The Project Gutenberg eBook of Het communistisch manifest This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Het communistisch manifest Author: Karl Marx Friedrich Engels Translator: Herman Gorter Release date: June 13, 2026 [eBook #78853] Language: Dutch Original publication: Amsterdam: Brocherenhandel S.D.A.P., 1907 Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78853 Credits: Jack Janssen, Harry Lamé and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net (geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)) *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET COMMUNISTISCH MANIFEST *** Opmerkingen over deze transcriptie Uitgespatieerde, schuin en vetgedrukte tekst zijn repsectievelijk vervangen door tekst tussen ~tildes~, _liggende streepjes_ en =isgelijktekens=. Kleinkapitalen worden weergegeven als KAPITALEN. Meer Opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst. HET COMMUNISTISCH MANIFEST VAN KARL MARX EN FRIEDRICH ENGELS VERTAALD DOOR H. GORTER. DERDE HOLLANDSCHE UITGAVE. BROCHURENHANDEL S. D. A. P., KEIZERSGRACHT 378, AMSTERDAM INLEIDINGEN. I. De „Bond der Communisten”, eene internationale arbeidersvereeniging, die onder de toenmalige omstandigheden, zooals van zelf spreekt, slechts een geheime vereeniging kon wezen, belastte op het congres, in November 1847 te Londen gehouden, de ondergeteekenden met de opstelling van een, voor openbaarmaking bestemd, uitvoerig, theoretisch en praktisch partijprogram. Zoo ontstond het volgende manifest, waarvan het manuscript weinige weken vóór de Februari-omwenteling naar Londen werd ter pers gezonden. Eerst in het Duitsch verschenen, is het in deze taal in Duitschland, Engeland en Amerika in minstens twaalf verschillende uitgaven gedrukt. In het Engelsch verscheen het voor het eerst in 1850 te Londen in de „Red Republican”, vertaald door Miss Helen Macfarlane, en in 1871 in minstens drie verschillende vertalingen in Amerika. In het Fransch voor de eerste maal te Parijs kort vóór den Juni-opstand van 1848, onlangs in „Le Socialiste” van New-York. Een nieuwe vertaling is in voorbereiding. In het Poolsch te Londen kort na de eerste Duitsche uitgaaf. In het Russisch te Genève tusschen ’60 en ’70. In het Deensch werd het eveneens spoedig na zijn verschijnen vertaald. Hoe zeer ook de toestanden in de laatste vijfentwintig jaren zijn veranderd, de in dit manifest ontwikkelde algemeene grondstellingen behouden, in het algemeen gezien, ook nu nog hun volle juistheid. Een enkel ding zou hier en daar verbeterd moeten worden. De praktische toepassing dezer grondstellingen, zoo verklaart het manifest zelf, zal overal en altijd van de historisch bestaande omstandigheden afhangen, en er wordt daarom ook volstrekt geen bijzonder gewicht gehecht aan de op het einde van Hoofdstuk II voorgeslagen revolutionaire maatregelen. Deze passage zou nu in menig opzicht anders luiden. Tegenover den onmetelijken vooruitgang der groot-industrie in de laatste vijfentwintig jaren, en die met haar voorwaarts schrijdende organisatie der arbeidende klasse tot partij, tegenover de praktische ervaring, ten eerste van de Februari-omwenteling en nog veel meer van de Parijsche Commune, in welke het proletariaat voor de eerste maal twee maanden lang de politieke macht in handen had, is dit program thans hier en daar verouderd. Inzonderheid heeft de Commune het bewijs geleverd, dat „de arbeidersklasse niet de gereed staande staatsmachine eenvoudig in bezit nemen en voor haar eigen doeleinden in beweging zetten kan”. (Zie: „De burgeroorlog in Frankrijk, Adres van den Generalen Raad der Internationale Arbeiders-Associatie”, Duitsche uitgave, blz. 19, waar dit verder ontwikkeld wordt.) Verder spreekt het van zelf, dat de kritiek der socialistische litteratuur voor thans onvoldoende is, omdat zij slechts tot 1837 reikt; eveneens dat de opmerkingen over het standpunt der communisten tegenover de verschillende oppositie-partijen (hoofdstuk IV), hoewel in hoofdtrekken ook nu nog juist, toch in hunne toepassing thans reeds daarom verouderd zijn, omdat de politieke tegenstand geheel van gedaante veranderd is, en de historische ontwikkeling de meeste der daar genoemde partijen van de baan gedrongen heeft. Intusschen, het manifest is een historisch document, waaraan te veranderen wij ons zelf het recht niet meer toekennen. Een latere uitgaaf verschijnt misschien voorzien van eene, den afstand van 1847 tot thans overbruggende inleiding; deze druk kwam te onverwacht, om ons daarvoor tijd te laten. ~Londen~, 24 Juni 1872. KARL MARX. FRIEDRICH ENGELS. II. Het voorwoord bij deze uitgave moet ik, helaas, alleen onderteekenen. Marx, de man, wien de geheele arbeidersklasse van Europa en Amerika meer te danken heeft, dan aan welk ander ook--Marx rust op de begraafplaats te Highgate, en op zijn graf groeit reeds het eerste gras. Sinds zijn dood kan van eene omwerking of aanvulling van het manifest eerst recht geen sprake meer zijn. Voor des te noodiger houd ik het, hier nogmaals het volgende uitdrukkelijk vast te stellen: De doorloopende grondgedachte van het manifest: dat de ekonomische productie en de, uit haar met noodzakelijkheid voortvloeiende, maatschappelijke indeeling van iedere historische periode den grondslag vormt voor de politieke en intellectueele geschiedenis dezer periode; dat overeenkomstig daarmede (sinds de opheffing van het oeroude gemeenschappelijk bezit van grond en bodem) de geheele geschiedenis een geschiedenis van klassenstrijden geweest is, strijden tusschen uitgebuitte en uitbuitende, beheerschte en heerschende klassen, op verschillende trappen der maatschappelijke ontwikkeling; dat echter deze strijd nu een trap bereikt heeft, waarop de uitgebuitte en onderdrukte klasse (het proletariaat) zich niet meer van de haar uitbuitende en onderdrukkende klasse (de bourgeoisie) bevrijden kan, zonder tegelijk de geheele maatschappij voor altijd van uitbuiting, onderdrukking en klassenstrijden te bevrijden--deze grondgedachte behoort alleen en uitsluitend Marx toe.[1] [1] „Deze gedachte”, zeg ik in de voorrede der Engelsche uitgave, „die naar mijne meening geroepen is, voor de geschiedeniswetenschap denzelfden vooruitgang te bewerken, dien Darwin’s theorie voor de natuurwetenschap heeft gegrondvest--deze gedachte waren wij beiden reeds verscheidene jaren vóór 1845 langzamerhand op het spoor gekomen”. Hoe ver ik mij zelfstandig in deze richting bewogen had, toont mijn „Toestand der arbeidende klassen in Engeland”. Toen ik echter in het voorjaar van 1845 Marx in Brussel weder trof, had hij haar klaar uitgewerkt, en legde hij ze mij voor in bijna even heldere woorden als die waarin ik haar boven heb samengevat. Ik heb dit reeds dikwijls uitgesproken: het is evenwel juist thans noodig, dat het ook voor het manifest zelf staat. ~Londen~, 28 Juni 1883. F. ENGELS. III. Sinds het bovenstaande geschreven werd, is er weder een nieuwe Duitsche uitgaaf van het manifest noodig geworden, en is er ook allerlei met het manifest gebeurd, dat hier moet vermeld worden. Een tweede Russische vertaling--van Vera Sassulitsch--verscheen in 1882 te Genève: de voorrede daarvan werd door Marx en mij geschreven. Ongelukkig is het oorspronkelijke Duitsche handschrift mij uit handen geraakt, ik moet dus uit het Russisch terug vertalen, waardoor het werk niet wint. Zij luidt: „De eerste Russische uitgaven van het „Manifest der Communistische Partij”, in Bakoenine’s vertaling, verscheen kort na 1860 in de drukkerij van den „Kolokol”. In dien tijd had eene Russische uitgaaf van dit geschrift voor het Westen op zijn hoogst de beteekenis van een litteraire curiositeit. Tegenwoordig is zulk eene opvatting niet meer mogelijk. Welk een beperkten omvang het gebied der proletarische beweging had, in den tijd van de eerste publicatie van het Manifest (Januari 1848), blijkt het best uit het laatste hoofdstuk: „Het standpunt der communisten tegenover de verschillende politieke partijen.” Hier ontbreken vóór alles Rusland en de Vereenigde Staten. Het was de tijd, toen Rusland de laatste groote reserve der Europeesche reactie vormde, en toen de landverhuizing naar de Vereenigde Staten de overtollige krachten van het Europeesche proletariaat opslorpte. Beide landen verzorgden Europa met grondstoffen, en dienden tegelijkertijd als markten voor den afzet van zijn industrie-producten. Beide dienden dus, op deze of op gene manier, als steunpilaren der Europeesche maatschappelijke orde. „Hoe is dat alles thans veranderd! Juist de Europeesche landverhuizing heeft de kolossale ontwikkeling van den Noord-Amerikaanschen akkerbouw mogelijk gemaakt, die door zijne concurrentie het groote zoowel als het kleine grondeigendom in Europa in zijn grondvesten doet sidderen. Zij heeft tegelijkertijd aan de Vereenigde Staten de mogelijkheid gegeven, met de uitbuiting te beginnen van hunne rijke industrieele hulpbronnen, en wel met zulk een energie en op zulk een schaal, dat dit in korten tijd aan het industrieele monopolie van het Westen van Europa een einde maken moet. En deze beide omstandigheden werken ook op Amerika in revolutionaire richting terug. Het kleine en middelsoort grondbezit der zelf-arbeidende farmers, de grondslag der geheele politieke orde in Amerika, bezwijkt meer en meer voor de concurrentie der reuzenfarms, terwijl tegelijkertijd in de industrieele streken voor de eerste maal een talrijk proletariaat zich vormt naast een fabelachtige concentratie van kapitaal. „Gaan wij naar Rusland. In den tijd der revolutie van 1848-1849 zagen niet slechts de Europeesche alleenheerschers, maar ook de Europeesche bourgeois, in de interventie van Rusland de eenige redding voor het, toen juist eerst zich zijn kracht bewust wordend proletariaat. Zij proclameerden den czaar tot hoofd der Europeesche reactie. Nu zit hij in Gatschina als krijgsgevangene der revolutie, en Rusland vormt de voorhoede der revolutionaire beweging in Europa. „De taak van het communistische manifest was de verkondiging van den onvermijdelijk naderenden ondergang van het tegenwoordige burgerlijke eigendom. In Rusland echter vinden wij, naast de zich met koortsachtige haast ontwikkelende kapitalistische orde en het zich juist eerst vormende burgerlijk grondeigendom, de grootste helft van den grond in het gemeenschappelijk eigendom der boeren. „De vraag is nu: Kan de Russische boerengemeente, deze wel reeds zeer vergane vorm van het oorspronkelijke gemeenschappelijk eigendom van den bodem, onmiddellijk overgaan in een hoogeren communistischen vorm van grondeigendom, of moet zij eerst hetzelfde proces van oplossing doormaken, dat zich in de historische ontwikkeling van het Westen vertoont? „Het eenige, thans mogelijke antwoord op deze vraag is het volgende: Wanneer de Russische revolutie het sein wordt tot eene arbeidersrevolutie in het Westen, zoodat beide elkaar aanvullen, dan kan het huidige Russische gemeenschappelijk eigendom tot uitgangspunt eener communistische ontwikkeling dienen. „~Londen~, 21 Januari 1882.” * * * * * Eene nieuwe Poolsche vertaling verscheen in denzelfden tijd te Génève: Manifest Communistyczny. Verder is er eene nieuwe Deensche vertaling verschenen in de „Socialdemokratisk Bibliothek”, Kjöbenhavn 1885. Zij is, helaas, niet geheel volledig; eenige belangrijke plaatsen, die den vertaler te moeilijk schijnen geweest te zijn, zijn weggelaten, en ook buitendien zijn er hier en daar sporen van vluchtigheid op te merken, die te onaangenamer treffen, omdat men het de bewerking aanziet, dat de vertaler bij wat meer zorg iets voortreffelijks had kunnen leveren. In 1886 verscheen een nieuwe Fransche vertaling in „Le Socialiste” te Parijs; het is de beste van de tot nu toe verschenene. Naar haar werd in hetzelfde jaar een Spaansche vertaling eerst in „El Socialista”, Madrid, en daarna als brochure gepubliceerd: Manifiesto del Partido Comunista por Carlos Marx y F. Engels, Madrid, Administracion de „El Socialista”, Hernan Cortés. Als curiositeit vermeld ik nog, dat in 1887 het handschrift van eene Armenische vertaling aan een uitgever te Constantinopel werd aangeboden; de goede man