Project Gutenberg's Oudheid en Middeleeuwen, by A. Nuiver and O. J. Reinders

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Oudheid en Middeleeuwen
       Verhalen en schetsen

Author: A. Nuiver
        O. J. Reinders

Release Date: September 11, 2009 [EBook #29960]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUDHEID EN MIDDELEEUWEN ***




Produced by Jeroen van Luin, Peter Klumper and the Online
Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net






OUDHEID EN MIDDELEEUWEN.

VERHALEN EN SCHETSEN

VOOR DE

HOOGSTE KLASSE DER VOLKSSCHOOL,

DOOR

A. NUIVER en O. J. REINDERS,

Hoofdonderwijzers te Groningen en te Nieuwe Schans.

TWEEDE DRUK. DE GRONINGEN, BIJ J. B. WOLTERS, 1875. Gedrukt bij M. de Waal te Groningen.

VOORBERICHT.

Slechts met enkele woorden willen we dit boekje bij het publiek inleiden. Met deze "Oudheid en Middeleeuwen" is de reeks van schoolboeken over de geschiedenis gesloten, die we in het voorbericht der "Nieuwe Geschiedenis" beloofden. We verwijzen voorts ieder naar dat voorbericht, die iets van onze denkbeelden over het onderwijs in de geschiedenis op de lagereschool wenscht te weten.

Ten einde dit hoekje meer te doen beantwoorden aan den aard onzer lagereschool, hebben we de opstellen over 't geheel wat kleiner van omvang gemaakt, dan het geval is in de "Nieuwe Geschiedenis." We hopen dat dit boekje een even gunstig onthaal vinde als de vorige.

18 April '73.

Bij den tweeden druk hebben we enkel te melden, dat we dit werkje zooveel mogelijk van misstellingen hebben gezuiverd.

8 Nov. '74.


INLEIDING.

Door Algemeene Geschiedenis verstaat men een aaneengeschakeld verhaal van de belangrijkste gebeurtenissen, die er op aarde sedert de vroegste tijden hebben plaats gehad.

Eene gebeurtenis noemt men belangrijk, wanneer zij een grooten invloed uitoefent op de ontwikkeling en beschaving der menschen.

Wijl het veld der Algemeene Geschiedenis verbazend uitgebreid is, heeft men het in drie (soms ook vier) hoofddeelen en deze ieder afzonderlijk weder in tijdvakken verdeeld. Die hoofddeelen zijn:

1. de Oude Geschiedenis. Zij begint met de geschiedenis van de vroegste tijden en loopt tot den ondergang van het West-Romeinsche rijk (476 n. C.). In deze geschiedenis is sprake van de zoogenoemde Oostersche volken, (Perzen, Phoeniciërs, Israëlieten, Aegyptenaren enz.) van de Grieken en de Romeinen.

2. de Middeleeuwen. Deze loopen van den ondergang van 't W. Romeinsche rijk tot de ontdekking van Amerika of tot de Hervorming. (476 tot 1492 of 1517). De Germaansche volken spelen in de Middeleeuwen de hoofdrol, evenals in

3. de Nieuwe Geschiedenis. Zij bevat het verhaal van de gebeurtenissen, die sedert de ontdekking van Amerika tot op onzen tijd hebben plaats gehad. (1492 tot heden).

De Oude Geschiedenis wordt door sommigen weer verdeeld in de volgende 4 tijdvakken:

a. van de vroegste tijden tot Cyrus of tot ± 550 v. C.

b. van Cyrus tot Alexander den Grooten (550 v. C. tot ± 330 v. C.).

c. van Alexander tot Augustus (330 v. C. tot ± 30 v. C.).

d. van Augustus tot den ondergang van 't Romeinsche rijk in 't Westen (30 v. C. tot 476 n. C.).

De Middeleeuwen verdeelt men ook in 4 tijdvakken:

a. van den ondergang van 't West-Romeinsche rijk tot het verdrag van Verdun (476 n. C. tot 843).

b. van 't verdrag van Verdun tot het begin der kruistochten (843 tot 1096).

c. van 't begin tot 't einde der kruistochten (1096 tot 1291).

d. van 't einde der kruistochten tot de ontdekking van Amerika (1291 tot 1492).

De Nieuwe Geschiedenis wordt in de 3 volgende tijdvakken verdeeld:

a. van de ontdekking van Amerika tot den Westphaalschen vrede (1492 tot 1648).

b. van den Westphaalschen vrede tot de Fransche revolutie (1648 tot 1789).

c. van de Fransche revolutie tot heden (1789 tot 1875).

Tot recht verstand van de gebeurtenissen dient men niet alleen te weten, dat en hoe ze hebben plaats gehad, maar ook wanneer en waar ze zijn voorgevallen. Vandaar heeft de geschiedenis twee hulpwetenschappen in de aardrijkskunde (geografie) en de tijdrekenkunde (chronologie).

De beschaafde volken van onzen tijd tellen hunne jaren vóór en na Christus, den stichter der Christelijke Kerk.

De oudste geschiedenis der volken is zeer onzeker en fabelachtig; men kende toen de schrijfkunst nog niet, en in plaats van zekere berichten had men slechts de overlevering of het verhaal van mond tot mond. Vandaar komt het ook, dat wij van de eerste menschen weinig of geene berichten bezitten.


1. EEN MERKWAARDIG VOLK.

Gaat eens voor een oogenblik heel, heel ver met mij in den tijd terug. Zoo'n 4000 à 5000 jaren ongeveer; 't komt niet op een honderd jaar aan. Laat uwe verbeelding nu nog eene koene vlucht nemen over de Middellandsche zee naar den Noordoostelijken hoek van Afrika, en we zijn waar we wezen willen n.l. in Aegypte. Een wonderlijk schouwspel vertoont zich aan ons oog. We zien geen land maar eene groote zee, waarboven zich talrijke steden, dorpen en alleenstaande gebouwen verheffen. We zijn al dadelijk geneigd, 't land en voornamelijk de inwoners te beklagen, die zooveel van 't water hebben te lijden. Ons medelijden is echter misplaatst. Wat wij een ramp achten, wordt hier als een zegen beschouwd en met verlangen tegemoet gezien. Dit wordt ons duidelijk, wanneer we slechts geduld hebben. Zie, 't water zakt, wel langzaam maar toch merkbaar. Steeds meer land wordt er zichtbaar en eindelijk ontwaren wij een uitgestrekt dal, waardoor eene breede en majestueuse rivier hare wateren stuwt, met tal van steden en dorpen aan hare oevers.

Eene dikke laag slib heeft de rivier overal, waar zij buiten hare oevers is getreden, achtergelaten. Daarin wordt nu het zaaizaad geworpen, en in ongelooflijk korten tijd zien we het ontkiemen, tot rijpheid komen en een oogst leveren, waarvan we in onze streken geen denkbeeld hebben.

't Behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de Aegyptenaren den zegenbrengenden Nijl (zoo heet de rivier), als het beeld der vruchtbaarheid, goddelijke eer bewijzen!

Nu zijn we ook in staat volk en land beter te kunnen waarnemen, en we merken dadelijk, dat beiden al even merkwaardig zijn. 't Volk moet het in kunsten en wetenschappen al vrij ver gebracht hebben. Dat getuigen de dijken en kanalen, aangelegd en gegraven om van de vruchtbaarmakende overstrooming, die jaarlijks van 't einde van Juli tot het laatst van October duurt, zooveel mogelijk partij te trekken.

Dat zeggen ons de prachtige en groote steden als Memphis en Thebe, dat ook de menigte groote gebouwen en beeldhouwwerken, dat de uitmuntende wijze, waarop het land bebouwd wordt. Onder de bouwwerken vallen ons dadelijk steenbrokken in 't oog, die den vorm hebben van eene kolossale vierzijdige pyramide. Maar wat een gevaarte! De dom van Straatsburg met toren en al, benevens nog eenige kleine kerken, zouden er met gemak in geborgen kunnen worden.

Aan die groote dáár hebben dan ook 100,000 menschen niet minder dan 40 jaren lang gearbeid. Waartoe ze dienen die geweldige steenmassa's? Ja, ge zoudt het misschien niet willen gelooven en toch is het zoo—tot begraafplaatsen voor de koningen. 't Is trouwens alles kolossaal, wat we hier zien. Kolossaal zijn de tempels, die zalen hebben, waarin eene vrij groote kerk met gemak zoude geplaatst kunnen worden. Kolossaal zijn de paleizen, waaronder één (het Labyrinth) niet minder dan 3000 zalen heeft. Kolossaal zijn de obelisken, hooge, slanke, vierzijdige zuilen van boven spits toeloopende, meest uit een stuk graniet gehouwen. Kolossaal zijn de sphinxen, steenen beelden, het lichaam van een' leeuw met het hoofd eener vrouw voorstellende.

Op al die bouwwerken bemerken wij eene menigte zonderlinge figuren. Dat is het schrift der Aegyptenaren; het bestaat niet uit letters maar uit teekens. 't Is ons onmogelijk dit hiëroglypenschrift (zoo heet het) te ontcijferen. Knappe menschen is het echter na zeer veel inspanning gelukt, en nu zij ons daardoor veel merkwaardigs over de zeden en gewoonten, over den godsdienst en de geschiedenis der Aegyptenaars kunnen mededeelen, willen wij onze denkbeeldige reis staken en liever van hen vernemen, wat zij al door dat schrift en door de verhalen der Grieksche schrijvers zijn gewaar geworden.

De oude Aegyptenaren waren een ernstig, godsdienstig volk, slaafs onderdanig aan hun' koning of Pharao (zoon der zon), dien zij bijna als een god vereerden. 't Volk was in kasten verdeeld, waaronder de priesterkaste de voornaamste was. Deze laatste bevatte niet alleen die lieden, welke den godsdienst regelden, maar ook de geneesheeren, de sterrenwichelaars, de bouwmeesters, kortom, alles wat maar geleerd mocht heeten. Naast deze was de aanzienlijkste kaste die der krijgslieden. Uit deze werd de koning gekozen, maar bij de aanvaarding zijner regeering moest hij ook in de priesterkaste worden opgenomen. Overigens had men nog de kaste der landbouwers, die der kooplieden, der schippers en der herders; de laagste en meest verachte was die der zwijnenhoeders. Dit kastenstelsel belemmerde alle vrije ontwikkeling, daar de zoon in de kaste zijns vaders moest blijven.

De godsdienst speelde bij de oude Aegyptenaren eene groote rol. Daaraan was al hun denken en werken gewijd. De Aegyptenaren hadden een' natuurgodsdienst. Zij vereerden de weldoende krachten der natuur, het vuur, het licht, het water, de zon, den hemel enz. Deze alle stelden zij in den vorm van personen of dieren voor, welke in verschillende streken des lands ook verschillende namen droegen. Vele dieren werden door de Aegyptenaren als heilig beschouwd. Daartoe behoorde in de eerste plaats de stier Apis, die geheel zwart moest zijn, behalve eene witte plek van bepaalden vorm op den rug. Zulk een beest genoot eene buitengewone vereering: algemeene rouw gedurende 70 dagen, wanneer hij stierf; algemeene vreugdefeesten, wanneer men zoo gelukkig was weder zulk een zeldzaam exemplaar machtig te worden. Ook de ibis, de hond, de kat, ja zelfs de hoogst gevaarlijke krokodil werden voor heilig gehouden en als godheden vereerd. Wee dengene, die het waagde, een dezer dieren te dooden of te beleedigen. Bijzonder veel zorg wijdden de Aegyptenaars aan hunne dooden. Zij begroeven ze niet, zooals wij onze lijken doen, maar balsemden ze, en dat zóó kunstig, dat ze honderden, ja duizenden jaren bewaard konden blijven, voor ze tot verrotting overgingen. Zoo heeft men in verschillende museums van oudheden nog goed bewaarde mummiën der Aegyptenaren. Waren de lijken gebalsemd, dan werden ze in steenen kisten gelegd en in de onderaardsche gangen der doodenstad bijgezet. Eens (zoo meenden de Aegyptenaren) zou de ziel, na in verschillende dieren gehuisd te hebben, zijn voormalig stoffelijk hulsel weder betrekken. Vandaar die buitengewone zorg. De koningen kregen als heel bijzondere wezens, ook bijzondere begraafplaatsen. Eene dikwijls 600 tot 700 voet hooge pyramide diende hun tot grafzerk. Toch was het niet iedereen gegund, eene plechtige begrafenis te erlangen. Wanneer iemand stierf, kwamen de doodenrechters te zamen en hielden gericht over den doode. Was er nu meer goeds dan kwaads van den gestorvene te zeggen, dan werd hem eene eervolle begrafenis toegekend, zoo niet, dan werd die geweigerd. En hiervan was niemand uitgesloten—zelfs de koning niet.

Langen tijd was dit merkwaardig land bijna ontoegankelijk voor vreemdelingen, totdat een zeker koning, Psammetichus, zijn rijk voor de Grieken openzette.

We willen ons niet verdiepen in de dikwijls vrij wat fabelachtige en onzekere geschiedenis van Aegypte. Alleen stippen we aan, dat het rijk, na een zeer langdurig bestaan, waarin het dan eens tot groote macht kwam, dan weer de prooi van roofzuchtige horden werd, eerst een deel werd van het Perzische rijk, daarna veroverd werd door Alexander den Grooten en eindelijk in de macht kwam van de Romeinen.


2. EEN BEZOEK TE BABYLON.

In oude tijden lag aan de oevers van den Euphraat eene zeer merkwaardige, groote stad, Babylon genaamd. Deze stad is reeds lang van de aarde verdwenen, maar toch is er ons door oude schrijvers en geleerde mannen, die de opschriften van de bouwvallen met veel moeite hebben ontcijferd, zooveel verhaald, dat wij ons wel eenigszins kunnen voorstellen, hoe zij er vroeger moet uitgezien hebben, en hoe de bewoners leefden en werkten. Daarom willen we maar weer de stoute schoenen aantrekken, met onze gedachten een paar duizend jaar teruggaan en ons in Babylon verplaatsen.

We treffen in de omstreken dezer stad eenen vruchtbaren bodem aan; de rivier de Euphraat is hier even als de Nijl in Aegypte, de groote zegenaanbrenger. We staan dan ook verbaasd over de weelderige gewassen, de heerlijke granen, de prachtige palmbosschen. En dat de bewoners die vruchtbaarheid tot hun voordeel weten aan te wenden, bewijzen de met zorg bewerkte akkers, de zware dijken, de afwateringskanalen en sluizen.

Blijkt uit dit alles, dat de inwoners met vlijt den landbouw beoefenen; wij merken tevens, dat de handel hier tot een hoogen trap van bloei gestegen is.

Eene menigte groote en kleine rijkgeladene schepen zien we toch koers zetten naar de wereldstad, terwijl weder andere de voortbrengselen van de Babylonische nijverheid naar andere oorden vervoeren. Karavanen, die de schatten van 't verre Indië met zich voeren, trekken voortdurend de wereldstad binnen. Maar 't wordt tijd, dat we de stad zelve eens nader bekijken. Al dadelijk valt ons haar ontzaggelijke omvang in het oog, een omvang, welke die onzer grootste steden verre overtreft.

De stad vormt een regelmatig vierkant, waarvan iedere zijde bijna 4 uren lang is.

Midden er door heen stroomt de Euphraat, waarover eene prachtige brug gebouwd is. Om de stad bevindt zich een muur van 140 meters hoogte en van zulk eene verbazende breedte, dat daarop twee vierspannen nevens elkander kunnen rijden. Tweehonderd en vijftig torens moeten dienen om dien muur te verdedigen, terwijl honderd poorten met metalen deuren van vijftig el hoogte toegang tot de stad verleenen.

't Is echter eene geheel andere stad, dan onze hedendaagsche steden. Voor en na worden de vrij regelmatige straten afgewisseld met weilanden, waar kudden grazen, met bouwlanden, waar koren groeit, zoodat men zich nu eens in de stad, dan weder op het veld verbeeldt te zijn.

Babylon wordt de stad der paleizen genoemd en te recht. De huizen zijn meest drie of vier verdiepingen hoog en ontzaggelijk ruim en uitgestrekt. Ze zijn meest opgetrokken van tichelsteenen, terwijl het verbindende cement uit asphalt bestaat. Bovendien zijn de muren met eene gipslaag bedekt, waarop eene menigte beelden en spijkerschrift zijn aangebracht.

Twee gebouwen vallen ons echter bijzonder in het oog: de reusachtige koninklijke burcht en de tempel van Bel met zijnen kolossalen toren.

Twee geweldige muren (de buitenste is meer dan twee uren in omtrek) omringen de trotsche burcht, waaraan niets gespaard is, wat rijkdom en kunst kunnen aanbrengen.

Tusschen de muren en het eigenlijke paleis heeft men prachtige tuinen aangelegd, die terrasvormig oploopen en daarom hangende tuinen genoemd worden.

Nog meer indruk maakt echter op ons de tempel van Bel (de god des lichts). Hij bestaat voornamelijk uit eenen zeszijdigen toren van 8 verdiepingen. Zijne hoogte bedraagt 200 el, terwijl ieder der zes zijden ook 200 el lang is. Dat is nog een andere toren, dan die te Straatsburg of te Utrecht, niet waar?

Maar niet alleen de hoogte des torens en zijne reusachtige afmetingen, ook de overvloed van gouden sieraden en beeldhouwwerken verwekt onze bewondering.

In wijde kringen slingert zich eene verbazende trap gelijk eene monsterslang naar de spits van den toren.

Hier en daar vindt men rustbanken, waardoor men in staat is, de reuzenstad in al hare uitgestrektheid te overzien.

Op de bovenste verdieping bevindt zich een groot bed, benevens eene gouden tafel. Op dat bed, zou volgens de priesters, eenmaal de god Bel komen slapen.

Er is hier dus wel wat bijzonders en moois te zien.

Gaan we echter eens het volk na in zijn doen en handelen, dan worden we niet zoo aangenaam aangedaan.

Slaafsche onderworpenheid van het volk ten opzichte van zijn' vorst, die als een god wordt vereerd. Groote zedeloosheid in alle standen; een godsdienst, die bestaat in de walgelijkste en wreedste plechtigheden; bijgeloovigheid in de hoogste mate. Ziedaar wat wij overal aantreffen.

Niet waar, we achten ons gelukkig in ons lieve vaderland en wenschen in geen Babylon te wonen, al is het er nog zoo mooi.


3. EEN GROOT MAN EN EEN ONHANDELBAAR VOLK.

In een klein land, aan de Middellandsche zee gelegen, door de rivier de Jordaan doorstroomd, woonde een volk, dat zich noch door kunstzin onderscheidde, zooals de Babyloniërs, noch groote werken uitvoerde, zooals de Aegyptenaren, noch door veroveringen zich een naam maakte in de wereld. Toch was dat volk merkwaardig, omdat het een zuiverder godsbegrip had dan de andere Oostersche volken. Hadden dezen dikwijls eene groote menigte afgoden, aan wie zij allerlei menschelijke deugden en ondeugden toeschreven: bij de Israëlieten (want dit volk hebben wij op 't oog) bleef het denkbeeld van een eenig, heilig God (Jehova) althans bij het beste deel der natie bewaard.

Van geen volk zijn ons meer berichten geworden dan van dit; het O. T. kan men voor een groot gedeelte eene geschiedenis van het Israëlitische volk noemen. De Israëlieten noemen als hun' stamvader Abraham, een herdersvorst uit het land der Chaldaeën, die van daar vertrok en zich in het tegenwoordige Palestina nederzette. Zijn kleinzoon Jakob (Israël) trok met zijne talrijke familie, door een' hongersnood gedrongen, naar Aegypte, waar zijn zoon Jozef door hoogst merkwaardige en zonderlinge lotgevallen tot onderkoning was verheven.

De gastvrijheid, die Jakob's familie eerst mocht ondervinden, veranderde weldra in eene drukkende slavernij, waaruit zij eindelijk verlost werd door een' man, die in aanleg en ontwikkeling verre boven zijn volk stond, en door zijne wetten den allergrootsten invloed, ook in het vervolg, op de Israëlieten heeft uitgeoefend.

Volgens den Bijbel werd Mozes, in zijne jeugd op wonderbare wijze gered, aan het hof van den Aegyptischen koning opgevoed en in alle wijsheid der Aegyptenaren onderwezen. In weerwil van zijne opvoeding en leefwijze onder de verdrukkers zijner stamgenooten, bleef hij toch met eene vurige liefde voor dezen bezield. Het mocht hem eindelijk gelukken, zijn volk te voeren uit het land der dienstbaarheid, hoewel niet dan na den hardnekkigen tegenstand van den Aegyptischen koning.

Het lievelingsdenkbeeld der Israëlieten, n.l. de in bezitneming van het Beloofde Land, het land, weleer door de aartsvaders bewoond, bleek echter niet zoo gemakkelijk verwezenlijkt te kunnen worden.

De Israëlieten waren door de voortdurende verdrukking een slaafsch, wispelturig en onhandelbaar volk geworden. Bij den minsten tegenspoed morde het, werd oproerig en verlangde naar de vleeschpotten der Aegyptenaren. Ook in den dienst van den eenigen waarachtigen God bleken zij niet standvastig te zijn; zij hadden maar al te veel geneigdheid om de afgoden te dienen, die zij in Aegypte hadden leeren kennen. Alleen een man als Mozes was in staat zulk een volk in toom te houden en te leiden naar zijn' wil. Toch zag Mozes zeer wel in, dat een volk, zoo weinig aan krijgstucht en volharding gewoon en met zulk eenen slaafschen geest bezield, niet in staat was een land te veroveren, dat door krijgshaftige stammen werd bewoond.

Een nieuw geslacht, aan vermoeienissen en ontberingen gewoon, aan krijgstucht gewend en bezield met een vrijeren geest, moest in de woestijn opgroeien, eer Palaestina aan de krijgshaftige Kanaänieten kon worden ontrukt. Eerst na eene veertigjarige omzwerving kon Jozua, Mozes opvolger, het groote plan volvoeren. De edele Mozes zelf mocht het doel van zijn werken niet beleven. In 't gezicht van het Beloofde Land stierf hij. Vooraf echter had hij iets gedaan, waardoor hij ook in 't vervolg den allergrootsten invloed op zijn volk kon uitoefenen.

Hij vervaardigde n.l. eene menigte wijze wetten, waarbij de staatsregeling en de godsdienst geregeld werden. Bovendien bevatten zij vele nuttige voorschriften, betreffende de gezondheid, de bebouwing van den grond, de verdeeling van het veroverde land enz.

De wet van Mozes gaf aan den priesterstand, of liever aan de priesterkaste, het bestuur des lands in handen.

Aan 't hoofd van den staat stond de hoogepriester, een telg uit het geslacht van Mozes broeder Aäron; de priesters, allen uit den stam van Levi, bekleedden verder even als in Aegypte de aanzienlijkste ambten.

De geschiedenis der Israëlieten na hunnen intocht en de verovering van het Beloofde Land (Kanaän) is eene aanschakeling van oorlogen met hunne krijgshaftige naburen (Philistijnen, Moabieten, Ammonieten), waarbij zij dikwijls in dappere mannen, Richteren genaamd, moedige en ondernemende aanvoerders hadden, die hen ook in vredestijd wel een tijd lang regeerden (Gideon, Jeptha, Simson, Samuel).

Uit ijdelheid verwisselde het wispelturige volk dezen vrijzinnigen regeeringsvorm niet het koningschap.

Onder zijne koningen David en Salomo beleefde het een korten, glansrijken tijd. Onder Rehabeam, Salomo's zoon, werd Israël verdeeld in twee rijken: dat van Juda met Jeruzalem en dat van Israël met Sichem (later Samaria) tot hoofdstad (986). Beide beoorloogden elkander dikwijls en hadden bovendien veel van de aanvallen der uit Midden-Azië komende veroveraars te lijden.

Het eerst bezweek het rijk Israël, welks bewoners door zedeloosheid zeer waren verzwakt. De laatste koning, Hosea, werd in 721 v. C. door Salmanasser, koning van Assyrië, overwonnen. Het rijk Juda bleef langer bestaan, maar verloor toch ook in 586 v. C. zijne onafhankelijkheid; de laatste koning Zedekia werd door Nebucadnezar overwonnen.

Wel verrees later door de gunst van den Perzischen koning Cyrus een nieuw Joodsch rijk, maar om weldra het lot te deelen van het Perzische rijk, n.l. een deel te worden van het Grieksche rijk, door Alexander den Grooten gesticht. Nog een enkele maal wisten de Joden onder de dappere Maccabaeën hunne vrijheid te bevechten (167). 't Was slechts een korte flikkering van macht. De alles overwinnende Romeinen maakten eenige jaren voor Christus ook van Palaestina een wingewest, en toen de natie zich tegen het Romeinsche juk poogde te verzetten, veroverden de Romeinen de hoofdstad Jeruzalem en de Joden hielden op als natie te bestaan (Titus, 70 j. n. C.)


4. EEN HANDELSVOLK.

Wanneer onze zeelieden tegenwoordig vreemde landen gaan bezoeken, zijn zij voorzien van goede kaarten, kompassen en zeevaartkundige werktuigen, en waar zij komen, vinden zij een gul onthaal. In ouden tijd was dit echter geheel anders.

Kaarten, kompassen en dergelijke zaken waren onbekend; de landen, die men bezocht, waren door ruwe, vijandelijk gezinde menschen bewoond.

Wij moeten dus wel bewondering gevoelen voor een volk, dat alleen met de zon des daags en de poolster des nachts tot gids, niet alleen alle landen aan de Middellandsche zee durfde bezoeken, maar zich door de zuilen van Hercules (Straat van Gibraltar) een' weg baande naar de tineilanden (Scilly-eilanden) bij Engeland, ja, dat zelfs volgens de overlevering, niet schroomde, de Baltische zee te bezoeken en geheel Afrika om te zeilen.

Dat onversaagde volk was het Phoenicische. Het woonde in een smal, vochtig en ongezond, maar vruchtbaar kustland, tusschen den Libanon en de Middellandsche zee gelegen, dat door de Grieken Phoenicië (Palmenland) genoemd werd. De ligging van hun land aan eene zee, die toen het meest bevaren werd en aan den Libanon, wiens cederbosschen heerlijke en overvloedige bouwstoffen voor de schepen leverden, bracht de Phoeniciërs er als van zelve toe hun geluk op zee te beproeven.

Wat zij er zochten n.l. schatten, hebben zij verkregen; want oude schrijvers roemen als om strijd de pracht en weelde, die in de Phoenicische steden Tyrus en Sidon heerschten. 't Was trouwens ook geen wonder. De Phoeniciërs hadden toen den alleenhandel, dien zij door het verspreiden van allerlei schrikverwekkende fabelen als van nevelzeeën, zeemonsters, vliegende slangen, reuzenvogels en dergelijke wisten te behouden. Zij dreven als echte kooplieden handel in alles: koren, zilver, barnsteen, tin en niet het minst in slaven, die zij soms op zeer vreemde manier wisten machtig te worden; want de Phoeniciërs oefenden bij het zeer eerbaar beroep van handelaar, het alles behalve eervolle van zeeroover uit.

Havenplaatsen zijn voor een handeldrijvend volk eene behoefte. Daarom legden zij op verschillende plaatsen aan de Middellandsche zee koloniën aan. Zoo ontstonden op Cyprus, op Sicilië, op Sardinië, in Spanje (Gades=Cadix) en op de kust van Afrika (Carthago) Phoenicische volkplantingen, die weldra tot hoogen bloei kwamen.

De rustelooze handelsgeest der Phoeniciërs zocht intusschen ook elders handelswegen te openen en een levendige karavanenhandel met Aegypte, Babylon en Indië was alras een gevolg van hun streven.

Zulk een ondernemend en naar winstbejag strevend volk moest ook wel op het gebied der nijverheid vorderingen maken. Vele uitvindingen worden dan ook aan hen toegeschreven, misschien echter niet alle met recht. Zoo zegt men, dat de Phoeniciërs het glas hebben uitgevonden. Eenige zeelieden wilden n.l. op de zandige Syrische kust een vuur ontsteken, en namen, daar niets anders dadelijk voor de hand lag, een paar stukken salpeter, om hun' ketel er op te zetten. Door de hitte smolt de salpeter en het zand en verbond zich tot eene doorzichtige stof, het glas. Ook de ontdekking van de purperverf wordt aan hen toegeschreven. Even als bij de meeste uitvindingen was een toeval hiervan de oorzaak.

Een herdershond komt bij zijn' heer met een rooden muil. De herder meent, dat zijn hond bloedt, neemt eene vlok wol en veegt hem den muil af, maar ziet tot zijne groote verwondering, dat de roode kleur niet van bloed, maar van iets anders komt, en dat de wol met eene fraaie, roode stof doortrokken is. Hij merkt naderhand op, dat de hond de zich aan het strand bevindende slakken doorbijt en vandaar den rooden muil verkrijgt, en nu is de grondstof gevonden, waaruit de vindingrijke geest der Phoeniciërs weldra de prachtigste kleurschakeeringen weet te voorschijn te brengen.

Wij kunnen dus niet nalaten, bewondering te koesteren voor zulk een ondernemend en vindingrijk volk.

Zien we het echter in zijn maatschappelijk- en burgerlijk leven, dan bevalt het ons evenmin als de Babyloniërs.

Wij vinden dan een volk, dat geene moeite ontziet, om schatten te verzamelen, maar slechts met het doel om ze naderhand in de schandelijkste ongebondenheid te verkwisten.

We treffen verder bij hen een' godsdienst aan, die in zedeloosheid en wreedheid alle godsdiensten der Oostersche volken verre overtreft.

Menschenoffers waren bij den Baäl- en Molochdienst zeer gebruikelijk.

Van een Phoeniciesch rijk kan eigenlijk geen sprake zijn. 't Schijnt, dat iedere groote stad haar eigen koning en haar eigen bestuur had, maar tevens, dat de eene stad soms voor eene tijdlang de oppermacht over de andere uitoefende.

Tyrus en Sidon waren altijd de meest aanzienlijke steden.


5. CROESUS EN CYRUS.

In 't jaar 549 v. Chr. biedt Sardes, de hoofdstad van 't Lydische rijk, ons het treurige tooneel aan van strijd en verwoesting. Vóór de muren der stad is een slag geleverd, waarin de Lydiërs het onderspit hebben gedolven, en nu dringen de overwinnende Perzen over de lijken hunner vijanden in de veege stad, alles vernielende, wat hun in den weg komt en roovende, wat van hunne gading schijnt. Tusschen die bewijzen van moord en verwoesting zien wij een' brandstapel opgericht en een' man daarop vastgebonden, wiens voorkomen, ook in dezen rampzaligen toestand, zijne vorstelijke afkomst verraadt. 't Is de ongelukkige Croesus, weleer de rijkste van alle vorsten van Azië, de beheerscher van het machtige Lydië, die nu op bevel van Cyrus, den koning der Perzen, ter eere der goden zal geofferd worden. De houtmijt wordt aangestoken, en reeds stijgen de vlammen omhoog. Daar hoort men den ongelukkige tot driemaal roepen: "O Solon! Solon! Solon!" Cyrus, verwonderd over dezen uitroep, vraagt naar de beteekenis dezer woorden, en, nadat hij den gevangene heeft laten afklimmen, verhaalt Croesus het volgende: "Voor eenige jaren kreeg ik aan mijn hof een bezoek van den wijsten man uit geheel Griekenland, die de geheele wereld doorreisde, om nog meer kennis op te doen. 'k Liet hem al mijne paleizen, al mijne schatten zien. Ze lieten hem onverschillig. 'k Vroeg hem nu, welke man de gelukkigste was, dien hij op zijne vele reizen gezien had. Hij noemde mij een' burger Tellus uit Athene, die, na een gelukkig leven geleid te hebben, hoog bejaard in een zegevierenden slag den heldendood voor 't vaderland gevonden had. Toen ik hem daarop vroeg, wien hij nadien Tellus als den gelukkigste beschouwde, noemde hij twee Grieksche jongelingen, die bij gelegenheid van een groot feest hunne oude moeder in eenen wagen naar den tempel trokken, door 't volk luide werden toegejuicht wegens hunne kinderlijke liefde en vervolgens door vermoeidheid overmand, in slaap vielen, om nooit weer te ontwaken.

Toen ik, misnoegd, dat hij mijn geluk zoo gering schatte, hem vroeg of hij mij dan niet gelukkig achtte, sprak hij deze merkwaardige woorden: "O Croesus, niemand is vóór zijnen dood gelukkig te noemen. Als ik bedenk, dat het leven wel eens zeventig jaren duurt, dan denk ik tevens, hoeveel er in dien tijd veranderen kan. Deze woorden mishaagden mij toen. Hoe ondervind ik nu echter, hoezeer de wijze man recht had." Dit verhaal maakte op den veroveraar eenen diepen indruk. Tot nog toe had de gelukszon hem steeds beschenen. Bij zijne geboorte reeds door zijn' grootvader Astyages, koning van Medië, ter dood gedoemd, had eene medelijdende herdersvrouw zijn leven weten te redden. Ook later was hij meermalen in levensgevaar, maar telkens was het door toevallige omstandigheden afgewend. Toen hij man geworden was, had hij zich aan 't hoofd der Perzen, zijne stamgenooten, gesteld, en aan 't Medische rijk en aan de regeering van den verwijfden Astyages een einde gemaakt. Vervolgens had hij den rijksten staat van Azië vernietigd, en de machtigste monarch van Klein-Azië stond als gevangene voor hem.

Maar zou dat geluk hem altijd blijven toelachen? Hoe licht kon de grillige fortuin ook hem den rug toekeeren en van overwinnaar overwonneling maken! Cyrus schonk dadelijk den gevangen vorst het leven niet alleen, maar liet hem aan zijne tafel eten en hield hem als een wijzen raadsman hoog in eere.

Hij liet het bij deze veroveringen niet blijven. Nadat hij de Aziatische Grieken onderworpen had, trok hij op Babylon aan. Met geweld was echter tegen deze reuzenstad weinig uit te voeren. Daarom trachtte hij haar door list te nemen. Hij leidde het water van den Euphraat door een dieper kanaal om de stad, waardoor de rivier ondieper werd, en de soldaten konden zoodoende in de stad dringen. Juist terwijl koning Belsasar een overdadig feest vierde ter eere van den god Bel werd de wereldstad door de zegevierende Perzen ingenomen. (Daniël). Zijne veroveringszucht bracht hem echter ten val. In de nabijheid van de Kaspische zee woonde een arm, maar krachtig en vrijheidlievend bergvolk, de Massageten. Ook dit volk moest onderworpen worden. Nu verliet hem echter de fortuin. Cyrus werd in eene hinderlaag gelokt, 't leger werd geslagen, hij zelf sneuvelde. Tomiris, de koningin der Massageten, liet zijn hoofd afhouwen en in een vat met bloed dompelen, zeggende: "Drink u nu zat, barbaar." Een ander verhaal evenwel laat Cyrus in hoogen ouderdom eenen natuurlijken dood sterven.

