The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0040: De valsche spoorwegdief This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Lord Lister No. 0040: De valsche spoorwegdief Author: Kurt Matull Theo von Blankensee Release date: January 13, 2026 [eBook #77693] Language: Dutch Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910 Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0040: DE VALSCHE SPOORWEGDIEF *** LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE. NO. 40 DE VALSCHE SPOORWEGDIEF. DE VALSCHE SPOORWEGDIEF EERSTE HOOFDSTUK. EEN LEDIGE BRANDKAST. John Raffles, de groote onbekende, de schrik van Scotland Yard, de vriend der Londensche armen, wien hij reeds ontelbare millioenen van de rijken had terugbezorgd, zooals hij dat noemde, zat aan zijn vleugel te phantaseeren. Dichtbij hem leunde Charly Brand in een gemakkelijk schommelstoeltje, met de beenen over elkaar geslagen. Vol verrukking luisterde hij naar het wonderschoone spel en verbaasde zich over de zenuwen, welke zijn vriend moest hebben, om zoo rustig te kunnen musiceeren, hoewel hij van plan was over een half uur het huis te verlaten. Hij wilde namelijk een bankier, Felix Meijer-Wolf, wiens zaak zich in de Oxfordstreet bevond, van den inhoud van diens brandkast berooven. Beide heeren waren in smoking, laag uitgesneden wit vest en hadden een tuberoos in het knoopsgat. Lord Lister had zijn gouden horloge voor zich op den vleugel gelegd en keek gedurende het spel af en toe naar de vorderingen, welke de wijzers maakten. Toen het half twaalf was, eindigde hij met een heerlijk accoord, klapte den vleugel dicht, stak het horloge bij zich en sprak: „Het is tijd, Charly, laat ons gaan.” Charly Brand stond op. „Heb je het zakje met de werktuigen, die wij moeten meenemen in orde?” John Raffles lachte zachtjes: „Mijn werktuigen zijn altijd in orde.” Hij haalde een gouden sigaretten-etui, dat met diamanten was versierd, te voorschijn, opende het, nam een sigaret, waar zonder hij, naar hij steeds beweerde, niet kon leven, stak ze aan met het gelaat van een kenner, en belde den kamerdienaar. Mijnheer Joe, de oude vertrouwde, kwam binnen met pelsjas en hoogen hoed en hielp zijn meester bij het kleeden. Met een buiging reikte hij Raffles diens kostbaren wandelstok aan, die versierd was met een massief gouden knop. Maar ook deze schijnbare weelde was niet doelloos: wanneer men op een veer drukte, verdeelde de knop zich in twee helften en daarin lagen verschillende voorwerpen, welke van groote waarde waren voor Lord Lister. In de eerste plaats: twee sigaretten, die sterk in opium waren gedrenkt. In de tweede plaats: Een kleine stalen vijl. In de derde plaats: Een horlogeveer-zaag. In de vierde plaats: Een klein fleschje, gevuld met olie. In de vijfde plaats: Een dunne stalen stang. In de zesde plaats: Een kleine, maar bijzonder sterke nijptang. Deze voorwerpen waren gewikkeld in zijdepapier en zoo handig gegroepeerd, dat zij de holte in den knop precies vulden. „Heeft de Lord nog iets te bevelen?” vroeg Joe. Raffles dacht eenige minuten na, klemde zijn monocle in zijn oog en antwoordde: „Ik zal om drie uur weer thuis zijn. Zorg, dat de thee klaar is. Het is koud buiten.” „Ik zal ervoor zorgen, uw Lordschap.” De kamerdienaar maakte een buiging en verliet het vertrek. Eenige minuten later volgden Raffles en Charly Brand. Geen enkele der politie-agenten, welke in de Oxfordstreet patrouilleerden, lette op de beide elegant gekleede heeren, toen deze hun rijtuig verlieten, den koetsier betaalden en zich naar de deur van het bankierskantoor begaven, waarboven in het licht der straatlantarens met gouden letters prijkte: „Felix Meijer-Wolf. Bankier en Commissionair Men spreekt Duitsch, Russisch, Fransch en Italiaansch.” De agenten van politie moesten wel gelooven, dat Raffles, die zich er niet aan stoorde, dat zij zich zoo dichtbij het bankierskantoor bevonden en die de deur van het kantoor vlak voor hun oogen opensloot, dat hij de eigenaar der zaak was. Toen de beide vrienden in de vestibule van het gebouw stonden, sprak Charly Brand: „Dat is de grootste brutaliteit, die ik ooit heb beleefd. Op nauwelijks tien schreden afstands van de politie-agenten sluit jij de deur open.” Zijn vriend lachte zachtjes. „Mijn ouwe, beste Charly, jij blijft altijd dezelfde. Ik kon het niet beter verlangen, dan de onmiddellijke nabijheid van die twee agenten, toen wij hier binnentraden. „Nu kan ik tenminste het electrische licht in het kantoor opdraaien en behoef mij niet voor den patrouilleerenden beambte te verbergen. „Die menschen bemoeien zich altijd alleen met dat, wat men voor hen verborgen wil houden. Als voor hun oogen een moord werd gepleegd, dan zouden zij den moordenaar naar een verkeerden kant naloopen. „Dat klinkt wel een beetje vreemd en overdreven, maar zij hebben je persoonlijk bewezen, dat het zoo is. „Zij hebben gezien, dat ik de deur van het bankierskantoor opensloot en dat nog wel op een tijd, waarop een zakenman niets op zijn bureau te doen heeft. „Maar zij zijn er vast van overtuigd, dat ik het volle recht heb, hier binnen te gaan en dat zij er absoluut niets mee te maken hebben, wat ik hier te zoeken heb. „Morgen zullen zij er anders over denken, maar dat is mijn zaak niet.” Intusschen traden zij het privé kantoor binnen van den heer Felix Meijer-Wolf, dat voorzien was van prachtige antieke mahoniehouten meubelen en waar zware Turksche tapijten lagen. John Raffles keek om zich heen. „De gauwdief heeft zich vorstelijk ingericht.” „Gauwdief?” vroeg zijn vriend op verbaasden toon. „Ja zeker, gauwdief!” herhaalde Raffles, „want de zaken, welke deze mijnheer Felix Meijer-Wolf gedurende zijn tweejarig verblijf hier in Londen drijft, zijn meer dan vies. „Hij geeft bij voorkeur hypotheek