had evenwel niet den moed, iets te drukken, waarop de naam Marx stond, en was van meening, de vertaler moest zich liever zelf als den schrijver noemen; wat deze evenwel afsloeg. Nadat nu de eene, dan de andere der meer of minder onjuiste Amerikaansche vertalingen meermalen in Engeland was herdrukt, verscheen eindelijk in het jaar 1888 eene authentieke vertaling. Zij is van mijn vriend Samuel Moore, en voor den druk nog eens door ons beiden te zamen doorgezien. De titel is Manifest of the Communist Party, by Karl Marx and Frederick Engels. Authorized English Translation, edited and annotated by Frederick Engels, 1888. London, William Reeves, 185 Fleetstreet E. C. Sommige van de aanmerkingen bij die uitgave heb ik in deze den lezer vóórliggende overgenomen. Het manifest heeft een eigen levensloop gehad. Op het oogenblik van zijn verschijning door de toenmaals nog weinig talrijke voorhoede van het wetenschappelijk socialisme geestdriftig begroet (zooals de in de eerste voorrede vermelde vertalingen bewijzen), werd het spoedig op den achtergrond gedrongen door de, met de nederlaag der Parijsche arbeiders in Juni 1848 beginnende reactie, en eindelijk „van rechtswege” vogelvrij en in den ban verklaard door de veroordeeling der Keulsche communisten in November 1852. Toen de van de Februari-revolutie dateerende arbeidersbeweging van het tooneel verdween, trad ook het manifest op den achtergrond. Toen de Europeesche arbeidersklasse zich weder voldoende versterkt had tot een nieuwen storm tegen de macht der heerschende klassen, ontstond de Internationale Arbeiders-Associatie. Zij had ten doel, de geheele strijdbare arbeidersmassa van Europa en Amerika tot een groote legermacht samen te smelten. Zij kon dus niet ~uitgaan~ de in het manifest nedergelegde grondstellingen. Zij moest een program hebben, dat voor de Engelsche Trades Unions, de Fransche, Belgische, Italiaansche en Spaansche Proudhonisten, en de Duitsche aanhangers van Lassalle[2] de deur niet sloot. Dit program--de overwegingen tot de statuten der Internationale--werd door Marx met een zelfs door Bakoenine en de anarchisten erkend meesterschap ontworpen. Voor de eindelijke overwinning der in het manifest opgebouwde stellingen verliet Marx zich enkel en alleen op de intellectueele ontwikkeling der arbeidersklasse, zooals zij uit de gemeenschappelijke actie en uit de discussie noodzakelijk moest voorkomen. De gebeurtenissen en het afwisselend geluk in den strijd tegen het kapitaal, de nederlagen nog meer dan de overwinningen, konden niet anders, dan den strijdenden het onvoldoende hunner tot nog toe aangenomen middelen-tegen-alle-ziekten duidelijk maken, en hunne hoofden ontvankelijker maken voor een grondig inzicht in de ware voorwaarden der arbeidersbevrijding. En Marx had gelijk. De arbeidersklasse van 1874, bij het tenietgaan der Internationale, was eene geheel andere dan die van 1864, bij hare stichting, geweest was. Het Proudhonisme in de Romaansche landen, het specifieke Lassalleanisme in Duitschland, waren aan het uitsterven, en zelfs de toenmalige aartsconservatieve Engelsche Trades-Unions gingen langzamerhand het punt tegemoet, waarop in 1887 de president van hun congres, te Swansea, in hun naam kon zeggen: „Het socialisme van het vasteland heeft zijn verschrikkingen voor ons verloren.” Het socialisme van het vasteland, dat was evenwel reeds in 1887 bijna nog slechts de theorie, die in het manifest wordt verkondigd. En zoo weerspiegelt de geschiedenis van het manifest tot op zekere hoogte de geschiedenis der moderne arbeidersbeweging sinds 1848. Tegenwoordig is het ongetwijfeld het meest verbreide, het internationale product der geheele socialistische litteratuur, het gemeenschappelijk program van vele millioenen van arbeiders aller landen van Siberië tot Californië. [2] Lassalle bekende zich persoonlijk, tegenover ons, steeds als „leerling” van Marx, en stond als zoodanig, zooals van zelf sprak, op den bodem van het manifest. Anders diegenen zijner aanhangers, die niet verder gingen dan zijn eisch van productieve verenigingen met Staatscrediet en die de geheele arbeidersklasse indeelden in Staats- en zelfhelpers. En toch, toen het verscheen, hadden wij het niet een ~socialistisch~ manifest mogen noemen. Onder socialisten verstond men in 1847 tweeërlei soort van lieden. Eensdeels de aanhangers der verschillende utopische stelsels, in ’t bijzonder de Owenisten in Engeland en de Fourieristen in Frankrijk, die beide reeds toenmaals tot niets dan, langzaam uitstervende, secten waren verschrompeld. Anderdeels de veelsoortige sociale kwakzalvers, die met hunne verschillende geneesmiddelen voor alle kwalen en met iedere soort van lapwerk de maatschappelijke misstanden wilden doen verdwijnen, zonder het kapitaal of het profijt in het minst pijn te doen. In beide gevallen: lieden, die buiten de arbeidersbeweging stonden, en die veeleer ondersteuning zochten bij de „beschaafde” klassen. Dat gedeelte der arbeiders daarentegen dat, van het onvoldoende van alle politieke omwentelingen overtuigd, een grondige omvorming der maatschappij eischte, dat gedeelte noemde zich toenmaals ~communistisch~. Het was een slechts in het ruw gewerkt, slechts instinctief, menigmaal ietwat grof communisme, maar het was machtig genoeg, om twee stelsels van het utopisch communisme voort te brengen, in Frankrijk het „Icarische” van Cabet, in Duitschland dat van Weitling. Socialisme beteekende in 1847 een bourgeoisbeweging, communisme eene arbeidersbeweging. Het socialisme was, op het vaste land ten minste, geschikt voor de salon; het communisme precies het tegendeel. En daar wij reeds toenmaals zeer beslist van meening waren, dat „de bevrijding der arbeiders het werk der arbeidersklasse zelve zijn moet”, zoo konden wij geen oogenblik in twijfel zijn, welken der twee namen te kiezen. Ook sinds dien is het ons nooit ingevallen, hem af te wijzen. „Proletariërs aller landen, vereenigt u!” Slechts weinige stemmen antwoordden, toen wij deze woorden de wereld in riepen, nu voor 42 jaren, aan den vooravond der eerste Parijsche revolutie, waarin het proletariaat met eigen eischen te voorschijn trad. Maar op den 28en September 1864 vereenigden zich proletariërs der meeste West-Europeesche landen tot de Internationale Arbeiders-Associatie, roemvoller gedachtenis. De Internationale zelve leefde weliswaar maar negen jaren. Maar dat de door haar gegronde eeuwige bond der proletariërs aller landen nog leeft, en krachtiger leeft dan ooit, daarvoor bestaat geen beter getuige dan juist de dag van heden. Want heden, nu ik deze regels schrijf, houdt het Europeesche en Amerikaansche proletariaat wapenschouwing over zijne voor de eerste maal mobiel gemaakte strijdkrachten, mobiel gemaakt als één leger, onder één vlag en voor één naast doel: den reeds door het congres van Genève der Internationale van 1866, en wederom door het Parijsche arbeiderscongres van 1889 geproclameerden, wettelijk vast te stellen, achturigen normalen arbeidsdag. En het schouwspel van den huidigen dag zal den kapitalisten en grondbezitters van alle landen de oogen er voor openen, dat heden de proletariërs aller landen in der daad vereenigd zijn. Stond Marx nog maar naast mij, om dit met eigen oogen te zien. ~Londen~, op den eersten Mei 1890. F. ENGELS. Manifest der Communistische Partij. Een spook gaat rond door Europa--het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de Paus en de Czaar, Metternich en Guizot, Fransche radikalen en Duitsche politiemannen. Waar is de partij der oppositie, die niet door haar regeerende tegenstanders voor communistisch is uitgekreten, waar de oppositie-partij, die den meer vooruitstrevenden oppositie-mannen, evenals haar reactionairen tegenstanders, niet het brandmerkend verwijt van communisme heeft terug geslingerd? Tweeërlei volgt uit dit feit. Het communisme wordt reeds door alle Europeesche machten als een macht erkend. Het is hoog tijd, dat de communisten hun denkbeelden, hun doeleinden, hun tendenz voor de geheele wereld blootleggen en tegenover het sprookje van het spook van het communisme een manifest van de partij zelf stellen. Tot dit doel zijn communisten van de meest verschillende nationaliteiten te Londen bijeengekomen en hebben zij het volgende manifest ontworpen, dat in de Engelsche, Fransche, Duitsche, Italiaansche, Vlaamsche en Deensche taal uitgegeven wordt. I. =Bourgeois en Proletariërs.= De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis van klassenstrijden.[3] [3] Dat wil zeggen, precies gesproken, de _schriftelijk_ overgeleverde geschiedenis. In 1847 was de vóórgeschiedenis der maatschappij, de maatschappelijke organisatie, die aan alle opgeschreven geschiedenis voorafging, nog zoo goed als onbekend. Sinds dien tijd heeft Haxthausen het gemeenschappelijk eigendom van den grond in Rusland ontdekt. Maurer heeft het aangetoond als den maatschappelijken grondslag, waarvan alle Duitsche stammen historisch uitgingen, en langzamerhand vond men, dat dorpsgemeenten met gemeenschappelijk grondbezit de oervorm der maatschappij waren van Indië tot Ierland. Eindelijk werd de inwendige organisatie dezer oorspronkelijke communistische maatschappij in haar typischen vorm blootgelegd door Morgan’s alles bekronende ontdekking van den waren aard der gens en van haar plaats in den stam. Met de vernietiging dezer oorspronkelijke gemeenebesten begint de splitsing der maatschappij in bijzondere en eindelijk tegenover elkaar staande klassen. Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildemeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekten dan weer open strijd, een strijd, die ieder keer eindigde met een revolutionaire vervorming van de geheele maatschappij of met den gemeenschappelijken ondergang van de strijdende klassen. In de vroegere tijdperken der geschiedenis vinden wij bijna overal een volledige verdeeling der maatschappij in verschillende standen, een veelvoudigen trap van maatschappelijke rangen. In het oude Rome hebben wij patriciërs, ridders, plebejers, slaven; in de middeleeuwen leenheeren, vazallen, gildemeesters, gezellen, lijfeigenen en bovendien in bijna ieder van deze klassen weder bijzondere afdeelingen. De uit den ondergang van de feodale maatschappij voortgekomen moderne burgerlijke maatschappij heeft de klassentegenstellingen niet opgeheven. Zij heeft slechts nieuwe klassen, nieuwe voorwaarden van onderdrukking, nieuwe vormen van strijd in de plaats van de oude gesteld. Ons tijdvak, het tijdvak der bourgeoisie, steekt evenwel hierdoor uit, dat het de klassentegenstellingen vereenvoudigd heeft. De geheele maatschappij splitst zich meer en meer in twee groote vijandelijke kampen, in twee groote lijnrecht tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat. Uit de lijfeigenen der middeleeuwen zijn de poorters der eerste steden voortgekomen; uit deze poorterschap hebben zich de eerste elementen der bourgeoisie ontwikkeld. De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chineesche markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering der ruilmiddelen en der goederen in het algemeen gaven aan den handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling. Het tot hier toe heerschende feodale of gilde-bedrijf der industrie was niet toereikend meer voor de met nieuwe markten aangroeiende behoefte. De manufaktuur trad in zijne plaats. De gildemeesters werden verdrongen door den industrieelen middenstand; de verdeeling van den arbeid tusschen de verschillende korporaties verdween voor de verdeeling van den arbeid in de afzonderlijke werkplaats zelf. Maar steeds groeien de markten aan, steeds steeg de behoefte. Ook de manufaktuur was niet meer toereikend. Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industrieele productie. In de plaats van de manufaktuur kwam de moderne groot-industrie, in de plaats van den industrieelen middenstand kwamen de industrieele millionairs, de chefs van geheele industrieele legers, de moderne bourgeois. De groot-industrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan den handel, de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze heeft weder op de uitbreiding van de industrie teruggewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op den achtergrond. Wij zien dus, hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van een langen ontwikkelingsgang, van een reeks van veranderingen in de productiewijze en in de wijze van verkeer. Ieder van deze trappen van ontwikkeling der bourgeoisie werd begeleid door een daarmee overeenkomenden politieken stap voorwaarts. Onderdrukte stand onder de heerschappij der feodale heeren, gewapend en zich zelf besturend verbond in de Commune[4], hier onafhankelijke republikeinsche stad, daar belastingplichtige derde stand der monarchie, dan in den tijd der manufactuur tegenwicht tegen den adel in de constitutioneele of in de absolute monarchie, voornaamste fundament der monarchieën in het algemeen, bevocht zij voor zich eindelijk, sinds de vestiging der groot-industrie en der wereldmarkt, in den modernen staat met volksvertegenwoordiging de politieke alleenheerschappij. De moderne staatsmacht is slechts een comité, dat de gemeenschappelijke zaken der geheele burgerklasse beheert. [4] Zoo noemden de burgers der Italiaansche en Fransche steden hun gemeenten, nadat zij het eerste zelfbestuur van hun feodale heeren hadden afgekocht of afgedwongen. De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld. De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle feodale, aartsvaderlijke, idylische verhoudingen vernield. Zij heeft de bontgeschakeerde feodale banden, die den mensch aan den van nature boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen anderen band tusschen mensch en mensch overgelaten, dan het naakte eigenbelang, dan de gevoellooze „contante betaling”. Zij heeft de heilige siddering der vroome dweeperij, der ridderlijke geestdrift, van den klein-burgerlijken weemoed in het ijskoude water van egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in de ruilwaarde opgelost en in de plaats der tallooze verleende en verworven vrijheden als eenige vrijheid de gewetenlooze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats der met godsdienstige en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke, schaamtelooze, directe, dorre uitbuiting gesteld. De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde ambten van hun heiligen schijn ontdaan. Zij heeft den geneesheer, den jurist, den priester, den dichter, den man der wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie heeft der familieverhouding haar roerend-sentimenteelen sluier afgerukt en haar tot eene zuivere geldverhouding herleid. De bourgeoisie heeft onthuld, hoe de brutale krachtuiting, die de reactie zoozeer in de middeneeuwen bewondert, hare passende aanvulling vond in de traagste dagdieverij. Eerst zij heeft bewezen, wat de werkkracht der menschen tot stand brengen kan. Zij heeft nog heel andere wonderwerken voltooid dan Egyptische pyramides, Romeinsche waterleidingen en Gothische kathedralen, zij heeft nog heel andere tochten volbracht dan volksverhuizingen en kruistochten. De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productiemiddelen, dus de productieverhoudingen, dus de gezamenlijke maatschappelijke verhoudingen voortdurend te revolutioneeren. Onveranderde instandhouding der oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde aller vroegere industrieele klassen. De voortdurende omwenteling der productie, de onafgebroken schok aan alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen, voordat zij zich verharden kunnen. Alle stand en al het staande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de menschen zijn eindelijk gedwongen, hun plaats in het leven, hun wederzijdsche betrekkingen met nuchtere oogen aan te zien. De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van hare producten jaagt de bourgeoisie over den bol der aarde. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknoopen. De bourgeoisie heeft door hare exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie aller landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot verdriet der reactionairen aan de industrie den nationalen bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij worden verdrongen door nieuwe industrieën, waarvan de invoering tot een levensvraag voor alle beschaafde volkeren wordt, door industrieën, die niet meer inheemsche grondstoffen, maar grondstoffen uit de verste streken der aarde verwerken en waarvan de fabrikaten niet alleen in het land zelf, maar in alle werelddeelen tegelijk worden verbruikt. In de plaats der oude, door producten van het eigen land bevredigde behoeften komen nieuwe, die de producten der verste landen tot hunne bevrediging vorderen. In de plaats der oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een veelzijdig verkeer, een veelzijdige afhankelijkheid der volkeren onderling. De geestelijke voortbrengselen der afzonderlijke naties worden gemeen goed. De nationale eenzijdigheid en beperktheid wordt meer en meer onmogelijk, en uit de vele nationale en lokale litteraturen vormt zich een wereldlitteratuur. De bourgeoisie rukt door de snelle verbetering aller productiemiddelen, door het onnoodig gemakkelijker verkeer alle, ook de meest barbaarsche volken in den kring der beschaving. De goedkoope prijzen harer waren zijn de zware artillerie, waarmee zij alle Chineesche muren tegen den grond schiet, met welke zij den hardnekkigsten vreemdelingenhaat der barbaren tot overgave dwingt. Zij dwingt alle naties, zich de productiewijze der bourgeoisie eigen te maken, wanneer zij niet te gronde willen gaan: zij dwingt hen de zoogenaamde beschaving bij zich in te voeren, d. w. z. bourgeois te worden. Met één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld. De bourgeoisie heeft het land aan de heerschappij der stad onderworpen. Zij heeft enorme steden geschapen, zij heeft het aantal der steedsche tegenover de landelijke bevolking in hoogen graad vermeerderd en aldus een belangrijk deel der bevolking aan het verstompende van het landleven ontrukt. Evenals het land van de stad, zoo heeft zij de barbaarsche en half barbaarsche landen van de beschaafde, de boerenvolken van de bourgeoisvolken, het Oosten van het Westen afhankelijk gemaakt. De bourgeoisie heft meer en meer de versnippering der productiemiddelen, van het bezit en van de bevolking op. Zij heeft de bevolking op plaatsen opeengehoopt, de productiemiddelen gecentraliseerd en het eigendom in weinige handen geconcentreerd. Het noodzakelijk gevolg hiervan was de staatkundige centralisatie. Onafhankelijke, bijna alleen verbonden provincies met verschillende belangen, wetten, regeeringen en tollen werden saamgedrongen in ééne natie, ééne regeering, één wet, één nationaal klassebelang, één douanengrens. De bourgeoisie heeft in hare nauwelijks honderdjarige klasseheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle verdwenen geslachten te samen. Onderwerping der natuurkrachten, machinerie, aanwending der scheikunde op nijverheid en landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, ontginning van geheele werelddeelen, bevaarbaarmaking der rivieren, geheele uit den grond gestampte bevolkingen--welke vroegere eeuw vermoedde, dat zulke productiekrachten in den schoot van den maatschappelijken arbeid sluimerden? Wij hebben dus gezien: De productie- en verkeersmiddelen, op welker grondslag de bourgeoisie zich ontwikkelde, werden in de feodale maatschappij geschapen. Op een zekeren trap van de ontwikkeling dezer productie- en verkeersmiddelen stemden de verhoudingen, waarin de feodale maatschappij produceerde en ruilde, de feodale organisatie van landbouw en manufactuur, met één woord de feodale eigendomsverhoudingen niet meer met de reeds ontwikkelde productiekrachten. Zij hielden de productie tegen, in plaats ze te bevorderen. Zij veranderden in even zoo vele boeien. Zij moesten verscheurd worden, zij werden verscheurd. In hunne plaats trad de vrije concurrentie met de haar passende maatschappelijke en staatkundige inrichting, met de ekonomische en politieke heerschappij der burgerlijke klasse. Onder onze oogen heeft een dergelijke beweging plaats. De burgerlijke productie- en verkeersverhoudingen, de burgerlijke eigendomsverhoudingen, de moderne burgerlijke maatschappij, die zulke geweldige productie- en verkeersmiddelen te voorschijn getooverd heeft, gelijkt den heksenmeester, die de onderaardsche machten niet meer beheerschen kan, die hij zelf opriep. Sinds tientallen jaren is de geschiedenis van nijverheid en handel slechts de geschiedenis van den opstand der moderne productiekrachten tegen de moderne productieverhoudingen, tegen de eigendomsverhoudingen, die de levensvoorwaarden zijn der bourgeoisie en harer heerschappij. Het is voldoende de handelscrisissen te noemen, die met hunnen periodieken terugkeer telkens dreigender het bestaan der geheele burgerlijke maatschappij in gevaar brengen. In de handelscrisissen wordt een groot gedeelte niet alleen der voortgebrachte producten, maar der reeds geschapen productiekrachten geregeld vernietigd. In de crisissen breekt een maatschappelijke epidemie uit, die aan alle vroegere periodes iets onzinnigs zou hebben geleken--de epidemie der overproductie. De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in een toestand van oogenblikkelijke barbaarschheid; een hongersnood, een algemeene verdelgingsoorlog schijnen haar alle levensmiddelen te hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel levensmiddelen, te veel industrie, te veel handel bezit. De productiekrachten, die haar ter beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering der burgerlijke eigendomsverhoudingen; integendeel, zij zijn te geweldig geworden voor deze verhoudingen, zij worden belemmerd en zoodra zij deze belemmering overwinnen, brengen zij de geheele burgerlijke maatschappij in wanorde, brengen zij het bestaan van het burgerlijk eigendom in gevaar. De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden, om den door hen voortgebrachten rijkdom te omvatten.--Waardoor overwint de bourgeoisie de crisissen? Aan den eenen kant door de gedwongen vernietiging eener massa productiekrachten; aan den anderen kant door de verovering van nieuwe markten, en de nog grondiger exploitatie van oude markten. Waardoor dus? Daardoor, dat zij alzijdiger en geweldiger crisissen voorbereidt en de middelen, om de crisissen te voorkomen, vermindert. De wapens, met welke de bourgeoisie de feodaliteit neer heeft geslagen, keeren zich nu tegen de bourgeoisie zelf. Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed, die haar den dood brengen: zij heeft ook de mannen geteeld, die deze wapens zullen voeren--de moderne arbeiders, ~de proletariërs~. In dezelfde mate, waarin de bourgeoisie, d. i. het kapitaal, zich ontwikkelt, in dezelfde mate ontwikkelt zich het proletariaat, de klasse der moderne arbeiders, die slechts zoo lang leven, als zij werk vinden, en die slechts zoo lang werk vinden, als hun werk het kapitaal vermeerdert. Deze arbeiders, die zich stuksgewijs moeten verkoopen, zijn een waar, als ieder handelsartikel, en daardoor in dezelfde mate aan alle wisselvalligheden der concurrentie, aan alle schommelingen der markt blootgesteld. De arbeid der proletariërs heeft door de uitbreiding der machinerie en de arbeidsverdeeling elk zelfstandig karakter, en daarmede alle aantrekkelijkheid voor de arbeiders verloren. Hij wordt niets dan een toevoegsel der machine, van wien alleen de eenvoudigste, eentonigste, gemakkelijkst te leeren handgrepen verlangd worden. De kosten, die de arbeider veroorzaakt, beperken zich dus bijna tot de levensmiddelen, die hij tot zijn onderhoud en tot voortplanting van zijn ras noodig heeft. De prijs eener waar, dus ook van den arbeid, is evenwel gelijk aan haar productiekosten. In dezelfde mate, in welke het weerzinwekkende van den arbeid toeneemt, neemt dus het loon af. Meer nog, in dezelfde mate, waarin machinerie en arbeidsverdeeling toenemen, in dezelfde mate neemt ook de massa arbeid toe, hetzij door vermeerdering van den in een gegeven tijd voortgebrachten arbeid, verhaasten loop der machine, enz. De moderne industrie heeft de kleine werkplaats van den patriarchalen meester veranderd in de groote fabriek van den industrieelen kapitalist. Massa’s arbeiders, in de fabriek samengepakt, worden als soldaten georganiseerd. Zij worden als gemeensoldaten der industrie onder het opzicht van een volledige hierarchie van onderofficieren en officieren gesteld. Zij zijn niet slechts knechten der bourgeoisklasse, van den bourgeoisstaat, zij worden iederen dag en ieder uur geknecht door de machine, door den opzichter, en vóór alles door den enkelen afzonderlijken fabriceerenden bourgeois zelf. Deze dwingelandij is des te kleingeestiger, hatelijker, verbitterender, hoe openlijker zij het winst maken als haar doel proclameert. Hoe minder vaardigheid en kracht de handenarbeid vordert, dat wil zeggen hoe meer de moderne industrie zich ontwikkelt, des te meer wordt de arbeid van mannen door dien van vrouwen verdrongen. Onderscheid van geslacht en leeftijd geldt maatschappelijk niet meer voor de arbeidersklasse. Er bestaan nog slechts arbeidsinstrumenten, die al naar ouderdom en geslacht verschillende kosten veroorzaken. Is de uitbuiting van den arbeider door den fabrikant zoo ver afgeloopen, dat hij zijn arbeidsloon in klinkende munt uitbetaald ontvangt, dan vallen de andere leden der bourgeoisie op hem aan, de huiseigenaar, de winkelier, de pandjeshuisman, enz. De tot nu toe bestaande kleine middenstand, de kleine industrieelen, kooplieden en renteniers, de handwerkslieden en boeren, al deze klassen dalen af in het proletariaat, gedeeltelijk doordat hun klein kapitaal niet voldoende is voor het drijven van groot-industrie en ondergaat in de concurrentie met de grootere kapitalisten, gedeeltelijk doordat hun vaardigheid door nieuwe productiewijzen waardeloos wordt. Zoo wordt het proletariaat uit alle klassen der bevolking gerecruteerd. Het proletariaat maakt verschillende tijdperken van ontwikkeling door. Zijn strijd tegen de bourgeoisie begint met zijn bestaan. Aanvankelijk strijden de afzonderlijke arbeiders, daarna de arbeiders eener fabriek, dan de arbeiders van een tak van bedrijf op ééne plaats tegen den enkelen bourgeois, die hen onmiddellijk uitbuit. Zij richten hunne aanvallen niet alleen tegen de burgerlijke productieverhoudingen, zij richten ze tegen de voortbrengingswerktuigen zelve; zij vernielen de vreemde concurreerende waren, zij slaan de machines stuk, zij steken de fabrieken in brand, zij zoeken de verdwenen plaats van den middeleeuwschen arbeider weer voor zich te veroveren. Op dezen trap van ontwikkeling vormen de arbeiders eene over het geheele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa. Een in massa aan elkaar vasthouden der arbeiders is nog niet het gevolg van hun eigen vereeniging, maar het gevolg van de vereeniging der bourgeoisie, die, om haar eigen politieke doeleinden te bereiken, het geheele proletariaat in beweging moet brengen en het voorloopig ook nog kan. Op dezen ontwikkelingstrap bestrijden de proletariërs dus niet hunne vijanden, maar de vijanden hunner vijanden, de overblijfsels der absolute monarchie, de grondeigenaars, de niet-industrieele bourgeois, de kleine burgers. De geheele historische beweging is aldus in de handen der bourgeoisie geconcentreerd; iedere overwinning, die zoo bevochten wordt, is eene overwinning der bourgeoisie. Maar met de ontwikkeling der industrie vermeerdert niet alleen het proletariaat; het wordt in grootere massa’s samengedrongen, zijn kracht groeit aan en het voelt ze meer. De belangen, de levenstoestanden binnen het proletariaat verevenen zich steeds meer, daar de machine meer en meer het onderscheid van den arbeid uitwischt en het loon bijna overal tot een even laag niveau neerdrukt. De toenemende concurrentie der bourgeois onder elkaar en de daaruit voortkomende handelscrisissen maken het loon der arbeiders steeds meer schommelend; de steeds sneller zich ontwikkelende, onophoudelijke verbetering der machinerie maakt hun geheelen levenstoestand steeds onzekerder; steeds meer nemen de botsingen tusschen den afzonderlijken arbeider en den afzonderlijken bourgeois het karakter van botsingen van twee klassen aan. De arbeiders beginnen coalities tegen de bourgeois te vormen; zij komen bijeen tot verdediging van hun arbeidsloon. Zij stichten zelve duurzame associaties, om zich voor de telkens voorkomende opstanden van proviand te voorzien. Hier en daar breekt de strijd in oproer los. Van tijd tot tijd zegevieren de arbeiders, maar slechts voorbijgaand. Het eigenlijk resultaat van hunne gevechten is niet het onmiddellijk resultaat, maar de altijd verder om zich grijpende vereeniging der arbeiders. Zij wordt bevorderd door de toenemende verkeersmiddelen, die door de groot-industrie worden voortgebracht en die de arbeiders der verschillende streken met elkaar in verbinding brengt. Maar verbinding is ook alleen noodig, om de vele lokale worstelingen, van overal gelijk karakter, tot een nationalen, tot een klassenstrijd te centraliseeren. Iedere klassenstrijd is echter een politieke strijd. En de vereeniging, voor welke de burgers der middeneeuwen met hunne buurtwegen eeuwen noodig hadden, brengen de moderne proletariërs met de spoorwegen in weinige jaren tot stand. Deze organisatie der proletariërs tot klasse, en daardoor tot politieke partij, wordt ieder oogenblik weder verbroken door de concurrentie onder de arbeiders zelve. Maar zij herleeft telkens weer, sterker, vaster, machtiger. Zij verovert zich de erkenning van enkele arbeidersbelangen bij de wet, doordien zij van de scheuring der bourgeois onder elkander gebruik maakt. Zoo de 10-urenwet in Engeland. In het algemeen bevorderen de botsingen in de oude maatschappij toch op velerlei wijzen den ontwikkelingsgang van het proletariaat. De bourgeoisie bevindt zich in voortdurenden strijd: in het begin tegen de aristocratie; later tegen die deelen der bourgeoisie zelve, wier belangen in tegenspraak komen met den vooruitgang der industrie; steeds tegen de bourgeoisie aller vreemde landen. In al deze gevechten ziet zij zich genoodzaakt, een beroep te doen op het proletariaat, zijn hulp te vragen en het aldus in de politieke beweging te trekken. Zij zelve voert dus het proletariaat haar eigen vormingselementen, d. w. z. wapens tegen haar zelve, toe. Verder worden, zooals wij gezien hebben, door den vooruitgang der industrie geheele bestanddeelen der heerschende klasse in het proletariaat geworpen of ten minste in hun levensvoorwaarden bedreigd. Ook zij brengen het proletariaat een massa vormingselementen aan. In tijden eindelijk, waarin de klassenstrijd zijn beslissing nadert, neemt het ontbindingsproces binnen de heerschende klasse, binnen de geheele oude maatschappij, een zoo heftig, zoo schril karakter aan, dat een klein deel der heerschende klasse zich van haar losmaakt en zich bij de revolutionaire klasse aansluit, de klasse, die de toekomst in hare handen draagt. Evenals dus vroeger een deel van den adel tot de bourgeoisie overging, zoo gaat nu een deel der bourgeoisie tot het proletariaat over, en voornamelijk een deel der bourgeois-ideologen, die zich tot het theoretische begrip der geheele historische beweging hebben opgewerkt. Van alle klassen die heden ten dage tegenover de bourgeoisie staan, is alleen het proletariaat eene werkelijk revolutionaire klasse. De overige klassen verkommeren en gaan onder met de groot-industrie, het proletariaat is haar eigen product. De middenstanden, de kleine industrie, de kleine koopman, de handwerksman, de boer, zij allen bestrijden de bourgeoisie, om hun bestaan als middenstand voor den ondergang te bewaren. Zij zijn dus niet revolutionair, maar conservatief. Meer nog, zij zijn reactionair, zij zoeken het rad der geschiedenis terug te draaien. Zijn zij revolutionair, dan zijn zij het met het oog op den ondergang in het proletariaat, die hen wacht, dan verdedigen zij niet hunne tegenwoordige, maar hun toekomstige belangen, dan verlaten zij hun eigen standpunt, om zich te stellen op dat van het proletariaat. Het lompenproletariaat, deze lijdelijke verrotting van de onderste lagen der oude maatschappij, wordt door eene proletarische revolutie hier en daar in de beweging geslingerd; maar het zal volgens zijn geheele levenswijze eerder bereid zijn, zich tot reactionaire bewegingen te laten koopen. De levensvoorwaarden der oude maatschappij zijn reeds vernietigd in de levensvoorwaarden van het proletariaat. De proletariër is zonder eigendom; zijn verhouding tot vrouw en kinderen heeft niets meer gemeen met de burgerlijke familieverhouding; de moderne industrieele arbeid, de moderne dienstbaarheid onder het kapitaal, dezelfde in Engeland als in Frankrijk, in Amerika als in Duitschland, heeft hem van alle nationaal karakter ontdaan. De wetten, de moraal, de godsdienst, zijn voor hem even zoo vele burgerlijke vooroordeelen, achter welke zich even zoo vele burgerlijke belangen verschuilen. Alle vroegere klassen, die zich de heerschappij veroverden, zochten hunne reeds verworven plaats te verzekeren, door de geheele maatschappij aan de bestaansvoorwaarden van hun bedrijf te onderwerpen. De proletariërs kunnen de maatschappelijke productiekrachten slechts veroveren, door hun eigen tot nu toe bestaande wijze van toeëigening, en daarmee de geheele tot nu toe bestaande wijze van toeëigening af te schaffen. De proletariërs hebben niets van het hunne te verzekeren, zij hebben alle tot nu toe bestaande privaat-zekerheden en privaat-verzekeringen te vernietingen. Alle bewegingen tot nu toe waren bewegingen van minderheden of in het belang van minderheden. De proletarische beweging is de zelfstandige beweging der ontzaggelijke meerderheid in het belang der ontzaggelijke meerderheid. Het proletariaat, de onderste laag der tegenwoordige maatschappij, kan zich niet oprichten, niet verheffen, zonder dat de geheele bovenbouw der lagen, die de officieele maatschappij vormen, in de lucht springt. Ofschoon niet naar inhoud, is de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie naar den vorm voorloopig een nationale strijd. Het proletariaat van elk land moet het natuurlijk eerst met zijn eigen bourgeoisie klaar spelen. Terwijl wij de algemeenste ontwikkelingsphasen van het proletariaat schetsen, vervolgden wij den meer of minder verborgen burgeroorlog binnen de bestaande maatschappij tot op dat punt, waarop hij in een open revolutie uitbreekt, en, door de gewelddadige omverwerping der bourgeoisie, het proletariaat zijn eigen heerschappij grondvest. Elke maatschappij tot nu toe berustte, zooals wij gezien hebben, op de tegenstelling van onderdrukkende en onderdrukte klassen. Om evenwel een klasse te kunnen onderdrukken, moeten haar levensvoorwaarden verzekerd zijn, binnen welke zij ten minste haar slaafsch bestaan kan rekken. De lijfeigene heeft zich tot lid der commune opgewerkt in de lijfeigenschap, evenals de kleine burger tot bourgeois onder het juk van het feodale absolutisme. De moderne arbeider daarentegen, inplaats van zich met den vooruitgang der industrie te verheffen, zinkt steeds dieper onder de levensvoorwaarden zijner eigen klasse. De arbeider wordt tot pauper en het pauperisme ontwikkelt zich nog sneller dan bevolking en rijkdom. Hiermede komt het openlijk aan den dag, dat de bourgeoisie niet in staat is, nog langer de heerschende klasse der maatschappij te blijven en de levensvoorwaarden harer klasse aan de maatschappij als regel en wet op te dringen. Zij is niet in staat te heerschen, omdat zij niet in staat is, haren slaaf het bestaan zelf binnen zijne slavernij te verzekeren, omdat zij gedwongen is, hem in een toestand te laten verzinken, waarin zij hem voeden moet, inplaats van door hem gevoed te worden. De maatschappij kan niet meer onder haar leven, d. w. z. haar leven kan niet meer samengaan met de maatschappij. De wezenlijke voorwaarde voor het bestaan en voor de heerschappij der bourgeoisklasse is de opeenhooping van rijkdom in de handen van privaatpersonen, de vorming en vermeerdering van het kapitaal; de voorwaarde van het kapitaal is de loonarbeid. De loonarbeid