Welke van deze verhalen het echte is, is moeilijk uit te maken.


6. BELEGERING EN VEROVERING VAN TROJE.

(Van ± 1194 tot 1184 v. C.)

Paris, de zoon van Priamus, koning van Troje (eene stad in Klein-Azië, niet verre van de str. der Dardanellen, toen Hellespont geheeten), had Helena, de vrouw van den Spartaanschen koning Menelaüs, geroofd en was met haar naar zijne geboortestad gevlucht.

De verbitterde Menelaüs riep nu de voornaamste Grieksche vorsten en helden op, tot een' krijgstocht tegen het rijke Troje.

De meeste vorsten van Griekenland gaven aan deze oproeping gehoor en weldra togen 100,000 strijders, op 1200 schepen, naar de vijandelijke stad.

De aanvoerder van den tocht was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Verder worden als hoofdpersonen genoemd de sluwe Ulyssus, de bedaarde en ervaren Nestor, de dappere en sterke Achilles en vele anderen.

Troje was echter eene sterke stad, en, konden de Grieken roemen op eene menigte dappere mannen, de Trojanen mochten bogen op Hector en Aeneas, die voor de dapperste Grieken niet behoefden onder te doen. De belegering had reeds negen jaren geduurd en nog stonden de muren van Troje even vast als altijd.

Veel bloed was reeds vergoten; de edele Hector en de dappere Achilles waren den heldendood gestorven; men begon aan 't welslagen der onderneming te wanhopen, ja, men sprak er zelfs van om scheep te gaan en het vaderland weder op te zoeken.

Toen verzon de sluwe Ulysses de volgende list:

"Weet gij wat, vrienden," riep hij vroolijk uit, "laat ons een groot houten paard timmeren en in zijn binnenste de dapperste Grieken verbergen. De anderen moeten intusschen met de schepen terugtrekken, maar vooraf al hetgeen zij achterlaten, verbranden, opdat de Trojanen, wanneer zij dit van hunne muren zien, in den waan komen, dat wij het beleg opbreken. Een moedig man moet zich in de nabijheid van het paard verbergen en de vijanden wijs maken, dat hij uit het leger der Grieken is gevlucht, omdat hij door hen slecht behandeld is.

Vervolgens moet hij bewerken, dat de Trojanen het paard binnen de muren der stad brengen. Wanneer onze vijanden zich dan zorgeloos aan den slaap overgeven, geeft hij ons een teeken. Wij kruipen uit het paard, laten de anderen, die inmiddels met de schepen zijn teruggekeerd, binnen en verwoesten de stad."

Toen Ulyssus uitgesproken had, prezen allen zijn vindingrijk verstand, maar de zoon van Achilles stond driftig op en zeide: "Dappere mannen zijn gewoon hunne vijanden in 't open veld te bestrijden, daar moeten wij onze meerderheid boven de Trojanen toonen." Ulyssus bewonderde den dapperen jongeling en antwoordde: "Gij ziet wel, wakkere man! daar zelfs uw vader, die een halfgod in moed en sterkte was, deze sterke stad niet konde veroveren, dat dapperheid in de wereld niet alles kan uitrichten."

De voorslag werd nu aangenomen: een ontzaggelijk groot paard werd getimmerd, de dapperste helden begaven zich door eene zijdeur in den buik van het monster en de overigen trokken zich terug. Vol vreugde kwamen weldra de Trojanen aansnellen en zagen met verbazing het gevaarte aan. Zij beraadslaagden nu, of zij het verbranden dan wel in de zee werpen zouden.

Dat degenen, die in den buik van het paard zaten, bij deze beraadslaging niet zeer pleizierig te moede waren, laat zich denken.

Een Trojaansch priester sprak waarschuwende: "Meent gij, dat eene gave der Grieken geen bedrog verbergt? Vertrouwt het ding niet!"

Met die woorden stiet hij er met eene ijzeren lans in, en uit de diepte dreunde het als uit een kelderhol.

Ondertusschen kwam de Griek aanloopen, die zich in de nabijheid van het paard verborgen had. Hij speelde zoo meesterlijk zijne valsche rol, dat allen hem geloofden. Hij sprak aldus: "Tot hiertoe was alle hoop der Grieken op de hulp der godin Pallas gebouwd. Sedert echter uit den tempel, dien zij bij u te Troje heeft, haar beeld is gestolen, is de godin vertoornd geworden, en het geluk heeft de wapenen der Grieken verlaten. Nu zijn zij weggegaan om het beeld wederom op te sporen. Vooraf echter bouwden zij nog dit houten paard, dat zij als zoenoffer voor de beleedigde godin achterlieten. Zij maakten het zoo groot, opdat gij, Trojanen! het niet binnen de poorten uwer stad kondet bergen, dewijl alsdan de bescherming van Pallas u ten deel zou vallen."

Dit nu was juist voor de Trojanen een prikkel om het paard binnen de stad te halen. Zij braken een gedeelte van den muur af om den onheilbrengenden gast een' weg te banen.

Zij maakten raderen onder de voeten van het paard en trokken het jubelend binnen, zonder acht te slaan op de waarschuwingen van Kassandra, de profetes.

Vervolgens gaven zij zich tot in het holle van den nacht aan de uitgelatenste vreugde over bij maaltijd en drinkgelag. De bedrieger was intusschen ook in de stad geslopen en zwaaide vervolgens een brandende fakkel in de lucht, als een teeken voor de in de nabijheid toevende Grieken om weder te naderen. Toen klopte hij zacht aan den hollen buik van het paard en de opgesloten helden kwamen stilletjes te voorschijn. Met uitgetrokken zwaarden drongen zij in de huizen en eene vreeselijke slachting werd onder de slapende Trojanen aangericht.

Brandende fakkels werden in de huizen geslingerd en weldra stond Troje op vele plaatsen in lichten brand.

Te gelijkertijd stormden de andere Grieken de stad binnen en doodden alles, wat hen in handen kwam.

Zij behaalden een onmetelijken buit en sleepten vrouwen en kinderen naar het strand. Menelaüs voerde zijne vrouw Helena weder mede. Priamus en zijne zonen werden gedood; de koningin en hare dochters, waaronder ook de edele Andromaché, de vrouw van Hector, werden als slavinnen onder de overwinnaars verdeeld.

Troje werd met den grond gelijk gemaakt. Ziedaar een kort overzicht van de merkwaardige belegering, zooals die door Homerus in een beroemd dichtstuk: de Ilias, wordt verhaald.


7. EEN FEEST TE OLYMPIA.

Griekenland bestond weleer uit eene menigte onafhankelijke staatjes, die altijd naijverig op elkander waren en niet zelden bloedige oorlogen voerden.

Toch zijn de Grieken het beschaafdste volk der oudheid en de leermeesters der geheele beschaafde wereld geworden. Hoe ze dit geworden zijn? We zullen het u zeggen. Vooreerst leefden de Grieken in een heerlijk land, dat een gunstigen invloed moest uitoefenen op zijne bewoners. In de tweede plaats hadden ze een voortreffelijken aanleg. Verder waren er banden, die hen, hoe ook soms verdeeld en in gewoonten en zeden van elkaar verschillend, vereenigden en deden gevoelen, dat ze ééne natie waren. Tot die banden behoorden hun dichterlijke godsdienst, de verbonden, die zij sloten ter bescherming van een gemeenschappelijk heiligdom (amphictioniën) en niet het minst de volksfeesten.

De belangrijkste volksfeesten werden gevierd te Olympia, eene stad in het landschap Elis, in het westen van de Peloponnesus (Morea) gelegen. Bijna alle Grieksche staten namen hieraan deel. In plechtigen optocht trok het volk naar den tempel. Voorop gingen de versierde offerdieren, dan volgden de dienstdoende priesters, vervolgens de staatsbeambten, daarop de adel in schitterende kleeding, met groene olijftakken in de hand en eindelijk het volk.

Nadat de plechtige offers aan de goden gebracht waren, begonnen de eigenlijke spelen.

De Grieken meenden den goden geen grooter genoegen te kunnen geven, dan wanneer zij hunne kracht in den wedloop, in het worstelen, in het springen of in het vuistgevecht ten toon spreidden. Lichaamsoefeningen ter voorbereiding voor de wedspelen maakten dan ook een voornaam gedeelte van de opvoeding der jeugd uit. In de gymnasiën werd behalve van het lezen der werken van groote dichters, voornamelijk van Homerus, het meest werk gemaakt van loopen, worstelen, springen, slingeren enz.

De overwinning te behalen bij de Olympische spelen was de hoogste eer, die iemand kon te beurt vallen en toch was de prijs, dien de overwinnaar behaalde, slechts een olijfkrans.

Gedurende het feest werden alle vijandelijkheden gestaakt, opdat ieder in rust en vrede kon feestvieren. Niemand mocht er daarom gewapend verschijnen. Ten bewijze, hoe hoog de Grieken deze bijeenkomsten te Olympia in eere hielden, strekke, dat zelfs de jaartelling er naar geregeld werd. Men zeide b. v. dit of dat is gebeurd in het tweede of derde jaar van de zooveelste Olympiade. Eene Olympiade werd om de vier jaren gehouden, en men rekende dan van het jaar 776 v. C. af, omdat toen het eerst de namen der overwinnaars werden opgeschreven.

Het feest begon gewoonlijk met den wedloop. Zij, die naar den prijs dongen, waren in afdeelingen van vier man gesplitst. Zulk een wedloop was op verre na niet gemakkelijk, want de baan was geen effene, vaste weg, maar een ruimte, waar de voet telkens wegzonk in dik, mul zand.

't Kwam dus wel op kracht en volharding aan. Daarna werd er geworsteld. De worstelaars hadden vooraf hunne huid met olie ingewreven, opdat de hand hunner tegenpartij van het gladde lichaam zou afglijden.

Met voorovergebogen bovenlijf stonden zij tegenover elkander, gereed om elkander aan te grijpen; want het doel van den worstelaar was, zijne tegenpartij omhoog te heffen en hem dan op den grond te werpen.

Een gevaarlijke strijd was het vuistgevecht. De onderarmen waren omwonden met lederen riemen, van metalen knoppen voorzien; daardoor kwamen de slagen veel krachtiger aan.

Dat zulk een strijd dikwijls bloedig werd, ja, dat niet zelden een der kampvechters dood van het strijdperk werd weggedragen, laat zich gemakkelijk begrijpen. Vervolgens werden wedrennen gehouden op wagens met vier paarden bespannen. Dat was natuurlijk slechts een vermaak voor de rijken bestemd, daar de geringere burger niet in staat was, zulk een rijke equipage zich aan te schaffen. Ook deze wedstrijd was hoogst gevaarlijk, want dikwijls botsten de wagens in dolle vaart met geweld tegen elkander; de wagenmenners stortten dan uit het verbrijzelde vaartuig en werden door de hollende rossen langs de renbaan gesleurd. 't Ontbrak gewoonlijk niet aan middelen om de eerzucht bij de kampvechters op te wekken, want duizenden toeschouwers gaven voortdurend luide hunne goed- of afkeuring te kennen. Hoe groot de hitte ook mocht zijn: toch bleef de menigte op de kampplaats verzameld, en niet gemakkelijk zou iemand haar verlaten, voordat de spelen waren geëindigd.

Na den afloop van de kampspelen traden de overwinnaars voor de kamprechters; deze zett'en hun de olijfkrans op het hoofd en onder het gejuich van de menigte, trokken zij naar het altaar van Zeus, om den god dankoffers te brengen.

Met de schitterendste eerbewijzen werd de overwinnaar overal ontvangen; in zijne vaderstad aangekomen, haalde het volk hem feestelijk in, en dichters verwelkomden hem in liederen; bij openbare feesten mocht hij op de eereplaats zitten. In Sparta ontving hij het voorrecht om bij een' veldslag naast den koning te mogen strijden. In het kort, het voorrecht van Olympisch overwinnaar te zijn, werd een goddelijk geluk genoemd en de roem van zijn' naam weerklonk door geheel Griekenland.

De Olympische spelen waren ook in een ander opzicht van veel belang.

De uitstekendste kunstenaars trof men hier aan, om hunne kunstwerken onder het oog en ter beoordeeling van het Grieksche volk te brengen; dichters droegen hier hunne gedichten voor; kooplieden maakten van deze gelegenheid gebruik, om voordeelige zaken te doen.

Olympia was dus alle vier jaren de vereenigingsplaats van al, wat Griekenland als schoon, edel en geleerd kon aanwijzen, en daarom hebben deze spelen veel bijgedragen om de Grieken tot een welontwikkeld en kunstlievend, in één woord, tot een beschaafd volk te maken.


8. TWEE WETGEVERS (LYCURGUS EN SOLON).

Onder de vele steden, die men vroeger in Griekenland had, waren Athene en Sparta de voornaamste. Hoewel Atheners en Spartanen tot één volk behoorden, bestond er toch tusschen hen een groot verschil in aard en levenswijze.

De Spartaan achtte sterkte, gehardheid tegen alle vermoeienissen des levens en dapperheid in den oorlog als het hoogste goed; de Athener versmaadde dit alles wel niet, maar ruimde toch ook aan kunsten en wetenschappen eene belangrijke plaats in.

Dit was een gevolg, behalve van hunnen oorspronkelijken aanleg, van hunne verschillende wetgeving en opvoeding.

Ieder der genoemde steden mocht zich beroemen een' wetgever te bezitten, die het wel meende met zijn volk. Dat Sparta machtig werd en dikwijls de hegemonie (overwegende invloed van een enkelen staat) kon uitoefenen, had het te danken aan zijn' wetgever Lycurgus, die in de laatste helft der negende eeuw v. C. leefde. Deze was een koningszoon, die reeds de treffendste blijken had gegeven, dat eigenbelang en eerzucht hem vreemd waren; en het heil zijns vaderlands hem bovenal ter harte ging. Om aan de voortdurende twisten tusschen de twee koningen, die over Sparta regeerden, en het volk een einde te maken, stelde hij een' senaat aan, bestaande uit 28 aanzienlijke mannen boven de 60 jaren, die als 't ware de bemiddelaars waren tusschen de koningen en het volk.

De ongelijkheid van vermogen was toen in Sparta verbazend. Ten einde daaraan een eind te maken, wist hij het stoute plan door te drijven, den grondeigendom zóó te verdeelen, dat ieder Spartaansch burger een gelijk grondbezit kreeg. Maar zou de ongelijkheid van bezit geheel verdwijnen, dan moesten ook de roerende goederen verdeeld worden. Daar Lycurgus wel begreep, dat de rijken niet gemakkelijk te bewegen zouden zijn, om hunne schatten in goud en zilver ter algemeene verdeeling op te brengen, schafte hij de gouden en zilveren munten af en voerde ijzeren geld in, 't welk zóó zwaar was, dat men, om eene waarde van 500 gulden te vervoeren, een tweespans-wagen moest gebruiken. Door dezen maatregel, en doordat hij strenge maatregelen tegen de weelde nam, maakte Lycurgus natuurlijk wel vele in zijn oog nuttelooze menschen als goudsmeden, bouwmeesters, zalvenbereiders enz. overbodig, maar hij verbande tevens ook allen handel en verkeer uit de stad, daar het Spartaansch geld nergens dan in Sparta geldig was.

Dit was juist het doel van Lycurgus, want volgens zijne meening kweekten handel en omgang met vreemde volken allerlei ondeugden aan.

Ten einde weelde en onmatigheid met kracht te kunnen tegengaan, voerde hij gemeenschappelijke maaltijden in. Niemand mocht in zijn eigen huis eten, maar men kwam op bepaalde uren op eene bepaalde plaats te zamen, waar eenvoudige maar krachtige spijzen werden voorgediend. De hoofdschotel was eene zwarte soep.

Deze wel wat willekeurige wetten verwekten bij de aanzienlijken eene hevige verbittering tegen Lycurgus.

Eens zelfs sloeg een hartstochtelijk jongeling, Alkandros, hem met een wapen het oog uit. Toen hij zijnen vijanden echter bedaard zijn bebloed en geschonden gelaat toonde, ontwaakte het berouw in hunne harten, omdat zij den waarlijk edelen man zoo slecht hadden behandeld, en werd hij met gejuich naar zijne woning teruggevoerd. Lycurgus liet zijne medeburgers zweren, dat zij zijne wetten tenminste zoolang zouden houden, tot hij van eene reis, die hij voornemens was te doen, zou zijn teruggekeerd. Hij keerde niet terug, maar bracht zich in den vreemde zelf om 't leven, opdat zijne medeburgers aan hunnen eed gebonden zouden blijven.

De geheele opvoeding der Spartanen had alleen ten doel krachtige mannen, ferme soldaten te vormen. Alle pasgeborene kinderen werden onderzocht; waren zij zwak of ziekelijk, dan werden zij aan den hongerdood prijsgegeven. Waarom hen ook in 't leven te laten; zij konden immers nooit goede soldaten worden, zoo was de meening der hardvochtige Spartanen. Tot het zevende jaar bleven de kinderen in het ouderlijke huis; dan echter belastte de staat zich met hunne verdere vorming, echter volstrekt niet om hen te verwennen. Zij sliepen op riet, dat zij zichzelven moesten halen. Hunne kleeding was heel eenvoudig en winter en zomer gelijk, hunne maaltijden waren uiterst sober. Teneinde hen te leeren pijn en smart te kunnen verdragen, werden ze dikwijls openlijk gegeeseld; hij, die een smartkreet uitte, werd met minachting aangezien.

Voorts oefenden zij zich in het dansen, loopen, worstelen en het hanteeren der wapenen. Stelen was hun geoorloofd, mits zij 't op listige wijze aanlegden; werden zij betrapt, dan kregen zij dubbel straf. Overigens werd hun bescheidenheid en eerbied voor bejaarde menschen ingeprent. Teneinde van hen geen praatjesmakers te maken, moesten zij zich oefenen, om zich zoo kort en bondig mogelijk uit te drukken (Lakoniek). Van de beoefening van kunsten en wetenschappen was geen sprake.

Kon het wel anders, of de Spartanen moesten bij zulk eene opvoeding dappere soldaten worden?

De Atheners hadden in Solon een' wetgever, die even edel en onbaatzuchtig, maar tevens veel beschaafder en menschlievender was. Hij leefde in de laatste helft der zesde eeuw voor Chr. Op zijne reizen had hij veel wijsheid opgedaan en werd daarom door zijne medeburgers hoog vereerd. Zelfs droegen zij hem de waarlijk niet gemakkelijke taak op, eene nieuwe staatsregeling voor Athene te ontwerpen.

Deze onderscheidde zich al aanstonds van die van Lycurgus, doordat zij democratisch, terwijl gene aristocratisch was, m. a. w. bij de eerste berustte de macht bij 't volk, bij de tweede bij de aanzienlijken. Solons eerste streven was, de armen van hun' schuldenlast te bevrijden.

Hij deed dit echter op eene veel billijkerwijze dan Lycurgus, zoodat hij alle standen bevredigde. Om het recht, de veiligheid en de goede zeden beter te kunnen handhaven, vernieuwde hij weder het aanzien van den Areopagus, een gerechtshof, dat des nachts zijne zittingen had en een streng toezicht hield over de zeden en handelingen der burgers.

Mocht Lycurgus de beoefening van kunsten en wetenschappen belemmeren, Solon bevorderde haar met alle macht. Op zoogenoemde gymnasiën werden de knapen niet alleen bezig gehouden met lichaamsoefeningen, maar ook met lezen, schrijven, zingen, muziek, teekenen, rekenkunde en vooral met de kunst, om zich schoon en bevallig uit te drukken.

Met zijn 18de jaar kreeg de jongeling schild en speer en moest aan 't altaar der goden zweren, zijne wapens nooit oneer aan te doen, maar desnoods met vreugde voor zijn vaderland te sterven.

Met zijn 20ste jaar trad hij in alle rechten van Atheensch burger en mocht mede de volksvergadering bezoeken.

Wie zich bijzonder verdienstelijk maakte voor zijn volk, werd op staatskosten onderhouden, of, wat nog grooter eer was, met een krans van olijftakken versierd.

Kon het anders, of het Atheensche volk moest beschaafd en ontwikkeld worden bij zulk eene opvoeding?

Solon genoot tot zijnen dood de achting zijner medeburgers en stierf in hoogen ouderdom.

Hij werd onder de zeven wijzen van Griekenland opgenomen.


9. MILTIADES.

De opvolgers van Cyrus, den grondvester van het Perzische rijk, zett'en diens veroveringen voort. Tot de landen, die zij veroverd hadden, behoorde ook Klein-Azië. Aan de oostkust hadden de Grieken vele koloniën gesticht, die tot hoogen bloei geraakten. De Aziatische Grieken schenen echter weldra het Perzische juk moede te wezen, althans zij stonden tegen hunne onderdrukkers op. Daartoe hadden vooral de Atheners hen aangezet, en daarom moesten dezen ook de gevolgen daarvan ondervinden.

Darius Hystaspes, de toenmalige beheerscher van 't Perzische Rijk, wist met weinig moeite de opgestane Grieken tot onderwerping te brengen en hield een vreeselijk strafgericht over de opstandelingen. Ook op de Europeesche Grieken, en voornamelijk op de Atheners, wilden de Perzen zich wreken.

Te dien einde zeilde in 493 v. C., een geduchte vloot naar Griekenland, die echter bij 't voorgebergte Athos door een' storm geheel vernield werd. Toen zond Darius boden naar Griekenland, om van alle staten aarde en water te vragen ten teeken van onderwerping. Als eenig antwoord, wierpen de Atheners de boden in een' kuil, terwijl de Spartanen ze in een put gooiden; daar moesten zij zich zelven maar aarde en water halen. Woedend over deze bejegening zijnen gezanten aangedaan, rustte Darius opnieuw een geducht leger ter onderwerping van Griekenland uit. Zoo zeker meenden de Perzen van de overwinning te zijn, dat zij ketenen medebrachten voor de Grieken, die zij gevangen zouden nemen, en marmer, ter vereeuwiging der Perzische dapperheid.

De Perzen landden eerst op 't eiland Euboea, thans Negropont genaamd, richtten aldaar groote verwoestingen aan, koelden hunne woede door de verdelging van de stad Eretria en staken daarna naar het vaste land over. In de groote vlakte bij Marathon, ten noorden van Athene, stelde het Perzische leger zich in slagorde.

De Atheners hadden zich dadelijk tot de Spartanen om hulp gewend. Dezen echter schreef een heilig gebruik voor, niet ten strijde te trekken, eer de volle maan aan den hemel stond. Slechts uit de Grieksche stad Plataea kwamen 1000 strijders de Atheners te hulp, die zelven nauwelijks 9000 man onder de wapens konden brengen, waaronder nog vele slaven waren. Het Perzische leger echter telde 100,000 man voetvolk en 10000 ruiters. Zulk een leger was wel in staat, zelfs den moedigste vrees in te boezemen. Het kleine Grieksche leger zoude ook zeker de vlucht genomen hebben, had niet de bezielde taal van een der 10 aanvoerders, Miltiades, het met nieuwen moed bezield en bij ieder der strijders de begeerte doen ontstaan, om voor vrijheid en vaderland bloed en leven op te offeren.

Onweerstaanbaar is dan ook de aanval der Grieken op de Perzische scharen. Ontzetting en verbazing over zulk een heldenmoed en opoffering bevangt de Perzen, en, als door een panischen schrik aangegrepen, vluchten zij op hunne schepen. Duizenden vluchtelingen worden achterhaald en gedood; zelfs vallen vele schepen in de handen der Grieken. Den volgenden dag kwamen de Spartanen op 't slagveld. Na het in oogenschouw genomen te hebben, prezen zij hoogelijk de dapperheid der overwinnaars en keerden vervolgens weder huiswaarts.

Miltiades deelde het lot van vele beroemde mannen. Eerst putte men zich uit in lof- en eerbewijzen; maar, toen hij later in de verovering van het eiland Paros niet slaagde, beschuldigden zijne benijders hem van verraad, waarop hij voor eene rechtbank werd gedaagd.

Wel werd hij van de doodstraf vrijgesproken, maar toch veroordeeld tot het betalen van de kosten der onderneming, die op 50 talenten, ongeveer 125,000 gl. werden geschat. Daar hij zulk eene ontzaggelijke som onmogelijk kon betalen, werd hij in de gevangenis gebracht, waarin hij weldra stierf als een slachtoffer van de ondankbaarheid zijner medeburgers.


10. EEN ONGELIJKE STRIJD (LEONIDAS).

Xerxes, de zoon van Darius, wilde het plan, dat zijn vader opgevat, maar niet volvoerd had, tot een goed einde brengen. Hij wilde dat zóó doen, dat er aan mislukking niet te denken viel. Een leger van meer dan 1-1/2 millioen soldaten, samengesteld uit al de volken van zijn gebied, zou daartoe dienen.

Dit reusachtig leger trok ongehinderd door Thracië en Thessalië, maar vond bij den nauwen bergpas, de Thermopylae, den eersten, onverwachten tegenstand. Hier had de Spartaansche koning Leonidas met 300 Spartanen en eene kleine schaar van bondgenooten, te zamen 8000 man tellende, post gevat, vast besloten tot den uitersten tegenstand. Xerxes zond eerst een Perzischen ruiter naar de bergengte, om de sterkte van het Grieksche leger op te nemen. Met verbazing zag deze, hoe de 300 Spartanen, die de voorhoede uitmaakten, zich als tot een feest tooiden, hun lang haar kamden en vlochten en zich met kampspelen den tijd kortten. Xerxes, in 't minst niet vermoedende, dat zulk eene kleine schaar zich tegen zijn ontzaggelijk leger zoude durven verzetten, wachtte eerst vier dagen lang, dat zij zich gewillig zouden onderwerpen. Vervolgens zond hij een' bode naar Leonidas met den eisch, de wapens af te geven. "Kom en haal ze," is 't Laconisch antwoord van den aanvoerder. Den strijd met zulke mannen vreezende, zoekt Xerxes den Spartaan door groote beloften tot zijne belangen over te halen.

Maar 't hooghartige antwoord van Leonidas luidt: "De Spartanen zijn niet gewoon eer door verraad te koopen."

Eindelijk begint de aanval. Maar ziet, de eene hoop der Perzen vóór, de andere na, wordt met groot verlies door de Spartanen teruggeworpen.

De Grieken hadden dit voordeel, dat door de nauwte van den bergpas niet vele troepen tegelijk tegen hen aangevoerd konden worden. Zelfs de 10000 onsterfelijken, de bloem des Perzischen legers, waren niet tegen de Grieksche dapperheid bestand. Twee dagen lang duurde deze ongelijke strijd. De Perzische soldaten moesten ten laatste met geweld naar den bergpas worden gedreven. Een aanval op dit zoo dapper verdedigde punt stond bij hen bijna met een zeker doodvonnis gelijk.

Dat helaas! ook hier weer verraad in 't spel moest komen. Een zekere Griek, Ephialtes, wees den Perzen een smal voetpad over de bergen, en nu werden de Grieken ook in den rug aangevallen. Zoodra Leonidas dit verraad bemerkte, liet hij de bondgenooten vertrekken. Hij en zijne Spartanen wijdden zich tot den heldendood. Zij vonden dien dood, maar niet, dan nadat de lijken van honderden vijanden het slagveld bedekten. (480 j. v. C.)

Een eenvoudig gedenkteeken wees later de plaats aan, waar de Grieksche dapperheid zich zoo voorbeeldig had getoond.

Leonidas naam leefde voort in liederen en gedichten, als het toonbeeld van Spartaansche deugd.


11. EEN WELGESLAAGDE LIST (THEMISTOCLES).

Als een stortvloed verspreidden de Perzen zich na de vermeestering van den bergpas over Hellas, het noordelijkste gedeelte van Griekenland, en rukten naar Athene op.

Dat Athene zich op den duur tegen de aanvallen van het ontzaggelijke leger niet zoude kunnen staande houden, was duidelijk, te meer, daar de bondgenooten zich op de Peloponnesus, het zuidelijkste deel van Griekenland, hadden terug getrokken.

Toen wist een schrander Athener, Themistocles, zijne medeburgers te bewegen, hunne geliefde vaderstad te verlaten, huis en hof aan den vijand prijs te geven en zich op de schepen te redden. Zijne overredingskracht zoude hem misschien toch niet gebaat hebben, had niet het orakel te Delphi zijn plan krachtig ondersteund door de uitspraak van de priesteres (Pythia), dat men zich achter houten muren moest verdedigen. Themistocles verzuimde niet deze duistere uitspraak ten gunste van zijn doel uit te leggen. Met bloedende harten scheidden de Atheners van de plaatsen, waar zij 't eerste levenslicht zagen, waar zij als kinderen hadden gespeeld, waar tal van aangename en smartelijke herinneringen hen boeiden.

Weldra konden zij uit de ten hemel stijgende vlammen het lot hunner geliefde vaderstad opmerken. Ondertusschen was de Perzische vloot in de nabijheid der Grieksche kust gekomen. Toen de Atheners dit gewaar werden, vatt'en velen (zeker niet de moedigsten) het plan op, met hunne schepen gedurende den nacht te ontvluchten. Themistocles vernam dit en was dadelijk er op bedacht, dit heilloos ontwerp te verijdelen. De Perzische vloot moest in de golf van Salamis gelokt worden, voor en aleer een enkel der Atheensche schepen kon ontvluchten. Daarom zond hij een vertrouwden slaaf met de volgende boodschap aan den Koning: "Groote Koning! ik ben in 't geheim uw vriend. De Atheners bevinden zich allen in de golf van Salamis. Zij willen echter dezen nacht ontvluchten. Haast u, dan kan geen hunner u ontkomen." Xerxes meende hier met een' Ephialtes te doen te hebben en haastte zich den gegeven raad te volgen.

De Perzische vloot verschijnt weldra in de golf. Zullen die onbeduidende, kleine Grieksche schepen bestand zijn tegen de veel talrijker en grooter vaartuigen der Perzen?

Hier moeten wij de scherpzinnigheid bewonderen van dezen Athener. Volkomen tehuis op 't tooneel van den strijd, wist hij dat de baai van Salamis eene menigte ondiepten had, den Perzen niet, maar den Atheners zeer goed bekend. De Perzen liepen in het net, hun door Themistocles gespannen; zij konden wegens de vele ondiepten hunne strijdkrachten niet genoeg ontwikkelen; vele schepen geraakten aan den grond, een nog grooter aantal werd door de Grieken genomen of verbrand. In 't kort: de zegepraal der Atheners was volkomen.

Xerxes, die op een hoog rotspunt de geheele vernietiging der Atheners meende te kunnen waarnemen, zag niets minder dan den ondergang van zijne eigene, geduchte vloot. Door schrik en vrees geheel verbijsterd, liet hij zich in eene visschersboot over den Hellespont naar Azië brengen, de voortzetting van den oorlog aan zijne veldheeren overlatende. Themistocles was nu de gevierde man; zijn roem werd overal verkondigd, zijn naam werd overal genoemd, hij werd geprezen als de redder der vrijheid. 't Ging de toenmalige Grieken echter min of meer als de tegenwoordige Franschen. De man, die nu de held van den dag is, wordt misschien morgen verguisd.

Themistocles ondervond dit, zooals velen nog na hem zouden ondervinden.

't Is waar, Themistocles maakte zich door zijne trotschheid, willekeur en hebzucht vele vijanden, maar eene beschuldiging, door zijne vijanden ingebracht, dat hij voor de vrijheid gevaarlijk was, miste allen redelijken grond.

Desniettemin werd hij verbannen, maar was zelfs in zijne ballingschap niet veilig voor de vervolgingen der Spartanen, die hem haatten, omdat hij, tegen hun zin, bewerkt had, dat het weder opgebouwde Athene met muren omringd werd.

Hij vluchtte daarom naar den Perzischen koning, die hem vriendelijk opnam. Toen deze echter naderhand zijnen dienst inriep tot onderwerping van zijn vaderland, nam Themistocles vergif in, daar hij geen verrader wilde worden. Volgens een ander verhaal zou hij van kommer en heimwee gestorven zijn.


12. ATHENE'S GROOTSTE BLOEI (PERICLES).

Hoe groot ook de macht der Perzen ware, zij bleek niet bestand te zijn tegen de vaderlandsliefde en dapperheid der Grieken. Nadat in 't jaar 469 v. Chr. de dappere Cimon, zoon van den diep verongelijkten Miltiades, den vijanden aan de Eurymedon, een riviertje in Klein-Azië, eene geduchte nederlaag had toegebracht, werden de vijandelijkheden gestaakt, zonder dat er eigenlijk vrede werd gesloten.

Athene, dat verreweg het grootste aandeel in den oorlog genomen en de meeste opofferingen zich getroost had, plukte natuurlijk ook de meeste vruchten van de overwinning. Het werd de machtigste staat in Griekenland en verkreeg derhalve de hegemonie, (een overwegende invloed over de andere staten) die Sparta tot hiertoe bezeten had. De bloeitijd van Athene was tevens de gouden eeuw van kunsten en wetenschappen, en met beide is de naam van Pericles ten nauwste verbonden.

Pericles was een aanzienlijk Athener, die gedurende geruimen tijd den grootsten invloed op de regeering zijner vaderstad uitoefende, niet door gewelddadige middelen, maar door zijne persoonlijkheid en vooral door de macht van het woord. Als redenaar was hij onwederstaanbaar. "'t Schijnt, dat Pericles den donder op zijne tong draagt, en de godin der overreding op zijne lippen zetelt," zeiden de Atheners. 't Was Pericles vooral te doen, door het volk te heerschen, daarom zocht hij het ook te vriend te houden. Ten einde de macht des adels te fnuiken, verminderde hij den invloed van den Areopagus, eene rechtbank, die het toezicht had op de zeden der burgers en de schatkist van den staat. De talrijke feesten, die hij het levenslustige en vroolijke Atheensche volk gaf, deden hem spoedig een volksman worden. Vooral was dit het geval, toen hij, door aan 't rechterambt eene bezoldiging te verbinden, ook den minderen man in staat stelde, dit ambt te bekleeden, iets, waartoe deze vroeger wegens de vele onkosten niet in staat was.

