The Project Gutenberg EBook of Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643
naar het Noorden en Oosten van Japan, by C. J. Coen and P. F. von Siebold

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan
       volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum

Author: C. J. Coen
        P. F. von Siebold

Release Date: March 14, 2012 [EBook #39146]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE VAN MAARTEN GERRITSZ. ***




Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This
book was produced from scanned images of public domain
material from the Google Print project.)






Zie Opmerkingen van de bewerker aan het einde van deze tekst.

Cover

REIZE
VAN
MAARTEN GERRITSZ. VRIES
IN 1643
NAAR
JAPAN.


UITGEGEVEN
DOOR
P. A. LEUPE,
KAPITEIN DER MARINIERS.


MET KAART EN FAC-SIMILÉS,
EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN,
VAN
Jonkheer P. F. VON SIEBOLD.


UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË.


AMSTERDAM,
FREDERIK MULLER.
1858.


REIZE
VAN
MAARTEN GERRITSZ. VRIES
IN 1643
NAAR HET NOORDEN EN OOSTEN VAN
JAPAN,

VOLGENS HET JOURNAAL GEHOUDEN DOOR C. J. COEN,

OP HET SCHIP CASTRICUM.

NAAR HET HANDSCHRIFT UITGEGEVEN EN MET BELANGRIJKE
BIJLAGEN VERMEERDERD

DOOR

P. A. LEUPE,

KAPITEIN DER MARINIERS.


MET DE DAARBIJ BEHOORENDE KAART EN EENIGE FAC-SIMILÉS.
EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN,
TEVENS DIENENDE TOT EEN ZEEMANSGIDS NAAR

JEZO, KRAFTO EN DE KURILEN,

EN STUKKEN OVER DE TAAL EN VOORTBRENGSELEN DER
AINO-LANDEN,

VAN

Jonkheer P. F. VON SIEBOLD.

UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË.


AMSTERDAM,
FREDERIK MULLER.
1858.


La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui ait pu être faite, dans un temps, où les méthodes d’observation étaient très grossières.

LA PEROUSE,
Voyage autour du monde, T. III. p. 153.


Bij de vele nasporingen in de Archieven der Oost-Indische Compagnie door mij in het werk gesteld, ten einde daaruit belangrijke en in het stof begravene reisverhalen onzer Voorvaderen aan het licht te brengen, had ik menigmaal gehoopt de hoogst belangrijke reize door Vries in 1643 naar Japan gedaan, te vinden, doch steeds vergeefs. Wie schetst nu mijne verbazing, toen ik dit Reisverhaal ontdekken mogt in een Handschrift, mij ter nader onderzoek aangeboden door den Heer F. Muller, Uitgever dezes, aan wien de Eigenaar, de Hoog Wel-Geb. Heer J. Huydecoper van Maarseveen, het op zijn verzoek welwillend ter leen verstrekt had. ZEd.Geb. heeft, na mededeeling van den belangrijken inhoud, de uitgave ter liefde der wetenschap willen vergunnen, en daardoor allen, die belang stellen in de ontdekkingen der Hollandsche zeevarenden en in de geographische wetenschap, ten zeerste aan zich verpligt. Van heeler harte brengen wij ZEd.Geb. daarvoor onzen warmen dank. Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië heeft het zich voorts eene aangename taak geacht dit Reisverhaal onder hare Werken op te nemen, terwijl de Bijlagen, ter nadere toelichting hieraan toegevoegd, het belang dezer uitgave verhoogen.

Tevens brenge ik mijn’ dank toe aan Z. Excell. den Minister van Koloniën, die ons in de gelegenheid stelde, om in het Oud-Koloniaal Archief te dezer stede over deze reis van de Vries eenige nasporingen te doen, en den Heer Mr. L. M. C. van Dijk, die ons daarin met bereidvaardigheid te hulp kwam.

Moge dit werk strekken ter meerdere bevestiging van den roem onzer Zeevarenden en ter uitbreiding der kennis van het Rijk van Japan, vooral in onze dagen van zoo bijzonder aanbelang.

P. A. Leupe.


VERBETERINGEN.

Bl. 45 reg. 6 v. b. staat: Geuerael lees: Generael
55 10 v. b. middaeh middach
73 13 v. b. 2 min. 28 min.
76 21 v. b. 614 myl 612 myl
88 14 v. b. somtyst somtyds
105 7 v. o. 16 min. 26 min.
139 7 v. o. 49 40
164 4 v. b. 45 gr. 43 gr.
182 9 v. o. 12 min. 52 min.
188 3 v. b. Zie noot 34 op bl. 196.
207 1 v. b. staat: Novemer lees: November
352 14 v. b. 41 gr. 47 gr.

Verschil tusschen het Journaal en het Verkort Journaal.

  Journaal. Verkort Journaal.
Bl. 53 27 April gegiste breedte bevonden breedte.
99 20 Junij 46 gr. 6   min. 46 gr. 7   min.
183 4 Sept. 41 gr. 3   min. 41 gr. 5 12 min.
201 28 Oct. 160 gr. 5   min. 160 gr. 25   min.
207 7 Nov. 31 gr. 22 12 min. 38 gr. 53   min.
De verschillen, die minder dan eene minuut bedragen, zijn door ons
niet opgegeven.

INHOUD.

Inleiding. 3
Instructie voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, en den Raed van ’t Fluytschip Castricum en ’t Jacht Breskens, gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van Tartariën, ’t coninckryck Cathaija en de Westcust van America, mitsgaders de goud- en silver-rycke eylanden by Oosten Japan. 11
Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt, ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van 3712 graden, benoorden de Linie Equinoctiael. 35
Ordre tot de Zeylaegie voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries en de verdere overigheyd van de fluyt Castricum ende ’t jacht Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs d’Oostcuste van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel Maleye sullen hebben te reguleren. 41
Journael ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den Opperstierman Cornelis Jansz. Coen. 45
Bijlagen. 233
  Extracten uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, betrekkelijk de reis van de schepen Castricum en Breskens. 235
  Aanteekeningen. 261
  Aardrijks- en Volkenkundige Toelichtingen tot de Ontdekkingen van Maerten Gerritsz. Vries door Jhr. Ph. F. von Siebold. 263
    De Ontdekking van het Eiland Breskens en van de Quast’s Eilanden. 267
  De Ontdekking van de Tasman’s Eilanden. 270
  De Ontdekking van de Oostkust van Japan van de Kaap Sirofama van Nippon (Hoek Bosho) tot den Noordhoek. 276
  De Ontdekking van het Land van Jezo. 295
    De Stam der Aino’s. 354
  De Taal der Aino’s. 381
    Aino-Gesprekken. 387
  Verzameling van Aino-Woorden. 388
  Voortbrengselen der Aino-Landen. 401
  Het Dierenrijk. 402
  Het Plantenrijk. 414
  Delfstoffen. 430
  Tafel van Vergelijking van de Breedte- en Lengtebepalingen van de Voornaamste Punten en Plaatsen van Jezo, de Zuidelijke Kurilen en van Krafto. 436
  Fac-similés
  Kaart

[3]

INLEIDING.

Eene der belangrijkste ontdekkingsreizen, die er onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen hebben plaats gehad, is die onder het beleid van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries in het jaar 1643, met de schepen Castricum en Breskens naar het Noord-Ooster-deel van Azië.

De aanleiding tot het doen dezer reize was vooral deze. In 1635 was er door eenen Willem Verstegen, in dienst der Oost-Ind. Comp. in Japan werkzaam geweest zijnde, »Eene Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende Goudt ende Silver Eylant, gelegen in de Zuit-zee, ter hoochte van 3712 graden benoorden de Linie Equinoctiael, gedirigeert aen d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael enz.” Deze Gouverneur vertrok spoedig na het ontvangen dezer Remonstrantie naar het Vaderland, en liet het aan zijnen opvolger over, om die zaak in overweging te nemen.

Hoe gaarne nu ook van Diemen, dadelijk na het aanvaarden van zijn bestuur, schepen ter opsporing van die Eilanden had willen afzenden, werd hij daarin door verschillende omstandigheden verhinderd, en niet voor het jaar 1639 kon hij daaraan gevolg geven. Zoo schreef hij, onder dagteekening van den 18 December 1639, aan de Bewindhebbers in het[4] Vaderland: »maer op enckel onvermogen ende dat doorgaens trachten de negotie voor eenige saecken, exploicten ende ontdeckingen van vreemde landen te prefereren, is d’opsoecking van goudt ende silverrycke Eilanden ten Oosten Japan gelegen, wel tegen ons gemoet t’sedert anno 1636 uytgestelt ende suspens gebleven; maer aengemerckt wesende, UEd. tot derselver ontdeckingh, mitsgaders Corea ende Tartarise cust inclineren, daertoe order geven, met hope van vruchtbaer succes; hebben in conformité van onse resolutie dato 24 May bevooren, Comps. presente als uyt Nederlant te comen navale macht, tegen de voorhantse ende ordinarie besendingh wel geexamineert ende overleyt, synde goetgevonden ende vastgestelt, tot gemelte ontdecking te gebruycken de fluytschepen Engel ende de Graff, als de bequaemste op soo crappen vaerwater. Ingevolge syn deselve yder met 45 coppen cloeck volck voor 12 maenden geprovideert, den 2 Juny passato onder ’t beleyt van den Commandeur Matthys Quast uyt dese reede verseylt, met order by Oosten Banca den cours nae Manilhae’s baye te doen, om ’t canael van Spirito Sancto te passeren ende alsoo om de Noort aen Japans Oostsyde in de Noort-Weste winden te comen, de Eylanden 100, 150 ende 200 mylen tusschen de 30 en 36, mitsgaders ’t doelwith op 3712 graden Noorderbreete, 400 mylen by Oosten Japan gelegen, op te soecken ende aentetreffen, als wanneer by nonopdoeningh gelast hebben, andere 200 mylen om de Oost te seylen ter selver hoochte, ende geen voordeel bejegenende, dat van daer sullen trachten nae Tartarien ende Corea, ingevalle de winden (daer aen twyffelen) sulcx gedoogen, te comen. Wyders soo wanneer keerende geen Noort connen winnen, andere 200 mylen om de Oost aff te loopen, al waer’t op de custe van West-Indien, omme t’onderstaen wat voordeel daer te bejagen sy, ende dan door den Suyt-Oosten passaet te keeren nae Tayouan off Batavia, nae sich den tyt, weder[5] ende wint voegen sal; mits dat in passant Islas de Ladrones verkenne en visiteere, gelyck dit ende sulcx meer ten dienste van de Comp. gesegden Quast gerecommandeert hebben, by desselfs instructie can worden beoogt, die UEd. gelieven te resumeren in ons brieffbouck, onder dato primo Juny laest. Den Almogende bestiere alles tot dienst van de Generale Comp., ende geve dat UEd. ter syner tyt gewenst succes van dese expeditie mogen aencondigen.”

De reis van Quast leverde echter dat resultaat niet op, dat men er zich van had voorgesteld. Bij brief van den 8 Januarij 1640 berigt van Diemen den afloop dezer reize aan de Bewindhebbers aldus: »Met Breda is herwaerts onverrichter saecke van d’ontdeckingh der landen by Oosten Japan gelegen gekeert, den Commandeur Mathys Quast, hebbende ruym 600 mylen by Oosten Japan op de geordonneerde hoochte affgeseylt, sonder lant op te doen, als wanneer den windt sich sulcx presenteerde, dat resolveerde nae de West te keeren, by Noorden Japan de cust van Tartarien, Corea ende China aen te doen, sulcx dat sy deselve lenghte weder teruggekomen, tusschen de 42 en 38 graden Noorderbreete, mede in ’t keeren geen landt vernomen, maer door sieckte overvallen wesende, moesten d’ontdeckinge om de Noord staecken, ende syn by Oosten Japan seer miserabel ende swack van volck in Tayouan den 24 November aengelandt, hebbende op beyde de fluyten 38 man verloren, dat is byna de helft van ’t ophebbende, van hier affgevaren volck.”[1]

Niettegenstaande dezen min gunstigen afloop der reize van Quast, werd er besloten om andermaal een’ togt derwaarts te laten doen, maar ook nu verloopt er door de belegering van Malakka, de zaken op Ceylon, de reis van Tasman naar het Zuytland enz. weder een geruime tijd, alvorens[6] men schepen kan missen, om deze onderneming te bewerkstelligen. In 1643 evenwel heeft de reis voortgang, en werden de schepen Castricum en Breskens onder de bevelen gesteld van den ervaren Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries of de Vries, zoo als wij hem ook wel in officieele bescheiden genoemd vinden. In een gedeeltelijk in cijfer geschreven missive aan de Bewindh. in dato 23 Januarij 1643, wordt hen hiervan op deze wijze kennis gegeven: »Tot ontdeckingh van de Noordcuste M. r. k. M. r. k. c. b. d. ende van daer omme andermael optesoecken, de XXI ende IV rycke 24, 39, 17, 30, 16, 5, 50, 20, by tt. h. m. b. d. c. r. f. r. d. syn geprojecteert de fluyt Castricum ende ’t jacht Breskens, sullen ultimo deser de reyse aenvangen, onder ’t bestier van den ervaren Schipper Maerten Gerritsen Vries, de cours is van hier by Noorden Celebes nae Ternaten ende van daer by Oosten 11, 9, 16, 10, 2, om de 2, 25, 20, 72, 22, custe van M. r. k. M. r. k. c. b. d. aentesoecken, ’t welck gesustineert wordt in den somertyt sal connen geeffectueert worden, ende dan voorts om de Oost, daer men meent d’aengetogen Eylanden op te doen[2]. ’T succes van d’een ende d’ander wordt UEd. nae desen gecundicht.”

Aan den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen te Ternaten werd van het doel hunner reize en om hun daarin op alle mogelijke wijze bevorderlijk te zijn, bij missive van den 31 Januarij kennis gegeven. »Dese gaet per ’t fluytschip Castricum ende ’t jacht Breskens, onder commando van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, over Ternate, tot ontdeckingh van de Oostkuste van Tartarien ende om op te soecken d’onbekende Eylanden Oostwaerts gelegen. UEd. sal deselve costy omme geene redenen ophouden, veel min veranderingh in ’t ophebbende volck als officieren, soldaten[7] off varentvolck doen, ten waere eenige siecken tegen cloecke gesonde wisselden; de gemelte schepen ende volck geduyrende haer verblyff (dat cort sal wesen) soo veel mogelyck verversende, daeromme geen costen noch coebeesten sparende, sult hun van alles tot de reyse soo veel te becomen sy versorgen, vooral beestiael, dat costy niet ontbreekt. Hiertoe ons verlatende sullen met d’eerste gelegentheyt per brieven van de overhoofden deser schepen gaerne vernemen, hun desen aengaende contentement gedaen sy, dit ons desseyn soo veel mogelyck secreet houdende, voorgevende dat omtrent Manilha om buyt ende advantagie te becomen, gedestineert syn te cruysen.”

Ook aan de Vries gelukte het niet die rijke Goud- en Zilver-Eilanden te vinden, maar daarentegen is zijne reis hoogstbelangrijk geweest voor de uitbreiding der aardrijkskunde, want behalve dat men beter bekend werd met de kusten van Japan, werden door hem eilanden en straten ontdekt en benoemd, waarvan men tot dus verre slechts weinig of geen kennis had.

De mededeelingen, die men van de reis van de Castricum en de Breskens heeft, zijn zeer onvolkomen en bestaan voornamelijk in eenige opgaven, voorkomende bij Nicolaas Witsen in zijn werk over Noord- en Oost-Tartarije[3], en daaruit bij Buache[4] overgenomen, zoo ook in de »Koorte Beschryvinghe van het Eylandt Eso, soo als het eerst in den jare 1643 van ’t schip Castricum beseylt ende ondervonden is”[5]. Eerst 144 jaren daarna is het den verdienstelijken, doch ongelukkigen Franschen zeereiziger la Pérouse[6], die ons met de belangrijkheid van de reis van de Vries bekend maakt. Het is dan ook vooral na dezen reiziger, dat de Hoogleeraar Moll in zijne Verhandeling[7] ons het een en ander over de Vries en zijne verrigtingen bekend maakt.

[8]Het mogt den Hoogleeraar von Siebold in het jaar 1842 met behulp van den Heer P. L. de Munnick, gelukken, in het Oud-Koloniaal Archief alhier, de Instructie voor de reis van de Vries vastgesteld te vinden. Ze werd gedeeltelijk geplaatst en toegelicht door den Heer P. Br. Melvill van Carnbée in de Moniteur des Indes[8]. Deze geachte hydrograaf beklaagt zich ten hoogste, dat de journalen van de Vries niet uitgegeven zijn. Hij zegt[9]: »Il est fort à regretter que les journaux de de Vries n’aient jamais été publiés; nous n’avons de son voyage que peu de détails, qui se trouvent dans l’ouvrage de Mr. Nicolaas Witsen, et qui ont servi au recit qu’en donna plus tard Mr. Philippe Buache. Il parait que nos ancêtres firent peu de cas de ces voyages, qui n’eurent, il est vrai, peu ou moins de resultats immédiats pour le commerce, mais qui furent pourtant très importants pour la géographie. C’est à cela apparement qu’on doit attribuer que dans les ouvrages de ce temps-là il n’est fait mention des voyages de Quast, Vries et de plusieurs autres encore, qu’en passant et que ce n’est qu’un et deux siècles après qu’on s’aperçut que ces mêmes voyages furent et sont encore aujourd’hui du plus haut intérêt pour les sciences géographiques.”

Ook in het nog niet lang geleden (1852) voor de kennis van Japan zoo hoogst belangrijk uitgekomen werk van den Hoogleeraar von Siebold lezen wij[10], nadat de geachte Hoogleeraar alvorens een overzigt der reis van de Castricum heeft gegeven: »Die volständigen Reiseberichte der beiden Schiffe Castricum und Breskens, wovon wir nur die obenerwähnten Auszüge kennen, scheinen verloren gegangen oder noch in irgend einem Archive in Holland oder zu Batavia verborgen zu liegen.”

Het oorspronkelijke volledige Journaal van de Castricum,[9] dat wij het genoegen hebben onzen lezers aan te bieden, is gehouden door zijnen verdienstelijken Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen[11]. Het werd aan de Bewindhebbers in het Vaderland opgezonden en bevat eenen schat van opmerkingen en waarnemingen, zoodat het de behartiging overwaardig is.

Dat de waarnemingen op deze reis gehouden naauwkeurig waren, hiervoor staat ons een la Pérouse borg, die met zoo veel betere instrumenten uitgerust, gevoegd bij den hoogeren stand, waarop de kennis der zeevaart te zijnen tijde stond, gaarne de getuigenis aflegde: »que la navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui ait pu être faite dans un temps, où les methodes d’observation étaient très grossières”[12].

Wij hebben het Journaal doen voorafgaan door de Instructie aan de Vries voor dien togt medegegeven, en de Remonstrantie van Willem Verstegen aan den Gouverneur-Generaal Henrick Brouwer ingezonden; terwijl wij eindelijk eenige uittreksels uit de brieven van den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen en Raden van Indië, over den afloop van de reis van de Vries, zoo mede eenige aanteekeningen over dezen Commandeur, als Bijlagen laten volgen.


Het Journaal van den Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen, dat ons aanleiding verschafte om op het Oud-Koloniaal Archief eenige nasporingen te bewerkstelligen omtrent de reis van de Vries in 1643, behoort in eigendom aan den Hoog-Welgeboren Heer, Jonkheer J. Huydecoper van Maarseveen, die, ter liefde der wetenschap, de uitgave wel heeft gelieven te vergunnen, waardoor Z.H.W.G. allen, die de gedane ontdekkingen der Hollanders in de 17e eeuw op prijs stellen, ten hoogste aan zich verpligt heeft; want na alle[10] daartoe aangewende pogingen, was men tot dus verre niet geslaagd, om de Journalen van de Castricum en de Breskens terug te vinden; men mag zich derhalve verheugen, dat ten minste een derzelve voor de vergetelheid bewaard is gebleven, en wel dat, dat naar ons inzien door den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen en de Raden van Indië, bij hunne missive van den 4 Januarij 1644, naar het Vaderland werd gezonden.


[1] Zie Aanteekening.

[2] Zie Aanteekening.

[3] Zie Aanteekeningen.

[4] Zie Aanteekeningen.

[5] Zie Aanteekeningen.

[6] Zie Aanteekeningen.

[7] Zie Aanteekeningen.

[8] Zie Aanteekeningen.

[9] Zie Aanteekeningen.

[10] Zie Aanteekeningen.

[11] Zie Aanteekeningen.

[12] Zie Aanteekeningen.


[11]

INSTRUCTIE

voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, en den Raed van ’t Fluytschip Castricum en ’t Jacht Breskens, gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van Tartariën, ’t coninckryck Cathaija en de Westcust van America, mitsgaders de goud- en silver-rycke eylanden by Oosten Japan.

Bij de geloofwaerdighste geographen ofte wereldbeschrijvers werd onder de groote landen van Asia, Tartariën ofte Tartaria (als ’t grootste land) gesteld, dat in ’t Noorden van de Yszee, in ’t Westen van Rusland en Polen, in ’t Zuyden van de Zwarte zee, ’t Caspische-meer, de landen van Bactriana en India, ende in ’t Oosten van China en den onbekenden Tartarischen Oceaan bepaeld is; hebbende in de lenghte van ’t Oosten nae ’t Westen niet min dan negenhondert en in de breedte van ’t Zuyden nae ’t Noorden wel 450 duytsche mijlen, in welck ruym begryp (sijnde grooter als geheel Europa) veel groote landen, provintien, meeren en woestijnen gelegen sijn. Onder anderen werd voor ’t aldertreffelyckste deel ’t vermaerde coninckryck van Cathaya, onder ’t getemperde climaet van omtrent de vyftigh graden by Noorden den Aequator, gestelt, wesende d’eerste provintie van ’t keyser-ryck des grooten Chams, welcken prince den stoel syner Monarchia in de groote Hooftstad Cambalú houd, dat een plaetse van wonderlycke commercien werd befaemd, daer seer grooten handel van allerley binnenlandse oft Tartarische en buytenlandse Chineese waren[12] en coopmanschappen gedreven werd. De Oostcust van dit land is bovenmate schip-ryck befaemd, mits de groote trafficquen, die van dit ryck op d’omtrent gelegen landen en custen gedreven werd, doch vermits in eenen hoeck van den aerdcloot gelegen, werd tot noch van geen Europeanen, noch eenig Orientaelse natien, selfs oock niet van de aenpalende Chynesen gefrequenteerd, maer als verborgen, te verre affgelegen, en schier als buyten de wereld geacht.

De seeckerheyt van dese gementioneerde gelegentheyd des vermaerden lantschaps Cathaya, heeft aen veel geleerde cosmographen en piloten oorsaeck gegeven, op d’ontdeckinge deses conincx-rycx ernstelyck te schryven en diverse wegen, soo door ’t Orientaelse India en de straete Magelanus, als door ’t Noorder America by de Enghte Davids, mede omtrent Nova Sembla en recht onder ofte over den Noorderpool eene passagie derwaerts aan te wysen, daer op oock door de drie laetste wegen diversche preuven van d’Engelse en Nederlandse natien ondernomen sijn, maer alle te vergeefs, gelyck mede de twee voyagies door den vermaerden Jan Huyghen van Linschoten, uyt bevel van de Ho. Mo. Heeren Staten Generael der Vereenighde Nederlanden, ten selven eynde in den jare 1594 met 2 schepen, en Ano 1595 met seven schepen, onvruchtelyck is gedaen. En alhoewel in d’eerste reyse een passagie by ’t eyland Waygats, door de strate ofte enghte van Nassauw tusschen Moscovia en Nova Sembla tot in de Tartarische Noordzee wierd ontdeckt, soo is nochtans de tweede reyse desen ontdeckten wegh door menighte van ys onbruyckelyck gevonden en de vlote sonder verhoopt effect in Nederland gekeert. Sedert dien tyd hebben alle natien van de Tartarische ontdeckinghe in ’t Noorden, als van een ondoenelycke saecke gedissisteert, en door ’t Orientaelse ofte Occidentaelse India is, ’t door onvermogentheyd ofte cleyne curieusheyt van de Gouverneurs des conincx van Hispania (onaengesien de beter gelegentheyd als in Europa), niet onderleyd; immers van dien mogende[13] Prince (als wesende noch ontydigh) niet gemandeert, gelyck mede by geen andere aldaer traffiqueerende Europeanen is onderstaen, tot dat in den jare 1639 (staende ons Gouverno) twee fluytscheepen onder den Comm. Mathys Quast, tot ontdeckinge van de Tartarische Oostcust, insonderheyd de befaemde Goud- en Silver-rycke eylanden by Oosten Japan, derrewaerts syn gesonden, die almede door ongeluckige toevallen, sonder yets nuttelycx te verrichten, wedergekeerd syn.

Maer dewyle uyt de gewenschte ontdeckinge van Cathaya en de daeromtrent gelegene landen groote nuttigheden, soo door commercien als conquesten, insonderheyd de voortplantinge van de ware christelycke religie, met goede redenen te hopen syn, en presentelycken geen christen prins, noch republique, daertoe beter gelegentheyd, als den vryen Nederlandschen staet ofte derselver Orientaelse Comp. heeft, welcx hooftstad Batavia daertoe bequaem gelegen is, en door de nadere gelegentheid van desselfs conquesten in Molucco en Formosa nae wensch geaccomodeert can worden, soo is dese dienstige ontdeckinge andermael by der hand te nemen, van de Heeren onse meesters de Novo gansch ernstigh gerecommandeert. En dewyle wy sulcx mede een nodige saecke achten, en de Comp. tegenwoordigh van schepen soo is versien, dat gevoughelyck sonder vercorting van de ordinarie commercien en oorloghs-besendingen wel twee bequaeme schepen connen affgesteecken werden, soo is in Raden van India gearresteert, dese pryselycke ontdeckinge niet langer te retarderen, maer ’t fluytschip Castricum met ’t jacht Breskens (van alle nootwendigheden wel versien) derrewaerts uyt te setten en UE. als bequaem en tot dese reyse wel genegen, ’t beleyd van dien te vertrouwen en bevelen, op seeckere hope dese importante voyagie met de nodige couragie, goed beleyd, en vereyschte pascientie, wel en met wackere voorsichtigheyd bestieren sult, soo als voor ons, t’uwer wedercomste, ten contentemente sult menen te verantwoorden. By den ervaren Piloot-Major Franchoys Jacobsen Visscher,[14] UE. en andere curieuse personen, syn ons verscheyden wegen tot d’ontdeckinge van Tartaria en d’eylanden by Oosten Japan in schriftelycke vertoogen voorgesteld, die UE., om in desen daervan geen ontleding te doen, alle in copyen ter hand gesteld worden, opdat t’syner tyd daervan gediend cond syn. Alleen raken met een woord, wy Visschers en Verstegens opinie, van den cours tusschen Japan en Corea te nemen, mits d’onseeckerheyd van bequaemen doorgangh, en d’aparentie van veel droogten en clippen, al te periculeus en ongeraden achten, maer ons met uwe meyninge van den wegh by Oosten buyten Japan, door ruyme zee te nemen, als den seeckersten, confirmeren; te meer geensints connen opinieren, de Westelycke passaetwind in dat geweste by den somertyd soo crachtigh en gedurigh doorblaest, dat niet bequamelyck van de Oost nae de West geseyld can worden, gelyck sulcx op de reyse van den Commandeur Quast, onaengesien den laten herfsttyd, selfs 2 à 300 mylen buyten alle landen contrarie bevonden is, en over sulcx buyten twyffel in de maenden van Juny en July de Tartarise custen, van by Oosten Japan, bequaemelyck te beseylen syn, met groote aparentie, dat door de naegelegentheyd der landen, van de 40 graden Noordelyck op, in de Tartarischen oceaen, geen contra passaet, maer variable winden (als omtrent Europa) gevonden sullen worden. UE. sullen dan de ontdeckinge van Tartaria, by Oosten buyten om Japan, als door den bequaemsten en min periculeusten wegh, voorsichtelycken doen, en ’t naervolgende u daerinne tot een regel van Instructie laten dienen, nochtans met dien verstande, sulcx nae eysch van tyd, plaetsen en voorcomende gelegentheden, met advys van rade, soo te mogen corrigeren als den dienst van de Comp. tot erlangen van ons desseyn soude mogen vereysschen, ’t welck uwe goede experientie en vertrouwd beleyd bevolen laten.

Aanvanckelycken sullen UE. op morgen vrough, nae gedaene monsteringh, gesaementlyck onder seyl gaen, en uwen cours soodanigh nae Molucca stellen, als by aparte instructie[15] is geordonneerd, waernaer u op de derrewaertse reyse in alles te reguleeren hebt.

Met lieff in Tarnata voor ’t casteel Maleya aengecomen wesende, sult onse neffensgaende brieven aen den vice-gouverneur Wouter Seroyen behandigen en desselfs ordre ten dienste van de Comp. obedieren, mitsgaders uwe schepen van water, brandhout en ’t gunt meer nodigh wesen mocht, ruymelycken versien, ’t scheepsvolcq, gedurende ’t aenwesen aldaer, met versche spyse wel ververschen en daervan op ’t vertreck behoorlyck provideren, waertoe aen den Heer Seroyen de nodige ordre gegeven werd, die u dienvolgens nae eysch en vermogen behulpigh wesen sal, waermede wy begeeren geenen tyd onnuttelyck sal doorgebracht worden, maar alles op ’t vlytighste soo cort beschicken, dat vóór ofte ten langhste in ’t begin van April, uwe importante reyse van daer beginnen moght. Doch sult alvorens met advys des Raeds een goeden seinbrieff formeren, waerin mede dient gedacht, soo de schepen door storm, ofte ander incident (dat God verhoede) van den anderen quaemen te versteecken, door wat middel weder bequaemelycxst byeen geraecken mochten, waaraen tot volvoeren van ons concept ten hooghsten gelegen is.

Nae becomen geryff van alle nootwendigheden sult (als geseght) op primo April ofte vroeger, de voyagie in den name Godes aenvangen, stellende den cours, als buyten Gilolo gecomen syt, Noord-Oostwaerts om, met de soele en variable winden, die er dit saysoen des jaers ordinairie in dat gewest waeyen, welcke hun op de Noorderbreedte van 10 à 15 graden omtrent ’t Zuid-Oosten vaststellen sullen, waermede dan allenxkens wat Noordelycker en recht door zee, nae de Oostcust van Japan seylen en ’t land op omtrent de 37 graden in ’t gesichte loopen sult. ’t Is seer aparent in dese passagie wel eenige onbekende ofte dependerende eylanden van de archipelago de St. Lasaro ofte Islas de las Veslas, anders genaemt de Ladrones, bejegenen sult, om welcken[16] aen te doen geen tyd sal dienen gespilt, maer nae onbekende drooghten en clippen wel naerstigh uytgesien.

Wy verhopen gylieden omtrent 20 à 25 May de Oostcust van Japan aen boord sult hebben, van waer uwen wegh, langhs en in ’t gesichte van ’t land, soo lange Noord- en Noord-Westwaerts nemen sult, tot dat de cust haer Westelycker ontvalt, opdat in passant ervaren werde, hoe verre ’t uytterste van Japan om de Noord gelegen is, en off het land, dat by de Japanezen Jeso werd genaemt, op sulcken cours bejegenen en vernemen cond, ’t selve ’t vaste land van China off Tartaria sy, ofte wel een bysonder en tusschenbeyde gelegen land ofte een eyland te wesen, waermede wy verstaen oock geenen sonderlingen tyd consumeren sult, maar uwen cours soo langh Noord-Westwaert vervolgen, tot dat de cust van Tartaria ofte Cathaya ontdeckt, pogende sulcx soo Zuydelyck te doen, als den wind gedogen en ’t aengetogen land van Jeso toelaeten sal, ’t welck verhopen tusschen de 40 à 45 graden sal connen geschieden, als wanneer langhs de cust Noordwaerts, ofte soo die strecken mach, sult dienen te seylen, tot dat de rivieren Polisangi, de Cathayse zee-steden Jangio, Brema off soodanigen baeye, haeven ofte rivieren ontdeckt, daer de schepen bequaemelyck geberght connen worden, en waer steden, vlecken, ofte bevolckingh is, ten eynde ’s lands gelegentheyd in corten tyd soodanigh ondersocht en vernomen mach worden, als hier onder op syn plaetse omstandigh aangewesen werd.

’t Is grootelycx te vermoeden, UE. aen en omtrent de Cathayse cust wel eenige schepen, joncquen ofte vaertuyghen bejegenen sult; dewyle die meest den aerdkloot beschryven, niet alleen de Tartarische custen, maer den aengelegen oceaen seer scheep-ryck achten, affirmerende daer grooten coophandel van de omgelegen landen en eylanden met den anderen gedreven werd. Sulcx soo bevindende, dient gedurigh voorsichtigh op hoede te wesen en by bejegeningh van vaertuygh, daer tegen geen trots noch force te oeffenen,[17] maer met beleefde bejegeninge en vriendelyck tractement, des volcx gunste trachten te winnen en scherpelyck de gelegentheyt hunner reysen te vernemen, oock waer de voornaemste havens en coopsteden, insonderheyt de riviere Polisangi en Jangio gelegen syn, door welcke en de bovengeschreven middelen wy niet willen twyfelen, off sult d’een off d’ander bequaeme rede en gepopuleerde plaetse in Tartaria ofte Cathaya omtrent 15 à 20 Juny connen aendoen, synde aldaer den soetsten somertyt en langhste dagen, dat d’ontdecking grootelycx accomoderen en de daeraen gelegene peryckelen seer verminderen sal.

Alle landen, eylanden, hoecken, bochten, inwycken, baeyen, rivieren, drooghten, bancken, sanden, reven, clippen en rutsen, die in dese ontdeckinge, soowel in den Oceaen, als op de custen van Japan, Jeso, Cathaya off Tartaria bejegenen en passeren sult, moeten UEd. perfect carteren en beschryven, alsmede de opdoeninge en gedaente wel affteyckenen, tot welcken eynde u een teykenaer mede gegeven werd, mede wel sorghvuldigh noterende op wat hooghte ofte breedte, hoedanige streckinge en distantie de custen, eylanden, capen, hooffden ofte hoecken, baeyen en rivieren van den anderen gelegen syn, wat kennelycke mercken, als bergen, heuvelen, boomen off gebouwen (waeraen men die mogt kennen) daer op te sien syn. Mede wat diepten en ondiepten van gronden, blinde clippen, affschietende reven aen de hoecken sullen gelegen wesen, hoe en op wat mercken die bequaemelyck te schuwen syn, item off de gronden hard, scherp, weeck, vlack opgaende ofte steyl syn, off men die op ’t lood magh aendoen ofte niet, op wat mercken men de beste anckerplaetsen in reden en baeyen vind, hoe de gaten en rivieren instrecken en te beseylen syn, wat winden in die gewesten waeyen, hoe de stroomen loopen, off ebbe en vloed hun nae de maen off winden reguleren, wat veranderingh van moessons, regen en drooghte bevind, voorders naerstelyck opserverende en noterende, daer ervaren stierlieden op te[18] letten staet, en in ’t toecomende tot ’t bevaren van de ontdeckte landen dienstigh wesen can. Den bequaemen tyd des jaers, als ’t somerweder, lange dagen en corte nachten, sullen, als boven aengewesen is, tot de voorgenomen ontdeckingh en waernemingh van alle d’aengetogen saecken seer dienstigh syn, weshalven nergens tyd versuymen noch onnoodigh consumeren sult, maer als meermael geseyd, het beste van den somer en goed weder gebruycken, wanneer soowel by nacht als dagh sult connen voortseylen, ’t welck in ’t corten der dagen en by donckeremanen, om alles in ’t sicht te crygen, soo niet geschieden can, oversulcx daeraen, om spoedigh en in corten tyd veel t’ ontdecken, ten hooghsten gelegen is.

Echter om de Tartarise en Cathayse custen naer eysch wel t’ ontdecken, sal ’t nodigh wesen, nu en dan, ter gelegener tyd en bequaemer plaetsen, ten ancker te comen, altyd soeckende en kiesende soodanige baeyen ofte reden, daer met de minste peryckelen inlopen, leggen, vertrecken, en by toevallende winden ofte andersints bequaemelyck ruymen condt. Vooral sal in ’t landen met u cleyn vaertuygh groote sorgvuldigheyd en circumspecte voorsichtigheyd dienen gebruyckt, alsoo onseecker is wat soort van menschen dit onbekende deel van Tartarie besitten, ’t welcke soowel met rouwe, wilde, woeste barbaren als van geciviliseerde en gepoliceerde lieden can bevolckt wesen, waeromme altyd wel gewapend en op hoede wesen moet; want by experientie in alle gewesten des aerdcloots bevonden is, geene barbare-natien te vertrouwen syn, vermits gemeenlyck opinieren, dat het volcq, ’t welck hun soo onverwacht en vreemd verschynt, alleen comen om hare landen in te nemen; dat in ’t ondecken van America en d’Orientaelse landen, aen ’t verassen en doodslaen van veel sorghloose en lichtvertrouwende ontdeckers, menighmael tot ruyne hunner voyagies gebleecken is. Om welcke respecten de barbaren, die rencontreren en ter spraecke comen mocht, stadigh wel en minnelyck bejegenen sult, en cleyne afronten van dieverye ofte andersints, die aen d’onse mochten plegen,[19] ongemerckt laten henengaen, om door ’t revengeren geen afkeer van ons te causeren, maer by alle doenelycke middelen pogen, hunlieden t’uwaerts te trecken, opdat te beter en spoediger de gelegentheden van haer en hare landen vernemen moght, insonderheyd off daer iets nuttelycx voor ons te verrighten is.

Van de gelegentheyd der landen, wat vruchten en bestiael daer sy, hoedanige timmeragie van huysen, ’t fatsoen en wesen der inwoonderen, haer cledingh, waepenen, seden, manieren, spyse, erneringh, religie, regering, oorloge, en andere merckwaerdige saecken meer, insonderheyd offse goed ofte boosaerdigh syn, sult nae toelatingh des tyds wel pogen te vernemen, hun vertonende diversche monsters van de goederen ten dien eynde medegegeven, om te onderstaen wat waren en materialen sy hebben, en hoedanige van de onse weder begeren, alle ’t welck scherpelyck aenmercken, wel affteyckenen en correct beschryven sult, houdende ten dien eynde een breed en wel geextendeert Journael, daer alle uwe resconteren perfectelyck in aengeteyckend worden, om daermede op u wederkeeren, behoorlyck raport aen ons te connen doen.

Dewyle ’t landschap Cathaya aparent met civiele menschen is gepopuleert, sullen UE., daer gecomen synde, den Assistent David Cassu, Tartaer, den bosschieter Jurriaen Scholte, ofte een van de 4 soldaten, die de Moscovise ofte Poolse tale can, aen land senden, om by de daer synde overigheyd te versoecken, vryelyck aen land te mogen comen, wanneer, met volcomen licentie, een van d’Onder cooplieden ofte Assistenten, neffens een taelman met eene cleyne vereeringh aan land schicken en de regeerders doen begroeten sult; hunlieden van wegen den Staet onser Republicque, specialycken den Gouverneur-Generael en Raden van India, alle vrundschap en onderlinge commercien aenbieden, openende de conditien van dien, als namentlyck, dat wy Nederlanders ter zee met alle Conincrycken en natien van de geheele wereld vrundelyck trafficqueren en negotieren, hebbende daertoe allerley coopmanschappen,[20] en beter commoditeyten als alle andere natien des werelds, ende dat gemelte uwe gebiedende overheyd seeckerlyck vernomen hebbende, hoe in dat selve land oprechte handelingh en trafficque gedreven werd, goedgevonden hebben, dese twee schepen onder goede regeringe derwaerts te schicken, met al sulcke waren, coopmanschappen, rariteyten, als by vrye toelatingh van negotie vertonen cond, en sulcx ten dien fyne als vrunden versoeckt.

Nae becomen antwoord sullen UE. hen tot voordere conferentie off de vergunde commercien, nae tyd en plaets gelegentheyd, doch doorgaens met wackere voorsichtigheyd, moeten schicken; vertonende ordentelyck de coopmanschappen en monsters van de waren ten dien eynde medegegeven en in yder schip de helft verdeelt, waervan ’t eene voor Cathaya, en ’t ander voor de eylanden by Oosten Japan gelegen, mede gegeven word. Welcken volgende versorgen moet, dat van yder soorte der goederen een gedeelte tot monsters voor die eylanden bewaert werde, gelyck sulcx mede perfectelyck by factura aangewesen word, monterende gesaementlyck ter somme van Gl. 13740,8,4, waervan door den Ondercoopman Willem Byleveld negotie boecxkens in behoorlycke forme, tot reeckeninge, bewys en reliqua doen houden sult.

In ’t vertonen van de gemelte goederen en monsters sullen UE. met de Ondercooplieden wel en scherpelyck letten, waervan dese natie attentie maecken en tot wat goederen meest genegen syn, insgelycx bespeuren wat coopmanschappen en waeren sylieden daer hebben, insonderheyd nae goud en silver ende of dat metael by hun in waerdige achtingh is; UE. gelatende daernae niet graegh te wesen, om hunlieden van desselfs precieuse waerdye oncundigh te houden, en soo ’t selve in mangelingh van uwe goederen mochten presenteren, moet u houden off die specy niet estimeerde, maer vertonen coper, spiaulter, thin en lood, even off die mineralen by ons van meerder waerdye waren. En soo gy hun tot handelen genegen vindt, sult onse coopmanschappen, insonderheyd daer[21] gretighst nae syn en ’t welcke wy meynen de laeckenen sullen wesen, in soodanige estime houden, dat niet als met groot proffyt vercocht off vermangeldt werden, noch niet anders aennemende, als ’t geene seeckerlyck weet voor de Comp. proffytabel te syn, ’t welcke hem selfs in ’t handelen wel wysen sal; sullende in ’t bysonder nodigh wesen, van de daer synde waren monsters, en van alle andere perfecte notitie herwaerts brenght, om te sien wat retouren van daer getrocken connen werden en in toecomende daervan gediend te syn.

Mits de onseeckere cundschap van de waere gelegentheyd des Cathaysen Conincrycx, sal ’t nodigh wesen nae de volgende particulariteyten wel scherpelycken te vernemen:

De grootheyd des lands en desselfs hoedaenigheyd, wat steden, vlecken, vermaerde rivieren, bergen en woestynen ’t selve heeft, hoe en waer gelegen, ende wat landen dese provintie tot gebueren heeft.

In wat plaetse de hooftstad Cambalu leyd; desselfs groote, gelegentheyt, hoedanigheyd etc., wat zee- off coopstad daer heeft ofte naest aengelegen is, en hoe daer bequaemelycxt gereyst can werden.

Wat zeeplaetsen, coopsteden, baeyen, haevenen en schipvaerd daer is, en wat commercien door dat ryck en in desselfs naburige landen gedreven werd, specialycken in hoedanige waren die bestaen.

Wat vruchten, bestiael en minerael daer syn, en wat der inwoonderen principale neringh en hanteringh is.

Wat Godsdienst sy hebben, en off van eene ofte differente religie syn, specialycken off het Christen en Mahometse gelove daer mede gevonden werd, en d’hoedanigheid van dien.

Insonderheyd off des lands regeringh en hooghste overheyd by een Coninck, den adel off ’t gemeyne volcq bestaet, en tot wat plaetse desselfs opperste residentie is. Ende soo ’t een Coninck wesen mocht, off dien Prince den groten Cham, Monargh off Keyser der Tartaren sy, waerinne desselfs crygsmaght en ryckdom bestaet, en wat authoriteyt en hulpe hy[22] in de regeringh en justitie heeft; met wat landen, natien en Princen hy in oorlogh en vrede is, hoe die gevoerd en onderhouden werd, en specialycken off desen Prince tot vremde natien en ongemene dingen genegen is.

Mitsgaders sulcx meer, als de Heeren onse meesters op ’t stellen der raporten by memorie ordonneren en UE. selfs nae tydsgelegenheyd nodigh en doenelyck vinden sult.

Indien gylieden de Cathayse natie affabel en t’ uwaerts vrundelyck, mitsgaders het land van soodanigen gelegentheyd vind, dat aldaer voor de generale Comp. seeckerlyck een importante en proffytabele negotie gefondeert can werden, sullen UE. aen ’s lands overheyd versoecken, een contract ofte verbond van een gestadige, oprechte handelinge, traffycque en navigatie tot gemene welvaert van dat ryck en onse republique, met d’ingesetene van dien, mach getroffen werden, en soo hierinne werd geconsenteert, een gesant (soo hun sulcx mocht gevallen) met den eersten derwaerts comen sal. Ten selven eynde sal UE., indien de overheyd sulcx ernstich begeren mochten, wel 2 à 3 personen om de tale en coustuyme te leren, alsmede ’s lands gelegentheyd etc. perfectelyck te vernemen, daer, met resolutie des Raeds, wel mogen laten, en hunlieden daertoe met nodige instructie en eenige coopmanschappen, tot preuve van negotie en onderhoud versien, versorgende geen andere daertoe als gauwe, wellevende en minnelycke jonge borsten worden gebruyckt; gelyck mede in dien gevalle t’ hunnen versoecke mogen consenteren, gelyck getal van de haere, om onse gelegentheyd te comen besichtigen, herwaerts te brengen, en hun vastelyck toeseggen, ’t naeste jaer met haer volcq en veel dienstige coopmanschappen, daer weder verschynen sult.

Mede, soo bevind, dat land van soo mogenden Coninck werd beheerscht, als in ’t begin van dese Instructie eenighsints aengeroerd en van diversche autheuren beschreven werd, sal UE. met goedvinden des Raeds en advys van de regenten van de plaets uwes aenwesens, de daer blyvende residenten[23] wel mogen gelasten, een reyse nae ’s rycx hooftstad te doen, om de Conincklycke Maijt., met een presentje van de medenemende rariteyten, uyt onsen name te congratuleren en soodanige aenbiedinge van vrundschap en verbond te doen, als hierboven aengewesen is, daer noch byvoegende ’t gunt ten meesten dienste van de Comp. sult bevinden te vereysschen.

Alle insolentie en moetwil van ’t scheepsvolcq tegen d’ontdeckte natien, sult voorsichtelyck prevenieren en versorgen hun geen overlast in haere huysen, thuynen, vaertuygh, middelen ofte vrouwen etc. werd aengedaen, insgelycx geen inwoonders tegen hunnen wille uyt haer land vervoeren, maer soo eenige weynige vrywilligh daertoe genegen syn, mocht die alsdan wel herwaerts brengen.

’T gunt voorders in Cathaya sal dienen gedaen, sullen hun, als synde ongeboorne dingen, niet instrueren, maer sulcx UE. en des Raeds vertrouwt beleyd bevolen laten, alleen recommanderen serieuselyck in alles soodanige voorsichtigheyd te gebruycken, dat ’s Comps. costelycke schepen en volcq, buyten alle vermoedelycke peryckelen soo veel doenelyck gehouden werden; om ’t welcke te beter te versorgen wy geensints begeren den Commandeur hem lichtvaerdigh van boord begeven, maer altyd in de schepen blyven sal, tot dat Comps. dienst, nae ’t goedvinden des Raeds, ’t contrary mocht vereysschen, opdat door onbedenckelycke quaede toevallen de vordere desseynen van dese importante reyse niet schaedelyck verhindert werden.

Nae dat dan alle (immers de nodighste) bevolen saecken in Tartaria syn verricht, ’t volcq wel ververscht en de schepen van versch water en brandhout behoorlyck versien, sullen UE. in ’t laetste van July ofte ten langhste ’t begin van Augusty, met vrundelycken oorloff van ’s lands regenten en inwoonderen, wederom t’ seyl gaen, stellende uwen cours dwars over den Tartarisen Oceaen Z.O.waert aen, tot op de longitude van ’t Oost eynde van Japan, ofte dat de Westcuste van ’t onbekende America Oostwaert de Cabos de Fortuna, Corientes[24] ofte Mendocina falsi gemoet, welck land in sulcken gevalle, soo ’t weder en wind bequaemelyck gedooght, sult dienen te verkennen en van daer, ofte voorgestelde punt, uwen wegh recht Zuydwaerts nae den Oosthoeck van Japan vervolgen, lopende ’t land op de 3712 graden in ’t gesicht, alwaer wy vertrouwen omtrent 20 à 25 Augusty met de Goddelycken hulpe wesen sult.

Van hier sal UE. d’ontdeckinge van ’t goud- en silverrycke eyland hernemen, die by den Commandeur Mathys Quast in den jare 1639 te vergeefs is onderleyd, welcx medegegeven Instructie en gehouden Journalen u tot beter verstand van ons scopus, in ’t vermyden van de aldaer begaene misslagen ter hand stellen, alsmede de schriftelycke vertogen ons van den Coopman Verstegen, op de gelegentheyd ende ’t ontdecken van dat eyland voorgesteld. Meldende in substantie, dat in de Zuyd-zee op 3712 graden Noorderbreedte, ongeveer 400 Spaense ofte 343 Nederlandse mylen by Oosten Japan, een heel groot en hoogh eylandt soude gelegen syn, wesende van blancq, schoon, vrundelyck en geciviliseert volcq bewoont, en boven maten silver- en goudryck, gelyck by seecker Spaens schip, over veel jaren varende van Manilha nae Nova Hispania, ervaren soude wesen; sulcx op die raporten in den jare 1610 ofte 11, den Coninck van Spanje een schip om ’t selve nader t’ ontdecken en in besit te nemen uyt Aquapulco nae Japan gesonden heeft, om van daer (als bovenwinds) d’ontdeckingh te doen, dat door quaed beleyd en ongeluckige toevallen verhindert is, en sedert heeft gemelten Coningk door onvermogen en nalatigheyd geen nader vervolgh op die apparente nuttelycke discourse gedaen, gelyck mede des Commandeurs Quast’s besendinge derwaerts, als meermalen aengetogen, geheel onvruchtelyck uitgevallen is.

Ende dewyle wy door gemelte en andere informatien seecker achten, ’t voorschreven eyland omtrent de aengetogen distantie by Oosten Japan gelegen is, hebben goedgevonden by dese gelegentheyd der Tartarische reyse, UE. oock dese[25] ontdeckinge ter bequaemer tyd hernemen sult, doende uwen cours van d’Oosthoeck van Japan, op den paralel van 3712 graden, 350 mylen recht Oost aen, des daeghs met goeden voortgangh, maer des nachts met cleyne seylen, om niet voorby te lopen, en soo ’t gemelte eyland in die distantie niet ontmoet, noch honderd mylen Oostelycker, opdat (soo ’t niet bejegent) verseckert wesen mocht ’t selve niet op geseyde latitude, maer aparent bet Noord ofte Zuydwaerts gelegen is.

Van dit aengeseylde punt, daeromtrent 20 September wesen cond, sullen UE. nae tydsgelegentheyd, gestalte van uwe schepen en volcq, een van de twee naervolgende wegen tot de voordere ontdeckinge, met goeden overlegh des Raeds by der hand nemen, namentlyck:

Den eenen cours is, van ’t geseylde punt (den tyd en wind sulcx gedogende) weder om de West (al cruysende van de 37 tot de 35 graden) nae Japan te seylen, om alsoo seeckerlyck te vernemen off ’t gewenschte eyland in dien wegh gelegen is ofte wel de eylanden, die men seyd tusschen de 30 en 36 graden, 100 à 150 en 200 mylen by Oosten Japan te leggen; daer voor seecker gehouden werd, eenige Japanse vaertuygen aengeweest en silver van daer in Japan gebracht hebben. ’T een noch ’t ander gemoetende, moet den wegh bet Zuyd-Westwaerts nae Formosa genomen werden.

D’anderen wegh is, soo de Westelycke passaetwind ’t weder keeren nae Japan, op de voorgestelde breedte by cruysende wyse (als aparent) niet gedooght, van ’t aengeseylde punt met een Noorden cours de Zuyd-Westcust van America, boven Cabo de Percelis ofte Mendocina, omtrent Cabo del Aqua aen Costa Trista in ’t gesicht te lopen, en soo ’t bequaemelyck geschieden can, in d’een of d’ander baey rede te nemen; waeromtrent Thomas Candisch, Engels Ridder, anno 1517, op 38 graden, in een bequaeme baey geweest is, daer seer goed volcq gevonden en dat land Nova Albion genaemd heeft, noterende men hier quaelyck eenige aerde opnemen can, offse geeft eenige aparentie van silver ofte goud. Dit land conde[26] alsdan in passant werden aengedaen, om iets van desselfs gelegentheyt te ervaren, u volcq met ’t gunt daer vinden mocht wat te ververschen en de schepen van ’t nodige water en brandhout te versien, om van daer met de Noord-Westelycke passaet, die nae alle aparentien op dien laten tyd des jaers in dat geweste vehement door blaesen sal, ten naesten by Zuyd-Westwaerts over te lopen, en alsoo op een rechten cours ’t begeerde goudrycke eyland, off een van de silverrycke eylanden, tusschen de 30 à 36 graden, 100 à 200 mylen by Oosten Japan, te ontdecken. Ende soo niet bejegend, den cours (even als in ’t eerste voorstel) nae ’t eyland Formosa tot eynde deser reyse te doen.

Maer dewyle ernstigh meynen ’t goudryck eyland met den Ooster cours, immers een van de andere silverrycke eylanden, door een van de twee wederkerende wegen ontdecken sult, soo sullen mede instrueren hoe u in dien gevalle ten dienst van de Comp. te schicken hebt, ’t welcke ten principalen soo wesen moet, als op de gelegentheyd van Cathaya voorgeschreven is, waerby noch ’t volgende cortelyck sullen voegen.

Dat wy meynen dese eylanden met de minste peryckelen bequaemelycxt aen de Zuyd-Oostsyde (wesende benedenswinds) connen aengedaen werden, aen welcken cust het goudryck eyland, in de Japanse Beobys(?) caerten, met een revier ofte haven affgeteyckend werd, als by ’t nevensgaende caertjen sult connen sien.

Soo dit groote eyland ofte de mindere eylanden en d’inhabitanten van dien, in effecte soodanigh bevind, als ons daer van gecundight is, namentlyck de landen seer goud- en silver ryck, en desselfs inwoonders wel geproportioneerde, blancke, vrundelycke, beleeffde en geciviliseerde lieden, sal daervan meer staet als van wilde barbare menschen dienen gemaeckt, minnelyck bejegent en derselver overigheyd aengediend, hoe uyt verre landen, om proffytelycken handel te soecken, daer gecomen syt, en haer met onse coopmanschappen en waeren[27] voor de commoditeyten huns lands soeckt te gerieven, vertonende de goederen UE. ten dien eynde medegegeven, die nae de eyschende bevindinge in estime houden moet, u bepalende, soo ’t goud en silver daer in groote abondantie is, die specy by ons in geringe estime, en niet beter als coper, spiaulter, thin off lood gehouden werd; echter sonderlinge letten, wat estime sylieden van alle metaelen maecken, en off ’t goud en silver by hun in grote waerdye is, wat mynen daervan hebben, en door wat middelen sy ’t selve uyt d’aerde graven en suyveren, neffens sulcx meer als tot goede cuntschap van des lands gelegentheyd noodigh achten en doenelyck vinden sult.

Ende soo ’t ontdeckte land van sulcken merckelycken ryckdom bevind, dat de generale Comp. daervan considerable nuttigheden trecken can, sal UE. ’t verblyven daer cort maken, en nae becomen informatie van de merckelyckste dingen, haestigh vertrecken en over Formosa op ’t spoedighste herwaerts comen, opdat des te tydelycker de vereyschte besendingen derwaerts connen doen, doch sal UE. voor ’t vertreck dienen te delibereren off nodigh sy, daer 2 à 3 bequaeme personen te laten, sulcx niet resolverende, dan met believen van ’s lands overheyd, op welcx begeren mede gelyck getal van de haere wel herwaerts brengen mocht, sonder iemant dier vremde natien tegen danck uyt hun land te voeren, maer raeckende dit point in alles te doen als boven van Cathaya aengewesen is. Ende dewyle wy onse intentie wegen uwe te doene voyagie in desen ten principalen hebben gededuceert, en op alle voor te vallen saecken geen precise ordre can gegeven worden, soo sullen ’t geene resteren mach en voorcomen sal, aen uwen yver, vigilantie en goed beleyd, neffens des Raeds voorsichtighe dispositie bevolen laten, met een hopent vertrouwen, gylieden in dese expeditie soodanigh vigileren sult, dat deselve tot nut van de generale Comp. succederen sal, als wanneer wy in’t recompenceren uwer gedaene debvoiren niet ondanckbaer sullen wesen, want byaldien[28] op uwe reyse eenige rycke en voor de Comp. proffytelycke landen ofte eylanden werden ontdeckt, soo beloven mits desen, de beleyders en alle ’t weldragende scheepsvolcq, met soo danige promotien te vereeren, als bevinden sullen haere gedaene goede diensten te meriteren, sulcx ons deshalven bedancken sullen, waerop u al ’t samen te verlaeten hebt; gelyck UE. mede een redelycke premie sult stellen voor desulcke, die eerst eenige onbekende landen, eylanden, ondiepten, sanden, clippen ofte schaedelycke vuylen vernemen sullen, ten eynde alle ongelucken soo veel doenlyck voorgecomen werde.

Alle ’t vaste land en eylanden die ontdecken, aendoen en betreden sult, moeten UE. voor de doorluchtige Ho. Mo. Heeren Staten Generael, als Souverayne van de Republicque der Vrye geunieerde Nederlantse Provintien, in possessie nemen, ’t welcke in onbewoonde landen ofte die geen Heeren hebben, door ’t oprichten van een steen ter gedenckenisse, ’t planten van ’s lands wapen, ofte onse prince vlagge tot waren eigendom geschieden can, want sulcke landen den vinder en innemer met recht behoren, maer in gepopuleerde landen ofte die ontwyfelyck Heeren hebben, sal in ’t nemen van den eygendom, ’t consent des volcqs ofte Conincx nodigh wesen, dat door minnelycke bewegen met ’t presenteren van een boomken, geplant in weynigh aerde, ’t gemeyn oprechten van een steen, wapen, ofte stellen van de prince vlagge, ter memorie hunner vrywillige submissie ofte onderwerpinge, dient te geschieden. Doch dewyle vermoedelyck is, UE. soo wel in Tartaria, als de onbekende eylanden meest gepoliceerde natien en diensvolgens oock wettelycke overheden vinden sult, sulcx met recht geen possessie van derselver landen can genomen werden, en van hare souveranité geen vrywillige afstand sullen willen doen, soo sal ’t nodigh wesen, met soodaenige natien ofte hare princen, verbond van vrundschap maeckt, waertoe ’t oprechten van de voorgemelte dingen, als gedenckteyckenen, dienen cunnen; alle welcke handelinge UE. perfectelycken in u Journael aenteyckenen sult, met nominatie van[29] de personen, die present sullen wesen, om in toecomende tyden onse Republicque te connen dienen.

En opdat de voyagie volgens dese Instructie en onse goede intentie wel magh gereguleert en voltrocken werden, goede ordre onder ’t volcq onderhouden, recht en justitie conform den generalen artyckelbrieff geadministreert, en vorders ten meesten dienst van de Comp. gedaen en verricht magh werden, ’t gunt op soo peryculeuse en langhdurige reyse voorvallen en vereysschen mocht, soo hebben den E. Maerten Gerritsen Vries tot Commandeur van beyde de schepen gestelt, denselven by desen authoriserende, om de vlagge op Castricum van de groote stenge te voeren, den Raed te beroepen en continueel daerin te presideren. Oversulcx gelasten en gebieden aen alle officieren en matrosen, niemant uytgesondert, die op de schepen Castricum en Breskens bescheyden syn, den gemelten Maerten de Vries voor haer Commandeur en Opperhooft t’ erkennen, respecteren en gehoorsaemen, mitsgaders in alle voorvallende gelegentheden met goeden raed en vlytige dienst, tot vorderingh der voyagie en ontdeckinge der onbekende landen, te assisteren, als vigilante en getrouwe dienaren betaemt en gelyck yder voor ons in ’t wederkeren meend te verantwoorden.

Den Raed van dese twee schepen sal bestaen uyt de volgende personen, namentlyck:

Den Commandeur Maerten Gerritsen Vries, Continueel Preses.
Schipper Hendrick Cornelisz. Schaep,  op  Breskens.  
Ondercoopman Willem Byleveld, » »  
Schipper Pieter Willemsz. Knechtjes, » Castricum.  
Opperstuerman Cornelis Jansz., (Coen) » »  
Opperstuerman Jeuriaen Bruyn, » Breskens.  
Provisioneelen Ondercoopman Abraham Pittavin op Castricum, die mede als Secretaris en by vereysch als Fiscus wesen sal.

[30]By desen Raed sullen alle voorvallende saecken, tot bevorderingh deser voyagie en uytvoeringh onser ordre, beleyd en afgehandelt werden, sullende den Commandeur by steeckingh twee stemmen hebben, doch in saecke van justitie sullen d’hooghbootslieden mede geroepen werden, als d’ordre onser principalen dicteert. Maer in saecken die de zeevaert, als coursen en ’t ontdecken van de landen etc., aengaen, sullen d’onderstierlieden mede compareren en adviserende stemmen hebben, die den Commandeur coligeren en met de meeste concluderende stemmen sluyten sal, versorgende alle resolutien terstont dobbel geregistreert, geteykend en ten dienste van de Comp. wel uytgevoert werden.

Soo den Commandeur Vries (dat God verhoede) quaeme te overlyden, sal de Schipper Hendrick Schaep in desselfs plaetse succederen en in alle deelen conform den inhoud deser Instructie, even als syn voorsaedt, gebieden en gehoorsaemt werden, soo dat betaemt.

De schepen gaen gemant met 110 cloecke coppen, daeronder 10 soldaten, synde op ieder schip even veel, mitsgaders van alle nodige amunitie, gereetschap en provisien wel versien en voor twaelf maenden ruymelyck gevictualieert. Laet alles wel en behoorlyck mesnageren, en ’t ordinarie rantsoen van twee vleesch- en een speckdagh, een mutsken asyn en 12 mutsken oly ter weecke, en 112 mutsken arack des daeghs, onder ’t volcq uitdeelen. Stercken arack gaet in yder schip twee leggers, om in de coude tot des volcx gesondheyd soberlyck uyt te deelen, maer insonderheyd diend ’t versch water en brandhout seer gemesnageert, synde daer omme van watervaeten ryckelyck versien, opdat daervan in geen noodwendige behoeften vervalt, en om ’t selve te soecken in uwer reyse niet verachterd ofte onverrichter saecken te keren genoodsaeckt werd, dat tot groote schaede van de Comp., die in ’t equiperen van dese schepen groote costen heeft gedaen, en u aller schande gedyen soude, dat daeromme met naerstige voorsichtigheyd voorgecomen diend.

[31]Tot besluyt van dese Instructie willen UE. des Albestierders segen toewenschen, welcx Divine Maijt. bidden uwe personen, tot volvoeringh van dese voorgenomen ontdeckinge, met mannelycke couragie te begenaedigen en verrichter saecken, behouden te laten keren, tot verbreydinge syner eeuwige glorie, reputatie onses Vaderlands, des Comp. sonderlingen dienst, ons contentement, en U aller onsterffelycke eere.

In ’t Casteel Batavia,
desen 2 February, Anno 1643.

(Get.) Anthonio van Diemen.
Cornelis van der Lyn.
Joan Maetsuycker.
Justus Schouten.
Salomon Sweers.


[32]

Memorie van de boecken en pampieren, die by d’Instructie van de Tartarise besendingh gevoucht moeten worden.

No. 1.
den Comm. alleen.
Tooneel des Aertrycx ofte nieuwe atlas, synde een beschryvinge met Caerten van alle landen des aerdcloots, door Wilhelm en Joannes Blauw.
do. eygen 2. Itinerarium ofte Schipvaert van Jan Huyghen van Linschoten.
do. alleen. 3. Nieuwe Wereld ofte beschryvinge van West-Indien, door Johannes de Laet.
4. Extract uyt ’t Vertoogh van den Coopman Willem Verstegen, nopende ’t ontdecken van de onbekende Custen van Corea, Jeso en Japan, mitsgaders d’eylanden daer by Oosten gelegen.
5. Remonstrantie van ditto Verstegen, op ’t ontdecken van ’t Goudrycke eyland by Oosten Japan.
6. Instructie voor den Comm. Mathys Quast, tot ontdeckinge van d’onbekende eylanden by Oosten Japan.
do.
alleen
  7. Een Journael van Commandeur Quast.   nopende hunne gedaene reyse in de Zuyd-zee.
  8. Een do. van Schipper Tasman  
9. Extract uyt ’t Journael van India, vervattende ’t succes van des Comm. Quasts voyagie by Oosten Japan.
10. Extract uyt de memoriale aenteyckeninge en bedenckinge van Maerten Gerritsen Vries op d’ontdeckinge [33]van ’t Zuydland, de Oostcust van Tartaria en d’eylanden by Oosten Japan.
11. do. uyt ’t Cort verhael van Maerten Gerritsen Vries, nopende de nuttigheden van ’t ontdecken van ’t Zuydland en Tartaria.
12. do. uyt ’t Vertoogh van Franchois Jacobsen Visscher, nopende ’t ontdecken der onbekende Custen van Japan, Corea, China, Tartarien en d’eylanden by Oosten gelegen.
No. 13. Cort begrijp van ’t ontdecken van Cathaya en d’eylanden by Oosten Japan, door Maerten Gerritsen Vries.
14. Memorie op ’t stellen van de raporten, voor de dienaers van de geoctroyeerde Oost-Ind. Comp.
15. Ordre voor den Schipper-Comm. Maerten Gerritsen Vries en vorder overicheyd van ’t fluytschip Castricum en ’t jacht Breskens, op hunne reyse van Batavia nae Molucco.
16. Factura van de Coopmanschappen en monsters van allerley waren, gescheept in Castricum en Breskens.
den
Com-
man-
deur
alleen.
  17. Inventarissen van de voornoemde schepen.
  18. Originele resolutien, getrocken op de gemelte reyse van den Comm. Quast.
  19. Seynbrieff op ditto voyagie beraemt.
  20. Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot ontdeckingh van ’t Goudrycke eyland.
21. Twee Caertges van ’t Goudrycke eyland, soo ’t selve in de Japanse Beobys staet.
do. alleen. 22. Gedruckte pryscouranten off Cours van negotie in Amsterdam, dato 30 September en 4 November anno 1641.

Alle welcke voorstaende Schriften ende Caerten by den Gouvern.-Generael en Raden van India syn overhandight aen den Schipper-Comm. Maerten Gerritsen Vries op Castricum[34] en den Schipper Hendrik Cornelisz. Schaep op Breskens, gedestineert tot de Tartarische ende voordere ontdeckingh; met last, sy alle deselve, in conformité van dese memorie, op hun keeren aen ons weder sullen hebben over te leveren, om ons in tyden en wylen daervan naeder te mogen dienen.

In ’t Casteel Batavia,
desen 2 February, Anno 1643.


[35]

REMONSTRANTIE

ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt, ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van 3712 graden, benoorden de Linie Equinoctiael.

Gederigeert

Aen d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael, en de presente Raden over den Nederlantse Staet in d’India, residerende ter Casteel Batavia.

Veele ende genouchsaem (is een) yder kennelyck alle het aertryck, soo wel ’t vast als d’eylanden, in den beginne van Godt Almachtich vast gefondeerd ende oock meest onveranderlyck in weesen gebleven is; dan noch tot op den huydighen dach niet alles by ons cunt waer, hoe veel van verstroyde volckeren ofte vluchtelingen dese wel bewoont en vervult is. Soo is ’t dat seer ruymen tyt geleden, seecker vaertuych van Manilha vertrocken weesende, voornemens ter traffique syne voyagie naer Nova-Hispania, in een deser plaetsen te doen, beoosten Japan in de Zuydtzee, op de hoochte van 3712 graden, omtrent 380 à 390 mylen van wal, een groot ende seer geweldich swaer weer ontmoetende, ja sulcx dat syn mast verloren ende genouchsaem te keeren ofte ’t eerste land aen te doen, genoodsaeckt was. ’t Weer wat handiger ende affgenomen wesende, met ’t claer jachten des luchts, saegen juyst t’haerer gelucke, een groot ende hooch verheven eylant, ’t welck haer niet weynich in haer gemoet deed blyden, daer den cours recht naer toe stellende, aenlanden, bevonden ’t vreempt ende niemant cundich; ’t volcq[36] van schoonder gedaente, blanck ende wel geproportioneert, seer min ende vriendelyck, als men niet soude connen nochte willen, omme mede omme te gaen, gewunschen. Alwaer nae een weynich tyts gelegen, het soodanich bevonden, dat naer een becomen mast, hunne reys te vorderen weder aennaemen, ende alle soo wel gecontenteert, dat haer docht tot onderhout van ’t leven als groote Sr. ofte banderheeren noyt iets te sullen meer ontbreecken; continueelyck soodanich daervan opgevende, niet anders alsof men ’t gout ende silver, by maniere van spreecken, bynaer maer by de strant opraepte; ja, hunder ketelen ende ander cocx-gereetschappen daervan gesmeden waeren. O! wat een te wunschene saecke soude ’t sijn, ende hoe nodich voor de Comp., daer sy in soo cort aenwesen haer beursen met te negotieeren als andersints soo swaer .... gelyck voormelt, gesmeden hebben.

Nu het is soo het wil ende sy soo ’t mach, men conde seggen, indien mette waerheyt accordeerde, men ’t selvige daerby niet soude gestaeckt noch achterweege laeten blyven hebben, dan nie(mant) en kent yders gelegentheyt niet, want particuliere coopluyden, ten sy met bewilligingh, geheel onvermogent, werwaerts hun gelieft t’equiperen, is ’t echter in’t jaer 10 à 11, ofte ’t jaer nae ’t nemen van den Heere Wittert[13], gebeurt; waeruyt claerlyck de waerheyt te speuren is, dat den Coninck van Hispania ’t selvige aengecundicht ende wel op beraden wesende, synen Vice-Rey van Nova-Hispania, residerende in de hoofdstad Mexica, (nu 2 à 3 jaeren verleden, meest ingesoncken....,) ten halve oft midts wegh van ’t lant, tusschen de Noord- en d’ Zuydzee gelegen, derwaert te equiperen last gegeven heeft; die tot voldoeningen der Mr. ordre, een jacht, genaempt St. Francisco, in een baye in Aquapulco, synde ongevaer 80 mylen van Mexica (een moeylyck te reysen lantwegh, oversulcx 14 à 15 dagen ordinary te passeeren), heeft laeten vaerdigen, ende ter vertreck gereet[37] maecken, met sulcken intentie, eerst in Japan gearriveert wesende, van ’t provenu der coopmanschappen ofte oock wel om der goede gelegentheyt van schepen, noch een tweede jacht tot Oringua, soo als derrewaerts ’t bequaemste oordeelen soude, te laeten timmeren; ende wert ’t volcq tot gemelte exploict aengenomen, ende daer over geordineert was als Generael, Jan Bastiaen Busqaine, een out, grys, bedaert persoon, niet min dan 70 jaeren, wien nevens alle andere ende mindere persoonen, ter bestemder tyt op de geordonneerde plaetsen in Mexica ende voor den Vice-Rey hun lieten vinden, alwaer een Conincklyck placcaet openlyck voor alle volckeren gepubliceert ende afgecundicht wert, waerinne verhaelt wert, Syne Mayt. op de aencundiging goet gevonden hadde, twee jachten te equiperen, omme ’t Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuydzee ter hoochte van 3712 graeden, naer opdaeginge te conquesteren ende onder syn gebiet te brengen, beloovende yder soo wel van de meeste tot de minste, naer merite een part oft uytdeylinge desselfs te doen ende meer; hun ten dien eynde den eedt van getrouwicheyt afvorderende, waerop gevolcht, gesaementlyck naer Aquapulco (de luyden te paert ende de goederen met muylen, volgens gewoonte) t’inbarqueeren haer begaven ende nevens noch drie andere jachten, genaempt St. Anna, St. Bastiaen ende het jacht welck Meester Adam, wiens soon Angiel present te Jedo noch residerende is, selfs laeten maecken hadde, sy naer Japan en d’andere naer Manilha gedestineert, vertrocken sijn. Daer aengecomen wesende, heeft den gemelten Generael, hoewel out ende bedaecht, buyten postuer met bouracheren, vrouweeren, dobbelen als spelen aengegaen, sulcx dat naer verheys nieuwers noch, noch op hemselfs acht namp. Den tyt hunner vertreck genaeckende, syn gesaementlyck soo wel het nieuwe daergemaeckte, als ’t ouwe metgenomene jacht, onder seyl gegaen, doch door onvoorsichticheyt is ’t gemelte nieuwe tegen een eyland, met lichten daege, liggende voor ofte niet verde van G.... t’eenemael verseylt, ende ’t ander, ’t welck naer behooren[38] niet gerepareert was, bevonden soodanich gestelt, dat daer van daen quaemen, weder genootsaeckt waeren te retourneren ende ’t jacht te sloopen. Alsdoen voorders ’t geen noch resteerde ten naestenby t’souck brengende, want het scheen eer deech noch rust voor alles op hadde geweest, waerdoor oock onmogelyck wiert, een vaertuygh ter eygen selfs vertreck te laeten maecken ende noch naer een jaer overblyvens genootsaeckt wierden, op een gallioen, dat Massammad, een groot lantsheer, (in wiens [haven?] geanckert geweest waeren,) op synen naem maecken en eygen risico naer Aquapulco trecken liet, met degene die ’t aenstond, te inbarqueren. Want eenige sustineerden uyt des Conincx dienst ende alsdan vry waeren. Welck gallioen, dat meer is, selfs ’t gemelte eyland in ’t gesicht gehad heeft, veel drift vernaemen ende van tortelduyven schier als vervult wiert, dan, omme de Japanders meesters waeren, mosten naer hun pypen dansen. Dat dit waerachtich ende geloove seecker is, want Sr. Vincent Romeyn, ter stede Nangasaecke woonachtigh, een geloofwaerdigh persoon, doenmaels in Mexica weesende, de publicatie selfs met eygen ooren gehoort en een persoon met de galioten verscheenen ende geretourneert, gesproocken, die met ’t gemelte galioen teruggekeert en dit eyland verclaert met waerheyt gesien heeft. Op gemelte St. Francisco, dat meer is, was een Nederlants schieman, genaempt Marcus Symonsen, in syn leven een goede bekende van d’E. Heer Specx, welcke nevens eenige andere daer te lande verbleef ende in Nangasaecke lange geresideert; alwaer noch twee dochters in leven heeft. Soo dat genoechsaem al ’t geene waer ende niet aen te twyfelen is; oock laet het sich niet onbillyck aensien, door misnougenheyt ofte wel cleyn vermogen ende nauw omcomen van qualyck te equiperen, het vorderlyck by der hand tenemen, tot beter ockagie gestaeckt ende naergelaten wert. Wie weet off de Heere onse Godt, der Spanjaerden, om ’t quaed ende boose hunner voornemen, oock d’aenslagh niet confuys gemaeckt heeft; als niet[39] willende gehengen, d’arme luyden hun noyt hebbende misdaen, maer integendeel wel bejegent ende vriendelyck geweest, van haer goet ofte erfdom, welcke als een proye buyten wilde, souden werden ontrooft.

Gemelte dan, UEd. Heeren, verstaen hebbende, dacht my verplicht te weesen, ten dienste van de Comp. ende welvaeren onses gemeynen Vaderlants, UEd. ’t selve de weet van te doen, opdat der vyanden voordeel mach affgesien ende door ons becomen werden. Want menichmael leyt het vier bedolven onder de assche, waervan eyndelyck een geheelen brant ontsteecken can. Het is een licht te beginnen ende oncostelyck werck, misschien de Comp. daer soo veel proffyt als uyt Japan te mogen haelen; twee cleyne ofte handige stercke zeejachten uyt Japan derwaerts gesonden, soude ter aenvangh genouch syn, omme, ofte ’t eene te missen quamp, het andere mocht te recht geraecken; was, porseleyn, stoffen enz. sulcke ende diergelycke waeren soude tot een monster ofte preuve een weynich connen medegenomen worden; die t’allen tyde ende schoon onvruchtelyck keerende, haer gelt daer weder wel haelen sullen. ’t Is een groot hooch lant, dan niet weetende watter van sy, oversulcx d’ondervindingh de beste leermeester syn sal; het leyt als gesecht maer 380 à 90 mylen ofte op het hoochste 400 mylen van Japan, op de hoochte qualyck van 3712 graden, is oock meermaelen gesien van d’andere vaertuygen, uit Nova-Hispania naer de Manilha ofte wel Manilha naer Nova-Hispania willende; dan schynt, al even in ’t gesicht crygende, haer ordre, als daertoe geen last hebbende, niet te buyten gaen mogen, en sulcx ende diergelyck vast d’oorsaecke van onbekentheyt is blyvende.

Gemelte Sr. Vincent Romeyn, soo UEd. daervan een preuve sints te doen syt, heeft gepresenteert selfs persoonlyck, op de goede hoope die door eygen cuntschap van alle ’t gene is hebbende, mede te willen laeten gaen. De jachten souden mede cunnen geemployeert worden omme een te doene tocht, ter opspeuringe wat vorder om de Noort in ’t ryck[40] van China ofte wel Corea te doen soude mogen wesen, gemerckt van d’inlanderen selfs een grooten handel derwaerts uyt, over ende weder gedaen worde; jae ’s Keysers passen soo wel naer Tonquyn en Cochin-China, als over ’t lantschap China en Corea, plegen verleent te worden.

Dit dan dus cortelyck gestelt ende by den anderen versaemelt wesende, gelieven UEd. als uyt een tuygende genegentheyt, volgens als voormelt van de Comp. ende Vaderlants welvaeren te geschieden, aen te nemen van

UEdlens onderdaenigen, altyd
verplichtenden dienaer
(get.) Willem Verstegen.

Actum in ’t schip Amsterdam,
voor de straete Balimboan,
desen 7 December, anno 1635.


[13] De zeevoogd Francois Wittert werd in het jaar 1609 bij Manilha door de Spanjaarden genomen.


[41]

ORDRE TOT DE ZEYLAEGIE

voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries en de verdere overigheyd van de fluyt Castricum ende ’t jacht Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs d’Oostcuste van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel Maleye sullen hebben te reguleren.

Om wat redenen ende motiven wy in Rade van India goed gevonden hebben, UE. tot begin ende aenvangh van de geordonneerde voyagie nae de Noord, over de Moluccos te laten navigeren, sullen hier niet verhaelen, maer gedraegen tot onse aen UE. verleende generaele Instructie, op die gelegentheyd wyd ende breed gextendeert, ende in desen niet verder gaen, als tot vertoogh van d’ordinarie courswysing langhs Celebes Oostcust tot in Ternaten, gelyck daertoe gerefereerd werd.

Naerdat dan morgen vroegh gemonsterd ende uwe anckers aen boord hebt, sullen UE. in Godes naeme van dese rheede scheydende, haren cours doen om Pulo Rakit ende Boomkens Eyland by Noorden te laeten en de Javaense cust in ’t gesicht houden, mits omtrent twee mylen daer buyten blyvende, op de diepte van 10 à 12 vaedem, alsoo den Vlacken ende Schaedelycken hoeck (seylende van hier Oostelyck) wel te loden syn, voorts uytsiende nae den steen, die in ’t Noorden van Kandanghauwer leyd, omtrent drie mylen in zee.

Het rechte vaerwater van Batavia naer de Enghte tusschen Celebes ende Salayer is te houden op de ses graden Zuyderbreedte, om in ’t gesichte van ’t hooge Javase land[42] by Zuyden Carimon-Java en Lumbocq te seylen, naer de Brede-Banck, ruym derthien mylen by Westen den hoeck van Tanakeka gelegen, daer die passeren moet op 8, 10 à 14 vaedem, wanneer wel diend uyt te sien naer de Twee-Stenen, daer anno 1633 een onser burgers-joncken op gebleven, ende den Gouverneur-Generael anno 1638 (vaerende nae Amboyna) met de vloote omtrent geweest is; niet alleen naer dese, maer nae alle andere clippen, rudsen en drooghten, sult doorgaens naerstigh uytkycken, ende een man aen de stenge houden, om alle ongemack soo veel mogelyck voor te comen.

De gemelte banck gepasseert wesende, sult in der yl den hoeck van Tanakeka voornoemd, aen boord maecken te crygen, ende die soo nae loopen, als sonder peryckel ende tydversuym geschieden can, opdat van ’t land gesien mocht worden; seylende dan voorts digt langs de Celebese Zuydcust, naer en door voorschreven enghte, item wyders tot de straete van Bouton, die op het alderspoedighste sult trachten te passeren, ende is ’t doenlyck, sonder ten ancker te comen. Doch ’t selve genootsaeckt wordende, ende iemant van de Boutonders aen boord verschynende, voorsichtelyck hooren wat te seggen hebben, ende hun voorts aendienen, om met haer te handelen, geen last hebt, maer dat cito voort moet, doch eerstdaeghs daer noch eenige schepen, met soldaten nae Amboyna gedestineerd, staen te passeren, die hun beter te spraeck sullen connen staen.

Ondertusschen moeten UE. niemand aen land vertrouwen, tegen die moordadige diefachtige natie wel op hoede, ende in posture van defentie maecken te wesen, ten eynde de voordesen gepleeghde gruwelycke actien niet mede subject werd; buyten dat sult hun in ’t passeren der aengetogen straete niet beschaedigen.

De gemelte straet doorgeseyld ende van waeter wel versien synde, sult dan by Oosten de custe van Celebes trachten op te stoppen, tot de hooghte van omtrent een graed by Noorden[43] de linie, wel verstaende, soo UE. de wind daertoe wil dienen, soo niet, meught wel om d’Oost oversteecken, wanneer de linie genadert syt; alsoo dan ongetwyffelt Macquian wel beseylen sult, te meer de stormen omtrent de Guriches—dat syn clippen ende cleyne eylanden in ’t Zuyden van Macquian gelegen—stilstant nemen, soo d’ervarendheyd geleerd heeft.

Op de gemelte Oost-custe van Celebes bevint men veele droogten, moet derhalven voorsichtigh seylen, ende des nachts letten als het doncker is, maer het water rolt er soo slecht ende de custwinden syn daer soo dienstigh, dattet een goed vaerwater sy, ende tot meerder claerheyd behandigen u nevens desen, elck een caertjen van de gelegentheyd derselver Oost-custe, streckende van Celebes, tusschen den hoeck daer ’t Eyland Waeroway byleyd, tot omtrent 112 graed by Noorden de Linie, in ’t welcke, met de aenteeckening der diepten, werd aengewesen den cours die men heeft te nemen, dat meest Celebes naest geschieden moet, alsoo men daer vind de meeste openingh, mitsgaders de minste drooghten ende bancken, die t’zeewaerts soo menighvuldigh syn, datter geen doorcomen gesien werd.

Wy houden ’t soo geraeden, dat van Celebes oversteeckt om Macquian te beseylen als Ternate, aengesien van Macquian binnen door, langs de West-cust van Batachina ofte Hala Machera, mede goed opcomen is.

Omtrent de Moluccos verschynende, sult u wel slaghvaerdigh houden, insonderheyd verdacht wesen op het aencomen der Spaense galeyen by stilte ofte andersints, oock sorge draegen dat by den anderen blyft, ende gelyckelyck voor ’t Casteel Maleyen verschynd, om te minder peryckel van d’aengetogen galeyen subject te syn; wyders ’t volck onderwege met de waepenen oeffenen, opdat daerin t’ervaerener werden, tegen alle voorvalligheden van offentie en defentie.

Behalven de Portugesen, met wien onse Souveraine in Nederland voor thien jaeren trefúes gemaeckt ende hierover[44] doen publiceren hebben, sullen UE. gesaementlyck vyandelyck aentasten alle die by Oosten den Bouqueron sonder onse passen comt te gemoeten, niemant uytgesonderd als die van Bouton, wanneer u niet selfs eerst offenceren; doende alle mogelyck debvoir om desulcke voorsichtelyck te vermeesteren ende in u gewelt te becomen, nemende haer personen in goede versekeringh, ende hun goederen onder inventaris over, om die naer Molucco te brengen, ende daerover gedisponeert te worden als naer behoren.

Met lieff op Tarnaten g’arriveerd wesende, sult de nevens gaende brieven aen den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen overleveren, ende u voorts reguleren naer onse hier voor geciteerde generale Instructie, aen dewelcke wy ons, als geseyd wyders blyven gedraegen.

Wenschende UE. tot het voltrecken van d’een ende d’ander voyagie, den Heyligen zegen ende protextie des Alderhoogsten.

In ’t Casteel Batavia,
den 2 February, anno 1643.

(Get.) Anthonio van Diemen.
Cornelis van der Lyn.
Joan Maetsuycker.
Justus Schouten.
Salomon Sweers.


[45]

JOURNAEL

ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den Opperstierman Cornelis Jansz. Coen, vaerende op ’t fluytschip Castricum, beneffens ons het jacht Breskens; synde geordonneert van den E. Heere Gouverneur-Generael Antonio van Diemen ende de Raden van India, tot ondeckingh van Tartaria, ’t Coninckryck van Cathaya ende West-custe van Ameryca ende de Gout- ende Silverrycke Eylanden, die soude gelegen wesen by Oosten Japan, op omtrent de Noorderbreeten van 3712 graden, onder het Commando van de Ed. Commandeur Maerten Gerritsz. Vries.

Beginnende van Ternaten alwaer van daen wy op den 4 April anno 1643 t’seyl syn gegaen. Godt verleen ons geluck ende voorspoet, dat onse reys mach gedien tot welstant onser Ed. Heeren Meesters ende voortplanting synder gemeynte, Amen.

April.

c 4.

’s Middachts heeft den E. Heer Commandeur met syn byhebbende raetspersoonen, een eerlyck afscheyt genomen van den E. Heer Gouverneur Seroyen, ende syn ’s avonts met een Suydelyck coeltie, in den naem Godts t’seyl gegaen van Tarnatens ree; de goede genadige Godt verleen ons goet succes ende behouden reys, Amen. ’s Nachts hadden wy moy weder, deden ons best om de cust van Gillola aen boort te crygen.

[46]d 5.

’s Morgens hadden wy moy weder, de wint variabel, alsdoen lach het eylant Hiery W.S.W. 2 mylen van ons, doe passeerden ons eenige corra-corras ende galalys, die van Gillola quamen en wilde naer Ternaten toe. De wint loopende in ’t Noorden, deden ons best met laveren om Noort te winnen. ’s Middachts waeren wy omtrent 112 myl buyten de cust van Gillola. Naer de middach liep de wint Noordwest, ’s nachts variabel Oost ende dan weder Noorden, somtyts met slappe koelte.

e 6.

’s Morgens was het regenachtich doncker weder, waeren omtrent 4 mylen buyten de cust van Gillola, de wint variabel. ’s Middachts waeren wy op de Noorder breeten van 1 graed 22 minuten, alsdoen lach de banck van Ternaten S. omtrent 7 mylen van ons, waeren 2 mylen buyten de cust van Gillola, deden alle devoir om Noort te winnen, maer bevonden hier harde stroom om de S. te gaen. ’s Avonts saegen wy de eylanden van Tongy-Songy in ’t N. vyf mylen van ons, waeren 112 myl buyten de cust van Gillola, saegen de berch van Ternaten in ’t S. van ons, de wint alsdoen N.N.W. ’s nachts Oostelyck met veel stilte.

f 7.

’s Morgens met den dach cregen wy een styve regen met een variable coelte, doch meest Noordelyck. ’s Middachts lach de berch van Ternaten S. ten O. 12 O. ende de eylanden Tongy-Songy in het N.O.t.N. 5 mylen, synde buyten de cust van Gillola, de wint alsdoen N.N.W. Wenden het alsdoen om de N.O., alsdoen is door den ordinaris seyn van den E. Commandeur den raet beroepen; van beyde scheepen is geresolveert om soo veel als mogelyck was ons devoir te doen, om de N. hoeck van Moratay aen boort te crygen ende van daer alsdan onse coers om[47] de N.O. aen te stellen, soo veel weder en wint soude mogen toelaeten. ’s Avonts in ’t opsetten van de wacht schoot de wint in ’t O.t.N., maar cort weder Noordelyck, variabel.

g 8.

’s Morgens moy weder, het luchien Oostelyck. ’s Middachts hadden wy de N. breete van 1 gr. 44 min., alsdoen lach de berch van Ternaten S. 12 O., de eylanden Tongy-Songy O. 12 N. 4 mylen van ons, de wint doen Noordelyck. ’s Avonts door een peyling bevonden 4 gr. 7 min. N.O. tering. ’s Nachts moy weder met veel stilte.

a 9.

’s Morgens moy weder, met een variabel luchien uyt een N.O. ende N.N.W. met veel stilte. ’s Middachts lach het eylant van Ternaten S. 14 O. ende de eylanden van Tongy-Songy O. 14 N. 4 mylen van ons, hadden alsdoen de N. breete van 1 gr. 48 min. Cregen doen een cleyn Noordelyck luchien, maer corts weder stil, in ’t ondergaen van de son cregen wy een cleyn coeltie uyt een Noorden, hetwelck nae het O.N.O. trock, wenden het doen om de Noort. Omtrent de middernacht cregen wy weder de wint variabel Noordelyck.

b 10.

’s Morgens moy weder, met een variabel luchien met veel stilte. ’s Middachts waeren wy op de gegiste breete van 1 gr. 50 min., doen lagen de eylanden van Tongy-Songy O.t.S. 3 mylen van ons, de Westhoeck van do. eylanden ende hoeck van Gamma .... liggen S. 12 W. en N. 12 O. over malcanderen in strecking; wenden het N.waert over. ’s Avonts lach het eylant Salangary N.N.O. 12 O. 5 mylen, en het eylant Tongy-Songy S. 12 W. van ons. ’s Nachts in de eerste wacht hadden wy regen met een variabel coeltie, in ’t 4de glas van de wacht cregen wy de wint O.N.O., wenden het N.waert over, de wint[48] corts met stilte naer het N.O. treckende, cregen een moy coeltie, lieten het N.N.W.waert overstaen.

c 11.

’s Morgens moy weder, cregen omtrent 2 ure naer sons opganck een cleyn reegen caeckien[14] met een N.N.O.coelte, wenden het om de O., corts daernaer dreven wy in stilte, wat voor de middach cregen wy een moy luchien uyt een N.O., wenden het om de N.N.W. ’s Middachts waeren wy op de bevonden breete van 2 gr. 7 min. ende op de lengte beoosten de meridiaen van Teneriffa 145 gr. 4212 min., de wint alsdoen N.N.O., conden alsdoen de berch van Ternaten noch pas sien in het S. 13 W. van ons. Het eylant Doy, het N. eynt N.O. 12 N., het midden van ’t eylant Tuancara N.O.t.O., het S. eynt van ’t eylant Pou O.t.N. 12 N. van ons 5 mylen; naer de middach cregen wy een moye coelte uyt een N.W., wenden het N.N.O. waert over, dreven ’s nachts in stilte.

d 12.

’s Morgens moy weder, dreven in stilte tot 2 ure voor de middach, waeren met de stroom wel 112 myl om de S.S.W. gedreven, cregen doen een moy coeltie uyt een N.O. ende trock naer het O.N.O. Seylden met do coelte soo veer om de N., tot ’s middachts op de breete van 2 gr. 7 min., ende hadden de bovengemelte eylanden op een peyling van ons als boven. Naer de middach dreven wy in stilte, somtyts een cleyn variabel coeltie N.N.O. N.O. en N.W., dreven ’s nachts in stilte.

e 13.

’s Morgens moy weder, dreven meest in stilte. ’s Middachts bevonden wy de N. breete te hebben van 2 gr. 12 min., op de lengte te syn van 145 gr. 33 min.; alsdoen lach het eylant Doy N.O.t.O. 6 mylen[49] van ons, te weten het Noorteynt, dreven die naemiddach in stilte. ’s Avonts conden wy de berch van Tarnaten noch pas sien in ’t S. van ons. ’s Nachts een cleyn luchien uit den Suyden.

f 14.

’s Morgens moy weder, dreven in stilte, somtyts een cleyn variabel luchien uyt een W. ende S.S.W. ende S. Waeren doen op de gegiste breete van 2 gr. 23 min., op de lengte van 145 gr. 50 min., ende bevonden breete 2 gr. 22 min., vertiert 5 mylen; alsdoen lagen de eyl. van Doy, het middenlant O.t.S., 14 S. 3 mylen van ons, saegen oock het eylant Behoa O. 12 W. van ons. Naer de middach cregen wij een cleyn variabel luchien. ’s Nachts een cleyn coeltie uyt een Oosten, lieten het al N.waert over staen.

g 15.

’s Morgens was de wint N.O. met moy weder, lieten het al N.N.W. over staen, peylden alsdoen het middenlant van Doy S.O.t.S., omtrent 6 à 7 mylen van ons ende Behoa O.t.S.; giste ’s middachts geseyld te hebben, N.t.W. 7 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 2 gr. 49 min., ende op de lengte van 145 gr. 44 min., ende bevonden breete van 2 gr. 49 min. Saegen doen het hooge lant van Morotay in ’t Oosten van ons, leyden alsdoen onse compassen op 4 gr. N.Oostering. Cregen naer de middach de wint N.O., in de eerste wacht ’s nachts O.N.O., in de tweede wacht N.O.t.O., in de dachwacht N.O.t.N., al met een cleyn topseyls coelte, lieten het al N.waert over staen, de see begon styf uyt een N. aen te schieten met heel holle deyninge.

a 16.

