(Zie bladz. 259)

Coll. Koloniaal Instituut.

[52]

Afb. 60. Gezicht op Poelau Laoet (Kota Baroe).

Afb. 60. Gezicht op Poelau Laoet (Kota Baroe).

(Zie bladz. 261)

Foto Jongejans.

Afb. 61. Boorterrein op Tarakan.

Afb. 61. Boorterrein op Tarakan.

(Zie bladz. 265, 280, 281)

Foto Jongejans.

[53]

Afb. 62. Z.H. Soleiman, de groote sultan van Koetei, in gala-costuum.

Afb. 62. Z.H. Soleiman, de groote sultan van Koetei, in gala-costuum.

(Zie bladz. 269)

Coll. Koloniaal Instituut.

[54]

Afb. 63. H.H. de tegenwoordige Sultane van Koetei met familieleden en hofhouding. De sultane met witveeren bont; links de vrouw van Pangeran Mangkoe, rechts van Pangeran Sosro.

Afb. 63. H.H. de tegenwoordige Sultane van Koetei met familieleden en hofhouding. De sultane met witveeren bont; links de vrouw van Pangeran Mangkoe, rechts van Pangeran Sosro.

(Zie bladz. 269)

Coll. Jhr. von Schmidt auf Altenstadt.

[55]

Afb. 64. Kenja-nederzetting aan de Kelai-rivier.

Afb. 64. Kenja-nederzetting aan de Kelai-rivier.

(Zie bladz. 270, 271)

Foto Posthumus.

Afb. 65. Kalkrotsen in de Kelai-rivier.

Afb. 65. Kalkrotsen in de Kelai-rivier.

(Zie bladz. 270, 271)

Foto Posthumus.

[56]

Afb. 66. Kijkje op Tandjong Seilor. Boot der K.P.M. aan den steiger.

Afb. 66. Kijkje op Tandjong Seilor. Boot der K.P.M. aan den steiger.

(Zie bladz. 273)

Foto Jongejans.

[57]

Afb. 67. Roeiwedstrijd van dajaks te Tandjong Seilor.

Afb. 67. Roeiwedstrijd van dajaks te Tandjong Seilor.

(Zie bladz. 273)

Foto Jongejans.

[58]

Afb. 68. Anji Lohong, het bekende dajakhoofd van de beneden Kajan.

Afb. 68. Anji Lohong, het bekende dajakhoofd van de beneden Kajan.

(Zie bladz. 89, 275)

Uit: van Walchren.

[59]

Afb. 69. Boorterrein op Tarakan.

Afb. 69. Boorterrein op Tarakan.

(Zie bladz. 265)

Foto Jongejans.

[60]

Afb. 70. Oliespuitende bron op Tarakan.

Afb. 70. Oliespuitende bron op Tarakan.

(Zie bladz. 281)

Foto Tielung.

[61]

Afb. 71. Tatoueerstempel der Kenja’s, (links).

Afb. 71. Tatoueerstempel der Kenja’s, (links).

(Zie bladz. 179)

Jongejans fec.

Afb. 72. Bahau- en Long Glat-huis.

Afb. 72. Bahau- en Long Glat-huis.

(Zie bladz. 99)

Jongejans fec.

[62]

Afb. 73. Model van de huizen der Sabans.

Afb. 73. Model van de huizen der Sabans.

(Zie bladz. 223)

Jongejans fec.

Afb. 74. Model van de huizen der Tinggalans.

Afb. 74. Model van de huizen der Tinggalans.

(Zie bladz. 247)

Jongejans fec.

[63]

Tatoueermotieven van Sabanvrouwen.
bovenarm (geheel rondom).
benedenarm.
been (geheel rondom).

Afb. 75. Tatoueermotieven van Sabanvrouwen.

(Zie bladz. 222)

Jongejans fec.

Afb. 76. Tatoueermotieven uit het boven Sesajapgebied, (rechts).

Afb. 76. Tatoueermotieven uit het boven Sesajapgebied, (rechts).

(Zie bladz. 179)

Jongejans fec.

[64]

Afb. 77. Tatoueermotieven uit het boven Sesajapgebied.

Afb. 77. Tatoueermotieven uit het boven Sesajapgebied.

(Zie bladz. 179)

Jongejans fec.

[65]

Afb. 78. Tatoueermotieven der Tinggalans.

Afb. 78. Tatoueermotieven der Tinggalans.

(Zie bladz. 179)

Jongejans fec.

[66]

Afb. 79. Tatoueermotieven der Tinggalans.

Afb. 79. Tatoueermotieven der Tinggalans.

(Zie bladz. 179)

Jongejans fec.

[69]

Overzichtskaartje van Borneo.

Overzichtskaartje van Borneo.

[73]

[Inhoud]

INLEIDING

“Is enich ghebrec in desen boecke

“dat is mi leet

“en soo wije dat ghebrec verbeteren wille

“dat is mi lief”.

THOMAS VAN UTRECHT.

Borneo! Een wereld van gedachten ontplooit zich voor onzen geest.

Borneo! Een land van onbegrensde mogelijkheden, van ondoorvorschte perspectieven, land van onvergaarde schatten wellicht.

Borneo! het land van nipah, water en modder, het land van donkere wouden en wreede menschen.

Neen, eigenlijk is Borneo geen land van belofte!

Maar toch.…..

Laat ik eerlijk zijn en bekennen, dat toen mijn ambt ons van Sumatra’s zuidpunt naar Oost-Borneo in den uitersten noordhoek voerde en onze zoekende oogen op de kaart steeds hooger kropen langs de kustlijn tot we eindelijk onze plaats van bestemming vonden, hoog in het noorden, ja, toen zagen we de toekomst donker in. Voor onzen geest stonden: land zonder wegen, waterellende in allerlei vormen, ziekten, zelfbesturende gebieden met allerlei lastige, [74]domme, hebzuchtige potentaatjes en ten slotte—en deze niet het minst—de koppensnellende dajak.

Nipah en water! die drongen zich wel aan ons op, toen we de eerste groote rivier opvoeren. Water! en nipah aan weerszijden van den breeden stroom, vele uren en uren lang, tergend in hun eentonigheid en toch ook weer fascineerend door de gelijkvormigheid—het eerste draadje van het net van Borneo’s betoovering!

Eerst lang na deze als uitgestorven oorden begint het leven; en verder gaat dit, verder tot in Borneo’s levengevende macht; de brongebieden van zijne rivieren.

Daarheen moesten we ons begeven, lukraak neergekwakt, rgens, waar we het gevoel hadden als uitgestootenen te zijn achtergelaten, toen de laatste galm van het vertreksein van de boot was verklonken, haar schroefslag niet meer te hooren …

Toen stonden we daar, nog bevangen door de eigenaardige beklemdheid, die me nog telkens bevangt op de uitgestrekte wateren van dit land, in de doodsche rust, die over de eindelooze eenvormigheid van de benedenstroomen ligt.

Toen stonden we daar afgesloten van de wereld …

Maar nu, hoe anders is dit geworden! Hoe ben ik Borneo nu gaan zien als het land van duizenderlei mogelijkheden. Wat is de wreede koppensnellende dajak mij een genoegelijke reisgenoot geworden op mijne vele en lange tochten tot in het hart van het land. Wat al vele en dwaze verhalen zijn er omtrent dezen, in weerwil [75]van zijne vele fouten, sympathieken natuurmensch in omloop: hij zou—o, gruwelijkheid! zijne medemenschen verslinden, zijne woningen bouwen in boomen als de oermensen Dah en vele dergelijke verhalen meer, welke alle in het land der fabelen thuis behooren.

Dit boekske wil vertellen over dit land, over dezen mensch. Uit den aard der zaak geene wetenschappelijke verhandeling, noch een werkje, dat eenige aanspraak op letterkundige waarde maakt. Veeleer is het een eenvoudig relaas, een sober, onopgesmukt, op eigen ervaring berustend verhaal van het dagelijksch leven en streven van een bestuursambtenaar en zijn gezin in de binnenlanden. Maar doordat dit leven zoo op honderd en n wijzen is samengeweven met de bevolking, zal dit voor den lezer wellicht een simpeler en zuiverder beeld scheppen, juist van het zijn van dat volk, van zijn leven en streven in de grootsche, doodsche, zenuwstillende n zenuwontstellende stilte van de wateren en bosschen van zijne omgeving.

Op meer maakt dit boekske geene aanspraak en mocht het mij gelukt zijn een zuiverder kijkje in de dajakwereld te hebben gegeven, dan we uit onze kinderjaren hebben bewaard en we gemeenlijk ook verkrijgen door de dwaze voorstellingen, die door woord en beeld worden in het leven geroepen, dan reeds is mijn doel bereikt.

Voor dengene, die meer van deze sympathieke menschen wil weten, staat naast het grootsche werk van Prof. Nieuwenhuis: “Quer durch Borneo” nog ten dienste het aangenaam geschreven [76]reisverhaal van den arts Tehupeiory: “Onder de dajaks van Centraal Borneo”.

De foto’s zijn grootendeels door mijzelf vervaardigd, terwijl ook mijne Borneo-vrienden R. Posthumus, H. J. M. Sitsen, Jhr. J. M. von Schmidt auf Altenstadt en J. A. J. Tielung, mij eenige mooie exemplaren uit hunne collecties ter beschikking stelden, waarvoor ik hun hier hartelijk mijn dank betuig.

Dit dan ter inleiding.

[Inhoud]

NAAR BORNEO’S BINNENLANDEN

[Inhoud]

LANGS DE MAHAKAM.

Langzaam laten we ons voortwiegelen op de regelmatige slagen van onze dajaksche roeiers. Hun bruingebronsde lichamen bewegen zich gelijkmatig op en neer en beschenen door het blinkend oog van den dag zitten zij daar als prachtmodellen voor den kunstenaar. Hun forsche spieren, alle op het schoongevormde lijf zichtbaar, trekken zich krachtig samen, groote bundels vormend om een oogenblik daarna zich weer te ontspannen. Hoewel alleen bekleed met een lendengordel of awĕt en op het hoofd een van rotan gevlochten mutsje, schijnt de warmte geen vat op hen te hebben en vroolijk lachend en pratend werken ze steeds met aandacht voort. Toch speurt hun oog steeds nauwlettend overal rond, niets ontgaat hun; ieder levend wezen buiten de onmiddellijke omgeving van hun prauw wordt intutief waargenomen en ieder plantje, dat hun straks bij hun rijst als bijspijs kan dienen, is het hunne.

Ziet een van hen een wild zwijn de rivier overzwemmen, dan komen ze dadelijk allen in actie. Met een schok staan ze zwijgend op, nadat zoo stil mogelijk het sein is gegeven, de ranke prauw schommelt en dreigt om te vallen, ze [78]roeien uit alle macht naar de bestemde plaats, de speren worden in gereedheid gebracht en in vliegende vaart gaat het af op het nu vluchtende dier, dat intusschen zijn vijanden heeft bemerkt en langs den oever een uitweg tracht te vinden. Steil is deze en twee-, driemaal stort het naar beneden. Intusschen zijn de hunkerende dajaks—een zwijnenbout is een heerlijk maal—hun prooi genaderd en reeds tweemaal drong een speer met kracht in het borstelige lijf, zoodat zijn bloed reeds rijkelijk begint te vloeien, maar nog geeft het den strijd niet op; met de geweldige slagtanden in het meedoogenlooze wapen bijtend, tracht het nog rivierwaarts te zwemmen om het veege lijf te redden, een rood bloedspoor in het water achterlatend. Door den stroom meegesleurd, weet het door hevige inspanning en bloedverlies uitgeputte dier zich nog uit de voeten te maken, maar pijlsnel gaat de moderne viking het achterna en nauwelijks genaderd geeft de voorman uit de prauw het den genadestoot. Onder luid geroep wordt de kostbare buit binnenboord gehaald om straks in het bivak aangekomen, geslacht te worden. De dajak houdt van varkensvleesch—trouwens veel andere dieren vindt men hier in de bosschen niet—en in de blijde gedachte straks heerlijk te zullen smullen en zijn bamboekokers met vet en ingewand te kunnen vullen, waaraan hij voor langen tijd genoeg heeft, roeit hij weer welgemoed verder.

We bevinden ons nog in den benedenloop van de rivier; regens in den bovenloop hebben het water doen zwellen en hier en daar een sterken stroom en draaikolken doen ontstaan. [79]Toch is dit voor den dajak geen beletsel om het ranke, zwaar beladen vaartuig langzaam maar zeker door zijn krachtigen slag te doen voortbewegen.

Heel vroeg is hij ’s morgens reeds opgestaan om zijn rijst te koken en te eten; zijn lichaam is weer hernieuwd, al heeft hij maar op den grond gelegen, soms ook op de steenen van een grintbank, slechts beschut door enkele matten; slapen doet hij er niet minder om en ’s morgens vroeg staat hij al gereed om de blikken en koffers weer in de prauwen te laden. Wij zijn nog niet altijd wakker, al hebben we op een zacht veldbed gerust.

We hebben reeds eenige uren gevaren en hoewel ze niet van vermoeidheid weten, is toch een kleine rust den roeiers aangenaam om even hun ruw in elkaar geflanste sigaret te kunnen rooken en hun lichaam door een bad te verfrisschen.

Daarna laten we ons weer voortwiegelen op hun krachtigen riemslag; we bewegen ons vlak langs de oevers, daar de stroom ons meer naar het midden van de rivier te sterk wordt. Hier en daar is het roeien door de sterk vooroverbuigende boomen niet mogelijk; het neerleggen van de roeiriemen en het opnemen van de boothaken of tekns is slechts het werk van een oogenblik; nog heftiger hortend en stootend worden we door de kris en kras dooreengeslingerde takken voortgetrokken; de voorman in de prauw staat met zijn mandau gereed om de takken, die den doorgang dreigen te beletten, met n krachtigen slag af te slaan. Is de moeilijkheid, [80]welke dikwijls nog vermeerderd wordt door in het water gevallen boomen, waardoor een nog sterker stroom ontstaat, overwonnen, dan laten de roeiers in koor hun sonoor “oohoo” geluid hooren, inderhaast wordt een sirihpruim gemaakt of een boomblad-sigaar gedraaid en vroolijk gaan we weer verder onzen eentonigen gang.

Vertoont de rivier in haar benedenloop weinig afwisseling met haar steeds groene oevers, hoe hooger we komen, hoe meer het terrein verandert. Toch is en blijft alles nog groen, maar groen in honderden tinten en kleurschakeeringen. Dieper n het donkergroen, bijna zwart, meer naar den oever lichtere tinten; hier en daar een enkel roodachtig, frisch getint blad, het is pas ontloken, maar na enkele dagen door de felle zon beschenen te zijn, neemt ook dit een groene kleur aan.

Groen is alles, groen! Toch zijn op enkele punten de schoone bloemtrossen van den “pohon bijoe” zichtbaar, maar ook deze zijn weinige. De oranjekleurige bloembundels buigen zich over het water, sprookjesachtige prielen vormend, waaronder men een oogenblikje kan verpoozen van de gloeiende zonnehitte, welke door het water weerkaatst, de oogen pijn gaat doen. Als eene stille hulde aan den voorbijganger steken ze hun oranjekleurige hoofden uit het eeuwige groen.

We naderen ons bivak en daar we een flink stuk hebben afgelegd, verlangen we allen naar rust. Het is ons niet meer mogelijk een kampong te bereiken, wat ons wel zoo aangenaam was [81]geweest; we zoeken daarom op den oever een plaats uit, die ons geschikt voorkomt; meestal is die vrij spoedig gevonden, de prauw wordt op den wal getrokken en allen begeven zich naar de aangewezen plaats om die schoon te kappen en van vuil te ontdoen, hetgeen het werk is van een oogenblik. Daarna verdwijnen allen het bosch in om het noodige hout voor onze hut of lĕpau te halen; het hakken weerklinkt aan alle kanten en spoedig zijn ze weer terug. De zes stijlen worden in den grond geplant, twee aan twee door lange takken verbonden; eenige dunne takken worden over het geheel uitgespreid en met rotan verbonden, alles met onze samirs, gemaakt van silatbladeren, gedekt en zie, ons nachtlogies is gereed! We zijn beschermd tegen regen, hetgeen voldoende is. Is het geluk ons gunstig, dan slapen we zelfs zonder klamboe, maar meermalen zijn deze noodig tegen de muskieten en de gevreesde agas, diertjes kleiner dan een speldeknop.

Toch gaat niet ieder dadelijk op zijn bestemde plaatsje liggen, maar zijn allen veeleer druk bezig; de dajak houdt in het algemeen niet van stilzitten; hij snijdt een mandauheft, vlecht rotanbanden voor zijn blanjĕt of draagmand en honderd dingen meer. Zijn ze erg vroolijk gestemd, dan wordt er ’s avonds gezongen (dajoeng), waarbij n de solo vervult, de anderen gezamenlijk het refrein zingen met hun sonore basgeluiden.

Soms worden oude legenden en volksverhalen bezongen. Deze zangen vertoonen veel overeenkomst met de bardenzangen uit onze middeleeuwen. Ook hier heeft men lange, aaneengeschakelde [82]verhalen, welke niet in n nacht gezongen zijn, doch twee, drie en meer doorwaakte nachten vereischen. Ook hier zijn de hoofdmotieven dapperheid en liefde en worden de heldendaden van den jongeling en de lieftalligheid der jonkvrouw urenlang bezongen. Ook hier het mystieke element der wonderen, van onzichtbaar makende helmen, vliegende prauwen, het zich voor poenans (= zwervende dajaks, fig. bedelaars) uitgeven van de vorsten. En ook hier het geloof aan het werkelijk bestaan hebben dezer legendarische personen, waarvan soms de vroegere woonplaatsen nog worden aangewezen. Hoewel bij onbekendheid met schrift de vorm dezer overleveringen niet vastgelegd is en zij slechts van mond tot mond overgaan, zoo is de inhoud van te algemeene bekendheid, dan dat de zangers deze zouden kunnen wijzigen. Slechts in de woordenkeus zijn ze vrij en groot is het succes van hem, die de lieftallige jonkvrouw “schoon als de opkomende maan” in gloeiende kleuren weet af te schilderen. Gejuich begroet elke nieuwe bijzonderheid en urenlang kunnen de dajaks naar dit “dajoeng” luisteren, zelfs na een zware dagtaak. Dit zingen der oude overleveringen neemt een zeer belangrijke plaats in het dajaksche volksleven in.

Dikwijls echter ook is het onderwerp van deze zangen niet zoo dichterlijk en worden meer dagelijksche gebeurtenissen bezongen: “We zijn op reis met den toean poetih, deze zal goed voor ons zorgen, laat ons vroolijk zijn! We zullen den witmensch veilig door de gevaren voeren, zoodat hij weer gezond en wel weerkeert; eerst [83]dan is ons hart gerust”, en dergelijke onderwerpen meer. Soms ook—en dit gebeurt meermalen—zijn deze zangen zeer vulgair; vooral onder jongelui hebben deze echter een groot succes.

Maar hoe gaarne ook de dajak naar deze zangen luistert, eindelijk valt hij in slaap en droomt van den dag van morgen; we komen dan in den bovenloop van de rivier met zijn gevaarlijke kihams of stroomversnellingen.

Dan is de dajak eerst recht in zijn element, prachtkerels zijn het dan! Evenals Wallace in zijn bekend werk: “The Malay Archipelago” bij de beschrijving der Doboreis opmerkt, dat het toppunt van schoonheid is een jonge papoea, zijn boog spannend, bij welk beeld alle voortbrengselen der hooge grieksche kunst ten achterstaan, zoo kan ik mij niets schooners denken dan een prauw, bemand met dajaks; zij vormen eene schilderij van mooie lijnen, een beeld van mannelijke kracht en behendigheid. Op het juiste moment weet hij in den bruisenden stroom te springen en met den langen rotan in den mond een vooruitstekend rotspunt al zwemmend te bereiken, vanwaar uit hij gemakkelijker de prauw door den maalstroom kan trekken. Vaart de prauw dit punt voorbij, dan voegt hij zich met n behendigen sprong bij zijn makkers en voort gaat het weer!

Bij een groote kiham gekomen wordt eerst bij den oever aangelegd; het gevaarlijke gedeelte wordt door de beste roeiers en den hoofdman verkend vanuit het hoogste punt. Eene levendige discussie volgt, met drukke gebaren [84]en vingerwijzingen wordt de situatie besproken. Een interessant schouwspel, een veldheer met zijn staf waardig!

Eindelijk—de dajak is lang van stof—is uitgemaakt welke route door de versnelling genomen zal worden. Ieder neemt plaats in de prauw, er wordt afgestooten en geroeid behalve door den man op den voorsteven, die blijft staan kijken naar de kiham tot waar deze begint, om dan plotseling te gaan zitten na zijn commando’s te hebben uitgeschreeuwd. Met arendsblik loert hij naar gevaarlijke steenpunten om door n slag met zijn roeiriem links of rechts de prauw te doen uitwijken. Ieder is stil, ieder is in actie bij het passeeren van het hachelijke punt. Ieder weet naar welken kant hij moet roeien. Ieder weet ook, dat een oogenblik van onoplettendheid de prauw kan doen vergaan. Nog zorgzamer zijn ze, omdat ze een “witmensch” met zich voeren, een witmensch, voor wiens leven ze zich aansprakelijk voelen. Zoo voorzichtig, “als hadden ze een ei in de hand”—volgens eene dajaksche uitdrukking—wordt hij behandeld.

Is eenmaal het groote gevaar geweken en schiet de prauw het einde der kiham voorbij, dan barst het gejuich eerst recht los, waarbij sommigen opgewonden in de prauw gaan staan en wuiven met hun pagaaien.

Zoo vaart de bestuursambtenaar dagen, weken, soms maandenlang.….…..

Maar mag ik eerst den lezer in Dajakland introduceeren en nader omschrijven tot welk [85]gedeelte van Borneo, hetgeen ik behandelen zal, zich bepaalt. Waar in dit werkje gesproken wordt over Dajakland, wordt daarmee dat gedeelte van Borneo bedoeld, hetwelk de geheele afdeeling Samarinda omvat, dus noord-oost Borneo, hoewel veel van het medegedeelde ook in het algemeen voor alle dajaks kan gelden. Het grootste gedeelte hiervan wordt bewoond door dajaks, die door de slechte verkeersmiddelen nog in hun primitieven, maar schoonen vorm voorkomen. Alleen aan de kusten wonen maleiers, zooals die ook elders in onzen archipel in kustgebieden plegen te verblijven. De afdeeling Samarinda ressorteert onder de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en omvat op haar beurt verschillende onderafdeelingen onder controleurs of gezaghebbers: Oost- en West-Koetei, Balikpapan, Boven Mahakam, Beraoe en Boeloengan met Apo Kajan, tijdelijk zelfstandig onder een officier-gezaghebber te Long Nawang, maar behoorend tot het gebied van den sultan van Boeloengan. De afdeelingschef zetelt te Samarinda, de resident te Bandjermasin1.

Enkele cijfers mogen ons een beeld geven van deze streken. De afdeeling omvat een gebied ongeveer 6 maal grooter dan Nederland, terwijl het aantal inwoners ongeveer op 150000 gesteld zal kunnen worden of nauwelijks n ziel per KM2. Zijn deze cijfers voor Nederland 250, voor Java 270, voor Semangka in de [86]Lampongsche districten ruim 7 en voor Halmaheira en Morotai in de residentie Ternate—we doen slechts enkele grepen—3, dan is het duidelijk, dat deze gebieden wel abnormaal groot, maar zeker niet dichtbevolkt zijn. Met uitzondering van de Boven-Mahakam, zijn dit alle zelfbestuurde gebieden: de sultans van Koetei, Beraoe (landschappen Goenoeng Taboer en Sembalioeng) en Boeloengan (landschappen Boeloengan en Tidoengsche landen) zijn de zelfbestuurders2.

De dajaks behooren niet allen tot n stam, maar tot verschillende tientallen van stammen, hetgeen ook uiting vindt in hun taal: een bahau b.v. uit de boven-Mahakam zal niets verstaan van een poetoek uit de Tidoengsche Landen. Deze menschen kennen wellicht elkaars bestaan niet eens.

De afdeeling omvat van het zuiden naar het noorden gaande de stroomgebieden van de Mahakam- of Koeteirivier, de Kelai en de Segah of Makam in het Beraoesche, de Kajan of Boeloenganrivier met haar groote zijrivieren de Bahau en de Poedjoenganrivier in Boeloengan en de Sesajap, de Sembakoeng, de Seboekoe en de Simenggaris in de Tidoengsche Landen. Het brongebied van de Kajan wordt ingenomen door Apo Kajan (apo is hoogvlakte). Aan de Mahakam wonen hoofdzakelijk Bahau’s en enkele [87]andere stammen; in Apo Kajan, Poedjoengan en Lepo Maoet wonen Kĕnja’s; in het brongebied van de Sesajap Poetoeks en aan de Sembakoeng Tinggalan Dajaks (zie kaartje).

Maar genoeg! Wij zijn—dunkt me—voldoende georinteerd om ons reeds thuis te gevoelen op de krachtig stroomende Mahakamrivier, die we thans opvaren. Samarinda en Tenggaron, zetel van den sultan van Koetei, aan den benedenloop van de rivier zijn we reeds voorbij, evenals meerdere maleische kampongs—de benedenlanden behandelen we elders—en we stoomen met het riviervaartuig “Mahakam” naar Long Iram (36 uur stoomens boven Samarinda), dat reeds zichtbaar is. We hebben dan het eigenlijke Koetei reeds verlaten en bevinden ons in het gebied van den officier-gezaghebber van den boven-Mahakam. Vroeger behoorde dit ook aan den sultan van Koetei, maar ruim 10 jaar geleden werd het om verschillende redenen noodig geoordeeld dit tot rechtstreeks bestuurd gebied te maken tegen eene jaarlijksche schadevergoeding aan het zelfbestuur van Koetei. Moesten we aan den eenen kant zorgen, dat rust en orde verzekerd waren in de landen, grenzend aan Serawak, aan den anderen kant ook moesten die streken in bescherming genomen worden tegenover hun eigen heerschers. Al te veel toch waren de sultans van Koetei en vooral hun omgeving geneigd deze landen te beschouwen als te zijn geschapen uitsluitend voor hun materiel welzijn. Bovendien was de sultan niet in staat zijn onderdanen te verdedigen tegen de [88]Hebans uit Serawak, voor wie de dajaks tot op dit oogenblik nog een heilige vrees hebben, noch ook tegen de zich daar nestelende Boegineezen, Bandjareezen, Bekompaiers en anderen, die maar al te goed in staat bleken het goede voorbeeld van de heeren des lands na te volgen en dit gebied maakten tot het terrein van hun afzetterijen en andere slechte praktijken. Ook trokken de sultans zich van deze streken niet veel aan. Er was geen sprake van dat de sultan zelf deze gebieden zou bezoeken. Zelfs was het hem verboden voorbij den Goenoeng Sendawar bij Melak (= blijven staan, blijven liggen) te varen; hetzelfde treffen we in Boeloengan aan, waar het den sultan niet toegestaan is voorbij Poelau Majoen te varen, daartoe gehouden door een eed door een zijner vaderen gedaan. Dat er aldus van een intensief sultansbestuur geen sprake is of was, behoeft geen betoog.

Hoever de sultansmacht zich oorspronkelijk heeft uitgestrekt, is moeilijk na te gaan. Toch is hun invloed steeds groot geweest, al is hij dat ook niet volgens onze begrippen, aangezien alle teekenen van de uitoefening van rechtstreeksch en feitelijk gezag ontbreken. Een groot voordeel voor de sultans was, dat zij aan de monding der rivier woonden, daar de dajaks, wilden ze hun boschproducten van de hand doen, wel bij hen terecht moesten komen. In onze geschiedenis vindt men dat terug. Ook daar pleegden de ridders dikwijls roof en vielen de menschen, die van boven kwamen lastig met hun afpersingen. De sultan en vooral zijn omgeving zorgden er wel voor, dat de verhouding [89]zoo eenigszins mogelijk van goeden aard was, daar ze ook wel inzagen, dat ze ten slotte bij eventueel verzet, toch niet veel zouden kunnen beginnen. Ze hielden de dajaksche hoofden zoet met allerlei titels (pangeran, panembahan, e.d.), verleenden hun aanstellingen tot hoofd, bekleedden hen met eenige macht en lieten hen de inkomsten genieten van bepaalde rivieren en grondgebieden. Thans is dit alles in de boven-Mahakam onder rechtstreeksch gezag van het gouvernement afgeschaft en genieten ongeveer 25 hoofden eene toelage van 10 tot 20 gulden ’s maands voor afgekochte rechten.

Dat de dajaks nog wel eens in verzet kwamen, bleek o.a. in Boeloengan, toen de Segai’s in 1906 onder aanvoering van Anji Lohong en Lig Pay tegen den sultan opstonden, voor wien dit onaangename gevolgen had kunnen hebben, zoo niet het gouvernement had ingegrepen en een einde aan de geschiedenis had gemaakt. Zoo kwam ook wel het verzet uit den boezem van de sultansfamilie zelve. In 1913 verzette zich Datoe Adil tegen den sultan van Boeloengan en riep zichzelf uit tot sultan van de benedenstreken en het voor de monding van de rivier gelegen eiland Tarakan, bekend om zijn oliebronnen.

Zijne verbanning door het gouvernement volgde onmiddellijk en thans leeft hij als balling te Menado. Het is niet te verwonderen, dat de sultans in deze gebieden aanhangers van het gouvernement zijn; vooral de beheerschers van Koetei behooren tot onze getrouwen. De macht, die een of ander sultan had, stond ook in het [90]nauwste verband met den persoon van den zelfbestuurder of diens rijksgrooten. Waren deze krachtige persoonlijkheden, dan was hun macht grooter en konden zij bij misdrijven, begaan door dajaks, straffen opleggen, welke steeds bestonden in het betalen van sommen gelds of levering van groote hoeveelheden boschproducten, waarvan slechts een klein gedeelte aan de dajaksche hoofden werd afgestaan en de rest verdween in de zakken van den sultan en diens hof. Toch treft men wel overal eerbiedige vrees aan voor het sultansbestuur, soms zelfs wanneer de sultan zelf door het gouvernement is afgezet, al is dit later door allerlei knevelarijen (heffingen en belastingen) en de inmenging van het gouvernement weer veel minder geworden. Westenenk schreef indertijd over den sultan van Pontianak: “Vond vroeger reeds algemeen geloof, dat de sultan van Pontianak alles kon hooren en weten, wat aan de Kapoeas wordt gesproken en gedaan, na zijn bezoek (n.l. aan de boven Kapoeas in gezelschap van den toenmaligen resident Tromp), werd rondverteld, hoe, toen de sultan Boenoet bereikte, de dag plotseling nacht werd! en gretig wordt dit geloofd, als voortkomende uit des sultans “Kramat”, waarbij zelfs de dajaks nu en dan zweren.”

Ook de vrees van dr. Nieuwenhuis voor de macht van den sultan van Koetei, die niet gaarne inmenging zag in de afgelegen bovenstreken, bracht hem er toe zijn beroemden tocht niet te beginnen aan de oost-, maar wel aan de west-zijde, van Pontianak uit, de Kapoeas op, waar dit bezwaar blijkbaar niet gold. Op het bericht [91]van zijn komst is dan ook door alle hoofden in de boven Mahakam vergaderd met het doel dr. Nieuwenhuis te vermoorden. Alleen het machtig woord van Kwing Irang heeft hen van die euveldaad kunnen afhouden; ware deze man er niet geweest, dan had Nieuwenhuis waarschijnlijk het lot van Mller ondergaan. Dat de sultans overigens vrij spel hadden, was voor een niet gering deel te wijten aan het gouvernement zelf, hetwelk zich weinig moeite getroostte voor de bovenstreken, terwijl het moeilijke opvaren van de rivieren door de gevaarlijke stroomversnellingen den bestuursambtenaren den lust ontnam zich langs dien weg een eenigszins langdurig verblijf in de bovenstreken mogelijk te maken.

Thans is dit alles echter veranderd door de meer intensieve bemoeiingen van het Gouvernement en al worden de sultans erkend in hun waardigheid van zelfbestuurder, toch heeft de bestuursambtenaar, die hun als adviseur is toegevoegd, heel wat in de melk te brokken en wordt zelfs een last eerder opgevolgd, wanneer die uit het kantoor van den controleur dan wanneer die uit het paleis van den sultan komt.

Long Iram is een vriendelijk aangelegd plaatsje, hoog op den oeverwand van de rivier gelegen, opgericht in 1900 door den toenmaligen controleur Barth, den pionier van deze gebieden. Het heeft uitvoer van rotan, gĕtah, vogelnestjes en bijenwas en wordt bewoond door maleiers, boegineezen en chineezen.

Het gebied, waarvan Long Iram de voornaamste [92]plaats is, beslaat eene oppervlakte van ⅔ maal ons land en heeft eene bevolking van  10000 zielen. De eenige weg, die naar boven voert, is de rivierweg. Wel zijn pogingen gedaan een landweg te vinden; in 1912 is met de opname begonnen, maar in 1915 werd deze gestaakt. De bedoeling was een geschikte verbindingsweg te zoeken met Apo Kajan, waarheen geregeld vivres voor de aldaar gestationneerde militairen moesten worden gezonden, daar de rivier dikwijls groote moeilijkheden in den weg legt en er vele dagen mee heen gaan om Long Nawang, het voornaamste dorp in Apo Kajan, te bereiken.

Ik deed er indertijd 40 dagen over en dat was nog gunstig; het is wel voorgekomen, dat men er tweemaal zoo lang over deed. Om een idee te geven van de afzondering van deze gebieden en de slechte verbinding, moge dienen, dat het uitbreken van den wereldbrand in 1914 eerst twee maanden daarna in Apo Kajan bekend was; ik bevond mij toen te Semangka in Zuid-Sumatra; ook daar duurde het nog 14 dagen, voordat de berichten tot mij doordrongen.

Het Mahakamgebied wordt bewoond door verschillende stammen, welker opsomming hier overbodig mag heeten, van welke echter de Bahau’s en de Long Glats de voornaamste zijn.

Het stamland dezer dajaks moet gezocht worden in Apo Kajan, vanwaar ze echter verdreven werden door de krijgszuchtige Kĕnja’s, die op hun beurt wederom verjaagd werden uit Serawak door de sterkere Hebans. Dit moet ongeveer 200 jaar geleden zijn geweest. Tot de kleinere [93]stammen behooren de Pnihings en de Sepoetans, die aan de boven Mahakam wonen en waarschijnlijk afkomstig zijn uit West-Borneo; het zijn zwervende stammen, weinig talrijk en het minst beschaafd. Ze hebben veel aanraking met het in de Westerafdeeling van Borneo gelegen Poetoes Sibau, spreken bijna allen maleisch en zullen wel gedoemd zijn uit te sterven of zich op te lossen in de maleische bevolking, hetzelfde proces dus, dat we aantreffen in Zuid-Borneo, waar men zelfs in plaatsen als Moeara Tew en Poeroek Tjahoe, dagen lang de Barito op, bijna geen dajaks meer aantreft.

Tot de minst onbeschaafde stammen behooren de Bahau’s en Long Glats, van welke de laatste de krachtigste, maar de eerste het meest talrijk zijn. Zij bewonen thans het midden en gedeeltelijk boven Mahakamgebied en troffen bij hun aankomst in deze gebieden weinig menschen aan, die allen naar het beneden gedeelte van de rivier werden gedreven en thans in geringe getale zich nog ophouden in het Koeteische en ten zuiden van Long Iram in de kampong Moejoeb, op de grens van Koetei en het boven Mahakamgebied.

Kajans, ook afkomstig uit Apo Kajan, treffen we ten slotte alleen nog in de kampong Long Bloeoe. Hun aantal is gering, maar neemt steeds toe.

Welk eene dichterlijke opvatting deze dajaks over hun vaderlandsche geschiedenis en over het leven en streven hunner vaderen hebben, moge blijken uit het volgend verhaal, hetwelk ik uit den mond van kapitein Sitsen, die lange jaren in de dajaklanden van Oost-Borneo doorbracht, [94]opteekende over den stam der Sepoetans.

Deze moeten oorspronkelijk gewoond hebben langs de boven Mahakam tot aan de westelijke kihamreeks bij het vroegere Long Deh, thans Batoe Kelaoe. Onder de regeering van hun vorst Kadji Hiroe kwamen zij in minder aangename aanraking met maleiers en voerden zelfs strijd met hen. Het gevolg hiervan was, dat de Sepoetans meer stroomopwaarts de Mahakam optrokken. Hun rust was hier echter niet van langen duur, weer werden ze door maleiers bestookt en vestigden zich nu aan een der zijrivieren van de Mahakam bij Long Tawang. Hier speelt zich de legende af, dat Kadji Hiroe, eigenlijk een afstammeling uit den hemel, een schildpad aan zijn lans rijgende, plotseling bemerkte, dat deze in een gong veranderde. Later bij een hongersnood werd deze verkocht en thans moet hij zich te Batoe Salah bevinden. Bij Long Tawang echter hield de verontrusting door de maleiers op, maar thans waren het de goden zelve, die het op hun rust hadden voorzien. Kadji Hiroe bemerkte namelijk op een zekeren dag, dat het rotsblok, waarop hij zat te visschen, plotseling heen en weer schudde en een stem beval hem van hier te verhuizen. Hieraan werd gehoor gegeven. Kadji Hiroe stierf in dien tijd en na de gebruikelijke verbodstijden te hebben afgewacht, verhuisde zijn zoon Bo Aran naar Data Riang. Vanhier uit zijn de verschillende Sepoetan-kampongs ontstaan, die nog geregeerd worden door afstammelingen van Kadji Hiroe, de tegenwoordige hoofden Hau en Batang Ngalau. [95]

Den tocht langs de Mahakam zou ik meemaken met een militair vivrestransport naar Long Nawang. Bij onze aankomst waren allen reeds druk in de weer en de prauwenvloot, bestaande uit 44 groote exemplaren, begon reeds hare voltooiing te naderen. Het geheel zou staan onder leiding van luitenant Simons, terwijl Dr. Stoltz zijne bestemming naar Long Nawang zou volgen en wij dus tevens geneeskundige hulp gedurende den tocht zouden hebben. De 250 dajaksche roeiers, gedeeltelijk bestaande uit Kenja’s en gedeeltelijk uit Bahau’s waren reeds aangekomen en hielpen flink mede aan onze vloot. Daar ik na Long Nawang den tocht verder alleen zou voortzetten naar Boeloengan, kreeg ik als tolk mede Oemar, die indertijd reeds dezelfde reis had gemaakt met assistent-resident Spaan en die mij later ook zou volgen op mijn tocht naar Nieuw-Guinee, terwijl verder als vertrouwde nog meeging Soera Oenjang, die indertijd reeds den tocht naar het Sneeuwgebergte met Mr. Lorentz medemaakte en daarna de bronzen ster van verdienste verwierf. Beide mannen hebben mij trouw geholpen.

Werkelijk interessant is het om te zien, welk eene handigheid de dajaks bezitten in het maken van prauwen. Een 20 25 jonge mannen, bewapend met bijl (belioeng) en prauwschaaf (bikoeng) trekken vroolijk het bosch in, zoeken een dikken boom uit, geschikt voor hun doel; onmiddellijk weerklinken de bijlslagen en het duurt niet lang of de woudreus begint te kraken, om kort daarna onder vreeselijk geraas neer te [96]vallen onder vroolijk gejuich van de dajaks. Thans vallen allen op hun prooi aan, het is een hakken, dat hooren en zien vergaat en dit houdt niet eerder op dan nadat de bovenste helft van den boom geheel versplinterd is en de onderste helft overblijft om tot prauw gemaakt te worden. De knapste onder de knappen geeft ruw het model aan en zoodra dit is geschied, vallen allen weer aan en begint het gehak en geklop opnieuw, totdat al spoedig het model is te zien. Een bewonderingswaardigen kijk hebben die menschen op dergelijk werk. De rondingen worden nauwkeurig aangebracht met de prauwschaaf en zoolang doorgehakt, totdat de bodem een dikte van ongeveer 2 vingers heeft; met een boor wordt een gat in den bodem gemaakt, om daardoor de dikte te kunnen controleeren. Intusschen zijn anderen reeds bezig met het aanmaken van de boorden, lange planken, welke met rotan op den bodem worden vastgebonden, nadat hiertusschen bij wijze van pek een zachte sponzige lat is aangebracht, verkregen uit het binnenste van de nerf van een palmblad, nadat het geplet is om door de vocht beter te kunnen uitzetten. Van voren en van achteren wordt de prauw met plankjes afgesloten, welke dikwijls met keurig snijwerk worden versierd. Is de prauw ten slotte nog gebrand en zijn de roeiriemen aangemaakt, dan is ze gereed en onder vroolijk gejuich wordt deze te water gelaten. Twintig jonge mannen zijn meestal in een dag of drie met een dergelijk werk gereed. Meestal is de prauw z gemaakt, dat ze naar rechts overhelt, omdat naar links overhellen een ongunstig teeken [97]is. Bij het laden der prauw wordt hiermede rekening gehouden. Al naar gelang de makers er zin in hebben, wordt de prauw met allerlei figuren versierd en bewondert men reeds hun vaardigheid bij het maken van de prauwen zelf, nog meer geldt dit voor deze snijkunstenaars, die bij het bezichtigen van een vormloos, ruw bekapt stuk hout, het concept kunnen vormen van het daaruit te voorschijn te roepen grillige en fantastische, doch immer van mooie lijnen getuigend beeld.

Eindelijk sloeg het uur van vertrek en nadat we allerhartelijkst afscheid hadden genomen van de gastvrije familie Landzaat, vertrok onze vloot onder de lustige tonen van de aanwezige “slomprets”. Het was een schoone dag en vroolijk gingen we voorwaarts.

Denzelfden dag nog kwamen we—hoewel lang niet allen tegelijk—in de dajakkampong Long Klian aan.

Het vrouwelijk hoofd van deze kampong Hadji Boea ontving ons allervriendelijkst en welbespraakt als ze is, had ze ons dadelijk allerlei nieuws te vertellen en wilde ze van ons ook allerlei dingen weten. Zij had Dr. Nieuwenhuis zeer goed gekend en sprak waardeerend over hem; eveneens over Barth, Spaan en andere bestuursambtenaren.

’s Avonds was er ter onzer eere groot dansfeest. Door eenige aardige Bahau-meisjes werd een zwaardendans uitgevoerd, begeleid door de tonen van kledi en samp, waarmede zich eenige verliefde jongelingen belastten. Aan hun blikken en lonkoogen was duidelijk te zien, wie van de [98]schoone danseressen zij tot vrouw begeerden. De danspassen werden keurig uitgevoerd, gepaard met allerlei bewegingen van lichaam en armen. Na afloop hiervan kregen we een tooneelspel in n bedrijf, uitgevoerd door drie mannen, waarvan n verkleed als vrouw.

Hadji Boea, zelf reeds op leeftijd, is een intelligente dajaksche vrouw, welke eenige jaren geleden de bedevaart naar Mekka volbracht; ze is nu gehuwd met een jongen Bandjarees Abdullah, die dit blijkbaar deed om de gunstige handelsbetrekkingen, die daardoor ontstonden. De maleiers toch vormen de verbinding tusschen de dajaks en de buitenwereld; zij zijn het, die de binnenlanden intrekken, de boschproducten verzamelen of inkoopen en deze daarna weer van de hand doen aan chineesche of arabische handelaren. Dat de dajaks van dezen handel dikwijls de dupe worden, behoeft geen betoog, al is dit de laatste jaren door inmenging van bestuursambtenaren veel verbeterd.

Huwelijken van dajaksche vrouwen met maleiers komen meermalen voor; omgekeerd niet. De vrouwen gaan in zulk een geval meestal tot den Islam over; ze blijven echter in de kampong wonen. Na eene eventueele echtscheiding keeren ze meestal weer tot het oude geloof terug. Zelfs huwelijken met europeanen komen voor.

In Long Klian troffen we een echt Bahau-huis aan. Een dajakkampong bestaat slechts uit enkele huizen; elk op zichzelf een combinatie van woningen van meerdere families. Langs den voorkant loopt eene doorloopende galerij, terwijl [99]daarachter zich de afgeschoten kamers bevinden. Dit model wordt ook door de Kenja’s gebruikt, maar de palen, waarop de huizen rusten, zijn lager dan die der Bahau’s. In het midden is meestal de woning van het dajaksche hoofd, kenbaar aan het hoogere dak, terwijl ook de voorgalerij van dit gedeelte meer naar voren steekt. Meestal is dit beter afgewerkt, de pilaren zijn met snijfiguren versierd, terwijl de wand tusschen woning (lamin) en voorgalerij (awa) dikwijls beschilderd is met het bekende naga- of drakenmotief. Een ingekeepte boomstam geeft toegang tot de huizen. Een eenigszins afwijkende vorm hiervan vertoont het Long Glattype. Ook dit is op palen gebouwd, maar de galerij bevindt zich onder het huis; een trap geeft hier toegang tot de daarboven gelegen familiekamers; het trappengat wordt met een luik gesloten. Vanuit de galerij kan men naar buiten zien, terwijl deze gebruikt wordt voor huishoudelijke bezigheden, zooals stampen van rijst, bergen van rotan, ontvangen van gasten. Een dergelijk model vertoont het huis van Bang Djoek te Batoe Kelaoe; hier steekt het huis van het hoofd boven dat der anderen uit. Ook komt het reeds voor, dat de huizen afzonderlijk worden gebouwd, zooals b.v. met bovengenoemd huis het geval is. De familiewoningen zijn hier dikwijls door kleine openingen, al of niet door een deurtje gesloten, verbonden.

Daar het water ons gunstig was, konden we reeds den volgenden morgen vroeg het gastvrije huis van Hadji Boea verlaten. ’s Morgens vroeg was er reeds gekookt voor den tocht onderweg, [100]alle goederen werden weer door de dajaks voorzichtig in de prauwen gelegd en nadat we hartelijk afscheid genomen hadden, uitgeleide gedaan door bijna de geheele kampong, gingen we weer welgemoed verder; denzelfden dag konden we dan ook nog Ma Mehak Tebo bereiken, een flinke Bahau-kampong. Het zaai- of toegalfeest was hier in vollen gang, zoodat het dan ook verboden was de meeste huizen binnen te gaan (lali), hetgeen door een teeken op de deur, waaraan een bosje takken, hout of iets dergelijks gebonden wordt, duidelijk was gemaakt. Toen ik bij vergissing een dergelijk huis binnenging en daarover mijne verontschuldigingen aanbood, werd mij dit echter in het minst niet kwalijk genomen; het gold slechts voor lieden van den eigen stam, dajaks en maleiers, niet voor europeanen.