Athene was ten tijde van Pericles eene schoone, rijke stad, en dat had het vooral aan dezen merkwaardigen man te danken. Hoog boven Athene verhief zich de burcht van Athene (Acropolis). Een marmeren poort met heerlijke zuilen voerde naar den tempel van Minerva, de beschermgodin van de stad. Deze tempel, het Parthenon genoemd, bevatte het standbeeld van de godin, wonderschoon uit ivoor vervaardigd, omkleed met een' mantel van 't zuiverste goud. 't Was een meesterstuk van den beroemden beeldhouwer Phidias.

Op eene andere plaats werd het oog getroffen door het Odeon, een gebouw, ingericht voor muziekuitvoeringen of tooneelvoorstellingen en vervaardigd naar 't model van de reusachtige tent van Xerxes.

Prachtige tempels, heerlijke paleizen, schoone standbeelden en gedenkteekenen verrezen op verschillende plaatsen. 't Geld voor deze kostbare en grootsche werken vond Pericles in de bondskas.

Ten tijde van den oorlog hadden de bondgenooten gelden gestort tot aanschaffing van oorlogsbehoeften. Daar er voor dat doel geen geld meer noodig was, dacht Pericles deze gelden niet beter te kunnen besteden dan door Athene er mede te verfraaien. Toen de bondgenooten zich over deze eigenmachtige handeling alles behalve tevreden toonden, liet Pericles hen door de scherpte des zwaards gevoelen, dat macht boven recht gaat.

't Kon niet anders, of de Atheners moesten wel een beschaafd en kunstlievend volk worden. Hunne geheele opvoeding was er op ingericht, om hen alzijdig te ontwikkelen. Vandaar ook, dat iemand tegelijkertijd wijsgeer, wetgever, staatsman, veldheer en redenaar kon zijn. Zoowel voor de ontwikkeling van het lichaam, als voor de veredeling van den geest werd in Athene zorg gedragen. Daarvoor dienden de gymnasiën. Zulk een gymnasium lag in een ruimen tuin; in 't midden stond het groote gebouw, omgeven door een' zuilengang. Een gymnasium werd niet alleen bezocht door leerlingen en onderwijzers, maar ieder beschaafd man, die lust had zijnen geest met kundigheden te verrijken of anderen van den rijkdom zijner kennis te doen genieten, had er vrijen toegang.

In de gymnasiën werden de leerlingen, behalve in 't worstelen, rennen, zwemmen en 't hanteeren der wapenen, onderwezen in de wetenschappen, waaronder vooral de redekunst (de kunst om zich gemakkelijk, juist en sierlijk uit te drukken) eene eerste plaats innam.

Waren dus de gymnasiën oefenplaatsen voor jong en oud, de markt was het niet minder. De Athener toch hield niet van een huiselijk, maar van een openbaar leven. Op de markt spraken de rechters het recht uit, voerden de beroemdste redenaars het woord, hield het volk zijne vergaderingen, vertoonden beeldhouwers en schilders de vruchten van hunnen arbeid.

De markt was dus de verzamelplaats van al, wat Athene als schrander, edel, groot en schitterend had aan te wijzen.

Athene's hegemonie was weldra in eene drukkende tirannie ontaard, en de door hun voorspoed opgeblazen Atheners meenden, dat alles voor hen zwichten moest. Deze overmoed verdroot den anderen Griekschen staten, en zoo kon de oorlog niet lang uitblijven. Eene aanleiding gaf daartoe het eiland Corcyra (Corfu).

Corcyra, eene volkplanting van het rijke en aanzienlijke Corinthe, was in oorlog geraakt met de moederstad, en zich zelf niet krachtig genoeg gevoelende, had het Athene om hulp verzocht. Athene wilde niets liever dan dit; het was nu in de gelegenheid het aanzienlijke Corinthe te vernederen. Hierin vonden de meeste andere staten, met Sparta aan het hoofd, aanleiding om Athene den oorlog te verklaren, ten einde zich zoo van de gehate tirannie te bevrijden. Pericles, die zelf den oorlog aangeraden had, beleefde het einde er van niet.

Eene verschrikkelijke pest deed hem in 't jaar 429 v. Chr. ten grave dalen.


13. SOCRATES.

Onder de wijze en edele mannen, die de oudheid heeft aan te wijzen, behoort Socrates in de eerste plaats genoemd te worden. Hij was de zoon van een' beeldhouwer en oefende zich in zijne jeugd in 't handwerk zijns vaders. Doch dit werk kon zijn' dorst naar wijsheid niet bevredigen. Met alle kracht streefde hij er naar, zich zelven zoo veel mogelijk te volmaken, en door leer en voorbeeld het toenemende zedenbederf in Athene te keer te gaan. Door zijn rijken vriend Criton werd hij in de gelegenheid gesteld, de geschriften der wijzen te beoefenen en het onderricht der beroemdste leeraars bij te wonen. Hij maakte echter van zijne wijsheid geene handelszaak, zooals andere geleerden van die dagen, maar trachtte vooral door zijn voorbeeld de voortreffelijkheid zijner leer aan te toonen. Dientengevolge onderwees hij niet in 't een of ander gebouw, maar bevond zich meest op openbare plaatsen, waar gewoonlijk vele menschen bijeenkwamen en deelde daar zijne lessen uit. Ook was hij steeds vergezeld van eene schaar jongelieden, die prijs stelden op zijn onderwijs en geheel met zijne denkbeelden vervuld werden. Onder die leerlingen tellen wij vele beroemde mannen, die naderhand heerlijke werken hebben geschreven, welke de bewondering van tijdgenooten en nageslacht hebben gaande gemaakt. Wij noemen onder velen Euclides, die zooveel prijs stelde op 't onderwijs van Socrates, dat hij er niet tegen opzag een' weg van 8 uren gaans af te leggen, ten einde gedurende een' dag het onderwijs van den geliefden meester te kunnen genieten.

Verder Xenophon. Deze, een zeer schoon jongeling, ontmoette Socrates op de straat en werd door dezen staande gehouden met de woorden: "Waar koopt men meel?" "Wel op de markt," antwoordde de gevraagde. "En olie?" "Ook daar." "Maar waar gaat men heen, om wijs en deugdzaam te worden," vroeg Socrates verder.

Toen Xenophon daarop niet dadelijk wist te antwoorden, zeide Socrates: "Volg mij, ik zal 't u zeggen." Van stonden aan was Xenophon een der ijverigste leerlingen van Socrates. Verder hebben Plato, Antisthenes en anderen zich door hunne geschriften wereldberoemd gemaakt.

En wat leerde die wijze man dan wel? "Ken u zelven" was zijne zinspreuk. Zich zelven te beheerschen, zijne hartstochten in toom te houden, met zoo weinig mogelijk tevreden te zijn: dat waren de hoofdzaken, die hij leerde niet alleen, maar die hij ook in beoefening bracht. Matigheid beschouwde hij als den grondslag der deugd. Wie het minste behoeft, zeide hij, is het meest den goden gelijk. Hij zelf was dan ook een voorbeeld van matigheid in spijs, drank en kleedij, waardoor hij gehard werd tegen koude, hitte, honger en dorst. Zijn van nature driftigen aard wist hij door aanhoudende oplettendheid op zich zelven zoo te bedwingen, dat hij in alle omstandigheden zijne bedaardheid behield en zelfs bij de grofste beleedigingen niet toornig werd.

Hij had trouwens wel gelegenheid zich in geduld en lijdzaamheid te oefenen, want hij bezat eene vrouw, wier naam nu nog dient om een uiterst lastig en onverdraagzaam humeur aan te wijzen. Zij heette Xanthippe. Een enkel staaltje uit vele. Eens was zij weder in eene uiterst kwade bui. Socrates hoorde bedaard en kalm den vloed harer scheldwoorden en verwijtingen aan, maar toen zijne bedaardheid haar nog steeds woedender maakte, verliet hij het huis. Nu goot Xanthippe hem eene kom met water over 't hoofd. Zonder eenigszins boos te worden, zeide Socrates: "Ik dacht het wel, dat op dat onweder nog regen zoude volgen."

Zijn geestige en bezielende taal, maar vooral zijn leven en werken, konden niet nalaten, grooten invloed uit te oefenen op zijne tijdgenooten. Velen, die zich anders weinig om de deugd bekommerden, kwamen door hem tot inkeer.

Zelfs de lichtzinnige Alcibiades (waarover later) moest van hem bekennen: "Door Socrates woorden word ik zoo geroerd, dat mij het hart klopt en de tranen mij in de oogen komen." Een openbaar ambt bekleedde hij niet, maar niettemin kweet hij zich voortreffelijk van zijne plichten als burger. Riep het vaderland zijne zonen op ten strijde, dan vond het Socrates dadelijk bereid, en toonde hij een even dapper krijgsman als wijs leeraar en voorbeeldig mensch te zijn. Maar streng was hij, onverbiddelijk streng. De rijken en aanzienlijken moesten dikwijls harde waarheden van hem hooren, en daarom haatten zij hem en zochten hem ten val te brengen. En werkelijk wisten zijne vijanden het zoover te brengen, dat hij beschuldigd werd, de goden beleedigd en de jeugd bedorven te hebben. Zijne verdediging was waardig en verheven; toch veroordeelde de rechtbank hem tot het drinken van den giftbeker.

Kalm en bedaard hoorde de 70 jarige grijsaard dit vonnis aan. Zijne leerlingen echter waren ten prooi aan de grootste droefheid en wanhoop. "Ach," zegt Apollodorus, "het grieft mij, dat gij zoo onschuldig moet sterven." Glimlachend antwoordt Socrates: "Zoudt gij misschien liever willen, dat ik schuldig stierf?" Maar men wil den geliefden meester bevrijden. Voor geld kan men in Athene veel gedaan krijgen. Criton heeft de wachters omgekocht. Alles is tot de vlucht naar Thessalië voorbereid. Criton kende echter nog niet de strenge beginselen van zijn' leeraar en vriend. "Mijn lieve Criton!" zegt Socrates, "ik heb zoolang de zegeningen genoten van de wetten van den staat, zoude ik er mij nu nog aan bezondigen? En bovendien wijs mij eene plaats aan waar men niet sterft."

De laatste dagen bracht Socrates met zijne geliefde jongeren in den kerker door, sprekende over de onsterfelijkheid der ziel en andere merkwaardige zaken.

Kalm en onverschrokken dronk de edele man den giftbeker. Met hem stierf Griekenlands edelste en beste burger. Pas was Socrates gestorven, of Athene besefte, dat het eene misdaad tegen hem gepleegd had. Men haastte zich zooveel mogelijk, zijne nagedachtenis te huldigen en zijne eer te herstellen, en de rechters, die voor zijnen dood gestemd hadden, werden zoodanig aan de openbare verachting prijsgegeven, dat sommigen de stad verlieten en anderen zich van het leven beroofden.


14. ALCIBIADES (PELOPONNESISCHE OORLOG).

Toen wij over Pericles spraken, hebben wij tevens gewaagd van een' oorlog, die ontstond tusschen Athene en de bondgenooten, met Sparta aan het hoofd (431-404). In dien voor Griekenland zoo treurigen tijd verschijnt een man op het wereldtooneel, die zoowel door de fortuin als door de natuur rijk gezegend was. Wij bedoelen Alcibiades. Van zeer aanzienlijke geboorte, bovenmate rijk, bezat hij tevens een schoonen lichaamsbouw, en had hij, bij een allergunstigsten aanleg, lust en liefde voor kunsten en wetenschappen. Ook was hij, 't geen in Athene niet weinig gold, ruim bedeeld met de gave der welsprekendheid. Hij zoude dus een waardig opvolger van Pericles zijn geworden, wanneer hij rust en bezadigdheid en minder eer- en heerschzucht bezeten had.

De bloedige oorlog tusschen de Grieksche staten had reeds 10 jaren geduurd, toen er door den vrede van Nicias een eind aan werd gemaakt. (421 v. C.) Echter voor korten tijd; de haat tusschen de beide voornaamste steden was te groot, dan dat een duurzame vrede mogelijk geweest ware.

Niemand was blijder, toen de oorlog weder uitbrak, dan de jonge Alcibiades. In den oorlog toch was roem te behalen, kon hij van zich laten spreken, kon hij schitteren. Hij wist dan ook te bewerken, dat er eene groote vloot werd uitgezonden naar Sicilië, om Syracuse en vervolgens het geheele korenrijke eiland te overmeesteren. 't Spreekt van zelf, dat hij zorgde, een der bevelhebbers te worden. Maar zijne talrijke vijanden zochten zijnen ondergang te bewerken. Nog eer de vloot uitliep, waren in Athene op zekeren nacht al de Hermeszuilen (standbeelden aan den god Mercurius gewijd) verminkt, en algemeen beschuldigde men Alcibiades, dat hij met zijne brooddronken soldaten, deze heiligschennis gepleegd had. Men liet hem echter eerst met de vloot uitzeilen, want zijne persoonlijkheid en welsprekendheid waren betooverend, en hij was de lieveling des volks.

In zijne afwezigheid werd hij van heiligschennis beschuldigd, en een schip de vloot nagezonden, om hem te halen.

Alcibiades ging eerst ook werkelijk mede, doch bedenkende, hoe wankel de volksgunst is, wist hij te ontvluchten naar eene veilige plaats. Te Athene werd hij nu ter dood veroordeeld.

"Ik wil hun toonen, dat ik nog leef," zeide hij en vertrok naar Sparta, Athene's doodvijand, waar hij met open armen ontvangen werd. Hier bewees hij den Spartanen dan ook voortreffelijke diensten door hun aanwijzingen te geven, hoe zij Athene het meeste kwaad konden berokkenen. De tocht naar Sicilië mislukte geheel. De aanvoerder Nicias werd openlijk te Syracuse onthoofd en eene groote menigte gevangenen zagen hun leven ellendig verkwijnen in de steengroeven van Syracuse.

Het gelukte Alcibiades intusschen niet, voortdurend het vertrouwen der Spartanen te behouden. Zijn overmoed verwekte hem ook hier vele vijanden en toen hij zijne veiligheid te Sparta bedreigd zag, vertrok hij naar het eiland Samos, waar de Atheensche vloot lag.

Nadat hij zich met zijne vaderstad verzoend had, behaalde de vloot onder zijne leiding verschillende overwinningen op de Spartanen en hunne bondgenooten. Nu was hij weder de man des volks. Hij, de ter dood veroordeelde, werd onder het gejubel der menigte te Athene ingehaald; de zuil, waarop zijne misdaad gegrift was, in zee geworpen en het opperbevel over de land- en zeemacht hem opgedragen. Eenige maanden later werd het hem echter weer ontnomen, toen zijn onderbevelhebber, in weerwil van zijn uitdrukkelijk bevel, in zijne afwezigheid slag leverde tegen de Spartanen, welke slag met de vernietiging der Atheensche vloot eindigde. Hij vluchtte vervolgens naar Thracië en daarna naar den Perzischen stadhouder in Klein-Azië; maar de Spartanen, zijnen invloed en zijne bekwaamheden vreezende, vervolgden hem ook hier, en lieten hem door sluipmoordenaars om 't leven brengen. (404).

Dat was het uiteinde van den schitterenden en hoogbegaafden, maar zelfzuchtigen en eerzuchtigen Alcibiades.

Athene ging nu met rassche schreden zijnen ondergang te gemoet. Lysander, de Spartaansche veldheer, versloeg de Atheners geheel en al; een vijandelijk leger bezette de stad; de muren werden afgebroken, de vloot weggevoerd, de democratische regeering afgeschaft en een aristocratisch bestuur (30 tirannen) er voor in de plaats gesteld. Athene's grootheid was voor altijd te niet.


15. EEN GEVAARLIJK HELPER (PHILIPPUS).

Wij zien van nu aan Griekenland ten prooi aan binnenlandsche onlusten. Nadat Sparta een' tijdlang eene drukkende tirannie had uitgeoefend, gelukte het aan het kleine Thebe, om onder zijne dappere veldheeren Epaminondas en Pelopidas voor een korten tijd de hegemonie te verkrijgen. We zeggen voor een korten tijd, want weldra mengde zich een vreemdeling in de Grieksche zaken, waardoor de zelfstandigheid van Griekenland geheel te niet ging. Die man was de bekwame, maar sluwe Philippus van Macedonië. Door list en geweld had hij zich den weg tot den troon gebaand; door list en geweld wist hij zich invloed en macht in Griekenland te bezorgen. De aanleiding hiertoe was deze. De bewoners van het landschap Phocis, waarin de heilige stad Delphi lag, hadden heilig land bebouwd en waren daarom tot betaling eener groote somme gelds veroordeeld. Toen de betaling achterwege bleef, werd besloten tot een' krijgstocht tegen Phocis (heilige oorlog 355). De Phocensen wierven huurtroepen aan en vielen daarmede zegevierend in Thessalië.

De Thessaliërs verzochten den Macedonischen koning om hulp, die deze hun ook verleende.

Hij versloeg de Phocensen en wist later door list en omkooping zooveel te bewerken, dat hij in een' oorlog tegen de bewoners van 't landschap Locris tot opperbevelhebber over 't Grieksche leger werd benoemd.

Te laat zagen de Grieken in, dat zij een' wolf tot herder over de kudde hadden aangesteld; te laat lieten zij recht wedervaren aan den beroemden Demosthenes, die niet opgehouden had met zijn onnavolgbaar redenaarstalent tegen de heerschzucht van den Macedoniër te waarschuwen.

Toen de Grieken zich nu met geweld van wapenen van den geweldenaar wilden ontdoen, werden zij in den geduchten slag bij Chaeronea (338) geheel verslagen. Met de Grieksche vrijheid was het gedaan.

De eerzuchtige plannen van Philippus waren veel omvattend. Het groote, maar reeds kwijnende Perzische rijk te doen vallen, was zijn doel. Te dien einde liet hij zich door de Grieken tot opperbevelhebber van een' krijgstocht tegen de Perzen benoemen. Deze tocht was echter weggelegd voor zijn beroemden zoon Alexander. Hij zelf werd op een bruiloftsfeest verraderlijk vermoord.


16. ALEXANDER DE GROOTE.

Alexander was een prins van den voortreffelijksten aanleg. Zijn vader Philippus trachtte dezen aanleg door allerlei lichaamsoefeningen en een goed onderwijs op de beste wijze te ontwikkelen.

Te dien einde riep hij den beroemden Aristoteles aan zijn hof, om de opvoeding van zijn hoopvollen zoon op zich te nemen. "Ik verheug mij," schreef hij aan Aristoteles, "dat het kind geboren is, terwijl gij leeft, om het te kunnen onderrichten en tot een goed koning op te leiden."

Alexander was in alle opzichten zulk eenen leermeester waardig; want hij leerde met den grootsten ijver en was met zijne gansche ziel aan zijnen leermeester verknocht. Reeds vroeg haakte Alexander naar verhevene, roemwaardige daden.

Koning te zijn over de geheele wereld was zijn vurigste wensch. Zoo dikwijls boden de tijding brachten van de overwinningen zijns vaders, werd hij bedroefd en zeide eens weenend: "Ach, mijn vader zal nog de geheele wereld veroveren en mij niets overlaten." Het liefst hoorde hij zijne leermeesters vertellen van de groote daden der oude helden, van oorlogen en veldslagen. Homerus was daarom zijn lievelingsdichter. Hij wenschte een held te worden als Achilles en hoopte even schoon bezongen te worden.

Op zijne veldtochten had hij Homerus' gedichten in een gouden kistje dan ook altijd bij zich. Op den ouderdom van achttien jaren toonde hij reeds zijne dapperheid in den slag bij Chaeronea, waarin de Grieken hunne vrijheid verloren.

Toen hij twee jaren later, na de vermoording zijns vaders, zelf koning werd, dachten de Grieken van zijne jonkheid en onervarenheid gebruik te kunnen maken om hunne vroegere onafhankelijkheid weder te herwinnen. De stad Thebe moest echter ondervinden, dat met den twintigjarigen Macedonischen koning niet te spotten viel. De stad werd stormenderhand ingenomen en tot den grond geslecht.

Alleen het huis van Pindarus, den dichter, die in schoone liederen de overwinnaars in de Grieksche kampspelen bezongen had, liet Alexander sparen.

Nu weigerde geen der Grieksche staten den moedigen en ondernemenden jongeling meer gehoorzaamheid. Te Corinthe liet hij zich benoemen tot opperbevelhebber der Grieken tegen de Perzen. Aan het hoofd van een leger van 35000 man trok Alexander dan ook in 334 op om het reeds kwijnende Perzische rijk aan te vallen.

Hij stak den Hellespont over, en toen hij den voet op Aziatischen bodem zette, riep hij zegevierend uit: "Azië is mijn!"

Nadat Alexander het slagveld van Troje en vooral het graf van Achilles bezocht had, kwam het bij een klein riviertje de Granicus tot een hardnekkig gevecht tusschen het Grieksch Macedonisch leger en het Perzische, waarbij Alexander zoude gedood zijn, had niet zijn vriend Clitus hem gered.

Door deze overwinning werd hij meester van Klein-Azië. De eene overwinning volgde nu op de andere. Steden, die zich niet vrijwillig overgaven, werden stormenderhand ingenomen. Toch besloot de Perzische koning Darius Codomannus alle pogingen aan te wenden om den zegevierenden Macedoniër in zijne overwinningen te stuiten.

Met een leger van 600,000 man viel Darius het veel zwakkere leger van Alexander aan bij Issus, maar de Grieksche dapperheid en krijgskunst behaalden ook hier weder de zege op de overmacht. (333).

Honderdduizend Perzen sneuvelden; Darius vluchtte. Zijne moeder, zijne vrouw, twee dochters en een zoon benevens een onmetelijke buit vielen den overwinnaar in handen. Geheel tegen het toenmalige krijgsgebruik behandelde hij zijne aanzienlijke gevangenen met de grootste achting en eerbied. Toen Darius dit vernam, werd hij daardoor zoo getroffen, dat hij uitriep: "Goden! laat mij mijn rijk behouden, maar hebt gij den ondergang er van besloten, geef het dan aan Alexander van Macedonië."

De jonge held trok nu, zonder zich verder om Darius te bekommeren, langs de zeekust naar het zuiden, veroverde en verwoestte de rijke en machtige handelsstad Tyrus, maakte zich vervolgens meester van Palaestina en rukte eindelijk over de landengte van Suez naar Aegypte.

Aegypte was vroeger door Cambyses, koning van Perzië, veroverd en steeds hard behandeld; daarom beschouwden de Aegyptenaren de Perzen als hunne doodvijanden.

Geen wonder dus, dat men in Aegypte Alexander als redder begroette. Zijn tocht door het land geleek een zegetocht. Aan een der monden van den Nijl stichtte hij een nieuwe handelsstad, naar hem Alexandria genoemd, die weldra in plaats van het verwoeste Tyrus de zetel van den wereldhandel werd. In de groote Lybische zandwoestijn lag eene oase en daarin een tempel, aan Jupiter gewijd. Van de priesters van dezen god werd, evenals van die te Delphi, gezegd, dat ze de toekomst konden voorspellen. Alexander wenschte dien tempel te zien, die priesters te hooren en ondernam daarom een gevaarvollen tocht door de woestijn, dien hij echter gelukkig volbracht.

Door de priesters van Jupiter werd hij tot zijn groote vreugde voor een' zoon van Jupiter verklaard. Na dezen grooten uitstap keerde hij naar Azië terug, om Darius op te zoeken. Hij vond hem bij Arbela in Assyrië met een leger, in aantal wederom verre het zijne overtreffende. Alexanders krijgskunde en de dapperheid zijner troepen behaalden echter ook hier de overwinning. (331).

Nu was het Perzische rijk geheel in de macht van den stoutmoedigen Macedoniër. De voornaamste Perzische steden Babylon, Susa, Persépolis en Ecbatana vielen den overwinnaar in handen. Darius zocht zijn heil in de vlucht, maar werd door zijnen landvoogd Bessus gevangengenomen en verraderlijk vermoord. Deze laaghartige kreeg echter weldra de straf voor zijne snoodheid. Alexander liet hem vervolgen: hij werd gevat en ter dood gebracht. Darius' lijk liet hij echter naar Persépolis, de begraafplaats der Perzische koningen, brengen en daar op koninklijke wijze ter aarde bestellen. 't Scheen Alexander ondertusschen in Azië goed te bevallen, althans hij toonde volstrekt geen lust om naar Macedonië terug te keeren.

Hij huwde eene Perzische vrouw, liet zich op Oostersche wijze bedienen, eischte, dat men zich op Oostersche wijze voór hem zou nederwerpen en kleedde zich als een Pers. Hij hoorde gaarne, dat men hem bovenmate vleide; wie dit niet verkoos te doen, maakte zijn' toorn gaande, zooals bleek, toen hij zijn' vriend Clitus, die niet instemmen wilde met de laffe vleierijen der anderen, eigenhandig doorstak.

Het bezit van het Perzische rijk was echter op verre na niet voldoende om de eer- en heerschzucht van Alexander te bevredigen. Indië, het fabelachtige, rijke Indië te onderwerpen was nu het doel van zijn streven. Toen hij de grensrivier, den Indus, overtrok, kwamen hem verscheidene vorsten met rijke geschenken te gemoet. Eén koning echter, de dappere Porus, poogde hem het verder doordringen te beletten. Maar hoewel hij en zijn leger wonderen van dapperheid ten toon spreidden, moest ook hij het onderspit delven. Met wonden bedekt werd hij gevangengenomen, maar door Alexander allergrootmoedigst behandeld; hij kreeg niet alleen zijn geheel koninkrijk terug, maar ontving daarenboven nog verschillende nieuwe provinciën.

Na de onderwerping van Porus zou het Alexander niet moeielijk zijn gevallen geheel Indië te veroveren, wanneer zijne Macedoniërs niet oproerig geworden waren en geweigerd hadden hem verder te volgen.

Alexander moest dus tot den terugtocht besluiten, die dan ook onder de grootste bezwaren ondernomen werd. Te Babylon aangekomen, ontwierp hij weder nieuwe veroveringsplannen, maar te midden zijner groote toerustingen rukte de dood hem weg in den nog jeugdigen ouderdom van 33 jaren. (323).

Treurig en mismoedig stonden zijne veldheeren en vrienden bij zijn sterfbed.

Hij reikte hen de hand, en na hen veelbeteekend aangezien te hebben, zeide hij: "Ik heb een voorgevoel, dat er na mijnen dood bloedige twisten zullen ontstaan." Men vroeg hem nog, wien hij tot opvolger bestemde.

Hij antwoordde: "den waardigste." Alexanders voorzegging kwam uit. Zijn dood was het sein tot een langen en bloedigen strijd. Toch hebben zijne veroveringen zeer veel goeds tot stand gebracht; want daardoor kwamen de Grieken met de Oostersche volken in aanraking, werden beschaafder en leerden elkander meer achten als menschen van gelijke beweging en afkomst.


17. DE STICHTING VAN ROME.

(753).

We willen nu Griekenland, dat langen tijd het tooneel der wereldgebeurtenissen was, verlaten en verplaatsen ons met onze gedachten naar het heerlijke Italië. Nog altijd blijft Rome de merkwaardigste stad van Italië niet alleen, maar in vele opzichten ook van de wereld. Vooreerst wegens hare oudheid, waarin weinige steden van Europa met haar kunnen wedijveren, maar ook vooral wegens de groote rol, die zij langen tijd in de geschiedenis der wereld heeft gespeeld en in zekeren zin nog speelt. Het verhaal van de stichting dezer stad is zoo wonderlijk, dat men aan eene sage moet denken, waarin waarheid en verdichting zoodanig dooreengemengd zijn, dat de eerste moeielijk is aan te wijzen, het verhaal luidt aldus:

Na de verwoesting van Troje vluchtte de koningszoon Aeneas met eenige getrouwen naar Italië, en wel naar 't landschap Latium, welks koning hem vriendschappelijk opnam. Zijn zoon Ascanius stichtte de stad Alba Longa, die weldra de hoofdstad werd van een koninkrijk van dien naam. De achtste koning, Procus genaamd, liet bij zijn overlijden twee zonen na, Numitor en Amulius, van welken de oudste hem zou opvolgen.

Numitor werd echter door zijn heerschzuchtigen, jongeren broeder van den troon gestooten, die ook zijn' zoon op de jacht doodde en zijne dochter Rhea Silvia dwong Vestaalsche maagd (priesteres van Vesta) te worden, waardoor zij de gelofte moest afleggen, nimmer te huwen.

In weerwil van die gelofte huwde zij in stilte en kreeg tweelingzonen. Toen Amulius dit gewaar werd, was zijne woede grenzenloos. Hij liet de moeder in de gevangenis, de kinderen in den Tiber werpen.

De Tiber was juist buiten zijne oevers getreden, en de kinderen bleven, toen 't water wegliep, in hun mandje op het droge staan. Eene wolvin, die daar kwam, zoogde de van honger schreiende knaapjes en een specht deelde de voedsterzorgen met haar.

Zoo werden zij door Faustulus, herder van Amulius, gevonden. Deze, wel wetende, wat er gebeurd was, giste dadelijk de afkomst der kinderen en, bewogen met hun lot, nam hij ze mee naar zijne vrouw, die ze als hare kinderen opvoedde. De knapen, Romulus en Remus genaamd, onderscheidden zich reeds spoedig van de andere herdersknapen door hunnen moed. Zij verdedigden de kudden van hunnen pleegvader tegen wilde dieren en roovers. Ook kwamen zij niet zelden in strijd met andere herders over de beste kudden. Bij een gevecht met Numitors herders werd Remus eens gevangengenomen en voor Numitor gevoerd. Nu snelde Faustulus met Romulus spoedig naar Numitor en ontdekte het gansche geheim. Dadelijk waren de driftige jongelingen er op bedacht, zich op hunnen wreeden oudoom te wreken. Zij riepen hunne gezellen op, overvielen Amulius in Alba Longa, doodden hem en herstelden Numitor in zijne verloren waardigheid. Deze gaf hun tot loon een stuk land, ongeveer ter plaatse, waar zij door Faustulus gered waren, met den raad, daar eene stad te bouwen. De broeders volgden dien raad en bouwden eene stad, die natuurlijk eerst zeer onaanzienlijk was. Toen het bouwen gedaan was, moest de stad eenen naam hebben. Nu ontstond er twist tusschen de beide broeders, wie dien zou geven. Daar men 't niet eens kon worden, wilde men de beslissing aan de goden overlaten. Deze zouden door de vlucht hunner vogels (de adelaars) aanwijzen, wie de eer zouden hebben, de stad te benoemen. Maar ziet! nu ontstond er weer verschil, daar Remus het eerst zes arenden en Romulus er kort daarna twaalf zag.

Remus beweerde, omdat hij ze 't eerst gezien had, de gunsteling der goden te zijn, terwijl Romulus hetzelfde volhield, omdat hij de meeste vogels gezien had.

Toen Remus zijn' broeder daarenboven nog bespotte over de geringheid van den bouw, en ten bewijze daarvan over den ringmuur heensprong, werd Romulus zoo toornig, dat hij zijn' zwaard greep en zijn' broeder versloeg. Nu had hij dus geenen mededinger meer, en zijne stichting kreeg den naam van Rome.

Thans kwam het er op aan bewoners in de stad te krijgen. Daarom noodigde Romulus allen uit, onverschillig wie, om zich in de nieuwe stad metterwoon te vestigen.

Dat de bevolking, die er kwam, niet van de allerfijnste soort was, laat zich licht begrijpen, en dat de inwoners van Rome weldra niet ter goeder naam en faam bekend stonden, eveneens. Daarom konden de Romeinen ook geene vrouwen ten huwelijk krijgen, hoeveel moeite zij daartoe ook aanwendden. Zij gingen nu hunne toevlucht tot list en geweld nemen. Romulus noodigde de omliggende volken, vooral de Sabijnen, uit tot een groot feest. Deze kwamen in de vreedzaamste stemming der wereld ongewapend met hunne vrouwen en dochters. Te midden van het feest evenwel vielen de gewapende Romeinen op de niets kwaads vermoedende vrouwen aan en sleepten ze in hunne huizen, terwijl hare mannen, broeders en vaders vluchtten. Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.

Romulus ruimde zijn' medekoning echter spoedig uit den weg en regeerde overigens zoo willekeurig en wreed, dat hij den algemeenen haat der aanzienlijken (patriciërs) op zich laadde. Dezen maakten hem daarom in een raadsvergadering van kant en vertelden aan 't volk, dat hij uit hun midden ten hemel was gevaren.


18. EEN VRIEND VAN ZIJN VADERLAND (BRUTUS).

250 Jaren lang regeerden er koningen over Rome. Slechts onder een enkelen van deze en wel onder den opvolger van Romulus, den Sabijn Numa Pompilius, bleef het zwaard rusten.

Numa maakte zich voor Rome verdienstelijk door het geven van wijze wetten en de regeling van den godsdienst. Zijn tienjarig bestuur was de gelukkigste tijd, dien Rome onder zijne koningen had. De meeste zijner opvolgers waren er op bedacht Rome's grondgebied te vergrooten, zoodat de tempel van Janus door Numa, den man des vredes, gesticht, maar zelden gesloten was. Deze tempel n.l. mocht alleen in vredestrijd gesloten worden.

Langzamerhand werden de volken in de onmiddellijke nabijheid van Rome door de oorlogzuchtige Romeinen onderworpen en wel het eerst de bewoners van de moederstad Alba Longa (Horatiërs en Curatiërs). De laatste der koningen was Tarquinius om zijne trotschheid de trotsche (superbus) geheeten. Door vele misdaden en bezoedeld met het bloed zijns schoonvaders Servius Tullius was hij tot den troon gekomen; door geweld en wreedheid zocht hij zich staande te houden. Hij begon zijne regeering met het dooden van al de leden zijner familie, met uitzondering van Lucius Junius, die, door zich onnoozel te houden, den dood ontkwam en als een onschadelijk wezen ten speelbal der hovelingen aan het hof bleef leven. Daarom kreeg hij den bijnaam van Brutus (de onnoozele). Tarquinius maakte zich intusschen door zijne trotschheid bij aanzienlijken en geringen meer en meer gehaat, totdat de schandelijke daad van zijn' zoon Sextus de maat deed overvloeien. Terwijl Tarquinius eene vijandelijke stad belegerde, ging Sextus de vrouw van een' der legeraanvoerders, Collatinus, op eene gruwelijke wijze beleedigen.