’s Morgens de wint N.O. met topseyls coelte, lieten het al N.N.W.waert over staen, saegen met sons reysen het eylant Talao in ’t W., omtrent 8 mylen van ons, ende is gemeen hooch lant ende gelyckt daer benoorden van, vol cleyne eylanties ende clippen te[50] liggen. Tegen den middach cregen wy de wint N.N.W., wenden het N.O.waert over, somtyts regen; giste ’s middachts behouden cours geseylt te hebben, N.W.t.N. 14 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 3 gr. 36 min., op de lengte van 145 gr. 13 min. ende op de bevonden breete van 4 gr. 6 min.; alsdoen lach het Suydelycxste lant van Talao, W.S.W. 12 S. 8 mylen van ons, ende het Noordelycxste lant N.W. 10 mylen. Ick bevont dat ons de stroom hier wel 7 mylen veerder om de Noort geset had, als onse gissing uyt wees. Naer de middach liep de wint in ’t N.N.O., lieten het Oostwaert over staen. ’s Avonts met sons-ondergang, lach het Noordelycxste van de eylanden Talao W. 10 mylen van ons, naer dat ick met goede opmercking sien can, waeren wy in de tyt van 6 ueren 4 streecken recht in de wint opgedreven, om de N.N.O. ’s Nachts 3 glasen in de eerste wacht, liep de wint in ’t N.O., wenden het N.N.W. waert over, in ’t uytgaen van do. wacht, cregen wy de wint Noorden, met caeckich weder ende regen, wenden het om de Oost.

b 17.

’s Morgens hadden wy doncker weder, de see groff uyt een N.O. aenschietende, de wint N.N.O., N.O.t.N. ende N.O., N.O.t.O., saegen veel raveling van stroom. Naer gissing geseylt in dit etmael N.N.O. 12 O. 10 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 4 gr. 41 min., ende op de lengte van 145 gr. 3112 min., ende op de bevonden br. van 5 gr. 13 min.; bevonden als vooren dat ons de stroom, 8 mylen veerder om de Noort geleyt had, als onse gissing was. Dese stroomen tegen de wint oploopende, veroorsaecken alhier het hol water ende de hooch rysende sees. Naer de middach de wint variabel, tusschen het N.N.O. ende S.O., als oock ’s nachts met travadich[15] weder, somtyts regen.

[51]c 18.

’s Morgens was de wint variabel, tusschen het S.O. ende N.N.O., ’s ochtens cregen wy een styve regen caeck, ende ’s middachts de wint N.O., met moy helder weder; giste geseylt te hebben, Noorden 12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 6 gr. 1 min., ende op de lengte als vooren; waeren doen met ons besteck op de cust van Araya, maer saegen geen lant, soodat ick vast vertrou, ons de stroom om de N.O. geset hadde. Op dato hebben wy een swaer ancker ende 6 stucken in ’t ruym geset, tot verlichting van ’t schip; hebben oock getalyt ende gestaecht. ’s Nachts moy weder.

d 19.

’s Morgens de wint meest N.O.t.N., somtyts O.N.O., met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, Oost 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 6 gr. 30 min., ende op de lengte van 146 gr. 3512 min.; soodat wy in dese 2 etmaelen, omtrent 7 mylen veerder om de Noort gedreven waeren, als het gegiste punt. Het weder met een swarte donckere lucht, naemen onse marsseyls in, om niet van ’t jacht Breskens te versteecken; seylden met schoverseylen N.waert over, de wint O.N.O. met styve topseyls coelte.

e 20.

’s Morgens noch al ongestadigh weder, met styve topseyls coelte, somtyts regen, hadden al hol water met veel raveling van stroom, de wint meest O.N.O. ende N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben N.t.O. 12 O. 14 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 7 gr. 2312 min., ende op de lengte van 146 gr. 5112 min., ende op de bevonden breete van 7 gr. 40 min. Bevonden dat de stroom ons omtrent 4 mylen veerder om de Noort geset hadde, als het gegiste punt, dan bevondt deselve al langsaem te verslappen. ’s Nachts hadden wy caeckich weder van regen, ende de wint uyt een O.N.O. en Oosten.

[52]f 21.

’s Morgens ongestadich weder van regen, ende de wint als vooren, giste ’s middachts geseylt te hebben, Noorden 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 8 gr. 40 min., lengte als vooren; hebben wat naer de middach de boot ingeset, saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts al ongestadich weder, met regen ende met styve O. ende O.N.O. winden.

g 22.

’s Morgens weder ende wint als vooren, saegen eenige steencroos dryven, ende een snip rontom het schip vliegen. Myn besteck stondt alsdoen 10 mylen buyten het eylant St. Jan, maer saegen geen lant. Tegen den middach werdt het heel moy weder, met een opclaerende lucht, de wint O.t.N.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.t.W. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 9 gr. 43 min., ende op de lengte van 146 gr. 3812 min., ende op de bevonden breete van 9 gr. 40 min. Bevonden alsnu seer weynich of geen stroom, met slecht water. ’s Nachts moy weder.

a 23.

’s Morgens moy weder, met een grauwe lucht, de wint O. en O.N.O., met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, Noorden 18 mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 10 gr. 52 min.; bevonden door een peyling 4 gr. 20 min. N.Oostering.

b 24.

’s Morgens moy helder weder, met een O.t.N. wint met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 18 mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 12 gr. 4 min., ende op de lengte als vooren, op de bevonden breete van 12 gr. 8 min.

c 25.

’s Morgens hadden wy moy weder, met een claere sonneschyn, de wint als vooren, met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 17 mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 13 gr. 16 min., hadden ’s nachts moy stil weder.

[53]d 26.

’s Morgens begon de wint naer het N.O. te trecken, ende voorts naer het N.N.O. Twee ueren naer sons reysen wenden het om de Oost, de wint N.t.O. met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 12 O. 1212 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 14 gr. 6 min., ende op de lengte van 146 gr. 4312 min., ende op de bevonden breete van 14 gr. 12 min., alsdoen giste ick caep Spiritus Santa 38 à 40 mylen, S.W.t.W. van ons. Naer den middach ten 4 ueren, quam de wint S.O., wenden het ende lieten het om de N.O. aengaen. ’s Nachts continueerde de S.O. coelte, met moy weder.

e 27.

’s Morgens weder ende wint als vooren, met topseyls-coelte. ’s Middachts de wint S.O.t.S.; giste geseylt te hebben, N.O.t.O. 22 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 15 gr. 9 min. ’s Avonts bevonden 4 gr. 43 min. N.Oostering des naelts.

f 28.

’s Morgens moy weder, met een heldere lucht, de wint als vooren, met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 22 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 16 gr. 11 min., ende op de lengte van 149 gr. 312 min., ende op de bevonden breete van 16 gr. 16 min. ’s Nachts cregen wy de wint variabel, S.S.W. ende W.S.W., somtyts met stilte.

g 29.

’s Morgens moy weder, de wint variabel S.S.W., S.W.t.S., S.W., W.S.W. somtyts stilleckens. Alsdoen heeft de E. Commandeur door de gemeene seyn den raet beroepen van ’t fluytschip Castricum ende ’t jacht Breskens; ende is geresolveert om onse cours N.O. te vervolgen, soo veel weder ende wint sou mogen toelaeten, tot op de N. breete van 24 gr., ende op de lengte van de Oostcust van Japan. Het selve bevonden hebbende, alsdan onse coers N. aen te stellen, tot op de N. breete van 3712 gr., ende aldaer[54] de cust aen te doen; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 12 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 16 gr. 50 min., ende op de lengte van 149 gr. 3812 min., op de bevonden breete van 16 gr. 50 min. Naer den middach cregen wy een moye coelte, doch variabel N.W., N.N.W., N., N.N.O., saegen een swaluw rontom het schip vliegen, vongen dien avont 2 groote bonyten. ’s Nachts de wint meest O.N.O., met doorgaens topseyls-coelte.

a 30.

’s Morgens weder ende wint als vooren. Sloegen 2 nieuwe marsseylen aen, cregen in ’t cort verandering van weder, wert heel doncker met styve regenbuyen, de wint variabel, wenden het verscheyden reysen over ende weer; giste ’s middachts door malcanderen geseylt te hebben, N.O. 7 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 17 gr. 10 min., ende op de lengte van 149 gr. 5912 min., ende op de bevonden breete van 17 gr. 23 min.; saegen veel raveling van stroom, hadden hol water uyt een N.O. ’s Nachts hadden wy ongestadich weder, van regen ende wint, met harde buyen uyt een O.N.O.

Mayus.

b 1.

’s Morgens ongestadich regenachtich weder, de wint O.t.N., treckende temet naer het O.N.O., ende voorts naer het Oosten ende O.N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben; N.t.W. 12 W. 18 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 18 gr. 31 min., ende op de lengte van 149 gr. 3712 min. Naer den middach styve regen, met een harde S.wint, saegen eenige swarte ende grauwe meeuwen vliegen; vernamen veel raveling van stroom, cregen tegen den avont de wint variabel.

c 2.

’s Morgens een grauwe lucht met motregen, doch claerde tegen den middach op, cregen helder sonneschyn[55] weder met stilte, met holle deyning uyt een N.O.; giste geseylt te hebben N.N.O. 9 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 19 gr. 4 min., ende op de lengte van 149 gr. 5112 min., ende op de bevonden breete van 18 gr. 57 min.; saegen ’s avonts een swaluw om ’t schip vliegen. Twee glaesen in de eerste wacht, cregen wy een cleyn luchien uyt den Oosten, dan corts daernae weder stil, somtyts een cleyn dwarrelcoeltie, voorts stil.

d 3.

’s Morgens stil, wat op den middach cregen een cleyn coeltie uyt den Oosten, met holle deyninge uyt een N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 12 O. 5 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 19 gr. 17 min., ende op de lengte van 149 gr. 5412 min., ende op de bevonden breete van 19 gr. 17 min. Cregen naer de middach veel motregen, saegen ’s avonts eenige meeuwen vliegen. ’s Nachts moy weder, de wint Oost ende O.t.N. met topseyls-coelte.

e 4.

’s Morgens de wint Oost, somtyts O.N.O., met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 12 W. 20 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 20 gr. 37 min., ende op de lengte van 149 gr. 4612 min., ende op de bevonden breete van 20 gr. 39 min., met holle deyninge uyt een N.O. en O.

f 5.

’s Morgens moy helder weder, de wint O.t.N., met hol water uyt een N.O., giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 12 W. 20 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 21 gr. 59 min., ende op de lengte van 149 gr. 3812 min., ende op de bevonden breete van 22 gr. Naer de middach begon de see styf uyt een S.O. aen te schieten. ’s Nachts de wint O.t.S.

g 6.

’s Morgens moy weder, de deyninge uyt een S.O., hebben voor de middach getalyt ende gestaecht, saegen[56] een cleyn grau lantvogeltie om het schip vliegen. ’s Middachts de wint S.O., giste alsdoen geseylt te hebben N.t.O. 14 O. 18 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 23 gr. 10 min., ende op de lengte van 149 gr. 5712 min., ende op de bevonden breete van 23 gr. 10 min. Naer de middach omtrent ten 4 ueren saegen wy een groote trop cleyne meeuwen N.O. opvliegen; vingen dien avont een grooten bonyt.

a 7.

’s Morgens deysich, corts daernae helder weder, de wint meest O.S.O. ende S.S.O., met slecht water, saegen verscheyde cleyne clipmeeuwen vliegen; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 19 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 4 min., ende op de lengte van 150 gr. 5612 min., ende op de bevonden breete van 24 gr. 6 min.; saegen, wat naer de middach, een groote streeck schuym, vermengt met een raveling van stroom, waarin veel besaens qualities ende steencroos, ende ronde qualities ende een stuck hout saegen dryven: ’t welck seeckere teeckens van lant behoorde te wesen; dan conden geen lant sien.

b 8.

’s Morgens was het deysich weder, saegen, wat naer sons reysen, een cleyn eylantien, dat niet heel hooch was, ende was naer het scheen omtrent 112 myl lanck, ende lach W.t.N. 13 N. 4 mylen van ons; soo ick con bemercken soo dreven wy styf om de Noort, de wint Suydelyck met een sleyckende coelte[16]; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.N.O. 15 mylen, doen lach do. eylant West 6 mylen van ons, waeren doen op de gegiste breete van 24 gr. 29 min., ende op de lengte van 151 gr. 5712 min.,[57] ende op de breete van 24 gr. 43 min., soodat ons de stroom omtrent 312 myl veerder om de Noort geset had, als ick gegist had.
Soodat dit eyland ligt op de bevonden breete van 24 gr. 43 min., ende op de lengte van 151 gr. 3112 min.; ende alsoo wy hier geen eylant in de Compagny’s Caert bevinde te liggen, gaeven wy het den naem van Breskens eylant, omdat het van daer eerst gesien was. Het eylant Malabrygo lach naer gissing W.t.W. 12 W. 21 mylen van ons. Naer de middach saegen veel cleyne ronde ende besaens qualities dryven, met menigte meeuwen ende veel swaluwen vliegen. Omtrent 3 ueren naer middach, cregen wy de wint N.t.O. ende trock temet naer het N.O.t.N.

c 9.

’s Morgens moy weder, de wint N.O., treckende naer het N.N.O., met redelyck slecht water ende slappe coelte, saegen veel swarte meeuwen met scherpe staerten; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.t.S. 1312 myl, waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 3212 min., ende op de lengte van 152 gr. 5512 m., ende op de bevonden breete van 24 gr. 36 min. Saegen veel grauwe ende swarte meeuwen vliegen.

d 10.

’s Morgens goet weder, met holle deyninge uyt een O. saegen vele meeuwen vliegen, de wint als vooren; giste geseylt te hebben, O.S.O. 12 S. 15 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 8 min., ende op de lengte van 153 gr. 5312 min. Met sons onderganck cregen wy de wint O.N.O., wenden het doen N.waert over.

e 11.

’s Morgens een donckere betoge lucht, met een Oostelycke coelte, de deyninge uyt een N.O., saegen veel meeuwen; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 14 mylen, waeren volgens dien op de breete van 25 gr. 1 min., ende op de lengte van 153 gr. 5312 min.

[58]f 12.

’s Morgens moy weder, de wint O.N.O., somtyts variabel, de deyninge uyt een O.S.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 12 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 25 gr. 35 min., ende op de lengte van 154 gr. 3112 min., ende op de bevonden breete van 25 gr. 13 min. ’s Nachts in de eerste wacht cregen wy de wint S.O., trock met een doorgaende coelte naer het S. ende hadden veel meeuwen sien vliegen.

g 13.

’s Morgens liep de wint S.W., met een doorgaende coelte ende een grauwe lucht, met regen; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.N.O. 30 mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 25 gr. 59 min., ende op de lengte van 156 gr. 3412 min., ende op de bevonden breete van 25 gr. 58 min.; hebben doen onse compassen op 7 gr. N.Oostering geleyt. Wat naer den middach hebben wy onse coers N.N.O. aengestelt, maer een weynich naer sons onderganck cregen wy de wint uyt een N.N.O., lieten het Oostwaert over staen. ’s Avonts hadden wy een swaluw rontom het schip sien vliegen.

a 14.

’s Morgens saegen wy een cleyn grau lantvogeltie, de wint N.O. met een betoge lucht, lieten het al Oostwaert over staen; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.t.N. 15 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 26 gr. 10 min., ende op de lengte van 157 gr. 4112 min.; hebben het doen om de N. gewent, met een N.O. topseyls coelte ende slecht water, saegen veel meeuwen vliegen. Tegen den avont de wint O.N.O., in de eerste wacht O., voorts S.O., met regen.

b 15.

’s Morgens de wint S.O., met een donckere lucht met regen, saegen verscheyden reysen steencroos dryven, ende veel meeuwen vliegen. ’s Middachts de wint S.S.O., giste alsdoen geseylt te hebben N. 20 mylen, waeren volgens[59] dien op de gegiste breete van 27 gr. 30 min., ende op de lengte van 157 gr. 4112 min. Naer de middach wert het stil, de deyninge begonnen styf uyt een N.O. te schieten, waerop de wint tegen den avont naer het N. ende voorts naer het N.O. liep, met een styve doorgaende wint. Hielden voor wint om ende in het toesetten van de groote hals, is het groot seyl uyt het lyck geslaegen; naemen onse marsseyls in ende brochten weder een ander schover seyl aen de ree (ra), het seyl aensynde, lieten het met schover seylen N.W.waert over staen. Met het vallen van den doncker cregen wy harde regen, in de eerste wacht beterde het weder, hebben doen ons groot marsseyl weder bygeset; de wint N.O., mochten N.N.W. seylen.

c 16.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.O.t.N. met cleyn topseyls coelte, holle deyninge uyt een O.N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.W. 12 W. 14 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 28 gr. 512 min., ende op de lengte van 156 gr. 5212 min., ende op de bevonden breete van 28 gr. 2 min.; bevonden 6 gr. 45 min. N. Oostering.

d 17.

’s Morgens moy weder met slecht water, wat op den dach de wint O., met een moy topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.N.W. 16 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 29 gr. 1 min., ende op de lengte van 156 gr. 2412 min., ende op de breete van 29 gr. 3 min.; seylende N.N.O.waert over, saegen veel meeuwen ende een witte peylstaert vliegen. Cort naer de middach, is ons staende lyck van ons groot marsseyl gebroocken, soodat do. marsseyl dwars door is gescheurt; hebben stracx weder een ander aengeslaegen. ’s Nachts de wint O.S.O.

e 18.

’s Morgens de wint als vooren, met topseyls coelte met[60] slecht water; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.N.O. 28 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 30 gr. 46 min., ende op de lengte van 157 gr. 1312 min., ende op de bevonden breete van 30 gr. 54 min. Tegen den avont saegen wy een groot bos steencroos dryven, het weer veranderde subyt, ende wert doncker, motrich weder. ’s Nachts liep de wint naer het S.O., met regen.

f 19.

’s Morgens een donckere betogen lucht, met motrich weder, met een Oosten styve doorgaende wint; giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. 30 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 32 gr. 45 min., ende op de lengte van 158 gr. 712 min. ’s Middachts liep de wint weer S.O. alwaer van daen de see oock hol begon aen te schieten; is goetgevonden onsen cours N.O. aen te stellen, alsoo wy vrees hadden, door de dagelycxe Oostewinden ende de Japansche cust hart genaeckte, de stroomen aldaer mochte styf om de Oost loopen, door de aenpersing der winden, ende dat wy dan met geen N.N.O. cours boven de hoeck Bosho mochte comen te vervallen. Wat naer de middach liep de wint S.S.W., met een styve doorgaende coelte, met doncker, regenachtich weder. ’s Avonts 112 uer naer sons onderganck saegen wy heel hooch lant, omtrent 23 myl van ons in ’t N.O.; worpen het loot, hadden 80 vadem swarte santgront, meenden het overstaegh te smyten, maer wert dootstil, soodat wy met de holle deyninge al naer de wal toegeset werden; schooten een schoot tot waerschouwing van het jacht Breskens, ’t welck een moy stuck achter ons was. Wy lieten het schip om de West omdraeyen, naemen onse seylen in, ende quaemen op 36 vadem ten ancker, swarte santgront; geset liggende, wert het slecht water, de stroom met een styve[61] corent om de N.W. loopende; saegen met een blinck noch een hooch ront eylant, omtrent 112 myl W.t.N. van ons. Wy hielden moy stil weder omtrent een uer, doen begon hem de wint allengskens te verheffen, loopende ongestaedich uyt verscheyden streecken, meest N.W. ende N.N.O.. De eerste wacht uyt liep de wint uyt een S.W. ende W.S.W., met harde caecken ende overvallende buyen, soodat ons daegelycx ancker doorginck, ende alree op 26 vadem gedreven waeren; hebben ons tuyancker daerby laeten vallen, quaemen doen voor de beyde anckers op, doch corts daernae is ons daegelycx tou gebroocken, bleven voor het tuyancker liggen. Maer alsoo het weder hem noch meer verhefte, lieten alsdoen ons plechtancker toegaen; doen waeren daer 3 glaesen in de tweede wacht uyt, saegen doen ons jachts vuer noch, maer verlooren het cort uyt het gesicht. Laegen nu op 24 vadem vile (vuile) gront, verwachtende de dach met patientie; een uer voor dach is ons tuytou oock gebroocken, quaemen voor ons plechttou op, als wanneer het 18 vadem diep was, vile, clippige gront. Lagen een pistoolschoot van de branding ende clippen van lant, soodat voor menschen oogen hier geen uitcomst scheen, dan setten ons betrouwen op Godt almachtich.

g 20.

’s Morgens was de wint N.W., ende alsoo wy met den dach doende waeren om de loos van het tuytou in te winden, doch was vergeefs, want het eynt ergens om een clip achter het schip vast gestroompt was, soodat wy do. tou met groot leetwesen moesten cappen. Saegen oock dat ons plechtancker doorginck ende dat al een streng van het plechttou stucken was, ende alree op de diepte lagen van 14 vadem; ende indien ons de stroom niet van de clippen afgehouden hadde, souden ongetwyfelt al tegen den wal aengelegen hebben, dan[62] de goede genaedige Godt heeft ons bewaert, ende de N.W. wint continueren laeten. Is sante pee (staende voet?) geresolveert, het plechttou oock te cappen, ende soecken het met schoverseylen van de wal af te leggen, ’t welck wy stracx in ’t werck hebben gestelt, als welck de uiterste middel was. Leyden het met de steven om de Suyt, meteen styve buyige N.W. wint, liggende boven stroom, quaemen corts wat van de wal, maar wat van de wal synde, is onse groote smyt[17] door een harde caeck stucken geborsten. Liepen doen op nieu groot peryckel, om noch tegen de wal aen te dryven, want hadden geen anckers meer claer, om toe te laten gaen, maer cregen metter haest het seyl weder schrap, leyden het met Godes hulpe boven lant. Saegen rontsom naer onse medemaet, maer conden hem nergens vernemen, waer over wy weder op nieu bedroeft waeren, wisten niet wat wy dencken souden, of hy gebleven was ofte niet.
Doen het begon te daegen, hadden wy 2 vueren op het hooge ronde eylant gesien, maer waren cort weder uyt, soodat ick vertrou dat do. eylant bewoont is. Dit groote eilant daer wy onder geset gelegen hebben, was een heel hooch eylant, van gedaente als uytgeteyckent staet, leyt gestreckt op syn langste 212 myl S.O.t.S. ende N.W.t.N. In ’t verbyseylen van het eylant, saegen wy in een valey veel beesten loopen ende eenige huysen staen, saegen oock verscheyden plantagies ende geboomte in do. valey. Van het S.O. eynt van dit eilant, leyt een groot rif van clippen, omtrent 1 myl van lant, alwaer de see vreeselyck op storte; saegen in ’t Suyden noch een hooch eylant. Dit voornoemde rif gepasseert synde, deden onse coers temet om de Oost ende temet om de Noort, de wint liep naer het W. en W.S.W., met harde caecken ende[63] regenbuyen, conden weynich van ons sien. Meenden onse medemaet in ly van do. eylant te vinden, dan vernaemen hem niet, met groot leedwesen; ende alsoo wy geen anckers claer en hadden, was ’t geen tyt om lang hier by te houden, lieten het voort staen naer de S.O.cust van Japan toe, om ondertusschen weder eenige anckers claer te maecken. ’s Middachts hadden wy de bevonden breete van 33 gr. 34 min., als doen lach het eylant, daer wy onder geset gelegen hadden S.W.t.W. 5 mylen van ons; gaven do. eylant den naem van ’t Ongeluckich eylant. Wy vervolchden onse cours N. aen. ’s Avonts met sons onderganck, lach het Ongeluckich eylant S.W. 12 W. 10 myl van ons, saegen in het W.t.N. 11 à 12 mylen van ons, noch 2 hooge eylanden. Wat naer sons onderganck wert het moy weder, de wint S.W., worpen gront op 120 vadem, het water was groen ende dick, gelyck in de N.see. Sette onse beyde marsseyl daerby, onse cours Noorden, de wint W.S.W. ende S.W., met topseyls-coelte, diep 84, 82, 81, 80 vadem, conden geen gront aen het loot crygen.

Nota.

Het Ongeluckich eylant was heel hooch lant, hem vertonende met 2 hooge ronde bergen, waer tusschen een groote valey was; in ’t aensien met hooge boomen op sommige plaetsen bewassen, alwaer oock eenige huysen stonden ende beesten liepen. Saegen een cleyn riviertjen om de West in see loopen, waervoor een cleyn baytie was, recht over de huysies, maer was daer clippich. Het S.O. eynt van do. eylant is een steyle hoeck, alsof hy afgebickt was, alwaer een rif van clippen, wel een myl veer in see afstreckte, waer de see seer opstorte. Dito eyl. leyt gestreckt op syn langste, 2 à 212 myl N.W.t.W. ende S.O.t.S. [64]Aen de Oostsy van do. eylant scheen een moye bocht te syn, maer men can daer niet ten ancker comen, dat men voor de Oostelycke winden beschut light. Wy hadden geset gelegen onder dit eylant, aen de N.W. hoeck, omtrent een musquet schoot van lant; waeren doen, op de gegiste breete van 33 gr. 22 min., ende op de lengte van 158 gr. 5112 min. Van ’t N.W.eynt 1 à 112 myl, lach noch een hooch ront eylant, sonder laech lant; synde een berch vry hooch, doch wat laeger als een van de 2 bergen van ’t Ongeluckich eylant, ende leyt W. van de N.W.hoeck. Hier tusschen door liep de stroom met een styve corent om de N.W., sonder stille, soo lange wy hier geset gelegen hadden. Van do. eylant strecken een party clippen, doch liggende boven water van ’t N. ende S. eyndt; do. eylant is omtrent 1 myl lang. Op do. eylant hebben wy 2 vueren gesien in ’t hangen van den berch, soodat het oock aparent bewoont is. Van het Ongeluckich eylant, omtrent 7 à 8 mylen S. 12 W. daerof, leyt een ander eylant, hetwelck hem vertoont met eenige verscheyde bergen, dan conden van syn groote geen bescheyt sien, door den donckere, deysige lucht ende mot regen. Doen wy het Ongeluckich eylant S.W.t.W. 6 mylen van ons hadden, waeren doen op de gegiste breete van 33 gr. 35 min., ende op de lengte van 159 gr. 15 min., ende op de bevonden breete van 33 gr. 34 min.
Doen wy het Ongeluckich eylant S.W. 12 S. 10 mylen van ons hadden, worpen wy gront op 120 vadem, saegen in ’t ondergaen van de son doen 2 eylanden, ende schenen dicht by malcanderen te liggen, ende waeren heel hooch, maer conden door de veert geen recht bescheyt sien; sy laegen W.t.N., omtrent 11 à 12 mylen van ons. Wy waeren nu op de gegiste breete van 33 gr. 52 min., ende op de lengte[65] van 159 gr. 22 min. volgens onse cours van ’s middachts, 423 myl N.t.O. 12 O. aen, saegen veel steencroos dryven. De 2 eylanden souden op de gegiste breete liggen van 34 gr. 1 min., ende op de lengte van 158 gr. 28 min.

a 21.

’s Morgens helder weder, de wint S.W. met topseyls-coelte, wierpen gront op 80 vadem. Omtrent 3 ueren voor den middach, cregen wy het lant van Japan in ’t gesicht, ende lach in ’t N.N.W. ende in ’t W.N.W. van ons, waeren omtrent 8 mylen buyten de wal. Wierpen doen gront op 50 vadem, wasige[18] gront, lieten het met cleyn seyl daer naertoe staen, cregen een betoge lucht. Giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 12 O. 20 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 34 gr. 33 min., ende op de lengte van 159 gr. 2412 min.; de variatie des compas 6 gr. 54 min. N.Oostering. Waeren doen omtrent 5 mylen buyten de Japansche cust, hadden een steylen hoeck met 5 witte plecken, gelyck Bevesier op de Engelse cust, N. van ons. Het lant is hier vlack lant, met weynich geberchte ende niet heel hooch; hadden de diepte van 40 vadem, craelgront. Het Westelyckste lant lach W.S.W. van ons, soo veer wy sien conden, ende was al eenparich vlack lant, op het water steyl neer, met veel witte plecken sonder weynich voetstrant, saegen veel bossen steencroos dryven; doen het opgedroocht was tot op 38 vadem, smeten het bij. ’s Avonts peilden wy het Oostelycxste lant dat wy saegen, in het N.W.t.N. ende ’t Westelyckste, W.S.W. 12 W. van ons, waeren naer gissing 5 mylen buyten de S.O.cust van Japan, op de diepte van 50 vadem, singel gront met sant vermengt; dreven met de stroom[66] om de N.O. ’s Nachts de wint variabel, hielden het al by met cleyn seyl, op de diepte van 36, 34, 30, 25, 18, 16, 13, 12, 10 vadem; somtyts craelgront, somtyts singel, somtyds sant; hadden moy stil weder met slecht water.

b 22.

’s Morgens met den dach waeren wy, op de diepte van 24 vadem santgront, 3 mylen van lant, waeren door de stroom om de N.N.O. gedreven; de Suydelycxste hoeck die wy saegen lach S.W.t.W. 12 W. ende de steyle gepleckte witte hoeck W.t.N. 12 N. Seylden wat bet onder de wal, cregen de diepte van 22, 20 vadem santgront; doen wy op de diepte waeren van 19 vadem, gront als vooren, waeren wy omtrent 2 mylen van lant. Doen lach de 5 witte gepleckte hoeck N.W. 12 W. van ons, ende de hoeck Bosho W.S.W. 12 S. van ons; seylden voorts tot op 10 vadem. Besuyden de 5 witte gepleckte hoeck, scheen een fraeye bay te syn, dan, doen wy daer dicht voor quaemen saegen dat het maer een bay scheen door het leege voorlant, alwaer een rivier scheen in te loopen; daer en was inderdaet geen bay. ’s Middachts giste geseylt te hebben, N.t.O. 912 myl, waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 30 min., ende op de lengte van 159 gr. 3312 min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 30 min.; de variatie des compas was 7 gr. N. Oostering; was doen 10 vadem diep, swarte gront. Doen lach de hoeck Bosho S.W. 12 S. van ons, omtrent 5 mylen, ende 5 witte gepleckte hoeck W. 12 S. omtrent 2 mylen; soodat de hoeck Bosho leyt volgens dien, op de breete van 35 gr. 1412 min., ende op de lengte van 159 gr. 18 min. Van de hoeck Bosho ontfalt hem de cust om de S.W. ende 2 à 3 mylen S.W.t.W. Voorts van hoeck tot hoeck ..... Westelycker, naer de bocht van Jedo, alwaer de[67] Keyser van Japan syn hoff houdt. Het lant is hier op veel plaetsen 2, 3dubbelt, maer steyl op ’t water neer, met veel witte plecken, sonder gehackelt geberchte; het lant om de Suyt, van de hoeck Bosho, is hooger als om de Noort, men can de wal bequaemelyck aenlooden. Wat voor de middagh is dicht onder de wal, ons een Japanse berck gepasseert, quam uyt de Noort ende seylde om de S.; wat naer de middach quam een Japanse wrickberk ons aen boort, want wy in stilte laegen en dreven op de diepte van 10 vadem; do. berck was gemant met 7 wrickers ende 5 leegsittende Japanders; brachten ons 4 schoone roode steenbraesems aen boort, alwaer voor haer wat ryst gegeven is. Dito Japanders syn overgecomen, wesen ons dat die hoeck van ons ’s middachts in ’t S.W. 12 S. gepeylt, de hoeck Bosho was, ende dat om die hoeck, de bocht van Jedo lach, ende quaemen met ons vermoeden overeen. Corts nae de berck quam noch een berck aen boort, dewelcke was gemant met 6 Japanders, waeronder 4 wrickers waeren; die gaeven ons een sootie verse serdienen oover, waervoor sy oock wat ryst cregen. Dese ende vorige Japanders wesen ende seyden Nangesacque lach om de W., dat wy dat heen mosten, want om de Noort het voor ons niet en docht; syn met vrientschap weder van ons gescheyden ende naer lant geroeyt. Omtrent 2 ueren naer de middach, cregen wy een moye coelte uyt de Oostelycke handt, wenden het om de N.N.O.; want van de S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, streckt de cust N.N.O. tot de 5 witte gepleckte hoeck, dan heeft men een laech landige inbocht, streckende om de Noort, omtrent 4 mylen, ende de hooge santduyn, gelyckende Kyckduyn op Huysduynen. Desen hoeck gaeven wy den naem van de Santduynige hoeck, ende[68] leyt van de witte gepleckte hoeck, N.O.t.N. omtrent 9 mylen. Onse cours vervolgende met slecht water, passeerden de cust op de diepte van 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20 vadem, swarte santgront, bleven al 4 mylen van lant. Voor desen voornoemde bocht saegen wy veel steencroos dryven, ende veel lammen ofte duyckers swemmen, het water was hier heel dick ende groen, ende voorts was het diep 20 vadem, swarte santgront; doen lach de Santduynige hoeck N.O.t.N. 4 à 5 mylen van ons. ’s Nachts de wint S.S.O. ende S.O. ende O.S.O., in de tweede wacht dreven wy in stilte, de stroom scheen om de N.O. te loopen, diep ’s nachts als volcht, in de eerste wacht 22, 20 vadem, de tweede wacht 23, 24, 26, 27 vadem, al santgront als vooren, tegen den dach diep 30 vadem.

c 23.

’s Morgens dreven wy in stilte, hadden een deysige lucht, waeren doen op de diepte van 70 vadem, gront als vooren; doen lach de Santduynige hoeck W.N.W. 3 mylen van ons, het was die heele voor middach stil ende mistich, de stroom hier loopende langs de wal om de N.N.O., diep 32, 35, 38 vadem. ’s Middachts waeren doen Oost van de Santduynige hoeck, 4 mylen op de diepte van 42 vadem; giste geseylt te hebben, N.O. 10 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 58 min., ende op de lengte van 160 gr. 8 min., ende bevonden breete van 36 gr. Corts naer cocxschaften quaemen 2 Japanse visschersbercken aen boort, in ider synde 8 man, gaeven ons soo veel visch over, als wy met het geheele scheepsvolck pas conden opeten, waer voor haer wat ryst ende wat arack geschoncken wert. De visch was roch, scharren, waer onder heele groote waeren; swaertvisschen, spierhayties, met een visch by ons onbekent; de visschers, volgens visscherswys[69] eens lustich arack omgedroncken hebbende, syn van boort gevaeren om weder te visschen. Wat naer de middach quam een van do. visschers aen boort ende bracht weder een moye soo visch, beneffens hem noch een ander visschersberck, maar die hadden geen visch; naer dat sy wat getracteert waeren syn van boort gevaeren ende scheyden met groot vruntschap, ende roeyden naer lant toe. Van de Santduynige hoeck leyt een cleyn eylandecken Oost daer af, omtrent een myl, gelyck het Menscheters eilant in de straet Sunda. Omtrent een myl benoorden do. eylant, leyt noch een cleyn eylant, maar wat vlacker, gelyck het eylant Haerlem[19], maar leyt dicht onder de wal. Van de Santduynige hoeck ontfalt hem het lant om de N.N.W., ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech lant. Cregen naer de middach een moy coeltie uyt een S.O. stelden onse cours N.N.W. aen, saegen by menichte bruynvisschen, tolven? ende veel walvisschen, ende menichte duyckers ofte lammen swemmen, oock veel drift van wier, groente ende loose veeren dryven. Alsoo wy bemerckten, dat wy noch veer van de wal stonden, stelden onse cours N.W. aen, van de diepte van 40 vadem tot op de diepte van 26 vadem, wasige gront. Saegen doen tegen den avont, een hoogen gehackelde berch recht vooruyt, ende lach op het laege lant in het diepste van de bocht. Stelden doen onse cours N.t.O. aen, de N. hoeck van dese bocht lach doen N.t.W. 3 mylen van ons, ende de Santduynige hoeck lach doen S.t.W. wel 6 mylen van ons; de N. hoeck is een laege vlacke hoeck. ’s Nachts seylden wy met cleyn seyl, op de diepte van 40, 42, 44 vadem, tegen den dach 50 vadem.

[70]d 24.

’s Morgens de wint S.S.W. waeren 3 mylen van lant, op de diepte van 40 vadem, santgront, neffens hooch berchachtich lant; conden om de Suyt van de steng noch de laege hoeck sien, waer benoorden dit hooge lant begint, ende lach S.W. van ons, omtrent 6 mylen. Stelden onse cours om de N.N.W. naer de wal, tot op de diepte van 30 vadem, langsaem opdrogende gront, synde al sant. Saegen een steylen hoeck, gelyckende een eylant, alwaer wy uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter by do. hoeck comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart santgront geweest hebbende. Waeren een myl van do. hoeck, saegen doen dat daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch binnen lant op sommige plaetsen 2, 3, 4dubbelt, ende op veel plaetsen compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Hier cregen wy menichte visschers aen boort, daervan wy voor ryst omtrent in de 30 groote rochen ruylden ende 2 cabbeliauwen, met veel groote scharren, waeronder eenige waeren 2 voet lanck ende 1 voet breet ende drie vingers dick, cregen oock veel roode seehaen ende eenige andere visch van haer. Sy noemden die rivier, dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort opstreckte, Gissima, ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen dat daer in ’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende wesen dat het om de Noort niet en docht. Op de steylen hoeck van Gissima, staet wat in ’t lant een dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de andere uytsteeckt in hoochte, hebbende een ronde croon. ’s Middachts giste geseylt te hebben, N.t.W. 16 N. 1612 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 37 gr. 5 min., ende op de lengte van 159 gr.[71] 55 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 5 min. Doen lach de steylen hoeck van Gissima W. 12 S. van ons omtrent 3 mylen, ende een hoeck daer benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was, dewelcke wy noemden de Gecartelde hoeck; dese hoeck lach N. 12 W. 3 mylen van ons, ende een hoeck die benoorden de vlacke hoeck leyt, lach S.W. van ons. Omtrent 6 mylen van do. hoeck, begint het hoochlant te strecken om de Noort, hadden doen de diepte van 40, 36 vadem, swarte santgront; stelden doen onsen cours N.t.O. aen, met een Suydelycke topseyls coelte, om op de N. breete te comen van 3712 gr.; om onse medemaet aldaer te verwachten, volgens de getrocken resolutie. Naer de middach quaemen ons noch 2 visschers aen boort, waervan wy een moye soo visch cregen, waeren doen buyten de Gehackelde hoeck ofte anders genaempt Caep de Kennis. ’S Avonts lach C. de Kennis S.t.W. van ons, waeren omtrent 2 mylen van lant, ende doen lach noch een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, maer laech op ’t water neerliep, die lach S.W. 12 W. van ons. Het Noordelycxste lant soo veer wy sien conden, lach N.t.W. 12 W. van ons, en was al hooch lant, saegen op een hoogen vlacken berch veel huysen staen, waer after heel hooch lant; wy hadden de diepte gehadt in ’t seylen van 37, 36, 32, 30, 28, 25 vadem, wasige swarte santgront. Met het vallen van den doncker quam ons een Japanse berck verbyseylen, ende riep Toy, Toy, ende wees om de Noort; indien wy wilden, hy wou ons in een haven brengen om de Noort, contrary de andere Japanders, die altyt gewesen hadden, dat het om de Noort niet en docht. Sy siende dat wy onse marsseylen innaemen, ende onse seyl ende fock opgeyden, ende het met de besaen[72] om de Oost lieten stevenen ende dryven, sette syn seyl schrap ende riep dat om de Oost ofte t’seewaert in, niet goet en was, hy sette syn cours om de Noort; in dese berck waeren 4 Japanders. ’s Nachts de wint S.S.W., S. en S.O., diepte temet af, 26, 28, 30, 35, 36, 40, 45, 50, 55, 60, 65, 70 vadem, wasige gront, conden geen gront aen ’t loot opcrygen. ’s Nachts regen.

e 25.

’s Morgens metten dach begon ’t styf uyt een S.S.O. te waeyen, waerdoor de see hem cort seer vreeslyck hol hem verhefte, door oorsaeck, dat de stroom tegen de wint liep, ende de see tegen de gronden quam opschieten; ende viel oock een swaere mist, dien duerde tot omtrent 2 ueren voor de middach, claerde doen op ende wert ’t haestich stil, maer bleef heel hol water. Hebben nieuwe onderseylen aengeslagen. Giste ’s middachts soo geseylt als gedreven, behouden te hebben, N.N.O. 9 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 37 gr. 39 min., ende op de lengte van 160 gr. 12 min., waeren 4 mylen van lant. Doen lach de Gecartelde hoeck S.W.t.S. ende het Noordelycxste lant dat wy sien conden N.W.t.N. van ons, ende was diep 72 vadem, conden geen gront aen ’t loot opcrygen; het is hier al hooch lant, gelyck volgens uytteyckening te sien is. Wat naer de middach was het heel claer weder, saegen gau uyt naer onse maet, maer vernaemen hem niet. Omtrent 3 ueren naer den middach, cregen wy een topseyls coelte uyt een W.N.W. maer allenskens naer het N.W. ende seylden met cleyn seyl wat om de S. tot ’s avonts, lieten het doen met een seyl byleggen Noortwaert over, de wint naer het West treckende; peylden doen de Gecartelde hoeck in ’t S.W. 12 W. van ons, ende het Noordelycxste lant in ’t N.W. 13 W., waeren[73] 5 mylen van lant diep 95 vadem, doch conden geen gront opcrygen. ’s Nachts moy stil weder, de wint Westelyck, hadden met donckere maen gestadich 2 vueren op, ende schooten somtyts een schoot, of onse medemacker omtrent mocht wesen, dat hy het mocht hooren ende soo op het schieten naer ons toecomen.

f 26.

’s Morgens was ’t moy helder sonneschyn weder, dreven in stilte met opgegeyde seylen ende slecht water. ’s Middachts lach de C. de Kennis, anders de Gecartelde hoeck genaempt, W. 12 S. omtrent 7 mylen van ons, giste vertiert te hebben, S.O.t.S. 512 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 37 gr. 20 min., ende op de lengte van 160 gr. 28 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 20 min.; conden geen gront aen het loot opcrygen; doen wy het Suydelycxste lant S.W., ende het Noordelycxste lant N.W. van ons hadden, waeren wy gront af, synde omtrent 7 à 8 mylen van lant. Omtrent 4 ueren naer middach, cregen wy een moy coeltie uyt een S.O., ende trock al treckende naer het S. ende S.W. ende voorts naer het W. toe; wenden het met cleyn seyl om de N.W., om het lant weder wat te naederen. ’s Nachts diep 70, 65 vadem, gront als vooren.

g 27.

’s Morgens was ’t moy weder, met een heldere claere lucht, waeren 4 mylen buyten de wal, de wint variabel, Westelyck met slecht water, hadden doen de diepte van 50 vadem, wasige gront; alsdoen quaemen ons 2 visschersbarcken aen boort, brachten ons een lustige soo visch aen boort, die wy om ryst van haer ruylden, ende elck visscher creech een dronck arack, waernaer sy seer begeerich waeren; syn weder van boort gevaeren ende gingen liggen visschen. Corts daernaer is ons een leege custberck verby geseylt, quam uyt de Noort ende seylde om de Suyt, sy[74] riepen op syn Japans, dat het niet goet en was om de Noort, dat daer Toy lach, ende is voorts geseylt. Giste Suyt vertiert te wesen N.W.t.N. 9 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 50 m., ende op de lengte van 160 gr. 3 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 50 min. Waeren hier by wit gepleckt lant met eenige santboschies, omtrent 2 mylen van lant hadden de diepte van 19 à 20 vadem, singel ende grove santgront, hier was de gront ongelycke diepte cort op ende af. Het voorlant is duynich lant, maer anders hooch lant, op sommige plaetsen dubbelt, gelyck per uytwerpsel (afteekening) blyckt, het lant om de Noort scheen een bocht beginnen te maecken, het Noordelycxste lant lach N.N.W., ende het Suydelycxste S.S.W. van ons, de cust streckte hier S. ende N. Wy vernaemen dat de stroom hier heen ende weer langs de wal liep. Op dato is ons noch een gelaeden custbarck bejegent, comende uyt de Noort, syn lading was ryst in balen, is dicht aen ons schip gecomen. Wy vraechden hem waer hy van daen quam, hetwelck hy niet wilde seggen, maer een van haer sprack wat Portugies; sey op do. spraeck, dat sy naer Meaco wilde, ende hy sey dat benoorden ons een groote bocht lach, ende dat daer een eylant voor lach, dat Toy hiete, ende dat men met het schip wel tusschen de cust ende Toy door mochte of conde seylen, ende dat benoorden Japan Eso lach, maer dat het daer niet en docht ende seer cout was, ende dat het oock in de bocht after Toy niet en docht. Souden aparent noch wat meer van hun verstaen hebben, hadden wy iemant gehadt die Japans had connen spreecken ende verstaen; hem is 2 realen voor een bael ryst geboden, maer hy sey, dat hy geen ryst dorst vercoopen, ende dat[75] syn coopluyden die hem bevracht hadden, in Meaco woonden. Wy leyden het t’see ende lieten het dryven, ende do. berck voorderde syne reys om de S. ’s Nachts de wint variabel, dreven in de diepte van 24, 26, 29, 32, 33, 40, 50, 50, 70, 72 vadem.

a 28.

’s Morgens was het doncker mistich weder, conden boven een scheepslengte niet van hem sien, somtyts een variabel luchien, dan meest stilte, lieten het al dryven in de diepte van 60 à 70 vadem; ’s middachts giste meest op een plaets te wesen, als op den 27 do. in breete, maer wel 7 mylen van lant, hadden doen de diepte van omtrent 70 vadem, conden geen gront opcrygen. Tegen den avont saegen wy een seyl in ’t N.W. van ons, met een weynich opclaeren van de vreeslycke donckere mist, maeckten seyl, deden onse best om daerby te comen, alsoo verhoopte dat hetselfde het jacht Breskens was, maer hem wat naeckende, saegen dat het een groote Japanse custberck met een groot viercant seyl was, ende van ons afliep om de Suyt. Wy lieten het weder dryven. ’s Nachts diep 40, 38, 33, 28 vadem ende was motrich weder.

b 29.

’s Morgens hadden wy sulcken vreeselycke donckere mist als noch nooyt bevonden hadden, ende het was doot stil, dreven met de stroom om de West, geraeckten schielyck van de diepte van 28 vadem op 20 ende 19, singel gront, lieten ons werpancker vallen, verbeydende de tyt dat het mochte opclaeren ofte coelte comen, om weder wat t’see te loopen. Tegen den middach cregen wy een styve Suydelycke coelte, lichte ons ancker, maer eer ons ancker op was, waeren op de diepte van 15 vadem, singel gront, wy leyden het met schoverseylen t’seewaert in; dese styve coelte dee de mist ten deele wat verdwynen. ’s Middachts[76] waeren naer gissing op de breete van 38 gr., omtrent 4 mylen van lant. Door de styve wint verhefte hem de see, seer afgryselyck ende hol tegen de gronden, ende quaemen de swaerste sees uyt een S.S.O. ende S.O., doch de wint liep in ’t S.S.W. met heel styve wint, naemen onse bonets af, ende lieten het S.O. ende O.S.O.waert over staen te seewaert in, wy cregen soo veel worp sees over, als wy van boven, onse presenning over de luycken gespyckert synde, conde loosen. ’s Middernachts wert het stil, maer de see noch heel verbolgen, met motrich weder.

c 30.

’s Morgens hadden wy moy sonneschyn weder, ende de see slechte al langsaem, de wint meest N.W.t.N. met moye topseyls coelte, sette onse beyde marsseyls by, deden ons best om de cust weder aen boort te crygen, conden in ’t N.N.W. een ront berchien sien, omtrent 9 à 10 mylen van ons, ende geleeck een eylant, vermoeden dat Toy te wesen, daer de Japanders ons verscheyden reysen van geseyt hadden. Gisten sedert den 27 do. door malcanderen vertiert te syn, O.N.O. 612 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. ende op de lengte van 160 gr. 34 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 40 min.; soodat ons de stroom om de Suyt geset hadde 20 min. meer als onse gissing was, waeren 7 à 8 mylen van lant, ende het was over de 100 vadem diep, singelgront. Naer de middach liep de wint Westelyck, leyden het om de Noort. ’s Avonts wert het claer weder, naemen onse marsseyls in, ende geyden onse seylen op, ende lieten het soo N.waert over leggen dryven. ’s Avonts conden wy het lant pas sien in ’t S.W., ende in ’t N.N.W. lach een ront berchien, synde naer myn vermoeden Toy; soo ick can bemercken, hadden wy harde stroom om de Suyt, saegen veel raveling van stroom.

[77]d 31.

’s Morgens was het heel moy weder met stilte, de deyninge uyt een Suydelycken hant, giste ’s middachts vertiert te wesen N. 512 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 2 min., ende op de lengte van 160 gr. 34 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. Doen lach Toy N.N.W. 7 à 8 mylen van ons, ende de laege santpunt besuyden Toy lach in ’t W. 7 à 8 mylen van ons, ende het was 70 à 75 vadem diep, conden in de bocht in ’t N.W. geen lant sien, vermoedende dat de groote bocht te syn, daer de Japanders ons af geseyt hadden. Desen uytsteeckende hoeck van Toy is heel kenbaer, als men uyt de Suyt compt vertoont hem als een hooch eylant, ende een weynich daer bewesten, met een rey van gehackelt geberchte, met een corte spaetsy laech lant, condt voorts by het uytteyckenen desselfs verder beoogen. Cregen naer de middach een moy luchie uyt een S.O., stelden onse cours N. aen, om by O. het eylant Toy om te loopen, want het eylant Toy leyt boven een myl niet van de uytsteeckende hoeck; benoorden de uytsteeckende hoeck liggen onder de cust veel cleyne gebroocken eylanties. Des aftermiddachts is by den E. Commandeur, den raet beroepen ende geresolveert, alsoo volgens onse laetstgetrocken resolutie, onse tyt geexpireert was, ende onse medemaet niet vernaemen, onse reys soecken te vervorderen, volgens onse instructie, van den E. Heer Generael ende Raden van India, medegegeven. Oock dat wy noch 2 stucken uyt onse boech, tot ontlichting van het schip, in ’t ruym souden leggen; ende dat met regenich weder, tot onderhouding des scheepsvolcks gesontheyt, soude ’s ochtents bier en broot gecoockt worden. Tegen den avont bemerckten wy dat ’t lant, hiervoor van ons voor een hoeck aengesien, al gebroocken[78] eylanden waeren, ende soo veer wy om de N. sien conden, geleecken al gebroocken eylanden te wesen; hadden met sons onderganck een eylant, dat de cleyne Taefel in de Piscadores wel geleeck, omtrent W. 3 mylen van ons. Het hooge eylant, by ons eerst voor een hoeck aengesien, lach N.W. 12 W. van ons, dit vermoede ick Toy te syn, het was 80 vadem diep, saegen in ’t N. wel soo Oostelyck, een heel hoogen Taefelberch, waervan om de O. laeger lant afstreckte, met des sons-onderganck cregen wy een groot onweer van regen ende blixem, met swaere donderslaegen over het geberchte, de wint met een styve coelte Suydelyck, naemen onse seylen in, lieten het voor de fock N.t.O. aengaen. ’s Nachts de wint met buyen, variabel N.N.O. ende O., met groote stortregen, hielden dien heelen nacht met schoverseylen af ende aen.

Junyus.

e 1.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.N.O. Setten onse beyde marsseyls by, leyden het om de N.W. naer het eylant Toy, maer alsoo wy hetselfde niet conden beseylen, seylden soo diep tusschen het Taefel eylant ende Toy in, dat de Oostelycxste hoeck van het eylant Toy, N. van ons was, ende waeren omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent synde, mochten O.t.N. seylen, conden geen gront crygen, maer was hier heel steyl, de wint N.t.O. ’s Middachts lach de spitsberch van Toy, N.W. 12 W. 2 à 3 mylen van ons, ende was diep 80 vadem; hadden naer gissing behouden Noorden 6 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 24 min., ende op de lengte van 160 gr. 34 min. Hielden het naer middach raeck ende daeck met laveren; de stroom om de Suyt loopende, maeckte met Noordelycke wint[79] slecht water. ’s Avonts peylden wy Toy W.N.W. 12 N. 4 mylen van ons, ende waeren gront af. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde, wert het heel stil.

f 2.

’s Morgens cregen wy een moy luchien uyt een Suydelycker handt, doen lach Toy N.W. 3 mylen van ons, stelden onsen cours N.t.O. ’s Middachts lach het eylant Toy, te weten het Suyteynt, 3 à 4 mylen West van ons, ende lach met het Suyteynt van het Taefel eylant over een; recht Noorden van het Suyteynt van Toy 1 à 2 mylen, liggen eenige gebroocken eylanden ende clippen onder de wal. Wat landelycker leyt noch een eylantie, wat langer ende hooger. Dicht onder de cust, een half myl daer benoorden, leyt noch een ront eylantie, gelyck een Toppershoetien, daer aen beyde eynden al scherpe clippen, die boven water leggen, af strecken ende vertonen haer als naelden. Tusschen het vorige eylant ende het Toppershoetien, geleeck een rivier in ’t lant te loopen, de cust streckte hem hier al Noortwaert heen, met veel inbochten ende was al hooch lant. Giste ’s middachts geseylt te hebben, N.t.W. 23 W.; 12 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 30 min., ende op de lengte van 160 gr. 31 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. 29 min. ’s Avonts lach de Oosthoek van Toy S.W.t.S. 5 à 6 mylen van ons, saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien wy den naem gaven van den Taefelberch, stelden onse cours metten doncker N.O.t.N. aen, de wint S.O. met een moy coeltie. ’s Nachts stilte.

g 3.

’s Morgens hadden wy moy weder, met een Suydelycke topseyls coelte, hadden doen de Taefelberch N.W. 5 mylen van ons, deden onse cours N. langs de wal, bewesten dese hoogen Taefelberch maeckt het lant een groote inbocht, ende alsdan streckt de cust S. naer[80] Toy toe; tusschen Toy ende de Taefelberch leyt een ronde berch, alwaer een tooren opstaet ende seer kenbaar is. Van de Taefelberch tot aen een steylen hoogen gehackelde hoeck, dien wy de Caep de Goeree noemden, omdat tusschen beyden, schenen veel havens ende eylanden te liggen, daer Goederee soo het leeck after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende S.t.W. Wy cregen hier veel Japanse visschers aen boort, die ons 30 roode steenbraesems ende 3 cabbeliauwen overgaven, daervoor wy haer wat ryst gaven ende eens arack schoncken. Daer quaemen 2 à 3 Japanders over, die presenteerden ons in een haven te brengen, ende noemden de plaets Nabo, ende een ander plaets Schay; dan sy siende dat wy hier in geen haven begeerden te wesen, syn met vrientschap gescheyden. Tegen den middach wert het deysich weder, conden geen hoochte crygen. ’s Middachts lach de C. Goeree N.t.W. van ons 4 mylen, giste geseylt te hebben, N.N.O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 39 gr. 28 min., ende op de lengte van 161 gr. 2 min., stelden doen onse cours N.t.W. aen, om de Caep terdegen te besichtigen. Het was hier 2, 3, 4 myl van lant, al over de 100 vadem diep, al wasige gront, die men aen ’t loot niet con opcrygen, saegen noch verscheyden visschers, maer alsoo de Suydelycke wint begon styf door te blasen ende hol water maeckte, dorsten niet aen boort comen, vreesden voor het stooten van haer barcken. Naer de middach cregen wy regen, van ’s middachts naer gissing geseylt 4 mylen N.t.W. aen, hadden doen de Caep Goeree W.N.W. 1 myl van ons, ende was 80 vadem diep, gront als vooren, stelden doen onse cours N. tot het vallen van den doncker 112 myl, doen lach Caep de Goeree S.S.W. 2 mylen, ende de hoeck besuyden[81] de caep S.t.W. 12 W. 3 mylen van ons; tusschen die hoeck ende caep schynt een groote voert[20] in te loopen, streckende S.S.W. heel diep in ’t lant, souden naer wy sien conden daer heel uyt der see seylen connen; gaeven die voert den naem van Goeree. Het veerste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8 mylen van ons, ende was een vlacke hoogen berch; ende een laege vlacke afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons. Deden met het opsetten van de wacht onse cours N.t.O. aen, met een Suydelycke wint ende regen; in de eerste wacht hadden wy de diepte van 78, 84 vadem, gront als vooren; de eerste wacht uytsynde, lach de laege afgaende hoeck in ’t N.W.t.W. van ons, ende betrock stracx door een dicke natte mist, in de tweede wacht diep 90, 100 vadem, in de dachwacht gront af, doen stelden wy onse cours weer N. aen.

a 4.

’s Morgens mistich doncker motrich weder, de wint Suydelyck, stelden onse cours N.W. ende corts daer naer N.W.t.N. aen, om de cust van Japan weder sien in ’t gesicht te crygen, ’t welck wy met een blinck eens saegen, ende was een hoogen berch, die lach W.S.W. van ons, ende was stracx weder door de mist betrocken, wy vermoeden dat die berch het N.eynt van Japan was. Saegen menichte seerobben. ’s Middachts naer gissing geseylt N.t.W. 14 mylen, ende was 72 vadem diep, grauwe santgront, waeren op de gegiste breete van 40 gr. 23 min., ende op de lengte van 160 gr. 48 min., dreven in stilte. Twee glaesen naer den middach, cregen een O.S.O. styve topseyls coelte, seylden N.N.W. 212 myl, cregen doen de diepte van 72 vadem, gront als vooren; naemen doen onse marsseylen in, lieten het by de[82] wint over staen, mochten N. seylen, de wint O.N.O. met regen ende een heel donckere mist, dewelcke continueerde tot de tweede wacht uyt, de wint treckende temet naer het N. Hadden de diepte van 50 vadem tot 2 glaesen in de eerste wacht, doen diep 40 vadem, al gront als vooren, wenden het O.waert over, gewent synde, diep weer 50 vadem, in de tweede wacht diep 54, 56 vadem, in de dachwacht diep als vooren, de wint van ’s middachts variabel, S., O.S.O., O.N.O., N.N.O., N. ende N.W.

b 5.

’s Morgens was ’t al mistich motrich weder, de wint N.N.W. de see al hol aenschietende uyt een N.O., setten onse marsseylen by, lieten het by de wint N.O. over staen, maer maeckten weynich aenganck, het was 65 vadem diep, grau santgront, het diepte langsaem op als volcht, 70, 75, 80, 85, 90, 100 vadem, gront als vooren. ’s Middachts gront af, giste geseylt te hebben N.N.O. 312 myl, waeren volgens dien, op de N. breete van 40 gr. 36 min., ende op de lengte van 160 gr. 55 min. Saegen veel seerobben ende veel drift, te weeten groene tacken van boomen, ende steencroos ende groene blaederen dryven.

c 6.

’s Morgens was de wint N.N.O. met topseyls coelte, wenden het om de N.W. met mistich motrich weder, de wint uyt- ende inschietende tusschen het N.N.O. ende N.N.W., leyden over ende weer om soo veel N. te winnen als mogelyck was om niet in de bocht tusschen Japan ende Eso te vervallen, saegen veel seerobben ende drift als vooren. Giste ’s middachts geseylt te hebben, O.t.N. 12 N. 8 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 40 gr. 45 min. ende op de lengte van 161 gr. 34 min., wenden het doen om de N.O. ’s Avonts trock de wint naer ’t N.N.W. ende voorts naer ’t W., ende het begon op te claeren. ’s Nachts somtyts coelte, somtyts stilte.

[83]d 7.

’s Morgens was ’t claer helder weder, de wint Westelyck met topseyls coelte, onse cours by de wint over om de N. ’s Ochtents omtrent te 10 ueren saegen wy hooch lant in ’t N.t.W. van ons, vermoede ’t selve het lant van Eso te wesen. ’s Middachts giste geseylt te hebben N.N.O. 11 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 41 gr. 26 min., ende op de lengte van 162 gr. 1 min., ende op de bevonden breete van 41 gr. 24 min.; alsdoen lach de S.O. hoeck van Eso N. omtrent 9 à 10 mylen van ons, ende was een hoogen steylen hoeck, gelyck per uytteyckening blyckt. Vervolgende onse cours recht N. aen naer do. steylen hoeck toe. Omtrent naer de middach te 3 ueren cregen wy gront op 50 vadem, santgront, waeren doen omtrent 4 mylen van do. hoeck. ’s Avonts wat voor sons onderganck saegen wy hooch lant van ’t W. tot het N.W.t.W., hetwelck naer myn gissing wel 20 mylen van ons lach, wat naer sons onderganck lach do. steylen hoeck N. 3 mylen van ons, ende was doen diep 24 vadem, schilpige santgront, geyden onse seylen op ende lieten het dryven, met de steven om de S. ’s Nachts in de eerste wacht diep 25, 30, 50, 56 vadem, do. wacht uyt synde, leyden het om de N., in de tweede wacht diep 56, 60, 65 vadem, santgront.

e 8.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint Westelyck, maeckten seyl, deden onse cours vooreerst om de N. naer de wal toe, liepen tot een 12 myl nae, onder de hoogen hoeck, ende stelde doen onse cours langs de wal in de diepte van 20 à 24 vadem. Van do. hoeck streckt het lant N. ende is hier hooch dubbelt lant, ende lach op de toppen bedeckt van sneeuw. Van den hoogen hoeck langs het lant seylende om de Noort, 23 myl buyten de wal, is de diepte 18, 19, 20 vadem,[84] de cours N. 6 myl, soo streckt de cust met laech lant om de N.O., ende vertoont hem op sommige plaetsen met vlacke taefelbergen, dan niet seer hooch. ’s Middachts lach de hoogen hoeck te weten de S.O. hoeck van Eso, S.W. 12 S. 5 mylen van ons, doen hadden wy een groote bay ofte inbocht in ’t N.W.t.N. van ons, waeren doen op de gegiste breete van 42 gr. 1912 min., ende op de lengte van 162 gr. 18 min. Wy saegen veel roock optrecken op verscheyden plaetsen in ’t hooge lant, was diep 58 vadem, wasige gront, waeren 3 mylen van lant; deden onse cours N.O. aen langs de wal, de wint S.S.W met slecht water, was heel mistich weder, soodat wy naer de middach weynich bescheyt van het lant sien conden. Tegen den avont diep 35 vadem, naemen onse seylen in ende lieten het dryven, vingen met den doncker 4 cabbelliauwen. ’s Avonts in ’t opsetten van de wacht, cregen wy de diepte van 26 vadem, ende alsoo de gront hart opdroochde ende de see ons styf om de N. smeet, quaemen hier met stilte ten ancker op grove santgront; voor ons werpancker geset liggende vernaemen geen stroom, vingen ’s nachts noch twee cabbelliauwen. Het bleef ’s nachts stil maer mistich.

f 9.

’s Morgens was ’t noch stil, somtyts een variabel coeltie, lichte ons ancker om wat op dieper water te seylen, want het heel mistich bleef, conden oock de lant-see licht hooren ruyssen, onder seyl synde het coeltie slaepende ende de Suydelycke deyninge ons styf om de N. settende, droochde op tot op 15 vadem singelgront, hoorde de lant-see noch veel meer als vooren, quaemen dan weder ten ancker. Bevonden op dese cust als op de Japanse cust, dat als men binnen de 20 vadem onder de wal compt, de gront[85] meest singel is. Tegen den middach begon de son claer door te schynen, maer was noch al even mistich op den horisont, conden noch het lant niet sien; wat naer de middach begon de mist op te claeren, saegen doen dat wy in een groote inbocht geseylt waeren, ende maer 12 myl van lant geanckert laegen, ende was hooch steyl lant met veel valeyen vol geboomte. Peylden de S.O. hoeck van Eso S.W.t.S. 12 mylen van ons. Waeren op de gegiste breete van 42 gr. 44 m., ende op de lengte van 162 gr. 30 m., hadden een laege hoeck 6 mylen S.W.t.W. van ons; hadden noch een hoeck in ’t N.O. 12 O. 6 of 7 mylen van ons, alwaer wel een rivier geleeck by in te strecken soo wy sien conden; saegen noch lant in ’t O.t.N. maer conden geen seeckerheyt sien. Voorts heeft de cust veel bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see beschut licht. Omtrent 3 à 4 ueren naer den middach quam ons een vaertuych aen boort, waerin twee mans met een jonge waeren, hadden 2 elantshuyden met wat gedroochde salm by haer, voorts pylen ende elck een booch met een houwer, quaemen gewillich over in ons schip ende vraechden naer taback, seggende tambacko, conden haer niet verstaen; sy schoncken aen de E. Commandeur de geroockte salm, doch was niet gesouten, ende een elantshuyt; sy syn getracteert met een arackien ende toebackien, waeren wel in haer schick. Dit was cort gedrongen volck, bruyn van vel, hebbende ruyge swarte baerden, syn op haer lyf seer ruych van swart haer, syn voor op het hooft geschooren, maer voorts lanck haer, van de helft haers hoofts neerhangende, als sy drincken lichten haer knevels op met een vinger. Sy hadden grove rocken van hennippe linnen aen, daerover rocken van vellen[86] gemaeckt, sy hadden gaeties in haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in syn oor, het welck was van specy als coper ende half gout, hadden messen op haer buyck, de heften ingeleyt met silver; aen de plaeten aen haer houwers, die waeren op syn Japans, was oock silver aen; sy conden wel gout ende silver, presen dat haer pylen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met fenyn bestreecken. Sy wesen in ’t W.t.N. dat sy daer woonden, ende dat die plaets Tacaptie genaempt was, ende de hoogen steylen hoeck van Eso noemden sy Groen, ende de bocht met de rivier Goutsiaer, ende in ’t N.O. een plaets genaempt Cyrarca, noemden oock een plaets genaempt Goutsiote. Naer dat sy wel met een tabackien ende arackien getracteert waeren, syn vrolyck naer lant gevaeren; haer prauw was voor ende achter plat, roeyden met smalle riemen. Sy wat van boort geweest hebbende, cregen een S.W. coeltie, lichte ons ancker, gingen onder seyl, lieten het by de wint over staen om uyt dese bocht te geraecken; lieten het om de S.S.O. voortstaen, tot dat de eerste wacht uyt was, geyden doen onse fock op met het grootseyl, haelden onse marsseyls neer, lieten het soo dryven, verwachtende den dach; waeren gront af.

g 10.

’s Morgens hadden wy claer weder, de wint W.S.W. saegen anders geen lant, dan daer wy van daen geseylt waeren, deden onse cours O. aen, giste geseylt te hebben ’s middachts van onse anckerplaets, O.S.O. 10 mylen, ende was doen 100 vadem diep, wasige gront. Waeren op de gegiste breete van 42 gr. 29 m., ende op de lengte van 163 gr. 19 min., ende op de bevonden breete van 42 gr. 37 min. Saegen geen lant, deden onse cours N.O. aen, omtrent 3 ueren naer de middach stelden wy onse cours N. aen, om het[87] lant seecker in ’t gesicht te crygen. Het was heel deysich op de kimmen, conden geen gront crygen, de wint liep variabel met veel stilte, saegen veel drift, soo ’t scheen quam uyt een rivier. ’s Nachts de wint variabel met veel stilte, hadden geen gront.

a 11.

’s Morgens was ’t al stil weder, somtyts een cleyn luchien uyt een N.O., allengs omloopende naer het O. ende voorts naer het S.S.O. Cort naerdat de cock vroeg cost geschaft had, cregen wy gront op 60 vadem, wasige gront, saegen corts daernaer het lant in ’t N. ende N.N.O. tot in ’t W., was effen vlack lant met geen geberchte, de cust streckende O.N.O. ende W.S.W. soo veer wy sien conden. De wint N.N.O. lieten het by de wint om de N.W. overstaen, om het lant terdegen te besichtigen, want het heel deijsich betrocken lach; het droochde temet op als volcht, 50, 43, 36, 30, 28 vadem, swart santgront. ’s Middachts giste geseylt te hebben, N. 9 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 43 gr. 13 min., ende op de lengte van 163 gr. 19 min., ende op de bevonden breete van 43 gr. 10 min., waeren 212 myl van lant, op de diepte van 27 vadem, gront als vooren. Doen lach het Westelycxste lant dat wy sien conden, W.t.S. 6 mylen van ons, ende daer scheen wel een eylant te liggen, het Oostelycxste lant dat wy sien conden, lach N.O. van ons, 4 à 5 mylen. Wy hadden een rivier in ’t W.t.N. 12 N. van ons, saegen hier eenige clipies onder de wal liggen boven water, saegen hier veel drift, de wint trock temet uyt het N.N.O. naer het S.S.O., seylden al by de wint Oostwaert over, in de diepte van 22, 21, 20, 19 vadem; naer de middach cregen wy een Suydelyck coeltie, stelden onse cours O.N.O. langs de wal. ’s Avonts lach de hoeck die[88] wy ’s middachts in het N.O. gepeylt hadden, in het N.W.t.N. 2 mylen van ons, ende was diep 25 vadem, gaeven dien hoeck den naem van Caep de Manshooft, omdat hy hem vertoont als een hooft. Hier is al slecht lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen doen in ’t N.W.t.W. van ons een rif, daer het seer op barnde, ende lach omtrent een myl van lant, ende om de N.O. van de Caep de Manshooft lach een vlack laech eylantien met 3 cleyne berchies, het N. eynt van do. eylantie lach N.N.O. 3 mylen van ons, waeren van ’s middachts geseylt O.N.O. 5 mylen; saegen in ’t N.O.t.N. soo ons docht hooch lant, maer werden soo veel bedrogen van de mist, dat men somtyds mist voor lant ende lant voor mist aensaegen. ’s Nachts was ’t soo mistich, conden in ’t minst niet van ons sien, onse cours O.N.O. tot de eerste wacht uyt, deden doen onse cours N.O. aen, seylden die heele wacht in de diepte van 25, 30, 32, 34, 36, 38 vadem, tegen den dach diep 30 vadem, al santgront met schilpen vermengt, de wint ’s nachts variabel met veel stilte. ’s Avonts hadde wy onse compassen geleyt op 9 gr. N.Oostering.

b 12.

’s Morgens was ’t heel mistich motrich weder, de wint O.S.O. ende S.O. met stilte, somtyts een cleyn coeltie, lieten het N.O.waert overstaen, het droochde allengskens op tot op 23, 22 vadem, ende het water wert heel slecht sonder deyninge, wisten niet waer wy dreven of seylden door de mist; quaemen ten ancker. Ten ancker liggende bevonden hier harde stroom om de N.W. ende naer de middach om de W., saegen veel drift verbydryven, insonderheyt veel veeren van vogels, gelyck wy daegelycx veel sien dryven, giste geseylt te hebben N.O.t.O. 14 O. 9 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 43 gr. 28 m.,[89] ende op de lengte van 164 gr. 0 min. ’s Avonts ende ’s nachts continueerde de mist ende de motregen, conden de lant-see hooren.

c 13.

’s Morgens continueerde de mist, conden niet boven een scheepslengte à twee van ons sien, wy hoorden de lant-see seer storten, alhoewel het stil ende slecht water was. Omtrent te 9 ueren ’s ochtents claerde de mist wat op, saegen doen de Caep de Manshooft W.t.N. 3 mylen van ons, conden de streckende cust tot in ’t W.t.S. sien, saegen het eylant met 3 berchies in ’t N.W. 12 N. 2 mylen van ons, de hoeck tusschen Caep Manshooft ende het 3 geberchte eylant gelegen, lach 4 mylen W.N.W. van ons; saegen oock in ’t N.t.W. 12 W. 1 myl van ons een groot recif branden, in ’t N.O.t.N. 14 O. lach noch een vlack eylant omtrent 1 myl van ons, hetwelck wy den naem gaven van ’t Barbaren eylant. In ’t O.t.N. 1 myl, lach noch een party clippen boven ende een deel onder water, alwaer de see seer styf op storte; after dese eylanden scheenen fraeye inbochten te wesen, dit leecken wel naer de Piscadores eylanden, waeren allegaeder slecht ende plat boven ende niet hooch, scheenen heel dor te syn. Dit vorige op het corts beooght ende afgepeylt, wert stracx weder heel mistich met regen, waeren tot 3 reysen onder seyl met een cleyn luchie maer mosten stracx door stilte weder ten ancker comen, alsoo met de stroom om de N. dreef, quaemen eenige reysen ten ancker op 2212 vadem, schilpige santgront, hier nu geset liggende, vernaemen weynich stroom. Tegen den middach cregen wy een moy coeltie uyt een Suydelycker hant, gingen onder seyl, deden ons best om buyten dese gebroocken eyl. te comen, seylden omtrent 14 myl boven het Ooster recif, vonden de diepte[90] in ’t vaerwater als volcht 20, 21, 23, 27, 28 vadem, santgront. Doen wy het Ooster recif een quart myl van ons hadden in ’t N.N.W. van ons, ende lach met het Barbaren eylant overeen, bevonden doen de diepte van 18 vadem, schilpige craelgront. Doen lach het Barbaren eylant 112 myl van ons, ende de mist claerde heel op, saegen noch een vlack eylant doen in ’t N.O. 12 O. van ons liggen. Dese voorschreven eylanden syn 1, 112 à 2 mylen lang, hebbende veel cleyne eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op het vaste lant leyt een kennelycke berch, boven met een keep ende leyt alleen. Daer is op het vaste lant hooch binnenlant, het welck wy met een blinck eens saegen, ende was meest boven bedeckt met sneeuw, de berch met de keep lach ’s middachts N.W.t.N. van ons, waeren doen 12 myl buyten het Ooster rif. Saegen doen 3 vaertuygies naer ons toecomen, hebben dien ingewacht, quaemen aen boort, in ider was 5, 6, 8 man, ende het vaertuych ende volck was van gedaente als vooren, sy wisten die plaetsen oock te noemen die de voorige inwoonders ons genoempt hadden, quaemen in ’t schip ende vraechden stracx naer taback, hadden eenige fyne vellen; naer wy sien conden waeren het ottersvellen die sy wilden verruylen, maer hielden dien heel duer, verruylden eenige robbevellen met een beerehuyt voor taback, sy droncken scheepsarack voor sackie[21], ende waeren heel vriendelyck ende vrolyck volck, sy wilden ons after de eylanden te ree hebben, noemden een plaets Tamary, seggende Pierke Tamary, dat is te seggen, compt te Tamary. Sommige van haer hadden groote silvere ringen in haer ooren, conden[91] gout ende silver heel wel, verachte coper. Hadden haer vuerslaegen by haer om vuer te slaen, dat waeren viercante planckies daer een holletien in is, was voosachtich hout, daertoe hebben sy rieten daer een cort stockien in steeckt; als sy vuer hebben willen, soo stoten sy dat stockien in dat holletie ende vryven dat tusschen haer handen, dat het omdraeyt heen en weer, soo gedoopt in gesmolten swavel houden dat daeraen, hebben stracx brandent vuer. Dese habytanten noemden een plaets, die sy wesen in ’t N.O.t.N. te liggen, Takotekan, ende in ’t N.O. een plaets genoempt Rackokan, brachten oock traen in leeren sacken om te verruylen aen boort. Sy siende dat wy voorsloegen om wat bet te laeten loopen, voeren van boort ende riepen al in ’t wechvaeren Pierke Tamary ende wesen naer lant ende toonden haer heel vrolyck. Sy van boort synde liepen wat bet t’see tot op 40 vadem, ende alsoo het cort weer heel mistich wert, geyden onse seylen op ende leyden het met de steven t’see met de besaen, ende lieten het ’s nachts dryven, de wint meest S.W. met goet weder ende slecht water, maer heel mistich; het diepte af tot op 50 vadem, santgront, saegen naer de middach een hoogen berch met een pieck in ’t N. 12 O. van ons.

d 14.

’s Morgens was ’t noch heel mistich, de wint Westelyck met cleyn topseyls coelte ende slecht water, maeckten seyl, stelden onse cours O. aen, tegen den middach begon ’t op te claeren, cregen helder sonneschyn weder. ’s Middachts giste geseylt te hebben, O.t.S. 4 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 43 gr. 25 min., alsdoen lach het Barbaren eyl. N.W.t.W. 4 mylen van ons, saegen in ’t lant een hoogen berch met een pieck, die wel 20 mylen van ons lach, in ’t N.W.t.N. van ons. Dat Noordelycxste[92] van de Barbaren eyl. lach N. 3 mylen van ons, benoorden dese eylanden ontfalt hem het lant met een groote inbocht ende is al laech slecht lant, maer diep in ’t lant hooch geberchte, ’t welck bedeckt lach van sneeuw; saegen cort naer de middach noch een vlack eylantie, het welck recht in de bocht leyt, ende heeft verscheyde clippen om de N.O. van hem liggen, vernaemen hier veel walvisschen, gaven ’t den naem van ’t Walvisch eylant. Onse cours was O.N.O. langs de wal, conden geen voorlant in de bocht sien als het hooch binnenlant, saegen oock in ’t N.O. hooch lant, was ’s middachts 50 vadem diep geweest. Onse cours tot ’s avonts O.N.O., de wint variabel van ’t N.N.W, tot ’t S.S.W., diep naer de middach 55, 60, 65 vadem, santgront. ’s Avonts lach het hooge lant dat op de Noortsy van de groote bocht leyt, in ’t N.t.W. 12 W. van ons, waeren omtrent 3 à 4 mylen van lant. Het veerste lant daeraen streckende was duynich lant, ende lach in ’t N.t.O. van ons, 5 à 6 mylen, ende was diep 65 vadem, stelden doen onse cours N.O.t.N. aen. ’s Nachts was de wint W.N.W. ende W., doorgaende coelte, diep 65, 70 vadem, santgront, in de tweede wacht vertoonde hem de see soo brandich, conde niet beter sien ofte saegen een droochte in ’t O.N.O. van ons, leyden het met de steven om de S.W. ende lieten het met een seyl byleggen, verwachtende den dach.

e 15.

’s Morgens was ’t taemelyck weder, de wint met een styve doorgaende coelte N.W., maeckten seyl, deden onse cours by de wint over om de N.N.O.; den dach wat doorgebroocken synde, peylden de N. hoeck van de groote bocht W.t.S. van ons, ende de N.hoeck van de duynen W.N.W. 2 à 3 mylen van ons. Dese streeck duynen vertoonen haer als een eylant, door[93] oorsaeck het lant aen beyde eynden hem ontfalt, seer cort om de West. Wy gaven de N. hoeck van de duynen de naem van Caep de Canael, omdat wy anders niet sien conden of daer benoorden in ’t N.W. van ons was een doorganck ofte canael, maer de wint naer ’t W. treckende, soo styf doorblaesende alsof hy door een trechter quam, naemen onse marsseyls in, lieten het voorts om de N. voort staen, maer corts daernaa besadichde de wint, soodat wy onse marsseyls daer weder bysetten. Wat over de middach saegen wy een heel hoogen berch in ’t N. van ons, ende corts daernae oock in ’t N.N.W. welck lant seer claer blonck van sneeuw. ’s Middachts giste ick geseylt te hebben N.O. 12 O. 1512 myl, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 4 min., ende op de lengte van 165 gr. 27 min., ende op de bevonden breete van 44 gr. 3 min. Hadden doen een hoogen uyt muntende berch recht N. van ons, ende was heel claer helder maer seer cout weder, continueerden onse cours N. tot ’s avonts, ende was doen 115 vadem diep, singelgront. Naer gissing van ’s middachts behouden cours N.N.O. 4 mylen, peylden doen het geberchte als volcht, in ’t W.t.N. lach de pieckberch, dien wy op den 13den oock gesien hadden by Tamarij, in ’t N. 12 O. van ons; in ’t N.W. 12 W. lach een heel hooge berch, die boven op seer hackelich was ende geleeck een eylant, ende daerby noch een hoogen berch, die hem aen tween met een cloof vertoonde; daer beoosten quam een hoogen ronden berch hem vertoonen met syn top door een dys, saegen in ’t N. 12 W. een hoogen vlacke gecartelden berch, daer op het W. eynt een berch op staet, gelyckende een boeren schuer van fatsoen, ende is oock [94]het hoochste van dien berch. Van do. berch streckte wat laeger lant tot in ’t N.O.t.N. ende was het veerste lant dat wy sien conden; de boeren schuer berch lach ons het naest ende was omtrent 10 mylen van ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te wesen tot den gehackelden berch, soo ick con bemercken liep een canael tusschen den gehackelden berch ende den pieckberch door om de W., gelyck per uytworpsel can beoocht worden. Dreven de eerste wacht in stilte, de eerste wacht uyt synde was ’t 100 vadem diep, cregen een coeltie uyt een S.W., de wint te vooren W.N.W. geweest synde, stelden onse cours N.O.t.O. aen, tegen den dach wert het heel mistich ende waeren gront af.

f 16.

’s Morgens was ’t heel mistich, de wint S.W. treckende naer het S. met cleyne coelties ende slecht water. ’s Middachts gisten wy soo geseylt als gedreven te hebben N.O. 12 O. 11 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 30 min. ende op de lengte van 166 gr. 14 min., hadden geen gront, hadden daegelycx veel steencroos ende strommels, gelyck men by de C. de Bonne Esperance siet, die hol syn; ende veel veeren ende andere groente ende wier dryven, ende het bleef heel mistich. ’s Avonts geyden wy de fock op ende lieten de marsseyls neer loopen, lieten het soo met een seyl liggen dryven om de N.O. ’s Nachts liep de wint O.S.O. dreven doen om de N., het was slecht water. Tegen den dach een moye topseyls coelte uyt een O.N.O.

g 17.

’s Morgens was het noch heel mistich motrich weder, de wint O.N.O. met cleyn topseyls coelte, maeckten seyl, onse cours by de wint N.waert over, wat naer de vroeg cost saegen wy lant in ’t N. ende N.N.W. van ons, lieten het voort staen tot omtrent een uer voor de middach, waeren doen omtrent 114 myl van[95] lant ende hadden de diepte van 44 vadem, singelgront, saegen in ’t W. het veerste lant van ons, ende om de O. of ’t veerst N.O.t.O. 12 O. 212 myl van ons, ende was een steylen hoeck. Van do. hoeck tot een ander hoeck streckte het lant van hoeck tot hoeck N.O. ende S.W. Gisten van den verleeden middach behouden te hebben N.N.O. 19 mylen, waeren doen by een steylen hoeck, daer beoosten een rivier scheen in te strecken, doch niet groot, waervan in den mont een steyle clip lach, gelyck een pyramida. Het lant was hier heel slecht ende steyl, in ’t lant lach een hoogen berch bedeckt met sneeuw, doch de valeye van het laech lant lach bedeckt met sneeuw tot op strant toe. Saegen hier by menichte seerobben, scholvers ende lammen swemmen, het lant was seer groen, dan saegen geen geboomte, het was op dato seer cout, wy wenden het weder t’ see, gewent synde, mochten S.O.t.O. seylen, de wint trock temet naer het N. soodat wy O. ende O.N.O. seylen mochten. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. 12 O. 1212 mylen, waeren doen omtrent 1 myl van lant, hadden geen gront, hadden een hoogen hoeck N.O.t.O. van ons 6 à 7 mylen, saegen noch heel hooch lant in ’t W. ’t welck al bedeckt lach met sneeuw, maer doordien de mist continueerde, conden geen degelyck bescheyt sien als altemet met een blinck. Naer de middach liep de wint N.O. seylden O.S.O.waert over, maer wert somtijts heel stil, de eerste wacht dreven wy in stilte, cregen in ’t begin van de tweede wacht een coeltie uyt een S.W., stelden alsdoen onse cours om de N.O. met motrich mistich weder.

a 18.

’s Morgens was ’t heel mistich, een cleyn luchien uyt een S.W., saegen met een blinck een heel hoogen[96] berch bedeckt met sneeuw in ’t N. 12 W. van ons, maer was stracx weder met de mist bedeckt, vervolchden onse cours om de N.O., hadden holle deyninge uyt een S.O. Tegen den middach was de wint Suydelyck, begon weder wat op te claeren, saegen omtrent de middach weder een hoogen berch in ’t N.N.O. van ons, dewelcke seer van sneeuw blonck, maer was stracx weder betrocken van de mist, conden geen voorder bescheyt sien. Gisten ’s middachts geseylt te hebben O.N.O. 11 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 3114 min., ende op de lengte van 167 gr. 45 min. Cregen naer de middach de wint S.O. treckende naer het O. ende voorts naer het N.; onse cours om de O.N.O. maer het wert stil, ende hadden een seer coude natte mist. Wy geyden ’s avonts onse seylen op ende lieten het dryven, in ’t voorste van de tweede wacht cregen wy een coeltie uyt een W., lieten het O. aengaen met cleyn seyl.

b 19.

’s Morgens was het mistich weder, de wint S.W. met slappe coelte, onse cours N.O. aen. ’s Middachts gisten geseylt te hebben O.N.O. 612 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 45 gr. 4114 m., ende op de lengte van 168 gr. 19 min., saegen doen lant met een blinck in ’t W. ende in ’t N.N.W. ende corts daernaer in ’t N. ende was al hooch geberchte, seer blinckende van de sneeuw die daer op lach, maer was weder corts betrocken van de mist. Somtyts scheen de son claer, maer conden geen quart van een myl van ons sien, doordien de mist soo dicht op ’t water neerlach ende ons het gesicht van den horisont benam; conden geen gront bewerpen, het water was heel blaeu, maer saegen veel drift, als veeren, wier, steencroos ende strommels, deden onse cours N. aen met een Westelycke wint.[97] Tot ’s avonts geseylt drie mylen. Saegen ’s avonts veel troppen cleyne meeuwen vliegen; saegen oock omtrent 5 ueren naer den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. van ons, een heel hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw ende was stracx betrocken, conden voorder geen meer kennisse van lant becomen; hebben het alsdoen met de steven om de W. geleyt, ende lieten het dryven, dorsten door oncunde niet voortseylen, de wint variabel met stilte. Vier glaesen in de eerste wacht hoorden wy groote rasing van water of het de lant-see ofte storting tegen de clippen was van de see; worpen het loot, bevonden de diepte van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem; saegen aen bagboort eenige storting van de see, ende hoorden aen stierboort oock veel geraes ende storting van water. Dan de see, die slechte schielyck, ende wy leiden het met de steven om de S.W., ende geyden de seylen op ende lieten het dryven op Godes genaede, ende wat corts gront af van 50 vadem, lieten ons daegelycx ancker druypen met 23 van een tou bodt, of wy weder by gront quaemen dat wy daervoor mochten comen te liggen, dan conden geen gront meer crygen; dreven om de N.W., hoorden gestadich de lant-see ende groote ruysing van water ende veel gecryt van clipmeeuwen.

c 20.

’s Morgens met den dach was ’t mistich weder met stilte, hadden noch geen gront, wonnen ons daegelycx ancker weder op; wat op den dach cregen wy weder gront op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem, grof santgront, lieten ons tuy-ancker vallen. Wat geset gelegen hebbende begon ’t wat op te claeren, saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer[98] scheen dicht by ons te syn, wy hoorden gestadich groot geruys van water, do. lant is stracx weder betrocken van de mist. Omtrent 2 à 3 ueren naer de vroe cost claerde de mist op, doen saegen wy dat wy boven 12 myl niet van den wal geanckert laegen; saegen in ’t S.t.W. van ons 3 mylen, lant, ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mylen van ons het Noordelycxste lant dat wy sien conden; het geruys van water saegen wy dat het afstortinge van sneeuwater was, dat op verscheyde plaetsen van het geberchte in de cloven quaem afvallen, ende een groot geruys ende geraes maeckte, ende het lant lach op veel plaetsen tot by de waterstrant noch bedeckt met sneeuw, insonderheyt op ’t geberchte. Saegen een hoogen ronden berch die vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende een do. in ’t S.W.t.W. van ons, wat lanckwerpiger dan van één hoochte synde, ende waeren met een laege valey aen malcanderen gehecht, alwaer noch eenige cleyne berchies buyten laegen, waer bewesten noch 2 ronde berghen laegen, maer die laegen wel over de 20 myl van ons. Van den berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, loopt een steyle afsteeckende hoeck, dien by ons de naem gegeven wert van Caep de Vries, conden in ’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als nu in de Tartarysche see te syn. Wy waeren myns oordeels ’s nachts tusschen dat lant, daer wy nu onder geset laegen ende een clippige droochte doorgedreven, al by de wal langs, eerst om de N.W. ende voorts om de N.; dancke Godt Almachtich, dat hy ons soo merckelyck bewaert heeft. Giste van den verleeden middach tot daer wy geset laegen behouden te hebben N.t.W. 12 W. 613 myl, waeren volgens dien, op de breete van 46 gr. 634 min., ende op de lengte van 168 gr. 9 min., ende bevonden breete[99] van 46 gr. 6 min.. Wy hadden hier heel slecht water, setten onse prauw ende boot uyt, ick syn met de prauw naer lant gestiert om te diepen; tusschen het schip ende wal bevont een opgaende gront, 14 myl van lant diep 30 vadem, santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem, stenige gront. Syn voorts volgens ordre naer lant gevaeren om te besichtigen of ’t hier wel mogelyck was om water te haelen, daer comende vonden heel goede gelegentheyt, conden met de boot after eenige hooge clippen vaeren heel beschut voor de see, ende mannen soo het vers afloopent water met beleyt in de boot. Syn al te samen aen lant getreden ende bevonden geen teycken van volck, dan saegen twee roo vossen loopen, die niet heel schaeu (schuw) schenen te wesen, bevonden dat het hier een voorjaer was, want de elseboomties begonnen eerst te bloeien ende de groene cruyden stonden seer liefelyck, de bloemties begonnen haer te openen ende de leewerick sonck seer liefelyck. Anders in ’t hooch berchachtich gehackelt lant met sommige fraeye valeyen, saegen geen geboomte als cleyne elseboomties, op ’t corts dit besichticht hebbende syn aen boort gevaeren ende heb ’t den Commandeur alles gerapporteert. Aen dit lant was geen strant; daer geen steyle clippen waeren was ’t al groot ballast steen, daer veel vuereboomen ende hout met een storm op gesmeten was ende daer seer veel lach.

d 21.

’s Morgens syn ick met de boot om water gevaeren, het prautien is met den Stierman Roelof Siversz. om de N.O.hoeck van ’t lant geweest, om te sien of daer noch eenige bay ofte beter gelegentheyt was om te anckeren dan als wy laegen; brochten tyding als dat het een streckende cust was, soo veer sy sien conden om de N.O. streckende, ende dat daer geen[100] beter gelegentheyt en was om te anckeren. Doen als wy alreede laegen, waeren met myn drie soldaeten aen lant gegaen, uytgestiert om het lant wat te ontdecken ende om te sien of daer oock volck op was, quaemen ’s avonts weder aen boort, rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een menschen geraemte ende een dootshooft in lach. Dese huties waeren gemaeckt van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden by do. huties een pael in de gront geset, alwaer een houwer, gelyck de voorige habytanten by ons aen boort geweest sijnde op haer sy droegen, ende was om de cant met wat silver beslagen, hangen, ende was in de schee heel vast beroest; hadden oock een half gemaeckt prautie, ’t welck uyt een stuck van een groote vuereboom begonnen was te maecken, vinden liggen. Dit lant daer wy onder geset laegen vertrou ick een eylant te wesen, dicht by de cust van America te liggen, ofte dat het een uytsteeckende hoeck van do. cust is.

e 22.

’s Morgens is de boot weder om water gevaeren, ende ick syn met de prauw om de S.W. gevaeren, om te besichtigen ofte aldaer geen fraeye bay ofte ree en was, ende creech drie man mede om daer aen lant te setten ende op te loopen, ende te besichtigen een berch, die van veere wel een mineraelberch geleeck. Haer aldaer aen lant geset hebbende, synde omtrent 2 mylen van ’t schip om de S.S.W., soo syn ick voorts om de S.S.W. gevaeren, syn omtrent 312 myl om de S.S.W. gevaeren, quaemen doen by een steyle clip, die omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende is gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat daer niet mogelyck was op te comen, dese clip was wel een musquetschoot hooch. Dwars van do. clip stont soo een steenige berch dicht op strant, die in see staende[101] clip gelyck dan hooger, ende was van specy als van verbrande swarte steen die men licht daeraf conde schilveren. Of ende buyten do. see-lycxste clip comende, vernaemen een hoog reysende see met swaere deyninge, conden noch lant sien soo veer om de S. als conde beoogen. Het wert soo mistich in corten tyt, dat wy dicht by de clippen langs roeyende geen lant conden sien, soodat ick geen cans en sach om iets meer te besichtigen; syn wederom gevaeren naer ons volck, die wy aen lant geset hadden ende hebben haer van lant gehaelt, ende alsoo wy uyt het schip hadden hooren schieten, syn wy naer boort geroeyt. Ons volck hadde eenige aerde uyt do. berch vernoemt medegebrocht, die wel geleeck naer minerael ende scheen silver by hem te hebben; syn aen boort gecomen ende hebben het den Commandeur getoont. Wy brochten oock een party suering aen boort gelyck in ’t patria wast, wy hadden verscheyde vossen aen lant gesien, oock vonden wy een stock op een steyle vlackte steecken die van menschen daer gestoocken was, met eenige kerven daerop gesneeden, dan vernaemen geen volck, wij hadden oock nergens geen santstrant gevonden.

f 23.

