The Project Gutenberg eBook of Hans de Klokkeluider This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Hans de Klokkeluider of de Duivel in den toren Author: Johan Fabricius Illustrator: Johan Fabricius Release date: February 15, 2026 [eBook #77942] Language: Dutch Original publication: 's Gravenhage: H. P. Leopold's Uitgevers-Maatschappij, 1925 Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg. *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANS DE KLOKKELUIDER *** HANS DE KLOKKELUIDER OF DE DUIVEL IN DEN TOREN WINTERSPROOKJE IN VIJF TAFEREELEN VAN JOHAN FABRICIUS ’S-GRAVENHAGE MCMXXV H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ DRAMATIS PERSONÆ: KERSTMANNETJE. BOF, zijn dienaar. HANS, de klokkeluider. GAAIKE. SATAN. SNUF, zijn dienaar. SATANS-MOER. DE HELLEWACHTER. KASPER, Gaaike’s vader, herbergier uit „’t Swaentjen”. ANNE-MARIE, Gaaike’s moeder. STOFFEL, } SNOEK, } vrienden van Kasper. AAFKE, vriendin van Anne-Marie. Heksen, bruidsmeisjes, bruiloftsgasten. Het sprookje speelt zich af in de laatste dagen voor Kerstmis en op den Kerstavond zelf. Plaats der handeling: een oud stedeke. Kleedij: de tijd der staartpruiken. Aan mijn oudste vriendin. Kerstmis 1924. EERSTE TAFEREEL (Voor de poorten der Helle.) (Alom ligt sneeuw. Het loopt tegen schemeren. De hel is een rots, waarin een zware, dubbele, met ijzer beslagen deur is gebouwd. Boven de deur een groote, ijzeren lantaren met rood perkament. In de deur zelf bevindt zich een klein tralievenstertje,—thans gesloten. Naast de deur een schelring aan een lange staaf.) (Als het scherm opgaat, staat Snuf, een schrale, roodharige duivelsdienaar, trappelend van kou voor de dichte deur. Hij heeft zijn handen tot aan de polsen begraven in zijn broekzakken, de schouders hoog opgetrokken. Ook zijn blauwe neus en wangen en zijn roode oogleden verraden, behalve een zekere genegenheid voor spiritualiën, de barre koude, waaronder Snuf te lijden heeft. Zijn neus mag men zonder overdrijving een wipneus noemen. Hij draagt een bont, gelapt manteltje, een spits mutsje; uit zijn jaszak steekt een jeneverkruikje zijn rood-gelakten hals te voorschijn. Verder verheugt Snuf zich in het bezit van een soort duivelsgitaar met driehoekige kast, die hem om den hals bungelt. Achter aan zijn broek draagt hij een staart, die ook de trots van een koe had kunnen uitmaken. Overigens uit zich het duivelsche in hem vooral in de bewegingen en stembuigingen.) (In de verte luidt een torenklok.) SNUF. (Klappertandend:) Brrrrrrr! Brrr! Brrrrrrrrrrr! (Hij tast met van koude onzekere hand naar zijn fleschje, ontkurkt het met zijn verkleumde vingers, gooit een slok in zijn keelgat, slaat dan vinnig de kurk weer in den flessche-hals en bergt het dierbare vocht in den zak. Gromt van welbehagen. Dan springt hij vlug van de deur weg, alsof hij een schop gekregen had: in de hel dreunt een zware slag. Maar zonder aarzelen huppelt Snuf weer op de deur af en gluurt door het sleutelgat, waarbij op zijn zitvlak een ferme lap te zien komt.) Alle duivels, het gaat er daarbinnen in de hel zoo heet van langs als het hier buiten om dood te vriezen koud is! Brrr! Zoowaar als ik Snuf heet en een heuschelijken duivelsstaart heb (tast zonder om te zien naar zijn staart) en een stiefkind ben van zeven duivelsgrootvaders, ik ben blij als een kind, dat ik niet mee naar binnen ben gegaan, want Satan wordt door zijn lieve moêr met een ziele-vork op de hielen gereden! (Weer dreunt daarbinnen een slag; Snuf vliegt met groote haast achteruit, maar springt meteen ook alweer naar het sleutelgat en geeft een soort klappertandend gegiechel te hooren.) Padden en schorpioenen, zoo nijdig als ditmaal is ze nog nooit geweest, die oude, rammelende zwavel- en salpeterfeeks, zelfs niet de vorige Kerstmis, toen we toch ook in een week tijds geen zieltje konden machtig worden! Wat zul je er aan doen? ’t Is nu eenmaal niet het goeie seizoen! (Hij springt bij een zwaren slag daarbinnen in de hel weer haastig achteruit.) Ai! Oei! (De deuren van de hel vliegen wijd open, en een fel rood licht slaat naar buiten in de schemering. Satan vlucht de hel uit, achtervolgd door zijn krijschende moêr, die bij de deur in dreigende houding staan blijft, in de eene hand een ziele-vork, in de andere een pook. Heur grijze haar hangt in sprieten voor haar vergrijnsd heksengezicht met den grooten mond, waarin zich nog een enkele tand vertoont. Haar hoog opgesjorde rokken onthullen magere, bottige beenen. Satan is gentleman. Hij draagt een langen, in een punt eindigenden mantel, van buiten zwart, van binnen gekleurd als de buik van een vuursalamander; lange, puntige manchetten, hooge kraag met witte kanten das, gepoederde staartpruik, kleine horentjes op zijn grauw-witten duivelskop, onder zijn jas een duivelsstaart, iets meer verzorgd dan die van zijn dienaar. Uit de hel davert geloei en gegil, dat het begeleidend orkest vormt voor het snijdend-krijschende solo van Satans-moêr.) SATANS-MOER. Er uit! De hel uit! Er uit! De hel uit en er niet meer in! SATAN. (Stormt op Snuf af en verbergt zich achter hem.) Snuf, sta me bij: ze is razend geworden! SNUF. (Zoekt op zijn beurt weer haastig dekking achter zijn meester. Dan dapper:) Wees niet bang voor haar, meester! Sla er maar op, dat haar botten kraken! (Steekt achter Satans rug zijn tong uit.) Ga je weg, ouwe tooverkol, kromme pook, kikkerdril?! SATANS-MOER. Kom hier, adderbroedsel, ik zal je villen, kerven, krabben! SNUF. Kom jij hier, knokige nachtmerrie, als je er het hart toe hebt! Ik zal je neus splijten en je ooren afbijten en je oogen uitkrabben en je in rauwe azijn gooien! Serpent! SATANS-MOER. (Krijscht haar woede uit, laat pook en ziele-vork vallen en maakt met haar magere armen bezwerende gebaren in de lucht, waarbij ze haar grijpvingers met de lange nagels kromt en een heksenwijsje gilt:) Vlammentongen, hellevier, Roet en zwavelstank....kom hier! SNUF. (Krimpt door haar bezwering onder hevige pijnen ineen.) Sta me bij, meester, ze wil me betooveren! Au! Ai! SATAN. (Met bezwerend gebaar:) Brabbasjka! SNUF. (Springt verlucht overeind.) SATANS-MOER. (Neemt gillend de pook en ziele-vork weer op en wil er Satan mee te lijf, maar deze redt zich met een lenigen sprong achter een boom.) SNUF. Mispoes! Hi—hi—hi—hi—hi! SATAN. Lieve moêr, neem ons bij je in de hel; daar is het zoo lekker heet en hier buiten is het zoo...Brrrr! SNUF. Laat haar braaien in haar ranzig vet! Zal ik je aan het spit steken, krakende vampier, en je smoren in de vlammen? Ksssssch! Kssssch! (Hij draait een denkbeeldig spit.) SATANS-MOER. (Krijscht van woede, heft de ziele-vork op, om daarmee Satan en Snuf te overtuigen, dat in haar gemoed nog bittere wraakplannen sluimeren. Dan vliegt ze de hel weer in, slaat de deuren achter zich dicht.) SNUF. (Werpt haar een kushand na, grijnst dan tegen Satan.) Hi—hi—hi! Ze is op den loop gegaan! (Het is met een slag weer stil geworden; het hellegerucht dringt niet meer naar buiten door.) SATAN. Ja, dat hebben we nou van je praatjes, Snuf! Nou is de deur dicht, en zonder een volle zak zieltjes bij me durf ik niet meer aan te kloppen, want waarachtig, ze zou me met mijn eigen staart bont en blauw ranselen! SNUF. Dan maar weer op het pad, meester! Ik heb nog een ouwe-wijvenzieltje op het oog, dat allang op kantelen staat. Nog een stootje.... en ze kan in den zak. SATAN. Eén ouwe-wijvenzieltje! Wat heb ik aan één ouwe-wijvenzieltje? Van die schrale, tanige, uitgedroogde ouwe-wijvenzieltjes gaan er zooveel in den zak als steenen in den oceaan, als vloeken in een soldenier, als goudstukken in een pierewaaiersbeurs, als zuchten in een verliefd gemoed! Heb je niets beters? SNUF. (Duidt, na een oogenblik peinzen, met den wijsvinger op zijn neus, ten teeken, dat daarin een nieuwe gedachte schuilt.) We vangen een paar dozijn honden- en kattenzieltjes! Je moêr zal er niets verdachts aan ruiken, want ze is zoo kippig als ze bijziend, zoo bijziend als ze blind en zoo blind als ze scheel ziet. SATAN. Ben je vergeten, Snuf, dat we haar daar vorige kerstmis al op vergast hebben, toen het ook zoo slecht stond met de zielevangst? SNUF. (Zucht:) Als de stomme dieren niet aan het blaffen en miauwen waren geslagen, toen ik den zak boven de vlammen leegschudde, had ze het nooit gemerkt! SATAN. Zij? Zij merkt alles, Snuf! Ik ben nog nooit zoo’n wantrouwende tooverkol tegengekomen als mijn eigen moêr! En denk je, dat ik er aardigheid in heb, achter honden en katten aan te zitten? Menschenzielen moet ik hebben, Snuf! Ouwe-wijvenzielen, die kraken en knappen in de vlammen en, al bruin geschroeid van alle kanten, nog schelden en kijven! Vrekkenzielen, rammelende geldbuidels, waarin we naar klinkend en blinkend goud kunnen grabbelen, om onze duivelsche schatkamer aan te vullen, Snuf! Dronkemanszielen, die in alle kleuren branden van de spiritus, dat we er in de hel een vuurwerk aan hebben en er nog wat overblijft om zelf het keelgat te spoelen; weet je nog, Snuf? SNUF. Praat me er niet van, meester! (Hij tast naar zijn fleschje.) SATAN. (Steeds meer in vervoering gerakend; Snuf leeft alle heerlijkheden met hem mee). Leugenaarszielen, kunstig aangelegde doolhoven vol verborgen vallen en strikken, om aandachtig te bestudeeren, Snuf, en er ons voordeel mee te doen! Moordenaarszielen, druipend van warm, rood bloed, om er onze duivelskleeren in te verven! Verleiderszielen vol jonge vrouwen! Kloosterzielen, groote taarten en poddingen met.... surprises er in en gedrenkt in oude, fijne wijntjes! En dan, Snuf, wat het moeilijkst te krijgen is .... kinderzieltjes! Zielen van jonge menschenkinderen, geurige bloemen, vleeschgeworden muziek .... Ai! Wat zou ik geven voor zoo’n jonge, warme, teere ziel van een menschenkind! Wat zou ik geven, om die zachtkens te braden op een klein vuurtje, er met mijn neus boven op te gaan zitten en er alle zoete geuren van op te snuiven ....! (Hij zucht. Dan, plotseling vinnig:) Weet je wie ons het meest in den weg zit, Snuf? SNUF. (Heeft zijn dierbaar fleschje weer aangesproken, stampt de kurk in den hals.) Jawel. Je moêr. Ik wou, dat haar sloffen in het hellevuur vielen, en ze geen tijd meer had ze uit te trekken. SATAN. (Peinzend, gramstorig voor zich uitziend:) Ik bedoel mijn moêr niet. SNUF. Ik bedoel je moêr wel. Maar als jij je moêr niet bedoelt, meester, zou ik wel eens willen weten wie je dan wel bedoelt! Kerstmannetje soms, die likkebaard? SATAN. Nou ja, die zal altijd onze doodsvijand blijven, Snuf. Tegen den tijd, dat hij op komst is, worden de menschen zoo zoetsappig, dat ze naar geen fatsoenlijk duivelswoord meer luisteren. SNUF. ’k Wou, dat hij naar de weerlicht liep, hij en zijn spullendrager, het grootste vod, dat ooit zich dienaar durfde noemen. SATAN. Als we die twee nog eens in de hellevlammen konden zien dansen, Snuf! Ik zou er duizend zielen voor prijs geven! Maar als we daarop moeten wachten ....! Neen, Snuf, ik bedoel een ander, die ons ook leelijk dwars zit en die misschien .... uit den weg geruimd zou kunnen worden! SNUF. (Nieuwsgierig:) En wie dan, meester? SATAN. (Geheimzinnig, met opgerichten hoofde, als luisterde hij.) Een schavuit met een bronzen kop, die knikkebolt en met zijn tong klapt, Snuf. SNUF. Ik zal me als een winteraardappel in den grond laten poten, als ik weet wie je bedoelt, meester. SATAN. (Grimmig:) Een onverbeterlijke zwetser, Snuf! Een lange sla-dood, die met z’n kop in den toren hangt en z’n voeten beneden in de kerk laat slieren. Luister, dan zul je hem hooren! SNUF. (Zijn staart in de hand.) Die klok bedoel je, meester!? SATAN. Die klok bedoel ik, Snuf. Die klok, die met haar vermaledijd geklep de menschen er van terughoudt, hun zielen te verkoopen aan .... den duivel. Die klok, die hun in deze dagen slag op slag vertelt: „De Kerstman komt ..... weest braaf .... De Kerstman komt ....!” Of, als het Zondag is: „Op, menschen, naar de kerk; het is de dag des Heeren; legt alle werk thans neer; staakt al dat ijveren, dat slechts een ijdel doel heeft; ’t is Zondag; sluit nu de handen vroom ineen ....” Die klok, die iederen avond wijd en zijd over de landen roept: „De avond komt! De avond komt! Het werk is nu gedaan; thans is het tijd van bidden. Bidt, menschen, bidt! Bidt voor je zaligheid, waakt voor den duivel ....”—(Uitbarstend:) Vervloekt! SNUF. (Grinnikt.) Meester, ik geloof, dat je gelijk hebt! Als we die klok in onze macht hebben, zullen we zieltjes kunnen grabbelen als appels na een najaarsstorm! Maar hoe krijgen we haar? SATAN. De klokkeluider moet ze ons verkoopen. SNUF. Ai! Die klokkeluider, Hans, is een brave Hans, meester! Daar valt geen woordje mee te praten. Hij zal ons zijn klok niet verkoopen, voor geen zak met goud en voor al onze duivelsche schatten niet! SATAN. (Driftig, starend:) Spreek me niet tegen, Snuf! Te lang heb ik het plan gekoesterd in ’t verborgen van mijn duivelshart; nu is het van mijn giftig bloed verzadigd en wil de wereld in! SNUF. (Kruipt tegen zijn meester aan. Met duivelschen blik rondloerend:) Stil, ik weet misschien een weg, meester. Een achterweg, die, kronkelend, toch recht het doel ingaat. SATAN. Ik hou van kronkelwegen, Snuf. Wijs hem mij, dien kronkelenden achterweg. SNUF. (Fluisterend:) Cherchez la femme! SATAN. (In spanning:) Ah! Wie bedoel je? SNUF. Er is in de stad een herberg, meester .... SATAN. „De drij Coninghen”? SNUF. „’t Swaentjen”! SATAN. Kasper’s herberg. SNUF. En Kasper heeft nòg een zwaantje! Véél blanker dan het zwaantje op zijn herbergsschild. SATAN. Een dochter? SNUF. Gaaike is haar naam! SATAN. En die klokkeluider is verliefd op haar? SNUF. De wereld is voor hem een zee, die hij Gaaike noemt! En daarin tolt hij rond .... als een dronken haring. Als we ons netje goed uitwerpen, zwemt hij er regelrecht in! SATAN. Vertel op, Snuf, moet zij van hem ook zooveel hebben? SNUF. (Wijsneuzig-schrander:) Als ik goed zie, is hij voor haar .... een haring! Smaakt niet kwaad .... maar zalm smaakt beter! SATAN. (Met voorpret:) Wie is die .... zalm, Snuf? SNUF. (Grinnikend:) Herinner je je nog, meester, dat er vorige Kerstmis een rijke sinjeur in een koets door het stadje getrokken is? SATAN. Was het geen graaf, Snuf? SNUF. In elk geval heeft men het gedacht, en dat is voldoende voor onzen .... kronkelenden achterweg! Geen mensch twijfelt aan zijn graventitel. Op zijn koets stond een wapen; de palfrenier zei zus en zoo en dat hij meer zei dan hij zeggen mocht .... SATAN. (Peinzend:) Die palfrenier was nog zoo dom niet, Snuf. Neem daar een voorbeeld aan. Spreek nooit in volle zinnen, breek onderweg je woorden af .... de wereld loopt vol ezels, die blij zijn, als ze er een slot aan mogen balken! SNUF. (Grinnikend:) Nu, die snuiter heeft in Kaspers herberg overnacht, en toen hij den volgenden morgen weer in zijn koets stapte, heeft hij Gaaike een kuske op haar kleine handje gegeven, en daarvan is dat malle zottinnetje overstuur geraakt en ze is zich gaan inbeelden, dat een graaf haar nog eens naar het altaar zal voeren om haar zijn hand en zijn kasteel te bieden! SATAN. Ik zie wel kronkelingen, maar nog geen weg, Snuf. SNUF. Luister! Dien graaf, dien vreemden graaf .... laten we terugkomen! SATAN. Hoe wou je dien hier naar toe sleepen, Snuf? SNUF. (Geheimzinnig:) Stil! Het is voldoende, als Gaaike maar dènkt, dat hij komt! We schrijven haar een brief, een mooien brief .... met een adellijk zegel er achterop! SATAN. Aha! SNUF. (IJverig:) „Lieve Gaaike! Een graaf komt je halen om je tot zijn gravinnetje te maken! Ga in den toren, Gaaike, ga in den toren .... hi—hi—hi! en zie naar hem uit ....!”