The Project Gutenberg EBook of Niels Holgersson's Wonderbare Reis, by 
Selma Lagerlöf and Margaretha Meijboom

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Author: Selma Lagerlöf
        Margaretha Meijboom

Release Date: July 5, 2009 [EBook #29320]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS ***




Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/






[Inhoud]
Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

Niels Holgersson’s wonderbare reis

[Inhoud]
Oorspronkelijke titelpagina.

Niels Holgersson’s wonderbare reis

Tweede druk
Amsterdam
H. J. W. Becht

[Inhoud]
Tekst: Hebt·in·werken bevrediging H·J·W·Becht

Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.

[1]
[Inhoud]

I.

De jongen.

De kabouter.

Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had ’t meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad.

Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk ’t was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar uur lang zijn eigen baas zou zijn.

“Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat iemand zich er meê hoeft te bemoeien,” zei hij in zichzelf.

Maar ’t scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan, bleef hij staan en keerde zich om.

“Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan,” zei hij, “vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil je me beloven, dat je dat doen zult?”

“Ja,” zei de jongen, “dat kan ik wel doen.” En hij dacht natuurlijk, dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had.

De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde ’t boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die ’t vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht.

De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder [2]zich al te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op den jongen toe en zei streng:

“Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen, zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt, kom je er niet gemakkelijk af.”

“De preek is veertien en een halve bladzij lang,” zei Moeder, alsof ze de maat vol wou maken; “je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je hem uit wilt krijgen.”

Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. “Nu loopen ze er zich in te verheugen, dat zij ’t zoo mooi in orde gemaakt hebben, dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet, zoolang ze weg zijn.”

Maar Vader en Moeder verheugden zich in ’t geheel niet; integendeel, ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in ’t begin kwamen wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan, en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over, dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren, en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,—hard tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen.

“God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,” zei ze. “Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen.”

De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het ’t beste was dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde.

Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. ’t Was nog niet later in ’t jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente West Vemmenhög, heel in ’t zuiden van Skaane, en daar was de lente al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond frisch en vol knoppen. Er was water in [3]alle greppels, en het hoefblad stond in bloei aan den kant van den greppel. Al ’t kreupelhout, dat op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend geworden. Het beukenbosch in de verte stond als ’t ware te zwellen, en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien, die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap.

“Neen, ik wil niet slapen,” dacht hij, “want dan kom ik er den heelen morgen niet door.”

Maar hoe dat nu kwam—hij sliep in.

Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders kist openstond.

Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist, die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen.

Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was, want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. ’t Zou Moeder niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was.

Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den spiegel te staren.

Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was, die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn oogen bijna niet gelooven. Maar wat in ’t begin maar een schaduw was, werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks was. ’t Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter te paard op den rand van de kist zat. [4]

De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud, rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken, dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was.

De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg bang werd hij niet. ’t Was onmogelijk om bang voor iemand te worden, die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den deksel dicht te klappen, of zoo iets.

Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets, waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen, en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums en fuchsia’s, die in ’t venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing.

Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet, hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar beneden, en kon niet naar boven komen.

In ’t eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven te kruipen.

De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast van zijn vaders horloge.

De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het [5]was hem zoo gegaan—nu hij den kabouter in zijn macht had—was hij bang voor hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche gedoe weer afkomen kon.

Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in ’t hoofd zou tooveren.

“Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet,” dacht hij, en hij begon het net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen dat deed, kreeg hij zoo’n vreeselijke oorvijg, dat hij meende, dat zijn hoofd in stukken zou springen. Hij vloog eerst tegen den eenen wand, en toen tegen den anderen, en eindelijk viel hij op den grond, en bleef daar bewusteloos liggen.

Toen hij weer bijkwam, was hij alleen in de kamer. Hij zag geen spoor meer van den kabouter. De deksel van de kist was gesloten, en het net hing weer op zijn gewone plaats in het venster. Als hij niet gevoeld had, hoe zijn rechterwang gloeide van de oorvijg, zou hij in de verzoeking gekomen zijn te gelooven, dat alles maar een droom geweest was.

“Vader en Moeder zullen in alle geval wel beweren, dat het niet anders geweest is,” dacht hij. “Zìj zullen wel niets van de preek willen aftrekken om den kabouter. Het is het beste, dat ik maar gauw ga zitten lezen.”

Maar toen hij nu naar de tafel ging, merkte hij wat wonderlijks op. De kamer kon toch niet gegroeid zijn! Maar hoe kwam het dan, dat hij zooveel meer stappen moest doen dan gewoonlijk om bij de tafel te komen? En wat bezielde den stoel? Die zag er niet grooter uit dan zoo pas. Maar hij moest eerst op de sporten tusschen de pooten klimmen en dan verder klauteren om op de zitting te komen. En ’t ging al net zoo met de tafel. Hij kon niet over het blad van de tafel heen kijken, zonder op de leuning van den stoel te klimmen.

“Wat in de wereld is dat toch!” zei de jongen. “Ik geloof, dat de kabouter den leuningstoel en de tafel en de heele kamer betooverd heeft.”

’t Preekenboek lag op de tafel, en schijnbaar was het precies als anders, maar daar moest toch ook iets aan mankeeren, want hij kon er geen woord in lezen, zonder gewoon weg op het boek te gaan staan.

Hij las een paar regels, maar toen keek hij toevallig op. [6]Daardoor viel zijn oog op den spiegel, en toen riep hij hardop: “Kijk, daar is er nog een!”

Want in den spiegel zag hij duidelijk een klein, klein kaboutertje, gekleed met een slaapmutsje en een leeren broek aan. “Die is precies gekleed als ik,” zei de jongen, en sloeg de handen in elkaar van verbazing. Maar toen zag hij, dat de kabouter in den spiegel hetzelfde deed.

Toen begon hij zich aan zijn haren te trekken en zich in de armen te knijpen en rond te draaien, en oogenblikkelijk deed hij daar in den spiegel het hem na.

De jongen sprong een paar keer rond, om te zien of er een of ander klein kereltje achter hem stond. Maar hij vond niemand—en toen begon hij van schrik te beven. Want nu begreep hij, dat de kabouter hem betooverd had, en dat de kabouter, dien hij daar in den spiegel zag, niemand anders was dan hijzelf.

De wilde ganzen.

De jongen kon maar niet gelooven, dat hij in een kabouter veranderd was.

“’t Is zeker maar een droom—of verbeelding,” dacht hij. “Als ik even wacht, word ik wel weer een mensch.”

Hij ging voor den spiegel staan, en sloot de oogen. Hij opende ze eerst na een paar minuten, en verwachtte toen, dat het weer over zou zijn. Maar dat was niet zoo: hij was en bleef even klein. Overigens was hij precies, zooals hij geweest was. Het lichte vlashaar en de zomersproeten op neus en lippen, de lappen op zijn leeren broek en de stoppen in zijn kousen, alles was precies eender; alleen was alles kleiner geworden.

Neen, stil te staan en te wachten tot het overging, dat diende nergens voor; dat merkte hij wel. Hij moest wat anders probeeren. En het verstandigste wat hij doen kon, was, meende hij, den kabouter op te zoeken en zich met hem te verzoenen.

Hij sprong op den grond, en begon te zoeken. Hij keek achter stoelen en kasten, en onder de slaapsofa, en in den oven. Hij kroop zelfs in een paar rattegaten, maar hij kon den kabouter niet vinden.

Onder het zoeken schreide hij en smeekte, en beloofde alle mogelijke dingen. Hij zou nooit weer zijn woord breken tegenover iemand, nooit zou hij weer ondeugend zijn, nooit weer slapen onder de preek. Als hij maar weer een mensch mocht worden, zou hij zoo’n beste, lieve, gehoorzame jongen zijn. Maar wat hij ook beloofde, het hielp hem geen zier.

Op eens kwam het hem in de gedachte, dat hij Moeder had [7]hooren zeggen, dat ’t kleine volkje gewoonlijk in den koestal woonde, en hij besloot dadelijk daarheen te gaan, om te zien of hij daar den kabouter niet kon vinden. ’t Was een geluk, dat de huisdeur op een kier stond, want hij zou niet bij het slot hebben kunnen komen om die open te doen. Maar nu kwam hij er zonder bezwaar door.

Toen hij in de gang kwam, keek hij rond naar zijn klompen, want in de kamer had hij natuurlijk op kousen geloopen. Hij dacht er met verwondering over, hoe hij zich redden zou met die groote, lompe klompen, maar op ’t zelfde oogenblik zag hij een paar kleine klompjes op den drempel staan. Toen hij merkte, dat de kabouter zoo zorgvuldig geweest was, dat hij zelfs zijn klompen veranderd had, werd hij nog angstiger. ’t Scheen wel de bedoeling te zijn, dat al dit akelige lang zou duren.

Op de oude eikenhouten plank, die voor de gangdeur lag, sprong een musch rond. Nauwelijks kreeg hij den jongen in ’t oog, of hij riep: “Tiliet! tiliet! Kijk eens naar Niels den ganzenjongen! Kijk eens naar klein Duimpje! Kijk eens naar Niels Holgersson, klein Duimpje!”

Dadelijk keken de ganzen en de kippen naar den jongen, en daar begon een geweldig gekakel: “Kukeleku!” kraaide de haan, “dat is zijn verdiende loon. Kukeleku! hij heeft mij aan mijn kam getrokken!”

“Ka, ka, ka! Dat is zijn verdiende loon!” riepen de kippen, en dat riepen ze maar al door.

De ganzen liepen naar elkaar toe, staken de koppen bij elkaar en vroegen: “Wie kan dat gedaan hebben? Wie kan dat gedaan hebben?”

Maar het vreemdste van alles was, dat de jongen verstond wat ze zeiden. Hij was zoo verbaasd, dat hij op het stoepje bleef staan luisteren.

“Dat komt zeker, omdat ik in een kabouter ben veranderd,” zei hij. “Daarom zeker versta ik nu de taal van de vogels.” Hij vond het onuitstaanbaar, dat de kippen maar niet ophielden te roepen, dat het zijn verdiende loon was. Hij gooide ze met een steen en riep. “Houdt je stil, schooiers!”

Maar hij had er niet aan gedacht, dat hij niet meer zoo was, dat de kippen bang voor hem hoefden te wezen. De heele troep kippen rende op hem toe, ging om hem heen staan en riep: “Ka, ka, ka! dat is je verdiende loon! ka, ka, ka! dat is je verdiende loon.”

De jongen probeerde weg te komen, maar de kippen vlogen hem na, en schreeuwden, zoodat hij er bijna doof van werd. Hij was zeker nooit van hen afgekomen, als de huiskat er niet aan was gekomen. Zoodra de kippen de kat zagen, werden ze stil en deden, alsof ze nergens aan dachten dan aan krabben in den [8]grond om eten te zoeken. De jongen sprong dadelijk op de kat toe. “Lieve, beste poes,” zei hij, “je kent zeker wel alle hoekjes en gaatjes hier op de plaats. Wees nu eens lief en vertel me, waar ik den kabouter kan vinden.”

De kat antwoordde niet dadelijk. Zij zette zich neer, legde den staart sierlijk om haar pootjes, en staarde den jongen aan. ’t Was een groote, zwarte kat met een witte vlek op de borst. Heur haar lag glad en glansde in den zonneschijn. Zij had de klauwen ingetrokken, en haar oogen waren egaal grijs, met enkel een klein smal spleetje in het midden. De kat zag er innig bescheiden uit.

“Ik weet wel, waar de kabouter woont,” zei ze met een zachte stem; “maar ’t is niet zeker, dat ik je dat vertellen wil.”

“Lieve poes, je mag me wel helpen,” zei de jongen. “Zie je niet, hoe hij me betooverd heeft?”

De kat deed de oogen wat wijder open, zoodat het groene en leelijke er in begon uit te komen. Ze spon en snorde van genoegen, vóór ze antwoordde. “Moet ik je misschien helpen, omdat je mij zoo dikwijls aan mijn staart getrokken hebt?” vroeg ze eindelijk.

Toen werd de jongen boos, en vergat heelemaal hoe klein en machteloos hij nu was. “Ik kan je nog wel eens aan je staart trekken!” zei hij en sprong op de kat toe.

Maar opeens was de kat zoo veranderd, dat de jongen nauwelijks kon gelooven, dat het ’t zelfde dier was. Ieder haar op haar lichaam stond overeind. Ze zette een hoogen rug, de pooten werden langer, de klauwen sloeg ze in den grond, haar staart was kort en dik geworden, haar ooren lagen achteruit, de mond blies, de oogen stonden wijd open, en ze gloeiden als rood vuur.

De jongen wou zich niet laten bang maken door een kat, en deed een stap vooruit. Maar toen nam de kat een sprong, kwam boven op den jongen neer, gooide hem onderste boven, en ging over hem heen staan met de voorpooten op zijn borst, en den bek open boven zijn keel.

De jongen voelde hoe de klauwen door zijn vest en hemd in zijn huid drongen, en hoe de scherpe hoektanden zijn keel kietelden. Hij schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon.

Maar niemand kwam, en hij geloofde vast, dat zijn laatste uur geslagen was. Toen voelde hij, dat de kat haar klauwen introk en zijn keel losliet.

“Zie zoo,” zei ze, “nu is ’t genoeg! Ik zal je dezen keer nog loslaten ter wille van de vrouw. Ik wilde alleen maar, dat je weten zou, wie van ons beiden nu de baas is.”

Met die woorden liep de kat weg, en zag er weer even glad en zachtzinnig uit, als toen ze kwam. De jongen was zoo beschaamd, dat hij geen woord zei, maar zich haastte naar den koestal om den kabouter te zoeken. Daar waren niet meer dan drie koeien. [9]Maar toen de jongen binnenkwam, begon er een gebrul en een spektakel, zoodat men best kon denken, dat er minstens dertig waren.

“Boe, boe, boe,” loeide Meiroos. “Het is maar goed, dat er rechtvaardigheid in de wereld is.”

“Boe, boe, boe!” hieven ze alle drie aan. Hij kon niet hooren wat ze zeiden, zoo overschreeuwden ze elkaar.

De jongen wilde naar den kabouter vragen, maar hij kon zich niet verstaanbaar maken, omdat de koeien in volslagen oproer waren. Zij gedroegen zich, zooals ze gewoonlijk deden, als hij een vreemden hond bij hen binnen liet. Ze sloegen met de achterpooten, schudden hun halskettingen, keerden de koppen naar buiten en dreigden met de horens.

“Kom jij maar eens hier,” zei Meiroos, “dan kun je een trap krijgen, die je vooreerst niet vergeten zult.”

“Kom hier,” zei Goudlelie, “dan mag je dansen op mijn horens.”

“Kom hier! dan zul je eens voelen hoe dat was, toen je mij met je klompen gooide verleden zomer!” loeide Sterre.

“Kom hier, dan zal ik je de wesp betaald zetten, die je me in ’t oor gestopt hebt,” schreeuwde Goudlelie.

Meiroos was de oudste en wijste van allen, maar zij was ’t allermeeste boos.

“Kom eens hier,” zei ze, “dan zal ik je al de keeren betaald zetten, dat je den melkstoel onder je moeder hebt weggerukt, en al de keeren, dat je haar over je beenen hebt laten vallen, als zij met den melkemmer aankwam, en al die tranen, die ze hier om jou heeft geschreid.”

De jongen wilde hem zeggen, dat hij er berouw van had, dat hij zoo leelijk tegen hen had gedaan, en dat hij nooit anders dan goed voor hen wezen zou, als ze hem maar zeggen wilden, waar de kabouter was. Maar de koeien luisterden niet naar hem. Ze maakten zulk een spektakel, dat hij bang was, dat een van hen zich los zou rukken, en hij meende, dat het maar het beste was uit den koestal weg te sluipen.

Toen hij weer buiten kwam, was hij recht moedeloos. Hij kon wel begrijpen, dat niemand op de hoeve hem wou helpen om den kabouter te vinden. En het zou ook wel niet veel helpen, al vond hij hem.

Hij kroop op den breeden steenwal, die rond om hun hoeve lag en begroeid was met dorens en braamstruiken. Daar ging hij zitten om er over te denken, hoe het gaan zou, als hij niet weer een mensch werd. Als nu Vader en Moeder uit de kerk thuis kwamen, zouden ze wel héél verbaasd zijn. Ja, de verbazing zou over het geheele land gaan, en de menschen zouden komen van Oost Vemmenhög en van Torp en van Skurup, van ’t heele ambt Vemmenhög zouden ze komen om hem te bekijken. En misschien zouden Vader [10]en Moeder hem meênemen, om hem op de markt te Vivik te vertoonen.

Neen dat was àl te vreeselijk om aan te denken. Hij wou het liefste, dat maar nooit meer iemand hem zien zou.

Het was toch verschrikkelijk, zoo ongelukkig als hij was. Niemand in de wereld was zóó ongelukkig als hij. Hij was geen mensch meer, maar een wonder. Hij begon zoo langzamerhand te begrijpen, wat het zeggen wou: geen mensch meer te zijn. Hij was nu van alles gescheiden: hij kon niet meer met andere jongens spelen; hij kon later de hoeve niet van zijn ouders overnemen; en hij kon zeker geen enkel meisje vinden, dat met hem trouwen wou.

Hij zat naar zijn huis te kijken. ’t Was een klein, wit gepleisterd boerenhuisje in kruisvorm gebouwd, en het lag als neêrgedrukt in het veld onder het hooge schuine stroodak. De bijgebouwtjes waren ook klein, en de akkers waren zoo klein, dat een paard er zich nauwelijks kon omkeeren.

Maar hoe klein en armoedig het plaatsje ook was, nu was het nog veel te goed voor hem. Hij kon geen beter woning begeeren dan een gat onder den vloer in den stal.

’t Was wonderlijk mooi weer: de knoppen begonnen te zwellen, en om hem heen was geruisch en gekwinkeleer. Maar hij zat in bitter verdriet verzonken. Hij zou nooit meer ergens blij om zijn.

Hij had nog nooit den hemel zóó blauw gezien als dien dag. En de trekvogels kwamen aanvliegen. Ze kwamen uit het buitenland en waren over de Oostzee gereisd, recht op Smygehuk aan, en nu waren ze op weg naar het noorden. Er waren zeker vogels van allerlei soort; maar hij kende geen andere dan de wilde ganzen, die aankwamen in twee lange rijen, die in een hoek samenvielen.

Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen: “Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!”

Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen, riepen ze: “Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!”

De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: “Wij hebben het goed hier; wij hebben het goed hier!”

’t Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders: “Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden.” [11]

Er was één onder de jonge ganzeriken, die door ’t roepen van de wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: “Als er nog één troep komt, ga ik meê,” zei hij.

En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: “Kom meê, kom meê!”

Toen antwoordde de jonge ganzerik: “Wacht even, wacht even, ik kom!”

Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel.

De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam.

“Wacht even! Wacht even!” riep hij en probeerde het weer. Dat alles hoorde de jongen, waar hij zat.

“’t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen, en merkten, dat hij weg was.”

Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen, en sloeg de armen om den hals van den ganzerik.

“Je zult het wel laten om weg te vliegen,” riep hij. Maar juist op dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest.

’t Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen, dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen.

Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen.

De geruite doek.

De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden, alles draaide voor zijn oogen, en ’t [12]suisde in zijn ooren. Hij wist niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde.

De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook wat langzamer dan gewoonlijk.

Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te kijken. Toen was ’t hem, alsof er een groote doek onder hem lag uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote ruiten.

“Waar in de wereld ben ik nu gekomen?” vroeg hij zich verbaasd af.

Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was rond, en niets was er puntig.

“Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden zie?” zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te verwachten.

“Akkers en weiden, akkers en weiden!” riepen dadelijk de wilde ganzen, die om hem heen vlogen.

Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten, die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want daartusschen staan de groote boomen, die midden in ’t bosch groeien, kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch, behouden hun dorre gele blaadjes tot aan ’t voorjaar. Daar waren ook donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen plaatsen in ’t midden. En dan waren er ruiten, groen in ’t midden en met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar ’t gras al begon groen te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun bruinen bast stonden.

De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was.

Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als [13]bestraffend: “Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!”

De jongen was al weer ernstig geworden: “Hoe kan jij nu lachen! Jij, wien ’t allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!” dacht hij.

Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: “Zoo, zoo! zijn jelui vandaag gekomen?” riepen sommigen. “Ja, dat zijn we,” antwoordden de ganzen.

“Wat denk jelui van den winter?”

“Geen blad aan de boomen en koud water in de meren,” klonk het antwoord.

Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep, riepen ze: “Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?”

Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: “De hoeve heet Lillgärde, van ’t jaar als verleden jaar, van ’t jaar als verleden jaar.”

De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden, riepen: “Deze hoeve heet “Grutteloos.” En zij, die op de allerarmste woonden, riepen: “Deze heet “Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt niet veel!”

De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen, als b.v.: “Geluksveld, Eierberg en Geldstad.”

Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot geheel op de zon wou laten hooren: “Dit is ’t landgoed Dybeck! Van ’t jaar als verleden jaar, van ’t jaar als verleden jaar!”

En wat verder op stond er een te roepen: “Dit is Zwanenholm. Dat moet de heele wereld weten!”

De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren, dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten.

Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes: “Dit is de suikerfabriek Jordberga,” riepen de hanen. “Dit is de suikerfabriek Jordberga!”

De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch [14]moeten kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en ’t vorige jaar was hij daar herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit, als je het van boven af zag.

En stel je voor! Asa ’t ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over hun hoofden heen vloog?

Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had.

Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze ’t allermeest pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden: “Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?”

Maar de tamme ganzen antwoordden: “De winter is nog in ’t land. Jelui zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!”

De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen: “Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!”

Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet met gekakel.

Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze vreeselijk schrikten: “O! O! O!” riepen ze. “’t Waren geen ganzen! ’t Waren maar schapen, ’t waren maar schapen!”

De ganzen beneden op ’t veld werden heelemaal woest, en schreeuwden: “’k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!”

Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij er aan, hoe ’t nu met hem was—en dan schreide hij weer. Maar na een poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo’n heerlijke geur van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht, hoe ’t zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was, alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis, die je maar bedenken kon. [15]

[Inhoud]

II.

Akka van Kebnekaise.

De avond.

De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen, en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij ’t ook vond—hij kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter.

Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: “Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!”

“Wat wil jelui van me?” vroeg de leidster-gans.

“De witte blijft achter! de witte blijft achter!”

“Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!” riep de leidster, en vloog voort als gewoonlijk.

De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten; maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden.

“Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!” riepen toen zij, die achteraan vlogen, en zagen hoe moeilijk hij ’t had.

“Wat wil jelui nu weer?” vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig knorrig.

“De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!”

“Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!” riep de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als te voren.

De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij [16]omhoog vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst zou springen.

“Akka, Akka!” riepen zij, die achteraan vlogen.

“Kun jelui me niet met rust laten?” vroeg de leidster, en scheen nog ongeduldiger dan de vorige keer.

“De witte is op ’t punt van te vallen! De witte is op ’t punt van te vallen!”

“Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!” riep de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen, maar ging door met dezelfde vaart.

“O zoo! staat het zoo?” dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens, dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt.

Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven, zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans ook wel wat waard was. En ’t allerakeligste was, dat hij juist Akka van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans, hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar niemand had zoo’n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep, en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed.

Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens ’t ventje, dat op zijn rug zat: “Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel, dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?”

Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende, en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet meê kon maken, besloot hij vol te houden.

“Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste mergelgroeve, waar we over heen komen,” zei hij, en kreeg op ’t zelfde oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon te vliegen, als een van de anderen.

Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten, stonden ze aan den kant van het Vombmeer.

“Hier zullen we wel den nacht overblijven,” dacht de jongen, en sprong van den rug van den ganzerik op den grond. [17]

Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was, en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar ’t ijs zou zeker niet lang meer blijven. ’t Was al losgeraakt, en er om heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap.

Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot dennenplantsoen. En ’t was, alsof de naaldboomen de macht hadden den winter vast te houden. Overal verder was ’t veld leeg, maar onder de reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was, keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs.

De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen.

Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan boomen in Maart.

Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten, en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur, en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren?

Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over ’t meer, en de duisternis viel, en de angst kwam in ’t spoor van de schemering, en in ’t bosch begon het te kraken en te ritselen.

Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld, terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan te sluiten.

Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen, alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op ’t veld, zijn oogen waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten.

“Lieve Maarten Ganzerik,” zei de jongen, “probeer een slok water te nemen. Van hier naar het meer is ’t maar twee stapjes.”

Maar de ganzerik bewoog zich niet.

De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk voor den jongen was, maar [18]eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam in ’t meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en waterplanten door.

De wilde ganzen lagen vóór hem in ’t meer. Zij hadden noch naar den ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven.

De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer.

“Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt,” zei hij.

’t Was voor ’t eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch lust het te probeeren.

Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu, ’t was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten.

Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over, dat hij rauwe visch had kunnen eten.

“’t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter,” dacht hij.

Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem, maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: “’t Is maar zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die alle tamme vogels verachten.”

“Ja, dat heb ik wel gemerkt,” zei de jongen.

“’t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot iets deugt.”

“Ja—a,” zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken.

“Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen redden,” zei de ganzerik, “en nu wou ik je vragen, of je meê zou kunnen gaan en me helpen.”

De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw [19]mogelijk naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist, wat hij antwoorden zou.

“Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik,” zei hij. Maar dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered.

“Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder,” zei de jongen.

“Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen,” zei de ganzerik. “Ik zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel kan neerzetten.”

De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen, die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en ’t water van zich af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij, met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af.

Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen; maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En ’t meeste griezelde hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen, waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit de wildernis kwamen.

De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: “Antwoord nu flink, maar zeg niet, wie je bent,” en toen waren ze bij hen.

Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de halzen, en dat deed de ganzerik ook,—nog vaker. Toen ze genoeg gegroet hadden, zei de leidster-gans: “Nu moeten we eens hooren, wie jij eigenlijk bent.”

“Er is niet veel van mij te vertellen,” zei de ganzerik. “Ik ben verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest.”

“’t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt,” zei de leidster-gans. “Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met wilde ganzen meêdoen wilt?” [20]

“Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil, dat ook een tamme gans ergens goed voor is,” zei de ganzerik.

“Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt,” zei de leidster-gans. “We hebben nu gezien, hoeveel je van ’t vliegen kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. ’t Kan wel zijn, dat je sterk in ’t snelzwemmen bent.”

“Neen, daar kan ik me niet op beroemen,” zei de ganzerik. Hij meende te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden, en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: “Ik heb nooit verder gezwommen dan dwars over een mergelgroeve,” ging hij voort.

“Dan denk ik, dat je een baas bent in ’t springen,” zei de gans.

“Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het ook nooit gedaan,” zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was.

De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou, dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd, toen ze zei: “Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven, tot we zien wat je waard bent.”

“Dat wil ik heel graag,” zei de ganzerik, en was blij.

Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei: “Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien.”

“Dat is mijn kameraad,” zei de ganzerik. “Hij is zijn heele leven ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen.”

“Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans,” antwoordde de wilde. “Hoe noem je hem?”

“Hij heeft verscheiden namen,” zei de ganzerik aarzelend; hij wist niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden, dat de jongen een menschennaam had.

“Ja, hij heet Duimelot,” zei hij eindelijk.

“Is hij van het kaboutergeslacht?” vroeg de leidster-gans.

“Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?” vroeg de ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. “Mijn oogen vallen van zelf toe om dezen tijd.”

’t Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte, héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het werk van den ouderdom.

Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden helderder, en schenen jonger dan die van de anderen. [21]

Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: “Weet nu wel, dat ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts ’t dichtst achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt, Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko, en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes jonge ganzen, die achteraan vliegen—drie links en drie rechts—zijn hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet, dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van welke familie hij is.”

Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven, toen het hem betrof.

“Ik wil niet geheim houden, wie ik ben,” zei hij. “Ik heet Niels Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben ik een mensch geweest, maar vanmorgen...”

Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was, stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem.

“Daar heb ik je al van verdacht, van af ’t oogenblik, dat ik je voor ’t eerst hier aan den oever zag,” zei Akka. “En nu moet je gauw maken, dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons.”

“’t Is toch onmogelijk,” zei de ganzerik bemiddelend, “dat jelui, wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op onze verantwoording nemen, zoo’n stakker aan zichzelf over te laten, met wezels en vossen in den nacht.”

De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk, dat ze moeite had haar angst te bedwingen.

“Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat “mensch” heet, onverschillig of ze groot of klein zijn,” zei ze. “Maar als jij, ganzerik, voor deze hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte ijs daar vóór je te gaan slapen.”

Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten, als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets van aan.

“Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo’n veilige slaapplaats weet te kiezen,” zei hij. [22]

“Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis.”

“Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te laten,” zei de ganzerik.

“Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt,” zei de leidster-gans.

En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde gans na de andere volgde haar.

De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. “’t Wordt al erger en erger, ganzerik,” zei hij. “Ten eerste vriezen we dood, daar op dat ijs.”

Maar de ganzerik had goeden moed. “Dat heeft geen nood,” zei hij. “Ik wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij elkaar te halen, als je maar dragen kunt.”

Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels.

“Leg nu ’t gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen,” zei de ganzerik.

De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. “Ik denk, dat je daar lekker warm liggen zult,” zei hij en drukte den vleugel aan.

De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik sliep hij.

De nacht.

’t Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in ’t Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al ’s avonds gezien, maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging nu dadelijk op het ijs.

Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit, zoodat zijn klauwen over ’t ijs schraapten. De ganzen werden wakker, en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte een gans bij de vlerk, en holde naar land terug. [23]

Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op ’t ijs; ze hadden een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op ’t ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over ’t ijs had zien wegspringen met een gans in den bek.

De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: “Pas op, Duimelot, pas toch op!”

Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo’n hondje toch niet bang hoefde te wezen, en hij stormde voort.

De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper van de klompen van den jongen over ’t ijs, en ze kon haar ooren nauwelijks gelooven.

“Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen,” dacht ze. En hoe ellendig ze ’t ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk gekakel, bijna alsof ze lachte.

“’t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in het ijs valt,” dacht ze.

Maar hoe donker de nacht ook was—de jongen zag duidelijk alle spleten en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en in ’t donker zien kon. Hij zag ’t land en het meer even duidelijk, alsof het dag was geweest.

Smirre, de vos, ging van ’t ijs af, daar, waar het tegen ’t land aan lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen hem toe: “Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!” Smirre wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te kijken, maar liep nog harder.

Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel.

Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen.

“Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele gans te stelen?” zei hij. “Leg haar nu dadelijk neer, of je zult eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer, of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!”

Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien, die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de gans had laten vallen van ’t lachen. Smirre was een echte roover, die niet tevreden was met op ratten en waterratten [24]buiten op ’t veld te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was.

Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te pakken kreeg.

“Nu pak ik je toch de gans af!” riep hij, en hield hem met alle macht tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem heen opstoof.

Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken, dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen.

“Ga ’t nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood,” zei hij.

Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche stem hij opzette—dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken, en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken, en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in ’t bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak, en vloog weer terug naar het meer.

Maar Smirre vloog op den jongen af. “Als ik de eene niet krijg, dan wil ik den ander hebben,” zei hij, en aan zijn stem kon je hooren, hoe woedend hij was.

“Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt,” zei de jongen, die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen.

Dat werd een dans in ’t bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon.

De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn [25]werk, dat hij in ’t begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden, maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij een jongen beuk in ’t oog, die omhoog geschoten was als een stok, om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken, dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien.

“Schei nu maar uit met dansen,” zei de jongen. Maar Smirre kon de schande niet verdragen, dat hij zoo’n klein ventje niet aankon. En hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen, en hij durfde niet naar beneden op ’t veld te springen.

Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo’n vreeselijken slaap, maar hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen.

’t Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar ’s nachts in ’t bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk beteekende, dat het nacht was. ’t Was, alsof de heele wereld versteend was en nooit meer levend zou worden.

Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper voelde, dan in den nacht.

Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was.

De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden, omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak, de rijp, die ’t beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en werd rood.

Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten, en begon de noot te pellen. [26]De spreeuw kwam met een wortelvezeltje, en de bergvink zong in de boomtoppen.

Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd had: “Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef je nergens bang voor te wezen.” Van het meer hoorde hij de wilde ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken.

De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed.

“Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er ben, Niels Holgersson,” zei de zon.

’t Ganzenspel.

Alles bleef, zooals het was in ’t bosch, ongeveer zoo lang als een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag, liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis, en de gans vloog verder, naar het meer toe.

Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo’n hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort.

Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans redde zich.

Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang, dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar [27]ongedeerd voorbij te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven.

Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij in ’t gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere, en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet één van hen te vangen.

Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond hij de verzoeking.

Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. ’t Was een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef, zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer, maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond.

Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was, en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere.

Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was.

Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven in den jongen beuk. Zooals te verwachten was—de jongen was weg—verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken, want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht.

Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre, den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog, zonder dat hij in staat was één van hen te pakken.

Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen, kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet [28]geworden waren op de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch, zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen enkele zijn honger stillen.

De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag.

Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst, dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde ganzen te grijpen.

In den morgen, toen ’t spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest, dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag kwam, hing Smirre’s pels in pruiken neer, hij baadde in ’t zweet, zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek, en er liep schuim uit zijn mond.

Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan ’t ijlen ging. Hij zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder, die te vroeg uit zijn pop gekomen was.

De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door, hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar hun schaduwen sprong.

Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen krachteloos en mat, bijna op ’t punt den laatsten adem uit te blazen, hielden ze op hem te foppen.

“Nu weet je, vos, hoe ’t hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise aan te raken,” riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust. [29]

[Inhoud]

III.

’t Leven van de wilde vogels.

Op de boerderij.

Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren.

’t Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een wiel van ijzerdraad. ’t Kleine huisje, dat een deur en vensters had, moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en klauteren en ronddraaien.

De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond.

“Hij is zeker bang,” zeiden de menschen op de boerderij. “Morgen, als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen.”

Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen [30]voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd, waren ze allen aan ’t bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze moesten werken, lang nadat het donker geworden was.

Natuurlijk waren ze druk aan ’t werk in de keuken, en er was zeker niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet, en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. ’t Was een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar ’t licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht van zijn kamer in het wiel sprong en van ’t wiel in zijn kamer, zonder een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was, maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef.

Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede, overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En toen het wat later in den nacht was geworden, zag ’t oude moedertje, dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. ’t Oude moedertje begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als hij zich vertoonde.

Zoodra de kabouter over den steenen kant om de plaats heen gekomen was, sprong hij regelrecht op de kooi van den eekhoorn toe, en omdat die zoo hoog hing, dat hij er niet bij kon, ging hij naar de schuur, waar het gereedschap stond, en haalde een lat, zette die tegen de kooi en klauterde daarlangs naar boven op dezelfde manier, waarop de zeeman tegen een touw opklautert. Toen hij bij de kooi gekomen was, rukte hij aan de deur van het kleine groene huisje, alsof hij die open wou maken; maar ’t oude moedertje bleef heel kalm, want ze wist, dat de kinderen een hangslot voor de deur hadden gehangen, uit angst, dat de buurjongens zouden probeeren den eekhoorn te stelen. De oude zag, dat, toen de kabouter de deur niet kon openkrijgen, de [31]eekhoorn naar buiten kwam in het wiel. Daar overlegden hij en de kabouter lang met elkaar. En toen de kabouter alles gehoord had, wat het gevangen dier hem te zeggen had, gleed hij langs de lat naar den grond, en liep hard weg door de poort.

De oude vrouw dacht niet, dat zij dien nacht meer van den kabouter zou te zien krijgen; maar zij bleef toch voor ’t venster zitten. Na een poos kwam hij terug. Hij had zóó’n haast, dat ze vond, dat zijn voeten den grond bijna niet raakten, en hij liep gauw naar de kooi van den eekhoorn. De oude vrouw zag hem duidelijk met haar vèrziende oogen, en ze zag ook, dat hij iets in de handen hield, maar wat dat was, kon ze maar niet begrijpen. Wat hij in de linkerhand had, legde hij op de steenen neer, maar wat hij in de rechterhand had, nam hij meê naar de kooi. Hier schopte hij met de klomp tegen ’t kleine venster, zoodat de ruit sprong en stak dat wat hij in de hand hield aan den eekhoorn daarbinnen toe. Daarop gleed hij weer naar beneden, pakte weer op, wat hij op den grond had gelegd, en klauterde ook daarmee weer naar de kooi. En dadelijk daarna draafde hij weer weg met zulk een haast, dat de oude vrouw hem nauwelijks met de oogen kon volgen.

Maar nu bleef ook ’t oude moedertje niet langer stil in de kamer zitten; ze liep heel stil naar buiten op de plaats, en ging in de schaduw van de pomp staan, om den kabouter af te wachten. En er was nog iemand, die hem opgemerkt had, en nieuwsgierig was geworden. Dat was de huiskat. Zij kwam zacht aansluipen en bleef bij den muur staan, een paar stappen van den heldersten lichtschijn af.

Zij stonden buiten lang te wachten in den kouden Maartnacht, en de oude vrouw begon er over te denken om weer naar binnen te gaan, toen ze geklepper op de steenen hoorde, en zag, dat de kleine kabouter er weer aan kwam stappen. Net als de vorige keer, droeg hij iets in beide handen, en dat, wat hij droeg, piepte en spartelde. En nu ging er een licht voor ’t oude moedertje op. Zij begreep, dat de kabouter naar de notenhaag was geloopen, om de jongen van den eekhoorn te halen, en dat hij ze bij haar bracht, opdat ze niet dood zouden hongeren.

De oude moeder bleef stil staan om hem niet te storen, en het scheen ook niet, dat de kabouter haar opgemerkt had. Hij zou juist het eene jong op den grond leggen om met het andere naar boven naar de kooi te kunnen klimmen, toen hij de groene oogen van de huiskat dicht bij hem fonkelen zag. Hij bleef radeloos staan met een jong in iedere hand.

Hij keerde zich om, keek naar alle kanten uit, en werd nu het oude moedertje gewaar. Toen bedacht hij zich niet lang, maar ging naar haar toe, en reikte haar het eene jonge eekhoorntje toe. [32]

En ’t oude moedertje wilde zich zijn vertrouwen waard toonen, boog zich neer, en nam het jonge eekhoorntje aan. Zij bleef staan en hield het vast, tot de kabouter met het eene naar boven, naar de kooi was geklommen, en het andere kwam halen, wat hij haar had toevertrouwd. Den volgenden morgen, toen de menschen op de boerderij bijeen kwamen om koffie te drinken, kon ’t oude vrouwtje niet laten te vertellen, wat ze den vorigen nacht gezien had. En allemaal lachten ze haar natuurlijk uit, en zeiden, dat ze het gedroomd had. Er waren geen jonge eekhoorns zoo vroeg in het jaar.

Maar zij was zeker van haar zaak, en vroeg, of ze eens in de kooi van den eekhoorn wilden kijken. En dat deden ze. En daar lagen op het bed van dorre bladen in de kamer vier kleine, halfnaakte en halfblinde jongen, die ten minste een paar dagen oud waren.

Toen de vader op de boerderij zelf de jongen zag, zei hij: “’t Mag nu wezen, zooals ’t wil, maar zeker is het, dat we ons voor dieren en menschen moeten schamen.” En hij nam den eekhoorn met alle jongen uit de kooi, en legde ze in den schoot van het oude moedertje. “Ga maar naar de notenhaag,” zei hij, “en laat ze vrij.”

Die gebeurtenis was het, die zooveel besproken werd en zelfs in de courant kwam, maar die de meesten niet wilden gelooven, omdat ze niet verklaren konden, hoe zooiets had kunnen gebeuren.

Vittskövle.

Een paar dagen later gebeurde er nog zoo iets wonderlijks. Een troep wilde ganzen kwam op een morgen neerstrijken op een akker in Oost-Skaane; niet ver van het groote landgoed Vittskövle. In den troep waren dertien ganzen van de gewone grijze kleur en één witte ganzerik, die op zijn rug een klein ventje droeg, gekleed in gele leeren broek, groen vest, en een wit slaapmutsje. Ze waren nu heel dicht bij de Oostzee, en op den akker, waar de ganzen waren neergestreken, was de aarde met zand vermengd, zooals gewoonlijk aan de zeekust. Het scheen, dat daar in die streek vroeger bewegelijk stuifzand was geweest, dat vast gelegd had moeten worden, want op verscheiden plaatsen, zag men groote dennenplantages.

Toen de wilde ganzen een poos geweid hadden, kwamen er een paar kinderen aan in den greppel. De ganzen, die op wacht stonden, vlogen dadelijk luid klapwiekend in de hoogte, opdat de heele troep zou hooren, dat er gevaar was. Alle wilde ganzen [33]vlogen op, maar de witte bleef kalm op het veld loopen. Toen hij zag, dat de andere vluchtten, richtte hij het hoofd op, en riep hen na: “Jelui hoeft niet weg te vliegen voor die daar. Dat zijn immers maar een paar kinderen!”

’t Kleine ventje, dat op zijn rug had gezeten, zat nu op een hoogtetje, aan den kant van ’t bosch, en plukte een dennenappel uit elkaar om bij de zaadjes te kunnen komen. De kinderen waren zóó dicht bij hem, dat hij niet over het veld naar de witte gans durfde te loopen. Hij verstopte zich gauw onder een groot dor distelblad, en liet meteen een waarschuwend roepen hooren.

Maar de witte scheen bepaald van plan zich niet bang te laten maken. Hij bleef op het veld loopen, en keek niet eens, waar de kinderen heengingen.

Zij weken intusschen van hun weg af, liepen over het veld en kwamen op den ganzerik toe. Toen hij eindelijk opkeek, waren ze vlak bij hem, en nu was hij zoo verbluft en verward, dat hij vergat, dat hij vliegen kon, en haastig wegliep. De kinderen liepen hem achterna, joegen hem in een sloot, en vingen hem daar. De grootste van hen nam hem onder den arm, en droeg hem weg.

Toen het ventje, dat onder het distelblad lag, dat zag, sprong hij op, alsof hij den ganzerik van de kinderen wilde afnemen. Maar toen dacht hij er aan, hoe klein en machteloos hij was, en gooide zich neer op het aardhoogtetje, en bonsde wanhopend met zijn vuistjes op den grond.

De ganzerik riep om hulp, zoo hard hij maar kon. “Duimelot, help me toch, Duimelot, help me toch!”

Maar toen begon de jongen te lachen, midden in zijn angst. “Ja, ik ben wel de rechte, om iemand te helpen,” zei hij.

Toch stond hij op, en liep den ganzerik na. “Ik kan hem niet helpen,” zei hij, “maar ik wil tenminste zien wat ze met hem uitvoeren.”

De kinderen waren hem een heel eind vooruit, maar de jongen had toch geen moeite hen in het oog te houden, tot hij aan een diepte in ’t veld kwam, waar een lentebeek voortbruiste. Die was niet breed, en stroomde niet hard, maar hij moest toch ver langs den kant loopen, eer hij een plaats vond, waar hij over springen kon.

Toen hij tegen den kant was opgeklommen, waren de kinderen verdwenen. Hij kon nog hun spoor zien op een smal pad, dat het bosch inliep, en hij bleef het volgen.

Spoedig kwam hij aan een kruisweg, en hier moesten de kinderen van elkaar zijn gegaan, want van daar gingen de sporen in verschillende richting. Nu keek het ventje heelemaal verslagen.

Maar op hetzelfde oogenblik zag hij op een klein hoogtetje op de hei een wit veertje. Hij begreep, dat de ganzerik het aan [34]den kant van den weg geworpen had om hem te wijzen, waar hij heen gedragen was, en daarom zette hij zijn tocht voort. Hij volgde zoo de kinderen het heele bosch door. Van den ganzerik zag hij niets, maar overal waar hij zich in de richting vergissen kon, lag een wit veertje, en wees hem den weg.