berust uitsluitend op de concurrentie der arbeiders onder elkaar. De vooruitgang der industrie, wier willooze en verzetlooze drager der bourgeoisie is, stelt in de plaats der isoleering der arbeiders door de concurrentie hunne revolutionaire vereenigingen door de associatie. Met de ontwikkeling der groot-industrie wordt dus onder de voeten der bourgeoisie de bodem zelf weggetrokken, waarop zij produceert en zich de producten toeëigent. Zij produceert vóór alles haar eigen doodgraver. Haar ondergang en de zege van het proletariaat zijn even onvermijdelijk. II. Proletariërs en Communisten. In welke verhouding staan de communisten tot de proletariërs in het algemeen? De communisten zijn geen bijzondere partij tegenover de andere arbeiderspartijen. Zij hebben geene, van de belangen van het geheele proletariaat gescheiden belangen. Zij stellen geen bijzondere beginselen op, waarnaar zij de proletarische beweging willen modelleeren. De communisten onderscheiden zich van de overige proletarische partijen alleen daardoor, dat zij aan den eenen kant in den nationalen strijd der proletariërs in de verschillende landen de gemeenschappelijke, van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het proletariaat hoog houden en doen gelden, aan den anderen kant daardoor, dat zij op de verschillende trappen van ontwikkeling, die de strijd tusschen proletariaat en bourgeoisie doorloopt, steeds in het belang der geheele beweging vertegenwoordigen. De communisten zijn dus praktisch het meest besliste, altijd voorwaarts drijvende gedeelte der arbeiderspartijen aller landen; zij hebben theoretisch op de overige massa van het proletariaat het inzicht in de voorwaarden, den gang en de algemeene resultaten der proletarische beweging vóór. Het naaste doel der communisten is hetzelfde als dat van alle overige proletarische partijen: de vorming van het proletariaat tot klasse, de omverwerping der heerschappij der bourgeoisie, de verovering der politieke macht door het proletariaat. De theoretische stellingen der communisten berusten volstrekt niet op ideeën, op de principes, die door den een of anderen wereldhervormer uitgevonden of ontdekt zijn. Zij zijn slechts de algemeene uitdrukking van feitelijke verhoudingen van een bestaanden klassenstrijd, van een onder onze oogen gebeurende historische beweging. De afschaffing van tot nu toe bestaande eigendomsverhoudingen is niet iets wat het communisme afzonderlijk kenmerkt. Alle eigendomsverhoudingen waren aan een voortdurende historische wisseling, een voortdurende historische verandering onderworpen. De Fransche revolutie bijvoorbeeld schafte het feodale eigendom ten gunste van het burgerlijke af. Wat het communisme kenmerkt, is niet de afschaffing van het eigendom in het algemeen, maar de afschaffing van het burgerlijke eigendom. Maar het moderne burgerlijke privaat-eigendom is de laatste en volmaaktste uitdrukking van dat maken en dat zich toeëigenen van producten, dat op klassetegenstellingen, op de uitbuiting van den een door den ander berust. In dien zin kunnen de communisten hun theorie samenvatten in de ééne formule: opheffing van het privaat-eigendom. Men heeft ons communisten verweten, dat wij het persoonlijk verworven, zelf door eigen arbeid verdiende eigendom wilden afschaffen; het eigendom, dat den grondslag vormt van alle persoonlijke vrijheid, arbeidzaamheid en zelfstandigheid. Door eigen arbeid verworven en verdiend eigendom! Spreekt gij van het eigendom van den kleinen burger, den kleinen boer, dat aan het burgerlijk eigendom voorafging? Wij hebben het niet af te schaffen, de ontwikkeling der industrie heeft het afgeschaft en schaft het iederen dag af. Of spreekt gij van het moderne burgerlijke privaat-eigendom? Schept echter de loonarbeid, de arbeid van den proletariër hem eigendom? Volstrekt niet. Hij schept het kapitaal, dat wil zeggen dat eigendom, dat den loonarbeid uitbuit, dat zich alleen onder de voorwaarde vermeerderen kan, dat het nieuwen loonarbeid teelt, om hem opnieuw uit te buiten. Het eigendom in zijn tegenwoordige gedaante beweegt zich in de tegenstelling van kapitaal en loonarbeid. Laten wij de beide kanten dezer tegenstelling eens bezien. Kapitalist-zijn beteekent niet alleen een zuiver persoonlijke, maar een maatschappelijke plaats innemen in de productie. Het kapitaal is een gemeenschappelijk product en kan alleen door een gemeenschappelijke werkzaamheid van vele leden, ja in laatsten aanleg alleen door de gemeenschappelijke werkzaamheid van alle leden der maatschappij in beweging gezet worden. Het kapitaal is dus geen persoonlijke, het is een maatschappelijke macht. Wanneer dus het kapitaal in gemeenschappelijk, aan alle leden der maatschappij toebehoorend eigendom veranderd wordt, dan wordt niet persoonlijk eigendom in maatschappelijk veranderd. Alleen het maatschappelijk karakter van het eigendom wordt veranderd. Het verliest zijn klasse-karakter. Nu de loonarbeid. De doorsneeprijs van den loonarbeid is het minimum van het arbeidsloon, dat wil zeggen de som der levensmiddelen, die noodig zijn, om den arbeider als arbeider in het leven te houden. Wat dus de loonarbeider door zijn werkzaamheid zich toeëigent, is alleen voldoende, om hem zijn naakte leven weer te geven. Wij willen deze persoonlijke toeëigening der arbeidsproducten, die tot de herschepping van het onmiddellijke leven dient, volstrekt niet afschaffen, een toeëigening, die geen overschot overlaat, dat macht over arbeid van anderen zou kunnen geven. Wij willen alleen het ellendige karakter dezer toeëigening opheffen, waarin de arbeider slechts leeft, om het kapitaal te vermeerderen, slechts in zoover leeft als het belang der heerschende klasse dit vordert. In de burgerlijke maatschappij is de levende arbeid slechts een middel om den opgestapelden arbeid te vermeerderen. In de communistische maatschappij is de opgestapelde arbeid slechts een middel, om het levensproces der arbeiders ruimer, rijker, sterker te maken. In de burgerlijke maatschappij heerscht dus het verleden over het tegenwoordige, in de communistische het tegenwoordige over het verleden. In de burgerlijke maatschappij is het kapitaal zelfstandig en persoonlijk, terwijl het werkende individu onzelfstandig en onpersoonlijk is. En de opheffing van deze verhouding noemt de bourgeoisie opheffing van persoonlijkheid en vrijheid? En terecht. Want het gaat zeer zeker om de opheffing der bourgeois-persoonlijkheid, -zelfstandigheid en -vrijheid. Onder vrijheid verstaat men binnen de nu heerschende burgerlijke productieverhoudingen den vrijen handel, den vrijen koop en verkoop. Vervalt evenwel de schacher, dan vervalt ook de vrije schacher. De uitwijdingen over den vrijen schacher hebben, evenals al het gezwets over vrijheid van onze bourgeoisie, in ’t algemeen alleen beteekenis tegenover den onvrijen, den gebonden schacher, tegenover den geknechten burger der middeneeuwen, niet tegenover de communistische opheffing van allen schacher, der burgerlijke productieverhoudingen en der bourgeoisie zelve. Gij ontstelt er over, dat wij het privaat-eigendom willen opheffen. Maar in uw bestaande maatschappij is het privaat-eigendom voor 9 tienden harer leden opgeheven: het bestaat juist alleen daardoor, dat het voor 9 tienden niet bestaat. Gij verwijt ons dus, dat wij een eigendom willen opheffen, dat het niet-hebben-van-eigendom der overgroote meerderheid der maatschappij als noodzakelijke voorwaarde vooronderstelt. Gij verwijt ons met één woord, dat wij uw eigendom willen opheffen. Zeker, dat willen wij. Van het oogenblik af aan, dat de arbeid niet meer in kapitaal, geld, grondrente, kortom in een monopoliseerbare maatschappelijke macht, veranderd kan worden, d. i. van het oogenblik af aan, dat het persoonlijke eigendom niet meer in burgerlijk eigendom omslaan kan, van dat oogenblik af verklaart gij: de persoon is opgeheven. Gij geeft dus toe, dat gij onder persoon niemand anders verstaat dan den bourgeois, den burgerlijken eigenaar. En deze persoon moet gewis worden opgeheven. Het communisme ontneemt niemand de macht zich maatschappelijke producten toe te eigenen, het ontneemt slechts de macht door deze toeëigening arbeid van anderen voor zich zelf als last- en werkdier te gebruiken. Men heeft tegen ons aangevoerd, met de opheffing van het privaat-eigendom zou alle arbeidzaamheid ophouden en een algemeene luiheid binnendringen. Als dat waar was moest de burgerlijke maatschappij al lang aan luiheid te gronde gegaan zijn; want wie in haar werken „verdienen” niet en wie in haar „verdienen”, werken niet. De heele bedenking komt neer op de tautologie, dat er geen loonarbeid meer bestaat, zoodra er geen kapitaal meer bestaat. Alle tegenwerpingen, die tegen de communistische wijze van toeëigenen en produceeren der stoffelijke producten gericht worden, zijn ook uitgestrekt tot de toeëigening en voortbrenging der geestelijke producten. Evenals voor den bourgeois het ophouden van het klasse-eigendom het ophouden der productie zelf is, zoo is voor hem het ophouden der klassebeschaving identiek met het ophouden van alle beschaving. De beschaving, de vorming, wier verlies hij betreurt, is voor de enorme meerderheid de vorming tot machine. Maar strijdt niet met ons, zoolang gij aan uwe burgerlijke voorstellingen van vrijheid, beschaving, recht en zoo voorts, de afschaffing van het burgerlijke eigendom meet. Uwe ideeën zelf zijn voortbrengselen der burgerlijke productie- en eigendomsverhoudingen, evenals uw recht slechts de tot wet verheven wil van uw klasse is, een wil, welks inhoud gegeven is in de stoffelijke levensvoorwaarden uwer klasse. De baatzuchtige voorstelling, waarmee gij uwe productie- en eigendomsverhoudingen uit historische, in den loop der productie voorbijgaande verhoudingen in eeuwige natuur- en redewetten verandert, deze voorstelling deelt gij met alle ondergegane heerschende klassen. Wat gij voor het antieke eigendom begrijpt, wat gij voor het feodale eigendom begrijpt, moogt gij niet meer begrijpen voor het burgerlijke eigendom. Opheffing van het huisgezin! Zelfs de radicaalsten ijveren tegen dit schandelijke doel der communisten. Waarop berust het tegenwoordige, het burgerlijke huisgezin? Op het kapitaal, op de verdienste van den bijzonderen persoon. Geheel ontwikkeld bestaat het slechts voor de bourgeoisie; maar het vindt zijn aanvulling in de gedwongen familieloosheid der proletariërs en in de openbare prostitutie. Het huisgezin der bourgeois valt natuurlijk weg met het wegvallen van deze hare aanvulling en beide verdwijnen met het verdwijnen van het kapitaal. Verwijt gij ons, dat wij de uitbuiting der kinderen door hunne ouders willen opheffen? Deze misdaad bekennen wij. Maar, zegt gij, wij heffen de innigste verhoudingen op, wanneer wij in de plaats der opvoeding thuis de maatschappelijke stellen. En is ook niet uwe opvoeding door de maatschappij bepaald? Door de maatschappelijke verhoudingen, binnen welke gij opvoedt, door de meer directe of indirecte inmenging der maatschappij, door middel van de school en zoo voorts? De communisten vinden den invloed der maatschappij op de opvoeding niet uit; zij veranderen slechts haar karakter, zij ontrukken de opvoeding aan den invloed der heerschende klasse. De burgerlijke redeneeringen over huisgezin en opvoeding, over de innige verhoudingen van ouders en kinderen worden des te misselijker, hoe meer ten gevolge van de groot-industrie alle familiebanden voor de proletariërs verscheurd en de kinderen in eenvoudige handelsartikelen en arbeidsinstrumenten veranderd worden. Maar gij, communisten, gij wilt de vrouwengemeenschap invoeren, schreeuwt ons de geheele bourgeoisie in koor tegemoet. De bourgeois ziet in zijn vrouw alleen een productie-instrument. Hij hoort, dat de productiewerktuigen gemeenschappelijk zullen worden gebruikt en kan zich nu natuurlijk niet anders denken, dan dat het lot van gemeenschappelijkheid ook de vrouw eveneens treffen zal. Hij vermoedt zelfs niet, dat het juist daarom gaat, de plaats der vrouw als alleen-productieinstrument op te heffen. Niets is overigens belachelijker, dan de hoogzedelijke