—En dien brief steek ik vanavond tegen den tijd, dat ze naar haar witgespreide bedje gaat, in den rand van haar spiegeltje. Daar zal ze hem vinden,—want ze is een meisje! Goed. Morgen gaat ze den toren in om naar hem uit te zien. Hans, de klokkeluider, zit daar ook den heelen dag te koekeloeren, en hij zal denken, dat Gaaike om hèm de driehonderdzevenenzeventig treden van de torentrap is opgeklauterd! Intusschen laten wij onze beste koets keurig oplakken, blauw met goud, zetten er een kroon boven op, schilderen een wapen op de portieren .... de verf zal nog nat zijn, maar de graaf, die er in zal komen te zitten, is toch ook nog niet droog achter de ooren wat zijn graafschap betreft! SATAN. Snuf, je bent een schrandere bol. Wien nemen we als koetsier en als palfrenier? SNUF. Daar nemen we Lummel en Rakker voor. Die hebben zich, voor ze bij ons in dienst kwamen, bij graven en baronnen rijk gestolen en dus goede manieren verworven. We trekken hun een livrei aan, een beetje lang van snit, dat hun staarten niet zoo aan het licht komen. Nu, de koets rijdt op een teeken van ons recht op de stadspoort aan. Daar boven in den toren wordt ze opgemerkt; Gaaike ziet haar brief bewaarheid; Hans is jaloersch, en met iemand, die jaloersch is .... SATAN. .... heeft de duivel makkelijk spel! Snuf, breng me pen en inkt! SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij trekt aan de schel der helle, bonst ten overvloede met een vuist op de deur.) Open! Doe open! HELLEWACHTER. (Opent het tralie-venstertje in de deur. Gegil en gekrijsch dringt weer naar buiten door. Fel-rood licht beschijnt den woesten duivelskop van den hellewachter, die zich in het bezit van ferme horens, slagtanden en groote, rollende oogen verheugt.) Wat moet je, schrale sprinkhaan?! SNUF. Pen, inkt, briefpapier met lak en tondeldoos, vette galblaas! HELLEWACHTER. Waar moet het voor dienen, schobberig scharminkel? SNUF. Vraag dat aan je grootje, gemest varken! SATAN. Stil!—Zeg maar, dat ze het boeken onder „Zielevangst”! HELLEWACHTER. Geduld. (Hij slaat het venstertje dicht.) SNUF. (Ziet naar rechts.) Meester! Daar komt me waarlijk in levenden lijve Kerstmannetje aansukkelen, met dat vod van een dienaar achter hem aan! SATAN. Laten we ons verbergen, Snuf! (Hij springt achter een boom weg.) SNUF. (Verbergt zich achter een anderen boom.) KERSTMANNETJE EN BOF. (Komen van rechts op. Kerstmannetje is niet groot, weldoorvoed en draagt een roode pij met bont afgezet, een bontmuts met een takje hulst als versiering, en zijn beenen steken in wijde kappen. In de hand een lantarentje. Vriendelijk, blozend gezicht met borstelige, grauwe wenkbrauwen, zilverwitte haren en een dito ronden baard. Bof, zijn dienaar, mag niet tot de snuggersten behooren; zeker is het, dat er geen kwaad haar op zit. Hij torst op den rug een zak, waaruit kinderspeelgoed en een kerstboompje komt kijken.) KERSTMANNETJE. Die klok heeft ons goed geleid, Bof! Kijk, daar zie ik den toren al. BOF. Den toren, meester? (Hij kijkt naar boven). KERSTMANNETJE. Niet daarboven, Bof. Recht vooruit. BOF. (Volgt met zijn oogen de richting, die Kerstmannetje aanduidt.) KERSTMANNETJE. Zie je hem nu? BOF. Ik kan niets zien, meester: ik heb tegen de kou mijn muts over de ooren getrokken. Maar ik hoef den toren ook niet te zien; als jij hem maar ziet, is het toch voldoende? KERSTMANNETJE. (Snuivend en knikkend:) Ja—ja. Kom, ik zal mijn lantaren eens aansteken; ’t wordt donker, en jij zou kunnen struikelen met dien zwaren zak op je rug. Zal ik hem eens van je overnemen, Bof? BOF. Hij is zoo zwaar niet, meester. Als ik bedenk, hoeveel gezichten er nog vroolijk zullen kijken om wat er in dien zak zit, dan komt hij me zoo licht voor, alsof ik hem mijn leven lang zal kunnen dragen. Maar steek de lantaren maar aan, meester, want jij zou over een verborgen wortel kunnen struikelen. KERSTMANNETJE. (Steekt zijn lantaren aan. Het gaat niet zoo makkelijk, want hij moet zich met een tondeldoos behelpen.) Verborgen wortels .... dat zijn de gevaarlijkste, Bof. Ik zou het den menschen altijd wel opnieuw willen zeggen: „Pas op de verborgen wortels ....! Er zijn twee paden in het leven. Het eene is niet altijd mooi geëffend; soms is het mul, soms is het steenig, soms gaat het maanden lang door barre zon, door koude, regen, hagelbuien .... Maar de grond is betrouwbaar,—men weet waar men staat. Het andere pad biedt koele schaduw als het warm is, en beschutting, wanneer de sneeuwjacht op witte rossen door de velden raast. Maar neem je in acht .... er zijn verborgen wortels ....!” (Hij heeft de lantaren aangekregen en heft haar omhoog.) Zie, Bof, hoe voor het licht het duister vluchten moet. Zoo duister kan een duistere nacht niet zijn, of het kleinste lichtje scheurt zijn kleed uiteen. (Naar boven ziend, naar zijn brandend lantarentje:) Het licht der waarheid is een klein, maar stevig barkje; geen woelige zee kan het verzwelgen, al raast een storm van laster ook gierend door het want, al kruiven zich de golven leugens nog zoo hoog ....!—Kom, laat ons verder gaan. Die klok daarginds roept ons zoo vriendelijk en vertrouwelijk, alsof ze zeggen wilde: Kom hier! Hier is het goed! En warm! Hier wonen vrienden! BOF. Als die klok ons niet op het goede pad gehouden had, meester, waren we, met die versneeuwde wegen, nog verdwaald! KERSTMANNETJE. Ja, we mogen dien klokkeluider wel dankbaar zijn! We zullen hem eens opzoeken. Heet hij niet: Hans? (Hij gaat links het tooneel af, moeizaam stappend door de sneeuw.) BOF. Ik geloof het wel, meester. Als hij niet Hans heet, heet hij Jozef, of: Gijs, of: Cornelis, of iets wat daarop lijkt. (Volgt Kerstmannetje het tooneel af.) SNUF. (Springt achter den boom te voorschijn. Hij heeft zich al moeilijk genoeg in bedwang gehouden. Woedend:) Die loopen me rakelings langs de hel en merken het niet eens! SATAN. Ze zullen merken, dat ze er nog is, Snuf! Overigens bevalt het me niet, dat ze van dien klokkeluider hebben gesproken. SNUF. We zullen zien wie het wint, meester: ons briefje en onze mooie, adellijke koets, of .... (Beukt op de helledeur.) Doe dan toch open! (Het venstertje opent zich, en de verlangde zaken worden aan Snuf verstrekt.) SNUF. Een veer, een kaars, lak, een omslag, inkt, papier .... Als je nu nog even licht maakt ....? HELLEWACHTER. (Spreekt een tooverwoord uit:) Mykrasjka! (De lantaren boven gaat aan.) SNUF. (Bukt zich voor Satan.) Als Uw Edelheid mijn rug voor lessenaar zou willen nemen ....? SATAN. (Schopt hem onder het zitvlak). Laten we voor het schrijven van dien brief een plekje zoeken waar het warmer is, Snuf! Hier zouden er weinig meer dan hanepooten op het papier komen! SNUF. Je hebt gelijk, meester, brrrrrr! (Zoekt troost bij zijn fleschje.) SATAN. Neem de boel maar mee. Snap jij, Snuf, wat de lui voor aantrekkelijks vinden aan zoo’n klok? SNUF. Ik? Ik word er katterig van. Als we haar gekocht hebben,—in het moeras er mee! SATAN. Nog beter, Snuf! We hangen haar in de hel op, boven de vlammen; dan kunnen de brandende zieltjes er zich aan verlustigen. SNUF. En als Kerstmannetje het gelui bij ons hoort, neemt hij misschien nog wel eens een kijkje in de hel! SATAN. Als hij eenmaal binnen was, Snuf, bij de giftige tong van m’n moêr, hij kwam er niet meer uit! SNUF. Dan aan het werk, meester! SATAN. Kom mee! (Beiden af.) HET SCHERM VALT TWEEDE TAFEREEL (In den klokketoren.) (Het tooneel is klein. In het midden bevindt zich een trap, die omlaag leidt. Dieper in den fond een trapje, dat nog hooger gaat,—in den torenzolder. Er zijn diepe nissen met galmgaten, waardoorheen men in een grijsrooden avondhemel kijkt. Boven het tooneel hangt de groote klok, waarvan alleen de onderkant met den klepel te zien komt. Het klokketouw hangt er naast. De toren is van ruwe steen.) (Als het scherm opgaat, zit Hans, de klokkeluider, in een der galmgaten en tuurt naar buiten. Hij draagt een grijzen mantel los over de schouders, een bruine kiel, hier en daar versteld, een grijze kuitbroek en lage schoenen met gespen. Peinzende oogen, fijn gebouwd lichaam.) HANS. (Mijmerend, starend in de wolken:) Wolken! Jullie bent als onvervulbare wenschen, onbereikbaar hoog drijvend op vleugelen van den luimigen wind. Waar komen jullie vandaan, waar ga je heen? (Dan, zacht verlangend:) Gaaike .... Gaaike .... Gaaike .... Kom bij mij, Gaaike .... Mijn toren is van ruwen steen, maar de vensters zijn kostbaar! Kom bij mij, Gaaike .... Gaaike! (Achter het tooneel klinkt een duivelslachje.) HANS. (Stokt, luistert.) Wat is dat? Wie lachte daar? Was het de torenhaan, die knarste? (Mijmerend:) De haan, die het hoogst van allen staat en toch niet kraaien kan van vreugde. Dat komt er van, als je met goud besmeerd bent! Je blinkt wel mooi, maar kraaien kun je niet, alleen maar knarsen .... Gaaike. (Boven op den torenzolder ratelt wat. Er piept een rat.) HANS. Ratten op zolder? (Hij gaat de trap op, die naar den zolder leidt.) SATAN. (Springt uit een zijnis het tooneel op, buigt zich over de leuning van de trap. Fluisterend:) Snuf! SNUF. (Wipt uit den benedentrap, zijn guitaar los in de hand. Rondziend:) Waar is ....? SATAN. (Snel:) Ik heb hem even naar boven gestuurd. Is alles geregeld? SNUF. (Knikt.) Ik heb me onzichtbaar gemaakt en het zwaantje hier naar toe gelokt. Hoor maar! Ze komt er al aan! SATAN. Prachtig. Is de rest ook in orde? SNUF. Alles klopt. De koets wacht aan den rand van het bosch. Als ik fluit, zóó .... (hij fluit zacht) zal ze op de stad aanrijden, de lichten ontstoken, dat ze van verre al te zien is. SATAN. En de sleutel van de schatkamer? SNUF. Hier! (Haalt een sleutel uit zijn zak.) SATAN. Hou jij hem maar. Je weet wat je me brengen moet? SNUF. Eerst den mantel. Als hij niet toehapt, den hoed; daarna .... SATAN. Juist. Kom mee. (Hij wil zich weer in de nis verbergen.) SNUF. (Bukt zich over den rand van de trap en zingt fluisterend, duivelsche accoorden tokkelend op zijn guitaar:) Ai, Gaaike, Gaaike, m’n Gaaike, Kom! Wees niet dom! Een juweel Van een kasteel! Een koets met een paardje! En dan met een vaartje, Duizelend van min .... (Keert zich tot zijn meester om, grijnzend:) .... de hellepoort in! (Dan springen beiden snel weg in hun nis.) GAAIKE. (Een dorpsmeisje met blonde vlechten, schuchter, lieftallig als een veldbloempje, komt de trap op en ziet verlegen, aarzelend rond. Ze is hier blijkbaar nog nooit geweest. Ze weifelt nog even, klimt dan de laatste paar treden op. Gaat nu snel op een der nissen af en kijkt naar buiten. Gejaagd, fluisterend:) Van welken kant .... zou hij kunnen komen? (Zij haalt een brief uit haar jakje.) Er staat niets van in. (Dan hoort ze boven zich iets kraken en bergt doodelijk verschrikt den brief weer in haar jakje weg.) HANS. (Komt de trap weer af. Als hij beneden is, bemerkt hij Gaaike. Strijkt de hand over het voorhoofd, als om een droom weg te wisschen. Fluisterend:) Gaaike ....! GAAIKE. (Is schuchter tegen den steenen wand gevlucht.) Hans .... HANS. (Hij gaat nu beseffen, dat wat hij ziet geen droom is, maar werkelijkheid. Met trillende stem van overgroote vreugde:) Gaaike .... jij hier? GAAIKE. De deur beneden aan de torentrap stond open. Toen dacht ik ... HANS. (Naar woorden zoekend om zijn vreugde te uiten:) Hier! Neem mijn mantel. Je zult kou vatten. Alles is hier zoo open. Kom! (Hij wil haar den mantel omdoen.) GAAIKE. (Weifelend:) En jij dan? HANS. Ik? Ik heb het nooit koud. Ik zit hier altijd in den toren. Ik ben het gewend, Gaaike. (Hij doet haar hoffelijk, bezorgd, met trillende handen den mantel om.) GAAIKE. Het zal wel mal staan! HANS. (Overtuigend:) Heelemaal niet, Gaaike! Kom, ga zitten. Ja .... stoelen heb ik hier niet. Ik zit altijd maar zoo op de steenen. Hier in deze nis. Daar heb je het mooiste uitzicht. GAAIKE. (Gaat zitten, de handjes in den schoot. Naar buiten ziend:) Er zit sneeuw in de lucht, hè, Hans? HANS. (Leunt nu tegen den anderen wand van de nis en ziet Gaaike in zwijgende verrukking aan. Hij knikt bevestigend.) Ja! We krijgen een witte Kerstmis! GAAIKE. Wordt de kerk dan weer net zoo mooi versierd als het vorig jaar? HANS. (Even pijnlijk getroffen:) Het vorig jaar ....? Was .... Was de kerk toen zoo mooi versierd? GAAIKE. Weet je dat niet meer? Voor alle beelden stonden brandende kaarsjes. Alles was zoo feestelijk, zoo mooi; de heiligen keken zoo vriendelijk .... de kerk straalde van licht! HANS. Ik .... ik heb het niet zoo gezien, Gaaike. Voor mij .... was alles .... duister. (Hij vermant zich.) Neen, dit jaar wordt de kerk mooi, Gaaike, veel mooier dan toen .... die vreemde hier was. En we zullen zoo lang luiden tot Kerstmannetje zelf naar onze versierde kerk komt kijken! GAAIKE. Heb jij Kerstmannetje al gezien, Hans? HANS. Gisterenavond alweer! Hij dwaalt nu in de bosschen en zet de omgevallen dennetjes recht, en onder een schraal, scheefgegroeid dennetje stopt hij wel eens een goudstuk weg, tot troost voor wien geen mooien kerstboom meer vinden kon. Gisterenavond, na het vesperluiden, wenkte hij met zijn lantaarntje. Ja, ik zie je wel, grijsbaard! dacht ik. GAAIKE. En ben je toen naar beneden gegaan? HANS. (Mijmerend:) Neen, dan had ik hem niet meer gevonden. Ik zie hier in mijn toren zooveel .... wat ik beneden nooit zie. GAAIKE. (Leunt voorzichtig een weinig uit de nis.) HANS. (Verschrikt:) Voorzichtig, Gaaike ....! GAAIKE. Wat is het hier hoog! Wordt jij nooit duizelig, als je omlaag kijkt? HANS. (Peinzend:) Neen, ik niet. Soms voel ik me juist wel eens duizelig wanneer ik beneden ben. Dan vlucht ik in mijn toren .... daar gaat het over. GAAIKE. Hoe kan dat nu? HANS. Hier boven voel ik me zoo vrij, Gaaike. (Mijmerend:) Ik kijk naar de wolken en ik denk. En wat ik denk .... vertel ik aan mijn klok. GAAIKE. Verstaat die je dan? HANS. Ze verstaat alles en ze denkt er over na. En als ik haar luid, antwoordt zij mij. (Hij ziet om naar zijn klok.) Ik hield al van mijn klok, nog voor ik ze gezien had. Bij ons daarbuiten was het ’s winters zoo stil in de velden; daar hoorden we niets dan een paar maal per dag die heldere klokkeslagen; als ik met mijn broertjes door het bosch zwierf, bleef ik altijd staan om er naar te luisteren. Mijn moeder werd ziek,—toen was het nog stiller. We zaten zwijgend aan tafel, en de klok daar in de verte riep ons toe: Houd moed ....! Houd moed ....! (Hans zwijgt, veegt even met de hand over het voorhoofd.) Toen Moeder was gestorven, luidde de klok .... alleen voor haar. Dien dag vroeg ik mijn vader of ik eens met hem mee mocht naar de stad, om de klok te zien. En toen het voorjaar werd, nam hij mij mee aan zijn groote sterke hand. Het was een Zondagmorgen,—ik had mijn beste pakje aan; de hemel was blauw, met witte wolken; de groene velden stonden vol lentebloemen; de vogels zongen in de boomen. Zoo kwamen we in de stad en bij de kerk. De klokkeluider .... heb je hem nog gekend? GAAIKE. (Mijmerend naar de klok ziend:) Jawel. De oude Sebastiaan. HANS. Ja! Nu, die ging ons met een groote bos rammelende sleutels voor,—den toren in. Er kwamen schrikkelijk veel treden; ik dacht, dat het nooit zou ophouden,—maar eindelijk waren we toch boven, hier bij de klok. „Kijk, Hans,” zei mijn vader, „daar achter het bosch ligt ons huis. Zie je het dak niet glinsteren in de zon? En daar is moeders graf .... die populieren zijn van het kerkhof. En daarachter, heel ver, ligt de zee, vol schelpen en parels, en daar ligt de stad van den koning,—met honderd zilveren poorten en een toren van gesmeed goud. En dien kant uit, nog veel verder, ligt het land van de Chineezen,—die hebben huizen met twintig daken er op, alle van ivoor ....” GAAIKE. (Hans verwonderd aandiende:) Vertelde je vader dat alles? HANS. (Ontwakend uit zijn droom, verlegen glimlachend:) N-neen .... dat bedacht ik later zoo. Toen mijn vader sprak .... keek ik alleen maar naar de klok. GAAIKE. En hoe ben je toen later klokkeluider geworden? .... Hans? HANS. Luister, dat wou ik juist vertellen. „Kom,” zei Sebastiaan, „ik moet luiden voor de kerk.” En hij ging met zijn rammelende sleutels omlaag. (Hans’ blik dwaalt naar de trap.) „Vader,” fluisterde ik, „wat gaat hij nu doen?”