Title: Lord Lister 0045: Het gestolen dienstmeisje
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Release date: April 6, 2026 [eBook #78378]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78378
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer bewonderde, gevierde, maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief van Londen, tot zijn vriend Charly Brand, „het is zulk heerlijk zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”.
Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een sigaret rookte, stond op en antwoordde:
„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur Baxter zult hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw gevangenname met 500 pond heeft verhoogd”.
Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek.
„Waarom lach je?” vroeg de secretaris.
„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een hoogere premie heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst van een gevaarlijk moordenaar; op mijn persoon, die nog nimmer eenig mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg zou kunnen dooden en die er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken, die onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven, een welverdiende straf te bezorgen.
„Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere prijs is uitgeloofd voor een harer onderdanen.
„Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell wilde betalen, niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij …”
Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek peinzend naar buiten.
„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit.
„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de gelegenheid zal zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om tot den een of anderen armen drommel te zeggen, die het geld best kan gebruiken:
„Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een kostbaar voorwerp, dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van politie en zeg daar: hier is John Raffles!”
„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret aanstekend.
„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij niet eerder zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie Baxter, dan wanneer hij den armen drommel de 4000 pond heeft uitbetaald.”
Charly Brand lachte en sprak: [2]
„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft gekregen, met een van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het geheele hoofdbureau van politie een poets zult bakken, die meer dan 4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen”.
Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei:
„Ik kan je geen ongelijk geven.
„Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou voor dien armen man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur Baxter brengen, je het geld laten uitbetalen en wij maken er samen een reis van naar het vasteland.
„Maar laat ons nu gaan!”
John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn stok met zwaren gouden knop, die door middel van een geheime veer geopend kon worden en die van binnen een waar arsenaal van kunstig bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte.
Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al in de deur stond:
„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?”
„Natuurlijk!” lachte Lord Lister.
„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo ga. Ik had korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze wederzijdsche vriend een oude fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen, een wijf van minstens zeventig jaar, die in de buurt van Piccadilly rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen nam, onder de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C. Raffles was en haar naar Scotland Yard liet brengen. Schitterend, nietwaar?”
„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt wel een beetje onwaarschijnlijk!”
„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth van Engeland niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin van gebochelde mannen hield!”
„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de geschiedenis?”
„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend op, „ik lees graag over de bijzonderheden van historische personen.”
„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond als iemand met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op nahield. Hoe kun je dat verklaren?”
„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik jou zou willen verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin Elisabeth vond in haar half dozijn gebochelde hofnarren.
„Maar kom nu mee!
„En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze wandeling maken naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen haar breede voeten heeft gezet. Laat ons naar den Tower gaan!”
„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent geworden! Je hebt een eigenaardige gave om droge onderwerpen op interessante wijze te behandelen.
„Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader!
„Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels, ijzersterke zenuwen en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad genoeg om niet alleen een vrouw, maar zelfs een man nieuwsgierig te maken.”
„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.”
„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!”
Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die, volgens Londensch gebruik, midden op de straat stond.
„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het rijtuig, terwijl Charly Brand hem volgde.
Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris:
„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te vertellen.”
„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab! Een mooi beest, nietwaar?”
„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met koningin Elisabeth van Engeland?”
Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde:
„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—”
Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar.
„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn met diamanten versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn borstzak.
Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte Carlo afhandig gemaakt.
Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens.
Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de diamanten in bonte kleurenpracht schitterden.
„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel overeenkomst met die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina, die haar gunsteling [3]Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit étui vereerde.”
„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand.
„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten van Catharina en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.”
„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben tamelijk goed op de hoogte.”
„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat de warmte invloed op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele Theems zal je goed doen!”
„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste kalmte.
Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij de Towerbrug over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den conciërge kaarten om toegang te krijgen.
Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede, vroegere slotgracht voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in een grasveld, dat als exercitieveld dienst doet voor de Iersche garde, welke in den Tower verblijf houdt.
Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een afdeeling van dit regiment in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes en de grijze kepi’s, naar buiten om te gaan exerceeren.
John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier de rijzige, krachtige, gespierde gestalten.
Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke wandelstokjes in de handen, waarmee zij speelden als dames met haar waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig lijkende voorwerpen waren echter zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten.
In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van het beste Indische peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en een verguld looden knop als handvat, een gruwelijk martelwerktuig.
John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika werden zij veelvuldig gebruikt bij het drillen der recruten.
Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik, kuchend en snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met zijn kleine, door dikke vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig insect naar zijn manschappen.
Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als mishandelde honden naar den kleinen kapitein keken.
Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar, alsof hij elk oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een slag wilde geven.
„Dat is de menschenbeul van het regiment,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval van oorlog meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen!
„Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren zal behandelen!”
Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het exercitieterrein beneden hen.
Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein.
Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een vischwijf, gaf hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen.
Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn meening niet flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de gemeenste scheldwoorden, zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald afkomstig moesten zijn van de vrouw van dezen bullebak.
„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch dragonder dergelijke scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!”
Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche soldaten zoo onbarmhartig tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote, sterke kerel in elkaar zakte.
„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat ik niet het een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in te gooien.”
„Nette voornemens”, lachte Charly Brand.
„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!”
Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn vriend, toen de Engelsche kapitein een tweede der manschappen op dezelfde wijze met zijn stok sloeg.
Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn kameraden keek, waaraan hij niet behoefde mee te doen.
John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot hem.
Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden: [4]
„Kom eens hier, mijn vriend.”
„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een superieur in burgerkleeding te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig het militair saluut.
Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak:
„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar beneden, die het bevel voert over de eerste compagnie?”
De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie bedeeld werd, antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam van den gevreesden officier op luiden toon uit te spreken:
„Kapitein McGovern.”
„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook toevallig, waar de woning van dien heer is?”
„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie en moest dikwijls den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein woont Hamilton Road 16.”
„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn vrienden woont in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw een draak is.”
„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle woede, die hij dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn manschappen. Wij noemen hem in het regiment den menschenbeul.”
„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met Charly Brand naar den Tower.
Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale optreden.
Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn vrind meerdere malen mompelde:
„Hamilton Road 16.”
Hij scheen een plan te maken.
Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar de kazernes terug.
In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op het trottoir.
Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar konden passeeren.
Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de bovenbedoelde kapitein met zijn compagnie aan.
„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die vermoedde, dat Raffles een plan smeedde tegen den kapitein.
En hij had zich niet vergist.
Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo stevig vast, dat hij niet kon uitwijken.
Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen liep.
Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet zoo!
Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde botsing met den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen den officier gestooten, dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn stok ophief om ermee te slaan.
Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een korte Engelsche vloek kwam van zijn lippen.
Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af, zoodat de slag doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het folterwerktuig uit de hand, voordat deze het kon verhinderen en gaf hem er een flinken klap mee in het gezicht.
Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen.
John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een prettige gebeurtenis! Er was niemand onder hen, die den kapitein niet van ganscher harte een flink pak slaag gunde.
Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met gezwinden pas over de brug verdwenen en buiten het bereik van de Iersche gard.
Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats.
„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier toe.
Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik, toen de kapitein met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het rijtuig om den hoek van den Tower.
„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, terwijl hij den stok door de lucht zwaaide.
„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien menschenbeul vandaag nog een betere les te geven”.
„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand.
„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend, „inspecteur van politie Baxter zal werk krijgen!” [5]
Kapitein McGovern kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis.
Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van den kapper afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit een onooglijk rattestaartje, dat zij handig wist te verbergen onder de blonde pruik.
Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de gesloten vensters, op straat hoorbaar was.
Toen McGovern zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n schreden. Het maakte den indruk, alsof een afgeranselde hond met den staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde.
Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de linkerhand een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was opgezwollen door den slag van Raffles.
Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde.
Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw, die tegen een jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde. Het meisje was haar uit een weeshuis bezorgd.
De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn.
Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs vermoeiend was voor een gespierden man.
Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En toch was zij al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te maken.
De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer, had een Japansche ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe door haar lorgnet naar het werkende meisje.
Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond om het kind een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het hoofd te slingeren, opdat het werk wat vlugger zou gaan.
Kapitein McGovern opende de deur der kamer en sprak met zachte, bedrukte stem, die geheel en al in tegenstelling was met zijn commandotoon op het exercitieveld:
„Eulalia, hier ben ik!”
Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op, zette haar lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot als een nijdige krokodil, die in zijn rust wordt gestoord.
„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?”
„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!”
Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep:
„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je dienst is immers pas over een uur afgeloopen!”
„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!”
Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak:
„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!”
In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en schreeuwde:
„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te luisteren, wat ik hier met dezen heer te spreken heb!
„Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen avondboterham! Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel te slecht gewerkt!”
Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene.
„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd? Vertel!”
„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een afschuwelijk geval! Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op weg naar huis.
„Vier van hen sloeg ik neer. [6]
„De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau.
„Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere verdediging een slag, lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen.
„Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen. Ik voel mij ziek! Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat thee voor mij zetten!”
Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende blikken naar hem keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem staan, tikte hem met haar lorgnet op den schouder en sprak op zalvenden toon:
„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer opwekken, zooals je dat al zoo vaak hebt gedaan?”
Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker weer krampachtig tegen de pijnlijke wang drukte:
„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat ik de zuivere waarheid spreek!
„Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je lieve handen als een barmhartige Samaritaan verplegen”.
„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad vermelden, opdat de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper officier van het roemrijke Engelsche leger je bent!
„O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik steeds, dat je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een geboren veldheer bent, dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent als Kitchener en dat jouw genie Engeland de zege zal doen behalen over het gehate Duitschland.
„O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt doorstaan!
„Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de wond, die je hebt opgedaan, verbinden.
„O Harry, welk een held ben je!”
Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om de hulp in te roepen van den huisdokter.
Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen zij zag, dat hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn wang, in den schommelstoel zat, zette zij de handen op de heupen en riep:
„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er gebeurt? Waarom zit je daar in dien schommelstoel?
„Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die luie vuilpoets, die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van luiheid!
„Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid aan te zetten?”
Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij scheen die beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de schouders en bukte zich, in afwachting van de muilpeer.
„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!”
„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor een held uit te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers je in dezen toestand zagen, zou geen hunner schrijven: De Engelsche Moltke is ontdekt. Het is kapitein McGovern, van de Iersche koninklijke garde—
„Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te kijken! Er uit en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog eens doen.”
Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein de kamer uit en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der gang.
Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat hij een kom met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot tijd den zakdoek doopte om er zijn gelaat mee te betten.
Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly Brand heen en weer liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe blikken bekeken.
Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand:
„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!”
Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer stapte, die de woning binnenging.
„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!”
„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand.
„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste plaats had hij een verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg hij een cylinder, die, behalve de Engelsche doktoren, niemand draagt.
„Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen dokter dadelijk herkennen aan [7]de gewichtige gelaatsuitdrukking, waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht te verbergen.
„Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!”
Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen, vanwaar zij het huis nauwkeurig konden gadeslaan.
Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend en het kleine, armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de hand.
„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben nieuwsgierig, of de dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft voorgeschreven. Blijf hier eens zitten.
„Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat recept.”
Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na.
Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald.
Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het vermagerde, bleeke, hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij kende de geheele lijdensgeschiedenis van het arme schepseltje.
„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel ongelukkiger uit dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde schepsels, die ik ooit in de straten van Eastend of Whitechapel heb gezien.”
Vol medelijden wilde hij haar aanspreken.
Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel voor zijn voeten neer.
Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg haar de naastbijzijnde woning binnen.
Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem, voor water te zorgen.
Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het uitgeputte schepseltje.
Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar Raffles.
„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem.
„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de apotheek gaan om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets versterkends meebrengen. Je voelt je erg naar, nietwaar?”
„Ja”, hijgde het meisje.
„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder.
„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan.
„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij verzocht den portier, ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand lastig werd gevallen.
Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek.
Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij aan het meisje gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en beval haar, van het poeder, dat zich daarin bevond, elken dag een lepeltje vol in een glas water te roeren en een eetlepel vol te nemen van den flesch Tokayer.
In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien.
En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de handen, waarin zij zich bevond.
Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles weerde haar met een snelle beweging af.
Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar zij zich zeer zwak gevoelde, tot aan de deur.
Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam.
De dokter was reeds heengegaan.
Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly Brand zat, merkte deze op, dat het gelaat van zijn vriend een eigenaardige uitdrukking had.
„Wat heb je?” vroeg hij.
„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op ernstigen toon. „Ik heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen, een van die ongelukkige blanke slavinnen en verder heb ik den kapitein een recept voorgeschreven, dat hem nog betere diensten zal bewijzen dan de slag met den stok.”
„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand.
„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij die zoo dikwijls op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende straf te doen toekomen, kreeg ik het recept van den dokter in handen.
„Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden.
„Ik heb het recept nog in mijn zak.
„In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een eenigszins andere uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister.
„Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking.
„Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het gelaat van den kapitein flink [8]is opgezwollen. Mijn zalf zal hem daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken lang mooi zal zijn. Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten weer zal tuchtigen.
„Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.”
„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend.
„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle stem wij op straat hoorden, geen blaren op de tong krijgt.”
Plotseling sprong Raffles op.
„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie kunnen bijwonen!”
Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van den kapitein.
Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje verscheen, dat de deur opende en vroeg wat hij verlangde.
„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij verzocht mij, den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had voorgeschreven.”
„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje.
„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den donkeren achtergrond. Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie er was.
„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende.
„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij doet precies alsof hem een nieuw ongeluk was overkomen.
„Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!”
Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul.
„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word krankzinnig—men wil mij vermoorden!”
Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit geschreeuw hoorden.
Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man:
„Heb je je ingesmeerd?”
„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon.
„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal reuzenblaren krijgen!”
„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan vreemde heeren. Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je heldenmoed denken!”
„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf gegeven, ik word vermoord! Roep den dokter!”
„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier is de zalf! En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal je uitkraamt, zal ik voor jouw oogen mijn heele gezicht ermee insmeeren!”
Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste eksteroog.
„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu krijgt zij ook blaren!”
In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde de kapitein weer als een waanzinnige en riep om den dokter.
Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg hij gezelschap, want ook zijn vrouw begon.
De zalf werkte uitstekend!
Raffles hoorde haar schreeuwen:
„Help! Harry! Help!”
Daarop greep hij Charly’s arm.
„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur Baxter dit recept niet eens voor kan schrijven!”
Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden dokter ter hulp te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande huisdeur bewees haar, dat er werkelijk een paar vreemde heeren in haar huis waren geweest.
Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met Dr. Griffin.
Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde de telephoon.
Hij nam de hoorn op en riep:
„Hier Dr. Griffin, wie is daar?”
„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!”
De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand.
„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem.
„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?… hebt gij mijn naam nooit gehoord?… John Raffles heet ik—verstaat gij mij nu?”
„Jawel”, antwoordde de dokter, „wat wenscht gij?”
„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug.
„Het recept, dat gij kapitein McGovern hebt voorgeschreven, [9]is in gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij geweest, een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het tweetal van mij”.
De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met open mond naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij opnieuw werd opgebeld.
Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem der kapiteinsvrouw, die in de grootste wanhoop riep:
„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u belieft!”
Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de woning van den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw van het wanhopige echtpaar, zoodat het was, alsof alle katten en katers uit de buurt een welluidend concert gaven.
De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen politie-inspecteur Baxter, vergezeld door zijn secretaris, den dikken Marholm, langs het Strand wandelde, om den avond in het Lyceumtheater door te brengen.
„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef.
„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een scheeven blik aanziende.
„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken niets van onzen vriend John Raffles hebben gehoord.”
Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet.
Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef stilstaan:
„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel genoeglijk, denkt aan geen onaangename dingen en slechts aan „die lustige Witwe”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —”
Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste avondbladen op het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de inspecteur van politie zijn zin niet kon voltooien.
„Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!” klonk het.
Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens verdrongen; het was hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig spook voor hem opdook en met zijn ironisch glimlachje om de lippen hem strak aankeek.
„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.”
„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit.
De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den neus.
„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!”
„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd je flauwe grappen voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat je Raffles werkelijk hadt gezien.”
De Vloo lachte luidkeels en riep:
„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik zwijgen en wel om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen kosten.”
„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen! Gevangen nemen!”
„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem niet!”
„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel eens zal krijgen!”
De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het krantenbericht, terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te lezen. [10]
Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit, evenals veel andere voorbijgangers, die het stuk lazen.
Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst voorhoofd aankeek.
„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo kinderachtig!”
„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens even—die Raffles!— —O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —”
„Houd op met dien vervloekten Raffles!”
„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste streken!— —Ik kan werkelijk niet— —ik— —”
Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij verder sprak:
„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!”
„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt gij toch voor nonsens!”
Marholm hield zijn buik vast.
„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!”
Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere wandelaars, die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in de krant iets grappigs stond omtrent hem, den inspecteur van politie, en Raffles.
Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de dichtstbijzijnde lantaarn eveneens het artikel te lezen.
Met woedende blikken las hij het volgende:
„Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten bericht, waarvan wij de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks afzender zeer zeker het volle vertrouwen van onze lezers bezit:
Raffles deelt ons mede— — —”
En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het recept van den Ierschen kapitein.
Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen, kende den drilstok der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring.
Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn kamer met zijn kameraden die menschen-bestrijding vervloekt.
Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en sprak:
„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den grooten onbekende is, die mij uitstekend bevallen!”
„Ik maak u mijn compliment,” lachte de Vloo, „ik zie, dat mijn hoop mij niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig aanhanger worden van Lord Lister.”
Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den ambtelijken plooi.
„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik heb geen lust, de „Lustige Witwe” te verzuimen.”
„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze Raffles! Ik geloof zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren— —een geniale kerel!”
„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past geen detective van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de gevaarlijkste misdadiger, die zich ooit in Old England ophield.”
„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde de Vloo, „maar dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen aan den dag mijn jas aan den kapstok, als ik met hem kon ruilen”.—
Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden, zat Raffles in de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het Hydepark gelegen villa, die hij ongeveer een half jaar geleden had gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch katoenhandelaar.
Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne bestraffing van den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche garde bedreven beulswerk.
Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in de kamer aanwezig was en bezig was, de courantenberichten uit te knippen en deze te plakken in het door hem aangelegde archief over Raffles’ daden.
„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme, kleine meisje willen bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul, en het bij een nette familie onderdak brengen.”
„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees en mag volgens de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet verlaten. Zou ze het [11]nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen en naar den ouden dienst terugbrengen”.
„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is het verblijf van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik van plan ben het verborgen te houden!— —Maak je daarover niet ongerust, beste Charly!”
„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het toch altijd nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen. Vrijwillig zal ze in geen geval meegaan, daar ze zeer zeker de voorschriften zal kennen.”
„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang verschaffen tot het huis van den kapitein en het arme kind, desnoods met geweld, in betere omstandigheden brengen.”
Charly Brand haalde de schouders op en hernam:
„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets voorneemt, je het ook ten uitvoer brengt.”
„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard ook ken ik niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet eens noodig acht, een plan voor de uitvoering te overwegen.— — —
„Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we opbreken.”—
Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want er scheen een onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op den Hamilton Road begaf.
Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens iemand wakker was.
Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles:
„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik ontdekte, dat zich op den zolder een dakvenster bevindt, liever hierdoor naar binnen gaan.
„Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit het huis kom.”
De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch één-familie-huis en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde door een schutting was afgesloten.
John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn vriend als een donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde verdween.
Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de poort was aangebracht en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die hem boven op het huis zou brengen.
Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het dak met pannen bedekt en tamelijk schuin was.
Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis maakte het voor Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen zien.
Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de aandacht te trekken.
Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het midden van het huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de trap kon bereiken.— — —
Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde!
Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet bemerkt en viel hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een houvast te vinden en maakte opnieuw een buiteling, waardoor hij met een doffen slag neerviel. Daarna rolde hij langs de treden naar beneden en bleef onder aan de trap bewusteloos liggen.
Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en beiden keken angstig naar de gesloten deur van de slaapkamer.
De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat oogenblik hun pijnen vergaten.
„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan haar man, die sidderend van angst overeind in bed zat.
„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de bliksem is ingeslagen. Er is buiten een hevig onweer.”
„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is eerst in aantocht; ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen moet zijn gevallen. Bewijs nu je dapperheid als Engelsch officier. Neem je revolver en ga naar de gang.”
Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten.
„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust te stellen, „hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat is een onmogelijkheid, of heb je soms vergeten, de huisdeur te sluiten?”
De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden:
„Ik heb alles gesloten, Harry, maar … nu weet ik het!—Ik vergat het dakvenster op zolder dicht te maken!… Harry, sta op! Door het dakvenster moet een inbreker naar binnen zijn geklommen!” [12]
Maar de kapitein wilde niet.
Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— —
Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje geleek, rees in de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van haar heer en gebieder het angstzweet stond.
„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw hem toe, haar echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend.
„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om je te verdedigen?— —
„O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard!
„En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland, die eindelijk het gehate Duitschland zou overwinnen!
„Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den inbreker dat je een held bent!”
„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met zwakke stem te antwoorden.
Nu begon zij te krijschen:
„Wat?… Wat?… Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd met twaalf misdadigers en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen man te hebben! O! O!”
Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de revolver, die op het nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar de deur, rillende van koude, ondanks het warme weer.
Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een waterkaraf.
Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog voordat de kapitein het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur.
Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit.
Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht wederkeerig steun bij haar.
Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen.
Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John Raffles in een bloedplas op den steenen vloer liggen.
„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend.
„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem.
Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine dienstmeisje ook naderbij gekomen.
Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind van de gang.
Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep:
„Groote hemel, die arme man is dood!”
Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en vroeg:
„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat scheelt u?”
Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed.
Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar steunende. Maar nauwelijks hadden zij zijn gelaat gezien of zij sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten in woest geschreeuw los.
„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een waanzinnige zijn vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug, wierp de deur achter zich dicht en grendelde deze drie keer.
Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met stoelen, tafels en andere meubelstukken.
Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was, stond een oogenblik sprakeloos.
Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg ter redding en een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken.
In den hoek onder de trap hing een waschlijn.
Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen Raffles tot een pakje samen te binden.
Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur en schreeuwde:
„Doe open! Doe open!”
„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij! Spaar mijn leven!”
„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers! Kom er uit, Harry, de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem met de waschlijn vastgebonden!”
„Is dat werkelijk waar?”
„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu de politie roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.”
„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?”
„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een bijl en sla ze stuk!”
„Heeft hij je geen kwaad gedaan?”
„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos neer. Kom hier, Harry! Kom hier!” [13]
Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat hij een revolver in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk.
Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid had gesproken.
Nu kwam zijn moed terug.
Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep:
„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer ben je aan het verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je neer!”
Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor.
Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één enkelen blik de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— — —hij dacht een oogenblik na, maar de toestand was wanhopig.
Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren en verzocht, daar zijn mond bebloed was, een beetje water.
„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem gericht houdende, „eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!”
En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen, schoot de kapitein zijn revolver op hem af.
Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein:
„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!”
„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers, dat ik mij niet verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een ongeluk mee kunnen begaan, want schieten kunt gij niet!”
„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal ik hem eens anders toonen!”
In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde vuren, toen het kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar geheimzinnigen vriend had herkend, de revolver van den kapitein op zij sloeg, zoodat het schot krakend in den muur terecht kwam.
„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein, terwijl zij met een bezem haar man te hulp kwam.
Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon doen dan zich bedaard te houden.
„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!”
Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie.
„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?”
Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en wijsvinger en hield het in de hoogte:
„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den gevaarlijken strijd met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de vuistslag, dien ik hem gaf en die hem neervelde, kostte hem twee tanden!”
„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg mevrouw verbaasd.
„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon.
„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een, toen wij de deur van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet gezien?”
„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn oogen. Heb jij hem werkelijk neergeslagen?”
„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik heb hem neergeveld! Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die beroemde bokserslag is. Dat is de slag, dien men in het Iersche regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd is, dat niemand het waagt zich met mij te meten.
„Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste plek had getroffen, had hij in plaats van deze twee tanden, zijn geheele gebit verloren.
„Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn liefde voor jou, Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — —
„Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij sluimert, want dan sta ik niet voor mij zelf in.”
Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen.
„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste roofdier. Je beenderen zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd rukken en er zou niets van je overblijven dan een grafsteen met den naam: Eulalia!”
Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein rillend en bevend naar haar man.
Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand de bloedige tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson.
Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg:
„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?”
„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van zijn tijgerjachten in Indië van elk neergeschoten beest een tand in goud laten zetten, welke hij nu aan zijn horlogeketting draagt.
„Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen [14]en jou de andere aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een herinnering aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!—
„Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die souvenirs benijden.— —
„Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn revolvers bewaak en roep de politie.”
Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het dienstmeisje den Grooten Onbekende water te drinken had gegeven, terwijl Raffles haar toefluisterde:
„Maak de huisdeur open!”
Hij had zich niet in het meisje vergist.
In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel van dankbaarheid voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had gegeven.
Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar de huisdeur en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het naaste politiebureau waarschuwde.
John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak bij hem staanden kapitein op Japansche boksersmanier zulk een geweldigen stomp in den buik, dat deze als een bal op den grond rolde.
In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly Brand afgesproken fluitsignaal hooren.
Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de overzijde op den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde met een paar reuzensprongen naar den ingang van het huis.
Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand.
„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds opgebeld! En daar het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is, hebben wij de jachthonden over eenige minuten op ons dak!”
Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den grond lag en geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende knieën bij de telefoon stond, haalde Charly Brand een vlijmscherp Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de waschlijn door, waarmede Raffles gebonden was.
Dit alles speelde zich af in een paar seconden.
Eindelijk was de Groote Onbekende vrij.
Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje bij den arm en sprak:
„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik neem je mee!”
„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op de straat een politie-patrouille aankomen. Vooruit!”
Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide vreemde heeren met haar voorhadden.
„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit slechte handen redden.”
Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten.
Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe:
„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag leeren kennen, dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig creatuur!”
Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend, het stoepje naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker, terwijl het geschreeuw om hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot achterna zond.
Nu naderde ook reeds de politie.
„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de manschappen aanvoerde.
„Raffles was hier!” schreeuwde McGovern.
„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee tanden verloren. Kijk, hier heb ik ze!”
Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen buit te bekijken.
„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige oogenblikken, „maar de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons niets, die kunnen wij niet achter de tralies zetten.
„Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?”
„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw.
„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten toon, „wij komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze schuld zijn, dat Raffles ontvlucht is!”
„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als altijd te laat gekomen!”
„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten wil niet! Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!”
„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de huisdeur opengaat en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een revolver onder den neus duwt?” [15]
„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem bevrijd!”
„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik met een waschlijn had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem gevlucht.
„En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het ongelooflijkste! De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— — —”
Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden hun ooren niet gelooven!
„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van u gestolen?”
„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon, „een vies, vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als een ekster!”
„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij blij zijn, dat gij dat schepsel kwijt zijt!”
„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder.
„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder dienstmeisje beginnen? Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man? En wie moet boodschappen voor mij doen? O, ik wil niet eens aan al die narigheid denken!”
„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de sergeant. „Mijn vrouw doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!”
Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn.
Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd.
Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den sergeant van politie en schreeuwde in de grootste opgewondenheid, terwijl haar stem oversloeg:
„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw vergelijken! Weet gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein Eulalia Mac Govern! Mijn man is kapitein van de Iersche koninklijke garde in den Tower!
„Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn hemel! Wie zal morgen de laarzen van mijn man poetsen!
„Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond zich zelden meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was alles onecht) dan het dienstmeisje.”
De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die op den achtergrond stond, merkte op:
„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het tafelzilver en de beurs van den kapitein.”
„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft 200 pond sterling gekost!”
„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel niet. Hij heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de eenige parel, die hier te vinden was.
„Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer gevangen hebt, den inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan even handig met hem omgaan als gij!”
„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te vervelen.
Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende verslaggevers, die per auto waren aangekomen en schreeuwden:
„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”
Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een toestel voor magnesiumlicht.
Het was een verslaggever van de Times, die op het bericht van Raffles’ gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid was, hierheen was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen.
De tweede heer was een nieuwtjesjager van de Daily News en op hem volgden verscheiden andere.
Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers uitgezonden.
De sergeant van politie lachte spottend en sprak:
„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang vandoor!”
„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de Times.
„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten.
De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het eerst waren geweest.
„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van onschatbare waarde! Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en wie weet wat nog meer, maar Raffles heeft haar toch gestolen!
„Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die twee tanden roemrijk in den slag heeft veroverd.”
Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar hun bureau terug. [16]
Kapitein McGovern echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn woorden stenografeerden, van zijn vreeselijk gevecht met John Raffles, wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde met de woorden:
„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht nog graag wil missen, den bokserslag toe te brengen!”
Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met hun auto’s, die in een lange rij voor het huis stonden, naar hun redacties, om het nieuwste sensatiebericht van Raffles: twee verloren tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein Mac Govern en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te krijgen. [17]
Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab genomen en was naar zijn villa in het Hydepark gereden.
Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon van angst en verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen, welke Lord Lister tot haar richtte.
Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen.
Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare inrichting van het huis en waagde het niet plaats te nemen op den met rood damast bekleeden stoel, dien John Raffles haar aanbood.
„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik herhaal je, dat ik alleen het beste voor jou wil en dat je morgenochtend reeds verzorgd zult worden door een familie buiten de stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere menschen leeren kennen dan tot dusverre.
„Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?”
„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar, toen mijn moeder stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis.
„Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het bestuur van het weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen.
„O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden dienst verlost zou worden.
„Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het zwaarste werk verrichten!”
„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger schepseltje als jij bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen. Waarom heeft het bestuur van het weeshuis je niet een vak laten leeren? Heb je soms slecht geleerd op school?”
„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind. Hij haatte mij!”
„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man daartoe?”
Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek bedeesd voor zich.
Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met den weesvader.
Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar schouder en vroeg:
„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?”
„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje.
„Een nette kerel!” lachte Charly Brand.
„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles.
„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met hen altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—”
Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos bedekt.
„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de vreeselijke dingen, die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat zulk een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?”
„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den weesvader te beklagen. Wij zouden verschrikkelijk geslagen en opgesloten zijn!”