’s Morgens syn ick weder van den Commandeur gecommitteert, om met de drie vorige maets, te weten: Jan Joosten, Onder-Stierman, ende den barbier Mr. Jochum met Claes Meullenaer, bosschieter, naer de vorige mynberch te vaeren, ende beneffens haer die op noves te besichtigen, ende een degelyck monster aerde daeraf van daen te brengen, om aen den E. Heer Generael ende de Raden van India te vertonen. Daer comende syn by een aflooping van sneeuwater opgeloopen tot naer de cruyn, ende was vry moeylyck om op te comen, daer comende heb wat dieper[102] in de myn laeten graeven, bevonden merckelycke aederen daerdoor loopen van glinsterende spetie; heb soo veel in een sack laeten doen als een man qualyck conde op strant brengen, ende syn naer boort gevaeren. Maer eer aen boort quaemen, is ons den Commandeur met den Schipper ende Onder-Coopman omtrent de waterplaets te gemoet gecomen met de boot, synde omtrent den middach; den Commandeur riep myn toe, dat ick aen lant by hem soude comen, ende dat als de boot het water inhad, dat de boot naer boort soude vaeren met de gehaelde aerde, beneffens de drie andere maets, ’t welck soo geschiet is. Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles rapport gedaen, syn doen beneffens hem naer een steyle vlacke berch gedaen, ende syn daer opgeclommen, daerop synde heeft den Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten oprechten, waerop dit volgende opgehouden stont: VOC anno 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onse E. Heeren Meesters van dit lant genomen, ende het selfde den naem gegeven van het Companyslant, ende dese hoeck genaempt de Cruyshoeck. Hebben op het Companyslant gegeten ende gedroncken, ende ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen, syn tegen den avont naer boort gevaeren. Aen boort comende is by den E. Commandeur ende raet geresolveert om des anderen daechs te seyl te gaen, alsoo wy nu van water redelyck versien waeren, ende Godtlof gesond volck hadden ende hier niet te crygen was als groente, ende hier met groote peryckel geset laegen; want soo de wint in ’t W. geloopen hadde met styve coelte, was geen cans geweest om af te ryden. Terwyl wy hier gelegen hebben liep de stroom gestadich met een styf[103] corent om de N.O. ende N.N.O., ende was somtyts seer cort stil water ende stracx de stroom syn oude ganck vervolgende sonder te kenteren. Het water wast hier op ende neer 6 à 8 voet, dan en hielt geen ty, in de winter wast het water wel 2 à 3 vadem op ende neer, gelyck sulcx licht te beoogen was; een myl van lant is men gront af. Terwyl wy hier gelegen hebben, was de wint al S., S.t.W. ende S.W. meest met stilte met een swaere dicke mist ende hielen heel slecht water, somtyts op een corte tyt claere sonneschyn. Alhier op de wal wassen op de gront blaeden met dicke holle steelen, dewelcke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, do. bladeren vint men aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer by duisende see-honden, oock lammeties ende duyckers, hadden hier op ’t lant oock een spierwitte vos gesien.

g 24.

’s Morgens was ’t heel stil, hebben de boot ende de prauw ingeset, cregen een cleyn coeltie uyt een S.W., lichte ons ancker, maer wert corts weder stil, dreven naer de wal tot op 27 vadem, santgront, 14 myl van lant; het was soo mistich, dat wy geen lant sien conden, maer hoorden het geraes claer genoech van het afvallent sneeuwater. Dit lant moet seer cout syn van spetie, want hebben malcanderen op het vlacke laege lant met sneeuwballen gegooyt ende sneeuw aen boort gebrocht op den 23 Juny, synde als nu op de N. breete van 46 gr. 6 min., leyden onse compassen op een streeck N.O. aen, lichte ons ancker tegen den avont met een moy coeltie uyt een S.W., deden onse cours om de N.W., cregen de wint in ’t laetste van de eerste wacht N.O. met cleyne topseyls coelte ende slecht water.

[104]a 25.

’s Morgens was ’t noch al heel cout ende heel mistich weder, de wint N.O. met een moye voortganck ende slecht water; saegen somtyts steencroos ende eenige andere drift dryven, saegen oock verscheyde gevogelte vliegen, waeronder eenige waeren swart met roo cromme becken. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. 14 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 46 gr. 46 min.; naer den middach trock de wint naer het N.N.O. ende voorts naer het N. ende N.N.W., saegen veel van de lange croosblaeden dryven. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde liep de wint N.W.t.W. ende doen om de N.N.O. ’s Nachts claer maeneschyn weder.

b 26.

’s Morgens was ’t redelyck claer weder, de wint N.W., treckende naer het N.N.W., lieten het al by de wint N.O.waert over staen, saegen menichte van gevogelte vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.t.W. 12 W. 10 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 25 min., ende op de lengte van 166 gr. 56 min., op de bevonden breete van 47 gr. 12 min.. Naer den middach wert het heel mistich, de wint naer het W. loopende ende voorts naer het W.N.W., seylden ten naeste by N.waert over, cregen holle aenschietende deyninge uyt den N., saegen veel lange croosblaeden dryven; hadden ’s nachts claer maneschyn weder.

c 27.

’s Morgens was ’t mistich weder, de wint N.W.t.N. met een moy coeltie met holle deyninge uyt een N.O., wenden het om de W., saegen veel lange croos dryven ende veel lantvogelties vliegen, waeraf sommige soo cleyn waeren als mossies. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 9 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 48 min. ende op de lengte van 166 gr. 56 min.. Alsdoen heeft de[105] Commandeur den raet beroepen ende is geresolveert om onse cours om de W. te nemen ende N.W. gelyck per resolutie blyckt. Naer den middach cregen wy de wint N.W.t.N. ende N.N.W. met topseyls coelte ende holle deyninge uyt een O.N.O.; het was soo mistich als ’t noch ooyt geweest was, geyden ’s avonts onse fock op ende lieten het dryven met de steven om de W. ’s Nachts de wint N. ende N.N.W. met cleyn topseyls coelte.

d 28.

’s Morgens was ’t noch al mistich weder, de wint met een cleyn coeltie uyt een N.O., maeckten seyl, vervolchden onse cours om de W. met slecht water maer geen gesicht, saegen veel swarte vogels met roo cromme becken vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 12 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 47 gr. 39 min., ende op de lengte van 165 gr. 49 min.. Naer de middach de wint O.S.O. met cleyne coelte, ende alsoo de duystere dicke mist continueerde, lieten beyde marsseyls neerloopen ende geyden de fock op, leyden het met de steven om de N., dreven op Godes genaede N.W. heen.

e 29.

’s Morgens was ’t noch al mistich weder, dan het Oostelycke coeltie begon door te blaesen, waerdoor het scheen dat de mist wat begon te breecken, hebben seyl gemaeckt ende onse cours S. aengestelt, om eenich lant weder in ’t gesicht te crygen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 12 S. 11 mylen, waere volgens dien, op de breete van 47 gr. 26 min., ende op de lengte van 164 gr. 45 min., ende op de bevonden breete van 47 gr. 27 min. Wat naer den middach heeft den Commandeur den raet beroepen ende geproponeert, alsoo wy hier geen lant bejegenden ende de gestadige mist ons sien tegenhielt niet wetende waer wy seylden, ofte het niet goet en[106] was, om het lant weder om de S. aen te doen, ende dan by de wal langs saegen te comen, volgens de strecking soo wy dien mochten vinden, om soo met vaster fondament de cust van Tartaria te beseylen; is geresolveert onse cours soo lang om de S. te vervolgen, tot dat men het lant dat N.W. van het Companyslant leyt in ’t gesicht sal crygen, om soo terdegen te ondersoecken ofte het een streckende cust is ofte gebroocken eylanden. Naer den middach de wint O.S.O. met claer helder sonneschyn weder, met claer gesicht ende heel slecht water.

f 30.

’s Morgens was ’t moy helder ende claer weder, de wint O.S.O., saegen doen het lant in ’t S.O. van ons, ende waeren 2 hooge berghen, waervan de Oostelycxste de hoochste was, ende scheen een eylant te wesen, synde met een valey aen malcanderen, in ’t midden van de valey hebbende een cleyn berchie. Wy hadden dese 2 berghen op den 23sten van het Companyslant gesien omtrent in ’t W.S.W. van ons, 25 à 26 mylen. Wat op den dach saegen wy den selfden berch by ons gesien op den 15den in ’t N.t.W. 12 W. van ons, ende by ons den naem gegeven was van de Boeren schuer. Dito berch lach nu in ’t O.S.O. van ons ende was met laech lant aen de twee geheuvelde berch vastgehecht; den twee geheuvelden berch was by den Commandeur den naem gegeeven van Caep de Trou; vervolgende onse cours S. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben S. 23 W. 20 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 46 gr. 8 min., ende op de lengte van 164 gr. 30 min., ende op de bevonden breete van 45 gr. 54 min.. Alsdoen lach caep de Trou O.t.S. 14 S. 14 à 15 mylen van ons, ende de Boeren schuer S.O.t.S. 14 O. 15 à 16 mylen, conden oock al het geberchte sien,[107] dat van ons op den 15den gesien was; soodat dit lant maer een smalle streeck lant is, met hooge berghen met sommige laege valeyen aen malcanderen gehecht. Het sneeuw op ’t geberchte scheen vry wat gemindert te syn, maer alsoo het op noves weer heel mistich wert ende in ’t aenseylen geen gront conden crygen, ende de stroom ons merckelyck uyt de S. tegenquam met veel drift, als synde groene biesen, wier, steencroos, groene tackies ende blaeden van boomen ende veel veeren van vogels, hebben het met stilte om de W. geleyt. Dreven soo ick con bemercken om de N.W., hielden het ’s nachts met cleyne coelte by over ende weer wendende, vertrou vastelyck dat hier een doorganck was tot in de S. see.

Julius.

g 1.

’s Morgens was ’t heel mistich weder, somtyts een corte wyl opclaerende maer stracx weder een dichte mist, wy lieten het al S.waert over staen, met een O.t.S. ende O.S.O. coelte ende slecht water; saegen by groote bossen steencroos, wier, gras, blaeden ende tackies van boomen dryven, saegen oock eenige lammeties. Soo wy conden bemercken quaem ons de stroom styf tegen, soodat ick op noves vaststel dat hier een doorganck is. ’s Middachts de wint meest N.W. ende W.N.W. met slecht water; giste geseylt te hebben S.S.W. 13 S. 12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 9 min., ende op de lengte van 164 gr. 8 min.; cregen omtrent half naermiddach het lant met een blinck in ’t gesicht, naer de middach cregen wy de wint S.O., lieten het al S.waert over staen om het lant soecken te verkennen, ’t welck ons de mist belet heeft. Saegen ’s avonts met een blinck de pieck Antony in ’t S.S.O. van ons, saegen oock in ’t S.S.W. lant, conden geen gront[108] crygen, alhoewel wy niet boven 3 à 4 mylen van de wal waeren, wenden het tegen den avont om de N.O., hielen het ’s nachts by met een Suydelycke coelte om ’s anderen daechts te sien het canael te ondecken.

a 2.

’s Morgens met de dach begon de mist wat op te claeren met een Suydelyck coeltie, saegen lant in ’t O.S.O. van ons; omtrent 3 ueren voor de middach lach de pieck Antony S.W.t.W. 13 W., de Croonberch S.O.t.S. 12 S. 3 mylen van ons, saegen oock de Boere hoyschuer in ’t S.O.t.O. 12 O., de afgaende hoeck van do. berch in ’t S.O. 12 S., de Caep de Trou O.N.O. 12 N. van ons. De wint met stilte heel variabel loopende, cregen tegen den middach de wint N.N.W. uyt der see, lieten het S. aengaen om het canael te ondecken. ’s Middachts giste geseylt te hebben O.S.O. 12 S. 612 myl, saegen alsdoen de Croonberch S.O. 12 S. 212 myl van ons, conden oock de Gehackelde berch in ’t S., de Boere hoyschuer in ’t O.S.O. 12 S., den afgaende hoeck van do. berch in ’t O., de Caep de Trou O.N.O. 12 N. van ons (sien). Waeren nu op de gegiste breete van 44 gr. 5634 min., ende op de lengte van 164 gr. 41 min. cort naer den middach viel weder een swaere mist, soodat wy weer heel geen gesicht en hadden, conden oock geen gront crygen, wenden het W.waert over, peylden ’s avonts met een blinck de pieck Antony in ’t S.W.t.S. 12 S. van ons. ’s Nachts de wint variabel met een dichte mist, somtyts regen, hielen af ende verwachten claer gesicht; de wint ’s nachts N.N.O., N., N.N.W., W., W.S.W., W.t.S., S.S.W.

b 3.

’s Morgens was ’t heel doncker mistich weder, de wint Westelyck, op hoop dat de mist wat opclaeren[109] soude leyden wy het naer den wal toe; omtrent ’s ochtents te 9 ueren claerde de mist wat op, saegen de pieck in ’t S.W. van ons, ende Caep de Canael in ’t S.t.O., lieten het al S.S.W. naer de wal voort staen, ende is geresolveert om hier ergens ten ancker te loopen, indien wy bequaeme anckergront mochten vinden, ende dan met ons vaertuych het canael te visiteren. ’s Middachts hadden wy heel claer weder, de wint W. ende trock naer het N.W., giste alsdoen geseylt te hebben W.S.W. 7 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 4534 min., ende op de lengte van 164 gr. 4 min., op de bevonden breete van 44 gr. 43 min.. Hadden doen de Croonberch ende de Boeren schuer over malcanderen, ende saegen O.N.O. 12 N. van ons, het hooge lant beiden de Boeren schuer ende de Gehackelde berch W. 12 N. De Gehackelde berch lach O.t.S. 12 S. 5 mylen van ons, stelden onse cours S. naer de wal toe, cregen gront op 46 vadem, singel; lieten het al voort staen, vernaemen een opdroogende gront, quaemen omtrent 3 ueren naer de middach op de diepte van 27 vadem, fyne singel ende cralyge gront omtrent 112 myl van lant, quaemen daer ten ancker. Geset liggende is onse prauw uitgeset, syn naer lant gestiert om te ondersoecken of onder de wal geen beter anckergront en was ende of hier geen volck en woonde, oock of hier geen gelegentheyt was om water ende eenich hout te crygen; ende alsoo by ons om de O. van ons een rivier scheen beoocht te worden, om het selve met een te visiteeren, ofte het een diepe ofte drooge rivier was. Syn vooreerst al diepende naer de rivier gevaeren, vonden een goede opdroogende santgront 1 myl van lant 20 vadem, tot een gotelingsschoot van lant 10 vadem, swarte santgront. Voor de[110] rivier comende syn daerin gevaeren, bevonden deselve drooch te syn ende brack water te wesen. Vernaemen aen lant veel voetstappen van menschen ende beesten, ende het lant stont seer liefelyck ende groen, met veel ontloocke bloemen als in ons vaderlant, vonden een gemaeckt houte swaert; op ’t corts het rontom ons besichticht hebbende, syn langs de strant gevaeren om de W., maer de dach ons te cort wesende om meerder gelegentheyt te doorsien, meenden naer boort te vaeren, maer een vaertuych siende, dat eenich volck op strant haelde, syn daer naer toe gevaeren. By haer comende dicht by strant, vonden een man met een grooten ruygen baert met 2 vrouwen ende 3 jonge manspersoonen ende eenige kinderen by het vaertuych, ’t welck sy al op strant gehaelt hadden. Den outste had een pylkoocker met pylen aen syn hooft hangen, met een booch in syne hant ende een houwer op syn sy, saegen anders geen geweer. Hy riep tegen myn sapoy ende wees, ick sou aen strant comen, ’t welck ick gedaen heb, liggende met de aftersteven van de prauw aen de strant, hy selven de prauw, tot syn knies toe in ’t water staende, afhoudende. Heb soo sittende in de prauw hem eens arack geschoncken, maer wilde niet drincken dan als most selver eerst wat uyt ’t copien drincken, syn met vrientschap van hem gescheyden; hem wysende ick sou morgen weder comen, waerover de vrouwen in haer handen clopten ende schenen bly te syn, syn in de voornacht aen boort gecomen, ende heb het wedervaeren van ons aen den E. Commandeur geraporteert.

c 4.

’s Morgens hadden wy moy liefelyck weder met een cleyn coeltie uyt een N.O., gingen onder seyl, seylden wat naerder de plaets alweer wy by het volck geweest[111] waeren, alsoo daer oock tot verscheyde plaetsen vers water quaem afloopen ende aldaer gemackelyck om te haelen was; quaemen weder ten ancker op 20 vadem, swarte santgront, 23 myl van lant. Geset synde syn met de prauw weder naer lant gestiert met eenige cleenicheden, om dese menschen daerdoor soecken te trecken ende soo haer ommeganck, leven ende wat negotie sy mochten hebben, te bemercken, ende ofte sy oock van gout ende silver wisten. Met de prauw by het strant comende riepen om het seerst sapoy ende clopten in haer handen, conden anders niet bemercken of dat roepen sapoy was welcom te seggen; den outste riep ende wees ick soude aen lant comen, ’t welck ick gedaen heb, ende liet de prauw met ons volck soo lang van de wal afroeyen. Ick aen lant comende heb ick den outste by syne handen genomen ende voorts malcanderen omhelst, betoonende met wysen malcanderen soo veel vrientschap als conden bybrengen. Een manspersoon quaem met een lange mat, gemaeckt van biesen ende ley die op strant neder, den outste my by myn hant vattende wees ick sou gaen op die mat sitten; ick nedersittende quaem syn geheel gepeupel rontom my, ’t welck bestont in 4 manspersoonen, 2 vrouwen, 2 vrysters met een cleyn meysien, sy waeren allen gecleet in rocken van vellen. Ick dese groote beleeftheyt van den barbaer doorsien hebbende, heb hem begifticht met 2 à 3 menocke[?] Tarnataense taback, die hy met groote danck aennam, de vrouluy ende het kint hinck ick elck een chrystalyne craelde ketting om de hals, waermede sy heel bly schenen te wesen, gaf noch aen elcke vrou een cleyn stuckie wit linnen, waermede sy soo bly waeren, conden het selve niet genoech uytroepen, sy vereerden my veel groote stucken[112] heylbot, die noch heel vers was, heb doen met haer allen wat arack gedroncken, ende naem den outste by de hant ende ginck al dansende met hem boven op een groene vlackte, alwaer 5 à 6 huysies stonden, maer waeren maer 2 bewoont, alwaer ick noch veel verse heylbot vont hangen, daervan sy my soo veel gaeven als ick begeerde, ick (heb) haer beleeftheyt weder met eenige cleynicheyt vergolden. Den outste onder haer toonde myn een costelyck ottersvel ende sey takoy, ’t welck is vrient te seggen, ende wees ’t selve wilde vercopen, maer ick daer geen last toe hebbende liet het blyven. Haere huysies waeren van cleyn aensien, bedeckt met gras, de mueren waeren groote basten van boomen, die met streenties van vellen op malcanderen vast ende seer dicht genaeyt waeren; haer haertsteen in ’t midden van het huys met 2 luyckies daerboven, daer de roock uyttreckt; hadden veel heylbot ende salm over stocken boven het vuer in de roock hangen, conden geen eetbaere cost by haer vermercken als visch, sy aeten oock groote dicke steelen van eenige groote blaeden, die hier veel wassen, gaeven die over aen myn, waeren goet ende smaeckelyck om soo uyt de hant te eten, saegen geen gedierte by haer als een party dicke ruyge honden. Dit was al een volck als van Tamary, Tacaptie ende Goutsiaer, die plaetsen waeren hy haer wel bekent. Syn plaet van syn houwer was met silver beslaegen, ick wees hem waer hy daeraen quaem, of waer men dat goet creech; waerop de outste vrouw myn meening eerst verstaende, myn stracx wees, graevende met haere handen in ’t sant, ende nam doen wat sant in haer hant ende dede bewys van sissen, ende dede dat dan in een pot, ende wees dat men dat dan op ’t vuer sette, ende dan goet en was.[113] Cany is by haer silver te seggen. Ick wees weder waer sy dat soo deden, soo wees myn de barbaer naer de pieck Antony, dat het daer was, ’t welck sy allen confirmeerden. Syn alsdoen met vrientschap van haer gescheyden, ende syn om de W. van die huysies gevaeren in een baeytie, vonden daer soo veel suering als wy begeerden, waervan wy ons genoegen pluckten; voeren naer boort toe, brochten soo veel heylbot ende suering aen boort, als met het heele scheepsvolck conden opeeten, quaemen tegen den avont aen boort ende heb van alles rapport aen den Commandeur gedaen. Daer wy alsnu ten ancker lagen, giste sedert den 3den vertiert te syn S.t.O. 3 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 31 min., ende op de lengte van 164 gr. 7 min., ende bevonden breete van 44 gr. 31 min.

d 5.

’s Morgens was ’t heel mistich stil weder, syn beneffens de boot met de prauw naer lant gevaeren, de boot om water ende wy met de seegen om te visschen, brachten met een aen de habytanten wat ryst, alsoo sy daer begeerich naer waeren ende wy oock haer arm leeven aensaegen. Wy aen lant comende, quaemen myn te gemoet sonder geweer by haer te hebben, ende toonden myn alle vrientschap, ende naemen de ryst met een groote beleeftheyt aen. Syn volck holp ons de seegen trecken, wy vingen soo veel salm, tarbot, bot, schaer ende andere visch, waeronder 3 cabbeliauwen waeren, als wy met ons scheepsvolck eeten mochten. Syn ’s middachts, de boot syn water inhebbende, saemen aen boort gecomen, ende is de boot naer de middach weder om water gestiert, ende ick syn met de prauw ende de cleyne seegen naer de rivier gevaeren om te visschen, quaemen met den doncker aen boort; brachten[114] een moije soo bot aen boort. Aen boort comende, verstont dat de boot noch niet aen boort en was, wiste niet wat dencken soude; syn met de prauw naer lant gevaeren, aan lant comende, vonden de boot op het strant sitten, was van de dreg afgeworpen; hebben stracx een dreg soo veer in see laten brengen als conden, om met hooch water de boot weder seecker in ’t vlot te crygen; heb de prauw weder aen boort gestiert. Ick vernaem nu als dat de inwoonders met ons seer becommert waeren ende alle hulp presenteerden dien sy conden, leenden ons een byl om branthout te cloven ende gaeven ons geroockte heylbot om te eeten; presenteerden, wy souden in haer huties comen, maer wy bleven op ’t strant by een groot vuer ons warmende, verwachtende het hooch water, ’t welck wy dien nacht niet hebben vernomen, maer wel een styve S.S.O. wint, met doorsnydende coude.

e 6.

’s Morgens cregen wy een hooge oploopende see, cregen met cracht van talyen de boot in ’t vlot, ende hebben noch de watervaten met water ingecregen. Terwyl ons volck de watervaten met water innaemen, quaem de outste van de inwoonders by myn, ende presenteerden myn een fyn ottersvel, waervoor ick hem een oude scheepsbyl gaf, dewelcke ick in onse boot vont, ende was daer heel blyde mede; heb het selve in handen van den Commandeur overgelevert, als wanneer wy met de boot aen boort quamen. Aen boort comende, was ons schip driftich geweest, hebben derhalven ons tuyancker tuys gewonnen tegen den avont, alsoo het doen stillekens wert ende eer niet hadden connen uytrechten.

f 7.

’s Morgens was ’t moy weder, somtyts heel mistich, een moy coeltie uyt een S.S.O., syn alsdoen met[115] de prauw ende onse Schipper met de boot om de O. gestiert, om het canael terdegen soecken te ontdecken, soo veer het mogelyck was; syn saemen van boort gevaeren, van boort wesende, cregen doen een dicke mist. Wy met het prautie syn langs de wal geschept, de boot syn best doende met op te laveren, ick syn aen het eylant gecomen dat aen het W. van het canael leyt, alwaer het canael by door schynt te loopen, syn daer boven opgeclommen, ende heb met een blinck het canael eens beoocht, verwachtende onse boot. Op dit eylantie, het welck cleyn was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast was gehecht, conde men met laech water over aen het vaste lant van Eso loopen; saegen met een blinck onse boot dicht aencomen, sijn naer het schuytie geloopen, maer eer by ons schuytie quaemen, verlooren onse boot uyt het gesicht door de mist ende subyte harde stroom. Wy saegen verscheyde roode vossen op do. eylant loopen, gaeven ’t den naem van Vossen eylant. Van dit Vossen eylant streckt een recif van clippen om de N.N.O. in see, ’t welck do. canael heel peryckeloos maeckt, ende streckt wel een myl van de wal. Door subyt verlies van de boot, preste ons best om de boot weder in ’t gesicht te crygen, vreesende de boot eenich ongeluck mochte bejegenen, schepten ons best; by het rif uyt om de N.N.O., comende met de prauw voor een doortreckent gadt in ’t rif, werden daer door de stroom ingeruckt boven op een blinde clip, cregen stracx de prauw meest vol water. Cregen met der haest de prauw slaechts ende schepten wat after de clippen, ende cregen het water daeruyt, schepten alsdoen voorts langs het riff, saegen met een blinck [116]de boot geset liggen aen het eynt van do. recif, al waer wy naer toe syn geschept. Daer aen boort comende, verclaerde onse Schipper, dat de stroom haer daer gevoert hadde eer het selve wisten, de branding siende de dreg hadden laten vallen, lagen geset op 5 vadem, cralige gront. Dit rif was gebroocken, op sommige plaetsen de clippen boven water liggende, daer ginck sulcken stroom by de boot, soo veel wy met de prauw conden doot scheppen, ende dat om de O., ende vertrock soo veer wy met de prauw buyten om het rif gecomen hadden, dat het self niet wederom soude opgeschept hebben. Hebben met malcanderen overleyt of het geraeden was, om met de vaertuygen ons in soo dangereuse canael te begeven, ende dat met soodaenige mist ende harde stroom, ’t welck niet wel conde geschieden, sonder blyckelycke peryckel van vaertuych ende volck. Wert met gemeene stemmen geoordeelt, met beeter fondament om quaeder voor te comen, weder om te keeren; de lucht een weynich opclaerende, ende een cleyn coeltie hem verheffende, ginck de boot onder seyl, ende dede syn best om onder ’t lant van Eso te comen. Syn ondertusschen weder naer het Vossen eylant geschept, om met die claere blinck van do. eylant te beoogen des canaels gelegentheyt, soo veel als wy conden; conden in dit canael geen vile (vuilen) sien als van het Vossen eylant afstreckte. Ick boven op de hoochte van het Vossen eylant sittende, saegen de Caep de Canael in ’t S.S.O. van ons ende lach in een mist, ende wert stracx weder mistich. Het Vossen eylant leyt omtrent 312 myl W. van de gehackelde berch van het Staten-lant, soo dat dit canael omtrent 3 mylen wyt is. Voorts niet sonders meer connende beoogen, syn by onse boot gevaeren ende heb de seegen van haer overgenomen, ende syn aen[117] het visschen gepuert, vingen soo veel visch als wy met het scheepsvolck conden opeeten; quaemen ’s nachts de eerste wacht uyt synde aen boort, het was ’s nachts schrickelyck mistich.

g 8.

’s Morgens quaem onse boot aen boort, syn doen daermede beneffens den Commandeur naer lant gevaeren, de prauw is terwyl om groenten gevaeren. Wy aen lant comende heeft de Commandeur de habytanten eenige cleenicheden gegeven, ende aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert, al waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het waeyen. Terwyl hebben wy een moye soo visch gevangen, ende die aen lant gecoockt ende gegeten, al waerop den outste den Commandeurs gast was, toonden haer seer vriendelyck ende beleeft als vooren. Een van ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het aen de habytanten, maer het selve siende waeren daer vervaert voor, ende wesen men soudt in ’t water goyen, ja die dat houten cruys aengeraeckt hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen maer most syn handen eerst wasschen, dan was ’t wel; lachten ende toonden haer bly, doen men het houten cruys in ’t water smeet, noch een soodaenige cruys stont vooraen in ’t bosch; voeren tegen den avont aen boort, scheyende met vrientschap.

a 9.

’s Morgens was de wint Suydelyck, syn met de prauw beneffens de boot weder naer lant gevaeren, om te visschen ende eenich timmerhout van lant te haelen dat by ons volck omgehackt was, synde al greenhout ende berckenhout, ’t welck hier in abondantie stont, oock bequaeme boomen van vuerenhout, groot genouch tot mast ende stengen. Een weynich aen lant geweest synde liep de wint naer het N.N.W., ende[118] trock voorts naer het N.W., waerop de see soo styf tegen het strant aen begon te schieten, dat onse prauw in de gront wert geworpen, hebben hem voorts op ’t strant gehaelt, ende mosten de boot met 2 à 3 man laeten liggen ryen, effen buyten de storting van de see, want conden nergens heen; leyden een groot vier aen ende droochden onse plunie, verwachten dien nacht met patientie beter weder ende wint. ’s Nachts woey ’t styf uyt een N.W. met motregen, den ouden inwoonder gaf ons verse heylbot, die wy coockten ende aeten, hy scheen met ons groot medelyden te hebben. Dien dach was noch een ander geruycht carel by ons gecomen, ende bleef oock by den ouden Esoer, die had pylen ende booch by hem ende een houwer; toonde hem tegen ons oock vriendelyck, bracht syn geweer in huys ende quaem by ons.

b 10.

’s Morgens was het weder wat bedaert ende het water wat geslecht, syn met de prauw ende boot aan boort gevaeren. Aen boort comende, is by den Commandeur ende syn raet geresolveert om onse reys te vervorderen naer Tartaria, alsoo ons volck altesaemen noch redelyck gesont waeren, gelyck voorder by resolutie blyckt. Wat naer middach syn ick met de prauw beneffens de boot naer lant gecommitteert, om een brief aan lant te brengen by den outsten van het dorp; ende terwyl souden ons volck met de boot het hout van lant haelen ende aen boort brengen, ’t welck geschiet is. Terwyl ick by den ouden heer was, saegen den voorgeschreven gecomen inwoonder met een prauw aencomen roeyen ende quam alhier aen strant, hebben hem syn prauw op ’t lant helpen haelen. Hy quaem van de West ende brocht noch een jongman mede met 2 vrouwen, een[119] vryster ende 4 cleyne kinderen, naemen haer woonplaets in een van de leege huysies; sy hadden seer weynich goet by haer, waeren alle eender gecleet met rocken van vellen. Ick myn boodtschap verricht hebbende, naem myn afscheyt van haer luyden, sy geleyden myn met alle man naer de prauw, wesen ick most weder naer lant comen ende by haer comen want wy vrienden waeren, ende syn huys was voor my ten besten; syn soo met vrientschap gescheyden ende aen boort gevaeren. ’s Nachts hadden wy een styve coelte uyt een S.S.O.

c 11.

’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint S.S.O. met een styve coelte, lichten ons ancker, stelden onse cours om de N.W. naer see toe; de gront diepte naetuerlyck af als volcht, 20, 22, 23, 25, 28, 30, 31, 32, 40, 43, 47, 50, 54, 60, 65 vadem, meest santgront, somtyts singel somtyts vuyle gront; waeren doen op do. diepte 2 mylen van onse anckerplaets ende doen wat gront af; wat buyten de W. hoeck van de bocht daer wy gelegen hadden comende, cregen de stroom uyt een W.N.W. tegen. ’s Middachts giste ick van onse anckerplaets geseylt te hebben N.N.W. 23 W. 412 myl, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 47 min., ende op de lengte van 163 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 44 gr. 43 min. Alsdoen lach de gehackelde berch O.t.S. 12 S. 10 mylen, ende de hoeck van Eso, daer het Vossen eylant af leyt, lach S.O. 12 O. 6 mylen van ons, ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van de Tepelberch lach S.t.W. 12 W. 2 mylen van ons. ’s Nachts een moy coeltie uyt een S.O., onse cours W.N.W., vernaemen groote raveling van stroom, met holle deyninge uyt een S.O. comende het canael doorrollen.

[120]d 12.

’s Morgens de wint als vooren, was moy claer weder, waeren door de styve fehemente (stroom) soo tegengehouden, soodat wy weynich vertiert waeren. ’s Middachts waeren omtrent een myl N. vertiert, alsdoen lach de hooge Tepelberch van Eso S.O.t.S. 13 S. van ons, waeren omtrent 3 à 312 myl van lant. Deden onse cours N.W. aen om wat bet t’ see te crygen, doch de stroom styf om de O.S.O. loopende, hielt ons veel tegen, want als de coelte wat stilde dreven over stier, ende met coelte soo hielen wy wat meer als raeck en daeck; de deyninge als vooren styf uyt een S.O. Cregen een doorgaende coelte uyt een S.O., vervolchden onse cours tot ’s avonts, soo ick con bemercken minderde de voorige stroom. ’s Avonts lach de Tepelberch op Eso S.t.O. 23 O. van ons, 9 mylen, stelden alsdoen onse cours W.N.W. aen, conden geen raveling van stroom meer bemercken; de eerste wacht uyt synde, begon de coelte ende de S.Ooste deyninge wat af te neemen, cregen in de tweede wacht een weynich regen.

e 13.

’s Morgens was ’t een deysige lucht met een dichte mist, de wint S.O.t.O. met een cleyn coeltie, stelden ’s ochtents onse cours W. aen. ’s Middachts giste geseylt te hebben W.N.W. 34 N. 20 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 45 gr. 26 min., ende op de lengte van 162 gr. 17 min.; deden alsdoen onse cours W.S.W. aen, om te vernemen ofte by do. cours weder geen lant souden opseylen, ende by daech mochten in ’t gesicht crygen. Naer de middach de wint O.S.O. ende saegen veel drift dryven, als wier, veeren ende steencroos. ’s Avonts cregen een groote wallevisch rontom het schip swemmen, waerdoor vermoeden, gelyck veel bevonden hadden, niet veer van gront te syn. ’s Avonts noch geen lant[121] siende, noch geen gront crygende, geyden onse seylen op ende naemen de blint in, lieten het met beyde marsseyls ende fock voorts staen, deden onse cours W. aen, cregen gront op 80 vadem, steckgront. Doen der 3 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, lieten de marsseyls neerloopen ende geyden de fock op, lieten het soo liggen dryven met de steven N. waert over, de wint doen O. ende O.N.O., dreven om de N.W. ende N.W.t.W., droochde te met langhsaem op, hadden een doorgaende coelte ende slecht water; vermeenden omtrent eenich lant te syn.

f 14.

’s Ochtents was het een donckere mistighe lucht, hadden alsdoen de diepte van 65 vadem, fyn leyachtige santgront; de wint O.N.O. met een doorgaende coelte, setten onse seylen weder by, stelden onse cours W. aen, omtrent 2 mylen, was doen opgedroocht tot 60 vadem, swarte santgront. Lieten het doen N.W. aen gaen 2 mylen, was alsdoen diep 50 vadem, grauwe fyne santgront met eenige schelpen vermengt; deden doen onse cours N. aen 2 mylen, tot ’s middachts, hadden doen de diepte als vooren, 50 vadem, schelpige gront met cleyne crael vermengt, saegen somtyts eenige see-honden, oock veel drift als fyne steencroos, biesen ende veel veeren dryven. Giste alsdoen geseylt te hebben W.t.N. 1614 myl, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 39 min., ende op de lengte van 160 gr. 44 min., saegen eenige raveling van stroom. Is alsdoen geresolveert om het lant aen te doen, alwaer door het opdroogen van den gront omtrent mosten wesen; vervolgende onse N. cours 112 myl, was diep 46 vadem, fyn grauwe santgront. Het scheen dat hier stroom liep, dan conden door de harde coelte weynich bemercken hoe die liep; onse cours als noch N. vervolcht 114 myl, bevonden[122] de diepte van 42 vadem, fyne santgront. Saegen alsdoen omtrent te 4 ueren naer de middach hooch lant in ’t W.t.S., ende streckte van N.N.O. tot in het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van ons, was alsdoen diep 35 vadem, fyne wasige santgront. Saegen corts daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent 1012 myl van ons. Hadden van ’s middachts geseylt N. 512 myl, was doen diep 35 vadem, gingen doen N.N.O. 112 myl aen, was doen diep 44 vadem, fyne santgront, de wint doen O.S.O. ’s Avonts haelden wy onse marsseyls neer, geyden ons seyl ende fock op, lieten het met de steven om de N. liggen dryven; dreven W.N.W. aen 2 mylen, cregen doen de diepte al opdroogent 42, 36, 33, 32 vadem, somtyts wasige gront somtyts steckgront. De wint somtyts ’s nachts O.S.O. ende O.t.N. met een cleyn luchie ende slecht water, noch 112 myl N.W. aengedreven was opgedroocht als volcht, 32, 30, 28, 27, 24, 23, 22 vadem, gront als vooren.

g 15.

’s Morgens was ’t mistich doncker weder met wat regen, de wint O.t.S., maeckten seyl, lieten het N.N.O.waert over staen, behielden al de diepte 22, 23, 24, 23 vadem steckgront. Saegen omtrent 2 ueren voormiddach met een blinck eens het lant in ’t W.S.W. tot in het N.W., saegen hier veel witte plecken tegen het lant aan, maer alsoo het corts weder betrock, conden geen vaste kennis crygen, hadden de diepte ende gront als vooren; onse cours N.O. aenstellende, om alsoo by het lant om te seylen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 1234 myl, waeren volgens dien, op de gegiste breete van[123] 46 gr. 30 min., ende op de lengte van 160 gr. 44 min., waeren doen 4 mylen van lant. Vervolchden onse cours N.O. aen 212 myl, was doen diep 23 vadem, steckgront, saegen alsdoen het lant in ’t N.N.O., O.N.O., O. ende O.S.O. De wint S. met cleyne coelte ende slecht water, lieten het voort staen, droochde te met op, 20, 19, 19, 18, 18, 17, 16 vadem, steckgront, alwaer wy ten ancker quaemen. Ten ancker liggende verwachten eens gesicht te crygen alsoo weder heel mistich was, hadden veel biesen, groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganck lagen ofte in een bocht geset liggende. De wint met een cleyn coeltie ’s nachts doorwayende uyt ’t S.S.W., hadden ’s nachts een cleyn regenbuytie, saegen in ’t N. veel vueren onder de wal, vermoeden hetselve visschers te wesen.

a 16.

’s Morgens was ’t noch mistich weder maer claerde een weynich op, saegen dat in een groote inbocht geset lagen; hebben onse prauw uytgeset ende syn N.O.waert heen naer lant geschept om te diepen, of de gront al gestadich opdroochde met goede gront ofte niet; bevont de gront op te droogen tot 10 vadem, steckgront. Waeren doen 13 myl van lant dan droochde voorts op, maer wert doen steenige ende clippige gront tot een rif dat dicht by de wal langs streckte. Deden teycken aen ons schip, ’t welck is onder seyl gegaen ende quaem naer de wal toe, wy hem met de prauw te gemoet scheppende, saegen dat ons 3 vaertuygen nae quaemen roeyen, maer wy roeyden voort aen boort. Wy wat aen boort geweest hebbende, quaemen met die 3 prauwen by boort, waer in elcx waeren 5, 6, 8 man; was al eender hande volck als voor desen by geweest waeren, riepen Asorka Jankarate, ende vreeven haer beyde handen[124] tegen malcanderen, met heen ende weder draeyende armen, ende wesen of sy aen boort mochten comen, waerop den Commandeur wees sy souden aen boort comen, waerop sy aen boort quaemen, ende clommen eenige stracx over. Dese Esoers waeren gecleet meestal met grove rocken van henneplinnen, ongebleeckt, ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeyt met root ende blauw catoene gaeren, hadden altegaeder schrooties armosyn van alderhande coleuren in haer ooren; sommige hadden rocken van vellen aen. Dese habytanten over synde, toonden haer vriendelyck ende vrolyck, ende wesen men sou dicht aencomen met het schip, wesen naer lant, alwaer wy een dorp saegen staen in een valey, het welck sy noemden Tamary, maer alsoo wy niet sonders by dese inwoonders vernaemen, als een cleyn sootie visch ende maer een man met silvere ringen in syn oor, syn weder van lant afgewent, alsoo op 9 vadem waeren, steenige gront, ende alree 11 van haer vaertuygen met volck aen boort waeren. De wint S.O., lieten het S.S.W.waert over staen, de habytanten dat siende, syn van boort gevaeren naer lant toe. Onder dese habytanten was een heel oudt man die mede in ’t schip over geweest hadde, van ouderdom meest blint ende gaende heel crom, leunende op een stockie, wiens haer ende syn lange baert was soo wit als vlas. De wint treckende naer het S. met stilte, synde omtrent 12 myl van lant, quaemen eens noch 3 vaertuygen naer roeyen, ende quaemen aen boort, brochten veel versche ende gedroochde salm ende gedroochde haerinck aen boort, doch was al ongesouten. Onder dese habytanten waeren verscheyden persoonen met groote silvere ringen in haer ooren, saegen oock een vrouw in de eene[125] prauw sitten, blanck synde met swart lanck hangent haer op haer hooft, hadde in elcke oor een groote silvere rinck, om haer hals hebbende een groote blauwe gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waeren, maer sy wilde niet overcomen. Dese inwoonders hadden sommige houwers op haer sy, daer de plaeten rontom met silver waeren beslaegen ende oock de scheen (scheden) aen de eynden seer sierlyck, haer heften van haer houwers oock sierlyck met silver ingeleyt ende gewrocht. Haer visch ruylden wy haer af, om ryst ende stuckies van ysere hoepen. By den Commandeur bemerckt synde de abundantie van het silver, is geresolveert om weder naer dat dorp Tamary te seylen ende te vernemen waer dat sy aen dat silver quaemen, want sy haer goet verruylt hebbende, riepen ende wesen al dat wy weder omkeeren souden, ende sy seyden Pierke Tamary, het welck te seggen is, compt te Tamary. Quaemen daer ten ancker tegen den avont, op 6 vadem, steenige gront, maer alsoo ons ancker hier niet wel wilde houden ende de wint aflandich was, syn op 912 vadem, steckgront geseylt ende daer geset; het dorp Tamary N.O. 12 myl van ons. Waeren nu op de gegiste breete van 46 gr. 40 min., ende op de lengte van 160 gr. 58 min.; alsdoen lach de anckerplaets onder Companys lant 6 gr. 32 min. besuyden het O. van ons, nagenoech 72 mylen, ende de anckerplaets onder het N.O. eynt van Eso lach alsdoen 45 gr. 42 min. beoosten het S. 4614 myl van ons, volgens waere cours ende veerheyt. De habytanten syn vrolyck naer lant gevaeren, die voorschreven stockouden man quaem alsdoen weder aen boort, ende had een blauw catoenen rock aen, alwaer Japansche caracters met gout op gedruckt stonden,[126] in een groote viercante perck op syn rug. Dese rock was met alderhande coleuren van catoene gaeren genaeyt ende versiert; hy toonde syn rug, seggende of dede bewys men sou ’t lesen, maer wy hadden niemant dien ’t selve conde verstaen. Wy onthaelden dien ouden man met syn byhebbent volck met een scheeps arackien, ’t welck sy lustich mochten, riepen altemet Tacoy sackie meyere, ’t welck is te seggen, sackie drincken, want seggen tegen drincken meyere; riepen altemet met een vrolyck gemoet Tacoy pierka Tamary, ’t welck is, vrient compt te Tamary. Syn met den avont aen lant gevaeren vrolyck ende al singende. ’s Nachts regenachtich weder, met een sware mist.

b 17.

’s Morgens was ’t heel mistich regenachtich weder, syn gecomitteert met het prautie beneffens myn de 2 Assistenten Arnout Brouwer ende Davit Cassu naer lant te vaeren, ende op alles goede opmercking te nemen, ende haer soecken te ondervraegen waer sy aen het silver quaemen. Bevonden het als volcht, vooreerst wy met de prauw door de mist heenbreeckende, quaemen onder de wal tegen een cleyn rifken van clippen, alwaer wy niet over mochten maer mosten daer by omscheppen. Een inwoonder van ons boort comende, quaem ons inroeyen, hadde 4 roeyers ende een vrouw in syn vaertuych, ende riep tegen myn Tacoy pierka, ende wees wy souden hem nae scheppen, hy sou ons voorroeyen; hy harder roeyende als wy conden, wachte ons dan weder in, brocht ons in een kil die naer de huysen toe liep, roeyde doen syn best ende was voor ons aen lant, liep eerst in een huys ende quam stracx weder. Terwyl quaemen wy met de prauw aan lant, maer alsoo het wat veer vlack was, heeft een prauw af laeten voeren,[127] die vlot by onse prauw gebrocht wert, ende riep Takoy, ende wees, wy souden in die prauw overstappen om droochvoets aen lant te comen. Voor waer synde een groote beleeftheyt van desen inwoonder, syn daerin getreden, brochte ons drooch op lant, de rest van de inwoonders sleepten doen onse prauw met een grooten yver oock op ’t lant. Op strant stonden veel inwoonders, soo mannen als vrouwen ende kinderen, quaemen uyt alle hoecken voor den dach ende riepen al Tacoy, ’t welck is vrient, een van de vrouwen ons verwelcomende met een bevent stemmetie. Een bedaecht man, comende van boven uyt een van de huysen, ende quam by myn ende greep myn by de hant, ende sey Tacoy jankaryte, ende greep myn voorts eens vriendelyck om myn midden tot teycken van vrientschap, ende gingen soo hant aen hant naer syn huys toe, ’t welck boven in ’t groen dicht by het strant stont, ende was rontom met pallisaeden beset, met een getraliede deur daeraen. In huys comende vonden daer op een verheven diggedig [?] alwaer matten op laegen, den selfden man sitten dien ons voorgevaeren was, synde gecleet met een blauwe catoenen rock met witte bloemen, syn vrouw aen syn slincker sy, gecleet met een rock die met veel strickies ende cruysies vernayt was, met alderhande coleur van catoene gaeren; dese rocken waeren als de Japansche catabers. Den inwoonder wees ick sou gaen sitten aen syn rechter sy op de verheven diggedig, synde omtrent 112 voet boven de aerden, sittende op syn Japansch op de matten, die overal geleyt waeren langs het huys. Dese persoon scheen over dit dorp het meeste gesach te hebben. Dus sittende hadden een fraey discoursie met wysen, ende alsoo hy in elcke oor een groote[128] silvere rinck had ende syn vrouw noch veel grooter, wees waer hy dat van daen creech, sey dan Miniasiama, ’t welck is te seggen, ick verstae u niet. Dus sittende liet myn 2 Japansche copere tabackpypen sien, ende sey Tacoy tambaco, ’t welck is te seggen, vrient taback, heb alsdoen wat Javaensche taback omgedeelt, ende droncken in ’t ront een tambackien ende arackien, maer wilden niet drincken of mosten self eerst daer wat uyt drincken. Dan op het jongst wel merckende, dat de dranck al uyt een can quaem, droncken sonder schroom in ’t ront om. Naerdat wy soo wat met wysen ende spreecken, sonder malcander te verstaen, gediscoreert hadden, ick niet van dien quant van het silver con vernemen, hebben alsdoen onse doos laeten opdoen ende den delinquant met syn vrouw elck met wat cleynicheden vereert, ende alle de omsittende vrouwen ende kinderen desgelycx, waerover alle wel tevreden waeren; insonderheyt als ick elck een cristalyne craelde ketting om de hals hinck, roepende al lachende Tacoy, Tacoy. Des huysheers vrouw hadde een groot blau gecraelde ketting om haer hals, waer copere teyckens tusschen geregen waeren ende eenige andere coralen. Dese vrouw is opgestaen, ende heeft ons elck wat geroockte heylbot in een Japansch verlackt schutteltie gegeven, ende sey Tacoy aimaira, ’t welck is vrient eet; haer beleeftheyt siende heb elck een schrootie armosyn omgedeelt, van de lengte ende breete eens schoenlints, waermede sy seer bly waeren. Sy opstaende ende haelde een oude lap van slecht Sinees goudlaecken, seggende Tacoy, ende wees of wy sulck goet niet hadden, scheen daer seer begeerich naer te wesen; maer wy toonden haer onse coopmanschap, ’t welck bestont in cleyne Sinesche spiegels, waterparelen[129] ende slechte craelen, wat laecken, sarassen, tafasilas, seylcleeden, om te betoonen als dat wy als coopluyden hier quaemen om te handelen. Terwyl is den buerman naest dese syn huys wonende, alhier in huys gecomen ende dronck eens arack ende een tabackie met ons, is doen opgestaen ende greep myn by de hant, ende noodichde myn tot synent te comen; naem met beleeftheyt myn afscheyt ende ginck met hem. Hy uytcomende ging sitten als den vorigen, maer hebbende 2 vrouwen die aen syn slincker sy gingen sitten; dese persoon had een rock aen van catoen, blau met witte oochies; syn vrouwen waeren gecleet, de een met een hennipe grove rock, wat vernaeyt synde, ruylde die van haer lyf af voor 3 snoeren watercraelen. Sy alleen loopende heeft een rock van vellen aengedaen ende quaem ende brocht myn de rock, dewelcke ick heb laeten bergen ende aen boort gebrocht tot een monster; de ander vrouw had een rock aen van robbenvellen. Syn doen tegen ons ende haer mans over gaen sitten, haer mans vereerde ons met een vel, niet wetende van wat gediert, waer tegen wy hem 2 ellen blau syden lint vereerden, hebben do. wel aen boort gebracht; den eene vrouw opstaende deelde ons elck een Japansch soo vier- als ses-cante verlackte schuttelties om, alwaer in elck 2 stucken gecoockte heylbot lach ende seyde Tacoy amaira, als is te seggen, vrient eet. Corts hierop is den vorigen by geweest hebbende inwoonder, met syn wyf ende gantsche huysgesin by ons gecomen, ende brochten ons een swart geroockten salm tot schenckagie mede, ende was met ons alle vrolijck ende vriendelyck. Hebben op novens (nieuw) onse coopmanschap laeten sien, wesen of sy geen goet daervoor geven wilden, wilden het goet wel hebben[130] maer wilden niet genoech van haer vellen scheyden; wees dat sy sulcke rocken voor haer vellen hebben wilden als hy aenhad. Ick haer allen wat Javaensche taback, wat naelden, ende wat naey-sy ende eenige craelde kettingties omgedeelt hebbende, schoncken haer noch eens arack ende naem myn afscheyt. Sy bedanckten ons soo het scheen geweldich, naemen alsdoen onse ganck naer het strant, waer naer toe sy ons met alle man convoyden. Wy op strant comende, quaem een out man met een lange ruyge witte baert by ons, ende naem myn by de hant, ende ginck met myn naer een opgestelt hutien dat op strant stont. Myn niemant volgende als ons eygen volck, gingen daerin ende was maer van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, waer in ’t midden vuer aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen cruyt over hinck ende coockte. Gingen in ’t hutien by ’t vuer sitten, beneffens ons den ouden grysen man met noch 2 manspersonen ende 3 vrouwen, waervan de eene vrouw een cleyn kintie op haer schoot had, soo schoon als ooyt gesien heb, ’t welck een meysie was, hebbende een blauwe craelde kettingh om syn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen waeren, aen do. ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlyck gemaeckt, wegende met haer tween wel 12 pont swaer. Geseten synde droncken een arackien in ’t ront met een tabackien, terwyl schafte een van de vrouwen in drie verlackte coppies met voeties wat salm ende groen cruyt op, ende gaf ons elck daer een af, ende sey, wy souden eeten, langde ons elck twee stockies om op syn Japans daermede te eeten; een van ons daer niet wel mede connende eeten, lachten daerom. Een van de inwoonders sey tot verscheyde reysen tegen myn[131] Spanola, maer ick hem daer niet op antwoordende, sweech voorts stil; ’t welck myn in bedencken bracht of hier wel Spaniaerts in vorige tyden geweest mochten hebben. Terwyl ick in do. hutien sat is noch wat sonders voorgevallen, te weten: haer honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer daer een een poos de uytsicht gehad heeft; de rest van de honden, 10 à 12 by troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plonsten soo met swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheyt hem dan verheft uyt het water, ende springt op plaetsen daer weynich water is of op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grypen die salm; dan byten die stracx de cop af ende brengen het lyf by haer meester in huys, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met laech water. Dit alles beoocht hebbende, deelden hier aen de vrouwen ende kinderen enige cleynicheden om tot danckbaerheyt, al waermede sy ten hoochsten vernoecht waeren. Syn doen naer de prauw gegaen, hebben soo wel versche salm als gedroochde do. ende gedroochde haerinck geruylt, als wy conden voeren, voor stuckies van ijsere hoepen ende voor ryst. Cregen oock veel salm voor cleyne stuckies linnen, dat ons volck aen haer hals hadde in plaets van dassies. De vrouwen ende de kinderen quaemen soo dick met visch op strant, als of sy de prauw wilden afloopen; den principaelste van ’t dorp siende, dat wy ons by de prauw niet wel conden redden door de menichte van ’t gepeupel, want riepen[132] al te saemen Tacoy Cany, dat is vrient ijser,[22] ende presenteerde elck syn visch; heeft met 2 à 3 woorden haer verbooden soo menichte rontom de prauw te comen, quaemen doen met 4 à 5 persoonen treffens om te verruylen, maer onse prauw viel ons te cleyn ende mosten met ruylen uytscheyden ende lieten de prauw wat van de wal afleggen. Syn doen met beyde Assistenten met noch 2 à 3 man wat opgeloopen door een groen plasierich velt, ’t welck vol geele lelys was gelyck in ons vaderlant in de tuynen wassen. Werden doen weder in een huys genoodt, al waer wy met vrientschap bejegent werden, gaeven ons wat geroockte salm ende vereerde weder aen de vrouwen ende kinderen eenige cleyne snuystering, naemen met vrientschap ons afscheyt naer de prauw toe, alwaer wy naer toe wel met 30 personen geleyt werden, waeronder oock onse sangers was, die ons verwelcompt hadden in ’t aen lant comen met singen. Dede alsnu met singen ons uytgeley ende syn met groote vrientschap van de inwoonders van lant afgescheyden, roepende in ’t wechvaeren Tacoy Tamary pierka cany, als wilden seggen, als ghy weder aencompt in Tamary, soo brengt meer ijser mede. Syn met een groote stortregen aen boort gecomen omtrent 4 ueren naer de middach, ende heb aen den Commandeur ons wedervaeren vertelt.

c 18.

’s Morgens was ’t mistich motrich weder, met een cleyn variabel coeltie, syn ’s ochtens beneffens myn den Assistent Davit Cassu naer lant met de prauw gestiert, om noch een deel visch te verruylen, ende met een een vriendelyck afscheyt van dese inwoonders te nemen, ende om den meest gesach hebbende een Prinse vlaggetie te vereeren met een brief. Aen lant[133] comende waeren seer welcom, hebben in corte tyt onse prauw vol salm ende haering geruylt, syn van de 2 meest gesach hebbende persoonen weder in huys genoodt, in huys wesende quaemen wel 50 menschen, soo vrouwen, mans ende kinderen rontom ons sitten. Ick heb haer allegaeder wat taback vereert, de kinderen ende vrouwen eenige cleynicheden, om tot gedachtenis wat voor volck wy waeren, ende onse goetheyt mochte by andere nabueren roemen, ende schonck elck eens arack om, waervoor sy al te saemen haer heel danckbaer toonden, ende riepen allen Vrient, Vrient. Heb doen met een beleeft wesen de Prince vlag aen den meest gesach hebbende gegeven met de brief, toonde hem heel danckbaer, de brief van binnen besiende lachte. Ick wees hy soude die bewaeren, als wy wederquaemen soo most hy hem ons weder sien laeten, hy heeft de brief gebercht ende liet de vlag waeyen; beduyde hem als hier weder een schip quaem, dan most hy die vlag van syn huys laeten waeyen, ’t welck wees ’t selfde soude doen; droncken daerop eens arack ende liet de trompetter Wilhelmus van Nassouwen blaesen, alwaer sy groot behaegen in hadden. Sy keecken in de trompet, niet wetende of conden bedencken waer het geluyt van daen quaem. Nae gedaene rekaratie (recreatie) naem met vrientschap myn afscheyt ende syn naer boort gevaeren; quaemen met een groote regen naer de middach aen boort, ende was seer mistich. Dit dorp stont in een groene plasierige valey, alwaer afterom een schoone salmrycke rivier loopt, synde versch water ende loopt aen de West-sy van ’t dorp in see; maer de rivier is van buyten in de mont drooch met laech water, alwaer als dan door een cleyn killetje het rivierwater in see[134] loopt. Het water wast hier een vaem op ende neer, dan wast ende viel cort verscheyde reysen op een dach. Hier stonden, soo wy sien conden, 12 à 13 huysen, waer van der maer 7 bewoont scheenen te wesen; hier stonden oock 5 à 6 cleyne packhuysen omtrent een mans lengte boven de aerde, staende op 4 stutten ofte steylen, alwaer gedroochde visch in lach, de deuren daervan waeren van vuerenhout ende waeren maer toegebonden. Haere graeven waeren boven de aerde gelyck een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel besorcht ende dicht toe benayt met groote basten van boomen. Haer huysen syn op ’t fatsoen als in het vaderlant met een laege deur, de mueren syn basten van boomen ende het dack oock van het selfde stof, seer dicht op malcanderen genaeyt; haer huysen syn van binnen sonder caemers, in ’t midden met een haertstee, in ’t dack twee veynsters, in plaets van een schoorsteen; boven de haertstee leyt het vol stokken gelyck in een hang, alwaer het vol salm ende andere visch op hangt te roocken. Sy hebben geen sout in gebruyck. Haer huysen syn rontom over de heele vloer beleyt met biesen matten, ende sommige met een verheven diggedig om op te slaepen, saegen eenige Japansche cassies ende cnassers, saegen oock veel velwerck by haer. Vonden hier geen levent gedierte als haer vischvangende ruyge witte honden; het was in haer huysen heel warm, de balcken van haer huysen waeren van vuerenhout, heel perfeckt in malcander gevoecht, hadden oock netten ende harpoenties om visch te schieten in haer huysen. Hier in ’t bosch stonden schoone groene boomen tot masten, saegen geen fruyt altoos.
Terwyl wy op den 18 do. op ons vertreck stonden, saegen wy 7 manspersoonen al met groote ruyge[135] baerden, met haer volle geweer, als synde pyl ende booch ende een houwer, uyt de O. langs het strant comen passeeren met drie jongens by haer, die elck een bos visch op haer rug droegen, hebben die ingewacht; naer ick con beoogen waeren ’t reysende luyden, omtrent by ons comende, heb haer eens arack geschoncken; dese hadden al schrooties armosyn in haer ooren, maer haer plaeten waeren beslaegen met silver, te weten van haer houwers. Sy brochten haer geweer wech ende quaemen ons mede adie seggen.

d 19.

’s Morgens claerde het weder op, de mist vertrock ende cregen een cleyn coeltie uyt een S.S.W., ende alsoo wy hier niet sonders conden vernemen, gingen onder seyl, maer quaemen corts weder ten ancker door stilte op 912 vadem, goede gront, een myl van lant beoosten Tamary. Hier quaemen uyt verscheyde plaetsen vaertuygen aen boort met visch, die wy haer afruylden, oock van haer een levende swarte beer. Een van dese aen boort comende inwoonders toonde aen den Commandeur een stuck mynerael ende wees dat dat silver was, ende dat de berch daer dat van daen gecomen was, in ’t S.S.W. van ons lach, ’t welck wy vermoeden het lant te syn, dat op den 14 do. beoocht hebben; ende alsoo de mist moy opclaerde, ende het coeltie uyt een S.W.t.S. moy opwackerde, maeckten seyl om uyt dese ingeseylde bocht te comen. Effen onder seyl synde, quaem een prauw met 6 personen daer in aen boort, synde gelaeden met vellen ende visch die geroockt was. In do. vaertuych sat een blanck aensienlyck oude man met een lange witte baert, aenhebbende een blau gecleurde catoene rock, maer alsoo ’t schip te harde voortganck maeckte, is beneffens de andere[136] vaertuygen weder naer lant gevaeren. Wy wat onder seyl geweest hebbende, vonden de brief die ick by de Prince vlag aen lant gegeven had, in ’t coogel laetien after een stuck liggen, waerin wy verwondert waeren wat sy daermede meenden, of door wat oorsaeck sy dese brief daer geleyt hadden. Wy deden onse cours S.O.waert over, ’s middachts waeren wy op de gegiste breete van 46 gr. 29 min., ende op de lengte van 161 gr. 22 min., ende op de bevonden breete van 46 gr. 27 min.. Alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. 12 N. 212 myl van ons, in ’t N. lach het lant 212, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 myl, in ’t S.O.t.S. de veerste hoeck dien wy sien conden 8 mylen van ons, ende gaven dien hoeck de naem van Caep de Aniwa. Het was al treckende afgediept als volcht, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 18, 19, 20, 22, 23 tot 25 vadem, al steckgront; hier was een groote bocht met een groote valey laech lant, saegen overal veel huysen staen, soodat dese bocht in ’t ront heel bewoont is, saegen oock verscheyde rivieren te lantwaert inloopen, ende geleeck overal een vlacke lantsdou te syn met hooch binnenlant. Wat naer de middach de wint naer het S.t.W. loopende met een topseyls coelte, lieten het O.S.O.waert over staen, 4 mylen; was opgediept tot 30 vadem, ende daer van daen weder opgedroocht tot 13 vadem, al steckgront. Cregen doen 12 vadem, craelgront, ende waeren een myl van lant, saegen in ’t O. van ons een rivier in ’t lant strecken, al waerby veel huysen stonden, de Caep Aniwa lach S. 5 mylen van ons. Tegen den avont wert het heel mistich, liepen W.waert over. ’s Nachts cregen wy een moy coeltie uyt een N., stelden onse cours S. aen, hadden sont (sedert) dat wy om de W. gewent[137] waeren behouden W. 3 mylen, ende was afgediept als volcht, 12, 13, 14, 16, 17, 20, 23, 24, 25, 26, 28 tot 30 vadem, al steckgront. ’s Nachts in ’t S. seylen diepte het al af als volcht, 33, 34, 35, 38, 40 vadem.

e 20.

’s Morgens was ’t heel mistich doncker weder, met een N.lycke topseyls coelte ende slecht water, deden onse cours als vooren S.waert over, ende was 42 vadem diep, al steckgront. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.t.O. 612 myl, was doen diep 30 vadem, steckgront; waeren op de gegiste breete van 46 gr. 112 min., ende op de lengte van 161 gr. 29 min. Giste alsdoen de Caep Aniwa O.S.O. 3 à 4 mylen van ons, naer de middach claerde de mist wat op, saegen alsdoen Caep Aniwa O.S.O. 4 mylen van ons; naer de middach stillekens, was ’s avonts 58 vadem diep, waeren weynich vertiert, do. Caep lach op een streeck als vooren van ons, do. Caep is een steyle hooge ronde hoeck. ’s Nachts de wint variabel N.W. ende N.N.W., onse cours S.S.O., diep 56, 57, 58 vadem, steckgront.

f 21.

’s Morgens hadden wy een donckere betogen lucht met een N.O. topseyls coelte ende slecht water, deden onse cours by de wint O.S.O. aen, giste ’s middachts geseylt te hebben S.S.O. 6 mylen, waeren volgens dien op de breete van 45 gr. 3912 min., ende op de lengte van 161 gr. 42 min.. Alsdoen lach de Caep Aniwa N.t.O. 23 O. 4 mylen van ons, ende hadden de diepte van 58 vadem, steckgront, saegen een groote walvisch, wy conden geen lant meer buyten do. Caep sien. Het wert wat naer de middach weer heel mistich, cregen noch eens gront op 62 vadem, ende waeren doen gront af; naer de middach de wint N.O.t.O. ende N.N.O. met een[138] moy luchien. Stracx trock de wint naer het N.N.W. ende de see begon hardt uyt den N. aen te schieten, vernaemen veel raveling van stroom.

g 22.

’s Morgens hadden wy doncker mistich weder, de wint N.W. met topseyls coelte, ende holle deyninge uyt den N. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.N. 14 N. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 54 min., ende op de lengte van 163 gr. 5 min., seylden al by de wint N.waert over, saegen somtyts eenige steencroos dryven ende veel lammeties ende seerobben swemmen, ende saegen oock veel wier ende stuckies hout dryven. Tegen den avont cregen wy stilte tot de eerste wacht uyt, cregen doen een coeltie uyt een W.S.W. ende trock temet naer het S.W., deden onse cours N.W. aen.

a 23.

’s Morgens hadden wy doncker regenich weder, de wint meest S.W. ende S.W.t.S., deden onse cours N.W.t.W. aen, corts daernaer W.N.W., om te soecken om de W. om te comen, hadden slecht water. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. 12 N. 11 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 46 gr. 28 min., ende op de lengte van 162 gr. 25 min. Omtrent 4 ueren naer de middach cregen wy weder de cust van Eso in ’t gesicht, ende was een steyle uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. streckende, geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven do. hoeck de naem van Tonyns hoeck, do. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden van ’s middachts geseylt 5 mylen W.N.W. aen, minderden seyl ende worpen het loot, vonden de de diepte van 44 vadem, steckgront, ende corts daer nae 58 vadem, vervolchden onse cours W.N.W. 2 mylen. Saegen doen met den avont, als dat do. cust noch al N.waert heenstreckte soo veer wy sien[139] conden, ende alsoo het schielyck mistich wert, ende het lant in ’t N.N.W. gepeylt hadden, dat hooch was, maer tot 3 à 4 myl benoorden de Tonyns hoeck is ’t al laech lant, lieten onse marsseyls loopen, ende geyden onse seylen op, lieten het met een S. wint met de steven om de O. liggen dryven. Maer alsoo het cort met de maen de mist weder opclaerde, maeckten weder seyl, ende lieten het weder voort staen N. aen met een S. coeltie. De eerste wacht uyt wesende ende de maen onderginck, wert het weder heel doncker, lieten het weder dryven als vooren, met regen, het was al langsaem opgediept als volcht, 50, 55, 60, 63, 66, 68, 70 vadem, steckgront; alsdoen was de tweede wacht uyt, maeckten doen seyl, stelden onse cours al N. aen met een dichte mist, maer alsdoen drooch weder.

b 24.

’s Morgens begon de mist wat op te claeren, setten al onse seylen daerby, cregen doen een N. wint dewelcke naer het N.W. ende N.W.t.W. trock, met een topseyls coeltie, lieten het by de wint N.N.O. waert over staen. Wat op den dach claerde de mist heel op, saegen in ’t N.W. het lant 4 mylen van ons, ende was een streckende cust hooch lant. Wy vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 23 W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 27 min., ende op de lengte van 162 gr. 14 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van 47 gr. 40 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset had, omtrent 3 mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in ’t S.W.t.W. 5 mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. 12 W. lach een hoogen berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van Tepelberch, ende lach 10 à 11[140] mylen van ons. Conden noch in ’t N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront; op de middach wert het stil, het was hier al laech lant, op sommige plaetsen met geberchten met veel bochten ende inwycken; in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer spitsies op stonden als stompe torens. Naer de middach cregen wy de wint W., deden onse cours N. 1 myl, was doen diep 57 vadem, cregen doen een luchien uyt den S., deden onse cours N.N.W., cregen holle deyninge uyt een O.S.O. Geseylt hebbende 212 myl op do. cours, was ’t langsaem opgedroocht tot 4 glaesen in de eerste wacht, was alsdoen diep 47 vadem, steckgront, deden doen onse cours N. aen, de wint doen W.N.W. ende W., tot dat 2 mylen geseylt hadden, was doen 40 vadem; deden doen onse cours N.N.O. aen 112 myl, was doen 42 vadem, gront als vooren; lieten het met neerliggende marsseyls ende opgegeyde seylen voort staen N.O.t.N. aen 212 mylen, was alsdoen diep 44 vadem, steckgront.

c 25.

’s Morgens was ’t moy stil weder, de wint N.W.t.W. met een betogen lucht, doch taemelyck gesicht, saegen op verscheyde plaetsen lant soo veer wy sien conden, van het W.S.W. tot het N.N.O. Saegen nu op noves (nieuw) als dat wy weder in een groote bocht van Eso waeren geseylt. Voor de middach de wint variabel met stilte ende met holle deyninge uyt een O.S.O. Tot ’s middachts noch geseylt N.N.O. 12 O. 3 mylen, was doen diep 39 vadem, steckgront. Giste in dit etmael door malcanderen geseylt te hebben N.t.O. 1112 myl, waeren volgens dien, op de breete van 48 gr. 25 min., ende op de lengte van 162 gr. 27 min.; hadden doen in ’t N.O. lant 10 mylen[141] van ons, saegen oock lant in ’t W.S.W. soo veer wy sien conden; conden voorts in de bocht in ’t N.N.W. op sommige plaetsen hooch lant sien. Het naeste lant lach W.t.N. 12 N. 8 à 9 mylen van ons, ende was een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was geheel gehackelt boven op gelyck of het een saech was. De mist ginck soo dubbelt over het lant, dat men geen degelyck bescheyt sien conde. ’s Middachts een slap coeltie uyt een N.N.O. wenden het N.W.waert over, de wint liep temet om naer het N.O. ende voorts tot het O.t.N., dat wy N.t.O. seylen mochten; saegen wat naer de middach een doode cabeliau verby het schip dryven, de welcke scheen niet lanck doot geweest te hebben. Naer de middach geseylt N.t.W. 312 myl, diep 38, 36, 35 vadem, steckgront, saegen doen ’s avonts noch al lant in ’t N.O.t.O., ende om de O.S.O. streckende met een groote bocht aen malcanderen. ’s Nachts dreven in stilte, hadden de diepte van 35 vadem, steckgront.

d 26.

’s Morgens doncker weder, de wint S.S.O., deden onse cours om de N.O., een weynich op den dach synde saegen het lant tot in het O.S.O., scheen een hoeck of eylant te wesen, dan was aen malcanderen vast met een groote bocht om de N.W., stelden onse cours om de O. tot ’s middachts, diep 34 à 35 vadem, al steckgront. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. 612 myl, waeren volgens dien, op de breete van 48 gr. 49 min., ende op de lengte van 162 gr. 42 min., ende op de bevonden breete van 48 gr. 56 min. Saegen doen lant in ’t W. 612 myl, N.W. 7 myl, N.N.W. 7 myl, in ’t N. 5 myl, N.N.O. 312 myl, in ’t O. 5 mylen, in ’t S.O. 6 mylen van ons, ende quaem al met bochten ende[142] laech lant aen malcanderen. Van ’s middachts geseylt O.t.S. 312 myl, de wint variabel; quaemen hieromtrent naer de middach ten 6 ueren ten ancker op 18 vadem, steckgront met cleyne steenties vermengt. Waeren op de gegiste breete van 48 gr. 5312 min., ende op de lengte van 163 gr. 1 min., maer bevonden op den 27 do. de breete van 48 gr. 54 min. Als nu lach de ree onder het Companys lant 6 gr. 4 min. Oostelycker als S.O. van ons, .... myl, ende de ree ofte anckerplaets onder de N.O. hoeck van Eso lach alsdoen 9 gr. 45 min. beoosten het S. 6634 mylen van ons; lagen omtrent 112 myl van lant. Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als een cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons, ende do. eylantie lach S.S.O. 4 mylen van ons. Het lant van do. hoeck streckt om de N.W. soo veer wy conden beoogen. Op dato is geresolveert om de boot uyt te setten ende dit lant te visiteeren, of men noch geen verandering van volck vernam; syn ’s nachts met de boot ende prautien naer lant gecommitteert, ick met den Assistent Davit Cassu in ’t prautie, ende Stierman Roelof Sieversz. met den Assistent Brouwer synde in de boot. Was soo mistich, conden geen half scheepslengte sien.

e 27.

’s Morgens quaemen tegen den dach onder den wal, bleven liggen tot dat wy de boot vernaemen, de boot in ’t gesicht hebbende syn beneffens den Assistent Davit Cassu aen lant gesprongen, ende liet de prauw op de riemen wel claer liggen, syn met ons beyden op een hoochte geclommen, ende alsoo de mist wat opclaerde, saegen dat dit een schoone lantsdou was synde vol voetpaeden van menschen, saegen oock een groot lack (meer) van versch water, ende was al schoon vlack lant, syn weder neder op het strant[143] geclommen, vonden in ’t sant veel voetpaeden van menschen ende honden. Heb ons volck belast met het schuytien langs het strant om de O. te scheppen, ende wy syn met ons tween te voet langs het strant gegaen, vonden op het strant een groote plas sneeuw omtrent een scheepslengte, ende was boven op wat bestoven van sant, met hooch water quaem de see daer op een vadem nae aen; soodat wy op dato malcanderen met sneeuwballen tot een gedachtenis hebben gegooyt; boven op was dit sneeuw soo hardt als ys. Syn voorts gegaen, quaemen op een vlack velt soo plasierich als eenich lant wesen mocht, sonder geboomte synde vol voetpaeden, vonden 10 graeven, daerin sommige dooden noch in laegen. Dese graeven waeren heel raer gemaeckt van vuereplancken, omtrent een voet verheven van de aerde, staende op 4 stuties ende was onder een viercante kist, onder de boom (bodem) synde houte tralys, doorluchtich, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fyn gesneden synde om syn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden by hem in de kist schuetelties ende eetensbackies, ende eenige andere snuystering met pyl ende booch, had eeten oock in een doos gehadt soo het scheen, lach oock een cleyn block om ryst te stampen, met een ryststamper daerby in syn kist. De kist was boven met een cap wel dicht toe, gelyck een cap van een huys, daer boven op het scherp van de cap een fraey gesneden houten cop lach. Langs de kist aen elcken endt fraey met een leeuw ofte draecken cop uyt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in haer mont, (ende) liep soodanich gesneden hout aen alle vier hoecken oock neerwaert aen, al uytgesneden als[144] geseyt is. Dese graeven met verwondering aengesien hebbende, saegen daerby veel stockies staen met fyne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangende, synde noch met de eijnden aen de stock vast. Voorts gaende quaemen by een huys, alwaer wy in gingen maer geen volck in vonden, ende scheen wel dat daer in een jaer geen volck noch in gewoont had; dit huys was van vueredeelen gemaeckt, synde met groeven in malcanderen gevoecht, seer dicht, ende het dack was met een scherpe cap, dat boven op de vueredeelen beleyt was met basten van boomen ende houten overal gespyckert; de spyckers waeren van fatsoen als de Japansche ofte de Syneesche syn. Het huijs had een opslaende deur met een cleyn voorhuys met een groote viercante binnencaemer, alwaer de haertstee in ’t midden was, daer recht boven 2 valveynsters om de roock te loosen; haer huegel was noch aen een stuck tou vast ende hing noch over do. haertstee ende was een crom quastich houtie, maer dese binnencaemer sloot het incomen met een schuyf op syn Japansch. In dit huys hingen veel van die stockies met byhangende spaenderties, by dit huys stont een groot gemaeckt hock alwaer eertyts scheen eenich gedierte in gestaen te hebben, met veel cleyne hockies daer noch eetens ende drinckensbackies aen vast waeren. Hier stonden oock veel opgerichte stocken om goet op te droogen, met veel houten stellingen oock om eenich goet op te droogen. Wy met ons tween wat voorder om de O. gaende, quaemen noch by 2 graeven gelyck als vooren, gingen voorts veerder om de O., quaemen weder by een huys als vooren, daer by synde hoorden de see seer tegen het lant aen storten, aen de andere sy van ’t lant in ’t N.O. ende[145] waerover ick verwondert was, dat men hier de see soo ghemackelyck conde hooren. Vonden oock in dit huys niet als een houten hugel over de vuerplaets hangen, ende conden niet bemercken dat daer in een jaer volck in hadt gewoont. Syn naer het strant gegaen ende heb het prautie naer de boot toegestiert om daer noch 2 soldaeten uyt te haelen, om beneffens ons tween het lant met beeter verseeckerheyt te ontdecken ende eenich volck op te soecken. Alsoo onse boot noch aen quaem seylen, stonden wat op strant ende wachten. Dus staende, saegen om de W. van ons een man op de hooge vlackte gaen, daer wy ’s ochtents op geweest waeren, quaem naer het scheen neerwaert aen, maer ons siende is met een volle loop om de W. geloopen. Onse boot ende prauw weder aen het strant comende, heb noch 2 soldaeten ende een matroos, die een witte doeck aen een halve pieck vastgemaeckt droeg in de plaets van een witte vlag, uyt de boot gehaelt, ende belaste voorts den Stierman Roelof ons met de boot ende prauw te volgen om de W. Syn doen voortgegaen, vonden noch een huys tegen de hoochte aen staen dat vervallen was, maer wert weder opgemaeckt. Daer stont oock een cleyn hutie by, gedeckt met basten van boomen, by dit huys lach een stuck van een ys-slee, synde van een vreempt fatsoen. Gingen doen by een fraey padt boven op de hooge vlackte, daerop synde conden de see over het lant in ’t N.O. sien, saegen oock dat de cust daer buyten om de N.W. streckte tot een hoogen steylen hoeck, die ons het veerder gesicht benam, ende saegen oock dat dit staende lack (meer) in see om de N.O. uytliep, saegen oock dat het lant hier maer een myl breet was, synde maer een uytsteeckende hoeck lants daer[146] ons schip onder geset lach. Syn doen over die hooge vlackte heengegaen naer het strant. Om de N.W. op strant comende, saegen door het vallent water den by ons gesienen inwoonders voetstappen, comende ende wechloopende, in ’t sant staen; syn die vervolcht met voorsichticheyt. Omtrent 112 myl gegaen hebbende, saegen een vaertuychie langs het lant coomen roeyen, sy ons siende leyden aen het strant ende haelden ’t daerop. Wy dit siende syn daernaer toe gegaen, daer bycomende saegen twee treftijge(?) persoonen op een grooten boom, die van de see op het strant geworpen lach, sitten, synde cloeck van leden, den eene met een ruygen baert, hebbende pyl ende booch in de handen, met een pylkoocker vol pylen aen syn hooft hangen, met een houwer op syn sy, den ander wat jonger met een groot gramschap geschooten[23] hebbende twee groote knevels, had oock pyl ende booch in syn hand ende voorts gewaepent met een houwer ende pylkoocker vol pylen; after haer stonden twee stercke mannen, geweert (gewapent) als de twee voorige, gecleet met rocken van vellen. Ick heb ons volck laeten stilstaen ende belast wel op haer hoede te syn, sou alleen naer haer toegaen, alsdoen de houwer op myn sy hangende, syn toegetreden. Den outste sette syn booch in ’t sant met een pyl daerby, ende nam een lange pieck van 18 voet in syn hant, ende sy bleven alle bey sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht by haer comende sey Tacoy jankarate ende vreef myn handen, gelyck gesien hadde aen Tamary, waerop den outste sprack Tacoy, syn doen toegetreden, ende naem syn hant ende wesen dat wy vrienden waeren, in myn beyde handen syn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, ende smeet hem neer, waerop ons[147] volck is comen aentreden, dien sy doen met haer tween te gemoet gingen ende welcom heeten, seggende Tacoy, ende douden met haer beyde handen ons volcx rechterhant, gelyck ick haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee persoonen waeren gecleet met syde gebloemde Japansche rocken, gevoert met Sineese cangangs waertusschen syde watten waeren; soodat ick vertrou de twee andere lyfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee treftyge persoonen was haer hooft voorgeschooren tot halfwegen het hooft, ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aen haer midden; de plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslaegen ende doorluchtich. Naedat wy malcanderen met veel vrientschap gecaresseert hadden, liet ick eens arack schencken ende brocht het aen den outsten, liet het copien weder vol schencken, ’t welck hy met danckbaerheyt ontfinck ende dronck het uyt, liet voorts haer allen eens omschencken, schonck doen aen die twee principaelsten elck een groote blauwe crael, dewelcke sy met dankbaerheyt aennaemen, ende greep myn doen by der hant ende sey Tacoy, ende wees naer haer prautie die op ’t strant stont. Gingen doen al handt aen handt dansende tot by de prauw, vonden daer een blancke vrouw, fraey van trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van een bever, gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een saebel, dat seer schoon was, om haer hooft, ende had een jongen by haer staen, gecleet mee met een bonte rock. Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange gryse baert, op een matien (matje) op de Japansche wyse, aenhebbende[148] een gebloemde catoene rock, synde op syn Japansch gemaeckt. Myn leytsman wees ick sou by die oude man gaen, ’t welck ick gedaen heb, ende heb hem gegroet op syn Japans, ’t welck hem aengenaem scheen te wesen, vraechde myn veel, dan conden malcanderen niet verstaen, heb desen ouden patroon een copien arack geschoncken, ’t welck hy met vermaeck uytdronck, ende rees doen op ende ginck met myn naer syn vaertuych, daer de vrouw was, terwyl waeren de twee andere inwoonders vrolijck by ons ander volck. By de prauw comende schonck ick aen de vrouw ende het kint elck een blau gestreepte crael, naemen die met groote danck aen; dese vrouw ende kint hadden elck een blau craelde kettingh om den hals. Den ouden patroon liet de prauw afvoeren, ende ginck daer met de vrouw ende kint met de jongen ende de twee dienaers in sitten, nemende de pieck, pylen ende boogen van de twee andere in de schuyt by haer, sloegen daer vyf witte ruyge honden voor, met hem(hennip)seelen om haer lyf; den stuerder after het vaertuych sittende riep eens, die honden begonden stracx aen het trecken te pueren. Den outste van ons 2 byhebbende habytanten naem myn by de hant, ende wees ick soude met hem naer syn huys gaen, syn doen met ons tween gevolcht, soo hart loopende ende dansende als conden, maer de honden liepen veel harder met de prauw voort als wy conden volgen. Den andere habytant bleef by den Assistent ende ons ander volck, ende volchde naer. Omtrent 12 myl om de N.W. gegaen synde, passeerden veel huysen ende afloopende versche waterties, oock een hutie, alwaer een stockoude vrouw uytquaem, leunende op een stockien, scheen veel hebben te seggen, maer myn leytsman myn al vast[149] by myn hant houdende, wees dat hy meester over die huysen was, ende dat wy souden voortgaen. Saegen corts daernaer dat het vaertuych aen het strant aenley voor een groot huys, ’t welck myn leytsman wees, syn te syn, sach van veer de honden weder uytspannen, haelden doen het vaertuych weder op strant. Wy by dit huys comende, vonden een ander out man met een lange witte baert op een matien sitten op syn Japans, daer ick van myn leytsman by wert gebrocht, daer bycomende groeten hem ende sey als vooren Jankarate Tacoy, ende bewees hem teecken van vrientschap, ’t welck hy myn oock betoonde; ginck by hem sitten op een stuck hout, terwyl stont myn leytsman met 15 à 16 menschen rontom myn met veel kinderen, doch sach niemant met geweer. Ondertusschen quaem ons ander volck met den ander inwoonder by myn, ende corts daernaer de boot ende onse prauw oock by ons aen ’t strant; doen quaem myn leytsman by myn, ende wees ick sou met den ouden man in huys gaen, hy sou voor uytgaen, het welck geschiet is. Dit huys stont dicht by het strant, ende was als de voorige huysen van maecksel ende fatsoen, maer van binnen rontom met een verheven diggedig, ende was overal beleyt met matten; in ’t incomen van het huys synde, spreyden het vrouwvolck matten voor ons om over te gaen, met groote beleeftheyt. In huys synde gingen met den ouden man op de verheven diggedig sitten, alwaer de twee aensienlycke habytanten by myn quaemen met beyde Assistenten ende den Stierman Roelof. Hier waeren drie vrouwen in huys, ende elck hadde een kint. Droncken saemen in ’t ront eens om een arackie ende toebackie, waernaer sy allegaeder begeerich waeren. Saegen hier in huys 6 viercante kisten[150] met roo leer overtrocken, ende een groote ronde doos oock overtrocken met leer, ende waeren met baste touwen wel styf toegesort; wees wat daerin was, wesen fyne vellen ende dat die in ’t lant gebrocht most wesen; wilden geen verruylen aen ons, maer wel robben- ende beeren vellen. Dus sittende discoureren, schafte ons een viercant verlackt backie met lantcrabben pooten op, die wy met smaeck aeten, maer wilden niet hebben, dat men eenige vuylicheyt op de vloer smeet, maer mosten het al op ’t bortie ofte backie leggen. Terwyl wy hier in huys saeten, hebben de habytanten een van haer vaertuygen afgevoert, ende hebben daer 3 honden voorgespannen, ende daer syn drie manspersoonen in gaen sitten, ende de honden trocken de prauw met haer langs het strant om de N.W. Ick heb het volck hier in huys elck in ’t ront met wat groene taback ende eenige cleynicheden vereert, vereerde de vrouwen ende kinderen eenige craelen ende belleties, alwaer seer bly mede waeren. Boven op dit huys stont een groote levenden arent, die heeft myn leytsman aen myn geschoncken, waervoor ick hem weder 3 à 4 manocke(?) taback schonck ende was weltevreden, heb den arent in de boot laeten brengen. Saegen hier anders geen silver als aen haer houwers, een van de vrouwen had een toutie om haer lyf, het welck vol coopere ende ysere ringen hinck, elcke rinck wel glat synde ende omtrent soo groot in ’t ront als een binnenste van een hant, ende omtrent soo dick als een schaft; een kint waeren drie groote doorluchtige plaeten van tabago[24] op syn rug genaeyt, van buyten op syn bonte rock tot versiersel; sy waeren[151] selver begeerich naer silver, soo ick con bemercken. By dit groote huys quaem een vers afloopent watertie verby in see loopen, alwaer op de cust noch veel cleyne huysies stonden, vertrou dat daer het slechte volck in woonde; hier stont oock een groot viercant hock, alwaer een groote swarte beer in sat. Aen elcke hoeck van ’t hock was een lange spar met een mey by opgericht, daeraen hangende veel spaenderties; ick vermoede dat het tot triumf was over den gevangen beer ofte eenige afgodendienst. Ick myn afscheyt met alle vriendelyckheyt nemende, wert naer strant geconvoyt; op strant comende liet al ons volck in de boot ende prauw gaen, ende alles slachveerdich maecken laeten om wech te vaeren. Myn leytsman dit siende, sey Tacoy, ende wees soo ick met hem in syn prauw wilde gaen, dat wy daermede saemen naer boort souden vaeren; ick wees jae; hy liet stracx een mat in syn prauw brengen, waerop ick most gaen sitten, ende hy ginck after myn sitten, werde soo in see gevoert, by ons quaemen noch 4 roeyers ende een die stuerde; syn soo naer boort gevaeren, onse boot ende prauw ons volgende, maer waeren wel 14 uer voor haer aen boort. Overcomende heeft den habytant met ons by den Commandeur wat gegeten ende gedroncken, is haestich opgestaen ende van boort gevaeren, niet wetende te bedencken syn haestich vertreck; ick hielt hem een gestreept cleet toe, hy sou wederom comen, maer ginck door naer lant. Dit scheen een treftich man te syn in syn ommeganck. Dien dag is onse groote steng versien ende ons want gelicht, ende alsoo hier niet sonders te vernemen was, syn tegen den doncker t’seyl gegaen, stelden onse cours S. aen buyten het eylant om. ’s Nachts de wint O., doen[152] wy S.S.W. 723 myl geseylt hadden, was ’t afgediept als volcht, 18, 20, 24, 27, 28, 30, 32, 33, 36, 38 vadem, steckgront, stelden doen onse cours S.S.O. 223 myl, diep 45, 50, 48, 47, 46, 43, 42, 40 vadem, al steckgront, deden doen onse cours N.O.t.N. 313 myl, was doen 37 vadem, gront als voren, dat was voor den middach tot op den 28 do. ’s Middachts door malcander geseylt S. 7 mylen.

f 28.

’s Morgens was ’t mistich weder, de wint O., giste van ’s middachts geseylt te hebben tot dat daer 8 glaesen naer den middach uyt waeren, ende de mist opclaerde, behouden cours N.O.t.N. 212 myl. Alsdoen saegen wy het eylant dat in ’t S.S.O. van ons gelegen had, daer wy geset gelegen hebben, in ’t N.O. 1 myl van ons, ende was opgedroocht van 37 vadem, als volcht, 35, 30, 25, 20, 15, 16 vadem, doen schelp ende singelgront, voorts al steckgront. Alsdoen heeft den Commandeur den Stuerman Roelof Sievertsz. met de boot naer do. eylant gestiert om dat te visiteeren, daer aencomende vonden do. eylant rontom met onder water liggende clippen beset, siende die wel by een myl ende op sommige plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N. van ’t eylant naer het vaste lant, ende oock op syn langst S. in see, maer heeft veel uytsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een rif N.N.O. af, alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt; dese reven lycken schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen, dan scheen oock wel een nauwe deurganck te hebben. De boot is met den doncker aen boort gecomen, hadde oock by duysende robben op de clippen ende het water vernomen, hadde oock twee cleyne huties met vuerplaesies op ’t eylantie gevonden. Wy gaven het eylant den naem[153] van Robben eylant. Wy vernaemen dat de stroom hier om de S.O. ginck, wy hebben onse compassen op 9 gr. N.Oostering geleyt, ende liepen by de wint over S. aen, met een O.S.O. coeltie. De eerste wacht uyt synde cregen de diepte van 16 vadem ende cort 10, met stilte ende styve stroom om de S.O.; quamen op 912 vadem ten ancker, synde singelgront.

g 29.

’s Morgens is de Stierman Roelof uyt diepen gestiert ende was mistich weder, maer alsoo wy hem .... quaem naer ons toe, wy gingen onder seyl, de wint O.S.O. ende S.O.t.O. met stilte, gaende de stroom om de S.O., lieten het S.waert over staen. De mist wat optreckende, saegen het Robben eylant in het N.t.W. 12 W. van ons liggen 2 mylen, was 10 vadem diep, schilpige gront, de stroom nam syn keer ende liep om de N.W.; dreven N.W.waert heen tot een weynich naer de middach, doen lach het Robben eylant O.N.O. 112 myl van ons, ende was diep 25 vadem, santgront, quaemen daer ten ancker. Vingen hier veel cabbeliauw, schar ende leng; in de tweede wacht begon de stroom om de S. te loopen, ende corts daernaer om de S.W., soodat dit hier een dwaelende stroom is ende ongestaedich syn loop houdende. ’s Nachts een cleyn luchien uyt den S., maer stracx weder stil.

a 30.

’s Morgens was ’t heel mistich weder met stilte, de stroom styf om de S.W. loopende, vingen noch eenige cabbeliauwen. Omtrent te 8 ueren cregen wy een luchien uyt den O., lichten ons ancker ende gingen onder seyl; deden onse cours S.S.O.waert over by de wint, corts hiernaer liep de wint O.S.O., lieten het al om de S. voort staen. Giste geseylt te hebben behouden cours 112 myl S.W.t.W., was afgediept als volcht, 26, 27, 28, 29, 30 vadem, wenden het[154] doen om de O., de wint S.O.t.S., 12 myl O.t.N. behouden, diep 29, 28, 27 vadem, al fyn witte santgront, de stroom noch om de S.W. loopende. Alsdoen lach het Robben eylant N.O. 23 O. 213 myl naer gissing van ons. Wenden het doen weder om de S., diep 25 vadem, de wint variabel, mochten somtyts S.S.W., somtyts S.W.t.S. ende S.t.W. seylen, de wint om ende by het O. uyt- ende in schietende. Naer de middach behouden cours S.S.W. 2 mylen, diep 36 vadem, santgront; wenden het, behouden cours N.O.t.N. 12 myl, alsdoen diep 32 vadem, fyn witte wasige santgront, de stroom, geset liggende, liep om de N.O., de wint S.O. ende S.O.t.O., ende was een schrickelycke mist met motregen. ’s Nachts 4 glaesen in de eerste wacht kenterde de stroom ende liep om de S.W.

b 31.

’s Morgens was ’t al mistich weder, de wint O.S.O. ende S.O., de stroom weder om de N.O. gaende, seylden behouden cours S.W. 1 myl, wenden het, de wint doen S.O.t.S., behouden O.t.N. 134 myl, hadden al de diepte van 27, 26, 28, 30, 32, 34, 36 tot 37 vadem, somtyts sant- somtyts steckgront. ’s Middachts door malcanderen naer gissing behouden O.S.O. 23 S. 212 myl; doen lach het Robben eyl. 234 myl N.t.W. naer gissing van ons; naer de middach behouden S.S.W. 12 myl, diep 38, 40, 44 vadem, steckgront, doen gewent om de O.N.O., behielden naer gissing N.O. 212 myl, diep 42, 35, 30 vadem, santgront ende singelgront. Cregen doen de wint O.S.O., wenden het doen weder om de S., behouden cours S.S.W. 112 myl, S.t.O. 12 myl, diep 32, 35, 40, 42 vadem, steckgront; vernaemen des nachts groote raveling van stroom. ’s Nachts de wint N.O., behouden S.O. 1 myl, diep 44 tot 48[155] vadem, steckgront, doen de wint N.N.O., behouden 34 myl O., diep 49, 50 vadem, steckgront, noch behouden O.S.O. 2 mylen, was nu tegen den dach, ende diep 60 vadem, steckgront; soo ick con bemercken werden wy met de stroom om de S. gevoert, het begon styf te regenen.

Augustus.

c 1.

’s Morgens was ’t heel mistich met regen, de wint styf doorwaeyende uyt een N.t.O., de see hol aenschietende uyt den O., leyden over ende weer om N. te winnen, maer verlooren in plaets van avance. Giste ’s middachts behouden te hebben 8 mylen O.S.O., hadden doen de diepte van 72 vadem, steckgront. Alsdoen lach het Robben eylant omtrent N.W. 9 mylen van ons naer gissing, de wint N. Omtrent 2 ueren naer de middach hebben wy de boot ingeset, alsoo de see hoe langer hoe harder aenschoot, giste van ’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 223 mylen, was doen diep 75 vadem, steckgront, doen O. behouden 213 myl, waeren doen gront af, de wint N.N.O. ende N.O., oock N., wenden het verscheyden reysen de beste boech voor om N. te winnen, in de dachwacht begon de see styf uyt een N.N.W. aen te schieten, de wint alsdoen N.

d 2.

’s Morgens al heel mistich weder, treckende naer ’t N. met topseyls coelte, ende hadden holle deyninge uyt een N.N.W., wenden het O.waert over, naemen onse voormarsseyl in, alsoo hem de N. wint styf begon te verheffen, giste ’s middachts behouden te hebben door malcanderen 612 myl O.t.S. aen. Cregen doen de wint uyt een O.N.O., ende trock stracx weder naer het N.O., wenden het N.waert over, naer gissing geseylt van ’s middachts behouden cours N.W. 134 myl; cregen alsdoen weder gront op 75[156] vadem, wasige gront, wenden het doen O.waert over, met een N. coelte, de see hol aenschietende uyt den N., de wint hem somtyts styf verheffende.

e 3.

’s Morgens al doncker ende mistich weder, de wint treckende naer het N.O. met styve coelte met holle deyninge uyt een N.N.O., wenden het N.W.waert over. Alsdoen is per resolutie geresolveert, alsoo onse bestemde tyt volgens Instructie van den E. Heer Generael ende Raeden van India geexpireert is, dat men onse best soude doen om weder soecken te comen in de Suytsee, derhalve onse cours naer het Canael de Vries toe te stellen. De wint met een styve doorgaende wint alsdoen N.N.O. synde, deden onse cours S.O. aen, giste alsdoen het Robben eylant omtrent N.W.t.W. 23 W. 17 mylen van ons te liggen, hadden geen gront, saegen by menichte groote ende cleyne grauwe meeuwen vliegen. ’s Avonts begon hem de wint te verheffen met een storm uyt een N.N.O., ende viel een schrickelycke mist neer, de see met heel hol water hem verheffende uyt een N.N.O., naemen al onse seylen in, ende lieten het liggen dryven met de steven O.waert over.

f 4.