—„Dat heb je toch gehoord?” zei mijn vader. „Hij gaat de klok luiden.”—„Kàn hij dat dan?” vroeg ik. „Ik had altijd gedacht, dat een engel uit den hemel het deed!” Mijn vader lachte, en later vertelde hij aan Sebastiaan, wat ik gezegd had. Die lachte niet, hij nam mij op zijn knie en hij keek me over zijn ijzeren bril in de oogen, heel lang en heel ernstig. „Wat wil je later worden?” vroeg hij toen. „Ik wil klokkeluider worden,” zei ik. Sebastiaan keek me aan met oogen, alsof hij me wilde opeten. „Jongen,” zei hij toen, „klokkeluider zijn .... dat is niet zoo eenvoudig als het lijkt! Je moet van je klok houden, zie je? Een echten klokkeluider moet niets ter wereld boven zijn klok gaan!” Ik knikte .... en ik zag, dat zijn oogen eensklaps vochtig werden.—Zoo ben ik klokkeluider geworden, Gaaike! GAAIKE. (Ziet hem aan.) We kennen jou allemaal zoo weinig, Hans. Jij zit hier maar altijd in je toren .... niemand van ons kent jou. Vindt je het nu prettig om hier zoo alleen te zitten? HANS. (Ziet haar aan. Schudt dan ontkennend het hoofd.) Ik vind het veel prettiger .... als jij komt, Gaaike. GAAIKE. (Slaat de oogen neer.) Ik heb niet geweten .... dat het hier bij jou zoo mooi is, Hans. HANS. Je kunt van hieruit de heele wereld zien, Gaaike! Ik zie ook altijd de zon opgaan; mijn klok en ik zien haar het eerst. En de torenhaan ook .... maar die telt niet mee. En de wolken zie ik hier van zóó dichtbij! Ik ken ze allemaal! GAAIKE. De wolken ....?? HANS. (Naar buiten wijzend, fantaseerend:) Zie je dien draak daar, met zijn zeven koppen? Hij zoekt een prinses, die hij geroofd had, maar die nu bevrijd is .... door dien ridder daar! Zie je hem, daar op dat zwarte paard? GAAIKE. (Mede in spanning:) Zou hij haar krijgen, Hans? HANS. Welneen! Kijk maar: de ridder is al vlak bij zijn kasteel .... wat een forsche torens heeft het, hè? En als de poort van het kasteel eenmaal gesloten is, kan de draak er niet meer in! GAAIKE. (Peinzend:) Hans, hoe ziet het er uit .... in zoo’n kasteel? HANS. (Naar de wolken starend:) Het is van zwart marmer. De vloeren zijn van ivoor.... Dienaren in zijden kleeren zullen de sleep van de prinses dragen, en, als ze uit rijden gaat, houdt de ridder zelf voor haar den beugel vast. GAAIKE. En .... en wat voor kleeren draagt zij, Hans? HANS. De mooiste stoffen zullen dienen voor haar kleeren. Een mantel van brokaat, een kleed van zijde en kant en borduursel. Een beugeltasch met paarlen bestikt en muiltjes van satijn .... en alles wat ze hebben wil, Gaaike! GAAIKE. Hans .... geloof jij, dat ik nog wel eens .... een dame zou kunnen worden? HANS. (Verward:) Een dame ....? Een prinses! GAAIKE. Een prinses kan ik toch niet worden, Hans? Maar ik zou zoo graag .... een dame willen zijn. Hans .... zou ik het kunnen? HANS. (Met gebukt hoofd, smartelijk:) Ik weet het niet. Ik heb nog nooit .... een dame gezien. GAAIKE. Ben je nu boos, Hans? HANS. (Zwijgt, wendt het hoofd af.) GAAIKE. Waaraan denk je nu, dat je opeens zoo stil wordt? HANS. Ik denk nu aan .... den vreemde, die hier geweest is. GAAIKE. (Onrustig, even tastend naar den brief in haar jakje:) De .... de vreemde? HANS. De vreemde, die jou .... een handkus gaf .... toen hij weer in zijn koets steeg. GAAIKE. (Na een zucht, verward:) Nu, nu is hij weg. Al lang. HANS. Daareven had ik het gevoel .... alsof hij er nog was .... Gaaike. GAAIKE. (Snel om zich heen ziend:) Hans! Hans .... zul je het niet vertellen? Zul je er met niemand over spreken? HANS. (Voelt onraad naderen.) Waarover? GAAIKE. Hier, ik heb .... Beloof me, dat je het niemand vertellen zult. (Ze heeft den brief uit haar jakje gehaald, vouwt hem met bevende handen open en toont hem aan Hans.) HANS. (Neemt den brief aan, vliegt den inhoud door, staat dan op, naar adem zoekend.) Wie heeft je hem gebracht? GAAIKE. Ik vond hem gisteravond, Hans .... in den rand van mijn spiegeltje.—Waarom schrik je zoo? Wat scheelt je? HANS. Mij? N-niets. Mij scheelt .... niets. GAAIKE. Je wordt opeens zoo bleek! (Zelf is ze ook onrustig.) HANS. Dat is .... d-dat komt....—Dus je weet niet wie hem op je kamertje heeft gebracht? (Voor zich uitstarend, met trillende lippen:) Het zal toch geen laffe grap zijn? GAAIKE. Hans ....! (Het schreien komt haar nader dan het lachen.) HANS. Nu, stil maar Gaaike. Hij zal wel .... echt zijn. Wat staat er onder? Het is al wat donker; mijn oogen zijn .... ik kan het niet lezen. GAAIKE. Er staat zoo’n vreemde naam onder! „Beëlzebub”. Heb jij dien naam al eens gehoord? HANS. (Schudt ontkennend het hoofd.) Misschien heet die .... die vreemde graaf wel zoo. GAAIKE. Ik weet het niet. Ik weet niet, hoe hij heet. Maar die brief is toch echt, Hans? HANS. (Knikt. Peinzend naar den brief ziend:) Hij is met roode inkt geschreven. GAAIKE. Een graaf schrijft misschien wel altijd met roode inkt, hè? HANS. Misschien wel, Gaaike.—Dus je bent in den toren gekomen .... om naar hem uit te zien? GAAIKE. (Bukt beschaamd het hoofd.) HANS. (Na een innerlijke overwinning:) Nu .... laat ons dan naar hem uitzien, Gaaike. (Op dit oogenblik snerpt een schrille fluittoon door de lucht, van denzelfden toonaard als het fluitje van Snuf, daarstraks. Hans richt zich verschrikt overeind; Gaaike krimpt ineen.) HANS. Wat was dat? Waar kwam dat vandaan? Was het de wind .... er is geen wind. (Hij ziet naar buiten en deinst achteruit.) Een licht ....! (Geslagen, met moeite een sarcastischen toon terugdringend:) Gaaike .... de koets. GAAIKE. (Vliegt met een kreet op.) Waar? (Ze staart als betooverd naar buiten, terwijl Hans met van smart vertrokken gelaat tegen den wand is teruggedeinsd.) Hans! (Ze ziet om. Hans bukt het hoofd en wendt het af. Dit verwart haar. Zacht, verwonderd:) Hans ....? (Besluiteloos blijft ze staan. Dan, Hans smeekend aanziend:) Hans .... ik moet nu gaan. Ik moet nu vlug ....—Dag, Hans! Hans, wees niet boos? Toe? (Ze kust zijn slap hangende hand.) Dag, Hans, lieve Hans! (Dan, na nog een weifeling, snelt ze op de trap af en gaat met gebukt hoofd omlaag.) HANS. (Blijft met gesloten oogen nog even staan; dan heft hij langzaam het gelaat op, als kwam hij bij zinnen. Prevelend:) Gaaike ....! (Hij snelt op de nis toe, waar doorheen hij de koets kan zien.) Een koets .... (De smart trilt door zijn stem.) Een rijke koets! Twee zwarte paarden .... een groote, gouden kroon er boven op .... daar komt hij in zijn koets in zijden kussens .... jouw graaf, Gaaike! (Hij bergt het hoofd in de handen.) SNUF. (Springt te voorschijn, wenkt zijn meester met een grijns. Satan springt nu ook uit zijn verborgen nis. Snuf slaat een accoord aan op zijn guitaar.) Waarom zoo treurig, beste vrind? Omdat je liefje je niet mint? Kom, zoek een ander uit den hoop! Want liefjes zijn er zat te koop! SATAN. Stil, Snuf, laat mij met hem praten. HANS. (Is doodelijk verschrikt overeind gerezen en drukt zich, met lijkwit gelaat, ruggelings tegen den wand.) Wie zijn jullie? Wat zoek je hier?! SATAN. Schrik maar niet, mijn jonge vriend: we komen je helpen. En vraag niet wie we zijn, want onze naam zou je op een dwaalspoor brengen. SNUF. Of juist op het goede spoor! Hi—hi—hi! SATAN. Staak je gezwets, Snuf. En open de schatkamer,—dan zal hij zien, dat we niet gekomen zijn om hem wat af te halen! SNUF. Integendeel! (Hij werpt zich de guitaar om den hals, opent met veel gewichtsvertoon de „Schatkamer”, die zich blijkbaar in een zijnis bevindt. Snufs tooversleutel knarst in een onzichtbaar sleutelgat, en meteen valt door de nis een fel-rood licht naar binnen.) SATAN. (Vriendelijk uitnoodigend:) Wil je eens een kijkje nemen, jonge vriend? HANS. (Bleek, gereed zich tegen het booze, dat hij voorvoelt, te verdedigen:) Neen! Ik wil niet. SATAN. Hoe is het mogelijk!—Snuf, sta niet te luieren en breng me den mantel hier. SNUF. (IJveriger dan ooit, haalt een mantel uit de schatkamer.) Hier is hij, meester! SATAN. (Aanprijzend:) Een mantel van brokaat, met ’t kostbaarste satijn gevoerd en gouden sluiting! Breng de sluiting naar den goudsmid! Het is alles echt, mijn jonge vriend, het komt van ver. Wat zeg je van dien mantel? Werp hem eens om je schouders en zie hoe hij je staat?—De prijs? Je vraagt den prijs? Een krats. Een niemendal. De mantel is te geef .... Nu? HANS. Ik wil niet .... SATAN. De hoed, Snuf.—Zie dezen hoed? Hoe past die bij den mantel? Heb je ooit iets gezien, wat in teere blankheid wedijveren kon met deze veer? Zie, een robijn hecht haar aan den bol; de rand is afgezet met paarlen uit het achterland van Indië .... Hier! Een degen met gouden greep en kwasten; de scheede ingelegd met het kostbaarst paarlemoer, waarmee ooit de oceaan een oesterschelp bekleedde ....—Nu, hier dan! Marokijnen laarzen met zilveren gespen en strikken van satijn!—Snuf, haal een spiegel hier, dat hij de kleeren passen kan en zien kan hoe ze hem staan!—Trek deze handschoenen er bij aan, handschoenen van gemsleer, fijner dan ze een edelman ooit over blanke, ringen-overdekte handen droeg. Zul je er met dit alles niet uitzien .... als een graaf? HANS. Ik wil niet ....! SATAN. Maar alles is te geef! Voor niet! De prijs is minder dan de kosten van ’t vervoer! (Aanprijzend:) Want alles is van heinde en verre aangebracht! Het bont is uit Siberië, het goud uit Afrika, de paarlen uit de diepten van de diepste zeeën, die slechts de haaien kennen .... Nu?—Begrijp jij het, Snuf? Als jou zoo’n kans geboden werd? SNUF. (Zucht.) Laten we maar weer gaan, meester. Het is bij hem boter aan de galg gesmeerd. SATAN. Neen, ik geef het nog niet op. Je weet toch waarvoor we zijn gekomen: om hem te helpen! Ik heb meelij met je, jonge vriend, omdat je liefje je laat zitten. HANS. Zwijg! SATAN. Kalm-aan wat, heerschap! Wat heb ik je misdaan? (Verlokkend:) Wat zou je er van zeggen .... wanneer ik je die mooie koets daarbuiten schonk? HANS. Is die .... van jou?! SATAN. Hij dacht van niet!—Snuf, laat de koets eens stilstaan, want hij gelooft niet, dat ze ons behoort! SNUF. (Springt in de nis en fluit doordringend.) HANS. (Verward:) Dezelfde toon, die .... SATAN. Nu? Staat ze stil, ja of neen? HANS. (Worstelend tegen de verleiding:) Ik .... ik wil niet .... SATAN. (Driftig:) Dwaas! Als ik je er een kasteel bij geef? HANS. (Angstig:) Ik wil niet ....! SATAN. Ik zal je landerijen geven! Bosschen vol wild! HANS. (Schreeuwend:) Ik wil niet! Weg!! Scheer je weg met je duivelsche schatten .... SATAN. (Zuchtend:) Heb je ooit zoo’n ondankbare gezien, Snuf? SNUF. Laten we toch gaan, meester! Onze goede bedoelingen worden miskend. SATAN. Ik wil het nog met het laatste probeeren. Breng het hier, Snuf. Daarvoor zal hij toch wel zwichten! SNUF. En als hij het niet doet, meester, is hij de grootste idioot .... op jou na. Want alleen een volslagen idioot kan zooveel kostelijks te geef aanbieden.—Hier is het. (Hij reikt Satan een vrouwenkleed.) HANS. (Heeft den blik afgewend en de oogen gesloten.) SATAN. (Wiegt grijnzend het kleed in het helsche licht.) Kijk dezen kant eens uit, mijn jonge vriend? HANS. Ik wil het niet zien! SATAN. Ai ....! Daar zou je spijt van hebben, als je eerst maar wist wat het was. Ja, knijp je oogen maar toe: door je dichte oogleden heen zul je de schittering nog zien. Nu .... wil je niet? SNUF. Neem het weg, meester. Hij is het niet waard. (De spanning, waarvan hij blijkt geeft, is in tegenstelling met zijn woorden.) SATAN. Stil, Snuf.—Nog drie tellen, jonge vriend! Dan neem ik het weg .... voor altijd, en het mooiste wat je in je leven hebt kunnen zien, is voor jou verkeken. Een .... twee .... Nu? HANS. (Hijgend, naar adem zoekend:) Wat .... wat is het? SATAN. (Krijgt moed, bedwingt met moeite zijn vreugde.) Een vrouwenkleed. SNUF. (Bukt zich in spanning.) Een gravinnekleed! HANS. (Stamelend:) Voor .... voor Gaaike. (Hij wendt zijn blik naar het kleed, aarzelend, als was hij bevreesd voor wat hij doen gaat.) SATAN. (Wiegt het in het licht.) Nu? Lijkt het je? HANS. (De handen uitstrekkend:) Geef het mij! SATAN. (Over het bleeke duivelsgelaat glijdt even een grijns.) Het kost een krats .... een niemendal. HANS. (Hartstochtelijk de handen uitstrekkend, maar niet roerend van zijn plaats:) Geef dan hier dat kleed!! SATAN. Je krijgt het .... maar niet voordat ik weet, of je op den prijs ingaat. Het is niet veel .... bijna te geef. Als ik je zeg wat het kost, zul je lachen ....—Nietwaar, Snuf? HANS. Noem den prijs ....! SATAN. Zullen we hem den prijs noemen, Snuf? SNUF. De prijs is veel te laag. De schoenen alleen zijn het dubbele waard. HANS. (Kermend onder zijn foltering:) Noem den prijs! Den prijs! Ik wil den prijs weten! SATAN. Nu dan, heerschap, dan zal ik het je zeggen. (Hij geeft zichzelf even wat moed.) De prijs is .... de stem van die klok daarboven. HANS. (Bleek, duizelend, met trillende lippen:) De .... de stem van .... mijn klok? (Hij trekt zijn handen terug, moeilijk, als werden ze magnetisch tot het kleed aangetrokken.) De stem van mijn ....?! SATAN. (Bevreesd, zijn partij te zullen verliezen:) Zie! Er is in smaragd een gravinnekroontje op geborduurd! Zou Gaaike ermee in haar schik zijn? Nu ....? Je .... je hoeft vandaag nog niet te beslissen! Neen! Neem alles mee wat ik je heb aangeboden; ik bewaak dan hier de klok, en tot .... tot den kerstavond zelf mag je nog alles inruilen. HANS. (Weifelend den duivel aanziend; zijn stem schijnt uit een andere wereld te komen:) Tot .... tot Kerstmis mag ik nog ....? SATAN. Tot overmorgen, den avond voor Kerstmis! SNUF. Maar daarna niet meer! HANS. Moet ik .... dan alles teruggeven? Het .... gravinnekleed ook? SATAN. Vooruit .... dat mag je houden. (Geruststellend gebaar tot Snuf, die vindt, dat zijn meester een stommiteit begaat.) Ze zullen van mij niet kunnen zeggen, dat ik een galanterie niet te waardeeren weet! Maar al het andere breng je me terug, als jij je klok weerom wilt hebben! HANS. (Na een innerlijke worsteling, fluisterend, met gesloten oogen:) ’t Is goed. SATAN. (Zichtbaar voldaan:) Bravo!