Voor de huizen waren allerlei figuren opgesteld, kunstig versierd met allerlei bladeren en houtkrullen, welke dienden om de booze geesten af te weren, die een slechten invloed op den oogst zouden kunnen uitoefenen.

Dat het toegalfeest—noegal beteekent het vieren van een dergelijk feest—, eene belangrijke plaats in het dajakleven inneemt, behoeft geen betoog, daar het gelukken van den oogst voor hen eene levenskwestie is. Zoowel de Bahau als de Kenja legt droge rijstvelden aan; door de mannen wordt een geschikt stuk grond uitgekozen, nadat door het hoofd de vogels of andere dieren geraadpleegd en de voorgeschreven verbodstijden zijn voorbijgegaan; vervolgens wordt het struikgewas gekapt en wanneer dit door de [101]zon gedroogd is, in brand gestoken. Nadat vervolgens nog de groote boomen zijn omgehakt, is de grond gereed voor het zaaien met de pootstokken. Zoo mogelijk wordt met het zaaien gewacht tot op den dag, dat de zon op een bepaald punt van den horizon ondergaat. Niet alleen bij de dajaks is dit het geval. Ook de bewoners van Boeloengan langs de kustgebieden, de maleiers, wachten met het planten, totdat het sterrenbeeld Orion (maleisch bintang tiga) een bepaalden stand heeft aangenomen, hetgeen ieder jaar op dezelfde tijdstippen plaats vindt, aangezien Orion haar baan in denzelfden tijd aflegt als de zon. Van andere streken uit Indi is dit eveneens bekend, o.a. uit Palembang, waar de bepaalde stand moet worden waargenomen bij het doorkomen van de morgenschemering.

Is het werkelijke zaaien begonnen, dan begeven allen zich naar het veld, maar het gebeurt wel, dat slechte voorteekenen de werkzaamheden alsnog verhinderen. Vooral de eerste dag is belangrijk. Ziet men b.v. een ree over het veld loopen, ontmoet men een waarzeggingsvogel, die naar links opvliegt, ontdekt men een roodkoppige slang, die den kop richt in de richting van het huis of breekt een ernstige ziekte uit, dan zullen allen onmiddellijk terugkeeren en zal men in plaats van rijst iets anders planten. De dajak is echter slim; om dergelijke ongunstige teekenen niet te zien, gaat hij bij voorkeur ’s nachts naar het veld.

Om het moeizaam heen en weer trekken naar de ladangs te voorkomen, bouwt men daarop—[102]indien deze ver van de kampong verwijderd zijn—kleine, tijdelijke woningen (lepau), waardoor het verband in een kampong dikwijls verloren gaat. Meermalen gebeurt dit opzettelijk, omdat een gedeelte der kampongbewoners het niet kan vinden met het hoofd, hetgeen dan een lange reeks van moeilijkheden tengevolge heeft, waarvan de oplossing den bestuursambtenaar dikwijls vele zorgen baart.

De religieuse feesten, die men gedurende den rijstbouw pleegt te vieren, zijn bij verschillende dajaks verschillend, maar aan alle ligt de begeerte ten grondslag, de geesten, die te veld staande gewassen zouden kunnen schaden, tevreden te stellen en gunstig te stemmen. Daarom mogen vreemdelingen ook nooit deze feesten bijwonen, daar dezen de geesten zouden verschrikken en ergeren.

Op den eersten dag van het plantfeest mag niet gebaad worden; daarna volgt eene rustperiode van acht dagen, terwijl op den tienden dag wederom het badverbod in werking treedt. In de volgende periode worden de groote velden beplant, waarna het rijstplanten na nog n dag badverbod is afgeloopen.

Gedurende de gedwongen rusttijden houden de dajaks zich met allerlei huiselijke dingen bezig en tevens met de voorbereidingen voor de groote maskerdansen. De maskers (hoed) stellen alle booze geesten voor (zie afb. 19 en 20). De lichamen der dansers worden bedekt met in lange reepen gespleten pisangbladeren en aldus uitgedost worden de dansen, begeleid door een gong, uitgevoerd. Het gelijkt veel op het javaansche [103]tandakken, maar ook krijgsdansen worden uitgevoerd, soms geheele voorstellingen gegeven.

Worden deze feesten reeds met veel animo gevierd, de glansrijkste hebben wel plaats met nieuwjaar, wanneer de oogst is binnengehaald en de schuren vol rijst zitten. De mooiste kleeren, die steeds zorgvuldig bewaard worden, worden voor den dag gehaald en iedereen leeft acht dagen lang in een roes van feestvieren en smullen; vreemdelingen zijn thans welkom. Alle gewichtige familiegebeurtenissen worden zooveel mogelijk tot deze dagen verschoven: de kinderen krijgen thans hun werkelijken naam, bruiloften worden gevierd en wat niet al. Thans is het de tijd, dat de maleische handelaren naar boven gaan en tegen dikwijls hooge prijzen hun prulwaren aan den man weten te brengen; iedereen is royaal en iedereen wil zich gedurende de feesten zoo mooi mogelijk maken.

Op den bepaalden dag worden onder dankzeggingen der priesters groote offers, bestaande uit allerlei lekkernijen, verzameld in het huis van het hoofd en door de gansche kampong bijeengebracht aan de geesten geofferd om hen te danken voor den overvloedigen oogst, waarna nog meerdere dagen van overvloedige diners plaats hebben, totdat in de kampong weer de rust van elken dag weerkeert. In de Mahakam-gebieden worden bij dergelijke gelegenheden geen sterke dranken gedronken, echter wel in overig dajakland.

In Ma Mehak troffen we de eerste christen-dajaks aan, leerlingen van de eenige dagen [104]stroomopwaarts gelegen school te Laham. Het was duidelijk, waar deze woonden, weinige als ze zijn. Op de deur van hun woningen toch waren portretten van den Paus, afbeeldingen van Christus en verschillende crucifices vastgehecht als onheilafwerende djimats.

Ook deze kampong wilden we zoo spoedig mogelijk weer verlaten; een snel opkomende bandjir belette ons dit echter, welke ons niet alleen den volgenden dag, maar zelfs meerdere dagen ophield.

Op dergelijke tochten echter raakt men aan een zoodanig oponthoud gewoon; het is wel voorgekomen, dat ik tien dagen in een eenzaam boschbivak moest wachten voor eene stroomversnelling, omdat het water maar woest bleef voortbruisen. Maar eindelijk konden we doorreizen en nadat we Long Howong waren gepasseerd, waar juist groot geestenbezoek was geweest, hetgeen bleek uit de vele vr de kampong opgestelde voorwerpen, bereikten we eindelijk Laham, den katholieken zendingspost, waar we allervriendelijkst door Pastoor Goossen werden verwelkomd. Toen we de laatste bocht namen en Laham in het gezicht kregen, was het werkelijk aardig het echt hollandsch gebouwde kerkje te zien, uit hout opgetrokken en staande op hooge palen met het oog op bandjirs. Rustig en fier verhief zich het hollandsche torentje temidden der dajaksche omgeving; we meenden een oogenblik weer in Holland te zijn en even dwaalden onze gedachten af naar een hollandsch dorp.

De zending bestaat hier sedert 1908, gesticht door de orde der Capucijners, wier algemeen hoofd te Rome zetelt. Van de orde vormen [105]Nederland en zijne kolonin eene z.g. provincie onder prefecten. De prefect van Borneo is te Pontianak gevestigd; ook Laham ressorteert hieronder.

Gedurende ons verblijf was de prefect, een echt middeleeuwsch monnikentype, juist op inspectie.

Bij de vestiging behoort eene zendingsschool, welke eene gouvernementssubsidie geniet; er zijn ongeveer 35 leerlingen met een menadoneeschen onderwijzer, allen intern en op nette wijze ondergebracht. We bezochten den volgenden dag de school, waar eenige liederen ten gehoore werden gebracht; zelfs ons volkslied werd gezongen in het hollandsch en in het maleisch. Met hun frissche stemmen zongen ze van Nerlands vlag: merah, poetih, biroe! Merah, rood, eischt eerbiediging voor God en Koningin; poetih, wit, een rein hart; biroe, blauw, stelt de Vorstin als voorbeeld van hechte trouw!

Of de zending in deze gebieden veel succes zal hebben, is eene vraag, die de zendelingen zelve waarschijnlijk ontkennend moeten beantwoorden; het ligt in den aard der zaak, dat deze natuurmenschen niet ontvankelijk zijn voor onze opvattingen; zij blijven dezelfde dajaks, die ze zijn; zelfs zijn ze onbruikbaarder geworden, daar ze meenen reeds de wijsheid in pacht te hebben, als ze slechts eenige woorden kunnen schrijven of lezen; zj zijn het, die ongeschikt worden voor het eenvoudige landwerk en zich daarboven verheven voelen, zij zijn het, die hun sierlijken tjawat afleggen, deze door jas en broek [106]vervangen, als kleine boefjes door de kampong rondloopen en hun kamponggenooten opruien tot het inbrengen van allerlei klachten en opmaken van rekesten.

Pastoor Goossen was juist van zijn reis dwars door Borneo teruggekeerd. Den Mahakam opvarend met 5 leerlingen van zijne school, was hij het scheidingsgebergte overgetrokken, had aldus Poetoes Sibau in de Westerafdeeling bereikt en was toen verder de Kapoeas per stoomertje afgezakt naar Pontianak. Het verhaal klinkt eenvoudig, maar voor wie Borneo kent, zullen de moeilijkheden van een dergelijken tocht duidelijk zijn. De reis, welke ondernomen werd om na te gaan of deze streek wellicht een arbeidsveld opleverde voor de zending en tevens om verbinding te krijgen met de vestigingen in de Westerafdeeling duurde ongeveer 1 maand door het onherbergzame binnenland. Wel is het reizen gemakkelijker dan een twintig jaar geleden, toen dr. Nieuwenhuis “quer durch Borneo” trok; toen stond men absoluut onbekend tegenover deze gebieden en de omstandigheden, waaronder die tochten volbracht werden, waren heel wat moeilijker dan thans, nu de kennis van die streken zooveel grooter is en de toestanden zooveel meer geordend zijn. Na Mller, die in 1825 vermoord werd en Molengraaff, die einde 19e eeuw veel studies in Centraal-Borneo maakte, was het vooral prof. Nieuwenhuis, die de kennis van deze gebieden ten zeerste verrijkte. Het bekende over die tochten geschreven werk zal tientallen en tientallen van jaren de bron blijven voor hen, die eene studie willen maken van [107]deze gebieden. Het geheele denken en leven van den dajak is met groote nauwkeurigheid beschreven. De journalen van militaire patrouilles en verslagen van bestuursambtenaren verder hebben ook veel ertoe bijgedragen deze gebieden nader tot ons te brengen, maar de eenige bron is tot heden bovengenoemd werk gebleven, speciaal voor de Mahakam en—hoewel minder uitgebreid—voor Apo Kajan; de noordelijker gelegen gebieden zijn echter niet behandeld. In Apo Kajan reisde nog in 1903 de controleur van Walchren, van wiens hand een tijdschriftartikel verscheen en welke tocht uitvoeriger werd beschreven door den toegevoegden medicus Tehupeiory in zijn werkje: “Onder de dajaks van Centraal-Borneo”, een zeer sympathiek en leerzaam reisverhaal. Voor de taal is nog van belang het boek van Barth. Merkwaardig is nog de reis van dr. Carl Lumholtz, een noorsch onderzoekingsreiziger (van December 1915 tot Augustus 1916). Het doel was de Barito op te varen, zijwaarts af te steken naar de noordelijke zijrivier, de Boesang, om vervolgens de waterscheiding over te gaan en aldus te komen in het Mahakamgebied. In zijn, naar Amerika gezonden, 2000 woorden bevattend telegram, deed hij het voorkomen alsof hij voor het eerst deze gebieden bezocht en dischte daarbij allerlei bekende feiten als zoovele nieuwigheden op. Stellig heeft hij—aldus prof. Niermeyer in de Telegraaf van 6 October 1916—aan de mate van bekendheid met Borneo in Engeland, Amerika en in zijn vaderland Noorwegen, gedacht, toen hij zijn telegram opstelde. De reis [108]langs de Barito was toch reeds in 1905 gedaan door den kapitein van het indisch leger, J. J. Stolk, van wiens hand ook een artikel daarover verscheen, waarvan de bijzonderheden overeenkomen met het door Lumholtz medegedeelde.

Bij onze aankomst in Laham verkeerde de dajaksche gemeente in groote vreeze voor eene aanstaande snelpartij, eene vrees, welke ieder jaar schijnt terug te keeren. Er waren lieden aangekomen, die beweerden in het bosch teekenen en sporen gezien te hebben, welke wezen op eene aanstaande snelpartij, zoodat met groot genoegen werd gezien, dat er een transport, begeleid door militairen, naar boven ging. Niet alleen zijn ze bang voor een inval van Hebans uit Serawak, maar ook van Kenja’s uit Apo Kajan en zelfs van maleiers, van wie gezegd wordt, dat ze elk jaar een kop noodig hebben voor den sultan van Koetei, daar anders de grond geen petroleum meer zou leveren.

Het snellen is eigenlijk eene laffe bezigheid. Een dajak zal zijn tegenstander nooit in een openlijken strijd neervellen; op de meest laaghartige wijze wordt de vijand, hetzij man of vrouw of kind, beslopen en vanuit zijn schuilplaats schiet de belager hem neer, hetzij met een geweer, zoo hij dit heeft, hetzij met een soempitan, waaruit een giftig pijltje wordt geblazen. Eerst wanneer de sneller van uit zijn schuilplaats heeft gezien, dat zijn vijand werkelijk weerloos is, komt hij naar buiten en slaat met zijn mandau het hoofd van den romp. Meestal snelt een dajak onder naburige dajakstammen, maar ook hoofden van andere inlanders zijn [109]hem welkom; een europeaan zal hij nooit snellen; de eenige europeaan, die in deze gebieden is vermoord geworden, was Mller (1825), maar hierbij valt niet aan eene snelpartij te denken. Hoewel snellen door ons gestraft wordt als moord onder zeer verzachtende omstandigheden, is het toch eigenlijk een heel ander begrip. Het komt waarschijnlijk uit de gedachte voort, dat de sneller zich meester wil maken van de ziel van den verslagene, welke voornamelijk in het hoofd zetelt, opdat deze een schutsgeest zij voor den bezitter en tevens opdat deze eenen overledene dienaren en slaven in het dajak-hiernamaals, het Apo Kesio, bezorge. Als zoenoffer voor het vergoten bloed is het bij sommige dajakstammen gebruikelijk, dat ze na een sneltocht een lok van het haar, eveneens zetel van de ziel, de rivier doen afzakken.

Aanleiding tot snellen doet zich bij verschillende gelegenheden voor en wel in de eerste plaats bij den dood van een hoofd. Deze schaamt zich alln in het Apo Kesio te komen en heeft dus n of meer gesnelde koppen van noode. Tegenwoordig nog moeten voorzorgsmaatregelen daartegen genomen worden. Zoo stierf in begin 1919 het dajakhoofd Lian Toeran, zeer berucht wegens zijne vele snelpartijen. Ik bevond mij toen juist in Poedjoengan en op het bericht van zijn dood ontbood ik onmiddellijk zijn beide zoons, hield hun voor, dat ze geenszins op sneltocht mochten gaan en dat ik hen eventueel zou verantwoordelijk stellen en zwaar zou straffen. Hoewel men overal fluisterde, dat er een groote wraaktocht op touw werd gezet, [110]heeft die toch niet plaats gevonden. Ook aan de Mahakam hebben zich dergelijke gevallen voorgedaan. Zeker kan men er van zijn, dat, als ze ten dezen opzichte geen vrees voor de Kompenie koesterden, snelpartijen nog aan de orde van den dag zouden zijn.

Een tweede reden om op sneltocht te gaan, kan gelegen zijn in het afleggen van rouw, welke eene bepaalde periode duurt, maar om dezen geheel te kunnen uitwisschen, is het noodig, dat men de schedelversiering met een verschen kop vermeerdert. In de derde plaats dient het om zijn moed te toonen, al is die volgens onze begrippen dan ook niet heel groot. Na het snellen toch mag de jonge dajak zich tooien met de tanden van den koel of panter, welke aan den bovenkant door het oor gestoken worden met de punt naar voren, of met een oorhanger, gemaakt uit de sneb van een neushoornvogel (tĕboen).

Aldus versierd waagt hij het zich te vertoonen voor het meisje van zijn hart en haar zijn liefde te bekennen. Tevoren zou hij zeker zijn afgewezen en telde hij niet mee in de rij der mannen. Wel heeft hij, thuisgekomen, te bewijzen door een eed, dat hij werkelijk bedoelden kop heeft gesneld, maar in het algemeen wordt het daarmee niet zoo nauw genomen. Deze eed bestaat hierin, dat hij twee ronde steenen op elkaar heeft te leggen. Gelukt hem dit, dan is hij inderdaad de sneller, zoo niet, dan heeft hij zich die op eene of andere oneerlijke wijze toegeigend.

Ten slotte vinden snelpartijen hun grond [111]meermalen in wraak. Wel kan eene verzoening tot stand komen door teruggave der koppen en het betalen van een bloed- of zoengeld, evenals in onze middeleeuwen aan de naaste familieleden van het slachtoffer, maar dit gebeurt zelden en zoo het gouvernement niet ingreep, zou op deze wijze daaraan evenmin als bij de vendetta, ooit een einde komen, daar de laatste misdaad steeds weer door een volgende gewroken zou dienen te worden. Zoo veroordeelde ik te Boeloengan eens een jongen dajak, naar schatting niet ouder dan 16 of 17 jaar, tot 5 jaar gevangenisstraf, daar hij betrokken was in eene snelzaak en zelf den moord had volbracht. Op de terechtzitting bleek, dat ruim 6 maanden geleden de moeder van beklaagde was gesneld, die in haar eentje op de ladang aan het werk was; hieruit blijkt, dat zelfs vrouwen, trouwens ook kinderen, niet ontzien worden. Het eigenaardige echter was, dat beklaagde niet den moordenaar zelf van zijne moeder had kunnen snellen, daar deze intusschen gestorven was, maar daarvoor een familielid nam, dien hij toevallig op zijn weg was tegengekomen.

Zooals reeds gezegd, heeft het snellen tegenwoordig geen grooten omvang meer en het ontbreken van schedels geeft den dajak, die nog aan den ouden adat hecht, dikwijls veel moeilijkheden bij het vieren van zijne adatfeesten. Zoo vroeg mij eens een dajak of hij een stukje mocht hebben van een der schedels uit mijne verzameling of anders van die, welke als stukken van overtuiging op mijn kantoor hingen. Het [112]was hem niet duidelijk, wat ik daarmede moest doen en bovendien gaf het vele moeilijkheden bij het aanstaande te vieren meerderjarigheidsfeest van zijn jongsten zoon. Bij gebrek aan een heelen schedel zou hij dan maar met een stukje genoegen nemen. Zoo werden in het geheim ook wel schedelstukken tusschen de dajaks verhandeld, wat natuurlijk niet toegelaten werd. In verschillende dajaksche kampongs toch worden nog schedelversieringen aangetroffen uit vroeger tijd (zie afb. 12) en zoolang er geen bijzondere reden voor bestaat, wordt hun toegestaan deze in hunne voorgalerij te laten hangen.

Meestal zijn het slechts de stamhoofden, die in het bezit daarvan zijn en doordat ze geregistreerd zijn, bestaat er contrle op.

Op sneltocht (zie afb. 34 en 35) kleedt de dajak zich meestal in volle wapenrusting. Op het hoofd eene bedekking van ongespleten rotan, dikwijls overtrokken met de huid van een aap of lynx of kralenversiering met naga-motief en versierd met veeren, in de hand een blaasroer (soempitan) met zwaar giftige pijlen en lanspunt, aan de zijde het zwaard of mandau. Op het lichaam droeg hij eertijds de gewatteerde jas tegen pijlschoten; thans is dit echter in onbruik geraakt. Om het middel windt hij zich het lendenschort of awĕt, vroeger van boomschors (foeja), thans van linnen of katoen gemaakt, waaraan zijn pijlkoker, van bamboe gemaakt, hangt en waarin de vlierdoppen worden geborgen en nog een ander kokertje voor zijn tabak met vuurslag. Over zijne schouders hangt een dierenhuid van den koel of panter en een draagmand (blanjĕt) [113]voor het medenemen van zijn rijst voor eenige dagen en een van palmblad gemaakte tentbedekking. In de handen ten slotte nog het houten schild, beschilderd met allerlei gezichten en draken om den vijand af te schrikken. Na eene snelpartij heeft altijd een feest plaats, waaraan dikwijls de geheele kampong deelneemt.

Hoewel voor een buitenstaander meestal niet merkbaar, bestaan er in een dajakkampong verschillende standen. Bij de Bahau’s aan de Mahakam onderscheidt men den hoogen (hipoei aja), den kleinen (hipoei oek) en den laagsten adel (poenggawa). Beneden dezen staat de gewone kampongman (panjin) en ten slotte de slaven (oeloen), hoewel deze officieel niet meer kunnen bestaan. Hun toestand is echter van dien aard, dat het geene aanbeveling zou verdienen, daarin verandering aan te brengen. Ze worden goed behandeld, wonen bij hun meesters in en hoewel ze in het algemeen wel bestemd zijn voor gewone, minderwaardige werkjes, hebben ze absoluut geen reden tot klagen; het overgroote deel zou dan ook niet gaarne van bestaan willen veranderen. Slechts enkele malen werd ingegrepen, nmaal toen ik in Poedjoengan zijnde een dajak meenam, die verzocht had teruggevoerd te worden naar zijn stam aan de boven Melinaurivier in de Tidoengsche landen, vanwaar hij indertijd geroofd was. Aan zijn verzoek werd natuurlijk voldaan. Later nog eens, toen ik in de Lepo Maoetstreken vertoefde, verzocht een der Njiboenghoofden mij of ik mijne bemiddeling wilde verleenen om eene vrouw, welke bij Lian Toeran in Poedjoengan [114]woonde als slavin, aan hem terug te geven.

Later besprak ik deze aangelegenheid, maar de vrouw zelve wilde van geen terugkeeren weten, daar ze in den nieuwen stam reeds gehuwd was en kinderen had. In dit geval was er geene aanleiding haar met geweld terug te voeren. Vroeger intusschen was hun toestand veel slechter en werden ze zelfs dikwijls bij den dood van hun meester opgeofferd ter beindiging van den rouw. Zelfs bij den dood van het beroemde dajakhoofd Kwing Irang werd nog gevraagd een slaaf te mogen dooden. Bij den dood van een slaaf blijkt ook thans nog zijn afkomst. Hij wordt nl. in een eenvoudige kist, op eene afzonderlijke plaats begraven, terwijl de hoofden schitterend bewerkte kisten en doodenhuisjes (salongs) krijgen.

Alle dajaksche stammen zijn animisten met uitzondering van eenige weinige christenen en mohammedanen. Als zoodanig vertoonen de verschillende dajakstammen dan ook veel overeenkomst, al bestaat er in onderdeelen, benaming enz. natuurlijk wel verschil. Prof. Wilken definierde het begrip animisme als volgt: “Het animisme uit zich in twee ongeformuleerde en onuitgesproken, maar met onbepaald geloof aangehangen leerstukken. Het eene, het grond-dogma luidt: alles in de natuur, in dieren- en plantenwereld, het bewerktuigde en onbewerktuigde, ieder voorwerp, groot of klein heeft een ziel. Het tweede dogma kan aldus worden uitgedrukt: De zielen of geesten, die in de voorwerpen wonen, hebben de macht die te verlaten en vrij rond te spoken, onbelichaamd voort te [115]leven of in andere lichamen over te gaan.” Men heeft aldus fetisisme: aanbidding van zinlijk waarneembare voorwerpen als bezielde wezens en spiritisme: vereering van onzichtbare, onbelichaamde geesten en van de zielen der afgestorvenen.

Men behoeft echter niet te denken, dat een dajak, evenmin als waarschijnlijk een oude griek, in voortdurende vrees zou leven. Hij is niet fanatiek en spotten of grappen maken over zijne geesten wekt den lachlust en het is in het geheel niet verwonderlijk, wanneer hij het bij bepaalde gelegenheden met zijne geesten op een accoordje gooit. Wanneer hij bijvoorbeeld uit de vlucht der vogels iets ongunstigs gelezen heeft en hij vindt het om een bepaalden reden zeer gewenscht, een of anderen tocht te maken, dan raadpleegt hij nogmaals de vogels en blijven de teekenen ongunstig, dan weet hij wel een reden te vinden om dit ongedaan te maken. Wanneer hij tegenwoordig met europeanen reist, bemerkt men van dit raadplegen der voorteekens niets meer. Wachten, zooals b.v. Nieuwenhuis, van Walchren, Tehupeiory en andere reizigers indertijd deden omdat er ongunstige teekens waren waargenomen, is thans ondenkbaar. Wel probeeren ze het soms, wanneer ze niet veel zin hebben om verder te roeien, maar daaraan storen we ons niet. Slecht tweemaal gedurende de drie jaar, dat ik Borneo bereisde, heb ik me eenige oogenblikken daardoor laten ophouden; dit was in de Tidoengsche landen aan de boven Sembakoeng, waar de dajak veel primitiever en ouderwetscher is dan in de zuidelijke gedeelten. [116]

Den eersten keer konden we er af komen door met de prauw viermaal in het rond te draaien en de tweede maal door ter plaatse gezamenlijk een strootje te rooken, een oponthoud, dat in beide gevallen niet langer dan enkele minuten duurde.

In het algemeen schamen ze zich tegenover de europeanen wel een weinig over hun gewoonten; maar onder elkaar reizende, wordt er nog steeds rekening mede gehouden. Toen ik einde 1919 dajaksche roeiers aanwierf voor de wetenschappelijke expeditie naar Centraal Nieuw-Guinee, vroeg men mij toestemming de vogels te mogen raadplegen, hetgeen ik toestond onder die voorwaarde, dat ze gunstig moesten zijn. Den uitslag van den wichelaar heb ik niet vernomen, maar het gevraagde aantal, zelfs meer dan dat, ging mee.

Toch zullen dajaks in hun eigen milieu zich nog wel hieraan houden, vooral bij groote tochten, als handels- en sneltochten. Er worden dan 5 vogels en een hert geraadpleegd. Bij kleinere tochten of met europeanen wordt alleen de pelaki of kiekendief en de boekang d.i. een klein staartloos kolibrietje, geraadpleegd, wat op zijn hoogst 5 dagen in beslag neemt. Het raadplegen geschiedt in het bosch in pondoks of kleine hutjes, steeds aan den rivieroever, bovenstrooms of benedenstrooms, al naar gelang de reis stroomop of stroomafwaarts zal zijn. Ze mogen niet gestoord worden noch naar de kampong terugkeeren. Is de tocht eenmaal aangevangen, dan moeten de reisgenooten langs dezen pondok en aldaar overnachten. Vogels naar links vliegend of in de [117]tegengestelde richting van de reis, gelden als ongunstig.

Het bovenaardsche denkt de dajak zich ingericht als zijn eigen maatschappij; de geesten zijn begiftigd met menschelijke eigenschappen, evenals we dat in de mythologie van Grieken en Romeinen terugvinden. Er zijn enkele hoofdgoden, overal met verschillende namen aangeduid, die in den hemel wonen; de helder witte wolken zijn daarin de rotsen en dit is ook de verblijfplaats der zielen, welke soms ook in dieren huizen, b.v. apen of honden, van welke de eerste bij sommige, de tweede bij alle stammen goede verzorging ondervinden.

Daarnaast bestaan vele geesten, die zich overal in bevinden. Het onweer is de stem van een geest, het weerlicht zijn tong, de regenboog zijn lendenschort, dat te drogen wordt gehangen. In zooverre vindt de dajak zijne omgeving ook veel gemakkelijker te begrijpen dan wij, die dikwijls peinzen over het waarom der dingen of het doel van het leven, waarbij we toch geen antwoord vinden. De dajak denkt daar niet over, hij vindt alles verklaarbaar en leeft blijmoedig verder. Voor hem schijnt een dag, waarop hij niet gelachen heeft, een verloren dag te zijn!

Welk een verschil met den strakken javaan of maleier!

De eenige moeilijkheid echter voor hem is den wil der goden te kennen, de goden, die evenals zijne aardsche hoofden, maar dan veel strenger, kunnen straffen. Enkele mannen of vrouwen, die daartoe uitverkoren zijn, zijn in staat de verbinding tusschen den mensch en de geestenwereld [118]tot stand te brengen. Om in extase te geraken, staren ze op een blinkend voorwerp onder rythmisch gezang der omstanders; hun ziel verlaat tijdelijk het lichaam en na terugkomst daarin weten zij den wil der goden en kunnen den vragenden mensch raad geven.

Of deze dajaksche heiligen-priesters betrouwbaar zijn, is mij niet bekend; van de romeinsche augures, die dezelfde diensten verrichtten, werd door het volk beweerd, dat deze elkaar op straat niet konden voorbijgaan zonder in lachen uit te barsten over de dwaasheden, die zij den menschen verkondigden. Wel genieten deze menschen bij de dajaks een zeker aanzien en verrichten zij ook diensten bij genezing van zieken. Ook is de wil der goden soms kenbaar door dieren en als zoodanig hecht de dajak groote waarde aan droomen; loopt b.v. een slang door het huis of droomt hij dit, dan is dit een ongunstig teeken en zijn de goden verstoord. Ziet hij in zijn slaap een huis instorten, dan staat hem ook allerlei kwaad te wachten. De geesten en goden denkt men zich als strenge rechters; bij niet opvolging van hun wil, straffen ze met misoogst, omslaan van handelsprauwen, veroorzaken van ziekten en andere narigheden. Onder dergelijke omstandigheden wordt de dajak bevreesd. Zoo zag ik in de boven Bahau het ladangwerk, dat al aardig gevorderd was, opgegeven, omdat er enkele sterfgevallen onder de bewerkers van het veld waren voorgekomen. Of deze families later gebrek aan rijst zouden hebben, daaraan werd niet gedacht. Men wist alleen, dat de goden ernstiger bezoekingen zouden [119]zenden, als ze met de bewerking voortgingen.

Ons verblijf te Laham, hoe aangenaam het ook was, moesten we na 2 dagen beindigen en thans dit laatste tipje van europeesche beschaving den rug toedraaiend, bereikten we na een flinken roeidag tegen den middag Ma Mehak, een groote half maleische, half dajaksche kampong. De maleiers hebben hier een handelscentrum gevormd, doen vandaar uit hun tochten meer naar het binnenland en voeren de verkregen producten naar beneden. Na deze kampong beginnen al spoedig de groote versnellingen; hier verlaten we dan ook het midden Mahakamgebied en komen in de bovengebieden. We onderscheiden de versnellingen in twee reeksen, de oostelijke en westelijke reeks: de eerste begint boven Ma Mehak en loopt tot het vroegere Long Deh, tegenwoordig Batoe Kelaoe, een lengte van ongeveer 43 K.M., de tweede van Batoe Kelaoe tot Long Tepai met een lengte van ongeveer 22 K.M.

Aan de midden Mahakam worden hier en daar bronzout en steenkolen gevonden, hetgeen eene aanwijzing is, dat er meestal ook petroleum voorkomt. Hoewel er uit deze streken geen uitvoer van steenkool plaats vindt, weet de dajak deze zelf wel te gebruiken in zijn primitieve kampongsmederijen, bestaande uit meestal drie dikke, houten buizen met daarin passende houten zuigers; de lucht wordt afgesloten door een krans van vogelveeren. Aan de voorzijde van iedere buis iets boven den grond, bevindt zich een gat, waarin een dunne bamboe past; het [120]uiteinde daarvan rust op den grond. De brandende steenkolen worden daarmee aangeblazen. Dit gebruik zal wel van de maleiers zijn overgenomen.

In deze echt bahausche kampong troffen we een man aan, die door zijn kamponggenooten in de gevangenis was gezet. Deze bestond uit een uit dikke boomstammen samengesteld hok en daar hij als krankzinnige was gebrandmerkt (hij had zijn eigen vrouw vermoord) had men zijn hals en beenen bovendien door een blok gehaald en daarbuiten vastgebonden. Deze maatregelen worden in de kampong steeds genomen, totdat het bestuur deze aangelegenheid nader regelt. Vroeger werden dergelijke menschen eenvoudig afgemaakt.

Het hoofd van Ma Mehak had juist een bericht gezonden naar dat van de meer stroomopwaarts gelegen kampong Long Moeroh, meldend dat een 50 man ongeveer, lieden uit de boven Barito, voornamelijk beruchte Bekompaiers, bezig waren zijn vogelnestjes te rooven. Er zijn toch verschillende hoofden, die zich rechten toekennen, welke ook erkend worden, op de in de vele holen en grotten voorkomende vogelnestjes, die een flinke handelswaarde vertegenwoordigen. Dikwijls worden ze vervoerd naar de boven Barito en daar verhandeld om de tjoekei—10% van de handelswaarde—te kunnen ontduiken. Hoewel het hoofd van Long Moeroh, zooals we den volgenden dag vernamen, zeer ontsteld was op het hooren van het bericht van de rooverijen, durfde hij toch niet zelf de maleiers tegemoet te gaan, bang als ze voor deze [121]lieden zijn, maar riep hij de hulp van het bestuur in, aan welk verzoek we voldeden door bericht van een en ander te zenden aan den gezaghebber te Long Iram.

Op dit riviergedeelte genoten we van de prachtige vergezichten. De oevers zijn hier over een betrekkelijk grooten afstand vrij laag, terwijl op den achtergrond bergen en rotsen zich steil uit den grond verheffen. Boven op die hooge steenmassa’s woonden in vroeger tijd de dajaks, evenals de ridders in hun verheven rotskasteelen. Daar boven voelde men zich veilig, was men onbereikbaar; door snellers kon men niet plotseling overvallen worden en alleen bij hoogen noodzaak verliet men deze veilige oorden. Later toen de toestanden meer geregeld werden, was dit niet meer noodig. Toch worden deze rotsen thans nog wel gebruikt voor het begraven der dooden, ook om beveiligd te zijn tegen roof; voorbijgaande maleiers toch berooven nog wel eens deze graven, waarin allerlei bezittingen van den overledene mede begraven worden. Het is werkelijk een sprookjesachtig gezicht deze kalkbergen, hier en daar helder wit, beschenen door het zonlicht en overigens begroeid met laag opschietend hout. Vooral ’s avonds, belicht door de ondergaande zon, was het een verrukking daarnaar te zien, terwijl we rustig in ons bivak een strootje zaten te rooken.

Nadat we den volgenden dag nog voorbij Long Moeroh waren gevaren,—het bij Nieuwenhuis genoemde Long Bagoen bestaat niet meer—waar we een oogenblik spraken met het vriendelijke hoofd Hau Adjang en zijn vrouw, kwamen [122]we den 25sten October—we waren den 16den te voren van Long Iram vertrokken—voor de geweldige kiham Halo (= vreemdeling) en daar we reeds een zwaren dag achter den rug hadden en deze kiham ons veel moeilijkheden zou bezorgen, besloten we niet verder te gaan, maar een bivak te betrekken aan den voet van dezen steenkolos, vanwaar uit we uitzicht hadden op den ingang daarvan. De versnellingen beginnen hier en zetten in met de geweldigste van alle stroomversnellingen, die ik ooit zag, behalve dan de Bĕm Brĕm in de Kajan of Boeloenganrivier, die onoverkomelijk is.

Bij de kiham Halo is het bovendien bezwaarlijk te voet langs den oever te gaan, daar de wanden zeer hoog en steil zijn en het gaan daarlangs ons ettelijke uren zou hebben opgehouden. Toch blijft een prauwentocht daardoor zwaar en gevaarlijk. Door de genie is een kabel aangebracht langs den rechteroever; daar deze echter slechts voor een bepaalden waterstand dienst kan doen, heeft deze weinig nut. Elk oogenblik toch verandert de waterstand, zoodat soms deze kabel diep onder water ligt of—zooals bij ons—hoog boven onze hoofden uitstak.

Den volgenden morgen vroeg aanvaardden we den tocht met goeden waterstand. Hier zagen we voor het eerst onze dajaks in volle actie; prachtig was het te zien hoe handig ze van hun haken of gaits wisten gebruik te maken. Ieder gaatje in de kolossale steenmassa zagen ze; hieraan werden we hortend en stootend voortgerukt, terwijl onze roerganger ons prauwtje—rank in vergelijking met de massieve steenblokken[123]—tegen de steenen aangedrukt hield. Joelend en gillend gingen we—hoewel langzaam—vooruit. Een enkele maal gebeurde het, dat de voorman de prauw met zijn haak niet kon houden, daar deze op de gladde steenen uitgleed. We werden dan door den slechts enkele meters breeden, snelvlietenden stroom teruggejaagd, maar dadelijk zorgde de achterman, dat we weer tegen de rotsen werden aangedrukt, terwijl op hetzelfde oogenblik drie, vier man voor hun gaits weer een aanhechtingspunt hadden gevonden. Soms ook kwamen we voor een vooruitstekend punt, wat dubbele moeilijkheden gaf; de stroom gleed ons hier dubbel zoo snel voorbij, maar toch wisten ze ons ook hier voorbij te krijgen, al moesten dikke rotans ons ook te hulp komen. Bleek het punt te gevaarlijk of te lastig te passeeren, dan moesten we trachten aan den anderen kant meer succes te hebben. Daarvoor moesten we dan den stroom oversteken, wat dikwijls met levensgevaar gepaard gaat. Geen oogenblik werden de roeiers in deze versnelling met rust gelaten, geen oogenblik mochten ze zorgeloos zijn of het kon enkelen onzer het leven kosten. Valt men in dezen bruisenden stroom, dan is geen redding mogelijk; zwemmen is ondoenlijk, terwijl men dadelijk tegen de steenen te pletter geslagen zou worden. Zoo viel indertijd in mijn vroegere onderafdeeling Semangka, Lampongsche districten, controleur Sanders in de bandjirrende Way Djelai. Geen seconde daarna was hij tegen de steenen te pletter geslagen. En hoeveel geweldiger nog zijn Borneo’s rivieren!

Eindelijk na drie uren zware inspanning bereikten [124]we het hoofd van de versnelling; drie uren van hard werken voor de roeiers waren voorbij en een zucht van verlichting ging op. Een korte rust was welverdiend, temeer daar we de overige prauwen toch moesten afwachten om te zien of ze er alle veilig doorheen gekomen waren. Hiermede waren eenige uren gemoeid, maar alles liep gelukkig zonder ongelukken af, zoodat we, nadat we gegeten hadden, weer verder konden trekken.

Onmiddellijk na de versnelling, eigenlijk eene vernauwing van de rivier met hooge rotswanden, verandert het terrein van vorm. De oevers worden veel lager, het water wordt rustiger en nadat we eenige uren aldus hadden doorgereisd, bereikten we de kiham Oedang, aan den voet waarvan we na dezen zwaren dag van inspanning, in bivak gingen. De mannen hadden het wel verdiend!

Deze kiham Oedang is geheel anders dan de Halo; zij bestaat uit een eenige meters hooge verheffing van het terrein, zoodat het onmogelijk is met de prauwen daar doorheen te varen. Thans komen de dajaks weer in volle actie. Alle goederen worden uit de prauw op de rotsen gezet en vandaar naar het hoofd van de versnelling gebracht. Ieder zorgt voor den inhoud van zijn eigen prauw en het is ongelooflijk hoe netjes de goederen aan de bovenzijde bij elkaar worden gezet. Voor ons lijkt dit een chaos, maar als men er zich maar niet mee bemoeit, komt alles prachtig in orde. De dajak vertoont zich hier in al zijn lichtheid en beweeglijkheid. Zelfs de awĕt, het eenige kleedingstuk, wordt afgeworpen, [125]omdat het hem thans overbodig is. Als een veertje wipt hij met zware vrachten van den eenen op den anderen steen, terwijl de hoofdman op een verheven rotspunt alles overziet, zijn bevelen geeft of eventueel zelf ingrijpt. Zoo loopen ze lachend en pratend tientallen malen heen en weer, totdat alles naar boven is gebracht. Wij wachten intusschen rustig af; geen oogenblik bevangt verveling ons te midden van deze levendige opgewektheid.

Zijn de goederen eenmaal boven, dan zijn de prauwen zelf aan de beurt. Het is niet altijd mogelijk deze door het water naar boven te halen; dikwijls moeten zij bijna loodrecht uit het water worden opgeheven, goed vastgehouden aan de dikke rotanlijnen die de mannen stevig in de hand houden; anderen trekken aan de zijwanden of duwen zoo er een rotspunt is, waarop ze kunnen staan, de prauw van onderen met hun schouders op. Onder luid gejoel vordert deze dan ook spoedig, wordt vervolgens over de steenen voortgesleept en aan de bovenzijde weer te water gelaten. Thans moeten alle goederen weer ingeladen worden en z gelegd, dat ze de vaart niet bemoeilijken. Na eenige uren lagen alle prauwen gereed en konden we weer instappen om de reis voort te zetten en nadat we nog den kiham Wong en Batoe Berang waren doorgegaan, die overigens weinig moeilijkheden veroorzaakten, bereikten we weer kalm water en konden onze wakkere mannen het zich weer wat gemakkelijker maken. Wij genoten hier van de prachtige vergezichten op de Batoe Ajoe, steile, hoog verheven kalkrotsen. Als oude middeleeuwsche [126]kasteelen verhieven ze zich trotsch ten hemel.

Vlak na de bovengenoemde versnellingen voeren we voorbij het gehucht Long Oemawok, een onderhoorigheid van Bang Djoek en na een genoeglijke vaart, daar de rivier hier gemakkelijk te bevaren is, bereikten we diens dorp Batoe Kelaoe, een flinke Long Glatkampong. Bang Djoek werd dadelijk geroepen en keurig in het zwart gekleed, ontving hij ons in zijn ruim, flink gebouwd huis, hetwelk hij een jaar of 10 geleden, dus na het verblijf van Nieuwenhuis, liet bouwen. Hij woonde toen ook nog niet in deze kampong, maar in het een weinig benedenstrooms gelegen Long Deh. In de hand hield hij een stok met gouden knop, versierd met het nederlandsche wapen, als teeken van zijne waardigheid, waarop hij niet weinig trotsch was. Hij vertelde ons, dat hij dien indertijd van dr. Nieuwenhuis had gekregen.

Den 29sten October verlieten we Batoe Kelaoe om den steven te richten naar Long Bakoeng, een vivresdept op den weg van Long Iram naar Long Nawang, waar we den volgenden dag tegen den middag aankwamen. We hebben dan de eigenlijke Mahakamrivier reeds verlaten en zijn aangekomen in de Soengei Boh. Dit is het gebied, waar Nieuwenhuis maanden lang vertoefde en menig verhaal kreeg ik uit dien goeden, ouden tijd te hooren, dat gouden tijdperk, toen elk plantje, elk diertje een linggit (rijksdaalder) opbracht. Nieuwenhuis stond onder hen bekend als een goed woudlooper, driemalen had hij den Batoe Ajoe beklommen! Het vischschieten met bommen leverde toen overvloed van visch. Oemar, [127]mijn tolk, toen nog een kleine jongen, had hem meermalen ontmoet en hij zou het heerlijk vinden den “toean dokton” nog eens terug te zien. Ik van mijn kant moest vertellen, waar de toean nu was en ik steeg werkelijk in hun achting, toen ik mededeelde hem persoonlijk te kennen.

In Long Bakoeng werden onze vivres wat aangevuld en reeds dachten we den volgenden dag verder te trekken, toen Nang, het dajakhoofd ons kwam melden, dat met dezen waterstand de moeilijkheden die voor ons lagen, niet te overwinnen waren en dat hij ons aanried niet af te varen. Daar we er echter niet veel voor voelden om hier te blijven, zouden we toch maar trachten verder te gaan en hoewel met tegenzin werd hieraan voldaan, maar niet dan nadat Nang ons verzekerd had de verantwoordelijkheid niet te willen dragen. En hij bleek gelijk te hebben! Er gingen dien dag drie prauwen verloren, de eerste, terwijl we nog niet ver van Long Bakoeng verwijderd waren. Juist kwam ik met mijn prauw aan, toen we een hoek omvarend, zagen wat er gaande was. De afdrijvende goederen kwamen ons reeds tegemoet, die voorzoover mogelijk, opgepikt werden. Het was een gejoel en geschreeuw om te redden, wat er nog te redden viel, maar met hoeveel inspanning er ook gewerkt werd, het mocht niet baten. De voorhoede van het prauwentransport was intusschen vooruitgegaan, maar daar ook zij vele moeilijkheden ondervonden, was ze dicht bij den kiham Hoeloe in bivak gegaan. Het was onmogelijk met dezen waterstand verder te gaan; daar wij door de ongelukken nog moeizamer vooruitgingen, hadden [128]wij meer benedenstrooms een bivak betrokken, eenige kilometers slechts van Long Bakoeng verwijderd.

Den volgenden dag dachten we niet aan verder gaan, maar terwijl we geduldig zaten te wachten, ging ons plotseling het transport voorbij, maar nu naar beneden varend. Luitenant Simons, die voorzag, dat we waarschijnlijk meerdere dagen door het water vastgehouden zouden worden, oordeelde het beter dit oponthoud door te brengen te Long Bakoeng, waar een behoorlijk officiersverblijf bestond en waar we ons geriefelijker konden inrichten. Ik was met dezelfde gedachte bezield en sloot me dus onmiddellijk aan. En zoo bevonden we ons den volgenden dag weer te Long Bakoeng, waar we nog vier dagen werden opgehouden, vier dagen welke we moesten trachten zoo goed mogelijk te verduwen. De dajaks echter weten zich wel altijd bezig te houden, hetzij met het herstellen van hun prauwen, met het vlechten van rotan, het snijden van houten en beenen voorwerpen, hetzij met jagen en visschen, zoodat een oponthoud hun meestal niet veel zorgen baart. Toch is het hun niet aangenaam langen tijd op ne plaats stil te liggen. Voor afwisseling werd er ’s avonds ook wel geworsteld. In het boek van Nieuwenhuis vindt men daarvan in deel II een foto (taf. 13). Het is prachtig, de fijne, bronsgekleurde lichamen zich te zien kronkelen. De omstanders zien vol belangstelling toe, sporen aan, juichen toe of lachen uit. Het bleef voor ons steeds weer een animeerend schouwspel.