„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de weesvader je?”
Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken.
„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende vriendelijk en hij streelde zacht het blonde haar van het meisje.
Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en antwoordde:
„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—”
„Nu, en toen?”
„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem [18]terug. Toen begon hij vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen zou nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij had het zoo goed met mij gemeend!
„Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!”
Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg:
„Heb je geen familie in Londen?”
„Niemand, sir!”
„En hoe heette je vader?”
„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje.
„En je moeder?”
„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de City.”
„Sprak zij nooit over je vader?”
„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij die zien. Mijn vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel voorname familie was.”
John Raffles floot zachtjes.
Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken.
„Waar zijn die portretten gebleven?”
„In het weeshuis.”
„Weet je dat zeker?”
„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een klein verzegeld pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de politie er mij bracht.
„De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien jaar zou zijn. Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!”
„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?”
„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den naam niet wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.”
„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe zijn en zal ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den nacht bij die menschen doorbrengen.
„Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.”
Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige inlichtingen te hebben gegeven, de zorg voor het meisje op.
Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een nieuwe sigaret aan en liep peinzend eenige keeren op en neer.
„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen en weer loopen van zijn vriend keek.
„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe ontzettend veel ellende de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en weet niet, op welke wijze men de zwakken zal helpen.
„Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te keeren, die elk oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt.
„Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen schurk, die nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient dan die Iersche kapitein.
„Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen. Heb je lust, met mij mee te gaan?”
„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van den kapitein en je val hebben je krachten uitgeput.”
„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een bad had genomen.”
Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis, dat midden in de City lag, naderden.
„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in het gebouw wilt doen.”
„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl hij aan de bel trok om den portier te wekken.
Er verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een onvriendelijke stem riep:
„Wie is daar?”
„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader dadelijk spreken voor een dringende aangelegenheid!”
Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een oude man met grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen.
Hij hield een lantaarn in de hand.
„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den portier eenige shillingstukken in de hand drukte.
De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het gelaat van den ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach sprak hij:
„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons zal gelukken, den weesvader wakker te krijgen”.
En op vertrouwelijken toon fluisterde hij:
„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner [19]thuis gekomen en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!”
Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange, met tegels geplaveide gang naar de woning van den weesvader.
De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in een net ingerichte vestibule.
Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te nemen.
Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan.
Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van een man, die zich in de aangrenzende kamer moest bevinden.
Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam Lord Lister naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur.
Dit scheen te helpen.
Een slaapdronken stem in de kamer vroeg:
„Wat is er?”
„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!”
„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden.
„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?”
Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon:
„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!”
Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe iemand zijn bed uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken.
Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader stond met lijkbleek gelaat op den drempel.
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen.
Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had.
„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles, „het handelt hier om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in dienst is gekomen bij kapitein McGovern”.
„Wat is er met het meisje?”
Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader, toen hij hoorde, dat het niet om hem te doen was.
„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en hebben, om haar identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende akten noodig”.
„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die documenten, wij zullen ook zoo vrij zijn, u mee te nemen”.
De weesvader ging een stap achteruit.
„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?”
„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor, nadat gij u hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke toebehooren aan Anna Marie Thomson”.
Angstig vroeg de weesvader:
„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?”
Raffles haalde de schouders op.
Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon:
„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!”
Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde de Groote Onbekende hem toe:
„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!”
De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde:
„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet uitgaan!”
„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet meer weesvader, gij zijt mijn gevangene!”
De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en Raffles hem moesten steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar uit een kast de akten en het door Raffles gewenschte, verzegelde pakket met de brieven en portretten te halen.
Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak, terwijl hij Charly Brand de documenten gaf.
Daarop sprak hij tot den weesvader:
„Vooruit! Er is haast bij!”
„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden.
„Dat behoeft niet in den nacht.”
„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens kousen.”
„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en opdat gij geen poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels maar afnemen.”
Voordat de beambte een afwerende beweging kon [20]maken, had Raffles zijn bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen zijn afzakkende pantalon vasthouden.
Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht.
Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen, door te vragen:
„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?”
„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je brandewijn. En nu vooruit! Kom mee!”
Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de huisdeur open te sluiten en nam den arrestant mee naar buiten.
Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen als John Raffles en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe een flinken slag met de bretels en sprak op aanmoedigenden toon:
„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een beetje flink, anders zal ik je een handje helpen!”
Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en hij zuchtte:
„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten sleept midden in den nacht!”
Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep:
„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik geef je alleen maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een geringere straf krijgt, anders verzeker ik je, dat je tot levenslange tuchthuisstraf wordt veroordeeld!
„En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het politiebureau!”
De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen de arrestant werd binnengebracht.
Lord Lister groette kortaf.
Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde hij onmiddellijk de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als: detective Johnson van Scotland Yard.
De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende bewijs voor de identiteit van den detective, voor handigheid en bekwaamheid.
„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk protocol op te maken van het verhoor.”
„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar Scotland Yard?” vroeg de officier van politie.
„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een tweede arrestatie uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis.
„Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de bekentenis van den weesvader, die hij hier zal uitspreken, dadelijk op papier te brengen!”
„Allright” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn secretaris binnen.
„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon, terwijl hij hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den goeden raad, dien ik u heb gegeven. Als gij nu uw misdaden bekent, zult gij een zachte straf krijgen.”
De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met de rechtermouw,—want hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn gelaat.
Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles overvallen en dus op niets voorbereid geweest.
Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven, bekende hij, dat hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had gehad met verscheiden weesmeisjes en er een bijzonder vermaak in had gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen.
Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes werden vastgebonden om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te worden.
De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en sprak tot Raffles:
„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den kerel onmiddellijk onder veilig geleide naar Scotland Yard laten transporteeren!”
„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van mij mee te geven aan inspecteur Baxter.”
De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een dienstcouvert en schreef daarop:
„Aan den heer Inspecteur Baxter,
Scotland Yard.”
Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op en sloot het in het couvert.
Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen.
Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem: [21]
„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval is, maak ik alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!”
„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles.
„Allright!”
Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar Charly Brand, die op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid heen en weer liep.
Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in Hydepark.
Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn studeerkamer stond.
Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op zijn schrijftafel en sprak:
„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een afgezakte pantalon laten loopen.
„Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten bekijken om te weten te komen, wie de vader van het door mij geroofde dienstmeisje is.”
Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks had hij een blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij sprong verbaasd op en riep:
„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar zijn!”
Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn schrijftafel, nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak photographieën te voorschijn.
Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een portret in cabinetformaat.
„Lees eens Charly, wat hier staat.”
„Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het Schotsche regiment lanciers. Ter herinnering aan onze gezamenlijke campagne in Afrika.
In trouwe vriendschap
Lord Cramesford.”
Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven:
„Gevallen in den slag bij Ladysmith”.
Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem een tweede photographie en wel die uit het pakket van het dienstmeisje overhandigde.
Vol verbazing riep Charly uit.
„Dat is hetzelfde portret!”
Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven, stond hierop:
„Aan mijn lieve, dierbare Anny,
van haar trouwen
Lord Robert Cramesford”.
„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen.
„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het werktuig ben van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer te brengen. Ik kan geen andere verklaring geven omtrent zooveel vreemde dingen, waartoe ik gebracht word.
„Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de slavernij van schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend uit mijn jeugd.
„Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het dikwijls verwenscht, dat wij in Engelschen dienst een dergelijken smadelijken veldtocht mee moesten maken.
„Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde voor de kogels der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval een van ons beiden op het slagveld mocht blijven, de ander diens zaken zou ordenen.
„Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld.
„Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond uit den ouden Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de universeele erfgenaam is geworden.
„Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde.
„Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die blijkbaar doelde op een hartsgeheim, te vervullen.
„Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste inlichting verstrekken. Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn dood zonder menschelijke dwalingen of verwikkelingen te zijn voorbijgegaan.
„Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben uitgesproken. Ik wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou misschien nooit meer aan die gelofte hebben gedacht, als het huidige geval er mij niet levendig aan had herinnerd.”
„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand. „Ik zou werkelijk ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je leiden. Als de tanden van een raderwerk passen de gevolgen van onze wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein [22]moest door jou gestraft worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen en het arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen met een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren! Eigenlijk is— — —”
John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn schrijftafel plaats genomen en begon de brieven van zijn overleden vriend te lezen, die deze aan zijn beminde, de moeder van het door Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven.
De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in den laatsten brief, die een dag voor den dood van den afzender was geschreven, hoopte deze op een spoedig wederzien en op een gelukkig huwelijk.
Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen, om afstand te doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het geliefde meisje te kunnen huwen.
Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en uit allen sprak zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten, kussen en vragen naar het welzijn van de kleine Anna Marie, dat men uit elken regel las, hoe diep de liefde zich had genesteld in het hart van den jongen edelman. [23]
Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur van politie Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van Scotland Yard.
Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk door op deze wijze.
Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap.
Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „Lustige Witwe” had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène speelde met de schoone weduwe.
Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep:
„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar juist den weesvader van de stad Londen als gevangene af.”
Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de Vloo aan en antwoordde:
„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als gevangene in Scotland Yard?”
„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan sommige van zijn collega’s op het vasteland!”
Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de woorden:
„Ben je klaar met je preek?”
„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader zelf, die hiernaast in de kamer is.
„Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens prikkellectuur leest. Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke boeken geen misdadigers maken!”
„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is met dien weesvader.”
„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds een bekentenis afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!”
„Wie heeft hem gevangen genomen?”
„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die hem op het bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is hij!”
Hij overhandigde Baxter het couvert.
Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit.
Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij uitte een vloek en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij.
„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend.
Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge.
Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en kermde:
„Raffles!—Raffles!”
„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel las hij het en riep toen luidkeels lachend uit:
„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie aanvragen voor John Raffles.
„Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten van Scotland Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij gelezen, wat Raffles schrijft?”
„Neen, neen,” zuchtte Baxter.
„Luister dan. Hij schrijft:
„Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed exemplaar der menschelijke boosdoeners, zooals de phantasie van een schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden. Hij is weesvader van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid! [24]
Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de strafgevangenissen, blijf ik met voortdurende hoogachting voor u en uw werk,
JOHN C. RAFFLES.”
Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne Virginia-tabak te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar heen draaide.
De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte tot de zwaveldamp was vervlogen en genoot met de kalmte van een fijnproever van zijn tabak.
Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak hij:
„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man niet een verhoor afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een dergelijk walgelijk individu stuurt, om, naar hij ons schrijft, onze verzameling te completeeren.”
Baxter riep op woedenden toon:
„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om, dat deze booswicht eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij zweeg, klemde zijn lippen vast op elkaar en rolde woest met zijn oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles mij weer tegenover de wereld heeft geblameerd.
„Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan deze weesvader, als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in vrijheid was gebleven!”
„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons beroep van detective op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan beambte van politie zijn!”
De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en weer.
„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den honderdsten keer! Je groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!”
De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde:
„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo onuitstaanbaar voor u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is heusch geen genot om bij u, inspecteur, voor secretaris te moeten spelen!”
„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik morgen mijn einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen als den besten en bekwaamsten van al mijn beambten en het meest geschikt voor het baantje van secretaris. En dit alleen om je een genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied voor mijn persoon aan den dag te leggen”.
„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor u moest hebben, inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!”
„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer hooren!”
„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren van John Raffles! Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf wel voor, dat er voortdurend over hem wordt gesproken”.
De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet had verstaan en op diens vraag:
„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze:
„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!”
„Hier wordt niet gedacht!”
„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo.
„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu de noodige maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik eindelijk weer wat nachtrust kan nemen”.
„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees daar juist een geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op welke wijze hij dezen keer de schurken naar den duivel jaagt. Men geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene misdadiger, niet een man van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!”
„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen, waarin mijn beambten het lezen verboden wordt!”
„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in ons vrije Engeland! En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een blik wierpt in die boeken, want daardoor leert men de schurken kennen en verachten!
„Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij beiden bijzonder goed kunnen gebruiken.
„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van verdacht, thuis dezelfde boeken te lezen, want, behalve waar het Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”.
„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het dan ook zij, lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel wat anders te doen!” [25]
„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen: „Dan slaapt men!”
„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen resultaat. Ik geloof, Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel Londen omverpraat …
„En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”.
Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging daar binnen. In deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van twee politie-agenten, op zijn verhoor.
Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den arrestant vol minachting aan en sprak:
„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u eindelijk gevangen hebben genomen”.
De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig.
„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde Baxter.
„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in hechtenis heeft genomen.”
„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?”
Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene haperend en op huilenden toon:
„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”.
„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te spreken!” schreeuwde Baxter.
„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt gij, schurken, allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en later hebt gij er spijt van!
„Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo dom zijt geweest, u te laten gevangen nemen!
„Maar.…..”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij vergeet maar al te vaak, dat gij te doen hebt met mij, politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! Gij vergeet, dat ik met Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng waar gij behoort!
„Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het tegen mij heeft uitgehouden!”
„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde.
De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel niet bang, maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot een breeden grijnslach, zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook gekleurde tanden kon zien.
„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier zijt om in een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten tijd zeer slecht en als dat zoo door blijft gaan— —”
Hij zweeg en de Vloo vulde aan:
„Dan ontslaat gij mij!”
„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op zijn gemak verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die tijd in overvloed heeft, gereed om te gaan schrijven.
„De weesvader van— — —”
„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!”
„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?”
Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo:
„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben gevonden. Want— —”
Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder.
„.….. In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij verstrekt, van zulk een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft de eigenaardigheid, te veel inkt op te zuigen.”
Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en terwijl de beide politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen, schreeuwde hij tot Marholm:
„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den leverancier. Ik maak ze niet!”
„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal onbruikbaar zijn!—Gij kunt wel beginnen, inspecteur!”
Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu het bericht omtrent de gevangenname van den weesvader te dicteeren.
Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de inspecteur van politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk de handelende persoon in deze zaak was geweest en niet Baxter.
Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht. [26]
Den volgenden dag hadden de Londensche couranten kolommen vol staan over de nieuwste gebeurtenissen, die zoowel op John Raffles, als op den weesvader en ook op het gebeurde met de tanden van den Grooten Onbekende ten huize van den kapitein der Iersche garde, betrekking hadden.
Bijna de heele pers vierde den kapitein als nationale held en gaf zijn woorden ongewijzigd weer, alsof ze met de waarheid overeenkwamen.
De humoristische bladen gaven satyrieke teekeningen van Raffles en bespotten hem, daar hij eindelijk zijn meester had gevonden.
Toen Lord Lister ’s middags—hij had tot 1 uur geslapen om uit te rusten—aan de ontbijttafel kwam, snelde Charly Brand opgewonden met een pak couranten naar hem toe en riep:
„Je bent voor de geheele wereld geblameerd, beste Edward! Men maakt jou op allerlei manier belachelijk om het verlies van je twee tanden, want, zooals hier in de Times staat te lezen, heeft deze Iersche kapitein aan de reporters verteld, dat hij een ervan als trophee aan zijn horlogeketting zal dragen, terwijl van de andere een broche voor zijn vrouw wordt gemaakt.”