op huizen en landerijen van Engelsche en Iersche boeren. „Hij geeft zulke hooge hypotheken, dat het den eigenaren moeilijk valt, de rente op te brengen en hij sluit een contract met hen, dat hij hen, zoodra zij achterstallig zijn met de betaling der rente, van hun eigendom kan wegjagen. „Mijnheer Felix Meijer-Wolf is op deze wijze de eigenaar geworden van dozijnen Engelsche en Iersche boerderijen en moet, naar ik heb gehoord, een groot vermogen daarmede hebben verworven.” „Je kent de levensgeschiedenis van dien man tamelijk nauwkeurig. Hoe kwam je dit alles te weten?” „Eenige maanden geleden was ik bij een kennis van mij, barones Emmerhouse, op het land. „Op een wandelrit kwam ik toevallig op een boerderij waaruit juist de heer Felix Meijer-Wolf den eigenaar en diens familie met hulp van den deurwaarder had verjaagd. „Ik heb toen gezien, hoe deze man optreedt en een inzameling gehouden bij mijn kennissen, waardoor ik den boer kon redden uit de klauwen van dien woekeraar. „Een walgelijk sujet! „Als ik aan dergelijke menschen denk, beginnen mijn vingers altijd te jeuken en zou ik hem gaarne als een spin dooddrukken. „Maar laat ons nu eens kijken, wat er zooal in het schrijfbureau van den heer Meijer-Wolf is verborgen.” John Raffles begon met een looper de sloten van de grootste lade te openen en daarna volgden de kleinere, die zich daaronder bevonden. Het was een gemakkelijk werk, dat slechts weinig tijd vorderde. Doch de schrijftafel bevatte behalve onbeteekenende correspondentie niets anders dan eenige postzegels en andere waardelooze voorwerpen. Raffles vond zelfs niets, wat als bewijs had kunnen dienen voor het misdadige optreden van den woekeraar. Hij moest dus de brandkast, een groote stalen kast, die aan den muur stond, openbreken. Nu moest er gewerkt worden. De groote onbekende trok gummihandschoenen aan en verbond de electrische geleiding met het koperdraad, dat hij uit zijn zak had gehaald. Het zoodoende verkregen contact eindigde in een vernuftig samengestelde staalboor. Deze plaatste hij dichtbij het slot en als sneeuw voor de zon verdween het staal onder de scherpe punt, welke zich, gedreven door de kracht der electriciteit, in den harden wand drong. Binnen een half uur was het slot losgeboord en door den flinken stoot van een flink breekijzer sprong het met een knal stuk. Groote teleurstelling stond echter op de gezichten der beide vrienden te lezen, toen zij niets dan ledige vakken voor zich zagen. Alleen de boeken lagen in de brandkast en verder was er zelfs geen enkele banknoot te vinden. „Jammer,” mompelde Raffles, „de schurk heft het geld op de bank. Hij is voorzichtig, de kerel. Maar ik zal in elk geval de boeken eens inzien.” Bladzijde na bladzijde doorbladerde Lord Lister de dikke boeken en vooral de depotconto’s van den bankier interesseerden hem levendig. Hij zag uit de boeken, dat een reeks kleine handelslieden bij den heer Felix Meijer-Wolf sommen hadden gedeponeerd tot een bedrag van 500 tot 1000 pond. Het geheele bedrag was naar zijn schatting ongeveer een half millioen pond sterling. „Ik mis in de boeken de een of andere aanteekening, dat de woekeraar het geld op een Bank heeft gebracht,” fluisterde hij na een poosje tot zichzelf. „Maar het geld is niet hier, waar kan hij het dan hebben?” „Misschien bij zich aan huis,” veronderstelde Charly Brand. „Bravo!” riep Raffles uit, „dat antwoord is niet dom, mijn jongen, ik zal morgennacht den heer Felix Meijer-Wolf in zijn woning opzoeken. „Maar toch wil ik eerst nog eens in de schrijftafel kijken. Die komt mij buitengewoon groot en massief voor. „Misschien verbergt dat meubel een geheim vak, waarin zich de contracten bevinden, die hij heeft gesloten met landeigenaren.” Raffles onderzocht opnieuw de schrijftafel en stiet met een fijn pennemes tusschen de voegen van het mahoniehout. Plotseling brak het mes af en gleed tusschen de lijst van een versiering van de deur der schrijftafel. Dit op zichzelf onbeteekenende voorval maakte, dat Raffles’ geheele aandacht aan die plek was gewijd. Onder de lijst van mahoniehout was de punt van het mes op metaal gestuit. Hij kon zich niet in het geluid vergissen! Die ijzeren laag onder het houtsnijwerk was echter iets ongewoons, zoodat de groote onbekende, toen hij het mes terugtrok, met een eigenaardig glimlachje naar de plek keek. „Wat heb je?” vroeg Charly Brand. „Geduld, mijn jongen,” fluisterde Raffles, „ik wil niet om drie uur thuis thee gaan drinken, als ik daar juist niet een aardige ontdekking heb gedaan. „Geef mij de electrische lantaarn eens hier— —zoo—! Dat had ik al gedacht. „Ik wil een konijn worden en mijn leven lang gras eten, als ik nu niet het geheime vak van den schurk heb gevonden.” Hij zweeg en onderzocht elk plekje van het mahonie snijwerk. Eindelijk floot hij zacht met een tevreden glimlachje. „Ik wist het wel,” riep hij met gesmoorde stem, toen een stuk van de lijst onder zijn vingers begon te draaien en een klein sleutelgat zichtbaar werd in het nu te voorschijn komende metaal, „daar is de toegang naar de schuilplaats van den vos. Geef mij mijn werktuigen Charly, ik wil probeeren het hol uit te graven zonder iets te beschadigen. „Het vak is niet heel groot en met breekijzer of boor zou ik den inhoud kunnen vernielen.” Charly Brand bracht hem het taschje, waarin zich de loopers bevonden. Zijn nieuwsgierigheid was zeer geprikkeld door de ontdekking van het geheime vak. De bankier scheen te denken, dat zijn geheim voldoende beveiligd was door het houtsnijwerk, want het slot bleek van zeer eenvoudige constructie te zijn en Raffles kon het met behulp van zijn kleinsten looper gemakkelijk open krijgen. Lord Lister haalde het eerst een rol schrifturen te voorschijn, die met een touw waren samengebonden. Hij sneed het touwtje