ontzetting onzer bourgeois over de zoogenaamde officiëele vrouwengemeenschap der communisten. De communisten behoeven de vrouwengemeenschap niet in te voeren, zij heeft zoo goed als altijd bestaan. Onze bourgeois, niet tevreden er mee, dat de vrouwen en dochters hunner proletariërs hun ter beschikking staan, nog gezwegen van de openlijke prostitutie, vinden er een genot in, elkanders vrouwen wederkeerig te verleiden. Het burgerlijk huwelijk is in waarheid het gemeenschappelijk bezit der getrouwde vrouwen. Hoogstens zou men den communisten kunnen verwijten, dat zij in plaats van een huichelachtig verborgen, een officieele, openhartige vrouwengemeenschap zouden willen invoeren. Het spreekt overigens van zelf, dat met de opheffing der tegenwoordige productieverhoudingen ook de uit hen voortkomende vrouwengemeenschap, d. w. z. de officieele en niet-officieele prostitutie, verdwijnt. Den communisten wordt verder verweten, dat zij het vaderland, de nationaliteit, willen afschaffen. De arbeiders hebben geen vaderland. Men kan hun niet ontnemen, wat zij niet hebben. Zoolang het proletariaat voorloopig nog zich de politieke macht veroveren, zich zelf tot nationale klasse verheffen, zich zelf als natie constituteeren moet, is het zelf nog nationaal, zij het dan ook volstrekt niet in den zin der bourgeoisie. De nationale afzondering en onderlinge tegenstelling der volkeren verdwijnen meer en meer reeds met de ontwikkeling der bourgeoisie, met de handelsvrijheid, de wereldmarkt, de gelijkvormigheid der industrieele productie en de met deze overeenkomende levensverhoudingen. De heerschappij van het proletariaat zal ze nog meer doen verdwijnen. Gezamenlijke actie, tenminste der beschaafde landen, is een van de eerste voorwaarden van zijn bevrijding. Naar de mate, waarin de exploitatie van het eene individu door het andere wordt opgeheven, naar die mate wordt de exploitatie van de eene natie door de andere opgeheven. Met de tegenstelling der klassen in het inwendige der natie valt de vijandelijke houding der naties onderling. De aanklachten, die van godsdienstige, wijsgeerige en ideologische gezichtspunten in het algemeen tegen het communisme worden gericht, verdienen geen uitvoeriger bespreking. Is er diep inzicht voor noodig om te begrijpen, dat met de levensverhoudingen der menschen, met hunne maatschappelijke betrekkingen tot elkaar, met hun maatschappelijk zijn, ook hunne voorstellingen, zienswijzen en begrippen, in één woord ook hun bewustzijn verandert? Wat bewijst de geschiedenis der ideeën anders, dan dat de geestelijke productie zich vervormt met de materieele? De heerschende begrippen van een tijd waren altijd slechts de begrippen der heerschende klasse. Men spreekt van ideeën, die een geheele maatschappij revolutioneeren; men spreekt daarmede slechts uit het feit, dat binnen de oude maatschappij zich de elementen eener nieuwe hebben gevormd, dat met de vernietiging der oude levensverhoudingen de vernietiging der oude ideeën gelijken tred houdt. Toen de oude wereld ten ondergang neigde, werden de oude godsdiensten door den christelijken godsdienst overwonnen. Toen de christelijke ideeën in de 18e eeuw ondergingen voor de „verlichtings”ideeën, streed de feodale maatschappij haren doodstrijd met de toen revolutionaire bourgeoisie. De ideeën der gewetens- en godsdienstvrijheid spraken slechts de heerschappij der vrije concurrentie op het gebied van het weten uit. „Maar,” zal men zeggen, „godsdienstige, zedelijke, wijsgeerige, politieke, rechts-ideeën enzoovoorts, vervormden zich zekerlijk in den loop der historische ontwikkeling. De godsdienst, de moraal, de wijsbegeerte, de politiek, het recht bleven steeds in deze wisseling bewaard. „Er zijn bovendien eeuwige waarheden, zooals vrijheid, gerechtigheid, enz., die alle maatschappelijke toestanden gemeen hebben. Het communisme evenwel schaft de eeuwige waarheden af, het schaft den godsdienst af, de moraal, in plaats van ze nieuw te vormen, het weerspreekt dus alle historische ontwikkeling tot nu toe.” Waarop komt deze aanklacht neer? De geschiedenis der geheele maatschappij tot nu toe bewoog zich in klassetegenstellingen, die in de verschillende tijdperken verschillend waren. Welken vorm zij evenwel ook ooit hebben aangenomen, de uitbuiting van het eene deel der maatschappij door het andere is een feit, dat alle vroegere eeuwen gemeen hebben. Geen wonder dus, dat het maatschappelijk bewustzijn aller eeuwen zich, ondanks alle menigvuldigheid en alle verschil, toch in zekere aan allen gemeene vormen beweegt, in bewustzijnsvormen, die alleen met het totale verdwijnen der klassetegenstelling geheel verdwijnen. De communistische revolutie is het radicaalste breken met de traditioneele eigendomsverhoudingen; geen wonder, dat in haar ontwikkelingsgang het radicaalst met de traditioneele ideeën wordt gebroken. Doch laten wij de tegenwerpingen der bourgeoisie tegen het communisme voor wat zij zijn. Wij zagen boven reeds, dat de eerste schrede der arbeidersrevolutie de verheffing van het proletariaat tot heerschende klasse, de verovering der democratie is. Het proletariaat zal zijn politieke heerschappij daartoe gebruiken, om aan de bourgeoisie stuk voor stuk alle kapitaal te ontrukken, alle productiemiddelen in de handen van den staat, d. w. z. van het als heerschende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseeren en de massa der productiekrachten zoo snel als mogelijk te vermeerderen. Dit kan natuurlijk in den aanvang alleen geschieden door middel van despotische inbreuken op het eigendomsrecht en op de burgerlijke productieverhoudingen, door maatregelen dus, die economisch onvoldoende en onhoudbaar schijnen, die evenwel in den loop der ontwikkeling boven zich zelve uit drijven en als middelen tot omwenteling der geheele productiewijs onvermijdelijk zijn. Deze maatregelen zullen natuurlijk al naar de verschillende landen verschillend zijn. Voor de verst ontwikkelde landen zullen evenwel de volgende tamelijk algemeen kunnen worden aangewend: 1. Onteigening van het grondeigendom en aanwending der grondrente tot Staatsuitgaven. 2. Zware progressieve belasting. 3. Afschaffing van het erfrecht. 4. Confiscatie van het eigendom van alle emigranten en rebellen. 5. Centralisatie van het crediet in handen van den Staat door een nationale bank met staatskapitaal en uitsluitend monopolie. 6. Centralisatie van het transportwezen in handen van den Staat. 7. Vermeerdering der nationale fabrieken, der productiemiddelen, ontginning en verbetering der landerijen naar een gemeenschappelijk plan. 8. Gelijke dwang tot arbeid voor allen, oprichting van industrieele legers, vooral voor den landbouw. 9. Vereeniging van landbouw- en industriebedrijf, heensturen naar geleidelijke opheffing van het onderscheid tusschen stad en land. 10. Openbare en kostelooze opvoeding aller kinderen. Afschaffing van den kinderarbeid in fabrieken in zijn huidigen vorm. Verbinding van de opvoeding met de stoffelijke productie enz. Zijn in den loop der ontwikkeling de klasse-verschillen verdwenen en is alle productie in handen der geassocieerde individuen geconcentreerd, dan verliest de openbare macht haar politiek karakter. De politieke macht in eigenlijken zin is de georganiseerde macht van eene klasse tot onderdrukking eener andere. Wanneer het proletariaat in den strijd tegen de bourgeoisie zich noodzakelijk tot klasse vereenigt, door een omwenteling zich tot de heerschende klasse maakt en als heerschende klasse met geweld de oude productieverhoudingen de bestaansvoorwaarden der klassetegenstelling, de klassen in het algemeen en daarmee zijn eigen heerschappij als klasse op. In de plaats der oude burgerlijke maatschappij met hare klassen en klassen-tegenstellingen treedt een associatie, waarin de vrije ontwikkeling van een ieder de voorwaarde voor de vrije ontwikkeling van allen is. III. Socialistische en communistische Litteratuur. 1. HET REACTIONAIRE SOCIALISME. _a._ HET FEODALE SOCIALISME. De Fransche en Engelsche aristocratie was door hare historische positie er toe geroepen, pamfletten tegen de moderne burgerlijke maatschappij te schrijven. In de Fransche Juli-omwenteling van 1830, in de Engelsche reform-beweging had zij nog eens voor den gehaten parvenu het onderspit gedolven. Van een ernstigen politieken strijd kon geen sprake meer zijn. Slechts de litteraire strijd bleef haar over. Maar ook op het gebied der litteratuur waren de oude spreekwijzen van den tijd der restauratie onmogelijk geworden. Om sympathie te wekken, moest de aristocratie schijnbaar hare belangen uit het oog verliezen en alleen in het belang der geëxploiteerde arbeidersklasse haar acte van beschuldiging tegen de bourgeoisie formuleeren. Zij bereidde zich de voldoening, schimpliederen op haar nieuwen heerscher te zingen en hem meer of minder onheilspellende profetieën in ’t oor te blazen. Op deze wijze ontstond het feodale socialisme, half klaaglied, half paskwil, half echo van het verleden, half dreigen der toekomst, soms de bourgeoisie in het hart treffend door bitter, geestig, stukrijtend oordeel, altijd komiek werkend door totale onmacht om den gang der moderne geschiedenis te begrijpen. Den proletarischen bedelzak zwaaiden zij als vaandel in de hand, om het volk achter zich te verzamelen. Zoo vaak het hen echter volgde, zag het op hun achterdeel de oude feodale wapens en liep met luid en oneerbiedig gelach weg. Een deel der Fransche legitimisten en het jonge Engeland gaven dit schouwspel ten beste. Als de feodalen bewijzen, dat hun manier van uitbuiting er anders uitzag dan de burgerlijke uitbuiting, dan vergeten zij alleen, dat zij onder geheel verschillende en nu verdwenen omstandigheden uitbuitten. Als zij aantoonen, dat onder hun heerschappij het moderne proletariaat niet bestond, dan vergeten zij alleen, dat juist de moderne bourgeoisie een noodzakelijke spruit van hunne maatschappelijke orde was. Overigens verheimelijken zij het reactionaire karakter hunner critiek zoo weinig, dat hun voornaamste aanklacht tegen de bourgeoisie juist daarin bestaat, dat er onder haar regime zich een klasse ontwikkelt, die de geheele oude maatschappij in de lucht zal doen vliegen. Zij verwijten de bourgeoisie nog meer, dat zij een revolutionair proletariaat, dan dat zij in ’t algemeen een proletariaat voortbrengt. In de practijk der politiek nemen zij daarom deel aan alle maatregelen van geweld tegen de arbeidende klasse, en in het gewone leven maken zij het zich gemakkelijk, door, trots al hun opgeblazen spreken, de gouden appelen op te rapen, en trouw, liefde, eer, met den schacher in schapewol, beetwortels en jenever te verwisselen. Zooals de priester altijd hand in hand ging met de feodalen, zoo het paapsche socialisme met het feodale. Niets lichter, dan het christelijk ascetisme een socialistisch verfje te geven. Heeft het christendom niet ook tegen het privaat-eigendom, tegen het huwelijk, tegen den staat geijverd? Heeft het niet in de plaats van deze de weldadigheid en de bedelarij, het celibaat en de dooding des vleesches, het leven in de cel en de kerk gepredikt? Het christelijk socialisme is slechts het wijwater, waarmee de priester de ergernis van den aristocraat inzegent. _b._ HET KLEINBURGERLIJK SOCIALISME. De feodale aristocratie is niet de eenige klasse, die door de bourgeoisie werd ter neer geworpen, wier levensvoorwaarden in de moderne burgerlijke maatschappij vergingen en afstierven. De middeneeuwsche poorterschap en de kleine boerenstand waren de voorloopers der moderne bourgeoisie. In de minder industrieel en commercieel ontwikkelde landen vegeteert deze klasse nog voort naast de opkomende bourgeoisie. In de landen, waar de moderne beschaving zich ontwikkeld heeft, heeft zich een nieuwe kleine-burgerij gevormd, die tusschen het proletariaat en de bourgeoisie zweeft en als aanvullend gedeelte der burgerlijke maatschappij zich steeds opnieuw vormt, welker leden evenwel voortdurend door de concurrentie in het proletariaat worden neergeslingerd, ja zelfs met de ontwikkeling der groot-industrie een tijdstip zien naderen, waarop zij als zelfstandig