Maar ook aan dit gedwongen verblijf kwam [129]een einde en den zesden November konden we weer vertrekken. Een moeilijk gedeelte stond ons nog te wachten, maar het water was vrij gunstig, zoodat we ’s morgens negen uur al het punt konden passeeren, waar luitenant Simons den eersten keer had gebivakkeerd en over welk traject hij toen den geheelen dag gedaan had. Dit was vlak bij de Soengei Belabau (= muis) tot welk punt—hoogerop worden ze zeer zeldzaam—de z.g. batoe Boh of bohsteenen gevonden worden. Dit is een bepaald soort steen, welke alleen hier voorkomt en gretig door de dajaks wordt gezocht als versiering voor hun mandau’s na ze met een stuk metaal gespleten en daarna in allerlei vormen geslepen te hebben. Het zijn donkere steenen met witte vlekken, welke er uit zien als stukjes spek in een worst. Volgens den dajak leeft het witte gedeelte van deze steenen. Het zijn waarschijnlijk fossielen van weekdiertjes, een bewijs, dat Borneo indertijd onder de zee-oppervlakte heeft gelegen. Een dergelijk soort steen schijnt in de Alpen in grooten getale voor te komen.

Verder voortvarend bereikten we om 12 uur ’s middags den geweldigen kiham Oeloeasoe, bestaande uit drie zware gedeelten, welke we hadden te passeeren. Gelukkig voert er langs de versnelling een behoorlijk pad, zoodat wij de prauwen verlieten en na een half uur loopens ongeveer het uiterste einde bereikten, waar het water veilig en rustig was. Het passeeren kostte echter zooveel tijd, dat we besloten aan de kepala kiham te gaan bivakkeeren, omdat eene geschikte plaats daarvoor werd gevonden; door het zware [130]water moesten we daar ook den volgenden dag nog blijven. Dat deze versnelling gevaarlijk is, moge blijken uit de mededeeling, dat op deze plek de graven zijn van 10 soldaten, die bij het naar beneden gaan, verdronken. Het verhaal moge overdreven zijn, een feit is, dat verschillende lieden, ook dajaks, hier den dood vonden.

Den achtsten November wachtte ons weer een zware dag. De kiham batoe bela (= rood) dreigde ons met dood en verderf. Deze versnelling is kort, maar moeilijk te passeeren; groote rotsblokken verheffen zich meters hoog, midden in den stroom en hoewel het laag water was, kookte en bruiste het met geweld. Langs den steilen wand was het haast niet mogelijk eenig houvast te krijgen, terwijl we nmaal midden in den sterken stroom werden gedreven, opgeheven door eene hooge opborreling van het water. Het oogenblik was kritiek, maar gelukkig trok Oemar boven op den steen staande de rotanlijn weer aan, zoodat hij den toestand wist te redden. Een oogenblik van onbedachtzaamheid en onoplettendheid had de inzittenden zeker doen verdrinken. Op zulke oogenblikken, waarin ons leven in handen van deze eenvoudige menschen is, krijgt men eerbied en genegenheid voor hen. Met weinig tevreden, den geheelen dag hard werkend, ’s nachts op een slecht bed slapend, zijn ze vol toewijding voor ons en een ongeluk, een europeaan overkomen, is voor hen een schande. Zijn er goederen verloren gegaan, dan zijn ze daarover dagen lang beschaamd.

Den volgenden dag zouden we de Boh verlaten en de Ogah bereiken. Het terrein wordt [131]hier echt bergachtig, de stroom is woest en snelvlietend, terwijl de rivierbedding bezaaid is met steenen en een gevaar oplevert voor de prauwen niet alleen, maar ook het roeien ten zeerste bemoeilijkt. Voor de medereizigers is het dan ook met de rust gedaan. Men wordt dooreengeworpen van links naar rechts, zoodat het een verluchting is, wanneer men ’s middags de prauw kan verwisselen met het bivak, waar men voor het gevoel nog langen tijd naschommelt. ’s Avonds kregen we een geweldig onweer, gepaard gaande met hevige regens, waardoor het onschuldige beekje, waarlangs we gelegerd waren, in een kwartier tijds in een ziedenden stroom veranderde.

We dachten er reeds over onze goederen in veiligheid te brengen, toen de regen ophield en daardoor tevens de laatste oogenblikken van ons beekje geteld waren. Blijkbaar had het in de bovengebieden niet geregend, zoodat we den volgenden dag met prachtig weer konden doorvaren. Hoe hooger men komt, des te schitterender de riviergezichten, maar van varen kan men eigenlijk niet meer spreken, veeleer is het trekken, rukken en duwen om de prauwen door het ondiepe water en over de steenen voorwaarts te krijgen, tegengehouden door den sterken stroom. Toch bereikten we dien dag nog de Temaha, waar we op een zeer steile plaats een bivak betrokken. Op deze riviergedeelten kost het dikwijls de grootste moeite een behoorlijke plaats daarvoor te vinden. Bij de monding is de Temaha nog vrij breed, maar reeds spoedig daarna is ze slechts ongeveer 10 meter breed en blijft dan voortdurend smal, ligt vol steenen [132]en kronkelt geweldig. Men bevindt zich tusschen hooge wanden, waarboven de toppen der boomen elkaar soms raken.

De 13e November zou ons wederom voor nieuwe moeilijkheden brengen en wel bij de moeilijke kiham Boerak (= dajaksche sterke drank), welke niet door te trekken was, zoodat alle goederen uitgeladen en zelfs de prauwen over de steenen gesleurd moesten worden. Tot vlak voor de kiham vernauwt de rivier zich tot op twee meter met steile, hooge wanden, daarna weer eene verbreeding in den vorm van een kom, waar men het bruisen van de waterstortingen reeds hoort. Naar boven klimmend heeft men eerst een goeden kijk op het woelende, borrelende, neerstortende water. De versnelling is niet lang en er loopt een zeer bruikbaar pad van enkele minuten langs. Het was werkelijk opwekkend de dajaks hier wederom in actie te zien; de prauwen moesten bijna loodrecht uit het water opgeheven worden. De rivier vertoont hier allerlei buitensporige vormen; met weinig uitzonderingen zijn de oevers overal tot 50 100 M. hoog, terwijl het langs de kale rotsen dikwijls zeer moeilijk is vooruit te komen. Hier en daar waant men te varen door onderaardsche holen, waarvan de wanden allerlei schoongevormde nissen bevatten, zoodat men den indruk krijgt door een crematorium te varen. Toch mocht het ons steeds gelukken een bivakplaats te vinden, al gaf dit dikwijls heel wat hoofdbrekens en al kregen we ’s nachts—we konden wegens afwezigheid van muskieten steeds zonder klamboe slapen—dikwijls bezoek van [133]allerlei griezelige dieren; eens zelfs nestelde een kikvorsch zich op mijn gezicht. Later op mijn tocht naar Nieuw-Guinee moesten we steeds van de klamboe gebruik maken wegens het ontzettende aantal anophelinen.

Van het eene boschbivak trokken we naar het andere; na de Moeara Troeno trokken we den 15en November door naar de Soengei Saripa. Een afschuwelijk gedeelte moest dien dag worden afgelegd; de eene kiham volgde op de andere; langs de steile, glibberige wanden, tot welke het zonlicht nooit toegang kreeg, was geen plaats voor de roeiers om hun voeten neer te zetten, terwijl ook de tekns bijna nergens houvast kregen. Het was een zeer zwaar gedeelte en nauwelijks was men de woelingen van een bepaald gedeelte door of men kreeg weer iets anders, dikwijls erger dan het vorige. Blijde was men, na zulk een gedeelte achter den rug te hebben, wederom vlak water voor zich te zien; maar de vreugde was van korten duur; voortdurend werden we van Scylla naar Charibdis gedreven en het scheelde dan ook weinig of van mijn voorraadprauwen was n geheel verloren gegaan. In een der versnellingen stond mijn prauw plotseling boven op een steen te midden van het bruisend gewoel, terwijl ze groote neiging vertoonde om te vallen; ze wankelde geweldig. Gelukkig echter schoten andere prauwen toe, zoodat de mijne wat ontlast en zonder gevaar voor kantelen weer in het vrije water gelaten kon worden. Ze was reeds half vol water geloopen, maar kwam plotseling met een ruk vrij. [134]

Na het bivak aan de Soengei Saripa werd een ander betrokken aan de Naha Klebit (= grintplaat der schilden). Dit gedeelte was al even onaangenaam en zwaar als dat van den vorigen dag. De kiham Tadjau (= dajaksche martavaan of tempajan) hadden we te nemen, een vrij lange, zeer zware versnelling, waar het niet mogelijk was door de gesteldheid van het terrein de goederen uit te laden. Eigenlijk is het een combinatie van verschillende versnellingen, die ieder op zichzelf reeds vele moeilijkheden boden en waarbij wederom bijna een mijner voorraadprauwen verloren ging. Maar gelukkig wisten de handige roeiers en mijn “tangan dingin” of gelukshand mij voor dit onheil te bewaren.

Eindelijk echter zouden de bezoekingen aan deze zijde van Apo Kajan ophouden en met dit blijde vooruitzicht voor oogen legden wij het laatste gedeelte af tot aan de Tagaharoek Mesai, welke rivier we dezen dag bereikten, zoodat alleen nog het scheidingsgebergte ons van het boven Kajangebied scheidde. Maar al was dit het laatste gedeelte voorloopig, eene marteling was het tevens. De rivier wordt hier zeer smal, vol steen en en boomstammen, welke steeds veel oponthoud veroorzaken. De kiham Batoe Pelakau hadden we nog te passeeren, een korte, maar zeer lastige versnelling en eigenlijk uit niets bestaande dan eene verzameling rotsblokken, door de open ruimten waarvan het water met geweldige kracht wordt voortgedreven. Driemaal moesten de goederen worden uitgeladen, maar eindelijk kwamen we met prauwen, waarvan niet veel meer over was en die een [135]dergelijke vaart misschien geen twee dagen meer hadden uitgehouden, aan den voet van het scheidingsgebergte aan, waar een flinke koeboe of logeerhuis is opgericht.

Zoo hadden we dan na veel moeite den eersten mijlpaal op onzen weg na 4 weken ongeveer bereikt, zoodat een flinke rust wel gemotiveerd was, temeer daar we de rest van het transport, dat in dergelijke omstandigheden steeds uiteengerukt wordt, wilden inwachten.

Den volgenden dag arriveerde de leider, luitenant Simons, die reeds dadelijk een aanvang maakte met het overbrengen der goederen over de waterscheiding, nadat de post met enkele dajaks vooruit was gezonden. Daar de dragers meerdere malen moesten loopen, besloten wij met de laatste bezending mede te gaan. Zoo vertrokken we dan den 21en November, na de prauwen te hebben achtergelaten. Aan de overzijde der bergen zouden we door de goede zorgen van den gezaghebber van Apo Kajan nieuwe vinden en zoo zouden we dan nu na een maand in de prauwen gezeten te hebben de klauterpartij aanvangen, welke trouwens slechts enkele uren zou duren, maar door het langdurig, gedwongen stilzitten in de prauwen toch zeer zwaar werd.

Aan de overzijde van de Mesai begint het voetpad; na het overtrekken van de rivier begint men reeds dadelijk eenige honderden meters te stijgen, daarna wordt het terrein draaglijker, al is men voortdurend met kleine afwisselingen stijgende. Midden in den weg ligt een bepaald punt, Saupilan geheeten, waarheen dikwijls de goederen gebracht worden, vanwaar uit ze dan—[136]als alle daar verzameld zijn—verder worden gebracht. Het pad was niet mooi, te slechter door den regen van de laatste dagen. Hier en daar heeft men een mooi overzicht over het omliggende terrein en men krijgt dan wel den indruk dat dit ongemeen zwaar moet zijn.

Ongeveer 2 uur na Saupilan bereikt men reeds het oorsprongsgebied van de Laja. De Kenja’s uit Apo Kajan hebben hier verschillende teekens aangebracht om te kennen te geven, dat hier de grens van hun gebied is. De Laja, die zich straks in de groote Kajanrivier zal werpen, is nu niet meer dan een poel, vol oud hout en steenen. Spoedig echter komt er langs honderden wegjes meer water in, zoodat men reeds van een beekje kan spreken. Soms volgt men een tijdlang de bedding van de rivier, dan weer moet die verlaten worden, omdat ze zich van een groote hoogte naar beneden stort. Telkens echter komt men na langeren of korteren tijd weer in de bedding terug. Ze zit vol steenen en hout, kris en kras dooreengewarreld, terwijl enkele vlakkere gedeelten met fijne kiezelsteenen bedekt, daarin afwisseling brengen. Een wandeling door zulke gedeelten is eene herademing na het geklim en geklauter door de zwaardere rivierstukken, waar men nu eens van een hoogte moet neerspringen, dan weer zich aan allerlei gemproviseerde rekstokken moet optrekken om het “pad” te kunnen volgen. Niet ver van de koeboe Laja krijgt men nog een flinken klim. De dajaks hadden hier een weg van boomstammen met inkepingen gemaakt, wat het gaan heel wat vergemakkelijkte. Soms lagen deze langs de helling van een steilen [137]berg; doordat de boomstammen glad waren door regen en modder waren deze niet weinig gevaarlijk en moesten we zeer op onze hoede zijn. Onder en naast ons gaapte de afgrond, heel beneden in het dal hoorden we een rivier klateren. Is men dit zware gedeelte voorbij, dan komt men weer en nu voor het laatst aan de Laja en na deze overgestoken te zijn, hebben we de koeboe aan de Tagaharoek Laja bereikt, welke op een zeer gunstig punt gelegen is.

De rivier is hier al vrij breed, maar was bij den toenmaligen waterstand zeer ondiep. Een bad in het heerlijke, heldere water deed ons de moeilijkheden van den bergtocht, welke ongeveer 8 uur had geduurd, vergeten. We bevonden ons toen dus reeds in het gebied van den gezaghebber van Apo Kajan, waarover in het volgend hoofdstuk een en ander gezegd zal worden.

’s Avonds sliepen we heerlijk in ons landhuis, de temperatuur was koel en ’s morgens vroeg werden we al gewekt door het roehoegeroep van de wawau, een soort aap.

En zoo hadden we dan weer een rustpunt op onzen tocht bereikt na veel interessants gezien te hebben. De Kenja’s waren nu weer in hun eigen land, hetgeen duidelijk merkbaar was aan hun vroolijkheid en levendigheid, zelfs vrouwen waren aanwezig om hen te begroeten en de medegebrachte voorwerpen en geschenken in ontvangst te nemen. De Bahau’s echter bevonden zich nu in vreemde omgeving. Evenals de meeste dajaksche stammen onderling, konden ook de kenjasche en de bahausche roeiers elkaar niet goed zetten en al hebben beiden vele karaktereigenschappen [138]gemeen, in enkele opzichten verschillen ze toch wel. Zoo is de Kenja krijgshaftiger, levendiger, de Bahau meer bevreesd en rustiger. Als roeiers zijn de Bahau’s echter naar mijn meening even bruikbaar als de Kenja’s, vooral ook omdat ze meestal handelbaarder zijn.

Het is hier wellicht de plaats eenige algemeene eigenschappen van den dajak nader te belichten; wel zijn hier en daar plaatselijke afwijkingen, maar over het algemeen kunnen deze voor alle dajaks gelden, voorzoover ze nog niet al te veel met europeesche beschaving in aanraking zijn geweest en dus minder bedorven zijn. Een van de goede eigenschappen van den dajak is zijne liefde voor zijne kinderen en in verband daarmede voor zijne vrouw. Baart zij geen kinderen, dan is dit voor een dajak een reden tot echtscheiding; overigens komt dit weinig onder hen voor. Het is aardig te zien, hoe een dajaksche vader uren en uren achtereen in de voorgalerij met zijn jongstgeborene op den rug in het kinderdraagmandje op en neer kan wandelen, hem troostend nu eens met het gerinkel van mooi geslepen schelpjes, dan weer door hem langzaam heen en weer te schommelen, terwijl hij het poezele handje, dat over zijn schouder heen naar voren steekt, knusjes in de zijne houdt; en aandoenlijk is de trots van den vader, die den vreemdeling een schare flinke zonen kan toonen. Hoe grooter het aantal zijner kinderen, hoe grooter de genegenheid voor zijn vrouw, wier trots op haar spruiten niet minder is dan die van haar echtgenoot. Bovendien geniet de vrouw in de [139]dajaksche maatschappij eene bevoorrechte positie, al moet zij volgens onze begrippen hard werken en dikwijls vrouwen onwaardigen arbeid verrichten; zij wordt niet als bij andere inlandsche volken op den achtergrond gezet. Bij belangrijke besprekingen is zij tegenwoordig, spreekt zij mee, terwijl haar woorden soms niet weinig gewicht in de schaal leggen. Voor eene moderne vrouwenbeweging om van te watertanden!

In verband met deze groote begeerte naar kinderen mag het verwonderlijk heeten, dat de dajaklanden zoo dun bevolkt zijn; aan dezelfde begeerte toch is het te danken, dat een vierde gedeelte ongeveer der aardbewoners uit chineezen bestaat. Bij de dajaks echter werken allerlei omstandigheden tegen en wel in de eerste plaats de onvruchtbaarheid der vrouwen, waarschijnlijk tengevolge van harden handenarbeid en den hartstocht der mannen, waardoor de lichamen afgebeuld worden en ten langen leste hun natuurlijke functien verliezen, althans afstompen. Als gevolg daarvan worden ook vele zwakke en mismaakte kinderen geboren. Bij de primitieve dajaks in de Tidoengsche Landen—we behandelen dit later—constateerden we zelfs grooten angst voor de baringsstonden en bij zwangerschap meermalen ontijdige afdrijving der vrucht. Daarbij komt, dat er dikwijls vele en langdurige ziekten heerschen, welke den toestand niet verbeteren en dikwijls, zooals bij pokkenepidemien, de bevolking decimeeren. Een derde factor is vervuiling en ongezondheid hunner huizen, terwijl in de vierde plaats de sterke drinkgewoonte der dajaks, zoowel onder mannen als vrouwen, den lichamen [140]niet ten goede komt. Eene gunstige uitzondering hierop maken de Bahau’s uit het Mahakamgebied, welke in het geheel geen gistende dranken drinken, maar overal elders in Oost-Borneo zag ik de dajaks zich aan eigengemaakten sterken drank (tuak, tapai, boerak), gemaakt uit rijst of suikerriet, sterk te buiten gaan gedurende groote braspartijen, waarbij hij overwinnaar was, die het meeste kon drinken.

In vroeger tijd kwam als laatste factor daar nog bij de groote snelwoede, waarbij velen als slachtoffer vielen. Thans geldt dit niet zoo zeer, maar eerstgenoemde factoren geven eene voldoende verklaring van het feit, dat de bevolking in deze streken dun is.

Naast liefde voor zijn kinderen heeft de dajak als tweede goede eigenschap een gezond, logisch en vlug verstand, gepaard aan een goed humeur. Hij is bevattelijk en neemt spoedig zaken over, van welke hij meent, dat ze hem van eenig nut zullen zijn. Logisch is hij in zijn vragen: honderden malen vroeg men mij, waarom ik hun de gesnelde koppen afnam, terwijl ik ze zelf bewaarde, hen strafte voor enkele snelpartijen, terwijl in Europa gedurende den grooten oorlog dagelijks honderden en duizenden vielen. Waarom de vorsten daaraan geen einde maakten, was hun onbegrijpelijk. Moeilijk te beantwoorden vragen! En wanneer ik hun dan mededeelde, dat onze Vorstin, onze Radja Doh, daaraan niet meedeed, waren ze wel dankbaar, maar niet voldaan.

Zonderen we het overmatig drankgebruik uit, dan is de dajak in zijn voeding overigens matig; matigheid is hem aangeboren, hetgeen niet wegneemt, [141]dat hij, met de Kompenie reizend, veel behoeften heeft, waaraan hij anders niet zou denken. Naast rijst—hetgeen hij in flinke hoeveelheden gebruikt—eet hij nog knollen (oebi), mas (djagoeng) of teboe (suikerriet) en bij misoogst of in tijden van nood sagoe, maar overigens heeft hij geene behoeften. Alleen is hij—de vrouwen eveneens—verzot op rooken en sirih-kauwen.

Aan beleefdheid paart de dajak een gepaste vrijmoedigheid. Het is voor europeanen, die steeds met kustbewoners omgingen, dikwijls eigenaardig te zien, hoe vrijmoedig de dajak is en dikwijls wordt dit als onbeleefdheid uitgelegd, hetgeen het inderdaad niet is; trouwens hij ziet te veel tegen den europeaan op om hem willens en wetens onbeleefd te behandelen. Maar ook onder elkaar nemen ze de beleefdheid streng in acht, hetgeen vooral uitkomt in het gedrag van jongeren tegenover ouderen. Hoogere leeftijd staat voor den dajak gelijk met meerdere ervaring, meerdere levenswijsheid en de stem der ouderen is altijd beslissend voor een bepaalde zaak.

Als bij mijn komst in een kampong de menschen zich verzamelen om het haardvuur in de voorgalerij van het hoofd, dan zijn het naast dezen de ouderen, die dicht bij het vuur zitten; de jongeren blijven op eerbiedigen afstand en wee dengene, die onrechtmatig daarop inbreuk zou maken. Bij de opvoeding der kinderen wordt op een en ander streng gelet. Zoo eischt de beleefdheid, dat men vreemdelingen gastvrij ontvangt; de meest primitieve dajakstammen houden zich daaraan en de huisvrouw en de dochters des [142]huizes, die blijken niet voldoende bekwaam daarin te zijn, staan aan algemeene minachting bloot, zelfs zou een man zich om die reden van zijn vrouw kunnen laten scheiden. Zoo zijn er enkele families onder de Bahau’s, die geen hertevleesch mogen eten; het zou onbeleefd zijn—zoo men dit wist—dezen menschen dergelijk vleesch aan te bieden. Zoo mag men ook niet over een liggend of slapend mensch heenstappen, enz.

Bij feesten zullen de ceremoniemeesters bedienen volgens stand en leeftijd.

De dajak is gastvrij en wee dengene, die daartegen zou zondigen; een berisping der ouden zou zeker zijn deel zijn, zooals in vergaderingen steeds placht te geschieden, wanneer ik hun bij wijze van leering de bevelen van het gouvernement overbracht en de ouden van die gelegenheid gebruik maakten den jongeren nog eens een lesje te geven: “Wij, dajaks, gingen vroeger steeds op sneltocht, wij vierden feest en verlangden naar het vermeerderen der doodskoppen, die de galerijen onzer huizen sieren; bij ons werden snellers door de jonge meisjes gefteerd, bezongen en bewierookt, doch nadat de wit-menschen tot ons kwamen en ons het snellen verboden, hebben wij ons onderworpen aan hun bevel. En toch, wij waren begeerig naar eer en roem. Waarom gehoorzamen jullie dan niet aan het bevel van den wit-mensch? Zijn jullie dan zooveel machtiger dan wij? Wat hebben jullie toch voor adat? Wij gaan niet naar de ladangs als de controleur komt, doch wachten thuis op zijn komst en houden kippen, varkens en rijst gereed. Doch hoe ontvangen jullie den grooten [143]heer en de gasten? Ik zie daarbuiten de varkens, doch heb nog geen doodsgil der dieren gehoord. Is dit jullie gewoonte om den grooten Heer te ontvangen?”

De dajak is niet fanatiek, wel vasthoudend aan oude gebruiken, al dreigt dit door meerdere aanraking met europeanen minder sterk zich te uiten. Onder elkaar wordt een en ander wel in acht genomen, vooral onder de ouderen, die geen inbreuk daarop dulden zouden. Een wereldburger is hij niet; hij is gehecht aan huis en haard en gaat wel eens op een handelsreis, maar heel lang duren deze tochten niet; evenals bij de Romeinen iedere vreemdeling hostis of vijand was, zoo zijn bij de dajaks naburige stammen meestal zijn vijanden, vooral in vroeger tijd, maar al is ook dit de laatste jaren veel verminderd, veeten en kwesties blijven er altijd in grooten getale bestaan, waarvan de oplossing voor den bestuursambtenaar niet altijd even gemakkelijk is en dikwijls een langdurig onderzoek vereischt. Vooral rechten op gronden spelen—evenals overal elders in den archipel—hierbij een groote rol. Zoo was er een tijd lang kwestie tusschen de vlak bij elkaar gelegen Ma Koelit-kampongs Long Pelban en Long Ledjoe aan de beneden Kajanrivier over verdeeling der ladanggronden. De kwestie liep z hoog, dat de stemming bepaald vijandig werd en de rust keerde eerst weer, nadat ik plaatselijk de zaak omstandig had onderzocht en ieder de hem toekomende gronden had aangewezen. De eerste beleefdheidsbezoeken van de hoofden werden wederzijds met een flinke tuakfuif bezegeld! [144]

Op reis met een europeaan is de dajak vol toewijding en voelt hij zich gedurende dien tijd bepaald verantwoordelijk voor het wel en wee van zijn medereizigers. De goederen worden bewaard als waren zij zijn eigendom en ongevraagd zorgt hij voor een behoorlijke rustplaats en onderdak. In de rimboe leert men deze eigenschappen waardeeren. Bovendien is hij door zijn vroolijkheid en levendigheid en altijd bezig zijn een aangenaam gezelschap in tegenstelling met maleiers, die veel onderdaniger en welwillender zich voordoen, maar inderdaad veel minder te vertrouwen zijn.

De dajak is niet diefachtig. Gedurende mijn reizen is mij nimmer iets ontstolen; zelfs zijn mij wel voorwerpen uit de diepe binnenlanden teruggebracht, welke men meende, dat ik verloren of bij vergissing achtergelaten had, evenals men vertelt, dat in Montenegro alle voorwerpen aan koning Nikita werden teruggebracht, hoever in de onherbergzame streken deze ook verloren gingen.

Diefstalzaken van dajaks onderling werden nooit aangebracht; wel werden dajaks dupe van de roofzucht van maleiers. De eenige reden waarvoor dan ook de dajak gestraft werd, vond zijn grond in snelzaken.

Over de dankbaarheid van den inlander in het algemeen is reeds veel geschreven en gesproken; sommigen beweren, dat deze wel bestaat, anderen ontkennen absoluut het bestaan ervan. Of de dajak deze eigenschap bezit, zou ik niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden, maar ook niet willen ontkennen. Het bestaan van dankbaarheid is dikwijls zoo moeilijk [145]aan te toonen, vooral bij belangrijke aangelegenheden. In kleine zaken echter heb ik dikwijls bejegeningen ondervonden, die aantoonden, dat de dajak wel degelijk deze goede eigenschap bezit.

Door het bovenopgesomde zou men den indruk krijgen, dat den dajak louter meer of minder goede eigenschappen werden toegeschreven. Thans zijn de minder goede aan de beurt. Hij is bedelzuchtig in hooge mate. Bij bezoek aan kampongs ligt den vrouwen en kinderen het mak-mak (= vragen om allerlei voorwerpen) in den mond bestorven, terwijl zij er liefst zoo weinig mogelijk of in het geheel niets voor terug willen geven. Stelt men voor een of ander te ruilen, dan wordt eerst nauwkeurig onderzocht of het voordeel aan hun zijde is, zoo niet, dan wordt de ruil geweigerd. Sommigen beweren, dat dit in verband zou staan met hun chineesche afkomst.

Trouwens bij de Papoea’s in Centraal Nieuw-Guinee trof ik later hetzelfde verschijnsel aan, in nog erger mate misschien. Ook dezen weigerden beslist door het ophalen van een schouder of door het maken van een pruttelend geluid met den mond, een ruil, welken zij niet in hun voordeel vonden.

Vooral de dames in een dajakkampong zijn er altijd op uit om naalden, kralen, spiegeltjes en dergelijke voorwerpen te vragen, maar heeft men er eene iets gegeven, dan staan er binnen korten tijd velen even begeerig klaar; op den duur is dit hinderlijk en er werd dan ook een einde aan gemaakt, door aan het hoofd en zijn gezin eenige [146]voorwerpen aan te bieden voor de genoten gastvrijheid. Trouwens bij eene weigering op hun verzoeken voelen zij zich in het geheel niet ontsticht.

In tegenstelling met de dapperheid van den dajak, die ons uit onze jeugdjaren is bijgebleven, is hij integendeel zeer laf, dikwijls wreed en onverdraagzaam. Nooit zal hij zijn vijand,—we wezen daarop reeds—wiens schedel hij begeert, in een openlijken strijd te lijf gaan. Vanuit een hinderlaag wordt deze bepijld en het weerlooze slachtoffer geveld. Voor sterkere stammen legt hij dadelijk het hoofd in den schoot en een eenigszins bruusk optredend hoofd kan zeker van invloed zijn. Wel zal hij tegen flinke persoonlijkheden lijdelijk verzet toonen, de kampong verlaten en een scheuring trachten te veroorzaken—het ontstaan van zoovele dajaksche gehuchten en gehuchtjes vindt daarin zijn oorsprong,—maar daarbij bepaalt zich dan ook zijn geheele optreden. Evenals bij de Papoea’s kan n vreesachtige een geheelen troep op de vlucht jagen of angstig maken. Toen mijn reisjongen—we waren nabij de Serawaksche grens gekampeerd—voor de grap uitriep “daar komen de Hebans,” wetend hoe bang ze voor dezen stam zijn, zaten allen in zak en asch en wilden, hoewel gewapend, vluchten, hetgeen ik echter spoedig voorkwam, door hun te vertellen, hoe ze zich hadden laten beetnemen.

Een slechte eigenschap nog, welke den hoofden meer in het bijzonder aankleeft, is onrechtvaardigheid tegenover hun kamponggenooten. Een vriend of familielid zal worden geholpen, ook [147]al misdoet hij nog zoo ernstig, terwijl een ander geen goed kan doen. Dit is trouwens eene eigenschap van inlandsche hoofden in het algemeen.

Vermelden we nog, dat de dajak verzot is op spel en hanengevechten met de slechte gevolgen daaraan verbonden, dat hij is leugenachtig en egost, dan is hiermede de rij zijner slechte eigenschappen afgesloten.

Toch is de dajak in weerwil van de erkenning zijner fouten mij zeer sympathiek en wat mij persoonlijk aangaat zal ik hem steeds in dankbare herinnering houden voor het vele goede, wat ik van zijne zijde ondervond. Dat de dajak dan ook—zooals sommige ambtenaren zouden willen—hoe eerder hoe liever van het aardrijk dient te verdwijnen, is eene bewering, die ik niet gaarne zou onderschrijven.

En ten slotte: vertoonen ook wij im groszen und ganzen niet dezelfde eigenschappen, al zijn ze met een vernisje overgoten? Zijn ook in den grond der zaak de dajaks—al zijn ze in veel primitiever omstandigheden grootgebracht dan wij—niet menschen zooals wij zelven?

[Inhoud]

IN APO KAJAN.

Midden in het hart van Borneo ligt in eenzame afzondering, ver van alle beschaving, een klein gebied, Apo Kajan, omvattend het brongebied van de Kajan of Boeloenganrivier. Het zal de grootte hebben van een vierde gedeelte van ons land ongeveer, te zamen de provincin Friesland, Groningen en Drente, terwijl het aantal zijner bewoners ongeveer 15000 zal bedragen. [148]Het wordt bewoond door stammen, welke allen behooren tot den bekenden stam der Kĕnja’s, behalve de kampong Ma Lĕken, welke door Kajans bewoond wordt.

De voornaamste stammen zijn die der Oema Tau, welke thans—vroeger waren dit de Oema Timei—de hegemonie voeren, Ma Koelit e.a., allen flinke, goed ontwikkelde mannen en vrouwen, die vroolijk hun leven leven op de schoongelegen hoogvlakte van de machtige Kajanrivier.

Apo Kajan vertoont een geheel anderen aanblik dan het boven Mahakamgebied. Is daar alles ruw en bergachtig, het eerstgenoemde gebied maakt meer een vlakken indruk, hier en daar schitterende vergezichten aanbiedend, met jongere boschformatie. Men kan zien, dat jaren en jaren achtereen hier roofbouw is gepleegd, waardoor het zware bosch werd uitgeroeid en het aspect geheel veranderde.

De Kenja is dan ook een ijverig ladang-bebouwer, ijveriger in het algemeen dan de Bahau van de Mahakam. De Kenja leeft in het algemeen in een heerlijk koel klimaat—Apo Kajan ligt ongeveer op 7 800 meter—terwijl van moesons door de nabijheid van den evenaar weinig valt te bespeuren.

Thans moge in het kort volgen de levensloop van een dajak, van de geboorte tot den dood.

Voordat de jeugdige dajak het levenslicht aanschouwd heeft, hebben de toekomstige ouders zich reeds aan vele adatregelingen te onderwerpen, welke met nauwgezetheid worden nagevolgd. Zoo is het der moeder verboden een natuurlijken dood gestorven, evenmin als al te [149]jeugdige dieren te eten, evenals verschillende bepaaldelijk voorgeschreven vruchten. Ook zal een zorgzaam huisvader niet op jacht gaan of ander ruw werk verrichten, als slaan, snijden, e.d., wat de ziel van het ongeboren wichtje zou kunnen schaden. In de Tidoengsche landen legt bij het zwanger worden van het eerste kind de vrouw alle sieraden af, behalve de armbanden; deze mogen niet meer gedragen worden en van haar man krijgt zij later nieuwe sieraden. Al spoedig begint de vrouw haar lichaam te bedekken; bij de Tinggalans wordt de rotanband, dien ze om haar lichaam droeg als bewijs van haar maagdschap, verbroken. ’s Nachts mag de toekomstige moeder gedurende een regenbui niet slapen; evenmin mag bij sommige stammen de man dit doen. Zoo hebben de aanstaande ouders reeds verschillende voorzorgen te nemen, welke ons niet vreemd in de ooren klinken, daar ze ook in ons volksgeloof nog voortleven. Zoo gelooft men bij ons nog wel dat eene zwangere vrouw zorgvuldig zal hebben te waken tegen het plotseling zien van iets leelijks of mismaakts, waardoor de vrucht benadeeld zou kunnen worden. Schrikt de aanstaande moeder voor een haas en legt ze daarbij de hand aan den mond, zoo krijgt het kind een hazenlip; ontstelt ze door het vuur, dan krijgt de kleine een vlek op den arm. Om de vervulling niet tegen te houden, werden gedurende het baren alle sloten van deuren en kisten losgemaakt en andere dergelijke in ons volksgeloof voortlevende voorzorgsmaatregelen, welke dienen om het ongeboren wichtje niet te schaden. [150]

Bij de bevalling mogen geene mannen tegenwoordig zijn; tijdig worden deze verwijderd evenals alle ijzeren en snijdende voorwerpen uit de kamer worden weggenomen. Is het kind ter wereld gekomen, dan wordt de navelstreng, na afgebonden te zijn, met een zwaard afgesneden. Dit zwaard mag nooit verkocht worden en wordt in de familie zorgvuldig bewaard. De nageboorte wordt in het bosch geworpen en verdwijnt daar vanzelf. In de Tidoengsche landen wordt de navelstreng boven de slaapplaats der kinderen opgehangen, terwijl de nageboorte aan een boom buiten de kampong wordt opgehangen, waarnaar tijdens het naar huis terugkeeren niet mag worden omgekeken.

Daar de vrouwen, in het kraambed gestorven, een oneervolle begrafenis erlangen, behoeft het geen betoog, dat deze ure met angst en zorg wordt verbeid en is het dus begrijpelijk, dat, zooals vooral in de Tidoengsche landen geschiedt, de vrouw naar middelen omziet om de vrucht te verwijderen. Men maakt daar gebruik van het z.g. “pilajoen”, gemaakt uit een houtsoort, welke fijngestampt, geroosterd en daarna door het eten gemengd en naar het schijnt met succes gebruikt wordt.

Bij de Bahau en Kenja is het wel gebruikelijk, dat, wanneer de moeder bij de geboorte sterft of zwaar ziek wordt, de vader het kind in het bosch te vondeling legt; het wordt echter dikwijls opgenomen en door anderen opgevoed.

Onmiddellijk na de geboorte en de plaats gehad hebbende reiniging, worden de oorlellen door een oude vrouw met scherpe bamboestokjes [151]doorstoken. Deze stokjes blijven in de wonde steken tot deze genezen is en worden daarna door tinnen ringen vervangen, welke het jonge weefsel uitrekken. Hoe ver dit soms gaat, moge blijken uit de afb. op den omslag; aan weerszijden hangen in het oor tientallen ringen, welke een gewicht van enkele ponden vertegenwoordigen. Hoe langer de oorlellen, hoe chiquer!

Al spoedig krijgt het jonge kind een armband, gemaakt van kleine vruchtjes, welke dient om de booze geesten af te schrikken. Deze wordt na het afvallen van de navelstreng vervangen door een tweede en na een maand nogmaals door een derde en wel ter gelegenheid van de naamgeving. De gebruikte banden worden door de moeder om den hals gedragen en later, nadat de verbodstijden voorbij zijn, aan het kinderdraagmandje opgehangen. Aan deze draagmandjes zijn de dajaks zeer gehecht, omdat ze meenen, dat de ziel van het kind daarmede verbonden is en deze meermalen daarin woont. Het is dan ook onmogelijk een dergelijk voorwerp te bemachtigen, tenzij het speciaal wordt aangemaakt en het dus niet werkelijk in gebruik is geweest.

De dajaksche moeder is innig gelukkig met haar jongstgeborene en zij stelt er den hoogsten prijs op, haar kind zelve te voeden; met innig welbehagen kan ze haar kleintje koesteren en verblijdt zich zichtbaar, dat ze niet kinderloos is gebleven, het treurigste, dat ze zich denken kan.

Bij de Bataks wordt de jonggehuwde vrouw toegewenscht, dat zij 13 zonen en 17 dochters moge voortbrengen. Dit zou ook voor dajaks [152]kunnen gelden, want ook deze wenschen zich vele kinderen, maar vooral vele dochters. De jonge mannen toch verlaten de ouders, wanneer ze huwen of lange tochten ondernemen, de dochters echter helpen gedurende haar geheele leven bij den arbeid en brengen bovendien een schoonzoon in huis.

Een maand na de geboorte, eindigt de eerste en strengste verbodstijd; dit is tijdens de eerste naamgeving. De vrouw mag dan binnenshuis wederom allerlei bezigheden verrichten. Na enkele maanden heeft de echte naamgeving plaats. Na offers gebracht te hebben, begeeft de moeder met haar kindje zich naar het huis van het hoofd, dat de voetjes van den jongen wereldburger wascht en hem een naam geeft. Is een kind dikwijls ziek, dan gebeurt het wel, dat de naam nog eens veranderd wordt om de geesten om den tuin te leiden.

De dajaksche moeder—ik nam dit meermalen waar—is zeer bevreesd, dat een vreemdeling haar kind zal naderen. In Apo Kajan vertelde men wel, dat europeanen soms de kinderen opaten en bij de Poenans mag zelfs niemand een kind aanraken, die hun taal niet verstaat. Bij de Kajans brengt iedere vreemdeling bij zijn bezoek iets voor de kleinen mee, waarschijnlijk om de ziel van het kind niet te verschrikken en zoo dit reeds geschied mocht zijn, deze weer tot rust te brengen.

Eerst na de tweede naamgeving mogen de kinderen, die tot nu toe geheel naakt moesten zijn, door de moeder versierd worden.

Zoo groeit de jonge dajak vrijelijk op, omgeven [153]door de innige liefde van zijn ouders. Het dajakkind is het middelpunt van het dajakgezin en in zijn prille jeugd mag hij zich geheel aan het spel en zijn genoegens overgeven, door niemand gehinderd. Reeds spoedig is hij op het erf, zoowel als in het water van de rivier, thuis. Hij houdt wedrennen met zijn makkers, zwemt en plast in het water, speelt met den tol en oefent zich in het schieten met de blaaspijp. Een genoeglijker jeugd als die van een jongen dajak kan men zich niet voorstellen!

Onder zeer jonge kinderen spelen jongens en meisjes nog wild dooreen, maar spoedig moeten de laatsten al een weinig in het huishouden helpen, terwijl de jongens van hun tiende jaar af ongeveer op de ladangs medewerken of helpen bij den bouw van prauwen.

Na het intreden der puberteit—bij de meisjes op 12-jarigen leeftijd ongeveer, bij de jongens iets later—begint er verandering te komen. Leefden ze tot nu toe ongedwongen, thans zijn ze ook aan de verbodsbepalingen van de ouderen onderworpen. De tanden, zoowel van jongens als van meisjes, worden gevijld en somtijds gouden stiften daar doorheen gestoken, schoone tatoueeringen worden aangebracht, terwijl voor den jongen man tevens de tijd voor de penis-doorboring is aangebroken. De jonge meisjes trekken zich alle lichaamsharen uit, behalve het hoofdhaar, de jonge mannen baard, wenkbrauwen en oogwimpers. De jonge dajaksche mannen en meisjes genieten in den omgang de grootst mogelijke vrijheid; vooral is dit zeer sterk in de Tidoengsche landen. Elk ongetrouwd man [154]kan daar vrijelijk met elk ongetrouwd meisje sexueel verkeer hebben, mits dit met haar toestemming gaat; vooral wanneer zij—zooals daar pleegt te geschieden—van de prille jeugd af aan elkaar zijn uitgehuwelijkt, kan dit ongestoord plaats vinden. Een en ander gebeurt in dezelfde kamer, waar de ouders slapen, die volgens den adat onwetendheid hebben voor te wenden. Het bij nacht binnengaan der kamer, teneinde de dochter te bezoeken, kan door het ouderpaar niet geweigerd worden. Gedurende mijn tochten in die gebieden zag ik dan ook steeds mijn roeiers ’s avonds in de diverse kamertjes verdwijnen; ns zelfs diende een dezer menschen een klacht in bij het hoofd, omdat hij door de ouders niet werd toegelaten, die daardoor een flinke berisping opliepen.

Heeft dit herderspel echter gevolgen, dan heeft de vrouw later veel minder waarde en de kinderen worden beschouwd als aan den man te behooren. In de andere gebieden echter is men strenger en wordt de zwangerschap van eene ongehuwde vrouw streng veroordeeld, vroeger zelfs werd ze wel mishandeld.

De jongelui moeten trachten elkaar buiten te ontmoeten, hetzij in een afgelegen hoekje gedurende de arbeidsrust op het veld, hetzij gedurende een helderen maannacht in een verlaten hutje of rustig plekje buiten de kampong. Evenals europeanen weten verliefde dajaks dergelijke plekjes spoedig te vinden. Niet altijd echter is de jonge man, die door de dochter aan de ouders als haar man wordt voorgesteld, even welkom en deze weten dit den jongen man wel duidelijk [155]te maken, als hij bv. niet voldoende bedreven is in het maken van prauwen, het bewerken van ladangs, als anderszins. Evenals in onze maatschappij echter zijn wel gevallen bekend, dat zij tot het uiterste doordrijven. Er bestaat een legende—elders is deze vermeld—dat verliefden zelfs verkozen den hongerdood te sterven.

Zijn de teedere banden eenmaal gesloten, dan gaan de ouders van beide zijden onderhandelen over de som, die de jonge bruidegom aan zijn schoonouders heeft te betalen; deze is meestal niet hoog en bestaat slechts uit een of meerdere mandau’s of een gong.

Een eigenaardige huwelijksverklaring bij den stam der Long Glat vertelt ons Nieuwenhuis in zijn werk. Zij bestond uit een grooten stapel brandhout, aangebracht onder de woonkamer van de uitverkorene zijns harten. Tusschen het brandhout waren 5 stukken van een boom neergelegd; op de platte uiteinden daarvan was de verzorging van de vrouw door den man zinnebeeldig voorgesteld. De symbolen bestonden uit een bijl als belofte hout te willen hakken; een bikoeng als belofte goed prauwen te zullen maken en drie verschillende borden, een groote en twee kleinere, als belofte voor rijst en bijspijzen te zullen zorgen. Naast den houtstapel waren nog geschenken neergelegd.

De dajak ziet gaarne, dat zijne dochter huwt met iemand van gelijken stand, gelijk dat bij ons ook het geval is. De bruiloft wordt in het huis der bruid gevierd; de bruidegom wordt door zijn vrienden daarheen geleid. De hoofden geven bij dergelijke gelegenheden dikwijls groote feesten. [156]De bruidegom, evenals familie en verwanten, geven de jonge vrouw allerlei geschenken, voornamelijk bestaande uit schoone kralen naar gelang van den welstand der familie.

Man en vrouw hebben in het huwelijk gelijke rechten en beiden behooren den huwelijksband gelijkelijk trouw te zijn; bij overtreding wordt de man zelfs zwaarder gestraft dan de vrouw. Echtscheiding komt—hoewel zelden—voor; reden hiertoe is b.v. het kinderloos blijven der vrouw.

Eene ernstige ziekte brengt gemeenlijk groote beroering in een dajakhuis te weeg. Heftig rumoer van stemmen, het slaan op allerlei voorwerpen, moet dienen om den zieke bij te staan en te zorgen, dat zijn geest het lichaam niet verlaat. Is de patint gestorven, dan wordt het lijk gewasschen en daarna schoon opgetooid met wit katoen. Verschillende voorwerpen worden den doode medegegeven, zijn mandau en andere geliefde voorwerpen, soms schoone kralen van meer of minder waarde.

Intusschen zijn familie of vrienden bezig de houten kist uit een boomstam te kappen, terwijl vervolgens de begrafenis plaats heeft, waarbij de kist boven den grond geplaatst wordt op een houten staketsel met eenvoudig dak, terwijl voor de hoofden schoone “salongs” (doodenhuisjes) worden gebouwd. De vorm der graven is bij de verschillende dajakstammen soms zeer afwijkend. Zoo worden bij de Tinggalans de lijken na langeren tijd uit de kisten gehaald en in tempajans, groote potten, geplaatst; bij de Njiboengs worden de lijken in tempajans opgeborgen en daarna op hooge palen, eenige meters boven den grond, [157]opgericht,—zie afb. 48—terwijl de Sabans de tempajans halverwege ingraven. In het boven Mentaranggebied zag ik nog een oud Oebaugraf, bestaande uit een rechtopstaande kist.

Na den dood der ouders, zijn de kinderen gelijkgerechtigd bij de erfenis; sterven de ouders kinderloos, dan gaan de goederen aan de wederzijdsche families terug.