door en zag, dat het de contracten waren, welke hij had gezocht. Zonder ze eerst door te lezen stak Raffles ze in zijn bruinleeren tasch. Daarop ontdekte hij tot zijn verbazing iets anders. Op den bodem van het in het hout uitgesneden geheime vak schitterden in het licht der electrische lantaarn een half dozijn diamanten die in den vorm van waterdroppelen ter grootte van duiveneieren, aan een kleinen gouden ketting waren bevestigd en in veelkleurige stralen het licht weerkaatsten. John Raffles greep naar het sieraad en liet het schitteren in het licht der electrische zaklantaarn. Onder de diamanten lag een klein bruinleeren taschje, waaruit een eigenaardige geur straalde. Hij nam het uit het vak en opende het. Er lag een brief in met een breeden rouwrand en met een dameshand geschreven. Raffles las: „Mijn lieve Hetty, Gisteren ontving ik de erfenis van oom Charly uit Calcutta. Zij bestaat uit een wonderschoon diamanten halssieraad, dat ik dolgraag voor jou, mijn lieve kind, had behouden. Daar ik echter niet weet, hoe ik de groote schulden zal betalen, welke je vader heeft moeten maken om onze bezittingen te behouden, heb ik besloten, het sieraad te verkoopen. Ik hoop, daar de steenen zeer veel waard zijn, nog iets te kunnen overhouden. Schrijf mij, hoe het je gaat in het pension en groet de directrice, Miss Green, van mij. Ik omhels je in gedachten. Je innig bedroefde moeder.” „Een merkwaardige brief,” sprak Raffles, hem zijn vriend overhandigend. „In hoeverre merkwaardig?” „Ik zou wel eens willen weten, hoe deze schurk daaraan gekomen is. Hij was immers onmogelijk voor hem bestemd. Ik vermoed, dat er een misdaad is gepleegd.” De groote onbekende nam het couvert, waarop hij tot dusverre nog niet had gelet en las het adres: „Miss Hetty Brown, Londen, Essexstreet 16.” Peinzend bekeek hij het couvert. „Een brief, die haar niet bereikte! Er staat helaas naar vrouwenmanier geen datum op aangegeven. Maar mijn zoogenaamd zevende zintuig zegt mij, dat hier weer eens riemen zijn gesneden uit het leer van anderen. Want wat heeft de heer Felix Meijer-Wolf met dezen brief te maken? „Wel, ik zal mij eens met dit zaakje bezighouden. „Het zijn prachtige steenen!” „Wonderschoon! Hun gloed is even betooverend als de schoonheid van een vrouw,” sprak Charly vol vuur. Spelend liet John Raffles de diamanten nog eens door zijn vingers glijden, voordat hij ze met den brief in den zak van zijn rok stak. Daarop maakte hij zich gereed om het kantoor te verlaten. Toen zij op straat kwamen, stond op eenigen afstand van hen een politie-agent te praten met een heer, die den kraag van zijn overjas opgeslagen en den hoed diep over het voorhoofd had getrokken. Raffles sloot doodbedaard de deur van het huis en wandelde op zijn gemak de straat in de tegenovergestelde richting in. Zij waren ongeveer honderd schreden verder, toen hij tot zijn secretaris en vriend sprak: „Schrik niet. Wij worden blijkbaar achtervolgd. De man, die bij den politie-agent stond, was ongetwijfeld een detective van Scotland Yard. Hij keek zeer opvallend naar ons. Draag jij nu het taschje met de werktuigen en neem bij den volgenden hoek der straat een rijtuig. Daarin ga je naar het Victoriastation. „Daar verlaat je het rijtuig, loopt een paar straten verder, huurt een ander rijtuig en laat je naar huis rijden. „Maak je niet ongerust over mij. Ik ben misschien nog eerder thuis dan jij.” Toen Raffles naast het rijtuig van Charly Brand stond, was de vervolger nog slechts eenige schreden van hem verwijderd. Het was dezelfde persoon, dien Raffles in gesprek met den agent had gezien. Lord Lister gaf zijn vriend een hand, toen die reeds in het rijtuig zat en riep: „Dus morgen niet te laat op kantoor komen!” „Goed, Mr. Meijer-Wolf,” antwoordde Charly Brand op luiden toon, opdat hun vervolger het kon hooren. Het rijtuig reed weg, Raffles keek het nog een paar seconden na, keerde zich om en ging regelrecht naar den detective toe. Beide heeren keken elkaar met scherpen blik aan. Raffles kende den beambte niet. Nauwelijks was Lord Lister hem voorbijgeloopen, of de ander keerde zich om en greep hem bij den arm. „Een oogenblikje, mijnheer, ik zou u wel eens iets willen vragen.” John Raffles keek den detective met spottenden blik aan en ook deze glimlachte. „Wat wenscht gij van mij?” vroeg Lord Lister kalm. „Misschien zeer veel. Ik eisch een verklaring van u, wat gij op dit uur in de zaak van den bankier Meijer-Wolf te doen hebt.” „Men moet niet zoo nieuwsgierig zijn, mijn waarde. Houd in de eerste plaats mijn arm niet zoo vast, alsof het een wandelstok was. Gij schijnt u te vergissen. „Met welk recht vraagt gij mij dit?” „Ik ben detective van Scotland Yard.” „Dat kan iedereen wel beweren, mijn vriend, ik ken u niet.” De detective haalde een metalen penning uit zijn zak te voorschijn, zooals elke detective dien bij zich draagt. „Zeer aangenaam,” lachte Raffles, „dan zijn wij dus collega’s.” Deze woorden verbaasden den detective zoodanig, dat hij den arm voor een oogenblik losliet. Maar in het volgende oogenblik greep hij dien weer stevig vast en riep uit: „Dat moet gij mij bewijzen!” „Laat mijn arm dan los, collega, ik heb mijn penning in de rechterzak.” De detective was zoo verbaasd over deze woorden, welke met vastberadenheid gesproken werden, dat hij den arm losliet. Raffles stak de rechterhand in den zak van zijn overjas. De detective volgde deze handbeweging met zijn oogen. Hij wist niet, dat hier een Jiu-Jitsu-truc moest volgen, want terwijl hij naar Raffles’ rechterhand keek, hief Lord Lister zijn linkerhand op en sloeg met den vlakken kant daarvan tegen den slaap van den man, zoodat de detective zonder een kik te geven in elkaar zakte. De straat was op dezen tijd van den dag of liever van den nacht volkomen stil en