’s Morgens de wint al uyt een N.N.O. met doorgaende coelte, met hol water, met heele donckere mist ende regen, saegen menichte gevogelt, saegen veel lange steencroos, blaeden ende stucken hout dryven. Alsoo de wint wat ginck liggen omtrent 2 ueren voor de middach, maeckten weder seyl, deden onse cours weder S.O. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben als gedreven S.O. 22 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 47 gr. 612 min., ende op de lengte van 166 gr. 15 min., maer bevonden ons op de breete te syn van 46 gr. 40 min., soo dat de stroom ons wel 6 à 7 mylen[157] veerder om de S. geleyt hadde als wy gegist hadden. Saegen daegelycx veel raveling van stroom, deden ’s middachts onse cours S.O.t.O. met een doorgaende N.N.O. wint ende hol water tot dat de eerste wacht uyt was, wenden het doen by de wint N.W. over tot de tweede wacht uyt, lieten het doen weder S.O.t.O. aengaen.

g 5.

’s Morgens hadden wy al styve N.N.O. wint met holle deyninge uyt een N.N.O., saegen met den dach Caep de Trou in ’t S.W. van ons, ende lach in een dys; saegen noch een steylen hoeck van het Statenlant in ’t S.O.t.O. van ons, deden onse cours O.t.N. aen, de wint doen N., seijlden O.waert over, om het Canael de Vries terdegen open te seylen. Giste ’s middachts door malcanderen geseylt te hebben S.O.t.O. 21 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 53 min., ende op de lengte van 167 gr. 57 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van 45 gr. 43 min. Alsdoen lach Caep de Vries van het Statenlant S.W. 4 mylen van ons, ende de ree van Companyslant lach in het N.O. 12 O. 7 à 8 mylen van ons, deden alsdoen onse cours S. aen, het canael door, met een doorgaende N. wint, de deyninge seer hol de straet de Vries doorrollende uyt een N.N.O. Saegen by menichte gevogelte ende veel drift, al groote bossen van die lange croosblaeden voor verhaelt, dryven, de stroom liep met groote raveling om de S.; omtrent naer middach te vier ueren geseylt van ’s middachts 5 mylen S.t.W. aen. Saegen doen de mineraelberch op het Companyslant in ’t N.O.t.N. 10 à 11 mylen van ons, saegen oock met een blinck in ’t S.O. lant, ende scheen wel 22 à 23 mylen van ons te liggen, vertrou hetselve van ’t Companyslant aen ’t[158] lant van Ameryca vastgehecht is, dan conde wel wesen eenige deurgangen noch daer benoorden waeren. De straet de Vries gepasseert synde, deden onse cours S.W. langs de wal van het Statenlant om, comende daerby langs; in de voornacht hadden wy een moy coeltie uyt een N.N.W., maer in de nanacht stillekens met holle deyninge uyt een O.N.O. Wy hadden ’s avonts Caep de Trou over het Statenlant heengesien, in ’t W.N.W. van ons, door een lage valey lants.

a 6.

’s Morgens was ’t stilleties met holle deyninge uyt een O.N.O. Somtyts een cleyn coeltie uyt een S.W. Met sons-reysen lach de Caep de Vries 12 à 13 mylen N.t.O. 12 O. van ons, giste ’s middachts geseylt te hebben S.W. 12 S. 17 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 44 gr. 5012 min., ende op de lengte van 166 gr. 56 min., ende op de bevonden breete van 44 gr. 43 min. Alsdoen saegen wy de Caep de Trou in ’t N.N.W. van ons, ende een hoogen berch op de watercant van het Statenlant staende, synde boven op met een witte roo aerdige pleck, lach N.W.t.N. 4 mylen van ons, ende geleeck wel mynerael van veere, want als de son daerop scheen, blonck dese pleck geweldich. De Caep de Vries lach N.O.t.N. 13 à 14 mylen van ons; het veerste van het S.Westelycxste lant dat wy sien conden, lach 15 à 16 mylen van ons tot in ’t W.S.W., ende was de Gehackelde berch op het S.W. eynt van ’t Statenlant, can voorts aen de opdoening hier after uytgeteyckent alles beoogen. De strecking van de cust langs het Statenlant is S.W.t.W. Wenden het W.waert over. ’s Avonts lach de berch met de wit roo aerdige pleck in ’t N.t.O. 12 O. van ons. ’s Nachts een cleyn coeltie uyt den S., lieten het W.waert over staen.

[159]b 7.

’s Morgens was ’t moy claer weder, de wint S. ende S.S.W. met een moye coelte. ’s Ochtents lach de Gehackelde berch W. 12 S. van ons, de Boerenschuer N.t.W. 13 W. 4 à 5 mylen van ons, conden de pieck Antony in ’t W.t.S. sien ende de Croonberch in ’t N.W. 12 N. van ons. Seylden al W. waert over, cregen gront op 120 vadem, ’t welck temet opdroochde als volcht, 100, 90, 80, 70,60, 50, 40 vadem, waeren omtrent 2 mylen van lant, ende bleef lang de diepte van 40, 35 vadem, al cleyne singelgront. Giste geseylt te hebben tot ’s middachts W. 13 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete als vooren, ende op de lengte van 165 gr. 43 min., droochde cort op tot 30 vadem, ende voorts tot 15 vadem, cleyige gront. Waeren doen dicht onder de Gehackelde berch 12 myl van lant, hebben het doen weder afgewent, afgewent synde, alsoo wy hier geen goede anckergront vonden, smeten[25] het met het schip by, syn met de prauw naer lant gestiert, om van wegen de E. Heeren Staten ende den Prins van Orange ende de Vereenigde Geoctroyeerde Oost-Indische Comp., onse E. Heeren Meesters, het lant in possessy te nemen, ende daer een pael te stellen met de Staten ende Comp. merck. Maer ick, onder de wal comende, conde door de holle aenschietende see nergens aen lant comen, sochten soo langs de wal naer eenige gelegentheyt om aen te comen, tot dat het schip meest uyt het gesicht was, conden de marsseylen pas sien boven de kimmen, keerden weder naer boort; quaemen ’s avonts soo veer dat wy het hol van ’t schip saegen; doncker synde wert uyt het schip somtyts een canon gelost, quaemen soo op ’t schieten onverrichter saecke aen boort. Doen wy ’s middachts soo[160] dicht onder de wal waeren, lach de Croonberch N. 12 O. van ons, ende conden die over het Statenlant heensien, de afgaende steyle hoeck van de Gehackelde berch lach S.W. 12 S. 1 myl van ons, ’t welck is de S.W. hoeck van ’t Statenlant. Terwyl wy van boort geweest waeren, was het schip wel 2 mylen om de S.S.W. gedreven, door de stroom die door het canael Antony quaem vallen. Met den doncker saegen wy den Gehackelde berch van ’t Statenlant recht W. over de Tepelberch ende de Croonberch N. 23 O. ende de pieck Antony W.t.S. van ons. Saegen het lant in ’t N.O.t.N. soo veer als conden beoogen, de Caep Canael lach S.t.W. van ons, waeren 2 à 3 mylen buyten ’t lant, te weten van de Gehackelde berch, hadden de diepte van 35, 40, 45 vadem, al fyne swarte singel- somtyts grauwe swarte santgront. ’s Avonts de wint S.W., wenden het S.O.waert over, de wint temet scherpende,[26] conden corts daernaer niet hooger seylen als O.t.S. De eerste wacht uyt synde, quaem de wint S.S.O. ende S.O.t.S., wenden het S.W.waert over met een moye coelte.

c 8.

’s Morgens hadden wy redelyck gesicht, alsdoen lach de Gehackelde berch W.N.W. van ons, ende was 90 vadem diep, gront als vooren; maer wert stracx soo mistich, dat wy geen twee scheepslengten conden van ons sien, met motregen. Giste tot ’s middachts geseylt te hebben S.t.W. 6 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 19 min., ende op de lengte van 165 gr. 36 min. Wy hoorden alsdoen een groote aenstortende see ergens tegen het lant ofte recif aen; de wint S.S.O. synde, wenden het om de O. daervan af. ’s Nachts claerde de mist op, ende was claer weder, soodat wy de nacht wel voor[161] den dach mochten vergelycken, de wint S.t.O. ende S.S.O. met topseyls coelte.

d 9.

’s Morgens was ’t al soo mistich als daechts te vooren, wenden het ’s ochtents om de S.W., de wint S.S.O., giste ’s middachts geseylt te hebben 12 mylen O. aen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 19 min., ende op de lengte van 166 gr. 43 min. ’s Avonts claerde de mist een weynich op, soo ons docht saegen lant in ’t N.N.W., maer was geen seeckerheyt, de wint doen S.O. ende S.O.t.S., seylden S.W.waert over.

e 10.

’s Morgens was ’t mistich weder, de wint S.O., saegen veel raveling van stroom, ’s middachts giste door malcander geseylt te hebben S.W.t.W. 1912 myl, alsdoen lach Caep de Canael N. 5 mylen van ons, hadden doen de diepte van 66 vadem, swarte santgront, somtyts singelgront. Saegen wat naer de middach met een blinck het Walvisch eylant in het N.W.t.N. 2 à 3 mylen van ons, maer was weder subyt betrocken, ende viel stracx seer dicke natte mist dat wy weer heel geen gesicht hadden, staecken by om de S.W.; diep naer de middach 56, 55 vadem, swart fyne santgront. Omtrent een uer voor de sons onderganck de wint S., wenden het alsdoen O.waert over, ’s nachts drie glaesen in de eerste wacht was ’t diep 58 vadem, ende waeren in ’t vyffde glas gront af. De eerste wacht uyt synde, naemen de fock in de gey, ende lieten het soo liggen dryven, met heel mistich regenachtich weder.

f 11.

’s Morgens de wint als vooren met mistich motrich weder, wat op den dach wert het drooch weder, maer bleef even mistich, cregen een subyte stilte tot ’s middachts. Giste tot ’s middachts geseylt te hebben O. behouden door malcander 1 myl, hadden[162] doen de diepte van 58 vadem, want hadden met den dach weder seyl gemaeckt, ende hadden over ende weder geseylt in de diepte van 120, 100, 95, 90, 80, 70, 60, 58 vadem. Naer de middach begon de mist wat op te claeren, cregen een cleyn coeltie uyt den N., deden onse cours W. aen, naer de middach te 3 uere diep 84 vadem, singelgront, saegen somtyts met een blinck het duynich lant van Caep Canael in ’t N.W. van ons, het was ’s nachts weder heel mistich.

g 12.

’s Morgens hadden wy tamelyck gesicht, saegen omtrent 2 ueren voor de middach het Walvisch eylant in ’t N.W. 12 W. 114 myl van ons, ende de gebroocken eylanden van Tamary in ’t W.S.W. van ons, de Caep Canael Antony lach 5 mylen N.N.O. 12 O. van ons, was alsdoen 50 vadem diep, swarte santgront met schelpen vermengt. Wy hadden het bygehouden op de diepte van 85, 90, 80 vadem, singelgront, vernaemen harde raveling van stroom. ’s Middachts lach het W. eynt van ’t Walvisch eyl. N.t.W. 13 N. 2 à 3 mylen van ons, quaemen ’s avonts ten ancker in de Gebroocken eylanden van Tamary. Giste van ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 5 mylen, waeren volgens dien van den middach af gereeckent, op de breete van 43 gr. 42 min., ende op de lengte van 164 gr. 44 min., diep 21 vadem, swarte santgront. Alsdoen lach het Barbaren eylant W.S.W. 112 à 2 mylen van ons, ende het Gebroocken eylant 1 myl N.O.t.O. ende noch een lang vlack eylant N.W. 112 myl van ons, de see styf de voert inrollende uyt een N.O., ende ’s nachts de wint N.N.O. met styve coelte ende harde regen, verwachtende den dach met patientie.

a 13.

’s Morgens was de wint N. met passelyck claer weder,[163] hadden holle deyninge uyt den O. Alsdoen heeft de Commandeur den Stierman Roelof met de boot om de N. gestiert, om te sien ofte daer geen gelegentheyt was om hout te crygen, ende het schip conde verseeckert liggen; ende alsoo het hier geen gelegentheyt was sonder groot peryckel te liggen, heeft den Commandeur een canonschoot laeten doen, waerop de boot tegen den middach weder aen boort gecomen is. Aen boort comende, rapporteerde wel goede gelegentheyt voor het schip gevonden te hebben, maer hadde geen geboomte op het lant connen sien. Haer had oock een vaertuychie met 3 inwoonders aen boort geweest, alwaer een sootie visch van geruylt hadden; do. inwoonders waeren aen het Gebroocken eylant gevaeren. Hier geen gelegentheyt vernemende om hout te crygen, ende wy hier met groot peryckel laegen, is per resolutie goetgevonden, om weder t’ seyl te gaen ende een andere betere gelegentheyt op te soecken, om water ende hout te becomen, ende wat te ververschen ende het schip wat te repareeren. Syn omtrent naer de middach ten 4 ueren t’ seyl gegaen met een N. wint, deden onse cours S. in see tot op de diepte van 55 vadem, cromde doen temet om naer het S.W. diep 55, 50, 47 vadem, swarte santgront; het was ’s nachts stil met slecht water, somtyts een cleyn luchien uyt een N. ende N.N.O., diep 46 tot 63 ende 54 vadem. Voor de middach was ons een prauw met 2 mannen ende 3 vrouwen aen boort geroeyt, quaemen van ’t Barbaren eylant, brochten niet sonders mede, de mans over geweest hebbende, syn weder naer ’t Barbaren eylant gevaeren.

b 14.

’s Morgens was ’t passelyck claer weder, saegen het Barbaren eylant in ’t N.N.O. 2 à 3 mylen van ons,[164] deden onse cours W.S.W. tot ’s middachts, hadden doen de diepte van 36 vadem. Giste geseylt te hebben S.W. 23 S. 912 myl, waeren volgens dien, op de breete van 43 gr. 9 min., ende op de lengte van 164 gr. 18 min., alsdoen lach Caep de Manshooft N.t.W. 2 mylen van ons, saegen in ’t lant een hoogen berch N.N.O. van ons, ende een do. wat laeger in ’t N. 12 O. van ons; waeren op de bevonden breete van 43 gr. 8 min. De cust van Eso streckt hier W.S.W. ende O.N.O., naer de middach begon ’t hart op te droogen, deden onse cours S.W.t.W., de wint variabel met stilte, quaemen ’s avonts ten ancker op 36 vadem, santgront, 3 mylen van lant, de Caep de Manshooft O.N.O. van ons ende het W. eynt van het eylant Mossirca, ende nu by ons genaempt van der Lyns eylant, lach W.t.S. 4 mylen van ons. ’s Nachts vingen wy 3 à 4 cabbeliauwen, was stil, de stroom styf om de W. loopende.

c 15.

’s Morgens cregen wy een cleyn luchien uyt den N., lichten ons ancker, deden onse cours W.t.S. aen tot omtrent te 10 ueren ’s ochtents, quaemen alsdoen ten ancker op 26 vadem, swarte santgront, de stroom styf om de W.S.W. loopende. Syn alsdoen met de prauw ende Stierman Roelof met de boot naer lant gevaeren, om te ondersoecken of wy achter van der Lyns eylant geen ree vinden conden, maer daer comende, vonden de eylanden met een rif aen een cleyn eylant vastgehecht te syn, ende het cleyne eylant weder aen het lant van Eso. Conden daer met de prauw niet door, de gront was opdroogende van ’t schip tot dicht aen het cleyne eylantie 5 vadem, santgront. Syn stracx aen boort gevaeren, ende heb het den Commandeur te kennen gegeven, oock dat daer binnen die twee eylanden een groote bay was. Hebben[165] op staende (voet) ons ancker gelicht, ende syn met het schip wat om de S.W. geseylt, ende voer doen stracx onse boot weder te gemoet, ende syn t’ saemen bewesten van der Lyns eylant omgevaeren, vonden daer een schoone bay goede opdroogende gront, in de bay synde, steckgront. Terwyl wy dese gelegentheyt ondersochten, quaem den Commandeur ten ancker op 27 vadem. Ick heb een schoot laeten schieten tot teycken van de goede gelegentheyt, ende heb de boot voorts de bay dieper ingestiert, ende syn aen boort gevaeren, om het schip hier binnen te brengen. Eer ick aen boort was, quaem het schip ons al te gemoet seylen, overloopende in het schip lieten het voort staen, vonden de diepte als volcht, 27, 26, 23, 22, 20, 18 vademen, santgront, tot in het incomen van de bay; seylden bewesten de steyle hoeck van van der Lyns eylant in, lieten een ronde steyle hoeck van Eso aen bagboort liggen, alwaer een rif afstreckt omtrent 23 part van ’t incomen van het. Dit gadt is van hoeck tot hoeck omtrent 214 myl wyt, binnen de hoeck van ’t eylant comende, is de cours N.N.W. in 15, 14, 13, 12, 11, 10, 9, 8, 7, 6 vadem, steckgront, naer een steyle hoeck toe, alwaer men after can loopen; quaemen ’s avonts by den hoeck ten ancker op 7 vadem, steckgront. De W. hoeck van van der Lyns eylant lach S.S.O. 3 mylen van ons. Het was ’s nachts moy stil weder, somtyts een cleyn coeltie uyt een S.

d 16.

’s Morgens syn ick ende Stierman Roelof met prauw ende boot om de gemelde steyle hoeck gestiert, om te vernemen hoe diep wy wel after de hoeck in conden liggen, ende wat diepte daer was, ende of hier geen volck en woonde. Vonden verby de steyle hoeck een bocht ofte rivier, de welcke N.O. instreckte,[166] alwaer in ’t gadt op de drumpel vonden met laech water 10, 11 voet water, synde wasige santgront, maer van binnen diep 5, 6, 7 vadem. Wy saegen verscheyden huysen staen, saegen een dorp om de S. van ons alwaer wy roock saegen, syn daer met schuyt ende boot naer toe gevaeren, maer eer by do. dorp waeren, quaemen de habytanten met twee prauwen ons te gemoet, waervan drie persoonen over in onse prauw quaemen, ende syn doen saemen naer haer dorp gevaeren, het welck sy Ackys noemden, syn met de meeste gesach hebbende in syn huys gegaen, wiens naem was Noiasack; in huys comende schafte wat gecoockte salm op, ende syn bybueren quaemen ons begroeten. Terwyl hier in huys waeren, heb ick ons volck met de seegen laeten visschen, ving een fraeye soo bot. Heb alsdoen onse afscheyt genomen, alsoo ick begon te mercken dat het water begon te wassen, ende syn met vrientschap gescheyden. Naer boort vaerende syn ons drie van haer vaertuygen gevolcht ende quaemen beneffens ons aen boort, aen boort synde wesen aen den Commandeur dat wy met het schip hier binnen souden comen. Alsoo bemerckte dat het water vry wat gewassen was, syn weder heen gevaeren ende hebben ’t gediept, vonden 13, 14 voet water, ende was noch een gaende vloet; syn naer boort gevaeren, ende heb het den Commandeur te kennen gegeven, waerop geresolveert is hier binnen te seylen, ’t welck wy stracx gedaen hebben. Vonden in ’t gadt niet minder als 15 voet water, de wint S.S.O., quaemen ten ancker op 5 vadem, steckgront, recht voor haer dorp Ackys, de habytanten quaemen aen boort ende brochten ons veel oesters. De Commandeur heeft het gebedt laeten doen, om Godt den Heer te dancken,[167] dat Hy ons soo genaedelyck bewaert heeft, ende voorder wil bewaeren, Amen. Terwyl wy het gebedt deden ende veel van de inwoonders aen boort waeren, gingen mede modest neersitten om te luysteren, maer alsoo het wat lang duerde, reesen stil op ende voeren naer lant toe. Wy laegen geanckert omtrent een musquetschoot van beyde syden van het lant, hebben voorts het schip opgered ende onse watervaeten claer begonnen te maecken, om versch water te haelen.

e 17.

’s Morgens is eenich volck uytgestiert om te visschen, voorts eenige om wilt soecken te schieten, ende eenige om branthout te hacken. Syn met de prauw uytgestiert om dese bocht te visiteeren, of ’t een rivier was of niet, ende oock of hier omtrent meer volcx woonde te ondersoecken. Syn tegen den avont aen boort gecomen. Aen boort synde, den inwoonder, als het meeste gesach over het dorp hebbende, was genaempt Noiasack, verstonden dat deselfde ’s middachts aen boort geweest was met noch een oudt man, ende den Commandeur over taefel sittende dede teycken, alsoo een silvere lepel in handen naem ende seyde op syn spraeck: »dat is fraey silver,” ende dede met een bewys dat men dat groef, sifte ende smolt, ende was dan soodaenich silver, ende wees dat men hetselfde groef in ’t W.S.W. van ons, ende de plaets Cirarca hiete daer de myn was. De jaegers waeren aen boort gecomen, hadden niet eenich gedierte gesien; maer de visschers hadden veel visch aen boort gebrocht, waer onder veel bot, schar, tarbot ende een groote steur was. Wy hadden verscheyden dorpen gevonden, maer geen volck daerin, voorts de beschryving van dese bocht ende riviere was soodaenich als hiernae beschreven is. Wy laegen[168] hier met het schip, conden geen see sien; de inwoonders quaemen veel aen boort, wyven ende kinderen, ende brochten veel oesters ende roo appelties van roosen aen boort, die wy haer om ryst afruylden. Hadden dien dach ende nacht moy weder.

f 18.

’s Morgens syn ick ende de Stierman Roelof uytgestiert, om de groote bocht van binnen in ’t ront om te vaeren, om dien aldaer oock te visiteeren. Vonden do. bocht van Ackys vol oesterbancken ende laech vlack ende (ver)droncken lant in ’t midden van do. bocht, do. bocht was van ’t schip om de O. wyt 212 myl, ende in ’t S. ende N. 1 myl, ende het lant is rontom de bocht berchachtich lant met veel laege groote valeyen, ende vooraen wat berch voorlant, al waer op veel roo ende witte aelbessen, moerbeyen, roo braembeyen vonden wassen, maer het goet en was noch niet ryp. Dese bocht was overal ondiep, 2, à 3, 4 voet water in de kille. Syn voorts doen naer een steyle hoeck gevaeren, die N.O.t.N. 56 myl van ons schip lach, ende is de N.W. hoeck van de bocht, alwaer op een hoochte een gemaeckt fort stont, ende in de laetste 8 à 10 huysen, dan was nergens geen volck in ende scheen in geen jaer volck in gewoont te hebben. Van do. dorp S.W.t.W. waeren aen de andere sy van de rivier, die alhier omtrent 12 myl wyt is, twee dorpen, alwaer by elcx op een berch oock soo een gemaeckt fort stont. Dese forten waeren gemaeckt als volcht: op den berch, daer die op gestelt waeren, was maer een smal opcomende wech, het welck steyl was om op te climmen, ende waeren palissaeden in ’t viercant gestelt, van de lengte ende de hoochte 112 mans lengte, daer stonden 2 à 3 huysen in, waeren groote vueren deuren in de palissaeden[169] met groote clampen, als die toe waeren werden dan met twee dicke houten geslooten, synde door de clampen heengestoocken. Op twee hoecken van dese viercante gestelde palissaeden, is ’t met verheven stellagie gemaeckt van vueren plancken, om daerop uyt te kycken, voorts syn de palissaeden wel met dwarshouten aen malcander geslooten. Dese rivier is versch water, vonden nergens geen volck, syn weder naer boort gevaeren; aen boort gecomen synde, verstonden dat de Schipper met de boot geseylt was om de W.S.W., mede hebbende den inwoonder Noiasack met 2 van syn soons; hy hadde belooft, om een syden Japansche rock, de onse te wysen alwaer het silver gegraeven wert. De wint synde S.S.W. laverende met de boot om de S.W., dien dach hadden de habytanten veel oesters ende appelties aen boort gebrocht, dien haer voor ryst afgeruylt werden.

g 19.

’s Morgens is een ander oudt man met een ruyge baert gecomen, ende dede bewys soo hem den Commandeur een cleetie à 2 wilde geven, hy wilde ons oock een myn wysen; ’t welck hem gegeven is, ende onse prauw wel gemant synde, is den Ondercoopman Pittavyn met hem mede gestiert, om het selve met hem te ondersoecken; syn van boort gevaeren met den habytant, by hem hebbende oock 2 jongens, voeren om de S. by de steyle hoeck S.W. van Ackys om. Wat naer de middach quaem onse Schipper met de boot weder aen boort, hadde niet uytgericht, den habytant had hem (zich) sieck gemaeckt ende wilde met niemant in ’t lant gaen. Sy hadden geen volck vernomen, maer veel honden gesien. Corts hiernaer quaem onse schuyt oock weerom, die hadde omtrent by het cleyne eylant Moyomosier geweest in de bocht, daer had haer den ouden habytant gewesen[170] op ’t strant by een loopent versch watertie te graeven, maer daer graevende vonden niet als sant, soodanich als het strant was, soo dat het (door) dese luyden was gedaen om wat te hebben. Noiasack presenteerde de rock weder te geven, maer hebben hem de rock ende den ander de cleeties laeten houden, om reeden dien avont uyt visschen geweest ende soo veel visch gevangen, als in twee dagen conden opeeten.

a 20.

’s Morgens syn ick met de cleyne seegen de groote rivier opgevaeren tot omtrent 1 myl van ’t schip; voeren in een ander dwars rivier, die W.S.W. in ’t lant streckende, mee heel versch water is, vischte daer; terwyl is de Commandeur te voet by ons gecomen, ende hebben met malcanderen een sootien op de cant van de rivier gegeeten. Alsoo wy niet veel in dese rivier conden vangen, is den Commandeur met syn byhebbent gevolch weder te voet tot by het schip gegaen, ende wy syn naer boort toe gevaeren. Dien dach is den Corporael van de soldaeten, met den Assistent Davit Cassu met 2 soldaeten, met een prauw om de S.W. gestiert, om eenich wilt soecken te schieten ende het lant aldaer te ondecken. Waeren voorts daegelycx doende om branthout te houwen ende de masten, stengen ende ons want wat te versien.

b 21.

’s Morgens syn ick ende Stierman Roelof wat voor daech elck met een van de inwoonders prauties, die daertoe van haer geruylt waeren, de groote rivier opgevaeren, om te ondersoecken hoe hooch die in ’t lant opliep, bevonden die 3 à 4 mylen op te loopen om de O. met veel cromme omloopende racken, doch is overal ondiep. Voeren de rivier soo veer op als conden, niet veerder connende gingen noch een stuck wechts opperdan[27], vonden veel vlacke[171] landen met lang gras, soo lang dat als men daerin stont niet van hem sien conden, de canten van de rivier meest met riet bewassen. In ’t lant ende op sommige canten van de rivier hooch geberchte, bewassen met alderhande groot geboomte, als eycken, vueren, bercken, willige ende lindenboomen ende wilde appelboomen, oock groote nootenboomen ende eenige by ons onbekende boomen. Vernaemen geen volck noch huysen, als een jaechhutien, opgeset synde van tacken van boomen, voeren doen de rivier weder af; in het afcomen saegen wy een seer groote yselyck swarte beer voor ons overswemmen, ende was aen lant ende in ’t bosch eer wy daerby conden comen. Syn aen boort gevaeren. Aen boort comende hadden de inwoonders veel oesters ende appelties van roosen aen boort gebrocht, dese appelties, de pitties daeruyt gedaen ende gestooft, smaeckt heel wel ende ververst treftich. De wint S. met een styve coelte.

c 22.

’s Morgens was ’t mistich weder, de wint S. met een styve coelte, hebben een vlot gemaeckt om te harpuysen, ende heeft ons volcq uyt visschen geweest, vingen soo veel visch als begeerden; do. is de timmerman aen lant gegaen om twee wangen (schalen) claer te maecken tot de besaens mast ende groote mast. ’s Middachts was ’t claer weder. Hebben verstaen van de inwoonders, als dat het silver was te crygen in Cirarca, ende gout in Tacapsy, maer dat het hare vyanden waeren, dat daerom Noiasack niet hadden durven met ons volck daer naertoe gaen. Seyden oock als dat de menschen uyt al de andere dorpen ende huysen door honger ende coude gestorven waeren. Coutsiaer[28] was oock een dorp ofte plaetse by Tacapsy, dat waeren wel haer vrienden, maer daer[172] en was geen minerael naer haer seggen. ’s Nachts hadden wy styve wint uyt een S.

d 23.

’s Morgens moy weder met een S. coelte; hebben het schip gecrengt, schoongemaeckt ende de eene sy geharpuyst, mosten de andere sy staen laeten doordien het begon te regenen; cregen ’s nachts een storm met harde regen, de wint S.

e 24.

’s Morgens de storm noch aenhoudende, hebben een worpancker uytgeset om de S.W., des noots synde om ons daegelycx ancker daerby uyt te haelen. ’s Avonts de wint continueerende, hebben ons daegelycx ancker uytgehaelt tot een borch.

f 25.

’s Morgens begon de harde S. wint wat af te nemen ende het weer wat te beteren, hebben omtrent de middach het schip voorts geharpuyst, hebben ons worpancker tuys gehaelt daer wy sus lange mede vertuyt gelegen hadden. Naer de middach cregen weder een harde S. wint. Syn ’s avonts met een cleyn prautien de rivier opgevaeren, ende syn de dwars rivier opgeschept, die om de W.S.W. streckt; voeren do. rivier ’s nachts 2 mylen op, cregen doen styven regen ende een harde wint, schuylden onder het lange riet tot tegen den dach, schepten alsdoen de rivier weder op.

g 26.

’s Morgens syn wy de rivier voorts opgevaeren, soo veer als wy op conden comen, ende vonden die boven heel ondiep ende smal, alwaer een groote essenboom dwars over lach, die door de groote afwatering de wortel uyt der aerde was geruckt; vonden op dese rivier schoone boomen staen van alderhande hout, of men in Noorwegen was. Hier wassen tegen de voetings van het geberchte op de rivierscant witte ende roode braembessen, die ryp waeren, ende veel witte ende roo aelbessen met heel swarte imbere beiyen[173] (Himbeeren); vonden oock schoone vlacke valeyen van vlack lant, maer conden daer niet oploopen door de langte van het gras. Naer ick boven in de rivier con bemercken, soo had het water wel een vaem ’s winters hooger geweest als nu met hooch water quaem. Hier niet sonders meer connende vernemen, syn de rivier weder afgevaeren, hadden de rivier omtrent 4 à 5 mylen op geweest, ende loopt soo crom als een slang, op het hoochst gelyck een gecrulde slang die byt (het oogenblik afwacht) om te springen. Vonden in ’t afcomen, omtrent 2 mylen de rivier op, 6 huysies op een vlacke hoeck staen, waerby langs een cleyn afloopent watertie quaem afloopen, by een steyle hooge hoeck van wit albastert steen; vonden daer geen volck in, noch scheen in geen jaer volck geweest te hebben, vonden daer eenige vischkorven in, gelyck de cubbe in ’t vaderlant; voeren veerder af, vonden alsdoen noch 2 huysies op een vlackte staen, als de vorige, syn voorts afgevaeren. Voor in den mont van de rivier laegen eenige groote vuerenboomen, oock eenige 14 myl de rivier op, die ’s winters met de groote cracht van het smeltende sneeuwwater met wortel ende al afgestroompt worden, ende door de groote cracht des waters uyt de aerde geruckt werden. Tegen den avont by ons schip comende, saegen een Japansche lastberck by ons schip liggen, waerover ick seer verwondert was; aen boort comende verstont als volcht, dat do. berck alhier omtrent de middach gearriveert was, ende dat een Japander, synde een jongh flucx man, synde als opperhooft van do. berck, aen ons boort had geweest met 6 man van syn volck, ende hadde geseyt dat hy hier quaem om te handelen, gelyck de Hollanders in Japan comen handelen, ende dat hy van een plaets quaem[174] genaempt Matsimay, liggende bewesten Caep Eroen op Eso, ende is aldaer een Japansche regent op do. plaets, soo dat die plaets onder de Japander sorteert, maer dese luyden comen hier om te handelen velwerck, traen ende walvischspeck. Heeft verscheyden discoursen met den Commandeur gehadt, ende is aen boort gevaeren, ende liet syn bovenrock ende houwer in de cajuyt liggen, seggende hy soude die morgen comen haelen. Haer lading was ryst, gemaeckte rocken, sackie, toeback; hadden oock loode ringeties, die sy aen de Esoers schoncken, om in haer ooren te hangen. Hy hadde oock geseyt, dat hy van een Japanschen vader, maer syn moeder uyt Eso was. Hy sprack de Esosche spraeck soo pront als syn Japans; hy seyde oock als dat in Tacapsy ende Cirarca veel gout soude vallen, heeft van elcke plaets een cleyn stuckien berchgout aen den Commandeur geschoncken; hy seyde oock dat Eso, synde dit lant, een eylant was, ende haelde het fatsoen uyt syn hooft met potloodt op een vel pampier met Japan, circa als in ’t hantteyckenboeck is te beoogen. Seyde oock dat de Matsmadonna syn hof hielt in Matsimay, ende dat daer een fraeye haeven by lach, genaempt Camenda; seyde oock als dat de Matsmadonna jaerlycx naer den Keyser trock ende brocht schenckagie van vellen tot tribuyt aen hem, syn reys nemende te water tot Nabo, wat verby de Caep Goeree om de S., ende reyst dan naer den Keyser over lant naer Jedo. Hy affirmeert het seggen van den Esoer, als dat Coutsiaer sonder mineraelen, ende dat Cirarca silver ende gout heeft, ende dat Tacapsy gout geeft, hy noemde noch 2 plaetsen Erbis, Porvobis(?) Op do. hebben begonnen water ende hout te haelen.

a 27.

’s Morgens is de Japander weder aen boort gecomen,[175] ende heeft het schip bekeecken ende daernae weder wat met den Commandeur gediscoureert; een geschildert tsits cleetie hangende voor de Commandeurs coy, eyste daer soo veel af als tot een beurse van doen hadde, doen is hem een stuckien wit damast ende geel armosyn gegeven met noch een roemer, alwaer groote sin in hadden; sey: compt met u schip in Matsimay, brengt daer sulcke stof, sult soo veel silver crygen als ghy begeert. Den Commandeur liet hem een stuckien minerael sien, vraegende waer wy daeraen quaemen, seyde dat wy dat in Nova Spania gecregen hadden, soo seyde hy weder Cany Nova Spania. In ’t uytgaen van de cajuyt sach hy een Hollantsche can, alwaer hy groote genegentheyt toe toonde, alwaer wy tien balys ryst voor geruylt hebben, ende wert hem noch een Sineesch verglaest potien toe geschoncken. Hy naer boort vaerende, seyde, dat hy met syn berck dichter by ons comen wilde. Den Japanders naem was Ory(?) Ons volck doende synde met water haelen, alwaer den Japander oock met 2 à 3 man van syn volck om water is gecomen, elck een leege sackie baly[29] hebbende; dewelcke ons volck haer gevult hebben, ende syn naer haer boort gevaeren. Wy haelden dien dach veel branthout aen boort met onse cleyne prauw, syn ’s avonts uyt visschen gevaeren, quaemen in den voornacht aen boort, brochten een lustige soo visch mede. In het aen boort comen sach ick dat den Japanders berck wat bet met de stroom, de ebbe gaende, uytwaert aen gedreven was, ende in ’t laest van de eerste wacht vertrock sonder van ons syn afscheyt te nemen. Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende W.S.W. maen hooch water, dan comen veel wantyen.

[176]b 28.

’s Morgens syn met het prautien om de S. geroeyt, om te sien of ick den Japansche berck noch sien con, ende waer hy het heen liet staen, om de N. of om de S., ofte om de O. of de W.; maer om de steyle hoeck comende saegen hem niet, syn voorts uytwaert aengeroeyt tot aen het cleyne eylant Moyomosier, syn daer boven opgeclommen, maer conden do. berck niet sien, maer ick bevont dit eylant boven op soo scherp gelyck een cap van een huys. Op do. eylant stont het vol Aniens(?) synde paers van cleur. Syn weder naer boort gevaeren. Op de vlackte van het gadt van Ackys comende, heb het selfde noch eens op noves gediept, vonden 13, 14, 15 voet water ende was noch geen hooch water. Dus doende wesende met diepen, begon ’t styf te regenen ende te waeyen, ende alsoo weder drie persoonen met een prautie op den 26 do. uytgesonden waeren, om de S.W., om nae eenich wilt te soecken ende het lant soecken veerder inwaert aen te ondersoecken, saegen die noch niet opcomen, waerover den Commandeur een schoot heeft laeten doen dat wy aen boort souden comen. Aen boort comende, heeft geseyt: ons volck is er noch niet, ende haer tyt die sy uytblyven souden is geexpireert, sy moeten wat gebreck hebben, compt, laet de prauw claer maecken ende neemt eeten ende drincken mede, ende vaert heen ende weest haer in behulp. Heb alles stracx claer laeten maecken, maer als doende waeren, om over boort te climmen, saegen ons volck aen comen roeyen, doch veeltyts dwars liggen, vermoeden dat sy moede ende mat waeren, syn al evenwel naer haer toe gevaeren, de wint styf uyt een S.S.W. waeyende, quaem met haer eerst naer de middach aen boort. Sy en hadden menschen noch beesten[177] vernoomen, brochten eenige steenties mede, daer eenige blinckende aerde ofte spetie in scheen te wesen. Hadden over het lant heen in ’t S.W. de see gesien, ende daernaer weder lant; ’t welck de bocht ven Tacapsy moet wesen. Op dato is een van ons volck, die by de waterput mede geordineert was, om water in de vaten te scheppen, in huys gecomen van Noiasack, ende begeerde een pijp taback op te steecken; heeft een cleyn meysien met de eene hant op ’t hooft geraeckt, waerover dese Noiasack een groot misbaer gemaeckt heeft. Waerover de aen lant wesende Stierman met den matroos aen boort gecomen is, ende het selfde den Commandeur aengedient heeft. Soo heeft den Commandeur de Assistenten Arnout ende Davit aen lant gesonden, om de gelegentheyt van de daet te vernemen. In Noiasack syn huys comende, vonden hem geheel verstoort, vonden al de manspersoonen van het dorp in syn huys; hy sittende met een houte knuppel in syn hant, alwaer sy recht mee doen; ende wilde de twee Assistenten niet toe spreecken. Sy saegen het meysie met het aengesicht op de aerde liggen, conden van niemant geen spraeck crygen, als Noiasacks vrouw sey, dat Noiasack dat meysie geslaegen hadde. Syn met dat bescheyt aen boort gecomen.

c 29.

’s Morgens syn de twee Assistenten weder naer lant gevaeren, om imant van de manspersoonen van ’t dorp aen boort te haelen, op dat sy sien souden dat wy recht ende justitie maintineerden. Syn met drie broers aen boort gecomen, twee ruyge gebaerde mannen ende een jonck man. Sy siende dat den delinquant voor de mast gestelt wert, ende den Schipper hem geslaegen hebbende, ende ick slaen soude, heeft[178] den een myn vastgehouden, ende de dach[30] met cracht uyt myn hant geruckt, ende wesen de persoon sou van de mast wechgaen, sy wilden de dach over boort smacken, seggende Oryback, het is niet goet. Sy in de cajuyt loopende, seyden, dat sy aen Noiasack elck een rock ende houwer gegeven hadden, dat hy wel tevreden wesen soude, ende soo den Commandeur een rock aen Noiasack geven wilde, dat sy dan haer houwers weder crygen souden met haer rocken. Den Commandeur de groote listicheyt ende giericheyt van desen Noiasack bemerckt hebbende, heeft de luyden wat getracteert, ende heeft haer naer lant laeten vaeren, seggende hy sou maecken dat sy haer rocken weder souden crygen. Corts syn met den Assistent Davit naer lant gestiert, hebbende een can slechte arack by ons; aen lant comende, gingen stracx in Noiasacks huys; vonden Noiasack sitten, siende heel stuerts, greep hem by de hant, ende wees, wy mosten vrolyck syn; ick quaem aen lant met hem eens vrolyck te syn, ende wees, most niet suer sien maer lachen; waerop hy myn toelachte, ende wees, ick soude by hem gaen sitten. Ick siende syn houwer ende knuppel achter hem liggen, greep die ende brocht dat heel in een ander hoeck van ’t huys, ende wees, dat was niet goet, maer mosten t’ saemen eens taback ende een arackien drincken, ’t welck hy met myn dede; creech hem soo veer, dat hy begon praetich te worden. Rontom saeten die drie broers met noch 4 à 5 andere manspersoonen, brocht het soo veer, dat sy allegaeder mannen, vrouwen ende het voorschreven meysie weltevreden ende vrolyck waeren. Ick rontom siende, sach de drie houwers ende[179] rocken liggen, syn opgestaen, ende die opgenomen ende in handen van Noiasack gegeven, ende gewesen, hy sou de rocken ende houwers geven die sy toequaemen, dat het niet en docht anders luydens goet te neemen. Heeft het vrywillich gedaen, gaf elck syn eygen goet weder; waerover sy verblyt waeren, roepende Tacoy, tacoy, vrient, vrient, waerop ick haer allegaeder een scheeps arackie heb laeten schencken, waerop Noiasack syn beleeftheyt heeft getoont, ende schonck myn drie blaeden Japansche taback, seyde die heb ick van de Koka gecregen; ’t welck is de Japander, by haer soo genaempt. Ick heb in myn afscheyt neemen de vrouwen ende kinderen met cleyne snuysteringe vereert, ende syn soo met vrientschap van haer gescheyden ende naer boort gevaeren. Ons water ende hout haelen ginck gestaedich voort; hebben op dien dach hout tot een besaens mast gehackt ende noch twee greene spieren.

d 30.

’s Morgens heeft den Commandeur een tent aen lant laeten oprechten, ende syn met alle man in de waepenen geweest. Syn soo door ende verby het dorp van Ackys gemarscheert, om de inwoonders eens te betoonen, indien ons imant quaet dede, dat wy oock op onse defentie stonden. Scheenen seer vervaert ende bevreest te syn, maer alsoo sy saegen dat wy haer geen quaet en deden, ginck de vrees haest over. Syn weder by de tent gemarscheert, alwaer de Crancbesoecker een predicatie gelesen heeft uyt den 16den psalm, het 4de vaers. Hebben alsdoen t’ saemen wat gegeten ende hebben dese baey genaempt de Goede Hoop; syn tegen den avont aen boort gevaeren. ’s Nachts hadden wy harde regen ende wint uyt den N.

e 31.

’s Morgens syn met het meeste scheepsvolck naer lant gevaeren, om het omgehackte ronthout uyt het bosch[180] op ’t strant te brengen, ende voorts aen boort sien te crygen; quaemen ’s middachts weder aen boort, brochten veel tacken met groote nooten aen boort, die meest ryp waeren. Hadden do. hout op de watercant gebrocht, om het met het toecomende hooch water aen boort te brengen; hebben oock hout tot wintboomen ende hantspaecken gehackt, synde berckenhout. Ons ronthout ’s avonts aen boort gecregen hebbende, haelden ons daegelycxs ancker t’huys, om ’s anderdaegs t’seyl te gaen.
Soo lang als wy hier in de bay laegen, hebben wy geen gedierte by haer vernomen als honden, ende vier arenden, die wy van haer geruylt hebben voor twee handen vol Javaensche taback. Voorts het velwerck dat sy hadden, vertrou ick, dat sy ’s winters crygen, want het wilt somers hier niet is te becomen, door de dichticheyt van het bosch ende het lange gras. Dese bay soude welgelegen syn, om te overwinteren, des noots synde. Dese luyden syn ruych van baert, het halve hooft geschooren, voorts achter op ’t hooft lanck haer, de vrouwen haer hooft is met een crans geschooren. Het vrouvolck schynt seer eerbaer te syn, alsoo wy conden bemercken aen haer; als sy haer kinders de borst gaeven, bedeckten die seer nauw. Als hier een vrouw in de craem leyt, wort in een huysie alleen geleyt, tot dat de bestemde tyt verstreecken is; wert by de mans soo lang onsuyver gehouden. Als sy eenige straffe doen des doots schuldich ofte eenige van haer vyanden gevangen crygen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de lenden. Voorts de strecking van de bay ende het incomen van dien met de diepte, is als by de caert can beoogen.

September.

f 1.

’s Morgens was ’t heel stil moy weder, hebben met het criecken van den dach wat bot ingecort, ende[181] verwachten voorts het hooch water, lichten alsdoen het ancker ende boechseerden het gadt uyt; vonden in de kil 16 voet water. Terwyl wy met een voorebbe het schip met de boot lieten uyt boechseeren, is den Assistent Arnout Brouwer ende Davit Cassu, naer Ackys gestiert met een cleyn prautie, om aen Noiasack een Prince vlaggetie te vereeren. Wy quaemen tegen den middach by den eersten hoeck ten ancker op 3 vadem, steckgront; want de ebbe verloopen was ende de wint ons uyt de see tegenquaem. Corts daernae quaemen de twee Assistenten weder aen boort, ende werden uytgeley gedaen van Noiasack, ende met noch twee prauwen met habytanten, dewelcke voor een adieu medebrochten menichte oesters ende appelties van roosen. Gaeven oock een van haer houwers aen den Commandeur, waertegen haer elck een cleetien is gegeven, ende syn soo met vrientschap gescheyden. Saegen noch een prauw comen van Caep Santanel; het scheen dat dese habytanten de andere niet wilden verwachten, maer syn met der haest wechgevaeren naer Ackys. Dese prauw aen boort synde, was vol velwerck; als robbenvellen, elants, otters ende beeren, ende eenige by ons onbekende vellen; hadden oock een doode craenvogel ende eenige gedroochde visch; presenteerden het alles te verruylen voor Japansche rocken. De prauw quaem van Coutsiaer, de habytanten waeren met haer vieren; drie waeren gecleet met rocken van vellen, den anderen had een geschilderde Japansche rock aen, ende was een oudt man, met een ruyge lange witte baert. Quaemen in ’t schip over, ende presenteerden haer waeren, maer daer en is niets van haer geruylt. Syn ’s nachts van boort gevaeren ende roeyden naer van der Lyns eylant, om daer te vernachten. Ons[182] volck waeren ’s avonts uyt visschen gevaeren. Alsoo wy in de voornacht een N. coeltie cregen, schooten een schoot, dat sy aen boort souden comen; quaemen aen boort ende brochten een schoone soo visch mede, alwaer een groote steur onder was. Wy syn wat dichter onder van der Lyns eylant geseylt, ende hebben het aldaer geanckert op 8 vadem, steckgront; verwachtende den dach, om het rif met voorsichticheyt te passeeren, dat van Caep Santanel afstreckt; meest O.S.O. 134 myl in see.

g 2.

’s Morgens omtrent twee ueren voor daech cregen wy een moy coeltie uyt een O., deden onse cours S., lichten ons ancker, het diepte al gaende af 8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16 tot 18 vadem. Hielden het eylant het naest, liepen by de steyle W. hoeck uyt in see, om het rif terdegen te schouwen; dach synde saegen wy die voorige aen boort geweest synde habytanten ons naer comen roeyen, dan wy te hart voortgaende, keerden wederom naer de Caep Santanel toe. Een myl W. 12 S. leyt de O. hoeck van de bay van Tacapsy van de Caep Santanel af. Wy buyten in see wesende, setten onse vaertuygen in. ’s Middachts giste Caep Santanel N.t.W. 4 mylen van ons, waeren volgens dien, op de breete van 42 gr. 52 min., ende 163 gr. 30 min. in de lengte, ende op de bevonden breete van 42 gr. 52 min.; diep 60 vadem, grauwe wasige santgront. Wat naer de middach cregen wy de wint O.S.O., lieten het ten naestenby N.waert over staen; 3 ueren naer de middach was ’t noch 90 vadem diep ende doen corts gront af. ’s Avonts scheen het eylant Mossirca N.O.t.N. 7 mylen van ons, ende Caep Canael N.t.O. 12 O. van ons. Saegen menichte van gevogelte. ’s Nachts was ’t motrich ende regenachtich weder met styve topseyls coelte.

[183]a 3.

’s Morgens begon de wint al treckende naer het S. ende S.W. te loopen, ende voorder naer het W., de see hol aenschietende uyt een S.O.; wenden het alsdoen ende lieten het om de S.O. staen. ’s Middachts giste geseylt te hebben S.t.W. 11 myl, waeren volgens dien, op de breete van 42 gr. 9 min., ende op de lengte van 163 gr. 18 min.; deden alsdoen onse cours S.S.O. aen. Vier glaesen daernae saegen wy de Caep Eroen in ’t W.t.N. 10 mylen van ons, vier ueren naer de middach deden wy onse cours S. aen. ’s Avonts saegen wy het hooge lant van Caep Eroen in ’t W.N.W. van ons; saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts de wint W.

b 4.

’s Morgens was de wint W.S.W. met goet weder. Giste ’s middachts geseylt te hebben S. 12 O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 41 gr. 3 min.; hebben dien dach getalyt ende gestaecht. Naer den middach de wint S.S.O. ende S.O., wenden het om de S.W. met een labber coeltie. ’s Nachts de wint S.O. ende S.O.t.S.

c 5.

’s Morgens hadden wy een betogen lucht, de wint S.O.t.S. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.W. 12 W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 40 gr. 24 min., ende op de lengte van 162 gr. 27 min., ende bevonden breete van 40 gr. 24 min.; lieten het al S.W.waert overstaen tot ’s avonts, wenden het doen om de O.; de wint alsdoen S.S.W. In ’t uytgaen van de eerste wacht cregen wy de wint S.W. met regen ende styve coelte, naemen onse marsseyls in, ende in ’t inneemen der marsseyls is de schenckel van de loefbras ende het ly-geytouw aen stucken gebroocken, waerover ons groot marsseyl uyt de lyck geraeckt is; geyden voorts ons grootseyl op, lieten het met de fock ende besaen voort staen.[184] Dese styve wint hielt aen tot in ’t vyfde glas van de tweede wacht, alsdoen wert het goet weder, cregen een N. wint, deden onse cours S. aen.

d 6.

’s Morgens goet weder, de wint N. met een labbercoeltie. Giste ’s middachts geseylt te hebben S. 8 mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 39 gr. 52 min., de lengte als vooren, ende op de bevonden breete van 39 gr. 54 min. Hadden van ’s ochtents in stilte gedreven tot ’s middachts. Cregen naer de middach een variabel labber coeltie uyt een S. ende S.W.

e 7.

’s Morgens was ’t moy weder met een cleyne coelte uyt een S.W., met een donckere betogen lucht met stilte, somtyts een variabel luchien. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.O.t.S. 5 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 39 gr. 37 min., ende op de lengte van 162 gr. 42 min. Wat naer de middach saegen wy eenige walvisschen. Met sons onderganck cregen wy de wint S.S.O., deden onse cours S.W.t.S.; doen er 4 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, cregen de wint S.W. met motregen, wenden ’t S.O.waert over. Hadden ’s ochtents de compassen op 8 gr. N.Oostering des naelts geleyt.

f 8.

’s Morgens moy weder met cleyne coelte, de wint uyt een S.W., ende wat op den dach variabel. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.t.O. 12 O. 8 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 39 gr. 6 min., ende op de lengte van 162 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 39 gr. 29 min., bevonden styven stroom om de N. te gaen; saegen eenich wier dryven. Naer de middach cregen wy een cleyn coeltie uyt een N. ende trock naer ’t O., deden onse cours W.S.W. ’s Avonts de wint N.O., stelden onse cours S.W. aen.

[185]g 9.

’s Morgens was ’t een betogen lucht, de wint N.O., deden onsen cours W.S.W.; saegen omtrent 2 ueren naer sonnen opganck het lant in ’t W. van ons liggen omtrent 11 à 12 mylen. Bleven by de W.S.W. cours, tot dat wy het lant ten deele verkennen conden, ’t welck was de hooge Taefelberch van de O. cust van Japan, deden alsdoen onse cours S.W. aen; saegen oock N.waert van ons het hooge lant van Nabo. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.W. 23 W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 38 gr. 53 min., ende op de lengte van 162 gr. 2 min.. Alsdoen lach de Taefelberch wel soo N. als W.t.N. 8 à 9 mylen van ons; deden doen onse cours S.S.W. tot half naer middach, cregen doen de wint W.S.W., lieten het ten naestenby S.waert over staen; saegen groote raveling van stroom. Met sons-onderganck lach de Taefelberch N.W.t.W. 12 W. 10 mylen van ons. ’s Nachts de wint uyt een W.N.W. ende N.W., deden onse cours al by de wint over om de S.S.W. ende S.W.

a 10.

’s Morgens de wint N.N.W. met topseyls coelte, onse cours om de S.W. ende daernaer W.S.W. Omtrent 2 ueren voor middach cregen wy de O. cust van Japan in ’t gesicht, ende lach in ’t W. ende W.S.W. van ons. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.S.W. 12 W. 19 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 46 min., ende op de lengte van 161 gr. 6 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 38 min.; waeren 10 à 11 mylen buyten de wal. Is alsdoen geresolveert om onse cours om de O. te stellen, tot ontdecking van de Gout ende Silver rycke eylanden; waertoe de goede genaedige Godt gelieft syn segen te geven. Amen. Naer de middach ende ’s nachts het luchien variabel met veel stilte.

[186]b 11.

’s Morgens moy weer als vooren met stilte, naer gissing geseylt O.t.N. 8 mylen, hadden de breete van 37 gr. 51 min. Naer de middach een labber coeltie uyt den S., variabel, als oock ’s nachts.

c 12.

’s Morgens moy weder, de wint S.O., onse cours ten naestenby O.waert over; wat op den dach cregen wy de wint S.S.O., de see styf aenschietende uyt een S.O. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.N.O. 12 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 9 min., ende op de lengte van 162 gr. 39 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. 29 min. Vernaemen hier de stroom om de W. te loopen; waeren nu 28 mylen buyten de O. cust van Japan. Saegen wat naer de middach een stuck hout dryven ende by menichte gevogelte vliegen. Tegen den avont begon ’t styf te motregenen, ende in de eerste wacht cregen wy een harde slachregen, ende in ’t laetste deel van do. wacht wert het stil tot 7 glaesen in de tweede wacht, cregen doen een coeltie uyt een W.S.W. met topseyls coelte; deden onse cours S.O. aen.

d 13.

’s Morgens was ’t een grauwe betogen lucht, giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 38 gr. 20 min.; maer bevonden te syn op de bevonden breete van 38 gr. 40 min., soo dat op noves bevonden de stroom styf om de N. te gaen; deden onsen cours S.O., de wint W. met holle deyninge uyt een S.; saegen veel meeuwen vliegen.

e 14.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.W. ende N.N.W. met topseyls coelte, cours als vooren. Giste ’s middachts geseylt te syn S.S.O. 20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 26 min., ende op de lengte van 164 gr. 16 min., ende op de bevonden[187] breete van 37 gr. 16 min., bevonden als nu de stroom gekentert te wesen, waeren nu 48 mylen buyten de O. cust van Japan. Vingen 2 cleyne lantvogelties gelyck rietvinckies. ’s Nachts cregen wy een N. coelte.

f 15.

’s Morgens moy weder, de wint als vooren uyt een N.N.W. met holle deyninge uyt een N. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.N. 17 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 37 gr. 29 m., ende op de lengte van 165 gr. 38 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 24 min.; waeren doen 64 mylen buyten de O. cust van Japan. Saegen veel steencroos ende een stuck hout dryven; deden onse cours N.O.t.O. aen; saegen naer de middach een stuck van een viercante balck dryven, synde viercant gehackt, lanck omtrent 112 vadem ende 2 voet breet, ende scheen al lanck gedreven te hebben. De wint trock temet naer het N.N.O., ende continueerde die heele nacht.

g 16.

’s Morgens moy weder met een slappe N.N.O. coelte, met holle see uyt een N. Saegen voor de middach een groote schilpadt dryven, saegen veel cleyne clipmeeuwties ende ander groote meeuwen vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 12 min., ende op de lengte van 166 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 17 min.. Vingen weder een cleyn lantvogeltie corts naer de middach, gelyck een puttertie. De wint variabel met stilte; waeren nu omtrent 80 mylen buyten de O. cust van Japan; met sons onderganck cregen wy de wint uyt een S.S.O., deden onse cours eerst N.O., ende daernaer O.N.O.; in de eerste wacht motregen, in ’t voorste van de tweede wacht cregen wy een styve wint uyt een S.; naemen beyde onse marsseyls in.

[188]a 17.

’s Morgens was ’t al ongestaedich weder, met styve buyen uyt een S.S.O., met regen ende hol water, naemen onse bonets af ende reefden de besaen[31], de wint allengskens naer het S., S.S.W. tot het S.W. omloopende. Leyden ’s ochtents onse compassen op 10 gr. N.Oostering des naelts. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.O.t.O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 53 min., ende op de lengte van 168 gr. 2 min. Bevonden alsdoen dat wy groote leccagie door onse laetpoort gecregen hadden, maeckten het van binnen soo veel dicht als conden. Wat naer de middach wert ’t moy weder, brochten onse bonets weer aen ende setten alle de seylen doen weder by, ende deden onse cours O. aen, de wint temet met een styf topseyls coeltie naer het W. omkringende; de holle deyninge draeyde al met de wint om. ’s Avonts hadden wy veel blixem in ’t S.O. ende in ’t S.S.O.

b 18.

’s Morgens was de wint W.N.W. met styve coelte; saegen een stuck hout dryven, ende veel meeuwen vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben O. 38 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 53 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. Stelden doen onse cours O.t.S. aen; waeren alsdoen 130 mylen buyten de O. cust van Japan; de wint naem langsaem af ende liep in ’t N.W. ’s Nachts N. met stilte ende slecht water.

c 19.

’s Morgens was ’t heel mistich weder; setten voor de middach ons want aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 17 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 47 min., ende op de lengte van 172 gr. 38 min. De wint naer de middach naer het S.W. ende voorts naer het S. treckende, deden onse cours O.t.N. aen, ende corts daernae O.[189] ’s Nachts styve coelte, ’s avonts hebben wy onse compassen op een streeck N.Oostering geleyt.

d 20.

’s Morgens hadden wy moy weder, met een styve doorgaende wint met slecht water; saegen veel meeuwen vliegen; vervolgden onse cours om de O. Naer de middach ten 4 ueren cregen wy een styve coelte uyt een S.t.W., soo dat wy onse marsseyls innaemen. Tegen den avont de wint naer het W. treckende, maeckten de marsseyls weder by, met styve topseyls coelte; doen er drie glaesen in de eerste wacht uyt waeren, verhefte hem de see soo subyt met een W. styve wint, dat wy weder de marsseyls innaemen.

e 21.

’s Morgens was ’t helder ende claer weder, de wint W., hebben onse marsseyls weder bygemaeckt, vervolgende onse cours om de O.; cregen naer de middach de wint W.N.W. tot in de eerste wacht, doen N.W. ende de coelte loopende temet naer het N. ende voorts N.O. ende voorts naer het O.

f 22.

’s Morgens hadden wy moy helder weder, de wint tegen den middach S.O., ’s middachts S.O.t.S. met slappe topseyls coelte, met holle deyninge uyt een W.N.W.; maer cregen ’s nachts slecht water. ’s Nachts de wint S., treckende temet naer ’t S.S.W. met gemeen topseyls coelte.

g 23.

’s Morgens hadden wy moy weder, omtrent 2 ueren voormiddach saegen wy eenige puystebyters rontom het schip vliegen, met menichte grauwe ende witte meeuwen ende eenige swaluwen; stelden onse cours S.O.t.S. by de wint over. ’s Middachts giste geseylt te hebben O.t.S. 20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 32 min., ende op de lengte van 181 gr. 12 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 31 min.; waeren alsdoen omtrent 240 mylen buyten de O. cust van Japan. Ende alsoo wy[190] vermoeden dat dese puystebyters uyt de S.O. van daen te comen, is geresolveert onse cours S.O.t.O. aen te stellen omtrent 50 mylen, om te ondersoecken of wy het eylant Rica de Plate aldaer mochten bejegenen. De wint S.W.t.S., ’s avonts vernaemen wy geen meer puystebyters; in ’t ondergaen van de son scheenen wy lant te sien in ’t W.t.S. van ons, alwaer wy naer toe gewent syn, W.waert over; de wint S.S.W. met slappe topseyls coelte. ’s Nachts hadden wy helder weder met claer gesicht.

a 24.

’s Morgens hadden wy claer helder weder, ’s nachts geseylt W.t.N. 7 mylen, maer vernaemen geen lant; syn wat naer sons-rysen gewent S.O.waert over, met een topseyls coelte ende een claere sonneschyn. ’s Middachts hebben wy onse compassen op 14 gr. N.Oostering geleyt; de see styf uyt een S.W. aenschietende. ’s Nachts moy weder, de wint S.S.W.

b 25.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint S.S.W. met slecht water met een topseyls coelte. ’s Nachts weder ende wint als vooren.

c 26.

’s Morgens hadden wy moy weder, de wint als vooren; saegen eenige witte meeuwen. Wat voor de middach cregen wy een weynich regen. ’s Middachts is geresolveert onse cours O.S.O. aen te stellen tot ’s avonts ende als dan geen lant vernemende, onse cours om de O.N.O. aen te stellen. ’s Avonts niet vernemende, deden onse cours O.N.O. aen met een S.t.W. coelte ende helder weder.

d 27.

’s Morgens weder ende wint als vooren, omtrent 2 ueren voor de middach cregen wy de wint uyt een N.O. tot ’s middachts, alsdoen O.N.O. met een topseyls coelte, wenden het alsdoen N.waert over. Giste geseylt te hebben O 12 N. 21 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 13 min., ende[191] op de lengte van 186 gr. 59 min., ende op de breete van 36 gr. 10 min.; saegen groote grauwe cockmeeuwen ende een witte pylstaert. De eerste wacht trock de wint naer het O. ende voorts naer het S.O., ende liep in de dachwacht naer het S.

e 28.

’s Morgens was ’t helder weder met claer gesicht, de wint S.W. met moye coelte, onse cours O.N.O. aen. Saegen naer de middach eenige troppen meeuwen; hadden ’s nachts helder gesicht.

f 29.

’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint S.W. met een doorgaende styve coelte, deden ’s middachts onse cours O. aen, de wint alsdoen W. met styve doorgaende coelte ende heel hol water. ’s Nachts helder gesicht.

g 30.

’s Morgens was ’t moy weder met een styve W. wint, treckende allengskens naer het W.N.W. met heel hol water. ’s Avonts liep de wint naer het N.W. met helder ende claer weder ’s nachts.

October.

a 1.

’s Morgens was ’t moy helder weder met een styve N.W. wint ende hol water uyt een N.W.; saegen veel gevogelte. ’s Middachts naer gissing geseylt O. 12 S. 48 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 2 min., ende op de lengte van 198 gr. 17 min., ende op de bevonden breete van 36 gr. 56 min. Is alsdoen geresolveerd om weder te keeren van de O., ende onse cours cruysende om de W. te doen. Naer de middach noch O. geseylt 4 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 56 min., ende op de lengte van 198 gr. 37 min., waeren doen 460 mylen buyten de O. cust van Japan. Wenden het alsdoen weder om, om onse cours weder om de W. te nemen, de wint synde N.N.W. met hol water uyt een N.N.W., ende tegen den[192] avont de wint N.W.t.N., ende liep heel variabel in de tweede wacht. ’s Nachts wert ’t moy stil weder, cregen doen tegen den dach Oostelijck.

b 2.

’s Morgens was de wint O. met slappe coelte ende een grauwe lucht, alsdoen saegen wy een leuwerick rontom het schip vliegen, ende socht om daerop te rusten; maer door ’t loopen van ’t volck, vlooch weder van ’t schip af, om de W.S.W. Wy deden onse cours om de W. ’s Middachts was ’t stillekens, de wint naer de middach omloopende naer het N.W., ende voorts naer het O. ende tot het N.O., tegen den dach O.N.O. met doorgaende coelte; de deyninge uyt een N.O.

c 3.

’s Morgens was ’t moy weder met een moye wint uyt een O.N.O., treckende naer het O. ende O.S.O. met grauwe lucht. ’s Middachts de wint O.S.O., voort treckende naer het S.O., cregen naer de middach styve regen met holle deyninge uyt een N.O.; deden onse cours W.t.S. aen. ’s Nachts trock de wint weer naer het S.S.O. met styve coelte, lieten het voort staen met schover seylen, alsoo wy onse marsseyls in de eerste wacht innaemen; cregen hol water uyt een W.N.W., somtyts regen met caeckich weder.

d 4.

’s Morgens de wint naer het S. ende voorts naer het W.S.W. hebben het eerst naer sons-rysen gewent. Gewent synde mochten S.S.O. seylen, de wint W. tot ’s middachts, cregen doen harde buyen uyt een W.N.W. ende N.W.t.W. met hol water uyt een N.W.; lieten het met schover seylen om de S.W. staen. ’s Nachts de wint W.N.W. ende N.W. met styve buyen ende hol water, somtyts regen.

e 5.

’s Morgens de wint N.W. tot ’s middachts, met styve buyen ende hol water, cregen ’s middachts droochte. Bevonden dat ons de stroom styf om de S. geset[193] hadde, wat naer de middach de wint N.N.W. al met styve buyen ende hol water, somtyts regen. ’s Nachts de wint al met styve buyen naer het N. treckende, maer naem in het laetste van de eerste wacht af, setten onse marsseyl weder by, ende de see begon vry wat te slechten. Worden op dato wys, als dat onse achtersteven ende oock de lastpoort veel leckagie bybrochten.

f 6.

’s Morgens de wint meest N. met topseyls coelte, met helder gesicht, onse cours W.N.W.; sloegen andere seylen aen; tegen den avont cregen wy een moye coelte uyt een N.O., deden onse cours om de W.N.W.. ’s Nachts de wint N.O. ende O. met redelyck gesicht.

g 7.

’s Morgens de wint O.N.O. met styf topseyls coelte, onse cours N.W., de wint naer het O. treckende; hadden ’s nachts redelyck gesicht.

a 8.

’s Morgens was ’t doncker, mistich weder, met een styve doorgaende S. ende S.O. wint, onse cours N.W.. bevonden de breete van 35 gr. 43 min. nae gissing; vervolchden onse cours N.W. tot ’s avonts, deden doen onse cours W.N.W. aen, met een S.O. wint, dewelcke ’s nachts in ’t S.S.O., tegen den dach in ’t S. liep; hadden by dach veel meeuwen gesien.

b 9.

’s Morgens hadden wy moy weder, de wint S.S.W. met cleyn topseyls coelte; naer gissing geseylt N.W.t.W. 13 W. 28 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 36 gr. 39 min., ende op de lengte van 187 gr. 54 min., waeren op de bevonden breete van 36 gr. 42 min. Waeren nu 331 mylen buyten de O. cust van Japan. Hadden sommige puystebyters gesien, ende oock een gevangen, maer waeren wat naer de middach al weder wech;[194] de wint ’s middachts S.W. met claer weder, deden onse cours om de W.N.W. met slappe coelte by de wint over.

c 10.

’s Morgens de wint S.W. met cleyn topseyls coelte, met slecht water, hebben alsdoen de lastpoort dicht gecregen. Cregen naer de middach wat regen, maer corts daernaer weder helder weder. ’s Nachts de wint S.W., ende treckende temet naer het W.S.W., tegen den dach styve coelte.

d 11.

’s Morgens cregen de wint met sons-rysing uyt een N.N.O., met een grauwe donckere lucht, stelden onse cours S.W. aen; saegen veel groote grauwe meeuwen ende cleyne meeuwen, sommige swart, sommige bont. Cregen somtyts motregen, de see begon styf uyt een N.W. aen te schieten, waerop een styve N.O. wint volchde. ’s Nachts de wint als vooren, somtyts regen, tegen den dach de wint O.N.O.

e 12.

’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint treckende naer het O., met een doorgaende coelte; deden ’s middachts onse cours W.t.S., ’s avonts de wint O.S.O. ende trock naer het S. ’s Nachts in de tweede wacht de wint S.W.t.S., tegen den dach S.W.

f 13.

’s Morgens wat naer sons-rysen cregen wy de wint N., voorts N.N.W. met topseyls coelte, de see begon hem heel hol te verheffen uyt een N.W.; saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts de wint variabel van het N.N.W. tot het N.O. heen ende weer loopende, met cleyne coelte, maer hol water.

g 14.

’s Morgens wat op den dach cregen wy de wint O. met stilte ende een grauwe lucht, de deyninge styf uyt een N.W. aenschietende. ’s Nachts in de eerste wacht S. met motregen ende styf topseyls coelte, deden onse cours om de W.; tegen den dach cregen wy de wint W.S.W. met styve verheffing van wint;[195] naemen onse marsseyls in, ende lieten het by de wint over staen met schover seylen.

a 15.

’s Morgens was de wint W.S.W., vingen een strantloopertie ende saegen er noch een rontom het schip vliegen; saegen oock een swaluw ende veel swarte meeuwen vliegen. Wat op den dach synde, cregen wy een swaere travaet van regen ende wint; de wint in ’t N. schietende, hielen voor wint om, ende lieten het W.t.N. aengaen, alsoo de wint stracx weer naer het N.N.O. liep, ende naem soeties af; sette tegen den middach onse marsseyls daer weder by. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. 12 N. 11 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 35 gr. 25 min., ende op de lengte van 179 gr. 48 min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 19 min.; waeren 235 mylen buyten de O. cust van Japan. Wat naer de middach cregen wy een topseyls coelte, de wint al treckende omloopende naer het N.O. ende voorts naer ’t O.N.O., onse cours W.t.N.; in de tweede wacht de wint O. met een moy coeltie.

b 16.

’s Morgens was ’t regenachtich weder, de wint O. met een betogen lucht; saegen eenige groote ende cleyne meeuwen vliegen. De wint styf door coelende, naer de middach uyt een N.O., ’s nachts in de eerste wacht O., in de tweede wacht variabel O. ende S., met groote stortregen ende styve doorgaende coelte. Tegen den dach cregen wy een swaere caeck, de marsseyls pas ingenomen synde, uyt een S.O. met een styve storm ende corts N. Alsoo wy doende waeren om het seyl op te geyen, is de wint uyt de ly gecomen, soo dat ons groot seyl op de mast viel, ende conden het selve niet neer crygen ofte opgeyen, soo dat het heel aen stucken geslaegen is; ende alsoo met het comen van dese harde wint ons focke[196] cruyshout gebroocken was, was de fock heel schaloos; de besaen is oock losgewaeyt, soo dat wy die, noch heel schaloos synde, neer cregen. Hadden schrickelycke blixems in dit harde weer.

c 17.

’s Morgens hebben wy weder andere seylen aengeslaegen, alsoo de wint wat bedaert was; liepen met een styve storm ende N.O. wint ende met holle see uyt een N.O., met een opgearmde fock[32] om de W.S.W., met een donckere draeyende lucht; maer wat naer de middach onse blint er by om beter beniert[33] te wesen. Tegen den avont slechte de see ende de wint naem af, soo dat wy onse fock der viercant bysette met het schoverseyl; lieten het W.t.N. aengaen. ’s Nachts goet weder, de wint N.N.O. met doorgaende wint, in de tweede wacht de wint N.O., in de dachwacht O.N.O.

d 18.

’s Morgens was de wint N.O. ende N.N.O. met topseyls coelte, brachten ons bonnets[34] weder aen, ende setten de marsseyls daer weder by, lieten het al W.t.N. voort staen; naer de middach wert het heel moy stil weder met slecht water. Bevonden dat onse roerpen in ’t roer aen stucken was, hebben weder een ander daerin gestoocken; wy bevonden styve stroom om de S. te gaen.

e 19.

’s Morgens goet weder met claer gesicht, de wint S.O., saegen ’s ochtents een swaluw vliegen, was stillekens; hebben getalyt ende gestaecht. Saegen een van diergelycke visschen sonder staert, als by den[197] Commandeur Quast saliger gevangen was[35]. Saegen oock croos ende veel besaens qualleties dryven, ende een witte pylstaert vliegen. ’s Middachts cregen wy een moye coelte uyt een S.W. ende W.S.W., lieten het al om de N.W. voort staen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. 12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 51 min., ende op de lengte van 171 gr. 8 min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 38 min.; waeren doen naer gissing 121 mylen buyten de O. cust van Japan. ’s Avonts hebben wy de compassen op 11 gr. N.Oostering geleyt. Naer sons-onderganck stont de lucht heel leelyck in ’t N. ende N.W., wenden het om de S.W. om alhier wat te cruysen; de wint in ’t N.W. loopende met styve coelte, naemen onse beyde marsseyls ende blint in, dan de wint corts daernaer N. variabel, ende wert omtrent 2 ueren naer sons-onderganck stil. Cregen weder in ’t voorste van de tweede wacht, een moy coeltie uyt een N.W. met helder claer weder; sette onse marsseyls daer weder by, lieten het S.W.waert voort staen, de wint temet treckende naer het N.; tegen den dach de wint N. met slappe coelte ende slecht water.

f 20.

’s Morgens was ’t moy weder, dreven dien ochtent in stilte, bevonden ’s middachts dat ons de stroom styf om de S. geset hadde; cregen omtrent 112 uer voor sons-onderganck een moye coelte uyt den S.; deden onse cours uyt een W.N.W.. Corts naer sons-onderganck was het weder stil, een glas in de eerste wacht cregen wy weder een moy luchien uyt den O., ende trock allengskens om naer het S.O., voorts[198] naer het S. ende tot het S.S.W. Omtrent half de tweede wacht begon de wint styf door te waeyen, naemen de marsseyls in, lieten het al W.N.W. voort staen.

g 21.

’s Morgens de wint S.S.W., met styve doorgaende wint, met motrich doncker weder, maeckten wat op den dach seyl; alsoo de wint tegen den middach naer het S.W. liep, ende heel hol water maeckte, naemen de blint ende besaen weder in, ende wenden het verscheyden reysen. Saegen dat onse groote rust wel een hantbreet afgeweecken was, dewelcke stracx weder gemaeckt wert, ende lieten het om de N.W. voort staen. Hadden ’s ochtents een swaluw gesien; ’s avonts de wint W.t.N. ’s Nachts begon ’t weer te beeteren ende de wint af te nemen, cregen de wint half in de tweede wacht W.N.W., wenden het S.W.waert over.

a 22.

’s Morgens moy weder, de wint W.N.W. met hol water uyt een S.W., sette onse beyde marsseyls daerby, lieten het al S.W.waert over staen, saegen 2 witte pylstaerten vliegen, ende een bos steencroos dryven; ’s middachts de wint W. Door verscheyden coursen geseylt N.N.W. 6 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 40 min., ende op de lengte van 169 gr. 8 min., maer bevonden ons op de breete van 36 gr. 1 min.; soo dat ons de stroom heel styf om de N. geset heeft, vermoeden het selve gecomen te syn door de styve S. winden; waeren alsdoen 108 mylen buyten de O. cust van Japan. Corts naer de middach cregen wy de wint uyt een W.S.W., wenden het N.waert over. ’s Avonts de wint W., dewelcke hem 4 glaesen in de tweede wacht seer styf verhefte; naemen onse marsseyls in, lieten het by de wint N.N.W.waert over staen.

[199]b 23.

’s Morgens was ’t hart weer gaende af, de wint N., met styf topseyls coelte, setten onse marsseyls by, wenden het W.waert over, met holle deyninge uyt een W. Giste door verscheyden coursen geseylt te hebben N.W.t.N. 14 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 48 min., ende op de lengte van 168 gr. 29 min., ende bevonden breete van 36 gr. 56 min.; waeren naer gissing 100 mylen buyten de O. cust van Japan. ’s Ochtents hadden wy veel steencroos sien dryven, ende een witte pylstaert sien vliegen; tegen den avont quaem een tortelduyf by het schip vliegen, ende scheen heel moede te syn, ende socht te rusten, maer door ’t geloop van ’t scheepsvolck, is weder van ’t schip afgevloogen W.waert heen. ’s Avonts stillekens, ’s nachts in ’t uytgaen van de eerste wacht cregen wy een moy luchien uyt den N., treckende temet naer het N.O.

c 24.

’s Morgens was ’t een grauwe lucht, somtyts regen, de Wint N.O.; saegen voor de middach eenige drift soo van steencroos als hout dryven. Giste ’s middachts geseylt te hebben 22 mylen W. 12 S. aen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 47 min., ende de lengte van 166 gr. 40 min. Naer de middach de wint variabel van ’t N. tot het N.O., ’s nachts de wint meest N.N.O. met claer uytsicht; naemen in ’t voorste van de eerste wacht ons groot marsseyl in. De wint in de tweede wacht naer ’t N. loopende, begon styf door te coelen, soo dat wy voorts de rest van de nacht, verscheyden reysen ons voormarsseyl in ende uytgehaelt hebben, naer dien nadat het weder hem aen liet sien.

d 25.

’s Morgens de wint N. met styf topseyls coelte, setten ons schoverseyl ende groot marsseyl, blint ende voormarsseyl daer weder by, onse cours W., de wint[200] N.N.O., treckende naer het N.O.; vernaemen de stroom om de S. te gaen, deden ’s middachts onse cours om de W.N.W.. ’s Nachts de wint N.; hoorden veel gecrysch van pylstaerten.

e 26.

’s Morgens was de wint N.N.W. met een moy topseyls coelte, de see hol aenschietende uyt een N.O. ende O.N.O., ende was helder weder. Saegen ’s ochtents eenige walvisschen ende corts daernaer het lant in ’t W.N.W., ende was naer gissing het hooge lant van Gissima. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. 26 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 1 min., ende op de lengte van 161 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 36 gr. 8 min., soo dat het omtrent 10 mylen scheelde het lant, te weeten: de O. cust eer saegen als gegist hadden. Alsdoen lach de O. cust van Japan omtrent 12 mylen van ons; ’s avonts lach het hooge lant van Gissima 7 à 8 mylen van ons, ende was diep 70 vadem, swarte wasige santgront, leyden het met de steven t’ see, ende lieten het dryven, om ’s anderen daechts by de Santduynige hoeck soecken te comen; volgens resolutie getrocken op dato. In ’t voorste van de tweede wacht maeckten wy seyl, setten onse cours naer de wal toe, de eerste wacht diep 68 vadem, de tweede wacht diep 50 vadem, wasige gront, in de dachwacht diep 45 vadem, swarte santgront.

f 27.

’s Morgens saegen wy de Santduynige hoeck N.W. omtrent 5 mylen van ons, de wint N. met moy weder, seylden wat besuyden do. hoeck op de diepte van 13 vadem, soo dat de Santduynige hoeck N.O.t.N. 4 mylen van ons lach, alwaer omtrent 2 mylen van lant synde, ons 4 à 5 visschersbercken aen boort quaemen. Hadden veel visch, maer wilden geen vercoopen, ende hielden haer heel stuers, waerover wy[201] verwondert waeren, wilden geen van haer overcomen, ende syn weder cort wech van boort gevaeren; soo dat wy onse seylen schrap gehaelt hebben, deden onse cours eerst S. ende voorts S.S.W. langs den wal. ’s Avonts lach de hoeck van Bosho W.S.W. 7 mylen van ons, saegen de vijf Witte gepleckte hoeck benoorden de hoeck van Bosho in ’t W.t.N. van ons; saegen een heel hooge berch in ’t lant staen, recht op do. streeck over de vijf Witte gepleckte hoeck heen. Hadden de berch, doen wy in ’t heenseylen waeren, niet gesien; hadden de diepte van 20 vadem, wasige santgront. ’s Avonts deden wy onse cours S. tot dat de eerste wacht uyt was, doen S.S.W.; de wint N.O.t.N., ende was alsdoen diep 98 vadem, conden geen gront opcrygen.

g 28.

’s Morgens was ’t motrich weder, met een doorgaende N.O.t.N. wint, omtrent 3 ueren voor de middach saegen wy de twee Noorder eylanden, by ons genaempt, het Suydelycxste het Prinse ende het Noordelycxste het Barnevelts eylant, ende liggen meest N.N.W. van het Ongeluckich eylant af; waervan het Prinse eylant W. ende Barnevelts eylant W.N.W. van ons lach, synde doen ’s middachts. Giste in dit etmael geseylt te hebben S.t.W. 12 W. 2812 myl, waeren volgens dien, op de N. breete van 33 gr. 5612 min., ende op de lengte van 160 gr. 5 min., ende op de bevonden breete van 33 gr. 58 min.; als wanneer wy onse cours naer Barnevelts eylant naemen. Seylden tusschen het Barnevelts ende het Prinse eylant door; meenden ree te vinden onder het W. eynt van het Barnevelts eylant, maer conden daer geen gront bewerpen, alhoewel wy dicht by do. eylant langs seylden. Dit eylant soo genaempt om dat daer een berch op stont, dien gestaedich[202] roockte, ende op het laege lant het seer barnende ende roockte, vermoeden hetselve off branden van eenich lang gras ofte rif te syn. Als gy do. eylant N.O.t.O. 12 myl van u hebt, soo leyt het Prinse eylant S.O.t.S. 312 myl van u, ende siet in ’t W. 12 N. 1 myl van u veel hooge scherpe clippen boven water liggen, die haer opdoen als toorens; dan leyt oock noch een hooch eylant in ’t N.W.t.W. 5 mylen van u, ende in ’t N.N.W. eenige bergen, gelyckende eylanden, 6 mylen van u. Conden geen gront crygen, de wint N. synde, deden onse cours met een styve coelte S.t.O. met schoverseylen, tot 4 glaesen in de tweede wacht, geyden alsdoen de fock op, ende lieten het met de steven O.waert over liggen dryven; de wint doen N.N.O. met topseyls coelte, dreven om de S.W. met doncker, motrich weder.

a 29.

’s Morgens was ’t heel mistich weder met motregen, giste het Ongeluckich eylant S.S.W. van ons te liggen 5 mylen, sette onse cours S.S.W. aen. Omtrent 2 mylen do. cours geseylt hebbende, met een styve N.N.O. wint, saegen het Ongeluckich eylant, omtrent 3 mylen, op de streeck als vooren van ons; setten onse cours tusschen het Ongeluckich eylant, ende de Ronde holm door, quaemen op de middach onder de S.W. sy van ’t Ongeluckich eylant te ree op 47 vadem, grof sant met cleyne steenties vermengt, omtrent 23 myl van lant. Naer dat wy wat geset gelegen hadden, is een Japansche berck by het schip gecomen, alwaer wel 8 à 10 man in waeren; wilden niet aen boort comen, maer sy wuyfden dat wy aen lant souden comen, ende syn weder naer lant gevaeren. Waerover ick met de prauw geordonneert syn naer lant te vaeren, om te vernemen wat deze persoonen begeerden te hebben, ende om met[203] een te vernemen of wy hier geen volck ofte teycken van ’t jacht Breskens conden sien; maer van boort synde, conden de styve wint ende stroom, die om de N.W. liep, niet dootscheppen, mosten weder naer boort keeren. Doen wy hier geset laegen, lach de Ronde holm N.W.t.W. 12 W. 112 myl van ons.

b 30.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.N.O. ende N.O.t.N.; syn met twee prauwen naer lant gecommitteert, om eenige gelegentheyt van ’t jacht Breskens te vernemen, ofte eenige gelegentheyt van het eylant. Aen lant comende met een wit vaentien, deden soo veel met eenige cleynicheden wech te schencken, dat de Japanders, waervan dit eylant gepeupeleert ende bewoont was, ons een coebeest vercoften ende 11 hoenderen ende eenige orangieappelen ende miecanties(?) ende eenige aert- ende andere boomvruchten. Sy wilden geen Spaensche realen hebben, sneden daer met haer houwers in, ende seyden, dat silver was niet goet; maer waeren met een elle root laecken ende een slecht gestreept cleetien tevreden; sy vraechden verscheyden reysen naer schrift, dan ick hielt myn of ick het niet verstont. Ick by de Baniosis (Banioos) aen lant sittende, wilden myn in ’t lant hebben by haer overste, stonden wel 100 Japanders met houwers op haer sy rontom myn; hielt haer soo lang in discours, tot dat het beest ende het ander goet in de prauw was; voer doen stracx naer boort. Hier stonden verscheyden groote bercken op ’t lant, waeronder 2 groote lastbercken waeren; maer conden geen teycken van het jacht Breskens vernemen ofte sien. In ’t wechvaeren riepen de Baniosis, ick sou morgen wedercomen. Sy voerden 3 cleyne bercken van lant, dewelcke naer de [204] Ronde holm voeren; do. holm was oock bewoont, hier was geen rivier, als voeren in een gadt after eenige clippen, of ’t een haventie was. Hier waeren veel vrouwen ende kinderen op ’t lant, ende was overvloedich van ossen ende coebeesten; dan conden geen silver ofte gout vernemen, als aen haer heften ende plaeten van haer houwers. ’s Avonts is geresolveert, alsoo hiervoor ons niet sonders by de Japanders was te verrichten, dat wy t’seyl souden gaen ende onse reys naer Tayouan op ’t cortst soecken te vervorderen; syn met den doncker t’ seyl gegaen, deden vooreerst onse cours S.S.W. met een N.O. wint.

c 31.

’s Morgens de wint als vooren N.O., onse cours S.W.; alsdoen lach het Ongeluckich eylant N.N.O. 9 mylen, ende het Suyder eylant O.S.O. 4 à 5 mylen van ons. Is alsdoen geresolveert, om onse cours W.t.S. aen te stellen, recht naer de S.O. hoeck van Cikoko toe. ’s Middachts lach het Ongeluckich eylant N.O.t.N. 16 mylen van ons, ende het Suyder eyl. O. 8 mylen. ’s Nachts de wint N. met slappe topseyls coelte.

November.

d 1.

’s Morgens was ’t moy weder, de wint N., somtyts stillekens, ’s middachts liep de wint naer ’t S.W. ende W.S.W. met cleyn topseyls coelte, lieten het N.W.waert over staen; saegen veel steencroos dryven. ’s Nachts de wint S.O. met topseyls coelte, lieten het by de wint W.O.W. over staen.

e 2.

’s Morgens de wint S.W., cregen een styve slachregen, naemen beyde marsseyls in; wat op den dach wert het weer goet weder, setten beyde marsseyls weder by. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. 12 W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 32 gr. 3512 min., ende op de lengte van 156 gr. 46 min., ende op de bevonden[205] breete van 32 gr. 35 min.; saegen veel steencroos dryven, de wint treckende temet naer het N., wenden het W.waert over. Omtrent 5 glaesen naer de middach, saegen wy 2 cleyne hooge eylanden in het N.O.t.O. 12 mylen van ons; omtrent 4 ueren naer de middach, saegen do. eylanden N.O.t.O. van ons, ende conden die pas beoogen. Saegen oock in het N.W. ende N.W.t.W. de streckende cust van Kinokony wel 20 mylen van ons. ’s Nachts de wint N.N.O. met styve doorgaende coelte, de see hart uyt een N.N.W. stortende of het barning (branding) was, vermoeden ’t selve door harde stroom te comen.

f 3.

’s Morgens redelyck weder, de wint N.N.O. met styve passaets coelte, saegen veel raveling van stroom saegen oock een duycker; bevonden ’s middachts de stroom styf om de S. te gaen, deden onse cours W. aen, omtrent half naer middach cregen wy de wint N.O., ende trock temet naer het O.N.O. ’s Nachts in de tweede wacht cregen wy motregen, de wint O.N.O.

g 4.

’s Morgens hadden wy al een styve O.N.O. wint, met een donckere lucht ende holle see uyt een N.O., naemen ons groot marsseyl in; deden ’s middachts onse cours W.t.N. aen, om de cust van Cikoko te beseylen. ’s Avonts met sons-onderganck naemen wy de blint in ende geyden ons schoverseyl op, lieten het voormarsseyl neerloopen, ende lieten het soo met de fock voort staen, tot 2 glaesen in de eerste wacht; als wanneer wy door donckere lucht ende styve regen, ende schrickelycke blixem ons voormarsseyl innaemen ende de fock opgeyden. Lieten het soo met het schoverseyl byleggen met de steven om de S., de wint met styve buyen crygende uyt den O.; ten halven van de tweede wacht wenden wy het met de steven[206] om de N., vreesden anders te veer om de S. gedreven te worden, lieten het soo dryven.

a 5.

’s Morgens ongestaedich rou (ruw) weder, de wint met styve buyen uyt den O. met veel regen ende hol water; wat op den dach synde, maeckten seyl, deden onse cours W.t.N. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. 27 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 31 gr. 29 min., ende op de lengte van 149 gr. 40 min. Wat naer de middach de wint variabel met ongestaedich weder, geyden onse seylen op, tot half naemiddach, cregen doen de wint N., maeckten seyl, ende deden onse cours W. aen. Tegen den avont scheen het weder wat te bedaeren, reegen ons groot bonnet weder aen, met het opsetten van de wacht smeten wy het by met de steven om de O., sonder voorseyl, ende lieten het dryven tot 3 glaesen in de tweede wacht, dat wy redelyck claer weder cregen, de wint N.N.W. Lieten onse fock vallen, ende lieten het met schoverseyl W.waert over staen, dan de wint liep cort variabel, dan S.W., W., N., doch syn plaets in ’t W. nemende, lieten het S.waert over staen.

b 6.

’s Morgens de wint W. met tamelyck weder, setten de marsseyls by, ende wenden het N.waert over, saegen wat op den dach de streckende cust van Cikoko, ende was heel hooch geberchte, dat W.waert heenstreckte. Voor de middach de wint variabel met stilte, soo dat wy sint (sedert) dat wy het lant gesien hebben, niet vertiert en waeren tot ’s middachts. Giste soo geseylt als gedreven te hebben in dit etmael N. 1 myl, waeren volgens dien, op de breete van 31 gr. 33 min., ende op de lengte van 149 gr. 40 min., ende op de bevonden breete van 31 gr. 33 min. Alsdoen lach de S.O. hoeck van Cikoko[207] W. 13 mylen van ons, do. caep lach wel 25 m. in de Companys caert te Suydelyk gecaerteert. Nae de middach een variabel coeltie uyt den W., dan meest stil. ’s Avonts lach de S.O. hoeck van Cikoko W.t.N. 12 à 13 mylen van ons, waeren 212 myl met de stroom in de naemiddach om de S. gedreven. ’s Nachts variable winden met donder ende blixem.

c 7.

’s Morgens de wint W. met topseyls coelte, lieten het S.waert over staen; giste ’s middachts soo geseylt als gedreven te hebben S.S.W. 12 W. 3 mylen, soude volgens dien op de breete wesen van 31 gr. 2212 min., maer bevont de breete van 31 gr. 52 min.; soo dat ons de stroom wel soo O. als N. heeft gedreven by de 8 mylen veerder als gegist hadden, soo dat volgens dien, maer N.t.W. 5 mylen hadden behouden; wenden ’t ’s middachts N.waert over. Omtrent half naer middach saegen wy lant in ’t N. van ons, ende was het S.W. eynt van Tokoesy. ’s Avonts naer sons-onderganck saegen wy lant van ’t N.O. tot in ’t N.W.; het lant presumeerde ick de O. cust van Cikoko te wesen, ende dat in ’t N.O. lach Tokoesy; waeren in een triangel daer wel 14 à 15 mylen af, ende is heel hooch lant; omtrent een uer naer sons-onderganck wenden wy ’t om de S. ’s Nachts in de tweede wacht doen er 4 glaesen uyt waeren, cregen wy de wint uyt den N., deden onse cours W.waert over, om onder de O. cust van Cikoko soecken te comen, alsoo vermoede dat daer sulcke styve stroom om de N. niet soude ofte mocht gaen. ’s Nachts heb ick de N. breete gehadt aen de Noortwachter van 31 gr. 54 min.; soodat de stroom noch al om de N. continueerde.

d 8.

’s Morgens de wint N., alsdoen peylde ick de S.W. hoeck van Tokoesy N.N.O. 11 à 12 mylen van ons,[208] saegen de streckende cust van Cikoko tot in het W.t.S., ende voorts tot in ’t N., ende Tokoesy’s cust tot in ’t N.O. De wint allengskens omloopende naer het N.O., ende voorts naer het O. met slappe topseyls coelte; tegen den middach cregen wy motrich weder. Souden van dit etmael soo geseylt als gedreven hebben 11 mylen W. 12 N., maer bevonden aen de rigting van ’t lant, dat wy niet meer als 2 mylen W.N.W. behouden hadden, soo dat ons de stroom omtrent 9 mylen spatie heeft tegengehouden, ende om de N.O. geset heeft. Alsdoen lach Tokoesy N.N.O. 12 mylen van ons, naer de middach was ’t regenachtich weder, deden ’s middachts onse cours N.t.O. tot ’s avonts, cregen doen een O. coelte, doen onse cours W.S.W. aengestelt. Met het opsetten van de wacht naemen wy de blint in, ende geyden het schoverseyl op, al met regenachtich weder. Cregen 4 glaesen in de eerste wacht de wint uyt een N.N.O. met heel styve coelte, lieten de marsseyls neerloopen, vervolchden onse cours, naemen ons groot marsseyl in de tweede wacht in, doen er een glas uyt was; lieten het soo voort staen met cleyn seyl; in ’t laeste glas van de tweede wacht, geyden alsdoen de fock op, leyden het om de N.W. met de besaen, ende lieten het soo liggen dryven. Een glas in de dachwacht uyt synde, werden het lant gewaer, waeren daer geen 12 myl af, ende lach in ’t N.W. van ons, ende was het eylantie Tenera, alwaer een vuyl rif afstreckte; wy lieten onse fock vallen ende heesen ons voormarsseyl op, ende lieten het cort voor wint omdraeyen S.waert, ende sette onse bagboorthalsen toe. De wint in ’t N.N.O. loopende, mochte O. weder van de wal afseylen, de wint voorts in ’t N. loopende, seylden O.N.O. In ’t[209] voor wint omdraeyen worp ick gront op 22 vadem, singel, ende de ander worp 15 vadem, vuyle clippige gront, ende voorts in ’t afseylen diep worp op worp als volcht, 17, 20, 18, 13, 8, 10, 13, 14, 16, 18, 20, 22, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 34, 35, 36, 37, 40, 43 vadem, al vile (vuyle) gront.

e 9.