De jongen volgde trouw de veertjes. Zij leidden hem uit het bosch, over een paar akkers, een weg op en eindelijk door de laan van een groot landgoed. Aan ’t eind van de laan kon hij flauw gevels en torens, met roode tegels bedekt, onderscheiden. Ze waren versierd met lichte randen en ornamenten. Toen de jongen zag, dat daar een groot buiten lag, meende hij wel te kunnen begrijpen, wat er van den ganzerik geworden was. “De kinderen hebben stellig den ganzerik naar dit buiten gebracht en hem hier verkocht, en dan is hij zeker al geslacht,” zei hij in zichzelf. Maar hij wou niet rusten, voor hij precies wist, wat er gebeurd was, en liep voort met nog grooter haast. Hij kwam niemand tegen in de laan, en dat was maar goed ook! Want zulken, als hij, zijn gewoonlijk bang om door menschen gezien te worden.

Op het buiten, waar hij gekomen was, stond een prachtig oud gebouw, in ’t vierkant gebouwd om een slotplaats heen. Aan de oostzij was een diepe gewelfde poort, die naar de slotplaats leidde. Tot zoover liep het ventje door zonder te aarzelen, maar toen hij daar kwam, stond hij stil. Verder waagde hij zich niet, maar hij bleef er over staan denken, wat hij nu doen zou.

Het ventje stond nog met den vinger langs den neus te peinzen, toen hij achter zich voetstappen hoorde, en toen hij zich omkeerde, zag hij een heele schare menschen de laan opkomen. Hij sloop gauw achter een waterton, die toevallig bij de poort stond, en verstopte zich daar.

Zij, die daar aankwamen, waren een twintig jonge mannen van een volkshoogeschool, die een voetreisje deden. Er was een leeraar bij, en toen zij aan de poort gekomen waren, vroeg deze hun daar even te wachten, terwijl hij naar binnen ging om te vragen, of zij het oude kasteel Vittskövle mochten bekijken.

De nieuw aangekomenen waren warm en moe, alsof ze een lange wandeling gemaakt hadden. Een van hen had zoo’n dorst, dat hij naar de waterton ging en zich voorover boog om te drinken. Hij had een botaniseertrommel om den hals hangen, en hij vond zeker, dat die hem hinderde, want hij gooide ze op den grond. Daardoor ging de deksel open, zoodat men zien kon, dat er een paar lentebloemen in lagen.

De botaniseertrommel viel vlak bij het ventje neer, en nu vond hij, dat er zich een uitstekende gelegenheid voordeed om in den burcht te komen, en te hooren, wat er van den ganzerik geworden [35]was. Hij kroop vlug in de trommel, en verstopte zich, zoo goed hij kon, onder anemonen en hoefblad.

Nauwelijks was hem dat gelukt, of de jongeman nam de botaniseertrommel op, hing ze om, en sloeg den deksel dicht.

De leeraar kwam nu terug en zei, dat hij toegang tot het slot had gekregen. Om te beginnen bracht hij hen niet verder dan de slotplaats. Daar bleef hij staan, en begon over het oude gebouw te spreken.

Hij herinnerde er hen aan, dat de eerste menschen, die in ’t land kwamen, in krotten en holen in den grond, in tenten van dierenhuiden en rieten hutten hadden gewoond, en dat er veel tijd was voorbij gegaan, eer ze bedacht hadden een huis te timmeren van boomstammen. En daarna: hoe lang hadden ze niet moeten werken en zwoegen om zoover te komen, dat ze een slot konden bouwen met honderd kamers, zooals Vittskövle!

Ongeveer driehonderdvijftig jaar geleden bouwden de rijken en machtigen zich zulke kasteelen als dit, zeide hij. Men kon wel zien, dat Vittskövle gebouwd was in een tijd, dat oorlog en roovers het onveilig maakten in Skaane. Rond om het kasteel liep een gracht, en daarover lag vroeger een brug, die kon worden opgehaald.

Boven het poortgewelf was nu nog een wachttoren; buiten langs de muren van het kasteel liepen wachtgangen, en in de hoeken stonden vaste torens met muren, die wel een meter dik waren.

De leeraar sprak lang en uitvoerig, en het ventje, dat in de botaniseertrommel zat opgesloten, werd braaf ongeduldig; maar hij moet toch heel stil gelegen hebben, want de eigenaar van de trommel merkte in het geheel niet, dat hij hem bij zich had.

Eindelijk ging dan het geheele gezelschap het kasteel binnen, maar als het ventje gehoopt had, gelegenheid te hebben uit de botaniseertrommel te ontsnappen, dan had hij het mis. Want de leerling hield hem bij zich, en hij moest meê door alle kamers.

’t Werd een langdurige wandeling. De leeraar bleef elk oogenblik staan om iets te verklaren, of de jongelui wat te leeren.

In een kamer was een oude haard, en daar bleef hij voor staan om te vertellen van de verschillende stookplaatsen, die de menschen in den loop der tijden hadden gebruikt. De eerste stookplaats binnenshuis was een steenen plaat midden in de kamer geweest, met een opening voor den rook midden in het dak, die regen en wind binnen liet, de tweede was een groote gemetselde oven zonder schoorsteen geweest, en die had wel de kamer verwarmd maar die ook met rook en damp gevuld. Toen Vittskövle gebouwd werd, waren de menschen juist zoover gekomen, dat ze open haarden hadden, met een wijden schoorsteen voor den rook, maar die ook de meeste warmte meê de lucht in zonden.

Als dat kleine ventje ooit heftig en ongeduldig was geweest, [36]kreeg hij dien dag een goede gelegenheid om zijn geduld te oefenen. Nu had hij al bijna een uur onbewegelijk gelegen.

In de volgende kamer, waar de leeraar kwam, bleef hij staan voor een oud bed met een hoogen hemel en prachtige gordijnen, en dadelijk begon hij te vertellen van bedden en slaapplaatsen in den ouden tijd.

Hij haastte zich niet. Maar hij wist ook niet, dat er een klein stumpertje in de botaniseertrommel lag opgesloten, en er maar op wachtte, dat hij zou ophouden. Toen hij bij een kamer kwam, met goudleeren behang, begon hij te vertellen, hoe de menschen al van de eerste tijden af hun wanden hadden bekleed; als hij bij een oud familieportret kwam, vertelde hij van de vele vormen van kleederdracht, en in de feestzalen beschreef hij de wijze, waarop men in vroeger tijden bruiloften en begrafenissen hield.

Onder dit alles lag het ventje doodstil. Als hij ooit ondeugend was geweest, en de kelderdeur achter Vader of Moeder had dichtgegooid, dan kon hij nu voelen, hoe dat voor hen was geweest, want het duurde uren vóór de spreker ophield.

Eindelijk ging de leeraar weer naar buiten op de plaats. En daar vertelde hij er van, hoe lang de menschen hadden moeten werken om zich werktuigen en wapens, kleeren en huizen, meubels en versiersels te verschaffen. Hij zei, dat zoo’n oude burcht als Vittskövle als een mijlpaal op den weg was. Daar kon men zien, hoe ver de menschen waren gekomen voor driehonderd vijftig jaar geleden, en zelf beoordeelen, of ze sinds dien tijd vooruit of achteruit waren gegaan.

Maar naar deze toespraak hoefde het ventje niet te luisteren, want de leerling, die hem in zijn botaniseertrommel meê droeg, kreeg weer dorst, en sloop naar de keuken om een beetje water te vragen. Toen nu ’t ventje in de keuken werd gedragen, wou hij zeker probeeren eens naar den ganzerik uit te zien. Hij was begonnen zich te bewegen, en hierdoor drukte hij bij ongeluk zóó hard tegen den deksel, dat die opensprong. Botaniseertrommels springen altijd open, en de leerling dacht daar niet verder over na, maar drukte die eenvoudig weer dicht. Maar toen vroeg het keukenmeisje, of hij een slang in de trommel had.

“Neen, er zijn alleen wat planten in,” antwoordde de leerling.

“Maar er was iets, dat zich bewoog,” hield de kookster vol.

De leerling deed toen den deksel open om haar te laten zien, dat zij zich vergiste: “Zie nu maar zelf of....”

Maar verder kwam hij niet, want nu durfde het dwergje niet langer in de botaniseertrommel blijven. Hij sprong op den grond, en liep weg. De meisjes konden nauwelijks zien wat het was, dat daar weg sprong, maar ze liepen er alle hard achteraan.

De leeraar stond nog te praten, maar hij werd gestoord door [37]luid roepen. “Pak hem! Pak hem!” riepen zij, die uit de keuken kwamen, en al de jonge mannen liepen het dwergje achterna, dat nog harder wegliep dan een rat. Zij probeerden het den weg af te snijden in de poort, maar het was niet makkelijk zoo’n kleintje te pakken te krijgen, en hij kwam gelukkig naar buiten.

Hij durfde niet door de open laan te loopen, maar ging een anderen kant uit. Hij vloog door den tuin, de plaats achter het huis op. En steeds jaagden de menschen achter hem aan met geschreeuw en gelach. De kleine stumper vloog voort zoo hard hij kon, maar ’t scheen toch, dat de menschen hem zouden inhalen.

Toen hij voorbij een arbeidershuisje liep, hoorde hij een gans kakelen, en hij zag een wit veertje op de stoep liggen. Daar had hij eindelijk den ganzerik. Hij was dus op den verkeerden weg geweest. Hij dacht niet meer aan de meisjes en jongens, die hem achternazaten, maar klom gauw de trappen in het gangetje op. Verder kon hij niet komen, want de kamerdeur was dicht. Hij hoorde den ganzerik schreeuwen en jammeren daarbinnen, maar hij kon de deur niet open krijgen. De groote jacht achter hem aan, kwam al nader en nader, en in de kamer schreeuwde de ganzerik steeds jammerlijker! In den uitersten nood nam het dwergje al zijn moed bij elkaar, en bonsde met alle kracht op de deur.

Een kind kwam opendoen, en het dwergje keek de kamer binnen. Midden op den vloer zat een vrouw, die den ganzerik vasthield om zijn vleugels te knippen. Haar kind had hem gevonden, en zij wilde hem geen kwaad doen. Ze wilde hem bij haar eigen ganzen laten, als ze alleen maar zijn vleugels geknipt had, zoodat hij niet weg kon vliegen. Maar een grooter ongeluk kon den ganzerik bijna niet overkomen, en hij schreeuwde en jammerde, zoo hard hij maar kon. En ’t was een geluk, dat de vrouw niet eerder was begonnen met knippen. Nu waren nog maar twee pennen door haar schaar gevallen, toen de deur openging, en het dwergje op den drempel stond. Maar zooiets had de vrouw nog nooit gezien. Zij kon niet anders denken, dan dat het de Goa-kabouter zelf was, en ze liet van schrik de schaar vallen, sloeg de handen in elkaar, en vergat den ganzerik vast te houden.

Zoodra die zich vrij voelde, sprong hij naar de deur. Hij had geen tijd om stil te staan, maar in het voorbijgaan greep hij het dwergje bij den kraag, en nam hem meê. En op de stoep sloeg hij de vleugels uit, en vloog op in de lucht. Meteen maakte hij een sierlijke beweging met den hals, en zette het dwergje op zijn gladden donzigen rug. En zoo zweefden ze weg, hoog door de lucht, en heel Vittskövle stond ze na te kijken. [38]

In het klooster van Öved.

Heel den langen dag, toen de ganzen met den vos speelden, lag de jongen in een verlaten eekhoornsnest te slapen. Toen hij tegen den avond wakker werd, was hij heel bezorgd.

“Nu word ik gauw naar huis gestuurd,” dacht hij, “en dan moet ik me wel aan Vader en Moeder vertoonen.” Maar toen hij de wilde ganzen opzocht, die zich baadden in ’t Vombmeer, zei geen van hen er een woord over, dat hij moest heengaan.

“Ze vinden zeker, dat de witte te moe is om vanavond met mij naar huis te gaan,” dacht de jongen.

Den volgenden morgen waren de ganzen al wakker bij ’t aanbreken van den dag, lang vóór zonsopgang. Nu was de jongen er van overtuigd, dat hij naar huis moest, maar vreemd genoeg mochten de witte ganzerik en hij meê op hun vroegen tocht. De jongen begreep niet wat de oorzaak van dit uitstel was, maar toen maakte hij voor zichzelf uit, dat de ganzen den ganzerik niet wilden wegsturen op zoo’n lange reis, voor hij eerst flink zijn genoegen gegeten had. Maar hoe het ook was, hij vond dat ieder uur, dat voorbij ging, vóór hij zich aan zijn ouders vertoonen moest, winst was.

De wilde ganzen vlogen over het buiten van Övedklooster, dat in een heerlijk park lag, ten oosten van het meer, en er prachtig uitzag met zijn groot kasteel, zijn mooie steenen slotplaats, door lage muren en paviljoens omgeven, en zijn mooien, ouderwetschen tuin met geschoren hagen, dichte berceaux, vijvers, fonteinen en watervallen, verrukkelijke boomen en kort geschoren grasvelden, omlijst door bonte randen lentebloemen.

Toen de ganzen over dat groote buiten vlogen in den vroegen morgen, was er nog geen mensch op. Toen ze daar zeker van waren, daalden ze tot dicht bij het hondenhok en riepen. “Wat is dat hier voor een klein hutje? Wat is dat hier voor een klein hutje?”

Dadelijk kwam de hond uit het hok, woedend, razend, en schold ze uit.

“Noem jelui dat een hutje? Jelui schooiers! Zie je niet, dat het een groot kasteel van steen is? Zie je niet wat mooie muren het heeft? Zie je al die vensters en de hooge poorten niet en dat prachtige terras, wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Zie je dan den tuin niet, en den boomgaard? Zie je dan de oranjerie niet? Zie je de marmeren beelden niet? Noem jelui dit een hutje? Hebben hutjes dan een park, waar beukenbosschen en kreupelhout van hazelaars zijn? En waar je velden met loofboomen en eikenhagen en rijen dennen vindt, en een hertenkamp vol herten, wou, [39]wou, wou! Noem je dit een hutje? Heb je ooit een hutje gezien met zooveel bijgebouwen, dat het wel een heele stad leek? Jelui kent zeker veel hutjes, die hun eigen kerk en pastorie hebben, en die macht hebben over landgoederen en boerenhuizen en pachterijen en boerderijen, wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Bij dat hutje hoort het grootste landgoed van Skaane, jelui bedelaars! Waar jelui in de lucht hangt, kun je geen handbreed grond zien, dat niet bij dit hutje hoort, wou, wou wou!”

Het lukte den hond dit alles in één adem uit te blaffen, en de ganzen vlogen heen en weer over het landgoed, en luisterden naar hem, tot hij even moest ophouden om op adem te komen. Maar toen riepen ze:

“Waarom ben je zoo boos? We vroegen niet naar het kasteel, we vroegen enkel naar je hondenhokje.”

Toen de jongen die grap hoorde, lachte hij eerst, maar toen kwam een gedachte bij hem op, die hem op eens weer ernstig maakte: “Stel je eens voor, hoeveel grappen je hooren zou, als je met de ganzen meê mocht ’t heele land door, heel tot Lapland toe,” zei hij in zichzelf. “Nu ik er toch zoo akelig aan toe ben, was zoo’n reis ’t beste, wat ik bedenken kon.”

De wilde ganzen daalden neer op een van de groote velden ten oosten van het landgoed, om graswortels te eten, en dat deden ze uren lang. In dien tijd ging de jongen in het groote park, dat aan de velden grensde, zocht naar een notenhaag, en begon naar boven in de struiken te kijken, of er niet hier en daar een noot was blijven hangen van den vorigen herfst. Maar telkens kwam de gedachte aan de reis terug, terwijl hij daar door het park liep. Hij stelde zich voor hoe prettig het wezen zou met de wilde ganzen mee te gaan. Honger en kou lijden zou hij zeker vaak genoeg, maar daarentegen zou hij ook vrij zijn van werken en leeren.

Terwijl hij daar liep, kwam de oude leidstergans naar hem toe en vroeg, of hij iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, zei hij, en toen probeerde ze hem te helpen. Noten kon zij ook niet vinden, maar ze ontdekte een paar rozebottels, die aan een wilde rozestruik hingen. De jongen at ze met graagte op, maar hij dacht ondertusschen wat Moeder er wel van zeggen zou, als ze wist, dat hij nu van rauwe visch en overwinterde rozebottels leefde.

Toen de wilde ganzen eindelijk genoeg gegeten hadden, trokken ze weer naar het meer, en daar vermaakten ze zich en speelden tot tegen den middag. De ganzen daagden den witten ganzerik uit tot een wedstrijd in alle mogelijke lichaamsoefeningen en spelen. Ze zwommen, sprongen en vlogen om het hardst met hem, de groote tamme gans deed zijn best, maar hij werd aldoor [40]overwonnen door de vlugge, wilde ganzen. De jongen zat aldoor op den rug van den ganzerik en moedigde hem aan, en had evenveel pret als de anderen. ’t Was een geschreeuw en een gelach en gekakel, dat het een wonder was, dat de bewoners van het kasteel hen niet hoorden.

Toen de wilde ganzen het spelen moe waren, vlogen ze naar het ijs en rustten een paar uur. Den namiddag brachten ze bijna op dezelfde manier door. Eerst een paar uur eten, dan baden en spelen in ’t water aan den kant van het ijs tot zonsondergang. Toen moesten ze gauw gaan slapen.

“Dat zou nu juist een leventje voor mij zijn,” dacht de jongen, toen hij onder den vleugel van den ganzerik kroop. “Maar morgen zal ik wel naar huis gestuurd worden.”

Eer hij insliep, lag hij er aan te denken, dat hij, als hij met de wilde ganzen meê mocht, van alle standjes over zijn luiheid af was. Dan mocht bij den heelen dag luieren, en zijn eenige zorg zou zijn, dat hij moest zien iets te eten te krijgen. Maar hij had nu zoo weinig noodig, dat dit wel terecht zou komen.

En dan dacht hij aan alles, wat hij te zien zou krijgen, en aan alle avonturen, die hij meemaken zou. Ja, dat werd heel wat anders dan al dat zwoegen en sjouwen thuis.

“Als ik maar met de wilde ganzen meê op reis mocht, dan zou ik er niet bedroefd om wezen, dat ik betooverd ben,” dacht hij.

Hij was alleen maar bang, dat hij naar huis zou worden gestuurd; maar ook ’s Woensdags zeiden de ganzen er niets van, dat hij weg moest. Die dag ging op dezelfde manier voorbij als de Dinsdag, en de jongen vond het leven in de wildernis steeds prettiger. Het was, alsof hij het eenzame park bij Övedklooster, dat zoo groot was als een bosch, voor zich alleen had, en hij verlangde niet terug naar het enge kamertje en de akkertjes thuis.

Dien Woensdag dacht hij, dat de wilde ganzen van plan waren hem bij zich te houden, maar Donderdag daarop gaf hij die hoop weer op.

De Donderdag begon op dezelfde manier als de andere dagen. De ganzen weidden op de groote velden, en de jongen zocht naar voedsel in het park. Na een poosje kwam Akka bij hem en vroeg, of hij al iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, en toen zocht ze een droog komijnenplantje voor hem, dat al zijn vruchtjes nog had.

Toen de jongen gegeten had, zei Akka, dat ze vond, dat hij al te onvoorzichtig in het park rondliep. Ze zou wel eens willen weten, of hij wist hoeveel vijanden hij had, waar hij voor oppassen moest, hij, die zoo klein was. Neen, dat wist hij heelemaal niet, en nu begon Akka ze voor hem op te noemen.

Als hij in het park liep, zei ze, moest hij oppassen voor den [41]vos en den marter; als hij aan ’t strand kwam, moest hij om de otters denken; als hij op het steenen plaatsje zat, moest hij den wezel niet vergeten, die door het kleinste gaatje kruipen kon; als hij zou willen slapen in een hoopje dorre bladen, moest hij eerst onderzoeken, of niet een adder ook daar zijn winterslaap deed. Zoodra hij op ’t open veld kwam, moest hij den havik en den kievit, den arend en den valk in ’t oog houden, die hoog boven in de lucht zweefden. In de notenhaag kon hem de sperwer vangen. Eksters en kraaien waren overal, en die moest hij niet te veel vertrouwen, en zoodra de schemering inviel, moest hij de ooren spitsen om te luisteren naar de groote uilen, die zoo stil voortvlogen, dat ze vlak bij hem konden komen, eer hij het merkte.

Toen de jongen hoorde, dat er zóóvelen waren, die hem naar het leven stonden, begreep hij wel, dat het volkomen onmogelijk was, dat hij het kon behouden. Hij was niet zoo heel bang om dood te gaan, maar hij vond het niet prettig om opgegeten te worden, en daarom vroeg hij Akka wat hij doen moest om zich tegen de roofdieren te beschermen.

Akka antwoordde dadelijk, dat de jongen moest probeeren goede vrienden te worden met de kleine dieren in ’t bosch en op ’t veld; met de eekhoorns en de hazen, met vinken en meezen en leeuweriken. Als hij hun goede vriend was geworden, konden zij hem voor gevaren waarschuwen, hem schuilplaatsen bezorgen, en in hoogen nood konden ze zich vereenigen en hem verdedigen.

Maar toen de jongen later op den dag dien raad wilde volgen, en zich tot Sirle, den eekhoorn, wendde om hem om hulp te vragen, bleek het, dat deze hem niet wilde helpen.

“Van mij of van de andere kleine dieren moet je niets goeds verwachten,” zei Sirle. “Meen je, dat wij niet weten, dat jij Niels, de ganzenjongen, bent, die verleden jaar zwaluwnestjes vernielde, spreeuweneieren kapot gooide, jonge kraaien in de mergelgroeve smeet, lijsters in strikken ving en eekhoorns in de kooi zette? Jij moet jezelf maar helpen, zoo goed je kunt, en wees maar blij, dat wij ons niet tegen jou vereenigen en je terug jagen naar je familie.”

Dat was nu juist een antwoord, dat de jongen vroeger niet ongestraft zou gelaten hebben, als hij nog Niels, de ganzenjongen, was geweest, maar nu was hij alleen bang, dat ook de wilde ganzen zouden hooren, hoe ondeugend hij kon wezen. Hij was zóó bang geweest, dat hij niet bij de wilde ganzen zou mogen blijven, dat hij zich ook niet aan het kleinste kattekwaad had durven wagen, sinds hij met hen in gezelschap was gekomen. ’t Was wel waar, dat hij niet zóóveel kwaad had kunnen doen, nu hij zóó klein was, maar hij kon toch nog veel vogelnestjes [42]hebben uitgehaald, en veel eieren stukgegooid, als hij daar lust in had gehad. Nu had hij zich voortdurend goed gedragen, hij had geen enkel veertje uit een ganzevleugel getrokken, nooit een onbeleefd antwoord gegeven, en iederen morgen, als hij Akka had goedenmorgen gezegd, had hij de muts afgenomen en een buiging gemaakt.

Den heelen Donderdag liep hij er over te denken, dat de wilde ganzen hem zeker niet meê naar Lapland wilden nemen om zijn ondeugendheid. En toen hij tegen den avond hoorde, dat de vrouw van Sirle, den eekhoorn, was geroofd en haar kinderen op het punt waren dood te hongeren, besloot hij hen te helpen, en wij hebben al gehoord hoe goed hem dat gelukte.

Toen de jongen Vrijdags in het park kwam, zongen de bergvinken in iedere struik, hoe de vrouw van Sirle, den eekhoorn, door wreede roovers van haar teere jongen was weggevoerd, en hoe Niels, de ganzenjongen, zich onder de menschen had gewaagd, en haar de kleine eekhoorntjes gebracht had.

“Wie is nu zoo gevierd in ’t park van Övedklooster als Duimelot?” zongen de vinken, “hij, dien allen vreesden, toen hij nog Niels, de ganzenjongen, was. Sirle, de eekhoorn, zal hem noten geven, de arme hazen zullen met hem spelen, de reeën zullen hem op den rug nemen en met hem vluchten, als Smirre, de vos, er aankomt, de meezen zullen hem beschermen voor den sperwer, en vinken en leeuweriken zullen van zijn heldendaad zingen.”

De jongen was er vast van overtuigd, dat Akka en de wilde ganzen dit alles hoorden, maar toch ging de heele Vrijdag voorbij, zonder dat ze er iets van zeiden, dat hij bij hen blijven mocht.

Heel tot Zaterdag toe mochten de ganzen op de weiden om Öved grazen, zonder door Smirre, den vos, te worden gestoord. Maar toen zij Zaterdagmorgen op het veld kwamen, lag hij daar op den loer, en vervolgde hen van de eene weide naar de andere, zoodat zij niets te eten kregen. Toen Akka begreep, dat hij niet van plan was hen met rust te laten, nam zij vlug een besluit, verhief zich hoog in de lucht, en vloog met den heelen troep verscheiden mijlen ver over de vlakke velden van Färs en de met jeneverbessen begroeide heuvels van den bergrug van Linderöd. En ze daalden niet neer, voor ze in de buurt van Vittskövle kwamen.

Maar daar werd de ganzerik gestolen, zooals we al verteld hebben. En als de jongen niet alle kracht had ingespannen om hem te helpen, was hij nooit weer terecht gekomen.

Toen de jongen met den ganzerik dien Zaterdagavond bij het Vombmeer terug kwam, vond hij, dat hij een goed dagwerk had gedaan, en hij was er nieuwsgierig naar, wat Akka en de wilde ganzen zouden zeggen. En zij waren in ’t geheel niet spaarzaam met hun lof, maar ze zeiden niet, wat hij zoo verlangde te hooren. [43]

Zoo werd het weer Zondag. Een heele week was nu voorbij gegaan, sinds hij betooverd was, en nog steeds was hij even klein.

Maar het scheen, dat hij er niet hard om treurde. Dien Zondagmiddag zat hij in een grooten, weelderig groeienden wilgestruik bij den kant van het meer, en blies op een rietfluitje. Om hem heen zaten zooveel meezen en vinken en spreeuwen, als de struik maar houden kon. En ze kwinkeleerden liedjes, die hij probeerde na te spelen. Maar de jongen was niet heel bedreven in de kunst. Hij blies zóó valsch, dat de veeren bij al zijn kleine leermeesters te berge rezen, en dat ze van wanhoop schreeuwden en fladderden. De jongen lachte zoo hartelijk om hun opgewondenheid, dat hij zijn fluit liet vallen.

Hij begon weer van voren af aan, en ’t ging even slecht, en alle vogeltjes jammerden: “Vandaag speel je slechter dan gewoonlijk, Duimelot. Je fluit niet één zuiveren toon. Waar zijn toch je gedachten, Duimelot?”

“Ze zijn ergens anders,” zei de jongen, en dat was waar. Hij zat er aan te denken, hoe lang hij nog bij de wilde ganzen zou mogen blijven, en of hij misschien al dezen dag naar huis zou worden gestuurd.

Op eens gooide de jongen de fluit weg, en sprong uit de struik op den grond. Hij zag Akka en alle ganzen op zich toe komen in een lange rij. Zij liepen zóó geweldig langzaam en plechtig, dat de jongen dadelijk meende te begrijpen, dat hij nu zou te weten komen, wat ze met hem voor hadden.

Toen ze eindelijk stilstonden, zei Akka: “Je hebt alle reden gehad je over mij te verbazen, Duimelot, omdat ik je er niet eens voor bedankt heb, dat je me uit de klauwen van Smirre, den vos, redde. Maar ik dank liever met daden dan met woorden. En nu geloof ik, Duimelot, dat het me gelukt is je een grooten dienst te bewijzen. Ik heb een boodschap gestuurd aan den kabouter, die je heeft betooverd. In ’t begin wou hij er niet van hooren om je weer beter te maken, maar ik heb hem de eene boodschap na de andere gestuurd, en hem laten zeggen, hoe goed je je bij ons gedragen hebt. Hij laat je nu groeten en zeggen, dat je, zoodra je weer thuiskomt, weer een mensch mag worden.”

Maar stel je nu voor! Even blij als de jongen geweest was, toen de wilde gans begon te spreken, even bedroefd was hij, toen ze uitgesproken had. Hij zei geen woord, maar keerde zich om, en begon te schreien.

“Wat in de wereld is dat nu?” zei Akka. “Het lijkt wel of je meer van me hebt verwacht, dan ik je nu aanbied.”

Maar de jongen dacht aan zorgelooze dagen en vroolijke grapjes, aan avonturen en vrijheid, en tochten hoog boven de aarde, die hij misloopen zou, en hij huilde hardop van droefheid. [44]

“Ik geef er niet om, of ik een mensch word!” zei hij. “Ik wil met u meê naar Lapland.”

“Ik moet je wat zeggen,” zei Akka. “Die kabouter is heel lichtgeraakt. En ik ben bang, dat als je nu zijn aanbod niet aanneemt, het je moeilijk vallen zal er hem later weer toe te bewegen een mensch van je te maken.”

Dat was nu vreemd van dien jongen: zoolang hij had geleefd, had hij van niemand gehouden. Hij hield niet van zijn vader of moeder, niet van den meester, niet van zijn kameraden, niet van de jongens in de buurt. Alles wat die wilden, dat hij doen zou, spelen of werken, had hij altijd vervelend gevonden. Daarom was er nu niemand, die hij miste of naar wien hij verlangde. De eenige, met wie hij het wel had kunnen vinden was Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads, een paar kinderen, die net als hij, ganzen hoedden. Maar echt van hen houden deed hij ook niet. Neen, heelemaal niet.

“Ik wil geen mensch worden,” snikte de jongen. “Ik wil met u meê naar Lapland. Daarom ben ik een heele week zoet geweest!”

“Ik wil je niet beletten met ons meê te gaan,” zei Akka, “zoover je maar wilt. Maar denk er nu nog eens over, of je niet liever naar huis wilt. Je kunt er later zoo’n spijt van hebben.”

“Neen,” zei de jongen, “er is niets om spijt van te hebben. Ik heb het nooit zoo prettig gehad, als hier bij u.”

“Nu, dan zullen we doen, wat je wilt,” zei Akka.

“Dank u,” zei de jongen, en voelde zich zóó gelukkig, dat hij schreide en weende van blijdschap, zooals hij eerst van verdriet had geschreid. [45]

[Inhoud]

IV.

’t Huis Glimmingen.

Zwarte en grijze ratten.

In ’t zuidoosten van Skaane, niet ver van de zee, ligt een oud kasteel, dat “’t Huis Glimmingen” heet. Dat bestaat uit één enkel hoog, groot en sterk steenen gebouw, dat mijlen ver over het vlakke veld te zien is. ’t Is maar drie verdiepingen hoog, maar ’t is zoo geweldig groot, dat een gewoon huis, dat op hetzelfde landgoed staat, er uitziet als een stukje kinderspeelgoed.

Het groote steenen huis heeft zulke zware buiten- en binnenmuren en dakgewelven, dat er van binnen niet veel plaats is voor iets anders dan die dikke muren. De trappen zijn smal, de portalen klein, en er zijn maar weinig kamers. Opdat de muren goed sterk zouden blijven, zijn er maar enkele vensters in de bovenste verdiepingen en in de benedenste heelemaal geen. Daar zijn maar smalle lichtgaatjes. In de oude oorlogstijden waren de menschen even blij, als ze zich in zoo’n sterk en geweldig huis konden opsluiten, als we nu zijn, wanneer we in den bar kouden winter in een pels kunnen kruipen; maar toen de goede vredestijd kwam, wilden ze niet meer in de donkere, koude steenen kamers van het oude kasteel wonen. Ze hebben al lang het groote huis Glimmingen verlaten en zijn naar woningen verhuisd, die zoo zijn ingericht, dat licht en lucht er binnen kunnen komen.

In den tijd, dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondzwierf, waren er dus geen menschen in ’t huis Glimmingen, maar daarom waren er toch inwoners genoeg. Op het dak woonden iederen zomer een paar ooievaars in een groot nest; op den zolder leefden een paar katuilen; in de verborgen gangen hingen vleermuizen, in den haard in de keuken woonde een oude kat, en beneden in den kelder, waren eenige honderden van het oude geslacht zwarte ratten. [46]

Ratten waren juist niet gezien bij de andere dieren; maar de zwarte ratten op ’t huis Glimmingen maakten daar een uitzondering op. Er werd altijd met achting over hen gesproken, omdat zij zoo dapper waren geweest in den strijd met hun vijanden, en omdat ze zoo flink waren geweest onder de groote ongelukken, die over hun volk waren gekomen.

Zij behoorden namelijk tot een rattenvolk, dat eens talrijk en machtig was geweest, maar nu langzamerhand uitstierf. Jaren lang hadden de zwarte ratten Skaane en ’t geheele land in bezit gehad. Zij waren in iederen kelder, op iederen zolder, in schuren en op dorschvloeren, in provisiekamers en bakkerijen, in koe- en paardenstallen, in kerken en kasteelen, in branderijen en molens, in alle gebouwen door menschen opgetrokken; maar nu waren ze bijna overal uit verdreven en bijna uitgeroeid. Alleen nog op een of andere ouderwetsche, eenzame hoeve kon men er enkele ontmoeten, en nergens vond men ze in zoo grooten getale als op ’t huis Glimmingen.

Als een dierenvolk uitsterft, hebben meestal de menschen daar schuld aan; maar dat was nu niet het geval. Wel hadden de menschen met de zwarte ratten gestreden, maar zij hadden hun geen noemenswaarde schade kunnen doen. Zij, die ze overwonnen hadden, behoorden tot een volk van hun eigen stam: de grijze ratten genaamd.

Die grijze ratten hadden niet, zooals de zwarte ratten, sinds oeroude tijden het land bewoond. Zij stamden af van een paar arme landverhuizers, die zoowat een honderd jaar geleden in Malmö aan land kwamen met een boot uit Lubeck. ’t Waren daklooze, uitgehongerde stumpers, die in de haven zelf hun verblijf hielden, tusschen de steigers rondzwommen, en het afval aten, dat in het water werd geworpen. Zij waagden zich nooit in de stad, die aan de zwarte ratten toebehoorde.

Maar zoo langzamerhand, toen de grijze ratten in aantal toenamen, werden ze moediger. Om te beginnen betrokken ze een paar verlaten en onbewoonbaar verklaarde oude huizen, die de zwarte ratten hadden verlaten. Zij zochten hun voedsel in de gootsteenen en op mesthoopen, en namen voor lief allen rommel, die de zwarte ratten niet meer wilden hebben. Ze waren standvastig, met weinig tevreden en onvervaard, en in weinig jaren waren ze zoo machtig, dat ze zich voornamen de zwarte ratten uit Malmö te verjagen. Ze namen hun zolders, kelders en magazijnen af; hongerden ze uit of beten ze dood, want ze waren in ’t geheel niet bang voor den strijd.

En toen Malmö was ingenomen, trokken ze voort in kleine en groote troepen om het geheele land te veroveren. ’t Is bijna onbegrijpelijk, waarom de zwarte ratten zich niet bij elkaar [47]voegden, en een grooten gezamenlijken veldtocht op touw zetten om de grijze ratten te vernietigen, toen er nog maar weinig waren. Maar de zwarte waren zeker zóó overtuigd van hun macht, dat ze niet konden gelooven, dat het mogelijk was die te verliezen. Ze leefden stil op hun bezittingen, en intusschen namen de grijze ratten hun het eene landgoed na ’t andere, het eene dorp na het andere, de eene stad na de andere af. Ze werden uitgehongerd, verdrongen, uitgeroeid. In Skaane hadden ze zich nergens kunnen staande houden dan op het huis Glimmingen.

Het oude steenen huis had zulke vaste muren, en er waren zoo weinig rattengangen daar door heen, dat het den zwarten ratten gelukt was het te behouden en den grijzen ratten te beletten er binnen te dringen. Jaar in jaar uit, nacht na nacht was er oorlog gevoerd met aanvallen en verdediging, maar de zwarte ratten hielden trouw de wacht, en vochten met de grootste doodsverachting, en dank zij dat heerlijke oude huis, hadden ze nog altijd overwonnen.

’t Moet gezegd worden, dat zoolang de zwarte ratten de macht in handen hadden, ze door alle andere levende wezens even erg verafschuwd werden als de grijze ratten nu, en met recht. Ze hadden arme gevederde gevangenen overvallen, en hen gepijnigd, ze hadden zich aan lijken te goed gedaan, zij hadden de laatste rapen uit de kelders der armen gestolen, de pooten van slapende ganzen afgebeten, eieren en kleine, donzige kuikentjes van de kippen weggeroofd, en duizenden misdaden begaan, maar sinds ze in het ongeluk waren geraakt, scheen dit alles vergeten te zijn, en ieder moest wel de laatsten van hun geslacht bewonderen, zóó lang als zij het uitgehouden hadden in den strijd tegen hun vijanden.

De grijze ratten, die op de plaats Glimmingen en in de omgeving woonden, zetten steeds den strijd voort, en trachtten elke toevallige gelegenheid te gebruiken om zich van het kasteel meester te maken. Men zou meenen, dat ze dat kleine troepje zwarte ratten het kasteel Glimmingen in vrede hadden kunnen laten houden, nu ze zelf het heele verdere land gewonnen hadden, maar daar dachten ze niet aan. Ze zeiden gewoonlijk, dat het een zaak van eer voor hen was, eens de zwarte ratten te overwinnen, maar zij, die de grijze ratten kenden, wisten wel, dat het alleen was, omdat de menschen het huis Glimmingen als korenmagazijn gebruikten, dat zij geen rust hadden, vóór zij het hadden ingenomen. [48]

De ooievaar.

Op een morgen werden de wilde ganzen, die op het ijs in ’t Vombmeer stonden te slapen, vroeg gewekt door luid geroep boven in de lucht: “Trirop! Trirop!” klonk het.

“Trianut, de kraanvogel, laat Akka, de wilde gans en haar troep groeten. Morgen zal de groote kraanvogeldans op den berg Kulla plaats hebben!”

Akka strekte dadelijk den kop omhoog, en antwoordde: “Dank je wel! Veel groeten! Dank je wel! Veel groeten.”

Daarop vlogen de kraanvogels verder, maar de wilde ganzen hoorden ze nog lang, terwijl ze voortvlogen, roepen over ieder veld en iederen boschrijken heuvel: “Trianut laat u groeten. Morgen heeft de groote kraanvogeldans op den berg Kulla plaats!”

De wilde ganzen waren heel blij met die boodschap.

“Je treft het!” zeiden ze tegen den witten ganzerik, “dat je meê moogt naar den grooten kraanvogeldans.”

“Is ’t dan zooiets bizonders de kraanvogels te zien dansen?” vroeg de ganzerik.

“Dat is iets, waarvan je zelfs nooit hebt kunnen droomen,” antwoordden de wilde ganzen.

“Nu moeten we er over denken, wat we morgen met Duimelot zullen doen, zoodat hij geen ongeluk krijgt, terwijl wij op de Kulla zijn,” zei Akka.

“Duimelot zal hier niet alleen achterblijven,” zei de ganzerik. “Als de kraanvogels niet willen hebben, dat hij hen ziet dansen, blijf ik hier bij hem.”

“Nog nooit is een mensch bij de groote dierenvergadering op de Kulla geweest,” zei Akka, “en ik durf Duimelot niet meê te nemen! Maar daar kunnen wij vandaag nog wel eens over praten. Nu moeten we allereerst iets te eten zien te krijgen.”

Akka gaf toen het teeken tot vertrekken. Ook toen zocht ze haar weide ver weg, om den vos, en daalde niet neer, voor ze op de moerassige velden, ten zuiden van het huis Glimmingen kwam.

Dien heelen dag zat de jongen aan den kant van een plasje, en blies op zijn rieten fluitje. Hij was uit zijn humeur, omdat hij den kraanvogeldans niet zien mocht, en kon het niet over zich verkrijgen een woord tegen den ganzerik of een van de anderen te spreken.

’t Was toch wel hard, dat Akka hem nog niet vertrouwde. Als een jongen had afgeslagen een mensch te worden, om met een paar arme wilde ganzen rond te trekken, dan kon men toch wel begrijpen, dat hij geen lust had hen te verraden. En ze moesten toch ook begrijpen, dat, als hij zooveel had opgeofferd [49]om met hen meê te mogen, het toch ook hun plicht was hem al het merkwaardige te laten zien, wat ze maar konden vinden.

“Ik zal hun wel eens zeggen, hoe ik er over denk,” dacht hij. Maar het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij er toe kwam dat te doen. ’t Lijkt misschien vreemd, maar de jongen had wezenlijk een soort ontzag voor de oude leidstergans. Hij voelde, dat het niet gemakkelijk was zich tegen haar wil te verzetten.

Aan de eene zijde van het moerassige veld, waar de wilde ganzen graasden, lag een breede steenen plaats. En nu gebeurde het, dat de jongen tegen den avond het hoofd ophief om eindelijk met Akka te spreken, en dat zijn oog op de plaats viel. Hij deed een uitroep van verbazing, en alle ganzen keken dadelijk op, en begonnen denzelfden kant uit te zien als hij. Op het eerste oogenblik dachten zij—en de jongen ook—dat alle grijze baksteenen, waaruit de vloer van de plaats bestond, pootjes hadden gekregen, en begonnen te springen, maar al gauw zagen ze, dat het een troep ratten was, die er over heen liepen. Ze bewogen zich heel snel, en sprongen voort, dicht op elkaar gepakt, rij aan rij, en er waren zoovele, dat ze een langen tijd de heele plaats bedekten.

De jongen was altijd bang voor ratten geweest, ook toen hij nog een groot en sterk mensch was. En hoe zou hij het dan nu niet zijn, nu hij zoo klein was, dat twee of drie van hen hem al de baas waren? De eene rilling na de andere ging over zijn rug, terwijl hij daar naar hen stond te kijken.

Maar ’t was vreemd, dat de ganzen denzelfden afschuw van ratten schenen te hebben als hij. Ze spraken niet tegen hen, en toen ze voorbij waren, schudden ze zich, alsof ze modder op de veeren hadden gekregen.

“Zooveel grijze ratten aan ’t wandelen! Dat is geen goed teeken,” zei Yksi van Vassijaure.

Nu wou de jongen de gelegenheid waarnemen om Akka te zeggen, dat hij vond, dat ze hem meê moest laten gaan naar de Kulla; maar hij werd daar weer in verhinderd, doordat een groote vogel haastig neerdaalde tusschen de ganzen.

Als men dien vogel zag, zou men kunnen meenen, dat hij het lichaam, den hals en den kop van een kleine witte gans had geleend. Maar daarbij had hij zich groote, zwarte vleugels aangeschaft, hooge roode pooten en een langen, dikken snavel, die te groot was voor den kleinen kop, en dien neertrok, zoodat het dier er bekommerd en bedroefd uitzag.

Akka legde gauw zijn vleugeldekveeren terecht, en boog verscheiden malen den hals, terwijl zij den ooievaar tegemoet ging. Ze was niet heel verbaasd hem zóó vroeg in het voorjaar in [50]Skaane te zien, omdat zij wist, dat de mannetjes-ooievaars gewoonlijk vroeg daarheen komen, om na te zien of hun nest geen schade geleden had in den winter, vóór de vrouwtjes-ooievaars zich de moeite geven over de Oostzee te vliegen. Maar ze vroeg zich heel verwonderd af, wat dit kon beteekenen, dat hij haar opzocht, omdat ooievaars het liefst met hun eigen stamgenooten omgaan.

“Ik hoop niet, dat er iets niet in orde is met uw huis, Mijnheer Ermerik,” zei Akka.

Toen bleek het, dat ’t waar is, wat men zegt, dat een ooievaar zelden zijn snavel opent, als het niet is om te klagen. Wat nu maakte, dat, wat de ooievaar zei, nog treuriger klonk, was dat hij zoo moeielijk sprak. Hij stond een heele poos niets te doen dan te klepperen, en sprak toen met een heesche en zachte stem. Hij beklaagde zich toen over alles en nog wat: het nest, dat boven op het dak van het huis Glimmingen lag, was heelemaal bedorven door de winterstormen, en hij kon nu geen eten meer vinden in Skaane. De Skaaners hadden hem nu bijna al zijn bezittingen afgenomen. Ze legden dijken om zijn natte velden, en bebouwden zijn moerassen. Hij was van plan uit dit land weg te gaan en nooit meer weerom te komen.

Terwijl de ooievaar zoo klaagde, kon Akka, de wilde gans, die nergens vriendelijkheid of bescherming vond, niet laten te denken: “Als ik het zoo goed had als u, Mijnheer Ermerik, zou ik me wel schamen te klagen. U is een vrije, wilde vogel gebleven, en toch staat u op zoo’n goeden voet met de menschen, dat niemand op u zal schieten, of een ei uit uw nest nemen.”