gedeelte der moderne maatschappij verdwijnen en in den handel, in de manufactuur, in den landbouw door opzichters en bedienden worden vervangen. In landen als Frankrijk, waar de klasse der boeren veel meer dan de helft der bevolking uitmaakt, was het natuurlijk, dat schrijvers, die voor het proletariaat tegen de bourgeoisie optraden, aan hunne critiek der bourgeois-heerschappij den klein-burgerlijken en klein-boerschen maatstaf aanlegden en de partij der arbeiders kozen van het standpunt der kleine burgerij. Zoo vormde zich het klein-burgerlijke socialisme. Sismondi is het hoofd dezer litteratuur niet alleen voor Frankrijk, maar ook voor Engeland. Dit socialisme ontleedde hoogst scherpzinnig de tegenstrijdigheden in de moderne productieverhoudingen. Het onthulde het bedriegelijk glimmende mooi-praten der staathuishoudkundigen. Het wees onwederlegbaar de moordende werking der machinerie en der arbeidsverdeeling aan, de concentratie der kapitalen en van het grondbezit, de overproductie, de crisissen, den noodzakelijken ondergang der kleine burgers en boeren, de ellende van het proletariaat, de anarchie in de productie, de schreeuwende wanverhoudingen in de verdeeling van den rijkdom, den industrieelen vernielingsoorlog der naties onder elkaar, den ondergang der oude zeden, der oude familieverhoudingen, der oude nationaliteiten. Volgens zijn positieven inhoud wil evenwel dit socialisme òf de oude productie- en verkeersmiddelen weder herstellen en met hen de oude eigendomsverhoudingen en de oude maatschappij, òf het wil de moderne productie- en verkeersmiddelen weer in het raam der oude eigendomsverhoudingen, (die zij deden springen, moesten doen springen) insluiten met geweld. In beide gevallen is het reactionair en utopisch tegelijk. Gildewezen in de manufactuur en aartsvaderlijk huishouden op het land, dat zijn zijn laatste woorden. In haar verdere ontwikkeling is deze richting in een laffe katterigheid verloopen. _c._ HET DUITSCHE OF HET „WARE” SOCIALISME. De socialistische en communistische litteratuur van Frankrijk, die onder den druk eener heerschende bourgeoisie ontstond en de litteraire uitdrukking is van den strijd tegen deze heerschappij, werd in Duitschland ingevoerd in een tijd, toen de bourgeoisie juist haar strijd tegen het feodale absolutisme begon. Duitsche filosofen, halve filosofen en „beaux esprits” maakten zich gretig van deze litteratuur meester en vergaten alleen, dat bij de verhuizing dier geschriften uit Frankrijk de Fransche levensverhoudingen niet tegelijkertijd naar Duitschland waren verhuisd. Tegenover de Duitsche verhoudingen verloor de Fransche litteratuur alle onmiddellijk practische beteekenis en kreeg een zuiver-litterair uiterlijk. Zij moest een ijdele bespiegeling gaan gelijken over de Verwezenlijking van het Menschelijk Wezen. Zoo hadden voor de Duitsche filosofen van de 18e eeuw de eischen der eerste Fransche revolutie slechts de beteekenis, eischen der „practische rede” in het algemeen te zijn en de wilsuitingen der revolutionaire Fransche bourgeoisie beteekenden in hunne oogen de wetten van den zuiveren wil, van den wil, zooals hij zijn moet, van den waarlijk menschelijken wil. De arbeid der Duitsche litteratoren bestond uitsluitend daarin, de nieuwe Fransche ideeën met hun oud filosofisch geweten in overeenstemming te brengen, of beter, van hun filosofisch standpunt zich de Fransche ideeën toe te eigenen. Deze toeëigening geschiedde op dezelfde manier, waarop men zich altijd van een vreemde taal meester maakt, nl. door overzetting. Het is bekend, hoe de monniken handschriften, waarop de klassieke werken van den ouden heidenschen tijd waren opgeteekend, met absurde geschiedenissen van katholieke heiligen overdekten. De Duitsche litteratoren gingen omgekeerd te werk met de profane Fransche litteratuur. Zij schreven hun wijsgeerigen onzin achter het Fransche origineel. Bijv. achter de Fransche critiek der geldverhoudingen schreven zij: „vervreemding van het menschelijk wezen”, achter de Fransche critiek van den bourgeois-staat schreven zij: „opheffing der heerschappij van het abstract algemeene” enz. De onderschuiving van deze wijsgeerige spreekwijzen onder de Fransche ontwikkeling doopten zij: „filosofie van de daad”, „waar socialisme”, „Duitsche wetenschap van het socialisme”, „filosofische grondslag van het socialisme” enzoovoorts. De Fransche socialistisch-communistische litteratuur werd zoo formeel ontmand. En daar zij in de hand van den Duitscher ophield, den strijd eener klasse tegen de andere uit te drukken, was de Duitscher zich bewust, de „Fransche eenzijdigheid” overwonnen, in plaats van de belangen van ware behoeften, de behoefte naar waarheid, en in plaats van de belangen van den proletariër de belangen van het menschelijk wezen, van den mensch in het algemeen verdedigd te hebben, van den mensch, die geen klasse, die in het geheel niet de werkelijkheid, die slechts den neveligen hemel der filosofische fantaisie toebehoort. Dit Duitsche socialisme, dat zijn onbeholpen schooloefeningen zoo ernstig en plechtig opnam en met zoo’n marktgeschreeuw uitbazuinde, verloor intusschen langzamerhand zijn pedante onschuld. De strijd der Duitsche, met name der Pruisische bourgeois, tegen het feodalisme en het absolute koningschap, met één woord, de liberale beweging werd ernstiger. Aan het „ware socialisme” werd aldus de gewenschte gelegenheid gegeven, om tegenover de politieke beweging de socialistische eischen te stellen, de traditioneele vervloekingen tegen het liberalisme, tegen den constitutioneelen Staat, tegen de burgerlijke concurrentie, burgerlijke vrijheid van drukpers, burgerlijk recht, burgerlijke vrijheid en gelijkheid te slingeren, en aan de massa des volks voor te preeken, hoe zij bij deze burgerlijke beweging niets te winnen, veeleer alles te verliezen heeft. Het Duitsche socialisme vergat te rechter tijd, dat de Fransche kritiek, wier geestelooze echo het was, de moderne burgerlijke maatschappij met de daarmee overeenkomende stoffelijke levensvoorwaarden en de overeenkomstige politieke constitutie had verondersteld: louter veronderstellingen, om wier verovering het nu eerst in Duitschland ging. Het diende de Duitsche absolute regeeringen met hun sleep van priesters, schoolmeesters, landjonkers en bureaucraten als gewenschte vogelverschrikker tegen de dreigend opkomende bourgeoisie. Het was de zoete toespijs bij de bittere zweepslagen en geweerkogels, waarmede dezelfde regeeringen de Duitsche arbeiders-opstanden bewerkten. Werd het ware socialisme op die manier een wapen in de hand der regeeringen tegen de Duitsche bourgeoisie, het vertegenwoordigde ook onmiddellijk een reactionair belang, het belang der Duitsche kleine burgerij. In Duitschland vormt de van de 16e eeuw afkomstige en sinds dien tijd in verschillenden vorm hier altijd weer opnieuw opduikende kleine burgerij den eigenlijken maatschappelijken grondslag der bestaande toestanden. Haar instandhouding is de instandhouding der bestaande Duitsche toestanden. Onder de industrieele en politieke heerschappij der bourgeoisie vreest zij een wissen ondergang, aan den éénen kant tengevolge der concentratie van het kapitaal, aan den anderen kant door het opkomen van een revolutionair proletariaat. Het ware socialisme scheen haar beide vliegen in één klap te slaan. Het verbreidde zich als een epidemie. Het gewaad, gewerkt uit speculatief spinneweb, bestikt met spreukbloemen van schoone geesten, gedrenkt met liefdezwoele gemoedsdauw, dit bovenaardsche gewaad, waarin de Duitsche socialisten hun paar knokige „eeuwige waarheden” hulden, vermeerderde nog den afzet hunner waar bij dit publiek. Van zijn kant begreep het Duitsche socialisme steeds meer zijn roeping, de hoogdravende vertegenwoordiger dezer kleine burgerij te zijn. Het proclameerde de Duitsche natie als de normale natie en den duitschen klein-burger als den normalen mensch. Aan iedere laagheid van dezen gaf het een verborgen, hoogeren, socialistischen zin, waardoor zij haar tegendeel beteekende. Het trok de laatste consequentie, toen het rechtuit optrad tegen de „ruw-vernielende” richting van het communisme, en zijn onpartijdige verhevenheid boven elken klassenstrijd verkondigde. Met zeer weinige uitzonderingen behoort alles, wat in Duitschland van zoogenaamd socialistische en communistische geschriften in omloop is, tot deze vieze, ontzenuwende litteratuur.[5] [5] De storm der omwenteling van 1848 heeft deze geheele schunnige richting weggevaagd en haren dragers de lust benomen, nog langer in socialisme te doen. Voornaamste vertegenwoordiger en klassiek type dezer richting is de heer Karl Grün. 2. HET BEHOUDEND OF BOURGEOIS-SOCIALISME. Een deel der bourgeoisie wenscht de sociale misstanden te verhelpen, om het voortbestaan der burgerlijke maatschappij te verzekeren. Tot dit deel behooren: staathuishoudkundigen, menschenvrienden, humanitairen, verbeteraars van den toestand der arbeidende klassen, organiseerders der weldadigheid, dierenbeschermers, stichters van matigheidsverenigingen, hervormers van de bontst geschakeerde soorten. En ook tot geheele systemen is dit bourgeois-socialisme uitgewerkt. Als voorbeeld voeren wij aan Proudhon’s Philosophie de la Misère. De socialistische bourgeois willen de levensvoorwaarden der moderne maatschappij zonder de noodzakelijk daaruit voortkomende strijd en gevaren. Zij willen de bestaande maatschappij na aftrek der haar omwentelende en vernietigende elementen. Zij willen de bourgeoisie zonder het proletariaat. De bourgeoisie stelt zich natuurlijk de wereld, waarin zij heerscht, als de beste wereld voor. Het bourgeois-socialisme werkt deze troostvolle voorstelling tot een half of heel stelsel uit. Wanneer het het proletariaat oproept, zijn stelsels tot werkelijkheid te maken, en in het nieuwe Jeruzalem in te gaan, dan verlangt het in den grond der zaak alleen, dat het in de tegenwoordige maatschappij blijft staan, maar zijn hatelijke gedachten over die maatschappij aflegt. Een tweede, minder systematische maar meer practische vorm van dit socialisme trachtte iedere revolutionaire beweging voor de arbeidersklasse te verbitteren, door te bewijzen, dat niet deze of gene politieke verandering, maar alleen een verandering der materieele levensverhoudingen, der economische verhoudingen, haar van nut zou kunnen zijn. Onder verandering der stoffelijke levensverhoudingen verstaat dit socialisme evenwel volstrekt niet de afschaffing der burgerlijke productieverhoudingen, die alleen langs revolutionairen weg mogelijk is, maar administratieve verbeteringen, die op den bodem dezer productieverhoudingen geschieden, dus aan de verhouding van kapitaal en loonarbeid niets veranderen, maar in het beste geval voor de bourgeoisie de kosten harer heerschappij verminderen en haar staathuishouding vereenvoudigen. Zijn volkomen uitdrukking bereikt het bourgeois-socialisme eerst daar, waar het tot bloote redekunstige figuur wordt. Vrijhandel! in het belang der arbeidende klasse: beschermende rechten! in het belang der arbeidende klasse: cellulaire gevangenissen! in het belang der arbeidende klasse: dat is het laatste, het eenige ernstig gemeende woord van het bourgeois-socialisme. Het socialisme der bourgeoisie bestaat juist in de bewering, dat de bourgeois bourgeois zijn--in het belang der arbeidende klasse. 