’s Morgens was ’t goet weder, de wint N. met styve topseyls coelte, waeren doen het licht was, 3 mylen van lant, op de diepte van 45 vadem, wasige santgront, ende corts daernaer 50 vadem, santgront als vooren. De cust van Cikoko streckte hier N.N.O. ende S.S.W.; saegen in ’t N. tot in ’t N.O. het lant, ende in ’t S.W., de S.O. hoeck van Cikoko 5 mylen van ons; deden onse cours al S.S.W. langs de wal, tot dat de S.O. hoeck van Cikoko S.W.t.W. van ons lach, deden doen onse cours S.W. aen. ’s Middachts giste wy geseylt te hebben ende gedreven W.S.W. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 31 gr. 31 min., ende op de lengte van 148 gr. 19 min.. Alsdoen lach deselfde hoeck, dien wy op den 6de do. in ’t Westen van ons gepeylt hadden, W.t.S. 12 S. 4 mylen van ons, ende most wel naer de distantie die wy gegist hadden, volgens geseylde coursen wel N.O.t.N. 6 mylen van ons gelegen hebben. Soo dat wy op de waere breete van 31 gr. 3712 min. waeren, ende soo de waere cours behouden hebben S.W.t.W. 8 mylen; soo dat ons de stroom verleden nacht merckelyck tegen geweest heeft, gelyck op den 8ste do. oock bevonden hebben, als oock op den 7de do.; soo dat hier femente (sterke) stroomen loopen, waerdoor de see altemet soo ontstelt is, dat het als het styf waeyt ende de wint tegen de steven is, vreeselyck om aen te sien is de[210] groote stortinge. Saegen alsdoen een seyl in ’t O.N.O. van ons, alwaer wy naer toe gewent hebben, daerby comende bevonden ’t selve het jacht Breskens te syn, dat op den 20ste Mey, ’s nachts van ons geraeckt was, onder het Ongeluckich eylant, waerover wy seer verblyt waeren. Hebben hem verprayt (gepraaid), hebben ons toegeroepen, als dat Schipper Schaep met den Ondercoopman Bylevelt, met 2 jongens ende 6 matroosen in Japan gevangen waeren, op de breete van 3912 gr.. Alsoo wy niet terdege bescheyt conden hooren met toeroepen, syn ick met de prauw daer aen boort gestiert, om met een te sien, hoe het in ’t jacht al gestelt was met haer volck. Daer aen boort comende, vonden den Opperstuerman heel dick aen het water te syn, ende het meeste volck ongesont; soo is den Onderstierman met myn naer ons boort gevaeren, om volle rapport te doen van haer wedervaeren. Heeft gerapporteert als dat sy 18 dooden hadden gecregen, in ’t doen van de O. streeck; ende dat sy 500 mylen beoosten de O. cust van Japan geweest waeren. Dat sy in een haven van Japan geweest hadden, alwaer sy meenden te ververschen; maer alsoo haer schuyt met haer Schipper ende het voorgemelde volck der gevangen genomen waeren, waeren met het jacht doorgegaen. Sy hadden hier aen het Ongeluckich eylant geweest, om naer ons te vernemen, waeren daer daechts daeraen gecomen, soo wy ’s avonts daer van daen t’seyl gegaen waeren, alwaer sy veel orangie-appelen gecregen hadden voor eenige coopmanschap. Alsoo dit jacht swack van volck was, is onse Schipper met 3 cloeke maets daerop overgegaen; dreven die aftermiddach by malcanderen in stilte, somtyts een cleyn N. coeltie, de stroom[211] die dreef ons om de S.O.. Saegen een hooge hoeck in ’t S.W.t.W. van ons, deden onse cours S.W. aen. Dien nacht een styve coelte uyt een N.W.; doen de eerste wacht uyt was, hadden wy aen de Noortster, de breete van 31 gr. 20 min.

f 10.

’s Morgens moy weder, de wint N.W., onse cours ten naestenby om de W.S.W., alsdoen lach de S.O. hoeck van Cikoko N. 12 W. 312 myl van ons. Giste ’s middachts geseylt te hebben 8 mylen S.W. aen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 31 gr. 1412 min., ende op de lengte van 148 gr. 29 min., ende op de bevonden breete van 31 gr. 12 min. Doen lach de S.O. hoeck van Cikoko N.N.O. 5 mylen van ons, de W. hoeck van een groote inbocht, lach N.t.W. 12 N. 312 myl van ons; hadden doen een laech eylant, synde omtrent 2 mylen lang, S.S.W. 12 W. 7 mylen van ons. Setten de prauw uyt, al waermee den Commandeur naer ’t jacht Breskens is gevaeren, ende heeft de raet aldaer vergaedert, omdat den Opperstuerman van do. jacht niet aen ons boort conde comen, ende is alsdoen geresolveert, als dat Schipper Pieter[36] op do. jacht tot Tayouan met den Ondercoopman souden blyven. Dreven somtyts in stilte, somtyts een coeltie comende uyt een N.O. met slecht water; hadden hier gront op 60 vadem, wit santgront, half aftermiddach 55 vadem, gront als vooren; lieten het W.waert voort staen, alsoo de cust hier meest O. ende W. streckte. ’s Avonts lach de S. hoeck van Cikoko W. 12 S. 5 à 6 mylen van ons, van do. hoeck strecken 3 berchies af, al of ’t eylanties waeren, waerdoor seer[212] kenbaer is; saegen oock in ’t W.S.W. een heel hoog Brandent eylant 11 à 12 mylen van ons, saegen oock het groote eylant Tanaxima, in ’t S.W.t.S. van ons 8 à 10 mylen; het laege eylant lach in ’t S.t.W. 12 W. 4 mylen van ons, saegen noch heel hooch lant in S.S.W. 15 à 16 mylen van ons; was doen diep 50 vadem, santgront, lieten het W.t.S. aengaen met een cleyn coeltie uyt een N.O. Hebben onse compassen op 4 gr. N.Oostering geleyt. Dese doorganck tusschen Tanaxima ende Cikoko, is by den raet ende den Commandeur, de naem gegeven van de straet Diemen. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde, worpen gront op 48 vadem, voorts die heele wacht geen gront.

g 11.

’s Morgens was de wint O. met topseyls coelte, giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 31 gr., ende op de lengte van 147 gr. 49 min., ende op de bevonden breete van 31 gr.. Alsdoen lach het Brandent eylant S.S.O. 4 mylen van ons, saegen noch een hooch geheuvelt eylant, in ’t S.O.t.S. 6 mylen van ons; noch een eylant dat oock heel hooch was, S. 12 W. 7 à 8 mylen van ons; ende noch een eylant in ’t S.W.t.W. 3 mylen. Een heel hooge gehackelde berch, staende op de S. cust van Cikoko, lach O.N.O. 3 mylen van ons; hadden doen oock de hoeck van Sadsuma N. 12 W. 8 à 9 mylen van ons, saegen noch lant tot in ’t O. 12 S. van ons. Deden onse cours W.t.N. aen, omtrent half naermiddach saegen in ’t W. Oengy, ende corts daernaer Sackacka in ’t W.t.S. van ons, ende doet hem op gelyck het eylant Meaxuma. ’s Avonts met sons-onderganck lach het Brandent eylant S.O. 8 mylen, ende de hoeck[213] van Sadsuma N.O.t.O. 10 mylen van ons, ende het eylant Sackacka W.S.W. 8 mylen, ende het eylant Oengy W.N.W. 12 N. 7 mylen van ons; vervolchden onse cours W.t.N. ’s Nachts de wint N., 4 glaesen in de tweede wacht uyt synde, lach het eylant Sackacka S. ende het eylant Oengy N.t.O. 12 O. van ons; deden onse cours tusschen de twee eylanden door, W. aen.

a 12.

’s Morgens de wint N.N.W., deden onse cours by de wint W.waert over, alsdoen lach het eylant Sackacka O.S.O. 4 mylen van ons, ende het eylant Oengy N.O.t.N. 5 mylen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W. 20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 31 gr., ende op de lengte van 145 gr. 46 min., ende op de bevonden breete van 30 gr. 47 min., soo dat de stroom hier om de S. liep; conden het eylant Sackacka, noch uyt de mars, in ’t O. 9 à 10 mylen van ons, sien, ende het eylant Oengy N.O.t.N. 12 à 13 mylen; doende onse cours W.S.W. aen. ’s Nachts tamelyck weder, de wint N.N.W. met cleyn topseyls coelte.

b 13.

’s Morgens was ’t moy weder met slecht water, de wint als vooren; hebben alsdoen een nieuw touw van ’t jacht Breskens overgecregen. Cregen omtrent 3 ueren naer de middach gront op 80 vadem, ende was swart wasich sant met schulpies vermengt. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.S.W. 23 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 30 gr. 12 m., ende op de lengte van 144 gr. 8 min., ende op de bevonden breete van 29 gr. 57 min., was alsdoen diep 75 vadem, gront als vooren; de wint N.N.O. ’s Avonts diep 64 vadem, bevonden noch al de stroom om de S. te loopen, de eerste wacht uyt synde, was diep 54 vadem, gront als vooren.

[214]c 14.

’s Morgens met den dach diep 53 vadem, wasige gront, de wint N.N.O. met doorgaend topseyls coelte. Giste behouden te hebben S.W.t.W. 28 mylen, was alsdoen diep 50 vadem, gront als vooren; wy vervolchden onse cours W.S.W., de wint N.N.O. tot ’s avonts. Meenden de cust van China in ’t gesicht gecregen te hebben, maer saegen geen lant; hadden van ’s middachts geseylt S.W.t.W. 11 mylen, was doen diep 46 vadem, steckgront; doen er 4 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, was het diep 38 vadem, wasige gront, deden doen onse cours S.W.; do. wacht uyt synde, diep 40 vadem, half in de tweede wacht diep 45 vadem, de wint doen N.O. met styve doorgaende coelte, bleven by de S.W. cours.

d 15.

’s Morgens met het lemieren (aanbreken) van den dach, bevonden de breete van 27 gr. 37 min. aen de Noortster, ende was alsdoen diep 40 vadem, steckgront, de wint N.O. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.W. 38 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 27 gr. 8 min., ende op de lengte van 140 gr. 20 min., ende de bevonden breete van 26 gr. 56 min., ende was doen 60 vadem diep; deden onse cours W.S.W. aen, om de ondiepte van de cust van China te crygen, om terdegen verseeckert te syn om over te steecken naer Formosa. ’s Aftermiddachts cregen wy de wint N., doen tot ’s avonts geseylt 1012 myl W.S.W., was doen diep 55 vadem, steckgront, noch 5 mylen W.S.W. geseylt, was doen diep 53 vadem, steckgront, de wint doen weder N.O. In de tweede wacht geseylt 112 myl W., hadden doen de diepte van 46 vadem, steckgront, lieten het doen dryven, dreven W.t.N. heen, omtrent 112 myl, was doen weder 50 vadem diep, steckgront.

[215]e 16.

’s Morgens de wint O.N.O. met styve N. mousons coelte ende deysich weder, doen noch W. 3 mylen geseylt, was alsdoen diep 40 vadem, steckgront; nae het schaften van de vroe cost geseylt W. 7 mylen, was doen diep 38 vadem, steckgront. Giste ’s middachts door malcander geseylt te hebben W.t.S. 31 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 26 gr. 32 min., ende op de lengte van 138 gr. 5 min.; deden doen onse cours S. aen, met een N.O. wint. Giste tot ’s avonts geseylt te hebben S. 11 mylen, was doen diep 40 vadem, steckgront, noch S. onse cours vervolcht 4 mylen, was noch 40 vadem; saegen doen een groot vuer op Formosa in ’t O.S.O. van ons, ’t welck wel 6 à 7 mylen van ons was. Smeten het by met een seyl, met de steven om de N.W., dreven W.t.S. 1 myl, bleef een diepte; voorts in de hondewacht gedreven W.t.S. 212 myl, was doen diep 45 vadem, steckgront, in de dachwacht noch W.t.S. gedreven 1 myl, was doen diep 40 vadem, santgront.

f 17.

’s Morgens was ’t een heel styve N. mousons wint, met heel deysich weder ende hol water, de wint N.O., dreven noch S.W. 112 myl, diep 40 vadem, wasige santgront. Saegen ’s morgens de berch van Tamsioy op Formosa in ’t O. van ons, maeckten seyl, stelden onse cours S. aen, 112 myl. Ende alsoo wy saegen, dat het jacht Breskens niet volchde, hebben het bygesmeten ende hem ingewacht, doch alsoo wy hem saegen aencomen seylen, sloegen weder voor. Van cocx schaften tot ’s middachts geseylt, nae gissing S.t.O. 3 mylen, alsdoen hadden wy naer gissing door malcander behouden S.t.W. 14 W. 20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 25 gr.[216] 14 min., ende op de lengte van 137 gr. 43 min., alsdoen lach de Leguaens hoeck S.O.t.O. 4 mylen van ons, soo dat ons de stroom styf om de S.S.W. geset had. Doen het jacht by ons was, deden wy onse cours S.W.t.S. aen, ende voorts langs de wal op de diepte van 20, 16, 18, 15, 14, 10, 13, 8, 7, 9, 10, 11, 12 vadem. ’s Avonts passeerden wy de hoeck van Bisselyo, ende in de eerste wacht passeerden wy het Visschers riff, liepen al treckende langs de wal; ende soo wy vernaemen dat de vloet ginck ende ons op de wal sette, gierden wat van de wal af, tot dat wy in de diepe kuyl van Wanckang quaemen, ende de diepte van 50 vadem bequaemen, wasige gront. Lieten het doen dryven, met de steven om de W., dreven S.W. heen, diepte temet af tot tegen den dach dat 65 vadem, wasige gront, diep was, ende worpen weder, cregen op do. diepte grof sant, singel ende craelties aen het loot op, waerdoor vermoeden omtrent de Pescadores eyl. te syn; hielen voor wint om, ende leyden het met de steven om de O.

g 18.

’s Morgens metten dach, saegen wy de Swarte clippen in ’t W. van ons 2 mylen, bleven soo lang liggen, tot dat het jacht con sien, dat wy seyl maeckten, alsoo het heel deysig weder was, ende was doen diep 70 vadem, grof santgront met crael vermengt. Doen wy het jacht terdege sien conden, stelden onse cours S.O. 12 S. aen, met een styve doorgaende N.O. wint, saegen omtrent 3 ueren voor de middach de ronduyt (redoute) van Wanckang in ’t O. van ons. Deden onse cours S. aen naer het Noorder rif van Tayouan, alwaer omtrent de middach quaemen, daarbij omloopende, op de dieptens van 8, 10, 7, 6, 5,[217] 414 vadem, comende wat naer de middach op de Noorder-ree; cregen de loots aen boort, ende syn beneffens het schip de Waterhont, die op de 17de, do. uyt Japan hier te ree gecommen was, naer binnen geseylt. Quaemen binnen ten ancker op 10 vadem, waervoor wy niet genoech de goede Almachtige Godt connen looven ende dancken, dat Hy ons van dese gedaene peryckeleuse reys soo genaedelyck bewaert ende hier binnen Tayouan behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen.
Wy vonden binnen liggen de fluyten de Oranienboom ende Meerman ende het jacht Lillo. Buyten op de Noorder-ree lach het schip de Swaen.


[14] Opkomende harde wind. Witsen.

[15] Stormachtig. Witsen.

[16] Afnemende wind. Witsen.

[17] Een touw om de zeilen toe te halen. Witsen. Een gording.

[18] Kegel- en steenachtige grond. Witsen.

[19] Mede een eiland op de Noordkust van Java.

[20] Inham of Zeeboezem. Witsen.

[21] Een zekere drank in Japan.

[22] Bl. 113 is Canij: Zilver.

[23] Barsch uiterlijk voorkomen?

[24] Mogelijk tambaga, koper.

[25] Bijdraaijen.

[26] Schralen. Witsen.

[27] Opwaarts aan?

[28] Op bl. 86 Goutsiaer.

[29] Een tobbe of back. Witsen.

[30] Een kort dik ent touws daar men de schepelingen mede kastijdt. Witsen. Tegenwoordig Handdagen.

[31] Een seyl ’t geen aen de onderzeylen vast is, ’t welck af en aen geregen kan worden. Witsen.

[32] Opgearmde fock wordt gezegt, wanneer die op een sonderlycke wyse ter wintfanck staet, als men voor wint seylt. Witsen.

[33] Ongemaniert in see leggen, zeer schudden en bewegen. Dezelfde.

[34] Een seyl ’t geen aen de onderzeylen vast is, ’t welck af en aen geregen kan worden. Dezelfde.

[35] Deze visch was zeven voet breed en vyf voet lang. Onuitgegeven Journaal van den Commandeur Mathys Hendricksz. Quast 1639.

[36] Pieter Willemsz. Knechtjes, Schipper van de Castricum.


[218-
219]

JOURNAEL VAN DE MAENT APRIL, IN ’T CORT BEREECKENT VOLGENS ONSE SEYLAGIE, BEGINNENDE 145 GR. 30 MIN. BEOOSTEN DE MERIDIAEN VAN TENERIFFA ENDE VAN DE BREETE VAN 0 GR. 54 MIN. BENOORDEN DE LINIA EQUINOCTIAEL, DOOR CORNELISZ JANSZ. COEN, OPPERSTIERMAN, ANNO 1643.

DA-
GEN.
DA-
TUM.
COURSEN. MY-
LEN.
GEGISTE BREETE. LENGTE. BEVON-
DEN BREETE.
MIS-
WYSING.
WINDEN. EENIGE BEVINDINGEN.
NA-
MEN.
      GR. MIN. GR. MIN. GR. MIN. GR. MIN.    
APRIL.             N.Oos-
tering.
   
c 4 0 0   145 30   0 54 0 0 Suydelyck. Gaen ’s avonts t’seyl van voor Maleye.
d 5 N. 12 O. 4 12 1 12   145 33 12 0 0 0 0 Variabel. Ternaten 4 à 5 mylen S. 14 W. van ons.
e 6 N.t.W. 2 12 1 22   145 31 12 1 22 0 0 N.W.t.W. Ternaten 7 mylen S. van ons.
f 7 N.W. 4   1 33   145 20 12 1 34 4 0 Noordelyck. Ternaten S.t.O. 12 O. 10 mylen van ons, waeren 5 mylen buyten ’t lant.
g 8 N.O. 3   1 42   145 28 12 1 44 4 0 Variabel. De eyl. Tongy-Songy O. 12 N. 4 mylen van ons.
a 9 N.N.W. 1   1 48   145 27 12 1 48 4 0 Variabel. De eyl. Tongy-Songy O. 14 N. 4 mylen van ons.
b 10 O.t.N. 1 12 1 49 12 145 33 12 0 0 0 0 Noordelyck. De eyl. Tongy-Songy O.t.S. 3 mylen van ons.
c 11 N.N.O. 5   2 8 12 145 40 12 2 7 4 0 Noordelyck. Het N. eyndt van het eyl. Doy N.O. 12 N. 5 myl van ons.
d 12 O.t.N. 2   2 9   145 48 12 2 7 4 0 N.O.t.O. Het eyl. Doy 3 mylen van ons, op de streeck als vooren.
e 13 W.t.N 12 N. 4   2 11 12 145 33   2 12 4 0 Variabel. Het eyl. Tuancara O.N.O. 6 à 7 mylen van ons.
f 14 N.O.t.O. 5   2 23   145 50   2 22 4 0 Westelyck. Het eyl. Tuancara O.t.S. 14 S. 3 mylen van ons.
g 15 N.t.W. 7   2 49   145 44   2 49 4 0 O.t.N Hebben onse compassen op 4 gr. N. Oostering geleyt.
a 16 N.W.t.N. 14   3 36   145 13   4 6 0 0 Variabel. Het eylant Talao W.t.N. 9 mylen van ons.
b 17 N.N.O. 12 O. 10   4 41   145 31 12 5 13 0 0 Oostelyck. Bevonden styve stroom om de Noort.
c 18 Noorden. 12   6 1   145 31 12 0 0 4 14 Oostelyck. Doen getalyt ende gestaecht.
d 19 Oost. 16   6 1   146 35 12 6 30 0 0 Noordelyck. De stroom styf om de Noort loopende.
e 20 N.t.O. 12 O. 14   7 23 12 146 51 12 7 40 4 0 Oostelyck. De stroom styf om de Noort loopende.
f 21 Noorden. 15   8 40   146 51 12 0 0 0 0 O.t.N. Doen onse boodt ingeset.
g 22 N.t.W. 16   9 43   146 38 12 9 40 4 40 O.t.N. Saegen croos ende een lant vogel.
a 23 Noorden. 18   10 52   146 38 12 0 0 4 20 O.t.N. Topseyls coelte met een grauwe lucht.
b 24 Noorden. 18   12 4   146 38 12 12 8 4 39 O.t.N. Bevonden de stroom gedaen te hebben.
c 25 Noorden. 17   13 16   146 38 12 0 0 0 0 O.t.N. Gemeen topseyls coelte.
d 26 N. 12 O. 12 12 14 6   146 43 12 14 12 4 15 Variabel. De eyl. Spiritus Santa 38 à 40 mylen S.W.t.W. van ons.
e 27 N.O.t.O. 22   15 1   147 59 12 15 9 4 43 Variabel. Met styff topseyls coelte ende moy weder.
f 28 N.O. 22   16 11   149 3 12 16 16 0 0 S.O.t.S. Met gemeen topseyls coelte ende een heldere lucht.
g 29 N.O. 12   16 50   149 38 12 16 50 0 0 Variabel. Veel stilte.
a 30 N.O. 7   17 10   149 59 12 17 23 0 0 Variabel. Met styve doorgaende coelte.
MAY.                
b 1 N.t.W. 12 W. 18   18 31   149 37 12 0 0 0 0 Oostelyck. Met topseyls coelte ende veel regen, saegen meeuwen.
c 2 N.N.O. 9   19 4   149 51 12 18 57 5 16 Variabel. Met stilte ende veel regen, saegen een swaluw vliegen.
d 3 N. 12 O. 5   19 17   149 54 12 19 17 0 0 Oostelyck. Met motregen, saegen meeuwen vliegen.
e 4 N. 12 W. 20   20 37   149 46 12 20 39 5 27 Oostelyck. Met topseyls coelte met holle deyninge uyt een N.O. en O.
f 5 N. 12 W. 20   21 59   149 38 12 22 0 5 15 O.t.N. Met topseyls coelte en hol water uyt een N.O.
g 6 N.t.O. 14 O. 18   23 10   149 57 12 23 10 5 15 O.t.S. Saegen een lantvogeltie ende veel meeuwen vliegen.
a 7 N.O. 19   24 4   150 56 12 24 6 4 50 S.O.t.O. Saegen veel troppen meeuwen vliegen, ende croos ende quallen dryven.
b 8 O.N.O 15   24 29   151 57 12 24 43 5 0 Suydelyck. Breskens eylant W. 6 mylen van ons.
c 9 O.t.S. 13 12 24 32 12 152 55 12 24 36 0 0 N.O. Saegen swarte meeuwen met scherpe staerten.
d 10 O.S.O. 12 S. 15   24 8   153 53 12 24 5 5 30 N.O.t.N. Saegen veel meeuwen vliegen.
e 11 Noorden. 14   25 1   153 53 12 0 0 5 45 O.t.N. Deyninge hol uyt een N.O. Saegen veel meeuwen.
f 12 N.O. 12   25 35   154 31 12 25 13 5 58 S.O.t.S. De deyninge uyt een O.S.O. Saegen veel meeuwen.
g[220-
221]
13 O.N.O. 30   25 59   156 34 12 25 58 6 31 Suydelyck. Met regen, hebben een swaluw om het schip sien vliegen.
a 14 O.t.N. 15   26 10   157 41 12 0 0 0 0 Variabel. Saegen veel meeuwen ende een cleyn lantvogeltie.
b 15 Noorden. 20   27 30   157 41 12 0 0 0 0 Variabel. Saegen veel meeuwen vliegen en veel steencroos dryven.
c 16 N.W. 12 W. 14   28 5 12 156 52 12 28 2 6 45 N.O.t.N. Slap topseyls coelte, holle deyninge uyt een O.N.O.
d 17 N.N.W. 16   29 1   156 24 12 29 3 6 41 N.O.t.O. Saegen veel meeuwen ende een witte peylstaert vliegen.
e 18 N.N.O. 28   30 46   157 13 12 30 54 6 23 O.S.O. Met topseyls coelte, saegen een groot bos croos dryven.
f 19 N.N.O. 30   32 45   158 7 12 0 0 0 0 Variabel. Een styve doorgaende coelte met regen, quaemen
    N.O. 13   33 22   158 52   0 0 0 0 S.S.W. ten ancker onder het Ongeluckich eylant.
g 20 N.O.t.O. 6   33 35   159 16   33 34 0 0 Westelyck. Doen lach het Ongeluckich eyland S.W.t.W. vijf mylen van ons.
a 21 N. 12 O. 20   34 53   159 25   0 0 6 54 S.W. en W.S.W. Saegen de S.O. hoeck van Japan.
b 22 N.t.O. 9 12 35 30   159 34   35 30 7 0 Variabel. Doen lach de S.O. hoeck van Japan, anders genaemt Bosho S.W. 12 S. 5 mylen van ons.
    S.W. 12 S. 5   35 14 12 159 18   0 0 7 0 Stillekens.  
c 23 N.O. 10   35 58   160 8   36 0 7 49 S.t.O. S.O. O.S.O.  
    West. 4   36 0   159 48   36 0 0 0 S.O. De Sandtduynige hoeck doen W. 4 mylen van ons.
d 24 N.t.W. 16 N. 16 12 37 5   159 55   37 5 0 0 Suydelyck. Doen lach de Steyle witte hoeck van Gissima W. 12 S. 3 mylen van ons.
e 25 N.N.O. 9   37 38   160 12   37 38 0 0 Suydelyck. Waeren 4 mylen buyten de Oostcust van Japan.
f 26 S.O.t.S. 5 12 37 19 12 160 28   37 20 7 0 Variabel. Doen lach de Caep de Kennis W. 12 S. 7 mylen van ons.
g 27 N.W.t.N. 9   37 50   160 3   37 50 0 0 Suydelyck. Waeren 2 mylen buyten de Oostcust van Japan, diep 19 à 20 vadem.
a 28 Oost. 5   37 50   160 28   0 0 0 0 Variabel. Waeren 7 mylen buyten de Oostcust van Japan, diep 70 vadem.
b 29 N.W. 3 34 38 1   160 14   0 0 0 0 Variabel. Waeren 4 mylen buyten de Oostcust van Japan.
c 30 Oost. 4   38 1   160 34   37 40 7 0 Variabel. Waeren 7 à 8 mylen van lant, diep 100 vadem, singelgrondt, bevonden stroom om de S.
d 31 Noorden. 5 12 38 2   160 34   38 0 0 0 S.Westelyck. Doen lach het eyl. Toy N.N.W. 8 mylen van ons.
JUNYUS.                
e 1 Noorden. 6   38 24   160 34   0 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach het eyland Toy N.W. 12 W. 2 à 3 mylen van ons, hadden doen de diepte van 80 vadem, wasige gront.
f 2 N.t.W 23 W. 1 12 38 30   160 31   38 29 0 0 Suydelyck. Als doen lach het S. eynt van Toy W. 3 à 4 mylen van ons.
g 3 N.N.O. 16   39 28   161 2   0 0 0 0 Suydelyck. Als doen lach de Caep Goeré N.t.W. 4 myl van ons.
a 4 N.t.W. 14   40 23   160 48   0 0 0 0 Suydelyck. Giste de Noordelycke hoeck van Japan, als doen S.W.t.W. 4 mylen van ons, hadden de diepte van 75 vadem, santgront, dan conden door de mist geen lant sien.
b 5 N.N.O. 3 12 40 36   160 55   0 0 0 0 Variabel. Waeren als doen gront af, saegen veel seehonden ende drift.
c 6 O.t.N. 12 N. 8   40 45   161 34   0 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach Caep de Goeré naar gissing S.W.t.S. 12 S. 17 mylen van ons, saegen veel seehonden ende drift.
d 7 N.N.O. 11   41 26   162 1   41 24     Als doen lach de S.O. hoeck van Eso, N. 9 à 10 mylen van ons, ende was een steyle hooge hoeck.
    Noorden. 10   42 4   162 1   0 0 8 0 Westelyck.  
e[222-
223]
8 N.O. 12 N. 5   42 19 12 162 18   0 0 7 52 Westelyck en Suydelyck. Als doen lach de S.O. hoeck van Eso S.W. 12 S. 5 mylen van ons, ende hadden de diepte van 58 vadem, wasige gront, waeren 3 myl buyten lant.
f 9 N.O.t.N. 12   42 44   162 30   0 0 0 0 Variabel. Als doen lach de S.O. hoeck van Eso S.W. 12 S. 12 mylen van ons, ende laegen geset voor een plaets genaempt Tacapsy, op de diepte van 15 vadem, singelgront.
g 10 O.S.O. 10   42 29   163 19   42 37 9 0 S.W.t.W. Doen was ’t diep 100 vadem, wasige gront.
a 11 Noorden. 9   43 13   163 19   43 10 9 7 Variabel. Waeren als doen 212 myl van lant, op de diepte van 27 vadem, swarte santgront.
b 12 N.O.t.O. 14 O. 9   43 28   164 0   0 0 9 45 S.O.t.S. Quaemen alhier ten ancker op 23 vadem, santgront, het Barbaren eyl. lach N.O. 34 N. 1 myl van ons ende Caep Manshooft W.t.N. 3 mijl.
c 13     S.S.O. Syn weder t’seyl gegaen.
d 14 O.t.S. 4   43 25   164 21   43 25 0 0 W.S.W. Als doen lach het Barbaren eyl. N.W.t.W. 4 myl van ons, ende de Hooge berch met de keep in ’t N.W.t.N. wel 20 mylen.
e 15 N.O. 12 O. 15 12 44 4   165 27   44 3 0 0 N.W. Als doen lach de Caep Canael in ’t W.t.S. 4 myl van ons, saegen in ’t N. de Boeren schuer.
f 16 N.O. 12 O. 11   44 30 12 166 14   0 0 0 0 S.t.W. Saegen veel lange ende corte steencroos dryven.
g 17 N.N.O. 12 O. 12 12 45 14 12 166 47   0 0 0 0 O.N.O. Waeren een myl van lant, hadden geen gront.
a 18 O.N.O. 11   45 31 14 167 45   0 0 0 0 S.W. Was een slappe coelte ende heel mistich.
b 19 O.N.O. 6 12 45 41 14 168 19   0 0 0 0 S.W. Saegen met een blinck lant in ’t W. ende W.N.W. ende in ’t N., ende stracx was ’t weder bedeckt van mist.
c 20 N.t.W. 13 W. 6 12 46 6 14 168 9   46 7 10 40 Variabel. Laegen ten ancker onder het Companys Lant.
d 21 Variabel. S.W. Hebben water gehaelt ende hebben het lant om de N.O. besichticht.
e 22 S.W. en S.S.W. Hebben water gehaelt ende hebben het lant om de S.S.W. besichticht ende een mijn ontdeckt.
f 23 S.W. en S.S.W. Hebben water gehaelt ende mynerael, ende het lant in possessy genomen, ende het den naem gegeven van Companys Lant.
g 24 S.W. Sette onse boot ende prauw in, ende gingen onder seyl, deden onse cours om de N.W.
a 25 N.W. 14   46 46   167 11   0 0 0 0 N.O. en N.N.O. Saegen veel lange steencroos dryven.
b 26 N.t.W. 13 W. 10   47 25   166 56   47 12 0 0 N.W. Saegen veel lange steencroos dryven.
c 27 Noorden. 9   47 48   166 56   0 0 0 0 N.W.t.N. Als doen lach de plaets, daer wy ten ancker gelegen hebben, onder ’t Companys lant, S.S.O. 1 gr. 56 min. Oostelycker, 2812 myl van ons, wenden het als doen om de West.
d 28 W.t.S. 12   47 39   165 49   0 0 0 0 O. en N.O. Met cleyne coelte ende heel donckere mist.
e 29 W.t.S. 12 S. 11   47 26   164 45   47 27 0 0 O.S.O. Met cleyne coelte, keeren wederom naer de S.
f 30 S. 23 W. 20   46 8   164 30   45 54 10 50 O.S.O. Als doen lach C. de Trou O.t.S. 14 S. 15 myl van ons ende de Boeren schuer S.O. 15 à 16 mylen, saegen veel drift, vertrouwe die door een canael te comen.
JULYUS.                
g 1 S.S.W. 13 W. 12   45 9   164 8   0 0 0 0 Variabel. Waeren voor het Canael Antony, saegen veel steencroos, wier, biese ende tackies van boomen dryven.
a 2 O.S.O. 12 S. 6 12 44 56 34 164 41   0 0 0 0 Variabel. Als doen lach de Croonberch S.O. 12 S. 212 myl van ons, saegen in ’t S. de Gehackelde berch.
b[224-
225]
3 W.S.W. 7   44 45 34 164 4   44 43 0 0 Westelyck. Als doen lach de Gehackelde berch O.t.S. 12 S. 5 mylen van ons, deden onse cours Suyden aen.
c 4 S.t.O. 3   44 31   164 7   44 31 0 0 N.O. Quaemen ten ancker, als synde 23 myl van lant, op 20 vadem, santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso, 2 mylen bewesten het Canael Antony.
d 5 Variabel. Hebben water gehaelt en gevischt, is de boot op strant gecomen.
e 6 S.S.O. Onse boot vlot gecregen ende quaemen aen boord.
f 7 S.S.O. Ondersoecken het canael ende visschen.
g 8 Variabel. Hebben gevischt, ende groente gehaelt.
a 9 Suydelyck. Syn om hout gevaren ende met de boot aen lant vernacht.
b 10     S.S.O. Quaemen met boot ende prauw weer aen boort.
c 11 N.N.W. 23 W. 4 12 44 47   163 54   44 43 0 0 S.S.O. Doen hadden wy de Gehackelde berch O.t.S. 12 S. 10 mylen van ons.
d 12 Noorden. 1   44 47   163 54   44 45 0 0 S.O. Als doen lach de Hooge Tepelberch S.O.t.S. 13 S. van ons, waeren 3 à 312 myl buyten lant.
e 13 W.N.W. 34 N. 20   45 26   162 17   0 0 0 0 S.O. Cleyne coelte met een swaere mist.
f 14 W.t.N. 16 14 45 39   160 44   0 0 0 0 O.N.O. Was doen diep 50 vadem, saegen veel drift.
g 15 Noorden. 12 34 46 30   160 44   0 0 0 0 O.S.O. en O.t.S. Waeren nu 4 mylen van lant, diep 23 vadem, steckgront; quaemen voor Tamary ten ancker op 1012 vadem.
    N.O. 2 12 46 37   160 54   0 0 0 0 Suyden.  
a 16 N.O. 1   46 40   160 58   0 0 0 0 S.O. Quaemen voor Tamary ten ancker op 912 vadem steckgront.
b 17 Variabel. Hebben in Tamary aen lant geweest.
c 18 Variabel. Hebben weder aen lant geweest ende ons afscheyt genomen.
d 19 S.O.t.O. 5   46 29   161 22   46 27 0 0 S.S.W. Als doen lach de Steyle hoeck beoosten Tamary N.W. 12 N. 212 myl van ons.
e 20 S.t.O. 6 12 46 1 12 161 29   0 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach de Caep Aniwa O.S.O. 3 à 4 myl van ons.
f 21 S.S.O. 6   45 39 12 161 42   0 0 0 0 Variabel. Als doen lach de Caep Aniwa N.t.O. 23 O. 4 myl van ons.
g 22 O.t.N. 14 N. 15   45 54   163 5   0 0 0 0 Variabel. Saegen veel seerobben swemmen ende veel drift.
a 23 N.W. 12 N. 11   46 28   162 25   0 0 0 0 Noordelyck.
S.W.
Met styve coelte met mistich regenich weder, als doen lach de Tonyns hoeck W.S.W. 1 myl van ons.
    W.N.W. 5   46 36   161 57   0 0 0 0 S.W.t.S.  
b 24 N. 23 W. 15   47 27   162 14   7 40 0 0 Variabel. Hadden Hoochlant in ’t S.W.t.W. 5 myl van ons. Vernaemen dat ons een stroom om de N. geset had.
c 25 N.t.O. 11 12 48 25   162 27   0 0 0 0 Variabel. Hadden doen lant in ’t N.O. 10 mijl van ons.
d 26 N.N.O. 6 12 48 49   162 42   8 56 0 0 Variabel. Hadden doen een Hooge vlacke berch 312 myl van ons; quaemen hier ten ancker op 18 vadem 112 myl van lant. Als doen lach Caep Patientie S.O.t.O. 4 mylen van ons ende het Robben eyl. S.S.O. op do. veerheyt.
    O.t.S. 3 12 48 53 12 163 1   8 54 0 0 Suydelyck.  
    Variabel. Hebben het lant gevisiteert ende volck gevonden.
e 27 Suyden. 7   48 26   163 1   0 0 7 30 Oostelyck. Was doen diep 37 vadem, steckgront.
f 28 N.O.t.N. 2 12 48 33 12 163 8   0 0 0 0 Oostelyck. Als doen lach het Robben eyl. N.O. 1 mijl van ons ende het was 16 vadem diep, singelgront.
g 29 W.t.N. 1   48 34 12 163 3   0 0 0 0 O.S.O. Als doen lach het Robben eyl. O.N.O. 112 myl van ons, laegen doen geanckert op 25 vadem.
a 30 S.W.t.W. 1 12 48 28 12 162 53   0 0 0 0 Variabel. Als doen lach het Robben eyl. N.O. 23 O. naer gissing van ons 2 à 3 mylen, conden het niet sien door mist.
b[226-
227]
31 O.S.O. 23 S. 2 12 48 11 12 163 50   0 0 0 0 O.S.O en S.O. Als doen lach het Robben eyl. meest in ’t Noort van ons, naer gissing omtrent 3 mylen, maer conden do. eyl. niet sien, het was 37 vadem diep, steckgront.
AUGUSTUS.                
c 1 O.S.O. 8   48 15 12 163 50   0 0 0 0 Noordelyck. Variabel. Als doen lach het Robben eyl. N.W. ende omtrent 9 mylen van ons, ende was doen diep 72 vadem, steckgront.
d 2 O.t.S. 6 12 48 6 12 164 28   0 0 0 0 Noordelyck. Variabel. Met styff topseyl ende variabel weder.
e 3 O.t.N. 3   48 8 12 164 43   0 0 8 15 Noordelyck. Variabel. Met styve coelte ende heel mistich weder, saegen veel gevogelte.
f 4 S.O. 22   47 6 12 166 15   46 40 8 15 N.N.O. Met styve wint, saegen veel drift, bevonden dat de stroom ons styf om de Suyt geset hadde.
g 5 S.O.t.O. 21   45 53   167 57   45 43 8 15 N.N.O. Als doen lach Caep de Vries S.W. 4 mylen van ons.
a 6 S.W. 12 S. 17   44 50 12 166 56   44 43 0 0 N.W.t.N. Als doen lach Caep de Vries N.O.t.N. 13 à 14 mylen, waeren 4 mylen buyten het Staetenlant.
b 7 West. 13   44 43   165 43   0 0 0 0 S.t.W. Waeren dicht onder de Gehackelde berch 12 myl van lant, op de diepte van 15 vadem, vuyle gront.
c 8 S.t.W. 6   44 19   165 36   0 0 0 0 Variabel. Met topseyls coelte ende een dichte mist.
d 9 Oost. 12   44 19   166 43   0 0 0 0 S.S.O. Met topseyls coelte ende heel mistich weder.
e 10 S.W.t.W. 19 12 43 36   165 14   0 0 10 0 S.O. Als doen lach Caep de Canael Antony mede 5 mylen van ons, ende was 66 vadem, singelgront.
f 11 Oost. 1   43 36   165 20   0 0 0 0 S.O. Met topseyls coelte en mistich motrich weder.
g 12 N.W.t.N. 3   43 46   165 11   0 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach het W. eynt van ’t Walvisch eylant N.t.W. 12 N. 2 à 3 mylen van ons, quamen ten ancker in de Gebroocke eyl. van Tamary, op 21 vadem.
    W.t.S. 5   43 42   164 44   0 0 0 0 N.N.O.  
a 13 Noordelyck. Met styve coelte, laegen ten ancker, gingen naer middach t’seyl.
b 14 S.W. 23 S. 9 12 43 9   164 18   43 8 0 0 Variabel. Als doen lach Caep de Manshooft N.t.W. 2 mylen van ons.
c 15 W. 12 S. 7   43 5 12 163 40   0 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach de Steyle W. hoeck van van der Lyns eylant W. 12 S. 1 myl van ons.
d 16 N.N.W. 12 W. 4   43 19 12 163 30   0 0 0 0 Suydelyck. Quaemen voor de bay Goede Hoop, voor het dorp Ackys ten ancker, op 512 vadem, een musquetschoot van lant.
Van den 16den Augustus tot den 1sten September ten anker in de Baai de Goede Hoop.
SEPTEMBER.                
g 2 Suyden. 4   42 52   163 30   42 52 0 0 Oostelyck. Caep Santanel N.t.W. 4 mylen van ons.
a 3 S.t.W. 11   42 9   163 18   0 0 0 0 Variabel. Met topseyls coelte, saegen veel meeuwen vliegen.
b 4 S. 12 O. 16   41 5 12 163 26   41 3 9 45 W.S.W. Met een labber coelte.
c 5 S.W. 13 W. 15   40 24   162 27   40 24 0 0 S.O. Met een topseyls coelte.
d 6 Suyden. 8   39 52   162 27   39 54 0 0 Noordelyck. Met cleyn topseyls coelte.
e 7 S.O.t.S. 5   39 37   162 42   0 0 10 50 Variabel. ’s Ochtens onse compassen op 8 gr. N. Oostering geleyt.
f 8 S.t.O. 12 O. 8   39 6   162 54   39 29 0 0 S.W. Met cleyne coelte.
g 9 S.W. 23 W. 15   38 53   162 2   0 0 0 0 Variabel. Als doen lach de Tafelberch W.t.N. 9 mylen van ons.
a 10 S.S.W. 12 W. 19   37 46   161 6   37 38 7 30 N.W. Met topseyls coelte, 10 mylen buyten de Oostcust van Japan.
b[228-
229]
11 O.t.N. 8   37 44   161 44   37 51 0 0 Suydelyck. Met sleyckende coelte.
c 12 O.N.O. 12   38 9   162 39   38 29 0 0 Variabel. Saegen een stuck hout dryven ende veel gevogelte vliegen.
d 13 O.t.S. 12   38 20   163 37   38 40 0 0 W.S.W. Bevonden als voren harde stroom om de Noort.
e 14 S.S.O. 20   37 26   164 16   37 16 7 15 N.W.t.N. Hebben 2 cleyne landvogelties gevangen.
f 15 O.t.N. 17   37 29   165 38   37 24 7 38 N.N.W. Saegen een stuck hout ende steencroos dryven.
g 16 O.t.S. 16   37 12   166 54   37 17 0 0 N.N.O. Saegen een schildpad dryven ende veel meeuwen vliegen.
a 17 N.O.t.O. 16   37 53   168 2   0 0 0 0 S.S.O. ’s Ochtens onse compassen op 10 gr. N. Oostering geleyt.
b 18 Oost. 38   37 53   171 15   0 0 0 0 W.N.W. Saegen een stuck hout dryven ende veel meeuwen vliegen.
c 19 O.t.S. 17   37 47   172 38   0 0 11 45 Variabel. Hebben onse compassen op een streeck N. Oostering geleyt.
d 20 O.t.N. 28   38 9   174 58   37 56 0 0 Suyden. Met styve doorgaende coelte, saegen veel meeuwen vliegen.
e 21 O. 13 S. 34   37 47   177 50   37 46 0 0 West. Variabel. Met styve doorgaende wint.
f 22 O. 13 N. 20   37 51   179 31   37 48 13 30 S.O. Cleyne topseyls coelte.
g 23 O.t.S. 20   37 32   181 12   37 31 0 0 S.S.W. Saegen eenige puystebyters vliegen.
a 24 S.O. 12 O. 4 12 37 20   181 29   37 19 14 50 S.S.W. Met cleyn topseyls coelte.
b 25 O.S.O. 25   36 41   183 24   36 44 14 8 S.S.W. Met topseyls coelte.
c 26 O.S.O. 25   36 6   185 18   36 5 15 20 S.S.W. Saegen eenige meeuwen vliegen.
d 27 O. 12 N. 21   36 13   186 59   36 10 0 0 S.S.W. Saegen veel meeuwen en een witte pylstaert.
e 28 N.O. 12 N. 14   36 53 12 187 43   36 53 0 0 Variabel. Saegen veel troppen meeuwen.
f 29 O.N.O. 35   37 47   190 27   37 37 0 0 S.W. Met styve doorgaende wint.
g 30 O. 12 S. 46   37 19   194 17   37 21 0 0 West. Met heel styve doorgaende wint.
OCTOBER.                
a 1 O. 12 S. 48   37 2   198 17   36 56 0 0 N.W. Met styve doorgaende wint.
    Oost. 4   36 56   198 37   0 0 0 0 N.N.W. Keeren wederom naer de Oostcust van Japan, waeren 460 mylen beoosten Japan.
b 2 S.W. 10   36 28   198 2   0 0 0 0 Variabel. Saegen een leeuwrick by ’t schip vliegen.
c 3 W.t.S. 19   36 13   196 29   0 0 0 0 Oostelyck. Met topseyls coelte ende hol waeter uyt een N.O.
d 4 W.S.W. 24   35 36   194 39   35 30 0 0 Veranderlijck. Met ongestaedich weder ende wint.
e 5 S.t.W. 18   34 20   194 22   34 0 0 0 Variabel. Bevonden harde stroom om de Suyt te gaen.
f 6 W.S.W. 17   33 34   193 7   0 0 0 0 Noorden. Met harde coelte, sloegen andere seylen aen.
g 7 N.W. 12 W. 17   34 17   192 4   33 56 0 0 O.N.O. Met styve stroom om de Suyt.
a 8 N.W. 38   35 43   189 54   0 0 0 0 O.S.O. Met doorgaende wint.
b 9 N.W.t.W. 13 W. 28   36 39   187 54   36 42 17 0 Variabel. Hebben een puystebyter gevangen, waeren naer gissing 331 myl buyten de Oostcust van Japan.
c 10 N.W. 23 W. 16   37 21   186 51   37 21 15 30 S.W. Met cleyn topseyls coelte, somtyts regen.
d 11 West. 17   37 21   185 26   0 0 0 0 Variabel. Saegen veel deferente meeuwen.
e 12 S.W. 38   35 34   183 13   35 42 18 15 N.O. en O.N.O. Styve coelte met mot regen, by daech claer gesicht.
f 13 W. 12 S. 21   35 34   181 33   35 30 0 0 Variabel. Met topseyls coelte met hol water uyt een N.W.
g 14 W.S.W. 12   35 12   180 40   0 0 0 0 Variabel. Met ongestaedich weder ende wint.
a 15 W.t.N. 12 N. 11   35 25   179 48   35 19 0 0 Variabel. Vingen een strantloopertje ende saegen een swaluw ende veel swarte graeuwe meeuwen, waeren naer gissing 235 myl beoosten de Oostcust van Japan.
b 16 W.t.N. 26   35 39   177 45   0 0 0 0 Oostelyck. Variabel. Heel ongestaedich weder van regen ende wint, hebben onse seylen verlooren.
c 17 West. 38   35 39   174 37   0 0 0 0 N.O. Met storm, sloegen andere seylen aen.
d[230-
231]
18 W.t.N. 30   36 2   172 14   35 42 0 0 N.O.t.N. Met styve coelte, de stroom styf om de Suyt gaende, hebben een andere roerpen in ’t roer gestoocken.
e 19 W.t.N. 12   35 51   171 8   35 38 11 20 S.O. Saegen een witte pylstaert en een swaluw vliegen ende veel steencroos dryven ende een monstreuse visch swemmen, waeren 121 mylen buyten de Oostcust van Japan.
f 20 W.S.W. 8   35 26   170 32   34 38 11 25 Noordelyck. Met stilte, bevonden styve stroom om de Suyt.
g 21 N.W.t.W. 18   35 18   169 19   0 0 0 0 S.S.W. Variabel. Was ongestaedich motrich weder, met styve wint.
a 22 N.N.W. 6   35 40   169 8   36 1 10 5 W.N.W. Saegen 2 witte pylstaerten vliegen ende steencroos dryven, bevonden harde stroom om de N. te gaen, waeren als doen 108 mylen buyten de Oostcust van Japan.
b 23 N.W.t.N. 14   36 48   168 29   36 56 0 0 W.N.W. Hebben een sperwer gevangen en een tortelduyf gesien, waeren naer gissinge 100 mylen buyten de Oostcust van Japan.
c 24 W. 12 S. 22   36 47   166 40   0 0 0 0 N.N.O. N. en N.O. Saegen een stuck hout dryven ende veel croos, hadden reegen.
d 25 W.S.W. 35   35 53   163 58   35 41 0 0 Noordelyck. Met een styve coelte.
e 26 W.t.N. 26   36 1   161 54   36 8 7 22 Noordelyck. Variabel. Waeren nu 12 mylen buyten de O.cust van Japan, conden de cust pas sien, hadden de cust 8 myl eer als gegist hadden.
f 27 W.S.W. 15   35 45   160 45   0 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach de Santduynige hoeck N.O.t.N. 4 mylen van ons, als doen diep 13 vadem, santgront.
g 28 S.t.W. 12 W. 28 12 33 56 12 160 25   33 58 0 0 N.O.t.N. Als doen lach het Prinse eyl. W. 6 myl van ons, ende Barnevelt eyl. W.N.W. 6 mylen.
a 29 S.t.W. 9 12 33 21   159 56   33 18 6 12 N.N.O. Quaemen onder het Ongeluckich eyl. ten ancker.
b 30     N.O. en N.N.O. Hebben het Ongeluckich eyl. gevisiteerd.
c 31 S.W.t.S. 16   32 25   159 14   32 27 0 0 N.O. Als doen lach het Ongeluckich eyl. N.O.t.N. 16 mylen ende het Suyder eyl. O. 9 mylen van ons.
NOVEMBER.                
d 1 W.t.S. 13 S. 23   32 9   157 40   31 58 6 30 Noordelyck. Met cleyn topseyls coelte, saegen eenich croos dryven.
e 2 N.W. 12 W. 15   32 35 12 156 46   32 35 0 0 Variabel. Ongestaedich weder van regen ende wint.
f 3 W.S.W. 12 S. 30   31 38 12 154 41   31 23 0 0 N.N.O. Met styve doorgaende wint, saegen een duycker, bevonden styve stroom om de Suyt.
g 4 W. 12 S. 38   31 8   151 43   0 0 0 0 O.N.O. Met styve ongestaedige wint ende weder.
a 5 W.t.N. 27   31 29   149 40   0 0 0 0 Oostelyck. Met styve wint ende ongestaedich weder.
    Noorden. 1   31 33   149 40   31 33   Westelyck. Waeren nu naer gissinge 3212 myl bewesten het Ongeluckich eyl., segge W.t.S. van do. eyl., soodat volgens dien de S.O. hoeck van Cikoko leyt op dese geseylde lengte ende breete.
b 6 West. 13   31 33   148 39   0 0 0 0    
c 7 N.t.W. 5   31 53   149 35   31 52 0 0 Westelyck. Hadden dit etmael vehemente stroom vernomen.
d 8 W.N.W. 2   31 55   149 27   0 0 0 0 Variabel. Wint ende weder, vernaemen aen de peyling van ’t lant styve stroom.
e 9 S.W.t.W. 8   31 37 12 148 56   0 0 0 0 Variabel. Bevonden harde stroom, als doen lach de S.O. hoeck van Cikoko W.t.S. 12 S. 4 mylen van ons, als doen is het jacht Breskens by ons gecomen.
f 10 S.W. 8   31 14 12 148 29   31 12 4 15 Variabel. Als doen lach de S.O. hoeck van Cikoko N.N.O. 6 mylen van ons.
g 11 W.t.S. 15   31 0   147 49   31 0 0 0 Variabel. Als doen lach het Brandent eyl. S.S.O. 4 mylen van ons.
a[232-
233]
12 West. 20   31 0   145 46   30 47 0 0 Noordelyck. Als doen lach het eyl. Cikoko 9 à 10 mylen O. van ons.
b 13 W.S.W. 23   30 12   144 8   29 57 0 0 N.N.W. Met cleyn topseyls coelte, was doen diep 75 vadem, wasige gront.
c 14 S.W.t.W. 28   28 55   142 21   0 0 0 0 N.N.O. Was als doen diep 50 vadem, hadden styve coelte.
d 15 S.W. 38   27 8   140 20   26 56 0 0 N.N.O. Met styve wint, was als doen diep 60 vadem.
e 16 W.t.S. 31   26 32   138 5   0 0 0 0 N.O. Was nu volgens de Companys caert 15 mylen met myn besteck op de cust van China.
f 17 S.t.W. 14 W. 20   25 14   137 43   25 0 0 0 Noordelyck. Als doen lach de Leguaens hoeck S.O.t.O. 4 mylen van ons, vernaemen harde stroom om de Suyt.
g 18 S.t.W. 31   22 58   137 16   2 57 0 0 Noordelyck. Binnen Tayoúan te ree op 10 vadem.

Aan het einde van iedere maand, wordt in het Handschrift van het Journaal mede gevonden, de landverkenningen, die men gedurende den loop van die maand heeft kunnen opnemen; eenige er van zijn opgenomen, in het werk van Nicolaes Witsen, Noord- en Oost-Tartaryen, 1e deel, bl. 152.


[234]

BIJLAGEN.


No. 1. Extract uit de Resolutie van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, van den 17de January, 1643.
» 2. Idem als boven, van den 23ste idem.
» 3. Idem als boven, van den 2de February.
» 4. Idem uit de Missive van den Gouverneur-generaal en de Raden van Indië, aan den Gouverneur van Amboina, van den 16de February, 1643.
» 5. Idem uit de Missive aan de Bewindhebberen ter vergadering van 17ne, van den 22ste December 1643.
» 6. Idem als boven, van den 4de January, 1644.
» 7. Idem als boven, van den 23ste December 1644.
» 8. Idem uit het Batavia’s Dagregister, van den 14de December, 1643.
» 9. Maerten Gerritsz. Vries.
» 10. Cornelis Jansz. Coen.

[235]

EXTRACTEN

uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, betrekkelijk de reis van de schepen Castricum en Breskens.

1643-1644.

Saturdagh den 17de January Ao. 1643.

No. 1.

Op geen mindere hoop en groot vertrouwen, als wy ten dienste van de Ver. Ned. O. I. Comp., tot vergrootingh en verbeteringh van desselfs stant en negotie hier te lande, hebben gehad en gepractiseert, om de g’opinieerde off noch onbekende landen besuyden de Linie Equinoctiael en de gelegentheyt desselfs te ontdecken, in voegen als onse Resolutie primo Augustus passato daerover genomen, wyt en breet dicteert. Mitsgaders op 14 dito met ’t jacht Heemskerck en de fluit de Zeehaen, onder ’t beleyt van den E. Abel Jansz. Tasman, van hier over ’t eylant Mauritius doen ondernemen hebben. Vinden wy ons door deselve redenen en motiven immers soo gretigh en genegen, om te besoecken en t’ontdecken, de onbevaren vaste landen en eylanden bynoorden Japan en van daer Oostwaerts gelegen; insonderheyt de Oostcust van Tartarien, en daeronder het vermaerde Coninckryck Cathaya. Gelyck de Heeren onse principalen hiertoe mede seer inclineren, ’t selve veelmalen en by haere per naeste ontfangene generale brieven, noch ernstich recommanderen; te meer, om die gelegentheyt t’ontdecken, diverse[236] besendingen uyt Europa derwaerts syn gedaen. Welcke vermits het soecken van de Noorder-wal en de daeromtrent dominerende Yszee, geen effect hebben gesorteert. Mitsgaders dat onse gemelte Gebieders opinieeren, gelyck oock apparent sy en diverse beschryvingen getuigen, daer profitabele negotie en meer goede gelegentheden voor de Comp. te vinden sullen wesen. Item om van daer wyders andermael te gaen soecken, naer ’t voorgegeven Gout- en Silverrycke eylant byoosten Japan, werwaerts wy, volgens resolutie van 28 May Ao. 1639, op 2 Juny daer aen, onder het beleyt van den E. Mathys Quast, door de straet Manilha uytgeset hadden, de fluyten Engel en de Graff, die door ongeluckige toevallen op 24 November desselven jaers, vruchteloos in Tayouan syn gekeert. Op dese apparente ontdeckinge dan langh gespeculeert, en daertoe gehoort en gesien hebbende, d’opinien en voorstellingen, van verscheyden wel geexperimenteerde personen, haer op de gelegentheyt deser te doene ontdeckingh verstaende, en voorders geconsidereert, dat het de Comp., staende onse regeringe, noyt beter gelegen heeft gekomen, om twee bequaeme schepen, buyten vercortingh van den ordinairen handel, en vereysch in den oorloge hier te lande, af te setten, als tegenwoordich. Soo is ’t, dat wy dan in gevolge van dien, geresolveert en gearresteert hebben, gelyck resolveren en arresteren by desen, tot die bevaringh en ontdeckingh ’t fluytschip Castricum, jongst van Sumatra’s West-cust gekomen, en ’t jacht Breskens, onlangs uyt ’t patria verschenen; hoewel al naer Macassar en Amboyna gedestineert sy. Welcke beyde daertoe seer bequaem geoordeelt werden, en dat onder ’t gesach van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, die sich tot dese verrichtingh seer genegen thoonde, item soodanige Schippers en Stierlieden meer, als daertoe mede bequaem en mede graegh syn. Ordonnerende deselve, uyt de verscheyden voorstellingen ons gedaen, van hier door de straet Bouton langs Celebes naer Ternaten te seylen, om van daer (wel ververscht synde) in[237] ’t begin der maent April N.O.waert over te loopen, naer de Oostcust van Japan, op de breete van 37 graden, en van daer N.W.waerts over, tot hem de cust Westelycker ontvalt. Om in passant te ervaren, hoe verre ’t uytterste van Japan om de N. gelegen is, en of het lant, dat by de Japanderen Eso wordt genaemd, een bysonder eylant of de vaste cust van China of Tartarien sy. Pogende van daer Tartaria of ’t lantschap Cathaya soo Suydelyck aen boort te crygen, als doenlyck wert, om dan wyders N.W. off soo als die cust strecke, by op te seylen en t’ ontdecken, ’t gene onse Instructie sal medebrengen. Item dan wyders tegen de maent Augustus van daer S.O.waerts over, tot op de langte van Japan’s O. eynde. Van dat punt met een S. cours tot op 3712 gr., in ’t gesicht van gemelte lants O. hoeck, en van daer recht O. aen, de langte van 350 à 450 mylen; om het aengetogen geruchte Goudt- en Silverrycke eylant te beseylen, en des neen, van daer weder al cruyssende van de 37 tot de 35 gr. W.waerts aen naer Japan te keeren. Om ’t meergemelte eylant, mitsgaders die geseyt worden, tusschen de 30 en 36 gr. 100, 150 à 200 mylen byoosten Japan te liggen, en mede seer silverryck souden syn, nader te soecken en aen te seylen. Doch den Westen passaetwint sulcx niet gedogende, dan van de geseylde 450 mylen om de O., N.W.waert over te steecken, naer de cust van America, en dat lant omtrent Cabo de Mendocina, op de breete van 38 gr. aen te doen, om de gelegentheyt aldaer mede te onderstaen, hun te ververschen, en wyders met de N.W. passaetwint S.W.waert over te seylen; om by dien wegh een der gemelte rycke eylanden, op ’t lyff te mogen loopen en eyndelyck over ’t eylant Formosa herwaert te keeren.

Den E. Justus Schouten, Extra Ordin. Raed van Indië, werdt gelast de noodwendige Instructie voor den getogen Schipper-Commandeur de Vries met desselfs advys te concipieren, des blyft den E. Cornelis van der Lyn bevolen, veelderley metalen, waren, coopmanschappen en rariteyten[240] by den anderen te versamelen; om gemelte ontdeckers tot preuve in de landen, daer te comen staen, ten dienste en nutte van de Comp. medegegeven te worden.

Aldus gearresteert in het casteel Batavia, enz.

datum ut supra.


Vrydagh den 23ste January Ao. 1643.

No. 2.

De fluyt Castricum en ’t jacht Breskens, by resolutie van 17 stanty, onder ’t gesach van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, over Molucco naer de custen van Tartarien en byoosten Japan gedestineert; werden verstaen ieder met 50 cloecke seelieden, en daertoe elck nog 5 soldaten, t’ samen 116 coppen, te doen mannen; geprovideert van alles voor 12 maenden, mitsgaders van noodwendichheden ryckelyck versien.

Soo is mede goetgevonden, gemelten Vries tot assistentie by te voegen, den Schipper van de Luypaert, Hendrick Cornelisz. Schaep, als Hooft op Breskens; item Pieter Willemsz. Knechtjes, als Schipper van de fluyt den Engel op Castricum, mitsgaders den Ondercoopman Willem Bylevelt op Breskens, om van ’t medegaende cargasoen, pertinente rekeningh te houden.

Abraham Pittavyn, als provisioneel Ondercoopman, Secretaris en Fiscael by den Commandeur, en drie à vier bequaeme Assistenten, waeronder een van Tartarien geboortig.

Aldus enz.


Maendagh den 2den February Ao. 1643.

No. 3.

En alsoo de fluyt Castricum met ’t jacht Breskens, onder het Commando van den E. Maerten Gerritsz. Vries, over Ternate, tot ontdeckingh der custen van Tartarien, en de[241] verhoopte rycke landen byoosten Japan gedestineert, tegenwoordigh sonder iets te gebreecken volcomen seylvaerdigh. Mitsgaders daertoe oock gereet, de Instructie voor gemelten Commandeur en synen Raed, by den E. Justus Schouten, Extra Ordin. Raed van Indië, met dito de Vries advys, ingestelt, als de missive aen den E. Wouter Seroyen, Vice-Gouverneur en Directeur over den Nederlantschen stant in Molucco, door den Gouverneur-Generael geconcipieert; beyde te deser vergaderingh, bysonder gemelte Instructie, in presentie van aengetogen de Vries en syn voornaemste Raetspersonen, ten tweede male aendachtelyck gelesen en gecollectioneert, daertoe met ons aller teeckeningh geconfirmeert, en de papieren tot de een en d’ander besendingh dienende, bygevoecht wesende. Soo is eendrachtelycken verstaen, gemelte ontdeckers dese voyagie in conformité van onse resolutie dato 17 January passato, morgen vroegh nae gedaene monstering in Godes naem te laten aenvangen. Den E. Justus Schouten voornoemd en den E. Salomon Sweers, mede Extra Ordin. Raed van Indië, werden gecommitteert, om morgen den Commandeur als dan t’ scheep behoorlyck te authoriseren en ’t volck te monsteren.

Aldus enz.


No. 4.

Nader op d’ordre van onse principalen, nopende ’t ontdecken van de Tartarische custen, ende ’t hervatten des opsoeckens van de Goudt- ende Silverrycke eylanden byoosten Japan gelet synde, mitsgaders daerover gehoort, ’t advys van de aenwesende ervarenste schippers ende stierlieden, als de remonstrantie van den vermaerden Piloot Franschoys Visscher, op syn vertreck naer ’t onbekende Suytlant, over dit punt ons ter hand gestelt. Is goetgevonden die voyagie te ondernemen, ende daertoe te gebruycken ’t fluytschip Castricum ende ’t jacht Breskens; wes deselve onder ’t Commando[242] van den Schipper Maerten Gerritsen Vries, wel gearmeert, ieder met 60 coppen gemant, daeronder in alles 10 soldaten, voor 12 maenden geprovideert; den 3 courant van hier langs de custen van Celebes naer Ternaten genavigeert syn. Omme van daer, in der yle wel ververscht ende van water versien synde, den cours byoosten Japan te nemen, ende de custe van Tartarien, soo Westelyck aen te soecken, als de gelegentheyt van de winden ende landen sullen toelaten; omme van daer naer verrichter saecken, dat g’opinieerd word in Augusty aenstaende sal wesen, den Tartarischen oceaen te cruyssen, omme d’aengetogen verhoopte eylanden te beseylen. d’Almogende geve tot d’een en d’ander synen segen, ende dat de Spaensche galey in Ternaten, door dese cleyne (doch deffencive) schepen geabuseert synde, in ons gewelt vervalle.

Aen den Hr. Antonio de Caen in Amboina,

desen 16 February, 1643.


No. 5.

’t Geene aengaende ’t verlies van ’t jacht Breskens op de Noortcuste van China schryven, vernemen met d’aencomste van de Swaen abuys te wesen; God geve gene van de jachten tot de lichtingh des forts Kelangh syn, die als geseyt, buyten expectatie in Tayouan te keeren, tardeerden. Ende comt met meer aengetogen Swaene herwaerts, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, neffens desselfs Opperstierman Cornelis Jansz. Coen; per de fluyte Castricum ende ’t jacht Breskens, uyt d’ontdeckinge van Tartarien, den 18 November in Tayouan behouden aengelandt. Op syne plaets sullen ’t succes verhandelen, ende becomen UEd. derselver journalen, caerten ende duydelycke beschryvingh van hun wedervaeren ende ondervindingh, die van apparentie schynt te wesen.

[243]Door ontmoeting van landen ende contrarie winden, hebben de Tartarische cust niet connen beseylen; ’t lant Eso ende de Noorder custe van America aengeweest; wyders naer de gepresupponeerde Silver ende Goudt eylanden gecruyst, maer niet opgedaen. Sulcx vastelyck te gelooven sy, op die lengte en breete, geen derselver eylanden liggen; maer datter aen geseyde Noorder custe van America (daervan possessie genomen is) ryckdommen syn, dat by nader ontdeckingh te vernemen staen. Als geseyt sullen d’overgebrachte papieren en caerten nader resumeren, ende UEd. per volgende schepen, beter onderrichten, mitsgaders onse consideratien op dit gewichtigh stuck declareren.

In ’t Casteel Batavia,
desen 22 Dec. Ao. 1643.

Aen de Bewinthebberen, enz.


No. 6.

Hoe den Schipper-Commandeur Maerten de Vries, met de fluyt Castricum ende het jacht Breskens, van d’ontdeckingh der Noorder landen, November verleden in Tayouan gekeert, persoonlyck met den Stierman Cornelis Coen, tot Batavia gecomen; ’t lant van Eso en ’t Noorder America eensdeels ontdeckt, en in die vreemde voyagie yets notabels geexperimenteert heeft, is UEd. in onsen generalen brief, dato 22 December, cort aengeschreven. Mitsgaders toegeseyt, ’t succes van dese reyse, met den naesten omstandiger te sullen verhalen, en onse consideratien daerby te doen, gelyck in ’t vervolch nu cortelyck geschiet, en om van volcomen contschap (ons) aen de neffens gaende descriptie ofte relaes van den Commandeur de Vries, journael van den Stierman Coen, ende daeraff gemaeckte caerten, refereren; waerinne de gedaene ontdeckinge en remarquable ondervindinge in ’t breede te[244] lesen ende te beoogen sy; daervan alleen ’t bysondere in substantie verhaelen sullen.

Gemelte Commandeur Vries, met syne twee schepen, in ’t begin van April uyt Ternaten scheydende, hebben haeren cours, mits vroeg in ’t jaer ende ’t bejegenen van Noordoostelycke winden, Noortwaert genomen, ende geen der ongenoemde eylanden in de Suytsee ontdeckt; maer op 20 Mey, des nachts omtrent den Suytoost hoeck van Japan, met storm (buyten gissingh) aen ’t Ongeluckich eylant, by haer soo genaemt, op een lager wal vervallen, ende in ’t uyterste peryckel van schipbreuck geraeckt; sulcx nae ’t verlies van anckers en touwen, naeuwelycx gesalveert en van den anderen versteecken syn. Voorts gesepareert, langs de Oost cust van Japan (daer veel visschersbercquen in vrientschap aen boort quaemen) tot op 40 gr., aen den uyttersten Noortoost hoeck geseylt; van waer de Vries, alleen met Castricum tot vervolch van de g’ordonneerde voyagie, den 4 Juny Noortwaerts gevaren is, ende op den derden dagh, het hoogh met sneeuw bedeckt lant van Eso, op 42 gr. aengedaen heeft. Langs welcke Suytoost cust, omtrent 60 mylen, meest gestadigh door dicken mist geseylt, en op diversche plaetsen ten ancker gecomen is, vindende ’t lant sober, doch van redelycke menschen bewoont, met dewelcke vriendelycke communicatie gehouden, ende een arm lant bevonden is. Synde traen en pelteryen, ’t voornaemste dat daer (maer sober) valt, ’t welcke van de Japanders voor diversche waeren gehandelt wert. Ende hoewel dese barbaeren haer sabels, halsen en ooren met silver (dat sy hooch estimeren) vercieren, ende wysen binnen haer lant, uyt de aerde gegraven wort, soo hebben d’onse daer nochtans geen quantiteyt vernomen. De cust van Eso op 4412 graet ten eynde synde, hebben ’t Staten eylant, insgelycx by henlieden soo genaemt, synde vol dorre blinckende bergen en omtrent 30 mylen langh, ontdeckt; ende daernaer op 45, 46 ende 47 graden, aen ’t Noorder America, een seer hoogh groot onbewoont lant,[245] waerop hem verscheyden bergen, gantsch blinckende als rycke mineralen verthoonen. Daervan solemnele possessie, ende eenige monsters van d’aerde genomen synde, hebben haeren wegh, tusschen dit lant ende ’t Staten eylant, door de straet de Vries vervolght. Wanneer in ’t laetste van Juny, in een ruyme, woeste, ongestuymige Noortsee gecomen syn, daerinne door donckere mist, tot op 48 graden, stoutmoedigh gevaeren syn; doch wierden door cracht van Noortwestelycke winden, benoodight, de onbekende Noortoost cust van Eso, op 45 gr. aen te doen. Van waer do. cust 4 graden Noortwaerts ontdeckende, ’t lant van een selfde natie als aen de Suytcant, doch in meerder menichte, oock civilder ende beth met silver gesiert, bevolckt, vonden. Saegen op dese cust eenen wonderlycken, hoogen, ronden, spitsen bergh, die d’inwoonders, neffens noch een ander, affirmeerden silverryck te wesen. Welcke spetie by haer in sonderlinge waerde gehouden wert, sulcx d’onse maer twee arm- ende eenige oorringen, van haer hebben connen ruylen. Wesende dan in ’t laetste van July tot op 49 gr. by den uytersten hoeck, by haer genaemt van Patientie, gecomen, conden door styven contrarie wint ende donckere coude mist, geen Noort meer winnen. Soo dat den 3 Augusty, de reyse naer Tartarien gestaeckt, door d’ingecomen enghte weder in de groote see gevaeren, ende op 16 Augusty aen de Suytoost cust van Eso, in de bay, van haer gebaptiseert de Goede Hoop, gecomen syn. Van waer, nae dat tamelyck ververscht, en hun van water ende branthout wel hadden versien, den 2 September tot ontdeckingh, van de geruchte Gout ende Silverrycke eylanden byoosten Japan gelegen, vertrocken. Doende hunnen cours (volgens order) eerst naer de Oost cust van Japan, van waer tusschen 10 September ende 1 October, op de breete van 3712 gr., 450 mylen met veranderlycke winden, ende felle stormen eerst Oost omgevaeren syn, sonder in dien streeck, met geduerich claer weder, eenigh lant te ontmoeten, maer wel veel teyckenen van vogelen ende[246] drift; die naer alle apparentie door wint ende stroomen van Japan, Eso, Staten ende Compagnies lant, alsmede het Noorder America, in de Suytsee gedreven worden. Gelyck mede in ’t keeren, al cruysende naer de Oost cust van Japan, geen lant bejegent hebben, ende alsoo seeckerlyck ervaeren, de gesochte eylanden in dat geweste niet en syn, ende naer alle apparentie ’t lant van ’t Noorder America wesen moeten.

Bestendige vlyt ende goede opmerckinge, is op dese voyagie, by die van de fluyt Castricum gebruyckt, gelyck by de schriftelycke rapporten omstandigh blyckt. Doch d’opperhoofden van ’t jacht Breskens, syn t’onvoorsichtigh geweest; dat haer gevangenis in Japan, en den Keyser cuntschap van dese voyagie ende ons concept veroorsaeckt heeft. Evenwel is ’t jacht mede aen de Suyt cust van Eso, Staten ende Compagnies lant geweest, ende onder ’t beleyt van den Stierman Jurriaen Bruyn, ’t soecken van de eylanden byoosten Japan onvruchtelyck betracht. Soo dat eyndelyck beyde dese schepen, in ’t laetste van October, aen ’t Ongeluckigh eylant ververscht, ende op 10 November omtrent den Suyt hoeck van Cikoko, naer vyff maenden ende twintigh dagen, weder by den anderen gecomen syn, ende gesaementlyck den 18 November, behouden in Tayouan gearriveert.

Geen negotie van importantie, hebben d’onse in ’t lant van Eso connen sien, hoewel d’inwoonders civile ende goetaerdige menschen syn. Alleen wert by de Japanders van Nabo eenige zyde ende cattoene rocken, ryst ende verdere cleynigheden, in de provintie van Matsmay gebracht (die alleen op dat lant, van de Japanders beseten wert), ende van daer met weynigh handelsbercken, langs de cust gevoert, ende tegen pelteryen en traen verhandelt. Gelyck d’onse soodanige berck, in de bay de Goede Hoop bejegent syn; waeruyt van haeren handel ende des lants gelegentheyt, vry wat cuntschap bequaemen, als in de rapporten te lesen is. Evenwel is van d’onse daer niet anders becomen, als eenige stucxkens silver, monsters van gout, minerale aerde ende 4 stucken bontwerck (de[247] sabel- ende martersvellen niet ongelyck) die voor een byl, een cangangh, weynigh glaesen coraelen ende andere snuysteringh (in alles geen ses gulden waerdigh) hebben geruylt; welcke nu met den Salmander tot een monster versenden. Silver ende gout wert, naer ’t seggen van de Japanders, mede uyt dat lant naer Japan getrocken, doch in geen groote quantiteyt. Oversulcx te beduchten daer niet proffytelyck voor de Comp. te verrichten sal syn, ten waere daer minen van importance wierden ontdeckt, daer de inwoonders veel bewys van schynen te geven, ende meest alle met silver geciert syn; waervan de seeckerheyt door naeder ondersoeck te vernemen is. Van ’t Noorder America ofte Comp. lant, can mede niet seeckers tot Comp. proffyt aengewesen werden, hoewel daer goede teyckenen van mineraelen synde gesien, dat mede al naeder ondersocht dient; insgelycx wat in Tartarien mach te haelen wesen.

Ende alsoo ons by de rapporten ende discoursen van de Vries, groote apparentien tot ontdeckingh van noch veel andere landen, ende dat onbekende Noorder gewest aengewesen werden, neffens hoope die door ’t vinden van rycke mineraelen, ende consequente traffyquen, voor de Comp. nuttelyck cunnen syn, blyven alweder voornemens de begonnen ontdeckinge van Eso, Tartarien, America ende daeromtrent geleden rycken, in April aenstaende, met twee jachten ende een quel, onder bestier van gemelten de Vries ende Stierman Coen, ernstigh te vervolgen; met vaste hoope, sulcx voor de Generale Comp. dienstich, ende t’ syner tyt proffytelyck wesen sal, waervan ’t aenstaende jaer, UEd. goet succes verhoopen te cundigen.

In ’t Casteel Batavia,
desen 4 January Ao. 1644.

Aan dezelfden.


[248]

No. 7.

Den Schipper Hendrik Cornelisz. Schaep, nevens d’aengehouden Nederlanders van ’t jacht Breskens, daervan in onse vorige brieven mentioneren, ende veele vry swaerhoofdich over waeren, syn op de verschyning van den President (van Elserack) ten hove gelargeert ende vrygegeven; nae dat menichmael op veelvuldige gelegentheden waeren ondervraecht geworden, daer alle distinctelyck tot contentement op geantwoort hebben. Gelyck dan den President, met deselve replyque, ter audientie van den Keyser selver, doch bedeckt gecomporteert wierde, ’t welck alles soo quadreerde, dat men oordeelde, de Nederlanderen een oprechte en ongeveynsde natie te syn. Waeruyt den Keyser bewogen is geworden, ons meer faveur als voor desen, te laeten genieten, ende soodaenigen toegang vergunt, als by passe van syn schoonvader ingewillicht sy; namentlyck by noot alle havens van Japan te mogen aendoen, daervan acte verleent heeft, als by ’t Japansch dachregister te lesen, ende ons in Japan toegesonden is.

Tot naedere ontdeckinge van Tartarien, ende ’t Noorder America, mitsgaeders d’opgeseylde Suyderlanden in ’t Oosten als Salomons eylant, daervan UEd. voor desen caerten, onse bevindinge ende opinie gecommuniceert hebben, inclineren wy seer, maer pregnanter affairen ende manquement van bequaeme jachten, hebben ons tot dato wederhouden; ’t sal echter nodich wesen die vaert behertigen ende de reeds ontdeckte landen, beter ondersocht worden, alsoo vertrouwen immers eenige gout ende silverryck te syn. Soo begrypen oock meer ende meer, de ontdeckingh van eenige rycke minen voor de Comp. gansch nodich te syn, die oock vertrouwen noch opgedaen sullen worden, byaldien buyten prejuditie ende behoudens Comp. respect, met den Portugees hier te lande tot accoort ende vrede geraecken. Inclineren seer een[249] voyagie naer Chily t’ondernemen, omme t’onderstaen off quantité gout, voor aldaer getrocken coopmanschappen omte setten syn, ende met eenen mede in de West-India à l’improviste een treffelycken buyt te haelen, ’t welck men meent door Godes hulpe niet ontslaen soude. Ende dewyle UEd. opinieeren, die van de West-Indische Comp. haer octroy, omtrent Chily extenderende, te sullen mainteneren, sal by ons, ten waere UEd. ’t selve geliefde t’ordonneren, niet getracht worden aldaer te rusten, ’t welck buyten dat van desen cant gevouchelyck soude geeffectueert, ende oock behouden connen werden. Wy hebben wel verstaen ’t geene onder d’Heer Generael Brouwer saligers beleyt daer verricht is.

In ’t Casteel Batavia,
desen 23 Dec. Ao. 1644.

Aan dezelfden.


No. 8.

Extract uyt Batavia’s Daghregister, do. 14 December, 1643.

Met ’t schip de Swaen, comt hier oock den Schipper-Commandeur Marten Gerritsz. de Vries, 3 February voorleden jaer, met de fluyt Castricum ende ’t jacht Breskens, gelyck voor is geseyt, tot ontdeckinge van Tartaria ende d’eylanden achter Japan gelegen, uytgeseth; rapporterende van gemelte voyagie hetgeen volcht. Naer dat haer in Tarnaten ververscht, ende van eenige nootlyckheden versien hadden, gelyck boven geseyt, waeren 4 April, synde Paeschavont, haere reyse te vervorderen, weder onder seyl gegaen, nemende haren cours meest Noortwest; den 23 do. passeren de Cabo Spiritus Santo, omtrent 60 mylen beoosten, ende 3 Mey het eylant Malabriga in ’t gesicht, liggende op de Noorder breete van 24 gr. 30 min., ende 151 gr. 26 min. lengte. Elff daegen daernae, omtrent 3 glaesen nae sonnen-onderganck, bejegende (haer), op de hoogte van 33 gr. 20 min., ende 151 gr.[250] 45 min. lengte, omtrent 36 à 37 mylen N.N.W. van den S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, een eylant, by hen het Ongeluckige genoemt; daer, vermits het subytelyck gants stil wiert, ende de see hart naer de wal aenschoot, genootsaeckt wierden, haer ancker toe te laeten gaen, op 30 vadem, coraelgront; voornemende des daechts daeraen, hetselve met de boot (te) gaen besichtigen, off daer eenige ververschingen op te becomen waeren; maer ontstacq subytelyck soo vehemente storm uyt den S. ende S.W.t.W., maeckende een botten laeger wal, dat Castricum ’s dagelycx tou brack ende het tuyancker doorginck. Soodat in een oogenblick tyts, dicht aen de wal, midden ondertusschen de hooge ende steyle clippen geraeckten, alwaer het plechtancker lieten vallen, het welck ten allen geluck houdende, in duysent vreese, hebbende van tyt tot tyt de doot voor oogen, den dach met verlangen inwachtte. Doen den dageraet doorbreeckende, saegen niet sonder ysen het groulyck gevaer, in ’t welcq den gantschen nacht geweest waeren. Ondertusschen bracq het tuytou mede aen stucken, soo dat op ’t plechtancker alleen most opdrayen, welcx tou door ’t geduerich slingeren ende stampen, oock meest halff doorgevylt was, soo dat geen beter raet vonden, als hetselve, synde doch met winden niet t’ huys te crygen, de byl in de neck te leggen, de seylen daerby te rucken, ende over d’een off d ’ander boech, uyt de clippen sien te geraecken, daer Godt Almachtich syn segen toe verleende. Soo dat met verlies van voorsz. anckers, weder van de wal ende rudsen geraeckten, maeckende geen ander gissingh, off ’t jacht Breskens, dat nergens vernomen, was met man ende muys verongeluckt; maer hadde door Godes hulpe see gehouden, wetende oock niet beter, off Castricum was in de clippen, aen duysent stuckken geraeckt. Soo dat van daer voorts elck bysonder, haer geordonneerde voyagie vervorderende, Castricum 22 der geseyde maent, op de breete van 35 gr. 30 min., ende de lengte van 160 gr. achter op de Oost cust van Japan vervielen; meenende in ’t West een eylant voor[251] de boech te hebben, alsoo Japan in de caerten soo verre om de Noort niet en streckt. Langs dese cust seylende, cregen verscheyden visschersbarcken, met ververschingh van alderhande goede visch, aen boort, die tegens ryst incochten. Japan tot op de 40 graden, aen de uyterste N.O. hoeck aen boort gehouden hebbende, quaemen op 7 Juny, op 42 gr. aen ’t lant van Jeso, ofte gelyck de inwoonderen het noemen Eso, synde een hoogh lant, het geberchte meest met sneeuw bedeckt; langs welcq S.O. cust, omtrent 60 mylen, meest altyt door dicken nevel geseylt, ende ettelycke maelen ten ancker gecomen waeren. Vindende hetselve sober bewoont, met arm doch redelyck volck, schynende nae de Japanders, ’t voornaemste ’t welck daervan verstonden, te vallen was, traen ende pelteryen, die de Japanders tegens andere coopmanschappen, de ingesetenen comen affhandelen, doch noch in geen groote quantiteyt. Eenige der inwoonders hadden haer sabels, halsen ende ooren met silver geciert, maer hadden ’t selve in sulcke estime, dat niet te gelooven is, dat minerael daer gedolven wiert, off het most wesen in gantsch geringe quantiteit. De voorsz. cust van Eso op 4412 gr. ten eynde synde, hebben weynich daeraff een lang smal eylant bejegent, streckende meest N.O. ende S.W., dat het Staten lant geintituleert hebben, synde meest dorre blinckende bergen, ongeveer 30 mylen lanck, doch op eenige plaetsen gantsch niet breet. Daernae quaemen op de hoochte van 45, 46 ende 47 gr., aen een ander hooch ende breet groot lant, onbewoont van menschen, waervan op haere wyse, met eenige teyckenen daertoe dienende, solemnele possessie naemen, ende baptiserende met de naeme van ’t Compagnies lant. Aen ’t blincken der geberchten, maeckten gissingh daer eenige rycke mineralen in moeten schuylen, waervan oock eenige clompen tot monsters medebrachten; maer en is daer niets uyt gevonden. Tusschen dit ende ’t Staten eylant, naemen voorts haeren cours Noortwaerts, waermede in ’t laetste van Juny in een groote, woeste, ongestuymige see gecomen syn, tot op[252] 48 gr., meest doorgaens met dicke duystere mist; doch geraeckten, vermits de N.Westelycke winden, op de N.O. cust van ’t lant Eso voornoemt op 45 gr., van waer deselve dan voorts 4 gr. N.waerts ontdeckende, al meest van een slach van volcq bewoont vonden. Saegen op dese cust een wonderlyck hoogen spitsen berch, die affirmeerden silverryck te wesen, maer saegen daer by de ingesetenen geen abondantie van; hebbende niet meer als een oir- ende twee armringen cunnen ruylen.

In ’t laetste van Julio, aen de uytterste hoeck van gemelt lant, tot op 49 gr. geraeckt synde, ende vermits de styve tegenwinden ende donckere coude mist, geen cans siende meer Noort te gewinnen, wierden den 3 Augusto gedwongen te resolveren, de geordonneerde reyse naer Tartarien te staecken, ende door die enghte, die gecomen waeren, weder te rugge te keeren, gelyck geschiede. In de bay van Goede Hoope (by hen soo genaemt) aen de S.O. cust van Eso, tamelyck ververscht ende van water ende branthout versien synde, gingen weder 5 September, van daer weder seyl, tot ontdecken van de gepresumeerde Gout ende Silverrycke eylanden byoosten Japan, nemende eerst hunnen cours, volgens ordre, weder naer gemelte lantschap, ende van daer recht voort O. aen 450 mylen, tot op 3712 gr. breete, met veel veranderlycke winden ende felle stroomen, sonder in die streeck over ende weder cruyssende, van den 10 der geseyde maent tot 1 October, eenich lant te vernemen, hoewel meest claer weder hadden, ende veel teyckenen van drift ende gevogelte saegen; soo dat voorseecker houden de gemeende Gout ende Silverycke eylanden, daeromtrent niet te vinden syn.

Die van ’t jacht Breskens, hadden mede hun devoir redelycker wyse gedaen, uytgesondert dat in ’t wederkeeren, op de Oostcust van Japan, gelyck primo deser verhaelt, voor de stadt Nambo in ’t lantschap Ockia ofte Masanumono, ten ancker geloopen synde, den Schipper Hendrick Schaep, nevens den Ondercoopman Willem Bylevelt, ende noch acht[253] personen, onvoorsichtich ende contrarie expresse ordre, met de boot aen lant gevaeren, door d’overheden aldaer aengehouden, ende naer ’t hoff Jedo gevoert waeren. Sullende ’t jacht buyten twyfel mede gearresteert syn, byaldien den Opperstierman, met de verdere Overheyt aen boort gebleven, daervoor beducht synde, stilswygende geen seyl gemaeckt hadden ende doorgegaen waeren. Doende voorts haer best, om de geordonneerde reyse te volbrengen, gelyck dan oock Eso, het Staten lant, Companies lant, ende meest alle gelycke bevindinge bejegent hadden; maer insgelycx vermits verloopen des tyts, ende styve contrarie winden Tartaria niet connen crygen, nochte oock de gepresumeerde eylanden achter Japan ontdeckt, nietjegenstaende de goede devoyren daertoe aengewent. Ende eyndelyck syn dese twee schepen, nae dat vyff maenden ende twintich dagen van den anderen waeren geweest, ende beyde op de wederom reyse aen ’t Ongeluckige eylant, alwaer eerst van den anderen waeren geraeckt, redelyck ververscht hadden, 9 November omtrent de S. hoeck van Cikoko, op 31 gr. 35 min. miraculeus weder byeengecomen. Met een groote vreuchde, d’een d’ander haer wedervaeren vertellende, ende soo voorts acht dagen daernae behouden in Tayouan, daer den Almogende voor gedanckt sy.

Gelyck uyt het geene verhaelt verstaen can worden, soo en hebben dese schepen, vermits harde tegenwinden ende dat met de bejegeninge van do. het Staten ende Comp. lant, de tyt verloren was, de geordonneerde voyagie naer Tartarien ende de stadt Jangio niet connen performeren; nochte oock van de Gout ende Silverrycke eylanden, die men seyt achter Japan te leggen, ende Ao. 1639 by den Commandeur Quast, insgelycx met twee schepen, te vergeefs gesocht syn, ietwes conde vernemen. Op Eso gelyck geseyt, viel niet als pelteryen ende traen, die d’inwoonders van Nabo daer quaemen negotieren, welck oock in de provintie van Matsmay, besit schenen te hebben, doch buyten deselve niet. Ende dus vele sy gesegt van de voyagie naer Tartarien, refererende den[254] curieusen leser, wegen verdere particulariteyten van winden, stroomen, gronden, custen etc. tot de Journaelen, by de respective overheden gehouden, mitsgaeders de prenten daervan gemaeckt.

Naer gedaene collatie, is dese met syn
principael bevonden t’accorderen.

In ’t Casteel Batavia,
desen 2 Mey Ao. 1644.

by my
Pieter Mestdagh.

(Buiten op staat)
Extract uyt Batavia’s Dachregister,
raeckende den gedaenen tocht om
de Noort ende Oost van Japan.


No. 9.

MAERTEN GERRITSZ. VRIES[37].

»Maerten Gerritsz. Vries van Harlingen, hier te lande gecomen Ao. 1622, den 22 July, met het schip ’t Wapen van Hoorn voor matroos, tegenwoordich Schipper à 75 guldens ter maent; wiens jongst verbant 9 September 1640 verstreecken synde, genegen is hem op nieuw weder te verplichten, werd ten dien aensien, als ten respecte van de diensten, welcke denselven buyten ’t ampt van Schipper, soo in ’t landmeten, afbeelden van landen en andere voorvallende occagien daer kennisse van heeft, aen de Comp. sy doende, by desen toegevoecht, een belooning van Hondert guldens ter maent, onder verbant van drie jaren, beyde gagie en verbintenisse primo December passato ingaende.”[A13]

Wanneer wij dit lezen, dan zal het wel geene verwondering baren, dat het ons hoogst aangenaam is, de onzekerheid te kunnen wegnemen, die er bij den Hoogleeraar Moll heeft[255] bestaan, als Z.H.G. in zijne Verhandeling[A14] van de Vries zegt: »La Perouse brengt in verschillende plaatsen van zijn werk regtmatige hulde toe, aan de juistheid der waarnemingen van de Vries. Welligt wordt hem hierdoor eene vermaardheid gegeven, die hem niet geheel toekomt. Hij was wel Gezaghebber op dezen togt, doch geen Schipper, en misschien geen zeeman; het is dus mogelijk, dat de nakomelingschap ondankbaar is jegens de nagedachtenis van den Schipper der Castricum, Pieter Willemsz. Knechtjes, aan wien het zeer mogelijk is, dat men alle die waarnemingen, welke zoo zeer geprezen worden, verschuldigd is.”

Uit de op de voorgaande bladzijden voorkomende stukken, van den Gouverneur-Generaal van Diemen en den Raad van Indië, blijkt het onzes inziens ten duidelijkste, dat de Vries wel degelyk Schipper en ook zeeman was, en allezins bevoegd om aan het hoofd te staan van een ontdekkingstogt, en dat hij in alle opzigten heeft beantwoord, aan het vertrouwen, dat men in hem had gesteld, zelfs zoo, dat men het voornemen had, hem weder voor denzelfden togt te gebruiken, in welke eer ook zijn hoogst verdienstelijke Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen zoude deelen[A15].

Dat men de verdiensten van de Vries reeds vroeger op prijs stelde, vinden wij vermeld in een schrijven van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, aan den Gouverneur van Tayouan op Formosa[A16], waarbij zij schrijven »Den Schipper Maerten Gerritsz. Vries, hebben met dese schepen gelargeert, alsoo verstaen op Tayouan dienstich is en UEd. sulcx versoeckt.” Dat hij aldaar met ijver en vrucht werkzaam was, schrijft de Gouverneur Traudenius[A17]: »Insgelycx gaet hiernevens, in handen van den Oppercoopman Sr. Jan Dircxz. Galen, een primuere caerte van ’t gantsche eylant Formosa, soo ’t selve van tyt by experientie is ondersocht, ende principalyck nu jongst met onse joncquen bevonden, op welcke caerte men seeckerlyck mach gaen, ende sal tot een groot licht, soo voor deselve die hier[256] van daen naer Japan, als insonderheyt die van daer in ’t Noorder mouson herwaerts tenderende syn, connen dienen. Schipper Maerten Gerritsz. Vries hebben dese caerte doen byeenstellen, waerin seer naerstich heeft gequeten; gelyck oock is doende in ’t uyt ende inbrengen der schepen, item de fortificatien concernerende, als andere diensten meer.” Wij vermeenen, dat het voor deze diensten is, dat Gouverneur-Generaal en Raden van Indië, in hunnen generalen brief van 1642 aan de Bewinthebberen verzochten: »om aen de huysvrouw van den Commandeur de Vries te betalen ƒ600 voor extra goede bewesen diensten.”

In de Instructie door genoemden Gouverneur gegeven aan den Veldoverste Johannes Lamotius[A18], »vertreckende om des vyants vestingen op het Noorteynde van Formosa gelegen te bemachtigen,” komt hij voor onder de personen die den Raad zullen uitmaken, als Schipper en Ingenieur.

Dat hij zijne gedachten over de wijze, langs welken weg het Zuidland te ontdekken ware, heeft laten gaan, zien wij, dat onder de »Pampieren den Schipper Commandeur Abel Jansz. Tasman, gedestineert tot ontdeckingh van ’t Suytlant, ter hant gestelt,” die onder No. 2 aldaar voorkomen, van zijne hand zijn[A19].