Charly Brand had verwacht, dat John Raffles zich eveneens over het artikel zou opwinden. In plaats hiervan echter lachte deze en zei:
„Dat heb ik wel verwacht, mijn beste Charly, doch voor alles ben ik zoo hongerig als een wolf en hoop, dat je voor een uitgebreid ontbijt hebt gezorgd.”
„Ik begrijp je kalmte niet”, zei Charly Brand, terwijl John Raffles aan tafel ging zitten. „Ik vind het onverklaarbaar, je goede naam staat op het spel!”
„Onzin!” lachte John Raffles, „mijn naam staat niet op het spel, doch alleen die van den kapitein.”
„Je hebt altijd eene eigenaardige opvatting, beste Edward, doch ik moet je eerlijk zeggen, dat na de artikelen, die de geheele pers omtrent jou heeft openbaar gemaakt, geen Londensche straatjongen meer respect voor je zal hebben.
„In plaats van jou is nu die soldatenbeul de nationale held geworden.
„Zooals de couranten melden, hebben alle boks- en worstelclubs hem al tot eerelid benoemd. De koning heeft hem zelfs in audiëntie ontvangen, zich jouw tanden laten toonen en hem voor zijn heldendaad een hooge onderscheiding gegeven.”
„Naar ik hoop de olifantsorde”, lachte Lord Lister. „Wat is er overigens voor nieuws? Staat er iets over den weesvader in de krant?”
„Jawel”, antwoordde Charly Brand. „Doch niemand vermoedt, dat jij degene bent, die den kerel ontmaskerd hebt!”
„Haha”, lachte Raffles, „wie heeft hem dan in hechtenis genomen?” [27]
„Volgens de berichten de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard!”
„Zonder mij zou die man bepaald niemand in hechtenis nemen. Hij heeft zich ditmaal weer behoorlijk met roem overladen! Doch ik verzeker hem, dat hij per slot van rekening toch weer de kous op den kop zal krijgen.
„Een merkwaardig persoon. Maar ik mag hem wel! Men kan best met hem omgaan en ik hoop van ganscher harte, dat hij nog jarenlang in functie zal blijven.
„Ik zal daarom, opdat zijn goede naam onbevlekt blijft, niets omtrent de eigenlijke toedracht der zaken openbaar maken.
„Daarentegen moet ik—wat den kapitein betreft—den koning mededeelen, dat hij mij een onderscheiding moet doen toekomen, wanneer iets dergelijks voor mijn tanden wordt uitgereikt. Zij zijn namelijk in mijn mond gegroeid en niet in dien van den kapitein!”
Charly Brand lachte vroolijk en sprak:
„Wil je dan tot elken prijs dien kerel de tanden laten behouden?”
„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles.
„De kapitein kan zich gerust dien tand laten trekken. Ik dacht er vannacht al over, op welke wijze ik ze terug zou kunnen halen!”
Weldra had hij zijn ontbijt geëindigd, stak een sigaret aan en leunde op zijn gemak in zijn fauteuil achterover.
Hij dacht eenige seconden na en rookte.
Charly Brand stoorde hem niet en las de kranten verder.— —
Eindelijk stond Raffles op en sprak:
„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar voorstellen aan haar grootvader, Lord Cramesford.”
Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug.
De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in betrekking was en die zijn huishouding bestuurde, had haar een eenvoudige, maar keurige japon gekocht, zoodat Lord Lister verbaasd opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het meisje nu maakte.
Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak:
„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat je je beter voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op krachten zijn gekomen. Heb je nog iets op je hart?”
„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem.
„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.”
Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde:
„Ik weet niet, wat u bedoelt.”
„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?”
Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met trillende lippen sprak zij:
„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen …”
„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop de photographie lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had gegeven.
Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of zij uitte een blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar lippen.
Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit:
„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!”
John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij tot haar:
„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?”
„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!”
„Lees eens, wat op het portret staat!”
Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door Raffles gemaakte aanteekening omtrent het overlijden.
Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer, terwijl zij krampachtig snikte.
John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem:
„Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood beloofde ik je vader plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen flauw vermoeden had, op dezelfde wijze te zorgen als hijzelf.
„Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben geweest en dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!”
Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem neerknielende, greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen.
John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug.
Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag.
Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij [28]haar op, zette haar in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken.
Na een lange pauze vervolgde Lord Lister:
„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je zijn naam nooit had gehoord.”
„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te zien, lette ik niet op den inhoud van het geschrevene.”
„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde regiment.
„Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der meest geachte.”
John Raffles zweeg.
In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een beeldschoone, eenigszins lichtzinnige jonge man, die echter een hart van goud had gehad en geen vlieg ooit kwaad had gedaan.
„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader hooren!” smeekte Anna Marie.
„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie behoort nu nog tot de meest gegoede van Engeland.
„Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is kamerheer van den koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan opzoeken en hoop, dat de oude heer jou, het eenige kind van zijn jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken en tot zich nemen.”
Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek.
John Raffles zag dit en vroeg:
„Waarover maak je je ongerust?”
„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den ouden Lord. Laat mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken.
„De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft tegen mij gezegd, toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en handig ben!”
„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het uitstekende ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename van een Lord, zou ik je voorstel dadelijk aannemen!”
„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij hebt mijn vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen Lady, ik ben maar een dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de keuken bezig te zijn.”
„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je wensch niet vervullen. Zelfs al zou de oude Lord je niet willen erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady laten opvoeden en evengoed voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou je willen hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?”
Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje:
„Neen, neen, een belofte moet men houden!”
„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne nemende, „moet je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een voornaam Engelsch officier, zou van zijn dochter nooit een dienstmeisje hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij mee.”
Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje gadegeslagen.
De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat Raffles de kamer verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol ontroering:
„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—”
Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde:
„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den Bijbel, dat luidt: „Bemin je naasten als jezelf!”
„Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar handelden, maar—helaas—”
En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug, nam de kranten op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd met lezen te verdrijven, en zuchtte:
„Helaas!” [29]
Eerst tegen den avond keerde Raffles naar huis terug.
Charly Brand was reeds ongerust over zijn lang wegblijven.
Opgewonden trad Lord Lister zijn studeerkamer binnen en wierp met een heftigheid, die Charly niet van hem gewend was, zijn hoed op de divan, terwijl hij riep:
„Charly, men zou werkelijk gaan gelooven, dat alle eergevoel uit de wereld verdwenen was!”
„Wat is je overkomen?” vroeg zijn secretaris, terwijl Lord Lister ging zitten en, om tot kalmte te komen, een sigaret aanstak.
Nadat hij eenige trekjes had gedaan, sprak hij:
„Ik was een dwaas! Ik had het eigenlijk wel kunnen vermoeden. Maar de manier, waarop die ouwe, uitgeteerde Lord Cramesford mij behandelde, mij, den eenigen vriend van zijn oudsten zoon, was schandelijk!
„Eindelijk, toen ik tegen zijn houding opkwam, werd hij ordinair en wees mij met het arme, ongelukkige meisje, voor wie ik een tehuis kwam vragen, de deur”.
Lord Lister rookte weer haastig en Charly Brand schudde zwijgend het hoofd.
Na eenige seconden vroeg hij:
„En wat denk je nu te doen?”
John Raffles sprong op, liep de kamer eenige malen door en zei:
„Ik hoop zooveel te verdienen, dat ik het meisje, ook zonder hulp van haar grootvader, een nette opvoeding kan laten geven.
„Maar ik zal een der beste advocaten van Londen haar aanspraken op het vaderlijke erfdeel toevertrouwen!—
„Wat zeggen de avondbladen, Charly?”
„Ik heb ze nog niet gelezen, maar hier zijn ze”.