—Maak het contract op, Snuf! SNUF. (IJverig:) Ik ben in een ommezien klaar, meester! (Hij tijgt aan het werk.) Drie-en-twintig December van het jaar .... HANS. (Zijn houding wijzigt zich thans geheel. Aan het besef, hoe duur zijn gekochte schatten door hem betaald zijn, ontleent hij den bevelenden toon, waarin hij nu spreekt.) Mijn laarzen! SATAN. (Onderdanig:) Hier zijn ze, graaf! HANS. (Onaangenaam beroerd, aarzelt even, schiet dan driftig de laarzen aan.) Mijn mantel! SATAN. (Reikt hem den mantel.) HANS. (Werpt zich den mantel om de schouders.) Mijn degen! SATAN. (Reikt hem den degen.) HANS. (Gordt zich den degen om.) Mijn hoed en handschoenen! SATAN. (Reikt ze hem.) HANS. (Zet zich den hoed op, treedt dan voor den spiegel, zwierig als een cavalier, verbijtend zijn innerlijke smart en spot voor zichzelf, en trekt zijn handschoenen aan.) SNUF. (Een sierlijke haal onder het contract zettend:) Zie zoo. (Onderdanig buigend:) Zou Uwe Edelheid het even willen onderteekenen? HANS. (Neemt met korzelig gebaar de veer aan, die Snuf hem reikt. Ziet het contract in. Verward:) Wéér roode inkt ....? (Hij ziet Satan en Snuf aan. Beiden buigen diep. Hans overwint een aarzeling, zet dan bruusk zijn naam.) (In dit oogenblik valt de klepel uit de klok, slaat dreunend neer op den vloer en tuimelt dan met donderend geraas langs de torentrap verder omlaag.) HANS. (Werpt zijn pen neer, krimpt ontzet ineen, snakkend naar adem.) SNUF. (Grist hem het contract uit de vingers en brengt het, vriendelijk grijnzend, haastig in veiligheid.) HANS. (Heesch fluisterend als het geluid verstorven is:) Wat–was–dat ....? SATAN. De klepel van de klok, heer graaf! Die viel! HANS. De klok .... is haar tong .... ontrukt. SNUF. Dat ze niet praten kan! HANS. Ik heb .... mijn klok .... haar tong ontrukt. SATAN. Tot Kerstmis kun je ze haar teruggeven. SNUF. (Voor zich heen:) Maar hij doet het niet. SATAN. Kom volg mij, graaf, de poort uit! En stillekes, dat de poortwachter ons niet ziet! HANS. (Satan aanziend, wezenloos:) De poort zal gesloten zijn! SATAN. Wij hebben .... een eigen sleuteltje! (Toont grijnzend zijn sleutel.) Dat past op alle deuren! En ongemerkt komt ge in uw koets, heer graaf!—Snuf, draag het kleed! SNUF. (Neemt het kleed vol respect op zijn armen.) Ik zal er mee omgaan, alsof er al een gravin in stak, meester! SATAN. (Laat Hans met hoffelijk gebaar voorgaan. Volgt hem dan, de torentrap af, na met een tooverbeweging en tooverwoord de „Schatkamer” te hebben gesloten.) Brabbaisjka! SNUF. (Het kleed parmantig op de armen:) Daar gaat ie! Daareven nog behoorde hem de wereld. Nu zal hij zich tevreden moeten stellen .... (grijnzend:) met een helsch kasteel, een nagemaakt gravinnetje en een kwaad geweten. De zielenvangst zal er wel bij varen! (Hij huppelt de trap af.) HET SCHERM VALT DERDE TAFEREEL (De herberg: „’t Swaentjen”.) (Een eikenhouten gelagkamer. Tafeltjes, schemeltjes, groote schouw, rechts-fond de toonbank met tapkast. Links-fond: de deur naar de straat met een trapje er voor. Links en rechts twee deuren. Hooge vensters met kleine ruitjes, waardoor de ondergaande zon rood licht werpt. Een kandelaar met oude borden op de schouw. De zoldering wordt gestut door zware balken. Het vuur in de schouw brandt. Hier en daar slingers en vlaggetjes, die later als versiering zullen moeten dienen. Ergens staat een ragebol en een emmer met een bezem.) (Als het scherm opgaat, is het tooneel ledig. In een der zij-kamers zijn vrouwen aan het kwebbelen.) STEMMEN. (Uit de zij-kamer:) Geef me die dweil aan! Ajasses, wat is dat water koud! De gordijnen moeten er nog af .... Die graaf brengt een drukte, hoor! Z’n palfrenier is een aardige kerel! Hij wou me zoenen .... (veel gegiechel) maar ik heb hem een watjekou gegeven! Handen van den boter! EEN WERKVROUW. (Sloft over het tooneel, verhit van het werk, met verwarde haren, opgestroopte mouwen, een emmer water torsend. Ze sloft de kamer in, waar gekwebbeld wordt. Daar zet ze, na de deur weer achter zich gesloten te hebben, de emmer rinkelend neer.) STEMMEN. (Uit de kamer:) Kijk uit! Kijk waar je loopt! Die graaf .... KASPER. (Komt met Stoffel en Snoek door de buitendeur op. Hij draagt een paar zakjes, die hij op een tafeltje gooit. Kasper mist niet een zekere waardigheid, die zich uitspreekt in een fermen neus, een licht onderkinnetje, een wijnbuikje, dat hij met overtuiging vooruitsteekt en vaak gebruikt als rustplaats voor zijn handen, een dikke, zilveren horloge-ketting, een bruine jas met panden, een kuitbroek met lage gesp-schoenen, een gebloemd vest, een groote, bonte zakdoek, die achter uit zijn jas steekt. Snoek is ook een heel heer, vinnig en parmantig in zijn bewegingen, mager, niet groot, bottig gezicht, roode neus. Stoffel is meer een ridder van de droeve figuur, dien men zijn zeven ongetrouwde dochters, zijn mageren spaarpot en zijn kijfzieke vrouw van buiten af al aanziet.) KASPER. (Loopt haastig, maar niet zonder een zekere plechtigheid, naar de tapkast.) Ja, vrienden, daar zullen we een wijntje aan wagen! SNOEK. Waarachtig, Kasper, ik ben het niet altijd met je eens, maar ditmaal heb je het aan het goeie eind. Er zal niet elke week een graaf om je dochter komen! KASPER. Eenmaal is genoeg, buurman! Wat zeg jij, Stoffel? STOFFEL. ’t Is een wonder! Ik heb, de Heer zij mijn getuige, zeven huwbare dochters, en er is zelfs nog geen dronken ketellapper om gekomen! SNOEK. (Grinnikt.) STOFFEL. Ja, jij, als vrijgezel, kunt lachen! Ga je de boel versieren, Kasper? KASPER. (Inschenkend, na zich boven uit de tapkast een flesch veroverd te hebben:) Wat dacht jij dan, buurman? Aan den gevel komen slingers en vlaggen, en hier binnen maken we alles piekfijn; de tapkast zal ik met oude Fransche en Spaansche wijntjes versieren, en mijn vrouw zal de tafel versieren met koeken en taarten; mijn schoonzoon zal merken, dat er bij Kasper wat in ’t vaatje zit! SNOEK. (Nieuwsgierig:) En waar zit hij nou, die monsjeu? Bij Gaaike? KASPER. Snoek, niet zoo nieuwsgierig! We zijn allemaal jong geweest. Hij zal met Gaaike in de voorkamer zitten en zich niet vervelen. Hier, neem je kroes, Stoffel. We zullen op hem drinken! Ik wil ook nog op mijn wijf drinken en op den schout en zijn schepenen en op jouw zeven dochters, Stoffel, en niet allemaal in een slok naar beneden, hoor, neen, stuk voor stuk, en de volle maat. (Ze drinken.) Alle duivels, makkers, ik ben vandaag in staat, mijn heelen wijnkelder in jullie magen om te keeren!—Zeg eens eerlijk: ze mag er wezen, mijn Gaaike! ’t Is mijn eenigst kind, en ’t is zonde, dat ik het zelf zeg, maar ze mag er wezen! SNOEK. Niet zoo hoogmoedig, Kasper! KASPER. Hoogmoedig! Heb ik gelijk of niet, Stoffel? STOFFEL. Nou! Ik heb wel leelijker gravinnen gezien, Snoek! SNOEK. Waar heb jij gravinnen gezien? STOFFEL. In het paardespel, dat hier geweest is! Daar was een echte! SNOEK. Als dat een echte gravin was, zal ik nog eens een echte snoek worden. KASPER. Nou, maar in elk geval, als mijn Gaaike er niet wezen mocht, zou die graaf niet om haar zijn gekomen! ’n Jonge graaf met fortuin .... ga zelf maar na, mannen! Aan elken vinger tien gravinnen, in alle soorten en afmetingen! STOFFEL. (Zucht.) En mijn zeven dochters er bij! SNOEK. Eerlijk, Kasper,—toen hij het vorig jaar hier wegging, had jij ook niet gedacht, dat hij nog eens jouw schoonzoon worden zou! KASPER. Als je de waarheid weten wilt, Snoek, ik heb altijd al zooiets gedacht! Mijn grootmoeder had al wat met een baron uitstaande! Hier makkers, laat je nog eens inschenken. SNOEK. Vertel op .... wat was dat met je grootmoeder en dien baron? KASPER. Met mijn grootmoeder is het adellijk bloed in onze familie gekomen. Kijk maar eens naar mijn neus. Mijn vrouw zegt, dat er een baronnehaak in zit. SNOEK. (Honend:) Nou, laten we dan maar eens klinken op jouw baronnenneus, Kasper! KASPER. En op jouw neus, dien je overal insteekt, Snoek! (Ze drinken.) STOFFEL. Mag ik je eens eerlijk iets zeggen, Kasper? KASPER. Zeg maar op: als het een leugen is, zullen we hem dood drinken. STOFFEL. Ik had altijd gedacht, dat Gaaike .... en Hans nog eens een paar zouden worden. SNOEK. (Binnensmondsch lachje.) KASPER. (Zet zijn kroes neer.) Hans?? Wie Hans?? Wat Hans?! SNOEK. Hans, den klokkenluider, bedoelt hij. KASPER. Klokkelui....! Mijn dochter Gaaike met een Klokkelui....! Stoffel, als je mijn buurman niet was, zou ik je de herberg uitzetten en je al de kroezen nagooien, die je bij mij al hebt leeggedronken. STOFFEL. (Verschrikt:) Ik niet alleen Kasper! Ze hebben het allemaal gedacht. En .... eh, het zou toch ook een heel knap paar zijn geweest. KASPER. Een knap paar! Ja, knap zou het zijn geweest, wanneer die klokkeluider Kasper zijn dochter had afgetroggeld! Een mooi bestaan: op droog brood in een toren! Je kunt je nog beter door den schout laten opsluiten! SNOEK. Droog brood ....! Jij zit er toch warmpjes in, Kasper. KASPER. En moet ik daarom de kou in huis halen? Kom, mannen, ik wil drinken op dien klokkeluider en op het knappe paar, dat hij met mijn dochter Gaaike gevormd zou hebben! SNOEK. Verslik je niet, Kasper! KASPER. Geen nood, Snoek! (Ze drinken.) (Weer komt een werkvrouw in groote haast over het tooneel sloffen, gewapend met emmer en dweil.) SNOEK. („Galant”:) Zoo, meiske? Zoo druk in de weer? WERKVROUW. (Gillend:) Laat me er door! (Ze sloft woedend, mompelend in zich zelf, het tooneel weer af.) SNOEK. (Ziet haar verbluft na. Hoofdschuddend:) Die vrouwen! Die vrouwen! KASPER. Je hadt de mijne moeten zien gisteravond! Eerst was Gaaike komen binnenvliegen en naar haar kamertje gehold. „Wat scheelt Gaaike?” vraag ik mijn wijf. „’k Zal eens zien”, zegt ze. Tien tellen later staat ze weer voor me met een hoofd als een rooie kool en een brief in haar hand. „Kasper”, zegt ze, „trek als de weerlicht je beste pak aan!” Ik nam juist een snuifje. „Waarom zou ik dat doen, wijf?” vraag ik. „’t Is toch geen Zondag?”—„Neen”, zegt ze, „maar er komt zoometeen wel een graaf om je dochter! ’t Staat in een brief!” Nou, en meteen kreeg mijn wijf het zoo op haar zenuwen, dat ik maar gauw naar boven ging om mijn beste spulletje aan te trekken. En net kom ik weer in de gelagkamer, of de graaf staat er ook al!! „Zoo, monsjeu”, zeg ik. „Dag, Kasper”, zegt de graaf. Nou, en toen ik mijn vrouw en mijn dochter ging halen, hadden ze zich allebei piekfijn opgekalefaterd! Satan en Eva regeeren de wereld, makkers! SNOEK. Kom, laten we daarop eens klinken! (Ze drinken.) ANNE-MARIE. (Komt met Aafke en een werkvrouw van links het tooneel opstuiven. Ze is vuurrood van de drukte.) Hierheen! De gordijnen moeten er af, en de planken nog geschuurd en .... (Met giftigen blik op Kasper:) Zit jij daar te nietsdoen, Kasper? (De werkvrouw neemt den emmer en bezem weg en sloft weer het tooneel af.) KASPER. (Ziet naar zijn krijgshaftige, blozende, goedgevulde eega.) Nietsdoen, wijf?? Ik heb meel en rozijnen gehaald en .... ANNE-MARIE. (Stort zich op de zakjes, die Kasper op een tafeltje heeft neergegooid.) En .... en de gist heb je vergeten! En inplaats van suiker heb je zout gehaald! Stel je voor, dat ik over de taarten zout had gestr....! (De gedachte aan die mogelijkheid doet haar bijkans bezwijmen.) STOFFEL. (Angstig:) De gist wou je juist gaan halen! Niet waar, Kasper? KASPER. Hou je wafel, Stoffel: ik kan ’t alleen wel af. (Hij neemt den zak zout. Overmoedig:) Je zult eens zien, mannen, wat een mooie japon ze morgen op de bruiloft aanheeft! Die krijgt ze van mij, die japon! Nietwaar, wijf? ANNE-MARIE. Groote genade, ja, ik moet nog passen ook. Vooruit, sta dan toch niet te treuzelen! En vergeet de muziek niet te bestellen, want dat heb je natuurlijk ook nog niet gedaan! KASPER. Jawel! Om de muziek heb ik gedacht! Ze zullen met z’n vijven komen en alles meebrengen, waarop je maar fiedelen en blazen kunt. En dan de beenen van de vloer, hé, wijf? We kunnen het nooit jonger meer doen! ANNE-MARIE. Kasper, schei toch uit! KASPER. (Gaat grinnikend met zijn vrienden heen om Anne-Marie’s bevelen uit te voeren.) ANNE-MARIE. Wat moest er nog maar weer gebeuren? M’n hoofd loopt om. Wacht, de gordijnen! (Geheimzinnig-fluisterend:) En dan zou ik je het kleed nog laten zien, dat hij voor Gaaike heeft meegebracht! AAFKE. (Poezelig en blozend als Anne-Marie.) Het zal wel mooi zijn, hé? ANNE-MARIE. (Gebaar van verrukking.) De kraag van Brusselsche kant! Pofmouwen van witte zijde! Ze durft het niet aan te passen, zoo bang is ze, dat het kreukt. Maar morgen, op de bruiloft, krijgt ze het aan!—Wacht, laat ik de rozijnen meenemen.—Heb ik je al verteld, dat er een kroontje op zit? AAFKE. (Slaat de handen ineen.) Op de rozijnen?! ANNE-MARIE. Neen, op het kleed! Een kroontje van .... van groene diamant. Kom, ik zal het je laten zien. En dan zoometeen vlug met de ragebol .... Wat een knappe jongeman, hé? Heb je hem van opzij gezien? AAFKE. Hij is nog veel knapper geworden, nu hij zijn baard heeft weggeschoren! Den vorigen keer had hij een baard, weet je wel? ANNE-MARIE. Ja, dat maakte hem veel ouder. Maar ik zag toch direct wel, dat het dezelfde graaf weer was. AAFKE. Ja! Z’n gezicht kwam me dadelijk weer zóó bekend voor, hè? ANNE-MARIE. Voor Gaaike heb ik een zijden hemd met een sleep! AAFKE. Een sleep? Een hemd met een sleep? ANNE-MARIE. Natuurlijk met een sleep! ’t Is een gravinne-hemd, Aafke! AAFKE. Ja, daar dacht ik zoo gauw niet aan. ANNE-MARIE. Heerem’ntijd, wat zal ik het eerste doen! Die mannen hebben het toch maar makkelijk! Die staan maar te babbelen en te nietsdoen!—Ach ja .... m’n Kasper is zoo trotsch op zijn schoonzoon, hè? Heb je de ragebol? Wacht, daar komen ze! De graaf en zijn .... en zijn verloofde! (De beide vrouwen vluchten achter de deur en zien nog even toe, in warme bewondering. Dan verdwijnen ze, de deur achter zich sluitend.) HANS EN GAAIKE. (Komen op, Gaaike blozend, verlegen; haar oogen stralen van blijde opwinding. Ze heeft haar beste japonnetje aan. Hans, die haar met hoffelijk gebaar laat voorgaan, draagt zijn gravenkleeren vol aangeboren zwier.) GAAIKE. (Rondziend:) Vader wil de herberg heelemaal versieren! Kijk, daar liggen slingers en vlaggetjes .... ziet u wel? HANS. (Met geforceerde luchthartigheid:) Ja ....! Groene slingers en allerlei kleuren vlaggetjes er aan. Wat zal dat leuk staan, als die door de herberg hangen.