niemand had dus het voorgevallene opgemerkt. Nauwelijks lag de detective op den grond, of Raffles boog zich over hem heen en nam uit den zak van diens overjas den ambtspenning en de gedrukte legitimatiekaart van den detective. Daarop begaf hij zich naar de overzijde der straat en drentelde als een late wandelaar huiswaarts. TWEEDE HOOFDSTUK. IN HET DUISTERE LONDEN. Raffles moest zijn weg naar huis nemen door een tamelijk berucht stadsgedeelte, bewoond door misdadigers en deernen, want hij had geen rijtuig kunnen vinden. Hier en daar liepen de paria’s der maatschappij langs hem heen. Uit de brandewijnkroegen weerklonk woest gezang, de gillende kreten van vrouwen en luid gelach. Raffles lette niet op dit alles. Hij kende deze wijk der stad. Juist was hij een der kroegen voorbijgegaan, toen de deur open werd getrokken en een jong meisje de straat opsnelde. Met luide stem riep zij om hulp en daar Raffles vlak bij haar was, snelde zij naar hem toe en klemde zich, smeekend om hulp, aan hem vast. Uit de brandewijnkroeg snelde eenige kerels naar buiten en riepen: „Daar is zij! Vervloekt, wij zullen haar bont en blauw slaan!” En met woedend geschreeuw snelden de boeven het vluchtende meisje na. (Zie titelblad.) „Wat willen jelui, jongens?” vroeg Raffles, toen de vier kerels naderkwamen en met fonkelende oogen naar hem keken. De kerels hadden ruwe, verloopen gezichten, zooals de echte gemeene Londensche misdadiger er uitziet. Met een hoonlach namen zij een oogenblik den grooten onbekende op die zijn rechterarm om het jonge meisje heensloeg en de linker liet verdwijnen in den zak van zijn overjas. „Laat mijn bruid los!” riep een der kerels. „Ik ben zijn bruid niet,” riep het jonge meisje, „zij hebben mij meegenomen en willen mij kwaad doen. Zij hebben mij bewusteloos gemaakt en ik weet niet, waar ik ben!” „Kanaille!” schreeuwde een der kerels, „snoer haar den mond, Jim!” De aldus aangesprokene, dezelfde die het eerst met Raffles had gepraat, haalde een dolkmes uit zijn broekzak, liet het openspringen en sprak: „Als je dat meisje nu niet loslaat, stoot ik je een paar duim koud staal tusschen je ribben. Denk daaraan!” Raffles lachte. Daarop haalde hij zijn rechterhand uit zijn zak te voorschijn en de kerels zagen, dat hij daarin een browningpistool hield. Hij hield hun dit wapen onder den neus. „Als gij lust hebt om van mij een peperkorrel in je verbandkist te krijgen, probeert dan maar of ge mij met uw mes kunt naderen. „Gaat uit den weg, jongens, of ik schiet jelui neer als een hoop musschen!” Schuw als angstige honden trokken de kerels zich terug. Raffles nam het sidderende jonge meisje en geleidde haar weg. Verscheidene steenen werden hen nageworpen. Hij lette er niet verder op. Bij den hoek der volgende straat gelukte het hem, een toevallig voorbijrijdend rijtuig te huren en hiermee liet hij zich en zijn beschermelinge naar huis brengen. Reeds in het rijtuig trachtte hij van het jonge meisje te vernemen, hoe zij in deze ellendige kroeg was gekomen. Zij vertelde hem een merkwaardige geschiedenis. „Ik ben een wees en was tot voor korten tijd in een goed pension. Na den dood van mijn moeder—mijn vader is reeds twee jaar geleden gestorven—was er geen geld aanwezig om het instituut, waarin ik werd opgevoed, te betalen. „Ik moest dus een betrekking zoeken en las voor eenige dagen een advertentie, waarin een familie in de Marshallstreet een jong meisje van goede familie zoekt voor de kinderen. „Daar ik slechts weinig geld bezat, besloot ik, er te voet heen te gaan. „Ik ben buiten opgevoed en ken Londen dus zeer weinig. „Hier en daar vroeg ik politie-agenten naar den weg en hoopte op die manier naar de Marshallstreet te komen. „Plotseling bevond ik mij in dit stadsgedeelte. „Verloopen kerels, zooals ik ze nog nooit had gezien, liepen mij voorbij. Ik zocht overal naar den weg, maar vond dien niet. „Nergens was een agent van politie te ontdekken. „Ik wendde mij daarom tot een jongen man, gaf hem een geldstuk en verzocht hem, mij naar de Marshallstreet te brengen. „Hij verklaarde zich daartoe bereid, maar zei, dat hij eerst nog moest eten, daar het een heel eind was en als ik wilde, kon ik even met hem meegaan naar het restaurant, dat wel niet uitstekend, maar zeer goedkoop was en waar men goed eten kreeg. „Ik had honger van de verre wandeling en zonder eraan te denken, dat ik mij misschien op gevaarlijk terrein begaf, volgde ik hem in een klein lokaal, dat een walgelijken indruk op mij maakte. „Brutale en opzichtig gekleede meisjes zaten met jonge mannen aan tafeltjes, dronken en aten en spraken luid met elkaar. Mijn geleider bracht mij naar een tafeltje, waaraan, volgens zijn bewering, eenige vrienden van hem zaten. „Toen bestelde hij eten en drinken. „Ik deed hetzelfde en een half uur daarna gingen wij heen. De beide vrienden gingen met ons mee. „Zoo ging ik met de drie kerels door verschillende mij onbekende straten, toen ik mij plotseling zeer vermoeid gevoelde. „Tevergeefs trachtte ik deze vermoeidheid te overwinnen. „Wat er verder met mij is gebeurd, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelf kwam, lag ik in een vuile, smerige kelderruimte en had oude, gescheurde kleeren aan. „Op mijn geroep verscheen een oude, leelijke, weerzinwekkende vrouw, noemde mij „duifje” en trachtte mij gerust te stellen. „Ik zou mooie kleeren en een goede kamer hebben, als ik gehoorzaam was. „Ik wist niet wat die vreeselijke vrouw van mij wilde, totdat een uur geleden de kerels, die mij hadden meegevoerd, bij mij kwamen, mij het lokaal binnensleepten en mij de afschuwelijkste dingen vertelden. „Zij wilden mij dwingen, mij door een man, dien ik niet kende, te laten omhelzen, waarvoor hij mij een shilling wilde geven. Ik scheurde mij los, snelde de straat op en vond