Lucretia, zoo heette de vrouw, liet daarop haren man en eenige beproefde vrienden uit het leger komen, verhaalde hun het voorgevallene en, den aangedanen smaad niet willende overleven, haalde zij een' dolk voor den dag en stak zich dien in het hart.—Nu toonde Brutus, dat zijne onnoozelheid slechts schijn was. Hij liet het lijk van Lucretia naar de markt brengen, verhaalde aan 't verzamelde volk de toedracht der zaak, trok den dolk uit de borst der edele vrouw en riep vervolgens het volk op om het juk van den gehaten tiran af te schudden.

Zijne woorden vonden algemeenen bijval. Men sloot de poorten, terwijl Brutus naar het leger snelde en daar wist te bewerken, dat ook dit den Koning afvallig werd en naar Rome terugkeerde. 't Koningschap werd afgeschaft en Rome tot eene republiek verklaard. In de plaats des konings kwamen nu twee mannen, consuls genaamd, die slechts voor één jaar gekozen werden, aan het hoofd van den staat.

't Volk koos uit dankbaarheid als eerste consuls de beide bevrijders van de tirannie: Brutus en Collatinus. 't Was er echter verre af, dat de verdreven Koning lijdelijk in zijne afzetting berustte. Eerst zocht hij in Rome ten zijnen gunste eene samenzwering te smeden. Werkelijk lieten zich eenige aanzienlijke jongelieden, die den glansrijken hofstaat en de schitterende feesten, door den Koning gegeven, boven de vrijheid stelden, overhalen om pogingen aan te wenden ter herstelling van het koningschap. De samenzwering werd echter toevallig door een' slaaf ontdekt en de schuldigen gevat. Onder dezen behoorden twee zonen van Brutus en twee neven van Collatinus.

Brutus toonde, dat de vrijheid van zijn vaderland hem boven alles dierbaar was. Hij zelf sprak, naar luid van het volksverhaal, over zijne zonen het doodvonnis uit, en nadat dit werkelijk aan hen voltrokken was, liet hij de natuur recht wedervaren. Hij omhulde zijn gelaat met zijnen mantel en ging weenend naar zijne woning. Collatinus poogde tevergeefs zijne neven te redden, maar verloor daardoor 't vertrouwen des volks, zoodat hij genoodzaakt was Rome te verlaten. Toen deze poging mislukt was, zocht Tarquinius op eene andere wijze te slagen. Hij zocht en vond hulp bij Porsenna, koning van Clusium (in Etrurië). Deze verscheen weldra met een machtig leger voor Rome's poorten en bracht de stad in 't uiterst gevaar. Bijna ongeloofelijke blijken van heldenmoed werden er tijdens deze belegering door de Romeinen gegeven.

Eeuwige roem verwierf zich in de eerste plaats Horatius Cocles. De Romeinen hadden een' uitval gedaan, maar werden door de Etruskers verslagen. Nu vloden zij naar de stad terug, op den voet gevolgd door de zegevierende vijanden. Gelukte het dezen met hen over de Tiberbrug te komen, dan waren zij in de stad en Rome was verloren. Daar houdt plotseling een dapper man stand. Hij beveelt zijnen makkers in allerijl de brug achter hem af te breken, terwijl hij alleen den strijd tegen de overmacht op zich neemt. Toen hij aan 't kraken der balken verneemt, dat de overtocht belemmerd is, werpt hij zich in den Tiber en komt, in weerwil van de pijlen der vijanden, behouden aan den anderen oever. Had Cocles voor 't oogenblik de stad gered, toch bleef haar toestand altoos nog hachelijk, te meer daar een hongersnood de ellende kwam vermeerderen. Daar weet een Romeinsch jongeling, Mucius, in de vijandelijke legerplaats en in 's Konings tent te dringen. Hij heeft vooraf aan den senaat verzocht den Koning te mogen dooden. Niet wetende, wie van de beide aanwezige personen de Koning is, doodt hij den geheimschrijver. Natuurlijk wordt hij gegrepen en door den Koning met de verschrikkelijkste straffen bedreigd. Doch Mucius roept uit: "Zie, hoe weinig hij om zijn leven geeft, wien groote roem voor oogen staat." En zijne rechterhand in 't vuur houdende, dat op een in de nabijheid staand altaar brandde, liet hij haar zonder een teeken van smart te toonen, verbranden. Ontzet over zulk eene onverschrokkenheid liet de Koning den jongeling van 't altaar wegsleuren en schonk hem de vrijheid. Nu verklaarde Mucius, die vervolgens den eerenaam Scaevola (linkerhand) kreeg, dat nog 300 jongelingen gezworen hadden den Koning te dooden. Hij was de eerste en had zich vergist, een ander na hem zou gelukkiger zijn.

Deze verklaring vervulde den Koning met schrik en ontzetting, zoodat hij zich geneigd toonde tot onderhandeling. Hij liet de zaak van Tarquinius varen, en, nadat de Romeinen hem oorlogsvergoeding en gijzelaars hadden verstrekt, toog hij naar zijn land terug.


19. TWISTEN TUSSCHEN PATRICIËRS EN PLEBEJERS.

Patriciërs en plebejers! wat waren dat voor menschen, vraagt ge voorzeker! Patriciërs waren de aanzienlijken, die veelal een groot grondbezit hadden en geroepen konden worden tot alle ambten en waardigheden, dus de regeerende stand; de plebejers waren het mindere volk, oorspronkelijk bewoners van de veroverde steden, die weinig of geen landbezit hadden en tot geen ambt of waardigheid konden gekozen worden.

De patriciërs maakten van hun recht weldra een schromelijk misbruik. Niet alleen dat zij bij alle gelegenheden aan de plebejers hunne overmacht deden gevoelen, maar daar zij, als de rijken, dikwijls de schuldeischers van de laatsten waren, behandelden zij dezen allervreeselijkst wreed en hardvochtig. Een schuldeischer mocht zijn schuldenaar tot slaaf maken, hem verkoopen, ja zelfs dooden. Recht tegenover den rijke had de arme volstrekt niet, en dus moest hij zich de gruwelijkste dwingelandij en knevelarij laten welgevallen. Toch poogden de plebejers meermalen in dien ondragelijken toestand verandering te brengen. De gelegenheid daartoe bood zich trouwens vaak genoeg aan. Hoe laag de patriciër ook neerzag op den plebejer, hij kon hem toch niet missen, voornamelijk niet in de vele oorlogen, die Rome met zijne naburen te voeren had. Dit wisten de plebejers zeer goed, en daarom weigerden zij eenvoudig te vechten, wanneer er een oorlog uitbrak. Dan moesten de patriciërs hen weer met mooie woorden en groote beloften paaien, om toch de wapens op te vatten.

Even vlug als zij in 't beloven waren, even handig waren zij er ook bij, om die beloften te verbreken, wanneer het gevaar geweken was. Eindelijk echter was 't geduld der verdrukte plebejers ten einde. Zij togen in 494 gezamenlijk uit Rome en naar den zoogenaamden Heiligen Berg met het doel, daar eene nieuwe stad te stichten. Nu waren de patriciërs op hunne beurt in verlegenheid en genoodzaakt iets toe te geven. Zij zonden eenen afgezant naar het volk, wien het gelukte eene verzoening tot stand te brengen. Echter niet dan nadat de schuldenlast verminderd, in de verhouding van schuldeischer en schuldenaar verbetering gebracht en volksvertegenwoordigers (tribunen) aangesteld waren.

Deze tribunen, die uit de plebejers mochten verkozen worden, moesten waken, dat het volk geen onrecht geschiedde en konden dat doen door tegen een besluit van den senaat hun veto (ik verbied het) te laten hooren, waardoor het senaatsbesluit niet ten uitvoer gebracht kon worden.

Met leede oogen zagen de patriciërs zich een deel van hunne vroegere macht over de verachte plebejers ontrukken. Zij haakten dus naar eene gelegenheid, waardoor zij den vroegeren toestand weder in 't leven konden roepen. Die gelegenheid bood zich spoedig aan in een vreeselijken hongersnood. De senaat had in Rome's korenschuur, Sicilië, koren laten opkoopen en wilde het nu gelijkelijk onder 't volk verdeelen. Een zeker trotsch patriciër, Marcius Coriolanus, stelde echter voor, het volk eerst dán koren te verstrekken, wanneer het van zijne verkregene rechten afstand wilde doen.

Toen de plebejers dit vernamen, werden zij woedend en daagden Coriolanus voor eene volksrechtbank. Deze echter, het ergste vreezende, verliet Rome en begaf zich naar Rome's vijanden de Volscen.

Aan 't hoofd van een machtig vijandelijk leger verschijnt hij weldra voor zijne vaderstad. Benarde toestand voorwaar! Van binnen de honger, van buiten een vijand, hunkerende naar den val van de steeds naar meer macht strevende stad. Men zendt boden naar Coriolanus, die hem eene eervolle terugroeping aanbieden. Tevergeefs; de trotsche patriciër wijst hen terug. De priesters, met alle teekenen van hunne waardigheid bekleed, zoeken hem tot den aftocht te bewegen, maar moeten eveneens onverrichter zake terugkeeren.

Maar ziet—daar nadert een stoet vrouwen. Aan 't hoofd er van gaat Coriolanus' moeder, Veturia, vergezeld van zijne gemalin Volumnia. Hij wil eerbiedig zijne moeder begroeten, maar trotsch wijst zij hem op hare beurt terug; zij wil in den verrader van zijn vaderland niet haren zoon erkennen. Dit is voor Coriolanus te veel. "Moeder!" zoo roept hij, "gij hebt Rome gered maar uwen zoon verloren."—Hij heft de belegering op, maar moet volgens sommigen door de verbitterde Volscen zijn omgebracht. (491 v. Chr.)

Lang duurde de strijd tusschen de plebejers en patriciërs; niet zelden kwam het tot bloedige botsingen. Toch wisten de plebejers het eene voorrecht na het andere machtig te worden, totdat omstreeks het jaar 300 v. Chr. de klove tusschen beide standen was aangevuld.

Ondertusschen was Rome wederom den ondergang nabij geweest. De Galliërs, een woest volk, dat eerst in zuidelijk Frankrijk had gewoond, waren in 't noorden van Italië gevallen en drongen zegevierend naar 't zuiden, alles plunderende en verbrandende. Door de hoogst onvoorzichtige handelwijze der Romeinsche gezanten tot woede geprikkeld, togen de Galliërs onder hunnen dapperen aanvoerder Brennus naar Rome, versloegen het Romeinsche leger bij de Allia, een kleinen bijvloed van den Tiber (390), veroverden Rome en verwoestten de stad. De inwoners waren voor 't grootste gedeelte naar 't Capitool gevlucht, waar zij onder aanvoering van den dapperen Manlius den vijand manmoedigen tegenstand boden (ganzen op 't Capitool). Toch zou ook deze sterkte hebben moeten vallen, ware niet te rechter tijd de vroeger wegens zijne trotschheid en overmoed verdrevene Camillus, de veroveraar van Veji, die de verstrooide troepen der Romeinen verzameld had, tot ontzet opgedaagd. De Galliërs werden verslagen en trokken terug. Rome werd schooner herbouwd.


20. HET HELDENTIJDVAK DER ROMEINSCHE REPUBLIEK.

(342-275 j. v. Chr.)

Het tijdperk van 342-275 j. v. Chr. is de schoonste tijd der republiek. Het is rijk aan voorbeelden van uitstekenden heldenmoed, van zelfopofferende vaderlandsliefde en van strenge rechtvaardigheid. Tevens geeft het ons eene groote mate van eenvoud en reinheid van zeden te aanschouwen, zooveel te meer opmerkelijk in een land als Italië, waar weelde en losbandigheid maar al te veel gehuldigd werden. Daardoor bleef de republiek niet alleen behouden te midden der groote gevaren, die haar bedreigden, maar trad zij grooter en machtiger dan ooit uit den worstelstrijd te voorschijn. De meeste volken van Italië, naijverig op den snellen bloei van Romulus' stichting, keerden hunne wapens tegen Rome. Hoewel de strijd niet altijd gunstig voor de Romeinen afliep, (Caudinische passen 321) bleek toch de onbezweken moed en de zelfopofferende vaderlandsliefde der Romeinen den vijanden te sterk te zijn.

Liever dan u de aanleiding tot de eindelooze oorlogen mede te deelen, willen wij liever wijzen op enkele der vele heldenfiguren, waaraan dit tijdperk zoo overrijk is. Daar zien wij hoog ten ros en in schitterende wapenrusting Marcus Curtius zich in den afgrond werpen, om zoo den toorn der goden te stillen. Hier offert de strenge consul Titus Manlius zijnen dapperen zoon op, omdat hij tegen het legerbevel met een hem uitdagenden vijand gevochten heeft. Elders weer wijdt consul Decius Mus zich ter dood, omdat de auguren de zege des legers afhankelijk van den val des aanvoerders hebben gesteld. In den heeten strijd bij Sentinum (295) offert de jongere Decius Mus zich eveneens voor 't heil des vaderlands op. Ook tooneelen als die van David en Goliath geeft ons dit tijdperk te aanschouwen. Hoe! wil die tengere jongeling (Titus Manlius) zich meten met dien Gallischen reus? Hij durft het wagen en weldra zien wij hem, versierd met den zwaren ketting zijns vijands (vandaar zijn bijnaam Torquatus) door het jubelend leger tot dictator verheven.

In 280 kwamen de Romeinen voor 't eerst in oorlog met een buitenlandsch vorst n.l. met Pyrrhus, koning van Epirus.

Begeerig naar avonturen, voldeed hij gaarne aan de uitnoodiging der Tarentijnen om hen tegen de Romeinen bij te staan. Met een uitmuntend leger, voorzien van olifanten, die aan den krijg gewoon waren, landde hij in Beneden-Italië en was weldra in twee veldslagen overwinnaar (280 en 279 v. Chr.) Toch kon de scherpzinnige Pyrrhus bij den eersten slag niet nalaten uit te roepen: "Met zulke soldaten was de wereld mijn;" en bij den tweeden: "Nog eene overwinning als deze en ik ben verloren."

Mochten de Romeinen ook een enkelen keer den moed laten zinken, de blinde Appius Claudius wist weder veerkracht in de harten der verslagenen te brengen en aan den gezant, dien Pyrrhus gezonden had, gaf de senaat het trotsche antwoord: "Over een' vrede kan slechts gehandeld worden, nadat Pyrrhus Italië verlaten heeft." De stand van zaken veranderde, toen Fabricius en Curius Dentatus aan 't hoofd des legers kwamen. Pyrrhus tracht den eerste om te koopen, maar Fabricius, hoewel zelf arm, wijst met verontwaardiging de glansrijke aanbiedingen van de hand; eene poging, door hem aangewend om den Romein door middel van een kolossalen olifant schrik aan te jagen, mislukte eveneens.

De tweede was zoo eenvoudig in zijne levenswijze, dat, toen de gezanten van den senaat hem voor de eerste maal zijne benoeming als consul brachten, ze hem bezig vonden met het koken van een gerecht rapen. Het geluk begon Pyrrhus den rug toe te keeren. In den geduchten slag bij Beneventum (275) werd zijn leger totaal verslagen, terwijl de meeste zijner olifanten, vroeger de schrik der Romeinen, in 's vijands handen vielen.

Hij was genoodzaakt als overwonneling naar zijn land terug te keeren.

Zoo waren de Romeinen langzamerhand meester geworden van geheel Italië; alle staten moesten òf als bondgenooten òf als onderworpen provinciën hunne oppermacht erkennen.


21. EEN MAN VAN ZIJN WOORD (REGULUS).

Omstreeks het jaar 888 stichtte Dido, zuster van den Phoenicischen koning Pygmalion, op de noordkust van Afrika eene kolonie, die den naam kreeg van Karthago. Deze kolonie werd weldra door handel en zeevaart rijk en machtig; zij strekte haar gebied niet alleen uit over een groot gedeelte van Afrika's noordkust, maar ook over Sardinië, Corsica en meer dan de helft van Sicilië. 't Kon wel niet anders, of twee volken als de Romeinen en de Karthagers, die beide naar de wereldheerschappij streefden, moesten in botsing met elkander komen. Er was slechts eene aanleiding noodig, en die liet niet op zich wachten. De Mamertijnen, ontslagen huurtroepen van Agathocles, tiran van Syracuse, maakten door roof en plundering het geheele eiland Sicilië onveilig en bemachtigden zelfs de stad Messana, die zij, na haar uitgemoord te hebben, als wijkplaats bij hunne strooptochten bezigden. Aan dezen stand van zaken poogden de Syracusanen een eind te maken. Hun koning Hiero viel de Mamertijnen met een leger aan en bracht hun zulk eene gevoelige nederlaag toe, dat ze naar hulp moesten uitzien. Een gedeelte hunner zocht ondersteuning bij de Romeinen; de overigen bij de Karthagers.

Het schoone en rijke Sicilië was eene te begeerige prooi voor Rome, dan dat het de bede der roofzuchtige Mamertijnen zoude afwijzen, hoewel het er vast op konde rekenen, dat de strijd met het machtige Karthago dan niet kon uitblijven. Weldra stak in een donkeren stormachtigen nacht een Romeinsch landingsleger op vlotten over de straat van Messina en veroverde verschillende versterkte plaatsen. Door een verbond met Syracuse zocht Rome de Karthagers geheel van Sicilië te verdrijven. Dezen echter wreekten zich door met hunne machtige vloten de kusten van Italië te bestoken en aan den handel van Rome's bondgenooten een geducht nadeel toe te brengen. De Romeinen zagen zeer goed in, dat zij in 't bezit van eene vloot moesten zijn, als ze met kracht tegen de Karthagers wilden optreden.

Met ontzaggelijk veel moeite en groote inspanning bouwden ze nu naar het voorbeeld van een gestrand Karthaagsch oorlogschip eene vloot. Ieder schip had aan weerszijden enterbruggen, waardoor het met een vijandelijk schip verbonden kon worden, en zoo veranderde het zeegevecht eenigszins in een landgevecht. Met deze vloot bevocht de consul Duilius de eerste overwinning op de Karthagers bij Mylae, eene kleine plaats in het n. o. van Sicilië (260). Nu werden de Romeinen overmoedig. Eene vloot van 330 schepen met een groot leger aan boord, zeilde onder bevel van den dapperen consul Regulus naar Afrika. De Karthagers werden herhaalde malen verslagen, en reeds stonden de zegevierende Romeinen voor Karthago's poorten, toen er Grieksche hulptroepen landden onder aanvoering van den bekwamen Spartaan Xantippus.

Nu werden de overwinnaars op hunne beurt overwonnelingen; het grootste gedeelte van 't schoone leger sneuvelde, de rest viel met den dapperen aanvoerder in handen der vijanden. In weerwil van de overwinning wenschten de Karthagers niets liever dan een eervollen vrede. Om dien te verkrijgen zonden zij, volgens het verhaal, den gevangen consul als afgezant naar Rome, na hem vooraf te hebben doen zweren naar Karthago terug te keeren, ingeval hij den vrede niet tot stand bracht. Regulus komt te Rome, kwijt zich van zijne opdracht, maar raadt tevens den senaat aan den oorlog met kracht vol te houden, daar de Karthagers uitgeput zijn. Noch de welmeenende raad van den senaat, noch de dringende beden zijner vrienden zijn in staat, hem ontrouw aan zijns eens gegeven woord te smaken. Hij keerde naar Karthago terug, waar een vreeselijke dood hem wachtte. Nu is 't u zeker ook duidelijk, waarom men Antonius Hambroek wel den Nederlandschen Regulus noemt.

Het einde van dezen oorlog, den eersten der zoogenaamde Punische oorlogen, (264-241) was, dat de Karthagers het korenrijke Sicilië ontruimen en eene groote som voor oorlogskosten aan de Romeinen moesten betalen.


22. HET ROMEINSCHE RIJK IN GEVAAR. (HANNIBAL).

Karthago zocht zich in Spanje schadeloos te stellen voor 't verlies van Sicilië. Hamilcar Barcas en Hasdrubal, veldheeren der Karthagers, veroverden er aanzienlijke streken lands. De verovering der stad Saguntum, die zich onder Rome's bescherming gesteld had, gaf aanleiding tot den tweeden Punischen oorlog (218-201), een' oorlog, waarin Rome op den rand van zijnen ondergang werd gebracht. De man, die dat bewerkte, was Hannibal. Opgevoed in haat tegen Rome, gloeiende van vaderlandsliefde, bedeeld met buitengewone geestesgaven, was hij de rechte man voor 't groote doel, dat hij beoogde. Dat doel was niet minder, dan uit Spanje een leger over de Pyrenaeën en de Alpen te voeren en zoo in Italië te vallen ten einde den Romeinen in hun eigen land de wet voor te schrijven. Stout plan voorwaar!

Toen hij na de ongehoordste ontberingen en gevaren eindelijk in Opper-Italië's vlakten verscheen, was zijn leger tot op de helft geslonken; al zijne olifanten waren omgekomen. Toch is hij sterk genoeg om den Romeinschen legers bij de Ticinus, bij de Trebia (twee bijvloeden van de Po) en bij het meer Trasimene (in het tegenwoordige Toscane) eene volkomen nederlaag toe te brengen (218 en 217). Zonder de krijgskunst van den dictator Fabius (cunctator=draler), toen op verre na niet genoeg door de Romeinen gewaardeerd, ware Rome hoogstwaarschijnlijk verloren geweest. Toen later Aemilius Paulus en Terentius Varro de wijze taktiek van Fabius lieten varen, en Hannibal bij Cannae slag leverden, was eene geduchte nederlaag het gevolg van hunne onbesuisdheid. 50000 Romeinsche lijken bedekten het slagveld (216). Cannae was echter de keerkring van Hannibals geluk. In 't weelderige Capua, waar hij met zijn leger den winter doorbracht, werden zijne krachtige krijgers ontzenuwd; kleingeestige naijver in zijne vaderstad liet het hem aan de noodige hulp ontbreken, terwijl Rome eene kracht en vastberadenheid ontwikkelde, geëvenredigd aan het gevaar, waarin het verkeerde. Verschillende Italiaansche volken verbraken het bondgenootschap met Hannibal, totdat ten laatste slechts enkele versterkte plaatsen in Beneden-Italië in zijne macht waren.

Daar steekt de koene Scipio, die reeds in Spanje blijken van grooten moed en zeldzame bekwaamheid had gegeven, met een leger naar Afrika over en bedreigt Karthago. Hannibal snelt zijne vaderstad te hulp. Tevergeefs: de slag bij Zama (202) was ten nadeele van de Karthagers, en onder de schandelijkste voorwaarden moesten zij den vrede afbidden. Overal vervolgd door de Romeinen, die hem haatten en tegelijk vreesden, bracht Hannibal zich door vergif om 't leven (183).

Eene stad, die door handel en nijverheid zijn bestaan vindt, herstelt zich langzamerhand van de verliezen, die het geleden heeft. Zoo ook Karthago. Dit konden de Romeinen niet dulden. "Karthago moet verwoest worden", zoo besloot Cato zijne meeste redevoeringen in den Senaat. Eene aanleiding daartoe was spoedig gevonden. Een naburig koning (Masinissa van Numidië) maakte voortdurend strooptochten op Karthaagsch grondgebied. De Karthagers, geen oorlog mogende voeren zonder verlof der Romeinen, verzochten dezen om hulp, doch tevergeefs. Ten einde raad, grepen zij eindelijk zelven de wapens op en verjoegen de indringers. Schoone gelegenheid voor de Romeinen om een leger naar Karthago te zenden, ten einde de stad voor 't verbreken van de vredesvoorwaarden te straffen! De Romeinen eischen gijzelaars; men geeft ze hun; vervolgens hunne wapens; ook deze worden overgeleverd. Toen zij echter van de bedrukte inwoners vorderen hunne stad te verlaten, en minstens vijf mijlen van de zee zich eene nieuwe stad te bouwen, zegevierde de onderdrukte vaderlandsliefde over de honende vorderingen en bedreigingen der Romeinen. Nu geeft Karthago ons een tooneel te aanschouwen, waarbij het gevoelige hart van smart moet ineenkrimpen. Meer dan twee jaren werd er gestreden, aan den eenen kant met den moed der vertwijfeling, aan den anderen met grenzenlooze verbittering. Ieder huis moest veroverd worden; voet voor voet verdedigden de Karthagers den dierbaren grond, tot eindelijk met de sterke burcht hun laatste toevluchtsoord was gevallen. De koningin der Middellandsche zee ging in vlammen op. De aanvoerder der Romeinen, Scipio Afrikanus de jongere, kon bij 't zien van 't afgrijselijk tooneel zijne tranen niet bedwingen. 't Getuigt meer voor hem dan menige zege, op 't slagveld behaald. Van de 700,000 inwoners bleven slechts 50000 over, om den triomftocht van Scipio meer luister bij te zetten. Zoo eindigde de derde of laatste Punische oorlog. (149-146).—In 't zelfde jaar, waarin Karthago viel, werd ook Corinthe door den consul Mummius ingenomen, en daarmede was geheel Griekenland in Rome's macht. Omstreeks het jaar 130 konden de Romeinen zich beroemen, dat hunne heerschappij zich reeds uitstrekte over drie werelddeelen.


23. TWEE VRIENDEN DES VOLKS (DE GRACCHEN).

Hoe glansrijk de toestand van Rome uiterlijk ook scheen, inwendig liet hij veel te wenschen over. 't Verschil tusschen patriciërs en plebejers was veel vereffend, maar dat tusschen rijken en armen was langzamerhand geweldig groot geworden. De groote schatten, die naar Rome uit de overwonnen gewesten vloeiden, waren slechts voor de voornamen; het volk moest leven van 't geen de rijken het verkozen toe te werpen. 't Volk was slechts een werktuig in de hand der aanzienlijken; de staatsambten werden niet meer bezet door de waardigsten, maar door diegenen, welke er het meest voor betaalden. Aan dien toestand zocht een edel broederpaar een einde te maken, n.l. Tiberius en Cajus Gracchus. Zij waren zonen van Sempronius Tiberius Gracchus en Cornelia, eene dochter van Scipio, den overwinnaar van Hannibal, eene der edelste vrouwen, die Rome weet aan te wijzen. Na den dood haars mans wijdde zij zich geheel aan de opvoeding harer twaalf kinderen, waarvan zij echter slechts drie mocht behouden t. w. het bovengemelde broederpaar en Sempronia, die de gade werd van Scipio den jongeren.

Deze kinderen voedde zij met de grootste zorgvuldigheid op en ontzag geene moeite of kosten, om ze tot zulke edele en brave menschen te vormen als eens hun grootvader Scipio geweest was. Eene voorname vrouw toonde haar eens hare kostbaarheden. Cornelia wees op hare beide zonen en zeide vol moedertrots: "Dit zijn mijne eenigste en grootste schatten." De kinderen stelden de verwachting hunner edele moeder niet te leur. De woorden, die Cornelia zich eens in 't bijzijn van hare zonen ontvallen liet: "Zullen de Romeinen mij steeds de schoonmoeder van Scipio en niet ook de moeder der Gracchen noemen?" maakten op hen zulk een diepen indruk, dat zij al hunne krachten inspanden, om eene waardige plaats onder Rome's beroemde mannen in te nemen. Tiberius, de oudste, koos, toen hij tot de waardigheid van volkstribuun geroepen werd, de zijde des volks tegen den adel.

Hij stelde daarom de vernieuwde invoering eener oude akkerwet voor, waarbij niemand meer dan 500 morgen staatslanderijen mocht bezitten. 't Spreekt van zelve, dat de aanzienlijken woedend waren op den stouten tribuun. Toen daarom de tijd van zijn tribunaat was afgeloopen, zochten zij met geweld zijne herkiezing tegen te gaan. In een straatgevecht vond Tiberius Gracchus met 300 zijner aanhangers den dood (133 J. v. C.) De patriciërs zorgden er nu voor, dat de wet van de akkerverdeeling niet tot uitvoering kwam.

Elf jaren later vatte Cajus de taak op, die zijn broeder niet had kunnen volbrengen. Hartstochtelijk en onstuimig kwam hij op voor de rechten van 't verdrukte volk; maar zijne pogingen stuitten af op den onwil van den senaat en de zelfzucht der aanzienlijken. In een geducht oproer viel ook hij met 3000 zijner medeburgers (121 J. v. C.) als een offer van zijnen ijver voor 't welzijn des volks. Ofschoon aan 't stoffelijk overschot der beide broeders geene eerlijke begrafenis werd gegund, maar hunne lijken in den Tiber werden geworpen, erkende het volk toch eenige jaren later, wat het in Cornelia's wakkere zonen verloren had. Standbeelden verrezen tot hunne nagedachtenis, en de plaatsen, waar zij gevallen waren, werden als heilig verklaard. Cornelia's wensch werd vervuld, want toen zij in hoogen ouderdom stierf, werd voor haar een koperen gedenkteeken opgericht met het eenvoudige, maar veel beteekenende opschrift: "Cornelia, de moeder der Gracchen."


24. DE EERSTE BURGEROORLOG (MARIUS EN SULLA).

Onzedelijkheid en bandeloosheid namen in Rome hand over hand toe. De vroegere eerlijkheid, matigheid en vaderlandsliefde zocht men er tevergeefs. Voor geld kon men alles gedaan krijgen. Dat ondervond Jugurtha, koning van Numidië, een volslagen booswicht. Door misdaden was hij op den troon gekomen, door misdaden hield hij zich erop staande. Hoe onbeschaamd hij echter ook zijne euveldaden pleegde, langen tijd wist hij de senatoren den mond door goud te stoppen, zoodat hij, zelf daarover verbaasd, uitriep: "O Rome, gij zoudt u zelf verkoopen, als maar iemand genoeg voor u bood." Eindelijk was de maat zijner misdaden vol: hij werd gevangen genomen en stierf te Rome den hongerdood (106). Twee mannen hadden zich in den oorlog tegen Jugurtha bijzonder onderscheiden, n.l. Marius en Sulla. De eerste was een ruw, woest mensch van geringe afkomst, maar die door dapperheid en de gunst des volks tot groote macht en aanzien was geklommen. De tweede, jong en van edele afkomst, was de man, op wien de aanzienlijken hunne oogen gevestigd hielden. Feller dan ooit toch stonden de aanzienlijken en geringen tegenover elkander. Voor Marius kwam intusschen spoedig de gelegenheid, dat hij zich voor Rome verdienstelijk kon maken. Ruwe, krijgszuchtige Germaansche volken, bekend onder den naam van Cimbren en Teutonen, waren aan den Donau verschenen (113), hadden het eene Romeinsche leger vóór, het andere ná, verslagen en rukten nu naar Italië en Gallië op.

In dit dreigend gevaar werd Marius vijf jaren achtereen tot consul verkozen. Hij stelde dit groote vertrouwen niet te leur, maar vernietigde eerst de Teutonen bij Aix, in 't Z. van Gallië (102) en snelde vervolgens Catulus tegen de Cimbren te hulp, die dan ook bij Vercellae, in 't N.w. van Italië, geheel verslagen werden (101). Meer dan 100,000 Cimbren zouden in dezen slag zijn omgekomen. Marius was nu de afgod des volks geworden. Een ander gevaar dreigde ondertusschen in 't Oosten. Daar was een tweede Alexander opgestaan in den persoon van Mithridates, koning van Pontus, een land, ten Z. van de Zwarte zee gelegen. Hij veroverde weldra geheel Klein-Azië, en ten einde zijn' haat tegen Rome duidelijk aan den dag te leggen, liet hij op éénen dag in verschillende steden van Klein-Azië 80000 Romeinsche burgers ombrengen. Tegen dezen moordenaar zou een leger worden afgezonden en de aristocraten wisten Sulla, die zich in den oorlog tegen de Italiaansche bondgenooten had onderscheiden, tot opperbevelhebber te doen verkiezen.

Dit was zeer tegen den zin van de partij van Marius. Zij bewerkte een' opstand te Rome; Sulla's voornaamste aanhangers begaven zich tot hem in het leger, en 't viel hem niet moeilijk zijne soldaten, die zeer aan hem gehecht waren, te bewegen, naar Rome op te trekken. Marius' partij moest nu 't onderspit delven; hij zelf zwierf als vluchteling rond en bereikte eindelijk Karthago's puinhoopen, waar hij over de wisseling der fortuin kon nadenken.

't Uur der wrake zou echter spoedig voor hem slaan. Cinna, die bij Sulla's vertrek naar 't Oosten tot consul was aangesteld, riep Marius in het jaar 87 terug en deed daardoor den eersten burgeroorlog ontvlammen. Vreeselijk was de slachting, die onder de aanhangers van Sulla werd aangericht; vijf dagen en vijf nachten werd er onophoudelijk gemoord; Rome's straten stroomden van bloed. Toch zou Rome nog vreeselijker dingen aanschouwen. Sulla had gelukkig tegen Mithridates gestreden (88-84), en toen hij vernam, wat er te Rome gebeurd was, haastte hij zich, vrede te sluiten en zijn leger naar Rome te voeren. Een leger van 200,000 soldaten onder den jongen Marius (Marius zelf was in 86 gestorven) zoude zijn' intocht in Rome beletten, maar tevergeefs. Het bleek tegen Sulla's in den krijg geoefende legioenen niet bestand te zijn. We willen u besparen, lezers, de beschrijving van een bloedbad, zooals de geschiedenis bezwaarlijk een tweede kan aanwijzen. Om er een klein denkbeeld van te geven, melden wij alleen, dat 15 gewezen consuls, 90 senatoren, 2600 ridders en meer dan 100,000 burgers op bevel van Sulla ter dood werden gebracht (83). Nu was de rust hersteld, want ieder sidderde en beefde voor den man, die het leven zijner medeburgers zoo weinig telde. Twee jaren lang heerschte Sulla onder den titel van dictator met onbeperkte macht; toen legde hij plotseling zijn ambt neder, (79) trok zich op een landgoed terug en stierf daar het volgende jaar.