Dat door hem verschillende stukken over eene te doene reize om de Noord waren zamengesteld, zagen wij reeds uit zijne hem medegegeven Instructie[A20]. Mogen wij derhalve uit al hetgene wij hebben aangevoerd, om te bewijzen, dat de Vries bij zijne tijdgenooten reeds voor een kundig zeeman gehouden werd, niet met eenigen grond veronderstellen, dat hij te regt verdiende, aan het hoofd van een ontdekkingstogt te staan, en dat den lof, hem door La Perouse voor zijne naauwkeurige waarnemingen toegevoegd, wel verdiend is.

Aan de Vries, benevens zijne officieren, werd bij zijne terugkomst, eene belooning toegekend van twee maanden gagie in contant, terwijl aan zijn volk eene maand werd verstrekt[A21].

Maar eene bijzondere onderscheiding viel aan de Vries te[257] beurt, toen hij bij resolutie van 6 Februarij van het volgend jaar tot Examinator der scheepsjournalen van de Schippers en Stuurlieden werd aangesteld. »Alsoo wy eenigen tyt herwaerts, met groot misnoegen ende tot geen mindere schade als ondienst van de Comp., aengemerckt hebben de sorgloosheden, versuymen ende abuysen, welcke by de Schippers ende Stierlieden, op des Comp. costelycke schepen, hier te lande gepleecht werden; gelyck daervan met het schandelyck verseylen der Hollandia ende Otter, als bysonder noch onlangs met de voyagie door de fluyt Schagen, van Siam naer Malacca gedestineert ende herwaerts gecomen, gelyck mede van het schip Nieuw Delft, noch versche ende droevige exempelen hebben; soo is, om sulcx soo veel mogelyck voor te comen, goetgevonden te gelasten ende te committeren den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst van de gedaene ontdeckingh uyt ’t Noorden gekeert, om alle de aencomende scheepsjournaelen van de Schippers ende Stierlieden t’haerer aencompste te vorderen, die examineren ende ons de bevindingh te rapporteren, om de schuldigen off versuymigen naer merite, door den Achtbaren Raet van Justitie alhier, te doen corrigeren. Welcken Raet hy de Vries, in diergelycke saecken, oock met goede berichtinge ende advys sal connen dienen, waervan hem dientengevolge behoorlycke acte sullen doen passeren, opdat alsoo naegecomen werde.”

Deze betrekking bekleedde hij tot de maand October van hetzelfde jaar, toen het bevel over de schepen Sutphen, Schiedam en een jacht aan hem werd opgedragen, ten einde bij Manilha de Spanjaarden alle mogelijke afbreuk te doen. In de resolutie, waarbij hij tot Bevelhebber over deze schepen was aangesteld, bezigden Gouverneur-Generaal en Raden van Indië deze voor hem vereerende woorden: »Gebruyckende tot desen tocht als Hooft, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst over Molucco tot ontdecken der Noorder landen geemployeert, van waer ons[258] wegen synen gedaenen yver en naersticheyt goet contentement heeft gegeven.”[A22]

De Vries, die tot dus verre slechts den rang had bekleed van Schipper-Commandeur, werd bij resolutie van 5 Maart 1646 benoemd tot Commandeur; terwijl hem tevens reeds eene maand te voren andermaal het bevel over zeven schepen, op eene expeditie tegen de Spanjaarden in Manilha was opgedragen[A23].

Naauwelijks van deze togt terug, of er werd besloten, om eene hoogstaanzienlijke magt wederom derwaarts te zenden. Deze bestond uit negen schepen en jachten. Ook nu werd het beleid van dien togt aan de Vries toevertrouwd. »Tot noch in bedencken gebleven synde, wien het commando over de geordonneerde vloote van offencie, by onsen Raede van 24 December 1646, naer de custe van Manilha, tot afbreuck van den vyant gedestineert, sullen bevelen, ende hoewel het wel meriteerde een persoon van eene aensienelycke qualiteyt ende ontsach uyt onsen Raede, is echter, dat niet willende contrarieren, d’ordre van onse Heeren Meesters, te meer den Raet tegenwoordich syn compleet getal van Raeden noch niet en heeft, daerin niet en durven treden. Soo is nae rype deliberatie ende overlegh van personen, die haer (hier) present by der hant hebben, geresolveert, voorschreven Commando weder te defereren, aen den Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, dewelcke wegens de situatie van de Manilhasche custe, door lange ervaerentheyt, grondige kennisse becomen, ende ons tot noch toe, wegens de voorleden jarige expeditie ende andere gedaene togten altyt goet contentement gedaen heeft.”[A24]

Deze togt werd echter met geen gunstig gevolg bekroond. De aanslag op Manilha mislukte. Wel werd er een klooster ingenomen, maar daarentegen gingen er vier schepen verloren. De vloot verloor ruim 600 man aan zieken, waaronder ook de Bevelhebber Maerten Gerritsz. de Vries, zoodat men genoodzaakt was terug te trekken.

[259]Men was te Batavia over den ongelukkigen afloop dezer expeditie zeer ontevreden, die men toeschreef aan de onachtzaamheid van den Commandeur. Men nam echter genoegen met het verdeelen van den buit, door genoemden Commandeur in het klooster St. Domingo bekomen. »Van gelycken, dat by den over dese vloote gewesen Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, voor syn overlyden, in ’t manhaftig bestormen ende veroveren van ’t Castiliaensch clooster St. Domingo, in ’t selve becomen syn, veertien duysent realen van achten, ende daervan de Comp. geattribueert 5000, onder ’t volck verdeelt 6600, ende hem selven toegeeygent hadde 2400 gelycke realen. By welgemelte Haer Ed. om verscheyden consideratien, oock dat den buyt, als meermaelen verhaelt, by landtochten principalycken vercregen, geheel vrygegeven sy, geapprobeert ende voor welgedaen genomen wordt.”[A25]


Aldus eindigde de Vries zijn werkzaam leven. Als matroos in Indië gekomen, klom hij van rang tot rang tot dien van Bevelhebber. Vele en belangrijke diensten heeft hij in zijne verschillende betrekkingen der Comp. bewezen; maar door zijne ontdekkingen in het Noord-Oosterdeel van Azia, waardoor de kennis der Aardrijkskunde van dat gedeelte des Aardbols grootelijks vermeerderd werd, heeft hij zich als een der uitstekendste zeelieden van zijnen tijd doen kennen, en daardoor zijnen naam voor de vergetelheid bewaard.


No. 10.

CORNELIS JANSZ. COEN.

»Cornelis Jansz. Coen van Hoorn, in ’t lant gecomen, den 18 Maert Ao. 1639, met ’t schip Breda, voor Opperstierman à 56 guldens ter maent; wordt op syn versoeck[260] ende bequaemheyt, mits ruyme tyts expiratie, voor twee jaeren in gemelte qualité gecontinueert, onder eene belooning van 66 guldens ter maent; daermede alle desselfs pretentien op de Comp. comen te cesseren; verbant ende gagie primo December passato ingaende.”[A26]

Ziedaar alles wat wij tot dus verre weten van hem, aan wien wij het te danken hebben, dat de reis van de Castricum is opgeteekend geworden. Wij sullen in hem den getrouwen opmerker wel niet miskennen, en er bijvoegen, dat de goede resultaten, die de reis van de Vries heeft opgeleverd, ook wel mogen toegeschreven worden aan hem, wiens journaal de onderscheiding te beurt viel, met dat van de Vries, naar het vaderland werd opgezonden te worden.[A27]

Zoo het ons geoorloofd zij gissingen te maken, dan zoude het ons niet vreemd voorkomen te veronderstellen, dat onze Coen vermaagschapt was aan den Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen, die mede te Hoorn geboren was, en den 20 September 1629 te Batavia overleed.


[37] Volgens eigenhandig geschreven brieven onderteekende hij zich Marten Gerritsz. Fries.


[261]

AANTEEKENINGEN.

[A1] Deze reis was echter geenszins onvruchtbaar, voor de kennis der Aardrijkskunde. Onder anderen werden eenige eilanden ontdekt, die door den Heer von Siebold voor dezelfde erkend zijn, die later door de Engelschen de Bonin eilanden werden genoemd. Deze eilanden liggen op 26 gr. 38 min. en 27 gr. 4 min. N.Br., en 142 gr. 28 min. en 142 gr. 20 min. O.L. van Greenwich. Zie zijne Geschichte der Entdeckungen im See-gebiete von Japan, nebst Erklärung des Atlas von Land- und See-karten vom Japanischen Reiche und dessen Neben- und Schutz-Ländern. Leyden, 1852. bl. 7.

[A2] Verklaring der cijfers en letters in dezen brief voorkomende:

T. a. r. t. a. r. i. e. n. Goud en Zilver E. y. l. a. n. d. e. n.
Oo. s. t. e. n. J. a. p. a. n. J. a. p. a. n.
n. o. o. r. t. T. a. r. t. a. r. i. e. n.

[A3] Deel II, bl. 52.

[A4] Considérations sur les nouvelles découvertes au Nord de la grande mer du Sud. Paris. 1753. pag. 90.

[A5] Journael van de reyse gedaen beoosten straet Le Maire naer de custen van Chily, door den Admirael Hendrick Brouwer, in 1643. Amsterdam. 1646.

[A6] Voyage de La Perouse autour du Monde. Paris. 1785-1787. Tom. III, pag. 117-157.

[A7] Verhandeling over eenige vroegere zeetogten der Nederlanders. Amsterdam. 1825. bl. 202-214.

[262][A8] 1848-1849. Tom. III. pag. 400.

[A9] Idem, pag. 401.

[A10] Von Siebold, bl. 12.

[A11] Zie Bijlage No. 10, bl. 259.

[A12] La Perouse, Tom. III. pag. 153.

[A13] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van Indië, van 31 December 1642.

[A14] t. a. pl. bl. 205.

[A15] Zie Bijlage No. 6, bl. 247.

[A16] Missive Gouverneur-Generaal en Raden van Indië, aan den Gouverneur Paulus Traudenius op Formosa, van 13 Junij 1640.

[A17] Idem, van laatstgenoemde, aan den Gouvern.Generaal enz., van 10 Januarij 1641.

[A18] Den 7 September 1642.

[A19] Verhandelingen en Berigten betrekkelijk het Zeewezen enz., 1854, No. 2, bl. 96.

[A20] Hier voren, bl. 32 en 33.

[A21] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van Indië, van 21 December 1643.

[A22] Idem, van 17 October 1644.

[A23] Idem, van 17 Februarij 1646.

[A24] Idem, van 21 Januarij 1647.

[A25] Idem, van 20 idem 1648.

[A26] Idem, van 23 idem 1643.

[A27] Zie Bijlage No. 6. bl. 243.


[263]

AARDRIJKS- EN VOLKENKUNDIGE TOELICHTINGEN

TOT DE ONTDEKKINGEN VAN

MAERTEN GERRITSZ. VRIES,

MET HET FLUITSCHIP CASTRICUM Ao. 1643,
IN ’T OOSTEN EN ’T NOORDEN VAN JAPAN, DIENENDE
TOT ZEEMANSGIDS LANGS DE OOSTKUST VAN JAPAN
NAAR DE EILANDEN JEZO, KRAFTO EN DE
KURILEN.

DOOR

Jhr. Ph. F. von SIEBOLD.


[265]Door het Bestuur van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië werd aan mij de even vereerende als aangename taak opgedragen, het »Journael”, gehouden op de ontdekkingsreize van Maerten Gerritsz. Vries, in het Oosten en het Noorden van Japan, dat door de wetenschappelijke pogingen van Leden van het Instituut opgespoord en door hunne letterkundige medewerking door den druk bekend gemaakt is, met ter zake dienstige aardrijks- en volkenkundige aanmerkingen toe te lichten. Is het mij reeds gelukt, de onduidelijke voetstappen van onzen vermaarden Nederlandschen zeevaarder in het ver uitgebreide gebied van den Grooten Oceaan op te sporen en in mijne »Geschiedenis der ontdekkingen in het zeegebied van Japan” aan te wijzen, thans, waar zijn »Journael” voor mij open ligt, hoop ik die met meer zekerheid te kunnen vervolgen, en, na verloop van twee volle eeuwen, zijne ontdekkingen te bevestigen en in de geschiedenis van den ouden Nederlandschen zeeroem te boeken.

In de Inleiding en uit de Instructie, die het Journael vooruitgaan, is deze zeetogt, een van de meest belangrijke in de 17de eeuw, genoegzaam geschiedkundig toegelicht; mijne aanteekeningen zullen zich dus bepalen tot eene naauwkeurige aanwijzing van den koers door Vries van het eiland Breskens af aan, in de Japansche wateren, langs de Oostkust van Nippon en naar en langs het door hem ontdekte land van Jezo genomen; tot eene vergelijkende beoordeeling en bevestiging der waarnemingen en ontdekkingen van dezen zeevaarder, beschouwd uit het oogpunt der hedendaagsche[266] kennis van dat zeegebied, en tot een overzigt der uitkomsten, die deze zeetogt voor de hydrographie, voor de natuurkunde der zee en voor de volkenkunde opgeleverd heeft.

Om echter aan dat aanhangsel bij het Journael eene meer algemeen nuttige en aanwendbare strekking te geven, althans, daar ook in het Noorden van het Rijk Nippon, te Hakotade, eene haven voor de zeevaart geopend is, aan eene dringende behoefte voor de scheepvaart te voorzien, zoo heb ik mijne toelichtingen zoodanig gewijzigd, dat zij ook tot eenen Zeemansgids voor de vaart langs de Oostkust van Japan, en naar Jezo, Krafto en de Kurilen dienen kunnen.

Aan den staatkundigen invloed van Nederland in Japan heeft men veelal eene meer algemeene vrijheid van scheepvaart naar dat land op den weg des vredes te danken; zoo moge dan ook door de waarnemingen en ontdekkingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders de grondslag tot eenen wegwijzer langs zijne nog weinig bekende kusten gelegd worden.

von Siebold.


[267]

I. DE ONTDEKKING VAN HET EILAND BRESKENS EN VAN DE QUAST’S EILANDEN.

De Commandeur Vries had den 29 April, op 16° 50′ N.Br. en 149° 3812′ O. v. Teneriffe (128° 18′ 6″ O. v. Gr.) den raad van ’t fluitschip Castricum en van ’t jagt Breskens beroepen, en besloten den koers N.O. te vervolgen, zoo weder en wind het zouden toelaten, tot op de breedte van 24° N. en op de lengte van de Oostkust van Japan (toenmaals volgens de waarnemingen van Mathijs Quast en Abel Tasman, op den 24 Aug. 1630, op 31° 40′ O. van Pulo Timoan (135° 55′ O. v. Gr.) bepaald). Den 7 Mei bevond men zich op 24° 4′ N.Br. en 150° 56′ 30″ O. v. Ten. Kleine klipmeeuwen, schuim, drijvend zeekroos en een stuk hout lieten zich als teeken van land herkennen, hetwelk men echter niet zien kon. Den volgenden morgen (8 Mei), na zonsopgang, zag men in ’t W.t.N. 13 N. binnen een’ afstand van 4 Duitsche mijlen, een klein, omtrent 112 mijl lang, niet hoog eiland. Dit eilandje lag, volgens de op den middag gedane waarneming, op 24° 43′ N.Br. en 151° 3112′ O. v. Ten. (130° 11′ 6″ v. Gr.). Daar zich op de Compagnie’s-kaarten[38] op deze breedte, behalve het eiland Malabrigo, geen ander bevond, en dat eiland, volgens gissing, 21 mijlen in ’t W. lag, zoo hield men het geziene voor onbekend, en omdat het van het jagt Breskens het eerst gezien was, gaf men het den naam van Breskens-eiland.

[268]Op de zeekaarten van den toenmaligen tijd bevinden zich tusschen 25° en 27° N.Br. en binnen een’ lengteafstand van omtrent 70 Duitsche mijlen, slechts drie eilanden, waarvan het zuidelijkste en westelijkste den naam van Amsterdam, het noordelijkste en oostelijkste (eigentlijk eene groep van vijf kleine eilanden) dien van Ihlas dos Hermanos, en het derde, op 26° N.Br. 17 mijlen in ’t Z.W. van Ihlas dos Hermanos, dien van Malabrigo draagt.

De beide laatstgenoemde eilanden, welke zich reeds op de in 1570 in ’t licht verschenen kaart van Abraham Ortelius’ »Theatrum orbis terrarum”, bevinden, en waarvan Malabrigo in 1543 door Bernardo de Torres is gezien geworden, zijn onbetwistbaar het Hooge Meeuwen eiland, het Engels en Grachts eiland, door Quast en Tasman in 1639 ontdekt[39], en op de voornoemde »Caerten van gedaene Coursen” de Quast’s eilanden genoemd[40]. Het[269] eerstgenoemde, onmiskenbaar ook door Nederlanders ontdekt, en allengskens wederom op de kaarten verdwenen, is in ’t jaar 1820 door een’ Russischen zeeofficier Lt. Ponafidin op 25° 50′ N.Br. en 131° 12′ O.L. teruggevonden, en naar zijn schip en omdat het twee eilanden zijn, Porodino’s eilanden genoemd. Zonder twijfel zijn het dezelfde die Kapt. Forbes aan boord van de brik Nile in Aug. 1825 voorbijgezeild, en het zuidelijkste op 25° 42′ N.Br., 131° 13′ O.L., en het noordelijkste op 25° 53′ N.Br., 131° 17′ O.L. gevonden heeft. Onlangs werden deze eilanden door Commodore Perry opgezocht en de ligging van het grootste en noordelijkste op 25° 47′ N.Br. en 131° 19′ O.L. bepaald.

[270]Met regt mogt het Breskens eiland als eene nieuwe ontdekking beschouwd worden. Daar echter het »Journael” van Vries verloren geraakt was, vindt men het nergens geboekt. Evenwel werd in ’t begin dezer eeuw zijn bestaan bij herhaling bevestigd. Door het Fransche fregat »la Canonnière,” werd in 1807 een eiland op 24° 30′ N.Br. en 130° 18′ 30″ O.L., en in 1815 door het Spaansche fregat »Magelan” insgelijks een klein laag eiland met struiken bewassen op 24° 26′ 40″ en 131° 03′ 46″ ontdekt en »Isla Rasa” genoemd. Deze beide eilanden zijn buiten twijfel een en hetzelfde[41], waarvan de gemiddelde breedte 24° 28′ 20″ N. en de gemiddelde lengte 130° 41′ 8″ O. zijn zouden. Neemt men daarbij in aanmerking de sterke oostelijke strooming der zee in dat zeegebied, die in 24 uren 35′ tot 40′ en meer bedragen kan, de onvolkomene middelen ter vinding en berekening van lengte in de 17 eeuw, en de opmerking, dat de door Vries bevondene breedte doorgaans eenige minuten te hoog is; zoo mogen wij gerust het Breskens eiland als eene Nederlandsche ontdekking op de kaart van den Grooten Oceaan aanteekenen en zulks met te meer regt, daar men op de nieuwste zeekaarten het eiland Rasa, nog maar als twijfelachtig (pointe dubieuse) en het Kendrick’s eiland geheel niet meer geplaatst vindt.


[38] Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot ontdeckingh van ’t Goudrijcke eiland, verg. p. 33.

[39] Journael ofte dachregister van den Ed. Commandeur Mathijs Quast. M.S. 1639. Von Siebold’s Geschichte der Entdeckungen im Seegebiete von Japan. Leyden 1853.

[40] Deze keten van eilanden, die zich van 26° 38′ tot 27° 45′ N.Br. en van 142° tot 142° 14′ O.L. v. Gr. uitbreiden, is later meermalen teruggevonden geworden, en vindt zich onder de namen van Islas del Arzobispo (1734), Margarets eilanden (1773), Mendizaval, Desconosida, Guadelupe, e.z.v., en onder zeer verre uiteenloopende lengtebepalingen op de kaarten van de 18de eeuw aangeteekend, maar nergens aardrijkskundig beschreven. Ook zijn zij door de Japanners reeds in 1675 bij toeval ontdekt en Munin-sima, d. i. eilanden zonder menschen, en later naar den ontdekker Ogasawa-sima genoemd, en in 1785 door eenen Japanschen aardrijkskundige Fajasi Sivei in zijn boekwerk „San-kok-tsu-ran-dsu-ki”, d. i. Beschrijving van drie rijken, beschreven en in kaart gebragt geworden. Dat boekwerk en eene Nederduitsche vertaling daarvan werd door den geleerden Isaak Titsingh, in de jaren 1780-1785 Opperhoofd van den Nederlandschen handel in Japan, naar ’t vaderland overgebragt, is echter na zijn’ dood (te Parijs in 1812) in handen van Abel Remusat, en later in die van Julius Klaproth gekomen. Door deze onwettige erfgenamen van Titsingh’s letterkundige nalatenschap is dan ook de beschrijving van de zoogenoemde „Iles Bonin ou inhabitées,” in 1818 uitgegeven geworden, die op nieuw de aandacht van zeevaarders tot zich getrokken en de aanleiding tot de opzoeking, als het ware tot de wederontdekking, door den Engelschen Kapt. Beechey (in de maand Junij 1827) en door den Russischen Kapt. Lutke (in Mei 1828) gegeven heeft. Thans, sedert den 22 Aug. 1853, bestaat op het grootste der Bonin eilanden, het „Peel Island”, waarvan Beechey in der tijd voor Engeland bezit genomen had, eene gemeente van meestal Amerikanen, die zich „the Colony of Peel Island” noemt. De zuidelijke groep dezer eilanden, door BeecheyBaily Group” genoemd, werd in October 1853 door den Amerik. Kapt. Kelly onderzocht voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in bezit genomen, en naar den gezagvoerder van eenen Amerikaanschen walvischvanger „Transit”, die in 1823 bij toeval daar ten anker gekomen is, „Coffins Islands” genoemd. Commodore Perry, die de Bonin eilanden in 1853 bezocht heeft, begreep zeer goed, dat, zoowel voor walvischvangers als voor de mailstoomvaart van Californië naar China en later naar Japan, deze eilanden weldra een van de meest belangrijke stations in het noordelijk gedeelte van den Grooten Oceaan zullen worden. In ’t bezit der „Quast eilanden” heeft dus Engeland met Amerika gedeeld, terwijl de eer der ontdekking aan onze oude zeevaarders en de verdienste van de eerste aardrijkskundige kennis daarvan aan de letterkundige nasporingen van onze Nederlandsche geleerden toekomt. De schrijver dezes heeft reeds in 1824 de aandacht van de Nederlandsch-Indische regering op deze belangrijke groep van eilanden gevestigd, waar toch de Japansche regering, want ze worden tot het Japansche rijk geteld, liever de Nederlandsche als eene andere vlag zag waaijen!

[41] Ook houdt von Krusenstern een ongeveer 4 engel. mijlen lang eiland, door den Engelschen kapitein Kendrik op 24° 35′ N.Br. en 134° gezien en onder de naam van Kendrik Island in de kaart van Arrowsmith opgenomen, voor Rasa.


II. DE ONTDEKKING VAN DE TASMAN’S EILANDEN.

Op de terugreis van den in 1639 door Mathijs Quast en Abel Tasman ondernomen zeetogt tot het opzoeken van de »Gout- en Silverrycke eylanden” gelegen ten Oosten van Japan, werd op den 2 December de kust van Japan[271] op 34° 54′ N. Br. ontdekt. Dit land, hetwelk zij voor de eilanden hielden, die op de oude Portugeesche kaarten in ’t W. van den Z.O. hoek van Nippon geplaatst zijn, is wel degelijk de Z.O. hoek van dat groote eiland van Japan, Kaap Sirofama en op de oude Portugeesche kaarten Capo de Bosho genoemd. Van hier namen zij een’ Z.Z.W. koers, langs welken weg zij verscheidene kleine eilanden ontdekten, hunne ligging, zoo goed zij konden, bepaalden en voortreffelijke afteekeningen ten behoeve van ’t land vervaardigden. Aan deze keten van eilanden heb ik den naam van de Tasman’s eilanden gegeven[42].

Een van deze eilanden, dat zich als »heel hooch lant” vertoonde, werd den 19 Mei 1643 van boord van het fluitschip Castricum op korten afstand gezien, welk schip zich kort daarna, door wind en strooming der zee, genoopt zag aan den N.W. hoek van hetzelve ten anker te komen. Dit eiland, waaraan Vries, den naam »het Ongeluckich eylant” gegeven heeft, wordt bij de Japanners Fatsi sjô genoemd en ligt volgens de waarnemingen van den Hof-astronomist Sakusajemon te Jedo, op 33° 6′ 30″ N. en 3° 50′ 30″ O. van Mijako (139° 30′ 30″ O. v. Gr.). Kapt. Broughton, die in 1796 deze eilanden bezocht heeft, bepaalde de ligging van Fatsi sjô op 33° 6′ N. en 140° O. Op de originele kaart van zijnen togt ligt het op 33° 4′ N. en 140° 7′ O. De N.W. hoek daarvan, waar Vries is ten anker gekomen was, is, volgens zijne gissing, op de breedte van 33° 22′ en op de lengte van 158° 5112′ O. v. Ten. (137° 30′ 6″ O. v. Gr.) gelegen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat het verschil van de lengtebepaling van de eilanden, die wij op de kaarten van de 17 en 18 eeuwen tusschen 24°-28° N.Br. waarnemen, aan eenen oostelijken stroom der zee in dat zeegebied te wijten is, en getoond, dat dit verschil somtijds twaalf graden bedraagt. In evenredigheid daarvan is dus het verschil van de lengtebepaling van Vries tusschen die van den Hof-astronomist (aan welke ik de voorkeur geef boven die van Broughton), dat 2° meer oostelijk bedraagt, klein, wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de stroom om de Oost tusschen Fatsi-sjô en de Z.O.kust van Nippon gedurende drie achtereenvolgende dagen door de Amerikaansche expeditie 72′, 74′ en 78′ binnen 24 uren is bevonden geworden.

De beschrijving, die in ’t Journael van het Ongelukkig eiland gegeven is, stemt met de door Quast en Tasman gemaakte schets overeen, en is dus de eenige beschrijving die wij tot heden van dit eiland kennen. De woorden »het Ongeluckich eylant was heel hoog lant, hem vertonende met 2 hooge ronde berge, waar tusschen een groot valey was,” zijn door Quast en Tasman’s landverkenning veraanschouwelijkt en laten tevens de benaming van een op deze hoogte op de kaart van de l’Isle uitgeteekend eiland »Montagne avec deux pics” verklaren[43]. Deze pieken vindt men ook op eene Japansche originele kaart van Fatsi sjô geteekend, en de hoogste daarvan Aka fusi jama d. i. de Roode Fusi berg (tegenover de beroemde vulkaan Fusi, die het grootste gedeelte van ’t jaar met sneeuw bedekt—dus wit is). Ook is de ligging en de gedaante van het kleine »hooch ront eylant” 1 tot 112 mijl W. van de N.W. hoek van het Ongelukkig eiland gelegen, door de Japanners Kosima, d. i. klein eiland en op de kaart van Vries »ronde holm” genoemd, zeer juist opgegeven, terwijl de opmerking, dat »hier tusschen de stroom met een styve corent om de N.W. zonder stille doorliep,” eene hoogst belangrijke is voor de kennis van den Japanschen stroom Kuro siwo of Kuro gawa, d. i. zwarten zeestroom. Van dezen stroom, dien ik volgens eene Japansche originele kaart op mijne kaart van Japan[273][44] overgenomen heb, wordt gezegd, dat hij tusschen Fatsi sjô en Mikura (Prince-eylant van Vries) ongeveer 3 engelsche mijlen breed en in ’t voorjaar en den winter gevaarlijk te bevaren is. Door de Amerikaansche expeditie is deze stroom nader onderzocht, in kaart gebragt en beschreven worden[45]. De opmerking van Vries: »saegen veel steencroos drijven” bevestigt ook de waarneming, dat zich de Japansche stroom, gelijk de golfstroom in de Atlantische Zee, door banken van eene bijzondere soort van zeekroos onderscheid.

Het hoog eiland op den 20 Mei ’s morgens in ’t Zuiden van het ongelukkig eiland gezien en bij Vries »Suyder eylant” en bij de Japanezen Awo sima, d. i. Groen eiland genoemd, is ook reeds door Quast en Tasman (den 3 Nov. 1639) ontdekt en zijne ligging op 6 à 7 mijlen Z.t.W. van het Ongelukkig eiland, op 32° 33′ N.Br., bepaald en eene landverkenning daarvan vervaardigd geworden.

’s Avonds van den 20 Mei voor anker gekomen op 33° 52′ gegiste breedte en 159° 22′ lengte O. van Ten. (volgens onze verbetering met +2°, op 140° 0′ 36″ O. v. Gr.) werden van boord aan Castricum W.t.W. op een’ afstand van 11 à 12 Duitsche mijlen nog twee andere eilanden gezien. Deze zijn het eiland Mikura door Vries »Prince eylandt” en Mijake, door hem, volgens het Journael, »Barnevelts” en op zijne kaart »Brandend eilandt” genoemd, omdat er een steeds rookende berg op gezien werd.

Deze twee eilanden zouden op de gegiste breedte liggen van 34° 1′ en op de lengte van 158° 28′ (volgens onze verbetering 139° 7′ 36″ O. v. Gr.), eene bepaling, die met de waarnemingen van den Hof-astronomist en met Broughton’s kaart tamelijk goed overeenkomt. Van hier vervolgde[274] Vries, zoo als ik later zal aantoonen, zijnen koers de N.O. en O. kust van Japan, waarvan wij de eerste hydrographische kennis hem te danken hebben.

Op de terugreis werden door Vries de Tasmans-eilanden wederom opgezocht en hunne geographische ligging nog naauwkeuriger bepaald. Den 28 October bevond hij zich op 33° 58′ N.Br. en 160° 25′ O. v. Ten. (138° 34′ 36″ O. v. Gr.), waar het Prince-eiland W. 6 mijlen en het Barnevelts-eiland W.N.W. 6 mijlen gepeild werd. Volgens deze waarnemingen zoude het eerste op 33° 58′ en het tweede op 33° 6′ N.Br. liggen, hetwelk slechts een verschil van eenige minuten tusschen de waarnemingen van den Hof-astronomist en Broughton oplevert, terwijl zich de lengte van Mikura (het Prince-eiland), volgens de op de reede van Fatsi sjô op den 29 October bevondene lengte (159° 56′ O. v. Ten. of 138° 34′ 36″ O. v. Gr.), die 55′ 54″ minder dan die van den Hof-astronomist bedraagt, met eene verbetering van +55′ 54″ zich op 139° 36′ 30″ O. v. Gr. laat bepalen, die zoomede met de aardrijkskundige ligging, welke het op het kaartje van Commodore Perry’s zeetogt heeft, nagenoeg overeenkomt[46].

Op den namiddag van den 28 October nam Vries zijnen koers naar het Barnevelts-eiland en zeilde tusschen dit eiland en het Prince-eiland door, en bevestigde door herhaalde peilingen de onderlinge ligging van de Tasmans-eilanden. Op mijne verbeterde kaart van Japan (Atlas No. 1) heb ik dezen weg, het eerst door een Europisch schip genomen, de »Straat Castricum”, en de in ’t W. 12 N. 1 mijl (van Barnevelts-eiland) »veel hooge scherpe clippen boven water, die haer opdoen als toorens,” naar den verdienstelijken stuurman[275] van het schip, Coen’s klippen genoemd. Deze klippen heeft ook Broughton, die in 1796 denzelfden weg als Vries genomen had, gezien en beschreven: »Off the West point of Volcano Isle are some detached black rocks at two or three miles distance[47], en op zijne kaart aangeteekend. Op de kaart van Japan No. 2347, door de Admiraliteit te Londen in 1855/56 uitgegeven, zijn deze klippen »Black Rocks” genoemd. Deze zeevaarder heeft insgelijks eene andere, meer zuidelijk en iets westelijker dan de Coen’s klippen gelegen, groep van rotsen ontdekt, die door de Japanners Inaniwa en door von Krusenstern Broughton’s klippen genoemd zijn. Ik houd de Coen’s klippen voor dezelfde als de Redfield-Rocks, die op het kaartje van Commodore Perry en op de kaart der Admiraliteit op ongeveer 33° 55′ N.Br. en 138° 50′ O. L., als eene nieuwe ontdekking vermeld zijn. Wanneer, behalve de Coen’s klippen (Broughton’s Black Rocks), op deze hoogte nog andere klippen voorhanden waren, zouden die door Broughton, die daar kruistte, gezien zijn. Mogten evenwel de Redfield’s Rocks bestaan, dan liggen zij meer noordelijk en zijn dan ook dezelfde, die op Jansson’s kaart op 34° 35′ N.Br. en op den meridiaan van kaap Idsu opgegeven en dus ook door Vries gezien zijn. Ook zijn nog op dezen togt van Vries de, in ’t N.W.t.W. 5 mijlen en in ’t N.N.W. 6 mijlen van het Barnevelts-eiland, liggende eilanden waargenomen en onder den naam van Gebroken Eilanden in kaart gebragt. Aan deze eilanden en niet aan de geheele keten komt de naam Gebroken Eilanden toe. Aan de geheele keten—eene reeks van nog werkzame en uitgedoofde vuurbergen van Ohosima tot Fatsi sjô sima—hebben wij den naam van Tasman’s eilanden gegeven. Ik meende in deze geschiedkundige hydrogeographische[276] bijzonderheden te moeten treden, om niet alleen de voor meer dan twee eeuwen gedane ontdekking van deze geheele keten van eilanden door Quast, Tasman en Vries onbetwistbaar te bevestigen, maar ook om de juistheid hunner waarnemingen door vergelijking met die van vermaarde zeevaarders van onze eeuw aan te toonen en te doen waarderen.


[42] Von Siebold’s Geschichte der Entdeckungen, pag. 8.

[43] Carte de l’Asie, par J. de l’Isle, à Amsterdam, chez Covens & Mortier.

[44] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten von Japanischen Reiche. N. 1.

[45] Narrative of the expedition of an American Squadron in the China Seas and Japan performed in the years 1852-54 under the Command of Commodore M. C. Perry, by Francis L. Hawks. New-York, 1856. The Kuro siwo, or Japan stream. pag. 601.

[46] Map of the Japan Islands copied from von Siebold’s with slight additions and corrections by the U. S. Japan expedition and other authorities compiled by order of Commodore M. C. Perry, by Lieuts. W. L. Maury and Silas. Bent. 1855.

[47] A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. M. Sloop Providence and her tender in the years 1795-98, by W. R. Broughton. London. 1804. p. 140.


III. DE ONTDEKKING VAN DE OOSTKUST VAN JAPAN VAN DE KAAP SIROFAMA VAN NIPPON (HOEK BOSHO) TOT DEN NOORDHOEK.

De Oosthoek van het eiland Nippon was, met uitzondering van twee punten, die Quast en Tasman in 1639 gezien en in kaart gebragt hadden, toenmaals onbekend. Deze zeevaarders verkenden op den 24 Augustus de kust van Japan op 37° 30′ N.Br., en den 1 en 2 November op 34° 54′ N.Br. Het eerste was een gedeelte der kust tusschen de kaap de Kennis en de Rookhoeck (van Vries); het andere de Capo de Bosho (der Portugezen), de Zuidhoek van het landschap Awa, aan welks Westzijde zich de ingang tot de baai van Jedo bevindt.

Aan Vries heeft men de ontdekking en de opneming der geheele kust van den hoek Bosho tot aan den Noordhoek van Japan (van 34° 58′ tot 41° 25′ N.Br.) te danken; eene kuststreek, die tot de opening der havens van Simoda en van Hakotade (op Jezo) door geen’ zeevaarder, dan in 1739 door Kapt. Spangberg en Walton[48], in 1779 door Kapt. King[49], en in 1796 en 1797 door Kapt.[277] Broughton[50], is bezocht geworden. De beide laatstgenoemde hydrographen konden echter alleen met behulp van het gebrekkige kaartje van den zeetogt van Vries, dat omstreeks het jaar 1650 door Johannes Janssonius is uitgegeven[51], den koers van onzen zeevaarder opsporen en zijne ontdekkingen bevestigen.

Ook voor den schrijver dezes waren bij de zamenstelling van dit gedeelte der kust van Nippon, behalve oorspronkelijke Japansche, geene andere kaarten beschikbaar dan Broughton’s kaart[52].

Het is dus van een wezenlijk belang om thans uit het teruggevonden Journaal van Vries zijne ontdekkingen toe te lichten. Daar echter de kennis der configuratie van het oostelijke gedeelte der kust van het groot eiland Nippon tot nu toe op oorspronkelijk Japansche kaarten berust, volgens welke de meest beduidende uithoeken, bogten en baaijen, door Vries, King en Broughton ontdekt, aardrijkskundig bepaald, benoemd en in kaart gebragt zijn, zoo dienen wij ook bij onze herziening der ontdekkingen van Vries eene Japansche kaart tot grondslag te nemen, en zullen daartoe onze kaart van het Japansche rijk bezigen, die wij naar oorspronkelijke kaarten en de waarnemingen der Hof-astronomisten te Jedo zamengesteld hebben[53]. En om ook uit de waarnemingen van onzen vermaarden zeevaarder zoo veel mogelijk nut te trekken, zullen wij die in vergelijking met anderen tot eenen Zeemansgids langs deze[278] weinig bekende kuststreek trachten te bewerken. Op deze wijze zullen wij aan de scheepvaart langs de Oostkust van Japan eene dienst bewijzen[54].

De hoek Bosho. De Z.Oosthoek van Japan, door een voorgebergte van het landschap Awa op het eiland Nippon gevormd, is door de Portugezen Cabo de Bosho, naar de niet ver daarvan afgelegene haven van de stad Fôsjo genoemd. Op de oorspronkelijk Japansche kaarten draagt het oostelijke uiteinde van deze kaap den naam van Firatatsi, en het westelijke dien van Susaki, en het tusschen beide liggende strand Siro fama, d. i. witte strand. Kaap Susaki ligt, volgens de waarnemingen van den Hof-astronomist Sakusajemon op 34° 58′ 30″ N.Br. en 139° 38′ O.L. v. Gr., en kaap Firatatsi (door von Krusenstern Cap King genoemd) op 34° 55′ N.Br. en 139° 57′ O.L. Het zuidelijkste uiteinde van Siro fama op 34° 54′ N.Br. en 139° 44′ O.L. Op de originele kaart van Broughton[55] ligt de Z.Oosthoek van Nippon op 34° 55′ N.Br. en 140° 12′ O.L. Vries bepaalde de breedte van kaap Bosho op 35° 14′ 30″ N. en nam daar 7° oostelijke miswijzing van het kompas waar. Door de Amerikaansche expeditie onder Commodore[279] Perry werd de aardrijkskundige ligging van kaap Firatatsi op 34° 53′ 15″ N.Br. en 140° 18′ 15″ O.L. v. Gr. bepaald, hetgeen nagenoeg met de door von Krusenstern volgens Broughton’s waarnemingen berekende breedte en lengte (34° 54′ N. en 140° 19′ O.) overeenkomt[56]. »Het lant is hier op veel plaetsen 2, 3 dubbelt (de bergen Kjozumi, Takasukajama, Tenin, laatste de berg King en Katsijama) maer steyl op ’t water neer, met veel witte plecken (Siro fama); het lant om de Suyt, van de hoeck Bosho, is hooger als om de Noort; men kan de wal bequaemelyck aenlooden van 36 tot 10 vadem, somtyds craelgront, somtyds singel, somtyds sant.” De stroom loopt hier om de N.O. en N.N.O. Kapt. King berekent de snelheid van den stroom, die 45 Eng. mijlen O. van dezen uithoek N.O. 12 N. liep, op 3 Eng. mijlen per uur. Het is hier de N.Westelijke grens van den Japanschen stroom (Kurosiwo, d. i. zwarte zeestroom), die een graad zuidelijker, volgens de waarnemingen der Amerikaansche expeditie, nog met eene snelheid van 72′ tot 80′ per dag loopt. Vries zag hier steenkroos drijven, hetwelk ook in ongewone menigte op de hoogte van Iso mura door de Amerik. expeditie waargenomen werd, en met den fucus natans van den Atlantischen Golfstroom te vergelijken is.

In de bogt van Iso mura merkte men ook eene verkleuring van het water op, die waarschijnlijk aan de drijvende banken van zeewier toe te schrijven is. Hier werd 74 tot 80 vadem fijne zwarte zandgrond gelood[57].

[280]De witte Hoek. »Van de S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, streckt de cust N.N.O. tot de witte gepleckte hoeck, dan heeft men een laechlandige inbocht, streckende om de Noort, omtrent 4 mylen, ende de hooge santduyn.” De witte Hoeck, op de Japansche kaarten Dai do saki of Oho figasi saki, d. i. de groote Oosthoek genaamd, ligt, volgens Vries (Janssons kaart) op 35° 25′ N.Br. Iets zuidelijker van dien hoek steekt nog een ander voorgebergte in zee uit, hetwelk van eene digtbij gelegene kleine stad den naam van Katsura saki heeft. De baai in het Zuiden van dien hoek, die Vries voor »het leege voorlant alwaer eene rivier scheen in te loopen,” hield, is de bogt van Utsi ura met de haven van Kominato (d. i. kleine haven), waarbij verscheidene rivieren, waarvan de Itsumigawa en de Amanogawa de grootste zijn, uitwateren. Deze haven is 32 Ri[58] van kaap Sagami (ook Nagatzuru en Monomi saki genoemd), waar zich de ingang van de baai van Jedo bevindt, verwijderd, en de eerste, die men, van daar komende, op de Z.O. kust ontmoet. Digt bij den witten Hoek liggen verscheidene rotsen en kleine eilanden, waarvan het grootste Uwarasima heet; deze schijnen zich onder water in zee voort te zetten en in een rif uit te loopen. De Amerik. expeditie nam hier eene gebroken en anders gekleurde zee in eene diepte van 30 vadem koraalgrond waar, die nog iets oostelijker op 21 vadem verminderde. King en Broughton zagen op deze hoogte vele visschers en bewonderden de vlijt, waarmede het land bebouwd was.

De lage Inbogt. Van den witten Hoek tot den Zandduinigen Hoek trekt zich de kust in eene ongeveer negen mijlen wijde bogt terug, die den naam van Siro sato fama,[281] d. i. witte dorp strand, heeft. Het is eene lage landstreek, door verscheidene rivieren en meeren bewaterd. De grootste rivier is de Kuri jama gawa, die aan de grens tusschen de landschappen Kadsusa en Simosa in zee loopt. Langs deze bogt, »waer ze veel seekroos dryven en lammen of duikers swemmen sagen,” zeilde Vries met een’ N.O.t.N. koers tot op eenen afstand van 4 of 5 mijlen van den Zandduinigen Hoek, peilende 10 tot 20 vademen zwarten zandgrond, en verder tot op 4 mijlen O. van dien hoek 22 tot 42 vademen. De stroom loopt langs den lagen wal N.O. en N.N.O.

De Zandduinige Hoek, Dai do saki genaamd, ligt van den witten Hoek N.O.t.N. omtrent 9 mijlen af, volgens Vries op 36° N.Br. en volgens de originele kaart van den Hof-astronomist Takahasi Saku Sajemon op 35° 43′ N.Br. en 140° 46′ O.L. »Van de santduynige hoeck leyt een cleyn eylandeken Oost daer af, omtrent een myl, gelyck het Menscheterseiland in de straet Sunda. Omtrent een myl benoorden do. eylant, leyt nog een cleyn eylant, maer wat vlacker gelyck het eylant Haerlem, maer leyt dicht onder de wal. Van de Santduynige hoeck ontfalt hem het lant om de N.N.W., ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech lant.” Deze is de Walvischbogt. Aan den Zandduinigen hoek stort zich eene groote rivier, de Nasaka, in zee, die diep in het land bevaarbaar is; aan den mond van deze rivier is ook eene goede haven, Tosi minato, vanwaar men 38 Ri naar de voornoemde haven Kominato rekent. Binnen eenen afstand van omtrent 5 Eng. mijlen van dezen uithoek nam King een’ zeer sterken stroom van 5 Eng. mijlen per uur waar[59].

De Walvischbogt, door Vries zoo genoemd, omdat men daar eene menigte bruinvisschen, dolfijnen en vele[282] walvisschen zag; ook nam men daar veel wier waar, hetwelk, zoo als bekend is, de walvisschen gewoonlijk opzoeken. Op de Japansche kaarten is deze bogt Fitatsi hara no genoemd, d. i. vlak veld van het landschap Fitatsi. Met eenen N.W. koers naar den wal loopende, vindt men 40 tot 26 vademen wasigen grond. Het land is laag, vlak en moerassig door de wateren, die van het hooge binnenland afzakken, en zich in poelen en meeren verzamelen (zoo als de meeren van Takeda en Finuma). In ’t N.W. »op het laege lant in het diepste van de bocht,” steekt »een hooge gehackelde berch” uit (de bergketting door den Asifo, Majumi, Ohonô en andere bergtoppen gekenmerkt). De N. hoek van deze bogt is een lage vlakke hoek, de

Lage Hoek door Vries genoemd en op de Japanse kaarten Minato saki, d. i. havenhoek, omdat zich daar aan den mond van de rivier Nakagawa eene aanzienlijke haven bevindt, die 3 Ri van de stad Mito en 20 Ri van den haven van Tôsi ligt. Deze afstand komt met de waarnemingen van Vries goed overeen »de N.hoek (Minato saki) lach doen S.t.W. 3 mijlen van ons, ende de Santduynige hoek (Tôsi minato) lach doen S.t.W. wel 6 mijlen van ons; de N.hoek is een laege vlacke hoek.” Men heeft hier en meer noordelijk 40 tot 50 vademen zandgrond, die naarmate men den wal nadert, opdroogt. Hier begint het land hooger te worden tot den

Boompjeshoek. »Een steylen hoek gelyckende een eylant, alwaer wy (Vries) uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter bij do. hoek comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart santgront geweest hebbende. Waeren een myl van de hoeck, saegen doen dat daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch binnenlant op sommige[283] plaetsen 2, 3, 4 dubbelt, ende op veel plaetsen compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Sy noemden (de visschers) die rivier dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort opstreckte, Gissima, ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen dat daer in ’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende dat het om de Noort niet en docht. Op de steylen hoeck van Gissima staet wat in ’t lant een dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de andere uytsteekt in hoochte, hebbende een ronde cron.” De boompjeshoek is het voorgebergte, Siwoja saki genoemd, de rivier de Same gawa of Salm rivier. Eene plaats Gissima bestaat hier niet, mogelijk was daarmede de stad Idsumi, die eene mijl van den mond van de rivier ligt, of wel de hooge berg van Irusima bedoeld; digt bij den mond der rivier is eene haven, waarvan de afstand van Minato saki op 24 Ri aangegeven wordt. Het hooge land wordt door eene bergketen gevormd, waarvan zich de Jonowoko, Akainowoka en Irusima kenmerken, achter welke de toppen van den Jakojama en van andere hoogere gebergten uitsteken. Den Boompjeshoek W. 12 S. 3 mijlen en eenen hoek, »daer benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was N. 12 W. 3 mijlen pijlende”, bevond zich Vries op 37° 5′ N.Br., »hadden doen de diepte van 40, 36 vadem swarte santgront.” Volgens deze waarneming zoude de boompjeshoek op 37° 1′ N.Br. liggen. Op onze kaart ligt die op 36° 52′ dus 9′ zuidelijker. »Omtrent 6 mijlen van do. hoeck begint het hooch land te streeken om de Noort.” Daar is

De Gecartelde Hoek, ook Caep de Kennis genoemd, omdat Vries op deze hoogte zes dagen kruistte, ten einde het jagt Breskens in te wachten. Deze kaap op den 25 Mei[284] binnen eenen afstand van 4 mijlen van ’t land Z.W.t.Z. en het noordelijkste land dat men zien kon (Karasu saki op de Japansche kaarten) N.W.t.N. peilende, bevond zich Vries op de gegiste breedte van 37° 39′ N. Volgens onze kaart zoude zij zich op 37° 32′ N.Br. bevonden hebben, hetwelk slechts een verschil van 7′ voor de breedtebepaling van deze kaap oplevert. Volgens Vries ligt dus de Kaap de Kennis op 37° 11′ en volgens onze kaart op 37° 4′, op de kaart van Jansson echter op 37° 22′ N.Br. Op den middag van den 26 Mei, de Kaap de Kennis in eenen afstand van omtrent 7 mijlen W. 12 Z. van zich, bevond zich Vries op de bevonden breedte van 37° 20′ N. Volgens deze waarneming zoude echter de meergenoemde kaap op 37° 16′ N.Br. komen te liggen, hetwelk merkwaardig overeenkomt met de later door Kapt. King waargenomene breedte van 37° 15′ N. De door Broughton op zijne originele kaart opgegevene breedte komt met die op onze kaart juist overeen. De gedurende de kruistogt op de hoogte van Kaap de Kennis waargenomene diepten leveren de volgende uitkomst op: op eenen afstand van 2 tot 3 mijlen, 25 tot 40 vademen wasige zwarte zandgrond, op 4 tot 5 mijlen afstand van 45 tot 95 vadem wasige grond, konden echter geen grond opkrijgen.

Op de kaart van Jansson en op de kaart van »gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur Marten Gerritsen Vries, Ao. 1643”[60], vindt men eenen hoeck »Roock hoeck” genaamd, die echter in ’t Journael niet vermeld wordt.

De Rookhoek is buiten twijfel het noordelijkste land op den 25 Mei in ’t N.W.t.W. gezien en op de Japansche kaarten Karas’no saki, d. i.: Ravenkaap genoemd. »Een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, maer laech op ’t water neerliep.” De kust strekt[285] zich Z. en N. uit. Den 27 Mei ’s namiddags dezen hoek Z.W. en het noordelijkste land N.N.W. peilende, bevond zich Vries op de bevonden breedte van 37° 50′ N., zoodat de breedte van den Rookhoek 37° 42′ zoude zijn, hetwelk ook met de kaart van Jansson juist overeenkomt en met onze kaart slechts een verschil van -3′ oplevert. »Waeren hier bij wit gepleckt lant met eenige santboschies, omtrent 2 mijlen van lant hadden de diepte van 19, 20 vadem, singel ende grove santgront, hier was de gront ongelycke diepte cort op ende af. Het voorkant is duynich lant, maar anders hooch lant, op sommige plaetsen dubbelt; het lant om de Noort scheen een bocht beginnen te maecken. Wij vernaemen dat de stroom hier heen ende weer langs de wal liep.” De verandering van den grond, die vroeger wasig en zwart zand was, en hier singel en grof zandgrond, bevestigt, dat zich Vries op den 27 Mei ’s middags op omtrent 3 mijlen afstand van den Rookhoek bevondt, waar zich eene groote rivier, de Tamano gawa, in zee stort en zwaren kegelzand met zich sleept. Ook wordt in ’t Journaal maar eens van den lagen Santhoek gewaagd, te weten op den 31 Mei, ’s middags, waar zich Vries op 38° N.Br. binnen een afstand van 7 à 8 mijlen, W. daarvan op 70-75 vademen bevond. Op de kaart van Vries en Jansson is die uithoek op ongeveer 38° 10′ N.Br. aangeteekend. De plaats echter, waar Vries op den 29 Mei het werpanker op 29 vademen singelgrond vallen liet, en waar hij zich op den middag naar gissing op 38° en 4 mijlen van den wal bevond, is door een ankertje aangemerkt; deze bevindt zich in ’t Z.O. van

Den Lagen Zandhoek, die op de Japansche kaarten Ara fama, d. i.: woeste strand, genoemd is. Daar loopt eene van de grootste rivieren van de oostkust van Nippon in zee, de Ara Kuma gawa, aan welke ook de ongelijke diepte, de banken en de singelgrond te wijten is. De groote[286] bogt, die zich van hier allengs tot de Kaap Kinkwasan, in ’t Journaal Eylant Toy genaamd, is de baai van Sendai, waar zich de haven van Siho kama bevindt, waarvan men 42 Ri naar de kaap de Kennis rekent. Op onze kaart ligt de mond van den Ara kuma gawa op 38° 5′ en de haven van Siho kama op 38° 22′ N.Br.

Kaap Kinkwasan. Een eiland Toy bestaat niet; daarmede is echter buiten twijfel het eiland Kinkwasan verstaan, hetwelk ongeveer 1 mijl van het voorgebergte afligt, dat het oostelijk uiteinde van de baai van Sendaï vormt. »Dezen uitsteeckende hoeck van Toy is heel kenbaer; als men uyt de Suyt komt, vertoont hem als een hooch eylant, ende een weynich daer bewesten met een rey van gehackelt geberchte, met een corte spaetsy laech lant.” Dit eiland is Vries den 1 Junij op een’ afstand van eene mijl genaderd, en tusschen dit en een ander, dat hij Tafeleiland (op onze kaart Nagafama) noemde, ingezeild; »waeren omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent synde.” Volgens zijne waarneming op den middag van den 1 Junij waar hij, den spitsberg van Toy N.W. 12 W. op 2 à 3 mijlen afstands peilende, zich op 38° 24′ gegiste breedte bevond, ligt dit eiland op 38° 32′ N.Br., hetwelk slechts een verschil van +7′ met de bepaling van den Japanschen Hof-astronomist Sakusajemon oplevert. Deze waarneming werd op den 2 Julij bevestigd, waar het zuideinde van Toy op 38° 29′ bevonden werd, overeenleggende met het zuideinde van het Tafeleiland. »Recht Noorden van het Suyteynt van Toy 1 à 2 mylen liggen eenige gebroocken eylanden ende clippen onder de wal; wat landelycker leyt noch een eylantie, wat langer ende hooger (Dezima); dicht onder de cust een half myl daer benoorden leyt noch een ront eylantie gelyck een Toppershoetien (Jesima), daer aen beyde eynden al scherpe[287] clippen, die boven water leggen, afstrecken ende vertonen haer als naelden. Tusschen het vorige eylant ende het Toppershoetien geleek een rivier in ’t lant te loopen”. Dit is echter eene diepe bogt Sjugo fama genoemd. »De cust streckte hun hier al noortwaarts, maar met veel inbochten ende was al hooch lant.” Deze eilandjes zijn op de originele kaart van Vries »Schildpads eylantjes” genoemd. Overigens is de beschrijving daarvan en van dit voor de vaart langs de Oostkust van Nippon gewigtig punt van verkenning voortreffelijk; wij willen echter nog aanmerken, dat tusschen het zoogenoemde eiland Toy (Kinkwasan) en den vasten wal een voor Japansche groote schepen bevaarbaar kanaal bestaat, dat Jama tori no seto, d. i. het fazanten kanaal, genoemd wordt, en dat aan de Noordzijde van de bogt van Sjugo fama zich een tak van de groote rivier Figami gawa in zee stort, die tevens bevaarbaar is voor groote schepen en door een kanaal bij Miato, eene haven in de baai van Sendai uitwatert. Door deze 9 Ri lange vaart, die voor gewone niet al te groote schepen geschikt is, wordt de omzeiling van kaap Kinkwasan vermeden, die anders 22 Ri bedraagt. Mogelijk is die ook voor kleine stoomschepen bevaarbaar. Langs het grootste gedeelte van de Oostkust van Nippon droogt het water langzaam tot op 10 vademen en minder op; rondom de kaap Kinkwasan echter vindt men reeds op korten afstand eene diepte van 80 vademen, en eenige mijlen verder in zee geen grond meer. In het Z.O. van Kinkwasan, 2 en 3 mijlen vandaar, nam Vries eene om de Zuid loopende strooming waar. Ook Broughton heeft (7 en 8 September 1797) langs de Oostkust van Nippon op 39° 55′ tot 40° 44′ N.Br. eene sterke Z. en Z.Westelijke strooming waargenomen. Deze heeft Vries reeds zuidelijker op 37° 39′ op een’ afstand van 4 mijlen van de kust ontmoet, en als oorzaak van de korte vreeselijk holle zee verklaard, »omdat[288] de strooming tegen de wind (uit S.S.O.) liep.” De Japansche stroom, de reeds vroeger genoemde Kuro siwo of zwarte zeestroom, schijnt aan den grooten oosthoek van Nippon, kaap Daihô saki, zijne kracht te breken, en vervolgens langs de kaap de Kennis meer N.Oostelijk te worden afgeleid. Behalve zijne snelheid en zijne rigting, die aan den zeeman niet ontgaan kunnen, kenmerkt zich de loop van dezen stroom gedurende de koudere jaargetijden en in hoogere breedte door den digten mist, die ’s morgens en ’s avonds zijn stroomgebied bedekt. Vries klaagt dikwijls tot op de hoogte van bijna 38° N.Br. over »vreeselycke donckere mist”, terwijl hij noordelijk door heel mooi begunstigd werd. Men kan dus als eene wet van dezen warmen stroom aannemen, dat zijn gebied zich langs de Oostkust van Nippon niet verder dan op 38° N.Br. uitstrekt, en dat zich tusschen hem en langs de kust een koude stroom indringt, die van de Zuidkust van Jezo en mogelijk van de straat van Tsungar, waar, door dit tot op 12 Eng. mijlen verengd kanaal, de doorstrooming van al dat water belet wordt, afzakt en naar het Zuiden loopt. Dat deze aan den invloed der afwisselende winden min of meer blootgesteld is, is natuurlijk, en zijne kracht schijnt zich als het ware aan die van den warmen stroom allengskens te breken, alhoewel beide stroomen duidelijk onderscheidbaar voorbij stroomen. Want nog op de hoogte van de Tasmans eilanden wordt door de Japanners sedert eeuwen de grenslijn van den Kuro siwo waargenomen en bepaald. Ook is de warmte van het zeewater in het Noorden van de Oostkust van Nippon aanmerkelijk lager als van dat van den Kurosiwo, zijnde het maximum der temperatuur van dien stroom op 86° Fahr. en die der zee bij kaap Kurosaki (39° 56′) slechts op 55° Fahr.

De Tafelberg. »’s Avonts lach de Oosthoeck van Toy S.W.t.S. 5 à 6 mylen van ons, saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien wy[289] den naem gaven van den Tafelberch.” Deze is, volgens deze peilingen op den 2 Junij gedaan, waarschijnlijk kaap Wosaki op de Japansche kaarten; hetwelk ook met de kaart van Jansson en met de waarnemingen van King en Broughton overeenkomt. Daarna zou de hoek van den Tafelberg op ongeveer 39° tot 39° 15′ N.Br. moeten liggen. De beslissing daarvan laten wij aan het onderzoek van Nederlandsche zeevaarders—zoo hopen wij—over; betreuren echter zeer, dat Commodore Perry de Oostkust van Nippon, van de Witte hoek af aan tot kaap Sirijasaki een afstand van vier en een vierde graad van breedte, of 255 Eng. mijlen voorbijgestoomd is, zonder de aardrijkskundige ligging van deze zoo weinig bekende kuststreek nader onderzocht te hebben.

Caap de Goeree of Goede ree. »Een steylen hoogen gehackelde hoeck, dien wy Caep de Goeree noemden, omdat tusschen beyden schenen veel havens ende eylanden te liggen, daer (eene) Goede ree soo het leeck after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende S.t.W.” Volgens zijn bestek van ’s middags den 3 Junij, waar Vries op 39° 28′ N.Br. caep de Goeree N.t.W. 4 mijlen van zich had, zoude deze kaap op 39° 45′ N.Br. liggen. Op Janssons kaart is dezelve op 39° 40′ geplaatst. Het is de oostelijkste uithoek van Nippon, Kuro saki, d. i. de zwarte kaap genoemd, die volgens Sakusajemon op 39° 56′ N.Br. en 142° 10′ O.L., volgens Broughton’s originele kaart 20′ oostelijker, en volgens v. Krusenstern’s berekening 10′ oostelijker ligt. Wij zijn van meening aan de breedtebepaling van Vries thans, waar wij zijn Journael kennen, de voorkeur te moeten geven, en vooronderstellen, dat de kaap Kurosaki op de Japansche kaarten te ver van Tako fama, waar zich de zoogenoemde haven van Nabo of Nambu bevindt, geplaatst is. De haven van Nabo, waarheen de Japansche visschers aanboden Vries te zullen brengen, is die van[290] Mijako; en die van Schay is die van Kuzi (ook Kuziwoka genoemd). De eerste is 38 Ri van de haven van Dezima bij kaap Kinkwasan gelegen, en de laatste ligt 20 Ri noordelijk van die van Mijako af. Deze beide havens en nog eene 20 Ri noordelijker bij den Noordoosthoek gelegen, zijn de drie voornaamste havens van het noordelijkste gedeelte der Oostkust van Nippon, dat onder het district van Nambu behoort: daarvan Nabo of Nambu[61]. »Een groote voert, streckende S.S.W. heel diep in ’t land, souden naer wy sien conden daer heel uyt der see seylen connen,” werd de Voert van Goeree genoemd. Het is de ruime ingang van de haven van Mijako, door Broughton en King op hunne (al te kleine) kaarten met den naam van Port en Cape Nambu beteekend. De beschrijving, die King van den ingang maakt, komt met de Japansche kaart daarvan overeen; dezelve wordt door twee landpunten gevormd, waarvan de noordelijke lage (une pointe basse de terre) Tako fama, d. i. Inktvisch strand, heet, de zuidelijke hooger is, en met een’ kegelberg eindigt (une colline en forme de cone) en deswege den naam van Taka fama, d. i. hooge strand, heeft[62]. De diepte der zee is hier, 2 tot 4 mijlen afstands van den wal, meer dan 100 vademen wasigen grond. De kaap Kurosaki kenmerkt zich door eenige hooge naar binnen liggende kegelbergen (de Kairaki en Kabutojama), die tot het einde van Mei nog met sneeuw bedekt zijn.

De Noordhoek. »Het verste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8 mylen van ons (ende[291] Caep de Goeree S.S.W. 2 mylen) ende was een vlacke hooge berch (de Croonberch?); ende een laege vlacke afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons.” De veronderstelde Noordhoek van Japan is, zoo als uit de Japansche kaarten te zien is en uit de opneming van Broughton blijkt, slechts een gedeelte van de kust, die zich van het oostelijkste uiteinde van Nippon (kaap de Goeree of Kurosaki) in eene noordwestelijke rigting uitstrekt tot op 41° 34′ N.Br. Deze door Vries geziene Noordhoek is de kaap Tane itsi en de »laege vlacke afgaende hoeck,” de kaap Misaki op de Japansche kaarten, de eerste volgens Janssons kaart op 40° 10′, echter door Sakusajemon, King en Broughton 15′ tot 16′ meer noordelijk geplaatst. Daar wij, alvorens wij van Vries Journael kennis namen, vooronderstelden, dat de door hem benoemde Noordhoek kaap Misaki was, omdat de op Janssons kaart daarvoor opgegevene breedte juist mede overeenkwam, zoo hebben wij op onze kaart aan kaap Misaki den naam van kaap de Vries gegeven, terwijl wij aan kaap Tane itsi den van von Krusenstern gegeven naam Pointe Nord, King, bijbehielden. Langs deze kust tot op ongeveer 40° 23′ N.Br. heeft men op een afstand van 4 à 5 mijlen 72 à 100 vadem graauwe zandgrond.

Kaap Sirijasaki, of de Noord-Oosthoek (P. Nord-Est, Krusenstern.) Aan onzen Nederlandschen zeevaarder Vries en aan den Engelschen King bleef deze kaap onbekend. Op de, volgens oorspronkelijk Japansche, ontworpen kaarten van de 17e eeuw vindt men het noordelijk gedeelte van Nippon door omtrekken begrensd, die deze kaap duidelijk laten herkennen. Zijne aardrijkskundige ligging echter hebben wij aan Broughton te danken, die dit voorgebergte den 9 Augustus 1797 omzeilde, en hetzelve den 25 d. m. nader bepaalde en Cape Nambu noemde. Op deszelfs originele kaart is kaap Nambu op 41° 15′ N.Br. en 141° 30′ O.L. geplaatst. Von Krusenstern berekende de ligging van deze kaap op 41°[292] 22′ 45″ N.Br. en 141° 30′ O.L., en Sakusajemon op 41° 25′ N.Br. en 141° 46′ O.L. Op de kaart van »the Kuril Islands from v. Krusenstern, v. Siebold and Broughton” uitgegeven in 1856, door het hydrographisch bureau van de Admiraliteit te London, is von Krusenstern’s berekening bijbehouden. Digtbij liggen rotsen en een eilandje Rakosima, d. i. Robben eiland genoemd. Op den 5 Junij was Vries op deze hoogte en zag »veel seerobben ende veel drift.” Het diepte hier langzaam van 70 tot 100 vadem graauwe zandgrond.

De Kaap Toriwisaki (The North Point of Nipon, Brought.). Ook van deze kaap hebben wij de aardrijkskundige ligging aan Broughton te danken: »a low flat point situated in the latitude 41° 31′ N. and 140° 50′ E. of Greenw.” Volgens Sakusajemon ligt deze echter 3′ noordelijker en 20′ oostelijker, en op de kaart der Admiraliteit op de breedte volgens Broughton, maar 8′ oostelijker. Ook deze kaap eindigt met een eilandje, Benten genoemd, dat aan de Godin Ben zai ten, eene beschermster tegen zeemonsters, toegewijd is en met eene groep rotsen, die zich gelijk naalden boven water vertoonen.

Tusschen kaap Sirijasaki en Toriwisaki vormt de kust eene diepe bogt, waar zich de haven van Ohobata bevindt, die 20 Ri van de aan de Oostkust gelegen haven van Kuzi afligt. Verder westelijk van daar bij Ohoai is nog eene kleine havenplaats voor schepen, die naar de baai en haven van Awomori varen, waarheen 23 Ri gerekend wordt. Bij kaap Toriwisaki neemt de kust eene Z. Westelijke en vervolgens nog meer zuidelijke rigting aan, en loopt alsdan bij kaap Kusô domari naar O.N.O. om; en dit noordelijkste uiteinde van Nippon krijgt als het ware de gedaante van een klein schiereiland, waar zich de Jakejama, een uitgedoofde vuurberg in het midden van kleinere kegelbergen, 3200 voet hoog verheft. Met het tegenoverliggend N. Westelijk uiteinde, waarvan de noordelijkste hoeken Tatsupisaki en Takonosaki genoemd[293] worden, vormt dit schiereiland den ongeveer 2 mijlen wijden ingang der baai van Awomori, die eene ruimte van 5 tot 6 □ mijlen beslaat, en met den tijd voor de zeevaart belangrijk worden kan. Kaap Tatsupisaki of kaap Tsugar, die volgens von Krusenstern op 41° 16′ 20″ N.Br. en 140° 30′ O.L. ligt, vormt met de tegenoverliggende kaap Tadeisi of K. Matsmai op Jezo, die op 41° 30′ N.Br. en 139° 57′ O.L. ligt den westelijken ingang in de straat Tsugar, terwijl kaap Sirijasaki en de tegenover op Jezo liggende kaap Jesan volgens Broughton op 41° 49′ 20″ N.Br. en 141° 20′ O.L. den oostelijken ingang tot deze straat, die op Japan Kukinoseto genoemd wordt, beheerscht.

Wij hebben deze aardrijkskundige uitweiding gemaakt, om den door Vries langs de Oostkust tot naar den Noordhoek van Nippon het eerst gebaanden weg verder nog aan te wijzen, en wel tot de haven van Hakotade op Jezo, die sedert den 31 Maart 1854 aan alle de zeemogendheden, die met Japan een tractaat van scheepvaart gesloten hebben, geopend is. En zoo vinden wij het ook doelmatig, dezen Zeemansgids met eene zeildirectie voor het inloopen in de straat van Tsugar en de baai van Hakotade te sluiten.

De Baai van Hakotade ligt N.W. 12 W. op eenen afstand van omtrent 45 Eng. mijlen van kaap Sirijasaki op Nippon verwijderd. Op deze hoogte gekomen en de rotsen, die aan de Oost- en Noordzijde van deze kaap uitsteken, vooruitgeloopen, bekomt men de kapen Jezan en Siwokubi met het hooge land van Jezo en de Noordkaap van Nippon (Toriwisaki) in het gezigt. Men houde aanvankelijk op kaap Jezan, en vervolgens, kaap Toriwi West peilende, op kaap Siwokubi aan. Deze ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De stroom, die de straat in ’t Westen met eene snelheid van 5′ in het uur inzet, is in het midden der straat het sterkst, namelijk tusschen kaap Siwokubi en Toriwisaki, waar de straat het naauwst, 10 tot 12 Eng. mijlen breed is. Japansche vaartuigen, die naar de haven van Ohobata zeilen,[294] gaan derhalve digt bij kaap Sirijasaki voorbij en houden zich langs de kust, waar de stroom minder bespeurd wordt; ook loopt hij, volgens de mededeelingen van Japanners, bij Toriwisaki digt bij de kust van Nippon W.t.Z. om en Z.W., hetwelk zich als eene terugstrooming van de watermassa beschouwen laat, die de naauwte tusschen Siwokuwi en Toriwisaki niet doorstroomen kan. De Noordkust van Nippon is echter klippig, en in het N.N.W. van het Benten eilandje zijn gevaarlijke ravelingen. Bij mistig weder en bij nacht is het niet raadzaam de straat in te loopen. Stoomschepen kunnen zich met het hoofd in zee gemakkelijk aan den ingang houden, totdat zij gelegenheid hebben binnen te loopen.

Van den Noordhoek van Japan naar de kaap Jerimo op Jezo overstekende, werd aan boord van Castricum 72 tot 100 vademen gewone zandgrond gelood; men was vervolgens grond af, en vond op eenen afstand van 4 mijlen N. van dezen uithoek weder 50 vadem zandgrond. Deze waarnemingen kunnen tot maatstaf der diepte van den Oostelijken ingang der straat Tsuyar dienen. In het midden der straat vindt men 50 tot 130 vademen. Wanneer men den hoek van Siwokubi, die 12′ O.Z.O. 12 O. van de stad Hakodate ligt, gepasseerd is, kan men de masten der in de haven voor anker liggende schepen, boven eene lage landengte uitstekende, zien. Daarnaar neemt men nu zijnen cours. Bij het inzeilen in de haven dient, bij helder weder, de 3169 voet hooge Komagatake of Zadelberg tot gids. Nadat men op eenen afstand van 1 Eng. mijl (ten einde de stilte onder de lagen wal te mijden) het 1136 voet hooge, door eene lage landengte met het Oostelijk gedeelte der baai verbonden voorgebergte, aan welks N.O. zijde de stad Hakotade ligt, omzeild heeft, houde men op den scherpen piek van den Komagataki, die Noord strekt, aan, totdat de Oostpiek van den Zadel, die N.O. bij N. strekt, zich Westelijk van den ronden knop op de kant van het Zadelgebergte bevindt[63],[295] alsdan hale men van N. naar O. over, tot dat men het midden van den zandheuvel op de landengte Z.O.t.O. 34 O. van zich heeft. Zoo doende vermijdt men eene droogte, die aan het Westeinde der stad in eene N.N.Westelijke rigting 23 mijl uitstrekt. Alsdan brengt men den zandheuvel op de bakboordzijde, en loopt door, tot dat men den Westhoek der stad Z.W. 12 W. van zich heeft, waar men den besten ankergrond op 512 tot 6 vadem diepte vindt. Minder groote schepen kunnen tot op 14 mijl den hoek van Tsuki digt bij de stad naderen. In geval men bij mist of betrokken lucht den Piek of den Zadel niet onderkennen kan, sture men, nadat men, zoo als gezegd, het voorgebergte omzeild heeft, N.O. 12 O., totdat men den sandheuvel in de opgegevene rigting voor zich heeft. Bij ongunstigen wind vindt men op de buitenree op 25-12 vadem goeden ankergrond. De diepte aan den mond der baai is omtrent 30 vadem en droogt allengs tot 6 en minder op. Hakotade (de mond der rivier Kameta) ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De miswijzing van het kompas is 4° 30′ W. Hoog water bij nieuwe en volle maan 5 uur. De grootste rijzing en daling van het water bedraagt 3 voet.


[48] Voyages et découvertes faites par les Russes le long des côtes de la Mer glaciale et sur l’Océan Oriental, tant vers le Japon que vers l’Amérique, par Mr. G. P. Muller. Amsterdam 1766. Vol. I. p. 210.

[49] Troisième voyage de Cook. Tom. IV. p. 372.

[50] A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. M. sloop Providence and her tender in the years 1796-98 by W. R. Broughton.

[51] Nova et accurata Jopaniae, terrae esonis ac insularum adjucentium ex novissima detectione descriptio apud Joannem Janssonium.

[52] A general Chart of the Japanne Islands, and N. E. Coast of Asia, in Broughton’s Voyage.

[53] Karte vom Japanischen Reiche nach Originalkarten und Beobachtungen der Japaner, in v. Siebold’s Atlas von Land- und Seekarten vom Japanischen Reiche, no. 1.

[54] In het overzigt der reis van den Kapitein-Luitenant ter zee Fabius tot het bezoeken van de havens van Hakotade en Simoda met de Nederlandsche schroefkorvet Medusa, in September en October 1856, wordt gezegd: „Den 17 Sept. werd Hakodate verlaten en de reis langs Nippon’s Oostkust voortgezet, doch deze togt was hoogst moeijelijk. Eene nagenoeg onbekende kust, sterke stroomen, hevige stormen, twee orkanen, slechte kaarten, waarvan de landkaart van v. Siebold nog verreweg de beste is, maakten dien togt lang en zorgvol.” Sic!

[55] Deze kaart, welke de schrijver dezes van den Admiraal Sir Francis Beaufort, Chef van het hydrographisch bureau der Admiraliteit te Londen, ter leen gekregen heeft, is daar onder Lit. B.e.l. 480 geboekt. Aan het einde van dit Hoofdstuk zullen wij een vergelijkend overzigt van de namen en de aardrijkskundige ligging der meest belangrijke punten op de Oostkust van Nippon, zoo als die door Vries, King, Broughton en von Krusenstern benoemd en bepaald zijn, mededeelen.

[56] Recueil de mémoires hydrographiques pour servir d’analyse et d’explication à l’Atlas de l’Océan pacifique par le Contre-Amiral de Krusenstern. St. Petersbourg 1827, pag. 178.

[57] Troisième voyage de Cook. Tom. IV. pag. 384.

Narrative of the expedition of an American squadron to the China seas a. Japan, performed in the year 1852-54, under the command of Commodore M. C. Perry, by Francis L. Hawks. New-York 1856. pag. 497.

[58] Volgens de berekening van den Hof-astronomist Sakusajemon komen 2815 Ri op eenen breedtegraad van 15 Duitsche mijlen. Overal waar wij van mijlen spreken, zijn Duitsche of geographische bedoeld; zijn het Engelsche, dan is zulks telkens bijgevoegd.

[59] Troisième voyage de Cook, l. c.

[60] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, No. 11.

[61] Wij hebben reeds in onze „Geschichte der Entdeckungen” aangetoond, dat digt bij deze haven, en waarschijnlijk in de bogt van Komoto, het jacht Breskens vervallen en Kapt. Schaep gevangen genomen is. Verg. pag. 100, aanmerking 20.

[62] Vergelijk: Troisième voyage de Cook, Tom. IV. p, 372. pl. 79. Geschichte der Entdeckungen im Gebiete von Japan, von v. Siebold, pag. 10 en 92. Anmerk. 20.

[63] „Steer for the sharp peak of Kamagataki, bearing about north, until the east peak of the Saddle, bearing about N.E. by N. opens to the westward of the round knob on the side of the mountain.” Sailing directions for Hakotadi, by Lieut. Wm. L. Maury, in Hawks Narrative, pag. 691.


IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO.

Van den vermeenden »Noordelijcke hoeck van Japan” had Vries den koers N.N.O. genomen en bevond zich ’s middags den 7 Junij op 162° 1′ O. v. Teneriffe (volgens onze verbetering op 143° 39′ 36″ O. v. Gr. en op 41° 24′[296] bevonden N.Br.)[64]. Van daar tot op 40° 36′ N.Br. heeft men 70 tot 100 vademen graauwen zandgrond, langzaam opdiepende totdat men grond af is. Zij hadden ’s ochtend omtrent 10 uur hoog land gezien. Dit was de

Kaap Jerimo, de Z.O.hoek van Jezo (Eroen of Groen, Vries) »een hoogen steylen hoeck,” en ligt volgens Broughton’s orig. kaart op 41° 53′ N.Br. en 142° 55′ O.L. Volgens Sakusajemon’s kaart echter op 41° 56′ N.Br. en 143° 39′ 10″ O.L. Omtrent 4 mijlen van dezen hoek loodt men 50 vademen zandgrond en 3 mijlen daarvan 24 vad. schulpige zandgrond. Men kan den hoogen hoek tot op 12 mijl naderen en vervolgens langs den wal op de diepte van 20-24 vad. sturen. »Van do. hoeck streckt het land N. ende is hier hooch dubbelt lant ende op de toppen bedeckt met sneeuw.

Den Z.O.hoek Z.W. 12 Z. 5 mijlen afstand peilende, heeft men in het N.W.t.N. »een groote bay ofte inbocht.” Dit is de baai van Firoro. Vries nam een’ N.O. koers langs den wal; het was mistig weer, de zee liep om de N., hem naar den wal zettende, waar hij op 26 vademen grove zandgrond ankerde; zij konden de landzee hooren ruischen. De hoek van deze ankerplaats wordt

[297] Cabbeljaus hoeck genaamd en is waarschijnlijk de lage uithoek digt bij Tobui in de rivier Monbets, waar het hooge land afvalt. Tobui ligt 35′ noordelijker en 18′ oostelijker als de plaats Saruru, wiens breedte door de Hof-astronomisten op 42° 7′ N. en de lengte op 143° 56′ O. bepaald is. Dit laatstgenoemde oord is eene Japansche wachtplaats, en mogelijk zou men aan den mond van de rivier kunnen ankeren. Van Japansche schepen wordt die plaats sedert eene eeuw bezocht. Ik merk zulks op, omdat in het Journaal gezegd is: »Voorts heeft de cust veel bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see beschut licht.” Den 9 Junij op 15 vadem singelgrond ten anker gekomen, wordt ’s middags de breedte van 42° 44′ N. berekend en de Z.O.hoek van Jezo 12 mijlen Z.W.t.Z. en een lagen hoek (Cabbeljaus hoeck) 6 mijlen Z.W.t.W. gepeild, »hadden noch een hoeck, in ’t N.O. 12 O. 6 of 7 mijlen van ons (Goutsioer), alwaer wel een revier geleeck bij in te strecken soo wy sien conden; saegen noch lant in ’t O.t.N.

Vries bevondt zich zoo mede in een afstand van 12 mijl van het aanzienlijke dorp Tokatsi, (Tocaptie, Vries), waar de rivier Usibets, eene van de grootste op de Oostkust van Jezo uitwatert, en de kust zich in eene lage bogt terugtrekt.

Op de originele kaart van Vries[65] staan de woorden: »Alhier (Tocaptie) komt haar ’t eerste vaartuyg van dit Land aan boort, daarin syn twee mannen en een jongen, veel silver om haar hebbende en wijsen na ’t gebergte, dat daer silver in overvloet is.” Deze eerste ontmoeting met de inboorlingen van Jezo wordt in het Journaal meer breedvoerig verhaald. Met uitzondering van eenige vroegere mededeelingen omtrent dezen merkwaardigen landaard, die wij in de brieven van de Christelijke zendelingen in de 16 en 17 eeuw vinden[66] en eenige bijzonderheden daaromtrent[298] door de reisgenoten van Vries in de 17 eeuw bekend gemaakt[67], behoort de beschrijving van dit volk, zoo als ook van zijne zeden en gebruiken aan verscheidene plaatsen van het Journaal ingelascht, tot de belangrijkste bijdragen, welke wij door Europische zeevaarders van dezen volksstam, thans bekend onder den naam van Aino’s of de ruige Kurilen, verkregen hebben. Om echter onze geo-hydrographische toelichtingen niet telkens af te breken, zullen wij aan den volkstam der Aino’s een bijzonder hoofdstuk aan het slot dezer verhandelingen toewijden.

De Bogt van Tokatsi heeft haren naam van het dorp dat aan den noordelijken mond van de deltavormige uitwatering der rivier Usibets op 42° 39′ N.B. en 144° 22′ O.L. ligt. De kust is laag en in het zuiden van Tokatsi moerassig; daar bevinden zich verscheidene meeren, waarvan die van Jeutô het grootste is.

De Rivier en de hoek van Kusuri, ongeveer 33′ in het N.O. van Tokatsi, loopt de Kusuri (Goutsioer, Vries) in zee en het lage stroomgebied van dezelve vertoont zich als eene opening van het land, die ook door Broughton gezien en op zijne kaart aangeteekend is. Deze rivier is de grootste van de Oostkust van Jezo en bestaat uit de vereeniging van twee armen, waarvan de oostelijke uit een binnenmeer aan den voet van den berg Otosja (het heeft den naam van Kusuri) en de westelijke ook uit een binnenmeer aan den voet van den berg Akani ontspringt en daarvan Akanibets (bets is rivier, beek) genoemd is. Deze beide hooge pieken behooren tot de bergketen, waarvan het Z.W. gedeelte, volgens Jansson’s kaart, »de Blaauwe berg” en het N.O. uiteinde »Batavias bergh” door Vries genoemd[299] is. Ook Broughton vermeldt den eerstgenoemden onder den naam van Peaked Hill, en peilde op 42° 47′ N.Br. dien piek N. 9° O. en de opening van het land (den mond van de Kusuri) N. 21° O., op eenen afstand van 12 tot 15 Eng. mijlen. Het stroomgebied van den Kusuri is van de Ainos bewoond, die langs de beide armen eenen weg naar de binnenmeeren van Kusuri en van Akani, en van daar langs de rivieren Sjaribets en Ikutsinakots naar de Noordkust van Jezo gebaand hebben. Eenige Eng. mijlen oostelijker van de uitwatering en van de Kusuri steekt een hoek uit, aan welke wij den naam van Kaap Kusuri gegeven hebben. De meergemelde opening van het land vormt met deze kaap eene baai, waar, zonder twijfel, schepen eene goede tegen de N.O. en Oostelijke winden beschermende ankerplaats zullen vinden. Deze van geen europeschen zeevaarder tot nu toe bezochte kustenstreek bevelen wij aan hunne bijzondere aandacht en hebben derhalve dezelve meer breedvoerig, volgens de Japansche kaarten en berigten, beschreven.

Van zijne ankerplaats bij Tokatsi nam Vries zijnen koers Oost tot op eenen afstand van ongeveer 50 Eng. mijlen van de kust; daar geen land ontdekkende, stelde hij den koers N.O. en vervolgens N., om het land in het gezigt te krijgen. Den 11 Junij ’s middags bevond zich Vries op 43° 10′ N.Br., 212 mijl van het land, op de diepte van 27 vadem zwarten zandgrond. Van deze hoogte zijn drie voor de zeevaart belangrijke punten van de Oostkust bepaald geworden; in het W.t.Z. 6 mijlen afstand de kaap Seriba (Santanel Vries), die de Zuidelijke uithoek van den ingang in de Baai de Goede Hoop is, dan in het N.O. 4 à 5 mijlen afstand de Kaap de Manshooft, en in het W.t.N. 12 N. eene rivier, de Hokirarubets bij Biwase. Ook zijn de digt aan den mond dezer rivier gelegene eilandjes Fujutar en Kitafu en een eiland aan den ingang der baai de Goede Hoop gelegen, door de Japanners Daikoksima, door de Aino’s Horomosiri[300] en door Vries van der Lyns eylant genoemd, waargenomen geworden.

De Kaap Seriba (Santanel Vries) vormt den Zuidelijken wal en kaap Harasan (Caep Maetsuyker) den Noordelijken wal van den ingang der baai de Goede Hoop, waar voor een eilandje ligt, door de Japanners Daikoksima (d. i. het eiland van den god van den rijkdom) en door Vries, na zijne terugkomst in deze baai, van der Lyns eiland genoemd. Dit eilandje is door eene reeks klippen met den Noordelijken wal verbonden, en van den Zuidelijken wal steekt een rif met rotsen boven water 112 mijl O.Z.O. in zee uit. Kaap Seriba ligt 8′ Zuidelijker en 5′ Westelijker als Atkesi of Akkes, de voornaamste plaats in de baai, die door den Hofsterrekundige op 43° 2′ N.Br. en 145° 34′ 27″ O.L. geplaatst is. Op Broughtons originele kaart is de ingang met het voorliggend eilandje en eenige rotsen onder 43° 0′ N.Br. en 144° 36′ O.L. aangestipt. Volgens Vries zoude dezelve op ongeveer 43° 5′ N.Br. te leggen komen.

De Baai de Goede Hoop verdient dezen naam, aan haar door onzen vermaarden zeevaarder gegeven, die daar van 16 Augustus tot 1 September zich ververscht en zijn schip hersteld heeft. Dezelve is naast die van Hakotade de beste van Jezo, en op de Z.O. kust de eenige veilige haven voor grootere vaartuigen.

Van de baai de Goede Hoop heeft Nicolaes Witsen[68] eene schets volgens oorspronkelijke handteekeningen medegedeeld, die in vergelijking met het plan van Atkis, in 1793 door den Russ. Lt. Laxmann opgenomen[69], en met de beide kaarten van Jezo van Sakusajemon en van Mogami Toknai[70], voor zoo verre de buitenbaai[301] betreft, goed overeenkomt. Volgens deze schets is de buitenbaai ruim 3 mijlen diep en 212 mijlen wijd, met hoog land omgeven; het vaarwater in het midden is ruim, zuiver en 15 tot 6 vademen diep kleigrond; alleen langs de Oostkant in het Zuiden van eenen steilen uithoek, die »Caep Swers” genaamd is, liggen eenige rotsen en klippen, insgelijks aan de in eene bogt zich uitbreidende Westzijde. De ingang is in het Zuiden, zoo als gezegd, door het van der Lyns eiland en een ander eilandje, Bonmosiri, waarvan zich eene reeks rotsen naar kaap Maetsuycker uitbreidt, en door een van kaap Seriba O.Z.O. vooruitstekend rif beperkt en ongeveer eene mijl wijd. In het N.O. ligt de binnenbaai. Volgens de beschrijving van den verdienstelijken stuurman Coen en de plans van Laxmann en de Japansche aardrijkskundigen vormt die eene kom, die ongeveer 2 mijlen wijd is, echter ondiep en vol oesterbanken, en in het midden laag, vlak, verdronken land—vier à vijf eilandjes—heeft; zij is met bergachtig land omgeven en door groote valleijen doorsneden, waar volgens Sakusajemon en Toknai twee rivieren en verscheiden kleine beeken uitwateren. De Noordelijke rivier noemt Tokisijarubets, de Westelijke Ukorubets, beide alhoewel ondiep zijn met kleine booten 2 à 3 mijlen opwaarts bevaarbaar. Langs de eerste en eene andere verder naar het Oosten loopende rivier, Kokopebets, verkeeren de Aino’s met de in het O. gelegene Baai van Laxmann, de stapelplaats van den handel met de Kurilen, en langs de tweede met hunne landgenooten langs de Kusuri rivier. Deze met den tijd meer en meer toenemende handelsverbinding met het binnenland van Jezo en met de Kurilische eilanden en de voor de zee- en kustvaart gunstige ligging der baai de Goede Hoop geeft aan deze zeeplaats een goed vooruitzigt, en daartoe zal, daar de haven van St. Peter en Paul op het schiereiland van Kamtschatka sedert de oprigting van die van Aian en eene in de baai de Castries zijne beteekenis verloren heeft, een der belangrijkste[302] punten voor de handels- en oorlogschepen in het Noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan kunnen worden[71]. Ten tijde van het bezoek der baai door het fluitschip Castricum was slechts Atkis van eenige Aino-familien bewoond; thans vindt men reeds meer dan twintig gehuchten rondom de baai door Aino’s en Japansche visschers bewoond.

Tot aan het inkomen van de baai loodt men 27 tot 18 vademen zandgrond. Alsdan loopt men bij Westen van den steilen hoek van van der Lyns eiland binnen, latende een ronden steilen hoek (kaap Seriba), waar een rif O.Z.O. ver uitsteekt, aan bakboord liggen. Binnen den hoek van het eiland gekomen, neemt men den koers N.N.W. op 15 tot 6 vademen kleigrond naar eenen scherpen steilen hoek (door Vries Caep Swers genoemd), dien men achteromloopt om ten anker te komen.

Achter dien hoek is eene smalle bank, waarop bij laag water 10-11 voet, bij gewoon hoog water 15-16 voet, maar binnen dezelve 5-7 vadem water staat, en natuurlijk bij springvloed nog hooger[72]. Men komt hier regt voor het dorp Atkis op 5 vademen kleigrond ten anker. Ook vindt men achter het van der Lyns eiland op 8 vademen kleigrond eene goede ankerplaats, waarvan men na het binnenkomen of voor men uitzeilt een voordeelig gebruik kan maken. Om zich te ververschen en schepen te herstellen, wel ook om des noods daar te overwinteren, biedt thans reeds deze haven de beste gelegenheid. Men kan zich daar[303] met water, visch, kabeljaauwen, steuren, roggen, tongen, brand- en scheepsbouwhout ruim voorzien. Digtbij in de bosschen groeijen zware eiken, vuren, berken, wilgen, linden en noteboomen[73]. Ook vindt men daar aalbeziën, frambozen[74] en appelties van roosen[75]. In den winter zal men hier beeren, herten en vogels vinden; in den zomer is het moeijelijk in de digtste bosschen en het hooge rietgras te jagen. Thans, waar deze baai van Japansche visschers en kooplieden bezocht is en zich daar waarschijnlijk ook eene Japansche volkplanting nedergezet heeft, zullen ook andere ververschingen en levensbehoeften te verkrijgen zijn.

Kaap Maetsuycker. Zoo werd door Vries de Oostelijke uithoek van den ingang der baai de Goede Hoop genoemd en van daar tot zoo ver de kust N.O. strekt door eene voortreffelijke afteekening van het land kenbaar gemaakt[76]. Op Jansson’s kaart is deze hoek ook zoodanig genoemd; in het Journaal vinden wij echter niets van deze kaap gewaagd. Op de Japansche kaarten noemt men het Harasan en ligt ongeveer 3′ à 4′ N.N.O. van Atkesi. De reeks van rotsen, die zich van daar naar van der Lyn’s eiland uitbreiden en waar bij laag water niet meer als 5 voet water staat, maakt zelfs aan booten de doorvaart naar de baai gevaarlijk. Voor Japansche en andere kleine vaartuigen bevinden zich langs deze kust nog twee ankerplaatsen, als:

De haven van Biwase en de reede bij de Iruri eilandjes. De eerste ligt 50′ oostelijk en eenige minuten noordelijk van Atkesi, eene kleine baai aan den mond van de rivier Hokiurbets[304] gelegen en door twee eilandjes Kîtafu en Binebisjo (volgens Laxmann Tsigab en Kikumushiri) en verscheidene hooge rotsen (vijf?) in het Oost en Zuidoost beschermd. Het is de rivier, die den 11 Junij ’s middags aan boord van Castricum W.t.W. 12 W. gepeild is; de eilandjes zijn voor land gehouden, waar »eenige clipies onder de wal liggende boven water” gezien worden. De laatste ligplaats is op verscheidene Japansche kaarten aangewezen, doch de ligging en de afstand van de Iruri eilandjes van de kust is nog twijfelachtig. Volgens de kaart van Mogami Toknai[77] en de originele kaart van Broughton[78] en ook volgens eene oude handschriftelijke kaart, ons door eenen Japanschen geneesheer Fukutsi Gensok[79], die lang op Jezo geweest is, medegedeeld, liggen dezelve digt bij Kaap Usu, hetwelk wij voor »Caep de Manshooft” van Vries houden. Het zijn twee grootere en een kleiner eilandje Iruri, Moiruru en Kinasitomari genoemd. Ook op het plan van Laxmann liggen deze eilandjes (zij zijn Erori genaamd) in het oosten van een uithoek, waarop zich de plaatsnaam Otishi (Otsisi) die op alle kaarten digt bij kaap Usu geplaatst is, aangeteekend bevindt. Op de landverkenning van Vries[80] zijn verscheidene eilandjes kenbaar en in het Journael is gezegd: Hier (Caep de Manshooft in het N.W.t.W. 2 mijlen van ons ende was diep 25 vademen swart santgrond) is al slecht lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen toen in ’t N.W.t.W. van ons een rif, daer het seer op barnde, ende lag omtrent een mijl van lant, ende om de N.O. van de Caep de Manshooft[305] lach een vlack eylantien met 3 cleijne berchies, het N. eynt van do. eylantie lach N.N.O. 3 mijlen van ons. Het rif vindt zich juist zoo op Laxmann’s plan aangegeven en daardoor wordt ook bevestigd, dat de kaap Usu de

Caep de Manshooft, Vries, is. Op Sakusajemon’s kaart ligt dezelve op 43° 11′ N.B. en 146° 14′ O.L. en zoude volgens de peilingen aan boord van Castricum op den 14 Augustus gedaan, op 43° 16′ N.B. liggen, en is zeer kenbaar beschreven: »gaeven dien hoeck de naam van Caep de Manshooft, omdat hij hem vertoont als een hooft.” Van deze kaap steekt de kust N.O. en loopt in eene smalle, lage, 50 minuten lange landtong, kaap Nossjam uit, die door von Krusenstern kaap Broughton genoemd en op 43° 38′ 30″ N.B. en 146° 7′ 30″ O.L. geplaatst is. Noch Vries, noch Broughton hebben echter deze landtong als het oostelijkste punt van Jezo herkend en geweten, dat om de W. van deze landtong een straat bestond, die het eiland Jezo van Kunasiri, het zuidelijkste van de Kurilen, afscheidt. Wel bevindt zich reeds op de kaart van de Keizerl. Akademie te St. Petersburg, in 1758 uitgegeven, het eiland »Kunaschir,” door eene straat van Jezo afgescheiden[81], en waarschijnlijk is zulks volgens de waarnemingen van Spangberg en Walton geschiedt; de ontdekking echter dezer straat moeten wij aan Laxmann (1792) toekennen. Zijne kaart bleef echter tot het begin van deze eeuw in het Archief te Kamtschatka liggen. Aan den vermaarden Admiraal Golownin en zijnen bevrijder uit de Japansche gevangenschap, Admiraal Ricord, heeft men eene nadere kennis van deze straat, waaraan von Krusenstern den naam van straat Jezo gegeven heeft, te danken. Alvorens wij met Vries de oostkust van Jezo verlaten, moeten wij nog opmerken, dat von Krusenstern bij vergissing de baai van de Goede Hoop tweemalen op zijne kaart van Jezo geplaatst heeft, eenmaal[306] onder den naam van baai de Goede Hoop, volgens Janssons kaart, andermaal onder die van baai van Atkesi volgens het plan van Laxmann[82].