u. „Mijn hemel, wat moet er nu van mij terecht komen!” „Wees niet bezorgd, juffrouw. Gij zijt bij mij in veiligheid. Het is misschien het allerbeste wat het toeval voor u had kunnen doen, dat gij mij hebt ontmoet,” sprak de groote onbekende en opende het portier van het rijtuig, dat juist voor de woning stilhield. Charly Brand was zeer verbaasd, toen hij zijn vriend met het jonge meisje de studeerkamer zag binnentreden. Eerst nu, in het volle licht, zag Raffles welke fijne, voorname trekken het jonge meisje had en hoe slank en goed verzorgd haar handen waren. Hij gaf haar over aan de zorgen van de vrouw van zijn kamerdienaar, zonder haar verdere vragen te stellen en beval deze, goed voor het jonge meisje te zorgen. Voordat hij zich ter ruste begaf, sprak hij tot Charly Brand: „Dat was een eigenaardige nacht. Een inbraak, waaraan wij niets hebben verdiend, diamanten, die ons niet toebehooren en een jong meisje dat voor schande is gered. „Voldoende stof voor een schrijver om er een geheelen roman van te maken.” DERDE HOOFDSTUK. GEVONDEN. Den volgenden dag ging John Raffles met den brief, dien hij uit het geheime vak gestolen had, naar Essexstreet 16, om miss Hetty Brown op te zoeken. Het was een voornaam pensionnaat, waar hij zich aanmeldde en hij werd ontvangen door een dame met een deftig uiterlijk. „Ik kom om naar miss Brown te informeeren,” sprak Raffles. „Ik ben een verre bloedverwant van haar en zou wel voor haar willen zorgen.” De dame zette verbaasde oogen op. „Het doet mij leed, mijnheer, mijnheer—” Zij had den naam niet onthouden, waaronder Raffles zich had voorgesteld en Raffles herhaalde: „Gulden.” De dame maakte een buiging en sprak: „Ik dank u, Mr. Gulden! O, hoe jammer, dat gij niet een paar maanden eerder zijt gekomen! Gij schijnt nog niets te weten van het groote ongeluk, dat miss Hetty heeft getroffen!” „Helaas neen,” antwoordde de bezoeker met een verschrikt gelaat. „Ik ben pas gisteren hier aangekomen uit Amsterdam en weet dus van niets. Miss Hetty Brown schreef mij voor eenige maanden, dat zij hier was. Ik was in dien tijd op Java en, zooals ik u zei, ik vermoed niet wat gij bedoelt.” „Het is zeer treurig,” vertelde de lady verder, „oneindig treurig. Verbeeld u eens: „Voor ongeveer drie maanden ontving Miss Hetty bericht, dat haar moeder des nachts was gestorven aan een hartverlamming. „Het vreeselijkste echter was, dat door dien dood miss Hetty elken steun verloor en het landgoed met het kleine kasteel, dat gij natuurlijk wel kent, werd haar door de schuldeischers afgenomen.” „Dat is zeker zeer treurig,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij misschien het tegenwoordige adres opgeven van Miss Hetty Brown?” „O, ja!” antwoordde de dame, „Miss Hetty vertrok naar Towerstreet 12, naar een zekeren Miss Snijder.” Raffles stond op, boog en sprak: „Ik dank u zeer voor de inlichtingen, Lady. Mocht ik Miss Hetty Brown vinden, dan zal ik zoo vrij zijn, haar in uw pension terug te brengen.” „Dat zou mij veel genoegen doen.” De Lady gaf Raffles een hand en hij verliet het pension. Een uur later bevond hij zich op het hem aangeduide adres. Een vuil, slordig gekleed wijf deed hem open. Een walgelijke reuk van verbrand vet en vochtig waschgoed kwam hem tegemoet. Het was een uiterst armoedig verblijf, waar Miss Hetty woonde. „Kan ik Miss Hetty Brown spreken?” vroeg Raffles de oude vrouw. „Wat?” riep zij met een hoonend lachje, „wilt gij Hetty spreken? Misschien betaalt gij mij haar schulden!” „Zeker,” antwoordde Raffles, „daartoe ben ik gaarne bereid. Maar voor alles, zou ik Miss Hetty Brown gaarne spreken.” „Dan moet gij haar zoeken. Hier is zij sinds vijf dagen niet geweest. Wie weet, waar zij beland is. Misschien zwemt haar lijk in de Theems, of zij ligt in de een of andere brandewijnkroeg en verdrinkt de centen, die zij mij schuldig is. „Een net juffertje!” „Gij weet dus niet, waar Miss Hetty Brown is?” „Moet ik het u nog duidelijker aan uw verstand brengen?” „Mag ik de kamer zien, waarin de Miss heeft gewoond?” „Zij moet mij twee dagen pension betalen. Als gij dat betaalt, kunt gij de kamer te zien krijgen.” Raffles betaalde de zes shilling, die de oude vrouw hem met begeerige oogen bijna uit de handen scheurde en werd daarna naar een donker vertrek geleid, dat op een binnenplaats uitzag. „Hier heeft zij gewoond,” sprak het wijf, „en dat is alles wat zij bezit. Die kleine koffer daar. Veel is er niet in. Niet genoeg om een week huur te betalen. Het eenige, wat zij bezit, is een beetje linnengoed. Maar wat wilt gij eigenlijk van haar?” „Dat gaat u niets aan,” antwoordde Raffles, „ik zal morgen terugkomen en vragen, of Miss Hetty Brown is teruggekomen. Mocht dat het geval wezen, zeg haar dan, dat zij thuis moet blijven. Een verre bloedverwant van haar is uit Calcutta teruggekomen en moet haar dringend spreken.” Peinzend verliet Raffles het huis en in gedachten verzonken liep hij over de Towerbrug, om een middel te zoeken, hoe hij Miss Hetty Brown terug zou kunnen vinden. Toen hij thuis kwam, overlegde hij met Charly Brand. Maar ook deze wist niet te zeggen, hoe zij het jonge meisje in de reuzenstad zouden kunnen vinden. „Ik vrees bijna, dat zij een eind aan haar leven heeft gemaakt,” meende Raffles, „het is mij echter duidelijk geworden, dat deze mijnheer Felix Meijer-Wolf schuld is aan het ongeluk van het jonge meisje. „Ik hoorde van de directrice van het pension, dat haar moeder plotseling is gestorven aan een hartverlamming, ik veronderstel, dat zij misschien, nadat zij dezen brief heeft geschreven, ziek is geworden. „Daardoor is het schrijven niet in handen van Miss Hetty Brown gekomen. „Duivel ja! Het moet mij gelukken om het jonge meisje terug te vinden!” Des avonds ging hij opnieuw naar Towerstreet en hoorde, dat het meisje