25. DE TWEEDE BURGEROORLOG (CAESAR).

Sulla's geluk spoorde andere eerzuchtige mannen tot navolging aan. Daar was vooreerst Pompejus, de gunsteling der grooten en een vriend van Sulla, die zich door vele gelukkige veldtochten den naam van "den roemruchtigen" had verworven. Hij had in Spanje de aanhangers van Marius onder Sertorius overwonnen, (72) gedeeltelijk den gevaarlijken slavenopstand onder Spartacus gedempt, (71) de Middellandsche zee van zeeroovers gezuiverd, (67) den ouden vijand van Rome, Mithridates, voor goed onschadelijk gemaakt, (64) Rome's heerschappij in Klein-Azië, Syrië en Palaestina bevestigd en onmetelijke schatten naar Rome gebracht. Een ander legerhoofd van Sulla, Crassus, oefende door zijn fabelachtigen rijkdom eenen grooten invloed uit, daar duizenden burgers hem als hunnen schuldeischer moesten ontzien. Grooter dan beiden was Julius Caesar. Rijk door de natuur begaafd, vereenigde hij in zich de schitterende hoedanigheden van eenen Alcibiades met de bezadigdheid en het kalme overleg van eenen Pericles. Hoezeer eer- en heerschzucht zijn hart vervulden, blijkt daaruit, dat hij betuigde "liever de eerste in een vergeten dorp dan de tweede in Rome te willen zijn." Toen hij het standbeeld, ter eere van Alexander den Grooten opgericht, beschouwde, riep hij uit: "Toen gij zoo oud waart als ik, hadt gij reeds de wereld veroverd en ik, ik heb nog niets gedaan!" Pompejus en Caesar zagen weldra in, dat zij zonder elkanders hulp niets vermochten en daarom verbonden zij zich met Crassus tot het eerste driemanschap (Triumviraat) (60).

Verstand en dapperheid, (Caesar) geluk en roem (Pompejus) en rijkdom (Crassus) hadden elkander de hand gereikt om de wereldheerschappij te deelen. Caesar werd tot proconsul benoemd van Gallië, dat hij nog eerst moest veroveren, maar waardoor hij ook gelegenheid had, roem en eer te behalen en een aan hem verknocht leger te vormen. Pompejus kreeg Spanje en Crassus Syrië als de beste plaats om zijn nooit verzadigden gouddorst te voldoen.

Behalve deze mannen stonden in Rome hoog in achting de strenge Cato, een man, republikein in zijn hart en eerlijk als goud en Cicero, de Romeinsche Demosthenes. Behalve door zijne welsprekendheid en geleerdheid had deze laatste zich verdienstelijk gemaakt door de ontdekking der schandelijke samenzwering van Catalina (63). De driemannen wisten echter deze beide bekwame mannen behendig op zijde te schuiven. Terwijl Pompejus te Rome in behaaglijke rust leefde en zijne provinciën door legaten liet besturen, terwijl Crassus in 't Oosten schatten op schatten stapelde en weldra in een' strijd tegen de Parthen sneuvelde, (50) veroverde Caesar in 8 veldtochten (58-50) Gallië en bedwong de Belgen en verschillende andere Germaansche volken.

Voor twee zulke eerzuchtige mannen als Pompejus en Caesar was 't groote Romeinsche rijk nog te klein. 't Duurde niet lang, of 't verbond werd verbroken en Rome weder het tooneel van den burgerkrijg.

Toen Caesar na de verovering van Gallië zijn leger niet ontslaan wilde, werd hij door den senaat tot vijand des vaderlands verklaard en Pompejus met het opperbevel tegen hem belast. (49) Maar Caesar voorkwam hem. Voordat Pompejus, die vroeger gesnoefd had, dat hij slechts op den grond zou behoeven te stampen om legioenen te zien verrijzen, nog met zijne toerustingen gereed was, was Caesar in Italië gevallen en had Rome zonder slag of stoot ingenomen. Pompejus en zijne aanhangers waren haastig gevlucht. Vervolgens stak de overwinnaar naar Spanje over, versloeg daar het leger van Pompejus en ging toen zijnen tegenstander zelven in Griekenland achtervolgen. Bij Pharsalus, eene stad in het landschap Thessalië, viel een geduchte slag voor, die geheel ten nadeele van Pompejus afliep. (47) Hij vluchtte naar Aegypte, maar werd aldaar bij zijne landing op last des Konings verraderlijk vermoord. Caesar had zijn doel bereikt; hij was nu de eerste man in Rome.

De senaat haastte zich hem voor zijn leven te benoemen tot dictator en imperator. Met de republiek was 't gedaan. (Cato's dood 46). Toch was Caesar's regering in zekeren zin voor Rome zeer heilzaam, want nadat zijne eerzucht bevredigd was, gaf hij vele goede wetten en versierde Rome met prachtige gebouwen. Ook ging hij zich niet op zijne tegenstanders wreken, zooals Marius en Sulla gedaan hadden. Caesar zocht de liefde van 't volk te winnen en misschien zou hem dit gelukt zijn, had niet zijne heerschzucht de woede gaande gemaakt van vele republikeinsche senatoren. Dezen smeedden weldra eene samenzwering, aan welker hoofd Brutus en Cassius stonden.

Op den 15 Maart van 't jaar 44 vielen in den senaat verscheidene samengezworenen met dolken op hem aan. Daar het hem niet aan moed ontbrak, trok ook hij zijnen degen; maar toen hij onder zijne moordenaars zijn aangenomen zoon Brutus zag, omhulde hij zijn gelaat met zijnen mantel onder den smartelijken uitroep: "Ook gij, mijn zoon Brutus!" en zonk doodelijk getroffen neer aan den voet van 't standbeeld van Pompejus, met wonden overdekt.


26. AUGUSTUS.

Caesars dood was weer 't sein tot nieuwe burgeroorlogen. Eerst scheen het, dat Marcus Antonius het grootste voordeel van den val des machtigen mans zoude trekken, maar deze kreeg in eenen achterneef van Caesar, Octavianus genoemd, spoedig een geduchten mededinger. Marcus Antonius was een zedeloos brasser, volstrekt niet bemind bij 't volk, maar wel bij de soldaten der lijfwacht, wier aanvoerder hij was. Eerst meende men, dat de sluwe Octavianus vijandelijk tegen Antonius zou optreden, maar weldra kwam zijn eigenlijk plan aan 't licht. Hij verbond zich met zijn' tegenstander en met een zekeren Lepidus, een weinig beteekenend mensch, tot een tweede driemanschap, dat nu opnieuw de wereldheerschappij deelde (43). Weder was Rome het tooneel van de gruwelijkste vervolgingen.

Onder de vele slachtoffers van 't geweld behoorde ook de redenaar Cicero, die door zijne redevoeringen de woede van Antonius had gaande gemaakt. Ondertusschen zwelgde deze laatste in Oostersche weelde aan 't hof der Aegyptische koningin Cleopatra. Daardoor verbeurde hij de achting van ieder' weldenkende en laadde den haat op zich van Octavianus, wiens zuster Octavia hij gehuwd, maar schandelijk verwaarloosd had. Hij werd daarom tot vijand van den staat verklaard. Octavianus werd afgezonden om hem te bevechten, en deze versloeg hem geheel in den slag bij het voorgebergte Actium, aan de Jonische zee. (31 v. Chr.) Een zelfmoord maakte een einde aan zijn roemloos leven. Ook Cleopatra, die tevergeefs getracht had, den overwinnaar gunstig voor zich te stemmen, doodde zich zelve. Nu was er niemand meer, die Octavianus de heerschappij kon betwisten, want Lepidus was reeds lang op zijde geschoven. Octavianus ontving den titel van imperator (opperbevelhebber van vloot en leger). 't Volk noemde hem echter Augustus, d. w. z. de geheiligde, en onder dien naam is hij 't meest bekend.

Zoo was Augustus beheerscher van een rijk, dat zich over 3 werelddeelen uitstrekte, van den Atlantischen Oceaan tot den Euphraat, van den Rijn en den Donau tot de woestijnen van Arabië en Afrika. In dit groote rijk leefden ongeveer 120 millioenen menschen en vond men 6000 aanzienlijke steden, waarvan Alexandrië, Antiochië en Rome de grootste waren. Vooral Rome was de stad der steden. Zij telde eene bevolking van meer dan 1-1/2 millioen inwoners. Prachtige gebouwen, waaronder 400 tempels, groote schouwburgen en sierlijke paleizen, verhieven zich overal. Op ruime markten, goed ingerichte badplaatsen, trotsche triomfbogen, eerzuilen en waterleidingen kon Rome met recht zich verheffen.

De republiek, hoewel in schijn door Augustus in stand gehouden, had inderdaad opgehouden te bestaan en plaats gemaakt voor de monarchie. Hoewel er op de wijze, waarop Augustus tot de hoogste waardigheden in den staat was gekomen, veel te laken viel, was zijne regeering toch zeer gelukkig voor Rome. 't Land had behoefte aan rust, aan veiligheid, aan eene krachtige hand, aan een' man, wiens wil wet was. Voor zelfregeering was het volk reeds lang niet meer geschikt; daarvoor was het te zeer bedorven en ontzenuwd. 't Was slechts het werktuig in de hand van den een of anderen eerzuchtige. Diepe vrede heerschte dan ook in 't geheele rijk en de gevolgen daarvan, welvaart en voorspoed, lieten zich spoedig zien. Augustus was er op bedacht betere middelen van verkeer als: wegen, kanalen, waterleidingen enz. aan te leggen, de rechtspleging te verbeteren en de veiligheid der burgers te verzekeren. Het tijdperk van Augustus wordt met recht het gouden tijdperk van kunsten en wetenschappen genoemd. Zij vonden in hem een milden beschermer en vereerder. Vooral stond hem hierin zijn vriend Maecenas getrouw terzijde, zoodat men tegenwoordig nog zegt van iemand, die kunsten en wetenschappen liefheeft en bevordert: "'t Is een maecenas."


27. EEN DAPPER GERMAAN (HERMAN).

Hoogstwaarschijnlijk zal binnen kort de 1200 voet hooge Grotenburg, een top van het Teutoburgerwoud, met een waarlijk reusachtig standbeeld versierd worden. Het is het Hermansgedenkteeken, eene schepping van den vaderlandslievenden Jozeph Ernst von Bandel uit Anspach in Beieren. Op een koepelvormigen onderbouw van 95 voet zal het 90 voet hooge, uit koper gegotene standbeeld van Herman, den bevrijder van Duitschland, opgericht worden "in het midden der landstreken, waar hij zijne heldendaden verrichtte, ver heen ziende in 't vrije vaderland en van verre gezien als een wegwijzer ter plaatse van onzen roem." (von Bandel). 't Is dus wel een belangrijke zaak, wel een gewichtig persoon, waaraan wij te denken hebben.

Laat ons zien. De wereldbedwingende Romeinen hadden hunne heerschappij ook in Duitschland uitgebreid en zoowel door kracht van wapenen als door list, verraad en omkooping een groot gedeelte er van onderworpen. Een voor vrijheid en vaderland dweepend jongeling, Herman, vorst der Cherusken, die in Rome in alle kunsten en wetenschappen der Romeinen was onderwezen, vatte het stoute plan op, den vrijen Duitschen bodem van de overweldigers te bevrijden. Voorzichtigheid en beleid aan dapperheid parende, wist hij langen tijd vriendschap met de Romeinen te veinzen, terwijl hij in 't geheim zijn grootsch ontwerp voorbereidde. Eindelijk is hij gereed. Vele dappere Duitsche scharen zijn bereid, alles voor de vrijheid ten offer te brengen. Varus, de gehate Romeinsche stadhouder van de landen aan beide zijden des Rijns, trekt op 't bericht, dat een Duitsche stam is opgestaan, naar de Wezer.

Als geoefend veldheer valt Herman niet terstond de vijanden aan, maar verzwakt hen door onophoudelijke, kleine aanvallen en lokt ze zoodoende in het dichte Teutoburgerwoud. 't Is een vreeselijk weer. De regen valt bij stroomen neder; de storm huilt akelig door de takken der boomen. De uitgeputte Romeinen kunnen zich ternauwernood staande houden op den doorweekten, glibberigen en drassigen bodem. Daar verheft zich boven het geloei van den storm het krijgsgehuil der Duitschers; een hagelbui van pijlen en steenen valt neer op de verschrikte Romeinen en dunt vreeselijk hunne gelederen.

Schrik en ontzetting maken zich van hen meester. Nergens vertoont zich eenige uitkomst, nergens redding. Verschrikkelijk is de slachting, die onder de Romeinen wordt aangericht. Varus, ten einde raad en zijne nederlaag niet willende overleven, stort zich in zijn zwaard. Een gevolg van dezen roemrijken slag was, dat de Romeinen uit Duitschland verdreven werden. (9 j. n. Chr.) Wel poogden eenige jaren later Tiberius en Germanicus de nederlaag van Varus te wreken, de laatste zelfs met goed gevolg; maar de Romeinen zagen toch in, dat een volk, 't welk bij eendracht zulk eene kracht kon ontwikkelen, niet geschikt was een slavenjuk te torschen en bepaalden zich in 't vervolg tot verdediging der grenzen door 't stichten van versterkte kasteelen aan den Rijn en den Donau, die later den oorsprong aan verscheidene steden hebben gegeven.


28. DRIE ROMEINSCHE KEIZERS.

De keizers uit het geslacht van Augustus: Tiberius, Caligula, Claudius en Nero waren óf wreede en ontaarde óf onbeduidende menschen. Het Romeinsche volk vertrapte in hunne dagen, tengevolge ook al van hun slecht voorbeeld, alle wetten van zedelijkheid en deugd met voeten. De vroeger zoo trotsche senaat werd slechts een lijdelijk werktuig in de handen der keizers; de eigenlijke macht berustte bij de soldaten en wel vooral bij de lijfwacht des keizers: de praetorianen. Zij waren de meesters van Rome en beschikten naar welgevallen over den troon. Hij, die 't meest bij hen in gunst stond, of liever nog, hij, die hun 't meeste geld bood, werd met het purper bekleed. Zelfs vreemdelingen, wanneer ze over veel geld te beschikken hadden, werden ten troon verheven.

De laatste keizer (Caesar) uit het geslacht van Augustus was de wreede Nero (54-68 n. C). Zijn naam wordt nog gebruikt, om een wreedaard aan te duiden. Nog geen 17 jaren oud volgde hij zijnen stiefvader Claudius in de regeering op. Hij was een jongeling van een voortreffelijken aanleg, maar ontving, helaas! eene slechte opvoeding. Toen de beroemde Seneca zijn leermeester werd, was het kwaad reeds te diep in hem geworteld; vandaar, dat wel de smaak voor wetenschap en kunst bij hem ontwikkeld, maar de neiging tot zedelooze vermaken niet in hem werd uitgeroeid. In den beginne, toen hij zich door Seneca liet leiden, toonde Nero zich zachtmoedig en weldadig en scheen zijne regeering eene weldaad voor het volk. Spoedig evenwel werd hij door lage, vleiende hovelingen geheel bedorven; en de man, die vroeger had gewenscht niet te kunnen schrijven om daardoor bevrijd te zijn van het onderteekenen der doodvonnissen, liet nu het bloed van duizenden zijner onderdanen stroomen. In waanzinnige woede liet hij zelfs zijne eigene moeder, zijne gemalin, zijn' stiefbroeder en zijn' leermeester Seneca om het leven brengen. In het jaar 64 n. C. brak in Rome een vreeselijke brand uit, die een groot gedeelte der hoofdstad in de asch legde. Nero liet de stad schooner dan ooit herbouwen, doch het volk was op hem verbitterd en beschuldigde hem, dat hij den brand had veroorzaakt. Om deze verdenking van zich af te schuiven, wierp hij de schuld op de gehate Christenen, die hij van nu aan vreeselijk liet vervolgen en martelen. Het volk werd eindelijk den dwingeland moede. De stadhouder van Spanje, Galba, werd door de soldaten tot keizer uitgeroepen en Nero doodde zich zelven, eerst 32 jaren oud. De levensgeschiedenis van Nero toont ons, hoe een oorspronkelijk goed mensch door eene slechte opvoeding en een verkeerd gezelschap kan worden bedorven!

Op Galba volgde reeds in 't volgende jaar Otho, die maar 3 maanden keizer bleef en opgevolgd werd door Vitellius, een man, slecht van hart en onbekwaam als regent. Nu riepen de troepen in het Oosten hun' veldheer Vespasianus tot keizer uit. Deze lag juist met zijn leger voor de stad Jeruzalem. De Joden, het geterg der Romeinsche stadhouders moede, waren onder Nero in opstand gekomen. Na een driejarigen strijd waren zij door Vespasianus beperkt tot hunne hoofdstad en deze verdedigden zij met wanhopige woede. Vespasianus begaf zich nu naar Italië en stelde zijn zoon Titus aan tot opperbevelhebber. In de lente van het jaar 70 n. C. besloot deze Jeruzalem door storm te veroveren. De verdeeldheid, die er onder de belegerden heerschte, de honger en het gebrek, die tot eene onbeschrijflijke hoogte waren geklommen, kwamen de Romeinen te hulp. Titus bood eerst nog vergiffenis aan, wanneer de Joden hunne stad wilden overgeven, maar ze wezen die verachtelijk van de hand. De ééne muur en de ééne toren na den anderen werden nu veroverd. Toen nu ook de burcht Sion en de tempel in des vijands macht waren gevallen, kon er van geen verzet meer sprake zijn. De stad Jeruzalem werd geslecht, de bewoners òf gedood òf tot slaven gemaakt. De prachtige tempel, dien Titus wilde sparen, werd door de roekeloosheid van een Romeinsch soldaat eene prooi der vlammen. (70 n. C.) In hetzelfde jaar werd een ander klein volk, de Batavieren, die onder Claudius Civilis zich tegen Rome hadden verzet, weer onderworpen.

Vespasianus (69-79) was, vergeleken met zijne slechte voorgangers, een uitmuntend keizer. Hij herstelde de orde in het rijk, was spaarzaam en moedigde kunsten en wetenschappen aan. Zijn zoon Titus, (79-81) die, voor hij keizer werd, een losbandig leven had geleid, regeerde zoo voortreffelijk, dat zijne tijdgenooten hem noemden: de liefde en wellust van het menschelijk geslacht. En hij verdiende dien titel. Hij noemde elken dag verloren, waarop hij geene gelegenheid had gehad, op keizerlijke wijze milddadig te zijn. Toen men hem eens onder 't oog bracht, dat hij te goedhartig was en daardoor ook onwaardigen beweldadigde, zeide hij: "Van een' vorst mag niemand met een treurig gezicht weggaan." Jammer, dat zijne regeering zoo kort duurde en nog gekenmerkt werd door groote rampen. Behalve dat hongersnood en pest verschillende deelen van het rijk teisterden, werden in het jaar 79 door de uitbarsting van den Vesuvius drie steden: Herculaneum, Pompeji en Stabiae onder asch en lava bedolven. Sedert menschenheugenis had de vulkaan niet gebraakt, en daardoor was men zorgeloos geworden. Oofttuinen, wijngaarden en villa's overdekten de vruchtbare hellingen des bergs, en aan den voet blonken de drie steden uit door weelde, rijkdom en welvaart. Daar verheft zich op den 24 Aug. eene wolk van ongewone grootte uit den Vesuvius, en weldra valt eene ontzaglijke massa asch en steenen neder. Aardbeving op aardbeving doet de hechtste en stevigste gebouwen instorten. Steeds heviger wordt de aschregen; voeten hoog bedekt de asch den omtrek, en weldra neemt een stroom van gloeiende lava zijn' weg over de prachtige velden. Toen de zon den volgenden dag het tooneel der verwoesting bescheen, waren de drie bloeiende steden van de aarde verdwenen. Een beroemd natuurkundige, Plinius de oude, die zich te dicht bij het tooneel der verwoesting waagde, werd het slachtoffer van zijne zucht naar kennis. In latere eeuwen is het gelukt Herculaneum en Pompeji weder op te delven; de eerste stad sinds 1713, de tweede sedert 1748. De huizen en meubels zijn goed bewaard gebleven, dank zij de dikke laag asch, die de verbranding door de gloeiende lava tegenhield. Men kan in deze steden dus aanschouwelijk zien, hoe de Romeinen te dien tijde leefden, hoe hunne woningen eruitzagen, welke gereedschappen zij gebruikten, welke spijzen zij nuttigden enz. Daardoor is men tot de kennis van veel wetenswaardigs gekomen.

Titus stierf in het jaar 81, naar men zegt tengevolge van vergif, hem toegediend door zijn wreeden broeder Domitianus.


29. EENE VERDRUKTE SECTE TOT EER VERHEVEN.

Constantijn de Groote (323-337).

Toen Augustus keizer van 't Romeinsche rijk was, werd in de kleine stad Bethlehem in Judea Jezus Christus, de stichter van den Christelijken godsdienst, geboren. Hoewel gering en onaanzienlijk naar de wereld, heeft hij voor de beschaving, veredeling en verbetering van ons geslacht meer gedaan dan al de keizers van het machtige Romeinsche rijk te zamen. Op zijn dertigste jaar trad hij openlijk als leeraar onder zijn volk op. Doch, wijl hij alle menschen, hetzij ze rijk of arm waren, onverbloemd de waarheid deed hooren, haalde hij zich den haat van velen op den hals, die het eindelijk zoo ver wisten te brengen, dat hij gevangengenomen en gekruisigd werd. Met zijn' dood verdwenen zijne beginselen en zijn geest niet van de aarde. Tijdens zijn leven had Jezus twaalf leerlingen om zich verzameld, die later zijn' godsdienst, het Christendom, niet alleen in Palaestina maar ook in andere landen predikten. Zoo werd het Christendom weldra ook in Europa, onder de beschaafde Grieken en Romeinen verkondigd. Vooral armen en verdrukten namen begeerig een' godsdienst aan, die zich bovenal de aankweeking van algemeene menschenliefde ten doel stelde. Hevige vervolgingen hadden de Christenen van sommige Romeinsche keizers door te staan. Ze werden als honden geslagen, gemarteld en gedood. Duizenden verloren hun leven op den brandstapel, aan het kruis of op eene andere barbaarsche wijze. Doch het bloed der martelaren bleek het zaad der kerk te zijn. Hoe meer de Christenen werden vervolgd en onder hunne vervolging nog liefde voor hunne vijanden en een onbezweken geloofsmoed aan den dag legden, des te grooter werd hun aantal. De vervolgingen hadden verder nog dit gunstig gevolg, dat de Christelijke gemeente bevrijd bleef van dezulken, die alleen uit eigenbelang zich bij haar aansloten. In de vierde eeuw kwam er verademing voor de verdrukte Christenen. Ze hadden dit te danken aan Constantijn den Grooten, een man, die als een der bekwaamste keizers van Rome bekend staat.

Constantijn had, vóór hij aan de regeering kwam, vele mededingers te overwinnen. Zijn' voorspoed in den oorlog had hij vooral aan de krachtige hulp der Christenen te danken, die in grooten getale in zijne legers dienden. Vandaar dat hij zeer gunstig jegens hen gestemd was, waartoe zeker ook zal hebben bijgedragen, dat zijne moeder Helena eene Christin was.

Anderen schrijven zijne gunstige gezindheid toe aan een buitengewoon verschijnsel in de lucht, dat hij zou hebben waargenomen. Toen hij namelijk met zijn leger tegenover dat van zijn' mededinger Maxentius stond, wendde hij zich in een vurig gebed tot God om bijstand. En ziet! er gebeurde een wonder. Op klaarlichten dag meende Constantijn boven de zon het teeken des kruises te zien staan, met dit opschrift: "In dit teeken zult gij overwinnen." Groot en verschillend was de uitwerking van dit verschijnsel. De Heidenen vreesden er het ergste van; de Christenen werden vervuld met vroolijken moed. Daardoor gesterkt trokken ze naar Rome en veroverden de stad na een bloedig gevecht.

Wat er van dit verhaal ook zij: zeker is het, dat Constantijn na zijne overwinning zijn leger een nieuwen standaard gaf in den vorm van een kruis, labarum genoemd. De Christenen konden zich sedert dien tijd in zijne veelvermogende bescherming verheugen. Jegens de Heidenen was hij verdraagzaam; zij mochten als van ouds hunne goden vereeren.

In het jaar 330 verplaatste hij den zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat naar hem Constantinopel werd genoemd. Deze stad werd door hem met vele prachtige paleizen en trotsche kerken versierd en begon weldra zoo te bloeien, dat zij het oude Rome in de schaduw stelde.

Helena, de vrome moeder des Keizers, liet boven de plaats, waar men vermoedde, dat Jezus begraven was, eene prachtige kerk bouwen, die nog in wezen is.

Nadat Constantijn het Christendom tot godsdienst van den staat had verklaard, kwam het Heidendom in minachting; en velen haastten zich een' godsdienst aan te nemen, waardoor ze den keizer welgevallig werden. De Christelijke kerk werd daardoor niet beter. De oude reinheid van zeden, nederigheid en godsvrucht maakten dikwijls plaats voor heidensche losbandigheid, hoogmoed en praal.

Constantijn, hoewel een beschermer der Christenen, bleef den titel behouden van opperpriester; ook gaf hij soms blijken van wreedheid en bijgeloof. Zoo liet hij zijn eigen hoogbegaafden zoon Crispus en zijne gemalin Fausta om het leven brengen. Eerst, toen hij op 65 jarigen leeftijd zijn einde voelde naderen, liet hij zich doopen. Den 22 Mei 337 blies hij den laatsten adem uit.


30. EEN WOEST VOLK OP HET WERELDTOONEEL.

Omstreeks het jaar 375 kwam uit de steppen van Noord-Azië een woest ruitervolk, de Hunnen, te voorschijn. Schrik en angst gingen voor hen uit en geen wonder! Zoo woest en barbaarsch als de Hunnen waren, had men tot dusverre geen volk gezien. Verbeeldt u een klein slag van menschen, met baardelooze en leelijke aangezichten, doorploegd met groote litteekens. Door het onophoudelijk te paard zitten, hadden ze kromme beenen en waren slecht op den gang. Vuur gebruikten ze niet; vleesch en andere spijzen aten ze rauw, evenals de dieren des velds. Zonder kennis van de eenvoudigste werktuigen, zonder vaste woonplaatsen en wetten, zonder huis of haard trokken ze met hunne wagens van plaats tot plaats. Evenmin als het redeloos dier, zegt een geschiedschrijver van hen, kenden ze het onderscheid tusschen goed en kwaad; ze hadden geen' godsdienst en geen geloof.

Toen nu dit volk, dat zeker door de vrees nog zwarter zal zijn afgeschilderd dan het werkelijk was, over de Wolga trok, begon eene belangrijke gebeurtenis, die den grootsten invloed uitoefende op den toestand van Europa n. l. de groote volksverhuizing.

Aan deze zijde der Wolga, in het zuiden van Rusland, woonden toen de Alanen en Gothen. Dit laatste volk was weer verdeeld in Oost- en West-Gothen. De Alanen en Oost-Gothen werden òf door de Hunnen verdrongen òf vereenigden zich met hen. Zoo bleven de Hunnen eerst tot het midden der vijfde eeuw in Zuid-Rusland wonen, en men hoorde weinig van hen.

De West-Gothen, door de Hunnen bedreigd, verkregen van den Romeinschen keizer Valens verlof zich aan den Donau neer te zetten, onder voorwaarde, dat ze den Keizer in zijne oorlogen zouden bijstaan. Toen ze later door de Romeinen onmenschelijk werden behandeld, kwamen ze in opstand en versloegen keizer Valens in 378 in de vlakte van Adrianopel. Plunderend en moordend zwierven de verbitterde West-Gothen nu door het Balkan-schiereiland, totdat het den grooten keizer Theodosius gelukte vrede met hen te sluiten. Hij verleende hun vaste woonplaatsen in Thracië, waar zij volgens hunne eigene wetten en gebruiken leefden.

Theodosius was de laatste alleenheerscher van het Romeinsche rijk. Bij zijn dood (395) verdeelde hij het rijk in twee deelen; het westelijk deel, met Rome tot hoofdstad, kwam onder zijn 11 jarigen zoon Honorius en het oostelijk deel, waarvan Constantinopel de residentie werd, onder den 17 jarigen Arcadius. Van nu af bleef het rijk gescheiden in het Oost- of Grieksche Keizerrijk en in het West- of Latijnsche Keizerrijk. De jonge zonen van Theodosius, die alles behalve schrander en flink waren, kregen ieder een raadsman, aan wien zij de regeering konden overlaten; Arcadius den Galliër Rufinus—en Honorius den Vandaal Stilico.

Weldra braken er oneenigheden uit tusschen de beide rijken of liever tusschen de beide heerschzuchtige ministers. Rufinus haalde Alarik, den dapperen koning der West-Gothen, over om met zijne krijgers naar Italië te trekken; dat was een vruchtbaar en rijk gezegend land, en de Keizer te Rome was machteloos. Alarik liet zich dit geen tweemaal zeggen; hij trok over de Alpen, doch vond bij Stilico zulk een geduchte ontvangst, dat hij moest aftrekken. Honorius, bevreesd voor de toenemende macht van Stilico, vergold hem zijne diensten slecht; hij liet hem in eene kerk te Ravenna door sluipmoordenaars ombrengen.

Nauwelijks was dit Alarik ter ooren gekomen, of hij besloot van de gunstige gelegenheid gebruik te maken en weer een' inval te doen in Italië. Nu was er geen Stilico om hem tegen te houden. De Romeinen zelven waren zoo ontzenuwd, dat ze hoegenaamd niets tegen den dapperen Germaan konden uitrichten. De verdediging van hun gebied lieten ze dan ook aan vreemde legioenen over. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten drong Alarik Italië binnen en ging op Rome los. Rome was toen nog eene stad, die een millioen inwoners telde. Waren dezen, evenals in de dagen van ouds, dapper en vaderlandslievend geweest, dan zou Alarik zich zijne stoutheid zeker zeer berouwd hebben.

Hij sloot de stad zoo nauw in, dat er spoedig gebrek aan levensmiddelen ontstond. Vreeselijk werd de toestand in Rome; honger en pest sleepten duizenden ten grave. Nu werd er een gezantschap tot den Koning gezonden, dat hem eerst met dreigende woorden trachtte te verschrikken. Toen hij daarover in een luid gelach uitbarstte, spraken ze een toontje lager en vroegen wat Alarik eischte, wanneer hij wilde afzien van de plundering. Hij zeide: "Al het goud en zilver, alle kostbaarheden en alle slaven, die aanspraak hebben op den naam van barbaar." "En wat wilt ge ons dan laten?" vroegen de afgezanten ontsteld. "Uw leven," zei Alarik op trotschen toon.

Om bloedvergieten te voorkomen matigde hij evenwel zijne eischen; hij verkreeg 5000 pond goud, 30000 pond zilver en buitendien nog vele balen kostbare kleedingstoffen.

Ten gevolge van de dwaasheid van Honorius, die in geen vergelijk met Alarik wilde treden, trok hij in 410 nogmaals naar Rome en veroverde en plunderde het. Met schatten beladen trokken de Gothen naar Beneden-Italië. Hier werd Alarik ziek en stierf; zijn lijk werd op plechtige wijze in de bedding van het riviertje de Busento begraven.

Ataulf, zijn zwager, verliet het verwoeste land en vestigde zich met zijne Gothen in zuidelijk Gallië. Hier werd onder Wallia het West-Gothische rijk gesticht, dat Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad kreeg. De West-Gothen breidden hun gebied later ook over Spanje uit, waar zich sedert 409 de Alanen, Sueven en Vandalen hadden neergezet. De Vandalen, door de West-Gothen benauwd en geroepen door den Romeinschen stadhouder, Bonifacius, staken in 429 naar Afrika over, onderwierpen een groot deel van de noordkust, veroverden Carthago en plunderden van hier uit de kusten van Italië, Sicilië en Sardinië.

De Britten konden zich, nadat Stilio de Romeinsche legioenen naar Italië ontboden had, niet tegen de uit het noorden komende Picten en Schotten staande houden en riepen daarom de hulp in van de in Duitschland wonende Angelen en Saksen. Dezen onderwierpen in 449 het zuiden van Engeland en stichtten er zeven kleine koninkrijken.

VERVOLG.

Omstreeks het jaar 450 lieten de Hunnen weer van zich hooren. Verschillende stammen van dit volk, waarbij zich ook vele andere volken aansloten, waren omstreeks 440 onder het bestuur van Atilla of Etzel gekomen, die door zijne tijdgenooten de geesel Gods werd genoemd. Hij was een merkwaardig man, zoowel naar het lichaam als naar den geest.

Ofschoon klein van gewas, had hij een groot hoofd, diepliggende oogen, een platten neus, eene breede borst, zeer veel lichaamskracht en een trotschen gang. Voor zijne vijanden verschrikkelijk, was hij toch vol goedheid jegens zijne vrienden. Om zich heen zag hij gaarne pracht; doch hij zelf was zeer eenvoudig. Bij gastmalen werden zijne gasten met gouden en zilveren gereedschap bediend. Volgens de gebruiken van zijn volk at hij geen brood, maar gebruikte slechts een weinig vleesch. Na ieder gerecht ging de beker rond; dan werd er gedronken op Atilla's welzijn en prezen zangers in heldenzangen zijne daden. Terwijl zijne gasten vroolijk waren en schertsten, bleef hij zelf ernstig en bedaard. Alleen als zijn jongste zoon binnentrad, verhelderde zijn gelaat en liefkoosde hij hem.

Deze machtige vorst, voor wien vele volken beefden en Constantinopel en Rome sidderden, trok in het jaar 451 met een leger van 700,000 man naar het Westen. De schrik ging voor hem uit. Duitschland had het hard te verantwoorden; dorpen en steden gingen in vlammen op; lachende velden werden veranderd in woestijnen. Na over den Rijn getrokken te zijn, viel hij in Gallië.

Het West-Romeinsche rijk had toen in Aëtius een groot veldheer. Deze bracht de geheele macht des rijks op de been en verbond zich met vele Duitsche stammen als de Alanen, West-Gothen, Franken en Bourgondiërs, om met hen de macht van den Hunnenkoning te breken. In de groote vlakte, door de ouden de Catalaunische velden genoemd, waarin de stad Chalons ligt, kwam het tusschen beide legers tot een treffen.

Voor de slag begon, verzamelde Atilla zijne bevelhebbers om zich en zeide: "Weest mannen! Grijpt aan, slaat u door des vijands gelederen en werpt alles ter neer. Veracht de Romeinen, hunne slagorde en schilden; valt de Alanen en West-Gothen aan; in hen is de kracht des vijands. Ziet naar mij; wie mij niet volgt, is een kind des doods."