Na een kort verblijf aan de Tagaharoek Laja, verlieten we dit heerlijk oord en begaven ons op weg naar de eerste Apo Kajankampong Lekakidau of Oema Bem Danom. Het was werkelijk een verrukkelijke vaart langs de smalle boschrivier, onder het eeuwige groen, tusschen hooge wanden; ze zit vol kleine versnellingen, welke ons echter niet de minste moeite veroorzaakten. Na drie kwartier varens bereikten we reeds de Kajan; onmiddellijk vertoont het landschap hier een anderen aanblik; het terrein wordt veel vlakker, de oevers zijn veel lager en bedekt met dun bosch, de rivier is veel breeder. Heeft een smalle rivier als de Laja zijn aantrekkelijks, toch heeft ze iets drukkends en het ruimere uitzicht van de Kajan uit, geeft een zekere verluchting. Hier en daar krijgt men zelfs een kijkje in het bergterrein en nieuwsgierig zijn we naar alle nieuwe dingen in het onbekende land. Is de Kajan hier uitstekend te bevaren—stroomafwaarts heeft altijd iets aantrekkelijks—, de vreugde is niet van langen duur; na een uur reeds komen we bij de kiham Tadjau aan en vlak daarna de kiham Paman. Bij de eerste [158]moesten de prauwen over de steenen getrokken worden, daar de rivier hier een val van ongeveer een meter vormt, welke zich vooral bij dit lage water scherp afteekende. De kiham Paman gaf geene moeilijkheden; ze bestaat uit een combinatie van smalle kronkelingen tusschen eenige meters hooge wanden. In weerwil van den zacht neervallenden regen was het varen langs dit riviergedeelte een pleziertocht.

Lekakidau is een, aan een zijrivier der Kajan, de Danoem, gelegen groote kampong met verscheidene huizen (lamins) en padischuren. Hoewel het hoofd Taman Belar (= bliksem) niet thuis was, werden we volgens den adat op gastvrije wijze door de oudsten der kampong ontvangen, terwijl een goede plaats in de awa of voorgalerij van den vorst voor mij werd gereserveerd. Boven mijn slaapplaats hing de penggalan, 17 gesnelde koppen, die reeds zeer oud en zwartgerookt waren, de trots van het hoofd. Langs den wand hingen ettelijke varkensskeletten met ontzettend lange tanden. Naast mijn veldbed bevond zich de in den vloer ingebouwde stookplaats, tevens punt van samenkomst van de dorpsgenooten. Bij mijn komst verzamelden zich daar dan ook vele mannen, vrouwen en kinderen. Vooral de vrouwen en meisjes waren zeer vrij, wat nog toenam, toen ze een blik hadden geslagen op de medegenomen ruilartikelen.

Een dergelijke openbare slaapplaats heeft zijn voor- en nadeelen. Alles toch, wat den europeaan betreft, heeft de belangstelling van den dajak; vooral het eten uit allerlei pannetjes met vork en lepel, het kleeden en ontkleeden werkten zeer [159]op de lachspieren van de verzamelde menigte. De oudsten der kampong wezen eerst mijn tolk met eenige vrees op de gesnelde koppen, maar toen deze mededeelde, dat ik niet was gekomen om daarop te letten, maar ik me integendeel zeer toeschietelijk betoonde, waren ze gerustgesteld en werden mij een mand rijst, eieren en kippen aangeboden, onder mededeeling—de oudste hield een speech—dat zij domme menschen waren en niet wisten hoe zij den radja Kajan moesten ontvangen; ze konden mij niets kostbaars aanbieden, zoodat ik met dit weinige genoegen moest nemen. Ze hoopten, dat ik hen zou leeren, zoodat ze een volgende keer wisten, hoe het behoorde.

Vanuit de kampong had men een mooi overzicht over het terrein met op den achtergrond begroeide toppen. Op een halven dag afstands ligt nog een kampong van denzelfden stam Oema Bĕm Boh, dezelfde Boh, die we reeds aan de overzijde van het scheidingsgebergte hadden bevaren.

Door den regen van den vorigen dag had ik geen gelegenheid gehad een kijkje te nemen in de kampong zelve; toch is dit de moeite wel waard, al kost het eenige overwinning om de vuilheid daarin weg te cijferen. De rijsthuisjes, beschilderd met zwart, wit en rood, maken een aardig effect; ook hier treedt overal het naga- of draakmotief op den voorgrond; de zwarte kleur wordt gemaakt uit roet, de witte uit kalksteen, de roode uit zachten, rooden steen. Dit zijn dan ook de eenige kleuren, die ze bij hun beschilderingen gebruiken en weten te bereiden. Overdag bevinden de meeste menschen zich op [160]de ladangs. Toch zijn de overgeblevenen, mannen en vrouwen, ijverig bezig; de meisjes en vrouwen maken hoeden, snijden tabak of stampen de padi in de zware blokken. Het is een genot de slanke, bruine lichamen elastisch op en neer te zien gaan, in de hand den zwaren stamper. Daar tusschen door loopen de jonge mannen, er keurig uitziend met hun zwarte awĕts, bezig met allerlei kleine werkjes in de buurt van de dajaksche schoonen en menig lonkoogje wordt geworpen op het meisje van hun hart. De mannen zijn bezig met het maken van schilden, snijden heften en scheeden voor mandau’s, maken vlechtwerk of loopen met een grooten zonnehoed op het hoofd in een draagmandje hun kleine kinderen uren heen en weer te dragen. Iedereen is bezig.

Den 27en November zouden we onze reis naar Long Nawang voortzetten. Na een uur roeiens ongeveer bereikten we Meloerei, een punt waar we de prauwen moesten verlaten om de Batoe Belakau te vermijden. Een pad van drie kwartier ongeveer voert naar Long Pajau, waar we wederom in de prauwen konden gaan. Door den gevallen regen echter was het pad nogal glibberig, waarbij nog kwam, dat we van verschillende rotanbruggen gebruik moeten maken, hetgeen voor iemand, die dat niet gewend is en niet te veel vertrouwen stelt in het toezicht daarop van dajaksche zijde—de bruggen zijn dikwijls zeer oud—nu niet bepaald een genoegen is. Aan den oever der rivier worden ze aan een overhellenden boom bevestigd, bij sommige vrij hoog, zoodat men bij aankomst aan de overzijde moet dalen of omgekeerd naar boven moet [161]klimmen. Spoedig was ik er echter aan gewend, hoewel steeds het bruisen en koken van het water daar beneden een onaangename gewaarwording bleef.

Onmiddellijk bij aankomst werd een begin gemaakt met het aanbrengen der goederen. Daar verschillende malen heen en weer geloopen moest worden en ik voldoende vertrouwen in mijn dajaks stelde, dat ze alles naar behooren zouden overbrengen, begaf ik mij dadelijk op weg om in de goed gebouwde koeboe aan de Long Pajau te overnachten en af te wachten, dat prauwen en goederen daar zouden zijn aangekomen. Hoewel de vaart voor de prauwen allerbezwaarlijkst was, bereikten allen zonder schade denzelfden dag nog de koeboe en waren ’s avonds ook alle goederen aanwezig. Mijn vertrouwen werd dus niet beschaamd, zoodat we den volgenden morgen reeds welgemoed verder konden trekken. We troffen al spoedig verschillende prachtig bewerkte ladangs der Oema Tau aan; dien dag zouden we hun kampong Long Oeroek bereiken. De Kajan heeft hier een flink verval, zoodat er met onze prauwen handig tusschen de verschillende rolsteenen gemanoevreerd moest worden, hetgeen zonder ongelukken, hoewel niet geheel droog, gelukte.

De oude, sympathieke, maar slimme Piat Baja, radja van Long Oeroek, die vernomen had, dat ik onderweg was naar zijn kampong, had mij 4 prauwen met 20 man, keurig uitgerust, onder welke zich zijn zoon, Adjang bevond, tegemoet gezonden om mij bij het naar beneden varen behulpzaam te zijn. Evenals overal elders in den [162]archipel, dringen ook hier berichten snel door en te meer verwonderlijk is dit, daar dajakland eenzaam en verlaten is en er geen speciale berichtendiensten bestaan. Toch was reeds bekend, dat ik dien dag in Long Oeroek zou aankomen. Niemand weet vanwaar het bericht komt—chabar angin—en niemand weet wie het heeft overgebracht.

Nadat we de kiham Bem hadden gepasseerd, een korte, uit 3 vallen van ongeveer 1 M. bestaande versnelling, waarbij de prauwen wederom over de steenen getrokken moesten worden, bereikten we na 2 uur Long Oeroek. De oude Piat Baja kwam mij tot de trap tegemoet, gescorteerd door een volgeling, die er in een groot tenue officiersjas—blijkbaar een geschenk—allergrappigst uitzag. De awĕt onder de luitenantsjas uitsteekende flatteerde inderdaad en zelfs de militaire muts op zijn lange haren misstond niet.

Onmiddellijk begaf ik mij met mijn gastheer naar zijn fraai bewerkt en zindelijk huis, waar de ouden mij ontvingen en waar ik als welkomstgroet rijst en kippen ontving. Om het mij gemakkelijk te maken, bood Piat Baja mij een stoel aan, dien hij indertijd van dr. Nieuwenhuis had gekregen; dit geschenk wordt trouw bewaard en alleen bij speciale gelegenheden mag het dienst doen. Te dien tijde woonden ze echter meer het binnenland in en “toean dokton” had toen meerdere maanden bij hen vertoefd.

In de voorgalerij hingen vele gesnelde koppen, terwijl de wanden fraai beschilderd waren met figuren in rood, wit en zwart en de balkuiteinden kunstig versierd en besneden met allerlei [163]dierenmotieven. Het geheel maakte een aangenamen indruk.

Piat Baja is een goed gastheer en weet het zijn gasten aangenaam te maken; ’s avonds was er een bijeenkomst van de dorpsgenooten, maar er mocht niet gedanst worden, omdat het kind van een der hoofden gestorven was. Verder trof ik het in zooverre, dat de kampong over 5 dagen lali zou worden verklaard vanwege het menoegal- of plantfeest. Was ik dus later gekomen, dan had ik niet de kampong mogen binnengaan.

De boeken van Nieuwenhuis en Tehupeiory hadden hunne grootste belangstelling en voortdurend weer vroeg men mij het portret te mogen zien van Boi Djalong, het groote Oema Tau-hoofd, dat vroeger in deze kampong woonde.

Ten slotte—de meeste dorpelingen waren al huiswaarts getogen—kwam een oud, sympathiek vrouwtje schuchter naar mijn veldbed, mompelde eenige onverstaanbare woorden; maar zooveel begreep ik wel, dat ook zij het portret van Boi Djalong wilde zien; zij was familie van diens vrouw. Zenuwachtig bekeek ze het portret, greep zijn gelaat, kuste het en begon toen luid te snikken. Of ze dacht, dat hij was teruggekeerd of dat ze opnieuw door leed getroffen werd bij de gedachte aan den overledene, weet ik niet, maar ze wilde niet eerder er van scheiden, dan nadat ik haar beloofd had moeite te zullen doen een dergelijk portret voor haar te bekomen.

Een dajak houdt er van, dat men gemoedelijk bij hem zit, platen uit mooie boeken laat zien en gezellig met hem praat. Sommigen, die het niet gewend zijn, foto’s te bekijken, draaien die [164]eerst op allerlei wijzen om en om, totdat ze het eindelijk uitgevonden hebben. Vooral een familieportret van mijn vrouw en kinderen maakte grooten opgang en ging van hand tot hand en kreten van bewondering werden geuit, eene kleine vergoeding voor het gemis aan huiselijke gezelligheid, welke ambtenaren in dergelijke gebieden dikwijls zoo lang moeten derven. Dat dajaks zelfs portretten heelemaal verkeerd zien, bleek me, toen ik hun Montenegro’s vorst Nikita in het boekje van van der Mandere liet zien. Ze dachten, dat ik dat was, terwijl ze vroegen of vorstin Milena mijne vrouw was.

Op verzoek van den radja bleef ik den volgenden dag nog in zijn kampong, van welke gelegenheid gebruik werd gemaakt met hem eenige zaken te bespreken. Hij is een schrander man en informeerde belangstellend naar allerlei onderwerpen en omstandigheden bij dajaks in andere gebieden, vooral van hen, die aan de beneden Kajan woonden en onder dezen vooral Anji Lohong, die 15 jaar geleden verzet tegen Sultan en Bestuur had gepredikt en die het de dajaks, die van boven kwamen, lastig maakte. Met genoegen vernam hij dan ook, dat deze thans niets meer te zeggen had. Over hun vroegere woonplaatsen deelde hij mij mede, dat ze afkomstig waren uit Poedjoengan en hun voorouders het plan hadden opgevat naar de boven Mahakam te verhuizen, maar door eene vergissing, doordat nl. iemand luide uitriep pajau (hert), hetgeen ze echter verstonden als ajau (koppensnellen), vluchtten ze terug en bleven tot nu toe hier wonen. [165]

In Long Oeroek bevindt zich in het huis van Boi Djalong een zeer groote rhinoceroshoren en behalve deze was er ook een groote, zwarte gong,—naar men zegt, de grootste van Apo Kajan—, die volgens de legende door eene vrouw gevonden zou zijn nabij den oever van een beekje, alwaar de gong in den grond begraven lag. Eenzelfde soort verhaal deed men omtrent een mooien, blauwen chineeschen pot. Ofschoon men hier in Apo Kajan niet die vereering voor de “blawang” of heilige potten kent, zooals wel bij andere dajaks en ook in Serawak bij de Hebans het geval is, zoo was men hier aan deze speciale tadjau wel gehecht en schreef men haar eenige geheime krachten toe. Wel merkwaardig is dat men ook hier, in Centraal-Borneo, beweert, dat deze chineesche potten en gongs nog al eens opgegraven worden zonder dat echter legenden of mythologische verhalen eenigszins eene aanwijzing geven door wie of hoe deze voorwerpen in den grond begraven zijn. Vervaardigd zijn ze in elk geval door chineezen en zeer schoon. Voornamelijk trof ik ze indertijd in de Tidoengsche landen, diep in het binnenland, aan.

Piat Baja en de zijnen waren zeer verwonderd, dat ik bekend was met de rij hunner voorvaderen, die ik hun aan de hand van het kranig rapport van controleur Palm allen opnoemde. Trouwens schrift is voor hen onbegrijpelijk, geheel onbekend zelfs en waarschijnlijk is het daaraan te danken, dat hun geheugen zoo geweldig ontwikkeld is. Uit het hoofd wisten enkelen mij al hun familierelaties op te noemen [166]en vermoedelijk reikten deze wel tot een paar honderd jaar terug. Het eenige middel, dat ze kennen om hun herinneringsvermogen te hulp te komen bestaat uit een touw met knoopen: beloven ze b.v. om over een dag of 10 te komen, dan maken ze een touw met evenveel knoopen en halen er elken dag n uit; ze weten dan wanneer ze moeten vertrekken. Maar dat iemand, die hier voor het eerst kwam de rij hunner voorvaderen kon opnoemen, was hun toch niet heel begrijpelijk.

Nadat we verder nog over koetjes en kalfjes hadden gesproken—mij werd zelfs gevraagd of het waar was dat menschen konden vliegen—bood Piat Baja mij een mandau aan als herinnering aan dit bezoek, terwijl ik hem en zijne vrouw een tegengeschenk aanbood; hij hoopte, dat ik nog eens terug zou komen; het snellen zou in het vervolg nagelaten worden, hij hoopte dat de Kompenie hem vergiffenis zou schenken voor vroegere wandaden, maar zou gaarne in het bezit blijven van de reeds door hem en zijn vaderen gesnelde koppen. Wanneer ik nog drie weken wilde wachten—door de koedoeng-verklaring van zijn kampong—dan wilde hij met mij medereizen, een voorstel, dat ik echter onder dankbetuiging moest afslaan en zoo vertrokken we dan den volgenden dag naar Ma Djalan.

Mijn verdere plan nu was om nog enkele meer landwaarts in gelegen kampongs te bezoeken en om daarbij zoo weinig mogelijk door het medenemen van vele goederen opgehouden te worden, droeg ik Djoek Oesat, het hoofd van [167]Ma Djalan, op, deze vooruit te zenden naar Long Nawang, waar ik over eenige dagen zelf zou aankomen. Zelf begaf ik mij te voet naar Oema Toekoeng, na door het hoofd en de zijnen tot het einde der kampong uitgeleide te zijn gedaan. De wandeling duurde ongeveer 3 uur langs een vrij effen, maar door de vele regens zeer gladden weg, terwijl we verschillende malen de Soengei Seloengei moesten oversteken. We kwamen langs vele flinke ladangs en vischvijvers (bawang), welke vol visch moeten zitten en een behoorlijke afwatering hebben. Prachtige sawahs zouden hiervan te maken zijn, maar doordat de ladangs hem voldoende padi opleveren, denkt de dajak er niet aan den meer voordeeligen, doch zwaarderen sawahbouw uit te oefenen. Enkele malen heeft men een prachtig uitzicht over het bergterrein; op sommige punten waant men rond te zwerven tusschen de Limburgsche heuvelen en velden; eenzelfde gedachte bekroop me op de wandeling van Meloerei naar Long Pajau.

Toen we de kampong Oema Toekoeng naderden, had ik het gevoel in een onbekend gebied te komen; vrouwen en kinderen, die mij bij een bocht van den weg niet ver van de kampong ontmoetten, vluchtten in allerijl. Blijkbaar wisten deze niets van mijn komst af. De weg voerde langs een kerkhof met vele graven, ruw bewerkt, bestaande uit vier palen, slordig met bladeren ingedekt; n slechts was zorgvuldiger bewerkt, al deed het komisch aan als buitengewone versiering daarop aan te treffen een reclameplaat van Justus van Maurik’s sigaren. Onze schrijver [168]werd zoo wel op zeer ongewone wijze vereerd!

De kampong is groot, maar schots en scheef door elkaar gebouwd. Het hoofd Pelakau Lindjau ontving mij vriendelijk en eenvoudig, daar hij niet van mijn komst had afgeweten. Het was geen gewoonte, dat zijn kampong als niet aan de groote rivier liggend, werd bezocht, hetgeen niet wegnam, dat hij er buitengewoon mede ingenomen was. De belangstelling was dan ook groot en ik was niet weinig verbaasd, toen de vorst na eenigen tijd mij vroeg mijn bovenlijf te ontblooten, daar de vrouwen gaarne wilden zien of ik geheel en al wit was! Men bood verontschuldigingen aan, dat mij weinig kon worden aangeboden, omdat de tijden niet gunstig waren, maar ze wilden gaarne een varken slachten te mijner eere, waarvoor ik echter vriendelijk bedankte, daar ik met eenige eieren genoegen zou nemen. Ook zelf had ik niet veel aan te bieden, daar bijna al mijn goederen waren doorgezonden naar Long Nawang, zoodat ik de vorstin slechts een zakspiegeltje met kam en het hoofd wat tabak kon aanbieden.

Dit geven van geschenken, het z.g. “selawa”, is een beleefdheidsvorm, welke dan ook in iedere kampong plaats vond.

Den volgenden dag zouden we naar Oema Bakoeng vertrekken. Deze tocht duurt ongeveer 3 uur en de weg is niet bijzonder zwaar, ten minste niet volgens dajaksche opvattingen; hij voert ook hier langs schoone ladangs en vischvijvers. Op een der rijstvelden sloeg bij onze nadering de vrouwen de schrik om het hart; ze begrepen blijkbaar niet, wat een europeaan [169]hier deed en in allerijl zouden ze weggevlucht zijn, hadden niet mijn begeleiders haar toegeroepen, dat we sabillah (vrienden) waren. Toch waren ze niet eerder gerust dan nadat we teboe (suikerriet) met haar hadden gegeten als teeken, dat we inderdaad geen kwade bedoelingen hadden.

Dicht bij de kampong werd de grond geel van kleur, een bewijs dat deze niet zoo goed is, maar tevens een bewijs, dat de goede gronden in die buurten uitgeput raakten. Tusschen de verschillende kampongcomplexen waren teekens aangebracht, de grenzen aangevende. De eene kampong werkt niet in het gebied van den andere, al gebeurt het soms wel, dat er kwesties over ontstaan.

Op weg naar deze kampong hadden we weer verschillende hangbruggen, oogenschijnlijk niet alle van goede constructie, te passeeren gehad. Met zooveel zelfbeheersching als in mij was, ging ik over de hevig schuddende verbindingen. Sommige waren 20 30 M. lang. Bij den ingang van de kampong was er ook eene, die niet gemakkelijk te nemen was, zoodat mijn binnenkomst niet erg indrukwekkend kon genoemd worden en de vrouwen en kinderen dan ook niet konden nalaten hartelijk te lachen.

Ma Bakoeng ligt aan de Soengei Tegeh, een zijtak van de Moeara Anji. Daar de Tegeh niet bevaarbaar is, liggen de kampongprauwen dan ook aan de Anji, zoodat men eerst daarheen heeft te loopen, alvorens van de prauwen te kunnen gebruik maken. Ik trof het in zooverre niet, dat juist dien morgen alle prauwen naar Long Nawang waren gezonden om rijst daarheen [170]te brengen. Maar daarover maakten we ons maar niet ongerust; ook dat zou wel in orde komen. Er lag slechts een oud prauwtje, deelde men mij mede; als dit in orde gemaakt werd, zou ik daarmede eventueel wel den tocht naar Long Nawang kunnen maken. Na een marsch van 1 uur, welke niet zwaar was, bereikten we dan ook het punt, waar de prauwen gewoonlijk liggen. We vonden inderdaad bedoelde prauw, maar mooi zag die er niet uit, de boorden waren vernield hier en daar en roeiriemen waren er in het geheel niet. Het was echter verwonderlijk hoe snel mijn dajaks een en ander in orde maakten; het was een lust om te zien en na 1 uur ongeveer was de prauw bruikbaar. Zoo togen we dus op weg. De Anji is prettig te bevaren, we gingen snel vooruit en niet lang daarna bereikten we de breede Kajan, welke we nog twee uur afvoeren om daarna het lieflijk gelegen Long Nawang te bereiken. Aan de eene zijde der rivier ligt de Kĕnja kampong, aan de overzijde de militaire vestiging. Den 16en October van Long Iram vertrokken, bereikten we den 3en December Long Nawang, dat is juist 49 dagen over een afstand van ongeveer 250 K.M. hemelsbreed; maar een Apo Kajanreis doet men maar ns in zijn leven! De militaire transporten doen er op zijn minst 35 40 dagen over; het is ns gebeurd, dat dit zelfs 96 dagen duurde. Men overdrijft niet als men spreekt van afgelegen oorden en het heeft dan ook niet aan pogingen ontbroken om een gunstiger weg te zoeken voor den opvoer van vivres, hetgeen thans schatten verslindt. Wat hadden wij den [171]Kĕnja van Apo Kajan een keurigen weg naar zee kunnen aanbieden, indien wij in 1838 gevolg hadden gegeven aan het verzoek van de inlandsche hoofden van Serawak om onze tusschenkomst!

De gezaghebber van Apo Kajan, kapitein Pimentel, bij uitstek kenner van den dajak uit deze gebieden, ontving mij zeer vriendelijk. Een dag of tien mocht ik in zijn gastvrij huis doorbrengen, van welke gelegenheid ik gretig gebruik maakte om mijn kennis van land en volk te verrijken om deze later door eigen waarneming te verdiepen.

Denzelfden middag nog kwam Taman Kila zijn opwachting bij mij maken. Hij is van zeven kinderen de derde zoon van het vroegere beroemde hoofd Pingan Sorang, is mijns inziens een flinke figuur en door het gouvernement als algemeen hoofd aangesteld.

De dajak van Apo Kajan is onder alle dajakstammen, die ik ontmoette, de meest origineele en flinke. Niet dat hij op een hoogen trap van beschaving staat, maar hij geniet een zekere welvaart, welke merkbaar is in zijn geheele optreden. Vergelijkt men hem met de dajaks uit de Tidoengsche landen en in enkele opzichten ook met de Bahau’s van de Mahakam, dan is hij een levendig, frisch type met wie het een genoegen is kennis te maken. Zijn huizen zijn over het algemeen ruim en flink gebouwd, goed geventileerd en verlicht. In de woningen zelf is het over het algemeen zindelijk; onder de woningen echter waar varkens en kippen rondloopen en menschelijke en dierlijke uitwerpselen [172]terechtkomen, laat de reinheid heel dikwijls veel te wenschen over. Ook de afwatering is veelal verre van voldoende, zoodat zelfs na lichte regens talrijke plassen met stilstaand water ontstaan, terwijl van schoonmaken van het kampongterrein verder geen sprake is. In zijn voeding is hij vrij kieskeurig; zijn rijst wascht hij nauwkeurig; hij leeft van plantaardig voedsel, maar ook vleesch versmaadt hij niet. Varkens, herten of visschen zijn zeer geliefd; water drinkt hij uit de rivier; thuis evenwel laat hij dit eenigen tijd in bamboekokers staan, zoodat het bezonken is. Dronk de Bahau van de Mahakam geen gistende dranken, de Kenja is verzot op djakan, een door gisting uit suikerriet of padi verkregen drank, donkerbruin van kleur en van een zoeten, aangenamen smaak, welke eenigszins op dien van portwijn gelijkt.

Het zedelijk karakter van dezen dajak staat mijns inziens hoog; eerlijkheid, kuischheid en huwelijkstrouw zijn eigenschappen, die in hooge mate bij hem worden aangetroffen. Alleen het koppensnellen is een kwaad, dat zonder strenge contrle, steeds weer den kop zou opsteken. Er zullen nog geslachten en geslachten over moeten heengaan, voordat ze dit uit eigen beweging zullen nalaten.

Het vertrouwen der dajaks in onze geneesmiddelen is over het algemeen zeer groot, hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan den zeer lagen trap, waarop hun eigen geneeskunst staat. Om daarvan eenigszins een idee te vormen, is het niet ondienstig eenige hunner middelen te vermelden. [173]

De voornaamste geneesmethode is de bezwering: de bedoeling daarbij is de booze, ziekte-aanbrengende geesten te verdrijven. Daarnaast heeft hij een meer directen artsenijschat, maar deze is niet heel groot. Zoo heeft men wel geneesmiddelen tegen de bekende dajaksche schurft (tinea imbricata, cascado), bestaande uit olin, getrokken uit den bast van bepaalde boomsoorten.

Voor rheumatische aandoeningen kent hij de massage, meer kneden en slaan dan het van andere volken bekende wrijven.

Pijnlijke lichaamsdeelen worden wel gescarificeerd, een soort aderlating dus. Ook bij hevige hoofdpijnen en koortsen wordt dit middel toegepast.

Tegen ontstekingen weet hij weinig raad en dikwijls verergeren ze deze door verontreiniging. Zoo hebben vele dajaks ontstoken oogleden, doordat ze bij het uittrekken van wenkbrauwen en wimpers een zelfde tangetje gebruiken. Maanden en maanden kunnen ze daarmee rondloopen.

Syphilis schijnt niet voor te komen, wel framboesia, al schijnt het verschil tusschen deze ziekten onzen geleerden nog niet recht duidelijk te zijn. Malaria komt voor in bijna alle gebieden, maar Apo Kajan schijnt wel het minst daardoor getroffen. Eigenaardig mag nog heeten, dat de kustplaatsen malariavrij zijn. Meestal wordt gedacht, dat Borneo te dien opzichte een hel is, maar niets is minder waar dan dat. Zelf kwam ik met vrouw en kinderen indertijd zwaar met malaria genfecteerd uit de Lampongs, maar op Borneo’s kusten zijn we geheel genezen, hetgeen [174]in een dergelijk modderland wel verwonderlijk mag heeten.

In het Poedjoengan- en Lepo Maoetgebied heerscht hevig malaria, zelfs op hooggelegen plaatsen, hetgeen wel met den bodem—Lepo Maoet beteekent vuilland—in verband zal staan. Door langdurige ziekten schijnt zelfs het type van de bevolking in sommige streken geheel gewijzigd te zijn. Kropgezwellen komen vrij veelvuldig voor, minder bij de Bahaus.

Infectieziekten zijn zeldzaam, zooals cholera, typhus, pest, wel de beruchte klem (tetanus), waarvan de bacil meermalen in modderpoelen schijnt voor te komen.

Op chirurgisch gebied staat de dajaksche dajoeng—priester, tevens doekoen—vrijwel machteloos en aan eenigszins groote verwondingen weten ze niets te doen. Wel worden deze met schoon water en een kippeveer eenigszins rein gehouden, doch bloedingen weet men niet te stillen. Bij het doorboren van den glans penis met een palang, welke operatie bij het intreden van de puberteit plaats heeft, verder bij het doorboren van oorschelpen en oorlellen, treedt soms ondanks alle voorzorgsmaatregelen (bv. het te voren bloedledig maken van den penis tusschen een geknikt reepje bamboe) bloeding op, waartegen hij niet veel kan doen.

Is het wonder, dat op dergelijke wijze ernstig onder deze lieden geleden wordt en dat ons hart ineenkrimpt, als we in de kampong in vergeten hoekjes menschelijke wrakken zien liggen aan de ergste pijnen ten prooi en bedekt met afzichtelijke wonden? Is het wonder, dat hij de hulp [175]van den europeaan apprecieert, ook al kan die dikwijls heel weinig doen en is het wonder, dat hij allerlei middelen te baat neemt, die wij belachelijk vinden, maar waartoe hij in zijn eenvoud en tot het uiterste gedreven zijn toevlucht neemt? Enkele zullen vermeld worden, daar ze een goeden kijk geven op het ontwikkelingsniveau van den dajak. Bij flauw vallen wordt de patint boven een vuurtje geroosterd, totdat hij weer bijkomt. Tegen rheumatiek besmeert hij zich met sperma; bij sterkere bloedingen van een zwangere vrouw moet zij op een warmen steen zitten; bij bloedingen van wonden wordt fijngesneden haar als bloedstelpend middel gebruikt. Tegen spruw gebruiken ze watertorren, fijngestampt in den mond gegeven. Bij het breken van arm of been hebben ze wel idee van spalkverbanden, al zullen de deelen niet volgens de regelen der kunst gezet worden. Ook goed is het besmeren van kleine verwondingen met sirih-spuw; dit heeft een desinfecteerende en samentrekkende werking. Bij asthma gelooft de dajak dat het eten van een hertenpenis hem verlichting zal geven, bij hardnekkige koortsen het eten van drek van een stekelvarken. Zoo gebruikt hij ook wel tegen zweren het schraapsel, dat een zwijn achterlaat bij het schuren tegen een paal.

Wij beschaafden lachen hierom. Maar gebeuren in de uithoeken van ons ontwikkeld land niet even dwaze dingen? Bosboom-Toussaint vertelt ons in haar: “Huis Lauernesse” hoe de adel ringen aan de vingers droeg, aan welke geheimzinnige kracht werd toegeschreven, hetzij ter versterking van eenig zintuig, hetzij ter verhoeding [176]van kwalen. Gebruikte men niet opaal tegen vergiftiging en smaragd tegen koorts? Er is niets nieuws onder de zon!

Tegenwoordig nog raadt men tegen jicht wel eens aan een jongen hond bij zich te nemen, op wien dan de ziekte overgaat. En herinneren we ons niet, hoe men ter verwijdering van wratten zooveel knoopen in een touwtje had te leggen als men wratten had om dit daarna ergens in huis te begraven; en kon men ook niet een aardappel opeten met zooveel oogen, als men wratten had; kennen wij ook nog geen eenvoudige huismiddeltjes, die niet altijd baten, maar desniettemin zeer in zwang zijn?

We zagen reeds hoe de dajak gesteld is op een nageslacht en het kan ons dus niet verwonderen, dat hij bij het uitblijven van kinderen allerlei middelen te baat neemt. Zoo zal men boven het hoofd van de vrouw het geslachtsdeel van een gedooden rhinoceros houden en daar water doorheen gieten; de man zal een geneesmiddel innemen, getrokken uit een stuk hout, dat in de rivier vastzittend, door den stroom heen en weer wordt bewogen.

Aan den anderen kant is het moeder worden vr het huwelijk een groote schande, zoodat men bij overtreding dikwijls zijn toevlucht neemt tot vruchtafdrijving.

Bij besmettelijke ziekten zal men voor de kampong allerlei schrikfiguren oprichten, welke moeten dienen om de booze geesten, bewerkers van de ziekte, te verdrijven (zie afb. 13). Soms verbiedt men vreemdelingen in de kampong te komen; zoo gaf men in de Tidoengsche landen dit te [177]kennen door een soort raamwerk, waarover ettelijke pisangschillen hingen. Ten slotte kent de dajak nog een reeks diaetetische voorschriften, welke oorspronkelijk waarschijnlijk als boetedoeningen zijn bedoeld, maar in de praktijk niet veel lager staan dan onze middelen van dien aard en vermoedelijk aan de praktijk zijn ontleend. Zoo zal de dajoeng den patint bij koorts verbieden koud water te drinken, zich in koud water te baden en te slapen in de voorgalerij van het huis; eveneens bij diarrhee, terwijl dan alleen het eten van zachte rijst is toegestaan. Bij hoesten mag hij geen keladi, suikerriet en geroosterde kleefrijst eten, terwijl ook het rooken dikwijls verboden wordt. De gewoonte van onthouding zit den dajak z in het bloed, dat ze bij elke gelegenheid, dat ze medische hulp ontvangen—op afgelegen plaatsen doen de bestuursambtenaar en zijne vrouw dit—vragen, wat koedoeng is, d.w.z., wat verboden is en welk dieet ze hebben te houden. Men kan er vrij zeker van zijn, dat zij zich daaraan houden, in tegenstelling met maleische volken, die er zich meestal niet veel van aantrekken.

Evenals bij de Bahau’s bestaat de maatschappij in Apo Kajan uit verschillende standen en al is ook hier oogenschijnlijk het verschil niet heel groot, toch is dit inderdaad wel het geval. De adellijke partij zijn de parens, een echte Jonkerpartij, die vasthoudt aan adat en haar rechten; hun ambtenaren heeten penggawa’s. Daarnaast staat de stand der vrijen (panjin) en onderaan de slaven (oela). Voornamelijk komt het verschil [178]uit bij den dood. Alleen adellijke personen krijgen praalgraven (salongs), vrijen krijgen eenvoudige graven, terwijl slaven geheel afgezonderd van de overigen hun laatste rustplaats krijgen. Bij parens en panjins wordt bovendien nog onderscheid gemaakt tusschen graven van mannen en vrouwen—op de kisten van de eersten staan mannenfiguren, op die der laatsten vrouwenfiguren afgebeeld—voor slaven zijn die zoowel voor mannen als voor vrouwen hetzelfde. Toch heeft de slaaf gedurende zijn leven een menschelijk bestaan; naar schatting zullen er in Apo Kajan nog een 500 zijn; zelf wenschen ze de vrijheid niet, dus is het beter dit instituut zijn eigen dood te doen sterven.

Na nog een tegenbezoek aan Taman Kila gebracht te hebben in zijn nieuw, ruim en met mooi snijwerk voorzien huis en na een hartelijk afscheid van mijn gastheer, verlieten we—Taman Kila zou mij nog een eind weg uitgeleide doen—den 15en December Long Nawang. De rivier behoudt hier overal haar groote breedte en is zeer goed bevaarbaar. Na een half uur varens bereikt men Ma Badang, eigenlijk eene onderhoorigheid van Long Nawang; deze lieden toch zijn ongeveer 10 jaar geleden uit Serawak gekomen van de Apo Paja, een zijrivier van de Serawakrivier, waarschijnlijk deels om familieaangelegenheden, deels om de straffe hand van het engelsche bestuur te ontgaan en hebben zich hier onder de bescherming van de Oema Tau gesteld.

Vervolgens werd de Soengei Kian voorbijgevaren, [179]waar thans eenige vestigingen van de Ma Koelits zich bevinden. Vroeger, tijdens het leven van den grooten Djaloeng Apoei, woonden allen vereenigd in een schitterende kampong aan de Soengei Kian. De menschen leefden gelukkig, totdat de dag des onheils aanbrak. Djaloeng Apoei verborg 7 gedroste dwangarbeiders van zijn stam en toen de bestuursambtenaar Spaan op een dienstreis zijn kampong bezocht en hem daarover ondervroeg, loochende hij dit, zelfs den zwaarsten eed, dien deze dajaks kennen, zwerend, nl. dien op den tijgertand. Kort daarop stierf hij, volgens de bevolking wegens dezen meineed. Maar nog waren de onheilen voor de Ma Koelits niet voorbij; hun voornaamste hoofden werden kort daarna wegens snellen verbannen, met dat gevolg, dat de schoone kampong van weleer spoedig uiteenviel en in verval geraakte.

Bij gebrek aan een flink hoofd wonen ze thans her- en derwaarts verspreid; vooral Aban Lendjau, de zoon van Djaloeng Apoei’s zuster zou men gaarne terugzien. Het is jammer, dat de Makoelits, de sympathiekste der Kenjastammen, aldus te gronde moesten gaan. Zij zijn de kunstenaars, de bekwame mandausnijders van Apo Kajan.

Van alle dajaks hebben zij de schoonste tatouage in gebruik. Het tatoueeren (Kenjasch bĕtik, Bahausch tĕdah) geschiedt meestal door vrouwen; nadat het model (zie afb. 71 en 75 tot en met 79) op het bepaalde lichaamsdeel is ingestempeld, wordt dit daarna met een naald bewerkt, waarmede roetwater onder de huid wordt gebracht. Later [180]krijgt dit de eigenaardige blauwgrijze kleur. Brengen de Bahau’s de tatouage meestal aan op bovenhand, pols en voet, bij de Kenja’s vindt men dit meermalen op onderarm en bovenbeen, terwijl op het lichaam hier en daar nog naar gelang van den wensch van den persoon verschillende teekens worden aangebracht. Vooral de Makoelitvrouwen hebben prachtig versierde bovenbeenen, welke zichtbaar zijn door de aan de linkerzijde van het lichaam geheel openstaande sarong. Schitterende prenten vindt men van een en ander in het boek van Nieuwenhuis. Zie afb. 29.

’s Middags te 3 ure kwamen we te Ma Baka aan; zijn de Ma Koelits bekwame snijders van mandauscheeden, deze munten uit in het bewerken van schoone heften.

Den volgenden dag bereikten we Lepoe Tepoe Iwan, waar we van roeiers moesten verwisselen, die mij naar Poedjoengan zouden brengen. Ik vermoedde reeds, dat dit oponthoud zou veroorzaken, zoodat ik wel gedwongen was, ook op hun dringend verzoek nog een dag te blijven. Voordat ik echter de kampong mocht betreden, moest er aan eene formaliteit voldaan worden om het koedoeng of lali padi van de kampong op te heffen. Door het geven van eenige kralen—die zorgvuldig in een naastbijzijnd huisje werden opgeborgen—, kon ik de tijdelijke vrijstelling koopen; onmiddellijk na mijn vertrek werd dan de kampong weer koedoeng. Soms geldt dit voor de geheele kampong, soms voor enkele huizen, dan weer slechts voor n huis. Het koedoeng padi is het voornaamste; gedurende eenige dagen, [181]soms niet meer dan 5, is de geheele kampong voor vreemdelingen gesloten. Wordt het bovendien echt volgens den adat gehouden, dan is van af het oogenblik dat de padi bijna geplant wordt, dus even vr het menoegal, tot kort na den padisnit, in elke kampong n huis aangewezen, dat onafgebroken koedoeng heeft, het z.g. “malan oeman”. De hoofdbewoner van dit huis leeft gedurende al dien tijd van niets anders dan zacht gekookte rijst. Hij mag zelfs geen zout daarbij gebruiken. Na den snit krijgt hij echter van alle kampongbewoners een draagmand padi, daar veel van den oogstuitslag afhangt van het feit of hij zich wel goed aan de verbodsbepalingen heeft gehouden. Of deze lieden zich altijd daaraan houden, weet ik niet, maar al komen misoogsten natuurlijk voor, toch gelooft de Kenja, dat deze personen inderdaad gedurende al dien tijd dit strenge dieet doorvoeren. Elk jaar wordt voor deze betrekking een andere persoon gekozen; ze dienen echter van vorstelijke afkomst te zijn. Behalve deze voorname koedoeng van n huis per kampong tijdens de landbouwwerkzaamheden, heeft men nog tal van andere, zoo b.v. vr het menoegal tijdens het zoeken naar voorteekens of de gekozen ladanggronden goed zijn. Deze duren bijkans onafgebroken 1 1 maand; zoo kan een of andere dag van deze koedoeng samenvallen met den 1en dag van een nieuwen koedoeng. Naast het koedoeng padi, dat het voornaamste is, heeft men nog koedoeng anak, voor kinderen bij meerderjarig worden, het koedoeng lahir anak, bij de geboorte. In alle dajakgebieden is dit gebruikelijk; in Lepo [182]Maoet echter is het vrijwel in onbruik geraakt.

Met het hoofd Sawang Pajang besprak ik verschillende aangelegenheden en zoo vroeg ik hem ook, waarom zij nooit te Tandjong Seilor kwamen om te “peselai” (op handelsreis gaan); voor hen was de afstand niet ver. Het bezwaar bleek nog steeds te zijn, groote vrees voor de Ma Alims van Poedjoengan en aan de benedenrivier ook voor de Ma Koelits van Long Ledjoe. Deze vrees dateert nog uit vroeger dagen, toen de snelwoede in Poedjoengan van den beruchten Lian Toeran—we spreken over hem uitvoeriger in het volgende hoofdstuk—geen grenzen kende, toen hij roofde en alles te vuur en te zwaard vernietigde. Hoewel hij thans niets meer durft te doen wat hem de vijandschap van de Kompenie op den hals zou halen, zijn toch nog allen voor hem bevreesd. Zoo werden bewoners van Lepoe Tepoe nog meermalen door Ma Alims beleedigd met het z.g. “nepoekang djawa”, hetgeen eigenlijk beteekent “een geest slaan” en bestaat uit het werpen met vuil en drek. In verband met een en ander stelden de Lepoe Tepoes mijn komst zeer op prijs. De Ma Alims, die van mijn komst afwisten, hadden hen dan ook al geprest mij niets van dit alles mede te deelen, als bewijs van goede gezindheid een grooten gong aanbiedend, maar tevens onder bedreiging, dat ze zich zouden wreken, wanneer dezen er zich niet aan hielden. Nog deelde het hoofd mij mede, dat ik hoogstwaarschijnlijk aanraking zou krijgen met de Poenan Boesang, een bericht, dat mij hoogelijk verheugde, te meer daar controleur Palm op zijn tocht geen gelegenheid [183]had gehad deze zwervers, welke thans onder de kampong Lepoe Tepoe ressorteeren, te ontmoeten.

Sawang Pajang, onze gastheer, is een bereisd man; zelfs bezocht hij Serawak, waar leden van denzelfden stam wonen. Hij was de Iwanrivier tot aan haar oorsprong opgevaren, had daarna 4 dagen door het gebergte geloopen en na allerlei kampongs bezocht te hebben—hij noemde er 24 uit het hoofd op—bereikte hij Long Maloed, de hoofdplaats van den radja van Serawak. Hier zag hij voor het eerst van zijn leven groote schepen en al was het lang geleden, nog sprak hij er met pathos over.

Uit den naam van ons hoofd Sawang Pajang kan men opmaken, dat zijn 4e zoon of 4e dochter is gestorven. Typisch voor de dajaks in het algemeen en meer voor de Kenja’s in het bijzonder zijn naamsveranderingen. Zoo noemt het tegenwoordige Apo Kajanhoofd zich Taman Kila, vader van Kila, sedert de geboorte van zijn zoon Kila.

Wanneer iemand grootvader of grootmoeder wordt, komt voor den naam het voorvoegsel “pa” te staan, b.v. Pa Ingan, samengetrokken tot Pingan. Zoo heette de vader van Taman Kila, Pingan Sorang na de geboorte van zijn kleinzoon Ingan. Vooral bij sterfgevallen vindt naamsverandering plaats. Zoo noemt bij den dood van haar man de weduwe zich Baloe, terwijl de zoons Oejau en de dochters Oetan gaan heeten. Sterft de vrouw, dan heet de man Amban en de kinderen Aing. Bij overlijden van den eersten zoon of dochter heeten de ouders Oejoeng, [184]de broers en zusters Abing; van den tweeden zoon of dochter, de vader Boei, de moeder Boejoe, de broers en zusters Anda; van den derden zoon of dochter, de vader Mawa, de moeder Bajei, de broers en zusters eveneens Bajei; van den 4en zoon of dochter respectievelijk Sawang, Linang en Linang enz. Tot en met het 10e kind ongeveer is dit geregeld; op meerdere nakomelingen wordt blijkbaar niet gerekend.

Ook schoonzoons en schoondochters, kleinzoons en kleindochters veranderen van naam, terwijl weer andere in gebruik zijn voor lieden, die vermoord zijn of op het slagveld sneuvelden. Zoo heet eene vrouw, nadat haar man vermoord is, Baloe Mesang of Baloe Sagan.

Bij het vertrek van Lepoe Tepoe Iwan bandjirde de rivier hevig; met veel moeite bereikten we dan ook na een paar uur Ma Lisan, een vuil uitziende kampong. Daar het water echter te veel gevaar opleverde, besloten we toch maar hier te blijven. Den volgenden dag was het water wel vrij wat gezakt, maar toch bandjirde het nog flink. We zouden dus dezen dag slechts varen tot de Soengei Pasah, aan den voet van de versnellingen, als eerste de kiham Nawang. Hoewel het dien nacht niet regende, bleek de rivier den volgenden morgen toch gestegen te zijn. We hadden er echter niet veel zin in om op die eenzame plaats te blijven liggen, zoodat het hoofd mij aanried de goederen alvast boven de versnellingen te brengen en dan te trachten met de ledige prauwen naar boven te gaan. Dit voorstel werd natuurlijk met beide handen aangenomen. Dien dag konden we echter niet [185]meer klaar komen met het overbrengen der goederen, zoodat ik eerst den volgenden dag met de rest daarvan zou komen, welke wandeling twee uur duurde. Hadden we met den tocht voorloopig niet veel succes en vorderden we niet vlug, eenige afwisseling gaf de jacht. Het was een vroolijk gezicht al deze met speren gewapende dajaks te zien met de daartusschen lustig heen en weer springende honden, van welke enkele in het terrein zich bevonden. Plotseling werd door de dieren een of ander stuk wild, varken of hert, gesignaleerd. Onmiddellijk werden de goederen neergeworpen en verdwenen mijn dragers als een pijl uit den boog in de aangegeven richting het bosch in, mij alleen achterlatend. Daar het strijdperk echter niet ver verwijderd scheen, liep ik ook door in de aangegeven richting en was ik zoodoende getuige van een schitterend jachttafreel. Een schoon hert, opgejaagd eerst, werd later tot stilstaan gebracht door de wilde honden, die geheel buiten zich zelve waren, een lansstoot echter miste, van welke gelegenheid het edele dier gebruik maakte om te ontvluchten en zijn leven te redden, een klein riviertje overzwemmend.