—Alles .... alles zal morgen zoo mooi zijn, Gaaike! GAAIKE. (Knikt blozend:) Het .... het kleed is ook zoo mooi! HANS. (Half vroolijk:) Maar dat is toch niet de hoofdzaak, Gaaike. GAAIKE. Neen. Maar het is toch mooi. HANS. Ben je er blij mee? GAAIKE. (Knikt.) Het zal wel vreeselijk veel gekost hebben! HANS. (Peinzend, smartelijk:) Ja .... de prijs was hoog. Maar voor jou was mij niets te duur, Gaaike. GAAIKE. U is zoo goed voor mij, graaf! HANS. (Mijmerend:) Waarom zeg je .... „graaf” tegen mij, Gaaike? GAAIKE. (Hem verlegen aanziend:) Dat wil vader zoo. (Met gebukt hoofd.) En ik ken Uw naam ook nog niet. HANS. (Als ontwakend uit een droom:) Ja .... natuurlijk .... dat is zoo. Ik heet .... (Hij zint zich op een naam. Dan, weemoedig:) Nu, het doet er immers niet toe .... (Zich vermannend:) Morgen is ’t ons feest, hè, Gaaike? En dan gaan we in mijn koets naar ons kasteel! GAAIKE. (Met lichten schrik:) Maar we blijven de kerstdagen toch nog hier? HANS. Zeker! Tot den Nieuwjaarsdag blijven we nog! En dan ....! Je bent toch niet bang om met mij mee te gaan, Gaaike? GAAIKE. Eerst was ik bang. De vorige maal, dat u hier was .... HANS. (Angstig:) Wat? Wat .... den vorigen keer?! GAAIKE. Toen droeg u een baard en durfde ik u heelemaal niet aan te zien. Maar nu is het, of ik u al jaren ken. En nu ben ik ook niet bang meer om met u mee te gaan! (Ze vleit zich tegen hem aan, ziet hem vriendelijk, dapper in de oogen.) HANS. (Verward:) Gaaike ....! Dus .... je houdt wel een beetje van mij? GAAIKE. (Lief, innig:) Ik hou heel veel van u. HANS. (Hijgend:) Van mij? Van mijzelf hou je, Gaaike? Niet alleen van mijn kleeren .... mijn koets .... het kleed, dat ik voor je heb meegebracht? GAAIKE. (Ziet hem verschrikt aan.) HANS. Begrijp je wat ik bedoel, Gaaike? GAAIKE. (Schudt angstig ontkennend het hoofd.) HANS. Vind je het prettig, Gaaike .... om met mij mee te gaan .... naar mijn kasteel? Of wil je liever hier blijven en .... (Hij zoekt naar een beteren uitleg.) GAAIKE. Liever .... naar het kasteel! HANS. (Bukt het hoofd.) GAAIKE. Ik .... ik ben nog nooit in een kasteel geweest. Ik heb er ook nog nooit een gezien. Maar Hans, de klokkeluider .... (in gedachten:) vertelde mij er van. HANS. (Met afgewend gelaat:) Hans .... de klokkeluider? GAAIKE. Ja, dien kent u natuurlijk niet. HANS. (Smartelijk:) Neen .... dien ken ik niet. GAAIKE. Hij vertelde me zoo mooi van de wolken en van zijn klok en .... (mijmerend:) van een zwart marmeren kasteel. (Ze vleit zich tegen Hans aan.) Vertel mij eens van .... uw kasteel? HANS. (Om zijn mond is iets bitters gekomen; zijn oogen hebben iets satanisch gekregen. Ja, zelfs zijn stem herinnert nu even aan het snijdende van Satans stem. Hij spreekt, met zijn oogen starend; wij voelen zijn innerlijke smart.) Mijn kasteel? Je wou weten .... hoe mijn kasteel er uit ziet? (snijdend:) Goud! Alles van goud! En paarlen en diamant uit alle oorden van de wereld aangesleept; alleen van de vervoerkosten zou men een ander kasteel kunnen bouwen. (Hijgend, in de lucht starend:) Wat je zult zien .... het is alles duur en kostbaar; het is handen vol geld waard .... en ik ben er voor een krats aangekomen .... het was te geef, voor niet; belachelijk, bespottelijk was de prijs!—(Fluisterend, heesch:) Nu, Gaaike, hoe lijkt je .... dat kasteel? GAAIKE. (Is verschrikt teruggedeinsd. Stamelend:) Hans zei .... HANS. (Snijdend, met de tranen door zijn stem:) Hans zei?! Wat weet een klokkeluider van een kasteel?! Laat hij zich bij zijn klok houden! Laat hij de leugens, die hij uit de wolken haalt, maar aan zijn klok vertellen! GAAIKE. (Doodsbleek, naar adem zoekend:) Ik ga niet mee! Ik wil niet mee naar dat kasteel! HANS. (Tast naar zijn hoofd. Bleek, duizelend:) Vergeef mij, Gaaike. GAAIKE. Hebt u .... verdriet? HANS. (Wendt het gelaat af, vechtend tegen zijn tranen.) GAAIKE. U hebt verdriet .... ik weet, dat u verdriet hebt! Ik hoorde het aan uw stem daareven. En dat van uw kasteel .... dat is niet waar. HANS. (Fluisterend, met gesloten oogen:) Ik zal het je anders vertellen. Kom bij mij .... wat ik daarnet vertelde .... moet je weer vergeten. Luister. Luister, Gaaike .... dan zal ik vertellen. Het is hier ver, heel ver vandaan, mijn kasteel. We rijden de poort binnen, een mooie, grijze poort met bloemenvazen op de zuilen .... GAAIKE. Maar nu is het winter. Nu zijn er geen bloemen. HANS. Nu staan er kleine kerstboomen in, Gaaike. Kerstboompjes met brandende kaarsjes. Als we het hek door zijn, rijden we de breede oprijlaan in, met hooge boomen aan de zijden, en ver voor ons uit ligt ons kasteel! GAAIKE. (Verheugd:) Van zwart marmer? HANS. (Haar hoofdje strelend, fantaseerend om Gaaike genoegen te doen:) Neen .... dit is blank. Blank als versche sneeuw, en er staan roode schoorsteenen op. Er ligt een wijde tuin omheen, met zwanenvijvers, Gaaike, en fonteinen en perken. We zullen jachten houden! Op sterke schimmels zullen we door het woud stuiven; hoor je de schalmeien? En tuinfeesten zullen we houden met bonten schijn van lampions en zoeten klank van fluiten en violen. Bij volle maan zullen we over de stille meren varen en lelies plukken, Gaaike ....! GAAIKE. (Leunt in verrukking op zijn arm. Droomend:) Zoo is het mooi! Zoo is het net zoo mooi als in het kasteel .... van Hans. EEN STEM. (Roept van boven:) Gaaike ....!—Gaaike ....! GAAIKE. Ja, ik kom! HANS. Een kus, Gaaike .... GAAIKE. (Bergt zich hevig blozend aan zijn borst. Hun monden vinden elkaar. Dan snelt Gaaike heen, werpt Hans bij de deur nog een vriendelijk knikje toe.) HANS. (Staart droomend naar de deur waardoor Gaaike verdwenen is. Prevelend:) Zij heeft mij gekust. Gaaike heeft mij gekust! (Het hoofd oprichtend in twijfel, fluisterend:) Wien .... heeft zij gekust? Hans, den klokkeluider ... of den vreemden graaf??—Mij heeft ze gekust. (Hartstochtelijk:) Mij. Mij! En ik ben toch Hans! Hans, de klokkenluider. (Peinzend:) De .... klokkeluider. (Als in een andere wereld levend:) Waar is mijn klok? Klokkeluider, waar is je klok? Jij hebt de klok verkocht .... jij hebt je klok verkocht en durft je klokkeluider noemen. (Snijdend, honend:) Klokkeluider! (Smartelijk:) Ik ben geen klokkeluider meer. (Fluisterend, met heesche stem:) Maar wat ben ik dan? (Heftig:) Wie? Wat ben ik?! (Gejaagd fluisterend:) Ben ik een graaf? (Hij beziet zijn kleeren.) Ja .... ik .... ik kan een graaf zijn. Als ik morgenavond mijn klok niet weer terugkoop. Als ik mijn klok voorgoed aan den duivel verkoop. Als ik Hans, den klokkeluider, verkoop! Als ik .... (snijdend:) mij zelf verkoop voor een koets, voor een kasteel, voor deze kleeren, voor Gaaike’s kleed .... (fluisterend, verlangend:) voor Gaaike zelf. (Zacht, peinzend:) Als ik mijn geluk wil bouwen .... op een leugen. (In sterken twijfel:) Mijn geluk ....? Zal ik mijn leven lang niet .... jaloersch blijven? Jaloersch op dien vreemden graaf, wiens kleeren ik draag, wiens kasteel ik bewoon, maar die mij, Hans, (vol verbittering:) mij .... Hans .... mijn Gaaike roofde?! (Hij bergt het gelaat in den arm.) STEMMEN. (Klinken op dit oogenblik van buiten.) Hans! Hans .....! (Veel rumoer, verwarde kreten:) Hans ....! HANS. (Luistert verward; dan begrijpt hij. Hij snelt naar het raam, blijft staan en breekt in een spotlach uit.) Ze zoeken! Ze zoeken Hans .... den klokkeluider. Zoek! Zoek maar overal ....! Zoek hier! Zoek onder mijn gravenkleeren en je zult hem nog niet vinden. Een leugenaar zul je vinden, een lafaard, een luider zonder klok .... (De tranen breken door zijn stem.) (Het rumoer op straat neemt toe. Uit de verschillende deuren komen werkvrouwen, ook Anne-Marie en Aafke, en achter hen aan, met angstigen blik: Gaaike.) ALLEN. (Dooreen:) Wat is er? Wat gebeurt er? Wat roepen ze op straat? Waarom is al dat volk op de been? KASPER. (Komt achter adem door de buitendeur binnensnellen, een paar zakjes onder den arm, die hij Anne-Marie in de handen duwt.) Hier! De gist! De suiker! Hans is weg. Ze kunnen hem nergens vinden. GAAIKE. (Deinst doodsbleek achteruit.) ANNE-MARIE. Hans, de klokkeluider?! SNOEK. (Komt ook opgewonden binnensnellen.) Kom mee, Kasper! Ze willen gaan dreggen in de gracht! (Gegil bij de vrouwen.) AAFKE. Dreggen?? Is hij dan verdronken?! SNOEK. Wie zal het zeggen? Ze hebben overal gezocht! ANNE-MARIE. In den toren ook? Daar zit hij altijd. KASPER. In den toren is hij niet. En de poort is hij ook niet uitgegaan. Dan had de wachter hem moeten zien! STOFFEL. (Is ook komen binnensnellen.) Alles is even zonderling! Onder aan de torentrap hebben ze den klepel gevonden! Den klepel van de klok! Wie heeft er ooit meegemaakt, dat een klepel uit een klok viel! Een klepel, die met zóó’n ijzeren ring in de klok zit vastgesmeed! SNOEK. Er zit tooverij achter! DE VROUWEN. (Gillen of slaan de hand voor den mond.) KASPER. Kom, mannen! Naar de stadsgracht! SNOEK, KASPER, STOFFEL. (Snellen heen, gevolgd door Aafke en de werkvrouwen, die haastig doeken omslaan.) HANS. (Worstelend naar adem:) Ik .... ik wil ook even .... buiten zien. (Wankelend volgt hij de anderen.) ANNE-MARIE. (Weifelt wat ze doen zal. Dan ziet ze haar kind doodsbleek tegen den wand staan. Verschrikt snelt ze toe.) Gaaike ....! GAAIKE. Moeder! (Wanhopig snikkend bergt ze zich aan haar moeders borst.) ANNE-MARIE. (Haar omsluitend:) Gaaike .... m’n kind, wat beef je? Wat is er dan met je? (Moederlijk troostend:) Arm kind! Arm kind van mij! Ja, dat bederft nu alles, hè? Nu, stil maar. Stil maar ....! Hij wordt nog wel gevonden! Je zult zien, dat hij gevonden wordt! GAAIKE. (Schudt snikkend het hoofd.) Hij .... hij wordt niet meer gevonden! ANNE-MARIE. (Verwonderd:) Wat zeg je, kind? Hoe weet jij ....? Nu, huil maar uit, hoor. GAAIKE. Moeder .... als Hans verdronken is .... is het mijn schuld! ANNE-MARIE. Jouw schuld?? Wat is jouw schuld! Als Hans verdronken is ... is dat dan jouw schuld ....?? Och, je bent heelemaal overstuur, m’n kind. (Van den weeromstuit snikt ze mee.) Hoe kan het jouw schuld zijn, als Hans ....?! GAAIKE. (Wanhopig snikkend:) Hans hield van mij! ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Och, m’n kind, is dat alles? GAAIKE. Nu hij gehoord heeft, dat ik morgen ....! Ik wil niet! Ik wil niet met den graaf trouwen! ANNE-MARIE. (Verschrikt:) Maar, kind ....! GAAIKE. (Naar adem zoekend:) Ik wil niet! (Hartstochtelijk snikkend:) Ik hou van Hans! Nu hij er niet meer is, weet ik het! Ik hou van Hans! ANNE-MARIE. Kijk nou eens aan! Kijk nou toch eens aan!—De graaf zal zoo goed voor je zijn, m’n kind! En .... ’t is toch een graaf! Er zal niet elken dag een graaf om je komen, Gaaike! En daarstraks heb je toch nog gezegd, dat je zooveel van hem hield! GAAIKE. (Verward:) Ik weet niet .... ik weet niet wat het is ....! ANNE-MARIE. (Fluisterend:) Je hebt toch je ja-woord gegeven! GAAIKE. (Snikkend:) Ik kan niet! Ik wil niet! Ik mag niet .... ANNE-MARIE. Wat mag je niet? Je mag niet neen zeggen, als je eenmaal je ja-woord gegeven hebt, Gaaike! En alles is nu klaar .... de muziek is al besteld... de koeken zijn gebakken .... en dat mooie kleed, dat hij voor je heeft meegebracht! Heb je wel goed gezien wat een mooi kroontje er op zit? GAAIKE. (Snikkend:) Moeder ....! ANNE-MARIE. Wij willen toch niets dan je geluk. Dat weet je toch wel? GAAIKE. (Kust haar moeders hand.) ANNE-MARIE. Nu, als wij je nu zeggen: Gaaike, je mag dien graaf niet voor het hoofd stooten! Het is voor je geluk, dat we willen, dat je met hem trouwt! GAAIKE. (Zwak protesteerend:) Ik hou van Hans ....! ANNE-MARIE. (Sussend gebaar.) Zul je dan alles doen wat wij zeggen, Gaaike? Zul je dan morgen met hem trouwen? GAAIKE. (Smeekend:) Moeder .... ANNE-MARIE. Nu ....? GAAIKE. (Bergt snikkend haar hoofdje aan Anne-Marie’s boezem.) ANNE-MARIE. Bedenk, Gaaike, hoe trotsch en gelukkig je vader zijn zal! En dat wil je toch wel? He?—Nu, zul je hem dan trouwen? GAAIKE. (Knikt snikkend.) ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Ik wist wel, dat jij mijn lieve Gaaike was! HANS. (Komt aarzelend door de fond-deur binnen.) ANNE-MARIE. (Ziet hem.) Nu? Is hij al gevonden? HANS. Ze zijn .... aan het dreggen .... in de gracht. GAAIKE. (Krimpt ineen). ANNE-MARIE. Dwaasheid! Hij zal ineens weer voor ons staan! Je zult het zien, m’n kind! Wat zegt u, graaf? HANS. (Starend:) Als hij .... morgen .... ook nog niet gevonden wordt .... zal het wel te laat zijn. ANNE-MARIE. Troost haar maar wat, graaf. Hans de klokkeluider was .... was een speelkameraadje van haar en .... (Hans duidend haar te troosten:) Nu, ik laat jullie maar alleen! (Met een aanmoedigenden knik naar Hans, af.) HANS. (Aarzelend, onzeker op Gaaike afgaand:) Gaaike .... Schrei je? GAAIKE. (Bukt het hoofd.) HANS. Schrei je .... om Hans? GAAIKE. (Knikt met opeengeklemde lippen.) HANS. (Aarzelend, hoopvol:) Als je verdriet om hem .... zoo groot is, Gaaike, wil je dan nog wel .... met mij meegaan? (In spanning wacht hij haar antwoord.) GAAIKE. (Zoekt naar een antwoord, maar kan niet spreken. Dan, eindelijk, knikt ze.) HANS. (Smartelijk:) Dus morgen .... is onze groote dag? GAAIKE. (Springt op en valt Hans snikkend in de armen.) HANS. (Haar zachtkens streelend over het hoofdje:) Dan zul je Hans .... den klokkeluider .... wel gauw vergeten zijn. HET SCHERM VALT VIERDE TAFEREEL (In de herberg.) (Het vuur in de schouw is bijna uitgedoofd. Maanlicht valt door de vensters binnen en schept droomstemming. Als het scherm opgaat, is het tooneel een oogenblik ledig. Dan opent zich de straatdeur, en binnen komen Kerstmannetje en Bof.) KERSTMANNETJE. (In zijn gang zit iets verdrietigs. Zuchtend zet hij zijn lantarentje op tafel neer. Gaat er dan bij zitten, droevig starend.) Ja—ja. BOF. (Sluit de deur achter zich, werpt zijn zak af. Meewarig naar zijn meester ziend:) Zal ik het vuur wat oppoken, Meester? KERSTMANNETJE. (Knikt stom zonder om te zien.) Maar stil wat, Bof, dat ze er niet wakker van worden. BOF. (Pookt in den haard.) Zooveel sneeuw is er in geen jaren gevallen, meester! Je zult moeite hebben gehad om uit het bosch weer naar de stad te komen! KERSTMANNETJE. (Starend, knikt met het hoofd.) Het loopen viel mij zwaar. En ditmaal was er ook geen klok, die mij .... den weg wees. BOF. (Trekt zijn laarzen uit en zet ze bij het vuur.) Moed, meester! Er kan morgen nog zooveel gebeuren! KERSTMANNETJE. (Zucht.) Satans plan is goed doordacht, Bof. (Mijmerend:) Wanneer het nacht is in een menschenziel, stelt hij een lokkend licht op, zooals een strooper ’s nachts in het bosch de haasjes lokt. (Pauze.) Ik wil dat meisje spreken, Bof. Roep haar eens hier .... maar zachtjes! BOF. Dan zal ik eerst eens zien in welk kamertje zij slaapt! (Hij loopt op zijn sokken naar een deur en gluurt door het sleutelgat.) Hier snurkt iemand. KERSTMANNETJE. Dat zal de waard zijn, Bof, die snurkend van zijn graaf droomt en aan zijn trots zijn kind graag offeren zou, ook als dat kind .... het kasteel daar boven in den toren koos. Zijn vrouw droomt van de jalouzie van andere moeders en van de koeken, die gebakken moeten worden. Laat haar met rust: ze zou jouw klop voor het klapperen van een pannedeksel houden en angstig droomen van een taart, die op het vuur staat aan te branden .... BOF. (Ziet door een ander sleutelgat.) Hier hangt een gravenmantel! KERSTMANNETJE. Daar slaapt de klokkeluider. De graaf hangt aan den wand. (Peinzend, droevig:) Of zou de graaf .... al in zijn hart genesteld zijn en duelleeren .... met de verminkte klok? (Bitter:) Een ongelijke strijd! De klok is hulpeloos, kan zelfs niet spreken van haar onschuld; slechts bloed vloeit uit haar mond.—Laat hem slapen, want als je aan zijn deur zou kloppen, hield hij dat nog voor het luiden van zijn klok en zou misschien al angstig naar den wand zien .... of daar zijn gravenmantel nog wel hangt! BOF. (Door een ander sleutelgat ziend:) Hier schijnt de maan naar binnen en laat haar zilver spelen op een gravinnekleed! KERSTMANNETJE. Dan slaapt daar Gaaike en droomt van haar kasteel en van de wonderwereld, die haar wacht.