De slag was boven alle beschrijving hevig en bloedig; van weerszijden werd er met moed en verbittering gestreden; want er zou nu beslist worden, wie de overwinning zou behalen; de beschaafde wereld of de barbaarschheid. Reeds hadden de Hunnen het centrum tot wijken gebracht en de Romeinen vloden; ook de West-Gothen weken en hun Koning werd gedood, terwijl hij hen aanvuurde tot den strijd. Doch zijn dood deed de zijnen zoodanig in woede ontvlammen, dat zij zich opnieuw onder bevel van den zoon des overledenen in het strijdgewoel wierpen en de Hunnen op de vlucht sloegen. Bij het vallen van den nacht moest Atilla zich in zijn' wagenburcht terugtrekken. Bij de 200,000 dooden en gewonden bedekten het slagveld; het bloed vloeide in stroomen, en de gewonden dronken er van om niet van dorst te versmachten.

Den volgenden dag werd de slag niet hervat. Atilla keerde naar den Rijn terug, zonder door den vijand achtervolgd te worden. In 't volgende jaar ondernam hij nog een' rooftocht naar Italië en stierf in 453 onder geheimzinnige omstandigheden, die nog niet zijn opgehelderd.

Toen de schrik van zijn' naam zijne volken niet meer in bedwang hield, weigerden ze de gehoorzaamheid aan zijn' opvolger. De Hunnen keerden terug naar het Oosten, vanwaar zij gekomen waren. Het grootste deel van 't gebied, door Atilla veroverd, viel den Oost-Gothen in handen.

Te midden van de stormen der volksverhuizing viel het West-Romeinsche rijk in duigen, dat reeds lang van alle macht en aanzien beroofd was en ten speelbal van de vreemde soldaten had gestrekt. In 476 zette Odoacer, een aanvoerder van Duitsche krijgslieden, Romulus Augustulus af als keizer en noemde zich koning der Germaansche volken in Italië. Met deze gebeurtenis eindigt gewoonlijk de geschiedenis der oudheid.

Een nieuw volk, de Germanen, liet van nu af zijn gezag in Europa gelden; de meeste landen, vroeger tot het Romeinsche rijk behoorende, zooals Spanje, Gallië, Brittanje, België, Nederland enz. werden door Germaansche volksstammen in bezit genomen. Eerst waren ze wel ruw en onbeschaafd, maar door den invloed des Christendoms en de meerdere beschaving, die ze als onwillekeurig van de overwonnelingen overnamen, werden hunne zeden langzamerhand verzacht en verbeterd.


31. MOHAMMED.

In de geschiedenis der Christelijke kerk is sprake van 5 gemeenten, die door zendelingen de omgelegen volken tot het Christendom brachten, en daarom moedergemeenten worden genoemd, n.l. Jeruzalem in Palaestina, Antiochië in Syrië, Alexandrië in Aegypte, Constantinopel in het Grieksche Keizerrijk en Rome in Italië.

Door de bekeering der Germaansche volkeren nam de gemeente van Rome zeer in macht en aanzien toe. Haar bisschop verhief zich weldra boven die van andere gemeenten en werd later als paus het hoofd der kerk. Terwijl de Christelijke kerk zich naar het Westen al meer en meer uitbreidde, geraakte zij in het Oosten, waar de vier eerstgenoemde gemeenten vroeger grooten invloed hadden, deerlijk in verval. En geen wonder! In plaats van een leven te leiden vol liefde en zelfverloochening, zooals Christus het had gewild, streed men daar met de grootste verbittering over allerlei onbegrijpelijke leerstukken. Het Christendom gaf in het Oosten enkel aanleiding tot verdeeldheid en twist; dat het bovenal een godsdienst der liefde is, daaraan werd niet gedacht.

Omstreeks het jaar 600 trad in Arabië een man op, Mohammed genoemd, die de stichter van een nieuwen godsdienst werd, een godsdienst, die het Christendom in Azië en Afrika bijna van allen invloed en macht beroofde.

Arabië is een schiereiland, dat ongeveer zoo groot is als een derde deel van Europa. Het grootste deel van den bodem bestaat uit zandwoestijnen en ontoegankelijke gebergten, hier en daar slechts afgewisseld door vruchtbare plekken, oasen genoemd. De kusten, welke op sommige plaatsen zeer vruchtbaar zijn, werden bewoond door nijvere handelaars, die door een grooten handel in wierook, koffie en specerijen aanzienlijke schatten wonnen. In de woestijnen leefden, evenals in onzen tijd, de Bedoeïnen, rondzwervende herders, die dikwijls van roof leefden en wier eenige rijkdom in paarden en kameelen bestond. Over 't geheel waren en zijn de Arabieren een volk met dichterlijke gaven, met een levendig en diep gevoel. Praatziek zijn ze niet, maar toch kunnen ze hunne meening op eene welsprekende wijze te kennen geven. Evenals de woestijn zijn ze ernstig.

In dit land en onder dit volk en wel in de stad Mekka, werd Mohammed in 571 geboren. Zijn vader Abdallah, uit den aanzienlijken stam der Koreischieten, en zijne moeder Amina verloor hij reeds zeer vroeg. Na den dood zijns grootvaders kwam hij bij zijn' oom Aboe Taleb, een ervaren koopman, die hem op zijn reizen meenam. De knaap wies op tot een schoon en krachtig man, die door zijne edele houding en wegslepende redenaarsgaven weldra in het oog viel. Door zijne kennis en vlijt gelukten meestal zijne ondernemingen; door zijne minzaamheid won hij veler harten. Later kwam hij in dienst van eene rijke koopmansweduwe, Chadidscha, met wie hij in het huwelijk trad. Het geluk lachte hem nu van alle zijden toe. Hij had eene brave echtgenoote, goede zaken en vele vrienden. En toch was hij niet tevreden. De oorzaak lag in het volgende. Wegens zijne zaken had hij dikwijls groote reizen gedaan, en toen veel opgemerkt van de gewoonten en den godsdienst der menschen. Zijn eigen volk zag hij neerknielen voor goden, van menschenhanden gemaakt; hij zag in, dat het nog zeer onbeschaafd en achterlijk was. De Joden waren hem te trotsch en te onverdraagzaam; de Christenen, die hij had leeren kennen, droegen alleen den naam, maar hadden niets van den geest van Christus. Nu ontwaakte in hem de begeerte om de stichter te worden van een nieuwen godsdienst, die het beste van de bestaande godsdiensten in zich zou opnemen.

Voor hij openlijk optrad, zonderde hij zich langen tijd in de eenzaamheid af, om over godsdienstige zaken na te denken. In het jaar 611 trad hij op onder zijn volk met de leer: "Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet." In den beginne was zijn aanhang niet groot. Men lachte hem uit en vooral deden dit zijne eigene stadgenooten, de inwoners van Mekka. Zijne vrouw, zijn neef Ali en zijn schoonvader Aboe Beker waren zijne eerste volgelingen. Toen de aanhangers van Mohammed in aantal toenamen, werden zijne vijanden bevreesd en besloten hem te dooden. Mohammed werd dit gewaar en ontvluchtte de lagen zijner vijanden. In de stad Medina vond bij met zijne aanhangers eene veilige schuilplaats; de inwoners hoorden naar hem en bouwden de eerste moskee of tempel. Zijn aanhang nam nu zoo zeer toe, dat hij weldra aan de spits van een dapper leger naar Mekka optrok. Tegen zijne in geestdrift ontvlamde scharen was de stad niet bestand; zij gaf zich over en de inwoners moesten den Islam (zoo werd de leer van Mohammed genoemd) aannemen. Bij deze verovering bleef het niet; na korten tijd was geheel Arabië in de macht van den profeet. Zijne soldaten, die de verwachting op een hemel met allerlei zinnelijke genietingen tot de grootste doodsverachting voerde, waren onwederstaanbaar.

Nadat Mohammed tien jaren lang met het zwaard zijne leer had verbreid, ondernam hij eene groote bedevaart van Medina naar Mekka, begeleid door eene schaar van wel 100,000 geloovigen. Niet lang na zijne terugkomst begon hij te sukkelen, naar men wil, tengevolge van vergift, hem door eene Jodin toegediend, die de heiligheid van den profeet op de proef wilde stellen. Toen hij zijn einde voelde naderen, liet hij zich naar de moskee dragen en vermaande nog voor 't laatst het bedroefde volk. Hij stierf in 632 en werd te Medina begraven.

De leer van Mohammed is hoogst eenvoudig. Zijne volgelingen hebben aan 5 dingen te gelooven, n.l. aan God (Allah), aan zijne engelen en profeten (buiten Mohammed behooren tot deze laatsten: Adam, Noach, Abraham, Mozes en Christus); aan het laatste oordeel en aan de voorbeschikking d.i. het geloof aan de onveranderlijke, vooruitbepaalde noodwendigheid van alle menschelijke lotgevallen en daden.

De godsdienstplichten der Moslemin (geloovigen) bestaan volgens den Koran (d.i. het boek, waarin de leer van Mohammed is opgeteekend) in dagelijksch wasschen, bidden en vasten op bepaalde tijden en bedevaarten naar Medina en Mekka. De voornaamste deugden zijn: overgave aan, vertrouwen op en dankbaarheid jegens God. In den omgang met de menschen beveelt de Koran: eerlijkheid, dankbaarheid, trouw aan het eensgegeven woord, weldadigheid; strenge straffen bedreigt hij voor meineed, moord, woeker, spel en drank. Een ongelukkig voorschrift was, dat de Mohammedanen hun geloof met het zwaard moesten uitbreiden. "Het zwaard," zegt hij, "is de sleutel van den hemel."

Mohammed's opvolgers, Khalifen genoemd, veroverden weldra Palaestina, Syrië, Aegypte, Perzië en Afrika's noordkust. Overal moest het kruis wijken voor de halve maan. Zoo staken de Arabieren of Mooren, zooals ze in 't N. van Afrika genoemd werden, geroepen door de twistende Westgothische vorsten, zelfs naar Spanje over, maar—daarvan in een nieuw hoofdstuk.


32. SPANJE IN DE MIDDELEEUWEN.

In het jaar 711 werd in het Z. van Spanje, in de nabijheid van k. Trafalgar, een veldslag geleverd, die 7 dagen duurde, tusschen de uit Afrika overgestoken Arabieren onder Tarik en de West-Gothen onder hunnen koning Roderik. Gewichtig waren de gevolgen van dezen slag. Roderik werd geheel verslagen en het Spaansche schiereiland, behalve de bergachtige streken van Gallicië, Asturië en Biscaye, viel in de handen der Arabieren of Mooren. In de pas genoemde streken trokken de West-Gothen zich terug, wachtende op den geschikten tijd om het hun ontroofde weer te heroveren.

De Arabieren, blakende van ijver voor hun Mohammedaansch geloof, waren met Spanje alleen niet tevreden; zij poogden zich ook meester te maken van Frankrijk, maar werden in 732 tusschen Tours en Poitiers door den hofmeester Karel Martell volkomen geslagen.

De Arabische vorsten in Spanje waren tot het jaar 755 geheel afhankelijk van de khalifen, die als opvolgers van Mohammed het groote Arabische rijk bestuurden; na dien tijd vestigden zij er een onafhankelijk rijk. Cordova, aan den Guadalquivir, werd daarvan de hoofdstad. Deze stad werd door de Mooren tot een der prachtigste steden van Europa gemaakt. Volgens een verhaal, dat zeker niet van overdrijving is vrij te pleiten, was zij 5 uren lang en 3 uren breed, telde 600 moskeën en bezat prachtige wit marmeren paleizen, omgeven van de sierlijkste tuinen. De Alcazar of Koningsburcht, op een heuvel gelegen, muntte boven alle gebouwen uit in schoonheid.

Terwijl de overige volken van Europa meest allen nog zeer onbeschaafd en ruw waren, begon het in Spanje reeds geheel anders uit te zien.

Onder de Moorsche vorsten had men voortreffelijke regenten, die den bloei des lands en de welvaart der bewoners door goede maatregelen bevorderden. Kunstenaars en geleerden werden aangemoedigd en ondersteund. Vooral bloeiden de dicht- en bouwkunst, de geneeskunde, sterrekunde en wiskunde.

De Christenen hadden over 't geheel in Spanje niets te klagen; zij mochten ongehinderd en in 't openbaar hun' godsdienst uitoefenen en gingen niet gebukt onder zware belastingen. Wel werden zij soms hevig vervolgd, maar hadden er dan ook dikwijls zelven aanleiding toe gegeven.

Den hoogsten trap van bloei bereikte het khalifaat van Cordova onder Abd Errahman III, die van 912-961 regeerde. In zijn' tijd was de roem, die van de Arabische scholen en geleerden uitging, zoo groot, dat zelfs Christenen het niet beneden zich rekenden om in Spanje wijsheid op te doen. Zoo verhaalt men van een' Franschman Gerbert, die later als Sylvester II den pauselijken zetel beklom, dat hij in Spanje ter schole ging. In het volle gevoel zijner macht verwisselde Abd Errahman den titel van emir met dien van khalif en opperhoofd der geloovigen.

Niet lang na hem begon de macht der Mooren af te nemen. De West-Gothen drongen uit hunne gebergten steeds voorwaarts en ontrukten hun het eene stuk lands na het andere, waarvan kleine vorstendommen werden gemaakt. Toen nu in 1031 het khalifaat van Cordova zich oploste in verscheidene kleine Moorsche koninkrijken en de vroegere eensgezindheid geweken was, nam de macht der Christenen gestadig toe. Van weerszijden werd er met verbittering gestreden; men beschouwde het als een Godwelgevallig werk elkander elken duim breed gronds te betwisten. In deze oorlogen maakte een zekere Rodrigo Diaz, bijgenaamd de Cid (heer) zich door zijne heldendaden beroemd.

In het jaar 1236 moest Cordova bukken voor de macht van den koning van Castilië. De Mooren hielden zich evenwel nog twee en een halve eeuw staande in Granada, eene stad, die, evenals Cordova, kon bogen op de prachtigste gebouwen. Nog heden ten dage staren de reizigers vol bewondering op de ruïnen van het eens zoo schoone en groote paleis, de Alhambra.

Langzamerhand hadden de Christenen in Spanje drie koninkrijken gesticht n.l. Castilië, Arragon en Portugal. In het laatst der 15de eeuw huwde koning Ferdinand van Arragon met koningin Isabella van Castilië en daarmee was de grondslag gelegd voor Spanje's toekomstige macht. De Mooren ondervonden die in het jaar 1492, toen hun laatste bolwerk, Granada, zich aan het vereenigde leger van Ferdinand en Isabella moest overgeven. Bij de overgave werd den Mooren volkomene vrijheid van godsdienst toegestaan. De Christenen kwamen hunne beloften slecht na. Eerst trachtte men de Mooren door overreding, en toen dit niet baatte, door geweld tot het Christendom te bekeeren. Velen hunner verlieten liever het land, waar ze waren geboren en staken naar Afrika over; anderen gingen in schijn tot de Christelijke kerk over en werden Morisco's genoemd.

Onder Philips II kwamen de Morisco's in opstand, omdat deze hun wilde dwingen afstand te doen van hunne eigenaardige taal, zeden en gewoonten; zij werden evenwel door Philips halfbroeder, Don Jan van Oostenrijk, weder tot onderwerping gebracht.

Om de schijn-christenen onder de Mooren op te sporen werd de inquisitie of de rechtbank van geloofsonderzoek ingesteld. Toen evenwel het eene noch het andere baatte, gaf Philips III in 1609 bevel, dat de nog aanwezige afstammelingen der Mooren het land moesten ruimen.

Achthonderd duizend Mooren verlieten toen hun vaderland en staken naar Afrika over, waar velen zich als zeeroovers op hunne onderdrukkers trachtten te wreken. Spanje kreeg daardoor een grooten knak; bloeiende steden en dorpen werden ontvolkt; lachende streken, door gemis aan werklieden, veranderd in woestijnen. Ook den Joden trof een dergelijk lot. Dezen vonden in andere landen, vooral in Nederland, (Portugeesche Joden) eene veilige schuilplaats.


33. KAREL DE GROOTE.

(768-814).

Tijdens de volksverhuizing maakten de Franken zich meester van Gallië. Van het eerste stamhuis, het Merovingische, dat over hen regeerde, is alleen Clovis merkwaardig. Deze vorst, die van 481-511 op den troon zat, vernietigde het laatste overblijfsel van de Romeinsche macht in Gallië, overwon de Allemannen aan den Rijn, drong de West-Gothen over de Pyrenaeën en liet zich met vele zijner onderdanen doopen.

Grooter dan Clovis was Karel de Groote, naar wien het tweede stamhuis, het Karolingische, zijn' naam ontving. Hij was een zoon van Pepijn den Korten, die eerst hofmeester bij den laatsten Merovingischen koning was, maar later door de Frankische grooten tot koning verkozen en door den Paus gezalfd werd. Pepijn liet twee zonen Karloman en Karel na, die volgens de gewoonte der Franken ieder een deel van het rijk ontvingen. Na zes jaren stierf Karloman en Karel werd alleenheerscher.

Naar lichaam en geest was Karel waardig aan het hoofd eener dappere natie te staan. Hij was breed en krachtig van lichaamsbouw, zeven voet groot en had eene edele, eerbiedwekkende houding. In alle lichaamsoefeningen, zooals rijden, jagen, en zwemmen was hij volleerd; in kracht durfde niemand zijner onderdanen zich met hem meten. Zijne oogen waren helder en doordringend; zijn stem was duidelijk en aangenaam; zijne kleeding eenvoudig en krijgshaftig; hij versmaadde allen vreemden tooi en opschik.

Meer nog dan door zijn uiterlijk voorkomen, beheerschte hij de menschen door de kracht zijns geestes. Begaafd met een vasten wil, een doordringend verstand en een juist oordeel, zoowel over groote als kleine zaken, bezat hij tevens een hart, dat blaakte voor het geluk en de beschaving zijner onderdanen. Tegenspoed kon hem niet ontmoedigen, voorspoed hem niet hoogmoedig maken.

Het doel van zijn werken en streven was: de vereeniging van alle Germaansche stammen onder één bestuur. De Christelijke godsdienst zou de band zijn, die allen omslingerde. Dit doel heeft hij door allerlei middelen trachten te bereiken, al kostte het ook stroomen bloeds. Het grootste deel zijns levens bracht Karel in oorlogen door. Reeds dadelijk bij het aanvaarden zijner regeering moest hij oorlog voeren tegen de Saksen, een der machtigste Germaansche stammen, die aan de oostelijke grenzen van zijn rijk woonden. Deze Saksen, heldhaftig van aard en gehecht aan hun alouden godsdienst, deden soms invallen op het Frankische gebied. Karel trok tegen hen op, drong diep in hun land door en dwong hen den Christelijken godsdienst aan te nemen. Maar op dit dappere volk viel weinig staat te maken. Zoodra waren de Frankische legers niet uit hun land vertrokken, of zij stonden weder op, verdreven en doodden de zendelingen, haalden de Christentempels omver en richtten hunne heidensche altaren weder op. Vooral onder hunne dappere aanvoerders Wittekind en Alboïn streden ze dikwijls met goed gevolg. Eerst nadat Karel in 782 te Verden aan de Wezer 4500 Saksen op één dag had laten onthoofden en 10000 met vrouwen en kinderen naar een ander deel van zijn gebied had verbannen, was de tegenstand gebroken. Op het voorbeeld van Wittekind legden ze eindelijk de wapens neder en lieten zich doopen (785).

Ook in Italië en Spanje voerde Karel oorlogen. In 't eerstgenoemde land onderwierp hij Desiderius, koning der Longobarden, die den paus telkens het leven lastig maakte. Een deel van Desiderius gebied schonk hij aan dezen kerkvorst, die daardoor zeer in macht en aanzien toenam. In Spanje, kreeg Karel ter belooning voor de hulp, aan een Arabischen khalif bewezen, het land, tusschen den Ebro en de Pyrenaeën gelegen (Spaansche mark).

Toen hij in den kerstnacht van het jaar 800 te Rome in de St. Pieterskerk bad, zette paus Leo III hem onder de toejuiching van het verzamelde volk de keizerskroon op het hoofd, onder het uitspreken van deze woorden: "Leven en overwinning aan keizer Karel, den doorluchtige, den van God gekroonde, den groote, den vredestichter, den Romeinschen keizer."

Tengevolge van zijne overwinningen verkreeg Karel een rijk, dat zich uitstrekte van den Oder tot den Ebro en van de Noordzee tot de Middellandsche zee.

Met meer recht dan wegens zijne overwinningen mag Karel den bijnaam van den grooten dragen, door hetgeen hij deed ter beschaving en verlichting van zijne onderdanen. Hij zorgde voor de invoering van goede wetten, waardoor zoowel de arme als de rijke ongestoord bezitter van zijn eigendom werd. Mannen, zendgraven genoemd, bezochten op zijn bevel alle deelen van zijn gebied om te onderzoeken of de rechters hun plicht deden. Met al zijne macht bevorderde hij den bloei van den handel en den landbouw. Daartoe liet hij goede wegen aanleggen, kanalen graven en bruggen over rivieren slaan. Onder zijn rechtvaardig en streng bestuur verdwenen de roovers, die voorheen de wegen onveilig hadden gemaakt. De handwerken moedigde hij aan; zelf droeg hij nooit andere kleeding, dan die in zijne staten was vervaardigd. Kunsten en wetenschappen vonden in hem een ijverig beschermer; op gevorderden leeftijd leerde hij nog schrijven en gaf zoo een goed voorbeeld aan zijne edelen, die de wetenschappen verachtten. Groote geleerden als Alcuinus, Eginhard en Angilbert lokte hij aan zijn hof, onderhield zich gaarne met hen en stelde het hoogste belang in hunne gesprekken en hun onderwijs.

Kerken en kloosters verrezen op vele plaatsen op zijn bevel; hij verplichtte de geestelijken om scholen op te richten ter onderwijzing der jeugd. Zorgvuldig liet hij de oude gedichten der Duitschers opschrijven en verzamelen. We zouden te uitvoerig worden, wanneer we al de groote verdiensten van Karel wilden opnoemen. Het aangevoerde is voldoende om te bewijzen, dat hij niet alleen een groot krijgsman, maar ook een uitstekend regent was. Als mensch was Karel voorzeker niet vrij van gebreken, maar, gerekend naar den tijd, waarin hij leefde, waren deze betrekkelijk zeer klein.

De groote man bereikte den ouderdom van 71 jaar. Na eene 46 jarige regeering stierf hij te Aken, waar hij evenals te Nijmegen (Valkhof), Regensburg en Frankfort gaarne zijn verblijf hield. (814) Zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome evenaarde hem wel in ijver voor den Christelijken godsdienst, maar miste geheel en al de groote talenten van zijn' vader. In 817 verdeelde hij reeds het rijk onder zijne drie zonen: Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Toen hij later ten gunste van een vierden zoon Karel, de Kale bijgenaamd, een nieuwe verdeeling wou invoeren, stonden zijne oudste zonen tegen hem op en berokkenden hem veel verdriet. Later gingen ze ook onderling oorlogvoeren en brachten het rijk daardoor deerlijk in verwarring, totdat het verdrag van Verdun (843) daaraan een einde maakte. Daar Pepijn in 840 was gestorven, verdeelden de overgeblevene zonen het rijk aldus: Lotharius kreeg de keizerlijke waardigheid en Middel-Frankrijk of Lotharingen (het land tusschen den Rijn, de Rhône, de Maas en de Schelde), Lodewijk kreeg Oost-Frankrijk of Duitschland en Karel de Kale West-Frankrijk of Frankrijk. Het deel van Lotharius kwam later bijna geheel aan Duitschland.


34. TWEE ENGELSCHE KONINGEN.

In dezelfde eeuw, waarin Karel de Groote stierf, zag Alfred de Groote het levenslicht. Evenals aan Karel heeft men hem en wel met volle recht den bijnaam van den grooten gegeven. Wat Karel deed voor de Franken, heeft Alfred in niet mindere mate gedaan voor de Engelschen.

Vroeger hebben we vermeld, dat de Angelen en Saksen zich meester maakten van Engeland en er 7 kleine koninkrijken stichtten, die omstreeks 827 door koning Egbert van Wessex tot één rijk werden vereenigd. Die vereeniging was een geluk voor Engeland. Omstreeks dien tijd toch begonnen de Noormannen of Denen, zooals ze in Engeland genoemd werden, hunne verwoestende invallen in het rijk. Evenals in andere landen werd ook hier de weg, dien de Noormannen gevolgd hadden, aangewezen door verbrande dorpen en steden, verwoeste velden en uitgeplunderde inwoners. Nu is het licht te begrijpen, dat één machtig koning beter de Noormannen kon weerstaan, dan 7 onbeduidende vorsten. Toch hadden sommige koningen het zwaar te verantwoorden, ja zelfs was Engeland wel eens geheel in de macht der Denen.

Alfred werd geboren in het jaar 849. Op vijfjarigen leeftijd nam zijn vader Ethelwulf hem mede naar Rome en liet hem daar, zeer tegen den zin zijner oudere zonen, door den Paus tot koning zalven. Na den dood zijner 4 broeders, onder wier bestuur Engeland verschrikkelijk van de Denen had te lijden, beklom Alfred den troon (871-901). Met blijdschap werd hij door zijne onderdanen als koning gehuldigd, want men had groote verwachtingen van hem, niet alleen omdat hij dapper en onverschrokken, maar ook edel en wijs was. In de eerste jaren van zijn bestuur brachten de Denen hem vele nederlagen toe. Wel behaalde hij eene enkele maal de overwinning, maar dan kwamen er telkens weer groote scharen van vijanden over de zee, die hem al meer in het nauw brachten. Ten laatste bleef er slechts eene enkele provincie in zijne macht. Nu was zijn toestand hopeloos. Vele zijner getrouwste vrienden verlieten hem en onderwierpen zich aan de Denen. Alfred verloor den moed niet; als herder verkleed verborg hij zich voor zijne vijanden in een afgelegen deel des lands. Volgens de overlevering zat hij eens in de hut van een' koeherder bij het vuur en hield zich onledig met het vervaardigen van boog en pijlen. De huismoeder, die niet wist, wie haar gast was, gaf hem bevel op het brood te passen, dat ze in den oven gedaan had. Doch Alfred peinsde onophoudelijk op de middelen om zijn land van de Denen te verlossen, en daardoor dacht hij niet aan het brood, dat begon te verbranden. Toen de huisvrouw die ondertusschen weer binnen gekomen was, dit merkte, riep ze toornig uit: "Luie kerel, die ge zijt! Het brood eten, kunt ge, maar om het te bakken, daartoe zijt ge te dom."

Nadat zijne vijanden hunne nasporingen moe waren geworden, verliet Alfred deze schuilplaats en begaf zich met eenige getrouwen naar een burcht, die in een door moerassen en wouden ontoegankelijk oord lag. Weldra kwamen er vele dappere en vaderlandslievende mannen tot hem, zoodat hij met een klein legertje den vijand kon aanvallen en buit bemachtigen. Om met de plannen en strijdkrachten der Denen bekend te worden, verkleedde hij zich, volgens het volksverhaal, als harpspeler, ging onverschrokken naar het vijandelijk leger en verrukte de soldaten door zijn heerlijk gezang en snarenspel. Meteen had hij nu eene schoone gelegenheid om de legerplaats der vijanden op te nemen. Nadat hij zijne maatregelen goed genomen had, riep hij bij hoorngeschal de edelen en vrijen van zijn volk op ten strijde. Jubelend schaarden dezen zich onder de vanen van den geliefden vorst, dien ze reeds gestorven waanden.

Heftig was de aanval op het Deensche leger; langen tijd stond de kans twijfelachtig, tot eindelijk Alfred en de zijnen de overwinning behaalden. De Denen, die in leven waren gebleven, moesten het Christendom aannemen en kregen verlof zich in Oost-Angelen en Northumberland te vestigen.

Alfred nam nu gepaste maatregelen om de invallen der Denen niet alleen af te weren maar ook te voorkomen. Langs de kusten, vooral daar, waar de vijanden gewoonlijk eene landing beproefden, werden burchten aangelegd. Hij liet eene vloot bouwen, uit groote vaartuigen bestaande en bemand met dappere, geharde Saksen en Friezen. Deze vloot moest ten allen tijde gereed zijn om zee te kiezen en de vloot der Denen van de kusten te houden.

Niettegenstaande deze maatregelen deden de Denen in 893 weer opnieuw met groote overmacht een' inval, doch na een hardnekkigen oorlog, die 3 jaren duurde, werden ze verjaagd en waagden zich tijdens het leven van Alfred niet weder in Engeland.

Zoo was Alfred de redder en verlosser van zijn volk. Maar hij liet het daarbij niet blijven. Zooveel in zijn vermogen was, trachtte hij zijn volk op te heffen en te veredelen. Oude, goede wetten werden opnieuw door hem ingevoerd; veiligheid en orde overal hersteld, zoodat men, zooals de geschiedschrijvers verhalen, eene beurs op den weg kon laten liggen, zonder vrees te voelen, dat zij weggenomen zou worden. De geestelijkheid werd door hem bevoordeeld, mits zij haren plicht deed. Scholen en kerken verrezen overal onder zijn bestuur; landbouw en nijverheid werden krachtig door hem aangemoedigd. Om den handel te bevorderen zond hij schepen uit ter ontdekking van onbekende landen; wetenschap en kunst, die hij zelf ook gelukkig beoefende, vonden in hem een milden beschermer. Door eene juiste verdeeling van den tijd was het hem mogelijk buitengewoon veel te verrichten. Zijne oprechte vroomheid, rechtvaardigheid en voorkomendheid openden hem aller harten, en 't was dus niet te verwonderen, dat hij diep betreurd werd door zijn volk, toen hij den 28 October 901 ten grave daalde.

Niet zooveel goeds kunnen we meedeelen van Willem den Veroveraar, een vorst, die ruim anderhalve eeuw later leefde dan Alfred.

De opvolgers van Alfred konden over 't geheel niet in zijne schaduw staan; daardoor ging het met zijn werk als met dat van Karel den Grooten: veel goeds ging er verloren. De Denen, merkende, dat zijn sterke arm het zwaard niet meer hanteerde, werden van jaar tot jaar stoutmoediger. Toen er in 1002 een vreeselijk bloedbad onder hen werd aangericht, gaf dit hun' koning Swen aanleiding om de Engelschen wreeder dan ooit te tuchtigen. Zijn zoon Kanut of Knoet, die van 1016-1035 regeerde; maakte zich zelfs meester van het rijk en regeerde wel gestreng, maar toch ook rechtvaardig. Later (1041) kwam de regeering onder koning Eduard weder aan de Angelsaksische koningsfamilie, doch niet lang. Na zijn' dood toch maakte Willem de veroveraar, hertog van Normandië, aanspraak op den troon van Engeland. Het Engelsche volk begeerde den Normandiër niet, maar verkoos Harald, een aanzienlijk edelman, tot koning. Willem liet zich dit niet welgevallen; hij trok aan het hoofd van een machtig, weluitgerust leger in 1066 naar Engeland. In het zuiden van dit land, nabij de stad Hastings, kwam het tot een treffen. Meer dan eens stond de kans voor Willem zeer hachelijk. Na een dapperen aanval van de Engelschen weken de Noormannen, en het gerucht verbreidde zich, dat Willem gedood was. Dadelijk sprong hij voor den dag, hield de vluchtelingen tegen, rukte zijn' helm af en riep: "Ik leef en zal overwinnen!" Tegen den avond was hij werkelijk meester van het slagveld. Harald, zijne beide broeders en de bloem van den Engelschen adel dekten met hunne lijken het slagveld. Den 26 December van het jaar 1066 liet Willem zich tot koning van Engeland te Londen kronen. Weldra bleek het, dat hij een streng heer was; zijne Normandische krijgers gaf hij rijke ambten en bezittingen en verbitterde daardoor de Angel-Saksen. Ook voerde hij in Engeland het leenstelsel in, doch zorgde dat zijne leenmannen hem niet boven 't hoofd konden groeien. Op zijn uitdrukkelijk bevel moesten Fransche taal en zeden in Engeland ingevoerd worden; daardoor kwam er eene vermenging van de Fransche taal der overheerschers met de Germaansche taal der overwonnelingen tot stand, en deze gaf den oorsprong aan de nieuwere Engelsche taal.


35. HENDRIK I EN OTTO I.

In het jaar 911 overleed de laatste nakomeling van Karel den Grooten, die over Duitschland het bewind voerde. Hij heette Lodewijk en droeg den bijnaam het kind.

Gedurende zijne zwakke regeering en die van zijne meeste voorgangers verkeerde Duitschland in een hoogst ongelukkigen toestand. De leenmannen namen gaandeweg in macht en aanzien toe. Ze stoorden zich bedroefd weinig aan hunne zwakke leenheeren en deden, wat ze verkozen. De weinige vrijen, die tot dusverre hunne onafhankelijkheid hadden weten te bewaren, werden door den nood gedwongen hunne bezittingen in eigendom af te staan aan den een of anderen machtigen heer, die hen tegen ruwe aanvallen kon beschermen. Deze gaf hun dan die bezittingen als een erfelijk leen terug. Het recht van den sterkste heerschte in dien tijd onbeperkt. Tot nog grooter ongeluk deden de Noormannen, Slaven en Hongaren juist toen hunne verwoestende invallen. Nergens vonden zij een leger, dat hen op hunne plundertochten stuitte; want er was volstrekt geen eenheid in het rijk. Aan dien ongelukkigen toestand werd een einde gemaakt door Hendrik I, die van 919 tot 936 de teugels van het bewind in handen had. Vóor hem had Koenraad van Frankenland als koning geregeerd, doch dezen was het niet gelukt, zich door de machtige hertogen te doen eerbiedigen. Bij zijn' dood beval hij Hendrik, hertog van Saksenland, zijn grootsten tegenstander, als zijn opvolger aan. Zijne edelmoedige daad droeg heerlijke vruchten.