nog steeds niet terug was gekomen. Daar kreeg Raffles plotseling een idee. Misschien was in het koffertje het een of ander te vinden, waaruit men kon begrijpen, waar zij te vinden was. Zonder op de bewoonster van het huis te letten, opende Raffles het koffertje en zag, dat het gevuld was met kleine souvenirs, zooals jonge meisjes die meestal bezitten. Er waren veel brieven en portretten bij, alle met kleine zijden lintjes samengebonden. Een der brieven las hij. Hij herkende bij den eersten oogopslag, dat het een brief was van de moeder aan haar dochter. Hij legde hem op zij en nam de photo’s ter hand. Plotseling werden zijn oogen groot van schrik en bleven rusten op een photographie, die een vrouw voorstelde met een twaalfjarig meisje. Haastig wendde hij zich naar de kostjuffrouw en vroeg, met zijn vinger naar het twaalfjarige meisje wijzend: „Lijkt dat portret?” De vrouw wierp er even een blik op en antwoordde: „Een beetje is Miss Brown wel veranderd, maar niet veel.” „Op hetzelfde oogenblik had Raffles de photo’s bij zich gestoken en zei: „Pak alles bij elkaar, ik neem het mee!” „Ik wil het alleen afgeven, als ik nog een week huur krijg. Ik wensch geen schade te lijden,” bromde de oude. Raffles wierp een tien shillingstuk op tafel. Nu begon het wijf gedienstig alles in te pakken en een kwartier later verliet Raffles met de eigendommen van het jonge meisje het huis. In een auto reed hij naar zijn woning. De weg duurde hem bijna te lang. Steeds opnieuw spoorde hij den chauffeur aan en Charly Brand schrok, toen zijn vriend in de grootste opgewondenheid de kamer binnensnelde en riep: „Breng onmiddellijk mijn beschermelinge bij mij.” „Is er iets gebeurd?” „Vraag niet, breng haar bij mij, zoo snel als maar mogelijk is!” Ongeduldig klapte hij in de handen. Charly Brand verliet de kamer en eenige minuten later kwam het jonge meisje binnen. De rust, die zij gedurende een geheelen dag had genoten, had een ander mensch van haar gemaakt. Met heldere oogen keek zij om zich heen, een vriendelijke glimlach speelde om haar mond en vol dankbaarheid greep zij de hand van den grooten onbekende om die te kussen. Hij weerde haar echter af, want hij hield er niet van, eenigen dank in te oogsten. „Een gentleman heeft de plichten van een gentleman”, was zijn zinspreuk. Hij wees naar het door hem meegebrachte valies en de andere voorwerpen. „Kent gij dat, Miss Hetty Brown?” Verschrikt en verlegen keek zij hem aan. „Hoe weet gij mijn naam?” Nu trad Raffles naar haar toe, greep haar hand en sprak: „Mijn kind. Wij menschen zijn tegenwoordig erge spotvogels geworden en willen geen hoogere macht boven ons erkennen. „En toch verzeker ik u: Er is iets, dat hooger staat dan al ons weten en denken. „Later zult gij te weten komen, hoe geheimzinnig en vreemd de middelen waren, die de Hemel gebruikte om u te helpen.” „Hoe komt gij aan mijn bagage?” „Ik haalde het uit de Towerstreet no. 12.” „Maar vanwaar weet gij mijn adres? Ik geneerde mij om het u te vertellen.” „Van het pension in de Essexstreet 16.” „Merkwaardig”, mompelde Miss Brown, „dat komt mij bijna bovennatuurlijk voor. Ik heb u toch niets van de Essexstreet verteld.” „Maar uw moeder.” „Mijn moeder? Hebt gij mijn moeder gekend?” „Niet persoonlijk en toch ken ik haar. Ik werd haar werktuig om u te helpen. Lees dezen brief eens.” Hij overhandigde Miss Brown den gestolen brief en deze begon te lezen. Een zenuwachtige rilling liep langs haar gestalte en zij moest gaan zitten om den brief tot het einde te kunnen lezen. Met vochtige oogen liet zij het papier in haar schoot zinken en sprak: „Mijn lieve, goede moeder! Dezen brief moet zij des avonds voor haar dood aan mij geschreven hebben.” „En hier”, vervolgde Raffles, terwijl hij zijn schrijftafel opende en de diamanten er uit nam, „is uw erfdeel.” Met groote oogen keek Miss Brown naar de kostbare, vonkelende steenen. „Gij zijt rijk, Miss Hetty”, sprak Raffles, „deze steenen vertegenwoordigen een groot vermogen.” „Hoe—hoe—komt—gij—aan—de steenen?” Raffles aarzelde een oogenblik en antwoordde toen: „Ik vond ze bij een zekeren Felix Meijer-Wolf.” „Meijer-Wolf? Zoo heette de vreeselijke man, die mijn vader altijd geld leende en die mij per telegram de tijding zond van het overlijden mijner moeder. „Hij was juist dien morgen bij mijn moeder gekomen om zaken af te handelen en vond haar dood.” „Ik heb mij dus niet vergist”, riep Raffles, en wisselde een blik van verstandhouding met Charly Brand. „Die man deelde u dus niets mede omtrent den brief en de erfenis?” „Neen”, antwoordde Miss Brown, „hij zond mij alleen de schuldbekentenissen van mijn vader en zei mij, dat ik niets meer bezat en dat hij volgens de wet nu de eigenaar van onze bezittingen was geworden. „Hij gaf mij uit zijn eigen zak het benoodigde geld om mijn moeder te laten begraven.” „Een schurk!” riep Raffles uit. „Vervloekt! Wat zijn er toch slechte menschen in de wereld!” „Ik hield dien heer niet voor slecht, maar meende zelfs, dat ik hem dankbaar moest zijn!” „Zoo gaat het altijd”, antwoordde Raffles. „Het is merkwaardig, dat de grootste schurken der wereld de dankbaarste vereerders der wereld hebben.” „Heeft de bankier u de steenen voor mij gegeven?” „Neen!” riep Raffles en hij schrok zelf over zijn eigen heftigheid, „neem mij niet kwalijk, Miss Brown, maar ik ben diep verontwaardigd over de slechtheid van dezen man tegenover een arme wees. „Deze schurk heeft u uw erfdeel ontstolen. „Hij heeft zich den brief, dien uw moeder niet meer heeft kunnen verzenden, toegeëigend en de steenen erbij. „Een bandiet!” „O mijn hemel, hoe verschrikkelijk! Ik zou het niet gelooven, als ik den brief van mijn moeder niet in handen hield.” „Wist gij niets van de erfenis, die u was nagelaten door een oom in Calcutta?” Miss Brown schudde