De Coen’s eilanden. In het Noorden van kaap Broughton breidt zich het eiland Kunasiri in eene wijde bogt uit, waarin verscheidene kleine eilanden liggen. Deze bogt heeft Vries en ook nog Broughton voor een gedeelte van de kust van Jezo gehouden. De kleinere eilanden werden echter juist onderscheiden, opgenomen en beschreven, en Barbaren eiland, de Gebroocke eilanden van Tamary en het Walvisch eiland benoemd; het grootste daarvan, in het N.O. gelegen, vooronderstelde Vries een berg te zijn, die bij het »Lant van Eso” behoorde. Dezen berg noemde hij den Santberg en den vermeenden Oostelijksten uithoek van Jezo »Caep Canael of Caep Diemen”.

Op zijne heen- en terugvaart zien wij onzen stouten zeevaarder tusschen deze groep van eilanden dagen lang met tegenspoed van wind en weder worstelen, en vooral is het de digte en lang aanhoudende mist in deze gewesten, die zijnen loop deed staken, den gezigteinder beperken en zijne waarnemingen verhinderen.

De onderlinge ligging dezer eilanden is door de kompaswaarnemingen op den 12 Augustus, waar zich Vries op 43° 46′ N.Br. bevond, als volgt bepaald geworden: Caep Canael (N.O. hoek van het eiland Sikotan) 5 mijlen N.N.O. 12 O., het Walvisch eylant (Taraku) N.W. 12 W. 112 mijl en de Gebroocken eilanden W.Z.W.; en denzelfden dag ’s avonds op 43° 42′ N.Br. het Barbaren eiland W.Z.W 112 à 2 mijlen, het Gebroocken eiland N.O.t.O. 1 mijl, en nog een lang vlack eylant N.W. 112 mijl. Daarbij voegen wij nog de peilingen van de op 43° 26′ N.Br. ontworpen, door Nicolaes Witsen[83] medegedeelde kustverkenningen:[307] Barbaren eiland (Westpunt) N.W. 23 W. 2 mijlen, Gebroocken eilanden N.W. 12 N. 3 mijlen. Ook kunnen de op den 13 Junius op 43° 28′ N.Br. 1 mijl in het Z.W. van het Barbaren eiland voor anker gedane waarnemingen iets tot de bepaling van de ligging dezer eilanden bijdragen. Caep de Manshooft W.t.N. 3 mijlen, het eylant met 3 berchies N.W. 12 N. 2 mijlen, een groot recif N.t.W. 12 W. 1 mijl, N.W. 12 N. 3 mijlen een laag eiland, N.N.W. 12 N. de Piek en N.O.t.N. 14 O. een vlack eilant 1 mijl, het Barbaren eilant. Ook lag een partij clippen boven en een deel onder water O.t.N. 1 mijl.

»Dese voorschreven eylanden syn 1, 112 à 2 mylen lang, hebbende veel cleyne eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op het vaste lant (het eiland Kunasiri) legt een kennelycke berch boven met een keep (de Piek Antony) ende leyt alleen.

Deze berg, dien wij later nader zullen leeren kennen, is, omdat hij 20 mijlen ver uit zee kan gezien worden, hier een belangrijk punt van verkenning. De eilanden en rotsen, wier met namen beteekend getal op Sakusajemons kaart[84] op tien aangegeven is, en zich op Toknai’s kaart[85] op 12 grootere en kleinere eilandjes en meer dan 30 rotsen beloopen, en meestal met de Aino-namen voorzien zijn, maken eene aanzienlijke groep uit, die zich van kaap Broughton[308] N.O. tot den »Santberg” (het eiland Sikotan) uitbreidt en ongeveer 45′ in lengte beslaat. Wij hebben aan dezelve op onze verbeterde kaart van Jezo[86] den naam van den verdienstelijken stuurman Cornelis Jansz. Coen gegeven, zijnde hij de man aan wien wij de eerste aardrijkskundige beschrijving daarvan in zijn Journaal te danken hebben.

Met dat al is het moeijelijk volgens deze door de Japanners, door Vries en Coen, en ook door Broughton gedane waarnemingen, de juiste ligging van de vier aanzienlijkste dezer eilanden juist te bepalen, en wij dienen ons vooreerst nog aan de ligging van dezelve op Sakusajemon’s kaart te houden. Voor zoo ver de door Vries aan dezelve gegeven namen betreft, zoo houden wij het daarvoor, dat Juru het Barbaren eiland, Sibotsi de Gebroocken eilanden, Taraku het Walvisch eiland, en het lange eiland op den 13 Junius N.W. 12 N. 3 mijlen van de ankerplaats, Sîsjô is. De diepte wordt van 25 tot 65 vademen zandgrond langzaam naar de eilanden toe opdroogende, en in het Z.O. van het Walvisch eiland 70 tot 120 vademen singelgrond[87] bevonden en op de heenreis eene Noordelijke en op de terugreis eene N.Oostelijke strooming waargenomen.

Het Eilant Sikotan (Tschikotan, Russ.). Het is de »Santberg” van Vries en onbegrijpelijk, dat deze zeevaarder en zijn bekwame stuurman dit ver van het vermeende »Lant van Eso” afgescheiden eiland niet herkend, en voor eenen berg en den Oostelijken uithoek van dit land, die hij Caep Canael of Diemen noemde, gehouden heeft, en wij meenen deze vergissing alleen aan de digte, aanhoudende mist te moeten wijten. Broughton heeft Sikotan op den 6 en 7 October 1796 omzeild, zijne aardrijkskundige ligging bepaald, en aan hetzelve den naam gegeven van den Russischen Kapitein Spangberg, die het in de maand Julij 1739 bezocht[309] had[88]. Door Golownin werd in 1811 de aardrijkskundige ligging nog juister bepaald, en in 1812 en 1813 de Oost- en Noordkust door Ricord en zijnen opvolger, aan boord van de Diana omzeild. Spangberg bepaalde de breedte reeds op 43° 50′; volgens de kaart van Janssen ligt Caep Canael op 44° 7′, doch volgens Vries waarnemingen van den 10 Augustus ’s middags, op 43° 56′ N.Br., hetwelk met die van Golownin en van de Hof-astronomisten van Jedo op eenige minuten na overeenkomt, te weten 43° 52′ en 43° 58′ N.Br. De lengte van Golownin, 146° 43′ 30″ O., verdient vooreerst nog de voorkeur, verschillende 9′ van die op Broughton’s originele kaart, waar het midden van het eiland op 146° 52′ O.L. geplaatst is. Sikotan strekt 5 Eng. mijlen Z. en N. en O. en W., en is kennelijk door den »Santberg”. Men vindt daar water, brandhout en eenige vruchten. Kapitein Spangberg, die digtbij op 8 vadem zandgrond ten anker gekomen was, nam dennen, elzen en andere boomen waar, ook ontmoette hij inboorlingen, die zeer ruig waren en de taal der overige Kurilen (Aino’s) spraken. De door Vries op den 13 Junij ontmoette Aino’s behoorden waarschijnlijk hier te huis, en de plaats, die »dese habytanten Takotekan en Rackokan noemden, en die sy wesen in ’t N.O.t.N. te liggen”, is de baai van Sjakotan of Malakotan, op de N.W. kust gelegen.

Volgens Toknai’s kaart vinden zich op Sikotan meer dan 20 gehuchten van de Aino’s, en verscheidene baaijen, waar riviertjes uitwateren en Japansche schepen ten anker komen. Rondom liggen vele eilandjes en rotsen, en in het Z.W. 14 W. van het eiland, op eenen afstand van 9 à 10 Eng. mijlen eene groep van vijf lage eilandjes, volgens Sakusajemon Kabiof, en volgens Toknai Mosirika genaamd, en met rotsen en klippen omgeven. Golownin heeft er vier gezien en is digt daarbij voorbijgezeild; ook op de kaart van[310] Vries zijn dezelve aangegeven. Buitendien schijnen rondom deze eilanden vele klippen en gevaren aanwezig te zijn.

Het eiland Kunasiri (Kunaschir; Russ.) in het jaar 1758 op de voormelde kaart van de Keizerl. Akademie der Wetenschappen te St. Petersburg vertoond, is allengs weder verdwenen. Lapérouse nam, na de ontdekking der straat, die zijnen naam vereeuwigde, in Augustus 1787 zijnen koers N.O. langs het naburige eiland Jetorop, zonder evenwel de N.O. kust van het vermeende »Lant van Eso” te raken. Broughton hield ook de Walvisch baai voor de Oostkust van Jezo. De ontdekkingen van Laxmann bleven verborgen, en zoo werd, na de terugkomst van Golownin uit zijne Japansche gevangenis te Matsmaë, von Krusenstern met de ontdekkingen van dezen verdienstelijken zeevaarder bekend en in de gelegenheid gesteld, op zijne in 1815 uitgegevene »Allgemeine Weltkarte[89] het eiland Kunaschir te vertoonen en de straat, die het van Jezo afscheidt, de straat van Jezo te noemen.

Wij kennen echter alleen door Golownin en Ricord van het N.O. en Z.W. einde de aardrijkskundige ligging van dat eiland, zijnde de N.O. hoek kaap Moimoto (C. Loffzôff, Krus.) door Golownin op 44° 29′ 15″ N.Br. en 146° 8′ O.L., en het Z.W. einde, het Japansche fort in de Baai, waar Golownin gevangen werd (la Baie des Traitres) op 43° 44′ N.Br. en 144° 59′ 30″ O.L. bepaald geworden. De kennis van de geheele configuratie der kusten hebben wij, met uitzondering van de Baie des Traitres, waarvan in de nieuwe Russische uitgave van Golownin’s reize in 1851 een voortreffelijk plan medegedeeld is[90], alleen aan de opneming[311] der Japanners, zoo als die in Sakusajemon’s en Toknai’s kaart zich vertoont, te danken.

Daarentegen laten zich de waarnemingen, die aan boord van de Castricum gedurende den togt langs de Coen’s eilanden en tegenover de »Walvis bay,” en gedurende het verblijf voor anker van dit schip van 4 tot 12 Julij aan den westelijken ingang van de Canael de Pieco of Antony gemaakt zijn[91], als eenige hoogst belangrijke aardrijkskundige en hydrographische bijdragen beschouwen en teregtbrengen; en vooral zijn het de kustverkenningen, die ons Nicolaes Witsen bewaard heeft, waardoor de strekking en de gedaante van het hooge gebergte, dat het Noordoostelijk gedeelte van dit eiland kenmerkt, aanschouwelijk gemaakt wordt. De op den 13 Junij ’s middags op het vaste land geziene »kennelijcke berch boven met een keep” die alleen ligt, is de berg Tsiuna of Tjôsinobori, de hoogste op het zuidelijke gedeelte van Kunasiri, en de den 14 Junij op de breedte van 43° 25′ in N.W.t.N., en wel bijna 20 mijlen afstand gepeilde »hoogen berch met een piek,” is de vulkaan Tsjatsja noburi, waaraan die Vries de naam van »Pieck Antony” (naar Antony van Diemen, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië, in de jaren 1636-1645) gegeven, en dien de stuurman Coen den »Hooge Tepelberch” noemt, hetwelk de woordelijke vertaling van den Aino-naam is, beteekende Tsjatsja borst en Nobori hooge berg, piek. Volgens Toknai is deze nog een brandende vuurberg en de hoogste op het eiland. Na eene schets van dien vulkaan laat zich de Tepel als eene zijdelingsche uitbarsting, die zich allengs kegelvormig verhoogt heeft, herkennen, zijnde ook aan de zijde van den berg eene zulke zoogenoemde laterale eruptie zichtbaar[92]. Daar deze piek zeer kennelijk is en op 20[312] mijlen uit zee kan gezien worden, zoo is de aardrijkskundige ligging van dezelve voor de zeevaart zeer belangrijk. Volgens de waarnemingen van Golownin en Ricord ligt die op 44° 31′ N.Br. en 145° 46′ O.L en op Broughton’s originele kaart op 44° 20′ N.Br. en 146° 10′ O.L. Volgens Vries, die den »W. hoeck ofte afgaende hoeck van de Tepelberch” ’s middags den 11 Julij op 44° 43′ N.B. Z.t.W. 12 W. 2 mijlen afstands peilde, zoude die hoek op 44° 36′ en de »Tepelberch,” die volgens Sakusajemon’s kaart 10′ zuidelijker ligt, op 44° 26′ liggen, wat op de gemiddelde waarneming van deze zeevaarders uitkomt. Berekenen wij de breedte van den Piek naar de waarnemingen van den Hofsterrekundige bij Nisibets, in de baai van Laxmann, waar dit Japansch fort op 43° 23′ W. en de piek 1° 6′ noordelijker geplaatst is, zoo vinden wij die van 44° 29′ W. en derhalve eene uitkomst, die aan de aan boord van de Castricum gedane waarnemingen het grootste vertrouwen inboezemt. In ’t N.W.t.W., op ongeveer 8′ afstands, ligt een hoog gebergte, hetwelk een voorgebergte, den noordelijken uithoek van Kunasiri, vormt, en door Vries »Maria berch” genoemd wordt. Deze hoek, kaap Rewausi, kenmerkt zich door een klein daarvoor liggend eilandje Kawarsjo, en door witte plekken. De op middag den 11 Julij gemaakte peilingen zijn te belangrijk om hier niet te worden herhaald: »Als doen lach de gehackelde berch (het zuidelijkste voorgeberchte van het »Staetenlant” (Jetorop)) O.t.S. 12 S. 10 mylen, ende de hoeck van Eso, daer het Vossen eylant af leyt, lach S.O. 12 O. 6 mylen van ons, ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van den Tepelberch S.t.W. 12 W. 2 mylen van ons.” Ook de landverkenning op 44° 53′ aan[313] de westzijde van het Staetenlant ontworpen[93], komt zeer te pas tot de bepaling van de wederzijdsche ligging van Kunasiri en het Staetenlant en van den westelijken ingang in de straat, die beide van elkander afscheidt, het Canael de Pieco of Antony van Diemen. De daarop betrekkelijke peilingen zijn: »de Croonberch O.N.O. 6 mijl, de gehackelde berch O.S.O. 12 O. 4 mijl (reede van het Statenlant), het Vossen eylant 3 mijl (aan den oosthoek van Kunasiri) en de Maria bergh W.t.S. 12 S. 4 à 5 mijl (westhoek van Kunasiri). Van het Vossen eylant, dat Coen den 7 Julij bezocht heeft, is gezegd: »Op dit eylantie, het welck cleyn was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast gehecht, conde men met laech water over aen het vaste lant van Eso loopen; wy saegen verscheyde roode vossen[94] op do Eylant loopen, gaeven ’t den naem van Vossen Eylant. Van dit Vossen Eylant steekt een rif van clippen om de N.N.O. in see, ’t welk do Canael heel peryckeloos maeckt, ende streckt wel een myl van de wal. Dit rif was gebroocken, op sommige plaetsen de clippen boven water liggende, daer ginck een harde stroom om de O.” Op de hoogte van dit eiland heeft men getracht »des Canaels gelegentheyt” te onderzoeken, »conden in dit Canael geen vile (vuilen) sien als van het Vossen Eylant afsteekte, saegen de Caep de Canael (de N.O. hoek van Sikotan), in S.S.O. van ons ende lach in mist. Het Vossen eylant leyt omtrent 312 myl W. van de gehackelde berch van het Staetenlant, soo dat dit Canael omtrent 3 mylen wyt is.

Volgens de waarnemingen van Golownin en Ricord is de Straat Antony van Diemen (dit is de ware naam, die wij aan deze straat zullen geven, maar tevens ook opmerken, dat nog eene Straat van Diemen in ’t zuiden van Japan[314] bestaat) 16′ en volgens Broughton’s originele kaart 20′ breed. Vries is met zijn volk aan de wal geweest en met inboorlingen, Aino’s, in aanraking gekomen. Daar hij aan deze groote baai, waar het schip Castricum voor anker lag, en die van kaap Moimoto tot Rewausi 15 Eng. mijlen wijd en 5 Eng. diep is, geenen naam gegeven heeft, zoo willen wij dezelve de Kruisbaai noemen, want hoogst merkwaardig was hier de ontdekking van twee houten kruizen. »Een van ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het aen de habytanten, maer selve siende waeren daer vervaert voor, ende wesen men soudt in ’t water goyen; ja die dit houten cruys aengeraeckt hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen, maer most syn handen eerst wasschen, dan was ’t wel; noch een soodaenige cruys stont voor aen in ’t bosch.

Ongetwijfeld waren dit Christelijke gedenkteekens en waarschijnlijk grafzuilen van Christenen. Reeds in 1622 werd het Christendom van het noorden van Japan naar Jezo (Matsmaë) overgebragt, en daar sedert 1639 het Christelijk geloof bij straf des doods verboden werd, waren het bekeerde Japanners of Aino’s, die daarheen gevlugt en overleden zijn. Bij de Aino’s wordt al wat met een’ dooden of zijne goederen in aanraking komt, voor onrein gehouden, van waar het afgrijzen der inboorlingen voor deze kruizen. Denkelijk was hun ook bij overlevering dat streng verbod en de Christenvervolging bekend geworden. Eenen anderen weg als over Japan had zich toenmaals het Christelijk geloof nog niet naar dit einde der wereld gebaand, want eerst in ’t jaar 1689 kwam de eerste tijding van het bestaan van Kamtschatka naar Rusland, en in 1697 hebben het eerst eenige kosakken aan de Kamtschatka-rivier een Ostroch-fort opgerigt.

Het eiland Kunasiri is 70 Eng. mijlen lang, N.O.t.N. en W.t.Z. strekkende, zeer smal, 10 tot 5 Eng. mijlen, en ongeveer in het midden, bij kaap Onnenots, door een naauwelijks eenige Engelsche mijlen breede landtong verbonden,[315] waar het land laag is en zich de Oostkust als eene diepe bogt vertoont, die door Vries de »Walvis bay” genoemd wordt, omdat zij »hier veel walvisschen vernaemen.” Aan het noordelijk en zuidelijk gedeelte van deze kust bevinden zich echter eenige baaijen, die eene goede ankerplaats bieden. Die van Onnebets aan de noordelijke kust is waarschijnlijk de »Bay daer men by alle winden bevryt ligt[95], en die van Furuka hij de landengte en Tôbuts of Tôbets aan de zuidelijke kust verdienen voor ankerplaatsen voor walvischvangers zeer in aanmerking te komen; de laatste staat door eene rivier met een groot binnenmeer in verbinding, waarvan dan ook de naam (meer) en bets (rivier). Dit meer, dat van het door Vries gezien »hooch binnenlant meest boven met sneeuw bedeckt”, zijnen toevloed van versch water ontvangt, moet rijk aan zoetwater-visch zijn en aan de in de rivier opstijgende zalmen ten tijde van het kuit schieten (hier Julij-Augustus) eene goede gelegenheid bieden. Ook aan de zuidelijke westkust bevindt zich zulk een binnenmeer, en bij Sasak, en insgelijks aan de westzijde van de landtong bij Ikabanots, eene goede ankerplaats. De straat, die in het zuiden van Kunasiri Jezo afscheidt, hebben wij volgens de voortreffelijke kaart van Toknai in onzen meergenoemden Atlas No. 2 A. medegedeeld; voegt men daarbij het boven genoemd plan van de Baie des Traitres van Golownin en het plan van Laxmann, dan heeft men alle tot op den huidigen dag bekende geo-hydrographische bouwstoffen betrekkelijk dezen voor de toekomst belangrijken handelsweg. Nog wil ik echter doen opmerken, dat ook hier eene sterke strooming bij den westelijken ingang om de Z. en bij den uitgang om de O. loopt. Van de geologische gesteldheid van dit eiland weten wij niets; edele metalen zullen daar[316] voorkomen, kruiden ter verversching (zuring en stelen van eene groote schermplant, waarschijnlijk het eetbare Heracleum) heeft het scheepsvolk in menigte gevonden, en Coen spreekt van dennen geschikt voor raa’s en masten en van roode vossen, otters, zalm, tarbot, bot, schaer, cabelliauwen en andere visschen in overvloed. Wij hebben ons lang bij dit eiland opgehouden, omdat het zoo goed als onbekend is en zijn bestaan nog in 1820 is in twijfel getrokken[96]. Wij willen nog doen opmerken, dat het op Golownin’s kaart als het XXIe der Kurilische eilanden gemerkt is.

Het eiland Jetorop (Iturup, Russ.). Onze vermaarde zeevaarder heeft dit eiland van den 13 Junij tot den 4 Julij, toen hij eenige mijlen van het Zuideinde is ten anker gekomen (zie boven pag. 113), bijna omgezeild. Het is geheel en al zijne ontdekking, eene Nederlandsche, op welke hij het zegel van eigendom door den naam het »Staetenlant” of »Staeten eylant” gedrukt heeft. Het is het grootste eiland van de Kurilen, dat zich meer dan een graad in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt[97].

[317]De N.O.hoek van dit eiland, kaap Seworosi (C. Vries) is door Golownin op 45° 38′ 30″ N.B. en 149° 14′ O.L. en de Z.hoek kaap Tesiko (C. Ricord) op 44° 29′ N.B. en 146° 34′ O.L. bepaald. De breedte van Caep Vries[98] is op de kaart van Jansson dezelfde en zoude volgens Vries waarneming op den 5 Augustus 45° 35′ N. bedragen, terwijl die van C. Ricord, volgens de op den 4 Julij bij het Vossen Eiland voor anker gedane waarneming op 44° 29′ N. uitkomt; op de kaart van gedaene coursen ligt die hoek eenige minuten zuidelijker, op 44° 25′ N., hetwelk ook op Broughtons en Sakusajemons kaart het geval is.

Behalve deze twee voor de aardrijkskunde gewigtige punten, die later ook door andere Europesche zeevaarders zijn bepaald geworden, hebben wij aan Vries nog andere belangrijke geo-hydrographische waarnemingen langs de O. en W. kust van dit eiland te danken, die aan waarde zullen winnen naar gelang het ons mogt gelukken ze met de kaarten van Sakusajemon en Toknai en met die van Broughton[318] en andere zeevaarders overeen te brengen en toe te lichten.

De den 13 Junij op 44° 20′ N.Br. gedane peilingen bevestigen de ligging van den piek Antony tegenover den »gehackelden berch,” op de Z.hoek van Jetorop, »die boven op seer haekelich was ende geleeck een eylant, ende daerbij noch een hoogen berch, die hem aen tween met een cloof vertoonde;” »daer beoosten quam een hoogen ronden berch hem vertoonen met sijn top door een dijs,” en van eenen anderen »hoogen vlacken gecartelden berch, daer op het W. eint een berch op staet, gelijckende een boeren schuur van fatsoen, ende is oock het hoochtste van dien berch.” »Van do. berch streckte wat laeger lant tot in ’t N.O.t.N. ende was het verste land dat wij sien conden; de boerenschuur-berch lach ons het naest ende was omtrent 10 mijlen van ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te wesen tot den gehackelden berch, soo men con bemercken, liep een canael tusschen den gehackelden berch ende den piekberch door om de W.” De piek Antony lag W.t.N., de gehackelde berch N.W. 12 W. »daer beoosten” de hooge ronde berch (Croonbergh); de Boerenschuerberch N. 12 W. Alle deze gebergten bevinden zich op onze Japansche kaarten. Den piek Antonij kennen wij; de Gehackelde berch vormt het zuidelijke voorgebergte (kaap Ricord), de hoogen bergh met een cloof is eene bergketen, die bij kaap Moikesi op de W.kust uitloopt en de Croonberch een hooge trachytdom, Bussanobori genaamd, die op de W.kust een ver uit stekend voorgebergte K. Itobirikawoi vormt; en de Boereschuerberch is ook een Kegelberg, op de oostkust tusschen Kusiara en Tosimoinots. De ligging dezer tot verkenning dienende bergen werd door de waarnemingen van den 30 Junij en 2 Julij bevestigd. Gedurende den 17 en 18 Junij zeilde Vries langs de Oostkust van dit eiland met eenen N.N.O. en O.N.O. koers, en zag somtijds met eenen blik de toppen der met sneeuw bedekte bergen, die van kaep Noneisjô af aan zich hoog verhieven. Deze zijn de[319] Refunsiri, Hetsirap en Tokarunbe, die boven allen uitsteken. Mogelijk kon men ook van hier uit de toppen der tegenoverliggende kegelbergen op de Westkust, van den Hetonoburi en Horosjunoburi, zien. De steyle clip gelyck een pyramida is waarschijnlijk het eilandje Obkarusibeisjô, hetwelk benoorden van »een steylen hoeck” (kaap Horaka) tegenover eene beek ligt. Het »hooch geberchte seer blinckende van de sneeuw,” ’s morgens 19 Junij in ’t W., N.N.W. en daarna in het N. gezien, zijn de hooge bergen, die het Noordeinde van het Staaten-eiland omsingelen, en de naar het N.O. uitloopende kaap Seworosi (C. Vries) en in het Noorden de hoeken Okkebets en Tosifuri vormen. Derzelver namen zijn: Sjusinobori, Isomattsenobori, Kitettsenobori en Sjokkonobori. Van den laatsten hoek begint de W.kust diep in te buigen en vervolgens eene hooge landtong N.W. uit te loopen. Van deze bogt hebben wij eerst door de meergemelde Japansche kaarten eene betere kennis gekregen; op Golownin’s kaart is dezelve aangestipt en baai van Sana genoemd. Het fort Sjana of Sana ligt echter niet in de baai, maar in het Z. der landtong. Dezelve is 25 Eng. mijlen wijd en 10 diep, en eindigt met een binnenmeer, Seppo genoemd, en met laag land, eene landengte van naauwelijks vier Eng. mijlen breed. Zij biedt naar de W.zijde eene tegen wind beschermde ankerplaats. Wij hebben aan dezelve den naam van de Baai van Seppo gegeven, omdat die van Sana onjuist is. De landtong bestaat uit een gebergte, dat twee toppen heeft, waarvan de oostelijkste de hoogste is. Deze twee-geheuvelden berch, die men 25 à 26 mijlen ver kon zien, was door den Commandeur Caep de Trou genoemd geworden; het is kaap Ikabanots op Sakusajemon’s kaart. Op den 30 Junij, op 45° 54′ N.B., lag Caep de Trou O.t.Z. 14 Z. 15 mijl, en de Boerenschuer Z.O. 15 à 16 mijlen en ’s middags den 2 op de gegiste breedte van 44° 56′, de Croonberch Z.O. 12 Z. 212 mijl, de Gehackelde berch in het Z., de Boeren Schuer O.Z.O. 12 Z., de Caep de Trou O.N.O.[320] 12 N. Thans blijft nog de aardrijkskundige ligging van Caep de Trou te bepalen, die, ofschoon deze kustenstreek door onzen zeevaarder Vries, door Lapérouse (den 18 en 19 Augustus 1787) en door Broughton (van 8 tot 11 October 1796) is onderzocht geworden en op de kaarten van Sakusajemon en Toknai dit ver uitstekend voorgebergte zeer naauwkeurig vertoond is, nog twijfelachtig schijnt te zijn. Door Lapérouse is dezelve op 45° 39′ N.B. geplaatst, hetwelk ook met zijne waarneming op den 19 Augustus, waar bij zich op 46° 20′ in een afstand van 41′ in het N. van dat voorgebergte bevond, overeenkomt. Broughton, die zich ’s middags den 9 October op 44° 31′ 30″ N.B. bevond, den Piek Z. 52° W., en het eiland Sikotan Z. 17° O. peilde, en van N. 48° O. tot 61° O. hoog land zag, dat hij voor een eiland hield, nam zijnen koers N.O. om het te onderzoeken. ’s Namiddags passeerde hij op een afstand van 4 Eng. mijlen den Croonberch, dien hij voortreffelijk beschrijft[99], en peilde bij zonsondergang dezen vulkaan Z. 24° W., en de kust, zoo ver hij zien kon, N. 55° O. Stormig en mistig weer lieten hem de kust den volgenden dag slechts met een blik zien, en het laatste land werd van Z. 61° O. tot Z. 27° O. en »a low point” Z. 8° W. ontdekt. Dit lage punt, dat op zijne originele kaart op 45° 7′ geplaatst is, veronderstelde von Krusenstern, dat het Caep de Trou was, en gaf aan de aardrijkskundige ligging van de vermoedelijke Caep de Trou de voorkeur[321] die van Lapérouse en die van Vries volgens Janssens kaart. Broughton heeft die kaap, die hij op den 10 tot 11 October zeer nabij voorbijkwam, wegens de digte mist niet kunnen zien, en het land, dat hij den 12 ’s ochtends zich van Z. 5° W. tot Z. 22° O. zag uitbreiden, en dat hij voor een eiland op zichzelve hield, was het N.W. einde van het Staaten eiland, waaraan Lapérouse en zijn opvolger (zoo als boven gezegd) verkeerdelijk den naam van Caep Vries gegeven heeft. Zulks is dan ook den volgenden morgen door deszelfs waarnemingen bevestigd geworden, waar hij zich midden in den Noordelijken ingang der straat Vries bevond. Deze uitweiding hebben wij moeten doen, om te bewijzen, dat kaap de Trou Noordelijker ligt als de groote hydrograaph von Krusenstern vermeende[100], en om de waarneming van Lapérouse en die van onzen Nederlandschen zeevaarder te regtvaardigen. Aangenomen dat de breedtebepaling der vermeende kaap Vries (onze kaap Okkebets) door Golownin goed is, en daar kaap de Trou op Sakusajemon’s kaart, waar de configuratie der kust alle geloof verdient, slechts 6′ van kaap Okkebets verschilt, zou de onderwerpelijke kaap op 45° 32′ N.Br. te liggen komen, dus 6′ Zuidelijker als die op Janssen’s kaart geplaatst is; en volgens Vries waarnemingen op den 5 Augustus, waar hij op 45° 43′ zijne kaap Vries Z.W. 4 mijlen van zich liggen had, en kaap Okkebets op 45° 40′ liggen zou, laat zich de breedte van kaap de Trou op 45° 34′ N. bepalen. Ook op Golownin’s kaart ligt die kaap op 45° 22′ N.Br. De vermeende kaap de Trou op de kaart van Broughton is kaap Notero, een lage uithoek, die op Sakusajemon’s kaart 20′ Zuidelijker geplaatst is, doch nagenoeg met de aardrijkskundige ligging (45° 7′ N.), die de verdienstelijke[322] Engelsche zeevaarder aan zijn »Low port” aangewezen heeft, overeenkomt.

De reeks van vulkanen die Jezo in eene N.O. rigting doortrekt, zich in het Z. van Kunasiri door den Tsinpa nobori te kennen geeft en in het Noorden van dat eiland als een hooge Piek (de Tsjatsja nobori) verheft, breidt zich ook nog verder over Jeterop uit, waar de meeste bergtoppen, welke voorgebergten vormen, of hier en daar vrij staan, of aan den voet van meeren, verzonkene trechters van uitgedoofde vuurbergen, zich als kegelbergen en trachyt dommen kenmerken.

Men kan aannemen dat alle bergen die op Jezo en de Kurilen den bijnaam Nobori[101] hebben, van vulkanischen oorsprong zijn en zoo zien wij dan den Croonbergh als Fussanobori, en in de baai van Seppo den Hetô nobori en Horosju nobori, en langs de N.W. kaap den Sjusi nobori, Itomatse nobori, Kitettse nobori en Sjokku nobori zich verheffen. Het uitmuntende kaartenbeeld, dat ons Toknai van dit eiland, in een maatstaf van 24 centim. een equatoriaalgraad, geeft, laat uit de configuratie van de kusten—hier ver uitstekende, hooge voorgebergten en steile uithoeken, daar diep inloopende bogten, baaijen en massa-gebergten, door lage landtongen van elkander afgescheiden, van verre gezien zich als eilanden op zich zelven vertoonende herkennen. Dit verscheurd en gebroken, smal en meer dan 70 Eng. mijlen lange eiland geeft ons een duidelijk denkbeeld van de onderaardsche krachten, die het uit den Oceaan hebben doen oprijzen, en van het geweld der door orkanen bewogen golven der zee, die sedert duizende jaren de rotsen uitgespoeld, de bogten en baaijen uitgehold en er het strand met zand bedekt hebben, door welke zich kleine, snel loopende riviertjes den weg banen.[323] Uit deze bij afwisseling uit steile rotsen en ondiepe baaijen en bogten bestaande kusten van dit eiland laat zich dan ook de ongelijke diepte digt bij den wal verklaren, waar men, naar gelang van deszelfs gesteldheid, 30 tot 100 vademen zwarte zandgrond, singel en paalgrond loodt. Behalve de Piramyda vindt men vele kleine eilandjes, rotsen en klippen rondom de kust verspreid, wier ligging maar figuratief bekend is; op deze gevaren moet men goed uitkijk houden. Behalve van eenige schipbreukelingen is dit eiland nog niet van Europische of andere natuuronderzoekers bezocht geworden, van zijne Fauna en Flora hebben wij nog geene wetenschappelijke kennis, zijne voortbrengselen laten zich gedeeltelijk uit de mededeelingen van de Japanners ontcijferen of als overeenkomende met die van Jezo en Kamtschatka, zijne zuidelijke en noordelijke naburige landen, vermoeden. En dit merkwaardige eiland draagt—ik herhaal het—sedert meer dan twee eeuwen een Nederlandschen, den zeer respectabelen naam van het Staaten eiland.

De straat de Vries en het Compagnijsland (het eiland Urup), met eenen O.N.O. koers langs de oostkust van het Staateneiland zeilende, zag men den 19 Junij op 45° 41′ gegiste N.breedte, »met een blinke lant in ’t W. ende W.N.W. ende stracx was ’t weder bedeckt van mist.” Dit was het hooge met sneeuw bedekte land van »Caep de Vries, kaap Okkebets en van het eiland Urup. Vries bevondt zich toen in het midden van den zuidelijken ingang der straat, die Jeterop van Urup afscheidt, en die thans zijnen naam draagt. »Saegen oock omtrekt 5 ueren naer den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. een heel hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw,” »bevonden de diepte van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem, ende wat corts gront af van 50 vadem,” »lieten het drijven op Godes genade om de N.W., hoorden gestadich de lant-zee ende groote ruysing van water ende veel gecryt van clipmeeuwen.” »Wat op den dach cregen[324] wij weder gront op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem grof santgront, lieten ons tuy-ancker vallen,” »saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen dicht bij ons te sijn, wij hoorden gestadich groot geruys van water.” »Omtrent 2 a 3 ueren naer de vroe cost claerde de mist op, doen saegen wij, dat wij boven 12 mijl niet van den wal geanckert laegen; saegen in ’t S.t.W. van ons 3 mijlen lant, ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mijlen van ons het noordelycxste lant dat wij sien conden. Het geruys van water saegen wij dat het afstorten van sneeuwater was, dat op verscheyde plaetsen van het geberchte in de cloven quam afvallen, ende een groot geruys ende geraes maeckte, ende het lant lach op veel plaetsen tot bij de waterstrant noch bedeckt met sneeuw; insonderheyt op ’t geberchte. Saegen een hoogen, ronden berch die vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende een do. in ’t S.W.t.W. van ons, wat lanchwerpiger dan van één hoochte sijnde, ende waeren met een laage valey aen malcanderen gehecht, alwaer noch eenige cleyne berchies buyten laegen, waer bewesten noch 2 ronde berghen laegen, maer die laegen wel over de 20 mijlen van ons. Van den berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, loopt een steyle afsteeckende hoeck, dien bij ons de naem gegeven was van Caep de Vries, conden in ’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als nu in de Tartarijsche see te sijn.” »Waren op de bevonden breedte van 46° 6′.

Wij konden niet beter dan met de letterlijke woorden uit het journaal getrokken den ankerplaats van het schip Castricum beschrijven, die op de plaat 66 S. van Witsen’s boekwerk afgebeeld is en waar »vertoont wort, hoe zich het Compagnieslant opdoet, als men 14 deel van een mijl van de Kruishoek afleit.” De in het Z.Z.O. geziene toppen van hoog gebergte zijn de Mineraelberch, van wiens voet niet ver verwijderd Vries ten anker gekomen was, en dien wij nader zullen leeren kennen, het in Z.t.W. 3 mijlen afliggende[325] land is Caep van der Lijn en het in het N.O.t.O. 5 à 6 mijlen noordelijkste land Caep Schouten terwijl hij 12 mijl ver van de Cruishoek af was. Van het schip uit zag men in het Z.W.t.Z. de N.O.hoek (K. Seworosi) en Z.W.t.W. de N.W.hoek (K. Okkebets) van het Staaten eiland, waarvan de N.O.hoek Caep de Vries genaamd was. De 20 mijlen afstand bewesten van het K. Okkebets geziene 2 ronden bergen konden de bovengenoemde kegelbergen bij K. Tosifuri zijn, waarvan de beide het verste afgelegene de Sjusi nobori en Itomatse nobori genaamd worden, de overeenstemming van de N.O.hoek van het Staaten eiland met Caep de Vries is door deze peilingen buiten allen twijfel gesteld en het voorzetsel de, dat men in lateren tijd dikwijls voor den naam van Vries geplaatst vindt, laat zich ook uit deze benoeming verklaren.

Lapérouse heeft, zoo als bij herhaling gezegd is, den N.westelijken uithoek van het Staaten eiland voor Caep de Vries gehouden en ook op zijne kaart met dezen naam gekenmerkt. Daar wij op onze kaart van Jezo en de Kurilen den naam van de Caep de Vries weder teregt gebragt hebben, zoo willen wij aan de N.westelijken uithoek, die nameloos geworden is, den naam van Kaap de Lapérouse geven en op deze wijze aan den grooten en ongelukkigen Franschen zeevaarder hulde doen, die aan onzen Nederlandschen eene zoo hoogen achting toegedragen heeft[102]. Lapérouse was dan ook de eerste die na Vries deze straat teruggevonden heeft (op den 20 Augustus 1787). De ankerplaats werd bevonden te liggen op 46° 6′ N.Br. en 168° 9′ O. v. Teneriffe of 146° 48′ 36″ O. v. Greenw., hetwelk met de boven vermelde verbetering van +3° 149° 48′ O. v. Gr. zijn zoude en nagenoeg met de waarnemingen van Golownin[326] overeenkomen, die de aardrijkskundige ligging van Kaap van der Lijn, die ongeveer 3 mijlen in het Z.t.W. van de ankerplaats aflegt, op 45° 39′ N.Br. en 149° 34′ O.L. bepaald heeft. »Tusschen het schip en de wal bevont (Coen) een opgaande gront, 14 mijl van lant diep 30 vadem santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem steenige gront.” »Zij hadden hier veel slecht water” en »laegen hier met groote peryckel gezet;” eene betere legplaats konden zij echter niet vinden; aan den wal komende vond men echter eene goede gelegenheid om water te halen. Het scheen hier eerst voorjaar te zijn (20 Junij), de elsenboompjes begonnen te bloeijen, de kruiden groenden[103] en bloeiden en de leeuwerik[327] zong liefelijk. Men zag eenige roode vossen en een spierwitten, ook sporen—eene hut en een geraamte, waarschijnlijk eene begraafplaats—maar geene menschen.

De hooge berg waar aarde gevonden werd, »die wel geleeck naer minerael ende scheen silver bij hem te hebben,” noemde Vries de Mineraelberch, en nam op den 23 Junij van dat lant, hetwelk men voor een eilant hield[104] digt bij de kust van Amerika gelegen, namens de Compagnie bezit, en gaf aan hetzelve den naam van het Compagnyslant[105].[328] Reeds tegen het einde van de zesde eeuw waren de Japanners met het zuidelijkste gedeelte van Jezo bekend geworden, dat zij Watari simano Jezo, d. i.: Overvaart eiland van Jezo noemden, omdat toenmaals ook nog het noordelijkste gedeelte van Nippon, Jezo genoemd werd. De Kuril’sche eilanden, namelijk de zuidelijkste, die zij Figasi Jezo, d. i.: Oost Jezo noemen, zijn eerst bij toeval in het jaar 1672 door een Japanschen kustvaarder, die daarhenen door eenen storm verslagen geworden is, ontdekt geworden. De Russen hebben dezelve, kort na hunne vestiging op Kamtschatka, leeren kennen en, zoo als boven gezegd is, in de jaren 1737-39 door Spangberg en Walton doen onderzoeken. In het begin dezer eeuw zijn somtijds jagers, zoogenoemde Promuschlenike, van de Russisch-Amerikaansche pelterij-compagnie naar Urup overgekomen, dat, wegens de vele zee-otters[106] die zich daar ophielden, ook Rakkosima door de Japanners genoemd wordt. Omtrent het jaar 1840 dreven de Russen op dat eiland met de Aino’s en met de Japanners, die daar om te visschen kwamen, eenen ruilhandel, die de Japansche regering stilzwijgende scheen te gedogen. In 1854, den 3 September, werd van twee fransche fregatten, behoorende bij het naar Kamtschatka gezondene smaldeel, namens de verbonden Westersche zeemogendheden, van het eiland Urup »den zetel van den Russischen handel op de Kurilen” bezit genomen en aan dit eiland de naam »Alliance” gegeven. Toenmaals was Urup nog geen Keizerl. Russisch gebied, het behoorde wel degelijk nog onder Japan,[329] waar het ook op Sakusajemon’s kaart nog als zoodanig geplaatst is. Maar de Keizerlijk Russische gezant, admiraal Putiatine, was juist ten dien tijde op Japan en had aan het hof van Jedo een tractaat van vrede en handel aangeboden, waarin door den Keizer Nicolaas voorgesteld werd dat: »de grenzen tusschen Rusland en Japan, zullen zijn tusschen de eilanden Iterup (Staaten eiland) en Urup (Compagnie eiland).” Volgens art. 2 van het tractaat in ’t voorleden jaar 1856 tusschen Japan en Rusland gesloten, »behoort Urup tot de Russische bezittingen.” En gelijk wij onlangs vernomen hebben, is aan de Russisch-Amerikaansche Compagnie eene concessie verleend geworden om de op dit eiland ontdekte kopermijnen te ontginnen. Ziedaar de geschiedenis van ons verwaarloosd Compagnyslant! Urup strekt N.O. en Z.W. en breidt zich, volgens de waarnemingen van Golownin, van Caep van der Lijn, 45° 39′ N. en 149° 34′ O., tot Kaap Castricum 46° 16′ N. en 150° 22′ O. uit. Van Kaap Castricum strekt nog, volgens Sakusajemon’s kaart, eene landtong 6 Ri ver N.O. uit. Op Golownin’s kaart is die veel kleiner en met rotsen eindigende aangegeven. Von Krusenstern heeft de geheele lengte van dit eiland op 54 eng. mijlen berekend, hetwelk ook vrij goed met de meergemelde Japansche originele kaart overeenkomt. Ook de geheele gedaante en de configuratie van de kust is zeer overeenstemmende. In het zuiden neemt men den hoogen Mineraelberch, Kabiop genoemd, achter welke de kust inloopt en eene bogt vormt, en langs het noordelijke gedeelte van de westzijde eene reeks van kegelbergen waar, die met een voorgebergte K. Nobu (Castricum) eindigen. Ook aan de oostkust bevinden zich eenige bogten, waarvan de baai van Wanan, ongeveer in het midden gelegen, zich als een goede haven vertoont.

Nog willen wij aanstippen, dat de »Steyle clip, die (in het Z.Z.W. 312 mijl van den ankerplaats) omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende is gelyck eene pyramida ende was[330] vol meeuwen, dan was soo steyl, dat daer niet mogelyck was op te comen, deze clip was wel een musquetschoot hooch,” ook door Golownin op 12 Eng. mijl afstands van den Z.hoek van Urup gezien is, het op Jansson’s kaart aangegeven rif echter niet waargenomen werd. Golownin en Ricord, die de Straat de Vries drie keeren gepasseerd zijn, deelen niets over de strooming in deze straat mede. Op Sakusajemon’s kaart is de strooming in het midden der straat naar Z.O. aangegeven. Volgens de waarnemingen in het Journael op den 5 Augustus was »met een doorgaende N.wind” »de deyninge seer hol de straet doorrollende uyt een N.N.O.” Daarentegen vermeent de stuurman Coen, op den 20 Junij, het Canaal »eerst om de N.W. ende voorts om de N. doorgedreven” te zijn; de wind was toen variabel, doch de heerschende van dat jaargetijde Z.O. en Z.W.; daaruit mag men besluiten, dat de winden een wezenlijken invloed op de strooming in deze straat uitoefenen, en dat, daar in dat zeegewest, van de maand Mei tot Augustus meestal zuidelijke en van Augustus af aan noordelijke winden waaijen, de strooming gedurende de drie eerste maanden om de N. en vervolgens om de Z. loopt.

Van hier nam Vries eenen N. en N.W. koers tot op de breedte van 47° 27′ N., waar hij besloot wederom naar de Z. te keeren. Mogt hij dezen koers langer vervolgd hebben, dan zoude hij in de zee van Ochots verdwaald zijn. Zoodoende werd door hem de westkust van Jetorop onderzocht, de straat die dat eiland van Kunasiri afscheidt, ontdekt en vervolgens langs de noordkust van Jezo de weg gebaand tot de ontdekking van de bogten van Aniwa en van Patientie, het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van het zoogenoemde schiereiland Saghalien, dat wij later, volgens de belangrijke onderzoekingen van den Japanner Mamia Rinsô, het eerst als een eiland met zijnen waren naam, dien van Krafto, in de geschiedenis der aardrijkskunde geboekt hebben. De uitkomsten van den togt langs de W.kust van[331] Jeterop en van de waarnemingen op de ligplaats bij het Vossen-eiland, aan den westelijke ingang van de straat Antony van Diemen, hebben wij ons reeds ten nutte gemaakt bij de hydro-geographische beschrijving van dat eiland en van deze straat.

Nadat Vries, op den 11 Julij, zijne ankerplaats bij het Vossen-eiland verlaten had, nam hij zijnen koers N.N.W., waar zij echter door een »styve fehemente stroom” zoo tegengehouden werden, dat zij weinig vertierden. Deze stroom om de O.Z.O. loopende—naar de straat toe—verminderde allengs en kon op eenen afstand van 9 mijlen Z.t.O. van den piek Antony niet meer gevoeld worden. Op de gegiste breedte van 45° 26′ N. »deden alsdoen den coers W.S.W. aen, om te vernemen ofte by do. Coers weder geen lant souden opseylen ende by dach mochten in ’t gesicht crygen.” Zij krijgen 80 vadem »steekgrond,” vervolgens 60 vadem zwarte zandgrond, verder 50 vadem graauwe fijne zandgrond, en bemerkten eenige ravelingen van stroom.

Op den 14 Julij ’s middags was men op 45° 39′ gegiste breedte en besloot het land aan te doen, waarvan men volgens het opdrogen van den grond niet verre zijn moest; men vervolgde 3 duitsche mijlen eene N. koers op 46 tot 42 vadem fijn graauwen zandgrond en zag alstoen ten 4 ure des namiddags hoog land in het W.t.Z. Dit land »streckte van N.N.O. tot in het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van ons, was alsdoen diep 35 vadem, fijne wasige santgront. Saegen corts daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent 1012 myl van ons.

De Straat de Lapérouse. Vries bevond zich van den 13 tot den 14 Julij in het midden der straat die Jezo van Krafto afscheidt, en die eerst 144 jaren later, op den 11 Augustus 1787 door Lapérouse is ontdekt en naar dezen grooten zeevaarder benoemd geworden. Zij »saegen eenige[332] raveling van stroom,” en »het scheen dat hier stroom liep, dan conden door de harde coelte weynich bemerken hoe die liep.” De mist, die het lage kustland bedekte en de toppen van bergen, die in het W.t.Z. tot in het N.N.O. uitstaken, misleidden den kundigen zeeman en lieten hem het land in het W. voor zamenhangende houden en een doortogt in de zich diep naar het N. inbuigende golf zoeken, »hadden veel biesen, groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganch lagen ofte in een bocht geset liggende.”

Volgens de peilingen ten 4 uren na den middag van den 14 Julij gedaan, bevond zich Vries reeds in de Golf van Aniwa, en wel 4 à 5 mijlen O.t.N. van het hooge gebergte (Horobori), hetwelk in eene landtong (Notoro) uitloopt, die door Lapérouse Cap Crillon genoemd werd en de westelijke en zuidelijkste grens van de Golf van Aniwa vormt. Wij hebben dan ook reeds op onze kaart van Krafto (Atlas no. 3) den Horobori als den Blydeberg herkend, die het hooge land, door Vries in het W.t.Z. gezien, zijn moet[107]. Het land dat verder van N.N.W. tot N.N.O. strekt, zijn de bergketen, Poortlandt genoemd, die in het westen van de golf tot den Pic Bernizet van Lapérouse, en regts van de Zalmbaai noordelijk strekken, en op Toknai’s originele kaarten de namen van Okosjô en Niwajemesi (de Speenberg, Vries?) dragen; en de twee hooge bergen kort daarna in het O.t.N. op 1012 mijl afstand gezien, die zich gelijk een eiland vertoonden, zijn de kegelbergen Hôru en Serikai welke tot de ketting behooren, die de oostelijke grens van de golf vormt en wier zuidelijkste uithoek Siretoko genaamd[333] en Caep Aniwa, Vries, is. Deze beide kapen, Cap Crillon (volgens von Krusenstern, op 45° 54′ 15″ N.Br. en 141° 58′ O.L.) en Caep Aniwa (op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L.) zijn de noordelijke, en Kaap Soja (op 45° 31′ 15″ N.Br. en 141° 51′ O.L.) de zuidelijke grens der Straat de Lapérouse, die aan den westelijken ingang 23 engl. mijlen breed is. Behalve de klip la Dangereuse, 10 engl. mijlen in het Z.O. van Cap Crillon op 45° 47′ 15″ N.Br. en 142° 8′ 45″ N.Br. en 142° 8′ 45″ O.L. gelegen, en die dezen naam draagt, omdat dezelve even boven water ligt en mogelijk bij hoog water onder water. In een’ afstand van 2-3 engl. mijlen daarvan, vonden Lapérouse en Krusenstern 23 à 25 vadem rotsigen grond met kleine steentjes. Beide zeevaarders hebben ook eene sterke strooming (von Krusenstern half Mei om de oost) waargenomen; Lapérouse merkt op, dat de strooming harder aan de noordzijde van de straat, aan de zijde van Krafto, dan aan de zuidzijde, die van Jezo, liep. De diepte in het midden der straat aan den westelijken, den naauwsten, ingang, door Lapérouse en von Krusenstern waargenomen, zijn 36-42 vademen rotsigen grond met kleine steentjes. Vries loodde bij den oostelijken ingang 80 vadem steekgrond en verder, 70 fijne zandgrond; zijne bevonden diepten naar en in de Golf van Aniwa zijn ook grooter als die, welke door von Krusenstern bekend gemaakt zijn. Daar deze waarnemingen bijna een en een halve eeuw uit elkander liggen, zoo mogt men daaruit aanleiding tot de vraag nemen: of dat verschil niet het gevolg kon zijn van verheffing van den bodem der straat, die eene keten van bij voortduring werkzame vuurbergen afbreekt? Dit problema behoort niet alleen tot het gebied van de geologie, het behoort ook wel degelijk tot de hydrographie en verdiende hier en in alle vulkanische landen, van zeevaarders mede in aanmerking genomen te worden. Bij het opzoeken van den westelijken ingang der straat, van het zuiden komende, dienen de eilandjes[334] Risiri en Refunsiri, het eerste met zijne hooge piek, die 50 engl. mijlen uit zee kan gezien worden tot loodsen, en van het noorden komende het eilandje Toto mosori (I. Monneron, Lapérouse). Risiri ligt op 45° 11′ N.Br. en 141° 12′ 15″ O.L.; het eilandje strekt N.N.W. en Z.Z.O. van de kust, ongeveer zeven engl. mijlen lang en drie à vier breed, de oostzijde is stijl, rotsig en schijnt onvruchtbaar te zijn; de westzijde loopt vlakker neer, is ook met rotsen omsingeld, hier en daar echter weelderig begroeid en levert door afwisseling van groene plekken met bosschen een aangenaam gezigt op; de Kegelberg, van welke men duidelijk de vulkanische uitwerkingen en de krater zien kan, is rotsig en dor en in de maand Mei nog gedeeltelijk met sneeuw bedekt. De west- en noordwest-kust heeft eenige inhammen, Toto tomari en Benkaï tomari, die bewoond zijn, en waar zich Japansche wachthuizen bevinden. Ook aan het noordeinde is een gehucht van de Aino’s, en eene wacht, Nakkatomari, en aan de N.O.kust (volgens Toknai), eene bogt Otsutsi tomari, waar een riviertje Kusjônaï uitwatert; van deze bogt gaat een landweg naar Toto tomari. In deze bogt ankeren telkens de Japanners op hunne vaart van Matsmaë naar Kaap Soja. Op eenen afstand van 24 engl. mijlen in het Z.W. gezien, vertoont zich dit eilandje als een vrij in zee staande kegelberg, aan welke men nog in den zomer met sneeuw opgevulde voren waarneemt[108]. Refunsiri ligt op 45° 27′ 45″ N.Br. en 141° 4′ O.L., strekt N.t.O. en Z.t.W. en is ongeveer 10 eng. mijlen lang en vier à vijf breed, met stijle rotsen omgeven, heuvelig, zich naar het N.O.einde in een berg verheffend (Cap Guibert), die echter in vergelijking met de piek van Risiri laag is. Aan de Oostzijde, ongeveer in het midden van het eiland bevindt zich een inham Toitsubeki, waar een Aino dorp en een Japansch wachthuis is en[335] een beschermende ankerplaats voor Japansche schepen gevonden wordt. Ook aan de N.zijde buigt de kust diep in, en vormt eene kom naar een binnenmeer gelijkende. Beide eilandjes waren vroeger, meer dan tegenwoordig, door de Aino’s bewoond. Het vaarwater tusschen beide eilandjes is zuiver, insgelijks de vaart tusschen dezelve en de westkust van Jezo. Van het noorden komende, dient het kleine en laage eilandje Tato mosiri, d. i. Walrussen eiland, tot gids. Het ligt op 46° 9′ N.Br. en 141° 15′ O.L., strekt zeven engl. mijlen N. en W., en is ongeveer 18 engl. mijlen (volgens Lapérouse) van de kust van Krafto verwijdert. Lapérouse en Broughton zijn tusschen dit eilandje en de kust, waar niet minder dan 50 vadem water gevonden wordt, gepasseerd; de laatste heeft het echter niet gezien. Men moet dus bij mistig weer hier voorzigtig zijn, te meer daar de afstand van het eilandje van de kust van Krafto niet juist bepaald is. Wanneer men Toto mosiri gepasseerd is, kan men ook reeds de piek van Risiri zien. Den oostelijken ingang van de straat kenmerkt het hooge gebergte van de oostkust van Krafto, die op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L. den zuidelijken en oostelijken uithoek van dat eiland vormt, Siretoko, door Vries Caep Aniwa genoemd. Deze kaap vertoont zich als eene steile, losgescheurde rots met een diep gekloofde punt. Volgens Toknai’s kaart liggen eenige rotsen nog buiten de kaap. Von Krusenstern, die de kaap in een afstand van 5 tot 8 engl. mijlen omzeilde, vond het vaarwater zuiver en loodde 75 vadem kleigrond.

De Golf van Aniwa. Aan Vries hebben wij de ontdekking en eerste kennis, aan von Krusenstern de bevestiging dezer ontdekking en een nader geo-hydrographisch onderzoek van deze golf te danken. De Japansche aardrijkskundigen, namelijk Mogami Toknai, en Mamia Rinso, hebben ons meer bijzonder met de configuratie der kusten, met derzelver uithoeken, bogten en inhammen, met de daar uitwaterende rivieren en beeken, met binnenmeren en ketens van gebergten en met[336] de inlandsche namen daarvan en met al de bewoonde plaatsen bekend gemaakt. Maar niet alleen danken wij aan hun de bijzondere kennis van deze golf; met verre het grootste gedeelte van Krafto hebben ons deze onvermoeide reizigers insgelijks bekend gemaakt. Het voorheen zoo weinig bekende voor een schiereiland gehouden Saghalin is door hunne nasporingen van het vaste land van Azië als het ware afgescheurd en door hen is het binnenste van eene terra incognita ontsloten geworden. Men vergelijke de beste Europische kaart van Krafto die bestaat, de Carte de la Presqu’isle de Saghalin in 1827[109], door von Krusenstern uit de waarnemingen van Vries, Lapérouse, Broughton en zyne belangrijke eigene ontdekkingen zamengesteld, met onze kaart »die Insel Krafto und die Mündung des Mankô (Amur) nach Originalkarten von Mogami Toknai und Mamia Rinzo[110], en het in de lengte grootste eiland der wereld ligt ontsloten voor onze oogen; een eiland, dat met ons toedoen, volgens art. 2 van het tusschen Rusland en Japan gesloten traktaat, als neutraal verklaard, dus van nu af aan niet alleen voor den wereldhandel geopend, maar ook voor kolonisatie door eene nieuwe bevolking vatbaar is gemaakt[111].

[337]In de veronderstelling, dat in het W. het land gesloten en geen doorgang mogelijk was, had Vries zijnen koers noordelijk vervolgd, op een afstand van 4 mijlen van de kust, die hij Poort Landt noemde. Hij bevond zich volgens gissing op de breedte van 46° 30′ N., bij eene diepte van 23 vademen steekgrond. Hij nam nu een N.O. koers en na dien eenige mijlen met opdrogende diepte tot op 16 vadem steekgrond te hebben vervolgd, kwam bij ten anker. Den 16 Julij »’s morgens was ’t noch mistich weder maer daerde een weynich op, saegen dat in een groote inbocht geset lagen.” Men zette de prauw uit, om eene ankerplaats digter bij den wal op te zoeken, die ook op 10 vadem steekgrond, 13 mijl van het land, gevonden werd. Aanvankelijk liet men het anker verder naar het land toe, op 6 vadem steenachtige grond vallen, daar dit echter niet wilde houden en het van het land begon te waaijen, zeilde men terug en ging op 912 vadem steekgrond voor anker, het dorp Aniwa-Tamary (tamari, d.i.: woonoord) N.O. 12 mijl peilende. »Waeren nu op de gegiste breete van 46° 40′.” Deze inbogt werd de »Salmbay” genoemd, omdat men zich hier rijkelijk van zalm voorzag. Op de meergemelde kaart van »Gedaene Coursen” leest men: »Hier komen haer veel inwoonders aen boort, die haer willen beduiden dat hier in ’t gebergte ’t Silver in overvloet te bekomen is, ook houden zij ’t ijzer waerdiger als ’t Silver.” Ook worden in het Journaal merkwaardige verhalen over de inwoners, waarmede onze zeevaarders in aanraking kwamen, medegedeeld. Daarvan op eene andere plaats.

Alvorens het Journaal teruggevonden en van de meergemelde twee kaarten, die zich in den »Atlas van geteekende Land- en Zeekaarten,” thans bewaard bij het statistiek Bureau[338] van het Ministerie van Koloniën, bevinden, door ons inzage genomen was, berustte de kennis van den door Vries ontdekten Golf van Aniwa, op de kaart van Jansson en op eenige stuksgewijze mededeelingen van zijnen gedenkwaardigen zeetogt door Nicolaes Witsen en anderen, en deze waren ten opzigte van aardrijkskundige bepalingen zeer gebrekkig. Von Krusenstern had niets dan eene kopij van Jansson’s kaart aan boord, waarop de mond van de rivier, waarmede de »Salmbay” eindigt, op 47° 35′ N.Br. geplaatst was. »Es scheint fast unglaublich,” roept hier de groote hydrograaf uit, »wie man einen Fehler von 52 Minuten in der Breite hat begehen können[112]. En toch een Vries heeft zulk een misslag kunnen begaan? Neen, nimmer! De ankerplaats van het schip Castricum werd door hem volgens gissing bepaald op 46° 40′ N.B. en die was 12 mijl in het Z.W. van Aniwa Tamary. De ankerplaats van de Nadeshda werd door von Krusenstern sterrekundig bepaald op 46° 41′ 15″ N.Br. en 142° 33′ O.L. op eenen afstand van 212 engl. mijlen Z. 49° O. van de Japansche faktorij. Daar nu de ankerplaats van von Krusenstern ten hoogsten 3 minuten noordelijker dan die van Vries was, zoo bedraagt het verschil der breedte, door onzen Nederlandschen zeevaarder in 1643 bij gissing bepaald, slechts 2 minuten van de sterrekundige waarnemingen van een der vermaardste hydrographen dezer eeuw. Voegt men daarbij Vries’ bevonden breedte op den 19 Julij, wanneer hij zich op 46° 27′ N. bevond en »alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. 12 W. 212 myl van ons, in ’t N. lach het land 212, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 myl, in ’t S.O.t.S., de veerste hoeck dien wy sien conden, 8 mylen van ons ende gaven dien hoeck de naam van Caep de Aniwa,” en vindt men uit deze sterrekundige en compas-waarnemingen van Vries, dat de »steyle hoeck beoosten Tamary,” op[339] 46° 37′ ligt, en dat die hoek 4′ zuidelijker dan von Krusenstern’s ankerplaats is, zoo bestaat er geen verschil meer omtrent de aardrijkskundige ligging van de Salmbay, zoo als die door onze beide zeevaarders bepaald geworden is. En neemt men daarbij de gegiste breedte van den volgenden middag (20 Julij) in aanmerking, waar Vries giste Z.t.O. 612 mijl gezeild en op 46° 1′ 30″ te zijn, en Caep Aniwa O.Z.O. 3 à 4 mijlen van zich te hebben, alsdan wordt ook de aardrijkskundige ligging van Caep Aniwa op 45° 59′ N.Br. bepaald, hetwelk een verschil van 3′ 20″ oplevert met de herhaalde sterrekundige waarnemingen van von Krusenstern, volgens welke deze kaap op 46° 2′ 20″ N.Br. ligt. Ook de inham Tofuts genaamd, in het O.t.Z. van den hoek van Tamary gelegen, en een steile rots, op Vries kaarten Piramyda en op Toknai’s kaart Takatsuka, d. i. de hooge grafheuvel genoemd, die wegens den digten mist door von Krusenstern niet konden gezien worden, bestaan en getuigen van de naauwkeurigheid van Vries waarnemingen en gelijktijdig van de getrouwheid der Japansche kaarten, en met regt, zegt Lapérouse, wanneer hij de waarnemingen van onzen zeevaarder nopens den Golf van Aniwa beoordeelt: »précision étonnante pour le temps où fut faite la campagne du Kastricum,”[113] en niet minder streelend is de uitroep van von Krusenstern, toen ik hem in 1834 op de kaarten van Toknai en Rinso de straat aantoonde, die Krafto van het Amurland afscheidt: »Les Japonais m’ont vaincu!

De Golf van Aniwa, die 90 engl. mijlen wijd en 70 mijlen diep, en voor zoo verre hij haar onderzocht, vrij van gevaren is, biedt eene ruime en tevens veilige ankerplaats langs de kusten, die haar in het O. en W. omgeven en in de zoogenoemde Salmbay, waarmede zij eindigde. Men vindt van 45 tot 10 vademen steekgrond, rondom naar den wal toe[340] regelmatig opdrogende, waar de grond rotsig met steentjes gevonden wordt. Het tijdstip van hoog water bij nieuwe of volle maan kon door von Krusenstern niet naauwkeurig waargenomen worden; hij gelooft echter dat het omstreeks 5 uren zijn zal. Stuurman Coen zegt: »Het water wast hier (aan de Salmbay) een vaem op en neder, meer malen op den dag.” Er waaijen hier ook regelmatig land- en zeewinden, ’s avonds en ’s morgens. Vries nam hard waaijende landwinden en von Krusenstern een frisschen zeewind waar. De strooming die in het midden der Straat van Lapérouse O. loopt, wordt aan de kust van de golf niet gevoeld; daar schijnt, zoo als aan de noordkust van Jezo, door de getijden afwisselende, eene oostelijke en westelijke strooming plaats te hebben. De miswijzing van het kompas bedroeg (1805) aan den oostelijken uitgang van de golf 1° 11′ Oost. Ten tijde van het bezoek van Vries was de golf alleen van Aino’s bewoond; wel had reeds in het begin van de 17 eeuw de vorst van Matsmaë op Jezo, van Kaap Soja uit eene herhaalde expeditie naar Krafto ondernomen; de Japanners bleven daar overwinteren, keerden echter na verloop van eenige jaren terug. De eerste mededeelingen over Krafto, ook Kita-Jezo, d. i. Noord-Jezo genoemd, heeft men aan den Japanschen aardrijkskundige Fajasi Sivei te danken[114]; daaruit blijkt, dat reeds in het begin van de 18e eeuw een handelsverkeer van Jezo uit, met dat land plaats had, en dat men toenmaals daar reeds 22 Aino-dorpen kende. Men veronderstelde, dat dit land door eene hooge bergketen van het land Santan en Mantschu afgescheiden was en beweerde dat de sterke strooming, klippen en banken in de straat tusschen Jezo en Krafto den vaart daar naar toe zeer gevaarlijk maakten. Een eiland Sagalin (Saghalien) wordt op Sivei’s kaart nog bijzonder tegenover den mond van den Amur vertoont, zoo als dat[341] eiland ook op de Chinesche kaarten geplaatst is. Op de meergemelde kaart van Fukutsi Kensok is Krafto reeds als een eiland uitgeteekend en daarop de vaart van Soja naar Siranusi aangewezen. Eerst sedert Augustus 1785, wanneer de meergenoemde Mogami Toknai ook van Soja uit, met een Japansch koopvaardijschip naar Siranusi, niet verre van Cap Crillon, overzettede, is Krafto aan de Japanners nader bekend en van dien tijd af aan van kooplieden onder het toezigt der regering bezocht geworden. Vischvangst en vischhandel hebben tot op den huidigen dag eene levendige verkeering tusschen Jezo, Japan en de Golf van Aniwa onderhouden, die allengs een onuitputbare en onmisbare bron voor het levensonderhoud van de meer en meer toenemende bevolking van het rijk Nippon geworden is.

De Bocht van Patientie. Na de omzeiling van de Caep Aniwa (21 Julij) nam Vries zijnen koers N. en vervolgens N.W. en verder N.W.t.W. en »corts daernaer W.N.W. om te soecken om de W. te komen, hadden slecht water. Giste ’s middachts gezeylt te hebben N.W. 12 W. 11 mijlen, waeren volgens dien op de breete van 46 gr. 28 min. Omtrent 4 uren naer de middach cregen wy weder de cust van Eso in ’t gesicht, ende was een steile uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. streckende, geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven do. hoeck de naem van Tonyns hoeck, do. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden van ’s middachts geseylt 5 mylen W.N.W.; vonden de diepte van 44 vadem steeckgrond, ende corts daernae 58 vadem.Vries bevond zich toen aan de oostkust van Krafto. Van de Caep Aniwa af aan, die het uiteinde als het ware van eene door eene hooge bergketen gevormde landtong is, kenmerkt zich de oostkust daarvan door vier uithoeken, waar de zuidelijke en kleinste op Toknai’s kaart Tsisinoje, de volgende grootere Hontob (Cap Löwenorn, Krusenstern), dan wederom een kleine uitstekende hoek Niteosi en eene groote met een voorgebergte naar het N.[342] uitloopende hoek aan zijn zuidelijk uiteinde Wojakutsi en aan zijn noordelijk Ajerub genaamd is. Von Krusenstern heeft aan dat noordelijk uiteinde den naam van Cap Tonyn gegeven en de aardrijkskundige ligging daarvan op 46° 50′ N.Br. en 143° 33′ O.L. bepaald, en die van Cap Löwenorn op 46° 23′ 10″ N.Br. en 143° 40′ 20″ O.L. Deze kaap is eene steile uitstekende rots, door zijne gele kleur van andere rotsen verscheiden en kenbaar. Na de kaart van Jansson en van die van de »Gedaene ontdeckinghe” (Atlas von Land- und Seekarten, No. 11. D.) te oordeelen, zoude de Tonyns hoeck zuidelijker liggen en de uithoek Hontob (Cap Löwenorn) zijn; neemt men daarentegen de op den middag van den 23 Julij gegiste waarnemingen van breedte aan boord van de Castricum, 46° 28′ N. en reekent daarbij vijf mijlen met een W.N.W. koers en den afstand van den Tonyns hoeck van 1 mijl W.Z.W.; zoo komt deze hoek op ongeveer 46° 47′ N.Br., dus 24′ noordelijker dan C. Löwenorn en 3′ zuidelijker dan C. Tonyn, Krusenstern, te liggen. Op onze kaart van Krafto (Atlas, No. 3) hebben wij reeds aan het zuidelijke uiteinde, aan Wojakutsi, dat ongeveer 6 à 8 minuten zuidelijker ligt dan von Krusenstern’s C. Tonyn, den naam van Tonyns hoeck toegekend.

Het lage land »tot 3 à 4 myl benoorden de Tonyns hoeck,” is ontwijfelbaar de bogt, die zich van Ajerub (C. Tonyn, Krusenstern) tot Notsuitoko (C. Seniavin, Krusenstern) in eene N.W. rigting uitbreidt, en door von Krusenstern, Mordwinoff’s baai genoemd werd. Onze meergenoemde Japansche reizigers hebben ons deze bogt nader leeren kennen en wij zien daar eenen diepen inham en een groot binnenmeer, Omutô, dat door eene rivier in zee uitwatert en door een ander riviertje en drie meer zuidelijk gelegene kleinere meren, Tsisikusitô, Hotoma en Tôfuts, eenen weg ter verbinding met den Golf van Aniwa opent. Deze communicatie is voor de langs de geheele oostkust van Krafto tot de in de »Bocht Patientie” wonende bevolking zeer[343] nuttig, omdat zij daardoor ontheven zijn van met hunne kleine vaartuigen de Caep Aniwa om te zeilen, wanneer zij ten handel daar naartoe willen komen (vergelijk Atlas, No. 3).

Den 24 Julij. »Wy vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 23 W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 27 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van 47 gr. 49 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset had, omtrent 3 mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in ’t S.W.t.W. 5 mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. 12 W. lach een hoogen berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van Tepelberch, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront.” Volgens deze waarnemingen en verkenningen bevonden zich onze zeevaarders tusschen Cap Seniavin en Cap Muloffsky, Krusenstern, die op Toknai’s kaart de namen Notsuitoko en Sjojunkotan dragen en waarvan de eerste op 47° 16′ 30″ N.B. en 143° O.L. en de laatste op 47° 57′ 40″ N.Br. en 142° 44′ O.L. door von Krusenstern geplaatst is. Ongeveer naar het midden van deze kuststreek toe wordt het land lager, valt naar het W. af, en vormt eene bogt, waar de grootste rivier op de oostkust, de Naifuts. zich in zee stort, en de bergketen, die Z.W. en N.O. strekt en die von Krusenstern op het denkbeeld bracht, dat zich daar eene doorvaart opende, is het gebergte, door welks valleijen deze rivier stroomt. De berg dien Coen den »Tepelberch” noemt, is waarschijnlijk dezelfde die op alle andere kaarten van Vries’ zeetogt Speenberg genaamd is. Wij hielden den Speenberg voor het gebergte Niwajemesi, op den regten oever van den Naifuts gelegen. Von Krusenstern die denzelven als een hoogen afgeronden berg beschrijft en op 47° 33′ N.Br. en 142° 20′ O.L. plaatst, meent dat het de op de westkust door Lapérouse geziene[344] piek Bernizet zijn kon, die volgens Lapérouse op 47° 25′ N.Br. en 142° 21′ 20″ O.L. ligt. Daar in het Journael de afstand van den Tepelberch (Speenberg) op 10 à 11 mijlen opgegeven is, zoo kan het niet wel een berg op de oostkust zijn, daar hier (op 4712 gr. N.Br.) Krafto niet veel breeder dan 30 engelsche mijlen is. Op de Japansche kaarten bevinden zich op de oostkust twee bijzonder gekenmerkte bergen, de voormelde Niwajemesi en de Tokitaë. Het is niet onwaarschijnlijk dat de eerste de ronde berg is, die door von Krusenstern, na de omzeiling van zijn Cap Tonyn (Ajerub) is gezien geworden[115], en de andere die, waarvan in het Journaal (den 24 Julij namiddag) gezegd wordt: »in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer spitsies op stonden als stompe torens.” De Tokitaï, die door twee kegelvormige toppen gekenmerkt is, ligt ongeveer op 47° 50′ N.Br., juist in de bogt in het Z. van de Cap Muloffsky, waar de kust zich N.t.O. begint uit te strekken. Nog willen wij de aandacht van zeevaarders op eenige meer naar het N. op de westkust van Krafto gelegene hooge bergen vestigen, die waarschijnlijk ook van de oostzijde van dat eiland kunnen gezien worden. Het zijn de kegelbergen Raitsiska, Jesijaran en Rijonai, waarvan de eerste door Lapérouse Pic de Lamanon genoemd en op 48° 45′ N.Br. en 141° 56′ O.L. geplaatst is en de laatste, Pic de Mongez, ongeveer 38′ noordelijker ligt. Wij hebben meer breedvoerig over deze bergen uitgewijd, omdat in dit zeegebied meestal een digte mist het lage land bedekt en de hoogste bergtoppen dikwijls maar met een blik ten voorschijn komen en tot verkenning dienen kunnen.

Alvorens wij echter deze kust verlaten en mede in de »groote bocht van Eso” zeilen, die zich aan onze zeevaarders[345] in het N.N.W. tot O.Z.O. opende, kunnen wij niet onopgemerkt laten, dat Vries daar eene strooming waarnam, die hem in 24 uren 3 mijlen om de N. zette; en dat aan von Krusenstern, ongeveer op de hoogte van Cap Muloffsky, het land een veel aangenamer gezigt opleverde dan de meer zuidelijk gelegene landstreken van Krafto en Jezo[116]. Mag daartoe reeds de ligging dezer kust naar het oosten en derzelver bescherming door hooge bergketens in het W. en N.W. tot in het N.O. veel bijdragen tot de voortbrenging van een zachter klimaat, toch moet men niet miskennen, dat de uit warmere gewesten naar het noorden stroomende wateren—een zijtak van den meergemelden Japanschen stroom—eenen even gunstigen invloed op deze kust, die zij bespoelen, uitoefenen als de in het noorden tot IJsland doordringende verwarmende vloeden van den Atlantischen Golfstroom. Ook willen wij bij herhaling beweren, dat de in dat zeegewest heerschende mist door de onevenredigheid van de temperatuur van het zeewater tot die van de lucht voortgebragt wordt en gedurende het grootste gedeelte van den zomer aanhoudt.

Op de gegiste breedte van 48° 25′ N.Br., waar men de bogt door hoog land van W.Z.W. tot in het N.O. begrensd zag, lag W.t.N. 12 N. op een afstand van 8 à 9 mijlen »een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was geheel gehackelt boven op gelyck of het een saech was.” Deze uithoek is hoogst waarschijnlijk het voorgebergte, dat door een bergrug gevormd wordt, die N. en Z. strekt, steil aan den[346] oever der zee neerloopt en zich als geheel vrijstaande vertoont, en op de Japansche kaarten Uri en door von Krusenstern Cap Dalrymple genoemd en op 48° 21′ N.Br. en 142° 50′ O.L. geplaatst is. De kust die van de Cap Muloffsky aan N.t.O. strekt, neemt van Cap Dalrymple af aan eene noordelijke rigting. Daar Vries van den 25 tot den 26 Julij eenen N.N.O. koers vervolgde, zoo kon hij Cap Soimonoff, een hoog, ver naar het O. uitstekend voorland, dat men ligt voor een eilandje houden kon, in het W. niet duidelijk gezien hebben. Het land echter dat ’s middags den 26, wanneer Vries zich op 48° 56′ N.Br. bevond, 612 mijl in het W. gezien werd, kan niets anders dan deze kaap zijn, die, volgens de waarnemingen van von Krusenstern, op de breedte van 48° 52′ 30″ en 143° 1′ 30″ O.L. ligt. Van deze kaap aan strekt de kust al wederom meer westelijk en vormt eene bogt, die op Jansson’s kaart en op die van »Gedaene Ontdeckinghe” de »bocht van Sainct-Iacob” genaamd is, waarvan echter in het Journael niets vermeld wordt. De groote rivier Boronai, die in het meer Sânai zijn oorsprong heeft, dat in het midden van het breedste gedeelte van Krafto, op de breedte van ongeveer 5012 gr., een waterbekken vormt, rondom van hoog sneeuwgebergte omgeven[117], aan de N.W.zijde van deze bogt in delta-gedaante uitwatert, en twee meeren voedt, die zich regts en links wijd uitbreiden, deze is het en zijn ruim stroomgebied, dat van verre gezien, zich als eene diepe bogt vertoont. Van boord van het schip Castricum is de mond van deze rivier gezien geworden. Ook von Krusenstern heeft den mond dezer rivier van nabij onderzocht: »Wir entdeckten zwei Mündungen, von welchen die nördliche, welche auch die grösste war, in[347] N.W. 72° lag. Die Mündung dieses Flusses, welche ich die Newa nannte, ist über eine halbe Meile (engl.) breit. Sie liegt in 49° 14′ 40″ N.Br. und 143° 2′ O.L.[118].

[348]’s Namiddags den 26 Julij 312 mijl O.t.Z. gezeild zijnde, kwam Vries ten 6 ure ten anker op 18 vadem steekgrond met kleine steentjes vermengt. Hij bevond zich omtrent 112 mijl van het land, op 48 gr. 54 min. »Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als een cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons ende do. eylantie lach S.S.O. 4 mylen van ons. Het lant van do. hoeck streckt om de N.W. soo veer wy conden beoogen.” Deze hoek is benaamd geworden Caep Patientie en het eilandje Robben eylant. Von Krusenstern ging, nadat hij de bogt rondom van nabij omgezeild had, ook aan de oostzijde van de bogt op 11 vadem kleigrond voor anker. Op zijne kaart (Atlas No. LXXIII) is de ankerplaats van de Nadeshda op 49° 11′ N.Br. en 142° 10′ O.L. aangeteekend; dus 17′ noordelijker en 8′ westelijker dan die van het Castricum. Volgens zijne waarnemingen ligt de noordelijkste grens van de bogt op 49° 19′ N.Br., terwijl naar de bepaling van de ankerplaats van Vries, die nog 112 mijl van den noordelijken wal afgelegen was, dezelve op 49°, en volgens Jansson’s kaart op 49° 15′ N.Br. ligt. Uit het onderzoek, dat den volgenden dag door den stuurman Janz Coen aan het land is ingesteld geworden, blijkt dat daar de landtong, die naar de Caep Patientie uitloopt, niet breeder dan een mijl is, dat men de zee aan de oostkust kon hooren ruischen en van[349] eene hoogte uit zien; ook heeft men het groote binnenmeer van Taraika duidelijk kunnen onderscheiden, dat op Toknai’s kaart in den achtergrond der bogt zich diep in het land uitbreidt. Ook werden door hem Aino-woningen langs het noordwestelijke strand gevonden en eenige daarvan bezocht. Daaruit laat zich afleiden, dat het schip Castricum veel zuidelijker en oostelijker geankerd lag dan de Nadeshda, van welke de Luit. Ratmanoff met een boot de noordelijke kust onderzocht, en de mond van eene rivier ontdekt heeft, die 15 vadem wijd, 7 voet diep en zeer vischrijk was, en welke hij vijf engl. mijlen ver opgevaren is. Deze rivier, die haren oorsprong neemt in het hooge gebergte, dat zich van 50 tot 5012 gr. breedte uitbreidt, is, naast de Boronai, de grootste die in de bogt uitwatert. Haar mond is op Toknai’s kaart tusschen de Aino-dorpen Nokoro en Nifiktoi. Coen vond het eene schoone landouw, maar nog eene groote plek sneeuw op het strand, en Ratmanoff het land deels modderig, deels met eenen vetten, zwarten grond bedekt. In het laatst van Mei zag men nog op vele plaatsen sneeuw en de boomen begonnen naauwelijks uit te botten. Nergens bemerkten de Russen sporen van bevolking dan eenige Aino’s die hen ontvlugtten; onze Nederlanders daarentegen vonden woonhuizen, begraafplaatsen en gastvrije inwoners, waarmede zij in vriendschap verkeerden en die zij voor denzelfden landaard als die van het zuiden van Jezo hielden. Mogelijk is het dat de bevolking in dat gedeelte van Krafto sedert 170 jaren verminderd is; doch op de kaart van Toknai van 1786 zijn van de westelijke uitwatering van de Boronai, rondom het meer van Taraika tot aan het Caep Patientie, 96 woonplaatsen met namen opgegeven. Er zijn echter hier meestal jager- en visschernomaden te huis, die meestal eerst van de maand Junij af aan naar de kusten en de monden van de rivieren trekken, om daar hunnen voorraad van visch voor den langdurigen winter te verzamelen.

[350]De Caep Patientie is door von Krusenstern op 48° 52′ N.Br. en 114° 46′ 15″ O.L. geplaatst. Volgens de waarnemingen van Vries zoude dezelve op ongeveer 48° 34′ N.Br. te liggen komen en op de kaart van Jansson is dezelve op 48° 23′ en op de overige kaarten nog zuidelijker geplaatst. Deze kaap is een laag voorgebergte en wordt door eenen dubbelden heuvel gevormd, en loopt in eene lange, platte landtong naar het Z. uit, die duidelijk op Vries kaarten aangewezen is.

In het Z.W.t.Z. van de Caep Patientie werd op den 26 Julij van Vries’ ankerplaats in deze bogt een »Eylantie” Z.Z.O. op 5 mijlen afstand gezien en op den 28en nader onderzocht. »Alsdoen heeft den Commandeur den Stuerman Roelof Sievertsz. met de boot naer do. eylant gestiert om dat te visiteeren; daer aencomende vonden do eylant rontom met onder water liggende clippen beset, siende die wel by een myl op sommige plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N. van ’t eylant naar ’t vaste lant, ende oock op syn langst S. in see, maer heeft veel uitsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een rif N.N.O. af, alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt; deze reven lycken schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen, dan scheen oock wel een nauwe deurganck te hebben.” »Hadden oock by duysende robben op de clippen ende het water vernomen; oock twee cleyne huties met vuerplaesies op ’t eylantie gevonden. Wy gaven het eylant den naem van Robben eylant.” Deze voortreffelijke beschrijving hebben wij woordelijk uit het Journael overgenomen, omdat dezelve tot bijvoegsel dienen mogt van de beschrijving die ons de groote russische hydrograaph daarvan medegedeeld heeft. »Wir sahen in einer Entfernung von höchstens 3 bis 4 Meilen (engl.) das gefährliche Felsenriff, welches das Robben Eyland umgiebt. Es erstreckte sich von N.N.W. 12 W. bis N.O. Die Wellen brachen sich heftig. Ueberall im Norden sahen wir ein grosses[351] Eisfeld, unter welchem wahrscheinlich die Klippen fortgingen, die wohl auch das weitere Treiben des Eises in dieser Richtung aufhielten. Einzelne Brandungen konnte man nach Osten zu, so weit das Auge reichte wahrnehmen.” »Die Nordost Spitze liegt nach unsern Beobachtungen in 48° 36′ der Breite und 144° 33′ der Länge, und derjenige Theil, den man für die Südwest Spitze ansehen kann, in 48° 28′ und 144° 10′, so dass der ganze Umfang des Riffs gegen 35 engl. Meilen ausmacht[119].” Op Jansson’s kaart is het N.O. punt van het rif op 47° 25′ N.Br. en het Z.W. punt op 47° 8′. Ook zoo zuidelijk ligt het eilandje op de kaart van »Gedaene ontdeckinghe.” Op de kaart van »Gedaene Coursen” echter bevindt zich het midden op ongeveer 48° 12′ geplaatst. Volgens de waarnemingen op Vries’ ankerplaats zoude het Robben Eylant op 48° 31′ der breedte liggen, hetwelk bijna met die van von Krusenstern overeenkomt. Toknai noemt op zijne kaart het Robben eiland: Wotamo siri en de Caep Patientie: Fumonots. De aan boord van de Castricum waargenomene lengte hebben wij om vroeger aangehaalde reden ook hier overgeslagen, en ook niet overal van de diepte en den grond gewaagd, die onze nederlandsche en russische zeevaarders langs de oostkust van Krafto en in de Bocht Patientie zoo zorgvuldig aangeteekend hebben. Aan boord van de Castricum, die zich verder van de kust gehouden heeft, zijn 60 tot 34 vadem meestal steekgrond (kleigrond) tot op de parallel van het Robben eiland en verder de bogt in tot op een afstand van 112 mijl van den wal, 18 vadem steekgrond met kleine steentjes vermengd, gelood geworden. Aan boord der Nadeshda, die eenige malen de kust op korter afstand genaderd is en zich wederom verder verwijderd heeft, peilde men de diepte van 95 tot 20 vadem kleigrond, en aan het noordeinde van de Bocht Patientie van 9 tot 4 vadem kort[352] op elkander. Eene mijl in het N.W. van het Robben eiland vond Coen de diepten van 35 vadem steekgrond tot 16 vadem schelp- en singelgrond opgedroogd en 2 mijlen in het Z.t.O. 12 O. daarvan 10 vadem schelpachtige grond. In het oosten van de Caep Patientie nemen de diepten schielijk toe tot op 80 en 95 vadem, minder en langzamer naar het Z.O. toe, waar op een afstand van 9 mijlen 75 vadem steekgrond gevonden werd. Von Krusenstern, die op zijne kompassen weinig vertrouwen stelde, geeft de miswijzing op zijner tweede ankerplaats (op 49° 13′ 53″ Br. en 143° 48′ 30″ Lengte) gemiddeld op 0° 38′ Oost. Aan boord van de Castricum werd die op 48° 26′ N.Br. op 7° 30′ oostelijk bevonden en »de compassen op 9 gr. oostering geleyt.”

Op den 3 Augustus op de gegiste breedte van 47 gr. 812 min. werdt »geresolveert, alsoo onse bestemde tyt volgens Instructie van den E. Heer Generael ende Raeden van India geexpireert is, dat men onse best soude doen om weder te comen in de Suytsee, derhalve onse cours naar het Canael de Vries toe te stellen.” De Caep Patientie bekwam dan ook nog de bijnaam »Caep Keer Weer.”

Op den 5 Augustus hebben wij reeds onze stoute zeevaarders in de Straat, die den naam van hunnen Commandeur vereeuwigt, ontmoet en hun verblijf in de Baai »de Goede Hoop” van den 16 Augustus tot den 1 September beschreven en hunne waarnemingen toegelicht en bevestigd. Ook hebben wij reeds hunne ontdekkingen op de terugreis langs de oostkust van Japan en van de eilanden, aan welke wij den naam van eenen nog meer verdienstelijken zeevaarder, Abel Tasman gegeven hebben, in de geschiedenis der ontdekkingen geboekt. Laten wij dan nog den dag vermelden, waarop het fluitschip Castricum, onder het Commando van den Commandeur Maerten Gerritz Vries behouden in den haven van Tayouan op Formosa binnengeloopen is en de uitboezeming van vreugde en dank herhalen, waarmede het Journael eindigd:

[353]»Quaemen—den 18 November 1643—binnen ten ancker op 10 vadem, waervoer wy niet genoech de goede Almachtige Godt connen looven ende dancken, dat Hy ons van dese gedaene peryckeleuse reyse soo genaedelyck bewaert ende hier binnen Tayouan behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen.

Hiermede sluit ik mijne geo-hydrographische toelichtingen, waarin ik aan zeevaarders eenige nuttige aanwijzingen en wenken tot de uitbreiding van de aardrijks- en zeevaartkunde gegeven heb. Deze schreef ik met het hoofdoogmerk neder, om dezelve in de handen van de Officieren der Koninklijke Marine, van mannen versiert met kunde en ervaring en meer dan ooit bezield met den geest van onze Nederlandsche zeevaarders in de 17de eeuw, neder te leggen, en bij voorkeur van degenen, die thans te Japan gedétacheerd zijn, aan welke niet alleen de taak van wetenschappelijke verlichting der weetgierige bevolking van dat rijk toevertrouwd, maar aan die nog bijzonder opgedragen is, daar den grondslag te leggen van eene marine volgens Europesche beginselen, en bovendien aan Japan de wereld, aan zijne schepen de vaart in den Grooten Oceaan, en aan zijn volk den wereldhandel te openen. Heeft Nederland’s invloed en vertrouwen de klippen van vooroordeel en achterdocht bij eene regering kunnen wegruimen, die het stelsel van afsluiting als grondstelling tot behoud van rust en vrijheid, niet willekeurig maar door nood gedrongen, aangenomen en eeuwen lang vol gehouden heeft; hebben Nederlanders van geboorte, of mannen met eenen anderen tongval, evenwel door getrouwe en veeljarige diensten aan Nederland verknocht en ingelijfd, van 1641 af, in hunne gevangenis op het afgesloten Dezima, zorgvuldig het verlichtend vuur van de wetenschap als het ware in het geheim weten te onderhouden, welke verwachtingen laten zich thans met regt koesteren, waar het aan de Nederlandsche vertegenwoordigers van de Europesche wetenschap in Japan vergund is, de fakkel der verlichting[354] openlijk en ongehinderd te mogen voordragen en langs den weg van onderwijs aan de Japanners, zichzelven nopens Japansche zaken en wetenschap te onderrigten; en waar hun de schoonste gelegenheid gegeven is, het zoo ver uitgebreide gebied van de geographie en hydrographie, dat, tot voor korten tijd, de vreemdeling niet anders dan op geheime wegen heeft mogen bewandelen, onder de Nederlandsche met de Japansche vereenigde vlag te onderzoeken en door nieuwe waarnemingen en ontdekkingen uit te breiden.


[64] Langs de oostkust van Nippon hebben wij op de lengtebepalingen van Vries niet gelet, omdat in het Journaal gedurende dezen togt de afstand van de Japansche kust telkens naauwkeurig opgegeven is. Wij hebben echter opgemerkt dat de in het Journaal opgegevene gegiste lengte van het eiland Fatsisjo met ongeveer +2° moest verbeterd worden. Die van den hoek Bosho levert reeds een verschil van +2° 22′ O. en die van Kaap Misaki en Kaap Taneitsi ruim +3° O. op. Volgens deze verbetering zoude zich Vries op den middag van den 7 Junij op 143° 39′ 36″ O.L. v. Greenw. bevonden hebben, en den „S.O.hoeck van Eso” Kaap Jerimo, 9 à 10 mijlen uit het N. peilende, op 41° 24′ N.Br. Beide waarnemingen zijn, voor zoo verre wij tot heden de aardrijkskundige ligging van den Z.O.hoek van Jezo kennen, zeer goed; de lengte verschilt bijna niets met die van de kaart van den Hof-sterrekundige en de breedte +9′ met die op Broughton’s originele kaart.

[65] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, no. 11. E.

[66] Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum Volumen. Coloniae. 1574. in 8o. pag. 426. Nicolaes Witsen, Noord-Oost Tartarye, Deel II, pag 57. „Bericht wegens het rijk Jesso, volgens zekeren brief van den vader Hieronymus de Angelis, geschreven in ’t jare 1622.

[67] Beschrijvinge van het Eylandt Eso soo alst eerst in ’t selvige jaer door het Schip Castricum bezeylt is. Tot Amsterdam. 1646. Vergelijk daarmede ook N. Witsen, Deel II, pag. 50.

[68] Noord- en Oost-Tartarye, Deel I. AA. pag. 66.

[69] von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas n. 104.

[70] von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, n. 2. Die Insel Jezo und die Japanischen Kurilen nach einer Originalkarte von J. Sakusajemon, Bai von Atkesi nach M. Toknai.

[71] De schrijver dezes heeft daarom reeds in 1852, toen hij een ontwerp van een gezantschap naar Japan en van een tractaat met dat rijk te sluiten, aan Z. E. den toenmaligen Minister van Koloniën aanbood, in § 4 gezegd: „worden twee stations voor stoomscheepvaart, een in het Noorden van het rijk, de Baai van de Goede Hoop op Jezo enz. aangewezen.” Vergelijk hiermede het Rapport aan Z. M. den Koning over de Japansche aangelegenheden, uitgebragt door Z. E. den Minister van Koloniën, onder dagteekening van 12 Febr. 1855. Art. 4. l.

[72]Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende W.S.W. maen hoochwater.

[73] Voor scheepsbouw zijn bijzonder geschikt de Pinus jezoensis (in de Aino-taal Fuppo genoemd), P. densiflora (Kui), Abies bifida (Sunk), Q. dentata (Gomuni) en eene andere eiksoort, Beroni. Ook leveren berken (Tatsbi), linden (Kobergen) en ahorn (Fusini en Tobeni) goed timmerhout.

[74] Rubus palmatus (Imare fureppi).

[75] Het zijn de vruchten van Rosa rugosa en Kamtschatica (Mau), die van de Aino’s en Kamtschadalen algemeen gegeten worden.

[76] Nicolaes Witsen, Deel II. A. pag. 65.

[77] Von Siebold’s Atlas von Land- und Seekarten. No. 2. A.

[78] Catalogus librorum ac manuscriptorum Japonicorum a Ph. Fr. de Siebold collectorum Lugduni-Batavorum 1845. No. 177. Jezono dsu, Mogami Toknai geographi Jap. illustrissimi mappae geographicae quinque.

[79] Catalogus librorum et manuscriptorum Japonicorum, No. 178. „Matsumaë Jezono dzu est viro tabula geogr. exhibens insulam Jezo cuius caput est Matsumaë.”