Hendrik toch was een man, naar lichaam en geest geschikt om te regeeren. Hij had een koninklijk voorkomen, was groot en breed van gestalte, bezat een scherp verstand en was bedachtzaam en vriendelijk. 't Duurde niet lang, of al de oproerige hertogen erkenden zijne oppermacht. Lotharingen werd door hem aan Duitschland gehecht, en de Wenden, die in het n.w. van het rijk invallen deden, werden onderworpen. Met de Hongaren sloot hij een' wapenstilstand van negen jaren, onder voorwaarde, dat hij hun eene jaarlijksche schatting zou opbrengen. Wel was dit zeer vernederend voor Duitschland; maar de Koning had daarvoor zijne goede redenen. De Duitschers waren nog te zwak om het wilde ruitervolk te weerstaan; hij nam echter dadelijk vele heilzame en goede maatregelen, om hen daarvoor geschikt te maken. In de eerste plaats was hij er op bedacht om de orde en de veiligheid in het rijk te herstellen; de roovers ging hij met zoo krachtige hand te keer, dat ze weldra uitgeroeid waren. Daar het land bijna overal open was, stichtte hij vooral aan de oostelijke grenzen van het rijk versterkte steden en burchten, waarin de landlieden in tijd van nood eene veilige schuilplaats konden vinden. Ten einde de steden bevolkt te krijgen, gebood hij, dat van negen landlieden éen, bij loting te bepalen, zich er in moest nederzetten. De menschen, die zich in een' burcht of burg metterwoon gingen vestigen, werden burgers genoemd en ontvingen van den vorst vele voorrechten, waardoor ze zich gemakkelijk in hun lot leerden schikken. Wijl de nederlagen, die de Duitschers van de Hongaren leden, vooral aan eene verkeerde wijze van oorlogvoeren waren toe te schrijven, bracht hij ook daarin eene groote verbetering. De zware wapens werden door lichtere vervangen, en, behalve voor voetvolk, zorgde hij voor geoefende ruiters.

Eindelijk waren de negen jaren verstreken. Daar kwamen de Hongaarsche gezanten bij Hendrik om de schatting op te eischen.

"Dat is al, wat ik voor u heb," zei Hendrik op vastberaden toon en liet hun meteen een verminkten hond aanreiken. De gezanten waren woedend en beloofden zich vreeslijk te zullen wreken. Ze lieten het niet bij het zeggen. Een groot leger Hongaren drong moordend en plunderend tot in het hart van Duitschland door. Niet verre van Merseburg had Hendrik zijn leger geposteerd; daar kwam het in 993 tot een' slag. De Koning gewende eerst zijne soldaten aan het gezicht en de krijgsbewegingen der Hongaren. Toen hunne woede jegens dit woeste volk was opgewekt, schaarde hij zijn leger in slagorde. Zijne woorden vuurden den moed der zijnen zoodanig aan, dat ze uitriepen: "Wij willen strijden voor Gods altaren, voor de eer des rijks en voor de veiligheid der onzen!"

Hevig en onwederslaanbaar was de aanval der Duitschers; maar ook de Hongaren hielden zich dapper. Op hunne vlugge rossen stoven zij op den vijand in, doch moesten wijken voor Hendriks dappere krijgers. De Hongaren delfden het onderspit; in allerijl sloegen ze op de vlucht en werden acht dagen lang door de overwinnaars achtervolgd, die in de legerplaats de gevangen vrouwen en kinderen juichend bevrijdden en er een onmetelijken buit vonden.

Drie jaren na deze schitterende overwinning overleed Hendrik; zijn zoon Otto werd tot zijn' opvolger gekozen en met groote pracht te Aken gekroond. Evenals zijn vader was hij een krachtig en wijs regent, die ten volle den bijnaam van den grooten verdient, hem door tijdgenoot en nakomeling geschonken.

Ontzag en eerbiedwekkend was Otto's voorkomen. Het doel van zijn leven en werken was het voorbeeld van Karel den Grooten ná te volgen. Evenals deze was hij een geducht vijand, die zijne tegenstanders ter neder wierp en verpletterde; berouwhebbenden daarentegen behandelde hij met onuitputtelijke grootmoedigheid. Hij was een voorstander van het recht en woonde nu hier, dan daar in het rijk om daardoor de eenheid tusschen de verschillende stammen te bevorderen. Hij bevorderde de uitbreiding van het Christendom; onder zijn bestuur werd het tot de Denen en de Slaven gebracht.

Jammer, dat deze groote vorst het grootste deel zijner regeering op het slagveld moest doorbrengen. Sommige Duitsche hertogen weigerden hem als opperheer te erkennen en moesten daartoe door de scherpte des zwaards worden gedwongen. Veel verdriet veroorzaakten hem de samenzweringen, die door zijn naijverigen broeder Hendrik tegen hem gesmeed werden om hem van troon en leven te berooven. Gelukkig wist hij ze alle te verijdelen en betoonde zich telkens vergevensgezind. De Wenden en de Denen werden door hem onderworpen, ja zelfs de Polen moesten zijne opperheerschappij erkennen.

Het hoogste doel van zijn wenschen, de keizerskroon, kwam ook in zijn bezit. Door de vervolgde koningin Adelheid ter hulp geroepen, snelde hij in 951 naar Italië, overwon de vijanden der schoone en deugdzame vrouw en nam haar ten huwelijk. Daardoor werd hij koning van Italië. Op een tweeden tocht (962) liet Otto zich tot keizer kronen. Sedert dien tijd droegen de Duitsche koningen den titel van keizer, ofschoon in den beginne slechts zij dien mochten dragen, die in Rome door den Paus waren gekroond.

In het jaar 955 waagden de Hongaren weder een verwoestenden inval. In onafzienbare scharen trokken de woeste roovers het land door en riepen: "Onze paarden alleen kunnen den oorlog wel ten einde brengen; zij zullen de Duitsche rivieren en meren uitdrinken en de dorpen en steden onder hunne hoeven verpletteren. De Duitschers zijn zeker verloren, tenzij de aarde zich voor hen opene of de hemel op ons neerstorte." In de nabijheid van Augsburg op het Lechveld kwam het tusschen het leger van Otto en de Hongaren tot een' slag. Het Duitsche leger was wel niet talrijk, maar vol vertrouwen op God. Voor het begin van den strijd gebruikte de Koning met zijne krijgers het heilige avondmaal. Hierop knielden ze neder en smeekten God om hulp. De slag nam nu een' aanvang. De Duitschers streden met heldenmoed. De vijand werd overhoop geworpen en maakte zich in wilde vlucht uit de voeten. Meer dan 100,000 krijgers dekten, volgens het volksverhaal, met hunne lijken het slagveld.

Sedert deze overwinning herhaalden de Hongaren hunne verwoestende invallen niet meer. Niet lang daarna namen ze het Christendom aan, en daardoor werden hunne zeden zachter en vredelievender. Otto de groote stierf in het jaar 973. In den dom te Maagdenburg rust zijn gebeente, en op de markt van die stad is een standbeeld te zijner eere opgericht.


36. KIJKJE IN DE MIDDELEEUWSCHE MAATSCHAPPIJ.

I.

In het begin der Middeleeuwen was een groot deel van West-Europa nog bedekt met groote, ondoordringbare wouden; slechts hier en daar merkte men eenige steden en dorpen op. De eerste hadden haar ontstaan vooral aan Romeinsche legerplaatsen te danken. De Germaan hield toen nog niet van het wonen in steden, die hij als gevangenissen beschouwde; hij leefde liever op zijne hoeve, te midden der vrije natuur. Daar was hij onbeperkt gebieder over al zijne onderhoorigen en lijfeigenen, die zijne akkers bebouwden en zijn vee verzorgden. Hij zelf bemoeide zich daar niet mee; hij hield zich enkel bezig met jacht en vischvangst en nog het liefst met den krijg, want de Germanen waren over 't geheel zeer oorlogzuchtig. Zij waren dan ook recht in hun element, wanneer zij onder hunne zelfgekozen aanvoerders ten strijde konden trekken en rijken buit behalen. Dat de landbouw tengevolge daarvan op een zeer lagen trap stond, is gemakkelijk na te gaan. Van de graansoorten werden alleen haver en gerst verbouwd; in de 6de eeuw na Christus kwam de rogge en in de 8ste eeuw de tarwe naar West-Europa. Aan bemesting stoorden de Germanen zich niet: de lijfeigenen waren te lui of te onwillig om zich op de verbetering van den grond toe te leggen; vandaar dat hij slechts karige vruchten opleverde. Eerst nadat sommige kloosterlingen zich met ijver op de verbetering van den landbouw toelegden en hunne landerijen gingen bemesten, kwam daarin eenige verandering. Het aantal steden nam vooral in Duitschland zeer toe, nadat de Saksische keizers hunne onderdanen dwongen daarin een verblijf te zoeken. Vooral was dit het geval tijdens de kruistochten, toen de vrijgeworden lijfeigenen zich bij een kasteel of klooster gingen neerzetten en om deze nederzettingen muren bouwden ter beveiliging tegen de aanvallen der vijanden. De steden van toen zagen er geheel anders uit dan de tegenwoordige. De straten waren smal en bochtig; de huizen hoog en somber; plaveisel en straatverlichting waren voor de 15de eeuw eene ongekende weelde. In de huizen zag het ook al zeer eenvoudig uit; langs de wanden stonden banken; schoorsteenen kende men niet; glasruiten waren zeer zeldzaam. Steenen huizen zag men weinig; alleen paleizen, kerken en kloosters waren van steen opgetrokken; de meeste gebouwen bestonden uit hout.

Toen de bewoners der steden, poorters genoemd, later door handwerken en handel rijk werden, nam de weelde verbazend toe; de banken werden vervangen door sierlijk gebeeldhouwde stoelen; de grond werd met prachtige tapijten en de wanden met groote kristallen spiegels versierd. Dit alles was eene navolging van hetgeen de Westerlingen tijdens de kruistochten in het Oosten hadden gezien.

De spijzen zouden ons zeer vreemd en walgelijk zijn voorgekomen. Behalve het vleesch van varkens, paarden enz. gebruikte men ook dat van ooievaars, raven en zeehonden, alsmede walvischtongen. Vorken waren voor de 16de eeuw onbekend; men bracht de vaste spijzen met de hand naar den mond.

Ook de kleeding verschilde veel van de onze. De mannen droegen nauwsluitende tot de voeten reikende broeken, een wambuis en lederen schoenen of klompen; slechts aanzienlijke lieden droegen een' rok. Alleen in den oorlog bedekte men het hoofd met een' helm; in vredestijd liep men ongedekt. Hemden kende men niet; den hals droeg men bloot.

Na de kruistochten kwam in deze eenvoudige kleedij eene groote verandering. Men zag nu de mannen korte zijden lijfrokken dragen, met goud doorwerkt; ook soms een overkleed van zijde of fluweel, omzoomd met kostbaar bont. Broek en kousen waren uit één stuk en van laken vervaardigd. Aanzienlijke vrouwen kleedden zich in een lang, slepend gewaad, met goud doorstikt, met paarlen en edelgesteenten bezet en met wapens versierd. De wetten waren in den beginne niet geschreven, maar berustten op aloude gebruiken en instellingen. Bij de Franken mocht men ten tijde van Karel den Grooten geen vrij man tuchtigen; iedere misdaad kon door eene boete, weergeld genaamd, afgekocht worden. Hoe onbillijk ons thans dit weergeld ook moge schijnen, het had toch deze goede zijde, dat de bloedwraak, die nog ten huidigen dage bij sommige Oostersche volken vreeselijke gevolgen na zich sleept, er door voorkomen werd. Een' moord op een gewonen vrije kon men afkoopen met 200, van een graaf met 600 en van een lijfeigene met 35 goudstukken. Voor elk lichaamsdeel, dat gewond werd, voor elk scheldwoord, dat men elkaar naar 't hoofd wierp, was eene boete bepaald. Onder voorzitterschap van een' graaf of schout kwamen de schepenen, gewoonlijk de aanzienlijkste bewoners eener gouwe, bijeen om het recht uit te spreken. Kon de onschuld van den beklaagde niet duidelijk in 't licht worden gesteld, dan moest hij zich onderwerpen aan een zoogenaamd godsoordeel, dat uit een tweegevecht, uit de water- of vuurproef of iets dergelijks bestond.

Wanneer iemand de waterproef moest ondergaan, werd hij in een groot met water gevuld vat geworpen. Dreef hij boven, dan was hij door God gericht en ontving de straf der schuldigen; zonk hij, dan werd hij onschuldig verklaard en op vrije voeten gesteld, zoo hij ten minste nog leefde.

De onveiligheid van leven en bezittingen was in de Middeleeuwen ongelooflijk groot. Nergens bijna was men zijn leven zeker. Vooral de weinige vrijen, die er na de invoering van het leenstelsel overbleven, hadden het zwaar te verantwoorden. De eene stad was bijna onophoudelijk in oorlog met de andere; vandaar dat de burgers, zelfs in de residentie van den Paus, hunne huizen versterkten met zware balken en ijzeren traliën. Sommige adellijke heeren maakten er een beroep van, weerlooze landlieden en vreedzame reizigers van al het hunne te berooven en te mishandelen. Gewoonlijk was er geene macht in de wereld sterk genoeg om de boosdoeners te vatten en naar verdienste te straffen. De geestelijkheid trachtte door den Godsvrede ten minste eenige verademing te verschaffen. Daarbij werd op straffe van den banvloek bepaald, dat men de twisten van Donderdag-avond tot Maandag-morgen moest laten rusten.

Die onveiligheid en de schaamteloosheid der booswichten riepen in Duitschland eene instelling in het leven, onder den naam van veemgerecht bekend. Het woord veem is, naar men zegt, afkomstig van een woord, dat zooveel beteekent als verbannen, vloeken.

Het veemgerecht bestond uit een' voorzitter, die vrijgraaf heette en uit minstens 14 vrijschepenen, die men ook wetenden noemde, omdat ze bekend waren met de geheimen der heilige veem. Door een vreeselijken eed waren de rechters gehouden te zwijgen. Wie desniettegenstaande een geheim verklapte of iemand, door het veemgerecht ingedaagd, het vluchten mogelijk maakte, werd op huiveringwekkende wijze ter dood gebracht. De veemrechters erkenden slechts den keizer van Duitschland als hun opperhoofd; hij werd daarom ook ingewijd in al hunne geheimen.

De rechters kwamen in 't geheim op de eene of andere afgelegene plaats, in een bosch of op eene heide, te zamen, eerst bij dag, later alleen bij nacht. Wanneer iemand, hoog of laag, eene misdaad begaan had, werd hij door een der vrijschepenen aangeklaagd. Den volgenden dag werd dan op de deur van den beschuldigde eene indaging vastgehecht, waarbij hij werd opgeëischt om zich op een bepaalden tijd voor het veemgerecht te stellen ter verantwoording. Voldeed hij niet aan dezen eisch, dan werd hij zonder vorm van proces door een' der veemvechters of een' zijner handlangers om het leven gebracht. Verscheen bij wel ter bestemde plaatse, dan werd hij geblinddoekt en langs vele slingerpaden voor vermomde rechters gebracht. Kon de beklaagde zich met grond vrijpleiten van de hem ten laste gelegde misdaad, dan werd hij op even geheimzinnige wijze weer weggeleid; zoo niet, dan werd hij ter dood veroordeeld en het vonnis dadelijk aan hem voltrokken.

In den beginne werkte het veemgereecht krachtig de bandeloosheid tegen; later ontaardde het. De betere inrichting der gewone rechtbanken, de grootere macht der vorsten om de misdaden te keeren en de ontaarding van het veemgerecht zelf veroorzaakten, dat het tegen het einde der Middeleeuwen van alle macht en invloed was beroofd.

II.

Ten einde wat nauwkeuriger met den maatschappelijken toestand in dit tijdvak der geschiedenis bekend te worden, is het noodig, dat we nog iets vertellen van enkele instellingen en inrichtingen, die in de Middeleeuwen ontstonden en bloeiden.

In de eerste plaats het leenstelsel. Wanneer dit is ingevoerd, valt moeielijk te zeggen; het is langzamerhand ontstaan.

Het bestond hoofdzakelijk hierin, dat vorsten of aanzienlijke personen stukken land, uitgestrekte bosschen of vischrijke wateren voor persoonlijk gebruik afstonden aan die lieden, welke hun den een of anderen dienst hadden bewezen. De gever werd leenheer (souverein), de ontvanger leenman (vasal) genoemd. In den beginne stonden de bezitters van een vrij eigendom (allodium) in rang boven de leenmannen. Dit veranderde, toen de leenmannen door de vorsten met de aanzienlijkste ambten werden begiftigd, en zij hunne leenen erfelijk en door aankoop, verovering of erfenis grooter maakten. De vrije mannen kregen het nu zwaar te verantwoorden; menig machtig leenman aasde op hunne bezittingen, en daardoor waren ze genoodzaakt, die in eigendom aan een machtig vorst of heer af te slaan om ze daarna in leen weer terug te ontvangen. Daardoor verwierven zij zich de bescherming van den leenheer; zij waren nu niet alleen verplicht om op te komen ter verdediging van het vaderland, maar moesten in alle omstandigheden bij de eerste oproeping van den leenheer met gewapende mannen hem ter hulpe snellen. Weldra vond men in 't grootste deel van Europa slechts enkele leenheeren, vele leenmannen en geestelijken en voor de rest enkel lijfeigenen, die vooral te platten lande een treurig lot hadden. Uit deze lijfeigenen kwam, ten gevolge der kruistochten, de burgerstand te voorschijn; terwijl de adel van den nieuwen tijd grootendeels afkomstig is van de leenmannen.

De erfelijke leenen werden verdeeld in zwaard- en spille- leenen, terwijl men op sommige plaatsen ook zonneleenen had. Een zwaardleen was een leen, waarbij alleen een man kon opvolgen; bij een spilleleen had ook eene vrouw daartoe het recht. De bezitter van een zonneleen was van niemand afhankelijk dan van God en de zon; het was dus eigenlijk geen leen, maar een vrij eigendom of allodium.

Eene andere eigenaardige instelling was het ridderwezen. Evenmin als van het leenstelsel kan men zeggen, wanneer of hoe het ontstaan is. Dit is zeker, dat het langzamerhand werd ingevoerd bij alle Germaansche volken. Even zeker is het, dat Hendrik I van Saksen de grondslagen voor het ridderwezen heeft gelegd, en dat de kruistochten veel tot den bloei er van hebben bijgedragen. Een ridder dan was iemand, hetzij van adel of niet, die in den strijd te paard zat, met helm en harnas bedekt. Hij moest het Christendom verbreiden, weezen, weduwen en ongelukkigen beschermen tegen alle verdrukking; hij moest het onrecht wreken en de eer der vrouwen verdedigen. Verder moest hij zich onderscheiden door ootmoed voor God, menschlievendheid, dapperheid in den strijd en hoffelijkheid jegens de vrouwen. Voorwaar! eene grootsche en moeielijke taak. In rang stonden de ridders boven alle adellijken, die den ridderslag niet hadden ontvangen; bij aanzienlijke feesten zaten ze aan afzonderlijke tafels; bovendien hadden ze het recht om anderen tot ridder te slaan. De zonen der ridders werden gewoonlijk tot hun zevende jaar aan de zorg hunner moeders toevertrouwd; vervolgens moesten ze tot hun 14de jaar als edelknaap of page de vrouw van een vreemden ridder dienen en ontvingen dan onderwijs in muziek en dichtkunst, in loopen, zwemmen, rijden, schieten en in den wapenhandel. Daarna moesten ze nog 7 jaren als schildknaap in dienst van een' ridder vertoeven en ontvingen nu de laatste voorbereiding voor hun later leven. Ze moesten de paarden van hunnen heer verzorgen, zijne wapens poetsen en hem aan tafel bedienen. Voorts moesten ze zich oefenen in den wapenhandel en de onafscheidelijke metgezel zijn van hunnen heer in den strijd. Had de schildknaap bewijzen van moed en bekwaamheid gegeven, dan volgde met veel plechtigheid de ridderslag.

Nu mocht hij deelnemen aan de tournooien of steekspelen, die door vorsten en aanzienlijke ridders werden gegeven, en waarop hij zijne kracht en behendigheid kon toonen. Behalve met steekspelen vermaakten de edelen en ridders zich met de jacht op herten, beren, vossen, wilde zwijnen enz. Bijzonder geliefd was de valkenjacht, of liever de jacht, die men met afgerichte valken op klein gedierte hield.

Al deze vermaken hadden slechts in den zomer plaats; in den winter leidden de edelen over het geheel in hunne burchten een zeer vervelend leven. Waarmee zouden ze zich bezig houden? Lezen en schrijven hadden ze niet geleerd; dat was goed voor geestelijken en monniken: een rijke bron van genot was dus voor hen gesloten. Wel konden ze zich soms eens verlustigen in de grappen van hunnen nar of potsenmaker, maar ook dit werd op den duur vervelend.

Gelukkig waren ze, wanneer een rondtrekkende zanger bij tijd en wijle door schoone liederen hunne verveling kwam verdrijven. De aanvankelijk zoo schoone instelling van het ridderwezen ontaardde later op verregaande wijze. We behoeven slechts te spreken van de roofridders om dit aan te toonen. Deze mannen belemmerden met hunnen drom van woeste krijgers dikwijls den handel der nijvere burgers en stroopten de om hun' burcht gelegen streken af. Meestal leefden ze onderling in voortdurenden krijg en stoorden zich aan wet noch orde.

Wat het veemgerecht ter beteugeling van de roofzucht en baldadigheid der ridders deed, zagen we reeds. Eene andere instelling, die betere vruchten in dit opzicht heeft opgeleverd, was het Hanze-verbond. De verregaande onveiligheid te lande en ter zee noopte de kooplieden zich te vereenigen ter onderlinge bescherming. Dit deden ook eenige kooplieden te Lubeck en te Hamburg en hunne vereeniging werd het Hanze-verbond genoemd. Weldra kreeg het een grooten en weldadigen invloed. De meeste kooplieden van West-Europa werden leden van dit verbond en vandaar, dat het eene machtige vloot en een weluitgerust leger tot zijnen dienst kreeg, waardoor ontzag aan de zeeroovers en de roofridders werd ingeboezemd.

In de Middeleeuwen merkte men over 't geheel een streven naar vereeniging op. Daardoor ontstonden b.v. ook de gilden. Gilden waren vereenigingen van handwerkslieden, die hetzelfde beroep uitoefenden. Zij waakten er ten strengste voor, dat geen onbevoegde zich aanmatigde iets te vervaardigen en te verkoopen. Wilde een gezel zich als meester vestigen, dan moest hij eerst in een proefstuk van zijne bekwaamheid blijken geven (beunhazen). De gilden kregen weldra een grooten invloed op het bestuur der steden, waarin ze gevestigd waren; vooral was dit het geval in de Vlaamsche steden Gent, Brugge en Antwerpen.

Het getal kloosters, zoowel voor monniken als nonnen, nam in de Middeleeuwen verbazend toe. Zij waren dikwijls de schuilplaatsen voor verdrukten en vervolgden en de kweekplaatsen der wetenschappen, die door de edelen zoo verschrikkelijk werden verwaarloosd.

Wanneer we onzen maatschappelijken toestand vergelijken met dien der Middeleeuwen, dan mogen we dankbaar zijn, dat de tijden van ruwheid, barbaarschheid, onderdrukking en vervolging tot het verledene behooren.


37. EEN KEIZER EN EEN PAUS.

(Hendrik IV en Gregorius VII.)

In 't laatst van December 1076 ondernam een klein reisgezelschap eene moeielijke reis langs onbegaanbare wegen over de Alpen. Het bestond uit man, vrouw, kind, een' vriend en een klein getal mannelijke en vrouwelijke bedienden. De winter was buitengewoon streng; de bergen, waarover de tocht plaats had, waren zoozeer met sneeuw en ijs bedekt, dat men, zonder gevaar, noch te voet, noch te paard langs de steile en gladde helling af dalen kon. De reizigers lieten zich daardoor niet afschrikken; zij wilden en moesten in Italië wezen. De mannen kropen nu eens op handen en voeten, leunden dan weder op de schouders der gidsen of lieten zich, wanneer hun voet uitgleed, vallen en rolden verder. De vrouwen werden op ossenhuiden geplaatst en zoo door de gidsen naar beneden getrokken. De paarden werden met samengebonden pooten voortgesleept, en daardoor kwamen de meesten om. Na ongelooflijke moeite en inspanning stonden de reizigers eindelijk op den bodem van Italië. Aan uitrusten konden ze evenwel niet denken. Voort ging het, totdat ze eindelijk den 25 Januari 1077 aankwamen bij het sterke slot Canossa, niet ver van het stadje Reggio gelegen. In dat slot bevond zich op dat oogenblik paus Gregorius VII, een man, die zich als levensdoel gesteld had: de verheffing van de kerk boven den staat. Alle vorsten en koningen moesten hunne macht ontleenen aan den paus. De paus was gelijk de zon, de keizer van Duitschland de maan. Hij was verder een man van een streng-zedelijken levenswandel, die alle krachten inspande om de misbruiken, die in de Christelijke kerk heerschten, uit te roeien.

Daarom ijverde hij tegen de simonie, d. i. tegen den koop en verkoop van geestelijke ambten; tegen de investituur, d.i. tegen het recht, dat de vorsten tot dusverre hadden uitgeoefend, om priesters met ring en staf, als teeken hunner waardigheid te bekleeden. Verder dreef hij met ijzeren volharding het coelibaat of het ongehuwde leven der geestelijken door. Tot dien strengen, machtigen man nu richtten de reizigers hunne schreden. De voornaamste van hen werd binnen den tweeden ringmuur van het kasteel toegelaten. Hier stond hij drie dagen lang met een wollen hemd bekleed, in de open lucht, blootshoofds en barrevoets, zonder eenige spijs of drank te nuttigen. Die man onderging dit alles, om daardoor den Paus te bewegen den banvloek op te heffen, dien deze over hem had uitgesproken. Eindelijk op den vierden dag liet Gregorius den boeteling voor zich komen en ontsloeg hem van den ban, onder voorwaarde, dat hij naar Duitschland zou gaan en daar de verdere beslissing van zijn lot afwachten.

Wie was die man, vraagt ge, die zich zulk eene vernedering moest laten welgevallen? Die man was de koning van Duitschland, Hendrik IV. Waarom hij zich zoo moest vernederen, zullen we u verhalen.

Hendrik IV had het ongeluk zijn' vader reeds te verliezen, toen hij nog maar zes jaren oud was. Eerst was een zekere Hanno, aartsbisschop van Keulen, een streng man, zijn opvoeder en later bisschop Adalbert van Bremen, die hem in alles zijn' zin gaf en daardoor in den grond bedierf. Ook boezemde deze hem een grooten haat in tegen de Saksen, en juist deze haat maakte hem wreed en onrechtvaardig.

Nauwelijks had hij de regeering aanvaard, of hij toonde den Saksen, wat ze van hem te wachten hadden. Hij liet in hun land sterke kasteelen bouwen en daarin soldaten leggen, die het land afstroopten en de bewoners uitplunderden. De Saksische edelen smeekten den Koning, dat hij die geweldenarij zou laten ophouden, maar hij verhoorde hunne beden niet. Nu was hun geduld uitgeput; met een leger van 60000 man brachten ze Hendrik zoo in 't nauw, dat hij Saksen in allerijl verlaten moest. De kasteelen werden omvergehaald, en thans nog ziet men hier en daar in den Harts er de ruïnes van. Hendrik begaf zich naar Worms (1075) en verzamelde er een leger, waarmee hij zijne vijanden overwon. Zwaar had het ongelukkige Saksen het nu te verantwoorden. Het land werd verwoest, de bewoners van vrijheid of leven beroofd. Door den nood gedwongen, wendden de Saksen zich tot den Paus en smeekten hem om hulp.

Deze hoorde bereidwillig hunne klachten aan en vermaande Hendrik zijne onderdanen beter te behandelen.

Toen dit niet baatte, kwamen er pauselijke afgezanten, die hem bevalen binnen 60 dagen te Rome voor eene geestelijke rechtbank te verschijnen. Wanneer hij niet kwam, zou de banvloek over hem worden uitgesproken. Hendrik was woedend, toen hij dit hoorde. De pauselijke gezanten joeg hij met spot en schimp uit het land, maar Gregorius liet zich niet vervaard maken: hij sprak den banvloek over Hendrik uit. Daarbij werden de Christenen ontslagen van alle eeden, die ze den Koning hadden gezworen; geen onderdaan of dienaar mocht hem meer gehoorzamen, geen priester hem de heilige sacramenten toedienen; ieder moest hem schuwen als de pest.

In 't eerst lachte Hendrik wat om den ban; maar toen hij bemerkte, dat de Duitsche vorsten er niet zoo over dachten, ja zelfs een besluit namen om een anderen koning te verkiezen, wanneer hij niet binnen 't jaar van den ban ontslagen was, besloot hij zich voor den Paus te vernederen. Vandaar, dat we hem als een ellendigen boeteling bij Canossa zagen. De boete, Hendrik opgelegd, was in de oogen van vele zijner onderdanen veel te streng geweest. Het medelijden werd daardoor opgewekt, en het gelukte hem een groot leger op de been te brengen, waarmede hij eerst zijne vijanden in Duitschland ten onder bracht en daarna naar Italië toog om zich op den Paus te wreken. Rome werd twee jaar belegerd en in het derde jaar veroverd. Hendrik wilde zich met den Paus verzoenen, wanneer deze hem als keizer wilde kronen. Dit aanbod wees Gregorius met verontwaardiging van de hand. Daarop liet Hendrik Clemens III als paus verkiezen, en deze zette hem de keizerskroon op het hoofd. Gregorius ontkwam de gevangenschap door de vlucht naar Salerno, waar hij den 25 Mei 1085 stierf. Zijne laatste woorden waren: "Ik heb de gerechtigheid liefgehad en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik hier in ballingschap."

Hendrik had een jammerlijk uiteinde. Door zijne vroegere vrienden verlaten, ja zelfs door zijne eigene zonen, Koenraad en Hendrik, bedrogen en verraden, stierf hij in het jaar 1106 te Luik; juist toen hij toebereidselen maakte om zijn ontaarden zoon Hendrik te beoorlogen. Waarlijk, wij gevoelen innig medelijden met den man, die zich door eigen schuld zooveel ongeluk en lijden op den hals haalde. Hij sprak waarheid, toen hij eens uitriep: "Ik lijd voor de zonden mijner jeugd, zooals nog geen vorst geleden heeft."


38. EEN KLUIZENAAR EN EEN RIDDER.

Palaestina, het land waar Jezus geleefd en geleden had, waar hij in nederigheid geboren en, door zijne vijanden gesmaad, aan 't kruis gestorven was, trok ten allen tijde de aandacht der Christenen tot zich. Men geloofde in de Middeleeuwen, dat een gebed, op eene der heilige plaatsen van dat land tot God opgezonden, eerder verhoord werd dan ergens anders. Daarom ondernamen vele geloovigen de verre reis naar het Heilige Land om daar te bidden en zich te verootmoedigen voor den Heer. Zulke menschen noemde men bedevaartgangers. Zoo lang Palaestina tot het Grieksche keizerrijk behoorde, werden de bedevaartgangers niet gestoord, ja, nadat de Arabieren het hadden veroverd, konden ze zelfs ongehinderd hunne godsdienstplichten vervullen. De Arabieren waren te verdraagzaam of te onverschillig, dan dat ze menschen van eene andere godsdienstige overtuiging wilden hinderen. Anders werd het, toen de dweepzieke Turken meester werden van 't Heilige Land. Nu werden de bedevaartgangers niet alleen in hunne vrome overpeinzingen gestoord, maar ook vervolgd, in de gevangenis geworpen en gekweld. 't Was natuurlijk, dat door deze handelingen de verontwaardiging der Christenen werd opgewekt.

In het jaar 1094 verscheen in Italië en Frankrijk een man, blootshoofds en barrevoets, rijdende op een' ezel. Hij heette Peter en was afkomstig van Amiëns in Frankrijk. Een lang pelgrimskleed, om de middel door een ruw touw bijeengebonden, omgaf zijne magere leden. In zijne ontvleesde handen hield hij een crucifix. Zijne groote, zwarte oogen lagen diep in het hoofd en gloeiden van geestdrift. Wanneer hij eene stad of een dorp bezocht, liepen ouden en jongen samen om den vreemden, huiveringwekkenden man te zien en naar zijne woorden te luisteren. Die man kwam uit het Heilige Land. Met gloeiende verven schilderde hij de ellenden en jammeren, die een pelgrim daar moest verduren en toonde in zijn eigen lichaam de striemen en wonden, hem door de Turken geslagen. Vervolgens wekte hij zijne toehoorders op, om het zwaard aan te gorden en het land, dat voor de Christenen de hoogste waarde had, het schoone land, waar, behalve zoovele geloofshelden, de Verlosser der wereld had geleefd, te ontrukken aan de handen der ongeloovigen. Zijne bezielende woorden brachten een ongelooflijken indruk te weeg.

Paus Urbanus II riep twee groote kerkvergaderingen bijeen, de laatste te Clermont in Frankrijk, waar hij de Christenen aanspoorde tot den heiligen strijd. "God wil het! God wil het!" klonk het uit duizenden kelen. Vorsten, ridders, vrije mannen en lijfeigenen hechtten zich een rood kruis op de schouders ten teeken, dat ze het voornemen hadden naar Palaestina te trekken.

Terwijl de ridders zich gereed maakten, begaven zich reeds in het voorjaar van 1096 twee benden kruisvaarders, bestaande uit het schuim van allerlei natiën, naar Palaestina op weg. Ze voerden niets uit; honger, ziekte en het zwaard der Turken maaiden hen bij hoopen weg, voor ze het Heilige Land hadden bereikt.

In den herfst van hetzelfde jaar trok een weluitgerust en geoefend leger, bestaande uit meer dan 100,000 geharnaste ruiters en 200,000 man voetvolk, onder den edelen Godfried van Bouillon naar Palaestina. Tweemaal werden de Turken geslagen. Antiochië werd na eene maandenlange belegering stormenderhand ingenomen. Eerst na drie moeitevolle jaren bereikten de kruisvaarders Jeruzalem. Van het groote leger begroetten slechts 30000 man de heilige stad; de overigen waren òf door honger, hitte en het verraad der Grieken gevallen òf hadden zich eigendunkelijk van het hoofdleger gescheiden. Bij het gezicht van Jeruzalem waren alle moeiten vergeten; een ongekende ontroering maakte zich van de kruisvaarders meester; zij omhelsden elkander, kusten den heiligen grond en schreiden tranen van vreugde. De verovering der stad was evenwel niet gemakkelijk; 60000 Mohammedanen verdedigden haar met beleid en moed. Men trachtte haar te bestormen; tevergeefs: de Turken sloegen elken aanval zegevierend af. Weken lang werd de stad belegerd. Een brandende dorst kwelde de belegeraars, daar de Turken uren in het rond het water der bronnen ondrinkbaar gemaakt hadden. Mijlen ver moest het hout voor de belegeringswerktuigen gehaald worden. Eindelijk worden er toebereidselen tot een nieuwen storm gemaakt. Ladders, belegeringswerktuigen en torens worden getimmerd. Vooraf gaan de belegeraars, met de priesters aan het hoofd, een plechtigen optocht doen om de stad. Den 14 Juli 1099 naderen zij hare muren. Een hagelbui van steenen en werpspiesen begroet de Christenen; zij echter schrijden voorwaarts over bergen van lijken. De oorlogswerktuigen worden bij de muren gebracht. Reeds jubelt het leger der Christenen. De nacht, die voorloopig een einde maakt aan den strijd, daalt te spoedig naar den zin der kruisvaarders. Nauwelijks daagt de morgen of de strijd begint opnieuw. De Turken strijden met de grootste verbittering. Brandende pekkransen, steenen, balken, zelfs lijken worden de belegeraars naar het hoofd geslingerd.