Maar dat hield ze voor zich. Tegen den ooievaar zei ze alleen, dat ze niet gelooven kon, dat hij van een huis zou weggaan, waar ooievaars hun verblijf hadden gehouden van den tijd af, dat het gebouwd was.

Toen vroeg de ooievaar snel, of Akka de grijze ratten had gezien, die op weg waren naar het Glimmingehuis, en toen Akka antwoordde, dat zij dat ongedierte gezien had, begon hij te vertellen van de dappere zwarte ratten, die jarenlang het kasteel verdedigd hadden.

“Maar van nacht zal het huis Glimmingen in handen van de grijze ratten vallen,” zei de ooievaar zuchtend.

“Waarom juist van nacht, Mijnheer Ermerik?” vroeg Akka.

“Ja, omdat bijna alle zwarte ratten van nacht naar de Kulla zijn getrokken,” zei de ooievaar. “Ze vertrouwden er op, dat alle andere dieren daar ook naar toe zouden gaan. Maar u ziet wel, dat de grijze ratten thuis gebleven zijn, en nu verzamelen zij zich om ’t kasteel binnen te dringen, nu ’t maar wordt verdedigd door een paar oude stumpers, die niet meer meê naar de Kulla konden komen. Zij zullen hun doel wel bereiken, maar ik heb [51]nu zoolang in de buurt van de zwarte ratten gewoond, dat ik er geen pleizier in heb op dezelfde plaats met hun vijanden te wonen.”

Nu begreep Akka, dat de ooievaar zich zoo geërgerd had over de handelwijze der grijze ratten, dat hij haar had opgezocht om er zich over te beklagen. Maar op de gewone ooievaarsmanier had hij stellig niets gedaan om het ongeluk te voorkomen.

“Hebt u een boodschap naar de zwarte ratten gestuurd, Mijnheer Ermerik,” vroeg zij.

“Neen,” zei de ooievaar. “Dat zou niets geven. Voor ze hier terug zijn, is het kasteel al ingenomen.

“Daar moet u niet zoo vast op rekenen, Mijnheer Ermerik,” zei Akka. “Ik ken een oude wilde gans, die zoo’n schurkestreek graag zou beletten.”

Toen Akka dit zei, hief de ooievaar het hoofd op en zag haar met groote oogen aan. En dat was immers geen wonder, want de oude Akka had geen klauwen en geen scherpen snavel, die in den strijd dienst konden doen. En bovendien was zij een dagvogel, en zoodra het donker werd, viel ze altijd in slaap. En de ratten vochten juist altijd ’s nachts.

Maar Akka was blijkbaar van plan de zwarte ratten bij te staan. Ze riep Yksi van Vassijaure, en beval haar de ganzen naar het Vombmeer te voeren, en toen de gans bezwaren maakte, zei ze kortaf en op een toon van gezag:

“Ik geloof, dat het voor ons allen het beste is, dat je doet, wat ik zeg. Ik moet naar het groote steenen huis, en als jelui meêgaan, dan zien natuurlijk de menschen daar ons, en schieten ons dood. De eenige, dien ik op deze reis meenemen wil, is Duimelot. Hij kan me van groot nut zijn, want hij heeft goede oogen, en kan ’s nachts wakker blijven.”

De jongen was dien dag in een koppige bui, en toen hij hoorde, wat Akka zei, rekte hij zich uit om zoo groot te zijn, als hij maar kon, en deed een stap vooruit met de handen op den rug en den neus in de lucht, om te zeggen, dat hij niet van plan was meê te doen in het gevecht tegen de grijze ratten. Ze moest maar zien andere hulp te krijgen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen voor den dag kwam, begon er leven in den ooievaar te komen. Tot nu toe had hij op ooievaarsmanier met gebogen hoofd gestaan, en den snavel tegen den hals gedrukt gehouden; maar nu hoorde men een geluid diep in zijn keel, alsof hij lachte. Bliksemsnel stak hij den snavel naar beneden, pakte den jongen, en gooide hem een paar meter de lucht in. Dat kunststuk herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep: “Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een mensch, Mijnheer Ermerik!” [52]

Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd neer. Toen zei hij tot Akka: “Ik vlieg nu naar ’t huis Glimmingen terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik heenging. U kunt er zeker van zijn, dat ze heel blij zullen zijn, als ik hun vertel, dat Akka, de wilde gans, en Duimelot, de menschendwerg, komen om hen te redden.”

Met die woorden strekte de ooievaar den hals uit, sloeg met de vleugels, en vloog weg als een pijl uit een sterk gespannen boog. Akka begreep, dat hij haar voor den gek hield, maar dat trok ze zich heelemaal niet aan. Ze wachtte tot de jongen zijn klompjes gevonden had, die de ooievaar van hem had afgeschud. En toen zette ze hem op haar rug, en volgde den ooievaar. En de jongen verzette er zich niet tegen, en sprak er geen woord over, dat hij niet meê wilde. Hij was zoo boos op den ooievaar, dat hij bijna zat te brieschen. Die leelijke, lange roodpoot dacht, dat hij nergens voor deugde, omdat hij klein was, maar hij zou hem wel toonen, wat Niels Holgersson van Wester Vemmenhög voor een flinke baas was.

Een oogenblik later stond Akka in het ooievaarsnest, op het huis Glimmingen. ’t Was een prachtige, groote woning. Als onderlaag had het een wiel, en daarover lagen verscheidene lagen takken en zoden. De woning was zoo oud, dat allerlei struiken en planten wortel hadden geschoten, en als de ooievaarsmoeder zat te broeden, had zij niet alleen een heerlijk uitzicht op en over een groot gedeelte van Skaane om van te genieten, maar ze had ook wilde rozen en huislook om naar te kijken.

De jongen en Akka konden al gauw merken, dat hier iets gaande was, dat alles in de war bracht. Op den rand van het ooievaarsnest zaten twee katuilen, een oude grijsgestreepte kat en een dozijn stokoude ratten, met scheefgegroeide tanden en loopende oogen. Dat waren nu juist geen dieren, die men gewend was vredig bijeen te zien.

Geen van hen bewoog zich om Akka aan te zien, of om haar welkom te heeten. Ze dachten aan niets anders dan aan een paar lange, grijze lijnen, die hier en daar flauw te onderscheiden waren op de rotsen, die kaal en naakt waren door den winter; ze zaten er onafgebroken op te staren.

Alle zwarte ratten zwegen. Men kon hen aanzien, dat ze diep wanhopig waren, en ’t wel wisten, dat ze noch hun eigen leven, noch het kasteel konden verdedigen. De beide uilen rolden hun groote oogen heen en weer, trokken met de oogleden, en spraken met booze, scherpe stemmen over de groote wreedheid van de grijze ratten, en dat ze om hen uit hun nest weg moesten, want dat ze gehoord hadden, dat ze eieren, noch donzige jongen spaarden. De oude gestreepte kat was er van overtuigd, dat de grijze ratten [53]haar zouden dood bijten, als er zóóvele in het kasteel kwamen, en zij bromde onophoudelijk op de zwarte ratten. “Hoe kon jelui zoo dom zijn, en je beste soldaten weg laten gaan?” zei zij. “Hoe kon jelui op de grijze ratten vertrouwen? ’t Is onbegrijpelijk.”

De twaalf zwarte ratten antwoordden niet, maar de ooievaar kon niettegenstaande zijn droefheid niet laten gekscherend tegen de kat te praten: “Wees maar niet bang, Mono, huiskat!” zei hij: “Zie je niet, dat Moeder Akka en Duimelot hier zijn gekomen om het slot te redden. Ge kunt er zeker van zijn, dat hun dat gelukt. Nu moet ik gaan slapen, en ik doe dat met een gerust hart. Morgen, als ik wakker word, is er stellig geen enkele grijze rat meer in ’t Glimmingehuis.”

De jongen knipoogde tegen Akka, en beduidde haar, dat hij den ooievaar op den grond wilde gooien, terwijl die zich gereed maakte om te gaan slapen op den buitensten kant van het nest, met het eene been opgetrokken; maar Akka belette hem dat. Zij zag er in ’t geheel niet gekwetst uit. Ze zei alleen heel vergenoegd: “’t Zou wel erg zijn als iemand, die zoo oud is als ik, zich niet uit grooter moeilijkheid zou kunnen redden, dan deze. Als maar de uileman en de uilevrouw, die den heelen nacht wakker kunnen blijven, een paar boodschappen voor mijn rekening willen doen, dan denk ik wel, dat alles goed zal gaan.”

Dat wilden de beide katuilen wel, en Akka vroeg toen den uileman, of hij de zwarte ratten, die vertrokken waren, weer opzoeken wou, en hun aanraden zoo spoedig mogelijk weer thuis te komen. De uilevrouw zond ze naar Flammea, de torenuil, die in de domkerk te Lund woonde, met een zoo geheimzinnige boodschap, dat Akka haar die alleen fluisterend durfde toevertrouwen.

De rattenvanger.

Het liep tegen middernacht, toen de grijze ratten na lang zoeken een kelderluik vonden, dat open stond. Dat zat vrij hoog in een muur; maar de ratten gingen op elkaars schouders staan, en het duurde niet lang, voor de moedigste onder hen in het luik zat, klaar om in ’t huis Glimmingen binnen te dringen; buiten de muren van dat kasteel, waarvoor zóóveel van zijn voorvaderen gevallen waren.

De grijze rat zat een poosje heel stil in het luik te wachten, of hij ook aangevallen werd. De hoofdtroepen van de verdedigers waren nu wel weg, maar hij nam aan, dat de zwarte ratten, die in het kasteel waren achtergebleven, zich niet zonder strijd zouden overgeven. Met een kloppend hart luisterde hij naar het minste [54]gedruisch, maar alles bleef doodstil. Toen vatte de aanvoerder der grijze ratten moed, en sprong naar beneden in den kouden, donkeren kelder.

De eene grijze rat na de andere volgde den aanvoerder. Allen waren heel stil, en allen verwachtten, dat de zwarte ratten zich verweren zouden. Niet vóór er zóóvele in den kelder waren binnengedrongen, dat er niet meer op den vloer konden staan, waagden zij het verder te gaan.

Hoewel ze nooit te voren in het gebouw waren geweest, viel het hun toch niet moeilijk den weg te vinden. Zij ontdekten al gauw de loopgraven in den muur, die de zwarte ratten gebruikt hadden om in de bovenste verdiepingen te komen. Maar vóór dat ze die smalle, steile trappen opklauterden, luisterden ze weer heel oplettend. Ze waren veel onrustiger, doordat de zwarte ratten zich op deze manier schuil hielden, dan ze zouden geweest zijn, als ze hun in open oorlog tegemoet waren gekomen. Ze konden nauwelijks aan hun geluk gelooven, toen ze zonder ongelukken in de eerste verdieping waren gekomen.

Zoodra ze daar binnenslopen, kwam hun de geur van ’t koren tegemoet, dat in groote hoopen op den vloer werd bewaard. Maar het was nog de tijd niet om van hun overwinning te genieten. Ze doorzochten eerst met de grootste nauwkeurigheid de donkere, kale vertrekken. Ze sprongen op den haard, die midden op den vloer stond, in de oude keuken van het kasteel, en ze waren bijna in den put van de binnenkeuken gevallen. Ze sloegen geen enkele van de smalle lichtopeningen over bij hun onderzoek, maar ze vonden nog steeds geen zwarte ratten. Toen die verdieping dus geheel en al in hun macht was, begonnen ze even voorzichtig de volgende te onderzoeken. Weer moesten ze een moeielijke en gevaarlijke klauterpartij door de muren ondernemen, terwijl ze in ademloozen angst verwachtten, dat de vijand op hen aan zou vliegen. En hoewel de heerlijkste geuren uit de korenhoopen verlokkend tot hen kwamen, dwongen ze er zich toe met de grootste orde de door zuilen gesteunde bediendenkamer van de vroegere knechts te onderzoeken—hun steenen tafel en haard, de diepe vensternissen en het gat in den vloer, dat men er in vroeger dagen had gemaakt, om daardoor kokende pik over een binnendringenden vijand te kunnen gieten.

Nog steeds bleven de zwarte ratten onzichtbaar. De grijze zochten hun weg naar de derde verdieping, waar de groote feestzaal van den burchtheer was, die even naakt en kaal stond als alle andere; ze kwamen heel tot in de bovenste verdieping, die uit een enkele groote, leege ruimte bestond. De eenige plaats, waar ze niet aan dachten om die te doorzoeken, was het groote ooievaarsnest op het dak, waar juist op dat oogenblik de uilevrouw Akka wakker [55]maakte, en haar mededeelde, dat Flammea, de torenuil, haar wensch had vervuld, en haar zond waar zij om vroeg.

Toen nu de grijze ratten zoo nauwkeurig het geheele kasteel hadden onderzocht, voelden zij zich veilig. Ze begrepen, dat de zwarte ratten gevlucht waren, en er niet aan dachten weerstand te bieden; en ze sprongen met een vroolijk hart naar de korenhoopen.

Maar nauwelijks hadden de grijze ratten de eerste korenkorrels opgegeten, of beneden van de plaats klonk het scherpe geluid van een schel fluitje. Ze hieven den kop op, luisterden onrustig, deden een paar sprongen, alsof ze van plan waren van de korenhoopen weg te loopen, maar keerden toen terug, en begonnen weer te eten.

Weer klonk de fluit sterk en snijdend, en nu gebeurde er iets wonderlijks. Eén rat, twee ratten,—ja, een heele troep liep weg van het koren. Ze sprongen uit den korenhoop, en haastten zich langs den kortsten weg naar den kelder om uit het huis weg te komen. Toch waren er nog heel wat grijze ratten over. Zij dachten aan al de moeite, die ’t hun had gekost om in het huis Glimmingen te komen, en ze wilden ’t niet verlaten. Maar de tonen van de fluit bereikten hen nog eens, en toen moesten ze gehoorzamen. Ze stortten in wilde vaart neer uit den korenhoop, vlogen door de nauwe gaten in de muren, en rolden over elkaar, in hun haast om naar buiten te komen.

Midden op de plaats stond een dwergje, dat op een fluit blies. Om zich heen had hij al een heelen kring ratten, die verbaasd en bekoord naar hem luisterden; en ieder oogenblik kwamen er meer bij. Eens nam hij de fluit uit den mond om een langen neus tegen de ratten te kunnen trekken, en toen scheen het, alsof zij lust hadden op hem aan te vliegen en hem dood te bijten, maar zoodra hij blies had hij ze in de macht.

Toen het dwergje alle grijze ratten uit het Huis Glimmingen had gespeeld, begon hij langzaam van de slotplaats weg en den straatweg op te loopen, en al de grijze ratten liepen hem na, omdat de tonen van die fluit hun zóó liefelijk in de ooren klonken, dat ze die niet konden weerstaan.

Het dwergje liep voor hen uit, en lokte hen met zich meê naar Valby. Hij leidde ze in alle mogelijke kringen en bochten en scherpe hoeken door hagen en langs dijken naar beneden, en waar heen hij ging moesten ze meê. Hij blies onophoudelijk op zijn fluit, die van hoorn scheen gemaakt te zijn, hoewel de horen zóó klein was, dat er in onze dagen geen dier bestaat, waar die van zou kunnen zijn. Niemand wist ook wie dat fluitje gemaakt had. Flammea, de torenuil, had het gevonden in een nis in den toren van de domkerk in Lund. Zij had het aan Bataki, den kraai, laten zien, en ze hadden samen uitgevonden, dat het zoo’n horen [56]was, als men vroeger placht te maken, wanneer men macht over ratten en muizen wilde krijgen. De kraai was een vriend van Akka, en door hem was zij te weten gekomen, dat Flammea zulk een schat bezat.

En het was waar, dat de ratten die fluit niet konden weerstaan. De jongen liep vooruit, en speelde zoolang er sterren aan den hemel waren, en ze liepen hem al dien tijd na. Hij speelde tot de morgen aanbrak, hij speelde tot de zon opging, en aldoor volgde de heele schaar grijze ratten hem en werden al verder en verder van den grooten korenzolder op het Huis Glimmingen weggelokt. [57]

[Inhoud]

V.

De groote kraanvogeldans op den Kullaberg.

’t Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft als de oude Kullaberg.

De Kullaberg is laag en langwerpig. ’t Is heelemaal geen hooge of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten in Skaane.

Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet laten een beetje teleurgesteld te zijn.

Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen, als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg, om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.

Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven, diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten, die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte hellingen en zachtglooiende, [58]met groen bekleede terrasjes. Daar zijn kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes, die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar zijn statige rotspoorten, die zich over ’t water welven; daar zijn steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere, die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten, den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen, tot in het hol van den Kullaberggeest.

En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over ’t veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf, en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.

Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen, wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren, waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder ander oord.

Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren, den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet te worden opgemerkt. Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver van de uiterste punt van den berg.

De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.

Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel ’t een uitgemaakte zaak is, dat op een dag als [59]deze, algemeene vrede heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de oude gewoonte.

Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels uit te zien. ’t Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen, als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.

Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen, blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt, stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk, en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen en groengele meezen.

Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot, dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij, die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.

Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst gekras. Allen, die op de speelplaats zijn, [60]herademen, als die wolk zich eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien, en roeken, en raven en zaadkraaien.

Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte, gestippelde lijnen in ’t oosten en ’t noordoosten. Dat zijn de boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels, van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in scheeve hoeken en halve cirkels.

Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze, zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van ’t huis Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap, dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn, en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen, en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.

Maar ’t was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met zijn groot gevolg voortliep; ’t was niet Akka, die neerdaalde, hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht, en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo oneerbiedig had behandeld.

Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen, die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet had verdiend.

“Neen, Moeder Akka,” zei hij. “U moet niet denken, dat ik de grijze ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde.”

Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar, en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den Kullaberg te nemen. “Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als op ons zelf,” zei ze.

De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.

“Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,” zei hij, “’t is een geluk, dat we hem kunnen [61]beloonen voor alles, wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen, zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen.”

Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen, die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over hem spraken.

Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was, bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog, met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer wierp hij zich naar beneden met zóó’n vaart, dat het scheen, dat hij hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.

Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht naar den Kullaberg.

Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht, en zongen van blijdschap.

Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers, die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij, toen die voorbij was. De dieren [62]vonden dien even somber en onzinnig als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets, wat hen een beetje blij kon maken.

Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder ’t springen draaiden ze in ’t rond, namen hooge sprongen, en sloegen met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond, een ander liep op de voorpooten. Er was niet de minste orde, maar er was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren, die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!

Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op, sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. “Tjek, tjek tjek,” klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde: “Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!” En meteen werd hij zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.

Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie, die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen, en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide, begon zwaar en heet te worden.

“Ja zeker! Nu is het lente!” dachten alle diervolken. “De winterkoude is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde.”

Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was, waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer op [63]de speelplaats, waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te zingen: “Orr, orr, orr!”

Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen, gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren aan niets anders dachten dan aan ’t spel van de korhoenders, heel zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in ’t oog, en omdat ze niet gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen doorsluipen zou, begon ze te roepen: “Pas op! Wilde ganzen, pas op!”

De vos sloeg haar over de keel, misschien wel ’t meest, opdat ze zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord, en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.

Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had, kreeg Smirre zoo’n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had, dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik, dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd, om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust- en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.

Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet laten storen.

Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hun [64]oorlogsspel te laten zien. ’t Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.

Op de heuvels in ’t rond was het ademloos stil, terwijl de in ’t strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan, zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was, en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.

Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den anderen: “Nu komen de kraanvogels.” En toen kwamen de grijze, als in schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen, hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden, zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor ’t eerst op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar den dans van de kraanvogels heette.

Er was woestheid in, maar ’t gevoel, dat het wekte, was toch een zoet verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt, het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven naar het bovenaardsche.

Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen. [65]

[Inhoud]

VI.

In den regen.

Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad, maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen, begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.

Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld, maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep: “Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik.”

Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren van Christianstad en ’t koningspaleis van Bäckaskog op de smalle landtong tusschen ’t meer van Oppmanna en ’t Ivömeer, en de steile helling van den Ryesberg.

’t Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden, dat zij grijs en vervelend waren, maar ’t was heel wat anders, nu hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen: sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, andere [66]met tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had, en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken het water over de aarde neer te stroomen.

Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op ’t veld neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk, en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.

“Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is het beste, wat er is,” zongen de vogeltjes.

Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.

Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze: “Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nu zijn jelui lang genoeg lui geweest.”

Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen, zeiden ze vermanend: “Waarom hebben jelui zoo’n haast? Zien jelui niet, dat het stoeten en pannekoeken regent!”

Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: “Hier komen we met anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!”

Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging, werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen om het meer van Ivö: “Hebben jelui nu nog niet haast genoeg? Hebben jelui nu nog niet haast genoeg?”

De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed, dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter, sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze verwarring, en de wegmerken waren [67]bijna niet te zien. De tocht ging al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de lucht gereden had. En ’s middags, toen ze neergestreken waren onder een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en ’t werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen; hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven zou van angst. “Als ik ’t nu eens waagde naar de menschen te gaan, voor dezen éénen nacht?” dacht de jongen. “Alleen maar zoo, dat ik even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang.”

Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over ’t moeras.

Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane, in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.

De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er zooveel zijn hooger op het land, maar die men in ’t geheel niet vindt op de vlakten.

De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken, hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het prettig weer menschenstemmen te hooren. “Ik zou wel eens willen weten, wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te worden,” dacht hij. [68]

Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij in de nabijheid van menschen was.

“Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken,” dacht hij, “voor ik iemand vraag, of ik binnen mag komen.”

Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.

“Het regent, nu komt de lente gauw,” zei ze. Toen de jongen haar zag, werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de menschenwereld gezet had.

Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig ’t wezen moest, met zoo’n mooie machine over een akker te rijden. Een oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.

Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten, die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over, hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan, dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren spreken van een wereld,—boven die, waarin ze leefden,—van God, en opstanding en eeuwig leven.

En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.

Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten, wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden, zooals hij wezen moest.

Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep, ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofd [69]er pijn van deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.

“Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft geleerd als ik,” dacht hij eindelijk. “’t Zal wel zoo loopen, dat ik toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit.”

Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan ’t zwemmen was geweest.

Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen, en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak zat, zich te bewegen en riep: “Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis, moerasuil? Hoe heb je het in ’t buitenland gehad?”

“Heel goed, dank je wel, katuil!” zei de moerasuil. “Is er hier wat bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?”

“Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is ’t gebeurd, dat een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans.”

“Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?”

“Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past, zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en...”

“En verder, katuil? Verder? Verder?”

“Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is, die ons beluistert.”

En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op in de lucht. “Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag ik weer een mensch worden!”

Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het natte moeras. [70]

[Inhoud]

VII.

Bij de beek van Ronneby.

Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen, en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.

Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd, niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.

Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet, dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting, en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.

Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet bij hen kon komen.

De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er is niet veel, dat prettiger is op een [71]mooien zomerdag, dan op dat kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.

Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud, buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand, die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo’n steilen bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen verborgen. Ze konden het niet beter hebben.

De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en ’t woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van alle kanten, en er kwam zoo’n groote onrust over hem, dat hij onder den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.

Smirre stond op den bergtop, ver weg uit ’t gezicht.

“Deze vervolging hier kun je even goed laten!” zei hij in zich zelf. “Je kunt zoo’n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo’n woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen.”

Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja, ’t was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar ’t armoedige Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze dan ook zelf niet op mogen eten.

Toen Smirre’s boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was als de eekhoorn, maar toch even [72]zeker op en neer langs de boomstammen sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.

“Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar,” dacht de vos, “dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen.”

Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen, dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop, zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner, en hij antwoordde bijna niet.

“Het verbaast me,” zei Smirre, “dat zoo’n jager, als jij zich met de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je bereik is.”

Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: “’t Is toch niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in ’t klimmen, dat je beneden bij hen kunt komen?”

Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.

“Heb je wilde ganzen gezien?” riep hij blazend. “Waar staan die? Zeg het dadelijk, of ik bijt je den strot af!”

“Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen.”

In ’t volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van tak tot tak voortbewoog, dacht hij:

“Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in ’t heele bosch. Ik denk, dat de wilde ganzen ’t aan mij te danken hebben, als ze in een bloedbad wakker worden.” Maar juist toen Smirre verwachtte den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen, en alle ganzen vlogen snel op.

Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.

“Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou rollen!” zei Smirre verachtelijk. [73]

“Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen,” zei de marter. “Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over, hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje, niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó’n kracht een steen naar het hoofd gooide, dat ik in ’t water viel, en eer ik er weer uit kon kruipen...”

De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.

Intusschen was Akka naar ’t zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was, als ze in ’t voorjaar over de Oostzee reisde.

Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang kon zien slingeren door het in ’t maanlicht badende landschap. Zoo kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging, hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom, die bruisend in de kloof valt.

’t Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze veilig voor roofdieren waren.

De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij zat naast hen om op den ganzerik te passen.

Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij kreeg dadelijk de ganzen in ’t oog, die daar in den bruisenden maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten. [74]Hij bleef aan den oever naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond, dat zijn eer als jager op ’t spel stond.

Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet wou afnemen.

“Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen, als er volop wilde ganzen op de steenen staan,” zei Smirre. Hij was zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te kiezen, als hij gewoonlijk deed.

De otter keerde niet eens zijn kop naar ’t water. Hij was een landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt, en kende Smirre, den vos, wel.

“Ik weet wel, hoe jij ’t aanlegt om een forel machtig te worden, Smirre,” zei hij.

“O, ben jij ’t, Gripe,” zei Smirre en was blij, omdat hij wist, dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. “Ik wil wel gelooven, dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staat bent ze te bereiken.” Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was, en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde ’t niet op zich laten zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg, wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.

Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. ’t Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen te worden.

Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind, jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht mislukt was, barstte hij uit: “’t Komt niet, doordat ik niet goed zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen, en me op [75]mijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó’n pijn, dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me.”

Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.

Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier weer naar ’t zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis, met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten, en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting zoeken op de balkons en in de waranda’s van de verlaten gebouwen.

Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.

’t Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen ’t gezicht op de zee had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.

Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij ’t land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. ’t Is alsof ze zoo’n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt, alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van ’t land kort en klein wil scheuren.

Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes, en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.

Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groen [76]af, en maakt haar even kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt, om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij ’t land zóó weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.

En denk dan aan ’t land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met bosch begroeid. ’t Ziet er uit, alsof ’t enkel denkt aan haver, en rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die ver in ’t land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar ’t zet die af met berk en els, precies alsof ’t een gewoon zoetwatermeertje was. Dan komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en breken in, en maken zich breeder. Ze splijten ’t veld en de bosschen, en zoodoende moet het land ze wel opmerken.

“Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt,” zegt het land, en dan begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. ’t Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden, en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.

Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij begon zich rustiger te voelen dan in ’t begin van den nacht. Toen hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis. [77]

Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.

“Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?” vroeg ze.

“Ja,” zei Smirre, “ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb.”

“Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden hebt?” vroeg Akka weer.

“Een goede daad moet men niet ontkennen,” zei Smirre. “Jelui hebt eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden, zoolang er nog maar een van jelui in ’t leven is, al zou ik jelui ook door ’t heele land heen vervolgen.”

“Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die gewapend is met tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen; wij—die weerloos zijn,” zei Akka.

Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: “Als jij, Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt, pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij je hooren.”

“Duimelot kan ik je niet geven,” zei Akka. “Van de jongste tot de oudste hebben we graag ons leven voor hem over.”

“Als jelui zóóveel van hem houden,” zei Smirre, “dan beloof ik je, dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal.”

Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn leven voor hem wilde wagen!

Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen, dat hij van niemand hield. [78]

[Inhoud]

VIII.

Karlskrona.

’t Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. ’t Was mooi en stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend, en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want bijna niemand waagde zich nog op straat.

Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze—waar ze ook neerstreken—door Smirre, den vos, gestoord werden.

Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw, maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.

Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig verschrikte. ’t Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen, bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets dergelijks was. [79]

Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen hadden. ’t Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden, waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.

De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist boven dat eiland ging neerdalen.

“Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken,” zei hij.

Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over, dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren ten eerste niets anders dan huizen. ’t Heele eiland was een stad, en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte vensters. De reus, die op ’t hoogste punt van het eiland stond en de armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door ’t water moesten kunnen glijden als visschen.

Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.

De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.

Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen, die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.

Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd [80]wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als het licht werd.


De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk weiland. Zij, die in ’t woeste veld wonen, of ver weg op het land, voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.

Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten, groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok, korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit, alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.

“Wat heeft die hanglip daar te maken?” zei de jongen eindelijk. Hij had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in, die naar zee leidde.

Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan ’t wandelen was gegaan.

De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde, en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De grond dreunde, en de huizen schudden. ’t Kon niemand anders wezen dan hij, die zóó zwaar liep, en de jongen [81]werd bang, toen hij dacht aan wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken om te zien, of hij het werkelijk was.

“Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier,” dacht de jongen. “Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat was heelemaal zoo niet bedoeld.”

In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen, sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.

Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat, midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik, maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.

“Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad beschut,” meende hij.

Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond, en hem wenkte.

“Dat is zeker iemand, die mij helpen wil,” dacht de jongen. Hij werd innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang, dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam, die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal verbluft.

“Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte,” dacht hij, want hij zag, dat de heele man van hout was.

Hij bleef hem aan staan kijken. ’t Was een grove man met korte beenen en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen zwarten baard. Op ’t hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn, en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo’n goedig uiterlijk te geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.

In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:

Ik vraag u nederig,

Al is mijn stem ook zwak,

Kom, leg een penning neer,

Maar neem mijn hoed dan af.

O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders [82]zou zijn. En nu herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich, dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,—precies zooals men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.

De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?

Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed, en stopte hem daaronder.

Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem, en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:

“Wat ben jij voor een snuiter?”

De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:

“Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op ’t linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein neergezet als armenbus.”

Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de houten man zei: “Uwe Majesteit.” Want nu hij er over nadacht, wist hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad gesticht had. ’t Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij tegen zijn zin mee te doen gekregen had.

“Je antwoordt flink,” zei de bronzen man. “Kun je me nu ook zeggen, of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg, zal ik hem wel mores leeren.” En bij die woorden stootte hij zijn stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.

“Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien,” zei de [83]houten man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed, en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in ’t hout. Maar hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: “Maar uwe Majesteit is op ’t verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf te loopen en zich daar te verstoppen.”

“Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen zien meer dan twee, Rosenbom.”

Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:

“Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en vermolmd, en kan ’t niet verdragen me te bewegen.”

De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag tegengesproken worden.

“Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?”

En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden klap op zijn schouder. “Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt, Rosenbom.”

Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en zagen er van dichtbij grooter en verschrikkelijker uit, dan toen de jongen ze van boven af zag. “’t Was toch nog niet zoo verkeerd, dat ik ze voor zeespoken hield,” dacht hij.

“Waar vindt je ’t het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?” zei de bronzen man.

“Zoo’n klein ding, als hij, zou zich wel ’t beste in de modelzaal kunnen verstoppen,” antwoordde de houten man.

Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening van de Zweedsche marine gebouwd waren. [84]

Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen, met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek, en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware, breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes, die op lange, slanke visschen leken.

Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds meer verbaasd.

“Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!” sprak hij.

Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal, van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En Rosenbom, de opperbootsman van de “Driestheid” vertelde wat hij wist van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden, en hoe ’t met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.

Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel verstand te hebben.

“Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier,” zei de bronzen man. “Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier heb ik pleizier in, Rosenbom.”

Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.

Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij, de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis, de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben, bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.

De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken, hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen zoo goed mogelijk [85]te maken en te verbeteren, die ter verdediging van het vaderland moesten dienen. ’t Kan niet ontkend worden, dat de jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat alles hoorde praten.

’t Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar voor hem stonden.

Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: “Neem je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in den strijd voor het vaderland geweest.”

En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren, evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn houten hoed af en riep:

“Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte, en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!”

“Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Je bent een beste kerel! Maar wat is dat nu, Rosenbom?”

Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af, en zwaaide die hoog in de lucht en riep: “Hoera voor jou, Langlip!”

De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man, alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken, vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in ’t oog, en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen. [86]

[Inhoud]

IX.

De reis naar Öland.

Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans, die even oud en wijs scheen als Akka zelf:

“Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar ’t noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland, zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt.”

Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.

Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen zouden aan gidsen geen gebrek hebben. [87]

Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa’s, die tot aan den horizon neerhingen, en ’t uitzicht verhinderden.

Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan hij den eersten keer had gedaan. ’t Was, alsof hij zich onmogelijk vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.

’t Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. ’t Was, als volgden ze een gebaanden weg. ’t Waren eenden en grijze ganzen, zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.

De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.

“Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!” zei hij in zichzelf. “Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!”

Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken, dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.

Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige witte rookzuiltjes opstijgen.

Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.

“Schutters! Schutters! Schutters in booten!” riepen ze. “Vlieg hoog! Vlieg weg!”

Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, en dat ze in ’t geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot [88]op schot losten. De eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.

’t Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!

Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: “Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?”

En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: “We vliegen recht op Öland aan, recht op Öland!”

De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.

“Haast je zoo niet!” riepen de eenden toen. “Jelui eet alles op, voor wij er aan toe zijn!”

“Er is genoeg voor jelui en voor ons,” antwoordden de duikeleenden.

Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa’s witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.

Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.

Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. “Pas op!” riepen zij. “Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in ’s hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland.”

Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar het spoor bijster te maken. “Kijk nu die pijlstaarten eens!” klonk het in den nevel. “Jullie gaan naar de Noordzee terug!” [89]

“Past op, grijze ganzen!” riep iemand van een anderen kant, “als jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!”

Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden laten lokken. Maar zij, die ’t moeilijk hadden—dàt waren de wilde ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.

“Waar moet jelui heen, vrienden?” riep een zwaan. Hij kwam recht op Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.

“Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest,” zei Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.

“Dat is toch te erg,” zei de zwaan. “Dan hebben ze jelui in de war gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in de goede richting brengen.”

En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij in den mist.

Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.

“’t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist is opgetrokken,” zei de eend. “Men kan wel zien, dat jelui niet aan ’t reizen gewend zijn.”

’t Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor zoover de jongen ’t begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een kring rond.

“Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt,” riep een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.

Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd, dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren op den nevel te schieten.

Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer van afbrengen. [90]

De zuidpunt van Öland.

Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten worden gebruikt.

In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van ’t eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, waar ze niet zoo veilig zijn.

Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.

Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, dat hij kon overzien.

’t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogen [91]kiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar ’t meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa’s wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.

Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: “Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder.”

“Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,” zei zijn reisgezelschap.

“Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?” zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.

Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op ’t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.

Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.

Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.

De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.

Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde. [92]

Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.

Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als ’t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.

Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.

De jongen ging weer naar ’t land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.

De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.

Zoodra een paar van hen zich aan ’t strand vertoonden, zeiden de andere vogels: “Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!” “Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in ’t daglicht wonen, zooals alle anderen,” zeide een bruine wijfjesgraseend.

“Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoorlijk uitzien met zoo’n neus als zij hebben,” zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.

Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.

“Wat is dat voor visch, die je ophaalt?” vroeg een wilde gans.

“Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste [93]visch in de wereld,” zei een meeuw. “Wil je niet eens proeven?” En hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, en wilde er haar van geven.

“O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!” zei de wilde gans.

Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar hij in ’t geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er ook heel blij mee, toen die af was.

Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem of hij den witten ganzerik ook gezien had. “Neen, hij is niet bij mij geweest,” zei de jongen.

“Hij was een oogenblik geleden nog bij ons,” zei Akka, “maar nu weten we niet, waar hij is.”

De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik was zeker alleen maar in den mist verdwaald.

Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde vogelgewemel—maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, maar hij vond geen spoor van den ganzerik.

Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder kon missen.

Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in ’t hoofd gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De jongen sloeg in zijn [94]blijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.

Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.

De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan ’t strand, dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.

Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, dat hij niet wist wat te beginnen.

Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.

Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, dat ze beter zou worden, voor hij van ’t eiland weg zou gaan, maar ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.

Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden dag zou terugkomen. [95]

De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar!—Maar toen hij het jonge gansje van dichtbij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.

Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.

“Je hoeft niet bang voor me te wezen,” zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. “Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik,” ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.

Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: “Ik ben heel blij, dat je hier gekomen bent om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij.”

Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. “Dat kan geen gans wezen,” dacht hij. “Dat is zeker een betooverde prinses.”

Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. ’t Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in ’t gelid.

“Pas nu op,” zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor ’t eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.

Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten. [96]Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. ’t Was maar ’t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.

Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. ’t Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals ’t kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.

Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.

“Donsje, Donsje, waar ben je?” riep de ganzerik.

“De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen,” dacht de jongen. Maar op ’t zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: “Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen.” En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in ’t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was. [97]

[Inhoud]

X.

De groote vlinder.

De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.

Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond had gehoord.

Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was ’t zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.

De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig, maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn gezicht. ’t Was alsof dat lichaam en dat gezicht in ’t geheel niet bij elkaar pasten.

Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, alsof hij dacht: “Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te laten praten.”

“Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik,” zei de oude herder. “Ik heb bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooter [98]waren, dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon te trekken.

Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. ’t Duurde niet lang, of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.

Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als steen. Je weet wel, dat we steenen aan ’t strand gevonden hebben, die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof, dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee lag. Geloof je dat ook niet?”

Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei: “Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt.”

“Let nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen, is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt, merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar ’t zuiden zie je ’t achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in een scherpe punt eindigt.”

Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,—wat gespannen, om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde door te gaan.

“Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel op schieten, maar ’t was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.

Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret1, [99]dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien, omdat de aardlaag zoo dun is.

Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt, vandaan gekomen is.”

“Ja dat is het juist,” zei de andere, die rustig door bleef eten, “dat zou ik wel willen weten.”

“Je moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft: wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.

Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren, en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar armoedige schuren, waar wij—herders—inkruipen. Maar daar beneden op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën, en groepen visschershutten en een heele stad.”

Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte zijn broodzakje dicht.

“Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles,” zei hij.

“Ja, dàt is ’t maar, wat ik weten wou,” zei de herder, en hij sprak zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken naar alles, wat er niet is. “Ik zou alleen dit willen weten: of de boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen, of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de reizigers, die rond wandelen in de ruïne van ’t kasteel op Borgholm, of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten, of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens zitten schilderen,—ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt, dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen met groote, glanzende vleugels.”

“O ja,” zei de jonge herder plotseling, “dat moet wel iemand van hen begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden, en die heeft uitgezien over ’t Kalmar [100]Sond. Hij heeft wel gemerkt, dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere.”

“Ik zou hun willen vragen,” ging de oude voort, “of niet een van hen heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen, als een vlinder, onder de vlinders.”

“’t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt,” zei de jonge man, “want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het uit de zee wou opkomen en wegvliegen.”

Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had gebracht, luisterde hij niet lang naar hem.

“Ik zou willen weten,” zei hij nog zachter, “of iemand kan verklaren, waarom er zoo’n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt, dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt.” [101]


1 Een groote zandvlakte op Öland.

[Inhoud]

XI.

Het kleine Karelseiland.

De storm.

De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke zuidenwind over ’t Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, en slingerde ze voort naar den kant van de zee.

’t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met den wind meê draaien.

Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, alsof ze wedijverden, wie ’t hoogste kon komen en het woedendste schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze spanden [102]zich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven—hoog op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal—en hadden evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen afgunstig: “Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen.”

Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka riep telkens: “Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!”

Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep de een na de ander in, en zelfs Akka was op ’t punt in te slapen, toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop van een golf.

“Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!” riep Akka met luide, schelle stem, en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. ’t Was op het laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen was, waren de zeehonden zóó dichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.

Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze zagen geen land—enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.

Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste verwoestingen aan onder de massa’s vogels, die in dien tijd van het jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, dat ze in zee zonken en verdronken.

Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi van de zeehonden.

Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan bonsden, en ze vreesde daartusschen [103]verpletterd te worden. Een paar maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.

Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.

’t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou ’t toch gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.

De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. ’t Roepen van trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu men niet meer kon zien wie ’t waren, die zoo riepen, klonk het akelig en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. ’t Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.

Het gevaar.

De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan, en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd moesten worden.

Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen de ganzen in, en ’t volgend oogenblik waren zij in veiligheid.

Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, wat er van haar was geworden.

Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksi [104]van den troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.

Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo’n prachtig nachtverblijf hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten in ’t oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.

“Dat zijn oogen!” riep Akka. “Er zijn groote dieren hier binnen!”

Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in ’t donker kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: “Daar hoef jelui niet voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den wand van de grot liggen!”

Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te gemoet. “Wees welkom in deze wildernis!” zeiden ze.

Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.

Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij in hun grot waren gekomen.

“’t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,” zei Akka. “Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht mochten blijven.”

Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapen met woorden antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen en wonderlijk waren, maar deze schenen er in ’t geheel geen begrip van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende stem:

“Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen zooals vroeger.”

“U behoeft u daarover niet te bekommeren,” zei Akka. “Als u wist, wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen.” [105]

Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. “Ik geloof, dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben.”

Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te goed te doen. “Wij hebben van ’t jaar veel sneeuw gehad hier op het eiland,” zeide ze. “De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven.”

De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.

“Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te zeggen, dat het hier onveilig is,” zei hij. “Wij kunnen hier in dezen tijd geen gasten voor den nacht ontvangen.”

Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. “Wij zullen heengaan, wanneer u dat verlangt,” zeide zij. “Maar wilt u ons niet eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, waar wij zijn.”

“Dit is het kleine Karelseiland,” zei de hamel. “Dat ligt voorbij Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels.”

“Hoort u misschien tot de wilde schapen?” vroeg Akka.

“Dat scheelt niet veel,” antwoordde de hamel. “We hebben niets met menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, als het ’s winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren en sloten, maar houden ons in grotten als deze op.”

“Blijft u hier ook ’s winters?” vroeg Akka verwonderd.

“Ja, dat doen we,” antwoordde de hamel. “We hebben genoeg te grazen hier op den berg het heele jaar.” [106]

“Mij dunkt, het schijnt, dat u ’t beter hebben moest dan andere schapen,” zeide Akka. “Maar wat is er u dan voor een ongeluk overkomen?”

“’t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland.”

“O zoo! durven de vossen dan ook u aan?”

“O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,” zei de hamel, en schudde zijn horens. “Maar ze sluipen op ons toe in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren kudden, even groot als de mijne.”

“’t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn,” zei nu de oude schapemoeder. “We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer we tamme schapen waren.”

“Denkt u, dat ze hier van nacht komen,” vroeg Akka.

“We kunnen niet anders verwachten,” antwoordde de oude. “Ze waren hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere plaatsen gedaan.”

“Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,” zei Akka.

“Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op ’t kleine Karelseiland,” zei de schapemoeder.

Akka stond daar heel besluiteloos. ’t Was niet prettig er nu weer op uit te gaan in den storm. En ’t was ook niet goed in een huis te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.

“Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo dikwijls hebt gedaan,” zei ze.

“Ja,” zei de jongen; dat wilde hij wel.

“’t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen,” zei de wilde gans, “maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?”

De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te zullen blijven.

Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.

Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven te spelen. De jongen ging naar den ingang om uit [107]te kijken. De grot lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.

Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in ’t eerst heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar groote reuzen, of andere steenen monsters,—of misschien waren het wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, en andere in ’t geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets wonderlijks gezien.

De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij weer kalm, en was in ’t geheel niet bang meer. Toen viel ’t hem in, dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.

“Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te maken!” zei de jongen.

Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot, bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.

“Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen,” zei de een.

“Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren.”

“Ga jij er maar gerust op af,” zei de ander. “Ons kunnen ze ten minste niets doen.”

Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in ’t rond.

“Wien zullen we vanavond nemen?” fluisterde de vos, die vooraan liep.

Vanavond zullen we den grooten hamel nemen,” zei de laatste. “Dan gaat het later gemakkelijk met de andere.”

De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze voortslopen.

“Stoot nu recht vooruit,” fluisterde hij. De hamel stootte toe, [108]en de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van de grot.

“Stoot nu links,” zei de jongen, en wendde den grooten kop van den hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had al gemaakt, dat hij wegkwam.

“Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht,” zei de jongen.

“Ja, dat denk ik ook,” zei de groote hamel. “Ga nu op mijn rug liggen, en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je ’t goed en warm krijgt na al dien wind, waarin je geloopen hebt.”

Het helsche hol.

Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige rots. ’t Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende gewassen, waar schapen veel van houden.

Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de heele zee, die nu blauwend in ’t zonlicht haar glanzende golven voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in schuim. Vlak in ’t oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, en in ’t zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie als ’t kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.

“’t Lijkt hier wel het beloofde land,” zei de jongen. “Jelui schapen woont hier maar mooi.”

“Ja, wel is ’t hier mooi,” zei de groote hamel. Het was, alsof hij er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.

“Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die spleten hier in den berg,” ging hij een poos later voort. En [109]die waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette “’t helsche hol”. Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.

“Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan,” zei de groote hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling had, met wat hij zei.

Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij van dichtbij die reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.

Hoewel ’t heel mooi was aan ’t strand, wou de jongen toch liever boven op den berg wezen. ’t Was akelig daar beneden, omdat er overal doode schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. ’t Was hartverscheurend te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.

De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid te kijken.

Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij daar gekomen was, bleef hij staan.

“Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,” zei hij, “dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende straf hadden gekregen.”

“De vossen moeten toch ook leven,” zei de jongen.

“Ja,” zei de groote hamel, “zij, die niet meer dieren verscheuren, dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die vossen hier zijn misdadigers.”

“De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,” meende de jongen.

“Zij zijn hier al dikwijls geweest,” antwoordde de hamel, “maar dan verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet konden schieten.”

“Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen krijgen,” zei de jongen.

“Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken,” antwoordde de groote hamel.

Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij de [110]wilde ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, en had ze zoo graag willen helpen.

“Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over die zaak,” dacht hij. “Misschien kunnen ze mij bijstaan met een goeden raad.”

Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep over de bergvlakte naar het helsche hol.

Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, alsof hij gebroken was.

Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.

Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik niets van hen merkte.

Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.

Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een vos moeite heeft ze in te halen. [111]

De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en schreeuwde tegen de vossen: “Jelui hebt je te dik gegeten aan schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!”

Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.

De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.

De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei: “Nu kun je wel stilstaan, ganzerik.”

Op ’t zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was niets meer te zien.

Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van ’t groote Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: “De vossen op het kleine Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien.”

En dat deed de wachter ook. [112]

[Inhoud]

XII.

Twee steden.

De stad op den bodem der zee.

Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de ganzen gaan liggen.

’t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, dat het de avond vóór Paschen was.

“Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots,” dacht hij, en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.

Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch wel gezien hebben. ’t Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, dat ook maar ’t kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.

Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog niet voorbij de maan, maar ’t scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de maanschijf geteekend was. ’t Lichaam was klein, de hals lang en smal, de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, dat het een ooievaar moest wezen. [113]

Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.

“Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik,” zei hij. “Hoe komt het, dat u midden in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt u Moeder Akka spreken?”

“Het is van nacht te licht om te slapen,” antwoordde Mijnheer Ermerik. “Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar ’t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar ’t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren.”

De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, en wat rond te rijden in den mooien nacht.

Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.

Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.

De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den jongen toch iets van het binnenland te zien.

Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.

“Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen,” zei hij tegen Duimelot, “terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je me niet weer terug kunt vinden.”

De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, dat hij ’t niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar het wegschopte.

Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkere [114]muur met een groote poort, waar een hooge toren op stond.

Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de groote poort in den muur open.

De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, wat daar achter lag.

“Ik moet toch zien, wat dat wezen kan,” dacht hij, en ging de poort door.

Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op den jongen, die hen snel voorbij liep.

Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen liepen lange smalle straten.

Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.

De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.

De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.

Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.

Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou kunnen vertoonen.

Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas, en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer. [115]

Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel van vreeselijke haast.

“Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer zien!” zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo gauw hij kon, straat in, straat uit.

De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders was een lange touwbaan.

Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.

Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.

De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.

Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal heerschte drukte en leven.

Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie gevels met de meest verschillende versieringen.

De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste gezien te hebben, en begon daarom langzamer te [116]loopen. De straat, die hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank uitspreidde.

Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, en begon hem te wenken.

De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk zijden damast uit, als om hem te lokken.

De jongen schudde het hoofd.

“Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan koopen,” dacht hij.

Maar nu hadden ze hem in ’t oog gekregen in alle winkels in de heele straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.

Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, en dat ze hem met rust moesten laten.

Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen stapel prachtige waren naar hem toe.

“Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil verkoopen?” dacht de jongen verwonderd.

De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde met een paar groote, zware zilveren bekers.

Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.

Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen de handen vol gouden en zilveren sieraden, [117]en boden hem die aan. En allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één enkele kleine penning was.

Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, dat hij zoo pas aan het strand had gezien.

Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken, dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!

De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in ’t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.

Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel aanstooten om zich te doen opmerken.

“Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik,” zei Mijnheer Ermerik.

“Ach, Mijnheer Ermerik!” zei de jongen. “Wat was dat voor een stad, die hier zoo pas stond?”

“Heb je een stad gezien?” zei de ooievaar. “Je hebt geslapen en gedroomd, zooals ik zei.”

“Neen, ik heb niet gedroomd,” zei Duimelot, en hij vertelde den ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: “Ik voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op ’t strand in slaap gevallen bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde één uur lang.” [118]

“Ja, dat moet het wezen,” zei Duimelot, “want dat heb ik gezien.”

“Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en sterven als alle andere menschen.”

“Och, mijnheer Ermerik,” zei de jongen, “nu begrijp ik, waarom u mij is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!”

Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te zeggen, wie er ’t meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.

De levende stad.

Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.

Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. ’t Veld was geruit, precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.

De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van Duimelot. Hij was nu al twee dagen lang zichzelf niet geweest, en had geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad dacht, die zich op zoo’n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie gebouwen en statige menschen.

Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.

Juist toen de jongen ’t ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij den troep teruggekeerd. Ze was van den kant van [119]Gothland teruggekomen, en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:

“Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen.”

Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar ’t land beneden zich te kijken, waar hij heen vloog.

Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold, alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk geworden was als brooddeeg—dat was het niet. Toen ze langs de kust vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig uit in zee.

Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. ’t Was zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.

’t Waren niet alleen de kinderen, die speelden, maar ook de volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna bereikten. ’t Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.

Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen wapperden. En ze [120]zongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze kon hooren.

De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te denken aan spel en zang.

Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, maar een stad, die aan ’t strand lag.

De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in den Paaschnacht had gezien.

Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere uit de zee, en er toch ook niet op leek. ’t Was ’t zelfde verschil, alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.

Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.

Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor ’t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt, en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.

De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zich [121]eens hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, vol van allerlei werk.

Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij niets goeds in het tegenwoordige kon zien.

De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door te brengen.

Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had kunnen redden.

Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was ’t maar beter, dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.

“’t Was ’t beste, dat ’t ging zooals het ging,” dacht hij. “Al had ik de macht de stad te redden,—ik geloof niet, dat ik het doen zou.”

Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.

En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te zijn—dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een prachtig Vineta op den bodem der zee. [122]

[Inhoud]

XIII.

Hoe Smaland geschapen werd.

De wilde ganzen hadden een goede reis over de zee gehad, en waren in het district Tjust in Noord Smaland neergestreken. Dat district scheen niet te kunnen besluiten, of het land of zee wilde zijn. Overal gingen de zeeboezems diep het land in, en sneden het in eilanden en schiereilanden, in landtongen en landengten. De zee was zóó indringerig, dat rotsen en heuvels het eenige was, wat zich kon staande houden. Al het lage land was onder den waterspiegel verborgen.

Het was avond, toen de wilde ganzen aankwamen van over zee, en het heuvelachtige land lag mooi tusschen de glanzende inhammen. Hier en daar op de eilanden zag de jongen hokjes en hutjes, en hoe verder hij ’t land inkwam, hoe grooter en beter de woningen werden. Eindelijk werden het groote, witte heerenhuizen. Aan den kant van het strand stond gewoonlijk een kring van boomen, daar binnen lagen de akkers, en op de toppen van de heuvels verschenen de boomen weer. Hij kon niet laten aan Blekinge te denken. Dit was ook een plaats, waar land en zee elkaar op zoo’n mooie, stille manier ontmoetten, en als ’t ware elkaar ’t mooiste en beste trachtten te vertoonen, wat zij bezaten.

De wilde ganzen streken neer op een kaal eilandje, diep in de ganzenbaai. Bij den eersten oogopslag naar ’t strand, merkten zij, dat de lente groote vorderingen had gemaakt, in den tijd, dat zij op de eilanden waren geweest. De groote, prachtige boomen waren nog niet in blad, maar ’t veld beneden was bont gekleurd door witte en blauwe anemonen.

Toen de ganzen ’t bloemenveld zagen werden ze bang, dat ze te lang in het Zuiden waren gebleven. Akka zei dadelijk, dat er geen tijd was om een van de rustplaatsen in Smaland op te zoeken. Al den volgenden morgen moesten ze doortrekken naar het Noorden, over Oostgothland. [123]

De jongen zou dus niets van Smaland te zien krijgen, en dat speet hem toch wel wat. Hij had over geen ander landschap zooveel hooren spreken, als over Smaland, en hij had verlangd het met eigen oogen te zien.

Den vorigen zomer, toen hij als ganzenjongen bij een boer in de nabijheid van Jordberga diende, had hij bijna elken dag een paar arme kinderen uit Smaland ontmoet, die ook ganzen hoedden. Die kinderen hadden hem vreeselijk met hun Smaland geplaagd.

Maar eigenlijk was het niet mooi om te zeggen, dat Asa, het ganzenhoedstertje, hem had geplaagd. Zij was daar veel te verstandig voor. Maar wie hem plagerige antwoorden kon geven, dat was Mads, haar broertje.

“Heb je gehoord, Niels, hoe het toeging toen Smaland en Skaane geschapen werden,” vroeg hij, en toen Niels Holgersson: “Neen,” zei, begon hij dadelijk het oude, grappige verhaal te doen: “’t Was in den tijd, dat onze lieve Heer bezig was de wereld te scheppen. Terwijl Hij daar druk meê bezig was, kwam de heilige Petrus voorbij. Hij bleef staan, en keek er naar, en toen vroeg hij, of het een moeilijk werk was.

“Och ja, dat is zoo gemakkelijk niet,” antwoordde onze lieve Heer.

Petrus bleef nog een oogenblik staan, en toen hij merkte, hoe gemakkelijk het ging, het eene land na het andere uit te spreiden, kreeg hij lust het ook eens te probeeren.

“Misschien hebt U wat rust noodig,” zei Petrus, “zoodat ik intusschen het werk kan overnemen.” Maar dat wilde onze lieve Heer niet hebben.

“Ik weet niet, of je de kunst zoo goed verstaat, dat ik ’t je kan toevertrouwen voort te gaan, waar ik ophoud,” antwoordde Hij.

Toen werd Petrus boos, en zei, dat hij meende even mooie landen te kunnen scheppen als onze lieve Heer zelf.

’t Was nu zoo, dat onze lieve Heer juist op dat oogenblik bezig was Smaland te scheppen. ’t Was nog niet half klaar, maar ’t zag er uit, alsof het een onbeschrijfelijk mooi en vruchtbaar land worden zou. Onze lieve Heer kon Petrus niet best iets weigeren, en behalve dat, dacht Hij zeker, dat wat zoo mooi begonnen was, niet door een ander bedorven zou kunnen worden. Daarom zei Hij:

“Als je ’t met me eens bent, zullen we eens probeeren wie van ons beiden dit soort werk het best verstaat. Jij, die nog maar een beginner bent, moet dit werk voortzetten, wat ik begonnen ben, en ik zal een nieuw land scheppen.”

Daar ging Petrus dadelijk op in, en toen begonnen zij te werken, ieder aan een kant.

Onze lieve Heer trok een eind naar het Zuiden, en daar begon Hij Skaane te scheppen. ’t Duurde niet lang, tot Hij klaar was, [124]en dadelijk vroeg Hij, of Petrus zijn werk al af had, en of hij niet wou komen kijken naar ’t werk van onzen lieven Heer.

“Ik heb ’t mijne al lang in orde,” zei Petrus, en men kon aan zijn stem hooren, hoe blij hij was met wat hij had klaar gekregen.

Toen de Heilige Petrus Skaane zag, moest hij bekennen, dat er van dat land niets dan goeds was te zeggen. ’t Was een vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen zag, en nauwelijks een zweem van bergen. ’t Scheen, dat onze lieve Heer er het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het er goed zouden hebben.

“Ja, dit is een mooi land,” zei de Heilige Petrus, “maar ik geloof toch, dat het mijne beter is.”

“Laat ons er eens naar gaan kijken,” zei onze lieve Heer.

’t Land was al klaar geweest in ’t noorden en in ’t oosten, toen Petrus was begonnen te werken, maar het zuidelijk en westelijk gedeelte en ’t geheele binnenland had hij alleen moeten scheppen. Toen nu onze lieve Heer daar kwam, waar Petrus had gewerkt, schrikte Hij zóó, dat Hij bleef staan, en zei: “Wat ter wereld heb je toch met dit land uitgevoerd, Heilige Petrus?”

Petrus stond ook heel verbaasd rond te kijken. Hij had gemeend, dat niets voor een land zoo best was, als veel warmte. Daarom had hij een ontzettende massa steenen en bergen bij elkaar gehaald en een hoog land gemaakt; en dat had hij gedaan, omdat het dicht bij de zon zou komen, en veel zonnewarmte krijgen. Boven op de steenen had hij een dun laagje vruchtbare aarde gelegd, en toen had hij gedacht, dat alles goed in orde was.

Maar nu waren er een paar hevige regenbuien gekomen, terwijl hij in Skaane was, en meer was er niet noodig, om aan te toonen, hoe weinig zijn werk deugde. Toen onze lieve Heer het land kwam bekijken, was alle aarde weggespoeld, en de kale rotsgrond stak overal door. Op de beste plaatsen waren de steenen met klei en zwaar grint bedekt, maar dat zag er zoo mager uit, dat het gemakkelijk te begrijpen was, dat er nauwelijks iets anders dan dennen, mos en heikruid kon groeien. Wat er in overvloed was—dat was water. Dat had alle kloven in den berg gevuld, en meren, stroomen en beken zag men overal, om niet te spreken van moerassen en plassen, die zich over groote stukken land uitstrekten. En het ergerlijkste was, dat terwijl sommige streken meer dan genoeg water hadden, er op andere plaatsen zoo’n gebrek aan was, dat er groote velden droge hei waren, waar zand en aarde in wolken opstoven bij den minsten wind.

“Wat kan toch je bedoeling zijn geweest met zoo’n land te scheppen!” zei onze lieve Heer; en de Heilige Petrus verontschuldigde zich, en zei, dat hij het land zoo hoog had willen maken, dat het veel van de zonnewarmte zou krijgen. [125]

“Maar dan krijgt het immers ook veel van de nachtkou,” zei onze lieve Heer, “want die komt ook van den hemel, evengoed. Ik ben bang, dat het beetje, wat hier groeien kan, nog bevriest.”

Daar had de heilige Petrus natuurlijk niet aan gedacht.

“Ja hier wordt het mager en koud land,” zei onze lieve Heer, “daar is niets aan te doen.”

Toen kleine Mads zoover gekomen was met zijn verhaal, viel Asa, het ganzenhoedstertje hem in de rede.

“Ik kan ’t niet best aanhooren, Mads, dat je zegt, dat het hier in Smaland zoo akelig is,” zei ze. “Je vergeet heelemaal hoeveel goede grond er toch is. Denk maar aan Möre daar bij ’t Halmar Sund. Ik zou wel eens willen weten, waar je rijker korenvelden vinden kunt. Daar ligt akker aan akker, precies als hier in Skaane. Dat is zulke goede grond, dat ik niet weet, wat hier niet zou kunnen groeien.”

“Dat kan ik niet helpen,” zei kleine Mads. “Ik vertel maar na, wat anderen eerst hebben gezegd.”

“En ik heb veel menschen hooren zeggen, dat er geen mooier kustland is dan Tjust. Denk aan de baaien en de eilanden, aan de heerenhoeven en de bosschen,” zei Asa.

“Ja, dat is wel waar,” gaf kleine Mads toe.

“En herinner je je niet,” ging Asa voort, “dat de schooljuffrouw zei, dat zoo’n levendige en mooie streek, als ’t stukje van Smaland, dat ten zuiden van ’t Wettermeer ligt, in heel Zweden niet te vinden is? Denk eens aan ’t mooie meer, en de gele heuvel aan het strand, en aan Grenna en Jönköping met de lucifersfabriek en ’t Munkmeer, en denk aan Huskvarna en alle groote inrichtingen daar.”

“Ja, dat is wel waar,” zei kleine Mads weer.

“En denk aan Visingö, Mads, met de ruïnen, en ’t eikenbosch, en alle sagen. Denk aan het dal, waar de Em-beek uitkomt, met alle steden en molens en houtfabrieken, de zagerijen en meubelfabrieken.”

“Ja, dat is alles waar,” zei kleine Mads en zag er heel bekommerd uit.

Maar toen keek hij snel op.

“Nu zijn we toch al heel dom,” zei hij. “Dat allemaal ligt immers in ’t Smaland van onzen lieven Heer, in dat gedeelte van ’t land, dat al klaar was, toen de Heilige Petrus begon te werken. Dat is immers juist in orde, dat het daar mooi en heerlijk is. Maar in ’t Smaland van den Heiligen Petrus ziet het er alles zoo uit, als ’t in ’t verhaal staat. En het is geen wonder, dat onze lieve Heer bedroefd werd, toen hij dat zag,” ging de kleine Mads voort, en nam den draad van ’t verhaal weer op. “De [126]Heilige Petrus verloor den moed niet, maar probeerde onze lieve Heer te troosten.”

“Trek u dit maar niet zoo erg aan,” zei hij. “Wacht maar, tot ik menschen geschapen heb, die de moerassen kunnen bebouwen en akkers kunnen ontginnen op de rotsen.”

Maar toen was het geduld van onzen lieven Heer eindelijk uit, en Hij zei: “Neen, jij moogt naar Skaane gaan, dat ik tot een goed en gemakkelijk te bewerken land heb gemaakt en den Skaaning scheppen, maar den Smalander wil ik zelf scheppen.”

En toen schiep onze lieve Heer den Smalander, en maakte hem vlug en met weinig tevreden, opgewekt en vlijtig, ondernemend en flink, opdat hij zou kunnen leven in zijn armoedig land.” Toen zweeg de kleine Mads, en als nu Niels ook maar had gezwegen, was alles goed gegaan, maar hij kon niet laten te vragen, hoe het den Heiligen Petrus was gegaan, toen hij den Skaaning scheppen ging.

“Ja, wat vindt je zelf?” zei kleine Mads en keek zóó verachtelijk, dat Niels Holgersson op hem aanvloog om hem te slaan. Maar Mads was nog een klein ventje, en Asa, ’t ganzenhoedstertje, die een jaar ouder was, sprong dadelijk toe om hem te helpen. Hoe goedig ze ook was, ze werd als een leeuw, als iemand haar broertje aanraakte. En Niels Holgersson wou niet met een meisje vechten. Dus keerde hij hun den rug toe, en liep weg, en keek dien heelen dag niet meer naar die Smalandskinderen om. [127]

[Inhoud]

XIV.

De aarden kruik.

In het zuidwesten van Smaland ligt een groote heide, waar enkel heikruid groeit, behalve op één plekje, waar een lage steenige bergrug midden over de hei heenloopt. Daar groeien jeneverbessen, lijsterbessen en enkele groote, mooie berken. In den tijd, toen Niels Holgersson rondreisde met de wilde ganzen, stond daar ook een hutje, met een klein stukje ontgonnen grond er om heen, maar de menschen, die daar eens gewoond hadden, waren om een of andere reden er vandaan gegaan. ’t Hutje stond leeg, en de akker lag daar ongebruikt.

Toen de menschen dat hutje verlieten, hadden zij den sleutel van den haard dichtgedraaid, de haken op de vensters gezet, en de deur gesloten. Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat een ruit in het venster kapot was, en enkel met een lap dichtgestopt. Na de regenbuien van een paar zomers was die lap verrot, en eindelijk was het een kraai gelukt dien weg te pikken.

Die bergvlakte op de heide was namelijk niet zoo eenzaam, als men wel zou meenen, maar werd door een groot kraaienvolk bewoond. Het heele jaar rond woonden de kraaien daar natuurlijk niet. Ze verhuisden in den winter naar het buitenland; in den herfst gingen ze van den eenen akker naar den anderen, heel Gothland door, en aten koren; ’s zomers verspreidden ze zich over de hoeven in Sunnerbo, en leefden van eieren, bessen en jonge vogels; maar iedere lente, als ze nesten moesten bouwen en eieren leggen, kwamen zij naar de heide terug.

De kraai, die den lap uit het venster gepikt had, heette Garm Witteveer, maar hij werd nooit anders dan Haspel genoemd, omdat hij altijd dom en onhandig deed, en nergens goed voor was, dan om uitgelachen te worden. Haspel was grooter en sterker dan een van de andere kraaien; maar het hielp hem niets, hij was en bleef een mikpunt van spotternij. Het baatte ook niet, dat hij [128]van goede familie was. Als alles was gegaan, zooals het behoorde, had hij zelfs aanvoerder van den heelen troep moeten zijn, omdat die waardigheid sinds onheuglijke tijden aan den oudste van de Witteveeren was opgedragen; maar lang vóór Haspel werd geboren, was de heerschappij uit zijn geslacht aan een ander overgegaan en nu in handen van een wreede en wilde kraai, die Windsnel heette.

Die verplaatsing van de macht was gekomen, doordat de kraaien op de kraaienvlakte een ander leven wilden gaan leiden. ’t Kan wel zijn, dat menigeen gelooft, dat alles, wat kraai heet, op dezelfde manier leeft, maar dat is heelemaal onjuist. Er zijn heele kraaienvolken, die een rechtschapen leven leiden, d.w.z., die zich voeden met zaad, wormen, larven en doode dieren, en er zijn andere, die een echt rooverleven leiden, op jonge hazen en kleine vogeltjes aanvliegen, en elk vogelnest, dat zij in het oog krijgen, uitplunderen.

De oude Witteveeren waren streng en matig geweest, en zoo lang zij den troep hadden aangevoerd, hadden zij de kraaien gedwongen zich zoo te gedragen, dat andere vogels geen kwaad van hen zeggen konden; maar de kraaien waren talrijk, en er heerschte veel armoede onder hen. Ze konden het op den duur niet uithouden zoo’n sober leven te leiden, zij maakten oproer tegen de Witteveeren, en gaven de macht aan Windsnel, die de ergste nestenplunderaar en roover zou zijn, die men bedenken kon, als zijn vrouw, Windkara niet nog erger was geweest. Onder hun bestuur waren de kraaien begonnen zoo te leven, dat zij nu nog meer dan valken en berguilen werden gevreesd.

Haspel had natuurlijk niets in te brengen in de groep. Allen waren het er over eens, dat hij in ’t geheel niet op zijn voorouders leek, en dat hij niet deugde om leider te zijn.

Niemand zou over hem gesproken hebben, als hij niet altijddoor nieuwe domheden had begaan. Enkelen, die heel wijs waren, zeiden nu en dan, dat het misschien een geluk voor Haspel was, dat hij zoo’n onbeholpen stakker was, anders zouden Windsnel en Kara hem niet bij den troep hebben laten blijven, omdat hij tot het oude hoofdmansgeslacht behoorde.

Nu waren ze heel vriendelijk voor hem, en namen hem graag meê op hun jachtpartijen. Dan konden allen merken, hoe veel moediger en flinker zij waren dan hij.

Geen van de kraaien wist, dat het Haspel was, die den lap uit het venster had geplukt, en als ze het gehoord hadden, zouden ze zeker ongeloofelijk verbaasd zijn geweest. Zulk een driestheid: een menschenhuis te naderen, hadden zij niet van hem verwacht. Zelfs verzweeg hij de zaak zorgvuldig en had daar zijn goede redenen voor. Windsnel en Kara behandelden hem altijd goed [129]overdag, en als de anderen er bij waren, maar in een heel donkeren nacht, toen de kameraden al op hun nachtverblijf in de boomen waren, was hij door een paar kraaien aangevallen en bijna vermoord. Na dien tijd, ging hij iederen avond, als het donker geworden was, van zijn gewone slaapplaats naar de leege kamer.

Het gebeurde nu op een middag, toen de kraaien al hun nesten in orde hadden gebracht op het kraaienveld, dat zij een merkwaardige vondst deden. Windsnel, Haspel en een paar anderen waren in een grooten kuil neergeslagen in den éénen hoek van de heide. Die kuil was niet anders dan een verzakt dak van grint; maar de kraaien konden zich niet met zulk een eenvoudige verklaring tevreden stellen, maar vlogen er telkens weer in, en keerden elk zandkorreltje om, om er achter te komen, waarom de menschen den kuil gegraven hadden. Juist toen de kraaien daar liepen, stortte een massa grint van een kant naar beneden.

Ze vlogen er snel op af, en hadden het geluk onder neergevallen steenen en grastoefjes een vrij grooten aarden pot te vinden, die met een houten deksel afgesloten was. Ze wilden natuurlijk weten, of er asch in was, en probeerden een gat in den pot te pikken en het deksel los te maken, maar geen van beide gelukte hun.

Ze stonden radeloos bij elkaar, en bekeken den pot, toen ze iemand hoorden zeggen: “Zal ik jelui helpen, kraaien?” Ze keken haastig op. Aan den kant van den kuil zat een vos, en keek op hen neer. Hij was een van de mooiste vossen, zoowel wat zijn kleur als figuur betreft, dien ze ooit gezien hadden. Zijn eenigste fout was, dat hij maar één oor had.

“Als je lust hebt ons een dienst te bewijzen,” zei Windsnel, “zullen we geen “neen” zeggen.” Op ’t zelfde oogenblik vlogen hij en de anderen op uit den kuil. De vos sprong er in, op hun plaats, beet in den pot, en trok aan het deksel, maar hij kon het ook niet open krijgen.

“Kun jij er achter komen, wat daarin zit?” vroeg Windsnel.

De vos rolde den pot heen en weer, en luisterde opmerkzaam. “Dat kan niet anders dan zilvergeld zijn,” zei hij.

Dat was meer, dan de kraaien verwacht hadden. “Denk je, dat het zilver kan zijn?” zeiden ze, en de oogen rolden hun bijna uit het hoofd van begeerigheid, want, hoe vreemd het ook klinken moge—er is niets in de wereld, waar de kraaien zóó veel van houden, als van zilvergeld.

“Hoor ze eens rammelen!” zei de vos, en rolde den pot nog eens rond. “Ik kan alleen niet begrijpen, hoe we er bij kunnen komen.”

“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn,” zeiden de kraaien.

De vos stond met zijn kop tegen zijn linkerpoot te wrijven, en [130]dacht na. Misschien zou hij nu met behulp van de kraaien dien dwerg te pakken kunnen krijgen, die hem altijd ontsnapte.

“Ik weet wel iemand, die den pot voor jelui zou kunnen openmaken,” zei de vos.

“Wie dan? Wie dan?” riepen de kraaien, en kwamen zóó in vuur, dat ze in den kuil vlogen.

“Dat zal ik jelui zeggen, maar je moet eerst beloven mijn voorwaarden aan te nemen,” zei hij.

Toen vertelde de vos van Duimelot, en zei aan de kraaien dat, als ze hem naar de hei konden brengen, hij den pot wel voor hen zou openmaken. Maar als loon voor dien raad vroeg hij, dat zij Duimelot aan hem zouden uitleveren, zoodra hij hun het zilvergeld had bezorgd.

De kraaien hadden geen reden Duimelot te sparen; zij gingen dadelijk op dit voorstel in.

Dit alles was nu gemakkelijk afgesproken, maar ’t was moeilijker uit te vinden, waar Duimelot en de wilde ganzen waren.

Windsnel vloog zelf weg met vijftig kraaien, en zei, dat hij gauw terug wezen zou. Maar de eene dag na den anderen ging voorbij, zonder dat de kraaien op ’t kraaienveld een glimp van hen te zien kregen.

De roof.

De wilde ganzen waren wakker bij ’t eerste krieken van den dag, om te probeeren wat eten te krijgen, eer zij de reis naar Oostgothland begonnen. Het eilandje in den ganzenplas, waar zij geslapen hadden, was klein en kaal, maar in het water, overal in het rond, waren planten, waaraan zij hun genoegen konden eten. Voor den jongen was het erger. Hij kon niets eetbaars vinden.

Toen hij, hongerig en huiverig door de morgenlucht, naar alle kanten stond rond te kijken, vielen zijn oogen op een paar eekhoorns, die op een met boomen begroeide landtong vlak voor het eiland speelden. Hij wilde weten, of de eekhoorntjes nog iets van hun wintervoorraad over hadden, en hij vroeg den witten ganzerik hem even naar de landtong over te brengen, zoodat hij hun om een paar hazelnoten kon vragen.

De groote witte gans zwom vlug met hem over ’t water, maar het ongeluk wilde, dat de eekhoorns zóó’n pleizier hadden met elkaar van boom tot boom te jagen, dat zij geen lust hadden naar den jongen te luisteren. Ze trokken zich verder in ’t bosch terug. Hij liep hen hard achterna, en de ganzerik, die aan ’t strand bleef liggen, verloor hem al gauw uit het oog. [131]

De jongen liep met moeite voort door een hoog bosje anemonen, dat hem bijna tot de kin reikte, toen hij voelde, dat iemand hem van achteren aangreep, en probeerde hem op te lichten. Hij keek om, en zag, dat een kraai hem bij zijn hemdkraag vast had. Hij probeerde zich los te rukken, maar vóór dit hem gelukt was, kwam gauw nog een kraai, pakte hem bij zijn eene kous, en gooide hem op den grond.

Als Niels Holgersson maar gauw om hulp geroepen had, zou de witte ganzerik hem stellig hebben kunnen bevrijden, maar de jongen meende zeker, dat hij zich alleen wel tegenover een paar kraaien kon redden. Hij schopte en sloeg, maar de kraaien lieten niet los, en het gelukte hun met hem op te vliegen. Daarbij gingen ze zoo onvoorzichtig te werk, dat zijn hoofd tegen een tak sloeg. Hij kreeg een harden slag op de hersens, het werd donker voor zijn oogen, en hij werd bewusteloos.

Toen hij weer bijkwam, was hij hoog boven in de lucht. Langzaam werd hij weer helder. In het begin wist hij niet, waar hij was, en wat hij zag. Als hij naar beneden keek, was ’t hem, alsof onder hem een reuzengroote, wollige mat lag, doorweven met groen en bruin in groote onregelmatige figuren. Die mat was heel dik en prachtig, maar hij vond, dat het zonde was, dat ze zoo verwaarloosd was. Zij was heelemaal kapot; er liepen groote scheuren door, en hier en daar waren er heele stukken uitgescheurd. En ’t wonderlijkste was, dat ze scheen te liggen op een spiegelvloer, want door de gaten en scheuren heen scheen helder glimmend glas.

Wat de jongen daarna zag, was, dat de zon opkwam aan den hemel. Dadelijk begon het spiegelglas onder de gaten en spleten in de mat te glanzen in rood en goud. Dat stond prachtig, en de jongen genoot van de mooie kleurschakeeringen, hoewel hij niet recht wist, wat hij zag. Maar nu daalden de kraaien neer, en op eens merkte hij, dat de groote mat onder hem de aarde was, bekleed met groene dennenbosschen en bruin, kaal loofhout, en dat de scheuren en gaten de blanke plassen en meertjes waren.

Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij voor ’t eerst hoog in de lucht geweest was, had gevonden, dat de aarde in Skaane er uit zag als een geruit stuk goed. Maar dit land, dat op een gescheurde mat leek, wat zou dat zijn?

Allerlei vragen kwamen in hem op. Waarom zat hij niet op den rug van den witten ganzerik? Waarom vloog er een zwerm kraaien om hem heen? En waarom werd hij heen en weer gerukt en geslingerd, zoodat hij bijna kapot ging.

Op eens werd hem dit alles duidelijk. Hij was weggeroofd door een paar kraaien. De witte ganzerik lag aan het strand op hem te wachten, en de wilde ganzen zouden vandaag naar Oost-Gothland [132]op reis gaan. Zelfs werd hij naar het zuidwesten meêgenomen; dat begreep hij, doordat hij de zon achter zich had.

“Hoe zal het nu met den witten ganzerik gaan, als ik niet op hem passen kan?” dacht de jongen, en hij begon de kraaien toe te roepen, dat ze hem dadelijk naar de ganzen terug moesten brengen. Hij was heelemaal niet bezorgd over zichzelf. Hij meende, dat ze hem bij vergissing meênamen.

De kraaien stoorden zich geen zier aan zijn geroep, maar vlogen voort, zoo hard ze konden. Een poos later sloeg een van hen met de vleugels op een manier, die beteekent: “Pas op, er is gevaar!” Dadelijk daarna doken ze neer in een dennenbosch, drongen door de reusachtige takken heel tot op den grond in het woud, en zetten den jongen neer onder een grooten tak, waar hij zoo goed verborgen was, dat zelfs geen valk hem in het oog had kunnen krijgen.

Vijftig kraaien gingen om den jongen heen staan, met de snavels naar elkaar toe gekeerd, om hem te bewaken.

“Nu kan ik zeker wel gewaarworden, kraaien, waarom jelui me hebt meêgenomen?” Maar hij had nauwelijks uitgesproken, voor een groote kraai hem toesnauwde: “Houd je stil! Anders pik ik je de oogen uit!”

’t Was duidelijk, dat de kraai meende wat hij zei, en de jongen kon alleen gehoorzamen. Toen zat hij daar en keek de kraaien aan, en de kraaien keken hem aan.

Hoe langer hij ze aankeek, hoe minder hij met ze ingenomen werd.

’t Was vreeselijk, zoo stoffig en slecht onderhouden hun vleugels waren, precies alsof ze van geen baden of invetten wisten. Hun teenen en pooten waren vuil van aangedroogde aarde, en ze hadden overblijfselen van eten in de mondhoeken. ’t Waren andere vogels dan wilde ganzen, dàt kon hij wel merken. Hij vond, dat ze er wreed, valsch, uitgeslapen en brutaal uitzagen, als boeven en landloopers.

“’t Is zeker een echte rooverstroep, waar ik tusschen geraakt ben,” dacht hij.

Op ’t zelfde oogenblik hoorde hij den lokroep van de wilde ganzen boven in de lucht: “Waar ben je? Hier ben ik! Waar ben je? Hier ben ik!”

Hij begreep, dat Akka en de anderen waren uitgegaan om hem te zoeken, maar eer hij antwoorden kon, snauwde de groote kraai, die de aanvoerder van de bende scheen, hem in ’t oor: “Denk aan je oogen!” En hij kon niet anders dan zwijgen.

De wilde ganzen wisten zeker niet, dat hij zóó dicht bij hen was, maar vlogen stellig toevallig over dit bosch. Hij hoorde hun roepen nog een paar keer; toen stierf het weg. [133]

“Ja, nu moet je jezelf redden, Niels Holgersson,” zei hij tot zichzelf. “Nu moet je toonen, dat je wat geleerd hebt in die weken, dat je in de wildernis hebt gewoond.”

Een poos later maakten de kraaien aanstalten om op te breken, en toen ze ook nu van plan schenen hem op dezelfde manier meê te nemen, dat de een hem bij den hemdkraag vasthield en de andere bij een kous, zei de jongen: “Is er nu niemand onder jelui kraaien, die zoo sterk is, dat hij mij op den rug kan dragen? Jelui hebt me al zoo slecht behandeld, dat ik een gevoel heb, alsof ik in stukken gebroken ben. Laat me maar rijden. Ik zal niet van den kraaienrug springen, dat beloof ik jelui.”

“Verbeeld je maar niet, dat we er iets om geven hoe je het hebt,” zei de aanvoerder; maar nu kwam de grootste kraai, een slordige, grove, die een witte veer in den vleugel had, naar voren en zei: “’t Zou toch voor ons allemaal beter zijn, Windsnel, als Duimelot in zijn geheel overkwam, dan dat hij stuk ging, en daarom wil ik probeeren hem op mijn rug te dragen.”

“Als je dat kunt, Haspel, heb ik er niets tegen,” zei Windsnel; “maar laat hem niet vallen.”

Hiermeê was al veel gewonnen, en de jongen voelde zich weer recht in zijn schik.

“’t Is niet noodig, dat ik den moed verlies, omdat ik door de kraaien ben meêgenomen,” dacht hij. “Met die stakkers zal ik ’t wel vinden.”

De kraaien vlogen steeds naar het zuidwesten over Smaland. ’t Was een prachtige morgen, zonnig en kalm, en de vogels beneden op de aarde waren ijverig bezig hun liefdesliederen te zingen. In een hoog, donker bosch zat de lijster zelf met hangende vleugels en een dikke keel boven in een dennetop, en sloeg wat hij kon.

“Wat ben je mooi, wat ben je mooi!” zong hij. “Niemand is zoo mooi, niemand is zoo mooi!” En zoodra hij dat liedje uitgezongen had, begon hij opnieuw.

Maar toen werd de jongen juist over ’t bosch gedragen, en toen hij dat liedje een paar keer gehoord had, en begreep, dat de lijster geen ander kende, zette hij de beide handen voor den mond, en riep naar beneden: “Dat hebben we meer gehoord! Dat hebben we meer gehoord!”

“Wie is dat? wie is dat? wie houdt me voor den gek?” vroeg de lijster, en probeerde te zien, wie geroepen had.

“Dat is Kraaienroof, die met je liedje spot,” antwoordde de jongen. De kraaienaanvoerder keerde toen den kop om, en zei: “Pas op je oogen, Duimelot.” Maar de jongen dacht: “Neen, daar geef ik niet om. Ik wil je juist toonen, dat ik niet bang voor je ben.” [134]

Steeds verder vlogen ze het land in, en bosschen en meren waren overal. In een berkenhaag zat een houtduif op een kalen tak, en voor haar stond de doffer. Hij zette zijn veeren op, boog den hals, liet zijn lichaam op en neer gaan, zoodat zijn borstveeren langs den tak ruischten. Soms kirde hij. “Jij, jij, jij bent de mooiste in ’t bosch. Niemand is zoo mooi als jij, jij, jij!”

Maar boven in de lucht vloog de jongen voorbij, en toen hij den doffer hoorde, kon hij zich niet stilhouden. “Geloof hem niet, geloof hem niet,” riep hij. “Wie... wie... wie is dat, die zegt, dat ik jok?” kirde de doffer, en probeerde te zien, wie daar tegen hem schreeuwde.

“Dat is de kraaienvangst! die zegt, dat je jokt!” antwoordde de jongen. Weer keerde Windsnel den kop naar den jongen, en beval hem te zwijgen. Maar Haspel, die hem droeg, zei: “Laat hem toch praten, dan denken de vogeltjes, dat wij, kraaien, aardige, grappige vogels geworden zijn.”

“Zij zijn toch zoo dom niet,” zei Windsnel, maar hij vond dat idee toch wel goed, want van toen af liet hij den jongen roepen, zooveel hij wilde.

Zij vlogen meest over bosschen en boschrijke streken, maar er waren natuurlijk ook kerken en dorpen en hutjes aan den zoom van ’t bosch. Zij zagen een oude, welvarende hoeve. Die lag met het bosch achter zich en ’t meer voor zich, had roode muren en een dak met gebroken lijnen, geweldige ahornboomen om de plaats, en groote kruisbesplanten vol lange takken in den tuin. Boven op den windhaan zat de spreeuw, en zong zoo hard, dat het wijfje, dat in ’t nestje in den pereboom zat te broeden, elken toon kon hooren. “We hebben vier mooie eitjes,” zong de spreeuw. “We hebben vier mooie ronde eitjes. We hebben ’t heele nest vol met prachtige eieren.”

Toen de spreeuw dit liedje voor den duizendsten keer zong, vloog de jongen over de hoeve. Hij zette de handen voor den mond als een pijp, en riep: “De ekster zal ze opeten, de ekster zal ze opeten!”

“Wie is dat, die me bang wil maken?” vroeg de spreeuw, en sloeg onrustig met de vleugels.

“Dat is de kraaienvangst, die je bang maakt,” zei de jongen. En dien keer probeerde de kraaienaanvoerder niet den jongen stil te houden. Integendeel vonden hij en de heele troep het zoo aardig, dat ze krasten van pleizier.

Hoe verder ze het land invlogen, hoe grooter de meren werden, en hoe rijker de streek aan eilanden en landtongen werd. En aan het strand stond de woerd te buigen voor zijn bruidje. “Ik zal je mijn heele leven trouw blijven, ik zal je mijn heele leven trouw blijven,” zei hij. [135]

“Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is,” riep de jongen in ’t voorbijgaan.

“Wie ben jij?” riep de woerd.

“Ik heet, “door de kraaien gestolen”,” schreeuwde de jongen.

Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den jongen wat te geven.

Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik, waar een paar rozebottels aan zaten.

“Dat is voor jou, Windsnel,” zei hij. “Dat is lekker eten, dat goed voor je is.”

Windsnel blies verachtelijk. “Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels eten wil?” zei hij.

“Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou,” zei Haspel mismoedig, en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had.

Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten.

“Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag,” zei een van hen tot den aanvoerder.

“Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt pleizier te doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan, hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar, maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren vond?”

“Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was, toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer pleizier van hen had, dan zij.”

Nu werden ze allemaal zoo opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in de rede vielen:

“Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen,” zei de een. “Ik heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen....”

Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: “’t Kan nu wel prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een zilveren lepel gestolen....” [136]

Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes te luisteren.

“Neen, hoor eens, jelui kraaien,” zei hij, “ik vind, dat jelui je schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben, die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn.”

Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan.

“Neen, neen, neen!” riep hij, en zag er doodverschrikt uit. “Wat meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt, vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?”

“Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!” zei Windsnel, maar hij liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets.

Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen gedacht, dat Smaland niet zoo’n arm land was, als hij wel gedacht had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen, maar langs de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid.

De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras, dat de kraaien aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen: “Je bent zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!”

Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen, alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op. [137]

“Duimelot,” zei Windsnel, “sta nu op! Je moet ons helpen met iets, wat je heel gemakkelijk doen kunt.”

Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond.

“Sta op, Duimelot,” zei hij, “en doe dien pot open.”

“Waarom laat je me toch niet slapen?” zei de jongen. “Ik ben te moe om vanavond nog iets te doen. Wacht tot morgen.”

“Doe dien pot open!” zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig: “Hoe kan ik, arm kind! zoo’n pot openkrijgen. Die is immers even groot als ik zelf.”

“Doe hem open!” beval Windsnel nog eens, “anders zal ’t je niet best gaan!”

De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan het deksel, en liet de armen weer zinken.

“Ik ben toch anders zoo zwak niet,” zei hij. “Als jelui me maar tot morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel klaar zal spelen.”

Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit, trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. “Pas op, jij!” riep hij Windsnel toe.

Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe, zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels, en zonk toen dood neer.

“Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman, vermoord!” riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop ontstond een vervaarlijk rumoer.

Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak! allen sprongen of fladderden op Duimelot af, met Haspel aan ’t hoofd. Maar die gedroeg zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen hem met hun snavel te doorboren.

Nu vond de jongen toch, dat hij ’t erg voor zich had bedorven. Hij kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot.

Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong bij in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen. [138]Daarom boog hij zich neer, en begon de geldstukken er uit te gooien.

Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen, en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide, vergaten ze op eens hun wraakzucht, en begonnen ’t zilver op te rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien, zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg, vloog naar zijn nest om dat op te bergen.

Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen.

“Je hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen, Duimelot,” zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, “en ik wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt.”

Het hutje.

Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was.

“Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?” mompelde hij, nog half dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem daar den vorigen avond had heengebracht.

De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen.

Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze op zij, om de kamer in te kijken.

Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd, maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen, dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De deur was in [139]den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein, dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed, waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur.

De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. ’t Zag er wel uit, alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen, een vetkaars en een bos zwavelstokken.

Ja, ’t zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden, van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in ’t bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen te paard: Kasper, Melchior en Balthasar waren geschilderd. Dezelfde paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort.

Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been bracht. Dat waren een paar oude sneedjes brood, die daar aan een spil hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar ’t was toch brood. Hij gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. ’t Was ongelooflijk hoe lekker dat brood toch altijd smaakte.

Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien, of er niet nog wat bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon.

“Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom geeft,” dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens een paar stukjes lucifer kunnen zijn.

Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer door het venster binnen.

“Ziezoo, hier ben ik nu,” zei Haspel, en streek op de tafel neer. “Ik kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben gekozen, als opvolger van Windsnel.”

“Wie hebben jelui gekozen?” vroeg de jongen.

“Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette,” antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus uitzag. [140]

“Dat was een goede keus,” zei de jongen, en feliciteerde hem.

“Ja, je mag me wel feliciteeren,” zei Garm, en begon den jongen te vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad.

Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem, die hij meende te herkennen.

“Is hij hier?” vroeg Smirre, de vos.

“Ja, hier is hij verstopt,” antwoordde een kraaienstem.

“Pas op, Duimelot!” riep Garm. “Windkara staat buiten met dien vos, die je wil opeten!”

Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf mêe, en Smirre stond een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den vloer, en keek rond naar den jongen.

Die probeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog, gooide hij het op den vos. En toen ’t vuur hem raakte, werd de vos door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit.

Maar het scheen, dat de jongen aan ’t eene gevaar ontsnapt was, door een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was.

“Nu, Duimelot,” riep hij, “wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood je ook te pakken krijgt, is ’t mij goed!”

De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam met vliegende vaart toe. ’t Heele bed brandde al, uit den vloer kwam de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen, en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde, werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in [141]brand vonden, hij had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten!

Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos, op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren, maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog, en riep: “Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!”

Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in ’t westen van Vemmenhög, en hoedde de ganzen, en op het veld naast hem liepen die kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij op het steenen walletje, en riep. “Dag Asa, dag Mads!”

Maar toen de kinderen zoo’n klein dwergje op zich af zagen komen met uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen achteruit, en zagen er doodverschrikt uit.

Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was, overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg—hij wist zelf niet waarheen.

Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij, dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op zijn rug, en vloog met hem weg. [142]

[Inhoud]

XV.

De oude boerin.

Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. “Als een van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede slaapplaats,” zei de een.

“Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een best nachtverblijf zijn,” zei de andere.

“Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van ’t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist gevonden, wat wij zoeken,” zei de derde.

’t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, al naarmate de nacht naderde.

“’t Is toch ongelukkig,” dacht hij, “dat wij in een land zijn gekomen, waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt.”

Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar hij kon binnengaan. En ’t was een donkere, koude avond met wind en stofregen. ’t Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen. [143]

’t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.

Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in ’t geheel niet bewoond te zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: “’t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden.”

Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen kon. ’t Was geen kleine hoeve. Behalve ’t woonhuis, den stal en de schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.

Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan kapotte scharnieren. ’t Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.

Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij, dat een koe begon te loeien.

“Kom je daar eindelijk, Vrouw,” zei de koe. “Ik dacht, dat ik vanavond niets te eten zou krijgen.”

De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte, dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed. [144]

“Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,” zei hij. “We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor ons was.”

“Dat zou ik wel denken,” antwoordde de koe. “Wel zijn de muren slecht, maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wie zijn jelui eigenlijk?” ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.

“Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter is veranderd,” antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, “en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans.”

“Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest,” zei de koe, “en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen was, om mij mijn avondvoer te brengen.”

De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste dagen was overkomen.

Hij dacht aan Asa, ’t kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo’n hutje hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen, sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.

Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in de oogen kreeg.

Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was ’t een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.

De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleine [145]dieren in ’t bosch naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij—of ze hem hadden gevonden of niet,—bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.

De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop gezeten, riep en bromde over iemand, die zich “kraaienroof” had genoemd en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, en “door de kraai gestolen,” “kraaienvangst” en “kraaienroof” geheeten had. Op die manier hadden zij Duimelot’s spoor gevonden, tot bij de heide van Sunnerbo.

Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht kregen.

“Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij,” dacht de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.

De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op eens tegen den jongen te praten.

“Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe hij een koe moet behandelen.”

“Wat scheelt je dan?” vroeg de jongen.

“Mij scheelt van alles,” zei de koe. “Ik ben niet gemolken en niet verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, en ze is niet meer terug gekomen.”

“’t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben,” zei de jongen. “Ik geloof niet, dat ik je helpen kan.”

“Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je klein bent,” zei de koe. “Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken, [146]waren zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één vuistslag doodslaan.”

De jongen kon niet laten te lachen. “Dat waren zeker andere kabouters dan ik,” zei hij. “Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te klimmen en hooi in je krib te gooien.”

“Ja, dat zou altijd wel wat helpen,” zei de koe.

De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:

“Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,” zei de koe.

“Neen, dat zal ik niet, als ’t maar iets is, wat ik doen kan,” zei de jongen.

“Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is.”

“Neen, dat kan ik niet doen,” zei de jongen. “Ik durf me niet aan menschen te vertoonen.”

“Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw,” zei de koe. “Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de deur staan, en kijk door een kier.”

“Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,” zei de jongen.

Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. ’t Was een vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. ’t Was akelig ze te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over ’t weer. En nog erger was het te denken, dat—als maar één van hen hem in ’t oog kreeg, het met hem gedaan zou zijn.

“Die arme kleintjes,” zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.

Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was een gat voor de kat om er uit en in te gaan. ’t Was dus voor den jongen niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was. Nauwelijks had hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer terug. Een oude [147]vrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof een onzichtbare maan er een bleek licht over liet vallen.

De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet eens meer naar bed had kunnen gaan.

Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.

“O zoo! is de vrouw dood?” zei ze, “Dan is het ook gauw met mij gedaan?”

“Er zal wel iemand voor je zorgen,” zei de jongen troostend.

“Je weet niet,” zei de koe, “dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen.”

Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.

“Ligt ze op den grond?” vroeg ze.

“Ja, dat doet ze,” zei de jongen.

“Ze had de gewoonte in de schuur te komen,” ging de koe voort, “en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil jij dat wel gaan doen?”

De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: “neen”; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.

Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.

Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur geweest, en ’s zomers gingen ze met het vee naar ’t [148]moeras en langs de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, of haar hoeders flinke menschen waren.

En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in ’t huis en in de stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed, had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen geloeid, als zij haar hoorden komen.

Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al ’t werk, en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en ze had geploegd en geoogst. ’s Avonds, als ze in den stal kwam om te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen uit de oogen, en zei: “Dat is niets. Ik zal ’t ook wel goed krijgen, als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!”

Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En ’s avonds, als de vrouw zoo moe was, dat ze onder ’t melken bijna insliep, werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. “Ik zal ’t wel weer goed krijgen,” zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, “als ze maar eerst groot zijn.”

Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in ’t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit om bij haar te blijven.

Vind je, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?” placht zij te zeggen, als zij in de schuur bij de oude koe stond. “Hier in Smaland kunnen ze niet anders dan armoe verwachten.”

Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder ’t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte niet meer. Ze wilde de hoeve niet meer [149]verzorgen, maar liet alles vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen haar gekend hadden.

Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En misschien had ze maar ’t liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.

“Als de kinderen ’t maar niet hooren! Als de kinderen ’t maar nooit hooren!” zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.

De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar had afgenomen. Ze haatte het.

“’t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo goed voor hen was,” zei ze. “Maar ik wil het niet zien.”

Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den heelen dag aan den kant van ’t moeras, met de handen in den schoot; en als ze naar huis ging, zei ze: “Zie je Rödlina, als hier groote, vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden ze niet hoeven weg te gaan.”

Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, dat haar kinderen van haar waren weggegaan.

Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken, en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.

“Hoor je wel, Rödlina?” had ze gezegd, “hoor je, dat ze zeiden, dat er rogge op ’t moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu kunnen ze hun brood hier thuis verdienen.”

Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.

De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest. [150]

Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.

De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, gedraaide kaarsen.

De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode eer te bewijzen.

Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht bij haar lijk waken.

Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.

Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw naar haar kinderen!

Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat hij niet geweest was, kon hij misschien worden.

Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. ’t Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. ’t Waren bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.

“Arme menschen!” zei de jongen tegen de portretten. “Jelui moeder is dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maar mijn moeder leeft.”

Hier hield hij even op, en glimlachte.

“Mijn moeder leeft,” zei hij. “Vader en Moeder leven allebei!” [151]

[Inhoud]

XVI.

Van Taberg naar Huskvarna.

De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden en haar begraven.

Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, of ze kregen een hoogen berg in ’t oog, met bijna loodrechte wanden en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi, Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.

Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, bruine moerassen, met [152]ijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat geschapen had, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs en stralend helder daar lag te glanzen, alsof ’t niet met water, maar met blauw licht was gevuld.

’t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in ’t Paradijs uitzag.

Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze naar dat blauwe dal. Ze waren in ’t allerbeste humeur, schreeuwden en waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.

Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder regen en wind, en toen ’t nu op eens mooi weer werd, kwam er onder de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.

De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep de vogels toe:

“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”

De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:

“Daarheen, waar geen houweel of hamer is!”

Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

“Neem ons meê, neem ons meê!” riepen ze.

“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.

De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer, [153]en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van ’t Munkmeer. ’t Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.

“Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?” riep een arbeider. De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:

“Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!”

Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

“Neem ons mee! Neem ons mee!” riepen ze.

“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.

Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichtst bij ’t venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:

“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”

“Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn,” riep de jongen.

’t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: “Neem me meê! Neem me meê!”

“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen.

Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in ’t zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan ’t meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en ’t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.

De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten ’t zelfde spektakel daar als buiten op ’t land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. ’t Was niet te verwachten, dat de stadsbewoners naar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.

De tocht ging verder langs ’t Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij ’t Sanatorium van Sanna. Eenige van de [154]zieken waren op een veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij het ganzengekakel.

“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” vroeg een van hen met zulk een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.

“Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!” antwoordde de jongen.

“Neem ons mee!” zei de zieke.

“Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen. “Van ’t jaar niet!”

Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het dal lag de school.

Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.

“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” schreeuwden de kinderen.

“Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!” antwoordde de jongen.

“Neem ons meê!” schreeuwden de kinderen. “Neem ons meê!

“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” riep de jongen, “maar later!” [155]

[Inhoud]

XVII.

Een geschiedenis uit Halland.

Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept, op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.

De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden kunnen maken.

Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.

Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op een opengehakte plaats in ’t bosch gelegen, en de boomen hadden er om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.

Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds [156]verder uitbreiden en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.

Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, beneden aan het strand. Onder ’t gras lag fijn, licht zeezand. Dat bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, die tot ’t allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.

Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor ’t eerst zagen, vonden ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.

’t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en winderig. ’t Koren kon niet groeien; ’t verdorde en verschrompelde. De aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de boeren en zagen, hoe hij de zandmassa’s oplichtte, ze naar den hemel deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.

Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, dat er geen grassprietje groeien kon. [157]

En ’t was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam geen eind aan den last, dien het gaf. ’t Lag in hoopen op den drempel in den morgen, als men de huisdeur open deed; ’t striemde de menschen in ’t gezicht, als ze uitgingen, ’t stoof door den schoorsteen en viel in het eten, en ’t lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.

Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. ’t Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.

Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog een spa konden opheffen om het weg te graven. En ’t was geen lichte strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.

De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog bij machte, stand te houden.

Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.

Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was niet [158]ouder dan vijftien jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.

Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo’n pleizier, dat ze soms slap van lachen waren.

Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte niet.

De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat kon hij niet over zich verkrijgen.

“Is hij niet een Tater?” vroeg hij.

“Hij!” antwoordde de moeder. “Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar.”

“Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest.”

“Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen,” zei de moeder, en scheen verdrietig te zijn.

De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één [159]dag meer deed, dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al ’t werk ging onder scherts en gebabbel. ’t Was niet te ontkennen, dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.

Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.

“Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien,” zei Jan.

De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over, maar gaf hem meteen een wenk.

Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig weer neer.

“Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,” zei hij. “Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden.”

Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij, dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.

Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond, maar op eens had hij ’t hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over de snaren. ’t Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten, maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren, overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op, en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden: een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopen [160]vodden schenen geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en kleeren moeten geven, zoodat—toen ze eindelijk weg waren,—het huis als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende vagebondenstemmen herinnerde.

Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar zijn moeder zat te spinnen.

“Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is,” zei hij.

De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.

“Neen, wat zeg je!” antwoordde zij. “Dat is een wonderlijk nieuwtje!”

Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.

“Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun.”

“’t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken,” zei de moeder, en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.

“Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan.”

“En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu ook zelf een Tater moet zijn,” zei de moeder op den meest onbezorgden toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.

“Gelooft u het dan ook niet?” vroeg de jongen.

Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.

“Moet u hem nu niet wegsturen?” vroeg hij weer, want hij had altijd gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.

“Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had,” zei hij. “Ik dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog over ons komen.”

Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.

Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over de Taters te spreken. [161]

“Onthoud nu wat ik je zeg,” zei hij, “en vergeet dat nooit! Je moet er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van wilden in zich, zoodat ze ’t niet kunnen uithouden onder een dak te wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude dingen oplappen en opknappen.”

Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar en dreigend geklonken.

“Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze lijken ook daarin op ’t heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende over allen, die op hen vertrouwd hebben.”

Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.

“’t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt,” drong hij nog eens aan.

Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd diep in de oogen:

“Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is,” zei ze. “Ik ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en zullen aanteekenen.”

Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu ’t meest pijn deed, was, dat hij buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, zonder te vragen, wat hij er van dacht.

“Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer te zeggen,” barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.

Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen. [162]

“Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,” zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om afscheid te nemen. “Voor mij blijft niet anders over dan weer langs den weg te zwerven.”

“Je hoeft je aan Sigurd niet te storen,” zei de huismoeder. “Ik heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan te teekenen.”

“Daar kunnen we niet aan denken,” zei de knecht. Hij zonk op een bank neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. “Het helpt niet, of je al probeert er uit te komen,” zei hij. “Je kunt je uiterste best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels vertinnen.”

Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.

“Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan,” zei ze. “Ik geloof, dat Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is om op je te vertrouwen.”

“Neen, dat kun je niet verlangen,” zei de knecht.

“Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen,” ging de huismoeder voort.

“Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil,” antwoordde Jan. “De hoeve is toch van hem, en ’t zou maar verwijdering geven tusschen hem en u, als ik bleef.”

Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet een heel ander mensch was dan al de andere.

Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze ruimte vol ongeluk overzag.

Toen verbrak de moeder de stilte.

“Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons had kunnen blijven,” zei ze. “En ik wil niet, dat je weer in ellende zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat.”

“Dat moogt u nooit doen,” riep de knecht dadelijk. “Zoudt u als de vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer is geweest!” [163]

“Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt blijven.”

“Neen, dat doe ik nooit,” barstte de knecht uit. “Ik dank u, omdat u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!”

Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, en hij was hard en wantrouwend.

Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.

“Goeden dag dan, Sigurd!” zei hij. “Je moet niet denken, dat ik boos op je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons.”

Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit te barsten.

Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, en hij schreide luid.

Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. ’t Was alsof hij iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan overgedragen te hebben.

’t Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals het plan was. ’t Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig, hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.

Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop lag een dunne korst vruchtbare aarde daaronder [164]een laag zeezand, en daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder ’t werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.

“Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!” barstte hij uit.

“Wat heb je dan gevonden?” vroeg Sigurd.

“Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben,” antwoordde de Tater.

Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.

“Je moet boven komen, en mij helpen, Jan,” zei ze.

Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in ’t gezicht, de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans gezicht somber werd.

“Kun je ze niet wegjagen, Jan?” vroeg de huismoeder bekommerd.

“Dat gaat niet best,” zei Jan lachend. “’t Zijn Vader en Moeder, en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe ’t me gaat.”

Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, dat hij allerlei dwaasheden beging.

Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde jonge goed.

’t Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan vioolspelen. ’t Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.

Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en zorgeloozer hij zich voelde. ’t Was, alsof hij nu voor ’t allereerst begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn. [165]’t Had hem altijd gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,—hij, evenals zijn voorvaderen,—dat hij de hoeve moest zien in stand te houden,—hij, evenals zij—maar omdat je eens een enkelen keer blij was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.

Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den rijksten boer in de gemeente. ’t Was een verzoek, of Jan hem wou komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, dat het leven zóó heerlijk kon zijn.

’t Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk gegaan was.

De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. ’t Was alsof dit opeens zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.

Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het beheer van Jan, den Tater. ’t Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In ’t voorjaar had Jan in ’t kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild. [166]

Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.

Plotseling hield Jan met spelen op.

“Zeg me nu één ding, Sigurd,” zei hij met ongewoon vriendelijke stem. “Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?”

Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.

“Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen,” zei Jan.

Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat Jan en hij zouden scheiden.

“Neen, ik wil liever, dat je hier blijft,” zei hij.

“Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel gaat,” zei Jan, “want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend.”

Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in de schuur.

Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor ’t vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.

Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor de reis.

“Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten,” dacht hij. “Al zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe.”

Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen en hen niet [167]achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was Sigurd bij den wagen en er boven op.

Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den weg. Sigurds moeder ging dan naar ’t huis, en bedelde om eten en koren, en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in ’t Zuiden in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna trokken zij er weer op uit.

Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest, te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.

Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.

Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:

“Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. ’t Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden.”

“De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker weggegaan, en hebben ’t land aan zijn lot overgelaten,” antwoordde Sigurd bitter. [168]

“Denk je dat?” zei Jan heftig. “Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar huis kunt gaan en ’t zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier.”

“Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,” zei Sigurd weer. “Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt.”

Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, schopte hij het om met zijn voet.

“Wat doe je daar?” vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.

“Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere ook om te schoppen.”

“Wat zou je daar nu aan hebben?” vroeg Sigurd.

“Ik weet niet hoe het komt,” zei Jan, “maar in de landen, waar groote, kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen wij het op den duur niet uithouden.”

“Dat kan wel wezen,” zei Sigurd “maar je zult toch dat denneboompje weer in den grond zetten.”

Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar voor zich uit te kijken.

“Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, als ik meerderjarig word!” schreeuwde Sigurd.

Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, maar hij zei niets.

Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op een feest moest spelen bij den dans.

“Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen.”

Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen [169]kracht toe had. De heele hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te verspillen aan een hopelooze zaak?

Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. ’t Was een nieuw paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, werd gevangen genomen als paardendief.

Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn zaak behandeld werd.

’t Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.

“Jan is hier gekomen om mij te helpen,” dacht hij, want hij wist, dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij met het gestolen paard was komen aanrijden.

Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.

Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.

Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep, [170]dat hij tot verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.

Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en ’t hem duidelijk geworden was, dat hij in ’t diepst van zijn ziel valsch en hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op ’t zelfde oogenblik, dat hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was geweest, en hij schrikte daar hevig van.

Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.

En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, en ’t werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij ’s winters naar Skaane trok, als dorscher, en in ’t voorjaar kwam hij weer thuis met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij zichzelf had opgelegd te doen.

Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, rijke hoeve.

Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, dat hij goud had gevonden.

“Hij wist dat van den mergel,” dacht Sigurd. “Hij heeft het [171]aldoor geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis blijven en ons allen rijk maken.”

Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken en handelen, zooals hij had behooren te doen. [172]

[Inhoud]

XVIII.

Het groote vogelmeer.

Jarro, de wilde eend.

Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.

’t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.

Nu is er iemand, die graag met de voeten in ’t water staat, als hij ’t hoofd en ’t lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.

Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa’s geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen [173]uitbroeden en hun jongen opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun voedsel gekweld te worden.

Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van ’t Takermeer, en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate ’t meer bekend wordt, wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een heele massa anderen.

Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.

In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs nog op het meer lag.

Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het Takermeer liggen.

Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.

Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hem [174]de huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.

Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.

Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.

Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, “daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!” Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.

Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.

“Wie ben jij?” bromde hij. “Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?”

Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.

“Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,” zei hij. “Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd.”

“O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd,” zei Caesar. “Dan is ’t zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer.”

Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden [175]haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.

Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.

Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.

Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo’n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.

Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar “welkom” toe in zijn eigen taal.

Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.

Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.

“Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden,” zei Klorina. “Wacht maar, tot je vet bent. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!”

Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen. [176]

Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.

“Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, ’t volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd,” zei Klorina.

“Wat zeg je daar, Klorina?” riep Jarro, en sprong op van schrik.

“Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat,” zei de kat. “Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten.”

Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.

“Je bent even akelig als een zwart waterhoen,” zei hij tegen Klorina. “Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan ’t schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!”

Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.

“Zoo! Geloof je, dat ik lieg?” zei ze. “Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!”

“Caesar!” zei Jarro. “Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij ’t niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van ’t meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo’n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het niet mis heeft!”

’t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.

De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.

“Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil,” zei ze [177]tegen Jarro. “’t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op ’t meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden.”

Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en riep Caesar in ’t oor:

“Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken.”

Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.

“Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil,” schreeuwde Caesar. “Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van ’t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij bent een stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels meer op het Takermeer zijn?”

De lokvogel.

Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.

Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.

Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van ’t vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte, [178]en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.

De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.

Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.

“Het is verboden in dezen tijd,” zei hij, “maar dat geldt natuurlijk niet voor mij.”

De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten rond loopen.

Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in ’t water en haalde ze op.

Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.

Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: “Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!” [179]

En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.

Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.

Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.

Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.

Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over ’t heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: “Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel,” dat er een duikernest kwam aandrijven naar ’t eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. ’t Was een nest van het vorige jaar, en de duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.

Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: “Kom zoo dicht bij ’t water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!”

Een oogenblik later lag het duikernest bij ’t land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.

Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een mesje uit de scheede aan zijn [180]zij, en sneed het net, dat Jarro’s vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. “Vlieg nu weg, Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden,” riep hij, terwijl hij weer in ’t nest sprong, en van land afzette.

De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.

Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:

“Als jij zoo eerlijk bent, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken.”

Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. “Vlieg maar weg, Jarro,” zei hij. “Je bent zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer.”

Het droogmaken van het meer.

’t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo’n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.

Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.

Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: “Let op Peer Ola, Caesar.”

Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden, [181]dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.

En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.

Toen Peer Ola aan den oever van ’t meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.

Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op ’t meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maar als ’t water hoog is, en ’t ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op ’t water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.

Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.

Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk [182]blij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.

Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen ’t riet, en nu kreeg Peer Ola ’t bevel aan land te stappen. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.

Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.

Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.

Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.

Verder op den dag vond men Peer Ola’s voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.

De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over ’t meer heen en weer tot den avond, zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders [183]denken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.

Dien avond zwierf Peer Ola’s moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.

Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.

“Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren,” dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. ’t Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. ’t Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.

Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo’n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.

Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen. “Dat wordt toch moeielijk voor hen,” dacht ze. “Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?”

Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig werk—een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.

Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.

Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola’s dood een [184]straf voor hen beiden was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.

Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, die tweemaal zoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.

En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:

“Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is.”

Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.

“Maar Caesar toch!” riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: “Weet je, waar Peer Ola is?”

Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van ’t meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over ’t meer.

Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen. [185]

[Inhoud]

XIX.

De voorspelling.

Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in ’t Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo’n schelle lichtgloed in ’t gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.

Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op ’t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen ’t riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.

In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.

“Houd nu hier stil,” zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.

“Ziezoo!” zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. “Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan.”

Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken. [186]

“’t Is zoo mooi hier op ’t meer vanavond,” zei hij. En dat was het ook. ’t Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. ’t Strand lag verscholen achter de rietbossen in ’t Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.

De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.

“Ja, ’t is hier mooi in Östergyllen,” zei hij. “Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is.”

“Wat is het dan?” vroeg de roeier.

“Ja,—dat het een land is, dat in eer en aanzien staat.”

“Ja, dat kan wel zijn.”

“En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal.”

“Hoe ter wereld kan men dat weten?” vroeg hij, die bij de riemen zat.

De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.

“Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan,” zei hij.

“Dat kon je me wel eens vertellen,” zei de roeier.

“We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.”

“Op Ulvasa, hier in Oostgothland,” ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, “woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in ’t rond beroemd, en ’t is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.

Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.

“Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,” zei de boer na een poosje.

“Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken,” antwoordde zij.

“Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan ’t hart gaat,” zei de boer. [187]

“Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe ’t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal.”

“Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden,” zei de boer. “Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren.”

Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.

“Zoo,” zei ze, “heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevreden bent.”

Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.

“Is er niet anders, dat je weten wilt,” zei de wijze vrouw, “dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen.”

“Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe,” zei de boer, “en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon.”

“Waarom zou dat niet mogelijk zijn?” zei de vrouw van Ulvasa. “Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo’n mooie domkerk heeft als die in Linköping?”

“Dat kan wel zoo zijn,” zei de boer, “maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk.”

“Daar kun je gelijk aan hebben,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft.”

De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam. [188]

“’t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken,” zei de vrouw van Ulvasa. “Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten.”

“Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor,” zei de boer. “Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?”

“Het is geen kleinigheid, wat je wil weten,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt.”

De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.

“Je bent niet gemakkelijk te voldoen,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken.”

“Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?” hield de boer aan.

“Je hoeft niet zoo bang te wezen,” zei de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt.”

“Dat is een gewichtig ding om te hooren,” zei de boer. “Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?”

“Daar moet je niet bezorgd over wezen,” antwoordde de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen.”

Maar de boer bleef er ongerust uitzien. [189]

“Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten,” zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. “Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping.”

“Ja, het is goed, dat ik dat weet,” zei de boer, “maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden.”

Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.

“Je zegt, dat alles vergankelijk is,” zei ze, “maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in ’t land zullen zijn tot aan ’t eind van de wereld.”

Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.

“Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent,” zei de vrouw van Ulvasa.

“Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe,” zei de boer, “dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of bouwen,—dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen.” [190]

[Inhoud]

XX.

Het baaien kleed.

De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.

Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.

“Er moeten in dit land geen boeren wonen,” zei hij in zichzelf, “want ik zie nergens boerderijen.”

Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; “Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!”

Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.

“Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?” vroeg de jongen na een poos.

“Ossen en ploegen! ossen en ploegen!” antwoordden alle wilde ganzen.

De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. “Jelui komt van ’t jaar niet klaar! Jelui komt van ’t jaar niet klaar!”

Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in lucht en loeiden: “Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in ’t heele jaar!”

Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.

“Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?” riepen zij de paarden toe. “Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?”

“Schaam jelui je niet zoo te luieren?” hinnikten de paarden terug.

Terwijl de paarden en ossen buiten aan ’t werk waren, liep [191]de hamel op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.

“Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?” riepen de wilde ganzen, die boven in de lucht voorbij vlogen.

“Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,” antwoordde de hamel met een lang geblaat.

“Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?” vroegen de ganzen.

Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos werd hij.

Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om elkaar te beschermen.

“Knor, knor!” riepen de biggetjes. “Wij zijn te vroeg van Vader en Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!”

Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers den gek te steken.

“’t Zal je beter gaan, dan je denkt,” riepen zij in ’t voorbijgaan.

De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.

Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in, dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.

Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige streken ingesloten, een in ’t noorden en een in ’t zuiden. De beide boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai. [192]

Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er was niet veel orde en regel in ’t patroon, maar het was een pracht, waar je nooit genoeg naar kijken kon.

De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, en teerden de groote sluispoorten.

Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- en stoombooten in orde gemaakt.

Bij Norrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.

“Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen.”

De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp hadden opgeraapt.

“Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan mijn klomp niet terug krijgen!”

Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.

“De wilde ganzen lieten het vallen,” zei kleine Mads.

Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: “Herinner jij je wel, Mads, dat we, toen we voorbij ’t Övedklooster liepen, er over hebben hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg [193]met klompen aan had gezien, die op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen, Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was, en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel, die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor.”

“Ja, dat moet zeker zoo wezen,” antwoordde kleine Mads.

Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.

“Wacht! wacht eens, Mads,” zei Asa. “Hier staat iets op den eenen kant.”

“Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters.”

“Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson, V. Vemmenhög.”

“Dat is wel ’t wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb,” zei Mads. [194]

[Inhoud]

XXI.

De geschiedenis van Karr en Grauwvel.

Karr.

Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.

De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.

De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door ’t bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze ’t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in [195]toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa’s. Ze noemden het onder elkaar het “Vrijbosch”, en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.

“Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte,” dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.

“Wat zou er aan ’t leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?” dacht hij. “Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!”

Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.

Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo’n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.

De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet,—ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in ’t ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.

Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al het [196]kwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.

“Maar ze leven misschien nog,” dacht de hond op eens. “Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt.”

Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij verdwenen was.

De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.

Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.

De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.

Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.

Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.

Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende. [197]

De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.

“Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?” zei hij. “Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood.”

Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.

Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen had willen redden.

“Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,” zei hij eindelijk.

De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?

De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.

“Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven,” zei hij eindelijk.

Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.

De vlucht van Grauwvel.

Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.

Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.

Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem te [198]bemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag, alsof het er blij om was, dat hij kwam.

Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.

Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo’n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.

’t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.

Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in den [199]grootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.

“Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?” vroeg Karr.

“Wat zou het helpen, als ik me verzette?” zei Grauwvel. “Ik zou ’t liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier wel vandaan moeten.”

Karr stond hem aan te zien. ’t Was merkbaar, dat de eland nog niet volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid te strijden.

“Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,” dacht Karr, maar hij zeide niets.

Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.

“Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen,” zei Karr, en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. “Je zult in een grooten tuin gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een bosch geweest.”

Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.

“Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining komen?” zei hij met zijn gewone slapheid.

“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen heeft,” zei Karr.

De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.

Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.

Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. ’t Was een mooie nacht met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.

“’t Is misschien ’t beste, dat we teruggaan,” zei Karr. “Jij, die nog nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken.”

Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen dringen kon. [200]

“Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm,” zei Karr. “Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os.”

Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.

Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes en het weeke moeras.

“Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn,” zei Karr. “Ik weet niet hoe zij ’t aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen.”

Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op ’t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.

“Hebben wij nu het heele bosch gezien?” vroeg hij.

“Neen, nog niet,” antwoordde Karr.

Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.

“Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast,” zei Karr. “Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland.”

Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en de abeelenbast.

“Dat smaakt sterk en goed,” zei hij. “Dat is beter dan klaver.”

“’t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg,” zei de hond.

Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.

“Wat is dat, Karr?” vroeg hij. ’t Was voor ’t eerst, dat hij een meer zag.

“Dat is een groot water, dat is een meer,” zei Karr. “Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen.”

Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koel [201]om zijn leden sloot. Hij wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?

“’t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het bosch rond blijven loopen,” zei Grauwvel.

Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote dieren te grazen. ’t Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.

“Wat is dat voor een dier?” vroeg Grauwvel met een stem, die beefde van verwondering.

“Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in ’t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden.”

“Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem bekijken,” zei Grauwvel. “Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon zijn.” Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.

“Je bent zeker niet vriendelijk ontvangen,” zei Karr.

“Ik zei hem, dat het voor ’t eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me af, en dreigde me met zijn horens.”

“’t Was goed, dat je wegging,” zei Karr. “Een jonge stier, die nog maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in ’t heele bosch gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het buitenland zult gaan.”

Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en Grauwvel werd over ’t heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel vocht [202]zwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.

Karr stond nog aan den zoom van ’t bosch, toen Grauwvel terugkwam.

“Nu heb je gezien, wat er in het bosch was,” zei hij. “Wil je nu meê naar huis gaan?”

“Ja, nu zal het wel tijd zijn,” zei de eland.

Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.

“De elanden zijn één met het bosch!” riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.

Helpmij.

Diep in ’t groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in ’t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men “Nonvlinders” noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in ’t bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.

Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.

Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden. [203]

Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.

Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag, na zijn vlucht, in ’t bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.

In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in ’t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.

Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.

Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over den verbrijzelden kop gaan.

“Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood bent, oude Karnlösa?” siste de slang. “Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon.”

De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hen leefden, hadden medelijden met hem.

“Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!” siste de slang, “hij verdient zeker een heel harde straf.” Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. “Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in ’t bosch ben! Ik zal niet rusten, voor die eland dood op ’t veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!”

Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten, [204]krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.

Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.

Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van ’t Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.

“Als ik een eland aanviel,” zei hij, “zou hij me dadelijk doodslaan. Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?”

Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.

“Wisch, wasch! wisch, wasch!” zei hij. “’t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo laf is, dat je ze niet gebruiken durft.”

Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.

“Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!” siste hij. “’t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen.”

De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.

“Ik had eigenlijk nog een boodschap,” zei hij, en begon zacht te fluisteren; “maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt.”

“Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst zijn.”

“In de dennen dicht bij mijn poel,” zei de slang, “woont een vlindervolk, dat in den nazomer ’s nachts rondvliegt.”

“Ik weet wel wie je meent,” zei Krule “wat wou je met hen?”

“’t Is het kleinste insectenvolk in het bosch,” zei Helpmij, “en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen.”

“Ja, dat weet ik,” zei Krule.

“Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn [205]uitgeroeid,” zei de slang. “Er zijn zooveel dieren, die de larven in de lente opeten.”

Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: “Wil je, dat ik aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?”

“Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in ’t bosch, daarvoor zorgen kon, zou het wel goed zijn.”

“Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,” zei de adder. “Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets onmogelijks begeert.”

“Dat is een goede belofte, Krule,” zei Helpmij, “en ik ben blij, dat ik bij je gekomen ben.” [206]

[Inhoud]

XXII.

De nonnen.

Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de stoep. ’t Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, en ’t was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.

“Ben jij het, Grauwvel?” vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het geluid af.

Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het ’t dichtste was, zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het spoor niet te verliezen.

“Karr, Karr,” hoorde hij roepen, en ’t was de stem van Grauwvel, maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.

“Ik kom, ik kom! Waar ben je?” antwoordde de hond.

“Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?” vroeg Grauwvel.

Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een lichte regen.

“Ja, dat zie ik!” riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den eland te zoeken.

Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr was opnieuw bijna het spoor bijster.

“Karr, Karr!” schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, “merk je niet, hoe het ruikt in ’t bosch?” Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur verspreidden, dan ze anders deden.

“Ja, ik merk, hoe het ruikt,” zei hij, maar gaf zich niet den [207]tijd om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.

De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet kon inhalen. “Karr, Karr!” riep hij een poos later, “hoor je niet hoe het knapt in de takken.” Nu klonk de stem zóó droevig, dat die steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het klonk als het tikken van een horloge.

“Ja, ik hoor het knappen,” riep Karr, en ging nu niet verder. Hij begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.

Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom; dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk, dat de hond er last van had.

“Die den daar zal niet veel naalden behouden,” dacht hij, en keerde zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, maar die zag er ook zoo uit. “Wat kan dat wezen?” dacht Karr. “Dat is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid hebben verloren.”

Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter te komen, hoe ’t met hen was. “Dat daar is een spar, die hebben ze misschien niet aangedurfd,” dacht hij. Maar ze hadden ook de spar aangetast. “En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den boschwachter wel niet aanstaan,” dacht Karr.

Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. ’t Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.

Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles doodstil was.

“Hier is hun rijk uit,” dacht de hond, bleef staan, en keek rond.

Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen te gebruiken.

Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr [208]te wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, de aanzienlijkste in ’t bosch. Karr kende hen. ’t Waren Kromrug, een kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in den herfst een kogel in de dij gekregen had.

“Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?” vroeg Karr, toen hij bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.

“Dat kan niemand zeggen,” antwoordde Grauwvel. “Dit insectenvolk hier is het meest machtelooze in ’t heele bosch geweest, en heeft vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele bosch zullen vernielen.”

“Ja, het ziet er leelijk uit,” zei Karr, “maar ik merk, dat de wijzen uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er misschien iets op gevonden.”

Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, klapte met de lange ooren, en zei: “We hebben je hier geroepen, Karr, om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting.”

“Neen,” zei Karr, “zoover in ’t bosch komt immers geen mensch, wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk.”

“Wij, die in ’t bosch oud geworden zijn,” zei toen Kroonhoorn, “gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk kunnen verweren.”

“Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,” zei Ruigmaan. “Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit.”

“Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven,” zei Grootsterk. “We hebben geen keus.”

Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.

“Is ’t misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, hoe het hier gaat?”

Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.

“’t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen, maar we weten geen anderen raad.”

Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep, diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem een groote, zwarte slang te gemoet. [209]

“Welkom in ’t bosch,” siste de slang.

“Goedendag,” blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.

“Misschien is hij ook ongerust over ’t bosch,” dacht Karr, en bleef staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.

“Als de menschen hier komen, is ’t uit met onze rust en vrede,” zei hij.

“Daar ben ik ook bang voor,” zei Karr, “maar de oude elanden in ’t bosch weten wel, wat ze doen.”

“Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet,” zei de slang, “als ik maar het loon kreeg, dat ik verlang.”

“Ben jij ’t soms, die ze Helpmij noemen?” vroeg de hond verachtelijk.

“Ik ben al een oude boschbewoner,” zei de slang. “Ik weet, hoe je dat ongedierte wegkrijgen kunt.”

“Als je ’t maar wegkrijgen kunt,” zei Karr, “denk ik wel, dat niemand je weigeren zal, wat je ook begeert.”

Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.

“Groet dan Grauwvel van mij,” zei hij, “en zeg hem, dat, als hij van het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in ’t bosch groeit, en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en er van eten.”

“Wat zeg je daar?” vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op te staan. “Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?”

“Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was,” zei de slang. “En ik wil me op hem wreken.”

Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem, maar hij lag veilig onder den boomwortel.

“Lig daar zoolang je wilt,” zei Karr eindelijk. “Wij zullen die denneneters zonder jou wel wegkrijgen.”

Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.

“Dat is Karr, die weer aan ’t jagen is,” zei de ijzerfabrikant. De boschwachter wilde het niet gelooven.

“Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden,” zei hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte, en de ijzerfabrikant volgde hem.

Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staan [210]om te luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.

De groote nonnenoorlog.

Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. “Karr, Karr!” riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. ’t Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.

“Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!” zei de vos.

“Ja, wees daar maar zeker van,” zei Karr. “Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen.”

“Ze hebben mijn heele familie vermoord,” zei de vos. “En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen.”

Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. ’t Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.

Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden1 was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die ’t meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. ’t Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.

De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af, [211]dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.

Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa’s, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.

“Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn,” zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.

Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.

“Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?” vroeg de slang.

Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.

“Doe dat in ieder geval,” zei de slang. “Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting.”

“Ja, jij ook niet,” antwoordde Karr, en liep verder.

Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. “Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,” zei hij.

“Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt,” zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.

“Als ’t iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan,” zei de eland. “Maar hoe zou nu een arme slang zoo’n macht hebben?”

“’t Is natuurlijk maar pocherij,” zei Karr. “Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren.”

Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.” [212]

Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:

“Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!” Toen rende hij weg, zoo hard hij kon.

“Wat bedoelen ze daarmeê?” vroeg Karr.

“Dat weet ik niet precies,” zei Grauwvel. “Ik denk, dat het kleine volkje in ’t bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt.”

Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten werd geroepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”

Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.

“Zeg, Grauwvel,” vroeg Karr snel, “wat meent de slang daarmeê, dat je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?”

“Hoe kan ik dat weten?” zei Grauwvel. “Je weet, dat ik nooit iemand doodsla.”

Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, achter elkaar.

“Welkom in ’t bosch,” riep Grauwvel ze tegen.

“Goeden dag,” antwoordden de elanden. “We zochten je juist, Grauwvel, om met je over het bosch te spreken.”

“We hebben gehoord,” zei Kromrug, “dat er hier een misdaad in ’t bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die daad niet gestraft is.”

“Wat is dat voor een misdaad?”

“Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet eten kon. Zooiets wordt hier in ’t Friedsbosch voor een misdaad gehouden.”

“Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?” vroeg Grauwvel.

“Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je weet, wie dat wezen kan.”

“Neen,” zei Grauwvel, “ik heb nooit over een eland hooren spreken, die een onschadelijk dier heeft gedood.”

Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, de adder, die daar in zijn hol lag.

“Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield,” siste Krule, zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op de adder toe, en lichtte den voorpoot op.

“Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt doodgeslagen?” [213]

“Heb ik een slang doodgeslagen?” vroeg Grauwvel.

“De eerste dag, toen je in ’t bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang, Helpmij, dood,” zei Krule.

Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:

“Karr, ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest.”

“Wat zeg je toch?” viel Karr hem in de rede.

“Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat.”

“Dat zeg ik nooit,” zei Karr. “’t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in ’t noorden.”

“Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo’n ongeluk heb aangericht?” vroeg Grauwvel.

“Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet.”

“Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch,” zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.

Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.

Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo’n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?

Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.

“Waar kijk je naar?” vroeg een man, die naast hem stond.

“Er is een ziekte onder de larven uitgebroken,” zei de boschwachter.

Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.

Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.

“De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden,” dacht hij. “Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal.”

Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit de [214]poppen kwamen millioenen vlinders. Zij vlogen ’s nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon men nog grooter verwoesting verwachten.

De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van ’t eene bosch naar het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.

Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.

Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven leven, tot ze poppen en vlinders werden.

Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.

Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.

Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.

De wraak.

Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs dekte ’t geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klomp [215]verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.

De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van ’t bosch. “Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever,” dacht hij. “Daar kun je zien, waar je op afgaat. Als ’t nog een beukenbosch was, kon ’t er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn—ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken.”

Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in ’t oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef rustig staan. “Dat is maar een slang,” dacht hij. “Die kan mij toch niets doen.”

Maar ’t volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo’n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.

Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.

“Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen,” dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.

Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. ’t Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.

“Die heeft zijn werk netjes gedaan,” dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.

“Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest.”

Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over. [216]De jongen kroop voorzichtig weg in een spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder noodzaak vertoonen.

De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed in de ooren: “Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood ligt!” Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.

“’t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in ’t bosch kunnen zijn,” zei hij. “Hij is het zeker!”

Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens hield hij zich in. “Je moet geen ezel zijn, Bataki,” zei hij. “Je kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, als hij hem niet zelf ziet.”

De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, dat hij het lachen niet laten kon.

De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. “Ben jij niet Bataki, de raaf, een goede vriend van Akka van Kebnekaise?” vroeg de jongen.

De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.

“Jij bent toch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, en dien ze Duimelot noemen?”

“Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis,” zei de jongen.

“Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, wie die slang heeft dood geslagen?”

“Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,” antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.

“Dat was flink voor zoo’n kleintje als jij,” zei de raaf.

“Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen.”

“Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,” zei de jongen.

“Och,” antwoordde de raaf, “dat is een lang verhaal. Je hebt toch geen geduld daarnaar te luisteren.”

Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken. [217]

“Ik dank je wel,” zei hij. “’t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is.”

“’t Meeste is al verwoest,” zei Bataki. “De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is.”

“Die slang daar heeft zijn dood verdiend,” zei de jongen. “Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?”

“Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,” zei Bataki.

“Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was.”

De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.

“Hoor,” zei hij. “Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is.”

De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.

“Hij spreekt met de wilde ganzen,” zei hij. “Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren.”

De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.

“Daar heb je Karr,” zei Bataki tegen den jongen.

“Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is.”

Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:

“’t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden,” zei de gans. “We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die ’s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.

Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren. [218]Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.

Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, wat ze zochten.

Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden ’t heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.

We daalden snel naar beneden, en streken midden in ’t kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. ’t Waren drie elanden, die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.

De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. ’t Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.

“Neen, vadertje, ga niet liggen slapen,” zei ik toen tegen hem. “Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in ’t bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan.”

“Dank je wel, ganzenmoedertje,” zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder ’t praten, “maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op de vossenjacht.”

“Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in ’t bosch durven te lossen in dezen tijd van ’t jaar.”

De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, “’t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen,” zeiden ze, en begonnen op te staan.

Blijven jelui maar stil liggen,” zei de stier. “Er komen hier geen jagers in ’t kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn.”

Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.

Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar [219]liep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.

Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van ’t bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.

De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in ’t gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in ’t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.

De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.

Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in ’t begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.

Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.

De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. ’t Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.

Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: “Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood gestorven is!”

Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. “Grauwvel heeft een goed [220]leven geleid,” zei hij. “Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel me nu hoe....”

Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding aan te nemen, maar hij zonk weer neer.

“Karr, Karr!” riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude hond stond haastig op. “Dat is de baas, die me roept,” zei hij, “en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden den dood te gemoet te gaan.” [221]


1 Berg- en boschstreek in Oost-Göthland, Södermanland en Nerike.

[Inhoud]

XXIII.

In Närke.

In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.

Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.

Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel Närke kon men zeker wezen haar niet tegen te komen.

Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en waar ze ’t allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.

Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.

Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en ’t land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan rent hij voort over de vlakte, maar vlak in ’t westen bonst hij tegen den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat hij naar ’t oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar ’t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stond [222]ze midden in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in ’t rond op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.

’s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite ’s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag een eind aan het werk maakten.

’t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå ’s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, en de zware sleden in poelen en moerassen reden.

Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, wie er weer aan ’t grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in Örebro van ’t hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook ’s avonds de kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was ’t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan ’t pret maken was.

Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel merken, dat ze ’t meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, en ’t gevaar afweerde.

In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsa [223]dikwijls hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de langzaam stroomende Svartå en de ondiepe vischrijke meren in de vlakte, met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben: “Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt.”