—Klop aan, Bof, maar heel zachtjes, alsof je aan haar hartje klopte. Want slechts haar hartje mag het hooren, dat er geklopt wordt. Zij zelf moet slapen .... zij zal nog zooveel nachten wakker liggen. BOF. (Klopt aan. Fluisterend:) Gaaike? Gaaike lief ....? GAAIKE’S STEM. (Met onwezenlijken klank:) Wie is het, die daar klopt ...? BOF. Kerstmannetje wil met je spreken, Gaaike! GAAIKE. Ik zal bij je komen, Kerstmannetje .... KERSTMANNETJE. Blaas het vuur wat aan, dat ze geen kou vat, Bof! BOF. (Neemt den balg van de schouw en blaast er mee in den haard.) GAAIKE. (Komt in haar nachtponnetje op, een brandend kaarsje in de hand, de oogen gesloten. Aan haar diepe ademhaling hoort men, dat ze slaapt.) Hier ben ik, Kerstmannetje ..... KERSTMANNETJE. Kom, Gaaike! (Hij leidt haar vol teedere zorg naar voren.) Ben je blij, dat ik er ben? GAAIKE. Ja ....! Spreek, Kerstmannetje. Je wilde met mij spreken. Spreek, spreek .... Verlos mij van dat bonzen in mijn hart ....! KERSTMANNETJE. Wie woont er in dat hart, Gaaike? GAAIKE. Hans de klokkeluider .... KERSTMANNETJE. En morgen trouw je met den vreemden graaf?? GAAIKE. Morgen ....! KERSTMANNETJE. Ben je niet bang .... om naar dat kasteel te gaan .... waarvan hij vertelde, Gaaike? GAAIKE. Hij vertelde van twee kasteelen. Het eerste .... KERSTMANNETJE. .... was van den graaf. Het tweede niet! Het tweede was .... van Hans! Heb je het niet herkend, Gaaike? GAAIKE. Ja ....! (Weifelend:) Maar dat van Hans was zwart en dit .... KERSTMANNETJE. .... was blank. Ik weet het. Hans heeft paleizen in alle kleuren, Gaaike .... zooveel jij er maar hebben wilt! GAAIKE. (Verward, angstig:) Maar hoe kwam de graaf dan aan .... een kasteel van Hans! KERSTMANNETJE. Gestolen, Gaaike. Dat heeft de graaf gestolen .... van den klokkeluider. GAAIKE. (Bevend:) Gestolen ....? KERSTMANNETJE. (De smart door zijn stem:) Eerst heeft hij Hans zijn Gaaike afgestolen! En nu zijn grafelijk kasteel niet mooi genoeg blijkt om er Gaaike heen te lokken, steelt hij, nog niet tevreden met zijn eersten roof, den klokkeluider ook nog zijn paleizen af, zijn droompaleizen. Gaaike! Zeg hem .... morgen .... dat je van Hans, den klokkeluider, houdt! Dan zul je zelf zien .... GAAIKE. (Angstig:) Dat kan ik niet! Ik mag den graaf geen verdriet doen, Kerstmannetje ....! Moeder heeft gezegd .... KERSTMANNETJE. (Bitter, smartelijk:) Trouw hem dan. Maar weet, dat het uit is met het dieven, Gaaike, wanneer jij eenmaal met jouw graaf het grafelijk kasteel bewoont! Dan zijn de droompaleizen van den klokkeluider veilig voor den graaf; dan zal de lust in droompaleizen hem wel vergaan! Dan zal hij je vertellen en altijd weer vertellen van .... de klok, die op zijn bruiloftsdag niet luiden kon, omdat haar tong .... (fluisterend:) haar was ontrukt. GAAIKE. Kerstmannetje ....? KERSTMANNETJE. Die klok, die niet meer luiden kon ....! Dat zal een wonde worden in zijn grafelijk hart, een ongeneeselijke wonde, Gaaike, die woekert, maar niet sterft. GAAIKE. Kerstmannetje .... wat moet ik doen?! KERSTMANNETJE. Hem zeggen, dat je van den klokkeluider houdt! GAAIKE. (Snikkend:) Dat kan ik niet! Hij is zoo goed, zoo lief ....! KERSTMANNETJE. Wonen er dan .... twee in jouw kleine hartje? GAAIKE. (Angstig:) Neen! Er is er maar één! Eén stem .... één paar oogen! KERSTMANNETJE. (Zucht.) Dan zal ik je zeggen wat je doen moet, Gaaike. Als jij jouw graaf dan geen verdriet wilt doen, spreek dit dan met mij af: trouw niet zoolang de klok niet kleppen kan en wijd en zijd over de landen roepen: ’t Is Kerstmis, menschen! De Kerstman is er weer, en Gaaike draagt haar bruidskleed!—Zul je het doen, mijn Gaaike? GAAIKE. Als moeder het maar goed vindt ....! KERSTMANNETJE. Denk dan aan mij, Gaaike. Ik heb een harden strijd te voeren, een strijd tegen .... den duivel. Jij kunt me helpen. GAAIKE. (Angstig:) De duivel ....? KERSTMANNETJE. Stil! Als een mensch zijn naam noemt, dient hij zich aan! Ga jij je bedje maar weer in, mijn kind, ik zal wel voor je waken. En denk om wat ik je vroeg! (Hij voert haar behoedzaam naar haar kamertje.) GAAIKE. (Peinzend:) Niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt ....? KERSTMANNETJE. Zoo is het. Zul je het doen? GAAIKE. (Knikt stom.) KERSTMANNETJE. Braaf zoo, mijn kind. En .... goeden nacht! GAAIKE. Goeden nacht, Kerstmannetje ....! (Ze gaat met haar kaarsje haar kamertje in.) KERSTMANNETJE. (Sluit de deur achter haar. Tot Bof:) Haar wil is goed, en als ze haar belofte houdt, is Satans kans verkleind. Maar zal ze het hoofd niet bukken, wanneer een storm van moederlijke argumenten haar om de ooren waait? „Als moeder het maar goed vindt ....!” Ja—ja. BOF. Ik heb in mijn leven zoo’n engeltje nog niet gezien, meester! (Hij begraaft zijn neus in een bonten zakdoek.) Mijn oogen zijn er vochtig bij geworden! (In dit oogenblik wordt de buitendeur opengerukt; de wind giert binnen, en met een grooten sprong belandt de duivel in de gelagkamer. Snuf volgt hem grinnikend en sluit de deur achter zich.) KERSTMANNETJE. (Breidt onwillekeurig zijn armen beschermend voor Gaaike’s deur uit. Hij ziet Satan onbevreesd in het gelaat.) BOF. (Kijkt op, verre van vriendelijk.) SATAN. (Bemerkt de gasten in de herberg.) Ai ....! (Hij kucht.) Pardon. SNUF. (Fluit veelbeteekenend tusschen de tanden.) SATAN. Storen we? KERSTMANNETJE. Allerminst. SATAN. Dan zal ik zoo vrij zijn ....! (Hij neemt vol zwier bij den haard plaats, alsof hij hier thuis was. Bevelend:) Snuf, breng wijn! SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij springt op de toonbank af, laat onderweg de gelegenheid niet onbenut om Bof te honen, vol helsche fantasie.) BOF. (Driftig, beleedigd:) Laat ons gaan, meester! (Hij trekt zijn laarzen aan.) SATAN. (Tot Kerstmannetje:) Dacht U zoo laat nog weer op pad te gaan? Het is daarbuiten echt .... duivelsweer; de sneeuw ligt huizen hoog. Kom liever bij mij zitten, heer! Ik heb helaas niet het genoegen Uw naam te kennen.... maar Uw gezicht komt mij niet onbekend voor. KERSTMANNETJE. (Zet zich tegenover hem.) U is mij .... vreemd. SATAN. U zult mij nog wel leeren kennen.—Snuf, waar blijft de wijn? SNUF. (Die bezig was zijn eigen keelgat te spoelen:) Ik kan niets vinden, meester! Het is hier pikke-pikkedonker! Ah! Daar heb ik een flesch! SATAN. Hier er mee, Snuf!—Dan drinken wij op onze .... interessante ontmoeting in dit late uur! KERSTMANNETJE. Is U ook trekkende zooals ik, dat U hier in den nacht een onderkomen zoeken moet? Mij dunkt, als U hier woonde, zou U den huiselijken haard verkiezen! Het eigen huis is altijd nog gezelliger en warmer .... SNUF. (Een flesch ontkurkend:) Te warm soms! SATAN. Ik heb een huis .... hier in de buurt. Een kleine oneenigheid met mijn moeder .... nu, het doet er ook niet toe. U moest mij eens bezoeken! SNUF. (Hoffelijk en vol verstand van zaken inschenkend voor de beide kampvechters:) Hoe meer zielen .... hoe meer vreugd! SATAN. En met mijn moeder zou U ook eens kennis kunnen maken. Zij weet haar gasten te onthalen! SNUF. Een charmante vrouw! (Hij stampt de flesch dicht.) KERSTMANNETJE. (Hoffelijk buigend:) Een al te groote eer! Het spijt mij meer dan ik U zeggen kan, maar ik toef hier te kort om .... SATAN. (Geïnteresseerd:) Hoe lang denkt u hier nog te blijven? SNUF. (Eveneens in spanning.) Niet lang zeker? Hoogstens tot morgenvroeg? KERSTMANNETJE. Ik dacht hier in de stad te blijven .... tot ik de klok heb hooren luiden. Het schijnt, dat ze een goeden klank heeft? SNUF. (Slaat de handen ten hemel.) Een goeden klank ....! SATAN. Dan hebt ge haar zeker nooit gehoord! KERSTMANNETJE. Met vriendelijk kleppen wenkte zij mij naar dit stadje. Maar ik was te ver af om het zoo goed te hooren als ik graag gewild had. SATAN. Betreur het niet, heer, dat ge ze van zoo ver hoordet! En ik raad u aan; ga heen, voor ge ze van zoo dicht bij gehoord hebt, dat ge er Uw leven lang genoeg aan hebt! Mij doet ze altijd denken .... SNUF. .... aan het schelle tjingelen van een kermisbel, vermengd met het ziel-vermoordend knarsen van een doorgeroeste koffiemolen! En ik kan er over oordeelen, heer, want ik ben musicus van mijn beroep! (Slaat op zijn guitaarkast.) SATAN. Hij heeft volkomen gelijk, heer, het is niet om aan te hooren! KERSTMANNETJE. Dáárom hebt ge ze misschien den klepel ontstolen ....? SNUF. Ai ....! SATAN. (Voelt het spelletje thans geëindigd. Vinnig:) De klok is van mij. KERSTMANNETJE. („Belangstellend”:) Van U ....?? SATAN. (Scherp:) Van mij. (Naar buiten wijzend:) Ziet U? Daar boven, hoog en veilig, hangt ze .... mijn klok! KERSTMANNETJE. Dan mag ik U wel dankbaar zijn, dat U mij gisteren zoo vriendelijk den weg liet wijzen naar de stad! Want werkelijk, met die sneeuw.... SATAN. (Vinnig:) Dien dank kan ik niet aanvaarden, heer. Want toen ze U hierheen .... (woedend:) den weg wees, was ze nog niet van mij. KERSTMANNETJE. Ze is nu trouwens ook nog niet van U. SATAN. Morgen zal ze van mij zijn, heer! KERSTMANNETJE. (Koeltjes:) Morgen nog veel minder, heer. SATAN. (Wantrouwend:) En waarom niet? KERSTMANNETJE. Omdat morgen, op Kerstmis, alle klokken den Kerstman toebehooren. Dat is al duizend jaren zoo geweest. Kerstdag is de verzameldag der menschen tegen Satan, en op dien dag .... SATAN. U sprak van .... Satan? KERSTMANNETJE. Ik sprak ervan, dat er geen klok mag zwijgen, wanneer het menschdom opgeroepen wordt om Satan te bestrijden. SATAN. Die Satan schijnt een gevaarlijk heer te zijn! KERSTMANNETJE, Toch niet. Ik houd hem niet voor zoo gevaarlijk. Voor mij is hij een voddenkoopman, die door de straten trekt bij nacht en ontij en zich de keel om zielen heesch schreeuwt. Hij krijgt slechts .... afval. SATAN. Toch niet altijd .... afval! KERSTMANNETJE. Een enkele maal komt hij tegen wat zich verstooten voelt en in het duister dwaalt. Dan kan slechts nog .... de Kerstman redding brengen. Want voor het lichtje van den Kerstboom moet Satan vluchten! SATAN. Vluchten? Weet ge dat zeker, heer? Tusschen de takken van den kerstboom zag ik de kleuren van Satans wapenschild nog fonkelen: goud en zilver! KERSTMANNETJE. Een grapje, dat men zich met hem veroorlooft! Want in dat goud en zilver steekt onschuldig suikergoed!—Kom, laat ons onze kroezen ledigen op de eeuwige waarheid van den Kerstnacht! SATAN. Ik zal mijn kroes ledigen op de waarheid, dat morgen de klok van mij zal zijn! KERSTMANNETJE. Die dronk zal U niet goed bekomen. SATAN. (Driftig, argwanend:) Is U hier soms aan het werk geweest, om mij uit den zadel te lichten? KERSTMANNETJE. U zult zonder mijn hulp ook in het zand vliegen. Uw sporen zijn te scherp. U drukt de flanken van Uw paard tot het bloed er langs stroomt. Dat maakt het .... wispelturig. SATAN. Men is ruiter of men is het niet. Ik geloof vrij stevig te zitten. KERSTMANNETJE. Dat gelooft elke zandruiter, zoolang hij niet over den grond buitelt. SATAN. (Met zijn kroes op tafel slaand:) Mijn is de klok! KERSTMANNETJE. Mijn. SATAN. (Ziet Kerstmannetje woedend aan. Zoekt naar woorden om zijn gemoed te luchten.) Wacht! Een strijd van man tot man!—Snuf, haal dien klokkeluider hier! (Hij springt overeind.) We zullen zien! KERSTMANNETJE. (Staat ook op, uiterlijk rustig. Wij zien zijn innerlijke onzekerheid, spanning en angst.) SNUF. (Rent langs de verschillende deuren. Als hij bij de goede is aangeland, klopt hij vinnig aan.) HANS. (Uit het zijvertrek, onwezenlijk:) Wie klopt daar aan mijn deur ....? SNUF. (Grinnikt, neemt zijn guitaar en zingt:) Heer graaf, kom uit je grafelijk bed En deel hier onze pret! Drie goede vrienden wachten hier! Kom jij er bij, dan zijn we vier! Verdrijven bij wijn den tijd; (Naar Bof ziend:) Een nar zorgt voor gezelligheid! HANS. (Uit het zijvertrek, klagend:) Ik kom niet .... SNUF. Hij komt niet! KERSTMANNETJE. (Triumfeerend, driftig:) Ik zal hem roepen! (Hij roept, zonder zijn plaats te verlaten:) Kom, Hans? Ik ben hier ....! HANS. (Uit zijn kamer:) Je stem is goed en vriendelijk en .... wie ben je? KERSTMANNETJE. Kerstmannetje is hier. HANS. (Na een pauze, zacht:) Ik kom .... SNUF. Hij komt! (Springt op zijn meester af en fluistert hem wat in het oor.) HANS. (Komt op, een kaarsje in de hand, zijn gravenkleeren los omgeworpen, zijn haren verward, met de vrije hand zijn jas gesloten houdend. Zijn ademhaling is die van een slapende.) Hier ben ik, Kerstmannetje ....! Wie lachte daar?! SNUF. En waarom zou ik niet lachen? Uwe Edelheid de graaf gelieft met een kaarsje in de hand te loopen! HANS. (Angstig:) Ik ben geen graaf .... SNUF. Ik wil toch niet hopen, dat Uwe Edelheid droomt .... een klokkeluider te zijn? Dat zou een booze droom zijn, waar U gauw van af moet zien te komen, want ze zou U een nachtmerrie kunnen worden! HANS. Ik ben geen klokkeluider meer .... De klokkeluider is verdronken in de gracht. Ik ben een doode .... in gravenkleeren. SNUF. Maar wat een móóie kleeren ....! (Betast ze.) Ai ....! Zijde! Goudborduursel! Wat zal Gaaike ze mooi vinden ....! SATAN. Een doode, zei je?? Een doode, die morgen in een fijne gravenkoets, het mooiste bruidje naast zich, dat men zich wenschen kan, naar zijn kasteel rijdt, zijn fijn kasteel vol goud en zilver en alles even kostbaar en bijzonder ....?! HANS. (Zijn hand beeft.) Ga weg! Weg! Ik ken jullie! Jullie stak me een dolk in het hart,—laat af van het gevest ....! SATAN. (Terwijl Snuf „bewonderend” om Hans heenspringt, duivelsche accoorden tokkelend op zijn guitaar.) Een dolk?? Hebben wij je kwaad gedaan?? Hebben wij je geen mooi kleed bezorgd voor Gaaike? Heelemaal te geef? Was ze er niet blij mee? Heeft het je den weg naar haar hartje niet gebaand? HANS. (Droevig:) Ja .... dat heeft het. Het heeft .... den graaf den weg gebaand. Maar ook zonder dat kleed .... zou hij haar morgen wel naar het altaar hebben gevoerd. Zijn koets, zijn titel was voldoende. (Smartelijk, bitter:) Alleen het kasteel .... was eerst niet mooi. Daar wou ze niets van weten! (Wanhopig:) Kerstmannetje, help mij! De duivel zit mij op de hielen!! Zijn snerpende lach snijdt mij door mijn ziel! „Ik heb je in mijn macht! Ik heb je in mijn macht! (Snikkend:) Ik heb je in mijn macht ....” KERSTMANNETJE. Doe afstand van alles, Hans. Doe afstand van alles wat Satan je gaf. HANS. Hoe kan ik dat? Als ik mijn kleeren teruggeef, die zijden en brokaten leugens; als ik mijn koets teruggeef, mijn kasteel .... dan ben ik Gaaike kwijt! Gaaike ....! (Fluisterend:) Beëlzebub .... je strik is goed gelegd! Ik heb mij Gaaike duur gekocht, maar duurder zal mijn klok zijn, als ik die terug wil koopen. Dan moet ik Gaaike haar graaf afnemen .... (Snikkend:) waarvan ze zooveel houdt! (Op duivelstoon, krimpend van smart:) De prijs van je klok? Een krats! Een bagatel! Voor Gaaike’s geluk .... kun je je klok terugkoopen! KERSTMANNETJE. Je zult haar voor den verloren graaf .... een teruggevonden klokkeluider schenken. HANS. (Bitter:) Een slechte ruil! Een graaf omruilen .... voor een klokkeluider.—Ze wil in een kasteel wonen, Kerstmannetje, niet in den toren. SNUF. (Springt tusschen Kerstmannetje en Hans.) En dus ....? SATAN. Dus blijft hij graaf! SNUF. Een graaf met een kaarsje in de hand! (Hij blaast het uit.) Kom, ga maar gauw weer onder de wol, want Uwe Edelheid zou kou kunnen vatten! Kom! Kom dan! (Met groote sprongen, tokkelend op zijn guitaar, gaat hij Hans voor.) HANS. (Volgt hem wankelend.) Het licht is uit .... Niets dan duisternis! (Naar adem zoekend:) Kerstmannetje! Help mij .... SNUF. (Opent de deur voor hem.) Meneer de graaf! (Als Hans binnen is gegaan, sluit hij de deur achter hem.) SATAN. (Zegevierend tot Kerstmannetje:) Nu? Wien hoort de klok? KERSTMANNETJE. (Bleek, met trillende lippen:) Mij. SATAN. Vervloekt!