Raffles nam de kranten en had nauwelijks een blik in het eerste blad geworpen of hij riep lachend uit:
„O, Charly, luister eens! Ik verzeker je, dat ik nu geld zal verdienen als water! De „Times” meldt, dat theaterdirecteuren, eigenaars van musea, gekke Amerikanen en nog een massa andere menschen, den kapitein ongehoorde sommen voor mijn tanden hebben geboden”.
„Dat voorzag ik al!” lachte Charly Brand. „Ik begreep echter niet, op welke wijze jij daarbij geld kunt verdienen. Hij toch alleen!”
John Raffles lachte opnieuw en antwoordde:
„Ik zal den menschen mijn tanden verkoopen”.
Charly vroeg op verbaasden toon:
„Wil jij je tanden verkoopen?”
„Natuurlijk! En ik verzeker je, dat ik daar zooveel geld uit zal slaan, dat de dochter van mijn overleden vriend een der rijkste meisjes van Engeland zal worden”.
„Maar wil je dan zonder tanden gaan loopen?”
Raffles tikte met zijn vinger tegen het voorhoofd van zijn vriend en antwoordde:
„Jij bent een goed schaap!—Breng nu eens vlug de volgende advertentie naar de kranten en laat ze zoo groot drukken, dat ze een halve bladzijde beslaan.
TANDEN VAN RAFFLES
biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan! [30]
Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein McGovern heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten behoeve van liefdadige doeleinden aan de meestbiedenden door notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen.
Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot dezen wenden.
„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten bezorgen en meteen notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige van mijn tanden zal sturen, die hij tegen de hoogste prijzen aan liefhebbers moet verkoopen!—
„Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar een paar dozijn porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet je mij brengen. Ik zal ze met een brief aan Smithson zenden.
„Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen enkele tandarts in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik zal ze alle hebben verbruikt”.
Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en blijft een genie!”
John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg:
„Heb je daar ooit aan getwijfeld?”
Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak:
„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden eens keurig netjes in orde!
„Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.”
Kapitein McGovern zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper, toen het nieuwe dienstmeisje hem een visitekaartje bracht met de woorden:
„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.”
Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel.
De kapitein stond op en sprak:
„Breng den journalist hier!”
Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten, meerendeels familieleden van zijn vrouw:
„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover dezen heer, want hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde, een mensch, die door zijn woorden iemand tot een beroemdheid kan maken. Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.”
Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant gekleed heer, de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten zich tot den kapitein wendde:
„Ik ben de vertegenwoordiger van de New-York Herald en kreeg bevel van mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen mededeelen. Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze aangelegenheid verzenden.”
Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den honderdsten keer in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over den bokserslag en zijn zege over Raffles.
„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden! Een heb ik aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan haar armband!”
„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op bescheiden toon.
Opnieuw boog McGovern gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak: „Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!”
„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan de tand hing, in diamanten gevat.
Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan het horloge was bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden verslaggever.
Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak:
„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!”
„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg:
„Hoe kent gij ze?”
„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en scherp, „ik zal mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —”
Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin:
„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde en opdat gij de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als souvenir achterlaten!
„Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie het titelblad.)
Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een woord te zeggen, week de kapitein voor Raffles terug.
Als verlamd zaten de gasten om de tafel.
Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een geweldige vuistslag neer op het gelaat van McGovern, zoodat zijn valsch gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel. [31]
„Tand om tand!” herhaalde John Raffles.
Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende buiging voor de gasten en sprak:
„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!”
Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles verdwenen.
Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie geschreeuwd en het duurde niet lang of van het politiebureau in dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis binnen.
Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was.
Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en begrepen, dat de held van de Iersche garde alles gelogen had.
„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets was gebeurd. Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde advertentie. Daarin stond, dat John Raffles zijn tanden had teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende zou laten verkoopen.”
„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den kapitein.
„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!” jammerde McGovern.
Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis.
Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen honderden personen, wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar tanden van Raffles, kon antwoorden:
„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij zelf gestuurd— —”
Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000 pond sterling voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend:
„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!”
John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht aan de Engelsche pers:
„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten verzekeren, dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal nu vragen of de tanden werkelijk uit mijn mond kwamen.
„Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit alleen kapitein McGovern van de Iersche garde.
„Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van zoo’n held van den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding laat behouden, die ik den kapitein heb ontnomen.”
Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij:
„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren!
„Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de zes gebochelde hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien, dat ik van goede scherts houd en er dankbaar voor ben, dat hij mij van zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein heeft afgenomen.”
Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij zuchtend tot de vloo:
„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de Groote Onbekende, John C. Raffles willen zijn!”
Pakkend! Sensationeel!
Boeiend zijn de avonturen van den beroemden Amerikaanschen Detective
NICK CARTER,
het mooiste wat ooit op het gebied van Detective-verhalen verschenen is.
Elke aflevering bevat een afgerond verhaal.
Prijs per aflevering 10 CENT.
Te bekomen in den boekhandel en bij den Uitgever
Roman-Boekhandel voorheen A. EICHLER te Amsterdam.
[33]
Belooning: 1000 pond sterling.
| Wie kent hem? |
![]() |
Wie heeft hem gezien? |
| Dat vraagt men in Scotland Yard! | Dat vraagt heel Londen! |
Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven
brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.
Man van eer in alle opzichten
spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:
Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.
Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!
|
WARRANT OF ARREST. |
Vertaling: Bevel tot aanhouding. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under: |
Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
DESCRIPTION:
|
Beschrijving:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown. |
Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Charged with robbery. A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man. |
Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Headquarters—Scotland Yard. London, 1st October 1908. Police Inspector, |
Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard. Londen, 1. October 1908. Inspecteur van Politie |
Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler
Singel 236—Amsterdam.
| I. | Een ontmoeting in den Tower. | 1 |
| II. | Vreemde heldenmoed. | 5 |
| III. | Twee tanden. | 9 |
| IV. | Het gestolen dienstmeisje. | 17 |
| V. | De weesvader in verhoor. | 23 |
| VI. | Haar vader. | 26 |
| VII. | Tand om tand. | 29 |
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 146 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| Passim. | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 2 | .” | ”. | 2 |
| 2 | Picadilly | Piccadilly | 1 |
| 2 | had | [Verwijderd] | 4 |
| 3 | concierge | conciërge | 1 / 0 |
| 3 | excercitieveld | exercitieveld | 1 |
| 3 | excerceeren | exerceeren | 1 |
| 3 | ”, | ,” | 2 |
| 4, 5, 8, 16, 30, 30 | Mac Govern | McGovern | 2 |
| 4 | terwij | terwijl | 1 |
| 5, 19, 31, 31 | Mc Govern | McGovern | 1 |
| 5, 6, 30, 30 | Mc. Govern | McGovern | 2 |
| 6 | verdeiging | verdediging | 1 |
| 8 | dr. | Dr. | 1 |
| 8, 19 | antwoorde | antwoordde | 1 |
| 9 | strand | Strand | 1 |
| 9, 23 | Wittwe | Witwe | 1 |
| 10 | vloo | Vloo | 1 |
| 11 | één-familiehuis-huis | één-familie-huis | 4 |
| 11 | , | [Verwijderd] | 1 |
| 13 | trecht | terecht | 1 |
| 14 | groote | Groote | 1 |
| 14 | Govern | McGovern | 2 |
| 17 | haar | hen | 3 |
| 17 | vreeselijk | vreeselijke | 1 |
| 17 | [Niet in bron] | weesvader je?” | 14 |
| 18 | Een | Er | 2 |
| 24 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 33 | Sinclair | Raffles | 7 |
| 33 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 33 | Scotland-Yard | Scotland Yard | 1 |
| 33 | Oktober | October | 1 |
| 33 | Inspekteur | Inspecteur | 1 |