En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg, dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. ’t Was even verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben, als voor ’t veld door den stormwind te worden gezweept.

Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.

Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.

De avond voor den marktdag.

’t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, dat het goot.

’t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen uit de wolken, en menigeen dacht: “’t Is precies, als in den tijd van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de marktdagen. ’t Zou juist iets voor haar zijn, zoo’n stortregen te brengen op den avond vóór de groote markt.”

Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen in [224]Örebro te zijn, hadden het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.

’t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen en schuren.

Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te laten staan. ’t Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder dak konden komen.

’t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, waar ze voor zorgen moesten.

De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge voeten over kon komen, als het laag water was.

Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.

Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. ’t Was een oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. ’t Was duidelijk, dat ’t hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.

’t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.

“Waar moet je heen? Kijk toch uit!” riep hij.

“Zoo, ben jij daar,” zei het paard, en kwam op den jongen af. “Ik heb bijna een uur geloopen om je te vinden.” [225]

“Heb je over mij hooren spreken?” vroeg de jongen verbaasd.

“Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken.”

Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.

“Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe,” dacht hij.

“Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen,” zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.

“Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit,” zei het paard. “Maar je durft misschien niet met zoo’n schooier van een knol meê, als ik ben.”

“O ja, dat durf ik wel,” zei de jongen.

“Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen,” zei het paard.

Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in ’t midden van de plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. ’t Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.

“Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?” vroeg hij.

“Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen.”

De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept neerviel, was met sneeuw vermengd. ’t Was niet moeilijk te begrijpen, wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou. [226]

“Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?” vroeg het paard.

“Ja,” zei de jongen, “die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar misschien ook al vol?”

“Neen, daar zijn geen gasten,” zei het paard. “Zij, die daar wonen, zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt, als ze daar om huisvesting vragen.”

“O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent.”

“Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed,” zei het paard. “Ik weet, dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, dat we daar binnen kwamen.”

“Ik geloof niet, dat ik dat durf,” zei de jongen. Maar toen had hij toch zoo’n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde probeeren.

Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant, van waar hij die niet verwacht had. ’t Was een windvlaag, die kwam aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak voor hem opengooide.

De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.

“’t Is niet mogelijk in de stallen te komen,” zei hij, “maar er is een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, en daar kan ik jelui in brengen.”

“Ja, graag,” zei het paard. “’t Zal prettig zijn nog eens op de oude plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van ’t leven verwachten kan.”

In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.

De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in ’t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder een beweging te maken, dan alleen om nu en [227]dan een stuk brandhout op den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, die daar bij ’t vuur stond, en niet naar bed ging.

“’t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger,” zei hij.

De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.

“Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, want dien heeft het wel noodig,” had de paardenkooper geantwoord.

Toen had hij ’t paard bekeken en het herkend. ’t Was een dier, dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet in den zin zoo’n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, dat hij niet naar bed kon gaan.

Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem heelemaal laten oppassen. Hij had hem ’t eerst gereden, en hij hield meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte haver gegeven.

Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard had; hij had altijd gereden. ’t Was alleen om met dat jonge paard te pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het mooiste, dat op ’t kerkplein kwam.

Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan ’t verstand te brengen, dat hij, als hij zoo’n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch ook een beetje knap uit moest zien.

Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.

Dat was hard! Maar ’t was duidelijk, dat Vader bang was geweest, dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vader [228]gelijk had gehad. Zoo’n paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in ’t begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, en ’t paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te sluipen met een klontje suiker.

“Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg,” had hij gedacht, “koop ik allereerst mijn paard weer terug.”

Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had in lang niet aan het dier gedacht, voor nu, vanavond.

’t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, als Vader zou gedaan hebben.

Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men niet door nalatigheid verwaarloozen. ’t Was beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.

Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat hij iets vreemds hoorde. ’t Was alsof een schelle, spottende stem precies herhaalde wat hij dacht:

“’t Is ’t beste je beurs stijf toe te houden. ’t Is beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars.”

’t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was op ’t punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing was. ’t Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor werkelijk spreken gehouden had.

Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware slagen. ’t Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.

“’t Wordt tijd, dat je naar bed gaat,” dacht hij. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht waren, en alle lichten uit.

Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten in den storm.

Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuur [229]door den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar begon in de kamer heen en weer te loopen. ’t Was vreeslijk weer buiten, met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in de buurt gekomen was.

Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.

Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen; maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.

Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den sleutel zien te bemachtigen.

“Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel te halen,” zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.

Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.

De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar hulp zou kunnen krijgen.

“Zie zoo Brita Maja,” zei de eene, “nu moet je niet meer schreien! Nu zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen.”

Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: “Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen gasten. Daar moet jelui heengaan.”

De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk: [230]

“We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den weg moeten loopen bedelen.”

“Dat kan wel wezen,” zei de jongen, “maar jelui moet daar in ieder geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat.”

“Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens binnengelaten,” zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, en klopten aan.

Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.

’t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige, vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, even groot als zijzelf.

“Wat zijn jelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten rondzwerft?” vroeg de boer onvriendelijk.

De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te begroeten. “Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!” zei de oudste, “en we wilden om nachtverblijf vragen.”

Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem opkwam. Engärde,—was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste waren ten laste van de gemeente gekomen.

Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld had opgeëischt, dat toch zijn rechtmatig eigendom was.

“Wat voeren jelui tegenwoordig uit?” vroeg hij de kinderen op strengen toon. “Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui nu te bedelen?”

“Dat kunnen wij niet helpen,” zei het oudste meisje. “De menschen, waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen.”

“Nu, jelui hebt de zakken vol,” zei de boer, “je hebt dus niet [231]te klagen. Nu is ’t maar ’t beste, dat je er uit neemt, wat je bij je hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan liggen, dan hebben jelui ’t ten minste niet koud.”

Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.

Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in den schoorsteen.

Maar dat was het wonderlijke:—als de wind zoo zijn gedachten herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.

De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.

“Wil jelui wel eens stil wezen!” zei hij. Hij was zoo prikkelbaar, dat hij ze wel had willen slaan.

Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat ze moesten zwijgen.

“Toen Moeder van ons wegging,” antwoordde daarop een helder stemmetje, “heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben opgezegd van: “Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt” zullen we stil zijn.”

De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te loopen,—heen en weer,—en hij wrong de handen, alsof hij in grooten angst was.

Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was ’t werk van zijn vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles, wat hij deed.

Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.

Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter hem, alsof ze verwachtte, dat hij [232]iets tegen haar zou zeggen. Toen dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.

Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. “Zeg eens, Lars,” zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, “je moet mij die twee kinderen laten.”

“Wat, Moeder?” zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.

“Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook.”

“Ja, maar...”

“Ik wil ze hier houden en flinke menschen van hen maken. Ze zijn te goed om te loopen bedelen.”

Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde die.

Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.

“Wat zou Vader hiervan zeggen?”

“Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw tijd gekomen,” zei de moeder. “Zoolang Vader leefde, moesten we hem gehoorzamen. Nu moet jij je toonen, zooals je bent.”

De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met schreien.

“Ik toon me toch, zooals ik ben,” zei hij.

“Neen,” antwoordde zijn moeder. “Dat doe je niet. Je probeert aldoor op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig hebt, en ’t zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht.”

Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in ’t oog kreeg, die uit den jaszak stak. “Als nu de boer de kinderen de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg,” dacht hij.

Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.

De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo’n goede uitdrukking [233]op zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde hij die oude gerimpelde hand.

“Ja, nu moeten we toch naar bed,” zei de oude vrouw, toen ze zag, dat hij weer kalm was.

“Neen,” zei hij, en stond snel op. “Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag.”

Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en ’t was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.

Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.

Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid,” dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.

Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.

Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en hen onder dak gebracht, maar ’t was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.

Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.

En de boer begon hem te streelen. “Mijn best paard,” zei hij. “Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Je bent ook nog niet heelemaal op. Je [234]zult nog eens het mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest.”

Het kruien van het ijs.

Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens van den vorigen dag.

Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.

De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet anders dan het prachtige ijs.

Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoo dichtbij, dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.

“Kom, laten we het probeeren,” zei kleine Mads. “Als we maar goed voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel.”

En zoo gingen ze op weg over het meer. ’t IJs was niet heel glad, maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de buurt van [235]Vinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. ’t Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.

Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om ’t hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.

Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.

“’t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt,” zei de kleine Mads.

Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo’n leven maakte. ’t Was alsof die ’t lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.

Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.

Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over ’t ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.

Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in ’t westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar ’t oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.

Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd, [236]juist op de plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.

Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.

“Asa,” zei kleine Mads, “dit is zeker het kruien van ’t ijs.”

“Ja Mads, dat is het,” antwoordde Asa, “maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door.”

De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.

Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.

Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al ’t gekakel door de woorden hoorden: “Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!”

Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.

Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in ’t gekakel onderscheidden ze de woorden: “Blijf stil staan, waar je bent, blijf stil staan, waar je bent!”

De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.

Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: “Recht door! Recht door!” zei de stem. [237]

Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.

Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.

“Wacht hier even, Mads,” zei ze. “Ik heb wat vergeten.” En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van ’t meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in ’t oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.

Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven. [238]

[Inhoud]

XXIV.

De ijzerfabriek.

Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar Akka meende, dat Smirre de vos, in ’t oosten van ’t land rondzwierf. Ze wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren dien middag nog in de mijndistricten van Westmanland. Tegen den avond ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat, en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik gelicht, en in de lucht geslingerd.

Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo’n hevigen wind niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als een blad van een boom valt.

“Nu, dat loopt wel goed af,” dacht de jongen nog onder het vallen. “Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen.”

Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, waar hij was.

“Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?” riep hij. En hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast hem stond.

Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos verdwenen. [239]

Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen, om hem te halen.

Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar in een breede bergspleet, of iets dergelijks. ’t Was een ruimte, zoo groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken, en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.

De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.

“Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren,” dacht hij, “want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden.”

Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde brommen:

“Wat ben jij er voor een?”

De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.

Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep: Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje voor jelui.”

Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.

“Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?” riepen ze.

“O zoo! ben ik bij de beren gekomen,” dacht de jongen. “Dan ben ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij te jagen.” [240]

De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en sloegen elkaar, en bromden.

Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het mos als een bal.

“Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van een kat is gevallen,” dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem weer te vangen.

Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond bleef liggen.

“Loop nu weg, anders eten we je op,” bromden de beertjes.

“Ja, doe dat maar,” zei de jongen. “Ik kan niet meer wegloopen.”

Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.

“Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!” klaagden ze.

“Dan moet jelui hem samen deelen,” zei de berin. Maar toen de jongen dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.

Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo’n pleizier gehad, dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, dat hij ook insliep.

Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den beer kon zien. ’t Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden boschkoning zag. [241]

“’t Ruikt hier naar menschen,” zei de beer, zoodra hij bij de berin kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.

“Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?” zei de berin, en bleef rustig liggen. “We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, dat jij hem kon ruiken.”

De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in ’t rond te snuffen.

“Schei nu uit met dat gesnuffel!” zei de berin. “Je kent me toch genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele week niet gezien.”

“Ik heb naar een nieuwe woning omgezien,” zei de beer. “Eerst ben ik naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol meer in ’t heele bosch.”

“Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn,” zei de berin. “Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in ’t bosch blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten verhuizen om rust te hebben.”

“Hier in de groeve hebben we ’t immers jaren lang best gehad,” zei de beer. “Maar ik kan ’t hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik ’t laatst ten oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten...”

Op ’t zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde om zich heen.

“’t Is vreemd,—maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht weer,” zei hij.

“Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft,” zei de berin. “Ik zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou kunnen zijn.”

De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.

“Zei ik ’t niet?” zei de berin. “Maar jij gelooft natuurlijk, dat niemand, behalve jij, neus en ooren heeft.”

“Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier hebben,” zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht gelegd, zoodat de stakker niet kon [242]ademhalen, maar begon te snuiven. Nu kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen rechts en links, en kreeg Duimelot in ’t oog, vóór hij op kon staan.

Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet tusschen hen in geworpen had.

“Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!” riep ze. “Ze hebben den heelen avond zoo’n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, maar hem voor morgen bewaren.”

Maar de beer duwde haar op zij.

“Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt,” schreeuwde hij. “Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch ruikt? Ik zal hem direct opeten, anders speelt hij ons nog eens een leelijke poets.”

Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in den bek van den beer.

De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en—uit was de vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar—wonderlijk genoeg—de beer deed geen aanval.

“Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?” vroeg de beer.

“Ik kan er zooveel aansteken, dat ze ’t heele bosch kunnen vernielen,” antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer bang kon maken.

“Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?” vroeg de beer.

“Dat zou voor mij in ’t minst geen kunst zijn,” blufte de jongen, en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.

“Dat is best,” zei de beer. “Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb.”

Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.

De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van ’t bosch kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten vast. “Kijk nu naar die groote lawaaifabriek,” zei hij tegen den jongen. [243]

De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo’n kracht, dat de lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa’s, scholen, vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht en rook uit, en vuur en vonken. ’t Was het meest overweldigende, wat hij ooit had gezien.

“Je zult toch niet beweren, dat je zoo’n groote fabriek ook in brand kunt steken,” zei de beer.

De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende, dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken indruk van zijn macht en kracht kreeg.

“Dat is me ’t zelfde, of het groot of klein is,” zei hij. “Ik kan dat best laten afbranden.”

“Dan zal ik je wat zeggen,” zei de beer. “Mijn voorouders hebben in deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in ’t land groeiden, en ik heb het jachtgebied en ’t veld om te grazen, het nest en alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijn leven lang gewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht.”

De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, dat ze dichter bij de fabriek kwamen. [244]

De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was, dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.

Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond, en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog, en zei: “Probeer eens, of je in dat huis kunt zien.”

Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.

In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong, sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten, in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen gevangen zat.

De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven, en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder, die het nog langer en smaller maakte.

Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange, roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer, als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders staken. ’t Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.

“Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is,” dacht de jongen. [245]

De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de smeden met ijzer en vuur omgingen.

“Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen,” dacht hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen leken, en daarom konden ze zeker ’t ijzer buigen en vervormen naar welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, die zulk een macht hadden.

“Kijk! Zoo gaan ze nu maar door—dag aan dag, nacht op nacht!” zei de beer, en ging op den grond liggen. “Je kunt wel begrijpen, dat zooiets je verveelt. ’t Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan.”

“Zoo, kun je dat?” vroeg de jongen. “Hoe wil je dat doen?”

“Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken,” zei de beer. “Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen.”

De jongen werd ijskoud van schrik. ’t Was dus daarom, dat de beer hem hierheen had gebracht.

“Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag blijven leven,” zei de beer. “Maar als je niet doet, wat ik wil, is ’t gauw met je gedaan.”

De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die toch niet zou kunnen uitvoeren.

Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden barsten door de hitte, en de machines vernield worden.

“Nu, wil je—of wil je niet?” zei de beer.

De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:

“Ik mag me zeker nog wel even bedenken.”

“Nu ja, dat mag je wel,” zei de beer, “maar ik moet je zeggen, dat het juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden.”

De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang, [246]dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg, die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: ’t geweer, dat de wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd gekookt. ’t Groote en ’t kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.

“Nu, wil je, of wil je niet?” vroeg de beer.

De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden om zich te redden.

“Je moet niet zoo ongeduldig wezen,” zei hij. “Dat is een zaak van gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken.”

“Nu, bedenk je dan nog een poosje,” zei de beer. “Maar ik wil je wel zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier weg hebben.”

Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. ’t Was misschien, omdat ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.

“Nu, hoe is het?” zei de beer. “Wil je, of wil je niet?”

Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest om weg te komen. [247]

“’t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt,” zei hij. “Je moet me bedenktijd geven.”

“Ik kan nog wel een poos wachten,” zei de beer. “Maar dan krijg je geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, dat ik die fabriek hier weg wil hebben.”

De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten had gezien. ’t Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van ’t oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden hadden meegebracht, die...”

“Nu, hoe is het?” vroeg de beer. “Wil je—of wil je niet?”

De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had hij bedacht, maar zooveel wist hij—dat hij niets tegen het ijzer wou doen, dat zoo’n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel menschen in dit land brood gaf.

“Ik wil niet,” zei hij.

De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.

“Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen,” zei de jongen. “Want het ijzer is zoo’n groote zegen, dat het niet aangaat daar kwaad aan te doen.”

“Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven,” zei de beer.

“Neen, dat verwacht ik niet,” zei de jongen, en keek den beer vlak in de oogen.

De beer kneep nog harder. Dat deed zoo’n pijn, dat de jongen tranen in de oogen kreeg, maar hij zei niets.

“Nu dan!” zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.

Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.

“Beer!” riep de jongen. “Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak, dat je weg komt, of ze schieten op je!”

De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen mee [248]te nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.

Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het deed, zonder er over te denken.

Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, en zette den jongen op den grond.

“Ik dank je wel, klein ventje,” zei hij. “Die kogels zouden wel beter hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet je hem zeggen, wat ik je nu influister,—dan raakt hij je niet aan.”

Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en jagers hem vervolgden.

En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.


De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in ’t bosch lag, waar ze hem niet konden vinden.

Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, en hen in hun verwondering hoorde kakelen.

Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.

“Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel,” zei hij.

“Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!”

“Dat is vreemd,” zei de jongen. “Toen de beer weg was, klom ik in een den, en viel in slaap. Maar bij ’t eerste aanbreken van den dag werd ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met me gedaan was. Maar hij [249]deed me niets; hij vloog regelrecht hierheen, en gooide me neer midden tusschen jelui in.”

“Zei hij niet, wie hij was?” vroeg de groote witte ganzerik.

“Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder Akka hem had gezonden om me te halen.”

“Dat was wonderlijk,” zei de witte ganzerik. “Ben je er zeker van, dat het een arend was?”

“Ik heb nog nooit een arend gezien,” zei de jongen. “Maar hij was zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven.”

Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.

“We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten,” zei Akka, en vloog haastig op. [250]

[Inhoud]

XXV.

Het broederdeel.

De oude groevestad.

Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.

Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.

De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa’s en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met hijschmachines en pompen, met [251]ouderwetsche gebouwen, die scheef op den ondermijnden grond staan, met zwarte, steile hoopen slakken en lange rijen droogovens voor het erts.

Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van ’t kleine meertje Tisken.

Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven staan. Hij had gepeinsd over de groote “vijzel”, de reusachtige opening in den grond midden in ’t veld om de groeve, en was tot op den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen slakken, die om de “vijzel” en het mijngebouw heen lagen, en ze als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine signaalbelletje, dat met korte sombere slagen ’t heele jaar door slaat, met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en ’t allermeest had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in ’t geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in ’t meer viel, blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.

In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. ’t Was een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand bruingrijs was geworden. Het had geen [252]venster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.

Op een dag ging het Bataki al heel slecht. ’t Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in ’t geheel geen plan op te hebben.

Er viel vrij wat licht in ’t gebouw door spleten in den muur, en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe ’t er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.

Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in ’t leven maken als raven, en al gauw werd het ver in ’t rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.

Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: “Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van ’t jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe ’t met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan.”

Agar, de postduif, de beste bode in ’t heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka’s rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren. [253]

Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden keken. ’t Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.

Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.

De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los—zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. ’t Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij zoo’n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.

De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In ’t begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.

“Je bent zeker moe,” zei de raaf. “Je kunt misschien niet langer werken!”

“Neen, ik ben niet moe,” zei de jongen, en nam den beitel weer op, “maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden.”

Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was—niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.

“Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?” vroeg hij.

“Ja, dat kon wel,” zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden. [254]

De sage van de Falunmijn.

“Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot,” zei Bataki. “Ik heb al een lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in ’t land is, die zooveel weet van je stamgenooten als ik.

Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.

Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen hen te verdeelen.

Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. “Maar eer ik die erfenis afgeef,” zei hij, “moet jelui me beloven, dat als ooit een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien.”

De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.

“Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart,” zei de reus. “En daarom zul jij het broederdeel hebben.”

Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide dochters even getrouw aan hun woord. ’t Gebeurde meer dan één armen houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd aan een ander den schat te wijzen, die op ’t woeste veld te vinden was.

In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren een plaats open midden in ’t bosch, [255]en bouwden daar een paar hutjes, die zij zomerweihutten noemden.

Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van ’t meer Runn, waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden naar de zomerweide, om te helpen ’t vee, de botervaten en kazen naar huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een van de bokken heelemaal rood aan de horens was.

“Wat heeft de Karebok voor horens?” vroeg de boer aan de herderin.

“Dat weet ik niet,” antwoordde zij. “Hij is van den zomer elken avond met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi.”

“Zoo, geloof je dat,” zei de boer.

“Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt.”

“Schuur dan die roode verf nog eens af,” zei de boer, “dan kan ik zien, hoe hij dat doet.”

Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem gemunt was.

“Wat doe je toch?” riep de boer. “Ik heb jou noch je familie ooit kwaad gedaan.”

“Neen, dat weet ik wel,” zei de reuzenvrouw. “Maar ik moet je doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt.”

Dat zei ze met zóó’n bedroefde stem, alsof ze in ’t geheel geen lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.

“Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken, die mijn koperberg ontdekken,” zei ze, “dat ik wou, dat ik die erfenis nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden.”

Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken. [256]

“Maak nu zoo’n haast niet!” riep de boer. “Om die belofte hoef je mij niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En dien heb je al dood gemaakt.”

Vind je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?” vroeg de reuzendochter aarzelend.

“Ja zeker vind ik dat,” zei de boer. “Je hebt je belofte zoo goed gehouden, als je maar kunt.”

En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.

Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok gestorven was. In ’t begin was hij bang, dat hij ook gedood zou worden, maar ’t was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.

Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan nu. ’t Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.

In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer knechts hij aan ’t werk kon zetten, hoe rijker hij werd.

Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem wilden werken, zeiden ze kortaf: “Neen.”

“We willen voor eigen rekening werken,” zeiden ze.

“Ja, maar deze koperberg is van mij,” zei de boer.

“We zijn niet van plan in jouw mijn te graven,” antwoordden [257]de vreemden. “De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij.”

Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.

“Er is hier veel erts in den berg,” zei hij.

“Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht is,” zei een van de vreemden.

“Dat begrijp ik wel,” zei de boer. “Maar ik vind toch, dat jelui mij belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan.”

“Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt,” zeiden de mannen.

“Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij gemaakt,” zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters en het broederdeel.

De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.

“Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is dan zij, die jij ontmoette?” vroegen ze.

“Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,” antwoordde de boer.

Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in ’t oog, en hij zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.

Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben om meê te gaan.

“’t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd werd,” zeiden de knechts.

“We moeten toch helpen wie in nood zijn,” zei de boer, en trok met alle vijftig knechts uit.

Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in ’t oog, die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.

Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in [258]één jaar opdolven, verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd: het district van den grooten koperberg genoemd.

Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en den berg te doen springen. ’t Is altijd een zwaar, moeielijk werk erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig wilde doen.

Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun wilden worden.

In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop het te vinden.

Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zich [259]de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, wat de mannen hadden gevonden.

Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk, danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.

Uit den grooten koperberg werd steeds zoo’n massa erts gehaald, dat de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.

Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die oude mijn te voorschijn was gekomen, is ’t geen wonder, dat zij, die geloofden, dat een koperschat—dubbel zoo groot—in de buurt was, er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.

Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.

De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele [260]stad in mist. De rook belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.

Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over te denken, waar hij liep.

Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in het ongeluk had gestort, en hij werd bang.

“Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt,” dacht hij. “Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden heb.”

Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar vroeger had gezien.

“Ik zou wel eens willen weten, wat je in ’t bosch hebt uitgevoerd,” zei ze. “Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven.”

“Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!” antwoordde de mijneigenaar, “want het meisje, waar ik van houd, wil niet in Falun wonen.”

“Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo pas gevonden hebt?” vroeg ze verder.

“Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen.”

“Ja, houd nu maar woord,” zei de vrouw. “Dan zal je geen kwaad overkomen.”

Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, er niets op tegen bij hem te komen wonen.”

Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met groote snelheid gebruikt.

“Nu, en hoe ging het verder?” vroeg hij, toen de raaf zweeg.

“Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele [261]streek is vol oude mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. ’t Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden.”

“Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, die het zag,” zeide de jongen.

“Ik zal je zeggen, wie het ’t laatste gezien heeft, als je een gat in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijdt,” zeide de raaf.

De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. ’t Klonk bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis met een bepaalde bedoeling verteld?

“Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven,” zei de jongen, om wat meer licht in de zaak te krijgen. “Je hebt zeker wel een en ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde.”

“Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar klaar was met je werk,” antwoordde de raaf.

De jongen begon met zoo’n ijver te hakken, dat de splinters om hem heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel had gevonden.

“’t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden,” zei hij.

“Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden,” zei de raaf.

De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, dat hij Bataki’s bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.

De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was ’t zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat was ’t waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen ’t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op ’t kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: “Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is.” En ze zouden hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.

“Zoudt u niet graag op zoo’n mooie plaats wonen?” zou hij dan zeggen.

“Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons,” zouden ze antwoorden. [262]

“Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,” zou hij dan zeggen.

De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij ’t heele Takermeer koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...

“Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt,” zei de raaf. “Ik geloof, dat het gat al groot genoeg is.”

Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.

“Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot,” zei Bataki heel plechtig, “en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, eer ik het te weten kwam.”

“Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat ik je uit je gevangenschap heb bevrijd,” zei de jongen.

“Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van het broederdeel vertelde,” zei Bataki. “Anders zou je zooiets zeker niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden.”

Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, dat hij niets had om zich op te verheugen.

“Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,” zei hij in zichzelf. “En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader midden in ’t woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden uithouden. Want zoo voel ik het nu.” [263]

[Inhoud]

XXVI.

De overstrooming.

Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van ’t Mälermeer. De hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.

Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa’s in de dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in, moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om de watermassa’s naar ’t Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle kleine meertjes in Uppland en in de mijndistricten op één en denzelfden dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot, wierpen de rivieren zich in ’t Mälermeer, en het duurde niet lang, of dat had zooveel water als het bergen kon. In ’t meer ontstond een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien ’t had, maar dat was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren, als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond, toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.

Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidene [264]meters het land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding teweeg te brengen.

’t Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door den storm gezweept. Het is, alsof ’t voor niets dan pleiziertochten en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden, schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld, dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla’s, landgoederen en ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo’n spektakel ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.

Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op ’t land gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters, die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten, durfden ’s nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs de lijn.

De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen, die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten, om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.

In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa’s lagen wel zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid worden gebracht.

Maar ’t waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en veldratten, die aan ’t strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden worden verwoest.

En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg het Mälermeer.

De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden het [265]water al tot hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers, die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste schade aan.

Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich op voor, in een boot door de straten te moeten varen.

Van een paar elanden, die op een eilandje in ’t Mälermeer hadden overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa’s stokken en planken, een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren menschen in booten bezig ze uit het water te halen.

In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij ’t moest aanleggen, om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.

Terwijl hij nu daar liep, en zich ’t allermeest moedeloos voelde, kreeg hij Agar, de postduif, in ’t oog, die was neergestreken op een berketak.

“Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar,” zei Smirre. “Je kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich nu ophoudt.”

“Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn,” zei Agar, “maar ik wil het je niet zeggen.”

“Dat doet er ook niet toe,” zei Smirre, “als je maar een boodschap wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming, en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning, heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist, en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen.”

“Ik kan die boodschap wel overbrengen,” zei Agar. “Maar ik begrijp niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen.”

“Dat begrijp ik ook niet,” zei Smirre. “Maar hij kan immers van alles.”

“’t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,” merkte Agar op. [266]

“Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn,” sprak Smirre met zachte stem, “maar als er zoo’n groote nood in ’t land heerscht, moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel wat wantrouwend.”

De zwanen in de Hjälstabaai.

Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is ’t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren lang beschermd worden. ’t Is namelijk een woonplaats voor een groot zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen niet verontrust of gestoord zullen worden.

Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in den sterken wind over ’t water. Enkele nesten waren al uit elkaar geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, lagen te glimmen op den bodem van de baai.

Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, bijeen op den oostelijken oever, waar ze ’t best tegen den wind waren beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.

“’t Geeft niet of men al treurt,” zeiden ze. “Er zijn wortels en stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen.”

Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap naar de wilde ganzen had gezonden.

Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de voorouders van de meeste zwanen waren.

Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken, [267]dat zwanen van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.

Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van ’t Mälermeer, en ook in ’t Takermeer en ’t Hornborgameer. Al die nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde, van het eene meer naar het andere.

De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, waarin ze hen konden helpen.

Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke tusschenruimten zwommen.

“Zwem nu flink en vlug,” zei ze. “Kijk niet naar de zwanen, alsof je nog nooit zooiets moois had gezien, en stoor je niet aan wat ze tegen je zeggen.”

’t Was niet voor ’t eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen, of je dat niet hoorde.

Dezen keer scheen alles bijzonder goed te gaan. De zwanen gingen heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat, omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. ’t Was mooi te zien, hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.

“Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, dat ze beleefd moeten zijn,” dacht de leidster-gans.

Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te zijn, kregen ze den witten ganzerik in ’t oog, die achteraan kwam in de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen door ’t gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.

“Wat is dat?” riep een van hen. “Zijn de wilde ganzen van plan witte veeren te gaan dragen!” [268]

“Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden,” riepen ze van alle kanten.

Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle stemmen. ’t Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.

“’t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt,” riepen ze honend.

“’t Is toch àl te onbeschaamd!”

“’t Is geen gans. ’t Is maar een tamme eend.”

De groote, witte ganzerik dacht aan Akka’s bevel: zich niet te storen aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.

“Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?” vroeg een van hen. “Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed.”

De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. “Die witte ganzerik daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te komen vertoonen.”

“Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een meelhoop gevlogen op een of andere boerderij.”

Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding onder het zwanenvolk opmerkte.

“Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen vreemden moeten zijn?” zei hij, en keek ontevreden.

Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren, en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug, en zag er heel verontwaardigd uit.

“Kun je niet maken, dat ze zwijgen?” riep de zwanenkoning haar toe.

“Daar ginds is een witte, wilde gans,” antwoordde Sneeuwrust. “Dat is immers een schande. ’t Verbaast me niet, dat hun dit ergert.”

“Een witte, wilde gans!” zei Dagaklar. “Dat is al te erg! Zooiets kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien.”

Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.

De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrecht [269]op Maarten, den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.

“Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen te komen!” riep hij.

“Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!” riep Akka, want zij begreep, dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En “Vlieg weg, vlieg weg!” riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit, om hem de veeren uit te trekken.

Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen de zwanen te vechten. Maar ’t was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.

’t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen, of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels, in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels, ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war door te roepen: “Schaam je, zwanen! Schaam je toch!”

De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken, maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen, zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan de overzijde van de baai.

De nieuwe kettinghond.

Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.

Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen slapen.

“Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten te krijgen,” dacht hij.

In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven, was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op een [270]stuk van een plank, die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op, en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.

Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in ’t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan, die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan, om naar het zwanennest te sluipen.

“Hei! Ho! Sta op! sta op!” schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn stok in ’t water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.

Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij kon goed loopen, maar ’t was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.

Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit, maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.

De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen, maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.

“De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen,” dacht hij.

Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.

“Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!” zei toen een van de mannen. “Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil.” De andere bleef staan, en keek om. “Weg met jou! Wat wil je hier?” zei hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep toch steeds meê. [271]

De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef buiten staan.

“Luister eens, kettinghond!” zei de jongen zacht, zoodra de mannen de deuren hadden gesloten. “Zou je me willen helpen om vannacht een vos te vangen?”

De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat hij zoo lang gebonden had gestaan: “Zou ik een vos moeten vangen,” blafte hij boos. “Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je die gekheid wel afleeren!”

“Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen,” zei de jongen, en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, dat hij geen woord kon zeggen.

“Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde ganzen,” zei de jongen. “Heb je nooit van mij gehoord?”

“Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt,” zei de hond. “Je schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als je bent.”

“Tot nu toe gaat het tamelijk goed,” zei de jongen. “Maar nu is het met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek.”

“Ja, zoowaar, ik ruik hem al!” zei de hond. “Dien zullen we wel gauw wegjagen.”

En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde een heele poos.

“Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen,” zei de hond.

“Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,” zei de jongen. “Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen nemen moet.”

“Begin je mij nu weer voor den gek te houden?” zei de hond.

“Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,” zei de jongen, “dan zal ik je zeggen wat je doen moet.”

De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te fluisteren.

Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand daarvan zitten nadenken, hoe hij hem [272]uit het hok zou lokken. Op eens stak de hond den kop naar buiten, en bromde:

“Ga weg. Anders pak ik je!”

“Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!” zei de vos.

“Ga weg!” zei de hond nog eens op dreigenden toon. “Anders ben je van nacht voor ’t laatst op de jacht geweest.”

Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.

“Ik weet wel hoever je ketting reikt.”

“Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd,” zei de hond, en kwam uit het hok. “Nu moet je maar oppassen.”

Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband losgemaakt.

Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich niet bewegen.

“Houd je nu stil,” zei de hond. “Anders bijt ik je dood.”

Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich niet verroeren.

“Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,” zei de jongen, toen hij klaar was. [273]

[Inhoud]

XXVII.

In Uppsala.

De student.

In den tijd toen Niels Holgersson door het land trok met de wilde ganzen, was er in Uppsala een buitengewoon flinke jonge student. Hij woonde op een klein dakkamertje, en was zoo zuinig, dat de menschen zeiden, dat hij van den wind leefde. Studeeren was zijn lust en zijn leven, en hij kwam vlugger vooruit dan al de anderen. Maar hij was daarom toch geen blokker of suffer, hij had er ook slag van met zijn kameraden plezier te maken. Hij was juist, zooals een student behoort te zijn. Hij had geen ander gebrek, dan dat het aan hem te merken was, dat alles hem meêliep. Maar dat kan den besten gebeuren. ’t Is niet zoo gemakkelijk voorspoed te dragen.

Op een morgen, toen de student juist wakker was geworden, lag hij er over te denken, hoe goed hij het toch had.

“Alle menschen houden van mij, mijn kameraden en mijn leeraars,” zei hij in zichzelf. “En wat gaat het toch prachtig met mijn studie! Vandaag moet ik voor het laatst naar mijn tentamen, en dan ben ik gauw klaar. En als ik maar op tijd klaar ben, krijg ik dadelijk een betrekking met een groot tractement. ’t Is merkwaardig, zooals alles me meeloopt. Maar ik doe ook zoo mijn best, dat het niet anders dan goed en gelukkig met me kan gaan.”

De studenten in Uppsala zitten niet in een schoolkamer om samen te leeren als schoolkinderen, maar ze studeeren ieder apart thuis op hun kamer. Als ze met een onderwerp klaar zijn, gaan ze naar hun professoren, en die nemen hun een examen af over het heele onderwerp tegelijk. Zulk een examen wordt “tentamen” genoemd, en ’t was juist het laatste en ’t moeilijkste, dat de student dien dag doen moest.

Zoodra hij gekleed was, en ontbeten had, ging hij aan zijn [274]schrijftafel zitten, om voor het laatst nog zijn boeken eens in te zien.

“Ik geloof wel, dat het onnoodig is, want ik heb me zoo goed voorbereid,” dacht de student, “maar ik moet maar zoo lang mogelijk werken; dan heb ik me niets te verwijten.”

Hij had nog niet lang zitten werken, of er werd aan de deur geklopt, en een student kwam binnen met een dik, oud boek onder den arm. Dat was een heel ander soort student dan hij, die daar aan de schrijftafel zat. Hij was verlegen en bedremmeld, en zag er armoedig uit. ’t Was iemand, die verstand van boeken had, maar ook van niets anders. Men zei van hem, dat hij heel geleerd moest zijn, maar hij was zoo bang en verlegen, dat hij nog nooit gewaagd had een tentamen te doen. Allen dachten, dat hij een “overblijver” zou worden, dat is: een student, die jaar in jaar uit in Uppsala blijft studeeren, maar waar nooit wat van terecht komt.

Nu kwam hij zijn kameraad vragen, of hij een boek wou lezen, dat hij geschreven had. ’t Was niet gedrukt, maar alleen met de hand geschreven.

“Je doet me een grooten dienst, als je dit eens wilt inkijken,” zei hij, “en eens zien of het goed is.”

De student, wien alles zoo meêliep, dacht: “Is ’t nu niet waar, wat ik zeg, dat alle menschen van me houden? Daar komt nu ook die kluizenaar, die ’t niet over zich heeft kunnen verkrijgen zijn werk aan iemand anders te laten zien, en wil, dat ik het beoordeelen zal!”

Hij beloofde zoo gauw mogelijk het handschrift te lezen, en de andere legde het voor hem op de schrijftafel.

“Wil je er heel voorzichtig meê zijn?” zei hij. “Ik heb hier vijf jaar lang aan gewerkt, en als het wegraakt, kan ik het niet overmaken.”

“Er zal hier bij mij niets aan komen,” zei de student, en de ander ging heen.

De student trok het dikke boek naar zich toe.

“Ik ben benieuwd, wat hij daar heeft zitten krabbelen,” zei hij. “O zoo, “De geschiedenis van de stad Uppsala.” Dat klinkt nog zoo gek niet.”

Nu hield die student meer van Uppsala dan van alle andere plaatsen, en hij verlangde te lezen, wat de overblijver over de stad had geschreven.

“Als ik er goed over denk,” mompelde hij, “kan ik even goed zijn geschiedenis dadelijk lezen! ’t Geeft toch niet, of ik tot het laatste oogenblik zit te blokken. Daar gaat het toch niet beter om, als ik eenmaal bij den professor zit.”

De student ging zitten lezen en keek niet op van de papieren, [275]eer hij het laatste blad gelezen had. Toen hij het uit had, was hij heel tevreden.

“Zie eens!” zei hij. “Dat is een drommelsch knappe vent. Als dit boek uitkomt, is zijn naam gemaakt. ’t Zal heerlijk zijn, hem te vertellen, wat dat voor een mooi stuk werk is!”

Hij nam alle losse bladen, waaruit het handschrift bestond, bij elkaar, en schikte ze weer in volgorde op de tafel. Terwijl hij daarmeê bezig was, hoorde hij een klok slaan.

“Lieve hemel! ’t Is al tijd om naar den professor te gaan,” zei hij, en liep haastig de kamer uit om zijn zwart pak te halen, dat in een kamertje op den zolder hing. Zooals het dikwijls gaat, als men haast heeft: slot en sleutel waren onwillig, en het duurde een poosje, eer hij weer terugkwam.

Toen hij op den drempel stond, gaf hij een schreeuw. In de haast had hij de deur open laten staan, toen hij heen ging, en het venster, waar de schrijftafel voor stond, was ook open. Er was een hevige tocht ontstaan, en nu zag de student de losse bladen van het handschrift door het venster naar buiten dwarrelen. Hij was met een sprong bij de tafel, en legde de hand op de papieren, maar er was niet veel meer van te redden. Nog maar een tien of twaalf lagen op de tafel. Al de andere dansten in den wind over huizen en daken.

De student boog zich over de vensterbank, en zag de papieren na. Een zwarte vogel zat op het dak buiten ’t dakvenster, en zag hem spottend plechtig aan.

“Is dat niet een raaf?” dacht de student. “Men zegt immers, dat een raaf ongeluk voorspelt.”

Hij zag enkele papieren op het dak liggen, en zeker had hij ten minste een gedeelte van het verlorene nog kunnen redden, als hij zijn tentamen niet had gehad om aan te denken. Maar hij meende, dat hij allereerst voor zijn eigen zaken moest zorgen. “Het gaat hier om mijn heele toekomst,” dacht hij.

Hij trok gauw zijn andere kleeren aan, en liep zoo hard hij kon naar zijn professor. Onderweg dacht hij aan niets anders, dan aan het verloren handschrift.

“’t Is een ellendige geschiedenis,” dacht hij. “’t Was ook ongelukkig, dat ik het zoo druk had.”

De professor begon hem vragen te doen, maar hij moest maar aldoor aan dat verloren handschrift denken.

“Wat zei de stumper ook weer?” dacht hij. “Had hij niet vijf jaar aan dat boek gewerkt, en had hij nu geen kracht meer om het over te schrijven? Ik weet niet, hoe ik hem zal durven zeggen, dat het weg is.”

Hij was zóó vol van wat er gebeurd was, dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Al zijn kennis was spoorloos verdwenen. [276]Hij hoorde niet, wat de professor vroeg, en wist heelemaal niet wat hij zelf antwoordde. De professor was verstomd over zoo’n onwetendheid, en kon niet anders dan hem laten druipen.

Toen de student weer buiten kwam, voelde hij zich diep ongelukkig.

“Nu krijg ik mijn betrekking niet,” dacht hij, “en dat is de schuld van dien overblijver. Waarom moest hij ook juist vandaag met het handschrift komen! Maar zoo gaat het, als men behulpzaam is.”

Op hetzelfde oogenblik zag de student, den jongen man, aan wien hij dacht, aankomen. Hij wilde er niet over spreken, dat het handschrift verloren was, eer hij een poging had gedaan om het terug te krijgen, en was van plan hem voorbij te loopen. Maar de ander liep daar bekommerd en ongerust, en wilde graag weten, wat de student van zijn boek zou zeggen. En toen hij hem voorbij zag loopen met een niet al te vriendelijk knikje, werd hij heel angstig. Hij klopte den student op den arm, en vroeg hem of hij iets had gelezen.

“Ik heb tentamen gehad,” zei de student, en wilde snel doorloopen. Maar de andere meende, dat hij hem ontwijken wilde, om niet te hoeven zeggen, dat hij niet met zijn boek was ingenomen. ’t Was hem, alsof zijn hart zou breken, omdat het werk, waar hij vijf jaar lang meê bezig was geweest, niet deugde, en hij zei tegen den student in zijn groot verdriet:

“Onthoud nu wat ik je zeg. Als mijn boek niet deugt, wil ik het niet meer zien. Lees het zoo gauw je kunt, en zeg me, wat je er van vindt. Maar als het niet deugt, moet je ’t verbranden. Dan wil ik het niet meer zien.”

Hij liep haastig door. De student zag hem na, alsof hij hem had willen terugroepen, maar hij bedacht zich, en ging naar huis.

Daar trok hij haastig zijn daagsche kleeren aan, en liep rond om naar het handschrift te zoeken. Hij zocht in de straten, op de markt en in het plantsoen. Hij ging de binnenplaatsen in, en liep zelfs tot buiten de stad.—Hij kon geen enkel blad vinden.

Toen hij op die manier een poos was doorgegaan, kreeg hij zoo’n honger, dat hij moest gaan eten. Maar aan tafel ontmoette hij alweer den overblijver. Deze kwam dadelijk naar hem toe, om iets van zijn boek te hooren. “Ik kom vanavond bij je, om er over te praten,” zei de student knorrig en stug. Hij wilde niet bekennen, dat hij het verloren had, vóór hij er heelemaal zeker van was, dat het niet kon worden teruggevonden. De andere werd doodsbleek.

“Denk er maar aan, dat je het moet vernietigen, als het niets waard is,” zei hij en ging heen. Hij was er nu heel zeker van, dat de student niet over zijn werk tevreden was.

De student liep weer haastig de stad in, en bleef zoeken, tot [277]het heelemaal donker was, zonder iets te vinden. Toen hij op weg naar huis was, kwam hij een paar kameraden tegen.

“Waar heb jij gezeten, dat je niet op ons lentefeest was?” vroegen ze.

“Ach, is het lentefeest geweest?” zei de student, “dat heb ik heelemaal vergeten.”

Terwijl hij met zijn kameraden stond te praten, kwam een jong meisje, waar hij veel van hield, voorbij. Ze keek niet naar hem, maar liep met een anderen student te praten, en lachte bizonder vriendelijk tegen hem. Toen herinnerde de student zich op eens, dat hij haar had gevraagd op het lentefeest te komen, opdat hij haar daar zou ontmoeten. En nu was hij zelf niet gekomen! Wat moest ze wel van hem denken!

Hij voelde een steek in ’t hart, en wilde haar gauw naloopen. Maar toen zei een van zijn vrienden: “Het is niet goed met Steenberg, dien overblijver, je weet wel. Hij is vanavond ziek geworden.”

“’t Is toch niet ernstig?” vroeg de student snel.

“’t Was iets aan ’t hart. Hij had een leelijken aanval, en het kan ieder oogenblik terugkomen. De dokter dacht, dat hij een of ander verdriet had. Of hij beter worden kan, hangt er van af, of dat verdriet kan worden weggenomen.”