—Snuf, maak een contract op! Ik zet er honderd zielen voor in, dat de klok morgen van mij zal zijn! SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij haalt een vel papier uit den zak.) Den vier-en-twintigsten December van het jaar .... SATAN. Halt!—Wat is Uw inzet, heer? KERSTMANNETJE. (Ziet den duivel driftig, smartelijk aan. Heft dan zijn Kerstlantaren omhoog.) Ziet U dit licht! Dit kleine lichtje is het Licht der Wereld. Dit kleine lichtje wijst den weg langs poelen en moerassen. Als ik het weg neem .... is de menschheid verloren. Dan zullen duizenden, tien-, honderdduizenden verstikken in den modder; dan zullen door de duistere paden van het leven de menschen zich verdringen, vechten, stompen met de ellebogen en roepen: „Het licht! Waar is het licht! Wie heeft het licht gestolen! Wie heeft ons allen in ’t verderf gestort?! Waarheen?! Wij zien geen weg ....!!”—En Satan zal de poorten van zijn hel wijd open zetten. De gloed der vlammen zal naar buiten stralen in de dichte duisternis, en men zal roepen: „Daar is het licht! Komt allen, komt, daar wacht ons de verlossing!” En schouder aan schouder, in eindelooze gelederen zal het menschdom zich de poort instorten van die lichte feestzaal ....—U vraagt mijn inzet? Mijn Kerstlantaren!—Kom, volg mij, Bof. (Hij gaat met Bof heen. Beiden af door de buitendeur.) SATAN. (Ziet verbluft naar de weer gesloten deur. Prevelend:) Wel, alle duizend duivels!—Snuf, we hebben een kans ....! SNUF. Zooals we nog nooit hebben gehad! SATAN. Nu of nooit! Kom, alle duivelsche machten aan het werk! (Hij springt naar het midden van het tooneel. Met bezwerend gebaar:) Akyra Brabbosch ....! Roet-Sientje, kom! Scheel-Grietje, kom! Grauw-kevertje, kom! Geelzwam-Lotje, kom! Krom-Antje, kom! Kom! Breng alles mee, wat scheel ziet, loenst, wat hinkt en stinkt, wat kruipt en druipt en gluipt en sluipt; brengt ketels mee en bekkens, poken, bezems, balgen, alle balgen uit de hel ....! HEKSEN. (Komen, zachtjes giechelend, met gebogen ruggen, uit alle hoeken op en dribbelen op Satan af.) Hier zijn we, heer! Wat wenscht ge? SATAN. Luister! Waar je een licht ziet glanzen, ’t zij groen of geel of rood of blauw, ’t zij fel of flauw, ’t zij heet of lauw .... blaas het uit! HEKSEN. (Fluisterend onder elkaar:) Blaas het licht uit! Blaas al het licht uit! (Ze vatten elkaar bij de hand, dansen rond, steeds wilder. Snuf tokkelt op zijn guitaar, de heksen gillen:) Nacht, nacht, zwarte nacht .... Satan is op zielejacht! Blaas het licht uit! Oei ....! Satan op z’n zieltjes loert .... Lokkend ze ter helle voert! Blaas het licht uit! Oei ....! Oei! Oei! Blaas het licht uit! Oei! (Een heks blaast het licht in de herberg uit.) SATAN. Dat licht bedoel ik niet! Het licht daarbuiten, zie! dat lichtje, dat daar door de sneeuw dwaalt .... blaas dat uit! (Hij springt in de buitendeur). HEKSEN. Blaas het licht uit! Het licht in de sneeuw .... Blaas het uit! (Krijschend snellen ze heen.) SNUF. (In vervoering:) Die schatjes! Kom, laat ons volgen, meester! SATAN. En zien, of ze haar werk goed doen! (Beiden af.) HET SCHERM VALT VIJFDE TAFEREEL (In de herberg.) (Alles is nu versierd. Groene slingers met bonte bloemen hangen door de herberg. Vlaggetjes boven de vensters en deuren. De toonbank vol wijnflesschen. Muziek van viool, fluit, klarinet en bas. Veel geloop heen en weer. De morgenzon schijnt zwakjes door de ruitjes van geolied papier.) KASPER. (Op zijn fraaist uitgedost met witte handschoenen, vadermoorder, kleurige, fleurige das, schoenen met strikken, een takje hulst in het knoopsgat, staat met Stoffel en nog een paar trouwe wijnbroeders aan de toonbank. Hij heeft beschermende allures tegen iedereen, die géén graaf tot schoonzoon krijgt.) Daar gaan ze, mannen! (Heft zijn kroes op.) De bruid en haar moeder en haar vader en haar vrijer, alle vier in een slok naar binnen! Zoo! (Ze drinken.) Wat zeg jij, Stoffel, ongelukkige kerel, stakkerd met je zeven ongetrouwde dochters! STOFFEL. (Zucht.) Lach me maar uit, Kasper. KASPER. Zeur niet, Stoffel. Als we straks uit de kerk komen, mannen, begint het feest! Mijn wijf heeft een taart gebakken, mijn hemel, zoo’n taart hebben jullie in je leven nog niet gezien! Vlaggetjes er in, brandewijn er over, en als hij wordt binnengedragen, zullen de vlammen er omheen dansen! Snoek, mijn vriend Snoek .... wacht, dan moet ik jullie eerst vertellen wat voor fratsen mijn dochter Gaaike er tegenwoordig op na houdt. Dat komt ervan, nu ze gravin wordt .... nu komen de fratsen ook! Vanmorgen zegt ze tegen mijn wijf: „Moeder, ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!” En nou kun je zeggen wat je wilt, maar daar blijft ze bij: „Ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt.” STOFFEL. Nou, die luidt straks toch? De klepel hangt er toch weer in? KASPER. Natuurlijk luidt de klok! De klepel is er gisteren al weer zoo vast ingeklonken, dat ze er de eerste honderd jaar niet weer uit zal vallen! „Snoek”, zeg ik daarom, „luid jij vanmorgen de klok voor het huwelijk van mijn dochter, want anders wil ze de bruid niet zijn!”—„Dat is goed, Kasper”, zegt ie. „Ik kan luiden als ....” (In den schoorsteen klinkt een duivelslachje.) KASPER. (Stokt.) Wie lachte daar? STOFFEL. Ik niet, Kasper! Heeft er iemand gelachen? DE ANDEREN. Niemand. Heb jij gelachen? Neen. Niemand heeft gelachen! KASPER. Ik dacht het. „Nu, Kasper”, zegt Snoek, „dat is best, dan zal ik de klok luiden, want ik kan luiden als ....”—Verduiveld, maak me niets wijs: een van jullie staat me uit te lachen! STOFFEL. Waarachtig niet, Kasper! DE ANDEREN. Ik hoor niets, Kasper! Ik lach niet! Ik bezweer je ....! KASPER. Nu, zweer maar niet; vandaag kan ik tegen een stootje, en wie het laatst lacht, lacht het best. Jullie moeten zoometeen mijn Anne-Marie eens zien, mannen! Ik durf geen wijf meer tegen haar te zeggen, zoo’n madam is ze me geworden! Die rok alleen .... je zult eens zien, wat er allemaal op die rok zit! Kom, we zullen aan mijn wijf-madam maar eens een kroesje wagen. En breng die muzikanten daarbuiten ook een fleschje, Stoffel, dan blazen ze misschien wat minder valsch. En zeg er bij, dat ze wat vroolijker moeten spelen. Valsch is het ergste niet, moet je maar zeggen, als het maar een vroolijk moppie is! Hup, Marianneke! Of: Jan, kom kietel me! Of: ’t Is me toch zoo’n rarekiek! STOFFEL. (Gaat met een fleschje heen.) KASPER. Alle duivels, mannen, we zullen vandaag eens zingen, dat de opera er jaloersch op wordt! (Inschenkend en met den voet stampend:) Hop, soep en gortebrij, en ik zal jou ’ns pakken! Hier! Neem aan je kroes, mannen! Leve de zeven dochters van Stoffel! (Zich overtuigend, dat Stoffel weg is:) Hij zal ze wel nooit kwijt raken, al wordt hij zoo oud als Methusalem, want de mooiste ervan is nog zoo leelijk als Isabella van Spanje, en de zachtzinnigste van alle zeven is nog zoo kijfziek als de vrouw van Socrates. Nou, daar gaan ze, alle zeven! Bijt er maar op, want ze zijn taai! (Stoffel komt terug.) We drinken juist op jouw dochters, Stoffel! Daar mag jij niet bij ontbreken! Hier staat je kroes. Pak aan. ALLEN. Prosit! Daar gaan ze, Stoffel! STOFFEL. Gingen ze maar. (Hij drinkt.) KASPER. Het verwondert me, dat mijn vriend en kameraad Snoek nog niet aan het luiden is geslagen! (Ziet op zijn horloge). Het is al over den tijd! Kom, mannen, laten we er maar eens op drinken, dat .... (Hij ziet Anne-Marie binnen komen, slaat de handen ineen.) Alsjeblieft, mannen! Mijn vrouw. ANNE-MARIE. (Komt blozend op, opgedirkt als nog geen herbergierster in haar leven opgedirkt is geweest. De bewondering is dan ook algemeen. Kasper maakt geheimzinnige gebaren tot de anderen, om aan te duiden hoe mooi en kostbaar alles is, en dat dat nu zijn vrouw is, die zooveel schoons zoo gratievol te dragen weet.) ANNE-MARIE. Kasper, doe niet zoo gek! Zit alles goed, Aafke? AAFKE. (Is haar gevolgd, zichtbaar genietend van de bewondering, die Anne-Marie ten deel valt.) Wacht! (Ze prutst er nog wat aan.) KASPER. Heeft iemand in zijn leven zoo’n vrouw gezien? ’t Heeft me wat gekost! Brrrr! STOFFEL. Als mijn vrouw dat ziet, zal ze ’t niet minder willen doen! Al moest ik er ook een jaar voor krom liggen ....! KASPER. Hè, wijf, weet je nog wel, dat wij samen naar de kerk gingen? ’t Is nou een dikke dertig jaar geleden! Je bruigom was geen graaf, maar hij mocht er toch wezen, en je was wat trotsch op hem! ANNE-MARIE. Schei toch uit, malle kerel! KASPER. En weet je nog, Stoffel, hoe we gedanst hebben? Hè? (Maakt dansbewegingen.) Tjing-tjang-tjoedeli, tjing-tjang-tjoedeli .... ’t Is me toch zoo’n rarekiek! Tjing-Tjang-Tjoedeli .... Hè, ouwe jongen? STOFFEL. (Zucht.) Dat zal ik niet meer weten, Kasper! ’k Was juist in de bovenste wolken, omdat mijn vrouw haar eerste dochter had gekregen! Als ik toen geweten had, dat er nog zes bij zouden komen ....? KASPER. Moed, buurman, neem een slokske! Hier!—Maar die klok? Waar blijft die klok! Snap jullie er wat van, dat mijn vriend Snoek nog altijd niet aan het luiden is geslagen? ANNE-MARIE. Is het al tijd? KASPER. Een kwartier er over. Waar blijven de kinderen? ANNE-MARIE. Die komen er aan. Gaaike was daareven al gekleed. Maar hoe kan dat nu, dat Snoek nog altijd niet ....? Heb je het wel goed met hem afgesproken? KASPER. We hebben de beste afspraak gemaakt, die er ooit gemaakt is. En daarstraks is hij hier nog langs geloopen om even een hartversterking te halen voor hij ging luiden. ANNE-MARIE. En toen heb je hem zeker zooveel wijn voorgezet, dat hij het klokketouw niet vinden kan! KASPER. Dan zou ik tien vaten voor hem hebben moeten leeggetapt, want bij het negende is mijn vriend Snoek nog lang niet dronken. ANNE-MARIE. Nu, ligt de looper al buiten? KASPER. Ik heb hem zelf gelegd. En de heele markt over tot aan de kerk is de weg met dennetakjes bestrooid. ANNE-MARIE. En staat er veel volk? KASPER. Als Kaspers dochter de bruid is, loopt de heele stad uit! (Hij gaat naar het venster.) Je kunt over de hoofden loopen. Maar waar die klok nu toch blijft?! Mijn vriend Snoek .... ANNE-MARIE. Jouw vriend Snoek zal in een sloot getuimeld zijn. KASPER. Zwemmen kan Snoek! Wat dat betreft, doet hij zijn naam eer aan! Maar desnoods gaan we zonder die klok naar de kerk! ANNE-MARIE. En als Gaaike ....? KASPER. En als Gaaike? Wat: en als Gaaike? Ja, je moet nog maar luisteren ook naar die kuren en fratsen! ANNE-MARIE. Stil, daar komen de kinderen! HANS EN GAAIKE. (Komen op arm in arm. Bruidsmeisjes volgen met Gaaike’s sluier en bruidskrans.) (Algemeene kreten van bewondering, niet het minst voor Gaaike’s gravinnekleed.) KASPER. Alsjeblieft, mannen! Mijn dochter en mijn schoonzoon. Ze mogen er wezen, wat? (Hij kust Gaaike voorzichtig,—bezorgd, haar kleed niet te kreuken.) Goeden morgen, mijn popje! Je ziet wat bleek; heb je niet goed geslapen? Een beetje opgewonden, hè? Anne-Marie, jij kon drie weken van te voren al niet slapen, toen het ònze groote dag zou zijn. Uit angst, dat ik je zou opeten! ANNE-MARIE. Dat m’n japon niet klaar zou komen. KASPER. Dat zeg je nou.—En jij, m’n beste graaf, heb jij goed geslapen? HANS. En u, schoonvader? KASPER. Ik? Best! Ik heb best geslapen. Ik slaap altijd best. Mag ik je eens voorstellen, graaf: (Wijst op zijn vrienden.) Stoffel, mijn hartsvriend, die je al zijn zeven dochters wel wil geven, als je er trek in hebt. (Fluisterend:) Maar er zit niet veel achter het linnen, hoor! En hier, Hannekijn Goetsot, die ook nog een paar dochters te koop heeft .... he-he-he! En hier, Domien Lambregts, bijgenaamd: de papzak, en hier: Lammert Bot, een zeevisch, in tegenstelling met mijn vriend Snoek, die meer van zoet water en nog meer van een zoet wijntje houdt, en die vanmorgen de klok zal luiden ter eere van jullie bruiloft, kinderen! HANS. Hoe kan .... de klok luiden? De klepel is er toch ....? KASPER. Die is er al lang weer ingeklonken! En mijn vriend Snoek is een klokkeluider, hoor! Als die maar aan het touw trekt .... Alle duivels, schei toch uit met dat lachen! HANS. Ik .... ik hoor niets! (Hij heeft het duivelslachje heel goed gehoord.) STOFFEL. Ik ook niet! Hoe kom je er toch bij, Kasper, dat wij je zouden uitlachen? KASPER. Hou je maar niet van den domme: ik hoor drommels goed, dat er iemand lacht. Ik wil zeggen: Als mijn vriend Snoek maar aan het touw trekt .... (Driftig:) Boem! Dan luidt de klok al! GAAIKE. Maar waarom .... luidt ze dan nog niet? ANNE-MARIE. Omdat Kasper zijn vriend Snoek eerst dronken heeft gemaakt. KASPER. En als ik je nou toch zeg, wijf, dat hij niet meer dan twee .... of drie kroezen wijn gedronken heeft! ANNE-MARIE. Of vier .... of vijf .... of zes misschien? Of meer? GAAIKE. Ik .... ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt! KASPER. Wat?! Is het dan toch waar wat je moeder mij verteld heeft? Jij wilt niet naar de kerk wanneer de klok niet luidt?! ANNE-MARIE. Nu stil maar, Kasper. KASPER. Die fratsen kan ik niet uitstaan, wijf! GAAIKE. Ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt ....! KASPER. (Driftig:) En waarom niet? GAAIKE. Dat heeft .... Kerstmannetje gezegd. KASPER. (Ziet verbluft zijn vrouw aan.) Dat heeft Kerstmannetje gezegd. Hoor je dat, wijf? ANNE-MARIE. Ze zal gedroomd hebben, Kasper. GAAIKE. (Angstig, droef:) Neen! Ik heb het niet gedroomd ....! KASPER. Hoor jij niet wat jouw moeder zegt? Je hebt gedroomd, zegt jouw moeder! Sinds wanneer geloof jij nog aan Kerstmannetje? ANNE-MARIE. Stil, Kasper, ze is immers nog een kind. KASPER. Een kind, dat straks een vrouw zal zijn! Zulke verhaaltjes van Kerstmannetje en zoo hoeft ze haar vader niet meer op den mouw te spelden! GAAIKE. Ik heb Kerstmannetje wel vaker gezien .... als ik verdriet had. KASPER, Verdriet ....? Heb jij verdriet? ANNE-MARIE. Stil, Kasper, om dien klokkeluider, bedoelt ze. Vertel je moeder maar eens, kind, hoe zag hij er dan uit .... Kerstmannetje? GAAIKE. Ik heb alleen maar zijn oogen gezien. Die waren zoo goed en vriendelijk. En zijn stem klonk zoo zacht .... Hans, de klokkeluider, heeft Kerstmannetje ook wel eens gezien! KASPER. Ja, die klokkeluider zal je heelemaal wel veel moois verteld hebben! GAAIKE. Ja .... KASPER. Wat: Ja! GAAIKE. (Droomend:) Hij heeft me veel moois verteld .... KASPER. (Wanhopig gebaar.) STOFFEL. Kom, Kasper, laten we maar eens gaan kijken waarom die klok nog niet luidt. Dan weet je het. KASPER. Vooruit! Die Snoek moet me nog weer eens vertellen, dat hij een klok kan luiden! (Met zijn vrienden af door de buitendeur.) ANNE-MARIE. (Verzint een leugentje om Hans en Gaaike even alleen te laten. Tot de bruidsmeisjes:) Kom mee, meisjes, dan mogen jullie de taart voor straks eens zien! (Fluisterend tot Hans:) Praat haar dat maar even uit het hoofd, graaf. Ze weet zelf niet wat ze wil!