3. HET KRITISCH-UTOPISCHE SOCIALISME EN COMMUNISME. Wij spreken hier niet over de litteratuur, die in alle groote moderne omwentelingen de eischen van het proletariaat uitsprak. (Geschriften van Baboeuf, enz.) De eerste pogingen van het proletariaat, om in een tijd van algemeene opschudding, in het tijdperk van de omverwerping der feodale maatschappij, onmiddellijk zijn eigen klassebelang door te zetten, leden noodzakelijk schipbreuk door den onontwikkelden vorm van het proletariaat zelf, zoowel als door het ontbreken der materieele voorwaarden zijner bevrijding, die immers juist eerst het product der burgerlijke periode zijn. De revolutionaire litteratuur, die deze eerste bewegingen van het proletariaat begeleidde, is wat inhoud betreft, noodzakelijk reactionair. Zij predikt een algemeen ascetisme en een ruwe gelijkmakerij. De eigenlijke socialistische en communistische stelsels, de stelsels van St. Simon, Faurier, Owen enz. duiken op in de eerste onontwikkelde periode van den strijd tusschen proletariaat en bourgeoisie, die wij boven hebben blootgelegd. (Zie: Bourgeoisie en Proletariaat.) De uitvinders van deze stelsels zien wel de tegenstelling der klassen, en de werking der ontbindende elementen in de heerschende maatschappij zelve. Maar zij ontdekken aan de zijde van het proletariaat geen historische eigen werkzaamheid, geen aan dat proletariaat eigen politieke beweging. Daar de ontwikkeling der klassetegenstelling gelijken tred houdt met de ontwikkeling der industrie, vinden zij evenmin de stoffelijke voorwaarden voor de bevrijding van het proletariaat gereed, en zoeken naar eene sociale wetenschap, naar sociale wetten, om deze voorwaarden te scheppen. In de plaats der maatschappelijke krachten moet hun persoonlijke vindingskracht treden, in de plaats van de historische voorwaarden der bevrijding fantastische, in de plaats van de langzaam gebeurende organisatie van het proletariaat tot klasse de eigen uitgebroeide organisatie der maatschappij. De toekomstige wereldgeschiedenis lost zich voor hen op in de propaganda en de praktische uitvoering hunner plannen. Zij zijn zich wel bewust, in hun plannen voornamelijk het belang der arbeidende klasse als der meest lijdende klasse te verdedigen. Slechts onder dit gezichtspunt, van meest lijdende klasse, bestaat het proletariaat voor hen. De onontwikkelde vorm van den klassenstrijd, evenzeer als hunne eigen plaats in het leven brengen het echter met zich, dat zij zich ver boven iedere klassetegenstelling verheven achten. Zij willen den toestand van alle medeleden der maatschappij, ook van de hoogsten, verbeteren. Zij doen daarom voortdurend een beroep op de geheele maatschappij zonder onderscheid, ja bij voorkeur op de heerschende klasse. Men heeft hun stelsel immers slechts te begrijpen, om het als het best mogelijke plan van de best mogelijke maatschappij te erkennen. Zij verwerpen daarom alle politieke, en met name alle revolutionaire actie, zij willen hun doel langs vredelievenden weg bereiken, en probeeren, door kleine, natuurlijk mislukkende proefnemingen, door de macht van het voorbeeld het nieuwe maatschappelijke evangelie een baan te breken. De fantastische schildering der toekomstige maatschappij ontspringt in een tijd, waarin het proletariaat nog hoogst onontwikkeld is, dus zelf zijn eigen positie nog fantastisch opvat, aan zijn eerste hoop- en verwachtingsvol dringen naar een algemeene verandering der maatschappij. De sociale en communistische geschriften bevatten evenwel ook critische elementen. Zij tasten alle grondslagen der bestaande maatschappij aan. Zij hebben daardoor zeer rijk materiaal tot inrichting der arbeiders geleverd. Hun positieve stellingen over de toekomstige maatschappij, b.v. de opheffing der tegenstelling tusschen stad en land, der familie, van het privaat gewin, van den loonarbeid, het verkondigen der maatschappelijke harmonie, de verandering van den Staat in een bloote regeling der productie--al deze hunne stellingen drukken slechts het wegvallen der klassetegenstelling uit, die zich juist eerst begint te ontwikkelen, die zij nog slechts in haar eerste vormelooze onbepaaldheid kennen. Deze stellingen zelve hebben daardoor nog een zuiver utopische beteekenis. De beteekenis van het critisch-utopische socialisme en communisme staat in omgekeerde verhouding tot de historische ontwikkeling. In dezelfde mate, waarin de klassenstrijd zich ontwikkelt en gestalte aanneemt, verliest dit fantastische zich verheffen boven hem, deze fantastische bestrijding van hem, alle practische waarde, alle theoretische rechtvaardiging. Waren daarom de oorspronkelijke makers dezer stelsels in menig opzicht revolutionair, zoo vormen toch hunne leerlingen telkens reactionaire secten. Zij houden de oude zienswijzen hunner meesters vast tegenover de historische verdere ontwikkeling van het proletariaat. Zij zoeken dus consequent den klassenstrijd weer af te stompen en de tegenstellingen door bemiddeling te doen verdwijnen. Zij droomen nog altijd van de uitvoering, als proef, van hunne maatschappelijke utopieën, stichting van enkele afzonderlijke phalansteres[6], vestiging van home-kolonies, oprichting van een klein Icarië--uitgaaf in duodecimo van het Nieuwe Jeruzalem--en tot den bouw van al deze luchtkasteelen moeten zij een beroep doen op de philantropie der burgerlijke harten en geldzakken. Langzamerhand vallen zij in de categorie der boven afgebeelde reactionaire of conservatieve socialisten en onderscheiden zich nog alleen van hen door meer systematische pedanterie, door hun fanatiek bijgeloof aan het wonderwerk hunner sociale wetenschap. [6] Home-kolonies (kolonies binnenslands) noemt Owen zijn communistische model-maatschappijen. Phalanstere was de naam der door Fourier uitgedachte maatschappelijke paleizen. Icarië heette het utopische fantasie-land, welks communistische inrichtingen Cabet heeft geschilderd. Zij bestrijden daarom met verbittering elke politieke beweging der arbeiders, die alleen uit blind ongeloof aan het nieuwe evangelie kon voortkomen. De Owenisten in Engeland, de Fouriëristen in Frankrijk treden op daar tegen de Chartisten, hier tegen de Reformisten. IV. Verhouding der Communisten tot de verschillende oppositiepartijen. In verband met Hoofdstuk II spreekt nu de verhouding der communisten tot de reeds opgerichte arbeiderspartijen van zelf, dat wil dus zeggen hun verhouding tot de Chartisten in Engeland en de landbouwhervormers in Noord-Amerika. Zij strijden voor de bereiking der naastbijliggende doeleinden en belangen der arbeidersklasse, maar zij vertegenwoordigen in de tegenwoordige beweging tegelijk de toekomst der beweging. In Frankrijk sluiten de communisten zich bij de socialistisch-democratische[7] partij aan tegen de conservatieve en radicale bourgeoisie, zonder daarom het recht op te geven, critiek uit te oefenen op de uit de revolutionaire traditie afkomstige frases en illusies. [7] De toenmaals socialistisch-demokratisch zich noemende partij in Frankrijk was de door Ledru-Rollin staatkundig, en door Louis Blanc letterkundig vertegenwoordigde; zij verschilde dus hemelsbreed van de huidige duitsche sociaal-democratie. (Noot van den vierden druk.) In Zwitserland ondersteunen zij de radicalen, zonder te miskennen, dat deze partij uit tegenstrijdige elementen bestaat, deels uit democratische socialisten in franschen zin, deels uit radicale bourgeois. Onder de Polen ondersteunen de communisten de partij, die een agrarische revolutie tot voorwaarde maakt voor de nationale bevrijding, dezelfde partij, die den Krakauer opstand van 1846 in het leven riep. In Duitschland strijdt de communistische partij, zoodra de bourgeoisie revolutionair optreedt, gemeenschappelijk met de bourgeoisie tegen de absolute monarchie, het feodale grondeigendom, en de kleine burgerij. Zij laat evenwel geen oogenblik na bij de arbeiders een zoo klaar mogelijk bewustzijn op te wekken over de vijandelijke tegenstelling tusschen bourgeoisie en proletariaat, opdat de Duitsche arbeiders terstond de maatschappelijke en politieke veranderingen, die de bourgeoisie met hare heerschappij aanbrengen moet, als even zoo vele wapens tegen de bourgeoisie kunnen keeren, opdat na de omverwerping der reactionaire klassen in Duitschland, dadelijk de strijd tegen de bourgeoisie zelve begint. Op Duitschland richten de communisten voornamelijk hunne opmerkzaamheid, omdat Duitschland aan den vooravond eener burgerlijke revolutie staat, en omdat het deze omwenteling onder verder gevorderde omstandigheden der Europeesche beschaving in het algemeen, en met een veel verder ontwikkeld proletariaat uitvoert, dan Engeland in de 17e en Frankrijk in de 18e eeuw; de Duitsche burgerlijke revolutie dus slechts het onmiddellijke voorspel eener proletarische revolutie zijn kan. Met één woord, de communisten ondersteunen overal iedere revolutionaire beweging tegen de bestaande maatschappelijke en staatkundige toestanden. In al deze bewegingen brengen zij het eigendomsvraagstuk welken meer of minder ontwikkelden vorm het ook moge aangenomen hebben, als het hoofdvraagstuk der beweging op den voorgrond. De communisten werken eindelijk overal aan de onderlinge verbinding en verstandhouding der democratische partijen aller landen. De communisten versmaden het, hun overtuiging en hun bedoelingen te verheimelijken. Zij verklaren het openlijk, dat hun doel slechts bereikt kan worden door de gewelddadige omverwerping van alle tot nu toe heerschende maatschappelijke orde. Dat de heerschende klassen sidderen voor eene communistische omwenteling. De proletariërs hebben bij haar niets te verliezen dan hunne ketenen. Zij hebben een wereld te winnen. ~Proletariërs aller landen, vereenigt u!~ =In den Brochurenhandel der S. D. A. P., KEIZERSGRACHT 378 = AMSTERDAM, zijn o.m. de volgende Brochures verkrijgbaar:= H. GORTER. =De Grondslagen der Sociaal-Democratie= Prijs f0.10, fr. p. p. f0.14. H. GORTER. =Sociaal-Democratie en Anarchisme.= Prijs f0.06 fr. p. p. f0.09. J. H. SCHAPER. =De Sociaal-Democratie en wat er van gezegd wordt.= Prijs f0,07⁵ fr p. p. f0,10⁵. W. H. VLIEGEN. =Arbeiderspensioneering.= Prijs f0.05. fr. p. p. f0.07. P. L. TROELSTRA. =Sociaal-Christendom.= Over de verhouding van Christendom en Socialisme. Prijs f0.05 fr. p. p. f0.07. ADOLF BRAUN. =Op voor den Achturendag!= Prijs f0.07⁵, fr. p. p. f0.05⁵. H. SPIEKMAN. =De onafhankelijke Vakbeweging en de S. D. A. P.= Prijs f0.03 fr. p. p. f0.05. S. K. BAKKER. =Naast het Kruis de Roode Vaan!= Prijs f0.07 Predikant te Bolsward. fr. p. p. f0.08. KARL MARX en =Het Communistisch Manifest=. Vertaling van FRIEDRICH ENGELS. H. GORTER Prijs f0.20, fr. p. p. f0.24. A. DIJKGRAAF. =Liberale Zegeningen en Sociale Nooden.= Prijs f0.05 fr. p. p. f0.07. J. E. W. DUIJS =Theorie en praktijk der Liberalen en Vrijzinnig-Democraten.= Prijs f0.05 fr. p. p. f0.08. J. H. SCH. =Hoe woont gij?= Prijs f0.02, fr. p. p. f0.03. J. H. SCH. =Van Zomerweelde en Wintertijd.= Prijs f0.02 fr. p. p. f0.03. =Waarom wij het Kiesrecht willen.= Prijs f0.03 fr. p. p. f0.05. KARL KAUTSKY =De Sociaal-Democratie en de Katholieke Kerk.= Prijs f0.10 fr. p. p. f0.13. KARL KAUTSKY =Bernstein en het Sociaaldemocratisch Program.= Prijs f0.60 fr. p. p. f0.70. PAUL PFLUGER =Vrijheid en Gelijkheid.= Prijs f0.03, fr. p. p. f0.04. =HET VOLK= =DAGBLAD v/d ARBEIDERSPARTIJ= =10 cent per week, f1.30 per kwartaal= =MET POLITIEK-SATIRIEK WEEKBLAD= [Illustratie] =De Notenkraker= =15 cent per week, f 1.95 per kwartaal= Proefnummers 8 dagen gratis ⁛ Bureaux: Keizersgracht 378, Amsterdam Opmerkingen over deze transcriptie Inconsistente en ongebruikelijke taal (in spelling, gebruik van diakritische tekens, etc.) zijn niet gecorrigeerd of gestandaardiseerd, behalve zoals hieronder aangegeven. Afhankelijk van de hard- en software die gebruikt wordt voor het lezen van deze e-tekst en hun instellingen kunnen sommige elementen anders weergegeven worden dan voorzien bij het maken van deze transcriptie. Pag. 14, ...steeds in het belang der geheele beweging...: het woord ‘in’ is overbodig. Pag. 23, zin beginnend met Wanneer het proletariaat in den strijd tegen de bourgeoisie...: de zin is incompleet. Veranderingen Voetnoten zijn verplaatst naar onder de alinea waar ze bij horen. Enkele overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Pag. v, voetnoot 1: sluit-aanhalingsteken ingevoegd na ...op het spoor gekomen. Pag. 25: ...of het wil de moderne productie- en verkeersmiddelen... veranderd in ...òf het wil de moderne productie- en verkeersmiddelen.... Pag. 29: ...dat verlangt het in den grond... veranderd in ...dan verlangt het in den grond.... Pag. 32 (voetnoot): Icarie heette het utopische fantasie-land... veranderd in Icarië heette het utopische fantasie-land.... *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET COMMUNISTISCH MANIFEST *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.