Een oogenblik later kwam de student bij den overblijver binnen. Hij lag in bed, heel bleek en zwak, en was nog niet heelemaal hersteld van dien ernstigen aanval.

“Ik ben gekomen, om met je over je boek te spreken,” zei de student. “Dat is een uitstekend werk, moet je weten. Ik heb zelden zooiets moois gelezen.”

De overblijver ging recht overeind zitten, en keek den student strak aan.

“Waarom deed je zoo vreemd van middag?”

“Ik had het land, omdat ik voor mijn tentamen gedropen was. Ik dacht niet, dat je er zooveel om gaf, hoe ik je boek vond. Ik vond het bizonder mooi.”

De zieke zag hem onderzoekend aan, en werd steeds meer overtuigd, dat de student iets voor hem wilde verbergen.

“Dat zeg je nu maar, omdat je hebt gehoord, dat ik ziek was, en je wilt me troosten.”

“Neen zeker niet! ’t is een uitstekend werk, daar kun je zeker van zijn.

“Heb je ’t wezenlijk niet verscheurd, zooals ik ’t je vroeg?”

“Maar ik ben toch zoo dwaas niet, dat ik dat zou doen.”

“Haal het dan hier! Laat me zien, dat je ’t niet hebt verscheurd, dan zal ik je gelooven,” zei de zieke, en zonk weer in ’t kussen terug, zoo zwak en mat, dat de student bang was, dat hij een nieuwen aanval kreeg. [278]

’t Was vreeselijk! De student voelde zich zoo ellendig. Hij nam de handen van den zieke tusschen de zijne, en vertelde hem, dat zijn handschrift uit het raam was gewaaid; hij zei hem hoe ongelukkig hij dien heelen dag was geweest, omdat hij hem zooveel schade had gedaan.

Toen hij dat alles gezegd had, streelde de zieke zijn hand.

“Je bent goed, heel goed,” zei hij. “Maar je hoeft geen verhaaltjes te verzinnen om me te sparen. Ik begrijp heel goed, dat je hebt gedaan, wat ik gezegd heb, dat je mijn handschrift hebt vernietigd, omdat het niets waard was. En dat wil je nu niet zeggen. Je meent, dat ik het niet kan verdragen.”

De student verzekerde en bezwoer hem, dat hij de waarheid had gezegd, maar de andere hield vol, en wilde hem niet gelooven.

“Als je me ’t handschrift terug kunt geven, zal ik je gelooven,” zei hij.

Hij werd steeds zieker, en eindelijk moest de student wel heengaan, omdat hij zag, dat hij den andere maar erger maakte. Toen hij thuis kwam voelde hij zich plotseling zoo uitgeput van vermoeidheid, dat hij zich nauwelijks kon voortsleepen. Hij zette thee, en ging toen naar bed. Toen hij de dekens over zich heentrok, dacht hij er aan hoe gelukkig hij zich dien morgen had gevoeld. Nu had hij veel voor zichzelf bedorven, maar dat kon hij wel dragen.

“Het ergste is, dat ik er mijn heele leven aan zal moeten denken, dat ik een mensch ongelukkig heb gemaakt,” zei hij.

Hij meende, dat hij dien nacht niet zou hebben kunnen slapen, maar vreemd genoeg, hij sliep in, zoodra hij het hoofd op het kussen had gelegd.

Hij had niet eens de tijd om de lamp uit te doen, die op het nachttafeltje naast zijn bed stond.

Het lentefeest.

Maar nu gebeurde het, terwijl de student insliep, dat een dwergje, met een geel leeren broek aan, een groen vest en een wit puntmutsje op het hoofd, op het dak voor het venster zat, en dacht, dat hij, als hij maar in de plaats van dien jongen student was, die daar in bed lag, al heel gelukkig zou zijn.

Dat Niels Holgersson, die een paar uur geleden had liggen uitrusten op een toef dotterbloemen bij de Ekalsundbaai, nu in Uppsala was, kwam door dat Bataki, de raaf, hem mee had gelokt om op avonturen uit te gaan. De jongen zelf had er niet aan gedacht. Hij had tusschen de bloemen gelegen, en naar de lucht [279]gekeken, toen hij Bataki zag aankomen tusschen de wegtrekkende wolken door. De jongen had liever voor hem willen wegkruipen, maar Bataki had hem al lang gezien, en een oogenblik later stond hij midden tusschen de dotterbloemen in, en begon een praatje, alsof Duimelot en hij, de beste vrienden van de wereld waren.

Hoe somber en plechtig Bataki er ook uitzag, de jongen had wel gemerkt, dat zijn oogen ondeugend schitterden. Hij had een gevoel gehad, alsof de raaf gekomen was, om hem op een of andere wijze voor den gek te houden, en hij was besloten zich niet te storen aan wat hij zou zeggen.

De raaf had gezegd, dat hij er wel over had gedacht, dat hij Duimelot een vergoeding schuldig was, omdat hij hem niet had kunnen vertellen, waar het broederdeel was, en daarom kwam hij nu om een ander geheim meê te deelen, Bataki wist namelijk hoe iemand, die betooverd was, zooals hij, weer een mensch kon worden.

Dit is zeker, dat de raaf gedacht had, dat de jongen dadelijk op het lokaas zou toebijten, als hij met zóó’n lekker hapje hengelde. Maar de jongen had heel afwijzend geantwoord, dat hij wist, hoe hij weer mensch zou worden. Hij had alleen maar den witten ganzerik ongedeerd eerst naar Lapland en dan naar Skaane te brengen.

“Je weet, dat het niet zoo gemakkelijk is, een ganzerik behouden en wel door het land te brengen,” had Bataki toen gezegd. “Je kon nog wel eens een anderen uitweg noodig hebben, als je dat niet lukte. Maar als je het niet weten wilt, zal ik wel zwijgen.”

En toen had de jongen weer gezegd, dat hij er niets tegen had, als Bataki over dat geheim wilde spreken.

“Dat zal ik ook doen,” had Bataki verklaard, “maar niet voor het juiste oogenblik is gekomen. Kom op mijn rug zitten, en ga meê op mijn tocht, dan zullen we zien, of er zich niet een geschikt geval kan voordoen.”

Toen had de jongen weer geaarzeld, want hij wist niet recht, wat hij aan Bataki had.

“Je durft je niet aan mij toe te vertrouwen,” had toen de raaf gezegd.

Maar de jongen kon er niet tegen, dat men hem verdacht ergens bang voor te zijn, en een oogenblik later zat hij op den rug van de raaf.

Toen had Bataki hem naar Uppsala gebracht. Hij had hem op een dak neergezet, en hem verzocht rond te kijken, en hem gevraagd, wie hij wel meende, dat hier in deze stad woonde en regeerde.

De jongen had de stad overzien. Die was tamelijk groot, en lag prachtig midden op een wijde, onbebouwde vlakte. Daar waren veel huizen, die er aanzienlijk en voornaam uitzagen, en op een [280]bergtop lag een vast gemetseld slot met twee grove torens.

“Misschien wonen de koning en zijn gevolg hier,” had hij gezegd.

“Dat is nog niet zoo misgeraden,” had de raaf geantwoord. “Dit is vroeger een koningsstad geweest, maar nu is het uit met die deftigheid.”

De jongen had nog eens rondgekeken, en hij had vooral gelet op de groote domkerk, die in de avondschemering lag te schitteren met drie hooge torenspitsen, mooie portalen en versierde muren.

“Misschien wonen daar de bisschop en zijn priesters.”

“Dat is nog niet zoo misgeraden,” had de raaf geantwoord. “Hier hebben eens aartsbisschoppen gewoond, die even machtig waren als koningen, en hier woont nu nog een aartsbisschop, maar niet hij is ’t, die hier regeert.”

“Dan weet ik niet, wat ik bedenken moet,” had de jongen gezegd.

“Het is de geleerdheid, die hier in de stad woont en regeert,” had de raaf verklaard, en toen hadden ze heen en weer gevlogen en naar de groote huizen gekeken. Hier en daar hadden vensters open gestaan. De jongen kon dan naar binnen kijken, en hij zag, dat de raaf gelijk had.

Bataki had hem de groote bibliotheek laten zien, die van den kelder tot den zolder vol boeken was. Hij had hem naar de statige hoogeschool gebracht, en hem de prachtige voordrachtzalen laten zien. Hij was voorbij een oud gebouw gevlogen, dat Gustavianum heette, en den jongen had er door de vensters allerlei opgezette dieren gezien. Ze waren gevlogen over de groote kassen, met de vele vreemde planten, en ze hadden op de sterrenwacht neergezien, waar veel sterrenkijkers naar den hemel gericht stonden.

Ze waren ook voorbij veel vensters gevlogen, waar oude heeren met brillen op, zaten te lezen of te schrijven in kamers, waar de muren vol boeken stonden, en ze waren voorbij dakkamertjes gevlogen, waar de studenten op hun sofa’s lagen te werken uit dikke boeken.

Eindelijk was de raaf op een dak neergestreken.

“Zie je nu wel, dat het waar is, wat ik zei: dat de geleerdheid hier in de stad regeert?” had hij gezegd, en de jongen had erkend, dat hij gelijk had.

“Als ik geen raaf was,” had Bataki verder gezegd, “maar een mensch als jij, dan zou ik hier gaan wonen. Ik zou dag in dag uit in een kamer vol boeken zitten, en alles leeren, wat er in stond. Zou je daar ook geen lust in hebben?”

“Neen, ik geloof, dat ik liever met de wilde ganzen zou rondreizen,” had den jongen geantwoord.

“Zou je geen lust hebben zoo’n mensch te worden, die ziekten kan genezen?[281]

“Ja, misschien wel.

“Zou je geen lust hebben zoo’n mensch te worden, die alles weet, wat er in de wereld gebeurd is, die alle talen spreekt, en zeggen kan welke wegen zon, maan en sterren langs den hemel nemen?”

“Ja, dat kon ook wel prettig zijn.”

“Zou je niet graag het verschil tusschen goed en kwaad, tusschen recht en onrecht willen weten?”

“Dat zou wel noodig zijn,” had de jongen gezegd, “dat heb ik dikwijls gevoeld.”

“En zou je niet voor predikant willen leeren, en bij je thuis in de kerk preeken?”

“Vader en Moeder zouden wel erg blij zijn, als ik zoover kwam,” had de jongen geantwoord.

Op die manier had de raaf den jongen doen begrijpen, dat zij, die in Uppsala mochten wonen en studeeren, gelukkig waren, maar Duimelot had nog niet gewenscht een van die menschen te zijn.

Maar toen was het gebeurd, dat het groote feest ter eere van de lente, dat ieder jaar in Uppsala gevierd wordt, juist dien avond plaats had.

En zoo had Niels Holgersson de studenten gezien, die optrokken naar den Botanischen Tuin, waar het feest zou gevierd worden. Zij waren aangekomen in een breeden, langen optocht, met witte mutsen op het hoofd, en de heele straat had er uitgezien als een donkere stroom vol witte waterlelies. Witte zijden, met goud geborduurde vaandels hadden ze gedragen, en ze hadden lenteliederen gezongen onder het marcheeren. Maar Niels Holgersson had gevonden, dat het was, alsof ze niet zelf zongen, maar alsof het gezang boven hun hoofden zweefde. Hij vond, dat het was, alsof niet de studenten voor de lente zongen, maar alsof de lente ergens verborgen zat, en voor de studenten zong. Hij had niet gedacht, dat menschengezang zóó mooi kon klinken. Het was als het suizen in de naalden van de denneboomen, als de klank van staal, als het zingen van wilde zwanen aan den oever van de zee.

Toen de studenten in den tuin waren gekomen, waar de grasvelden in licht, teer lentegroen stonden, en de blaren van de boomen op ’t punt waren de knoppen te doen openspringen, waren ze blijven stilstaan voor een spreekgestoelte, en een jonge, deftig uitziende man was daarop geklommen, en had gesproken.

Dat spreekgestoelte was opgericht op de stoep van de groote broeikas, en de raaf had den jongen op het dak van de kas neergezet. Daar had hij rustig gezeten, en de eene toespraak na de andere gehoord. Eindelijk was een oud man op ’t spreekgestoelte geklommen. De oude had gezegd, dat het beste in ’t leven was: jong te zijn en je jeugd in Uppsala te mogen doorbrengen. Hij had gesproken over het heerlijke, vredige werken in de boeken, [282]en de rijke, zonnige, jeugdige vreugde, die nergens zoo goed genoten kon worden, als in den kring van de kameraden. En telkens was hij teruggekomen op het genot, te mogen leven met vroolijke, edelgezinde kameraden. Dat was het, wat de inspanning zoo prettig maakte, het verdriet zoo snel deed vergeten, en de hoop zoo deed schitteren.

De jongen had naar de studenten zitten kijken, die in een halven cirkel onder het spreekgestoelte zaten, en hij begon te begrijpen, dat het heerlijkste in de wereld was tot dien kring te behooren. Dat was een hooge eer, een groot geluk. Ieder van hen werd iets meer, dan hij alleen zou zijn geworden, omdat hij bij zulk een groep menschen hoorde.

Na de toespraak hadden de liederen weer geklonken, en na de liederen waren nieuwe toespraken gekomen. De jongen had nooit gedacht of begrepen, dat woorden zóó bij elkaar konden worden gevoegd, zoodat ze zulk een macht kregen om te ontroeren, op te wekken en blij te maken, als deze toespraken hadden.

Niels Holgersson had het meest naar de studenten gekeken, maar hij merkte wel, dat ze niet alleen in den tuin waren. Er waren daar jonge meisjes in lichte japonnetjes, met mooie zomerhoeden op, en nog vele andere menschen ook. Maar het ging als met hemzelf: ze schenen daar alleen gekomen te zijn, om naar de studenten te zien.

Nu en dan was er pauze tusschen de toespraken en de liederen, en toen had de menigte zich over den heelen tuin verspreid. Maar al gauw was er een nieuwe spreker opgetreden, en dadelijk hadden de hoorders zich weer om hem heen verzameld. En op die manier was het doorgegaan tot den avond.

Toen alles voorbij was, had de jongen diep adem gehaald, en zich de oogen uitgewreven, zooals men doet bij het wakker worden. Hij was in een land geweest, dat hij nog nooit te voren had bezocht. Van al die jonge menschen, die blij waren met het leven, en in de toekomst zagen, met de zekerheid te zullen overwinnen, waren vroolijkheid en geluk uitgegaan over allen, en de jongen was met hen in het land der vreugde geweest. Maar toen het laatste lied was weggestorven, had de jongen gevoeld, hoe droevig zijn eigen leven was, en het had hem tegen de borst gestuit nu weer naar zijn arme reisgenooten terug te keeren.

De raaf had naast den jongen gezeten, en was toen begonnen in zijn ooren te krassen.

“Nu Duimelot, nu zal ik je zeggen hoe je een mensch kunt worden. Je moet wachten, tot je iemand ontmoet, die tegen je zegt, dat hij graag in jouw schoenen wou staan, en met de wilde ganzen rondreizen. Dan moet je goed oppassen, dat je dit tegen hem zegt:....” [283]

En toen had Bataki den jongen een paar woorden geleerd, die zóó sterk en gevaarlijk waren, dat ze niet hardop gezegd kunnen worden, maar moeten worden gefluisterd, als men ze niet in vollen ernst wil gebruiken.

“Meer dan dat is niet noodig, als je een mensch wilt worden,” had Bataki eindelijk gezegd.

“Neen, dat geloof ik graag,” antwoordde de jongen, “want iemand, die verlangt in mijn schoenen te staan, zal ik wel nooit ontmoeten!”

“Dat is niet zoo onmogelijk,” had de raaf gezegd, en toen had hij den jongen de stad ingebracht, en hem op het dak, voor een dakvenster gezet. Een lamp brandde in de kamer, het venster stond op een kier, en de jongen had daar nu al een heel poosje gestaan, en er over gedacht hoe gelukkig de student wezen moest, die daar binnen lag te slapen.

Op de proef gesteld.

De student schrikte wakker uit zijn slaap, en zag, dat de lamp nog op het nachttafeltje stond te branden.

“Kijk eens, nu heb ik vergeten de lamp uit te doen,” dacht hij, en richtte zich op zijn elleboog op, om de lamp neer te draaien. Maar eer hij dat kon doen, merkte hij, dat er iets bewoog op zijn schrijftafel.

De kamer was heel klein. De tafel stond niet ver van zijn bed, en hij kon die duidelijk zien, met al de boeken en papieren, den inktkoker en de photografieën, die er op stonden. Zijn spiritustoestel en ’t theeblaadje had hij daar laten staan, en die zag hij ook. Maar het wonderlijkste was, dat hij even duidelijk als dat alles, een dwergje zag, die bij het botervlootje stond, en bezig was zich een boterham te maken.

De student had zooveel beleefd den vorigen dag, dat het hem bijna onverschillig was, wat hem nu verder overkwam. Hij was niet bang of verbaasd, maar vond, dat het heel natuurlijk was, dat de dwerg was binnengekomen om een hapje te eten.

Hij ging weer liggen, zonder de lamp uit te doen, en bekeek het dwergje met halfgesloten oogen. Die was nu gaan zitten op een presse-papier, en zat daar zich heel genoegelijk te goed te doen aan de overblijfselen van het avondeten van den student. ’t Was te zien, dat hij zich in het minst niet haastte. Hij zat met de oogen te knippen, en smakte met de tong. De oude broodkorstjes en de droge stukjes kaas waren zeker zeldzame lekkernijen voor hem. [284]

De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten.

“Hallo, jij daar!” zei hij. “Wat ben je voor een ventje?”

Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde, bleef hij staan.

“Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög,” zei hij, “en ik ben een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu reis ik rond met de wilde ganzen.”

“Dat is een zonderling verhaal,” zei de student, en begon den jongen te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had beleefd, sinds hij van huis ging.

“Jij hebt het maar goed,” zei de student. “Menigeen zou wel in jouw schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen.”

Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep, dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen, als de student de rechte woorden zou zeggen.

“Och, je zou niet met mij willen ruilen,” zei hij. “Wie eenmaal student is, kan toch nooit iets anders willen wezen.”

“Dat dacht ik vanmorgen ook, toen ik wakker werd,” zei de student. “Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is overkomen. Met mij is ’t nu uit! ’t Was wezenlijk het beste voor me, als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen.”

De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student de juiste woorden zou zeggen.

“Ik heb je nu verteld, hoe ’t mij ging,” zei hij tegen den student. “Vertel me nu ook, hoe jij het hebt.”

En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde eerlijk wat hem was gebeurd.

“Dat alles zou nu wel weer overgaan,” zei hij eindelijk. “Maar waar ik niet tegen kan—dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb gemaakt. ’t Was veel beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond, en met de wilde ganzen mocht rondvliegen.”

Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend, recht voor zich uit te kijken.

“Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren,” zei hij zacht tegen den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op, en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het een echte vreugdestad was. [285]

“Wat bezielt je toch?” vroeg de raaf. “Nu heb je de gelegenheid laten voorbijgaan om een mensch te worden.”

“Met dien student wil ik niet ruilen,” zei de jongen. “Dan kreeg ik immers maar verdriet over die weggewaaide papieren.”

“Daar hoef je geen zorg over te hebben,” zei Bataki. “Die kan ik je terug bezorgen.”

“Ik geloof wel, dat je dat kunt,” zei de jongen, “maar ik ben er nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van overtuigd zijn.”

Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt, en bracht den jongen het eene blad na het andere.

“Zie zoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt,” zei hij eindelijk, en ging hijgend op de vensterbank zitten.

“Ik dank je hartelijk,” zei de jongen. “Nu zal ik naar binnen gaan en met den student spreken.”

Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen rangschikte en glad streek.

“Jij ben toch de grootste stoffel, dien ik ooit gezien heb,” stoof Bataki op tegen den jongen. “Heb je nu dat handschrift aan den student gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij.”

De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij in zijn kamertje ronddanste in zijn hemd. En toen keek hij naar Bataki.

“Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen,” zei hij. “Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En dat wou ik niet doen.”

Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug. [286]

[Inhoud]

XXVIII.

Donsje.

Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans, Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon zelfs Akka niet weigeren.

Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en wijze vogels, maar ze hadden niet zoo’n zacht en glanzend veerenkleed als Donsje, en ook niet zoo’n lief en zacht karakter. Al sinds den tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond, dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de zusters haar altijd gehaat.

Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje’s familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in het oog.

“Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige, wilde ganzen op het eiland neer, zei Mooivleugel. “Ik heb zelden vogels gezien met zoo’n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem bijna voor een zwaan houden.”

Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep: “Zuster Mooivleugel, zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?”

Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan, en niets kon dan sissen.

“’t Is toch niet mogelijk, dat zij het is,” zei ze eindelijk. “Hoe is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou doodhongeren op Öland.” [287]

“Het ergste is, dat ze bij Vader en Moeder zal gaan babbelen en vertellen, dat wij zoo hard tegen haar aanvlogen, dat haar vleugel uit het lid ging,” zei Goudoogje. “Je zult zien, dat wij van de rotsen hier worden weggejaagd.”

“We hebben niets dan ergernis te verwachten, nu dat mismaakte wicht terug gekomen is,” zei Mooivleugel. “Maar ik denk toch, dat het om te beginnen ’t verstandigst is, dat we ons zoo blij toonen over haar thuiskomst, als ’t ons maar mogelijk is. Ze is zoo dom, dat ze misschien niet eens gemerkt heeft, dat we haar met opzet duwden.”

Terwijl Mooivleugel en Goudoogje zoo samen praatten, hadden de wilde ganzen op het strand gestaan, en hun veeren in orde gemaakt na den tocht. Nu trokken ze in een lange rij van het rotsige strand naar de kloof, waar Donsje wist, dat haar ouders zich gewoonlijk ophielden.

Donsje’s ouders hoorden tot de besten en aanzienlijksten onder de ganzen. Zij hadden langer op het eiland gewoond dan een van de anderen, en ze waren gewoon alle nieuwelingen te raden en te helpen. Ze hadden ook de wilde ganzen zien aankomen, maar ze hadden Donsje niet herkend in de menigte.

“Hoe vreemd, dat de wilde ganzen hier op de klippen landen,” had de oude ganzerik gezegd. “Wat een prachtige troep! Dat kun je al aan het vliegen zien. Maar ’t zal niet gemakkelijk zijn weiden voor zoo velen te vinden.”

“’t Is hier nog niet zoo overvol, dat we hen, die hier komen, niet kunnen ontvangen,” antwoordde zijn vrouw. Zij was even zacht en goed van karakter als Donsje.

Toen Akka aankwam met haar optocht, gingen Donsje’s ouders haar te gemoet, en wilden haar juist welkom heeten op het eiland, toen Donsje opvloog van haar plaats achter in de rij, en midden tusschen haar ouders neerstreek.

“Vader, Moeder, hier ben ik! Kent u Donsje niet meer?” riep zij.

Eerst konden de ouden niet goed begrijpen, wat zij zagen, maar toen herkenden zij hun dochter, en waren natuurlijk verbazend blij.

Terwijl nu de wilde ganzen en Maarten, de ganzerik, en Donsje zelf zoo ijverig mogelijk kakelden om te vertellen, hoe Donsje gered was, kwamen Mooivleugel en Goudoogje aanvliegen. Zij riepen al van verre haar zuster welkom toe, en toonden zich zoo blij, dat Donsje thuis was, dat ze er van aangedaan werd.

De wilde ganzen voelden zich goed thuis op de klippen, en er werd besloten, dat ze niet verder zouden trekken voor den volgenden morgen. Na een poosje vroegen de zusters Donsje, of ze met haar meê wilden gaan, om te zien, waar ze van plan waren haar nesten te bouwen. Zij ging dadelijk meê, en zag, dat ze [288]goed verborgen en beschutte broeiplaatsen hadden gekozen.

“En waar zul jij je nu vestigen, Donsje?” vroegen zij.

“Ik?” zei Donsje. “Ik ben niet van plan hier op de klippen te blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland.”

“Hoe jammer, dat je weer weg moet,” zeiden de zusters.

“Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven,” zei Donsje. “Maar ik heb den witten ganzerik al beloofd...”

“Wat!” riep Mooivleugel. “Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat is toch...”

Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg.

De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo’n verloofde had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik, hadden gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar hen wilden kijken.

“Daar treur ik me nog dood om,” zei Goudoogje. “Als jij het ten minste nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel.”

“Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft,” zei Mooivleugel.

De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien Goudoogje zou trouwen.

“Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt,” zei ze. “Maar daarentegen weet je ook zeker, wie hij is.”

“Wat meen je, Goudoogje?” vroeg Donsje.

Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten, of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden wel eens willen weten, of hij niet betooverd is.”

“Jelui zijn toch al heel dom,” zei Donsje geërgerd. “Hij is immers een tamme gans.”

“Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is,” zei Goudoogje, “en dus kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang, dat hij een zwarte zeeraaf is?”

Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang.

“Je meent niet, wat je zegt,” zei het grauwe gansje. “Je wilt me alleen maar bang maken.”

“Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje,” zei Goudoogje. “Ik kan me niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitgetrokken. [289]Als hij betooverd is, dan blijkt dat gauw. Is hij het niet, dan blijft hij zooals hij is.”

De jongen zat tusschen de ganzen, en luisterde naar Akka, die met den ouden ganzenhoeder praatte, toen Donsje aan kwam vliegen.

“Duimelot, Duimelot!” riep ze. “Maarten, de ganzerik, is op ’t punt te sterven. Ik heb hem vermoord.”

“Neem me op je rug, Donsje, en breng me bij hem,” riep de jongen.

Ze vlogen weg, en Akka ging meê met de wilde ganzen.

Toen ze bij den ganzerik kwamen, lag hij op het veld. Hij kon niets zeggen, maar snakte naar adem.

“Kittel hem onder aan den hals, en klop hem op den rug!” zei Akka.

Dat deed de jongen, en dadelijk hoestte de witte ganzerik een grooten wortel op, die in zijn keel was blijven zitten.

“Heb je daarvan gegeten?” vroeg Akka, en wees op een paar wortels, die op den grond lagen.

“Ja,” zei de ganzerik.

“Dan is ’t maar goed, dat ze je in de keel zijn blijven steken,” zei Akka. “Ze zijn vergiftig. Als je ze had ingeslikt, zou je zeker gestorven zijn.”

“Donsje vroeg me, of ik er van eten wou,” zei de ganzerik.

“Ik heb ze van mijn zuster gekregen,” zei Donsje.

“Dan moet je oppassen voor je zusters, Donsje,” zei Akka, “want ze meenen het zeker niet goed met je.”

Maar Donsje was zoo geschapen, dat ze van niemand iets kwaads denken kon, en toen Mooivleugel haar een poos later kwam vragen, of ze haar verloofde wilde zien, ging ze dadelijk meê.

“Ja, hij is niet zoo mooi als de jouwe,” zei de zuster. “Maar hij is des te dapperder en onversaagd.”

“Hoe kun je dat weten?” vroeg Donsje.

“Ja, dat zal ik je zeggen. De meeuwen en eenden hebben hier op de klippen een tijd lang zooveel geleden, want elken morgen voor zonsopgang komt hier een vreemde roofvogel, en neemt een van hen weg.”

“Wat is dat voor een vogel?” vroeg Donsje.

“Dat weten we niet,” antwoordde haar zuster. “Er is nooit zoo’n vogel hier op de klippen gezien. En het vreemde is, dat hij nooit een van ons ganzen aanvalt. Maar nu heeft mijn verloofde zich voorgenomen morgen met hem te vechten, en hem weg te jagen.”

“Als dat maar goed gaat,” zei Donsje.

“Neen, dat geloof ik niet,” zei de zuster. “Als nu mijn ganzerik maar even sterk en groot was als de jouwe, dan zou ik wel een beetje hoop hebben.” [290]

“Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan te vallen?” vroeg Donsje.

“Ja, dat zou ik zeker!” zei Mooivleugel. “Je kunt mij geen grooter dienst bewijzen.”

Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam, en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn vleugels waren reusachtig groot, en ’t was gemakkelijk te zien, dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel, die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken.

De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier.

Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik, op hem toe.

“Laat hem los!” riep hij. “En kom hier nooit meer terug! Anders krijg je met mij te doen.”

“Wat ben jij voor een dwaas?” zei de arend. “Je treft het, dat ik nooit met ganzen vecht. Anders zou ’t gauw met je gedaan zijn.”

Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht.

De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: “Duimelot! Duimelot! Maarten, de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!”

“Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem,” zei de jongen.

Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en erg gekwetst, maar hij vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niet anders te doen, dan beter hulp halen.

“Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!” riep hij.

Maar op eens hield de arend met vechten op.

“Wie spreekt daar over Akka?” vroeg hij.

En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde, sloeg hij de vleugels uit.

“Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep hier aan zee te ontmoeten,” zei hij, en zweefde weg in snelle en fraaie vlucht.

“Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft teruggebracht,” zei de jongen, en zag hem verwonderd na.

De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken, maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten, kwam een bergeend op Donsje af. [291]

“Ik moet je de groeten van je zusters doen,” zei ze. “Ze durven zich niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den ouden visscher ben geweest.”

“Dat is waar ook,” zei Donsje.

Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meê naar de hut te gaan.

Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven, en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met de wilde ganzen weg van de klippen.

Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende vleugelslagen. “Akka, keer om, Akka, keer om!” riep hij snel. “We zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!”

Nauwelijks had hij dat gezegd of de grauwe gans gaf zoo’n akeligen, boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort.

’t Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel, maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer, dat zij zouden kunnen ontkomen.

Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen visscher zat.

Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen. [292]

[Inhoud]

XXIX.

Stockholm.

Voor eenige jaren was er in de “Schans”, den grooten tuin buiten Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar ’t was ’t meest ’s middags, dat hij als speelman moest optreden; ’s morgens zat hij gewoonlijk op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken van het land naar de Schans waren overgebracht.

Klement meende in ’t begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder ’t wacht houden. ’t Ging nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.

Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, en Klement had hem vaak ontmoet.

De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.

“Je mag zien, wat ik heb, Klement,” antwoordde de visscher toen, “als je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan.” [293]

Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.

“Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken gekregen?” vroeg hij.

Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van ’t kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om ’t kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van ’t kleine volkje.

Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.

“Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?” vroeg hij.

“Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken,” zei Asbjörn. “Hij is bij mij gekomen. Ik was vanmorgen vroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in ’t oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in ’t water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken.”

“Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?”

“O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was.”

Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van ’t kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. ’t Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.

“Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn,” zei hij.

“Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen,” zei de visscher. “Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar ’t heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruit waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen en bliezen; en als ik [294]uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten zeker, dat hij daar in ’t venster stond, want ze lieten me heengaan zonder me te vervolgen.”

“Zegt hij niets?” vroeg Klement.

“Ja, in ’t begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht.”

“Maar Asbjörn,” zei Klement. “Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?”

“Ik weet niet, wat hij is,” zei Asbjörn kalm. “Dat moeten anderen maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem zou willen geven.”

Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst geraakt ter wille van dat dwergje. ’t Was hem precies, alsof zijn moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor ’t kleine volkje wezen moest.

“Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn,” zei hij. “Maar als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven.”

Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem had, en zoo’n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod van Klement aan.

De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in den mond.

“Luister nu naar wat ik zeg,” zei Klement. “Ik weet wel, dat volkje als jij ’t niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat, knik dan drie keer met je hoofd.”

Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde zich niet.

“Je zult het goed hebben,” zei Klement. “Ik zal elken dag eten voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen [295]zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan.”

Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar hij bewoog zich niet.

“Ja, dan zit er niets anders op,” zei Klement, “dan dat ik je aan mijn baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken.”

Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.

“Zie zoo, nu is ’t in orde,” zei Klement, nam zijn mes, en sneed het touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging hij haastig naar de deur.

De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om Klement Larsson te danken, was die al weg.


Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, want hij bleef staan, en sprak hem aan.

“Goeden dag Klement,” zei hij. “Hoe gaat het? Je bent toch niet ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben.”

Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met zijn verlangen naar huis.

“Wat?” zei de oude heer. “Verlang je naar huis, als je in Stockholm ben? Dat is toch niet mogelijk.”

En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.

“Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist, zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê, naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen.”

Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.

Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar [296]nu de stad op eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed in ’t water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar kwam, er graag wilde blijven.

Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met de hand, en de andere bleef op een afstand staan.

De deftige oude heer zei nu tegen Klement:

“Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de bekoring komen.”

Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, rood boek en een brief aan Klement.

Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij moest absoluut naar huis, zei hij.

“Waarom? Kun je hier niet wennen?” zei de directeur.

“Ja, ik heb het hier best,” zei Klement. “Ik heb nu geen heimwee meer. Maar ik moet toch naar huis!”

Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn heimwee te genezen.

’t Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het thuis te vertellen?

Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij zou heel anders geacht en geëerd worden.

En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest. [297]

[Inhoud]

XXX.

Gorgo, de arend.

In het rotsdal.

Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, dat uitstak uit een steilen bergwand. ’t Was van dennetakken gemaakt, die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter breed en bijna even hoog als een Lappenhut.

De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot dal, dat ’s zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. ’t Lag zoo tusschen de bergen verborgen, dat er niet velen waren, die ’t kenden, niet eens onder de Laplanders. Midden in ’t dal lag een klein rond meertje, waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar begeeren kon.

Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.

Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een afstand.

Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in ’t dal had doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, om te zien of ze in [298]’t dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.

De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over ’t broeden en over ’t verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.

Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.

“Ik word zeker oud en suf,” dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. “De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn.”

Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen ’s avonds in ’t oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.

Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.

“Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?” dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.

Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In ’t heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.

Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. ’t Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In ’t nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.

Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand [299]van het nest zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want ze verwachtte ieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.

“Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt,” riep het arendsjong. “Breng me dadelijk eten!”

“Nu, nu, maak niet zoo’n haast,” zei Akka. “Vertel me eerst, waar je vader en moeder zijn.”

“Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. ’t Is schande, dat moeder me zoo’n honger laat lijden.”

Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood lieten hongeren, misschien voor goed ’t heele roovervolk kwijt zou zijn. Maar toch ging het haar aan ’t hart een verlaten jong niet te helpen, zoo goed ’t haar mogelijk was.

“Waar zit je zoo naar te turen?” zei de jonge arend. “Hoor je niet, dat ik eten wil hebben?”

Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden in ’t dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in ’t arendsnest, met een jonge zalm in den bek.

De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.

“Meen je, dat ik zooiets eten kan!” zei hij, schoof den visch op zij, en probeerde Akka te pikken. “Breng me een hoen of een muis, hoor je!”

Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken pik in den nek.

“Ik zal je eens wat zeggen,” zei de oude gans. “Als ik je eten zal geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, dan zal ik je dat niet beletten.”

Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk op, hoewel ’t aan hem te zien was, dat hij ’t allerakeligst vond.

Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde hem een goede opvoeding [300]te geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.

Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.

“Gorgo,” zei Akka op een dag tegen hem. “Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in ’t dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in ’t dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten.”

Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.

Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in ’t meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.

“Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?” vroeg hij.

“Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag,” zei Akka. “Maar wees daar maar niet bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden.

Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op, dat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.

“Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?” vroeg hij. “Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen.”

“Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde,” zei Akka. “Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden.” [301]

Toen de arend goed kon vliegen, leerde hij zichzelf visschen en kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.

“Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?” zei hij. “Dat doen de andere jonge ganzen niet.”

“Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je boven op de rotsen woonde,” zei Akka. “Maar wees er maar niet bedroefd om, je zult toch wel een flinke vogel worden.”

Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk zóóveel rappe tongen te binden.

“Waarom noemen ze mij toch een arend?” vroeg Gorgo onophoudelijk, en werd meer en meer geprikkeld. “Zien ze dan niet, dat ik een wilde gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe durven ze mij zoo’n leelijken naam geven?”

Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den mesthoop liepen te pikken.

“Een arend, een arend!” riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op ’t veld, en sloeg zijn klauwen in een van de kippen.

“Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!” riep hij boos en pikte naar haar met den snavel.

Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, en begon hem te tuchtigen.

“Wat doe je daar,” riep ze, en pikte naar hem. “Was je misschien van plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?”

Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.

Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde ganzen.

“Nu weet ik wie ik ben,” zei hij tegen Akka. “Omdat ik [302]een arend ben, moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik nooit aanvallen.”

Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.

“Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een vogelverslinder?” vroeg ze. “Leef, zooals ik het je heb geleerd. En dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan.”

Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.

Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjes speelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat hij nooit een wilde gans had aangedurfd.

In gevangenschap.

Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.

De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht voor zich uit zonder iets te zien, [303]en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.

Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.

“Wie roept me daar?” vroeg hij.

“Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog.”

“Is Akka ook gevangen?” vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.

“Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op het oogenblik,” zei de jongen. “Ik alleen zit hier gevangen.”

Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.

“Koningsarend!” riep de jongen. “Ik ben nog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!”

Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.

“Stoor me niet, Duimelot!” zei hij. “Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen.”

“Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,” vermaande de jongen. “Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden.”

“Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen,” zei de arend.

Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.

“Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?” vroeg hij.

“’t Is Duimelot, Gorgo,” antwoordde de jongen. “Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen.”

De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.

“Ik ben een groote vogel, Duimelot,” zei hij. “Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. ’t Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat.”

“Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij,” antwoordde de jongen. “Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben.” [304]

Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.

Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.

“Probeer het nu, Gorgo,” zei hij.

De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.

Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.

De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat ’t hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.

“Was ik maar niet door mijn belofte gebonden,” dacht hij, “dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou.”

’t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.

“Een van ’t kleine volkje woont hier op de Schans,” had hij gezegd, “en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?”

De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar den trein.

De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om [305]een schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.

Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen—ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.

“Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn,” dacht de jongen. “Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo’n mooien morgen. ’t Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooid met groen gras en mooie bloemen.”

Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.

“Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,” zei Gorgo. “Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen.

“Neen, dat is onmogelijk!” zei de jongen. “Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan.”

“Wat vertel je toch voor onzin,” zei Gorgo. “Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo’n belofte niet hoeft na te komen.”

“Ja, dat moet ik toch,” zei de jongen. “Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen.”

“Zoo, kan ik dat niet?” zei Gorgo. “Dat zul je eens zien.” En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden. [306]

[Inhoud]

XXXI.

Over Gästrikland.

De kostbare gordel.

De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in ’t bosch, en liet den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.

Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.

“Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?” vroeg hij.

“Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je hebt niets over mij te zeggen,” zei de jongen, en probeerde weg te komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.

De jongen zag dadelijk, dat ’t hier niet mogelijk was, den arend te ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, en om hem heen bruiste wild ’t water van den stroom. Hij was er verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder had gehad.

“En nu begrijp je misschien, Duimelot,” zei hij eindelijk, “waarom ik je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van plan [307]je te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden.”

Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. “Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt,” zei hij, “maar ik ben door mijn belofte gebonden.”

En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem zijn vrijheid te geven.

Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. “Luister nu, Duimelot!” zei hij. “Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft.”

Dat vond de jongen een goed voorstel.

“Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo’n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad,” zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.

“We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, van den grooten berg tot Hornsland,” zei de arend. “En morgen zal je met den man kunnen spreken.”

“Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden,” zei de jongen.

“Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,” antwoordde Gorgo.

Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.

Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op ’t veld was neergesprongen, zei de arend: “Hier is wild in ’t bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent toch niet bang, als ik je alleen laat?”

“O neen,” zei de jongen.

“Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben,” zei de arend, en vloog weg.

De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschen [308]werd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde.

De dag van ’t bosch.

Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan ’t frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op.

De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.

Maar op een dag in ’t begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok. [309]

De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die ’t dichtst bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch binnendrongen.

Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.

Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, lagen daar zonder wormen, zonder boschsterren, zonder witbloeiend wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van ’t bosch bekleedt.

Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten stumper weer aan een beetje leven helpen.

Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.

Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.

Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en ’t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.

“Ja, ’t was maar goed, dat we kwamen,” zeiden de kinderen. “’t Was hoog tijd!” [310]

En ze voelden zich verbazend gewichtig.

Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. ’t Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar ’t zou toch wel aardig wezen te zien, hoe ’t ging.

En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar ’t bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.

“Gaan jelui naar de brandplaats?”

“Ja.”

“Om naar de kinderen te kijken?”

“Ja, om te zien hoe ze zich redden.”

“Dat wordt toch maar een spelletje.”

“Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen.”

“We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen.”

Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.

Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo’n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.

En nu ging ’t zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan ’t werk gingen meêdoen. Toen werd het natuurlijk veel prettiger, dan ’t eerst was geweest. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.

Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: “Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?”

“O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan ’t boomen planten!”

Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in ’t voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender. [311]

’t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. ’t Was niet alleen te doen om ’t gewas van een zomer, maar om den groei van vele jaren. ’t Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en ’t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste bergvlakte. En dan ook ’t was als een gedenkteeken, dat men voor ’t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een prachtig bosch krijgen.

En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken. [312]

[Inhoud]

XXXII.

Een dag in Hälsingland.

Een groot groen blad.

Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de akkers. ’t Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.

“Dit land lijkt wel een blad,” dacht de jongen. “Want het is zoo groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, als de nerven over een blad.”

’t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.

Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.

Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. ’t Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om te [313]zorgen, dat die niet omviel, want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.

De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in ’t bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken takken heen, en hoe ’t dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.

Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in ’t bosch, waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van ’t groene, sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om een platten steen buiten, en begonnen te eten.

Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar ’t eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij hem vond.

Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters melkten de koeien.

“Zie daar eens heen,” zei Gorgo. “Nu geloof ik, dat we hem hebben.”

Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson brandhout te hakken op de zomerweide.

Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.

“Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb,” zei hij, en boog fier den kop achteruit. “Nu moet je probeeren met den [314]man te spreken. Ik zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten.”

De nieuwjaarsnacht van de dieren.

’t Werk op de zomerwei was afgeloopen en ’t avondeten gebruikt, maar de menschen zaten nog te praten. ’t Was lang geleden, dat ze op een zomernacht in het bosch waren geweest, en ’t scheen, dat ze er niet toe konden komen te gaan slapen. ’t Was helder dag, en de veehoedsters waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze ’t hoofd op, zagen ’t bosch in, en lachten in zichzelf.

“Ja, nu zijn we hier weer,” zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar gedachten, en ’t bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, dat ze hier toch haar besten tijd hadden.

Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op voor bekenden in ’t dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.

Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:

“We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier naast me, en de andere Bernhard van ’t Sunnanmeer, die naar den Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons ’t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien.”

Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, scheen het hem ’t verstandigste om iets dergelijks te kiezen. [315]

“Honderden jaren geleden,” begon hij, “gebeurde het, dat een proost hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in een dorp in ’t bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.

Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te zijn. ’t Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.

Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld was. ’t Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in den grauwen nacht in ’t wilde bosch, met de teugels los neerhangende, en zijn gedachten ver weg.

De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het bosch nog even dicht om hem heen stond als aan ’t begin van de reis, was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan ’t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.

’t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote hoeven en dorpen lagen in ’t noorden van de gemeente om de Dellen heen, en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, dat hij nog in ’t zuiden van de gemeente was, en dat hij naar ’t noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar ’t zuiden, en niet naar het noorden reed. ’t Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk te [316]keeren, maar hij bedacht zich. ’t Paard was vroeger nooit verdwaald, en dat was het ook nu zeker niet. ’t Was waarschijnlijker, dat hij zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.

Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.

Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, waar nog geen vastgetrapt pad was. ’t Paard liep toch door, en toonde geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.

Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, en liep opnieuw regelrecht het bosch in.

De proost was er zoo zeker van, als ’t maar kon, dat het paard verkeerd liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.

’t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.

“Als hij maar thuiskomt voor kerktijd,” dacht de proost.

“Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam.”

Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel gauw op een plaats, die hij herkende. ’t Was een klein boschmeertje, waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, en ’t paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de pastorie te brengen, als ’t maar mogelijk was.

De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot hij te voet te gaan, en ’t paard te leiden, tot ze weêr op bekende wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.

Dat was geen kleinigheid, door ’t bosch te loopen met een zwaren pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor inspanning. [317]

’t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.

Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.

“We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,” zei hij.

Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.

Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.

“Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde,” scheen het te zeggen. “Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?”

De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. ’t Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.

“Ga je gang maar,” zei hij. “Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost in Delsbo kunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was.”

Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. ’t Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en ’t ging bijna den heelen tijd naar boven. ’t Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo’n terrein te laten loopen.

“Je bent toch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te gaan,” zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.

Onder ’t rijden begon de proost te merken, dat hij en ’t paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dieren [318]zich een weg baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met de wilde dieren zou brengen.

Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner het bosch werd.

Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was met sombere bosschen. ’t Was zóó donker, dat hij moeite had het te onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.

“Ja ja! ’t Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,” dacht hij. “Dit kan geen andere berg zijn. Daar in ’t westen zie ik den heuvel van ’t Järomeer, en in ’t oosten glanst de zee om ’t Ag-eiland heen. In ’t noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat is toch een avontuur!”

Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, zoodat hij vrij kon uitzien.

De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort Ting te houden.

’t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over de geheele [319]plaats, heel tot den zoom van ’t bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.

Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in ’t bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in ’t haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.

Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als ’t ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.

“Dit is immers volkomen onmogelijk!” dacht hij. “Ik heb zeker te lang in ’t donkere bosch gereden. ’t Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden.”

Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.

Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij ’t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren door een woest veld baan braken.

’t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna ’t jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en ’t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.

’t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. ’t Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.

De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree, [320]die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de wilde dieren voorbij.

Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.

Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in ’t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in klagen uit.

Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme dieren aanwijst, die in ’t volgend jaar een prooi van de roofdieren zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.

Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar de boschree, die daar streng en ernstig stond, en ’t eene dier na het andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar geiten. ’t Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.

De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun huisdieren houden.

“Ze moesten ’t maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo gebeuren,” dacht hij. “Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten veroordeelen door de boschree.”

De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. ’t Begon over alle leden te beven, en baadde in ’t zweet.

“O zoo, nu is ’t jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en geoordeeld te worden,” zei de proost tegen ’t paard. “Maar wees jij maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, en ik zal je niet in den steek laten.” [321]

De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschree dragen.

Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.

In ’t begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.

Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.

De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die ’s winters gewoonlijk op ’t woeste veld rust.

Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over ’t veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.

Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of ’t een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was.”

Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden ’t bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.

Maar Klement begon onvervaard te vertellen. “Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis,” zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat het [322]niet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en ’t mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.

Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: “Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen,” zei ze. “Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik.”

Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.

“Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,” zei Klement. “Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet.”

Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. ’t Was onmogelijk te begrijpen, waar die vandaan kwam.

“O wee! Klement!” zeide de veehoedster, “’t lijkt wel, of ’t kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten.” [323]

[Inhoud]

XXXIII.

Een morgen in Angermanland.

Het brood.

Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.

Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.

“Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd,” dacht hij. “’t Is zeker, omdat ik het op zoo’n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd.”

Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in ’t oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.

Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo’n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.

Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.

“Waarom heb je dat niet eerder gezegd?” had hij gevraagd. “Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt.”

Dadelijk daarop had de arend een boer in ’t oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst had [324]hangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.

Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. ’t Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.

“Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!” riepen ze.

En ze hadden zoo’n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.

’t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo’s. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.

En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op ’t veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.

Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.

De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.

Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.

“Wat deed die vreemd,” had ze gezegd. “Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben.”

’t Was zoo’n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en ’t boven haar hoofd gehouden.

“Kom ’t maar halen, als je ’t hebben wilt,” riep ze.

De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In [325]vliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.

Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar ’t had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.

En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had ’t zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.

“Als ik ooit weer een mensch word,” had de jongen gedacht, “zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was.”

De boschbrand.

Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar ’t kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.

’t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker ’t meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.

De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. ’t Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo’n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand. [326]

De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men een roode vlam in den rook zien. ’t Was wel een geweldige brand, die daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar kon toch ook geen groote boerderij in ’t bosch verborgen liggen!

’t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo’n brand te doen ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa’s op. Er was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.

Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? ’t Was niet waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. ’t Zou toch zeker ’t beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.

’t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die ’t dichtste bij hem lag. Daar stond op ’t hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in ’t morgenlicht gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó mooi was hij nog nooit geweest, maar ’t was ook voor ’t laatst, dat hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de vlakte, die vuur vatte, en ’t was onbegrijpelijk hoe de brand hem had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.

Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de bergvlakte. ’t Vuur in ’t bosch was zeker allebei: vogel en slang. ’t Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. ’t Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.

De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog ook boven in den top van [327]den den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.

Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.

Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.

Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.

Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. ’t Zou zeker niet lang meer duren, voor ’t vuur in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. ’t Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. ’t Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.

Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit, [328]opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.

Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in ’t water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. ’t Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.

Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze ’t niet uit konden houden. Maar ’t werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.

De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.

Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.

Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van ’t vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.

De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu ’t bosch gered was, begon ’t gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.

Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door ’t bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar. [329]

[Inhoud]

XXXIV.

In Lapland.

Alleen al weer veilig op Gorgo’s rug te zitten, na al den angst, dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.

“Nu komen we in Lapland,” had Gorgo gezegd, en de jongen had zich voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van had gehoord.

Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar af. De groote eentonigheid had hem op ’t laatst zóó slaperig gemaakt, dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.

Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon zitten, en dat hij een poos slapen moest.

Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in ’t mos neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen, en was weer met hem de lucht ingevlogen.

“Slaap jij maar, Duimelot,” riep hij. “De zonneschijn houdt me wakker, en ik wil de reis voortzetten.”

En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen kwamen vol uitgegroeide [330]booneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.

Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om ’t hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.

De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en goedheid glansde.

“Vooruit,” riep ze onophoudelijk. “Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!”

“Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen,” zei de jongen in zichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde dadelijk: “Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener.”

De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes en de patrijzen.

Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.

Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.

“Waarom gaat de eik niet verder meê?” vroeg de jongen.

“Hij is bang voor den grooten versteener,” zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.

Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: “Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik er bij ben!” [331]

De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.

De jongen keerde zich naar de achterblijvers.

“Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den steek?” vroeg hij.

“We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in Lapmarken woont,” antwoordden ze.

Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.

Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. ’t Waren allerlei stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.

“Waarom hebben ze zoo’n haast?” vroeg hij.

“Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen woont,” antwoordde een sneeuwhoen.

Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.

“Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!” riep de zon, en rolde de steile wanden van de bergen op.

Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.

De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven, die opstonden, en den bek opensperden, [332]toen de zon zich vertoonde. En uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.

“Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn,” dacht de jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.

De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer zoo erg. Maar op eens riep de zon: “Nu is mijn tijd uit!” en rolde achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, en begonnen achter de zon aan te vliegen.

“Jaag ze weg! Drijf ze voort,” riep de toovenaar. “Jaag ze zoover weg, dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!”

Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe zou hij er achterkomen, waar hij was?

Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.

“Dat is zeker zoo’n arendsnest, als Gorgo...”

Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van ’t hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: “Hoera!” Hij begreep, waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en alle reisgenooten weerzien.

De aankomst.

De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. ’t Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakker [333]waren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. ’t Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar ’t was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.

De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, ’t waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.

Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.

Hij had zoo’n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.

In ’t volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.

Toen hij bij ’t volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.

Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.

Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.

“Goeden morgen, Moeder Akka!” zei de jongen. “Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken.”

De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.

Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden. [334]

“Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans,” zei de jongen. “En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: “Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug. En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?”

“Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan,” zei de leidstergans.

“Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is,” zei de jongen. “Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo’n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien ’t beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?”

“Neen, dat was niet goed,” zei Akka. “Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden.”

“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka,” zei de jongen. “Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden.” [335]

Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads.

In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar een bed op den grond gemaakt. ’s Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en ’s morgens was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.

Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als ’t hun maar mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat ’t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden ’t niet gedaan. Misschien waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.

Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de kleine [336]kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij ver weg in vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.

De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon ’t toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. ’t Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer—dat was na de derde begrafenis—was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo’n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!

Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.

Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd ’t meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het ’t beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op ’t punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.

Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In ’t begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was ’t hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, en was [337]opgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich had, zei ze alleen: “Zij zullen ook gauw sterven.”

Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.

Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in plaats daarvan over haarzelf gekomen. ’t Was gauw gegaan met Moeder, nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in ’t begin van den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de kinderen alleen gelaten.

Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je ’t er na maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.

Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor zichzelf zorgen, dat wist ze.

De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had gezegd: ze zorgden voor zichzelf. ’t Meisje kon balletjes maken, en de jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon toevertrouwen. ’t Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster zei van hem, dat hij om ’t hardst kakelde met de ganzen op ’t veld.

Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van die vreeslijke ziekte, die ieder [338]jaar zooveel menschen in Zweden deed sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.

Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.

De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel vriendelijk naar hen geluisterd.

De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.

Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een andere ziekte wezen.

Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.

Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?

Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte ’t heele land over werd aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.

Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.

Waar moesten ze dan naar toe?

Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord. [339]En nu was het hun plicht dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over loopen tobben.

De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.

Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een bijzonder mooien tocht.

Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.

“Neen maar! Neen maar!” zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.

“Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen is,” zei de boerin.

Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als ze van een boerderij weggingen, zei men: “Als jelui daar en daar komen, moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen.”

In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een borstlijder. En zonder dat ze ’t zelf wisten, gingen die twee kinderen door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de spons en den borstel, de groene zeep [340]en de witte gebruiken. Binnen en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.

De dood van kleine Mads.

Kleine Mads was dood. ’t Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.

Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.

“Ga niemand anders roepen,” had hij gezegd, toen het einde naderde, en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.

“Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa,” had hij gezegd. “Jij ook niet?”

En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: “Ik vind het niet erg om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien.”

Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot mensch.

’t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat ongewoon was.

Asa zat er aan te denken hoe ’t hun was gegaan, toen ze naar den Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die wenkbrauwen waren ’t merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar weken [341]zou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.

Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven. [342]

[Inhoud]

XXXV.

Bij de Laplanders.

De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven, en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.

“Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb,” snikte zij.

’t Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad, zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar hoofd neerlegde. En ’t was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat, waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads springlevend bij haar in de kamer kwam.

“Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken,” zei hij.

“Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is,” antwoordde ze.

“Wees daar maar niet ongerust over!” zei kleine Mads vlug en vroolijk, zooals gewoonlijk. “Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal.”

Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze: “Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen.” [343]

Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was, was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het ’t zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet, terwijl ze door ’t land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.

“Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen zou, om me te helpen Vader te vinden,” dacht ze.

En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen om bij hem te komen.

Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand, die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.

Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies, wat hij had geraden.


Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen, van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd, een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan den gang was. ’t Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes, die [344]gebouwd werd in een streek, zóó ver naar ’t noorden gelegen, dat de kleine verschrompelde berkjes, die ’t veld bedekten, hun bladen niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.

Ten westen van het meer lag ’t veld vrij en open, en daar hadden een paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich eerst maar een droge en prettige plaats bij ’t meer uitgezocht, en toen hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om ’t dak te leggen en te dekken, of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen, om hun huis in te richten of te meubileeren. ’t Voornaamste was, dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden, en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken, aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen werd vastgemaakt.

De kolonisten aan den oostkant van ’t meer, die zoo ijverig werkten om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen, verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in ’t hooge noorden al veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken, dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten, die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.

Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure, en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren, kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten koffiedrinken.

Terwijl de Laplanders druk aan ’t praten waren onder de koffie, kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen de dertien en veertien jaar.

De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. ’t Was een goede vriend van de Laplanders, [345]een vriendelijk en spraakzaam man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij in de tent moest kruipen.

“Je komt als geroepen, Söderberg!” zei hij. “De koffiepot staat op ’t vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel ons wat nieuws.”

De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen te zien; naar de pan en de koffietafel, naar ’t vuur en den rook, naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden, naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen, naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. ’t Was alles nieuw voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was.

Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer, want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats, waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den schouder, knikte en zei in ’t Zweedsch: “Goed, goed.” Een Laplandsche vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar lag hij haar maar aan te kijken.

’t Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd, of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan) om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg, die Lapsch kon spreken, met haar over ’t meer gestuurd, om naar haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in ’t kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent, maar allen waren ’t Laplanders. Haar vader was daar niet.

Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op ’t voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken, [346]die niet bij zijn volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg, wat de Laplanders van haar vader wisten.

“Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan,” zei de arbeider. “Ze weten niet, of hij nog vanavond hier in ’t kamp terug kan zijn, maar zoodra ’t weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken.”

Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer over Jon Assarsson te vragen.


’t Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa’s vader zou gaan zoeken, maar hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. ’t Moest zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag, dat hij ’t niet verdragen kon.

Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van ’t leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen ’t daar beter hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden, en dat zei ze ook.

“Je weet niet, wat je zegt,” zei Aslak. “Blijf maar een week bij ons, en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn.”

“Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook in de tent,” zei Asa.

“Zeg dat niet,” zei de Laplandsche jongen. “Je weet niets van ons. Ik zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen.”

Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe ’t hier was in den tijd toen een ziekte, die ze “de zwarte dood” noemden, door ’t land was gegaan. Hij wist niet, of die ook in ’t echte Sameland was geweest, waar ze nu waren, maar in Jämtland was ’t zoo vreeselijk geweest, dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden, allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van de Zweden, die in de rivierdalen [347]woonden, niemand was overgebleven dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was.

“De jongen en ’t meisje hadden een heelen winter door ’t eenzame land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze eindelijk elkaar ontmoet,” vertelde Aslak verder. “Toen vroeg het Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar ’t zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan verlaten hoeven te vinden waren.

“Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt,” zei de jongen. “Maar niet vóór den winter. Nu is ’t lente, mijn rendieren trekken naar ’t westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden.”

’t Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was, dan de dooden.

“Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken,” zei ze tegen den jongen, “zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen, zonder ooit een menschenstem te hooren.”

Daar zei de jongen graag “ja” op, en zoo mocht het meisje met de rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De jongen en ’t meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan ’t smelten was, en over het barstend ijs.

Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield, en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou smelten. Daarna trokken ze die op. ’t Meisje klaagde en hijgde, en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid.

Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent op voor ’t meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte had [348]verborgen, toen ze daar den vorigen zomer waren. ’t Meisje klaagde altijd, en was nooit tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas, en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt onder de tent te zitten, of op ’t veld te liggen, met niets dan een rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar.

Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon ook ’t vuur aan te maken onder de pan, waarin ’t rendiervleesch zou gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. ’t Was nu een goede tijd. ’t Weer was warm, en ’t was makkelijk om aan eten te komen. Ze gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit den waterval, en plukten wilde frambozen op ’t moeras.

Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op de rotsen, dat ze de grens tusschen ’t naaldbosch en de loofboomen bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op.

’t Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar ’t was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze verder naar het oosten in ’t dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen, zei de jongen tegen ’t meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag het meisje hem verwonderd aan.

“Waarom wil je me wegsturen?” zei ze. “Verlang je om alleen met je rendieren te wezen?”

“Ik dacht, dat jij verlangde,” zei de jongen.

“Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland geleid,” zei het meisje. “Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan, en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in ’t bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze.”

“’t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan.”

Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal, en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedsch [349]dan hij wel wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter was gekomen om hem op te zoeken.


Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand, die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden, of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte.

“Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht hebt zitten visschen?” zei de rotsbewoner in ’t Lapsch, toen hij bij hem kwam.

De andere kreeg een schok, en zag op. ’t Aas van zijn hengel was weg, en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in het gras liggen.

“Ik wou je wat vertellen,” zei Ola. “Je weet, dat ik een dochter had, die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze tent gemist.”

“Ja, dat weet ik,” zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd had willen worden. Hij sprak goed Lapsch.

“Maar ’t geeft niets, of je je leven met treuren bederft,” zei de Laplander.

“Neen, dat doet het ook niet.”

“En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je dat niet verstandig vinden?”

“Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!”

“Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon,” zei Ola en vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen, een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen, om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was de jongen gestorven, door dat hij bij ’t springen van een rots door een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan, om hem te spreken. [350]

“Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?” vroeg de visscher.

“Ja,” zei de Laplander. “Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo’n goede zuster ook een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven.”

De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander, pleizier te doen.

“Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje.”

“Neen,” zei Ola, “ze behoort niet tot de Samelanders.”

“Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan ’t leven hier in ’t noorden?”

“Neen, ze komt ver uit het zuiden,” zei Ola, en keek, alsof dit niets met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak te stellen.

“Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen,” zei de visscher. “Ze kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet bij is opgevoed.”

“Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters,” zei Ola Serka koppig. “’t Is erger om alleen te zijn, dan ’t koud te hebben.”

Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed.

“Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont.”

“Hij is dood,” zei de Laplander knorrig.

“Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?”

“Daar hoef je toch niet naar te vragen,” zei de Laplander verachtelijk. “Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met haar broer alleen door ’t heele land gezworven hebben, als ze een vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderen zichzelf hebben moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar vader niet al dood was? ’t Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft, maar ik zeg, dat hij dood moet wezen.”

De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola.

“Hoe heet het meisje, Ola,” zei hij.

De rotsbewoner dacht na.

“Dat herinner ik me niet. Ik zal ’t haar vragen.”

“Zal je ’t haar vragen? Is ze er dan al?” [351]

“Ja, ze is bij ons in de tent.”

“Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar vader ’t hebben wil?”

“Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is, hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert.”

De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen.

“Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen,” zei de rotsbewoner weer. “Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten wordt vervolgd, zoodat hij ’t niet bij zijn werk kan uithouden. Wat heeft ze nu aan zoo’n vader?”

Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan.

“Waar wil je heen?” vroeg de Laplander.

“Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola.”

“Dat is goed,” zei de Laplander. “Kom jij maar eens naar haar kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter krijg.”

De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon volgen. Na een poos zei Ola:

“Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa Jonsdochter heet.”

De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen hadden, dat ze de tenten in ’t zicht kregen, zei Ola nog:

“Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt, wil ik haar graag bij mij in de tent houden.”

De andere liep nog harder.

“Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn dochter onder de Samelanders op te nemen,” dacht Ola.

Toen de man uit Kiruna, die Asa, ’t ganzenhoedstertje naar ’t Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit meer wilden scheiden. ’t Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond, alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te vertrouwen, en ’t was, alsof ze nu weer een kind werd. [352]

[Inhoud]

XXXVI.

Naar ’t zuiden, naar ’t zuiden.

De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden troep snel naar ’t zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels sloegen door de lucht met zoo’n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en redden zichzelf. In hun plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts, en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven, zooals ook de groote deden.

Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in ’t begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart.

“Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!” riepen ze jammerend.

“Wat is er?” vroeg de leidstergans.

“Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!” schreeuwden de jongen.

“Dat wordt beter, als je maar volhoudt!” antwoordde de leidstergans, en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En ’t was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten, en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen.

“Akka, Akka, Akka van Kebnekaise,” riepen de jongen klagend.

“Wat is er nu?” vroeg de leidstergans.

“We hebben zoo’n honger, dat we niet langer vliegen kunnen,” schreeuwden de jonge ganzen. [353]

“Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken,” antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als te voren.

En ’t scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over honger.

De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen, opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een poos geroepen hadden: “Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat is Sulitelma....!” werden de jongen weer ongeduldig. “Akka, Akka, Akka!” riepen ze met hartverscheurende stem.

“Wat is er?” vroeg de leidstergans.

“We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd,” schreeuwden de jongen. “We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!”

“Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt,” antwoordde de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te roepen als te voren.

De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar ’t zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was, zoover hij zien kon.

’t Was ook niet te ontkennen, dat zij ’t stormachtig hadden gehad den laatsten tijd in ’t rotsdal. Regen en storm en mist hadden elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als ’t eens helderder werd, was het dadelijk koud geworden tegen ’t vriespunt aan. Bessen en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd, waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten, en daar hield hij in ’t geheel niet van. De dagen werden kort, en ’t was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens, voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als de zon beneden den horizont was.

Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij, dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie, ’t was niet alleen om de kou en de duisternis en ’t weinige eten, dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om.

In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo’n heerlijk mooi land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte vogel dacht alleen aan het bewaken [354]van Donsje, en week geen stap van haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde, en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien, waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam, had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij ’t had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten dit land maar met rust moesten laten, en ’t overlaten aan de beren en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen, en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven.

Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht, en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde te doen, was hij ’t liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur voor zijn neus dichtslaan.

Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar ’t zuiden. Hij zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij ’t eerste dennenbosch zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen, maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite nam er naar te kijken.

Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in de lente. [355]

“Waar ga jelui heen, wilde ganzen?” riepen de trekvogels. “Waar ga je heen?”

“We gaan naar ’t buitenland, net als jelui,” antwoordden de wilde ganzen. “We gaan naar ’t buitenland.”

“Jelui jongen kunnen nog niet vliegen,” riepen de anderen. “Ze komen nooit over de zee met hun zwakke vleugels.”

Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen, dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren zagen, daalden ze neer en riepen: “We danken je voor dezen zomer!”

“Goeie reis en tot weerziens!” antwoordden de rendieren. Toen de beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden: “Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den winter niet thuis durven blijven.”

En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar ze riepen tegen de jonge gansjes: “Kijk zij eens, ze liggen liever een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar ’t zuiden te verhuizen.”

Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken, ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met vreugde en gejuich naar ’t zuiden vlogen.

“Wanneer mogen wij gaan?” vroegen de korhoendertjes. “Wanneer mogen wij gaan?”

“Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder,” antwoordde de korhen. “Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder.”


Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen, zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij vloog er een heelen dag over, zonder te weten of ’t een bergland of een vlakte was, waar ze over heen vlogen.

Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats, die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den top van een heuvel stond, maar of die groot of klein [356]was, kon hij niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen, en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg, als hij zich maar bewoog.

“’t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal,” dacht hij.

Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde hij flauw een gebouw dicht bij hem. ’t Was niet heel groot, maar verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde ganzen terug.

“Lieve Maarten,” zei hij tegen den ganzerik, “neem me op je rug, en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat, dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om te rusten.”

Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar ’t balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte.

Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag, had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg, die op een eiland lag, en ’t eiland lag bij den oostelijken oever van een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn, maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen, maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep zwart naaldbosch. ’t Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in ’t oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei vormen, die zoo’n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven.

Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet gemerkt had, dat er menschen op ’t balkon gekomen waren. Hij kon zich nog juist bijtijds verstoppen. ’t Waren jonge menschen, [357]die een voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang staan praten.

De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten, de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde.

Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld, en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen.

Hij riep: “Waar ben je? Hier ben ik!” zoo hard hij kon, maar zijn reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek.

De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed.

“Lieve Bataki,” zei hij, “dat is heerlijk, dat je hier komt. Je weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen geworden is.”

“Ik kom je juist hun groeten brengen,” antwoordde de raaf. “Akka merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden.”

De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet had belet. Maar ’t was, alsof de morgenzon de nevels opnieuw ten leven wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter witte golvende nevelen.

Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn, maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa’s. ’t Was onmogelijk hen in ’t oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste, maar ze kregen geen antwoord.

“Dat is toch een leelijke tegenval,” zei Bataki eindelijk.

“Maar we weten immers, dat ze naar ’t zuiden trekken en zoodra het helder wordt, zal ik ze wel vinden!”

De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerik weg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over in angst gezeten had, zei hij tot zichzelf, [358]dat er immers nog geen ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor.

Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk boog hij zich over den rug van den raaf, en riep:

“Hoe heet dit land?

“Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!” kraaide de haan.

“Hoe ziet het er daar bij jou uit?” vroeg de jongen.

“Rotsen in ’t westen, bosschen in ’t oosten, en een breed rivierdal midden door ’t heele land,” antwoordde de haan.

“Dank je wel! Je antwoordt flink!” riep de jongen.

Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden in den mist.

“Wat zijn ’t voor menschen hier in ’t land?” riep hij.

“Flinke, brave boeren!” antwoordde de kraai. “Flinke en brave boeren!”

“Wat doen ze?” vroeg de jongen. “Wat doen ze?”

“Ze verzorgen hun vee en hakken hout!” kraste de kraai.

“Dank je wel. Je antwoordt flink!” riep de jongen.

Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in den mist.

“Is hier ook een stad in dit land?” vroeg de jongen.

“Wat... Wat? Wie roept daar?” antwoordde de mensch.

“Is hier ook een stad in dit land?” herhaalde de jongen.

“Ik wil weten, wie me roept!” schreeuwde de mensch terug.

“Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een mensch wat vroeg,” riep de jongen.

Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. ’t Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar ’t zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen.

“Op dit veld groeide koren van den zomer,” zei Bataki. “Kijk eens of je niet iets eetbaars kunt vinden.”

De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat, begon Bataki met hem te praten.

“Zie je die mooie rots daar, vlak in ’t zuiden?” vroeg hij.

“Ja, die zie ik altijd door,” zei de jongen.

“Die heet de Sonrots,” ging de raaf voort. “Je kunt er van op aan, dat hier heel wat wolven waren vroeger.”

“Dat was een beste schuilplaats voor hen,” zei de jongen.

“De menschen, die hier beneden in ’t rivierdal woonden, [359]hadden ’t vaak heel moeielijk door hun schuld,” zei Bataki.

“Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?” zei de jongen.

“Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen te verkoopen,” zei Bataki. “Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in ’t rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. ’t Was winter, en de wolven vervolgden hem, toen hij over ’t ijs van Ljusnan reed. ’t Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen.

Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij kwamen. De oevers van ’t meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders, dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich iets bewoog tusschen de dennetakken, die op ’t ijs waren neergezet om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep, werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. ’t Waren geen wolven, die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen.

De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen, en terwijl ze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen.

Ze liep langzaam, over een stok gebogen. ’t Was duidelijk, dat ze verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil, en liet haar in de slee stappen, dan was ’t nog niet gezegd, dat ze gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was ’t waarschijnlijk, dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard gedood zouden worden. En hij dacht er over, of ’t niet het beste was één leven op te offeren om twee anderen te redden.

Dat alles ging hem op ’t oogenblik door ’t hoofd, toen hij de oude vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet, en haar niet had bijgestaan. [360]

’t Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was!

“Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet,” dacht hij.

Op ’t zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, ’t paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed, zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er moest iets geweest zijn, dat haar versteende.

“Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een spook, toen ik haar voorbij rende,” dacht hij.

Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele leven was verwoest.

“Neen, ’t mag gaan, zooals het wil,” zei hij, en hield de teugels in, “maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven.”

Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude vrouw toe.

“Kom gauw in de sleê!” zei hij hard, want hij was boos op zichzelf, omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! “Je kon toch een enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks,” zei hij. “Nu moeten zwartje en ik er aan gelooven om jou.”

De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een bui om haar te sparen, “Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen,” zei hij, “zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden, en de lading is niet lichter, sinds jij er bij bent gekomen.”

De ijzers onder de slee knarsten over ’t ijs, maar toch hoorde hij de wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald.

“Nu is ’t uit met ons,” zei hij. “’t Is noch voor mij, noch voor jou een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin.”

Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid was gewend. Nu zei ze een paar woorden: “Ik begrijp niet, dat je je duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je kunt immers morgen terugkomen en het ophalen.”

De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw de teugels houden, maakte het touw los, dat het duigenhout bijeenhield, en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar nu hielden ze stil, om te [361]onderzoeken wat daar over ’t ijs gleed, en de reizigers kwamen ze opnieuw een eindje vooruit.

“Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven geef,” zei de oude vrouw, “zoodat je kunt wegkomen.”

Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê te schuiven. Terwijl hij daarmeê aan ’t werk was, hield hij op, alsof hij er niet toe kon besluiten ’t vat weg te gooien. Maar eigenlijk waren zijn gedachten met heel wat anders bezig.

“Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten,” dacht hij. “Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja, natuurlijk is er die. ’t Is maar, dat ik er niet op kan komen.”

Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij weer op, en barstte in lachen uit.

De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig geworden was, maar de man uit Hede lachte om zichzelf, omdat hij aldoor zoo dom was geweest. ’t Was ’t eenvoudigste wat je maar bedenken kon, om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet eerder aan had gedacht.

“Luister nu goed, Malin,” zei hij. “’t Was flink van je, dat je jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat—wat ik ook doe—jij stil op de sleê blijft zitten en naar ’t dorp Linsäll rijdt. Daar maak je de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen.”

Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en kroop onder het vat.

’t Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag.

De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de wolven. Maar na een poos werd hij ernstig.

“Zoodra ik in ’t vervolg in een of andere moeilijkheid kom,” zei hij in zichzelf, “zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken, dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt.”

Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er een [362]bepaalde bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer hij nadacht.

“Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt,” zei de jongen.

“Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar de Sonrots stond te kijken,” zei de raaf.

Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan ’t dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier streek de raaf neer bij een klein hutje. ’t Had geen venster, enkel maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd, en sterke hamerslagen klonken uit het huis.

“Als ik die smidse daar zie,” zei de raaf, “moet ik er aan denken, dat er vroeger zulke goede smeden in Härjedalen waren, en vooral in deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in ’t heele land.”

“Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt vertellen,” zei de jongen.

“Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen,” zei Bataki, “die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in ’t spijkers maken. De uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in Kolsätt bij elkaar. De Dalecarliër begon. Hij smeedde een dozijn spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers, die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die ’t werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen; want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij toch niet smeden.

“Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich te onderscheiden,” zei de man.

Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in ’t vuur te houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen, zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen werd verklaard de eerste in ’t land te zijn.”

Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender.

“Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt,” zei hij.

“Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag,” zei Bataki heel onverschillig.

De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf bracht den jongen naar ’t zuiden, naar de gemeente Lillhärdal, [363]die aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag.

“Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?” zei Bataki.

Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist.

“Dat is een grafheuvel,” zei Bataki. “Die is opgehoogd over een man, die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde en het land ging ontginnen.”

“Weet je misschien ook een verhaal van hem?” vroeg de jongen.

“Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning tot vrouw, en toen de koning hem zoo’n voorname bruid niet wou geven, vluchtte hij met haar.

Hij had ’t nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan.

“Maar er moet nog wel een uitweg zijn,” dacht hij, en trok met zijn knechten en schatten naar ’t noorden door Dalecarlië, tot hij de groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de eerste, die zich in deze streken vestigde.

Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender dan vroeger.

“Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles verteld hebt,” zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets, maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht.

“Nu we hier toch alleen zijn,” zei hij eindelijk, “moet ik toch de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd, heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?”

“Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen.”

“Ik dacht het wel,” zei Bataki, “want toen we elkaar het laatst ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis geweest is, en den kabouter heeft gesproken.”

“Daar heeft Akka me niets van verteld,” zei de jongen.

“Ze heeft zeker gevonden, dat ’t beter voor je was niet te weten, [364]wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou helpen dan den ganzerik.”

“’t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn humeur en ongerust te maken,” zei de jongen.

“Dat kan wel zoo schijnen,” zei de raaf, “maar dezen keer geloof ik, dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten, den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank kon leggen.”

De jongen stoof op.

“Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!” riep hij.

“Je kunt het Akka zelf vragen,” zei de raaf, “ik zie haar aankomen met haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken.” [365]

[Inhoud]

XXXVII.

Wermeland.

Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur, toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de voorwaarden van den kabouter hoorde.

En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug, liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen lust dat alles te zien.

“Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen, en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is,” dacht hij.

Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen, dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar ’t Zuiden volgden, de Klarelf was.

“Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven,” dacht hij. “Ik behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken.”

De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij Munkfors. Toen sloegen ze af naar ’t westen naar Fryksdalen. Eer ze nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden, en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.

’t Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was, had hij gezien, dat er eenige hoeven beneden [366]bij de hoogte lagen, en hij ging gauw op weg om die te zoeken.

’t Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen, en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar dadelijk op af.

De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt, en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was, zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een lommerrijken tuin er achter. ’t Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk, maar ’t plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond, dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen, maar ’t was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met zooveel glans over ’t gras, dat het wit scheen als zilver.

Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen, waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed vlug uit den stam van den sorbeboom en klauterde in de vogelkers, maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de planten en ’t gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar op het pad—hij had het zeker mis,—maar jawel! daar lag een mooie groote appel, en glom in den maneschijn.

De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.

“’t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier,” dacht hij.

Hij zat te peinzen onder ’t eten, en eindelijk dacht hij, of ’t niet goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar ’t zuiden liet trekken zonder hem.

“Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan ’t verstand zal brengen, dat ik niet naar huis kan gaan,” dacht hij. “’t Is beter, dat ik me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me een [367]wintervoorraad kunnen verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen.”

Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein kort berkestompje leek, naast hem op den grond. ’t Stompje wrong en draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als vuurkolen. ’t Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende oogen had, en toen werd hij kalm.

“Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten,” zei hij. “Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw Katuil, en wat hier voor menschen wonen.”

De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst, op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond, en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek, maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.

“Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt,” dacht de katuil. “Wat ter wereld kan dat toch zijn.”

“’t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel,” dacht zij verder. “Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld was. Maar dit gaat mijn verstand te boven.”

Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op ’t pad bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde van dichtbij te bekijken.

Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem te bekijken.

“Hij heeft geen klauwen en geen horens,” dacht hij, “maar wie weet, of hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan hem waag.”

“Deze hoeve heet Mårbacka,”1 zei de uil, “en hier hebben vroeger deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?”

“Ik denk er over om hierheen te verhuizen,” zei de jongen, zonder op de vraag van den uil te antwoorden. “Zou je denken, dat het lukken zou?”

“Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger. [368]Maar je kunt het hier toch best uithouden. ’t Komt er maar op aan, waarvan je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?”

“Goeie hemel, neen!” zei de jongen. “Er is meer kans, dat de ratten mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen.”

“Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,” dacht de katuil. “Maar ik geloof toch, dat ik ’t eens probeeren zal.”

Hij vloog op, en ’t volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei in zichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.


Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven, dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe geworden, dat ze tegen zichzelf zei: “Dat kun je niet! Ga zitten, en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn, dat er geen onwaar woord in mag voorkomen.”

’t Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze ’t plan zou opgeven, maar ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam, doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich heen had, dat ze niet aan ’t schrijven kon komen. Als ze naar buiten ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou ’t misschien beter gaan.

Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze ’t boek beginnen moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats, waar ze was opgegroeid. ’t Was een klein landgoed, dat ver van de bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die ’t heele jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en Nieuwjaar, en Paschen, [369]en ’t zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd, wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe ’t er in de keuken en provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar ’t was zoo. Toch was ’t wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien, eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel, dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.

Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen, als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen, die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren, hoe ’t er vroeger was geweest. Daarom legde ze ’t zoo aan, dat ze er ’s avonds laat zou aankomen, als ’t werk was afgeloopen, en de menschen in huis zouden zijn.

Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was ’t alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen, de oude huishoudster zou gauw naar ’t keukenvenster loopen om te zien, wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden, zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.

Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was ’t herfst, en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar ’t was juist al dat verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan ’t aardappels rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te maken. ’t Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over, of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud? [370]

Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de dienstboden. ’t Was ook op den avond voor den marktdag een lust om in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden koperen ketel aan den zolder.

En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan begonnen ze met vlasbraken. ’t Vlas had lang op een wei gelegen om te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen grijs van ’t stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van ’t vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij ’t oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm daar huis hield.

Na ’t werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en ’t worst maken, het bakken van bloedbrood en ’t maken van kaarsen. De naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en ’t waren een paar gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook in de knechtenkamer te werken, en ’t was altijd even interessant om te zien, hoe hij ’t leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.

Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in ’t haar en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, en visch in ’t zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en bakken voor Kerstmis.

Ze was druk aan ’t bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan ’t begin van de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een droom. ’t Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, die zich zoo pas nog te midden van [371]al de haren had gedroomd. Toen ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt bij haar oude huis te komen, voelde zij ’t verschil tusschen ’t verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze ’t liefst had willen omkeeren. “Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan ’t immers toch niet zijn als in den ouden tijd,” dacht ze.

Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap bedroefder werd.

Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond eerder, dat alles er nog wel ’t zelfde uitzag. Daar was de vijver, die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen, omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.

Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan naar ’t huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.

Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg moest wijzen.

Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van ’t slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.

Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.

Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in haar vroeger tehuis kwam.

Toen ze dat dacht, kwam er zoo’n sterk verlangen naar den ouden [372]tijd over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. ’t Was een goed leven, dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder ’t spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor ’t fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en zorgeloos geleefd.

“Nergens in de wereld weten de menschen zoo’n goed leven te leiden, als op zoo’n klein landgoed in mijn jeugd,” dacht ze. “Daar was werk en plezier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me zwaar van hier weg te gaan.”

En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei—terwijl ze om zichzelf lachte:

“Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem of hij ’t niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk huis terugkomen kan.”

Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen dadelijk. ’t Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende lucht oploste.

De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.

De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, zonder zich te verbergen of weg te loopen.

“Ik dank u wel voor uw hulp,” zei hij. “Maar ’t was heel dom, dat u de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit zij boven in den boom op me te loeren.”

“Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu niet thuisbrengen?” vroeg ze. [373]

Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu onverwachts in gesprek met een van ’t kleine volkje was geraakt. Maar in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. ’t Was, alsof ze aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.

“Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op ’t landgoed te blijven,” zei de dwerg. “Als u me maar een veilige slaapplaats wilt wijzen, zou ik liever niet vóór ’t aanbreken van den dag naar ’t bosch terug willen.”

“Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?”

“Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van ’t kleine volkje ben,” zei nu de dwerg, “maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik in een kabouter veranderd.”

“Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet willen vertellen, hoe ’t je zoo slecht is gegaan?”

De jongen had er niets tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,—verbaasd en blij—al naar ’t verhaal was.

“Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug van een gans over heel Zweden reisde,” dacht ze. “Juist, wat hij me vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer bezorgd te zijn. ’t Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam.”

Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...

Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had? [374]


1 Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.

[Inhoud]

XXXVIII.

De schat op de klippen.

Op weg naar zee.

Al van ’t begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar het zuiden gevlogen, maar toen ze ’t Fryksdal verlieten, sloegen ze een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland naar Bohuslän.

’t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan ’t vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij, omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan, en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.

“Weet je wel, Maarten,” zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen, “dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter thuis te blijven, nu we zoo’n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar ’t buitenland zullen gaan.”

“Dat kun je toch niet meenen,” zei de ganzerik, en keek heel verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.

De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roode [375]herfstkleuren waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de gele oevers.

“Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien liggen als vandaag,” zei hij. “De meren zijn als blauwe zijde, en de oevers als breede gouden banden. Vind je niet, dat het jammer zou zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de wereld zagen?”

“Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen wat je voor een flinke jongen bent geworden,” zei de ganzerik.

Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor ’t huis van Holger Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel van den jongen.

De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze vlogen over het noordwestelijk gedeelte van ’t landschap, en daar was het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. ’t Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. ’t Was alsof er iets in de lucht of in ’t water was, dat het zonlicht vasthield, ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over ’t veld trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken, helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.

Vind je zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets moois als dit te zien,” zei de jongen.

“Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere bergakkers hier,” antwoordde de ganzerik. “Maar je begrijpt wel, dat als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan.”

“Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen,” zei de jongen, en ’t was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.

Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart, alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep zonneschijn, dan weer in [376]de schaduw, vond hij, dat er iets wilds, iets eigenaardigs over lag.

Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd bij hem wakker.

“’t Zou best mogelijk wezen, dat ik ’t zou missen, als ik niet elken dag in levensgevaar was,” dacht hij. “’t Is ’t beste maar tevreden te zijn met mijn leven, zooals ’t nu is.”

Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij geen antwoord had kunnen geven.

De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo’n vaart, dat ze haar telkens weer te zien kregen.

Eindelijk zagen ze in ’t westen een glanzende streep, die steeds breeder werd bij elken vleugelslag. ’t Was de zee, die melkwit en met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over ’t water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.

Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon, die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde hij vrede en rust in zijn ziel komen.

“’t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson,” zei de zon. “De wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. ’t Is ook iets heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor je te hebben.”

Het geschenk van de wilde ganzen.

De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond om Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. ’t Laatst stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.

“Wat is er, Moeder Akka?” vroeg hij, en sprong verschrikt op.

“Er is niets gevaarlijks,” antwoordde de leidstergans. “Wij, de zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen, en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan.”

De jongen begreep wel, dat Akka zoo’n voorstel niet zou hebben gedaan, als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijk [377]op haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die ’t verste in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in ’t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand en wat slakkenhuizen had geworpen.

Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogel was, die de klip als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.

’t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen van beide was er verbaasd over den ander te zien.

“Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hier bent,” zei Akka. “Ben je hier al lang?”

“Ik kwam hier vanavond,” antwoordde Gorgo, “maar ik ben bang, dat ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. ’t Ging verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen.”

“Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen wilt,” zei Akka. “Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd, wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat hier op de klip moet verborgen zijn.”

De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen Akka zijn naam noemde, keek hij op.

“Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg afweken, en hier naar ’t westen vlogen,” zei Akka.

“Ik vond het wel vreemd,” antwoordde de jongen. “Maar ik wist immers wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet.”

“Je denkt goed over mij,” zei Akka, “maar ik vrees, dat je dat nu wel eens zou kunnen tegenvallen, want ’t is best mogelijk, dat we deze reis tevergeefs hebben gemaakt.”

“’t Gebeurde heel lang geleden,” ging Akka voort, “dat ik met een paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo ver weggedreven te worden, dat we nooit weer [378]aan land zouden komen, en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger, en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die goed dichtgebonden waren, en half in ’t zand begraven. We hoopten, dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan, tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij, wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel, dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld is.”

De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand, en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag, dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte zich naar Akka terug. “De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,” zei hij, “zoodat het geld in ’t zand gestrooid ligt, maar ik geloof, dat al het goud er nog is.”

“Dat is goed,” zei Akka, “maak nu het gat weer dicht en strijk het zand zoo glad, dat niemand kan zien dat er in gegraven is.”

De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene malen de halzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig de muts afnam, en voor hen boog.

“De zaak is deze,” zei Akka, “dat wij, die oud zijn, tegen elkaar hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven.”

“Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd,” zei de jongen.

“Wij vonden ook,” ging Akka voort, “dat als een mensch die heele reis met ons meêgemaakt had, zou die zeker niet even arm van ons weggaan, als hij gekomen was.”

“Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is dan goed of goud,” zei de jongen.

“Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen, [379]is het wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat,” zei de leidstergans, “en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt.”

“Maar hadt u zelf den schat niet noodig?” vroeg de jongen.

“Ja, wij hadden dien noodig, om je zoo’n belooning te kunnen geven, dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een ordentelijke familie hebt gediend.”

Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek toen Akka vlak in de glanzende oogen. “Ik vind het wel vreemd, Moeder Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór ik mijn dienst heb opgezegd,” zei hij.

“Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven, dat je bij ons blijft,” zei Akka, en vervolgde: “Maar ik wilde je graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder een al te grooten omweg te maken.”

“Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf verlang,” zei Duimelot. “Na zoo’n goeden tijd, als wij samen hadden, vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het buitenland te mogen gaan.”

Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te kijken met half open snavels.

“Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht,” zei Akka, toen ze weer tot bezinning was gekomen. “Maar vóór je besluit met ons meê te gaan, is het ’t beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere voorwaarden voor je te bewerken.”

“Ja, dat is waar,” zei Gorgo. “Maar, zooals ik u al zei, het is me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg, en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats, zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson geen betere voorwaarden kon stellen.

“Ik zou wel willen, dat ik het kon,” antwoordde hij, “want ik heb gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat niet in mijn macht.”

Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit te pikken, als hij niet toegaf.

“Je kunt met mij doen, wat je wilt,” zei hij. “Met Niels Holgersson blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten, en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen, want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wien [380]hij zoo vast vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen.”

Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de vuisten, zoodat de knokkels wit werden.

“’t Is wreed van den kabouter,” zei hij, “dat hij me zulke voorwaarden stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar ’t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten.” [381]

[Inhoud]

XXXIX.

Een groot landgoed.

De oude en de jonge heer.

Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo kon worden.

Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte van die uitnoodiging.

Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.

Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren, en zond haar aanvrage om plaats in.

Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg—en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar toch aan. [382]

Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het groote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende, en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste oogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige, die niets had durven zeggen.

Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene, en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.

Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig meê. En zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank, en stond recht voor zich uit te staren.

In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze menschen staan, die met frisschen moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.

’t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen, en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in den [383]mist had geloopen. Alles was donker en gesluierd geweest, en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den tweeden dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.

Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.

Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man, en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij, om het kasteel en ’t park mooier te maken, en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven, en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.

Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.

Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.

Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen [384]had geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of het werktuig van den schoenm