—Kom Aafke! (Af met gevolg door een der zijdeuren.) (Het gesprek, dat nu tusschen Hans en Gaaike volgt, wordt in gejaagd tempo, fluisterend gevoerd.) HANS. Gaaike .... wanneer hebt jij Kerstmannetje gezien?! GAAIKE. Vannacht! HANS. Ik ook! GAAIKE. En heb je daarna den storm ook gehoord? HANS. Hij loeide in den schoorsteen! Ik hoorde krassende raven en gekrijsch van katten! Dakpannen suisden kletterend neer; heksen raasden door de lucht op bezemstelen! Heksen met grijze lange haren en kromme, zwarte nagels en rafelige rokken en ze gierden allen dooreen .... GAAIKE. „Blaas het licht uit!” HANS. (Hijgend, bleek:) Dan heb ik goed verstaan. GAAIKE. Maar het is niet gelukt! Ik heb er mijn hand voor gehouden! Uilen, met groene en roode oogen, kwamen aanruischen; vleermuizen fladderden in dichte zwermen om mijn hoofd en trachtten met haar wieken het licht te dooven. Maar ik beschermde het, tot ze vluchtten voor de morgenschemering. Toen hoorde ik Kerstmannetje spreken .... dicht bij mij. „Gaaike”, zei hij, „dat komt, omdat de klok vandaag niet heeft geluid! Als ze op Kerstmis nog niet luidt, zullen de vleermuizen in den nacht terugkomen, in nog dichter scharen, en het licht zal uitgaan .... voor altijd!” HANS. Maar als de klok .... nu niet luiden wil? GAAIKE. Doet u het! Luidt u de klok! Toe ....! HANS. (Stamelend:) Ik .... Hoe zou ik dat kunnen, Gaaike .... wanneer een ander het ook niet kan?! GAAIKE. Ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt! KASPER. (Komt weer met zijn vrienden op. Driftig:) Als ik dáárvan wat snap! (Roept:) Anne-Marie! (Tot zijn vrienden:) Wat kan er aan die klok mankeeren?! ANNE-MARIE. (Komt op met Aafke en de bruidsmeisjes.) Wat is er met de klok? KASPER. Niets anders dan dat ze niet luiden wil! ANNE-MARIE. Hoe kan dat? KASPER. Dat moet je maar eens aan Gaaike vragen! Die schijnt het van morgen al geweten te hebben! Snoek heeft staan trekken tot hij er lam van werd, maar de klok zegt geen boe en geen ba! STOFFEL. Hij is nu den toren ingegaan, om te zien waar het hapert. KASPER. Daarop wachten we niet. Langs den heelen weg staan de menschen al een half uur te blauwbekken. Zoometeen gaan ze nog allemaal naar huis! Zijn jullie klaar? Dan gaan we. Met die klok zoeken we het later wel uit. GAAIKE. (Angstig:) Ik wil niet naar de kerk .... zoolang de klok niet luidt! KASPER. Stil, zottinnetje! GAAIKE. Ik wil niet! ANNE-MARIE. Kom, m’n kind, wees nu verstandig. Je begrijpt toch wel, dat je gedroomd hebt! GAAIKE. Gedroomd? Het komt toch alles uit ....! ANNE-MARIE. Ach, die klok is gisteren natuurlijk slecht gemaakt! KASPER. Is het nu nòg niet uit? Wat zegt u wel van haar, graaf? HANS. (Wendt zich tot Gaaike. Met gebukt hoofd:) Gaaike .... als de klok nu eens .... in het geheel niet meer luiden kon? GAAIKE. (Bijna schreiend:) Ik wil niet ....! (Groot rumoer op straat daarbuiten. De muzikanten houden op te spelen.) SNOEK. (Komt binnenstormen, doodsbleek, met verfomfaaide kleeren, schrammen en builen op het gelaat. Naar adem happend:) Kasper! KASPER. (Onrustig, driftig:) Wat is er? SNOEK. Kasper ....! In den toren ....!!! KASPER. Wat: in den toren?! SNOEK. De Duivel!! (Gegil onder de vrouwen. Gaaike vliegt naar haar moeder. Hans deinst achteruit zonder te kunnen spreken, buigt het hoofd.) KASPER. (Tast naar zijn slapen.) De .... de duivel? Snoek, je bent dronken! SNOEK. Was het maar waar! Ze hebben hem allemaal gehoord! STEMMEN. (Op straat) De duivel! De duivel is in den toren! De duivel!! GAAIKE. (Angstig, vast besloten:) Ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt! SNOEK. Ik hoef je niet te zeggen .... hoe ik schrok! Daar stond .... de duivel met een van zijn dienaren! „Scheer je weg!” schreeuwt die d-dienaar van den d-duivel. En Satan schreeuwt er achter aan: „De klok is .... is van mij! Ik heb haar gekocht!!” Water, Anne-Marie! ANNE-MARIE. (Brengt hem haastig een kroes wijn.) HANS. (Stamelend:) Gekocht ....! Nog niet ....! GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan.) KASPER. (Wendt zich tot hem om.) Weet u er dan iets van, graaf? HANS. (Verward:) Hoe zou ik .... er iets van weten? KASPER. Maar .... gekocht?! Hoe kwam hij te spreken van .... gekocht?! Dan moet iemand ze hem .... verkocht hebben! HANS. (Geeft den strijd op. Zacht, met gebukt hoofd:) Hans, de klokkeluider. GAAIKE. (Doodsbleek:) Neen ....! KASPER. (Begrijpt het nog niet.) Wat: Neen? GAAIKE. Hans heeft zijn klok niet verkocht! HANS. (Zacht, smartelijk:) Voorgoed verkocht .... neen, dat nog niet. De duivel loog, toen hij de klok .... de zijne noemde. GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan. Stamelend:) Hoe weet u dat? KASPER. (Nu gaat hem een licht op.) Wie haalde de duivel hier, als die klokkeluider het niet deed? SNOEK. Daarom is hij natuurlijk ook gevlucht! Die vermaledeide klokkeluider! HANS. Misschien wilde hij zijn klok wel verkoopen .... uit wanhoop. Hij hield veel van zijn klok .... is het niet, Gaaike? Als hij niet van zijn klok hield, zou hij .... geen klokkeluider zijn geworden. Nietwaar? GAAIKE. (Stamelend, Hans strak aanziend.) Nú weet ik ....! KASPER. Wat is er? HANS. (Mat, geslagen:) Niets. Kom mee. Ik zal bewijzen .... dat de klokkeluider schuldig is. GAAIKE. (Hijgend, Hans steeds aanziend:) Stil! Ik wil .... ik wil wat zeggen! (In spanning ziet zij Hans aan, om te weten hoe hij zal reageeren op wat zij zeggen gaat.) Ik .... hou van Hans! Niet van den vreemden graaf, maar van den klokkeluider. HANS. (Richt verward het hoofd op.) Gaaike ....! ANNE-MARIE. (Snelt verschrikt toe.) Kind ....! GAAIKE. (Spreekt nu haar vreugde uit.) Ik hou van Hans! Van Hans! HANS. (Ziet haar met groote oogen aan. Dan wil hij wat zeggen, maar vindt de woorden niet. Met een vreugdesnik snelt hij door de buitendeur af.) KASPER. (Verbleekt.) W-wat is dat? Gaaike .... wat heb je gedaan?! GAAIKE. (Vreugdetranen door haar stem:) Ik heb .... den klokkenluider teruggevonden. KASPER. Wat is dat voor wartaal?! GAAIKE. (Juichend:) Hans en de vreemde graaf .... zijn dezelfde! KASPER. W-wat zeg je .... (Zich omwendend:) Waar gaat hij heen? SNOEK. Hij rent op de kerk af! Zou hij de klok gaan luiden? KASPER. Als hij de klok kan luiden .... heeft hij ook wat met den duivel uit te staan! STOFFEL. M-misschien wel?! Het is alles .... gelijk gekomen! De verdwenen klokkeluider .... de gevallen klepel .... de komst van den vreemden graaf! SNOEK. Waarom zou die vreemde graaf .... Hans de klokkeluider niet kunnen zijn? KASPER. (Driftig, smartelijk:) Hoe komt hij aan die kleeren .... die koets?! SNOEK. De prijs, dien hij van den duivel .... voor zijn klok ontving! GAAIKE. (Met groote oogen starend, fluisterend:) Neen .... ik .... ik was de prijs! KASPER. (Stamelend:) Dus .... duivelskleeren. Een duivelskoets. (Naar zijn hoofd tastend:) Is de wereld dan vol tooverij? Of .... droom ik? Of is alles ....? (Hij ziet rond.) Jullie hebt mij .... een poets gebakken! Ja! Kijk me aan ....! Jullie hebt ....! En ik ben er in gevlogen. Ik, zot! Ik, idioot! (Bitter:) Hoe zou een herbergier ook aan een grafelijken schoonzoon komen! Hoe kan een klepel uit een klok vallen? Wat heeft de duivel aan een klok?! En Kerstmannetje .... ha—ha! Een vastenavondsgrap! Jullie allen .... hebt je rollen goed gespeeld! M’n compliment! (Met een traan door zijn stem:) Gaaike, mijn compliment! Vrouw, madam, mijn compliment! ANNE-MARIE. Kasper ....! STOFFEL. Ik bezweer je, Kasper ....! SNOEK. Kasper, je raaskalt! KASPER. Stil, jij bent dronken! Wat weet jij ....? (Buiten klinken stemmen dooreen:) De duivel is weg! De duivel is gevlucht! Hans de klokkeluider! Hans ....! KASPER. Ze roepen: Hans, de klokkeluider ....! (Hij snelt met de anderen naar de deur. Slechts Gaaike blijft staan en luistert.) GAAIKE. (Prevelend:) Hans ....! Ze roepen: Hans ....! Hans en de graaf.... zijn dezelfde ....! KASPER. (Naar buiten roepend:) Wat is er?! STEMMEN. (Van buiten:) De vreemde .... dat is Hans! Hij is in den toren gegaan, en de duivel is er uit gesprongen! STOFFEL. Hoor! De klok gaat .... gaat lui ....! (De klok begint te kleppen, helder en krachtig. Stemmen klinken dooreen:) Hoor! De klok luidt weer! Hoera, de klok luidt weer! We zijn van den duivel bevrijd! Leve Hans de klokkeluider! ALLEN. (Staan daar aan de deur en luisteren in betoovering.) GAAIKE. (Vreugdevol stamelend:) Hans ....! KERSTMANNETJE. (Duikt achter de toonbank op; zijn gelaat straalt van vreugde. Hij knikt Gaaike vriendelijk toe, vol heimelijke pret.) Bravo! Bravo, Gaaike! GAAIKE. (Ziet hem. Blij verrast, stamelend:) Kerstmannetje ....! KERSTMANNETJE. (Geheimzinnig met den vinger naar boven duidend:) Hoor je? Hoor je de klok, Gaaike? Dat is een goede vriend van jou, die daar de klok luidt! (Fluisterend tot Bof, die nu ook achter de toonbank opduikt:) Haal hem maar eens hier, dien grappenmaker, Bof, want ik zal hem zoo meteen noodig hebben. En neem jij dan het luiden van hem over! BOF. Ik zal hem halen, meester! En ik zal luiden .... luiden! (Hij loopt achter de anderen om naar buiten.) KASPER. (Wendt zich om en ontwaart Kerstmannetje. Hij zet groote oogen op, tast naar zijn hoofd. Stamelend:) Is .... is het nog niet uit? B-ben jij soms .... Kerstmannetje? KERSTMANNETJE. (Vriendelijk knikkend:) Die ben ik, Kasper! (De anderen wenden zich nu ook om, zien verwonderd naar Kerstmannetje, die hun allen vriendelijk toeknikt, de handen op zijn buikje.) SNOEK. Wel sapperloot ....! Daar heb je ....! ANNE-MARIE. Kerstmannetje ....! Dag, Kerstmannetje! KASPER. Welkom in mijn huis, Kerstmannetje! Gaaike vertelde al .... KERSTMANNETJE. .... al iets wat jij niet gelooven wilde, Kasper! Vertel mij eens, waarom je wel aan Satan en niet aan Kerstmannetje geloofde? KASPER. Ik .... ik geloof wel aan je! KERSTMANNETJE. Ja, nu ik voor je sta! Jullie menschen vieren Kerstmis ... en gelooven niet aan Kerstmannetje! Schaam je wat! Ik ben gekomen, Kasper, om het huwelijk van je dochter te zegenen. KASPER. (Bitter:) Dan ben je te laat! KERSTMANNETJE. In tegendeel, Kasper, ik ben juist op tijd. KASPER. De graaf is weg, Kerstmannetje. KERSTMANNETJE. (Verwonderd:) De graaf ....? Is hier een graaf geweest?? KASPER. Nou ja .... een graaf! Een klokkeluider, die .... KERSTMANNETJE. .... die wat hem op de wereld het dierbaarst was, verkoopen wilde voor de liefde van jouw kind, Kasper! KASPER. Een gewetenlooze klokkeluider, die den duivel in ons stadje haalde! KERSTMANNETJE. Dien joeg hij ook weer op de vlucht! (Naar Gaaike ziend, die met groote oogen vol vertrouwen naar hem opkijkt:) De prijs, die hem voor oogen stond .... was aanlokkelijk, Kasper! KASPER. (Half overwonnen:) Ze mag er wezen, mijn Gaaike, dat is waar! KERSTMANNETJE. Zou jij .... dertig jaar geleden .... geen rare sprongen hebben gemaakt, Kasper, wanneer het er om ging jouw Anne-Marie naar het altaar te voeren? KASPER. (Zucht.) Al had ik er de heele stad voor aan de duivel moeten verkoopen. ANNE-MARIE. Schei uit, Kasper ....! KASPER. Daar wil ik den jongen niet hard om vallen. Maar ik zie niet in, waarom ik een klokkeluider, die geen veer aan z’n lijf heeft, in mijn familie zou moeten halen! KERSTMANNETJE. Oho! Zit zoo de vork in de steel? Dan ben jij er dus de schuldige aan, dat Hans den duivel hier haalde! KASPER. (Verbluft:) Ik ....?! KERSTMANNETJE. Ja zeker! Jij! Jij wou een graaf tot schoonzoon hebben! En dus was jij het, die dien klokkeluider dwong zijn klok te verkoopen, wanneer hij van jou je dochter wilde loskrijgen! KASPER. Wel, alle duivels! STOFFEL. Stil, Kasper, roep den duivel niet terug! Wees blij, dat hij weg is! ANNE-MARIE. (Zuchtend:) De graaf is nou weg .... Dien moet je maar uit je hoofd zetten. Weet jij een anderen man voor je dochter? Je kunt haar toch niet met haar bruidssluier en haar uitzet laten zitten tot spot van alle menschen? STOFFEL. En denk je, dat het zoo pleizierig is, ongetrouwde dochters over den vloer te hebben? Ik praat waarachtig niet voor mezelf als ik je aanraad, dien klokkeluider maar te nemen, want (hij zucht) hij was altijd nog zoo’n stille hoop voor mijn vrouw .... ANNE-MARIE. En de muziek is er nu al, Kasper, de taarten en koeken zijn gebakken .... KASPER. (Kan er niet meer tegen op. Zuchtend:) Nou, als het dan niet anders gaat .... vooruit dan maar! ALLEN. Bravo Kasper! Een ferm besluit! KERSTMANNETJE. Dan samen op naar de kerk, den klokkeluider tegemoet! Ik heb mijn dienaar al gestuurd om hem te zeggen .... Wacht! daar is de gelukkige bruidegom al! HANS. (Komt in zijn klokkeluiderspakje, met gebukt hoofd op.) GAAIKE. Hans ....! (Ze snelt op hem toe en valt hem snikkend in de armen.) HANS. Gaaike ....! Vergeef mij .... GAAIKE. Ik was de schuld van alles, Hans! KERSTMANNETJE. Stil, kinderen, doe je zelf maar geen verwijten. De duivel heeft met jullie zijn spelletje gespeeld, en iedereen heeft wel een kant, waar Satan houvast vindt. Hij komt in zijn beminnelijkst gewaad, maar druk je hem de hand, dan voel je, dat hij duivelsklauwen heeft. Roep dan om mij, den Kerstman! Zoo ver kan ik niet weg zijn, dat ik den schreeuw van een vertwijfelde niet hoor. (Zijn gezicht begravend in grooten, bonten zakdoek, waarin hij energiek snuift:) Jullie voelt wel: als ik den duivel dwars kan zitten, zal ik het niet laten! Ik kan jullie verzekeren, goede lieden, dat ik in mijn heele loopbaan van Kerstmannetje zoo’n mooien dag nog niet beleefd heb! HANS. Ik dank je, Kerstmannetje, voor Gaaike en mijn klok. GAAIKE. (Knikt Kerstmannetje door haar tranen toe.) KERSTMANNETJE. (Weert ontroerd af.) Een bagatel .... Kom! Muziek! En dan in optocht naar de kerk! Doe de bruid den sluier om, meisjes! DE BRUIDSMEISJES. (Doen Gaaike den sluier om en zetten haar den bruidskrans op het blonde haar.) (Dan biedt Hans haar hoffelijk zijn arm. Nu vormt zich een stoet. De muzikanten voorop, daarna het bruidspaar met de bruidsmeisjes, die Gaaike’s sleep dragen, daarna Kerstmannetje, die Anne-Marie zijn arm heeft geoffreerd, daarna Stoffel met Aafke, daarna Snoek, die Kasper (die ietwat verbluft is, dat zijn vrouw hem voor den neus is weggekaapt!) niet zonder ironie den arm geeft. Daarna andere paren. Buiten breekt stormachtig gejuich los.) (Als de laatste bruiloftsgast door de buitendeur verdwenen is, springt Satan uit de schouw het tooneel op, gevolgd door Snuf.) SATAN. (Balt in woede de vuist tegen den bruiloftsstoet daarbuiten.) Verloren, Snuf! Alles verloren! SNUF. En honderd zielen erbij, meester! Wat zal je moêr op haar poot spelen! SATAN. Ai ....! De weddenschap! Kom, er zit niets anders op: we gaan het samen thuis vertellen! SNUF. Meester, ik weet niet wat ik liever deed! Liever trek ik naar Siberië en dien mij een ijsbeer als ontbijt op, dan dat ik met je mee ga! SATAN. Snuf, je zwetst! Kom mee, hier hebben we niets meer te zoeken. Laten we ons maar gauw uit de voeten maken voor iemand ons ziet en ons uitlacht! (Hij wipt den schoorsteen in.) SNUF. Ai! Ai! Ai! De duivel hale alle klokkeluiders! Dat zal me een warm uurtje worden in de hel! Brrrr! (Hij verdwijnt achter zijn meester aan, den schoorsteen in.) Onder de muziek van den bruidsstoet daarbuiten, VALT HET SCHERM Van dit boek werden vijf en twintig exemplaren, genummerd I–XXV, gedrukt op geschept oud-Hollandsch papier van Van Gelder Zonen op de persen van de Flakkeesche Boek- en Handelsdrukkerij te Middelharnis in het jaar negentien honderd vijf en twintig *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANS DE KLOKKELUIDER *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg™ License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg™ License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg™. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg™ License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg™ website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg™ and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg™, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.