Hadden we dus niet veel succes, onze achterhoede was later op den dag voorspoediger en bemachtigde een hert en een zwijn, zoodat ’s avonds allen vergenoegd bivakkeerden, vroolijk tot in den nacht de gebeurtenissen van de laatste dagen bezingend. Toen ik onder dit gewoel door vroolijk een liedje begon te fluiten, verzocht een der ouderen mij vriendelijk, maar ernstig, dit na te laten, wijl ik daarmede de geesten, bali, opriep. [186]Men was hoogelijk bevreesd daarvoor, zoodat ik er dan ook dadelijk mee ophield, daar ik de goede stemming niet wilde bederven.

Een aangename afwisseling bracht verder nog het bezoek van 4 Poenan dajaks, die op weg waren naar Lepoe Tepoe om tabak te halen. Deze Poenans zijn echte zwervers; geen maand om zoo te zeggen wonen ze op dezelfde plaats. Zij werden voor mij gebracht, zeer beangst en verlegen; ze durfden mij eerst niet aanzien, gingen gehurkt met den rug naar mij toe zitten en lieten al gauw vragen of ze weer weg mochten gaan. Ik stelde er echter prijs op nader met hen kennis te maken, daar zij tot den stam der Poenan Boesang behoorden, over wie mij het hoofd van Lepoe Tepoe had gesproken en wier kampong wij zouden trachten te bezoeken. Om hen gerust te stellen, gaf ik hun dus wat rijst en zout en deelde tevens mede, dat ik hun kampong zou bezoeken. De Poenans spreken een eigen taaltje, al verstaan ze ook een weinig Kenjasch. Sterk dragen ze de kenteekenen van hun woudleven, een fletse kleur en een intensieve vervuiling: ze hadden veel ringworm, welke stukgekrabd, verzweringen veroorzaakte; mijn roeiers maakten bij hen vergeleken een zeer geciviliseerden indruk. Wel droegen de Poenans schoone tatoueeringen, vooral op de dijen.

Ten gevolge van aanhoudenden regen gedurende den nacht, bleek het water den volgenden morgen heel wat gestegen te zijn. Ook den volgenden dag bleef dit zoo, zoodat we er reeds over dachten—de rivier had volgens mededeelingen reeds eenige weken aldoor gebandjird—[187]over land verder te gaan, daar het eindpunt van onzen prauwentocht—de Tagaharoek Soen—naar schatting niet meer dan 10 15 K.M. verwijderd was en wij er niet veel voor gevoelden hier meerdere dagen opgesloten te zitten, al ontveinsden we ons niet, dat de landtocht zeer vele moeilijkheden zou veroorzaken. Gelukkig was dit echter niet noodig, want den volgenden morgen was het water flink zakkende en al was het verre van mooi, we konden het toch wel wagen. We voeren tot ’s middags 3 uur door, toen een geweldige regenbui ons overviel, juist op een behoorlijke bivakplaats, Tepoeroeng Ledjau. De rivier blijft hier voortdurend vrij breed en hoewel de radja van Lepoe Tepoe—hij vergezelde ons op onzen tocht—had medegedeeld, dat we vr Soen zes kihams hadden te passeeren, waren we er ’s middags al drie voorbij, voordat we het wisten. Ongewoon als hij was met europeanen om te gaan, was hij overdreven bang, dat mij iets zou overkomen, Daar komt bij, dat de Iwanmenschen geen echte kihamvaarders zijn. Er wordt wel eens gedacht, dat alle dajaks geschikt zijn als roeiers; niets is minder waar dan dat; men heeft wel degelijk uit bepaalde stammen te kiezen. Deze menschen durfde ik dan ook niet verder mede te nemen dan Poedjoengan; voor de Bahau op weg naar Lepo Maoet waren ze beslist ongeschikt.

Onder een kouden, dikken mist verlieten we den volgenden morgen vroeg ons bivak; men zou een oogenblik gezworen hebben in Holland te vertoeven; dit is steeds echter van korten duur en een dergelijke koude is meestal de voorbode [188]van een snikheeten dag. We kregen al spoedig een paar naha’s (grintbanken) te passeeren, welke echter geen moeilijkheden veroorzaakten. De Iwan is eigenlijk vrij van kihams; hierna werd de waterspiegel z effen en gelijkmatig, dat men zich aan de monding van de Kajan gewaand zou hebben, tot welk begrip ook bijdroegen de dichtbegroeide, modderige oevers, waar overheen dikke boomstammen met hun kruinen wuifden. Rustig lieten we ons dan ook wederom voortwiegelen, beschermd door het bladerendak. En oogenblik schrokken wij op, toen vlak bij onze prauw een bijawak, door niemand gezien, zich, op het hooren van onze roeiriemen plotseling opgeschrikt, van af een hoogen boom met een forschen plons in het water wierp.

’s Avonds hadden we geen aangenaam bivak, vochtig, dichtbegroeid, moeilijk te bereiken, terwijl we door millioenen aga’s werden geplaagd, Toch was de doodsche stilte van het bosch, fantastisch door de maan beschenen, indrukwekkend. Alleen krekels met hun snerpend geluid, die steeds het uur van den naderenden avond aankondigen, brachten afwisseling hierin. Rustig gingen we slapen, in de hoop morgen de Tagaharoek Soen te bereiken, hetgeen inderdaad den volgenden dag ook gelukte. De Soen is een klein, onbevaarbaar riviertje, dat zich bij het punt van ons bivak stort in de Iwan, die met een rechten hoek zich verder links ombuigt. Het lag in mijn bedoeling reeds den volgenden morgen dragers vooruit te zenden met een gedeelte mijner goederen, die tevens een rintisan (boschpad) zouden maken, daar de [189]weg zelden begaan werd en zich dus vele hindernissen zouden voordoen. Terwijl zij daarmede bezig waren, had ik een schoone gelegenheid een bezoek te brengen aan de Poenans, die een weinig den Iwan stroomopwaarts, in het bosch woonden. Toen ik dan ook ’s morgens mijn goederen had verdeeld, begaf ik mij per prauw met den radja van Lepoe Tepoe, vier roeiers en een tolk op weg naar de lepau der Poenan Boesang.

Hoewel deze onder bedoelden vorst ressorteeren, wist hij niet, waar ze zich toen ophielden. Het was reeds maanden geleden, dat hij ze voor het laatst bezocht. Reeds na enkele minuten verlieten we de Iwan om de zijrivier Kian op te varen. Een uur ongeveer moesten we in de prauwen zitten, toen we ons aan wal begaven. Het pad was verre van mooi en meerdere malen moesten we door het water waden. Na korten tijd bereikten we de plaats, waar de radja dacht, dat zijn onderhoorigen zaten; maar alles was verlaten. Meest verhuizen ze eens in de maand; bij sterfgeval of ernstige ziekte in de kampong is verhuizen zelfs verplichtend en ze bleken later zeer verwonderd te zijn, dat hollanders en maleiers dat niet doen.

Ook een tweede plaats vonden we geheel leeg, maar eindelijk werd onze moeite beloond en vonden we na 1 uur—steeds hun spoor volgend—de lepau Poenan. Zeer moeilijk was deze te benaderen; niet alleen was de omtrek van het dorp over een afstand van 50 M. ongeveer versperd met omgevallen boomen, maar bovendien met een dichte heg, slechts hier en daar voorzien van enkele lage en smalle poortjes, [190]waardoor ik mij op handen en voeten slechts met de grootste moeite kon heenwerken. De Poenans—vooral in afgelegen streken—zijn zeer bang en deze versperringen dienen om de menschen ’s nachts tegen overvallen te waarschuwen; een gedeelte van hen brengt den nacht altijd wakende door om onmiddellijk gereed te zijn. Bij het minste geritsel gaan ze op onderzoek uit of wapenen ze zich. Het moet trouwens heel lastig zijn ongemerkt binnen te komen, daar de dorre bladeren veel geraas veroorzaken. Heeft men zich met moeite door een dezer poortjes heengewerkt, dan bevindt men zich voor een gewirwar van hutjes, zonder eenig systeem gebouwd, zoodat het de grootste moeite kost van de eene hut in de andere te komen. Zoo’n huisje bestaat uit twee stijlen—nauwelijks manshoogte—met een dak, dat aan de andere zijde op den grond rust. De bedekking bestaat slechts uit droge bladeren. In deze kleine ruimte—de wanden zijn ongeveer twee meter breed—woont de geheele familie kris en kras door elkaar; hier slaapt men, hier kookt men, hier baart de vrouw haar kinderen.

Mijn komst verwekte—zooals te begrijpen—heel wat opschudding. De 4 Poenans, die ik vroeger ontmoette, waren nog niet thuis, zoodat ze van mijn komst niets hadden afgeweten. Dadelijk werd ik naar het huis van den vorst, Lidjong, geleid, die niet thuis was, maar mij later in mijn bivak een bezoek kwam brengen. Zijn huis onderscheidde zich in niets van dat der anderen en zonder aanwijzing zou dit niet te vinden zijn geweest. [191]

Evenals velen zijner stamgenooten, maakt Lidjong een gunstigen indruk. Vele jonge vrouwen hebben, ook volgens onze begrippen, mooigevormde gelaatstrekken. Eigenaardig is, dat vele Poenans een beslist chineesch type vertoonen, hetgeen ze met andere dajakstammen, vooral Kenja’s, gemeen hebben; mijns inziens treedt dit echter het meest op den voorgrond bij de primitieve stammen, zooals Poenans en Sabans.

Naar hetgeen we van hun huizen gezien hebben, behoeft het wel geen betoog, dat deze lieden ook overigens eenvoudig leven; als lichaamsbedekking gebruiken ze een boomschors lendenschort, terwijl ze zich slechts voeden met wat sago en wat verder de jacht en vischvangst opleveren.

Ze maken een eenigszins schuwen en verlegen indruk en het bosch- en nomadenleven is hun sterk aan te zien. Ze zien er over het algemeen vuil en bleek uit, deels tengevolge van hun leven in de bosschen, deels misschien tengevolge van bloedarmoede. Dajaks in het algemeen en Poenans in het bijzonder hebben een vrij blanke kleur, hetgeen vooral bij zeer jonge kinderen het geval is.

Over het algemeen vertoonen ze sombere trekken, getuigend van armoede en ontbering; op mijn vraag of ze niet liever in een kampong woonden als de andere dajaks, antwoordden ze ontkennend; ze waren dit nu eenmaal gewend; toch is het een droevig bestaan, al was ik gelukkig, dat ik door eenige kleine geschenken een glimlach op hun gelaat kon tooveren en eenige oogenblikken van blijdschap kon bereiden. [192]

Een eigenaardige verschijning in de kampong was een jong meisje met rood haar, terwijl haar ouders, die ik ook ontmoette, beiden zwart van haar waren. Nergens anders trof ik dit aan.

De tatoueeringen van de Poenans zijn schoon en sierlijk; vooral die op het dijbeen aangebracht, vertoonen fraaie krullen, die werkelijk kunstig zijn. Ook kleinere versieringen zijn aangebracht op bovenarm, borst en hals; bij de vrouwen voornamelijk op den arm, een breede band om den pols en smallere banden tot den elleboog reikend.

De Poenans leven slechts in kleine troepen bijeen en men zegt, dat zij aan het uitsterven zijn. Zij maken zich verdienstelijk, behalve door het leveren van bosch- en jachtproducten door het maken van matten en het dresseeren van honden. Wegens hun bekendheid met de bosschen zijn zij echter bovenal bruikbaar als gidsen en geen troep dajaks gaat op sneltocht of bij hen bevinden zich eenige Poenans. Zij kunnen ook het beste met de blaaspijp omgaan, een kunst, die bij de landbouwende stammen bijna geheel is verloren gegaan.

Nadat het onderhoofd mij uitgenoodigd had den nacht in zijn kampong door te brengen, waarvoor ik echter moest bedanken en nadat hij zijn verontschuldigingen had aangeboden, dat hij mij niets anders kon aanbieden dan wat sago en eenige vogelveeren, welke ik gaarne aannam, vingen we den terugtocht weder aan, daar we den volgenden dag de voetreis zouden aanvangen om dan na eenige dagen Poedjoengan te bereiken.

Het eerste punt, waar we bivak maakten, heet [193]Sawah. Dit weggedeelte vordert 4 uur loopens en is niet zwaar. En gedeelte is vrij lastig, n.l. daar, waar men zich boven een afgrond op de helling van een berg korten tijd langs een smal paadje heeft te bewegen, waar de voet nauwelijks kan staan. Mijn reisjongen verloor hier bijna het leven, doordat het pad gedeeltelijk in den afgrond verdween; gelukkig wist hij zich aan de wortels van een boom te redden: hij had anders een wissen dood in den onder ons bruisenden waterval gevonden. De Soen passeert men ettelijke malen, waarbij we bij den toenmaligen waterstand meermalen tot aan de knien door het water gingen. Ten slotte komt men aan de Soengei Oebi, in welks bedding men nog ongeveer een uur voortwandelt om daarna Sawah te bereiken. Erg gerust voelden de dajaks zich in deze eenzame gebieden niet en meermalen wezen ze punten aan, waar dajaks waren gesneld door de moordlustige Hebans.

Het volgende traject bracht ons bij de monding van de Bakoengrivier. Dit gedeelte was veel zwaarder met veel grooter terreinverheffingen en vorderde bijna 6 uur; gelukkig echter konden we grootendeels dalen; van Poedjoengan uit echter moet deze tocht vrij zwaar zijn. We kwamen langs enkele verlaten Poenanvestigingen en vindplaatsen van zout. In deze verafgelegen gebieden zoekt de mensch zelf zijn zout; in ronde stangen aangemaakt, vies en vuil, ter lengte van een halven meter ongeveer, wordt het voor gebruik gereed gemaakt.

Zoo naderden we reeds Poedjoengan, het gebied van den beruchten moordenaar Lian Toeran. [194]Erg gerust voelden de Lepoe Tepoers zich niet; hun vrees voor de Ma Alims kwam opnieuw boven, te meer daar ze eigenlijk nooit officieel met dezen stam zich hadden verzoend. Ze vroegen mij daarom, alvorens verder te gaan, eene adats-plechtigheid te mogen verrichten; vooral de ouderen onder hen drongen er op aan, daar hun zonder deze plechtigheid zeker rampen zouden overkomen. Gaarne stemde ik er dus in toe. Ieder der aanwezigen plantte in den grond een stok, aan welks uiteinde allerlei krulversieringen waren aangebracht. Onder het aanroepen van de geesten werden eenige formules uitgesproken, waarbij de hoop werd geuit, dat hun geen moeilijkheden in den weg zouden staan en dat de toean Long Kajan hun behulpzaam zou zijn bij het tot stand brengen van een vriendschappelijke verhouding tusschen hen en de Ma Alims. Heel plechtig ging het overigens niet toe, en toen mijn jongen, blijkbaar uit dankbaarheid voor zijne redding, na afloop ook een stammetje inplantte en eenige onverstaanbare woorden mompelde, verwekte dit groote hilariteit.

Nadat we nog n dag te Long Bakoeng verbleven hadden, voor het inwachten der resteerende goederen en tevens om de verschillende natte kleederen en andere voorwerpen te drogen, terwijl bovendien de radja van Lepoe Tepoe ziek was en velen voetenverzorging noodig hadden door verwondingen en patjetbeeten (bloedzuigers), trokken we den volgenden dag verder, staken een zijtak der Poedjoenganrivier over, hetgeen zonder prauwen kon geschieden, en gingen ongeveer 2 uur voorbij deze rivier in bivak. [195]

’s Nachts kregen we een regenbui, die den geheelen nacht aanhield. Een plotselinge geweldige donderbui bracht het geheele kamp in beroering. Als n man vlogen allen op van hun slaapplaatsen, gewapend met schild en mandau, een geweldig strijdgehuil aanheffend. Door het bivakvuur verlicht, gaf dit een fantastisch schouwspel. Vermoedelijk waren ze in de veronderstelling, dat een troep Hebans ons had overvallen of dat de Ma Alims wederom hun moordlust wilden botvieren. Toen ze echter zagen, dat er niets bijzonders gebeurd was, kwamen ze spoedig tot rust.

Zoo eindigde de 31ste December 1917! Het was wel een bijzondere oudejaarsavond.….

[Inhoud]

IN POEDJOENGAN EN LEPO MAOET.

Neen, ik geloof niet dat het in Oost-Borneo ergens typischer is dan hier in Poedjoengan. Zagen we reeds, dat Apo Kajan verschilde van het boven Mahakamgebied, veel onderscheid was er ten slotte niet, doordat beide gebieden veel gemeen en iets eentonigs hebben door de gelijkmatigheid. Ook met Poedjoengan en in nog sterker mate het Lepo Maoetgebied—de naam Vuilland zegt reeds genoeg—zou dit het geval zijn, als niet alles hier cht was, wild, ruw, schots en scheef dooreengeworpen. Hier gevoelt men zich te bevinden in gebieden, waar de snellers zich thuis moeten gevoelen; hier hooge, steile bergen met prachtige schuilplaatsen om vandaar uit op sluwe wijze de giftige pijltjes te kunnen richten, door niemand gezien, door niemand [196]gestraft. Hier kon men dagen en dagen rondzwerven, zonder dat iemand het wist; hier moest de bakermat liggen van iemand, die door ruw optreden alom angst en vreeze moest verwekken en het geheele gebied zou beheerschen tot in de uiterste schuilhoeken. Angstig trok de dajak zich terug in zijn ongenaakbare schuilplaatsen, allen verspreid, zonder verband en door angst alleen reeds machteloos. Hier zou Lian Toeran nog jaren lang hebben kunnen heerschen, ware niet de Kompenie tusschenbeide gekomen, Lian Toeran, dien men zelfs nog in Apo Kajan vreesde tot voor korten tijd en dien men in Lepo Maoet thans nog vreest.

Waren niet vele Kenja’s, uit vrees voor hem naar Apo Kajan uitgeweken? Waren niet verschillende Lepo Maoethoofden gevlucht naar het boven Mentarang gebied in de Tidoengsche landen, zoodat ten slotte een dunne bevolking overbleef?

Was hij het niet, die alles te vuur en te zwaard vernietigde bij den minsten tegenstand? Brandde hij niet de kampong van het tegenwoordige Lepo Maoethoofd Oesat Biloeng, Njiboeng, tot driemalen af? En roofde hij niet de schoonste vrouwen om die tot slavinnen te maken en de sterkste mannen tot slaven, omdat het Njiboenghoofd den fieren nek niet voor hem wilde buigen? Doolde hij ook in andere streken niet rond als een moderne Maarten van Rossum, zoo iemand het waagde zich tegen hem te verzetten en niet toegaf aan zijn afpersingen? Zoo ergens, dan is het hier bewaarheid, dat de brutale onder de dajaks heel dajakland regeert. De edelman, [197]die werkelijk een persoonlijkheid is, kan zeker zijn van macht en grooten aanhang, ook al is hij niet altijd de oudste zoon van den vorigen vorst. Die kunst verstond Lian Toeran en heeft die te zijnen nutte aangewend.

Thans echter is dit alles voorbij. Kort nadat ik hem den laatsten keer ontmoette, is hij gestorven, nadat hij zich reeds gedurende korten tijd op zijn velden had teruggetrokken en zich niet veel meer met de zaken bemoeide. Mokkend tegen het gouvernement—inmenging in zijn zaken was hem een gruwel—is hij in stilte heengegaan, als zijn laatsten wil te kennen gevend, dat hij niet in de aloude graven zijner vaderen, de holen in de hooge bergen bij Ma Alim, begraven wilde worden. Oude, bijgeloovige dajak als hij ten slotte was, durfde hij uit schaamte niet bij zijn voorvaderen te komen, daar hij voorzag, dat het na zijn dood de grootste moeite zou kosten eenige schedels voor hem machtig te worden, die hem tot helpers in het Apo Kesio moesten dienen. Hij is heengegaan en begraven in een eenvoudig graf niet ver van zijn velden verwijderd, maar zeker met de opdracht aan zijn kinderen, hem naar de aloude “lobang batoe”, de holengraven dicht bij den hemel te brengen, zoodra hij zonder schaamte zich bij zijn vaderen kon voegen.

Algemeen was dan ook de verwachting, dat er thans door zijn zonen een groote sneltocht op touw gezet zou worden en was het dus voor mij noodig, hun er van te voren op te wijzen, dat hun dit duur te staan zou komen en zij daartegen hadden te waken. De oude dajakjonker [198]had dit alles voorzien en wilde voorloopig in allen eenvoud begraven worden. Is het wonder, dat hij de Kompenie, de bewerker van dit alles, haatte; de Kompenie, die nadat hij zoo langen tijd lustig had kunnen rooven en moorden, hem nu alles verbood?

Evenals in Apo Kajan behooren de dajaks in deze gebieden tot den grooten Kenjastam; echter zijn de laatsten primitiever gebleven dan de eersten, hetgeen vooral uitkomt bij de Sabans in het boven Bahaugebied, welke geen hoogeren trap van beschaving hebben dan die, welke staat tusschen den gewonen Kenja en een Poenan, een soort tusschenman dus, hetgeen zijn grond wel zal vinden in de afgelegen woonplaatsen dezer menschen; plaatsen, waar ze zoolang hun heugenis reikt hebben gewoond.

In Poedjoengan wonen enkele stammen, van welke de Ma Alims verreweg de meest krachtige zijn, de andere min of meer onderhoorig. De bewoners van de kampong Poea, dicht bij Ma Alim, worden meestal tot de Ma Alim gerekend, maar vormen eigenlijk een afzonderlijk stammetje. Zij zijn het, die beweren altijd in deze gebieden gewoond te hebben en kunnen dus als de autochthonen beschouwd worden, maar door indringers, sterker dan zij zijn ze overvleugeld en vervullen thans dan ook een zeer ondergeschikte rol.

Tegenover de kampong Poea verheft zich de kalkrots Batoe Majoe, die van verre duidelijk zichtbaar is. Een merkwaardige legende verhaalt, hoe daarop een Poeanees en zijn meisje een vrijwilligen hongerdood stierven. De ouders [199]van het meisje n.l. wilden hun toestemming tot het huwelijk niet geven, wijl zij haar voor iemand anders hadden bestemd. Daarop verborgen beiden zich op een onder den top der Batoe Majoe bevindend, slechts per rotan bereikbaar steenvlak, en weigerden na ontdekking de plaats te verlaten en later de neergelaten spijs en drank.

In Lepo Maoet treffen we enkele Kenjastammen aan, tusschen welke geen hechte band bestaat, maar die ieder hun eigen leven leven. Van de Njiboengers is hoofd Oesat Biloeng, een flinke dajak en zoon van het voormalige hoofd, den krachtigen Biloeng Erang, den grooten tegenstander van Lian Toeran.

De afzonderlijk staande Sabans—ongeveer 300 in getal—wonen in verschillende kleine kampongs verspreid, welke ieder niet meer dan 30 50 zielen tellen.

Het aantal bewoners van deze gebieden kan geschat worden op ongeveer tien duizend zielen; wellicht is dit nog te ruim genomen. Een algemeen hoofd als in Apo Kajan treft men hier eigenlijk niet aan; wel was Lian Toeran indertijd in Poedjoengan alleenheerscher, maar in de Lepo Maoetgebieden heeft hij toch eigenlijk nooit als zoodanig gegolden. Integendeel is de stemming steeds vijandig gebleven, een andere toestand dus als in Apo Kajan, waar men de hegemonie der Oema Tau erkende; in Lepo Maoet zelfs staan de verschillende stammen naast elkaar en er is eigenlijk geen sprake van, dat de een invloed op den anderen zou uitoefenen.

Voorzoover hun eigen herinnering reikt, beweren deze stammen afkomstig te zijn van de [200]Soengei Iwan, uit Apo Kajan dus. Het is eigenlijk steeds heen en weer trekken geweest; stammen toch, die naar deze gebieden verhuisden, zijn later weer naar Apo Kajan teruggetrokken. De meesten zullen uit Serawak afkomstig zijn en velen weten een en ander zeer goed; vooral de Ma Badangs herinneren zich dit nog heel goed; we zagen reeds hoe hun stamgenooten in Apo Kajan eerst tien jaren geleden daar aankwamen.

Toch heeft de legende zich hiervan meester gemaakt om te verklaren, waarom de Kenja’s zoo naar alle windrichtingen zich hebben verspreid, eene legende, die Nieuwenhuis ons vertelt en die ik ook zelf meerdere malen te hooren kreeg.

In oude tijden ontstond tusschen het vuur en het water een hevige strijd, waarbij beide hun uiterste krachten inspanden om te overwinnen. Het water echter, geholpen door zware regens, steeg zoozeer, dat het land met bosch en al overstroomde. Het water overwon, maar tevens kwamen alle menschen om; slechts enkele menschen in Apo Kajan wisten zich in prauwen te redden. Deze zagen geen andere mogelijkheid om het water te doen zakken, dan door een der hunnen, Hillo, de dochter van het hoofd, te dooden en ten offer te brengen. Het water zakte plotseling en voerde de in de prauwen overlevende menschen in alle windrichtingen mede. Aldus werden de Apo Kajanbewoners verspreid en spreken zij heden nog zoovele verschillende talen.

Bij hun komst in deze gebieden stelden ze een verdeeling der gronden vast; ieder hoofd kreeg een of meer rivieren om de inkomsten daarvan te genieten. Het behoeft geen betoog, dat de [201]Ma Alims met het grootste gedeelte van den buit gingen strijken. Toch werden en worden de rechten der anderen wel erkend, al heeft een en ander wel eens aanleiding gegeven tot moeilijkheden. De tegenwoordige hoofden maken er nog aanspraak op, zoo het tegenwoordige hoofd Djaloeng Ipoei alias Taman Kahang—door het gouvernement aangesteld—op de Soengei Aran, waar schitterende rotanbosschen voorkomen. Eigenlijk is hier geen sprake van aloude rechten, daar de meesten als indringers van buiten moeten beschouwd worden. Toch is het moeilijk dit dajakschen hoofden aan het verstand te brengen en houden ze vast aan hun vermeende rechten.

We bevinden ons nog in het boschbivak op weg naar Ma Long Ong Takoeng; daar we door de ondervinding van den vorigen dag wel vermoedden, dat het volgende weggedeelte niet schitterend zou zijn, togen we al vroeg op weg en werkelijk hadden we dan ook met vele moeilijkheden te kampen, waarbij we over allerlei boomstammen moesten balanceeren om daarna weer tot de knien in het moeras te zinken. Halverwege ongeveer kwam Sinjal, een Menadonees, de posthouder van Poedjoengan en Lepo Maoet mij tegemoet. Van zijn bekendheid met het terrein maakte ik gaarne gebruik en nadat we daarna de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier in de gereed gehouden prauwen waren overgestoken, bereikten we eindelijk na nog een flinke klauterpartij de kampong. De landtocht van Tagaharoek Soen naar hier duurde juist 25 uur. [202]

Daar tusschen mijn geleiders en de bewoners van Ma Long Ong Takoeng nog oude snelveeten bestonden, durfden de eersten de kampong niet binnengaan, alvorens ze toestemming van mij hadden om aldaar te verzoenen, petotong of mĕliwa totong. Vooral Sawang Pajang was zeer beangst, dat ze bij niet voldoen hieraan bloed zouden braken—een herinnering aan de vroegere moorden tusschen hun vaderen—en dat de zielen van de gestorven familieleden, die door de Ma Longers waren gesneld, hen zouden verontrusten, verstoord als ze waren, dat ze voor vroegere wandaden geen wraak namen.

In het huis van den radja aangekomen, nam een mijner geleiders een piepkuiken en hield dit een brandend stuk hout boven het hoofd, onder het aanroepen der geesten. Met verheffing van stem sprak hij: Ieder, die deze verzoening verbreekt, zal het vergaan als dit kuiken, zal spoedig sterven. Voortaan dus zal het pais en vre zijn tusschen de mannen van Lepoe Tepoe, Ma Lisan en Ma Long.

Daarna werd het diertje den hals afgedraaid en het uitstroomende bloed opgevangen op een bekkentje met rijst, dat op het haardvuur stond. Nu kwamen de mannen van Ma Long naderbij, hun hand werd besmeerd met het nog bloedende kuiken; ze namen eenige korrels van de met een weinig bloed overgoten rijst en aten die op. Na de mannen kwamen de vrouwen en kinderen naderbij en werden eveneens besmeerd. Dit alles geschiedde door een man van Lepoe Tepoe. Thans nam een man van de Ma Longs het bekken over en was het de beurt der Lepoe [203]Tepoers om besmeurd te worden, waarna de plechtigheid was afgeloopen. Om de verzoening echter geheel volledig te doen zijn, zouden de Ma Longers naar Lepoe Tepoe moeten gaan om daar hetzelfde te verrichten. Voorloopig moest dit echter voldoende zijn.

Naast deze meer onschuldige wijze van vriendschap sluiten, kende men vroeger de echte bloedvriendschap. Door een der oudere kampongbewoners wordt uit een ongeveer 5 cM. dikke, jonge, nog groene bamboe een tweetal bekertjes gesneden, die gedeeltelijk met water werden gevuld. Met een tweetal scherpe bamboemesjes werd dan den beiden personen in den rechter-bovenarm een schram toegebracht, tot men er een weinig bloed kon uitpersen, dat zich aan het mesje hechtte. Het mesje, waarmee A bewerkt was, werd daarop in den koker, die B in handen gegeven werd, geplaatst en het water daarmee omgeroerd. Daarop gingen beide personen naar buiten wijl men bij het drinken op den grond moet staan en onder het luide aanroepen der geesten hield A zijn bekertje op het hoofd van B, daarbij uitdrukkelijk verklarende, hoe hij voor eeuwig voor zich en zijn nakomelingen door de banden des bloeds verbonden was met C en diens kinderen en kindskinderen; dat het koppensnellen tusschen hun afstammelingen gelijk zou staan aan het dooden van elkaar, dus broedermoord; hoe de wederzijdsche families elkaar zouden hebben bij te staan en in vrede en vriendschap als waren zij broeders met elkaar zouden hebben te leven. De hoogere machten waren getuigen van hun geloften en aan haar [204]werd de bestraffing door algeheele vernietiging van een eventueel meineedige opgedragen. Na deze woorden gesproken te hebben, neemt A het bekertje van het hoofd van B en drinkt ervan. Omgekeerd doet B hetzelfde bij A. De twee bekers worden daarna aan den ouden ceremoniemeester, die ook de mesjes vasthoudt, teruggegeven. Hij giet de vloeistoffen bij elkaar en daarna over den grond. De bekers en mesjes worden daarop tusschen de dakpannen en sparren van het huis opgeborgen. Voor elke “twee broeders” worden nieuwe bekers en nieuwe mesjes gebruikt. Zoo heeft controleur van Walchren in 1906 het bloed gedronken van het Lepo Maoethoofd Taman Baja.

De ontvangst in de kampong was overigens niet heel vriendelijk, hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan de ziekte van het kind van den radja. Uit angst, dat het zou sterven, maakte men gedurenden den geheelen nacht een helsch lawaai om te verhinderen dat de ziel het lichaam zou verlaten.

Na eene aangename wandeling, bereikten we den volgenden dag de kampong Ma Long San, waar eveneens eene verzoening plaats greep. De weg is niet zwaar, voert langs vlak terrein, dat overal mooie kijkjes aanbiedt en niet dicht begroeid is. Hier en daar zagen we de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier zich door het terrein slingeren. Voor sawahbouw zou dit zich uitstekend leenen, daar van de omringende bergen een overvloed van water wordt aangevoerd. Hier en daar ontwaarden we prachtige, van groote hoogte neerstortende watervallen, een schilderachtigen [205]aanblik. Enmaal voerde de weg ons onder een dergelijke storting door; de weg was smal, n boomstam slechts, glad geworden door het vallende water; kletsnat geworden liepen we zoo rustig mogelijk langs dit gevaarlijke pad verder en diep onder ons zagen we het water in den afgrond verdwijnen.

De kampongs zelve in Poedjoengan zien er vuil uit; alleen de watervoorziening is bij andere gebieden vergeleken schitterend. Langs lange bamboeleidingen wordt dit de kampong ingevoerd; meestal vindt men twee of drie dergelijke pantjoerans in deze kampongs, waar de vrouwen in bamboebuizen het water komen halen en waar tevens gebaad wordt. Zelf ook kon ik na langen tijd weer eens daarvan gebruik maken; de begeerte was te groot, dan dat ik mij liet afschrikken door de dajaksche gemeente, die mij op korten afstand stond aan te gapen.

Overigens verschillen deze kampongs weinig van die in Apo Kajan; alleen treft men hier aan den ingang der kampongs een soort overdekking aan, waar men even kan verpoozen alvorens de kampong binnen te gaan. Ook bevindt zich daarbij soms een badplaats, waar een bad wordt genomen. Een dajak toch zal altijd zoo mogelijk zijn toilet in orde maken voor hij binnen gaat. Ook in zijn eigen kampong doet hij dit en daarbij is hij zeer op een bad gesteld. Het eigenaardige hier is, dat in dit huisje steeds een doodkist gereed staat, welke bij een plotseling sterfgeval dadelijk in gebruik kan worden genomen.

Mannen kleeden zich hier als in Apo Kajan; [206]de vrouwen echter dragen een ander soort sarong. Deze wordt zeer kort gedragen en reikt hoogstens tot het midden van het bovenbeen. Daar het uit boomschors is gemaakt, valt het niet erg elegant, al weet de dajaksche vrouw dit poovere en eenige kleedingstuk met gratie te dragen.

Thans wachtte ons de tocht door het echte Poedjoenganland, het gebied der Ma Alims, waar Lian Toeran eertijds heerschte. Dit is het land, waar onder zijn aanvoering de Ma Alims slag leverden tegen de Ma Longs, waarin de laatsten het onderspit dolven. Op de hooge, dit terrein omringende, steile bergen, stonden de vrouwen den strijd aan te zien, door teekens en geroep hun mannen aanvurend. Hierboven was men veilig en zelfs de ladangs werden en worden thans nog daarboven aangelegd. Zoo noodig ging men langs rotanladders naar beneden, in tijden van overval werden deze gekapt en was alle verbinding verbroken.

In deze steile bergen, in den wand aangebracht, bevinden zich ook de begraafplaatsen der vaderen, de “lobang batoe” der Ma Alims. Nog thans geschiedt dit en vooral de orthodoxe adatmenschen hechten hieraan groote waarde en al verhuizen ze ook ver van de aloude begraafplaatsen hunner vaderen, zoo eenigszins mogelijk worden ze toch daar heen gebracht na hun dood. We zagen reeds, dat Lian Toeran uit schaamte tegenover zijn vaderen bij gebrek aan gesnelde koppen niet den moed had, daar begraven te worden, al moet hem dit een vreeselijke straf zijn geweest.

Daar Lian Toeran’s huis bouwvallig was en [207]vrijwel verlaten, nam ik mijn intrek bij Djaloeng Ipoei, die—hoewel hij ernstig ziek was—mij goed liet verzorgen. Het was mijne bedoeling ook in zijn huis een vergadering te houden met alle Poedjoenganhoofden om hun mede te deelen, hoe thans de zaken stonden en om den posthouder te installeeren, een nieuw ambtenaar, tegen wiens aanstelling ze eenige jaren geleden bezwaar maakten. Dit verzet ging voornamelijk uit van Lian Toeran en diens zwager Amban Ingan, hoofd van Ma Lasan Long Poedjoengan.

Hoewel alle hoofden opgeroepen waren, vermoedde ik wel, dat het eenige dagen zou duren, voordat ze verzameld waren. Daar Djaloeng Ipoei het voor zijn gasten gezellig wilde maken, en tevens de nieuwe vriendschap wilde bezegelen, verzocht hij mijn toestemming met de Lepoe Tepoers een djakanfeest te mogen houden. Zagen we hier vr dat de Bahau van de Mahakam geen gistende dranken dronk, dat de Kenja van Apo Kajan een matig drinker is, die uit Poedjoengan is verzot op drank. Zelfs trof ik in enkele kampongs een vrij groot huis aan, dat speciaal dient voor het maken van djakan en het houden van drinkpartijen. Dronkenschap komt dan ook bij deze lieden, evenals in de Tidoengsche landen, meermalen voor. De menschen uit Apo Kajan houden er dan ook niet van hen dronken te zien, daar ze dan dikwijls baldadig worden en aanleiding geven tot allerlei moeilijkheden.

Den dag voor de vergadering liet Lian Toeran, die aan de Soengei Njelet vertoefde, weten, dat hij wegens ziekte verhinderd was te komen; daar [208]ik tevens vernam, dat hij dit slechts deed om mij om den tuin te leiden, liet ik hem weten, dat indien hij niet kwam, hij gehaald zou worden. Deze bedreiging hielp en op den bepaalden dag waren alle hoofden aanwezig, behalve de radja van Ma Lasan Long Poedjoengan, die verhinderd was door de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier; hij toch was de eenige, die om Ma Alim te bereiken, deze stroomopwaarts moest varen.

Nadat allen gezeten waren in een grooten kring rondom mij en Lian Toeran en Djaloeng Ipoei naast mij hadden plaats genomen, deelde ik hun mede, dat Poedjoengan voortaan meer direct zou worden bestuurd, dat ze den nieuw aangestelden posthouder als plaatsvervanger van den controleur van Boeloengan in deze gebieden hadden te beschouwen, hem met raad en daad hadden bij te staan, terwijl ze, als ze moeilijkheden hadden, deze bij hem moesten voorbrengen; dat rust en orde niet verstoord mochten worden, zoodat ieder vrij kon uitgaan zonder door iemand lastig gevallen te worden, dat snellen ten strengste verboden werd; dat het Bestuur den dajak zou helpen tegen afpersingen van maleiers en andere vreemdelingen, maar ook tegen die van hun eigen hoofden, dat alleen adatinkomsten—poepoe bestaande uit 4 kati rijst per jaar per pintoe of huisgezin—werden erkend, kortom dat een toestand zou geschapen worden als in Apo Kajan.

Nadat ik hun dit alles breedsprakig, bloemrijk en verlucht met voorbeelden uit het dagelijksch leven had voorgedragen en het geheel nog breedsprakiger door mijn tolk was overgebracht, zweeg [209]de gemeente. Ook Lian Toeran, de starre adat-man, zweeg en toen ik hem liet vragen, wat hij van dit alles dacht, beweerde hij mij niet begrepen te hebben. De andere hoofden wisten wel beter, hun was alles duidelijk, daar ze wel begrepen, dat deze regelingen voor hen beteekenden vrijheid van druk van den ouden brandschatter en van alle kanten beijverden ze zich hem inlichtingen te verstrekken, zoodat hij ten slotte wel moest bekennen, dat het ook hem duidelijk was, al was het hem aan te zien, dat het niet van harte ging.

Was de houding der hoofden in den beginne schuchter, bijna bang, na deze uitvoerige uitleggingen kwamen ze meer los, zoodat nu de besprekingen vlotter van stapel liepen. Een belangrijk aandeel had hierin Djaloeng Ipoei. Tegenover den starren jonker vertegenwoordigt hij den modernen dajak, die gaarne het bestuur ter wille is, alle mogelijke hulp verleent en zijn zoon Boelan de gouvernements inlandsche school te Tandjong Seilor doet bezoeken. Hij was indertijd de rechterhand van assistent-resident Spaan en stond bij dien ambtenaar in hoog aanzien. Hij was dan ook de eenige man, die als algemeen hoofd in aanmerking kwam en is na den dood van Lian Toeran als zoodanig aangesteld.

Het kan wellicht verwondering baren, dat niet de oudste zoon van Lian Toeran werd verkozen; met de opvolging van vader op zoon wordt het in deze gebieden echter niet zoo nauw genomen; vanouds werd hij uit de vorstelijke familie radja, die het brutaalst was en zich het krachtigst kon doen gelden. Lian Toeran volgde [210]zijn oom op, deze zijn broer Asang Ipoei; zelfs kan men dus zeggen, dat het geen gewoonte is.

Van Ma Alim uit is de Soengei Poedjoengan langs een goed pad gemakkelijk te bereiken, waar men juist boven de kiham Pajang, (afb. 24) een zware, moeilijk over te trekken versnelling met groot verval aantreft. Langs een rotanhangbrug van veertig meter ongeveer begeeft men zich naar de overzijde van de rivier en vervolgens langs den oever tot aan het benedeneinde van de versnelling. Terwijl we daar rustig stonden te wachten, zagen we plotseling eenige blikken op het water naar beneden drijven, hetgeen niet veel goeds voorspelde en dan ook later het gevolg bleek van het omslaan van een mijner prauwen. Gelukkig wisten de handige dajaks nog wat drijvende blikken te achterhalen, maar de prauw was geheel stukgeslagen en reddeloos verloren.

Na nog een kort bezoek aan Poea gebracht te hebben, zakten we af naar Ma Lasan Long Poedjoengan, waar men aan de overzijde van de Bahau ladangs had aangelegd, die schitterend gedijden. Blijkbaar had men succes gehad met den planttijdaanwijzer, een met eenig ceremonieel ingeplant stuk bamboe, dat een schaduw van bepaalde afmetingen en richting heeft aan te wijzen. Is dit oogenblik gekomen, dan begint men de rijst uit te planten.

Bij aankomst in de kampong verkeerde de vorstenfamilie in rouw vanwege het sterven van een der kleinkinderen van het hoofd, zoodat ook de ontvangst zonder ceremonieel plaats vond. De geheele familie had zich in een nieuw [211]boomschors kleed gestoken, zoowel de mannen als de vrouwen; een kleed bestaande uit lenden- en hoofdbedekking, terwijl de vorst nog een laagafhangenden band om den hals droeg; alles van ruwe stof gemaakt. Deze kleederen moeten zoo lang gedragen worden, totdat ze den dragers als het ware van het lijf vallen; daarmede eindigt dan tevens de rouwtijd (afb. 43).

We bevonden ons thans—stroomafwaarts—niet verder dan ruim drie dagen verwijderd van onze standplaats, van ons gezin. Het is wellicht begrijpelijk, dat na een tocht van vier maanden ons de lust bekroop naar huis terug te keeren, maar aan den anderen kant was het aanlokkelijk nog een bezoek te brengen aan een vrijwel onbekend gebied, als de Lepo Maoet en zoo vingen we dan met nieuwe roeiers weer een moeizamen tocht aan, de Bahau opwaarts.

Onmiddellijk na het vertrek uit de kampong Ma Lasan, bereikt men de Bahau, die hier ongeveer even breed is als de Poedjoengan en aanvankelijk geen moeilijkheden in het varen oplevert. Dadelijk echter na de soengei Lorah begint de eerste reeks stroomversnellingen, die we echter zonder moeilijkheden passeerden. Na de tweede, de Lesoeng, bereikten we de plaats, waar dr. Tehupeiory indertijd een prauw verloor, doordat de rotan brak. Ook de tweede kihamserie passeerden we met succes, hetgeen bij dezen gunstigen waterstand begrijpelijk was. De rivier vertoont bijna overal dezelfde teekening, eenige afwisseling brachten slechts de schoon gekleurde ijsvogels (temenggang asa). [212]Oude, dikke boomstronken staken over de rivier, als evenzoovele hydrae lernae, die voor de opvaart beter er niet waren geweest; bovendien waren de oevers bezaaid met op het punt van vallen staande doode boomen—een gevolg van het droge jaar 1914—die een niet gering gevaar opleverden voor onze prauwen. Gelukkig werd slechts n onzer prauwen aan de achterzijde daardoor verbrijzeld, zoodat we nog van geluk konden spreken.

De kampong Lepo Maoet ligt op een hoogen, steilen oever aan de linkerzijde van de Bahau. Het geheel ziet er vuil uit, alleen het huis van den gastvrijen Toebang Djaloeng of Taman Soelau ziet er behoorlijk uit en is nieuw gebouwd. De awa is geheel versierd met kenjasche motieven met een prachtig bewerkte deur; ook de wanden van de lamin zijn geheel versierd, iets wat ik nergens anders aantrof. De vorst ontving me met zijn zoon Oesat Djaloeng, een man van middelbaren leeftijd; de oude heer had er slag van europeanen te ontvangen, hetgeen me later begrijpelijk werd, toen ik vernam, dat hij indertijd drie jaar dwangarbeid had ondergaan wegens eene snelpartij; zelfs was hij als zoodanig op Java en Nieuw-Guinee geweest en was dus een bereisd man.

We noemden Taman Soelau oud; den juisten leeftijd echter weet een dajak nooit op te geven, om de eenvoudige reden, dat hij daarmede geen rekening houdt. Toch kan dit met mannen van zijn leeftijd vrij nauwkeurig bepaald worden, omdat men dan slechts heeft te vragen, hoe oud hij ongeveer was bij de uitbarsting der [213]Krakatau, die alle oudere menschen in Oost-Borneo zich nog herinneren. Daar Taman Soelau aangaf, dat hij toen ongeveer 20 jaar was—hij wees op iemand van dien leeftijd—kon ik daaruit opmaken, dat hij nu ongeveer 60 jaar moest tellen.

Ook hier moest nog eene verzoening plaats vinden, aangezien onder mijn roeiers zich eenige Ma Alims bevonden. Nog steeds bleek de vrees voor deze lieden zeer groot te zijn en zij waagden het niet meer benedenstrooms zich te vestigen, omdat Lian Toeran het verbood, aangezien dit zijn velden en jachtterreinen waren. Aan vrees voor Hebans leed men hier niet, omdat ze nooit zoo aan vexaties hebben blootgestaan als de menschen in het boven Mahakamgebied, daar de stammen in Noord Serawak zachtzinniger van aard schijnen te zijn.

Een specialiteit van het Lepo Maoetgebied is de toedan of rondedans met zang voor jonge meisjes; dit geschiedt alleen bij maanlicht. Daartoe vormen op een open plek een 10 of 12, of hoeveel meisjes mee willen doen, een kring, en loopen in cadans, elkaar bij de hand houdend en de armen rhythmisch op de maat van den zang opheffend en neerzwaaiend, in het rond. Een hunner bezingt daarbij in korte strofen den een of anderen nationalen held, terwijl de anderen daarbij het refrein meezingen. Behalve echter de dooden, worden ook de levenden bezongen en hun deugden opgesomd, zooals de hoofden of den een of ander, die op snel- of handelstocht zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt. Tijdens het dansen der meisjes zitten de jongelui [214]in de voorgalerij of buiten om haar heen te luisteren, de zangeres aanmoedigend met hun uitroepen of door het meezingen van het refrein.