het hoofd: „Ik wist niets met zekerheid; mijn moeder vertelde menigmaal, dat ik een rijken oom, een broer van mijn vader, in Indië had. „Ook vernam ik, dat hij was overleden. „Maar van een erfenis is mij niets bekend. „Alles komt mij zeer geheimzinnig voor.” „Dat is het niet, maar het is de wil van de overledene, die nu nog in orde wil maken, wat zij gedurende haar leven niet heeft kunnen doen.” „Mag ik u vragen, hoe gij aan de brieven en de steenen zijt gekomen?” John Raffles keek Hetty een oogenblik met vasten blik aan. Daarop sprak hij: „Ik ben Raffles!” Secondenlang heerschte een pijnlijk stilzwijgen. Een rilling, alsof zij het koud had, doorsidderde de gestalte van het jonge meisje. De groote onbekende sprak lachend: „Nietwaar, Miss Brown, gij hadt u dien man anders voorgesteld?” „Ja”, antwoordde zij, „de directrice van onze kostschool vertelde ons meermalen van Raffles en waarschuwde ons voor hem als voor een afschuwelijk mensch. „Hebt gij inderdaad zooveel moorden gepleegd?” „Met elken vinger tien”, antwoordde Lord Lister steeds lachend, „en nu ga ik u de keel afsnijden.” „Neen”, sprak Miss Hetty, „nu geloof ik niets meer van alles wat men mij heeft verteld. Gij zijt een werkelijk goed mensch.” „Kom, kom”, lachte Raffles, „dat zullen wij niet onderzoeken. Maar hebt gij dan nooit couranten gelezen?” „Dat was op onze kostschool streng verboden.” „Zoo, zoo. Als gij dat wel hadt gedaan, zoudt gij weten, dat ik moorden evenzeer verafschuw als elk verstandig mensch in de wereld. „Opdat gij echter weet, hoe ik aan de diamanten ben gekomen en hoe ik u weer in het bezit heb kunnen stellen van uw erfdeel, deel ik u mede, dat ik in denzelfden nacht, eergisteren, toen ik u uit de handen der kerels bevrijdde, eenige uren eerder bij den bankier Felix Meijer-Wolf heb ingebroken en de steenen met den brief heb gestolen.” „Gestolen?” „Ja”, antwoordde Raffles, zich trotsch oprichtende. „Ik ben niet gewend, mijn daden te vergoelijken, maar ik noem ze bij hun waren naam.” Miss Brown schudde het mooie kopje. „Ik begrijp u niet. Hoe kunt gij de diamanten gestolen hebben, als gij ze mij terug geeft?” „Dat is juist mijn sport”, lachte Lord Lister, „ik steel bij voorkeur zulke dingen, welke men van anderen heeft gestolen en geef ze dan aan de bestolenen terug. „Stel u dus gerust omtrent het terugkrijgen uwer diamanten. Als gij het wenscht, wil ik u behulpzaam zijn om de steenen zoo voordeelig mogelijk te verkoopen, opdat gij de schulden van uw vader bij Felix Meijer-Wolf kunt betalen en tevens een flink bedrag overhouden voor uw eigen levensonderhoud.” „Gij zijt een engel!” riep Miss Brown geroerd uit. „Neen, neen, dat laat ik gaarne aan de dames over. „Voor alles verzoek ik u, met geen mensch over ons gesprek te praten en om naar uw oude kostschool terug te keeren. „Al het overige kunt gij aan mij overlaten. „Stel mij aan de directrice der kostschool voor als uw oom uit Indië. Ik ben reeds bij haar geweest en noemde mij van Gulden. Onthoud dien naam, Miss Brown. „Mijn vriend hier kan u nu naar uw kostschool terugbrengen en reeds over eenige uren zal ik u de opbrengst der diamanten in een tegoed op de Bank doen toekomen. „Daarna zal ik morgen met u een advocaat opzoeken, die de zaak met den bankier in orde kan maken.” Nog voordat Miss Hetty haar innigen dank kon uitspreken, had Raffles snel de kamer verlaten en Charly Brand vergezelde het jonge meisje, nadat zij zich had gekleed, per rijtuig naar haar kostschool. Raffles onderzocht intusschen de contracten, die hij den woekeraar afhandig had gemaakt. Hij hoopte, dat hij de cliënten van den woekeraar kon bevoordeelen, maar hij ontdekte nu, bij nader onderzoek der contracten, dat hij ze evengoed had kunnen laten liggen. Zij waren absoluut waardeloos, daar de door Felix Meijer-Wolf geleende gelden als hypotheek over de landerijen of huizen waren ingeschreven. De schuld bleef in rechten bestaan. Hij nam de papieren op en wierp ze in het vuur. Peinzend staarde hij in de kronkelende vlammen en overlegde, hoe hij de slachtoffers van den bankier-woekeraar zou kunnen helpen. Maar hoe hij ook peinsde, hij vond geen middel. Een hoogere hand moest hier ingrijpen, zooals reeds zoo dikwijls in het leven van Raffles en, vertrouwend op deze geheime kracht, die hem tot dusverre steeds had geholpen, begaf hij zich ter ruste. VIERDE HOOFDSTUK. EEN NIET GESTOLEN EN TOCH GESTOLEN HALF MILLIOEN. Politie-inspecteur Baxter wilde juist een eind maken aan zijn ochtenddienst om, zooals gewoonlijk zijn lunch te gaan gebruiken in een naburig restaurant, toen de dienstdoende beambte, die eventueele bezoeken bij den inspecteur moest aandienen, hem een visitekaartje overhandigde. Geërgerd over deze stoornis las inspecteur Baxter: FELIX MEIJER-WOLF, Bankier, Oxfordstreet. Hij mompelde den naam halfluid, zoodat detective Marholm, zijn secretaris, of, zooals hij wegens zijn lichaamsbouw door de misdadigers werd genoemd, de vloo, van zijn acten opkeek en zijn chef aanzag. De inspecteur aarzelde nog een oogenblik. Hij was het niet met zichzelf eens, of hij zijn lunch in den steek zou laten om den bezoeker te ontvangen. „Vraag eens, of het een dringende zaak is, Marholm”, sprak hij tot zijn secretaris. Marholm verliet het bureau en kwam een paar seconden later terug. „Het is zeer dringend, inspecteur, een inbraak, zooals alleen onze oude vriend, John C. Raffles—” Met een driftige handbeweging viel inspecteur Baxter zijn secretaris in de rede: „Wel alle duivels! Bederf mij mijn eetlust niet! Ik ben van plan, te gaan lunchen. Gij schijnt het er inderdaad op aan te leggen om mij dagelijks met dien Raffles te achtervolgen.” „Pardon!” sprak de vloo schouderophalend. Daarop stak hij zijn neus weer diep in de actenbundels en begon schijnbaar te werken. Inderdaad