[80] N. Witsen, Deel II. pag. 65. A.

[81] Nouvelle Carte des découvertes faites par de vaisseaux Russiens etc. in Muller’s Découvertes etc.

[82] Ik had het genoegen den grooten zeevaarder, bij mijn verblijf te St. Petersburg in 1834, van dezen misslag te mogen overtuigen.

[83] N. Witsen, Deel II. pag. 65. E.

[84] Volgens Sakusajemon’s kaart noemen deze eilandjes en rotsen naar hare N.O. strekking: Sîsjo, Utsuki, Akiroro, Juru, Harukaru, Sibots, Imukusibe, Taraku, Itasibets en Kabiof.

[85] Volgens Toknai’s kaart zijn de eilandjes naar hare grootte: Sîsjô, Sibjuts, Taraku, Juru, Akiroro, Harukaru, Onekinasi, Tomari, Moimosiri, Utsuki, Masirika, Honkinasi tomari en Monrika genoemd. De rotsen en klippen willen wij overslaan en nog bemerken, dat onsiri in de Aino-taal eiland en tomari verblijf of dorp beteekent, en dat bij al deze namen mosiri (muschir, Russische uitspraak) gevoegd is. Op de oude kaart van Jezo van den bovengenoemden geneesheer Kensok zijn ook reeds negen eilandjes met namen opgegeven, en noemen naar hare grootte: Sîsjo, Sirots, Kinasitoma, Juru, Harukaru, Akiroro, Monrika, Uritsi en Mojomosiri.

[86] von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, n. 2 en n. 2 A.

[87] Singelgrond is langs de Oostkust van Japan en het land van Jezo een kenmerk, dat men niet ver van den mond eener rivier is.

[88] Voyages et découvertes faites par les Russes, T. I. pag. 218.

[89] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas, No. 1. Deszelfs Erläuterungen zu einer Charte des ganzen Erdkreises, etc. 1 Band. 4o. Leipzig, 1819. pag. 88.

[90] Записки Василія Михайловича Головнина, въ плѣну у японцевъ въ 1811, 1812 и 1813 годахъ. САНКТПЕТЕРБУРГЪ. 1851. Daar is de breedte op 43° 44′ 35″ N. en de lengte op 145° 9′ 46″ O. aangegeven.

[91]Quaemen ten ancker, als synde 23 myl van lant op 20 vadem santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso 2 mylen bewesten het Canael Antony.

[92] Het schijnt toch, dat de top of krater van dien vuurberg in 1796 eene andere gedaante aangenomen had. „In the bearing of the peaked hill the coast formed a bay, with a fine sandy beach; and the mountain, which in this point of view formed a saddle hill, presented a very magnificent appearance from its great height and extensive base.Broughton, Voyage of discovery, pag. 116.

[93] N. Witsen. pag. 65 N.

[94] De roode vos, door de Aino’s Furetsup genaamd, is de vuurvos der Kamtchadalen en de algemeen in deze gewesten verspreide verscheidenheid.

[95] Vries, „Gedaene coursen” in von Siebold, Atlas No. 11. E. Veronderstellende namelijk de Commandeur, dat de Santberch bij het vaste Lant van Eso behoorde en zoo mede de baai ook voor O. en N.O. winden beschut was.

[96] L’isle de Rounaski ne se trouve pas dans la dernière édition (de 1820) des Cartes de l’Océan Pacifique, par Arrowsmith. v. Krusenstern, Recueil de mémoires hydrographiques. p. 200.

[97] Helaas! heeft de oude Vereenigde Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, die den edelen Commandeur uitgezonden heeft, om de Gout- ende Silverrycke Eylanden te ontdekken, de belangrijke uitkomsten van zijne ontdekking van het land van Eso en het Staten- en Compagnys lant—een eerst Californië—omdat het goud en zilver niet aan den dag lag, nimmer begrepen en gewaardeerd en helaas! heeft ook ons Bestuur van Koloniën, sedert de omwenteling en de teruggave van onze Overzeesche Bezittingen nooit verder dan tot op het eilandje Dezima zijne blikken gevestigd. Toen in het jaar 1778 de Japansche aardrijkskundige Fajasi Sivei het opperhoofd Arend Willem Feith omtrent de door Quast en Tasman ontdekte Bonin eilanden ondervraagde, antwoordde die „Dat de Compagnie daarvan maar zeer weinig voordeel zou kunnen trekken, omdat zij te ver afgelegen en te klein waren” (Vergelijk: San kok tsou ran to sets. par Fr. J. Klaproth. pag. 261).

Even weinig werdt daarna geluisterd, als toen de Schrijver dezes, van 1825 af, over de in regtmatig eigendom aan Nederland toebehoorende Staten- en Compagnie-eilanden sprak en op Witsen’s vertooning van het Compagnie-eyland heenwees, waar het wapen van Amsterdam opgerigt te zien is; ook heeft men, uit bezorgdheid van den Japanschen handel te benadeelen, gedurende twee volle eeuwen nimmer den steven naar het Noorden van Japan gewend, om het spoor van onze stoute voorvaderen op te zoeken. „Had men (zoo schreef de Schrijver dezes in zijn Verslag nopens zijn wetenschappelijk onderzoek op Japan aan het Nederl.-Ind. Gouvernement, in dato 30 November 1825) voor 50 jaren, waar de Japanners met de strekking van hun land en de ligging der eilanden in het Noorden reeds zeer goed bekend geweest zijn, pogingen gedaan deze landen nader te onderzoeken, zoo zoude men van Dezima uit eene straat van Tsugar en van Lapérouse hebben kunnen opspeuren en de eere van deze ontdekking was aan de Hollanders behouden geworden.”

[98] Op de kaart van Jansson en die van Vriesgedaene Coursen” draagt de N.O. hoek er niet, zoo als Lapérouse en volgens hem von Krusenstern en Golownin aangenomen hebben, de N.W. hoek den naam van Vries.

[99] „We were abreast of a hill which rose from the sea shore, with a steep ascent to a considerable elevation of a conical shape and evidently volcanic: we passed within two miles of it, and plainly perceived it covered with stones and cinders down to its base, as an eruption had lately happened. Round the Crater it presented ragged and misshapen points; and some small shrubs were growing on the S.W. side very low down. This abrupt hill was connected with the islands by a low isthmus, which receded from it on each side, so as to form circular bays; and the land continued low to some distance.” Broughton, Voyage, pag. 117.

[100] „Le cap Trou est placé par 45° 35′ (moet zijn 39′) sur la carte de Lapérouse et par 45° 10′ (moet zijn 7′) sur cette de Broughton, la première latitude est certainement trop boréale.” Recueil de mémoires hydrographiques, pag. 198.

[101] Noboru is een oud Japansch woord en beteekent opklimmen en nobori eene hoogte, een top. De Japanners gebruiken het niet voor vulkaan, waarvoor zij het woord Take hebben; bij de Aino’s wordt het volgens Dawidow en Toknai uitsluitend voor vulkanische gebergten gebezigd b. v. Iuwau nobori, zwavelberg.

[102] Vergelijk de inleiding, waar de woorden van Lapérouse tot motto aangehaald zijn: „La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte qui ait pu être faite, dans un temps, où les methodes d’observation étaient très grossières.”

[103] Daaronder ook „suering, gelyck in ’t patria wast.” „Alhier op de wal wassen op de grond blaeden met dicke holle steelen, dewelke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, do. bladeren vint men aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer bij duizende see-honden, ook lammeties ende duyckers.” Over 50 voet lange bladen te spreken, schijnt overdreven en ongelooflijk te zijn; en toch is het waar. Dit croos kan niet anders als de Fucus esculentus Lin. zijn, die ook aan het strand van Jezo gevonden en ruim 50 voet lang en een voet breed worden. Dezelve groeit dikwijls digt bij het strand en wordt overal in het meer van Ockots als drijf-zeegras aangespoeld, ontmoet. Men heeft daarvan ook eene verscheidenheid met holle steelen opgemerkt, die door Agardh (Species Algarum, I. p. 143) als Alaria fistulosa beschreven en onlangs door Dr. E. J. Ruprecht als eene soort van zijn Phasgonum herkend is. Deze kruidkundige heeft dan ook den Fucus esculentus zeer omstandelijk als Phasg. alatum beschreven (v. Middendorff’s Siberische Reise, Band. I, Th. 2, pag. 353 ff.) Erman heeft aan het strand bij Ockots afgescheurde stukken van dit zeegras gevonden, die meer dan 50 voet lang waren; het dient tot voedsel van de Phoca nautica en wordt in tijd van nood van de Zee-Tungusen gegeten (Deszelfs Reise, III, pag. 48.) De Fucus esculentus, Kombu genoemd, wordt op Japan algemeen gegeten en heeft een zeer aangenamen smaak, en wordt als zeer gezond en voedzaam geroemd. De 72jarige grijsaard Toknai verzekerde aan den schrijver dezes, door het genot van dat zeegras gedurende zijn veeljarig verblijf op Jezo en Krafto zijne gezondheid te hebben behouden. Mogt deze opmerking tot onderrigting van zeevaarders dienen. Ook de Chinezen weten deze Fucus-soort op waarde te stellen. De jaarlijksche uitvoer daarvan van Nagasaki naar Shanghai gedraagt 51,000 Pikol, van den inkoopsprijs van 170,000 Tail of ongeveer 340,000 Guldens (Nippon VI, Vom Japanischen Handel, p. 52). Er bestaan op Jezo en de Kurilen zeegras-visscherijen, die door de regering aangemoedigd en beschermd worden.

[104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van meening, dat Amerika slechts door eene zee-engte, den Fretum Anian, van het rijk van Mongol, het noordoostelijke uiteinde van de oude wereld, was afgescheiden. Op Jansson’s kaart en op die van de van „Gedaene coursen” (Atlas No. 11 E) wordt het Compagnyslant als een groot land zonder einde vertoond. Op de kaart echter van de „Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur M. G. Vries” is het Companyslant als een eiland uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek, op welke de woorden „Americae Pars” staan, gescheiden, en in deze straat is geschreven „Hier is ’t Jacht Breskens geweest.” Men heeft dus de herkenning van het Compagnyslant als een eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland door den meergenoemden Russischen zee-officier Spangberg omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het vermeende gedeelte van Amerika is hoogst waarschijnlijk Simushir, het XVIe van de Russische Kurilen. Op de kaart van Japan, behoorende tot de Verhandeling over de Nederlandsche ontdekkingen van Bennet en van Wijk, vindt men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes Rond eiland en Heuvel eiland, die waarschijnlijk ook door het schip Breskens ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze eilandjes Broughton’s Island en Tsirpoi.

[105] De inbezitneming van Urup is eene te belangrijke daadzaak, om die niet hier woordelijk uit het Journael van Coen over te nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: VOC anno 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het Companyslant, ende deze hoeck genaempt de Cruyshoek. Hebben op het Companyslant gegeten ende gedroncken, ende toen ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.”

[106] Van Enydris marina, door de Aino’s en de Japanners Rakko en door de Kamtschadalen Rakku genoemd.

[107] Op de kaart van Japan, behoorende tot de bovengenoemde verhandeling van Bennet en van Wijk, is de naam van Blydeberg aan den Pic de Langle toegepast. Op alle originele kaarten van Vries zeetogt ligt de Blydeberg ten minste 50′ noordelijker als het eilandje Risiri, waarop zich deze piek bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet daarmede overeenbrengen.

[108] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas, no. LXXI en LXXII.

[109] Atlas de l’Océan Pacifique, par de Krusenstern, no. 25.

[110] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten l. c. no. 3. Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in Japan bestaande Exempl. van Toknai’s „Originele M. S. Kaarten van Jezo, de Kurilen, Krafto en den Amur,” aan mij op den 16 April 1826 te Jedo door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan Japan onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven.

[111] „Art. 2. De grenzen tusschen Rusland en Japan zijn voortaan tusschen Iturup en Urup. Het geheele eiland Iturup (Staatenland) behoort aan Japan, het eiland Urup (Compagnieland) met de noordelijke Kurilen, tot de Russische bezittingen, terwijl het eiland Krafto (Saghalien) tusschen de beide rijken neutraal blijft.” Journal de St. Petersbourg, 28 Avril 1857.

[112] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 68.

[113] Voyage de Lapérouse l. c. Tom. III, pag. 93.

[114] San-kok-tsu-ran-dsu-ki en Klaproths vertaling, pag. 187.

[115] Hinter dieser Spitze erhob sich ein abgerundeter Berg, an welchen nach Norden zu sich wieder hohe mit Schnee bedeckte Berge anreihten. Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II. p. 87.

[116] „Das ganze Land gewährte uns einen viel angenehmern Anblick als jene südlicheren Länder die uns seit unsern Absegelen von Japan zu Gesicht gekommen waren, die weissen, schroffen Ufern mit ihren Einschnitten, Berge hinter ihnen von mässiger Höhe in verschiedenen Gestalten und mit dem schönsten Grün bedeckt, welche mit holzreichen Thälern abwechselten, gewannen uns ein sehr gunstiges Vorurtheil für diesen Theil von Sachalin ab. Auch hat er unstreitig unendliche Vorzüge von dem, von uns später untersuchten, mittlern und nördlichen Sachalin.” Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 92.

[117] Het gebergte van Urunsiri, waarvan op Jansson’s kaart gezegd is: „Gebergte op vijftien graden gesien,” en op de kaart van „Gedaene Coursen” te lezen staat: „alhier lach ’t sneeuw in de maend Augustus nog op de bergen tot op strand toe.” Ook von Krusenstern zag hier „tief im Lande hohe Schneeberge.”

[118] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 95. Hoogst merkwaardig is het dat deze rivier, eene halve eeuw later, het eerst en door eenen Russischen reiziger Dr. L. Schrenk, in het binnenland van Krafto is gevonden en beschreven geworden. Nadat Dr. Schrenk den 30 Januarij 1856 het vaste land (het Amurland) verlaten had, kwam hij langs de westkust van Krafto tot aan de baai de la Jonquière, Lapérouse (op 50° 54′ N.Br. en 142° 16′ O.L.), waar ten Z. van kaap Dui (Itoi, Toknai) de Giljaksche bevolking woont en de noordelijke grens der Aino’s is. Op den 8 Febr. bij het dorp Arkei (Ar’koi, Toknai) begaf hij zich in eene schuinsche rigting over het eiland naar deszelfs oostkust, die van den Grooten Oceaan bespoeld wordt. Naar het zeggen der inboorlingen moest hij drie berghoogtens overtrekken totdat hij aan het gebied van de rivier Pym kwam. Deze rivier is de Boronai, aan welke von Krusenstern den naam van Newa gegeven heeft. De Pym-rivier, die van zijne bron tot de monding in zee (in het W. der Bogt Patientie) talrijke dorpen der Giljaken besproeit, noemt Schrenk de levensader van het eiland. Deze rivier heeft een snellen stroom, zoodat zij wel op een bergstroom gelijkt, het bovenste gedeelte bevriest nooit, ondanks de hevige koude, waardoor de temperatuur somtijds tot onder het vriespunt van het kwik daalt; het water is uiterst vischrijk en somtijds in den herfst aan zalm, waaronder de Salmo lagocephalus, even als in de Amur, op verre na de voornaamste is. De groote vangst der Giljaken verzekert hun een onbezorgd leven voor zich zelven en hunne honden in den langen winter, daarenboven komen daardoor vele naburige stammen telken winter naar het Pym-dal, als: Aino’s van de Golf Patientie, met Japansche waren; Oroken (Orotsko, Toknai), met pelterijen, de opbrengst van hunne jagt; de Giljaken van beide kusten, met zeehondenvleesch en vellen, benevens eenige stammen van het vasteland, zoo als Mangoenen van den Amur (Manko, Rinso), met Mandsourische en Russissche produkten, die tot de Pymi-Giljaken komen, om zich bij hen deels van visch en jukkola (vischkuit), deels ook van de toestroomende vreemde goederen te voorzien.

Toen men de rivier volgde om naar de oostkust (Bogt Patientie) te komen, daalde de temperatuur op den 18 Februarij ten 7 ure des morgens tot -42° R., en op den volgenden morgen tot -31° R. „Zulke gestrenge koude,” zegt Dr. Schrenk, „doet onderstellen, dat het binnenste van het eiland een klimaat heeft, dat meer met het vasteland overeenkomt, dan men van een eiland kan verwachten.” Dit bewees ook de plantengroei. In het bovendeel van het Pym-dal ziet men overal de denneboom (Abies jezoënsis?) terwijl de lork (Larix leptostachys) naar den zeekant alle andere boomen verdringt. Men vindt hier noch herten, noch elanden, wel het muskusdier (Likonkamui, Aino) en het rendier. Ook bestaat nog op Krafto een stam Tungoesische rendiernomaden, terwijl de Tungoesen, aan de Amur, reeds lang de rendierteelt hebben opgegeven. Op den 20 Februarij bereikte Schrenk de oostkust van het eiland en nam den terugtogt langs dezen zelfden weg aan.

(Bulletin de la Classe Physico-mathématique de l’Académie Impériale des Sciences de St. Petersbourg. Tome XIV. 1856.)

[119] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 98, 99.


DE STAM DER AINO’S.

Aino beteekent man, mensch en is de naam, die deze volkstam zichzelven geeft en onder welke dezelve bekend is. De Aino’s, die in de Geschiedenis van Japan Asuma Jebisu, dat is: Oostwilden, genoemd worden, bewoonden in den oudsten geschiedkundigen tijd (660 voor Christus) het noordelijkste gedeelte van het eiland Nippon, te weten de tegenwoordige landschappen Mutsu, Dewa en het noorden van Jetsigo, welke toenmaals Jebisu no Kuni, het Land der Wilden heetten. Nog in de 7de eeuw waren de Jebisu in Mutsu en Dewa tot op 38° N.Br. verspreid en bestendig met de Japanners in oorlog. In het begin van de 9de eeuw was het eiland Nippon reeds geheel onder de heerschappij van de Mikado’s, de Erfkeizers van Japan, gekomen; desniettegenstaande vocht bij voortduring de beschaafde, uit het zuiden van Japan naar het noorden voortrukkende bevolking met dat ruwe noordelijke volk, totdat dit eindelijk ten onder gebragt werd en met de overwinnaars tot éen volk versmolt, of deels vernietigd, deels verdreven werd. Velen, die niet wilden bukken, hadden zich allengs naar Jezo over de Straat van Tsugar, die Nippon van dat eiland afscheidt, begeven en zich daar met hunne oude landgenooten vereenigd. Doch[355] in de 14de eeuw werden ook de Aino’s in het zuiden van dat eiland door de Japanners ten onder gebragt. Thans bewonen de Aino’s het eiland Jezo en de Kurilen, en het zuidelijke gedeelte van Krafto, waar zij zich langs de Westkust tot op 48° N.Br. en op de Oostkust tot naar de Bogt van Patientie uitbreiden.

Voor de ontdekking van het land van Jezo, door Maerten Gerritz. Vries, beperkte zich de kennis van dat land en deszelfs inwoners tot de mededeelingen van de Patres Aloisius Froes en Hieronymus de Angelis en van Joan Saris en Françoys Caron. In zijnen brief van den 11 Maart 1565, dus 22 jaren na de ontdekking van Japan, uit Mijako, de hoofdstad van dat rijk, geschreven, beschrijft Froes dat volk alzoo: »In het noorden van het land van Japan, drie honderd Leucas[120], ligt een ver uitgebreid gewest door wilde menschen bewoond[121]. Deze zijn bekleed met beestenvellen, ruig over het geheele ligchaam, hebben een verschrikkelijk grooten baard en zeer grote knevels, welke zij, wanneer zij drinken willen, met een stokje opligten. Zij lusten gaarne drank, zijn stout in den oorlog en door de Japanners zeer gevreesd. In den strijd gekwetst zijnde, wasschen zij de wonden met zoutwater; dit is hun eenig geneesmiddel. Men zegt dat ze op de borst eenen spiegel dragen; zij binden de zwaarden om het hoofd in dier voege vast, dat het gevest op de schouders nederhangt. Zij hebben geene godsdienst, het schijnt dat zij den hemel plegen aan te bidden enz.”[122]. Meer breedvoerig is[356] het berigt van het land van Jezo en deszelfs inwoners, dat door Hieronymus de Angelis in zijnen brief, uit Japan in 1622, een jaar voordat hij te Jedo verbrand werd, geschreven, medegedeeld en door Nicolaes Witsen in zijne »Noord-Oost Tartarye[123] overgenomen is. Deze schets van de Aino’s, van hunne zeden en gebruiken is te belangrijk om ze niet letterlijk uit dat zeldzame boek over te nemen, ten einde te kunnen dienen tot vergelijking met de berigten van onze Nederlandsche zeevaarders.

»Wat belangt den aert der inboorlingen, die zijn grof, en grooter van lichaem, als de menschen in ’t gemeen zijn; meer hellende na de blanke als bruine verwe. Zij dragen lange baerden zomtijts tot aen den middel toe. Hun hoofthair scheeren zij, van vooren, half af, zoodat zij aen de slaep van ’t hooft gantsch geen hair hebben: maar wel van achteren, daer zommige van hen het zoo lang dragen, als de Japanders. Zij hebben in ’t gemeen de ooren doorboort, en, in plaets van pendanten, dragen daer zilvere ringen in: maar die geen zilver hebben, dragen daer een vlok zijde deur, die lang afhangt. En dit doen zoowel de vrouwen als de mannen. De kleederen, zoo wel van mannen als vrouwen, zijn lang, met zijde doorwroght, beleit met cieraet van kruissen of rozen van de zelve stof, zoo klein als groot. Hunne stoffen zijn van zijde, katoen, of linnen. Tot wapenen gebruiken zij pijlen, boogh, lancen en zwaerden, die niet grooter zijn, als een gemeene Japansche pook. In plaets van harnassen, gebruiken zij rokken, als gemaliede wambassen van kleine plankjens bij een gezet, ’t geene belacchelijk is[357] in ’t aenschouwen. Zij hebben vergiftige pijlen, waer van iemant gewont zijnde, noit genezen kan worden. Zij zijn zeer twistgierig, echter dooden elkanderen zelden. Tot Matsumay wert veel gedrooghde visch, ook haring, zwanen en kranen, zoo levendigh, als doot, en ook gedroogt, als mede valken, en ander gevogelte, te koop gebraght. Walvisschen worden daer mede gevangen en de Todonoeno (Robben), waer van het vel ruighairigh, niet ongelijk dat van een verken, en vier voet lang is. Deze visch is aldaer voor een zeer geringe prijs veil. Zij handelen met geen goude of zilvere munte; maer verwisselen hunne waren tegen rijs, katoen, gaern, linnen en stoffen, of ook wel tegen gemaekte kleederen. De heer van Matsumay verzekerde mij, dat de inwoonders van Jesso visch-vellen, die zij Raccon (Rakko, Enydrys marina) noemden, aen drie eilanden, niet verre van hun lant afgelegen, quamen koopen: waer van d’inwoonders geen baert, en een zeer verschillende tale met die van Jesso hadden, doch hij wist niet of die eilanden bezuiden of benoorden Jesso lagen. Wat de kennis aengaet, die zij van d’andere werelt, en het toekomende leven hebben, dezelve is zeer klein of niet. Zij eeren eenighsins de Zon en Maen, als de twee voordeelighste lichten; behalven noch eenige bergh- en zee-duivels: want alsoo zij zich meest in ’t geberghte, op de jacht, en met houthakken, en ter zee, met de visscherije erneren, zoo hopen zij daer door veel vangst te krijgen, en noit gebrek van hout, om te branden of te bouwen, te zullen hebben. Zij hebben noch Bonsen, of offerpapen, noch tempels, of eenig plaets, daer zij bij een kommen, om van hunne zaligheit te handelen.

Niemant onder hen kan ook lezen of schrijven.

Elk onder hen heeft zijn eige en wettige vrouw, doch, zo zommige meinen, wel twee; hoewel er noch veele gevonden worden, die, op de Sineesche wijze, bijzitten houden. Als de man gestorven is, begeeft zich de vrouw veeltijts ten huize van den schoonvader, of bij iemant van ’s mans vrienden,[358] onder beding, dat zij ’er noit uit zal gaen, of hertrouwen.

Een vrouw, die in overspel bevonden is, wert het hoofthair afgeschooren, op dat zij daer over bekent zoude zijn; en den overspeelder, of den gene, waer mede zij de vuiligheit bedreven heeft, van zijn degen berooft, en al zijn lijfcieraet, door den beledigden man of door zijn vrienden, zo dikwils als zij hem ontmoeten, afgenomen.”

Joan Saris heeft als gezant van de Engelsche Maatschappij aan het Hof te Jedo in 1613 door een Japanner, die twee maal op Jedzo (Jezo) geweest is, berigten van daar verkregen, waardoor het woeste voorkomen van dat volk bevestigd en ook over den handel met hetzelve eenig licht verspreid wordt. »De menschen syn ’er wit of blank, en wel gemaekt, maar heel ruw en haijrig het geheele Lijf over, gelijk als de meirkatten en aapen. Hun geweer bestaat uijt boogen en vergiftige pijlen. Die aan de zuijdelijkste kant woonen, verstaan haar op gewigt en maat, maar dertig dagen landwaards in weet men daar niet van. Sij hebben veel silver en sand-goud, dar sij de Japanners mede betalen voor rijs en andere waren. Rijs en Japansche cottoenen worden hier wel gesogt. Yser en Loot krijgen sij uijt Japan. Alle eetwaren, en ’t geene daar men sig mede kleeden kan, wil hier best aan de man. De rijs van Japan na Yedzo gebragt, leverd vier voor een tot winst uijt.

De Stad daar de Japanneesen alhier hun meeste verblijf hebben en markt houden, word Matchma (Matsmaë) genaamd. In deselve sijn 500 Japansche huijsgesinnen, die hier ook een Fort hebben en die daar in commandeerd, Matchmadonna (Matsmaë Dono) noemen. Deze Stad Matchma is de voorname handel-plaats van geheel Yedzo, werwaards meest alle ingeboorne gaan om te kopen en te verkopen, bijsonder in de maand van September, om haar winter-voorraad op te doen. In de maand van Maart brengen sij salm, en allerley soort van visch, neffens ander[359] waren die de Japanners in ruijling aannemen, en liever hebben als hun silver. Verders hebben die van Japan, behalven Matchma, geen andere vaste woon- of handel-plaats. Die in het selve eijland verder na het Noorden woonen sijn seer kleijn, en gelijk als dwergen, maar de andere Yedsoers sijn van postuur en grootte, gelijk als die van Japan. Zij hebben geen kleeding, als die hen uyt Japan gebragt word.

Tusschen Yedzo en Japan gaat een seer sterke stroom, die van Corea komt, en Oost- Noord-oost aan loopt. De winden sijn daar gemeenlijk soo als in Japan; te weten, de Noordelijke winden beginnen in September, en duuren tot de maent Maart, en dan begind de Zuidelyke wind te waaijen.”[124]

Françoys Caron, in de jaren 1639 en 1640 Opperhoofd van den Nederlandschen Handel in Japan, deelt eenige minder belangrijke op Japan vernomen tijdingen van Jezo en de Aino’s mede, die wij echter wegens de volledigheid van de toenmalige wetenschap van dat merkwaardig land en volk tevens willen aanhalen.

»Men reyst noch 27 dagen Noordtoost, wel so Oostlijke aen, eer men komt bij de uijterste hoeck van ’t lant T’sungaar (Tsugar) genaemt, aen de zee gheleghen; van daer vaert men over een water, onghevaerlijke elf mijlen wijt, ende men komt in ’t landt Jeso ofte Sesso, daer kostelijcke bonten, ende peltwerk valt, welk lant vrij woest, berchachtigh, ende weijnigh bewoont is; dit lant Sesso is seer groot, door den Jappanderen dickweijls doorsocht, diep, ende verre doorreijst, doch noyt tot den eijnde, noch seeckerheijt des selfs gekomen, so dat het haer ghemeenelijke aen victualie ontbroken heft, ende gedwongen waren, t’elcken reijse wederom te keeren; de rapporten der visitateurs zijn[360] ook sodanigh geweest, dat sijn Majest. curieusheijt, om verder ondersoeck te doen, wederhouden is, want het lant (als geseijt) is woest, ende werdt in sommige plaetsen bewoont van een volck die ruijgh over ’t lichaem zijn, dragen lanck Haer, ende baert, als den Chinesen brutael, beter den wilden, dan de andere menschen gelijck.”[125]

Hoe vervelend dan ook deze berigten voor den lezer zijn mogen, zoo hebben wij het toch voor doelmatig gehouden, dezelve zoo veel mogelijk volgens den oorspronkelijken tekst uit boeken getrokken, die allengs zeldzamer worden, hier te zamen te stellen, om hem een duidelijk denkbeeld te verschaffen van den toenmaligen staat van de kennis van het land van Jezo en deszelfs inwoners, de Aino’s, voor dat wij de volkenkundige waarnemingen op den denkwaardigen Zeetogt van Vries gedaan, aan een nader onderzoek onderwerpen.

Kort na de ontdekking van het Land van Jezo door Vries en van den ongelukkigen zeetogt van ’t Jacht Breskens, zijn in ’t vaderland onderscheiden berigten omtrent Jezo en de bewoners van dat land ontvangen en van lieverlede door den druk bekend gemaakt. Het eerst berigt is reeds in 1646 te Amsterdam uitgegeven onder den reeds meermalen aangehaalden titel: Korte Beschryvinghe van het Eylandt Eso enz. Dit stuk is later (1692) ook door Witsen overgenomen en toegelicht geworden[126]. Insgelijks deelde deze geleerde aardrijkskundige eenen brief mede »die nopende de ontdekking van het lantschap Eso of Jesso en Tartarye uit Batavia in den jare 1644 herwaarts is geschreven geworden.” De inhoud daarvan beperkt zich echter tot eenige aardrijkskundige berigten omtrent Vries’ ontdekkingen en over de goud- en zilvernasporingen, die de hoofdbeweegreden[361] der uitzending van Quast en Tasman, en van Vries en Schaep naar het noorden van Japan geweest zijn. Ook vermeldde Nicolaes Witsen een berigt van Philips Jacobsz. de Bakker, onderstuurman aan boord van ’t Castricum[127]. Van de door Jansonius uitgegeven kaart, als ook van andere onuitgegevene kaarten van den meergemelden zeetogt en van de »Opdoeningen en lant-verkentenissen van de zeekusten des lants van Jesso, en van het Compagnies lant” door Witsen bewaard, hebben wij reeds breedvoerig gewaagd. De meest belangrijke waarnemingen en berigten, bijzonder met betrekking tot den stam der Aino’s, hunne zeden en gebruiken, die wij aan zeevaarders van den lateren tijd, en aan de Japanners, die het Land van Jezo bezocht en beschreven hebben, te danken hebben, zijn door den Schrijver dezes onlangs tot een geheel gebragt en in zijne »Beschrijving van Japan” geboekt geworden[128]. De herhaling daarvan is hier overtollig, zoo dienstig ook de verhandeling op zich zelve zal zijn, om de mededeelingen van onze Oude Nederlandsche zeevaarders te bevestigen, toe te lichten en te verrijken.

Wij zullen ons dus ten doel stellen om den merkwaardigen stam der Aino’s te beschrijven volgens de berigten die in ’t teruggevonden Journael aangeteekend zijn, en volgens al de oorkonden, die ons de Nederlandsche pers van Vries’ zeetogt bewaard heeft. Daarbij willen wij ons, zoo veel mogelijk, aan de letterlijke bewoordingen houden, waarin de onderscheiden waarnemingen opgeschreven zijn, om de reeds aan onze stoute zeevaarders voor hunne verdiensten voor de aardrijkskunde opgerigte gedenkzuil ook met zoo belangrijke bijdragen voor de volkenkunde te versieren[129].

[362]Gedaante, Gelaatstrekken der Aino’s. »De Inwoonderen van dese Eijlanden Eso, zijn alle den anderen seer gelijck, kort ende dick gedrongen van stature, hebben langh ruijgh haïr ende baerden, soo dat het aenghesicht daer bijkans mede bedeckt is, doch het hooft is vooren geschooren, zijn wel besnede van tronien, swart van oogen, kort, tamelijck dick, ende niet plat van neusen, laegh van voorhooft, geel van vel, over het lijf seer ruijgh. De vrouwen zijn so bruijn niet als de mans, laten eenighen het hair in ’t ronde scheeren, so dat het haer aengesicht niet en belet, anderen laten het langh wassen, ende stricken ’t op als de Javaensche vrouwen, haer wijnbraeuwen ende lippen swart ende blaeuw geverft, hebben soo wel mans, vrouwen als kinderen gaten in haer ooren, daer sij silvere ringen in dragen, oock schortjens van Armosijde, met loode ende koopere ringen.” (K. B.)[130].

Op Krafto zijn de vrouwen blanker als op Jezo: »zaegen (in den Golf van Aniwa) ook eene vrouw in eene prauw sitten, blank synde met swart lanch hangent haer op het hooft, hadde in elcke oor een groote blauwe gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waren[131]. (J.)

»Vonden daer (in de bogt Patientie) eene blancke vrouw, fraey van trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van een bever (Zeeotter), gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een saebel, dat seer schoon was om haer hooft ende had een jongen by haer staen gecleet mee met een bonte rock.” (J.) Ook is in ’t[363] Journael van eenen blanken man gewaagd: mogelijk dat die een door schipbreuk daarheen gekomen Japanner was; doch door de gebreken van den ouderdom minder aan de open lucht blootgesteld, kunnen, zoo als de vrouwen van de betere klasse in dit land, ook oude lieden verkleuren en witter van gelaat worden.

»Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange grijse baert, op een matien (matje), op de Japansche wijse, aenhebbende een gebloemde catoene rock, sijnde op sijn Japansch gemaeckt. Mijn leijtsman wees ick sou bij die oude man gaen.” (J.)

Regeering, Aino-hoofden, Geregtszaken, Straffen. Ten tijde van Vries’ bezoek op Jezo stonden reeds lang de Aino’s van het zuidelijke gedeelte van dat eiland onder een’ Japanschen Vorst, die zijnen zetel had in de stad Matsmaë. »Den Matsmay Simadonne (Matsmaë Sima dono), Gouverneur ofte Overste van ’t voorsz. Eylant, gaet jaerlycx de Keyserlycke Majesteyt van Japan tot Jedo begroeten, tot geschenken mede nemende veel silvers, vogelsveederen (om aen Pylen te ghebruycken) ende fyne bonte vellen, hem met een berck van Eso ladende oversetten tot aen de Japansche Cust Nabo[132], van waer hy dan voorts te lande naar Jedo reyst.” (K. B.)

»Onder haer is geen wettelijcke regieringhe ofte politie, geschrift ofte boecken, konnen lesen noch schrijven.” (K. B.) Zij hebben echter hoofden, die hun gezag over een min of meer uitgebreid gebied uitoefenen, en onder hen in aanzien staan en geëerbiedigd worden.

»Quamen de habytanten met twee prouwen ons te gemoet, waarvan drie persoonen over in onze prouw quaemen, ende syn doen saemen naer haer dorp gevaeren, hetwelk sy Ackys (Atkesi op Jezo) noemden, syn met de meeste gesach [364] hebbende in syn huys gegaen, wiens naem was Noiasack.” (J.) Het zijn meestal oude mannen die zich door ervarenheid en burgerlijke deugden kenmerken: »Ten anker leggende, quam ’er een hoop volks aen boort dat een blinden man by zich had, en dien zeer eerde en ontsagh. Dese oude blinde man, eer hij weer naer lant voer, hief zijn handen op, en deed over ’t scheepsvolk een lange rede, die d’onzen niet verstonden.” (S. B.)

»Heeft de Commandeur aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert, waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het waeijen.” (J.)

De ontmoeting van Aino-hoofden in de Bogt van Patientie zal hier eene geschikte plaats vinden, ten einde zich een denkbeeld van zulke krijgshaftige mannen te vormen.

»Saegen twee treftige (deftige) persoonen op een grooten boom, die van de see op het strant geworpen lach, sitten, sijnde cloeck van leden, den eene met een ruijgen baert, hebbende pijl ende booch in de handen, met een pijlkoocker vol pijlen aen sijn hooft hangen, met een houwer op sijn sij, den ander wat jonger, met een groot gramschap geschooten, hebbende twee groote knevels, had oock pijl ende booch in sijn hand ende voorts gewaepent met een houwer ende pijlkoocker vol pijlen; after haer stonden twee sterke mannen, geweert (gewapend) als de twee voorige, gecleet met rocken van vellen.

Den outste sette sijn booch in ’t sant met een pijl daerbij, ende nam een lange pieck van 18 voet in sijn hant, ende sij bleven alle beij sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht hij haer comende seij Tacoij jankarate ende vreef mijn handen, gelijck gesien hadde aen Tamarij, waerop de outste sprack Tacoij; sijn doen toegetreden, ende naem sijn hant ende wesen dat wij vrienden waren, in mijn beijde handen sijn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, ende smeet hem neer, waerop ons volck is comen aentreden, dien sij doen met haar tween te gemoet[365] gingen ende welcom heeten, seggende Tacoij, ende douden met haer beijde handen ons volcx rechterhant, gelijck ick haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee persoonen waeren gecleet met sijde gebloemde Japansche rocken, gevoert met Sineese cangangs, waertusschen sijde watten waeren; soodat ick vertrou de twee andere lijfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee treftige persoonen was haer hooft voor geschooren tot halfwegen het hooft ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aan haer midden, de plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslagen ende doorluchtich.” (J.)[133].

Deze hoofden doen onderzoek hij overtreding van de wetten, vonnissen en straffen. »Hij (het Aino-hoofd) zittende met een houte knuppel in sijn hant, alwaer sij recht mee doen, saegen het meysie met het aengesicht op de aerde liggen.” (J.)[134].

»Als sij eenige straffe doen des doots schuldigh ofte eenige van haer vijanden gevangen crijgen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de lenden.” (J).

Deze straf, zoo als ze aan gevangenen voltrokken wordt, is nader beschreven. »Eenighe van haere vijanden gevangen bekomende, die straffen ende dooden zij in dieser voegen; den gevangen wort recht over eijndt gestelt, het bovenlijf naeckt zijnde, de armen ofte handen worden hem in de zijde geset, alsoo staende wort van vier persoonen vastgehouden, twee aen de armen, ende twee aen den voeten; dan komt een vijfde persoon met een knodse, daer eenighe swaerte van ijser vooraen is, die ghepast hebbende hoe hij den patient treffen wil, treet 10. a 12. treden achterwaert, komt dan, de knodse om ’t hooft slingherende, al dansende aen, t’ elckens (met beijde de handen de knodse gevat hebbende)[366] een slagh in kruijs van des patients rugge brengen, tot dat hij de geest geeft. In dier voegen straffen mede, die bevinden dat met haer wijven ofte dochter oncuijsheit bedrijven.”

Godsdienst, Begraafplaatsen. »So veel als konden vernemen ende bespeuren, soo hadden weynigh ofte geen religie ofte superstitie; doch wanneer sij ontrent het vijer sitten en drincken, soo sullen sij eerst op verscheijde plaetsen ter zeijden het vijer eenige droppelkens storten, ghelijck of sulcx offerden. Hebben eenige gesnede vuijre stocxkens, daer krulletjens ende spaendertjens bij hangen, die sij op veel plaetsen in de aerde stecken, ende in de huijsen aen de wanten hangen[135]. Wanneer ijemant onder haer sieck is, soo schaven sij met een mes van langhe vuijre stockjens, lange schaeffels, ofte krullen, winden die de siecken om het hooft ende de armen.” (K. B.)

»Als hij eeten zou, deed hij zijn gebed, gelijk de Kristenen, met gevouwen handen.” (S. B.)

»Haere graven (in den Golf van Aniwa) waeren boven de aerde gelijck een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel besorcht ende dicht toe benaijt met groote basten van boomen.” (J.)

»Vonden (in de Bogt Patientie) 10 graeven, daerin sommige dooden noch in laegen. Deze graeven waren heel raer gemaeckt van vuereplancken, omtrent een voet verheven van de aerde, staende op stuties ende was onder een viercante kist, onder de boom (bodem) sijnde houte tralijs, doorluchtig, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fijn gesneden sijnde om sijn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden bij hem in de kist schuetelties ende eetenbackies, ende eenige andere snuijstering met pijl ende booch,[367] had eten oock in een doos gehadt, soo het scheen, lach oock een cleijn block om rijst te stampen, met een rijststamper daerbij in sijn kist. De kist was boven met een cap wel dichte toe, gelijk een cap van een huijs, daer boven op het scherp van de cap een fraeij gesneden houten cap lach. Langs de kist aan elcken endt fraeij met een leeuw ofte draecken cop uijt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in haer mont, (ende) liep soodanich gesneeden hout aen alle vier hoecken oock neerwaert aen, al uijtgesneden, als gesegt is. Dese graeven met verwondering aengesien hebbende, saegen daerbij veel stockies staan met fijne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangen.” (J.)[136].

Bij Atkesi, op Jezo, heeft men opgemerkt dat de plaats: »Alwaer de dooden onder de aerden legghende, het graf met Oesters schelpen bedeckt wert. Op andere plaetsen staense in een Hutteken in de kisten boven de aerde, op vier staekjens, zijnde het huttecken met konstig lof-werk ghesneden, sonder dat men eenige andere Offerhande daer bij vint.” (J.)

De hut met een geraamte, op Urup gevonden, was zonder twijfel eene begraafplaats, de daarvoor opgehangen sabel bewijst dit. In het Jezoki staat[137]: »Wanneer de Aino’s iemand plegtig willen begraven, hangen zij over zijn graf,[368] aan een 5 tot 6 voet hoogen paal, den sabel van den overledene op.”

»Rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een menschengeraemte ende een dootshooft in lach. Deze huties waren gemaekt van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden bij do. huties een paal in de gront geset, alwaer een houwer hangen.” (J.)

Ook getuigen de lidteekens, zoo algemeen aan de voorhoofden der inboorlingen waargenomen, het bestaan van den zoogenoemden doodenkamp, die daarin bestaat, dat zich de naaste bloedverwanten met een mes (makiri) sneden aan het voorhoofd geven en het bloed van de afgescheiden zielen offeren.[138] »Sijn meest op het hooft met verscheijde houwen ende kerven gequetst geweest, ghelijck sulcks de groote litteeckens getuigen.” (K. B.) Daarom werden de vreedzame Aino’s van de onze uitgemaakt voor: »Boschloopers ofte Banditen van eenighe plaetsen te wesen, een ijder even veel Meester zijnde.” (K. B.)

Zeden en Gebruiken, Levenswijze en Voedsel. »Schijnen door haere ruijhe baerden ende hair seer wreedt, maer weten haer tegens de vreemde Natien soo sinceer ende eenvoudigh te houden, dat men niet anders soude konne oordeelen, ofte het waren civilen ende gepoliceerden menschen. Waeneer sij bij vreemde Natien komen, soo vercieren haer met haer beste kleederen, ende weten haer seer modest te houden, toonen hare courtosien ende beleeftheijt met het hooft te buijghen, en gevouwen handen, de selvigen voorbeij den andern heen ende weder strijckende; singen met bevende stemmen, als de Japanders doen; doch waneer sij een weynigh commissie bekomen, soo sijn sij haest familiaer, dan met een vriendelijck ende vrolijck gelaet.” (K. B.)

»Ende greep mij voorts eens vriendelijck om mijn midden tot teijcken van vrientschap ende gingen soo hant aen[369] hant naer zijn huijs toe.” (J.) Zijn ook gastvrij: »aen lant komende wierden van de inwoonders wel onthaelt.” (S. B.) »presenteerden mij souden in haer huties comen.” (J.)

»IJder man heeft twee vrouwen, die maken biese-matten, naijen haers mans rocken, ende koocken het eten; en waneer de mans het hout om te branden in ’t bosch vergaderen ofte kappen, soo draeght het de vrouwe in de prauw; ende moeten dan soowel roeijen als de mans.” (K. B.)

De vrouwen, vooral de oude, zijn niet onkundig en schijnen veel te zeggen te hebben, »waerop de outste vrouw mijn meening eerst verstaende etc.” (J.) »Een hutie alwaer een stockoude vrouw uijtquaem, leunende op een stockien, scheen veel hebben te zeggen.” (J.) »De mans zijn voor vreemdelingen op haer vrouwen ende dochters seer jalours, soodat niet mogen lijden dat men met haer stoeijt ofte speelt: wanneer bemerken dat ijemant haer tot hoerereije versoeckt, sullen hem dooden, soo in haer macht bekomen.” (K. B.)

»Waneer haer vrouwen baren, ende in kinder-bedt zijn, so houden sij hare residentie in een huijsjen apart, daer gedurende den tijdt van 2 a 3 weecken geen mans-persoonen bij haer komen; hare kinderen te werelt brengende zijn heel blanck; wanneer sij die de borst sullen geven, ende datter eenighe van onse Nederlanders ontrent waren, soo deden ’t gantsch bedecktelijck, haer borsten niet wijders ontblotende, als de kinderen de tepels even met de mont vatten konden. Ja selfs de meijsjens ende kleijne kinderen, daer veel tijdts met schoon weder naeckt loopende, en de Nederlanders siende, sullen met hooft, handen ende beenen in malkanderen krimpen, ende haer seer beschaemt toonen. De vrouwen dragen haere kleijnen kinderen in haer rocken, met een bant om ’t hooft[139], op haer ruggen, zijn op haer[370] matjens daer sij de vloer mede bedecken, ende op haer spijs ende dranck veel reijndelijcker, als over haere lichamen en kleederen, die veel tijdts (soo wel van mans, vrouwen als kinderen) seer vuijl ende smeerigh daer uijt sien, ende weijnigh vernieut ofte gewassen worden. Haer spijs ende voetsel is visch, walvischspeck, traen, groente, knoppen van roode roosen, die in Acqueis in overvloet zijn; welke afgepluckt zijnde, de groote hebben van een mispel, ende worden teghens de winter gedrooght, ende zijn haer winterprovisie. Hebben verlackte kopjens, ende vierkante backjens daer sij haer eten in opschaffen, ijder een kopjen voor haer hebbende, etende met stockjens op de Japansche maniere, behalven op 48 graden 50 minuten (in de bogt van Patientie), die wel op de Japansche maniere geschooren, ook met sijde rocken bekleet zijn, en wat blancker, ende veranderlijck van spraecke zijn, maer nemen haer eten met de vinghers, sonder de voorsz. stockjens te gebruijcken.” (K.B.) »Sy hebben geen sout in gebruike” (J.) »De mans ende vrouwen zijn tot stercken drank seer ghenegen, en worden daer oock heel licht droncken van” (K. B.) »Droncken saemen in ’t ront eens om een arackie ende toebackie, waernaer sij allegaeder begeerich waeren”. (J.) »Als sy drincken lichten haer knevels op met een vinger” (J.) »Sitten op zyn Japansch op de matten” (J.)

Woning, huizen, hutten, voorraadschuren, forten enz. »Hare huijsjens, die meest voor aen strant in ’t hangen van ’t geberghte, ende eenige daer boven op staen, zijn van planken, gheschaeft ende het een in den andern gevoeght, met basten van boomen gedeckt; doch de meeste part met opgerechte stijlen, met breede basten van boomen, soo wel ter zijden, als boven bedeckt, met een veijnster[371] boven versien om den roock van ’t vijer uijt te trecken, dat midden in ’t huijs gemaeckt word; zijnde van binnen een camer met afgeschutte deelen, die rontom curieus met enckelde biesematten langs de aerde bedeckt is, 10 a 12 treden langh, ende 6 breed zijnde, alles seer poliet ghemaeckt, eenigen met een stacketsel van sparren rontom beset. Hare huijsen zijn boven de twee mans langhte niet hoogh, even als de boeren-hutten in de Nederlanden, ende de deuren so laegh, dat men daer al bockende in gaen moeten; staen niet veel bij den anderen; ’t meeste ghetal, dat van de onsen bij den anderen ghesien wierdt, was 18 à 20, ordinaris 6, 7, 9, ende 12, dan meer als een half mijl van den anderen, oock de meesten part leedigh ende onbewoont. Hebben geen huijsraedt als enkele biesematten, hare Japansche rocken zijn benevens ’t silver-werk haer cieraet, hebbende weijnigh deekens om op te sitten ofte te slapen” (K. B.)

Daarmede stemmen ook de op verscheiden plaatsen in ’t Journaal te lezen beschrijvingen en de afteekeningen, die wij van Japanners verkregen hebben, overeen[140]. Daarin wordt ook van hutten, voorraadsschuren en van hokken voor beeren, voor arenden en andere vogels gewaagd. Eene in den golf van Aniwa aan het strand staande hut of tent wordt alzoo beschreven: »was maer van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, waer in ’t midden vuur aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen cruyt over hinck ende coockte” (J.)[141].

»Cleyne packhuysen, omtrent een mans lengte boven de aerde, staende op 4 stutten ofte steylen, alwaar gedroochte visch in lach, de deuren daarvan waren van vurenhout ende maer toegebonden.”[142]

[372]»Bij dit huys stont een groot gemaeckt hock alwaar eertijts scheen eenig gedierte in gezeten te hebben. Veel cleyne hoeckies daer noch eetens ende drinckens backies aen vast waren” (J.) »hier stont een groot vierkant hock, alwaer een groote swarte beer in sat[143], aen elke hoeck van ’t hock was een lange spar met een mey by opgericht, daeraen hangende veel spaenderties; ik vermoede, dat het tot triumf was over den gevangen beer ofte eenige afgodendienst.” (J.)[144].

Ten tijde dat het schip Castricum in de Baai de Goede Hoop zich ververschte, vernam men, dat de inwoners van Atkesi met hunne zuidelijke naburen in geen goede verstandhouding leefden, en stuurman Coen zag daar eenige bevestigde wooningen. »Dese forten waeren gemaeckt als volcht: op den berch, daer die op gestelt waren, was maer een smal opcomende wech, hetwelck steijl was om op te climmen, ende waeren pallisaeden in ’t viercant gestelt van de lengte ende de hoochte van 112 mans lengte, daer stonden 2 à 3 huijsen in; waren groote vueren deuren in de pallissaeden met groote clampen; als die toe waeren, werden dan met twee dicke houten geslooten, sijnde door de clampen heengestoocken. Op twee hoecken van dese viercante gestelde pallissaeden, is ’t met verheven stellagie gemaeckt van vueren plancken, om daerop uijt te kijcken, voorts sijn de pallissaeden wel met dwarshouten aen malcander geslooten.” (J.)

Kleeding en andere opschik. »Haere kleedinge is meest op de Japansche maniere, doch weynigh van sijde, meest van water-bloemen geschilderte blaeuwe cangans, met[373] ofte sonder ghevoerde Japansche rocken; maeken eenige van kleetjens selfs haere rocken, de mouwen aen de handen niet soo wijdt, maer bijkans sluijtende; benaijen die met stroockjens ende lapjens van sijde kruijs-weeghs, met kirimirien, desgelijcks maecken oock rocken van beestevellen; de mans de rocken voor open, ende de vrouwen die als een hembt toe hebbende.” (K. B.)

Meer bijzonder zijn de kleederen en andere opschik in het Journaal beschreven; op de Oostkust van Jezo: »Sij hadden grove rocken van hennipe linnen aen[145], daerover rocken van vellen gemaeckt, sij hadden gaeties in haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in sijn oor, het welck was van specij als coper ende half gout.” (J.)[146].

In den Golf van Aniwa. »De man had een rock aen van catoen, blau met witte oochies; zijn vrouwen waeren gecleet de een met een hennipe grove rock wat vernaeijt sijnde, de ander vrouw had een rock aen van robben vellen.” (J.)[147].

»Ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeijt met root ende blauw catoene gaeren.” »Sommige hadden rocken van vellen aen.”

»Vonden daer op een verheven plaets waer matten op laegen (het Aino-hoofd) zitten, zijnde gecleet met een blauwe catoenen rock met witte bloemen, sijn vrouw aen sijn slincker sij, gecleet met een rock die met veel strickies ende cruijsies vernaijt was, met alderhande coleur van catoene gaeren; deze rocken waeren als de Japansche catabers (Kata hira, eene soort neteldoek).

»De stockoude man (een Aino-hoofd) had een blauw catoenen rock aen alwaer Japansche caracters met gout op gedruckt stonden in een groote vierkante perk; deze rok was[374] met alderhande coleuren van catoene gaeren genaeijt ende versiert.” (J.)

»Hadden alte gaeder schrooties armosijn van alderhande coleuren in haer ooren.” (J.)

»Des huijsheers vrouw hadde een groot blau gecraelde ketting om haer hals, waer copere teijckens tusschen geregen waeren ende eenige andere coralen.” (J.)

»Sommige van haer hadden groote silvere ringen in haer ooren.” (J.)

»Waervan de eene vrouw een cleijn kintie op haer schoot had, soo schoon als ooijt gezien heb, ’t welk een meysie was, hebbende eene blauwe craelde kettingh om sijn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen waeren; aen do. ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlijck gemaect, wegende met haar tween wel 12 pond swaer.” (J.)[148].

Wapenen, vaartuigen, jagt- en vischvangst-gereedschappen. »Haere wapenen zijn pijlen en boogh, nevens een houwer, de Japansen seer gelijck, alle met een dun silver rantjen om de plaet beslagen; dragen de selvige met een draegh-bandt op sijn Persiaens, de pijl-koocker met een bandt om haer hooft, op de rechterzijde hangende; hare booghen zijn 4 à 5 voeten langh, van elsen ofte esschenhout, ende de pijlen een half ellen, seer subtijl gemaeckt, voor aen een harpoentje van riedt hebbende, dat met swart fenijn bestrijcken, soo dat wie daer mede ghequetst wordt, die moet terstont sterven”[149]. (K. B.)

Dit wordt bevestigd.

»Presen dat haer pijlen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met fenyn bestreecken” (J.).

»Den outste had een pylkooker met aen syn hooft hangen[375] met een booch in syne hant ende een houwer op syn sy, saegen anders geen geweer”[150].

»De inwoonders (van den golf van Aniwa) hadden sommige houwers op haer sy, daar de plaeten rontom met silver waeren beslagen ende ook de scheen (scheden) aan de eynden seer sierlijk, haer heften van haer houwers ook sierlijk met silver in geleijt einde gewrocht.” (J.)

»Dese lieden zijn in de natuer luijaerts, niet vlijtigh om te arbeijden, zaeijen nochte maeijen niet, geneeren haer met een kleijn praucken, ’twelk uijt een dicke boom gehackt is, ende aen beijde zijden met vier plancken opgeboeijt, een voet hoogh[151], roeijen daer mede ghelijck de boeren met haer melck-schuijten, dan slaen de riemen niet gelijck in ’t water, gaen daer mede schieten ende visschen robben ende andere zeeghedierte; waer toe sij mede ghereetschap hebben, als harpoenen van been, de punct met een stuckjen ijser ofte kooper versien; hadden oock segens op de Hollandtsche maniere ghebraeijt, het gaaren van hennep gesponen, die daer in’t wildt wast, houdende het eene eijnde in de mondt, soo weten met de handen het gaeren soo ’t samen te draeijen, ende bequam te maecken.” (K. B.)

Zij laten hunne vaartuigen door honden trekken. »Sloegen daer vijf witte ruijge honden voor, met hem (hennip) seelen om haer lijf; den stuerder after het vaertuijch sittende riep eens, die honden begonnen stracx aen het trecken te pueren.” (J.)

Insgelijks ook aan sleden. »Een ijsslee, zijnde van een vreempt fatsoen.” (J.)[152].

»Hebben mede knippen, die als een booge gespannen zijnde, soo is in’t hout van de booge een rondt gat ghemaekt, daar eenigh aes in legghen, de voghels, als meeuwen, arenden,[376] snippen, ofte ravens daer dan in komende, picken, ofte haer voet in steecken, soo springhet de booghe op, ende blijft de voghel vast[153]. Hebben altijdt waerse gaen pijlen en boogh, nevens een houwer op haer zijde; waer mede sij oock in ’t bosch gaen om grof wildt te schieten, als beeren, reen, harten, elandts, ende ander bij ons onbekent ghedierte.” (K. B.)

»Haer honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer daer een een poos de uijtsicht gehad heeft; de rest van de honden 10 à 12 bij troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plontsen soo met swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheijt hem dan verheft uijt het water, ende springt op plaetsen, daer weijnich water is of op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grijpen die salm; dan bijten die stracx de cop af ende brengen het lijf bij haer meester in huijs, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met laech water.” (J.)

Merkwaardig en eenvoudig is hare wijze, om vuur te maken: »Hadden haer vuerslagen bij haer om vuer te slaen, dat waeren viercante planckies daer een holletien in is, was voorachtich hout, daertoe hebben sij rieten daer een cort stockien in steckt; als sij vuur hebben willen, soo sloten sij dat stockien in dat holletie ende vrijven dat tusschen haer handen, dat het omdraeijt heen en weer, soo gedoopt in gesmolten swavel houden dat daeraen, hebben stracx brandent vuer.” (J.)

Handel. De Aino’s drijven alleen ruilhandel met de Japanners, met de noordelijke bewoners van Krafto, en van[377] het Amurland. »De mannen verruijlen traen, walvischspeck, geroockte walvischtongen, veelderhanden vellen ende vogelveederen aen de inwoonderen van Japan, die hier eens des jaers komen, om die waeren op te koopen, daer voor gevende rijs, sacie, Japansche rocken (soo van sijde, als blaeuwe cangans), koopere tabacks-pijpen ende taback, doosen, verlackte eet- en drinck-bacxkens ende kopjens; silvere oorhanghers, loode ringen om in de ooren te hanghen, bijlen ende messen, soo dat al wat sij hebben, sulcks meest van de Japanders ruijlen: haer spraeck is een weenigh met het Japans vermenght: zijn seer subtijl in haer handel ende niet diefachtigh.” (K. B.)

Kwamen op de oostkust van Jezo hunne goederen aan de Nederlanders aanbieden: »Dese prauw was vol velwerk; als robbenvellen, elants, otters ende beeren ende eenige bij ons onbekende vellen; presenteerden het alles te verruijlen voor Japansche rocken.” (J.)

Waren in den Golf van Aniwa en de Bogt Patientie, »seer begeerigh naer ijser, daer vogelvederen ende velwerck voor gevende, weten de vederen seer pertinent in doosen te packen.” (K. B.)

»Presenteerden mij een fijn ottervel, waervoer ick hen een oude scheepsbijl gaf, ende was daer heel blijde mede.” (J.)

»Ja hoeveel zilver men hen ook aenbood, zo verkozen zij altijt het ijzer voor het zilver.” (S. B.)

»Deze luiden waren oock graegh na zijde stoffen, daer voor zij bontwerk en zilver in overvloet aenboden.” (S. B.)

Thans is de handel der Japanners met de Aino’s op de geheele kust van Jezo en tot op Krafto in den Golf van Aniwa uitgebreid en wordt met veel voordeel gedreven. Gedroogde en ingezouten visch, vooral zalm, haring, sardijnen, stokvisch, schelpvisch, zoo als klipzuigers (Awabi, Haliotis Japonica), Tripang (Iriko), zeekroos (Kombu, Fucus esculentus) beerenvellen, zee- en rivier-ottervellen, arendveeren zijn de voornaamste artikelen, die zij tegen rijst,[378] sake, tabak, katoenen stoffen, nieuwe en oude kleederen, lakwerken, sabels, messen, ruw ijzer, gegoten ijzeren en koperen ketels en pannen, enz. inruilen. Ook ruilen de Japanners van de Aino’s eenige andere goederen, zoo als gebloemde en met gouddraad doorweefde zijden stoffen, kensju genoemd, hengelsnoeren (susi, uit het corpus sericeum van eene rups vervaardigd), de meergenoemde blaauwe obsidiaan-koralen (Krafto tama) en geëmaljeerde tabakspijpen, die zij door hun verkeer met het Amurland, van het volk van Santan en van de Mantschou’s, die naar Deren, eene handelsplaats aan de Amur, niet ver van de Baie de Castries, komen, verkrijgen[154].

De beantwoording der vraag over de afkomst der Aino’s en hunne verwantschap met andere naburige volken zoude eene hoogstgewigtige taak voor de volkenkunde opleveren. Hunne verdichtsels omtrent hunne afkomst, die zich bij overlevering en in volksgezangen bewaard hebben, verdienen niet meer geloof dan alle dergelijke fabelachtige verhalen bij andere ruwe en onbeschaafde volken[155]. Aan de Japanners zijn de Jebisu of Oost-wilden bekend van den tijd af aan, wanneer de stichter van de Mikado’s of Erfkeizers dynastie, Zin mu ten wô, zijn rijk naar het oosten en noorden begon uit te breiden, dus van 660 voor J. C. In de Chinesche Geschiedenis wordt het eerst onder de dynastie der Han (189 v. J. C. tot 30 n. J. C.) van den volksstam Mao-min gewaagd, die aan de overzijde van de Oostzee te huis hoorde en over het geheele lijf behaard was. Ook wordt in de geschiedenis van de Sui dynastie (608-622 n. J. C.) van een’ volkenstam Mozin gesproken, die uit vijftig horden bestond, en die in het gebergte in ’t N.W. van het land Woke (Japan) woonde. Met de Aino’s werd men eerst in ’t midden der 7de eeuw (659) persoonlijk[379] aan het Hof van T’ang in China bekend, waar door een Japansch gezantschap twee Aino’s als zeldzaamheid aangebragt werden[156]. Daar het grootste gedeelte van het Noorden van Nippon ten tijde van Zin mu ten wô door de Oostwilden, de Aino’s, bewoond was, zoo kan men met zekerheid vooronderstellen dat deze volksstam daar reeds voor 2500 jaren bestaan heeft. De noord-oostelijkste grens van zijne verspreiding laat zich echter niet verder dan tot het tweede van Kamtschatka afgelegen Kurilsche eiland Para muschir aanwijzen. Op het eerste Kuril’sche eiland Schumschu heeft reeds eene verbastering der Aino’s met den oorspronkelijken stam der Kamtschadalers, de zoogenoemde Itülmen, plaats. Deze Itülmen hebben echter geene gelijkenis met de bewoners van de zuidelijke Kurilen, de Aino’s, noch in gedaante noch in taal; en deze oude bewoners van Kamtschatka zijn ook vroeger dan de Tungusen en Koriäken, die zich thans tusschen Kamschatka en het naburige Oost-Siberië nedergezet hebben, op het schiereiland gehuisvest geweest en waarschijnlijk in den oudsten tijd van het land in ’t Z.W. van den Amur gelegen derwaarts gekomen. Deze groote stroom was de weg van eene voorgeschiedkundige volksverhuizing, zoo als hij misschien zal worden de baan van de Europesche beschaving naar het binnenland van het Noord-oostelijke gedeelte van het Chinesche rijk en van Siberië. De oude bevolking der Baie de Castries, zoo als die ons Lapérouse beschrijft, heeft reeds veel overeenkomst met de Aino’s in gedaante, zeden en gebruiken; en ook de stam van de Kileng en Ketscheng, waarvan de eerste het gebied in ’t W. van den Amur, de door den Hingon (Aemgun) doorstroomde valleien, en de laatste het kustland in ’t Z.O. van den Amur en tegenover het eiland Krafto bewoont, heeft veel gelijkenis in zijn uiterlijk voorkomen, zijne zeden en gebruiken met onze Aino’s. Zoo zouden zich dan wel duizendjarige voetstappen van den[380] Aino-stam op de kust van het vaste land van Azië laten opsporen; doch dien verder tot aan zijne wieg te vervolgen, laten de gebrekkige geschied- en volkenkundige berigten niet toe, die wij dus verre uit deze gewesten—in het N.O. van Kôraï en van het Zuidwestelijke stroomgebied van den Amur bezitten. Alles wat wij van dit merkwaardig volk weten, getuigt echter voor zijnen hoogen ouderdom.

De slotsom van deze onze gissingen komt hierop neder: op gelijke wijze als in voorgeschiedkundigen tijd de Itülmen, de oudste bevolking van Kamtschatka, naar dit schiereiland gekomen zijn, en later door eenen anderen volksstam opgevolgd en tot aan het zuideinde voortgedreven is geworden, is het ook waarschijnlijk, dat in nog veel vroegeren tijd, ook langs den Amur, de Aino-stam allengs zich over de zoo digt bij het vaste land gelegen eilanden (Jezo, de Kurilen en Krafto) uitgebreid heeft; doch in het N.O. door de hem opvolgende Itülmen, en in het N. en N.W. door de later verschenen Koriäken en Tungusen—deze omzwervende visschers en jagers, die wij op Krafto onder de namen van Smerengur’s en Orotsko’s weder herkennen[157]—teruggedreven, en in het Z. door de nakomelingen van Zin mu ten wô vernield of verjaagd, tot zijne tegenwoordige woonplaatsen is beperkt geworden.

De ons verborgen gebleven jaarboeken, waarin de verhuizing van den Aino-stam beschreven is, dagteekenen van voor vele duizenden jaren, en toch schijnt hij in zijne wieg reeds door eenen lichtstraal van beschaving te zijn beschenen; evenzoo telt ook de geschiedenis van zijne afsluiting van de overige wereld duizenden jaren, waardoor dan ook noch een geestelijke, noch een maatschappelijke vooruitgang bij dit volk heeft kunnen plaats hebben. Onder deze omstandigheden treffen wij de Aino’s na verloop van vele duizenden jaren nog op den laagsten trap aan van eene aartsvaderlijke beschaving,[381] die zij bij hunne afzondering en onder de dwangheerschappij van de stoute Japanners uit eigen kracht van geest niet vermogten te overschrijden. Bij deze onmagt, bij zulk een zedelijk onvermogen om den beker van vreemde belustheid, hun door de beschaafde westersche en zuidelijke natiën aangeboden—te kunnen weigeren, zullen deze van natuur krachtige, maar onnoozele, schepselen al spoedig ontzenuwd en zedeloos, even als hunne naburen, de Kamtschadalen en de Noord-Amerikaansche volksstammen, ten grave dalen!

Doch een Lapérouse en een von Krusenstern hebben reeds aan dit goedhartig en braaf volk eene gedenkzuil opgerigt: »On ne peut douter qu’ils n’ayent beaucoup de considération pour les vieillards, et que leurs meurs ne soient très douces; et certainement s’ils étaient pasteurs, et qu’ils eussent de nombreux troupeaux, je ne me formerais pas une autre idée des usages et des moeurs des patriarches.[158].

»Einigkeit, Stille, Gutmütigkeit, Bereitwilligkeit, Bescheidenheit: alle diese wirklich seltenen Eigenschaften, die sie keiner verfeinerten Kultur zu verdanken haben, sondern welche nur die Gefühle ihres natürlichen Charakters sind, machen, dass ich die Aino für das beste von allen Völkern halte, die ich bis jetzt kenne.[159].


[120] Leuca (Legua) 1712 op een graad.

[121]Amplissima sylvestrium hominum regio.” Deze uitdrukking schijnt aan Abrahamus Ortelius aanleiding te hebben gegeven het in zijn „Theatrum orbis terrarum” in het noorden van Japan vertoonde eiland „Satyrorum Insulam” te noemen.

[122] Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum volumen. Coloniae. 1574. pag. 426. „Japoniae terrae in Septentrionem adiacet amplissima sylvestrium hominum regio, leucas ab urbe Meaco trecentas. Bestiarum pellibus induuntur, toto hirti corpore, ingenti barba, mystacibus maximis, quas paxillo subrigunt potaturi. Vini gens avida in primis, ad bella ferox, formidolosa Japoniis. In praelio sauciati, salitis aquis abluunt vulnera, id unum genti remedium est. Speculum gestare dicuntur in pectore; ad caput gladios alligant sic, ut in humeros manubrium desinat. Sacra habent nulla, caelum dumtaxat venerari soliti sunt.”

[123] N. Witsen, Deel II. l. c. pag. 57.

[124] Naauwkeurige Verzameling de Gedenkwaardigste Reysen na Oost- en West-Indiën enz. Te Leiden door P. van der Aa, 1707. Deel 24. Agste Oost-indische Reys enz. onder Capitain Joan Saris. pag 136.

[125] Beschryvinghe van het Machtigh Coninckrycke Japan enz. door Françoys Caron. T’Amsterdam 1648. pag. 1.

[126] N. Witsen l. c. pag. 55.

[127] N. Witsen l. c. pag. 59.

[128] Nippon, Abtheil. VII, pag. 205-224.

[129] De geschriften, waaruit wij deze beschrijving zamengesteld hebben zijn gemerkt als volgt: (K. B.) Korte Beschrijvinghe; (S. B.) stuurman de Bakker’s berigt; en (J.) Coen’s Journael.

[130] Vergel. Nippon, Atlas, Tab. XVI, XVII, XVIII.

[131] Vergel. Nippon, VII Atlas, Tab. XXI, fig. 5. De kostbaarste zijn van blaauwen Obsidiaan, dien zij noemen Krafto tama, edelsteenen uit Krafto. Deze blaauwe koralen vindt men bij alle volken in den kouden aardgordel, van het noordelijke halfrond van den Grooten Oceaan tot in de Behring straat, waar ze van von Kotzebue in de Zond, die zijnen naam draagt, zijn waargenomen geworden, verspreid.

[132] Waarschijnlijk naar den boven beschreven haven van Nambu, op de Oostkust van Nippon. Mogelijk ook de haven van Saï of Ohata.

[133] Vergelijk: Voyage de Lapérouse, Atlas No. 50, waar eene ontmoeting van Aino-hoofden op de westkust van Krafto vertoond wordt.

[134] Nippon, VII Atlas. T. XIX. A. fig. 3, waar deze knuppel, sjô kine genoemd, afgebeeld is.

[135] Deze stokjes met krullen worden bij hun Inao genoemd en komen overeen met de Hei of Gohei, zinnebeelden van godheden in den ouden godsdienst, den Sintô, der Japanners. Vergelijk Nippon VII, pag. 214 en Atlas, Tab. XVII.

[136] Men vergelijke hiermede de grafzerken in de Baie de Castries. Voyage de Lapérouse, Atlas, No. 53, ook de door Toknai op de Westkust van Krafto waargenomen graftombe. Nippon VII, pag. 217, Atlas, Tab. XXII, fig. 15. De grafsteden hebben zeer veel overeenkomst met die van eenige Amerikaansche volksstammen, te weten de Dacotaks en Chippewas. Ook bij deze worden de lijken 12 tot 16 maanden lang in zerken, van planken en berkenbast vervaardigd en die op palen rusten, bewaard, voordat dezelve begraven worden. Gedurende deze tentoonstelling worden spijs en drank aan de zielen van de overledenen geofferd en wapenen en andere kostbaarheden bijgezet.

[137] Jeso-ki, ou Description de l’île d’Ieso etc., par l’interprète Kannemon; in Malte-Brun’s Annales des voyages, etc. Tom. XXIV, pag. 147.

[138] Nippon, VIII, pag. 214.

[139] De Aino’s dragen alle lasten op den rug, door middel van een band of riem die over het voorhoofd loopt. Deze gewoonte van kindsbeen af aan gevolgd moet aan het voorhoofdsbeen (Os frontalis) eene onnatuurlijke rigting geven en hetzelve naar achteren drukken, waardoor zich dan ook hun voorhoofd kenmerkt. Vergel. Nippon VII. Atlas Tab. XVI, waar de wijze hoe de Aino’s hunne wapenen dragen vertoond is.

[140] Nippon l. c. Tab. XVI. XX. von Krusenstern, Reise. Atlas no. LXXVI.

[141] Vergelijke Nippon l. c. Tab. XVIII. von Krusenstern, l. c. No. LXXX.

[142] Von Krusenstern l. c. No. LXXVI. Nippon l. c. Tab. XVI.

[143] Nippon l. c. Tab. XVI.

[144] Het zijn de bovenvermelde Inao; Overigens wordt bij hen de beer in eere gehouden en deshalven ook genoemd Hokjok Kamui (Kamui, Japansch Kami God). Zij voeden evenwel de jonge beeren op met de bedoeling ze aan hunne Beschermgoden op te offeren en tevens bij het offerfeest te eeten. Vergelijk Nippon l. c. pag. 203, 219. Tab. XVII, waar het Beerenfeest Omsia vertoond wordt.

[145] Deze worden van den bast van eenen boom, Ats’ni genoemd, waarschijnlijk eene soort van Broussonetia, vervaardigd. Vergel. Nippon, l. c., pag. 209. Tab. XVII.

[146] Nippon, l. c. pag. 210. Tab. XXI, fig. 6, 7, 8.

[147] Nippon, l. c. Tab. XVI, XVII, XVIII.

[148] Van zulke eene in haar soort kostbare halsketting met versierselen van geel koper werd ons eene teekening medegedeeld. Nippon, l. c., Tab. XXI, fig. 4.

[149] Nippon, l. c., pag. 210-211. Tab. XXII, fig. 1-5.

[150] Nippon, l. c. Tab. XVI.

[151] Vergelijke Nippon, l. c. pag. 213. Tab. XXIII, fig. 1, 2, 3.

[152] Nippon, l. c. Tab. XXII, fig. 7.

[153] Deze knipbogen, die zeer zinrijk uitgedacht zijn, vindt men ook te Japan in gebruik en worden Hana wake genoemd.

[154] Nippon, l. c. pag. 173.

[155] Vergelijk Nippon l. c. pag. 221.

[156] Nippon l. c. pag. 222.

[157] Nippon, l. c. bl. 182.

[158] Voyage de Lapérouse, Tom. III, pag. 40.

[159] Von Krusenstern’s Reise um die Welt, Band II, pag. 80.


DE TAAL DER AINO’S.

De weinige reizigers, die, voor de opening van den haven Hakodate, de Aino-landen bezocht hebben, hebben ons telkens eene verzameling van woorden, uit den mond van dat[382] merkwaardige volk overgenomen, medegebragt[160]. Met uitzondering van de verzameling, die Dawidow van zijne expeditie naar de baai van Aniwa, in 1807, medegebragt heeft, en die hoogstwaarschijnlijk door een Japanner zamengesteld was, hebben de overige op zich zelven weinig taalkundige waarde. De Japanners daarentegen, die sedert eenige eeuwen met de inboorlingen van Jezo verkeeren, met hen handel drijven en over hen heerschen, hebben zich allengs meer grondig met hunne taal bekend gemaakt en woordenboeken zamengesteld, waarbij zij de uitspraak der woorden door hun syllaben-schrift (het zoogenaamde I-ro-ha) zoo getrouw als mogelijk weder te geven en vast te stellen zochten[161]. Op deze wijze hebben zij door middel van schrift aan den menigvuldigen klank en de wisselvallige betooning, die de woorden door den tongval van ver uitgebreide en ongeletterde volken ondergaan, paal en perk gesteld en den grondslag tot eene schrifttaal gelegd. Ofschoon zich de Aino-taal door den gemeenzamen omgang met een beschaafd[383] volk veredeld heeft, zoo bleef dezelve echter haar oorspronkelijk karakter behouden en kenmerkt zich als eene eigenaardige en zelfstandige taal, die met geene van de naburige landen eenige overeenkomst heeft voor zoo verre de wortelen der woorden betreft. Dat eenige vreemde woorden van de noordwestelijke en noordelijke volken (Samojeden, Tungusen en Kamtschadalen), waarmede de Aino’s in aanraking kwamen, van lieverlede in hunne taal ingeslopen zijn, is niet te ontkennen, zoo als door hen ook verscheiden Japansche woorden overgenomen zijn, om daarmede hun voorheen onbekende voorwerpen en begrippen aan te duiden. De Aino-taal, even als ook deze volkstam, staat afgezonderd van alle tot nu toe bekende van het Noordoostelijk Azië daar; de algemeene regels echter, waarna zich de rededeelen verbuigen en vervoegen, stemmen met die van hunne zuidelijke, noordelijke en westelijke naburen, die hunne taal door middel van syllaben-schrift (zoo als: de Mantschou’s, Mongolen, Tubetanen, Jakuten enz.) en niet met een woorden-schrift, teekens van woorden (zoo als de Chinezen), schrijven, overeen.

Het zal hier voldoende zijn, de algemeene, wetgevende grammaticale beginselen aan te halen en door voorbeelden op te helderen, die de Aino-taal met de Japansche en dus met andere Oost-Asiatische en ook Amerikaansche talen gemeen heeft, en die aan dezelve, alhoewel zij zich als van eenen zeer ouden oorsprong kenmerkt, eene plaats in het verbond der volken aanwijzen, welke zich later den weg van de oude naar de nieuwe wereld gebaand hebben.

1. De woorden van beide talen zijn zelden uit eene, meestal uit twee lettergrepen zamengesteld:

Japansch. Kono-aïta okï-kata ottosewo tatsuneta.
Aino. Ofunaki atuï-ta uneu is’tan.
  Nuper in mare phocam quaesivi.

2. De zelfstandige naamwoorden zijn zonder geslacht, worden menigvuldiger in het enkelvoudige dan in het meervoudige gebruikt; in het laatstgemeld getal worden de woorden[384] herhaald of van eenige bijvoeging voorzien; de naamvallen worden meestal door eene particula, aan het einde der woorden gevoegd, gevormd; de tweede naamval of genitivus gaat altijd vooraf.

Jap. Ame, coelum; fito, homo; fito-fito, homines; fito-koto i. e. homo quivis; fito-ga, homo; fito-no, hominis; fito-ni, homini; fito-wo, hominem; fito-jori, ab homine; fi-no fikari, solis radius.

Aino. Rikita, coelum; guru, homo, guru obitta, homines omnes, guru-koro, hominis; guru-ta, homini; guru-ne (vel be), hominem; guru-kari, ab homine; imuschi nits’, gladii capulum.

3. De bijvoegelijke naamwoorden staan voor de zelfstandige; zij maken den vergelijkenden trap door het aanhangen eener particula aan het einde van het naamwoord of het voornaamwoord, beteekenende in het Japansch van, in de Aino-taal beter dan; den overtreffenden trap door het voorzetten van zekere particula, beteekende even veel als het bijwoord zeer.

Jap. Utsukusi onago, pulchra foemina; kono ki-wa kono kusa-jori futoï, hic arbor hac herba maior; fusino jama ga itsi takaï, mons fusi perquam altus.

Aino. Iramasiure matsi, pulchra foemina; tanbe kak’, hac re melius; rui sûnatara, perquam fortis; poro biruka fùra, valde gratus odor.

4. De telwoorden een tot tien zijn, als grondgetallen, in het Japansch oorspronkelijke woorden, doch in de Aino-taal maar een tot acht, ook twintig en in het oude Japansch honderd; zij worden door particulae verbonden, die de beteekenis hebben van en, nogmaals of meer, ook weiniger.

Jap. Fitots’, 1; f’tats’, 2; mits’, 3; jots’, 4; itsuts’, 5; muts’, 6; nanats’, 7; jats’, 8; kokonots’, 9; tô (towo), 10; hatats’, 20; momo, 100; tô mata (atque iterum) fitots’, 11; tô mata f’tats’, 12; hatats’ mata itsuts’, 25; mu-sozi, 60.

Aino. Sinepp, 1; tupp, 2; repp, 3; inepp, 4; asikinepp,[385] 5; iwanbe, 6; aruwanbe, 7; thupe sjanbe, 8; (ex tupp et sjan; forsan pro i wanbe i. e. minus decem); sineb sjan, 9 (ex sinepp et sjan); wanbe 10; hots’ 20; asikinepp-hots’, 100; (i. e. 5. 20); sinepp ikasima (plus, verbatim: restat) wambe, 11; tupp ikasima wanbe, 12; sinepp ikasima hots’, 21; tuppots’, (ex tupp et hots’) 40; wanbe i rehots’, 50; (3. 20 - 10).

5. De voornaamwoorden. De persoonlijke zijn een- of meerlettergrepige woorden en naar den rang verschillende (teeken van fijner zeden); de derde persoon wordt omschreven. De bezittelijke worden door het aanhangen der uitgang van den genitivus gemaakt en staan altijd voor het zelfstandig naamwoord.

Jap. Watak’s sive ware, ego; omaë sive anata, tu; kare sive ano fito (iste homo) ille; watak’s domo sive warera, nos; omaë gata sive anata gata, vos; karera sive ano fito tats’, illi; watak’s’no, meus; anata no, tuus; ano fito no, illius; watak’s’no atama, mei caput.

Aino. Ku, kuani, ego; e, iani, tu; iki sja an gur’ (ex iki sja, illinc, an, esse et guru, homo) ille; tsjô kaï (i. e. hac parte), ego; i tsjô kaï (i. e. ex illa parte) tu; ku-koro, meus; i-koro, tuus; iki sja an gur’, illius, vel, tangur, huius. I Koro kotan, meum domicilium, tan gur’tsise, huius hominis domus.

6. De werkwoorden. De bedrijvende hebben drie tijden, door verandering van den uitgang gemaakt: a. een tegenwoordige, in het Japansch met den uitgang u, in de Aino-taal an, ki, re, u; b. een verledene, meestal met den uitgang a; c. een toekomende tijd of een potentialis, in het Japansch door eene verlenging van den tegenwoordigen tijd, in de Aino-taal door eene aangehangen particula gevormd. De lijdende werkwoorden hebben insgelijks drie tijden door verlenging der uitgangen gemaakt, die in de Aino-taal lijdelijke hulpwoorden schijnen te zijn. De gebiedende onderscheidt zich door kortheid des uitgangs. De onbepaalde wijze is gelijk aan het Praesens Indicativi; in de Aino-taal staat dikwijls daarvoor[386] eene particula naar een voornaamwoord gelijkende. De verbiedende wijze wordt gemaakt door achtervoeging van de particula, die dezelve regeert. De negatiën (ontkenningen) worden in het Japansch aan het einde der werkwoorden aangehangen en veroorzaken dikwijls eene verandering in de vervoeging, in de Aino-taal worden de ontkenningen door de particula niet beteekent. Aan de tijden worden partikels ter aanduiding der deelwoorden aangehangen. Hulpwerkwoorden worden bij de vervoeging der werkwoorden gebruikt en hebben dezelfde vervoeging als andere werkwoorden; de onpersoonlijke werkwoorden komen zelden voor en de bij ons gebruikelijke worden omschreven.

Jap. Utsu, verbero; utsita, verberavi; utsou, verberabo; utaruru, verberor; utareta, verberatus; utareu, verberabor; utside, verberans; utse, verbera; utareta, verberate; utsu, verberare; watak’s’ga sorewo miru joni, ut id ipse videam; utanu, non verbero; utanu te atta, non verberavi; utareru, non verberor; utareru te atta, non verberatus sum; aru, esse; arita, fui; arô, ero; ame-ga furu, pluit (verbatim pluvia decedit). Kaminari-ga nari, intonat. (Deus fulminans adest.)

Aino. Sitaiki, verbero; sitaiki wa, verberavi; sitaiki rusjui, verberabo; sitaiki aniki, verberor; sitaiki ank’wa, verberatus sum; sitai anki annan gora, verberabor; I(tu) sitaiki, verbera; kakure, veni, i sitaiki anki, verberare; rura-jan, ut sequatur; unono s’jomo an, non congruit (verbatim congruum non est); anats’, habens; asinike wa, existens; an, habere, esse; anna, fui; an nan koro, fuero; asi, factum est. Apto asi, pluit (verbatim pluvia facta est). Kamui fumi, intonat (verb. Deus sonat).

7. De voorzetsels en een oogmerk aanduidende en reden gevende voegwoorden staan aan het einde der woorden, op welke zij betrekking hebben, zonder eene verandering in dezelve te veroorzaken.

Jap. Ni, ad; to, cum; niiote, quia; jôni, ut; jokka[387] maëni watak’swa desi to jama ni juita, quatuor ante dies cum discipulo montem ascendi.

Aino. Ani, cum; kusju, propter; jakka, quamvis; tanbe kusju, propter hanc rem; tsib ani, cum nave; atui kata, in mare.


[160] Lapérouse, Tom. III, pag. 40. Broughton, Tom. I, pag. 390. Von Langsdorf, Theil I, pag. 300. Von Krusenstern, Wörtersammlung aus der Sprache der Aino (nach Dawidow). St. Petersburg. 1813.

[161] De meergenoemde Mogami Toknai heeft in 1804 een Aino-woordenboek door den druk uitgegeven, onder den naam van: Jezo-Fôgen of Mosiho Kusa, en ons daarvan een verbeterd handschrift: Jezo ga sima Kotoba, d. i.: „Taal van het eiland Jezo,” medegedeeld. Buitendien hebben wij nog verscheidene handschriftelijke woordenverzamelingen door Japanners, die op Jezo waren, verkregen. Vergelijk: Nippon, VII, Nachrichten über Jezo, die Kurilen, Krafto und das Amurland, pag. 224-244. „;Die Aino-Sprache.” Ook heeft onze verdienstelijke landgenoot Isaac Titsingh (in de jaren 1780-1784 Opperhoofd van den Nederlandschen handel op Japan,) eene verzameling van ruim honderd Aino-woorden, bij zijne uit oorspronkelijke Japansche boeken zamengestelde beschrijving van het land van Jesso, gevoegd, mede naar het vaderland overgebragt. Descriptions de la terre Jesso, traduites du Japonais, par feu M. Titsingh, in: Annales des Voyages, par Malte-Brun. Tom. XXIV, pag. 145.


AINO-GESPREKKEN.

Eenige Aino-Gesprekken mogen tot voorbeeld van de woordvoeging en de spreekwijze dienen:

Ikoro kotan siri monosiri anna?

Gaat het wel te huis?

Ofunaki atui-kata reba uneu istan.

Onlangs op zee varende heb ik zeehonden gevangen.

Tsibû ani rurajan itasja bunma tutara atte nankonna.

Zend dit met het schip, ik zal u ter belooning twee zakken (rijst) geven.

Hosike onumani tan kotanta heroki athuwa.

Eergisteren hebben zich hier visschen opgehouden.

Keannak’ hauki an koratsi an?

Is het zoo als gij zegt?

Sinanta uwekariwa bunkine rejan.

Komt hier te zamen om wacht te houden.

Tewun sisjamu anakine asijur asi rutske askaï nêna.

De man, die hier moet wacht doen, zal eene groote belooning vragen.

Osi sireba kusju sjomo osjaganke jakka pirikana.

Daar hij komt, heeft men hem niet te roepen.

Tan ithuikari bajasi aiine nekona kotan ana?

Dezen hoek volgend, aan welke plaats komt men?

Kamui juwanke tsib’ jankena.

Met God’s hulp wordt het schip behouden.

Ohono sjomo unukara.

Lang niet gezien.[388]

Wene kappirika ariiamande tsumi itsikore nangonna.

Wie kwaad doet wordt gestraft.

Pirika guni kurumu an.

Het zal zoo wel goed zijn.

Ponno osite tsimi anbe ama.

Wacht maar, ik kleed mij.

Teirean gusitapf nani afunkeja.

Ik verwacht u, kom binnen.

Nefutsi jokibene sjanke nankoro tasju kamitatsi sinetara sjôkoru.

Wanneer het goede waar is, geef ik er eenen zak rijst voor.

Uteke anbano uhihibai sen.

Zich de hand gevend volgt de een den ander.

Nepu karukuse jaibasjare.

Waartoe maakt gij twist?

Mokoroi kottetsu uwatasi.

Daar ik rusten wil, zijt stil.

Ramukanbare tsiriusi.

Dat is breeder dan men denkt.

Iteke jaibaro usi.

Niets onnoodig spreken.


VERZAMELING VAN AINO-WOORDEN.

Wij laten eene keuze van Aino-woorden volgen, met de bedoeling om zoo wel door taalkundige oorkonden eene aanwijzing te geven tot het opzoeken der sporen van de afkomst van dat merkwaardige oude volk, als ook aan zeevaarders en reizigers de gelegenheid te verschaffen tot een nader onderzoek van deze nog zoo weinig bekende taal. Daarbij hebben[389] wij tevens de beteekenis der Aino-woorden in het Japansch gevoegd, zoo als die ons door de Japanners, die zich op de Aino-taal hebben toegelegd, zijn medegedeeld geworden. De Aino-woorden van Jezo hebben wij meestal uit Toknai’s Woordenboek, en die van Krafto uit Dawidow’s en Lapérouse’s Woordenverzameling overgenomen.

NOMINA.
1. DE WERELD EN DE ELEMENTEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Aardbeving naï (dsisin) siri sjumui schiri moi
Aarde tsi sirika  
Aardrijk tsutsi toi toi tui
Avond joi sirionuma unumani
Beek sawa naï  
Berg jama kimita, kimro kinda
Bliksem ina fikari kamui ne beke kamoinibiki
Dag akiraka siribekere schiribegere
Deze dag kon nitsi tantoo tan too
Dampkring sora nisoro  
Daauw tsuju munbe muni wakka
Donder kami nari kamui fumi kanna kamoi fumi
Ebbe sihohi sirari sjats  
Eiland sima mosiri muschiri
Erts kane kani gani
Golf tadenami kaibe kui
Hagel arare kaukau kaukaubass
Hemel ama rikita ni schi uro?
Herfst aki tsjuk  
Heuvel nobori nuburi noburi
Hitte atsusa sirippuke schischikf
Klip se rakka  
Koude samuki (kan) mei  
Lente haru baikaru paigara
Licht[390] fikari heriats  
Lucht ki pâriri  
Maand tsuki kunne tsupp tombi, tschukf
Mist kiri ûrari urariaz, urai, urari
Meer midsu umi to
Morgen asa nisjats nischatzu
Morgenschemering akatsuki toobeker schiri-bekere
Nacht jo antsikara anzkari
Deze nacht konban onuman  
Oever fama kosju rauda
Regen ame apto apftu
Regenboog nizi rawots rajots’
Rook kemuri sibuja schibuia
Rots iwa watara  
Schaduw fikage tsjupke tschukuriu
Sneeuw juki ubas, ubaschi obas, obass
Steen isi s’juma schioma
Ster hosi keta, notsju, nodschu keda, nodsi
Stroom kaha bets bez
Veld no nupuka nupka
Vloed misi siho sirarihaa  
Voorgebergte saki siri ithu schiri ido
Vuur fi abe, unszi abe, undshi
Water midsu wakka, be, hakka waka, wachka
Wereld se kai bekere sjam begiri schiam
Wind kaze reira rera, dirra
Winter fuju mata madapa
Wolken kumo nisi, nisikuri nischi kuri
IJs kohori junru  
Zand suna ota oda
Zee umi atui adui
Zomer natsu sjaku schakpa
Zon fi bekere tsupp, tonotschu tschukf kamoi
Zout siho sipo schippo
[391]
2. DIEREN EN PLANTEN EN HUNNE DEELEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Baast kino kawa niga fukar’ nii kapu
Beenderen hone bone poné
Beer kuma hokujuk’ chugujukf
Blad fa hamu chamu
Bloem hana ebui ibuiki
Bloed tsi kem’, kemi kim
Bosch hajasi teigur  
Dier ketamono kimo tsup  
Ei tamako noki, nuki zkapf nuki
Hart jani unkotok’  
Hond inu seta, sita, cheta scheda
Hoorn tsuno kirau  
Hout ki, ita tsikuni, ita, ta ziguni, ida
Houtskool sumi pasipasi pas
Huid kawa kabu kapu
Kruid kusa kina  
Ligchaam karada netobake  
Luis sirami uruki, kii uriki
Lijf mi netobake nidobaki
Man wotoko okkai okkai
Mannetje wo binne  
Melk tsitsinosiru tôbe
Mensch hito sisjam, aino guru
Olie abura sjumu  
Ongedierte musi kikiri kigiri
Schildpad kame itsinke  
Slang hebi tokko (kamoi) toko kamoi
Traan kusirano abura funbei funbikii
Vet abura (niku) ke kiribe kiü
Visch uwo tsep’ tsep’ zepf
Vleesch nik kam kam
Vlieg hai, apu fitsurube hitsûrup
Vloo[392] nomi taike taigi
Vogel tori tsikapp tzkapf
Vogeltje kotori tsiri  
Vrucht mi ebuike ibuiki
Wijf wonna menoko (jap.) minoko
Wijfje me matsne  
Wortel ne kuberikep, sinsits schyndshiz
3. HET LIGCHAAM EN DE LEDEMATEN.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Aangezigt kaho nanu nanu
Baard kutsihige reki rigi
Borst mune terar  
Borsten tsitsi tôkab to
Buik hara honi chuni
Cunnus tsubi pogi (hokki)  
Darm tai tjô kankam  
Hals kubi rekuts regut
Hand te teke, teki tegi, tiké
Hart kokoro sjanbe, sampêh schambi
Hoofd atama bake schaba
Hoofdhaar kaminoke ottobe, numa schaba numa
Huid hadaje nuwom’kumukasike  
Lip kutsibiru hatoje, tsjamon  
Mond kutsi baru, tsjaro paru
Nagel tsume am, ami  
Navel hoso hankapui changubui
Neus hana ethû, ito idu
Oog me siki schiki
Oor mimi kisijara kischara
Penis mara tsii, tsije  
Rug senaka sethuru scheduru
Staart wo isi  
Tand[393] ha imaki, jumaki nimaki
Tong sita be barunbe barumbi au
Vinger jubi asikibette askibitz
Vleugel hakae rafu  
Voet asi kema kima
4. FAMILIE, GEZELSCHAP.
  Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
Arm mensch matsusiki fito helon gur schirun guru
Boosdoener aku nin ujen gur uwen
Boosheid aku sin ramunisite  
Broeder, oudste ani jûbi jubu
»jongste wototo iriwaki, aki aki
Deelgenoot tsure utare  
Dief nusu hito inuga guru ikka guru
Dienaar kattsju kojantono  
Dochter menoko matsihebo mazenebu
Echtgenoot otto hoku chogu
Echtgenoote tsuma matsi maz, mati
Familie sin rui awa  
Grootmoeder baba sjunsti, hakko  
Grootvader zizi ikasi, sasa chambi
Kind kotomo bô, boho po
Kleinzoon mago sitsupopo, imitsubon  
Koopman akindo ihoksiam egokfschamo
Landman fijak’sjo toitasisiamo  
Landsheer, (Vorst) kami mosiri kamoi  
Lieden, oude tosi jori hekai chigoi
»jonge wakai hekats, uben, beure