Het slot is, dat na afloop van de toedan de jongelui zich ieder uit deze meisjes degene kiest, die hem het meest bekoort en haar met zich voert naar een der z.g. vrijhuisjes: loemboeng of oema kal geheeten, kleine vierkante huisjes op ongeveer vier meter hooge palen, alwaar de minnende paartjes den nacht doorbrengen, een z.g. “Probe-ehe”, waarna bijna steeds een huwelijk volgt. Wordt het meisje echter zwanger, zonder dat de jonge man haar huwt, dan wordt ze aan schande prijsgegeven. In de kampong mag ze niet baren, maar geheel aan zichzelf overgelaten, doet ze dit in het bosch. Komt ze later terug, dan is haar verblijf voorloopig bij de zwijnen onder het huis, terwijl ieder in de kampong haar mag bespuwen als afschrikwekkend voorbeeld.

Over het algemeen vindt men in Poedjoengan en Lepo Maoet zwakkere menschen dan in Apo Kajan. Komen hier sterke, forsche figuren voor, ginds zijn ze zeldzamer. Vooral de vrouwen en kinderen maken een pooveren indruk; de vrouwen bloedarmoedig, flets en met sombere trekken, de kinderen mager, spichtig en ondervoed. De malaria, die hier en daar vrij veelvuldig schijnt voort te komen, zal hieraan wel schuld hebben. Ook de vuilheid treedt hier meer op den voorgrond, zoodat het niet te verwonderen valt, dat de dajak in dit milieu geen gunstigen indruk maakt.

Eene eigenaardige verschijning hier was een vrouw-man; man zijnde, was hij geheel gekleed [215]in vrouwenkleeren. Met vrouwen laat hij zich niet in, maar tracht alleen zich bij mannen in te dringen; zijn stem was als van een vrouw en hij vroeg ook om naalden en niet om voorwerpen, die mannen gewoonlijk plegen te vragen. Het is het eenige wezen van dien aard, dat ik onder de dajaks zag, hoewel er meerderen schijnen voor te komen, ook elders in den archipel.

Gesnelde koppen komen in Poedjoengan en Lepo Maoet niet in grooten getale meer voor. Toen in 1910 onder leiding van Lian Toeran 16 maleiers vermoord waren, zijn bij wijze van straf alle koppen weggenomen; er zijn er toen vele vernietigd, enkele slechts zijn er overgebleven; Taman Soelau heeft er in zijn voorgalerij slechts drie over, aan n daarvan was een kuikentje op een houten pen gehecht, hetwelk diende tot voedsel van den gesnelden schedel; bosjes bladeren dienen tot gezelschap daarvan.

Aan tatoeeringen doet men in deze gebieden weinig; wel is het soms gewoonte, dat jongelui de modellen der Ma Koelits overnemen: dat staat chique!

Daar het in de bedoeling lag ook te Lepo Maoet een vergadering met de hoofden te houden evenals in Poedjoengan, was het wel gewenscht eerst kennis te maken met hun omstandigheden ter plaatse, zoodat een bezoek aan de Lepo Khs en Liboens, vervolgens aan de primitieve Sabans op het programma stond.

De Liboens—ook wel Njiboengs genoemd—zijn wel de krachtigste stam daar. Oesat Biloeng is de zoon van Biloeng Erang, die het indertijd waagde Lian Toeran te dwarsboomen en den [216]fieren nek niet voor hem boog, al moest hij de wijk nemen. Ongeveer 50 jaar geleden woonden ze nog aan de Soengei Lorah, vlak bij Poedjoengan, werden verdreven naar hun tegenwoordig gebied en zijn van daar uit zelfs nog naar de boven Toeboe in de Tidoengsche landen moeten uitwijken; na korten tijd keerden ze echter weer terug en thans zelfs nebben ze wel neiging naar de Bahau te verhuizen, nu de straffe hand van Lian Toeran niet meer te voelen is.

De beide Liboenkampongs Long Sibau en Long Lemoeten met het hoofd Apoei Biloeng, die slechts op een uur afstand van elkaar verwijderd liggen, zien er vuil en slordig uit; vooral de eerste, vlak bij een moeras gelegen, maakt een ongunstigen indruk, terwijl het met Long Lemoeten in zooverre gunstiger gesteld is, dat het boven op een berg ligt, van waar uit men een schitterend overzicht verkrijgt over het omliggend terrein. De Liboens hebben veel aanraking met het engelsche gebied, voornamelijk Telang Oesan; vandaar zijn ook afkomstig de geiten en karbouwen, die we in de kampong aantroffen, en die men elders—behalve bij de Sabans—niet aantreft; in acht dagen kan men over land Telang Oesan bereiken en het is dus niet te verwonderen, dat ze daar heen gaan en niet naar de beneden Kajan, vooral vroeger, toen ze onderweg nog verontrust werden, terwijl ze bovendien geheel onbedreven zijn in het bevaren van versnellingen. Bij mijn verblijf trof ik verschillende lieden uit Telang Oesan aan, die kwamen om handel te drijven.

De stambenaming der dajaks wordt dikwijls [217]ontleend aan de rivier, waaraan ze wonen of aan typische planten of houtsoorten, die in de buurt worden aangetroffen. Zoo beteekent liboen een veelpittige djamboesoort, malim een soort gras, malaran, een stam aan de beneden Boeloenganrivier, een soort hout, kh een gekeept stuk hout zooals door de voorvaderen—thans trouwens nog—werd gemaakt, indapa ook een soort hout en dergelijke meer.

De Liboens hebben eene eigenaardige wijze van begraven. Onmiddellijk na den dood worden de lijken in een kist geborgen en blijven daarin zoo lang tot ze vergaan zijn; daarna worden ze er weer uitgehaald en in een tempajan—een groote keulsche pot—gedaan, welke op een hoog opgerichte, dikwijls met snijwerk versierde paal wordt gezet, paalgraven of zoogenaamde liangs. (Zie afb. 48). Overigens gebruikt men in Lepo Maoet salongs evenals de andere Kĕnja’s, waarin de kisten bijgezet worden, behalve bij de Ma Koelits, die het lijk in een kist onder den grond begraven en daarop het doodenhuisje plaatsen. In Poedjoengan gebruikt men ook kisten en plaatst die in de bergholen, behalve Ma Badang en Ma Lasan Long Poedjoengan waar men de Kenjagewoonte volgt en salongs gebruikt. De Sabans doen het weer anders en plaatsen het lijk in een kist, welke willekeurig ergens wordt neergezet, soms buiten vlak naast het huis; wanneer het vergaan is, wordt het in een gesloten tempajan geplaatst en deze half in den grond ingegraven. Dit overbrengen in de steenen potten gaat met groot ceremonieel gepaard. Willekeurig worden deze [218]neergezet, zoodat het niet te verwonderen is, dat men daar rondtrekkend, struikelt over een graf, dat in de tropische natuur onmiddellijk door den weelderigen plantengroei aan het oog wordt onttrokken.

Wordt dus in het algemeen niet veel zorg besteed aan de verzorging der dooden, menschen die aan “keloear darah” (bloedspuwing) zijn overleden of vrouwen in het kraambed, worden gewoon, afgescheiden van de anderen, ergens in den grond verborgen.

Zeer eigenaardige graven troffen we nog aan op den linkeroever der Bahau, een eind zuidelijk van Lepo Maoet, afkomstig van stammen, die vroeger hier woonden, maar verdreven werden en waarvan een restant woont aan de Kajan, benedenstrooms Long Pangian, in de kampong Boesang Badang. De graven bestaan uit zwaar bewerkte steenen; vier dienen als pijlers, daarop rust een deksteen, die tevens drukt op het deksel van een steenen tempajan en deze absoluut gesloten houdt. Het is onbegrijpelijk hoe die lieden deze uit de harde steensoort hebben kunnen bewerken. Niemand, noch in Lepo Maoet, noch later in de benedengebieden, kon mij omtrent deze eigenaardige vormen inlichtingen geven. Het is dus waarschijnlijk, dat deze reeds van vrij ouden datum moeten zijn. Nergens anders in dajakland worden ze aangetroffen.

Op een afstand van twee uur ongeveer ligt, eveneens op een berg, Lepo Kh Indapa onder het hoofd Oesat Lawing. Blijkbaar was men bevreesd voor ziekten; ettelijke bamboestaken, versierd met allerlei houtrafelingen waren voor [219]de kampong opgesteld om de booze geesten te bezweren, terwijl men hier en daar door rhythmisch gezang onder aanroep van de geesten, de ziekten trachtte te verdrijven.

We hadden eerst nog getracht den tocht naar de Sabans rechtstreeks vanhier over land te doen; de weg was echter z slecht, dat we van dit plan afzagen en eerst weer naar Lepo Maoet terugkeerden om gebruik te maken van de rivier. Van Indapa uit duurt de tocht naar Lepo Maoet vier uur. De vroegere kampong Lepo Kh Ang Long is verlaten; deze lieden zijn verhuisd naar de Bahau en wonen thans in de kampong Gaboeang, waar we een der volgende dagen aankwamen. Daar een hevige regen ons overviel en we juist bij een ladang waren aangekomen, besloten we, om mijn roeiers het maken van een bivak te besparen, in een der armoedige huisjes een onderdak voor den nacht te zoeken. Dit had tevens het voordeel eens echt het leven van den dajak op zijn slechtst mede te maken. En het viel dan werkelijk ook niet mee. In het wankele gebouwtje was het me haast niet mogelijk mij te bewegen; in een ruimte van slechts enkele vierkante meters zaten we allen kris en kras door elkaar; de vloer, ongeveer drie meter boven den grond, bestaande uit dunne bamboelatjes, was van dien aard, dat we elk oogenblik vreesden er doorheen te vallen en terecht te komen boven op de varkens, die lustig daaronder smakten en knorden. Hier brengt de dajak uit den achterhoek maanden en maanden door, zonder genoegens, zonder eenige eischen. Met weinig zorg en weinig kennis van [220]zaken bebouwen ze hun gronden en hebben daardoor meestal weinig voedsel. Zoo ook hier; door ziekte van enkele lieden had men den aanplant gestaakt, de jonge planten werden verstikt door het vuil, men denkt er niet over na of dit ook hongersnood beteekent; dat zal wel blijken. Hun lichamen zijn verzwakt door ondervoeding, ziekte en vuilheid. Het was droevig deze mannen en vrouwen te zien; somber, spichtig en flets. Een innig medelijden met deze menschen bekroop mij, deze menschen, die een leven leven, erger dan de dood en die niet vatbaar zijn voor redeneering. Enkele zieken en anderen weer met afzichtelijke wonden riepen mijn hulp in, maar de medicijnkast van een bestuursambtenaar—kininepillen en castorolie—reikt niet ver. Zoo is de toestand van alle veraf wonende dajaks, Poenans, Sabans en anderen. En daaraan niets te kunnen doen! Het ware te wenschen, dat al deze menschen meer stroomafwaarts verhuisden; maar vrees en altijd weer vrees weerhoudt hen, vrees voor Ma Alims, vrees voor maleiers. Er was een tijd, dat ze nog wel eens kwamen afzakken, maar sinds een moord op eenige maleiers, die zich aan hun vrouwen hadden vergrepen, durfden zij uit angst voor weerwraak niet meer naar beneden te gaan.

Hoewel het flink bandjirde—dit was volgens de dajaks mijn eigen schuld, doordat ik de steenen graven aan den Bahauoever van vuil had laten ontdoen om die te kunnen fotografeeren—gingen we verder en voeren spoedig de Soengei Berao op, een rivier met een zeer steenachtig bed, zoodat het opvaren ons groote moeite [221]kostte, om daarna het op den rechteroever gelegen Seriok of Longtok te bereiken, welke kampong van uit Lepo Maoet bij goed water in acht uur is te bereiken.

Mijn komst in de kampong verwekte—zooals te begrijpen is—nogal opschudding; vooral de vrouwen schoolden samen om den witmensch te zien, eene afwisseling in haar eentonig bestaan, voor de kinderen was het een pretje en zelfs de dajakhonden zaten mij verwonderd aan te kijken. Allen verzamelden zich dan ook in het voorhuis van den hoofdman en een gezellig gekeuvel volgde. Gezellig, hoewel het nog al eenige moeite kostte om me verstaanbaar te maken, waarbij ik mij van twee tolken moest bedienen. Alles wat ik deed, had hun groote belangstelling: het uitspreiden van mijn veldbed, het uittrekken mijner schoenen en slobkousen, het eten met lepel en vork, kortom alles vonden ze grappig of diep ernstig. Het eenige bezwaar, wat ik tegen de menschen had, was, dat ze zoo intens vuil waren. Een manneke van middelbaren leeftijd, blijkbaar nog al hoog in rang, omdat hij zoo dicht bij me kwam zitten en alles van nabij bekeek, was zoo vuil als een echt boschduveltje, dat ik hem bij wijze van grapje vroeg, of eigenlijk liet vragen, in hoe langen tijd hij zich niet gewasschen had. Hij beweerde, dat hij dat nooit deed, hetgeen aan te nemen was, maar dat hij het nu wel eens wou doen, waartegen ik geene bezwaren had en werkelijk kwam hij kort daarna hernieuwd terug tot groot plezier van de aanwezige menigte.

Voor fotografeeren schenen ze geen angst te [222]hebben en dadelijk maakte ik van de gelegenheid gebruik eenige dames te kieken, maar toen ze ’s avonds bij het ontwikkelen der platen zagen, wat er allemaal gebeurde en dat ze spookachtig op het negatief zichtbaar waren, was het uit met de pret en toen ik den volgenden dag met mijn toestel in de kampong rondliep, kreeg ik geen enkele vrouw meer voor de lens; geen enkele vrouw, geen enkel kind meer was te zien; gelukkig waren de mannen verstandiger. Ze waren bang, dat ik hun de ziel zou ontstelen, evenals de Papoea’s. Een dergelijk grappig iets troffen we indertijd in Apo Kajan aan, toen van een der dajaksche dwangarbeiders een gipsafgietsel van het gelaat werd genomen; hij vond dat eerst verre van aangenaam en vroeg of hij er dood van zou gaan, maar toen we uitlegden, dat dit absoluut het geval niet was, dacht hij, dat het dan toch wel tot vermindering van straf zou dienen en hij de gevangenis na de operatie zou kunnen verlaten. De oolijkerd!

In haardracht slechts verschillen de Sabans van de overige Kenja’s. Ze scheren zich dikwijls het hoofdhaar af of dragen het kort, maar aan het achterhoofd dikwijls zeer lang, hetwelk tot een wrong wordt samengebonden en daarna met haarpennen achter aan het hoofd vastgestoken, een gewoonte, die ze van de Serawak-dajaks hebben overgenomen. Ook wordt het haar door jongelui van voren soms lang gedragen; het valt dan op het voorhoofd en wordt recht afgesneden.

Ze plegen zich weinig te tatoueeren, hoewel het bij de vrouwen nog wel voorkomt (afb. 75). [223]

De huizenbouw verschilt niet veel van die der Kenja’s; alleen met dit verschil, dat de lamins n samenhangend geheel vormen; ze gebruiken bovendien geene deuren, maar in plaats daarvan voeren een of meer gangetjes naar de achterverblijven.

Eene speciale eigenaardigheid van de Sabans is nog een bepaald soort huisjes of pondoks, waarin zij hun besmettelijke zieken afzonderen. Het is dezen niet veroorloofd die verblijfplaatsen te verlaten, een verstandige maatregel, welke ik bij geen enkelen anderen dajakstam aantrof. Voedsel wordt hun door familieleden door de deuropening aangereikt; overigens bemoeit zich niemand met hen.

In Seriok trof ik ook sapi’s en karbouwen aan, afkomstig uit de Oeloe Krajan in de Tidoengsche landen en Telang Oesan, waaruit blijkt, dat deze lieden aanrakingen hebben met het engelsche gebied; van hier uit is dit dan ook slechts zes dagen verwijderd, zoodat het ons niet behoeft te verwonderen, dat deze lieden door de vele aanrakingen met onze naburen ook meenden onder engelsch bestuur te staan.

Uit de karbouwenhorens weten de Sabans schoone mandauheften te maken, terwijl we hier een typisch muziekinstrument aantroffen, de z.g. ltng, bestaande uit een dikke bamboe, aan n kant gesloten door een geledingsbodem, aan den anderen kant open. Bij wijze van snaren zijn gedeelten van het vezelig oppervlak opgelicht en daaronder als bij een viool kleine kammetjes geplaatst. Al tokkelend weet de Saban hier een sympathieke [224]melodie aan te ontlokken. Zie afb. 25.

Volgens hun eigen beweringen hebben ze altijd hier gewoond en zouden dan beschouwd dienen te worden als de autochthonen van het boven Bahaugebied. Onmogelijk is dit niet; een stam, die hier vroeger ook nog gewoond zou hebben, was die der Ngorek, welke waarschijnlijk is uitgestorven of uitgeweken naar het engelsche gebied.

De Sabans vormen een stam, staande tusschen Kenja en Poenan in. In lichaamsbouw doen ze onder voor den Kenja en Kajan; ze zijn in het algemeen minder zwaar en forsch en vooral missen ze de fierheid in houding, die men juist bij andere dajakstammen zoo dikwijls bewonderen moet.

Al meerdere malen werd er in dit werkje de aandacht op gevestigd, hoe de dajaks—hoewel de vrouwen minder—veel overeenkomst vertoonen met chineezen. Volgens sommige lieden van deze stammen zou een gedeelte van hen van chineezen afstammen, afkomstig uit de westelijk gelegen gebieden. Vooral bij de primitieve dajaks, Sabans en Poenans, valt een sterk sprekende overeenkomst niet te loochenen. Van chineezen zouden ze ook hun naga- of draakmotieven overgenomen hebben, dat zoo sterk in kenjasche figuren op den voorgrond treedt. Veel meer toch zou het voor de hand liggen, wanneer ze deze ontleenden aan dieren uit hun eigen omgeving als herten, zwijnen en krokodillen; ze gebruiken deze weliswaar een enkele maal voor hun motieven, maar meer geliefd zijn de chineesche draken. Nog wijzen op intensieve aanrakingen hun mooi bewerkte tempajans, die ook van chineeschen [225]oorsprong moeten zijn. Ook hun namen als b.v. Go Long Sat en anderen—vooral Poenannamen—zouden eruit kunnen voortspruiten, terwijl zelfs bij enkele stammen of families het nog gewoonte is om in plaats van de gewone rouwkleederen der Kenja’s, de witte der chineezen te dragen. Is het verband werkelijk bestaand, dan verloochenen ze hun geslacht niet ten opzichte van eene zekere handelssluwheid, welke ook velen Kenja’s niet vreemd is en welke hun aangeeft waar ze het meeste voordeel moeten vinden.

Daar alle hoofden tot eene groote vergadering te Lepo Maoet waren opgeroepen en een tocht naar de Sabankampongs nog meerdere dagen in beslag zou nemen, besloot ik terug te gaan om hen aldaar op te wachten. Reeds spoedig kwam Oesat Biloeng met groot gevolg aan; hij maakte een gunstigen indruk, is een flinke figuur en weet zich te doen gehoorzamen. Naast het hoofd van Lepoe Maoet is hij wel de flinkste, al is in deze gebieden geen sprake van een algemeen hoofd.

Nadat allen aanwezig waren en er “bruderschaft” gedronken was, waarbij meerderen uit n beker dronken, kon de vergadering beginnen, nadat nog enkelen eene kleine verzoening hadden gehouden, hetgeen nu geschiedde met een uitgerafelden rietstengel, gedrenkt in varkensbloed.

De onderwerpen, welke besproken werden, waren dezelfde als die welke we reeds in Poedjoengan behandelden. Vooral de grondkwesties hadden hier de groote belangstelling, begeerig [226]als men was, dat de Kompenie deze aangelegenheid zou regelen, zoodat de invloed van Lian Toeran tot niets werd teruggebracht, hetgeen ik hun gerust durfde toezeggen. Aan het eind van de vergadering stond het oude hoofd op en bracht met verheffing van stem zijnen onderhoorigen nog eens duidelijk aan het verstand, wat ze te doen en te laten hadden. Hij wees hun erop, dat ze mijn bevelen hadden op te volgen, want dat die werkelijk—hij als oud man begreep dat—in hun belang waren. Nadat dit door nog eenige hoofden herhaald was in bloemrijke taal, verrees de eenoogige Ma Djaloeng Lenggang; hij sprak met vuur en zeide, dat hij met belangstelling mijn woorden had aangehoord en begrepen, maar hij hoopte, dat ik het niet alleen bij woorden zou laten en Lian Toeran dit alles nog eens goed zou inpeperen, zoodat de praktijk in overeenstemming zou komen met mijne woorden.

Onder de Sabans bleek nogal oneenigheid te bestaan, hetgeen dan ook de reden was van het verspreid wonen dezer menschen. Het beste was geweest als de menschen in 2 of 3 groote kampongs meer stroomafwaarts zich vereenigden, maar er waren zooveel bezwaren, dat van dit voorstel niet veel terecht kwam. De voornaamste Saban, de eenige die dan ook het woord voerde, is Taman Baja Njipa; hij maakt een schranderen indruk, maar hij is blijkbaar toch niet krachtig genoeg om de enkele honderden Sabans bij elkaar te houden. Hij volgde de geheele vergadering in weerwil van het feit, dat zijn duim, die half afgezworen was, hem geweldige pijn moest veroorzaken. [227]Tot mijn groote spijt kon ik er niets aan doen en hij bepaalde er zich slechts toe het stompje rechtop te houden. Het is ongeloofelijk, hoe veel pijn deze menschen soms kunnen verdragen, maar voor onze instrumenten hebben ze een heilige vrees; liever grijpen ze zelf in. Ik zag eens een man, die zich met een van bamboe gemaakt en scherp aangepunt hamertje den arm opende om zich van een ernstig abces te verlossen. Om de punt niet verder dan noodzakelijk in het lichaam te doen dringen, was deze op een bepaalde hoogte met een stuk lap omwonden, welke tevens diende om de hamer stevig te verbinden.

De Sabans waren eigenlijk een weinig verwonderd, dat ze nederlandsche onderdanen waren. Hun aanrakingen zijn zoo uitsluitend met het engelsche gebied, dat ze zich ook rekenen als bij dat gebied te behooren. Toch was hun wel door engelsche ambtenaren medegedeeld dat alle lieden aan de Bahau aan het hollandsche gezag onderworpen zijn. De dajak beschouwt de engelschen en hollanders als verschillende menschen; de eersten noemt hij keloenan inggris, ns keloenan blada (blanda); wij zijn de witmenschen bij uitstek. Meerdere malen—vertelde mij Taman Baja Njipa—hadden ze de hulp der engelschen ingeroepen, omdat er nooit hollandsche ambtenaren kwamen, terwijl Maroedi in het engelsche gebied slechts zes dagen van hen verwijderd ligt. Toch hadden ze niets geen bezwaar er tegen zich onder onze vlag te scharen.

Nadat alles besproken was en de oude radja mij nog een schild had gegeven—daar hij dit [228]niet meer noodig had, omdat na het gesprokene ik “syn scilt ende betrouwen” was,—was het oogenblik van teruggaan gekomen; bij het stroomafwaarts gaan van de Bahau in de versnelling Loet Boet (moeilijke oversteek) ging door het omslaan van mijn prauw het grootste gedeelte mijner goederen verloren. Na enkele dagen bereikten we weer Long Poedjoengan, voeren langs de Soengei Laso, een warmwaterriviertje en nadat bij de kiham Baloei de goederen over de rotsen waren gedragen, daar het afvaren niet mogelijk was, bereikten we een paar dagen daarna Tandjong Seilor en na eene afwezigheid van vijf volle maanden keerden we weer in den familiekring terug. Hoe meer we naderen, hoe angstiger het hart klopt, na lange afwezigheid van berichten, maar hoe grooter de vreugde, wanneer we de onzen in goede gezondheid weerzien.

[Inhoud]

IN DE TIDOENGSCHE LANDEN.

Zoo er n van de gebieden van dajakland nog tot de onbekende behoort, dan zijn dit zekerlijk wel de Tidoengsche landen.

Ver van alle verkeer ligt het daar eenzaam en verlaten, in den uitersten noordoosthoek, onmiddellijk grenzend aan onze engelsche naburen. Verbinding met de buitenwereld bestaat om zoo te zeggen niet; weinige zijn de europeanen, die deze gebieden hebben betreden en geen geschrift handelt daarover, behalve dan de enkele rapporten van ambtenaren, die ergens als nietswaardige vodden onder een dikke laag [229]stof in de archieven verborgen liggen. Het is n dier grensgebieden van ons gezag, waar de hollandsche invloed zeer flauw waarneembaar is.

En toch leven daar in de bovengebieden, vrijwel nog in hun alouden oerstaat, een vijftienduizend dajaks, hun eenzaam, maar in hun eigen oogen, gelukkig bestaan. Men zou dit niet verwachten, wanneer men langs de kusten van dit gebied door de groote zeearmen vaart; geen levend wezen is te ontdekken, alles water, modder en bosch; uren, dagen lang kan men hier varen zonder iets of iemand te zien, geen mensch, geen menschelijke vestiging. Eerst uren en uren stroomopwaarts ontdekt men leven in deze uitgestrekte oorden. Het is de groote vraag of het den menschen wel naar den zin was toen in Maart 1917 de patrouille Posthumus, later vervangen door Sitsen, aan wal stapte en de eerste stappen werden gedaan om in den chaotischen toestand in de diepe binnenlanden verbetering te brengen en de menschen, die her- en derwaarts verspreid woonden, op hooge bergtoppen soms, tengevolge van de in zwang zijnde sneltochten, te bewegen zich in meer bewoonbare oorden te vestigen. Lange, lange tijden waren ze aan hun lot overgelaten geweest, vrijelijk doende wat hun lustte en zich in het geheel niet bekommerend om het europeesche gezag of het bestuur van den sultan van Boeloengan, wiens onderdanen zij allen zijn. Het intensievere bestuur is wel van zeer recenten datum, maar toch is het bewonderenswaardig, wat beide bovengenoemde mannen in dien korten tijd hebben tot stand gebracht onder zeer primitieve omstandigheden. [230]

Nog zij vermeld de grensexpeditie in 1912 onder kapitein P. van Genderen Stort, welke ten doel had de uitzetting in het terrein van de grens tusschen nederlandsch gebied en het gouvernement Britsch Noord-Borneo, over welken tocht een uitvoerig rapport is verschenen.

De dajaks uit deze gebieden behooren tot een geheel anderen stam dan de reeds in de vorige hoofdstukken behandelde. We onderscheiden hier twee groote groepen, wonend in de stroomgebieden van de twee groote rivieren de Sesajap en de Sembakoeng en wel in de eerste de Poetoeks en in de tweede de Tinggalans. Hoewel deze beide stammen met de vroeger genoemde punten van overeenstemming hebben, verschillen ze van deze in andere opzichten weer zooveel, dat een afzonderlijke beschrijving van hun zeden en gewoonten gemotiveerd schijnt.

Hun talen verschillen onderling zeer, terwijl deze ieder op zichzelf wederom vele dialecten tellen, ieder in zijn eigen stroomgebied. Tusschen de eigenlijke dajaks van de binnenlanden en de maleische kustbewoners in—Boegineezen, Makassaren e.a.—is een soort mengvolk ontstaan, de Tidoengers, welke naam ontleend zou zijn aan de toppen der heuvelen (tidoeng), waarop zij woonden om beschermd te zijn tegen de snelwoede, die in vroeger dagen zoo sterk heerschte. De handelaren, die de binnenlanden indrongen langs de hoofdrivieren, wisten de Tinggalans, die zij daar aantroffen, te overreden, zich meer aan den benedenloop der rivieren te gaan vestigen; hun dochters trouwden met de handelaren en zijzelf gingen van lieverlede tot het mohammedaansch [231]geloof over. En zoo vestigden ze zich niet alleen in de lager gelegen landen, maar zelfs op de eilanden voor de kust en waren een tijdlang berucht wegens hun zeerooverijen—zelfs de sultan van Boeloengan vreesde hen en moest zijn zetel verplaatsen en zich vestigen te Tandjong Palas, waar hij thans nog zijn paleis heeft—totdat hieraan paal en perk werd gesteld door de Solokkers, bewoners van den ten noorden van Borneo gelegen Soeloe-archipel, met wie een langdurige en hevige strijd ontstond. Velen werden als slaaf medegevoerd en thans nog leven velen van hen onder de Tidoengers en zijn geheel en al in deze bevolking opgegaan.

De naam tidoeng is overgedragen op het geheele gebied ten noorden van het stroomgebied der Kajanrivier.

De Tinggalandajaks behooren tot een grooten stam van dien naam, welke ook de binnenlanden van Britsch Noord-Borneo bewonen en daar meer bekend zijn onder den naam “Murut”. Gedurende een bespreking met een engelsch bestuursambtenaar uit die gebieden mocht ik meerdere van die menschen ontmoeten, die wat lichaamsbouw en gewoonten aangaat, geheel met de onze overeenstemmen. Volgens de Tinggalans zelve hebben zij steeds deze gebieden bewoond en zijn ze niet heen en weer getrokken, opgejaagd door andere stammen, zooals we dat bij de Kenja’s in zoo sterke mate aantroffen.

De tegenwoordige bevolking van de Tidoengsche landen is zeer weinig krachtig en energiek; er is wellicht in onzen archipel geen volk aan te wijzen, dat zoo slap en gemakzuchtig is als juist [232]deze menschen. Het is trouwens een opmerkelijk verschijnsel in dajakland, dat daar, waar de bevolking nog strijdlustig is en de snelwoede nog niet beteugeld, deze ook het krachtigst is; daar zijn ze nog flinker gebouwd, daar zijn ze nog volijverig in het bebouwen hunner ladangs. Elders zijn ze daarvoor te lui en voeden ze zich met minderwaardige producten. Zeer sterk treedt dit verschijnsel op in de benedenlanden van deze gebieden (afb. 52).

Van oudsher drongen de handelaren, op winst belust, de binnenlanden in: zij zijn meestal sluwe, weinig scrupuleuse menschen, die door allerlei drogredeneeringen de eenvoudige dajaks imponeeren en door tijdelijke huwelijken zich in hun gemeenschap weten in te dringen. Na voldoende boschproducten verzameld te hebben, hetzij door meestal voor de dajaks nadeeligen koop, hetzij door zelf de bosschen in te trekken, gaan zij wederom naar beneden om het verzamelde aan de slimme chineezen van de hand te doen. Door de dajaks in dikwijls denkbeeldige schulden te houden, weten de handelaren hen steeds tot levering van nieuwe boschproducten te pressen. Bovendien weten ze hen door dobbel- en kaartspel en het wedden bij hanengevechten, waarop ze verzot zijn, nog dieper in de schulden te steken, slimmer als ze zijn dan deze eenvoudige menschen. Komen de dajaks zelven naar beneden om de door hen verzamelde boschproducten aan de handelaren, vooral chineezen, te verkoopen, dan zijn ze er al niet veel beter aan toe. Toen ik dan ook gedurende mijn bestuur den maatregel nam, dat ik zelf de naar beneden gevoerde [233]goederen in het openbaar aan de handelaren zou verkoopen, waren ze ten zeerste verbaasd, zooveel voor hun producten te ontvangen; een voorraad, welke voorheen enkele rijksdaalders—de kleinste eenheid, waarmede een dajak weet te rekenen—opleverde, bracht nu soms honderd of meer rijksdaalders op; het behoeft geen betoog, dat onder de vroegere omstandigheden den dajak de lust benomen werd zich voor dezen handel eenige moeite te getroosten.

De sultans van Boeloengan, die, zooals we reeds zagen, oorspronkelijk voor de Tidoengers den wijk moesten nemen, wisten langzamerhand hun gezag weer te herwinnen, en zelfs aan den beneden- en middenloop wederom eenige macht te krijgen, o.a. door het verleenen van titels als Datoe, Pangeran, Adji e.a. Zoo was het dajakhoofd, dat aan de midden Sembakoengrivier een schijn van macht uitoefende, begiftigd met den titel Pangeran en heette Pangeran Moeda. (Zie afb. 49). Het kostte den sultans-trawanten meestal niet veel moeite deze verslapte dajaks te imponeeren en hen vervolgens af te zetten. Zoo zijn deze menschen langzamerhand verworden tot hetgeen ze thans zijn.

Een voorbeeld van een afzetter pur sang was de Boeloenganees Ating, die—als ik me niet vergis—zelfs nog aan de sultansfamilie verwant was. Hij had zich bij het engelsche bestuur z onmisbaar gemaakt, dat hij tevens werd aangesteld als een soort districtshoofd; daar hij tevens handelaar bleef—wat onder ons bestuur niet mag voorkomen—bezocht hij dikwijls ons gebied en dreef daar op allerlei unfaire wijzen [234]handel, zoodat het veel op afpersing begon te gelijken en ik gedurende mijn samenkomst met den engelschen controleur te Semendapi op de grens van het engelsche en hollandsche gebied, genoodzaakt was te verzoeken hieraan paal en perk te stellen, daar hij anders op ons gebied komend, gevangen genomen zou worden. Dat de dajaks over dien maatregel zeer tevreden waren, behoeft geen betoog. Daarbij kwam nog, dat hij als vertegenwoordiger van het engelsche bestuur dubbel gehaat was.

De dajak, van zijn geboorte af gewoon, niet te behoeven gehoorzamen, maar in het algemeen vrijelijk te doen wat hem lust—hij is daardoor ook rondborstig—haat het engelsche bestuur, dat zeer hard is en vooral de politiesoldaten, die hem afzetten, zijn kippen en varkens zonder betaling afnemen, als anderszins. Het nederlandsche bestuur schijnt hem aangenamer te zijn, hetgeen we reeds zagen bij de Sabanstammen, die er niets geen bezwaar tegen hadden zich onder onzen vlag te scharen. Van Genderen Stort vertelt, hoe, toen bij de nederlandsch-engelsche grensexpeditie bekend werd, waar ongeveer de grens zou loopen, onmiddellijk een zestal kampongs naar ons gebied wilden verhuizen, terwijl nog eenige andere, na het binnenhalen van den oogst spoedig zouden volgen. Dit treft te meer, omdat een dajak alleen noodgedwongen het stroomgebied zal verlaten, waar zijn voorouders begraven liggen en waar deze vruchtboomen geplant hebben, waarvan de eerste rijpe vruchten bestemd zijn voor die graven. [235]

De dajaksche vrouw! Welke positie bekleedt zij, welke rol is haar toebedeeld in de dajaksche maatschappij? We zagen hiervan reeds een en ander in de vorige hoofdstukken; we merkten op hoe de vrouw werd gewaardeerd als moeder van hare kinderen en ook, dat de vrouw wel een woordje had mee te praten, al was in het algemeen hard werken en sloven haar deel.

Hoe is het daarmede gesteld in de Tidoengsche landen? In het algemeen kan men zeggen, dat de toestanden vrijwel dezelfde zijn, al is haar toestand hier minder gunstig. Vr haar huwelijk geniet de vrouw eene groote mate van vrijheid in tegenstelling met hetgeen we wel bij andere dajakstammen opmerkten. Het komt meermalen voor, dat zoon of dochter reeds bij de geboorte door de ouders aan een kind van een ander ouderpaar wordt uitgehuwelijkt.

Is de afspraak gemaakt en de zaak tusschen de wederzijdsche ouders beklonken, dan wordt deze bekrachtigd door het wederzijdsch aanbieden van een geschenk. De ouders van den zoon geven meestal een geschenk in den vorm van een tempajan of martavaan, terwijl de ouders van het meisje als tegengeschenk meestal een varken van ongeveer gelijke waarde aanbieden. Heeft dit plaats gehad, dan gaat het meisje een kralen halsketting dragen als bewijs, dat ze reeds uitgehuwelijkt is. Is zij op huwbaren leeftijd gekomen, 12 14 jaar, dan kan het eigenlijke huwelijk plaats vinden. De ouders van den bruidegom, geholpen door al hun familieleden, verzamelen de benoodigde huwelijkssom in den vorm [236]van tempajans, keukengerei, katoentjes en andere in onze oogen vrij waardelooze, kleine voorwerpen, welke meestal geen grootere waarde vertegenwoordigen dan n of enkele honderden guldens, naar gelang van den stand en de schoonheid der bruid. Is deze som eenmaal bijeen gebracht, hetgeen dikwijls met groote moeilijkheden gepaard gaat, dan wordt deze op den bepaalden dag naar de woning der bruid gebracht, waar intusschen op uitnoodiging van de ouders van het meisje de genoodigden aanwezig zijn, die etenswaren, gongs, en andere cadeautjes hebben medegebracht. Het huwelijksfeest kan thans plaats hebben. Groote tempajans met gistende drank worden opgesteld—het wordt dikwijls een groote dronkemanspartij—terwijl stellages worden opgericht met spijzen, bestaande uit stukken varkensvleesch, vermengd met verzuurd meel en visch, alles toegedekt met een doek. Ieder nu, die daartoe lust heeft, mag van den drank en spijzen iets gebruiken, maar is verplicht een klein geschenk te deponeeren, welke het eigendom wordt van de familieleden der bruid, die medegeholpen hebben het feestmaal aan te richten. Thans wordt het huwelijk als gesloten beschouwd, al duurt het feest ook wel voort tot den volgenden dag.

Vervolgens wordt de bruid naar de kampong van den bruidegom gebracht; daartoe worden eerst alle geschenken in de prauw gebracht en stapt de bruid er ook in. De bevolking houdt dan in schijn de prauw vast, waarop de bruidegom in ruil voor de bruid, geschenken geeft. Bij de kampong gekomen, mag de bruid het [237]huis van den bruidegom niet betreden, alvorens van hem eenige geschenken uit zijn kamer te hebben ontvangen, waarna deze betrokken wordt.

Is na haar huwelijk de vrouw aan haar huwelijkstrouw gebonden, in het algemeen is het gewoonte in de Tidoengsche landen, dat het sexueel verkeer vrijelijk plaats vindt. Het bij nacht binnengaan der kamer, waarin ook de ouders slapen, kan door deze niet geweigerd worden. Zou dit toch geschieden, dan werd een boete door het kamponghoofd opgelegd, zoodra een klacht hierover zou zijn ingediend.

Wordt een getrouwde vrouw op overspel betrapt, zoo verbeurt de overspeler—op klachte der familieleden van den man—een zware boete, aan den echtgenoot te betalen.

Zwangerschap buiten echtelijk verkeer—dikwijls weten de vrouwen dit echter wel te verhinderen—wordt niet als iets bijzonders aangemerkt; eene vrouw, aan wie zoo iets overkomt, heeft later echter een veel geringere handelswaarde.

Bij het zwanger worden van het eerste kind, legt de vrouw alle sieraden, behalve de armbanden, af en deze worden niet meer gedragen. Ook de rotanband, die ze om haar middel droeg als bewijs, dat ze nog geen kind had, wordt afgelegd. Van haar man krijgt ze later nieuwe kleeren en sieraden.

Al stelt het krijgen van kinderen aan deze vrouwen door zwakke en ziekelijke lichaamsgesteldheid de hoogste eischen, toch is kinderloos te zijn voor de dajaksche vrouw het treurigst, dat zij zich denken kan. En dan, kinderen, [238]meisjes, zijn handelswaar! De vader heeft voor zijn vrouw tempajans, kralen en andere voorwerpen met moeite bij elkaar gezocht; en als hij later zijn dochters uithuwelijkt, krijgt hij voor ieder een bruidsprijs. Ze zijn dus voor hem een zeer voordeelige geldbelegging en tevens breidt hij door haar zijn familierelaties ver buiten zijn woonplaats uit.

De eerste plaats, die het jonggeboren kind inneemt, is bij zijn moeder op den houten vloer van het huis op een kleedje of matje. Verwend wordt de dajaksche zuigeling dus niet en het kan ons niet verwonderen, wanneer hij wel eens op jammerlijke wijze zijn stemgeluid doet hooren. Koud heeft onze jonge wereldburger het echter niet, want evenals zijn moeder zit hij bij een steeds brandend vuur. Moeder en kind worden gedurende eenige dagen berookt! Eerst na 4 dagen mag de moeder opstaan om zich te reinigen. Vlak na de geboorte van het kind heeft de moeder een kip te verorberen. De veeren worden verzameld en verbrand, zoodat de rook de borsten der jonge moeder bereikt, opdat de moedermelk rijkelijk moge vloeien.

De kleine dajak mag reeds eerder een bad nemen en de familie is vol zorg. Men waakt er voor de geesten, die het kind kwaad zouden kunnen doen, op een afstand te houden of te vriend te houden of, als het niet anders kan, te verdrijven of te verschalken.

Het geloof aan goede en booze geesten is allen dajaks eigen; zij denken zich die wezens overal aanwezig. Vooral in de vlucht van vogels en in het geluid van dieren zien zij eene voorspelling, [239]speciaal ten opzichte van ziekten, bij doodenfeesten, aanleggen van ladangs, maken van een nieuw huis als vele andere zaken meer.

Bij ziektegevallen of uitbreken van besmettelijke ziekten wordt de kampong voor vreemdelingen ontoegankelijk verklaard, hetgeen te kennen gegeven wordt door bij den ingang een “goal” te plaatsen, waaraan pisangschillen worden opgehangen. Hoewel de Tinggalandajak, behalve enkele kruiden, geen of weinig geneesmiddelen kent, wil hij toch alles in het werk stellen den zieke te genezen, door het z.g. “limbai”. In de salek—het middengedeelte van het huis—wordt een z.g. “tampang limbai”, bestaande uit een uit bamboereepen gevlochten plat vlak, aan welks vier uiteinden een touw wordt bevestigd, aan de zoldering opgehangen. Daarop plaatst men een leege flesch of uitgeholde kalebas. Daarna begint het “limbai”, hetwelk bestaat uit met een stuk hout of ijzer slaan tegen een bord, waarbij luide wordt gezongen. Alle inwoners van het huis loopen daarbij zingende om hem heen. Steeds harder begint de man te zingen, totdat hij eindelijk in extase geraakt. Het gezang der omstanders gaat thans over in een heftig gekrijsch. Op dat oogenblik namelijk verlaat de ziekte het lichaam van den patint en stijgt in den vorm van een boozen geest ten hemel, waarna medicijn in de flesch neerdaalt, welke den zieke zal genezen.

Intusschen heeft men er voor gezorgd, dat een klein prauwtje aan den oever gereed ligt voor het geval de booze geest daarmee zou willen reizen. De dajak kan zich nu eenmaal niet [240]voorstellen, dat men gemakkelijker zou kunnen reizen dan in een prauwtje en bij voorkeur zal de geest zich dus daarin nestelen. Dit wordt daarna los gemaakt en prauwtje en booze geest drijven de rivier af.

Meerdere malen zag ik zoo’n ziektegeest de rivier afdrijven, ’s avonds zelfs had men de prauw van een lichtje voorzien.

Is er een besmettelijke ziekte uitgebroken, dan wordt een kuiken in een klein hokje vastgebonden, hetwelk men de rivier laat afdrijven. Ook zal men eieren op van boven gespleten stokken rondom de kampong plaatsen; de booze geest zal wachten, totdat de ziel het ei verlaat en dus het huis niet binnendringen. Men ziet, alles is er op ingericht de booze geesten te misleiden of te verschalken.

Toch gebeurt het natuurlijk meermalen, dat de patint in weerwil van alle mogelijke geneesmiddelen sterft, maar de dajak weet ook daarvoor wel eene verklaring te geven; de patint heeft dan eenvoudig in den slaap een hemelvrucht, die zoo nu en dan uit den hemel komt neervallen, in den mond gekregen en ingeslikt. En hiermede is voor hem alles verklaard!

Zoodra iemand gestorven is, heffen de vrouwen—nadat de familieleden door gongslag verzameld zijn—een luid misbaar aan, zittend bij het lijk, dat in de salek wordt geplaatst in de van een uitgeholden boomstam vervaardigde doodkist, waarop een deksel geplaatst is, dat met rotan wordt vastgemaakt. Om hun groot verdriet te toonen, vliegen de familieleden elkaar in schijn aan en barsten telkens in een hevig [241]gehuil uit. Gewoonlijk blijft het lijk 2 3 dagen in huis staan, gedurende welken tijd alle toebereidselen tot het begrafenismaal worden gemaakt, waartoe alle familieleden bijdragen.

Na drie dagen ongeveer wordt de kist dichtgemaakt; degene, die dat doet, wordt in schijn door de familieleden geslagen en met messen gestoken. Bij het wegdragen van de kist verzet de familie zich wederom; dit alles om te doen zien, welk een liefde en genegenheid men den doode heeft toegedragen.

De eenvoudige kampongbewoner wordt onder den grond begraven; bij kamponghoofden wordt de kist meestal op palen boven den grond geplaatst of wordt het lijk ook wel in een grooten tempajan gelegd. Boven een en ander wordt een afdak geplaatst—dikwijls zag ik deze met zink gedekt—waaraan verschillende versieringen worden aangebracht, bestaande uit lapjes katoen en andere kleinigheden.

Sieraden en kleeding volgen den doode; het door hem gebruikte kookgereedschap hangt men onder het afdak op. Het is familieleden geoorloofd een of meer voorwerpen van den doode als herinnering te bewaren, maar men heeft iets anders daarvoor in de plaats te leggen.

Na deze eerste begrafenis gaat het naaste familielid terug naar de sterfkamer, waarin een omheining is gemaakt, waarin hij of zij de eerste drie dagen moet verblijven. Daarna doet men wit goed aan, de rouwkleeren en een band van witte rotan om middel en pols. Deze rouwkleeren worden eerst afgelegd, wanneer ze geheel en al versleten en onbruikbaar zijn geworden. Vroeger [242]kon de rouw afgelegd worden, indien door snellen de schedelversiering met een verschen kop was vermeerderd. Eene weduwe kan den rotanband ook afleggen, zoodra ze hertrouwt. Dit geschiedt dikwijls enkele maanden na het overlijden van haar man, daar ze dan door haar zwager, ook al is deze reeds gehuwd, wordt “overgenomen”. Zij mag dan den rotanband vervangen door een spiraal van koperdraad om het middel en een wit metalen armband om den pols.

De dajak uit deze gebieden is echter niet klaar met ne begrafenis. Ongeveer een jaar na de eerste volgt de tweede begrafenis. Alle kampongbewoners, familieleden en vrienden worden wederom verzameld. Het gebeente wordt onder een hevig gehuil in een tempajan of martavaan gedaan met den schedel er boven op. De martavaan wordt daarna op een soort tafel naast andere martavanen geplaatst. Het geheel wordt weer evenals vroeger door een dak bedekt.

Na afloop van iedere begrafenis wordt feest gevierd in de salek, welke voor deze gelegenheid feestelijk is versierd met lappen rood of geel katoen. Een groote martavaan met sterken drank, getrokken uit gegiste rijst, staat opgesteld, waaraan straks zich de gemeente te goed zal doen. Ik woonde het eenmaal bij, dat de geheele kampong dronken was, en toch was dit niet zoo’n walgelijke vertooning als wij, hollanders, ons dat zouden voorstellen en bij ons bij een dergelijke gelegenheid wel het geval zou zijn. Wanordelijkheden kwamen niet voor.