Zij wijken; de Turken jubelen over de overwinning, maar—te voorbarig. Daar bemerkt Godfried van Bouillon op den Olijfberg eene ridderlijke gestalte in witte wapenrusting, die een helderstralend schild omhoog houdt. "Zie daar," roept hij "een cherub met vlammend zwaard, dien God ons ter hulpe zendt." "God wil het! God wil het!" dondert het door de gelederen en in wilde haast dringen ze voorwaarts. Godfried beklimt het eerst den muur. De zijnen volgen; schaar op schaar dringt naar boven en—Jeruzalem is veroverd. Een verschrikkelijk moordtooneel biedt de stad nu weldra aan. Mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen worden zonder mededoogen om het leven gebracht. De moord huist in de ongelukkige stad. Binnen de ruime en sterke muren des tempels zoeken duizenden redding; tevergeefs: de tempel wordt stormenderhand genomen en de ongelukkigen verslagen. Beken bloeds stroomen door de straten; 10000 vijanden zijn gedood en nog is er geen einde aan het moorden. Slechts Godfried bezoedelt zijne handen niet met bloed. Barrevoets, zonder helm en harnas, spoedt hij zich naar de kerk van het Heilige Graf om den Heer te danken voor de overwinning. Eerst na drie dagen zijn de krijgers het bloedvergieten moede. Nu worden de straten gereinigd; de overwinnaars wasschen het bloed van hunne handen en in witte kleederen gehuld, gaan ze in plechtigen optocht naar het Heilige Graf. De geestelijkheid komt hen te gemoet met hoogopgestoken kruisen en vrome liederen zingend, en vol eerbied knielt de schare ter neder. Godfried werd tot koning van Jeruzalem verkozen. De edele ridder weigerde. Hij wilde geen gouden kroon dragen, waar Jezus gebloed had onder eene doornenkroon; hij vergenoegde zich met den titel van beschermer des Heiligen Grafs.

Een jaar daarna blies hij den laatsten adem uit; zijn lijk werd in de kerk van het Heilige Graf begraven.

Vele kruistochten werden in lateren tijd ondernomen; meer dan 7 millioen Christenen namen daaraan deel; doch slechts het kleinste deel daarvan zag het vaderland weder. Het doel van deze reusachtige ondernemingen werd niet bereikt; Palaestina kwam wel tijdelijk, maar niet bestendig in de macht der Christenen. In het jaar 1291 viel de stad Ptolemais, het laatste overblijfsel van het koninkrijk Jeruzalem, in handen der Turken. Toch zijn de kruistochten niet onvruchtbaar geweest voor de beschaving der wereld. Ten gevolge van deze tochten herleefde de handel, die vooral de Italiaansche steden: Genua, Venetië en Pisa tot grooten bloei bracht en nam de beschaving toe onder de volken van West-Europa. Kunsten en wetenschappen werden sedert dien tijd vlijtiger beoefend, en—wat wel het belangrijkste gevolg was—uit de verachte en versmade lijfeigenen kwam de vrije stand der burgers te voorschijn.


39. FREDERIK BARBAROSSA, KEIZER VAN DUITSCHLAND.

(1152-1190).

In het tegenwoordige koninkrijk Wurtemburg, ten o. van Stuttgart, verheft zich een bergtop, tot de "rauhe Alp" behoorende, die den naam draagt van de hooge Staufen. Op dezen berg stond eens het stamslot van een beroemd Duitsch keizersgeslacht, dat naar den berg den naam van Hohenstaufen ontving. Een der beroemdste vorsten van dit geslacht was Frederik I, die wegens zijn rosachtigen baard van de Italianen den bijnaam "Barbarossa" ontving.

Frederik I was een schoon en krachtig gebouwd man, met een waardig en ontzagwekkend voorkomen, waardoor hij allen, die in zijne omgeving waren, eerbied inboezemde. Zijn oog was vurig en zijne gelaatstrekken drukten welwillendheid en vriendelijkheid uit. Daarbij had de Keizer een edelen, rijken geest, die hem verhief boven de meeste zijner tijdgenooten.

Toen hij tot de keizerlijke waardigheid werd geroepen, had hij den ouderdom van 31 jaren bereikt. Zijn eerste streven bestond daarin, de keizerlijke macht, die onder zijne voorgangers vrij wat verminderd was, te herstellen. Hij deed den machtige hertogen, die naar geheele onafhankelijkheid streefden, gevoelen, dat hij hun heer en meester was. De burchten der roofridders werden gesloopt en weldra heerschten in Duitschland alom weder recht en billijkheid. Wat wonder, dat de Duitsche burgers hem eerden en lief hadden! Ook buiten het rijk eerde men hem als het hoofd der Christenheid; de koningen van Frankrijk, Engeland en Spanje zonden gezanten, om den Keizer de verzekering te geven van hunne vriendschap.

Jammer was het, dat de Keizer, inplaats van met Duitschland tevreden te zijn, zich mengde in de Italiaansche zaken. Gedurende de onrustige regeering zijner voorgangers was de keizerlijke macht in Italië bijna geheel vernietigd. De steden van het vruchtbare Lombardije, en onder deze vooral Milaan, stonden telkens tegen de Duitschers op. Ten einde zijn gezag in Italië te doen gelden, deed hij zes tochten naar dit land. In het jaar 1158 trok hij aan het hoofd van 100,000 man voetvolk en 15000 ruiters over de Alpen om het trotsche Milaan te onderwerpen. Vol schrik onderwierpen zich de steden van Boven-Italië, Milaan uitgezonderd. De stad werd belegerd; de inwoners verdedigden zich dapper, tot de honger hen tot de overgave noodzaakte. Toen de nood tot eene vreeselijke hoogte was geklommen, begaven de voornaamste Milaneezen zich naar 's Keizers legerplaats. Eerst verschenen de aartsbisschop met de overige geestelijken, barrevoets en met gescheurde kleederen; daarna de burgemeester en de adel, allen barrevoets, met ontblooten hoofde, in lompen gekleed en een bloot zwaard om den hals; eindelijk de geheele bevolking, in honderd scharen afgedeeld, barrevoets, met een eind touw om den hals en asch op het hoofd.

Uren lang liet de Keizer de smeekelingen wachten. Eindelijk verscheen hij, maar hun smeeken kon alleen dit uitwerken, dat het leven hun gegund werd. Milaan zelve werd verwoest en de inwoners in de naburige dorpen verstrooid; evenzoo handelde de Keizer met andere oproerige steden.

De willekeurige handelwijze der overwinnaars en de onderdrukking, die de Italianen moesten verduren, spoorden de steden van Lombardije, ook Milaan aan, zich tot een verbond te vereenigen. De muren van Milaan werden weder opgebouwd; smaadschriften tegen den Keizer en zijne gemalin werden op de poorten aangeplakt.

In allerijl werd eene sterke vesting gebouwd, die ter eere van paus Alexander, Frederiks grootsten vijand, Alessandria werd genoemd. In het jaar 1174 verscheen de Keizer voor de vijfde maal in Italië. Dewijl de machtige hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Leeuw, weigerde den Keizer met krijgslieden bij te staan, was Frederik niet tegen de Lombarden opgewassen en werd hij in 1176 bij Legnano geheel geslagen. Het gevolg daarvan was, dat alle vroeger behaalde voordeelen verloren gingen.

Met wrok en toorn in het hart keerde Frederik naar Duitschland terug; voor alles moest Hendrik de Leeuw vernederd worden. Weldra vond hij daarvoor eene gelegenheid. Door zijn trotsch en heerschzuchtig gedrag had Hendrik zich vele vijanden op den hals gehaald, die hem bij den Keizer aanklaagden. Deze daagde hem voor het rijksgericht en daar hij niet verscheen, werd hij in den rijksban gedaan. Twee jaren verzette hij zich nog tegen Frederik, maar moest toen om genade smeeken. Hendrik behield van zijne bezittingen alleen Brunswijk en Luneburg; zijne overige erflanden werden in kleine leenen verbrokkeld.

Als 70jarig grijsaard nam Frederik deel aan den derden kruistocht (1189-1192). Onder de vorsten en ridders, die hem op dezen tocht vergezelden, behoorde ook Floris III, graaf van Holland. Na talrijke moeilijkheden overwonnen te hebben, bereikte Frederik, onder bestendige gevechten met de Turken, het riviertje Selef in Klein-Azië. Wijl het leger slechts langzaam over de smalle brug, die men over dit riviertje geslagen had, kon voorttrekken, sprong de Keizer, het talmen moe, met zijn paard in den vloed om hem over te zwemmen. De grijsaard had echter meer jeugdigen moed dan jeugdige kracht; de golven sleepten hem mede, en toen men hem eindelijk te hulp kwam en aan land bracht, was hij reeds een lijk. (10 Juni 1190).

Groot was de ontzetting en nog grooter de smart over den dood van den beroemden vorst; de kruisvaarders weenden over zijn verlies, en in Duitschland wilde men langen tijd niet gelooven, dat de beschermer des rijks, de beminde Barbarossa, gestorven was. Thans nog verhaalt men in Duitschland elkander de legende, dat Frederik niet gestorven is, maar slaapt in den Kyffhauserherg in Thuringen. Daar zit hij, volgens het verhaal, met zijne helden in eene grot, rondom eene marmeren tafel. Allen zijn in diepen slaap gevallen. De kostbare wijn staat onaangeroerd in steenen vaten. Om de honderd jaren ontwaakt de Keizer en vraagt zijn' schildknaap, of de raven nog om de rots vliegen. Zoolang deze gezien worden, blijft de Keizer waar hij is; wanneer een adelaar de zwarte vogels verdrijft, zal hij te voorschijn komen en het Duitsche rijk in eere en macht herstellen.


40. IETS OVER DE CHRISTELIJKE KERK IN DE MIDDELEEUWEN.

Langzamerhand breidde het Christendom zich uit onder de volken van Europa. Vooral was dit het werk van edele mannen, die als zendelingen hun leven waagden onder de ruwe heidenen. Onder deze zendelingen hebben vooral Willebrordus, Winfried of Bonifacius, Ludger en Ansgar uitgemunt. De eerste, dien men den apostel der Nederlanders mag noemen, stierf omstreeks 739. De tweede, ook bekend onder den naam van apostel der Duitschers, werd in 755 door de heidensche Friezen bij Dokkum vermoord. Ludger, een Friesch edelman, die tijdens Karel den Grooten leefde, predikte met goed gevolg het Christendom in Friesland, Groningen en het n.w. deel van Duitschland. Ansgar eindelijk, die het Christendom bracht tot de Denen en Zweden, noemt men wel den apostel van het Noorden. Hij overleed in het jaar 865. Het laatst van alle Europeesche volken (omstreeks het jaar 1000) namen de Russen het Christendom aan.

Behalve dit volk en de Grieken erkenden de overige volken den bisschop van Rome, die later uitsluitend den naam van paus (papa, vader) ontving, als het opperhoofd der kerk. Beide eerstgenoemde volken vereerden als zoodanig den patriarch van Constantinopel.

Ten gevolge van den naijver tusschen beide kerkvorsten werd in het jaar 1054 de Katholieke kerk verdeeld in de Latijnsche met Rome en de Grieksche met Constantinopel tot hoofdstad.

Gedurende de Middeleeuwen was er dikwijls strijd tusschen den paus en den keizer van Duitschland, daar beiden streefden naar de oppermacht. Vroeger hebben we dit reeds opgemerkt, toen we spraken over keizer Hendrik IV.

Door verschillende oorzaken, maar bovenal door de gezegende werking van het Christendom namen de Europeërs toe in beschaving; hunne zeden werden zachter en beter. Dit ging evenwel niet eensklaps, maar langzamerhand; het goede toch wordt door de menschen niet zoo spoedig opgenomen als het booze en onreine.

De Christelijke kerk was in de Middeleeuwen niet in alles zoo, als ze wezen moest. Sommige menschen merkten er verkeerdheden en gebreken in op en poogden die op de eene of andere wijze te verbeteren; gewoonlijk zonder goed gevolg. Dit beproefden onder anderen de Waldenzen, zoo genoemd naar een' koopman uit Lyon, Petrus Waldus. Wijl ze zich met de toenmalige kerkleer niet konden vereenigen, werden ze ketters genoemd en vreeselijk vervolgd.

Omstreeks het jaar 1460 tastte een professor aan de hoogeschool te Oxford, Johannes Wiklef, de gebreken in de kerk aan; vooral ijverde hij zeer tegen sommige monnikenorden. De geschriften van dezen man werden naar Duitschland gebracht en daar gelezen door Johannes Huss, hoogleeraar aan de toen beroemde hoogeschool te Praag.

Deze kwam daardoor tot dezelfde inzichten en sprak toen openlijk uit, wat naar zijne meening in de kerk niet deugde.

Daarom werd hij voor eene aanzienlijke kerkvergadering gedaagd, die van 1414 tot 1418 in de stad Constanz werd gehouden. Huss, die niets goeds van dit concilie verwachtte, weigerde eerst te verschijnen, doch werd daartoe overgehaald door keizer Sigismund, die hem vrijgeleide beloofde. Daarop vertrouwende, verscheen hij dan ook voor de rechtbank der aanzienlijke geestelijken en vorsten. Dewijl hij niet kon en wilde herroepen, wat hij vroeger geleerd en geschreven had, wisten zijne vijanden te bewerken, dat Sigismund hem aan zijn lot overliet. Dat lot was vreeslijk genoeg; hij werd tot den brandstapel veroordeeld en onderging in 1415 dit wreede vonnis. Zijne aanhangers in Boheme, woedend over de lafhartigheid en trouweloosheid van Sigismund, grepen naar de wapens, en zoo ontstond de zoogenoemde Hussietenoorlog, (1419-1436) die den Bohemers veel bloed en tranen heeft gekost.

Behalve de zaak van Huss, moest het concilie te Constanz maatregelen beramen om eene groote scheuring, die er in de Latijnsche kerk was ontstaan, te doen ophouden en eene hervorming in hoofd en leden te bewerken.

Omstreeks dezen tijd waren er toch niet minder dan drie mannen, welke elkander den pauselijken zetel betwistten. De kerkvergadering zette 2 pausen af, haalde den derden over te bedanken en benoemde in 1417 een nieuwen paus, Martinus V genaamd.

Hoe meer het einde der Middeleeuwen naderde, des te meer pogingen werden er òf door enkele mannen, òf door vereenigingen aangewend om de Christelijke kerk te zuiveren van hare gebreken. Ons vaderland mag ook roem dragen op zulke mannen. Wij noemen slechts: Rudolf Agrikola, geboren te Baflo, een dorp in de provincie Groningen, Wessel Gansfort, een Groninger van geboorte, Desiderius Erasmus van Rotterdam, en niet het minst Geert Groote, de edele stichter van de Broederschap des gemeenen Levens.


41. DE MAAGD VAN ORLEANS.

Tot het jaar 987 regeerden de nakomelingen van Karel den Grooten over Frankrijk. Toen kwam met Hugo Capet het Capetingische koningsgeslacht op den troon, dat tot 1328 aan het bewind was. In het laatstgenoemde jaar verving het huis van Valois dat van Capet.

Dewijl de koningen van Engeland evenveel aanspraak meenden te hebben op den Franschen troon als het geslacht van Valois, ontstond er tusschen de Franschen en Engelschen een oorlog, die met kleinere en grootere tusschenpoozen meer dan honderd jaren heeft geduurd. Die oorlog bracht soms groote ellende over Frankrijk. Vooral was dit het geval tijdens de regeering van koning Karel VII, die van 1422 tot 1461 Frankrijk bestuurde. Het geheele noorden des rijks tot aan de Loire was in de macht van den Engelschen koning; de schatkist was ledig en het leger van geene beteekenis. Ongelukkig was Karel een onbeduidend en zwak man, die niets durfde ondernemen en het bijna lijdelijk toezag, dat de schoonste provinciën des rijks hem werden ontrukt. Hij was een man, die geen geestdrift wist in te boezemen in de harten zijner soldaten.

Wat de Koning niet durfde of kon, dat vermocht eene zwakke vrouw, of liever een meisje, pas de kinderschoenen ontwassen.

In den jare 1429 verscheen op een kasteel, aan den zuidelijken oever der Loire gelegen, waar de Koning toen zijn verblijf hield, een eenvoudig 17jarig meisje, Jeanne Darc genaamd, de dochter van een' landman uit Domremi. Ze verlangde bij den Koning te worden toegelaten. Toen haar dit eindelijk gelukt was, deelde zij hem mede, dat eene goddelijke verschijning haar den last had opgedragen Orleans te ontzetten en den Koning naar Rheims te voeren. In het eerst wilden Karel en zijne hovelingen haar niet gelooven. 't Was voor de edele ridders ook wat al te vernederend, dat eene vrouw zou volbrengen, wat zij niet durfden te onderstaan.

Het van heilige geestdrift blakende meisje overtuigde evenwel spoedig zelfs de grootste twijfelaars van de waarheid harer woorden, en de Koning besloot haar het opperbevel over het leger toe te vertrouwen. In ridderlijke wapenrusting gedost, met de witte lelievaan in de hand, reed zij weldra op een vurig strijdros aan het hoofd van het leger den vijand te gemoet. Het gezicht van de fiere jonkvrouw, die zoo vast geloofde aan de goddelijkheid harer zending, ontstak de Franschen in geestdrift.

Onder hare leiding waren ze in waarheid onverwinnelijk. Waar zij hare witte banier liet wapperen, weken de Engelschen.

Den 29 April van hetzelfde jaar was ze voor de poorten van Orleans, dat door den vijand werd belegerd.

De stad werd ontzet; de Engelschen werden op de vlucht geslagen en Johanna door duizenden als redster begroet. Dit eerste gelukkige wapenfeit verhoogde den moed der strijders. Thans kreeg zelfs de zwakke Karel moed; hij stelde zich aan het hoofd van het leger en trok op naar Rheims, waar hij gekroond moest worden.

De maagd van Orleans, zoo werd Jeanne thans genoemd, was overal, waar het gevecht het hevigst was.

Wat de wereld eene onmogelijkheid had geacht, geschiedde. De Franschen trokken dwars door het Engelsche leger heen, dat overal het onderspit moest delven. Den 17 Juli trok de Koning de stad Rheims binnen en werd er plechtig gekroond en gezalfd. De maagd van Orleans stond gedurende deze plechtigheid in volle wapenrusting aan zijne zijde, met de lelievaan in de hand. Welk eene heerlijke voldoening voor het edele meisje! Door duizenden werd zij geprezen als de beschermengel van Frankrijk. Maar juist de lof, haar toegezwaaid, verwekte haar vele vijanden onder de hovelingen. Die vijandschap was oorzaak, dat Johanna haar doel om n.l. den laatsten vijand van Frankrijks bodem te verjagen, niet kon bereiken. Na de kroning te Rheims werd zij veel minder dan vroeger ondersteund, te meer, daar de lafhartige Karel het krijgsgewoel reeds lang moede was en verlangde naar de genietingen van het hofleven. Nu kwam er een voorgevoel van een naderend leed op in het hart der maagd, en maar al te spoedig kwam dat leed. In Mei van het jaar 1430 waagde zij met hare mannen een' uitval uit de stad Compiègne, die door de bondgenooten der Engelschen, de Bourgondiërs, belegerd werd. Die uitval mislukte; Jeanne waagde zich te stoutmoedig en werd door de Bourgondiërs gegrepen, die haar aan de Engelschen verkochten. Dezen veroordeelden het edele meisje tot den brandstapel als schuldig aan tooverij. Kalm en gelaten onderging zij te Rouaan deze vreeselijke straf (1431). Koning Karel, die haar zooveel was verplicht, wendde geene enkele poging aan om haar te redden uit de handen harer doodvijanden.


42. VEROVERING VAN CONSTANTINOPEL.

(1453).

Vroeger hebben we reeds gezien, dat in 476 n. C. het West-Romeinsche rijk werd vernietigd. Het Oost-Romeinsche of Grieksche rijk kon zich in een langer bestaan verheugen. Over 'tgeheel had het met groote moeielijkheden te kampen, niet alleen veroorzaakt door hevige aanvallen van Perzen, Arabieren en Turken, maar ook door binnenlandsche oneenigheden en twisten, die ontstonden ten gevolge van de troonsopvolging en van het verschil in denkwijze over vraagstukken van godsdienstigen aard. Wanneer men zien wil, hoe een volk zich zelf in het ongeluk kan storten, dan leze men de treurige geschiedenis van dit rijk.

Onder keizer Justinianus, die van 527 tot 565 regeerde, genoot het Grieksche rijk een kortstondig tijdperk van uitwendigen bloei. Zijne beroemde veldheeren Belisarius en Narses behaalden groote overwinningen. De eerste veroverde het rijk der Vandalen in Noord-Afrika en gaf een gevoeligen stoot aan de macht der Oost-Gothen in Italië, die door Narses geheel werden overwonnen. Italië werd toen voor korten tijd eene provincie van het Grieksche rijk onder den naam van Exarchaat. Onder zijne opvolgers ging die bloei spoedig voorbij. De Arabieren, door Mohammed tot zijn' godsdienst bekeerd, veroverden het grootste deel van de bezittingen des rijks in Azië en Afrika en belegerden zelfs van 669 tot 676 de hoofdstad Constantinopel, die evenwel door hare sterke ligging en het Grieksche vuur behouden bleef.

Tijdens de kruistochten was er over 't geheel eene zeer slechte verhouding tusschen de kruisvaarders en de Grieken. In het jaar 1204 veroverden de eersten zelfs, geholpen door de vloot der Venetianen, de stad Constantinopel en maakten zich meester van het rijk. Graaf Boudewijn van Vlaanderen was de eerste keizer van het zoogenoemde Latijnsche keizerrijk, dat zich slechts tot het jaar 1261 kon staande houden. In dat jaar herstelde een griek Michaël Palaeologus het Grieksche keizerrijk. Het herstelde rijk kwam evenwel niet tot rust, vooral omdat het gekweld werd door hevige aanvallen der Osmannische Turken, die er zich sedert het jaar 1303 al meer en meer in nestelden en het eindelijk geheel in hunne macht kregen, behalve de hoofdstad en hare omstreken. Constantinopel was op den duur niet bestand tegen de Turken; in 1453 werd het door sultan Mohammed II stormenderhand veroverd. De laatste keizer, Constantijn Palaeologus geheeten, sneuvelde als een dapper held. Van het merkwaardige beleg willen we enkele bijzonderheden meedeelen.

Sultan Mohammed wilde niet rusten, voor Constantinopel in zijne macht was. In den winter van 1452 op 1453 maakte hij geduchte toebereidselen tot de belegering. Reeds had hij vroeger eene sterke vesting in de nabijheid van Constantinopel aan den Bosporus laten bouwen. De gezanten van den Keizer, die hem van den verderen bouw trachtten af te brengen, werden smadelijk afgewezen. Toen Constantijn zag, dat het den Sultan ernst was, bracht hij zijne hoofdstad in geduchten staat van tegen weer. 't Was jammer, dat de dappere man bijna alleen het gevaar inzag en bijna de eenigste was, die moed en vaderlandsliefde genoeg had om zich zelven voor het behoud der stad op te offeren.

In de reusachtige stad waren slechts 7000 weerbare mannen te vinden, die hem wilden bijstaan in de verdediging. De overigen lieten dit liever aan vreemdelingen over en hielden zich bij het dreigende gevaar nog bezig met het twisten over godsdienstige vraagstukken. In de lente van 1453 had de Sultan alles voor den aanval gereed. Met een leger van minstens 258,000 man sloot hij de stad van de landzijde in; van de zeezijde werd zij bedreigd door eene talrijke, hoewel weinig geoefende vloot. De haven der stad, door eene zware keten afgesloten, was moeilijk voor den vijand te genaken. Met uitstekend beleid en zeldzame dapperheid verdedigde Constantijn zich tegen zijne talrijke aanvallers, en de Sultan merkte spoedig, dat hij weinig zou vorderen, wanneer niet de haven in zijne macht was. Maar—hoe haar te vermeesteren! De keten stuk te zeilen? dat was niet mogelijk. Hij bedacht een schrander middel. Van zijne vesting tot de haven liet hij eene reusachtige houten brug leggen, twee uren lang, en de planken met vet besmeren. 's Nachts werden door zijne soldaten 70 à 80 schepen langs deze baan gesleept en zoo over de keten in de haven gebracht. De belegerden vernamen daarvan niets; ten minste ze waren 's morgens erg verschrikt, toen ze zoovele Turksche schepen in hunne haven zagen. Wel poogden zij ze in brand te steken, doch de toeleg mislukte. Den 29 Mei besloot Mohammed eene algemeene bestorming te wagen. De Keizer en zijn klein leger verdedigden zich 2 uren met den moed der wanhoop. Vele aanvallers vonden den dood, doch telkens werden er nieuwe scharen naar den muur gedreven.

De zwakke bezetting was eindelijk uitgeput en toen nu een der dapperste aanvoerders wanhopig op de vlucht ging, werden de Turken weldra meester van de stad. Door eene bres trokken de Muzelmannen de stad binnen; de poort was gevuld met lijken. De dappere Keizer wilde de verovering der stad niet overleven; met weinige getrouwen wierp hij zich te midden der binnendringende vijanden en vond eindelijk, wat hij wenschte: den dood voor het vaderland.

Europa had nu nieuwe bewoners gekregen, en de Turken zorgden eenige eeuwen achtereen door hunne plundertochten, dat ze niet werden vergeten. Vele beroemde Grieksche geleerden, bevreesd voor het wapengekletter, verlieten hun vaderland en ontstaken met hunne wetenschap een helder licht aan vele pas opgerichte hoogescholen in Westelijk Europa. De ondergang van het Grieksche rijk werd alzoo ten zegen voor de Christenen in het Westen.


43. UITVINDINGEN.

Onder de oorzaken, waardoor de beschaving der nieuwere tijden krachtig werd voorbereid en in 't leven geroepen, rekenen wij, behalve de verovering van Constantinopel, de ontdekking van Amerika en het vinden van een beteren zeeweg naar Indië, het gebruik van het kompas bij de zeevaart, dat van het buskruit bij het oorlogvoeren en de uitvinding der boekdrukkunst. Wie het kompas heeft uitgevonden, is niet met zekerheid te zeggen. Zeker schijnt het, dat een zekere Flavio Gioja te Amalfi in Italië de eerste was, die het bij de zeevaart in gebruik bracht. Tot dusverre durfden de zeelieden zich nooit ver van de kusten wagen uit vrees, dat ze den weg niet weer zouden kunnen vinden. Door het gebruik van het kompas kwam daarin groote verandering; men begon nu de opene zee te bevaren en kwam daardoor langzamerhand tot de ontdekking van tot dusverre geheel onbekende deelen der aarde. De landhandel werd nu zeehandel. De uitvinding van het buskruit schreef men vroeger algemeen toe aan een Duitschen monnik, Barthold Schwarz. (1354). Volgens latere onderzoekingen zou het reeds veel vroeger aan Chineezen, Indiërs en Arabieren bekend zijn geweest. Wat hiervan zij, dit is zeker, dat men het buskruit omstreeks het midden der 14de eeuw bij het schietgeweer in toepassing bracht. Gewichtig waren daarvan de gevolgen. Het strijden van man tegen man met zwaard of lans hield op; door het schietgeweer kon men nu in de verte elkander dooden. Tengevolge daarvan kon een gemeene voetknecht meer uitrichten dan de dapperste ridder, en zoo kwam het, dat de ridders en edelen langzamerhand alle vroegere macht verloren; het vuistrecht werd eene onmogelijkheid. In de plaats van den machtigen adel begon nu de burgerstand zijn' invloed te toonen. Van den heerban, of de oproeping ten strijde door den vorst aan zijne leenmannen, was voortaan geen sprake meer tengevolge van de nu in gebruik komende staande legers, samengesteld uit geoefende huurlingen.

De uitvinding der boekdrukkunst schreef men vroeger algemeen toe aan onzen landgenoot Laurens Janszoon Coster te Haarlem. Latere onderzoekingen maken dit twijfelachtig, en met meer recht schijnt de Duitscher Johan Guttenberg van Mainz die eer te verdienen. In de laatste helft der 15de eeuw waren er in vele steden van Europa reeds boekdrukkerijen. De boekdrukkunst heeft krachtig de beschaving in de hand gewerkt. Wetenschap en kennis, die vroeger eene schuilplaats moesten zoeken in eene eenzame kloostercel, werden door deze uitvinding tot het geheele volk gebracht. 't Geen vroeger, toen de boeken werden geschreven en ze tengevolge daarvan hoogst zeldzaam en duur waren, slechts aan enkelen gegund was, kon nu een voorrecht worden van allen. Jong en oud, rijk en arm, de geringste burger zoowel als de rijkste edelman konden door de boekdrukkunst bekend worden met de uitvindingen, de denkbeelden en de wijsheid van het voorgeslacht en van beroemde tijdgenooten. Mocht men haar vroeger, wegens hare wondervolle gevolgen, de zwarte kunst noemen: wij eeren haar als eene kunst, die het menschdom groote zegeningen heeft aangebracht.


INHOUD.

Bladz.
Inleiding.5
1. Een merkwaardig volk.7
2. Een bezoek te Babylon.11
3. Een groot man en een onhandelbaar volk.13
4. Een handelsvolk.16
5. Croesus en Cyrus.19
6. Belegering en verovering van Troje.22
7. Een feest te Olympia.25
8. Twee wetgevers (Lycurgus en Solon).28
9. Miltiades.32
10. Een ongelijke strijd (Leonidas).34
11. Een welgeslaagde list (Themistocles).35
12. Athene's grootsten bloei (Pericles).38
13. Socrates.41
14. Alcibiades (Peloponnesische oorlog).44
15. Een gevaarlijk helper (Philippus).46
16. Alexander de Groote.47
17. De stichting van Rome.52
18. Een vriend van zijn vaderland (Brutus).54
19. Twisten tusschen PatriciŽrs en Plebejers.58
20. Het heldentijdvak der Romeinsche republiek.61
21. Een man van zijn woord (Regulus).63
22. Het Romeinsche rijk in gevaar (Hannibal).65
23. Twee vrienden des volks (de Gracchen).67
24. De eerste burgeroorlog (Marius en Sulla).69
25. De tweede burgeroorlog (Caesar).71
26. Augustus.74
27. Een dapper Germaan (Herman).76
28. Drie Romeinsche keizers.77
29. Een verdrukte secte tot eer verheven.81
30. Een woest volk op het wereldtooneel.83
Vervolg.86
31. Mohammed.89
32. Spanje in de middeleeuwen.92
33. Karel de Groote.95
34. Twee Engelsche koningen.99
35. Hendrik I en Otto I.103
36. Kijkje in de middeleeuwsche maatschappij.107
37. Een keizer en een paus.115
38. Een kluizenaar en een ridder.118
39. Frederik Barbarossa, keizer van Duitschland.122
40. Iets over de christelijke kerk in de middeleeuwen.125
41. De maagd van Orleans.128
42. Verovering van Constantinopel.130
43. Uitvindingen.133





End of the Project Gutenberg EBook of Oudheid en Middeleeuwen, by 
A. Nuiver and O. J. Reinders

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUDHEID EN MIDDELEEUWEN ***

***** This file should be named 29960-h.htm or 29960-h.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        https://www.gutenberg.org/2/9/9/6/29960/

Produced by Jeroen van Luin, Peter Klumper and the Online
Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net


Updated editions will replace the previous one--the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties.  Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark.  Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission.  If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy.  You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research.  They may be modified and printed and given away--you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks.  Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.



*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
https://gutenberg.org/license).


Section 1.  General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A.  By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement.  If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B.  "Project Gutenberg" is a registered trademark.  It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement.  There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement.  See
paragraph 1.C below.  There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works.  See paragraph 1.E below.

1.C.  The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works.  Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States.  If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed.  Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work.  You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D.  The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work.  Copyright laws in most countries are in
a constant state of change.  If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work.  The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E.  Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1.  The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org

1.E.2.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges.  If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder.  Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4.  Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5.  Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6.  You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form.  However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
form.  Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7.  Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8.  You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
     the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
     you already use to calculate your applicable taxes.  The fee is
     owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
     has agreed to donate royalties under this paragraph to the
     Project Gutenberg Literary Archive Foundation.  Royalty payments
     must be paid within 60 days following each date on which you
     prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
     returns.  Royalty payments should be clearly marked as such and
     sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
     address specified in Section 4, "Information about donations to
     the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."

- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
     you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
     does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
     License.  You must require such a user to return or
     destroy all copies of the works possessed in a physical medium
     and discontinue all use of and all access to other copies of
     Project Gutenberg-tm works.

- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
     money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
     electronic work is discovered and reported to you within 90 days
     of receipt of the work.

- You comply with all other terms of this agreement for free
     distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9.  If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark.  Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1.  Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection.  Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2.  LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees.  YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3.  YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3.  LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from.  If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation.  The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund.  If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund.  If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4.  Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5.  Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law.  The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6.  INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.


Section  2.  Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers.  It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come.  In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.


Section 3.  Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service.  The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541.  Its 501(c)(3) letter is posted at
https://pglaf.org/fundraising.  Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations.  Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
business@pglaf.org.  Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation's web site and official
page at https://pglaf.org

For additional contact information:
     Dr. Gregory B. Newby
     Chief Executive and Director
     gbnewby@pglaf.org


Section 4.  Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment.  Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States.  Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements.  We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance.  To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit https://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States.  U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses.  Donations are accepted in a number of other
ways including including checks, online payments and credit card
donations.  To donate, please visit: https://pglaf.org/donate


Section 5.  General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone.  For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.


Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included.  Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.


Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

     https://www.gutenberg.org

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.