Door n persoon tegelijk wordt er gedronken [243]en hij drinkt z lang, totdat het maatstokje, dat in de martavaan hangt, geheel vrij is. Kost hem dit veel moeite, dan wordt hij door de omstanders uitgelachen en uitgekreten voor een lafaard. Ook vrouwen drinken mede.

Boven de martavaan is een zoldering aangebracht, waaraan verscheidene suikerrietstokken hangen, benevens de geraamten der koppen van de visschen, die bij het feest zullen worden opgedischt. Het suikerriet dient als tegengeschenk voor de genoodigden, die het een en ander medebrengen.

Op den bepaalden dag komen de feestvierenden te voet of in met vlaggetjes versierde prauwen in de kampong bijeen, onderweg lustig zingend en op de gong slaand, terwijl ieder groote hoeveelheden etenswaren en drank medeneemt. Vroolijk gaat het er dan op toe en niet lang duurt het of velen beginnen neiging te krijgen om langdradige verhalen af te steken.

Door de ongehuwde meisjes, voor wie een hoekkamer van het huis wordt ontruimd, om gedurende het feest tot slaapkamer te dienen en de jongens, wordt ’s avonds gedanst. Dit dansen bestaat uit een met schuifelende pasjes in een kring rondloopen, waarbij op eentonige wijze wordt gezongen. Nu en dan wordt er muziek gemaakt met een kledi, die we reeds bij andere dajaks leerden kennen en een tweesnarige guitaar. In de Sedalirstreek—in de boven Sembakoeng—heeft men ter wille van het dansen een gedeelte van den vloer veerend gemaakt, zoodat de dansenden bij het opspringen steeds hooger worden opgeworpen. De meisjes staan alle gearmd [244]naast elkaar met de armen over de borst geslagen en de lange sarongs met een slip over een der schouders geslagen, op de wijze als de Boegineezen dit doen. Gedurende den dans heeft men zich getooid met de schoonste kleeren en sieraden. (Tinggalansch meisje in feestcostuum zie afb. 50).

Uit het voorgaande blijkt hoe de nabestaanden zorg dragen voor de gestorvenen en alles in het werk stellen om hun geest te vriend te houden. Want—zoo redeneert de dajak—deze blijft nauwlettend gade slaan, wat zijn nabestaanden met hem doen. Onmiddellijk na den dood stijgt de ziel ten hemel en zet zich neer op den regenboog, vanwaar hij alles op aarde rustig kan observeeren en wee dengene, die zijn lijk niet goed verzorgt. Na de begrafenis stijgt de ziel naar den hoogsten hemel. Daar bevindt zich een hemelboom, waaraan duizend verschillende soorten van vruchten hangen, die het voedsel leveren voor al de zielen in den hemel. Na een jaar—bij de tweede begrafenis—gaat de ziel wederom naar den regenboog terug en ziet hij, dat zijn gebeente goed verzorgd wordt, dan stijgt zijn ziel voor goed naar de hoogste hemelen.

Doch laten we eerst tot onzen kleinen dajak terugkeeren, die—zooals we reeds gezien hebben—gelukkiger was dan zijne moeder en dadelijk een bad mocht nemen of althans gewasschen worden. Al spoedig krijgt de zuigeling een naam, welke niet—als bv. bij de Kenja’s—telkens wordt veranderd en zoo groeit onze [245]knaap op temidden van zijn primitieve, vuile omgeving.

Al heel spoedig gaat de jonge moeder weer aan den arbeid, al zijn daarbij de meest vermoeiende en afmattende werkzaamheden uitgesloten.

Als het kind niet in de wieg—een eenvoudige, houten bak, aan de vier hoeken met een touw aan een balk opgehangen—ligt te slapen, heeft zijne moeder het in den eersten tijd altijd bij zich, ook wanneer zij buitenshuis het een en ander te verrichten heeft. In het draagmandje draagt zij het kind op den rug of ook wel in een doek, terwijl de beentjes links en rechts van hare zijden afhangen. Waar de moeder ook heengaat, haar zuigeling moet mee. Bij het rijststampen zelfs, waar het lichaam der stampster hevig schommelende bewegingen moet maken, heeft zij dikwijls het kind op den rug. Niets is haar voor haar lieveling te veel; als de kleine later vast voedsel moet gebruiken maar nog niet voldoende kauwen kan, kauwt zij het voor hem en geeft het zoo fijngemaakte te eten. Zij speelt er mede, zingt het wiege- en andere liedjes voor en leidt het langzamerhand op voor allerlei kleine werkjes, die voor een kind geschikt zijn.

En zoo leeft het voort, totdat het het oog der moeder niet meer zoo van noode heeft en op eigen wieken kan drijven en langzamerhand gaat meedoen aan het werk der volwassenen. Zoo zal de jongen meegaan naar het veld en de ouderen volgen bij jacht en vischvangst, zoo zal het kleine meisje, zoodra zij een met water gevulden bamboekoker kan dragen, eerst met [246]n, later met meer van die kokers, water, dat voor het huiselijk gebruik noodig is, gaan halen uit een bron of uit de rivier, zooals de oudere meisjes of vrouwen, zwaarbeladen, in het algemeen dat doen.

Het leven van jonge meisjes bestaat lang niet uit een aaneenschakeling van genoegens. Eerst als de avond gevallen is, kan men zich aan vreugde overgeven. Maar dan hebben de vrouwen dikwijls een langen dag van soms zwaren arbeid achter den rug. Want van den vroegen morgen af hebben zij in het huis harer ouders aan alle werkzaamheden moeten deelnemen. Menigmaal moeten zij naar het veld om groenten te zoeken of naar het bosch om brandhout te verzamelen, al is het ook, dat daar menig herdersuurtje wordt gesleten en teere banden voor de eeuwigheid worden gesloten.

De huizen der Tidoengers en Tinggalans verschillen nogal van vorm. Die der eersten komen overeen met die van Boegineezen en Makassaren. Ze staan nabij de oevers der groote rivieren, zijn op palen gebouwd en bevatten een grootere of kleinere ruimte zonder kamers, waarboven een dak van kadjangmatten. Veelal bevindt zich vr het huis een platvorm, dat dikwijls tot aan den rivieroever doorloopt, waarna men langs een trap zich naar beneden kan begeven om te komen op een daarvoor liggend vlot, waarop men zich kan baden en andere dagelijksche bezigheden verricht. Het huis met omgeving bevindt zich dikwijls in een staat van verwildering. [247]

De vloer in het huis bestaat uit rotan of bamboelatten, die met smalle tusschenruimten naast elkaar gelegd en onderling bevestigd zijn. Daarop spreidt men hier en daar dichtgevlochten rotanmatten uit. Stevig zijn deze vloeren niet en een europeaan, die niet aan dergelijke veerende vloeren gewend is, moet op zijn hoede zijn om niet onder het huis te verdwijnen, daar verouderde gedeelten niet altijd onmiddellijk vernieuwd worden.

De stookplaats bevindt zich in het huis; op de plaats waar het vuur brandt, ligt een dikke, harde laag klei op den vloer.

Stelt men verder zich voor, dat de wanden van de huizen uit ruwe planken of eenvoudig uit boomschors bestaan, dat daaraan eenige groezelige voorwerpen hangen van dagelijksch gebruik en her en der verspreid eenige rommel, dan is het begrijpelijk, dat het geheel geen aanlokkelijk schouwspel biedt.

Anders zijn de Tinggalanhuizen. Deze bestaan uit twee rijen kamers aan de vr- en achterzijde van het huis, waartusschen zich de gang bevindt, die dus het huis van rechts naar links doorsnijdt, aan de uiteinden waarvan zich een trap bevindt. In het midden van het huis is voorts een open ruimte—de reeds meermalen genoemde salek—welke dient als vergaderzaal en tot logies voor vreemdelingen. Daarin is een stookplaats aangebracht, bestaande uit harde klei, waarboven de jachttropheen, als koppen van krokodillen, herten en varkens zijn aangebracht. [248]

De huizen staan op palen van 2 tot 3 M. hoogte, waarop een vloer van heele of gehalveerde rondhouten rust, die zoodanig aan elkaar zijn bevestigd en naast elkaar liggen, dat er smalle openingen vrij blijven, waardoor afval en vuilnis naar beneden kunnen vallen, hetgeen dan verder door de huisdieren kan worden bewerkt. Het logeeren in een dergelijk huis is voor europeanen veelal eene beproeving.

Het kan dan ook geene verwondering baren, dat het met de gezondheidstoestanden vrij droevig gesteld is en dat bij epidemien het weerstandsvermogen niet groot is. Zoo moet in 1905 ongeveer 25% van de bevolking overleden zijn aan pokken; geheele stroomgebieden werden ontvolkt. Toch is over het algemeen de toestand in de bovenstreken beter dan in de benedengebieden.

Eenvoudig als alles, is ook de levenswijze van deze dajaks weinig ingewikkeld. Weinig behoeften als deze menschen kennen—waarom zouden ze zich inspannen?—zijn ook hun middelen van bestaan weinige en hebben ze geen lust, de voortbrengselen, die het land zou kunnen opbrengen, te verzamelen en te verhandelen, ja, zelfs doen ze bijna geen moeite eenige zorg te besteden aan de voortbrengselen, die dienen moeten tot hun eigen levensonderhoud. De meesten zijn zelfs te lui om de bij velen geliefde rijst te planten en stellen zich tevreden met knollen, die minder smakelijk en minder voedzaam zijn. Men merkt ook hier wederom op, dat de bovenlanders energieker zijn dan de benedenlanders, [249]die—we zagen het reeds—hun rijst van de handelaren betrekken en deze meestal alleen bij feestelijke gelegenheden eten.

Is het, dat ze bij bepaalde gelegenheden, hetzij voor bruiloft, begrafenis of om andere redenen, geld noodig hebben of voorwerpen om cadeau te geven, dan trekken ze het bosch in om rotan te verzamelen om deze van de hand te doen. In groote bundels, welke men de rivier laat afzakken, wordt ze bijeengebracht en meestal kost het hem niet veel moeite in deze oerwouden eene voldoende hoeveelheid te verzamelen. Is de nood voorbij, is het geld om feest te vieren of zich nieuwe kleeren aan te schaffen, bijeen, dan gaat hij weer heerlijk luieren, totdat na langeren of korteren tijd hij weer enkele behoeften heeft. We zien het, de drang, dien wij, westerlingen, bij voortduring zoo sterk gevoelen, is dezen menschen onbekend. Maar zouden ook wij niet dikwijls heel wat minder doen, als wij niet steeds weer door het heilige moeten werden opgezweept?

Naast rotan verzamelt hij nog gĕtah (rubber) en damar (hars); de prachtige houtsoorten als ijzer- en kamferhout in zijn reuzenwouden laat hij echter rustig voor het nageslacht staan.

Naast het plantaardig voedsel—zoo juist genoemd—eet de dajak nog gaarne wat vleesch en visch bij zijn maaltijden. Hij maakt op alles jacht en versmaadt zelfs geen muizen, ratten, vleermuizen en slangen. Herten en wilde varkens zijn hem een vorstenmaal. Apen en vogels schiet hij met de vergiftige pijltjes uit zijn blaasroer, terwijl hij visschen met werpnet of hengel vangt. [250]Heeft men voor een feest veel visch noodig, dan wordt met vischgif—toeba—gewerkt. Dit is een melkachtige vloeistof, verkregen uit de wortels van de toebaplant, welke men in de nabijheid van alle kampongs aantreft. Deze vloeistof, in het water geworpen, verdooft alle visschen, die zich daarin bevinden. Een groot nadeel van deze wijze van vischvangst is, dat ook de kleinste vischjes gedood worden, zoodat het dan ook in de benedenstreken door het Bestuur wel verboden wordt.

Meermalen komt het voor, dat men een goed vruchtenjaar heeft, doerian, manggistan, ramboetan e.a. Tegen den tijd, dat de vruchten rijp zijn, zwemmen er dikwijls groote troepen wilde varkens de rivier over, om zich aan de afgevallen vruchten te vergasten. Dit oogenblik wacht de dajak af—altijd steken de dieren ’s middags de rivier over, eenige uren voor het vallen der duisternis—en zoodra een varken in het gezicht is, roeit men er zoo snel mogelijk naar toe om het dier met de lans af te maken. Men is daardoor getuige van dikwijls zeer levendige tafereeltjes en meermalen kwam ik op mijn tochten met een zeer rijken buit thuis.

We zagen reeds, dat in de bovenstreken meer rijst verbouwd wordt dan elders, al is het in lange na niet voldoende voor zijn behoefte en dient hij dit met andere voedingsmiddelen aan te vullen.

Aan den rijstbouw zijn vele oude gebruiken verbonden.

Zoo is het goed om te beginnen met het schoonkappen van een ladang—natte rijstvelden [251]zijn bij deze dajaks onbekend—wanneer de “lingat” (een soort liaan) bloeit en zal men ook met het planten wachten, totdat bepaalde vruchten rijp zijn of bepaalde boomen nieuwe bladeren krijgen.

Alvorens een rijstveld aan te leggen, wordt er eerst weer feestgevierd. Men verzamelt de mannen, die eten, drinken en feestvieren, waarna men zich gezamenlijk naar het stuk bosch begeeft, dat als toekomstig rijstveld is uitgekozen. Zijn er geen slechte voorteekens, dan gaat men hier en daar een stuk bosch uitkappen om vervolgens naar huis terug te keeren. Den volgenden dag gaan allen weer naar de ladang terug. Fluit er een vogel rechts, dan is dat een goed voorteeken; begint echter de vogel bij het uitkappen weer te fluiten, dan houdt men dadelijk op om een andere, gunstiger plek uit te kiezen. Zijn er echter goede voorteekens, dan wordt al het kleine hout van de ladang in n dag uitgekapt, waarna wederom feestgevierd, gegeten en gedronken wordt. Daarna maakt een ieder zijn eigen stuk grond in orde, zoo noodig, geholpen door de anderen, terwijl de groote boomen worden omgehakt. Bij slechte voorteekens moet men echter eenige dagen wachten, daarna drie groote boomen omkappen en naar huis terugkeeren. Den volgenden dag gaat men door met het in orde maken van de ladang en wordt er niet meer naar de vogels geluisterd.

Is het veld geheel en al schoon, dan wordt een wilde, zure vrucht fijngestampt en in een paar gaten in den grond gestopt. Daarna worden de plantgaten gemaakt, welke door de vrouwen [252]met de korrels worden gevuld. Bij slechte voorteekens gaat men eenige dagen naar huis om daarna niet meer te letten op goede of slechte voorteekens.

Heeft de rijst de helft van de normale hoogte bereikt, dan wordt het veld gewied. Is de rijst rijp, dan gaan alle mannen en vrouwen naar het veld om den oogst tegen vogels te beschermen. Daarvoor zijn op hooge palen staande huisjes ingericht, vanwaar uit men de vraatzuchtige vogeltjes tracht te verjagen met lange lijnen, waaraan allerlei kleine fladderende voorwerpen zijn opgehangen of ook wel door vogelverschrikkers, zooals ook wij die kennen.

De vrouwen snijden de rijst eerst langs den rand van het veld weg; deze wordt gestampt en gepoft, gedeeltelijk aan de graven gebracht en voor de rest al feestvierende opgegeten. Daarna mag eerst de andere rijst gesneden worden.

De slechte voorteekens bij den rijstbouw zijn de volgende: bij het begin van het kappen is het geluid van de “boeroeng pemoenak” het teeken, dat men drie dagen moet wachten. Als een kidjang, een soort hert, schreeuwt, gaat men vijf dagen terug en twee dagen als de “boeroeng sagap” fluit. Het gezicht van een zwarte duizendpoot of bepaalde soorten van slangen beteekent n dag van rust, van een pelandoek (een soort hert) vier dagen.

Goede voorteekens bestaan hierin, dat bepaalde vogelsoorten, boeroeng sasat o.a., van rechts gezien worden, behalve als ze vliegende den te volgen weg snijden, wanneer men ook gedurende n dag niet mag werken. [253]

Ook in zijne kleeding is deze dajak eenvoudig. De mannen dragen een lendendoek van katoen en verder alleen versierselen als snoeren kralen om hals en polsen, ringen aan de vingers, banden boven elleboog en kuit. Zij dragen lang haar als de andere dajaks, maar het is hier gewoonte dit in een wrong op te steken middels een haarpen (timak) van hout, hoorn of been, soms ook van geplet en daarna gepolijst metaal. Sommige van deze haarpennen hebben pluimen van geitenhaar, terwijl aan de achterzijde de talisman bestaande uit een stukje houtskool, aan de haarpen bevestigd wordt. De dajak, die gelooft, dat houtskool niet kan vergaan, meent daarmede zijn leven te verlengen.

De vrouwen dragen, behalve een korte sarong, een soort rokje, reikende tot even over de knie, boven de heupen vastgemaakt en aan de voorzijde zoover afzakkende, dat de buik vrij komt en verder versierselen om hals en polsen en in de oorschelp, wat ook de mannen hebben, maar ringen van kleiner model.

Om den bovenrand van de sarong en om het hoofd ter hoogte van het voorhoofd dragen zij een breeden band van kraalsnoeren. In de bovenstreken worden bovendien spiralen koperdraad gedragen, dikwijls reikende van pols tot elleboog, een vorm welke ons aan dien der Serawaks doet denken.

Bij den dans dragen de vrouwen een lange sarong, welke van de oksels tot aan de enkels reikt.

Eigenaardig bij deze dajaks is nog de eedsaflegging. De zwaarste eed der Tinggalans is die op den hond. De te beedigen persoon heeft [254]hierbij onder het opzeggen van de formulieren het oor van een hondje met een slok water in te slikken. Afb. 56 vertoont ons een dergelijke plechtigheid, welke ik uit den aard mijner functie had bij te wonen. Akal, een berucht Tinggalansch koppensneller uit de bovenstreken (afb. 55), van wien zelfs verteld werd, dat hij den toenmaligen patrouillecommandant Posthumus had willen vermoorden, kreeg, na een langdurige gevangenschap, vrijheid weer naar zijn land terug te keeren. De sultan van Boeloengan achtte het noodig, dat hij openlijk beterschap zou bekennen en dat zijn woorden door een eed bevestigd zouden worden. De foto laat ons het moment zien, dat hij juist het hondenoortje heeft verorberd, wat hem blijkbaar niet erg goed heeft gesmaakt. Dat een dergelijke eed niet veel waarde heeft gehad, bewijst wel het feit, dat hij, in zijn land terugkeerend, onmiddellijk weer zijn praktijken in toepassing bracht door enkele koppen te snellen, maar het nadien toch maar raadzamer vond de wijk naar het engelsche gebied te nemen.

Hiernaast bestaan andere methoden. Men houdt iemand een stuk hout boven het hoofd onder het uitspreken der formulieren, terwijl dit ook kan geschieden onder het hakken van dood hout met een mandau, terwijl de beedigde zweert, dat zoo zeker als dit hout valt onder de slagen van het wapen, hij zal sterven indien hij liegt.

De Poetoeks kennen nog deze manier, dat n.l. een dikke bamboe, gevuld met water, waarin een stuk hout wordt gestoken boven het hoofd van den beedigde persoon wordt gehouden.

De Tidoengers—ik vertelde dit reeds—zijn [255]een volk, ontstaan door het zich vermengen van de oorspronkelijke dajakbevolking met menschen, die van buiten uit zich in deze gebieden kwamen vestigen. Men onderscheidt in dezen stam duidelijk twee dialecten: het Boeloenganeesch, dat hoofdzakelijk wordt gesproken in het Nederlandsche gedeelte en het eigenlijke Tidoengsch, dat op de groote eilanden Noenoekan, Tarakan, e.a., en ook wel in het Sembakoengsche wordt gesproken, maar voornamelijk toch in Britsch Noord-Borneo.

De Tidoengers zijn een onbekend volk, door niemand beschreven. Toch maakt Ling Roth reeds melding van deze menschen, maar deze verhalen zijn z fantastisch, dat ze alle geloofwaardigheid missen. Hij vertelt, dat ze zeer onbeschaafd zijn en dat ze tot de menscheneters zouden hebben behoord.—Ling Roth schreef zijn boek in 1896—hetgeen ik niet kan aannemen, omdat daarvan de sporen nog wel zouden te vinden zijn, al is het reeds 25 jaar geleden. Roth stelt de Solokkers uit den Soeloe-archipel vr boven de Tidoengers, hetgeen door Beech weer wordt ontkend; deze stelt de laatsten verre boven de eersten.

Nog een eigenaardig verhaal, waarvan ik de waarheid niet aan de praktijk heb kunnen toetsen, is, dat in Salimbatoe aan de Kajanrivier vroeger staartmenschen zouden hebben gewoond. Verschillende verhalen zijn hierover in omloop, vooral ook in Britsch Noord-Borneo, waar deze menschen zouden leven of geleefd hebben in de bergstreken van het eiland Laboean; zij zouden staarten hebben van vier tot zeven inches lang, [256]welke ze in daarvoor bestemde blokken hout met gaten staken, wanneer ze gingen zitten!

De Tidoengers zijn meerendeels mahomedanen geworden, al is bij hen natuurlijk nog veel van het oud animistisch geloof overgebleven. Hoe kan dit anders? Verzot als de dajak is op sterken drank, het eten van varkensvleesch en waar sexueele gemeenschap tusschen ongehuwden bij hen vrij is, daar voelt hij er weinig voor, daarvan afstand te doen ter wille van een nieuw geloof. Fanatisme is bij hen dan ook onbekend.

Nog tegenwoordig gaan deze menschen wel tot den Islam over, overgehaald door de hoofden, die in ruil voor het nieuwe geloof wel eene belooning in klinkende munt zullen ontvangen. [257]


1 Bij de nieuwe gewestelijke indeeling wordt Boeloengan eene zelfstandige afdeeling. 

2 Hoewel alleen Boeloengan aan mijne zorgen als bestuursambtenaar was toevertrouwd, was ik toch door gelukkige omstandigheden in de gelegenheid het geheele Mahakamgebied en Apo Kajan te bereizen. 

[Inhoud]

VAN BORNEO’S LAGE LANDEN AAN DE ZEE

We bevinden ons aan boord van den Koninklijken Paketvaartstoomer op weg naar Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin, een afstand van ruim een etmaal stoomens. De drukke handelsstad in Java’s Oosthoek hebben we den rug toegedraaid—de indrukken zijn ons nog levendig bijgebleven—en we richten den steven naar onbekende oorden, het land van water en modder.

Nog nauwelijks voelen we ons thuis op onzen stoomer, waar we goed verzorgd worden—trouwens, wat was Indi zonder onze K.P.M.—of Borneo’s lage modderkust komt reeds in het gezicht. Reeds langen tijd hadden we langs den horizon een donkere streep opgemerkt, niet wetend of dit eigenlijk het land zou zijn. Eerst langzamerhand dringt het tot ons door, dat dit bosch is of in elk geval levende gewassen, welke den schijn wekken alsof ze zoo maar in het zeewater staan geplant. Trouwens veel verschilt het niet en bij hoog water staan vele van deze boomen vrij diep onder water.

Neen, opwekkend is de eerste aanblik van Borneo niet en men kan zich niet voorstellen, dat achter dit sombere gordijn zich nog leven [258]en opgewekt leven zou bevinden. Welk een verschil met andere eilanden: de westkust van Sumatra, de westkust van Celebes, onze Molukken! Daar geen modder en onooglijk lage landen, maar rotsen, die zich majestueus uit zee oprichten. Welk een schitterende aanblik hier langs te varen, wanneer de rotsen, door de felle tropenzon beschenen, hun schoonsten tooi doen zien! Welk een opwekkend gevoel langs deze eilanden en tusschen de tallooze eilandjes door te varen. Maar tevens, welk eene waakzaamheid wordt er vereischt van onze ronde zeelui, ook nog te dezen tijde, nu er toch al van vele gedeelten goede zeekaarten bestaan. Ik herinner me nog duidelijk, dat, toen ik korten tijd geleden, de groote Molukkenreis maakte, de gedachte bij mij opkwam, hoe onze voorvaderen, de stoute zeevaarders, met hun zooveel primitiever vaartuigen, het aandurfden den steven naar hier te richten, onbekend met het land, onbekend met de zeen! Wat een kerels! Neen, zulke mannen kennen wij, hollanders, niet meer, maar toch vind ik daarvan nog veel terug in onze tegenwoordige scheepskapiteins. Menigmaal stond ik verbaasd over hun durf, wanneer we—soms midden in den nacht—snel de rivier afvoeren, deze telkens overstekend om het diepe vaarwater te houden, soms vlak langs den oever, zoodat de boomen hun bladerkronen langs het dek lieten slierten.

We naderen de monding van den grooten stroom, die uit het hart van Borneo naar de zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan een zijrivier van dezen machtigen stroom, niet ver van [259]de monding verwijderd, ligt Bandjermasin aan de Martapoerarivier (afb. 58 en 59).

Het binnenvaren—vooral bij nacht—vereischt veel zeemanschap wegens ondiepten en banken van slib. Veel moeite wordt er aan ten koste gelegd om de vaargeul op diepte te houden, tot nu toe—naar het schijnt—met weinig succes. Er was zelfs korten tijd geleden sprake van, dat Bandjermasin slechts voor kleine schepen meer bereikbaar zou zijn.

De Barito heeft bij zijn monding de breedte van een zeearm; we behoeven niet lang te stoomen om de Martapoera te bereiken en Bandjermasin, de waterstad, ligt voor ons.

Evenals bijna overal in Borneo, leeft de bevolking op de rivier. Een vroolijke drukte is het daar, vol leven en bedrijvigheid. Rijtuigen zijn er niet en ieder, die een grooteren afstand heeft af te leggen, duikt onder het afdakje van de prauw—tembangan—om tegen de zon beschut te zijn, waarna de roeier vr op het vaartuig met n riem ons vaartuig vooruit laat gaan, nu eens links, dan weer rechts van het vaartuig zijn pagaai in het water trekkend. Snel gaat het niet, vooral stroomopwaarts, maar we zitten heerlijk en genieten van het schoone riviergezicht.

Prachtig is de groote, oud-Hollandsche ophaalbrug! We denken ons plotseling verplaatst in het oude Holland, als niet de ontzaglijke rijen sierlijke prauwen—lang, zwart en smal als Venetiaansche gondels met hoog opstaanden en versierden boeg—ons weer tot de werkelijkheid terugriepen. [260]

Vol leven is de rivier; vol prauwen van allerlei soort, waartusschen allerlei stoomertjes, groot en klein, zwoegen, maar ook geweldige houtvlotten drijven stroomafwaarts om ter zijde van den grooten stoomer gebracht te worden, die ze veilig in zijn kolossaal lichaam verbergt om ze daarna her- en derwaarts over de aarde uit te strooien. De stammen zijn aan elkaar vastgesjord tot een stevigen vloer, meters en meters in het vierkant. Zelfs huizen staan erop, waarin geheele gezinnen een onderdak vinden. Het vormt een klein dorpje op zichzelf.

Terwijl mannen het groote gevaarte in de juiste richting houden, loopen de kinders daarop vroolijk te spelen—een leventje om van te watertanden—terwijl de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt, zit te wasschen.

De stammen worden uit de diepe binnenlanden uit de bosschen gehaald en dagen lang wonen de menschen op deze drijvende huizen. En dit niet alleen, veel, nog veel meer wordt uit de binnenlanden met vaartuigen aangebracht, te veel om op te noemen, hetgeen alles in Bandjermasin wordt verzameld, waar nijvere handen—van inlanders en europeanen—er wel voor zorgen, dat het verder zijn weg vindt.

Zoo gaarne had ik een tocht gemaakt de Barito op1, maar de omstandigheden lieten dit niet toe, zoodat we ons maar liever weer aan boord begeven van den Paketstoomer om ons te laten voeren naar Borneo’s Oosterstranden. [261]

Voor het laatst werpen we nog een blik op het Borneaansch Veneti en zuidwaarts stevenend, genieten we nog van de mooie kleurschakeeringen, welke de ondergaande zon over dit idyllisch plekje werpt. De spiegelgladde zee strekt zich nu weer voor ons uit en nadat we ver genoeg in zee zijn en de modderbanken hebben ontweken, wenden we den koers Noordoost. Op de groote drukte van de laatste dagen, welke het aandoen van een haven altijd met zich brengt, is gevolgd de stemmingsvolle kalmte van een rustigen tocht over het gladde, onmetelijke watervlak.

Spoedig bereiken we Straat Laoet tusschen den vasten wal en Poelau Laoet, aan welks noordpunt ligt het lieflijke Kota Baroe, met uitvoer van peper en rotan, standplaats van een assistent-resident en in welks nabijheid, bij Stagen, zich de door het gouvernement gexploiteerde kolenmijnen bevinden (afb. 60).

Stagen heeft een kolenstation aan zee, welk station door een 6 K.M. lang spoorlijntje met de eigenlijke mijnen is verbonden.

De ontwikkeling van den steenkool-mijnbouw op Borneo is langen tijd eene lijdensgeschiedenis geweest. Het groote bezwaar vormden steeds de hooge transportkosten, een gevolg van de gebrekkige verkeerswegen, waardoor concurrentie met buitenlandsche kolen niet mogelijk was. In 1903 begon de maatschappij Poelau Laoet den mijnbouw bij Stagen, dat groote voorraden schijnt te bezitten en zeer gunstig gelegen is ten opzichte van het zeeverkeer. In 1913 ging de geheele onderneming aan den Staat over. De jaarlijksche [262]opbrengst bedraagt ongeveer 160.000 ton, hetgeen behoorlijk genoemd kan worden in vergelijking met die der Ombilinmijnen, welke jaarlijks 400.000 ton leveren.

Toch schijnen de Laoetkolen—dit was althans steeds de klacht van verschillende technici in Indi—niet te voldoen en zijn ze, evenals alle Borneokolen van te jonge formatie.

De vaart door Straat Laoet is een en al verrukking, maar spoedig bevinden we ons weer op het onmetelijk watervlak en na een blik geworpen te hebben op Pasir, waar het voor enkele jaren nog woelig was, maar waar thans de rust is weergekeerd, richten we den steven recht noord naar Balikpapan.

Balikpapan! Te midden van de gewone indische plaatsen, waaraan we reeds gewend zijn, stuiten we hier plotseling op een europeesche modelstad. We staan verbaasd en niemand zou dit verwachten temidden van deze ontzaglijke eenzame oorden. Het is gelegen in een schitterende, natuurlijke baai, waar de grootste schepen kunnen invaren—de minste diepte in het vaarwater is zeven meter—wat menige indische havenstad haar zou kunnen benijden, waar men dikwijls ver uit de reede genoodzaakt is het anker te laten vallen, terwijl men in den slechten moesson dikwijls niet eens verbinding met den wal kan krijgen: Semarang en Benkoelen zijn hiervan voorbeelden.

Vaart men ’s avonds de baai binnen, dan is de geheele vestiging over een afstand van meerdere kilometers schitterend verlicht, de oliestad baadt in een zee van licht. [263]

Balikpapan met ongeveer 6000 zielen, is de hoofdzetel der Bataafsche Petroleummaatschappij op Borneo’s Oostkust, tevens de grootste oliefabriekstad ter wereld. Olie wordt er niet of weinig gewonnen, maar van heinde en verre wordt dit aangebracht om hier in de groote, modern ingerichte fabrieken verwerkt te worden. Alles kan men ter plaatse maken: men heeft een eigen raffinaderij, eigen blikfabrieken maken de olieblikken—in Indi zoo wel bekend en voor alle doeleinden te gebruiken—; in eigen werkplaatsen maakt men de ijzeren vaten voor de olin, maakt men zwavelzuur, kaarsen, parafine, smeerolie, ja, wat niet al!

Aan wal stappend, bevindt men zich reeds dadelijk in het drukke fabrieksleven en langs een prachtigen weg begeeft men zich met een eigen electrische tram naar Klandasan, de buurten, waar de europeanen wonen, prachtig aan zee gelegen, met keurig ingerichte huizen en een nog schitterender societeit. Men kan zich niet voorstellen, dat men zich in ons Indi—laat staan in Borneo—bevindt en ik zou geen plaats in onzen geheelen archipel kunnen aanwijzen, welke een zoodanig sterk getuigenis aflegt van onze hollandsche energie. De Paketvaartmaatschappij en de Bataafsche zijn lichamen, waarop ieder nederlander met recht trotsch mag zijn en wat zou Borneo op het oogenblik zijn zonder deze maatschappijen en haar wakkere mannen?

Aan de overzijde van de baai ligt Pantjoer met eveneens vestigingen van de Bataafsche.

Een luttel aantal jaren geleden was hier niets dan wildernis en thans nog is alles wildernis [264]buiten de onmiddellijke omgeving van deze vestiging, een plekje moderne beschaving en moderne wilskracht temidden van de eenzaamheid.

Onder Balikpapan ressorteeren verschillende terreinen als de in het noorden gelegen eilanden Tarakan, Mandoel en de nieuwe terreinen aan de Sembakoengrivier en verder Sambodja en Sanga-Sanga aan de Mahakam. Deze alle staan onder het oppertoezicht van den administrateur te Balikpapan, de terreinchefs zijn rechtstreeks aan hem ondergeschikt.

Tot voor korten tijd werkten bij de Maatschappij op Borneo’s Oostkust ongeveer 6000 javanen, 2500 chineezen en ongeveer 400 europeesche employ’s. Deze cijfers spreken boekdeelen en ieder zal inzien welk een arbeid hier verricht kan worden.

Naast de Bataafsche werkt in deze gebieden de Nederlandsche Koloniale Petroleummaatschappij, welke in verbinding staat met de Standard Oil Company en haar terreinen heeft in de omgeving van Samarinda en te Sadjau in Boeloengan. Genoemde maatschappij heeft weinig succes en een jaar of twee geleden werd besloten alle terreinen stop te zetten, behalve te Sadjau, waar nog een laatste poging gewaagd zou worden. Of dit met succes bekroond is geworden, zou ik niet kunnen zeggen, vermoedelijk niet.

Werden—zooals we reeds zagen—in Balikpapan de olin slechts verwerkt, op de overige terreinen wordt uitsluitend olie gewonnen in lichteren of zwaarderen vorm. Vooral Tarakan is een belangrijk terrein waar bij mijn komst met moeite 8 900 ton (van 1000 liter) [265]werd gewonnen, maar waarvan het totaal 1 2 jaar geleden ongeveer 2500 ton daags bedroeg.

Vele zijn de schepen van alle nationaliteiten ter wereld, die hier de olie komen halen, welke uit de groote tanks, die op hooge heuvels dicht bij den steiger staan, langs buisleidingen in de schepen wordt geleid. (Zie afb. 61).

Tarakan is letterlijk bezaaid met boortorens, waarvan de putten meer of minder groote hoeveelheden olie leveren; sommige werken langen tijd, andere korter, terwijl andere weer plotseling verzanden. Heeft een der boormeesters een nieuwen put aangeboord, dan is er ’s avonds groot feest. En zoo ziet men, dat men hier een leven als een prins heeft, terwijl men zou denken in een der uithoeken van de aarde “opgeborgen” en “begraven” te zijn.

Het aanboren van een put heeft dikwijls zijn eigenaardige moeilijkheden en soms heeft men in het geheel geen succes en is al het werken voor niets geweest. De putten zijn meestal eenige honderden meters diep, drie- zeshonderd meter, soms dieper. Ik zag te Tarakan een put, welke 1200 meter diep zou worden en hoewel men reeds ver gevorderd was, was er nog geen olie te bekennen. Dit is wel ontmoedigend, want groote kosten en veel tijd worden daaraan ten koste gelegd.

De werkzaamheden op Mandoel dateeren eerst van den laatsten tijd, terwijl langs de Sembakoengrivier nog slechts verkenningen worden gedaan, hoewel ook hier—naar de berichten luiden—in den laatsten tijd olie wordt gewonnen. [266]

Van Balikpapan gaan we verder naar Samarinda aan de Mahakam met haar ongeveer 10000 inwoners. Nadat we het lichtschip, de Moeara Bajoer zijn gepasseerd, bevinden we ons reeds spoedig bij de vrij smalle monding. Leven is hier nog niet te bekennen, maar na eenige uren stoomens komen we langs kleine dorpen en vertoonen zich hier en daar enkele tambangans, totdat we een hoek om varend plotseling Samarinda voor ons zien liggen, aan beide zijden van de rivier zich over een grooten afstand uitstrekkend.

Ook hier weer leven en vertier, wat aangenaam aandoet na de lange tijden, die we door de eenzaamheid voeren. Ook hier is de rivier weer bezaaid met tambangans, de rank gebouwde, sierlijke gondeltjes, welke de, ons van elders welbekende sado’s, tweewielige karretjes, vervangen. Een tambangan is een kostbaar bezit voor een Borneaan. Iemand, die een tambangan bezit, welke keurig wordt onderhouden, is een welgesteld man; hij kan daarmede ruimschoots in zijn onderhoud voorzien en het is verwonderlijk, hoe hij met dit vaartuig kan manoeuvreeren. Wij, die voor het eerst daarin plaats nemen, voelen er ons niet dadelijk in thuis en zijn beangst, dat we elk oogenblik in het gewirwar van vaartuigjes zullen botsen en omkantelen. Maar nooit ofte nimmer gebeurt dit, al voelen we ons dikwijls heel klein, vooral wanneer we met dit ranke vaartuigje langs zij van het groote schip gaan liggen om ons met veel moeite langs de houten trap naar boven te werken. Beneden op het water schommelend [267]is het, als zien we tegen een torenhoog huis op en we zijn werkelijk blij, wanneer we het stevige schip weer onder onze voeten voelen.

Soms is de rivier bezaaid met drijvende waterplanten en wel gebeurt het, dat geheele eilandbrokken van boven komen afdrijven en hun weg zoeken naar zee, terwijl millioenen en millioenen haften,—“lajap” zegt de Borneaan—, een soort netvleugelige insecten, soms daarboven fladderend, rond zweven, een teeken, dat het spoedig zal gaan regenen.

We treffen het, dat de boot onmiddellijk aan den steiger kan meren; niet altijd gebeurt dit, daar de steiger niet alle booten, die van verschillende richtingen op Samarinda aankomen, kan bedienen en men soms uren moet wachten, tenzij de kapitein er de voorkeur aan geeft midden in de rivier voor anker te gaan en daar met lossen en laden te beginnen.

Vlak achter de aanlegplaats loopt een lange straat, langs de rivier uitgestrekt, welke niet voldoende ruimte schijnt te bieden voor het drukke verkeer.

Recht doorloopend komt men in het gedeelte, waar de europeanen, voornamelijk ambtenaren en handelsmenschen, wonen; groot is hun aantal niet, een paar honderd. Aangezien de rivierzijde in deze wijk niet is bebouwd, geniet men van uit deze huizen van een prachtig vergezicht over de rivier, welke hier ongeveer 700 meter breed is en aan de overzijde waarvan de boegineesche vestiging is gelegen, allen onderdanen van den sultan van Koetei. Het stuk grond, waarop Samarinda ligt, is door den sultan aan het gouvernement [268]afgestaan, zoodat dit kleine stukje gouvernementsgrond ligt te midden van de zelfbestuursgebieden. Hetzelfde is geschied met de andere vestigingen van de bestuursambtenaren, zooals Tandjong Redeb en Tandjong Seilor. Bij contract is deze z.g. “vierkante paal” vastgelegd.

Samarinda is de voornaamste handelsplaats van Oost-Borneo en een plaats nog in opkomst. Toch zal het nooit de plaats van Bandjermasin, de eerste haven van den archipel voor den uitvoer van boschproducten, kunnen innemen, daar haar achterland niet van zoo groot belang is; achter Bandjermasin ligt de rijke Oeloe Soengei, dat wel eens de korenschuur van Borneo wordt genoemd. Balikpapan zelfs heeft om zoo te zeggen in het geheel geen achterland en is dus geheel en al op de Bataafsche aangewezen.

Samarinda heeft in- en uitvoer met Singapore, Celebes en Java; haar uitvoer bestaat hoofdzakelijk uit gĕtah pertja en rotan.

Hoewel de sultan van Koetei ook een huis heeft te Samarinda te midden van de boegineesche vestiging, staat zijn eigenlijk paleis te Tenggaron, eenige uren stroomopwaarts. Het groote houten gebouw is zeer modern ingericht en bevat groote schatten o.a. aan oude kralen. Electrisch verlicht biedt de troonzaal een schitterenden aanblik, al doet het voor onzen smaak komisch aan naast den troon b.v. een groot, maar absoluut ontstemd orchestrion aan te treffen, wat de sultan zelf natuurlijk buitengewoon mooi vond. De firma Pander uit Amsterdam richtte indertijd het paleis in en het geheel maakt werkelijk een grootschen indruk. Het is duidelijk, [269]dat de sultans van Koetei behooren tot de zeer rijken onder de inlandsche gebieders en ook de landschapskas van Koetei is zeer rijk, hetgeen ieder toeschouwer opvalt, die de overal keurig uitgevoerde landswerken opmerkt. De andere landschapskassen verkeeren in veel slechtere conditie, zoodat eenige jaren geleden besloten werd deze te vereenigen tot n geheel, waardoor de kleinere konden profiteeren van de zooveel rijkere kas van Koetei, zeer tegen den zin van den sultan van Boeloengan, welke meende in zijne rechten te zijn te kort gedaan en vreesde door dezen maatregel onder den invloed van Koetei te zullen geraken. Zoodra echter de kleinere landschappen in staat zullen zijn zich zelf te bedruipen, zal men weer tot den ouden toestand terugkeeren.

De sultans van Koetei zijn van boegineesche afkomst: de fabelachtige oorsprong en de genealogie van het vorstenhuis zijn beschreven in een handschrift, de Salasila van Koetei. De vorsten van dit land behooren tot onze trouwe bondgenooten: vooral de vroegere sultan Soleiman (afb. 62) was een intelligent vorst, die op alle wijzen de ontwikkeling van zijn rijk trachtte te bevorderen, de slavernij afschafte en zelf voorging met alle slaven der vorstelijke familie vrij te laten en voorschriften gaf tegen het willekeurig vorderen van heerendiensten. Hij was het, die zijne zoons Adil—den lateren sultan—Pangeran Mangkoe en Pangeran Sosro met hunne echtgenooten naar Nederland zond om hen met de westersche beschaving in aanraking te doen komen. Een korten tijd vertoefden zij aan het hof van koningin Victoria van Engeland. [270]

Na een lang regentschap na den dood van sultan Adil van Pangeran Mangkoe, broeder van den sultan en eerste rijksgroote, een zeer flink en voortvarend man, heeft in November 1920 Mohamad Perkĕsid, een der zoons van sultan Adil, een nog jeugdig man, den troon van Koetei beklommen.

In den laatsten tijd trekt Koetei hoe langer hoe meer de aandacht van europeesche ondernemers, welke de sultans zeer geneigd zijn tegemoet te komen. Zoo zijn naast de oliewinning de steenkolen van eenig belang, welke door de Oost-Borneo Maatschappij in een hoeveelheid van 8000 9000 ton ’s jaars worden gewonnen. Ook Pangeran Mangkoe—boven reeds genoemd—heeft meerdere mijnen. De terreinen worden o.a. gevonden bij Tenggaron, Moeara Djawa, Pelarang en Batoe Panggal en de kolen schijnen van betere kwaliteit te worden, naarmate men verder het binnenland in komt. Benedenstrooms weer dezelfde klacht, dat ze van te jonge formatie zijn. Veel heeft overigens de exploitatie nog niet te beteekenen, hoewel het voor het gebruik ter plaatse van heel veel nut is.

Thans zetten we onzen tocht langs de Oostkust weer voort en na Telok Seliman, waar eene vestiging is van de N.I. Houtaankap Mij., te hebben aangedaan, zetten we koers naar Tandjong Redeb aan de samenvloeiing van de Segah of Makam en de Kelai, de standplaats van den controleur van Beraoe. Op den rechteroever der Makam bevindt zich de bestuursvestiging; daartegenover op den linkeroever woont de sultan van Goenoeng Taboer, terwijl [271]op den rechteroever der Kelai de sultan van Sembalioeng zijn zetel heeft. De laatste is heerscher over het stroomgebied van de Kelai, de eerste over dat der Makam; benedenstrooms van de samenvloeiing van de beide stroomen draagt de rivier den naam van Beraoerivier.

Niet ver van Tandjong Redeb liggen de kolenmijnen van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij, eertijds eene concessie van den in deze gebieden welbekenden heer Cools en later door de maatschappij overgenomen. Thans staat het bedrijf onder leiding van een ingenieur, terwijl op het terrein ongeveer een 400 koelies een bestaan vinden. Ook hier moeten de kolen van jonge formatie zijn.

Evenals Beraoe heeft Boeloengan, het volgende en tevens eindstation voor de Singapore-booten, uitvoer van boschproducten. Het ligt aan de Kajan of Boeloenganrivier, wier stroomgebied zich achter dat van de Beraoe ombuigt en grenst aan dat van de Mahakam. Ze ontspringt op het Bawoeigebergte in Centraal-Borneo en stroomt na vele kronkelingen en wendingen door eene uitgebreide delta in zee.

Tot de monding van de Pangian zou de Kajan wel voor kleine hekwielers bevaarbaar zijn, onmiddellijk daarboven vindt men de zeer moeilijke versnelling, de Giram Raja.

In den middenloop van de rivier heeft men de geweldigste aller stroomversnellingen van Borneo, de Bĕm Brĕm, een onbevaarbaar riviergedeelte van 19 K.M. lang ongeveer (zie afb. 9 en 32).

Voor deze gebieden heeft de dajak een zekere [272]vrees. Toen ik mij in 1917 in Apo Kajan bevond, had ik een oogenblik het plan opgevat de Kajan af te zakken, maar toen de dajaks dit bemerkten, had ik groote moeite roeiers daarvoor te krijgen, omdat ze dan langs de beruchte versnellingen moesten. In 1909 werden deze gebieden het eerst bezocht door den toenmaligen kapitein Merens; deze officier had te adviseeren of deze geweldige watermassa’s bevaarbaar te maken waren in verband met den opvoer van vivres naar Apo Kajan, welke gingen en nog steeds gaan langs de moeilijke en gevaarlijke Mahakamrivier. Hoe het ook zij, langs alle wegen is de opvoer naar Apo Kajan vol bezwaren, maar toch is mijns inziens de Kajan de aangewezen weg naar dit centrale gedeelte van Borneo. Ook de Bahau-Poedjoengan en Mentarang-Lepo Maoet-Poedjoenganwegen zijn slecht, maar het slechtst is wel de sedert 20 jaar gebruikte weg langs de Mahakam. Thans heeft men dan ook eindelijk het plan opgevat den Kajanweg te volgen en is—naar ik vernam—sedert geruimen tijd de onderluitenant Versluis bezig een trac langs de Bĕm Brĕm te zoeken en zal eerlang deze weg gevolgd worden, hetgeen eene opleving van Tandjong Seilor zal beteekenen, maar waardoor Long Iram waarschijnlijk ten doode zal zijn opgeschreven.

In 1918 bezocht ik met den ingenieur Van Eelde de Bĕm Brĕm. Men had het plan opgevat de geweldige waterkracht van deze versnellingen te exploiteeren ten behoeve van fabrieken, die aan het strand zouden worden opgericht. Het onderzoek bracht aan het licht, [273]dat de kosten ten opzichte van de baten echter te groot zouden worden—de afstand naar de kust is ongeveer 180 K.M.—zoodat van de grootsch opgezette plannen wel niets zal komen.

Tandjong Seilor is een klein plaatsje van 1500 zielen ongeveer met eene gemengde bevolking van bandjareezen, chineezen, arabieren en boegineezen; deze laatsten onder hun op de oostkust van Borneo welbekend hoofd Kapitan Daeng. De standplaats van den controleur ligt op den rechteroever van de Kajan, op een landtong, gevormd door deze rivier en de soengei Seilor. Aan de overzijde ligt Tandjong Palas, de verblijfplaats van den sultan van Boeloengan, Maulana Sulthan Mahamad Kasin Aldin (afb. 22), welke reeds sedert 1902 het bestuur in handen heeft als opvolger van zijn vader Mohamad Alimoedin. De tegenwoordige sultan is een beschaafd man, die echter, als echt oostersch vorst, zich weinig om het bestuur van zijn land bekommert, tenzij het gaat om financieele aangelegenheden. Hij wordt bijgestaan door twee rijksgrooten—de sultan spreekt wel van zijn ministers—Datoe Mansoer (afb. 23) en Datoe Adji Koening, welke eerste vooral uitsteekt in geslepenheid en welke uitnemend de kunst verstaat aan zijn heer die adviezen te geven, welke tot zijn eigen voordeel strekken. De sultansfamilie behoort tot de oorspronkelijke dajaksche bevolking, maar ging ongeveer 60 70 jaar geleden tot den islam over.

De beneden Kajan wordt bewoond door eene bevolking van ongeveer 2000 zielen, welke gemeenlijk wordt samengevat onder den verzamelnaam [274]“segai”, maar welke eigenlijk bestaat uit verschillende dajakstammen. Mij komt het voor, dat segai meer eene algemeene naam is om het onderscheid te kennen te geven tusschen de dajaks (segai is lendendoek) en de maleiers (orang awak, broekdragers), dus binnenlanders tegenover kustbewoners. De bevolking hier bestaat voor het grootste gedeelte uit dajaks, die oorspronkelijk de diepe binnenlanden bewoonden, maar om verschillende redenen naar beneden zijn komen afzakken. Zoo wonen hier verschillende Kenjastammen uit Apo Kajan, welke waarschijnlijk niet langer dan een 30 jaar geleden naar beneden zijn gekomen. De voornaamste is wel de krachtige Ma Koelit-Kenjastam, welke de kampongs Long Pelban, Long Ledjoe en Long Isau bewoont. Daarnaast nog enkele andere, o.a. enkele Kajans in de kampong Boesang Badang. Afb. 21 geeft ons een dergelijk Kajantype te zien. Misschien behooren de Gaai en Melarans in de kampongs Mara, Keboerau en Long Noenoek nog tot de meest oorspronkelijke. De vorsten van deze kampongs zijn het dan ook, die aanspraak op oude rechten doen gelden en veelal de andere stammen bij het zoeken naar goede bouwgronden dwarsboomen, omdat zij beweren heer en meester daarover te zijn, zelfs tegen de rechten van den sultan in. Den loop der tijden door heeft dat steeds moeilijkheden veroorzaakt. Oorspronkelijk woonden deze stammen meer benedenstrooms, maar later hebben zij zich meer en meer aan den invloed van de sultans van Boeloengan onttrokken en zijn meer bovenstrooms gaan wonen. De sultans waren toen niet bij machte hen dit [275]te beletten, al konden zij hun wel allerlei moeilijkheden in den weg leggen, b.v. door den opvoer van opium te beletten, waaraan sommige hoofden indertijd ten zeerste verslaafd waren. Zoo trachtte de sultan door allerlei kuiperijen hoofden aangesteld te krijgen, van wie hij wist dat hij ze naar zijn hand kon zetten. Zoo werd indertijd de jonge si Bandar, het eigenlijk erfelijk hoofd der Melarans en Gaai in de benedenstreken, met schoone beloften naar het paleis te Tandjong Palas gelokt om hem geheel onder den invloed van den sultan en zijn omgeving te brengen, hetgeen weer verzet van andere hoofden, Lig Pay en Anji Lohong, uitlokte. Het gouvernement greep in 1906 in, met dat gevolg, dat rust en orde wederkeerden.

Waar de Pangian in de Kajan uitmondt, ligt de bestuursvestiging Pangian, de standplaats van een inlandschen posthouder. Vroeger had deze post wel eenige beteekenis, maar thans, nu de aanrakingen met de binnenlanden zooveel veelvuldiger zijn en zelfs in Poedjoengan een posthouder is aangesteld, is deze vestiging van weinig waarde en zal ze vermoedelijk wel eens worden ingetrokken.

In Pangian hebben zich enkele boegineezen, chineezen e.a. gevestigd; ze zijn handelaren, opkoopers van rotan, gĕtah, was en vogelnestjes; zij trekken de kampongs rond om hun waren op te koopen of trekken ook wel zelf het bosch in.

Dit zoeken van boschproducten was in vroeger tijden bijna uitsluitend het middel van bestaan der maleische bevolking in Beraoe en Boeloengan; eerst later ging men zich meer op landbouw [276]toeleggen. Door de sultans werd de landbouw niet aangemoedigd; door handel in boschproducten verdienden zij meer, niet alleen het uitvoerrecht, doch ook het invoerrecht werd geheven voor bijna alle ingevoerde artikelen. Het mes sneed dus van twee kanten. Of dit al of niet in het belang der bevolking was, daarover bekommerden zij zich weinig. Ook de sultans zelf dreven handel en lieten voor eigen rekening, meestal door hun slaven, boschproducten zoeken.

Behoudens het betalen van 10% van het product aan den sultan was het verzamelen van boschproducten vrij. Dit was echter alleen in naam; niemand toch ging alleen het bosch in, men was wegens de onveiligheid genoodzaakt zich in troepen te vereenigen. Daar de expeditie dikwijls vijf zes maanden duurde, moest men een groote hoeveelheid levensmiddelen medenemen en de handelaren, voornamelijk chineezen en arabieren, wilden wel voorschotten verstrekken aan n persoon, het hoofd van den tocht, doch weigerden met elk der leden afzonderlijk in relatie te treden. Ook thans nog geschiedt dit aldus en talloos zijn de schuld- en andere zaken, welke de bestuursambtenaren hierbij tot een oplossing hebben te brengen, moeilijk vooral, doordat alles maar zonder eenig bewijs wordt afgegeven en ten slotte de zaken maar moeten worden afgedaan op eenige vodjes papier, waarop de chinees of arabier kan krabbelen, wat hij wil. Dat deze heeren er geen schade bij hebben—al komt zelfs een groot gedeelte van de schulden niet binnen—behoeft geen betoog.

De verschillende leden van zoo’n tocht kwamen er bijna altijd slecht af. Leverde de tocht voordeel [277]op, dan wist het hoofd van het gezelschap er wel voor te zorgen, dat hem het leeuwenaandeel werd toegekend en mislukte de tocht, dan kwamen de leden bij het hoofd in de schuld, daar deze aansprakelijk bleef voor de gemaakte schulden bij chinees of arabier.

Deze toestand werd nog verergerd, doordat in de bosschen gedurende den tocht zwaar gedobbeld werd, bij welke gelegenheid het bendehoofd als geldschieter fungeerde. De menschen moesten dan bij dit hoofd blijven en hem op een nieuwen tocht vergezellen. De sultans wilden de hoofden te vriend houden en gaven hun dikwijls een stuk grond—wij zouden in onze middeleeuwen zeggen, dat ze dit in leen kregen—waar ze zich met hun volk konden neerzetten. Later kregen zij van de sultans bij gelegenheid van huwelijks- of andere plechtige feesten titels en traden geheel als dorpshoofden op.

Velen van hen kregen ook soengei’s of rivieren en terreinen waar zij met hun volk de gĕtah en rotan mochten halen. Zoo ontstonden vele van de poesaka-soengei’s en apanage-terreinen, welke vrij waren van het opbrengen van elke belasting. In Boeloengan waren de meesten dezer apanages reeds door den sultan ingetrokken, maar Datoe Mansoer had als zoodanig nog een rijk gebied aan de Salimbatoerivier, hetwelk hem door den vader van den tegenwoordigen sultan was geschonken. Hierover was reeds meerdere malen kwestie ontstaan en meestal werd dit recht door de bestuursambtenaren ter plaatse niet erkend. Zoo maakte een van hen—het is al een jaar of tien geleden—aan de bevolking [278]bekend, dat dit recht niet bestond en gaf haar toestemming vrijelijk boschproducten daaruit te halen, waaraan ook onmiddellijk gevolg werd gegeven, temeer daar het een rijk gebied was, waar in jaren niets uit gehaald was. Het gevolg was, dat Datoe Mansoer een klacht bij de Indische regeering indiende en eene schadevergoeding van 100000 gulden vroeg. Deze kwestie is jaren en jaren blijven hangen, totdat hieraan na lang wikken en wegen een einde kwam en ik Datoe Mansoer kon tevredenstellen met een som van 20000 gulden. En hiermede was dan tevens het laatste der terreinen van dien aard verdwenen.

We zagen reeds hoe hopeloos de bewoners bij hun hoofden in de schuld geraakten en het was bijna ondoenlijk deze ooit af te doen. Trouwens de hoofden zouden dit ook niet gaarne gezien hebben; ze namen er genoegen mee als de menschen van hen afhankelijk bleven, in hun kampongs bleven wonen en daardoor niet weinig hun aanzien vermeerderden. Dit vermomde pandelingschap zal dan ook wel blijven bestaan, zoolang nog troepen boschproductenzoekers het bosch ingaan. Verbetering zal eerst mogelijk zijn, wanneer de bevolking zich meer intensief op den landbouw gaat toeleggen; eerst dan kan hij zelfstandig worden; maar nog steeds is het grootste gedeelte van de maleische bevolking er aan gewend een gedeelte van het jaar in de bosschen te vertoeven, daar veel ontberingen te lijden, doch dan bij thuiskomst niets meer uit te voeren en het verdiende te verteren. Is alles op en heeft men zooveel schulden gemaakt, dat men het niet [279]meer houden kan en onaangenaam door crediteuren wordt lastig gevallen, dan trekt men het bosch weer in. Het zorgen voor de ladangs geschiedt door de vrouwen en kinderen, alleen bij het zware werk als boschkappen en branden helpen de mannen. En toch zou dit voor den boeloenganees de eenige manier zijn om zich vrij te maken; ook de sawah vereischt voor hem veel te veel werk. Op enkele plaatsen, waar de velden wat intensiever worden bewerkt, geschiedt dit door bandjareezen of andere vreemdelingen, die zich eerst in later jaren zijn komen vestigen.

Zoo schreef controleur van Walchren jaren geleden en nog steeds is dit van kracht.

We zagen reeds, dat de inlander onder het vroegere sultansregime heel wat had op te brengen: we noemden reeds de invoerrechten op ingevoerde artikelen en 10% van de uit te voeren boschproducten, dat aan den sultan geofferd moest worden. Om de bosschen in te trekken, moest men voorzien zijn van een pas, welke idem zooveel kostte; verder hadden alle dajaksche en later ook de tidoengsche gezinnen, d.w.z. de onderworpen volken dus, de z.g. boes op te brengen, eene heffing in geld of natura ter waarde van 5 gulden, welke door de dajaksche hoofden en vertegenwoordigers van den sultan werden gend en geheel ten bate kwam van den sultan. Ten slotte had men dan nog de z.g. “poeloehan”, (d.i. 1⁄10 gedeelte), waarbij de boeloenganees een tiende gedeelte van de geoogste rijst aan den sultan afstond. Het is te begrijpen, dat de bevolking dit niet altijd met genoegen deed en dit waren dan nog alleen maar [280]de officieele; de heimelijke knoeierijen om den inlander af te zetten had men buitendien nog. In haat tegen belastingen behoeft de inlander dan ook niet voor den europeaan onder te doen.

Even bovenstrooms van Pangian treft men de kiham Raja aan, welke vroeger zeer gevaarlijk was, maar thans beter te bevaren is, nadat men in 1910 groote en gevaarlijke gedeelten met dynamiet heeft laten springen. Deze kiham bestaat uit een geheele reeks stroomversnellingen, welke bij de dajaks verschillende namen dragen. De rivier breekt hier door het zandsteengebergte heen en is afwisselend zeer breed en zeer versmald, terwijl de bedding met rotsblokken bezaaid is. Ook de oevers bestaan uit groote, op elkaar gestapelde rotsblokken, hetgeen het naar boven gaan zeer lastig maakt, daar de boothaken hier geen steunpunt vinden en men de prauwen dus niet op de gewone wijze vooruit kan trekken. Bij laag water zijn de moeilijkheden echter niet heel groot, maar bij bandjir is het geheel onmogelijk deze stroomversnellingen en watervallen te passeeren. Beneden de kiham Raja kan men zeggen, dat de benedenloop der Kajan begint, terwijl als middenloop der rivier te beschouwen is het gedeelte tusschen de Kiham Raja en de Bĕm Brĕm.

Voor de monding van de Kajan ligt het eiland Tarakan, waar olie wordt gewonnen. Deze is zeer zwaar, bevat bijna geen lichtpetroleum en is tot nog toe alleen als brandstof—residu, liquid fuel—gebruikt; ook die uit de boven niveaux der Koeteiterreinen is arm aan kerosine, die uit het benedenniveau is daaraan rijker en [281]bevat ook vrij veel parafine. De aangeboorde olie loopt bij voldoenden gasdruk vanzelf uit het boorgat of wordt daaruit kunstmatig—volgens verschillende boorsystemen—aan de oppervlakte gebracht. De uitvloeiende olie is dikwijls met meer of minder—meest zout—water vermengd, terwijl ook niet zelden slijk en andere verontreinigingen worden medegevoerd. Zie afb. 70, waar we een plotseling uitgebroken spuiter zien afgebeeld. Is dit het geval, dan wordt daarop, met groote moeite dikwijls een z.g. “klok” aangebracht, een dikke, van boven gesloten buis, welke bewerkstelligt, dat de opgespoten olie langs de wanden naar beneden valt, waarna deze wordt verzameld in groote bakken met aarden wallen en vervolgens wordt gevoerd naar tanks om daar eenigen tijd met rust gelaten te worden ter bezinking van alle niet olieachtige stoffen; daarna wordt zij naar de raffinaderijen gebracht, meestal met behulp van sterke pompen door pijpleidingen. Door distillatie en verdere bewerkingen worden in die fabrieken uit het ruwe product gewonnen: benzine, kerosine (licht-olie), motor-olie (zware olie), machineolin, parafine, asfalt en residu.

De koninklijke maatschappij tot exploitatie van aardoliebronnen in Nederlandsch-Indi, kortweg de “Koninklijke” genoemd, werd in 1890 opgericht met een kapitaal van ƒ1.300.000, terwijl de Dortsche Petroleummaatschappij, begonnen in 1887, in 1889 haar eerste olie leverde. Men kan zich thans niet voorstellen, dat de thans zoo machtige wereldlichamen, in den beginne zoovele moeilijkheden hebben ondervonden, maar [282]dat door het werk van enkele groote mannen de maatschappijen geworden zijn tot wat ze thans zijn. De groote man voor Borneo was J. H. Menten, die in 1889 met den sultan van Koetei eene overeenkomst sloot, waarin hem concessie werd verleend voor de winning van petroleum op een terrein aan de Sanga-Sangarivier in de buurt van Samarinda, de concessie “Louise”, welke in 1891 door de regeering werd goedgekeurd en in 1899 overging op de nederlandsche industrie- en handelmaatschappij te Amsterdam. Naast deze concessie had men nog de Koetei- en de Tarakan-exploitatiemaatschappijen, deze laatste oorspronkelijk van den Schot Cameron, welke echter later een royalty-contract sloten met de hoofdmaatschappijen. Ten slotte had de heer Menten nog eene concessie rondom de Balikpapanbaai.

Dat de opbrengst aan aardolie op Borneo van belang is, moge blijken uit het cijfer voor 1913, dat 756000 ton bedroeg of bijna de helft van alle aardolie uit den archipel, welke behalve op Borneo, nog gewonnen wordt op Java, Sumatra en—hoewel in geringe mate—op Ceram.

Ten noorden van de Kajan heeft men de prachtige, breede Sesajaprivier, welke ontstaat uit de samenvloeiing van drie op het centraalgebergte van Borneo ontspringende bergstroomen, nl. de Mentarang, Toeboe en Melinau. Benedenstrooms draagt ze den naam van Sesajap, tot welk punt deze rivier voor groote schepen bevaarbaar is, al kost dit soms bij bandjir groote moeite. De rivier is over het algemeen zeer breed en diep en gemakkelijk te bevaren. Aan [283]de monding is ze meer dan een zeemijl breed, welke geleidelijk afneemt, terwijl de diepte afwisselt van 3 tot 9 vadem. De Sesajapdelta bestaat uit een aantal groote en kleine eilanden, waartusschen de rivier in 3 mondingen uitmondt, welke alle voor zeeschepen bevaarbaar zijn. Het is jammer, dat in deze afgelegen gebieden niet meer handel en vertier zijn; de scheepvaart zou hier geene moeilijkheden ondervinden en hout o.a. zou er in groote hoeveelheden te vinden zijn.

Ook de Sembakoengrivier is voor zeeschepen te bevaren en voldoende breed en diep om over een lengte van 45 zeemijlen tot aan de Soengei Tagoel bevaren te worden. Plaatselijke bekendheid is hier echter een vereischte.

De Sembakoengrivier ontspringt op engelsch gebied; de hoofdrivier ontstaat uit de samensmelting van de Soengei Sedalir en Pensiangan. Deze laatste voer ik eens op om met den engelschen bestuursambtenaar op de grens van ons gebied, te Semendapi, besprekingen te houden. De tocht daarheen duurde eenige weken, doordat de rivier vele stroomversnellingen telt, waaronder enkele zeer gevaarlijke. Op de grens van het nederlandsche en het engelsche gebied ligt nog de Simenggaris, eene rivier, welke van weinig belang is. Deze grens loopt verder dwars over het eiland Sebatik, dat aldus in een hollandsch en engelsch gedeelte wordt gescheiden. Op het engelsche gedeelte bevindt zich het bekende kolenstation.

We zagen reeds, hoe het grootste gedeelte van Oost-Borneo wordt ingenomen door zelfbesturende [284]gebieden, onder welke dat van Koetei wel het voornaamste is. Daar er groote verschillen bestaan tusschen rechtstreeks bestuurde of gouvernementsgebieden en zelfbesturen, is het hier wellicht de plaats in het kort daarover iets in het midden te brengen. In de eerste worden de overheidsfuncties uitsluitend uitgeoefend door of namens het gouvernement, terwijl de bestuursambtenaren ieder in hun ressort verantwoordelijk zijn voor den loop van zaken; in het zelfbestuursgebied daarentegen worden de overheidsfuncties slechts gedeeltelijk door het gouvernement uitgeoefend, hoofdzakelijk echter door inlandsche vorsten met hun rijksgrooten, zooals op Borneo het geval is. Voor den bestuursambtenaar maakt dat een groot verschil. Is deze in gouvernementsgebieden degene, die alles regelt namens het gouvernement, in zelfbestuursgebieden is hij als het ware de adviseur van den inlandschen vorst. De sultan is eigenlijk degene, die besluiten uitvaardigt, regelingen treft, al is dit dan ook met medeweten en goedvinden van de europeesche bestuursambtenaren. Dit is volgens de officieele bepalingen, maar in de practijk zien we dikwijls anders; meermalen toch is de bestuursambtenaar degene, die ook hier regelend optreedt, den sultan besluiten ter teekening voorlegt, hetgeen deze meestal goedvindt, wat zijn grond vindt in den natuurlijken afkeer van inlandsche vorsten hun landschapsaangelegenheden zelven te regelen, maar tevens ook in het feit, dat toen het gouvernement zich met de landschapszaken ging bemoeien, er in korten tijd zooveel moest gedaan worden, waar de zelfbesturen niet het [285]flauwste begrip van hadden, dat men er wel toe moest komen de eerste regelingen zelf te ontwerpen om aldus een begin te maken met de reiniging van den Augiasstal, primitieve wantoestanden en verouderde begrippen. Toch schijnt het wel degelijk in de bedoeling van de Regeering te liggen de zelfbesturen te handhaven, hetgeen reeds in het “Beginselprogramma” van den Gouverneur-Generaal van Heutsz werd vastgelegd en later meermalen werd bevestigd.

De verhouding tusschen Nederland en de zelfbesturende rijken heeft in eene lange historische ontwikkeling allerlei vormen aangenomen. De Oost-Indische Compagnie had oorspronkelijk slechts den handel ten doel en sloot overeenkomsten met inlandsche vorsten om zich het monopolie te verzekeren; zij stonden tegenover elkaar als gelijkgerechtigde internationale machten. Later zijn verhoudingen gevolgd van engere verbondenheid, doordat de Compagnie dikwijls gedwongen was gewapend op te treden om haar verkregen rechten te handhaven. In deze periode bleven dus de inlandsche rijken nog als vrij bestaan. Sinds het begin der twintigste eeuw kwam ook hier wederom verandering in, toen in verband met de expansiepolitiek dier jaren de laatste inlandsche rijken hun internationaal bestaan verloren. In alle thans geldende contracten en verklaringen is door de zelfbesturen uitdrukkelijk verklaard dat hun landschap behoort tot het grondgebied van Nederlandsch-Indi en dat zij mitsdien Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, vertegenwoordigd door den G.-G. als wettige gebiedster erkennen. Thans [286]zijn dus beide niet meer “gelijkwaardige” partijen; het gebied der inlandsche vorsten werd indirect ons gebied, hun onderdanen werden indirect onze onderdanen, waaruit wel blijkt, dat de zelfbesturen een hoogst eigenaardige positie innemen, wat in de practijk dan ook dikwijls aanleiding tot moeilijkheden geeft. Zoo was er meermalen verschil van opvatting tusschen de gouvernementsambtenaren en den sultan van Boeloengan, en het valt niet te ontkennen, dat er in de buitengewesten herhaaldelijk met ruwe hand in de inheemsche zelfbestuursorganisatie is ingegrepen en de “bureauheeren” regelingen uitdachten om eene inrichting te verkrijgen, die bij onze opvattingen paste.

Ook de persoon van den zelfbestuurder was niet vrij. Toen de sultan van Boeloengan eenige jaren geleden den wensch te kennen gaf een reis naar Holland te willen maken, werd dit niet goed gevonden. Mij is het nooit duidelijk geworden, waarom dit niet kon worden toegestaan, temeer daar in de tijdelijke vervanging zeer goed voorzien had kunnen worden. Zoo zijn er in de practijk vele moeilijkheden voor den bestuursambtenaar, welke vermoedelijk hun grond vinden in het feit, dat er neiging bestaat teveel de uniformiteit te betrachten, hetgeen wel gemakkelijk is, maar waarmede de practische belangen niet altijd gebaat zijn.

Onze verhouding met de zelfbesturen berust op contracten en verklaringen met dien verstande, dat zij met de beginselen, in gouvernementsregelingen vervat, rekening hebben te houden. Hierdoor wordt voorkomen, dat de [287]zelfbesturen een staat in den staat zouden vormen.

In de contracten werden verschillende bepalingen vastgesteld, welke de zelfbestuurders beloofden stipt en getrouwelijk te zullen nakomen; zoo hadden zij het welzijn des volks te bevorderen, den landbouw, de nijverheid, den handel en de scheepvaart te beschermen; bepalingen betreffende concessies van landbouw of mijnontginning, in- en uitvoerrechten, belasting, politiezorg en rechtspraak waren opgenomen; menschenroof en slavenhandel mochten niet geduld worden, zeeroof moest worden tegengegaan, terwijl het volksonderwijs krachtdadig ondersteund moest worden.

Het is niet te verwonderen, dat vele zelfbestuurders in primitieve gebieden—sommige bepalingen stonden reeds jaren geleden in de oude contracten—niet in staat bleken, dit alles op te volgen en er in de practijk van hun regelingen dikwijls niet veel terecht kwam.

Nog een belangrijke bepaling was die betreffende de geldmiddelen. Den zelfbestuurders moest de idee worden bijgebracht, dat het landschap er niet was voor hun persoonlijk welzijn, maar dat de gemeenschap recht had op de opbrengst van belastingen, natuurlijke hulpbronnen enz. Alle landschapsinkomsten werden nu vereenigd in een landschapskas, waaruit alle landsuitgaven worden gedaan volgens eene begrooting en waarin ook de inkomsten van den bestuurder worden vastgesteld.

Ruim opgevat kan onze zelfbestuurpolitiek gunstig werken, maar het tempo moet men niet te vlug willen nemen; zoolang de zelfbestuurders[288]—zooals in Borneo grootendeels—nog menschen zijn, die niet lezen of schrijven kunnen, noch ooit eenige bestuursopleiding, hoe gering ook, genoten hebben, moet men niet te veel in eens van hen verwachten, maar langzamerhand de toestanden trachten te verbeteren en vooral hen niet met te veel regelingen lastig vallen, daar ze toch al zoo veel te lijden hebben van aldoor wisselende bestuursambtenaren met aldoor wisselende inzichten. Eenige duidelijke bepalingen dienen te worden gegeven, waarover geen enkele bestuursambtenaar in het duister kan verkeeren, zoodat men niet de zelfbestuurders noodeloos voor het hoofd behoeft te stooten, wat in de practijk nog wel eens schijnt voor te komen.

Onze aanrakingen met Borneo’s Oostkust zijn van vrij recenten datum. Wel bezocht reeds in 1635 eene nederlandsche vloot onder kapitein Pool Koetei en werden ook later, vooral door tusschenkomst van Bandjermasin, van tijd tot tijd van onzen kant betrekkingen met dat rijk onderhouden; maar toch werd eerst in 1825 een ernstige poging aangewend om deze duurzaam te maken, toen Georg Mller naar de Oostkust van Borneo werd gezonden en o.a. ook met Koetei een overeenkomst sloot, waarbij eene nederlandsche vestiging aldaar werd toegestaan. Mller echter werd op reis naar de Westkust vermoord, zoodat zijn komst te Koetei zonder gevolg bleef. Een mislukte poging van een Engelschman, Murray, om zich in 1843 te Koetei te vestigen, leidde eerst tot eene nederlandsche expeditie naar Koetei en daarna tot [289]het sluiten van eene overeenkomst met den sultan—in 1844—waarbij de souvereiniteit van Nederland werd erkend. In 1846 werd de eerste assistent-resident te Koetei aangesteld, Van Dewall, die groote reizen in deze gebieden ondernam, welke van beteekenis waren voor onze kennis van Oost-Borneo. Nieuwe overeenkomsten werden later nog gesloten en de sultans van Koetei bleven later tot onze trouwe vazallen behooren.

De tweede helft der 19de eeuw kenmerkte zich door weinig leven en onderzoek. Wel deed in 1880 Carl Bock groote reizen, maar het zou tot omstreeks 1900 duren, voordat deze gebieden werden opengelegd. Dit tijdperk werd ingeluid door de groote reizen van prof. Nieuwenhuis in het Mahakam en Apo Kajangebied, later voortgezet door mannen als Van Walchren, Palm, Spaan, Tehupeiory e.a.

In de noordelijker gebieden zijn de regelingen van nog recenter datum. In 1881 en 1882 had men hier slechts rondreizende controleurs, wier ressort zich uitstrekte over het tegenwoordige Beraoe en Boeloengan en het gedeelte van Britsch Noord-Borneo tot aan de Batoe Tinagat en de Tawaorivier, dat toen nog tot ons gebied behoorde. De standplaats van dien bestuursambtenaar was toen Tawao, waar thans een engelsch resident zetelt. Eenige jaren geleden bezocht ik daar de graven van hollanders, die daar waren gestorven. In 1889 werd bepaald dat Tandjong Seilor de standplaats van den controleur zou zijn, terwijl in Tawao een inlandsch posthouder werd geplaatst, totdat de grensregeling van 1891 [290]bij de overeenkomst van Londen de toestand wederom veranderde en een gedeelte van ons gebied aan de engelschen kwam, eene regeling, waarbij de sultan zich heden ten dage nog moeilijk kan neerleggen. In 1912 werd de grens door eene commissie onder Van Genderen Stort nader bepaald.

In 1898 werden Beraoe en Boeloengan gescheiden en werden ze ieder zelfstandige onderafdeelingen, zooals ook thans nog het geval is.2 We zagen reeds, hoe weinig bekend deze noordelijke gebieden nog zijn en dat eigenlijk eerst de laatste jaren eenig licht hierover is verspreid door mannen als Van Genderen Stort, Posthumus en Sitsen.

De beteekenis voor de wereldeconomie van Borneo in het algemeen en Oost-Borneo in het bijzonder is, vergeleken bij die van Java of Sumatra, nog niet groot. Het ontstaan van de petroleumindustrie heeft daarin echter groote verandering gebracht. De grootste stijging in handel en scheepvaart dateert echter van de laatste decennin en Borneo schijnt een goede toekomst tegemoet te gaan. Deze uitgestrekte gebieden hebben echter behoefte aan kapitaal ter ontwikkeling van het verkeerswezen, mijnbouw, boschexploitatie en cultures. Stroomt dit in overvloed binnen en stelt het gouvernement zich op een ruim en open standpunt, dan zeker gaat Borneo eene periode van welvaart tegemoet. En de Barito in het zuiden, de Kapoeas in het westen en de Mahakam, Kajan en Sesajap in het oosten zullen de levenwekkende elementen zijn. [292]


1 Men leze Augusta de Wit: Natuur en Menschen in Indi

2 Zie noot blz. 85. 

[Inhoud]

De Vaderlandsche Boeken

DER MEULENHOFF-EDITIE

Rijk gellustreerd—Eenvoudig gebonden ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

ONS MOOI NEDERLAND

ONS MOOI INDI

In fraaie uitvoering, op het formaat waarin dit boek uitgegeven is, verscheen in de Meulenhoff-Editie een reeks van werken, alle gellustreerd naar natuuropnamen en naar de beste photographien, welke op

ONOVERTROFFEN WIJZE

in reproductie zijn weergegeven. In de eerste plaats zullen de Vaderlandsche Boeken der Meulenhoff-Editie gewijd zijn aan het mooie van ons eigen land en Nederlandsch-Indi. Zij willen waardeering wekken voor het vele mooie, dat Nederland en zijne Kolonin oplevert op elk gebied, zij brengen

ONS EIGEN MOOIE LAND EN INSULINDE

in WOORD en BEELD nader tot het Nederlandsche volk. Door de groote oplaag kan de uitgever bijna het onmogelijke voor dezen prijs bieden, maar … dan moet het publiek ook steunen. Wie n deeltje van de Vaderlandsche Boeken der Meulenhoff-Editie bezit, schaffe zich ook andere deeltjes aan; men komt zoo in het bezit van een

KOSTBARE BIBLIOTHEEK
VAN NATIONALE BOEKEN

voor weinig geld. [293]

DE VADERLANDSCHE BOEKEN DER MEULENHOFF-EDITIE

Tot heden verschenen de volgende rijk gellustr. werken:

No. 1. ONS MOOI NEDERLAND—GELDERLAND I door D. J. VAN DER VEN, 322 bladz.

met 86 afbeeldingen naar photograph. opnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

Een mooi boek, dat juist op tijd komt; immers we kunnen als een lichtzijde van den gruwelijken wereldoorlog boeken, dat de Hollanders door hem tot de ontdekking van menig schoon plekje binnen onze eigen grenzen zijn gekomen. De schrijver is een man van groote belezenheid en goeden smaak, die al de stroomingen in onze maatschappij volgt en zelfs helpt vormen en daardoor over allerlei weet te praten; journalistiek van de beste soort.

R. Schuiling in het “Tijdschr. v. Geschied., Land- en Volkenkunde”.

No. 2. HET WONDERE LEVEN DER PADDENSTOELEN door D. J. VAN DER VEN, 284 bladz.

met 82 afb. naar photograph. natuuropnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

Het bovengenoemde boek is wel geen phytopathologisch werk, maar het behandelt toch eene groep van organismen, waaronder er verscheiden zijn, die oorzaak van plantenziekten kunnen worden. Het bevat omtrent de paddenstoelen zeer veel lezenswaardigs, op een aangename manier voorgedragen, en een tachtigtal mooie platen. Wie belang stelt in de phytopathologie, zal er veel wetenswaardigs in lezen o.a. over de zwammen, die oorzaak zijn van de sterfte van boomen, over heksenbezems, moederkoren en andere plantenziekten; ook over de pogingen, die zijn aangewend om schadelijke insecten door middel van deze parasiteerende zwammen te dooden. Prof. Ritzema Bos in “Het Tijdschrift over Plantenziekten”.

No. 3. DE TORENS ZINGEN! Nederlandsche Torens en hunne Klokkenspelen door D. J. VAN DER VEN,

met 62 afb. naar photogr. opnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

De schrijver, die zijn taak ernstig heeft opgevat en van tal van Nederlandsche klokketorens afbeeldingen geeft, vertelt er op onderhoudende wijze van dit belangwekkende onderwerp. Hij heeft met zijn arbeid iets waarlijk nationaals verricht en verdient de belangstelling onzer Nederlandsche vrienden. “De Kampioen.

No. 4. BLOEMEN. Als onze wilde Planten vertellen konden van Volksgewoonten en Volksgeloof. Plantlore door D. J. VAN DER VEN, 263 bladz.

met 65 afb. naar photograph. natuuropnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

In de Meulenhoff-Editie verschijnen boeken, rijk en goed gellustreerd, die het voor velen een vreugde kan zijn te bezitten. Zij zijn geschreven door D. J. van der Ven, een man, die blijkbaar [294]vreugde heeft aan schoonheid en pozie, voor wien een bloem een levend wezen is, dat zijn geheimzinnig leven leidt onafhankelijk van der menschen woelen en werken, dat in en van dit leven geniet, en, de eeuwen door, van allerlei aan eenvoudige menschen te vertellen had. Van der Ven vertelt ons wat de klokken zingen en wat de steenen uitademen en wat de bloemen uitgeuren en uitkleuren en wat de paddenstoelen fluisteren en dat hij zoo verschillende taal verstaat, dankt hij aan kennis, maar bovenal en allermeest aan liefde. E. C. Knappert in “Leven en Werken”.

No. 5. WILDE DIEREN. Beschreven door Dr. H. W. HEINSIUS, naar het leven gephotogr. door AUG. F. W. VOGT. Onze eigen, zeldzaam mooie dierentuin “Artis” in woord en beeld weergegeven, 250 blz. met 65 photogr. natuuropnamen naar het leven

van de voornaamste wilde dieren in “Artis”. ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

In de Meulenhoff-Editie schrijft Dr. H. W. Heinsius op zeer onderhoudende wijze over wilde dieren. Het zijn populaire besprekingen, waarbij een groot aantal foto’s, alle naar de natuur genomen. Indien men bedenkt, dat de fotograaf soms uren lang moet zitten om den nooit rustenden leeuw en tijger voor de lens te krijgen, dan vraagt men zich af, hoe het mogelijk is, dat de uitgever dit werk voor zoo luttelen prijs kan beschikbaar stellen.

Haarlemsche Courant”.

No. 6. ONS MOOI NEDERLAND—DE GELDERSCHE ACHTERHOEK. (Gelderland, deel II) door D. J. VAN DER VEN, 250 bladz.

met 62 afb. naar photogr. opnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

De heer Van der Ven is een dichterlijk waarnemer, die van liefde voor de natuur blaakt en oog heeft voor het werkelijk mooie, dat landschap en menschenwerk in een streek aanbieden. Met dien schrijver een landschap doorwandelen is een waar genot.

Dr. H. Blink in “Vragen van den Dag”.

No. 7. VOGELLEVEN IN NEDERLAND door A. B. WIGMAN, 224 blz.

met 68 photographische natuuropnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

De tekst, boeiend en pakkend geschreven, is van een der eerste vogelkenners in Nederland. De illustraties zijn in n woord onovertrefbaar. “Nieuws van den Dag”.

Er is in de Meulenhoff-Editie een interessant deeltje verschenen over “Vogelleven” in Nederland.

Een groot aantal—68—prachtafbeeldingen naar photographische natuuropnamen doen het boekje te meer aantrekkelijk zijn. Maar de boeiende wijze, waarop de heer Wigman over Vogelleven vertelt, blijft hoofdzaak. Wie met het lezen van het boekje begint, zal het tot de laatste bladzijden lezen. “N. Arnh. Cour.[295]

No. 8. DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN door TH. MOLKENBOER, 224 blz.

met 81 afbeeldingen naar photographische natuuropnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

Een prachtnummer van de Meulenhoff-Editie! Een meesterwerkje, samengesteld door Th. Molkenboer! Naar ons oordeel mag dit boekje in de bibliotheek van den peddelaar, van den automobilist, van den tuftuffer, neen, in de bibliotheek van geen Nederlander, ontbreken. Alle afbeeldingen zijn bijzonder mooi en de tekst is leerrijk en onderhoudend. “De Revue der Sporten.

No. 9. ONS MOOI NEDERLAND—LIMBURG door D. J. VAN DER VEN en Dr. FELIX RUTTEN, 220 blz.

met 74 afb. naar photograph. opnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

De samenstellers toch hebben, naar het ons wil voorkomen juist datgene aangestipt, dat prikkelt tot mr weten voor hen, die eenig gevoel hebben voor al het schoone. Synthetisch is de lijn, die gevolgd wordt, geen specialiseering van een bepaald onderwerp: in breede zuivere trekken wordt ons de landschapsaard van Limburg geopenbaard, wordt al wat daar leeft, weer levend voor ons en het is dan dikwijls ook meer geworden tot een zingen van blijde Limburgsche geruchten die wijd over de grenzen van dit landsdeel zullen gaan klinken door gansch het land.

H. J. G. in “De Nieuwe Arnhemsche Courant”.

No. 10. ONS MOOI NEDERLAND—GELDERLAND III. De Veluwe door D. J. VAN DER VEN, 260 blz.

met 63 afb. naar photograph. opnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

Ik heb zelden met zooveel genoegen een boekje van Van der Ven aangekondigd. Hoe goed laat hij ons de Veluwe zien, hoe veelzijdig is zijn belangstelling, met hoe groote vlijt heeft hij zich gedocumenteerd. Ook voor de menschen heeft Van der Ven een open oog. Alleraardigst schetst hij het bedrijf van de eikenschillers uit Nunspeet en ook de kolenbranders krijgen hun beurt. Ik mag de bespreking van dit boekje niet eindigen zonder te gewagen van de voortreffelijke photo’s, waarmede het is versierd.

Jac. P. Thijsse in “De Amsterdammer”.

No. 11. KEN ONS LAND EN HEB HET LIEF door D. J. VAN DER VEN, 333 bladz. groot, met portret van den schrijver.

Eenvoudig geb ƒ 1,95
In prachtband met goud ƒ,, 2,60

Dit boek wil ons doen zien hoe mooi ons Nederland is: het wil opwekken om liefde tot ons land te kweeken, maar vooral wekt het op om het mooie in ons eigen land te bewaren en te beschermen. Een boek dat ieder Nederlander in bezit moet hebben.

Utrechtsch Dagblad”. [296]

No. 12. ONS MOOI NEDERLAND—UTRECHT door D. J. VAN DER VEN en J. D. C. VAN DOKKUM, 225 bladz.

met 70 afbeeldingen naar photographische natuuropnamen ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

Wederom een deeltje in de bekende “Ons mooie Nederland-serie” van D. J. van der Ven. Dit boekje, handelend over het oude Sticht, is een waar juweeltje. Beter medewerker dan den heer Van Dokkum had de redacteur wel niet kunnen kiezen. Gaarne bevelen wij dit bizonder mooi en rijk uitgevoerde boek aan.

Het Huisgezin”.

No. 13. ONS MOOI NEDERLAND—HET GOOI door D. J. VAN DER VEN en J. D. C. VAN DOKKUM, 256 bladz. 56 afb. naar photographische natuuropnamen,

eenvoudig geb ƒ 2,75
In prachtband met goud ƒ,, 3,40

Dat er nog veel moois in het hooge land op de heide is in de bosschen en aan het Zuiderzeestrand en het Naardermeer, daarvan getuigen niet alleen de platen, maar ook de beschrijving. Onberispelijk uitgevoerd, met tal van mooie fotografien. Een boek voor ieder om te bezitten. “Nieuws van den Dag”.

No. 14. ONS MOOI INDI—BATAVIA. OUD EN NIEUW, door J. F. L. DE BALBIAN VERSTER en M. C. KOOIJ VAN ZEGGELEN, 174 bladz. 64 afb. naar photographische opnamen,

eenvoudig gebonden ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

In twee deelen is dit boek gescheiden, de kunstige schrijvers geven een historie van Batavia, vlot geschreven zoodat men niet beseft hoeveel kennis en studie er achter zit zoo uitnemend is dit studiemateriaal beheerscht. Het boek is door een zeer groot aantal illustraties verlucht. “Haagsche Post.”

No. 15. ONS MOOI INDI—INSULINDE door EMIEL HULLEBROECK, 232 bladz. 48 afb. naar photogr. natuuropnamen,

eenvoudig geb. ƒ 2,60
In prachtband met goud ƒ,, 3,25

Het blijft een attractie den bekenden dichterzanger over onze Oost te hooren vertellen en is daarom het boek, dat een rijkdom van illustraties heeft, waaruit alleen men zich reeds een beeld van Insulinde kan vormen, lezenswaard. “Utr. Dagblad”.

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

 

Oorspronkelijke achterkant.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op www.pgdp.net.

Metadata

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

De verwijzingen naar afbeeldingen zijn aangepast. In het boek waren de oorspronkelijke nummers een te hoog. De afbeelding op de omslag, waarnaar wordt verwezen, is niet beschikbaar in het gebruikte exemplaar.

Documentgeschiedenis

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
n.v.t. . [Verwijderd] 1
8, 20, 28, 31, 296 [Niet in bron] . 1
61, 62 , (rechts) [Verwijderd] 10
62, 63 , (links) [Verwijderd] 9
Passim. en n 1 / 0
79, 175, 212 , [Verwijderd] 1
81 blanjet blanjĕt 1 / 0
96, 125, 143, 177, 188, 219, 233, 243 zo z 1 / 0
102 20 19 2
102 21 20 1
104, 176, 181, 181, 187, 246, 259 vor vr 1 / 0
109 allen alln 1 / 0
109 raaktocht wraaktocht 1
111, 176, 191 [Niet in bron] , 1
112 13 12 1
112 35 34 1
112 36 35 1
113, 130 enmaal nmaal 1 / 0
115 [Verwijderd] 1
124 awet awĕt 1 / 0
126 Deho Deh 1 / 0
128, 242 ene ne 1 / 0
152, 155, 190, 268, 277 , . 1
154, 170, 170 ens ns 1 / 0
157, 217 49 48 1
158 slaappaats slaapplaats 1
162 uit uitsteekende 9
168 eldaar elkaar 1
176 14 13 1
179 72 71 1
179, 222 76 75 1
179 80 79 2
180 30 29 2
181 diet dieet 1 / 0
210 25 24 1
210 begin begint 1
211 44 43 1
217 fig. [Verwijderd] 5
223 ltong ltng 1 / 0
224 26 25 1
232 53 52 1
233 50 49 2
235 en en en 3
235 Vor Vr 1 / 0
244 51 50 1
247 vor- vr- 1 / 0
254 57 56 1
254 56 55 1
259 59 58 1
259 60 59 2
261 61 60 1
265 62 61 1
269 63 62 1
271 10 9 2
271 33 32 1
273 23 22 1
273 24 23 1
274 22 21 1
281 71 70 1
282 samenvloeing samenvloeiing 1 / 0
290 van Van 1
293 parastiteerende parasiteerende 1

Afkortingen

Overzicht van gebruikte afkortingen.

Afkorting Uitgeschreven
b.v. bijvoorbeeld
CONTR. B.B. Controleur der Buitenbezittingen
d.i. dat is
d.w.z. dat wil zeggen
e.a. en anderen
e.d. en dergelijke
G.-G. Gouverneur-Generaal
H.H. Hunne Hoogheden
K.M. kilometer
K.P.M. Koninklijke Paketvaart Maatschappij
Mij. Maatschappij
N.I. Nederlandsch-Indische
n.l. namelijk
o.a. onder andere
z.g. zoogenaamde
Z.H. Zijne Hoogheid





End of Project Gutenberg's Ons Mooi Indi: Uit Dajakland, by J. Jongejans

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS MOOI INDI: UIT DAJAKLAND ***

***** This file should be named 62550-h.htm or 62550-h.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        http://www.gutenberg.org/6/2/5/5/62550/

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg

Updated editions will replace the previous one--the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
specific permission. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
performances and research. They may be modified and printed and given
away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
trademark license, especially commercial redistribution.

START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
Gutenberg-tm electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
1.E.8.

1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country outside the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

  This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
  most other parts of the world at no cost and with almost no
  restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
  under the terms of the Project Gutenberg License included with this
  eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
  United States, you'll have to check the laws of the country where you
  are located before using this ebook.

1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
provided that

* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
  the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
  you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
  to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
  agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
  Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
  within 60 days following each date on which you prepare (or are
  legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
  payments should be clearly marked as such and sent to the Project
  Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
  Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
  Literary Archive Foundation."

* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
  you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
  does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
  License. You must require such a user to return or destroy all
  copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
  all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
  works.

* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
  any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
  electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
  receipt of the work.

* You comply with all other terms of this agreement for free
  distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
www.gutenberg.org



Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
volunteers and employees are scattered throughout numerous
locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
date contact information can be found at the Foundation's web site and
official page at www.gutenberg.org/contact

For additional contact information:

    Dr. Gregory B. Newby
    Chief Executive and Director
    gbnewby@pglaf.org

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate

Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our Web site which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.