echter zat hij innig vergenoegd voor zich heen te lachen. Inspecteur Baxter belde. De dienstdoende beambte trad weer binnen en de inspecteur beval: „Breng den bankier bij mij.” Eenige oogenblikken later trad de heer Felix Meijer-Wolf het bureau binnen. Hij werd door de beide beambten met scherpe, onderzoekende blikken opgenomen. De indruk, dien hij maakte, was lang niet onaangenaam. Alleen een scherp opmerker kon ontdekken, dat de eenigszins gesluierde oogen een valsche, sluwe, roofdierachtige uitdrukking hadden en dat de volle, bruine baard, die het gelaat van den bankier omgaf, smalle lippen verborg, welke van harteloosheid en ruwheid getuigden. „Wat wenscht gij van mij?” vroeg Baxter op afgebeten toon. „Ik ben bestolen, heer inspecteur”, sprak Felix Meijer-Wolf, die het Engelsch met een vreemd dialect sprak, daar hij pas drie jaar geleden van Warschau naar Londen was verhuisd. „Wanneer?” „Gisternacht! Niets hebben zij mij achtergelaten, die schurken, alles is opengebroken.” „Hoeveel is er gestolen?” „Mijnheer de inspecteur, ik ben een eerlijk man en sta als zoodanig bekend bij al mijn zakenvrienden. „Ik ben gewend om mijn geheele vermogen in mijn brandkast weg te sluiten, omdat ik niets met de Bankinstellingen te maken wil hebben. „Ik heb altijd tegen mijzelf gezegd, dat er best een groote gauwdief op zoo’n Bank kon zijn, die mij mijn zuur verdiende ponden wegnam. „Ik dacht heel verstandig te zijn en ben toch een ezel geweest. „Alles is mij weggenomen, summa summarum een half millioen pond sterling. Een half millioen, denk eens aan en dan nog diamanten, zoo prachtig, dat de koningin ze zou kunnen dragen.” Een zacht „vervloekt!” kwam van de lippen van den inspecteur, toen hij hoorde, hoe verbazend groot het bedrag was, dat hier was gestolen. „Waarom komt gij eerst nu tegen den middag om mij den diefstal te melden?” „Ik was op reis met mijn boekhouder en ben eerst een half uur geleden teruggekomen.” Inspecteur Baxter wendde zich tot de vloo en riep: „De auto! En zes man moeten mij vergezellen.” „De hemel zal het u vergelden, als gij mij mijn eigendom weer terugbezorgt. Ik heb altijd gehoord, dat mijnheer de inspecteur de verstandigste man van geheel Londen is!” De vloo, die juist de kamer uitging, lachte voor zich heen en mompelde: „Er zijn toch nog verstandiger koppen, zooals bijvoorbeeld John C. Raffles.” „Hebt gij eenig vermoeden, wie de inbraak kan hebben gepleegd?” vroeg de inspecteur weer. De heer Felix Meijer-Wolf sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en jammerde: „Hoe zou ik weten, heer inspecteur, wie het geweest zijn! Als ik het wist, was ik al bij hen om te trachten, het gestolene terug te krijgen. „Maar mijnheer de inspecteur zal hen wel weten te vinden en een armen man zijn eigendom terugbezorgen.” „Zwijg nu maar!” riep Baxter uit, „en volg mij naar uw kantoor.” Zonder ophouden doorjammerend en weeklagend over zijn ongeluk, volgde Felix Meijer-Wolf in de auto en vertelde zijn wedervaren aan de hen vergezellende detectives. Na een klein half uur waren zij op de bestemde plaats. Zoodra de inspecteur van politie de brandkast zag en de groote opening op de plaats, waar eerst het slot had gezeten, sprak hij tot zijn beambten: „Goed werk!” Hij kwam naderbij en stelde vast, dat de brandkast geheel leeg was. Daarop onderzocht hij elk vak met pijnlijke nauwkeurigheid. „Hebt gij iets gevonden?” vroeg de vloo, naderbijkomend. „Zwijg!” bromde zijn chef, „ik heb u niets gevraagd.” „Wat zou mijnheer de inspecteur nog kunnen vinden?” vroeg Felix Meijer-Wolf nu, „de schurken zullen wel zoo verstandig zijn geweest om niets achter te laten.” Nu ging Baxter naar de schrijftafel. Met kennis van zaken onderzocht hij hoe het meubel in elkaar zat en haalde plotseling uit een der vakken een klein, opgevouwen briefje te voorschijn. Nauwelijks had hij het gelezen, of hij gooide het vloekend weer op de schrijftafel en riep uit: „John C. Raffles!” Marholm, de vloo, nam het stukje papier op en las: „Tot weerziens! John C. Raffles!” Diepe stilte heerschte eenige oogenblikken, zooals dat meestal het geval is na een groote ontdekking. Daarop keerde inspecteur Baxter zich naar den luidkeels lachenden Marholm en beet dezen toe: „Gij zijt een ongeluksbode. Men zou bijna gelooven, dat gij met dien man in verbinding staat.” „Misschien door hypnose op een afstand”, lachte detective Marholm, „en dat zou mij in ’t geheel niet onaangenaam zijn. Als ik inderdaad in eenige relatie tot hem stond, dan was ik nu een rijk man en behoefde niet van den morgen tot den avond met u ruzie te hebben.” De democratische geest, die bij het Engelsche volk heerscht, veroorloofde Marholm, op een dergelijken toon tot zijn chef te spreken. „Neem den toestand op!” beval inspecteur Baxter, „en houd uw laffe opmerkingen voor u!” Detective Marholm sloeg een zijner acten op en begon vlijtig neer te schrijven, wat hem gedicteerd werd. Het duurde bijna een half uur, eer Baxter er mee klaar was. Daarop werd het protocol aan den heer Felix Meijer-Wolf voorgelezen en deze moest het onderteekenen. Toen zij het kantoor verlieten, en Felix Meijer-Wolf den inspecteur tot aan de auto vergezelde, sprak hij: „Wanneer zult gij den spitsboef te pakken hebben, heer inspecteur?” Inspecteur Baxter was zoo verbluft door die vraag, dat hij niet wist wat hij moest antwoorden. In zijn plaats antwoordde de vloo: „Als Zaterdag en Zondag op één dag vallen.” Dat begreep Felix Meijer-Wolf niet. Voor verdere vragen had hij geen tijd, want de politie-auto reed met de detectives naar Scotland Yard terug. Nauwelijks een kwartier later bestormden de verslaggevers der Londensche couranten het kantoor van den bankier om bijzonderheden voor hun bladen te noteeren. Reeds om twee uur meldden de couranten: Na een pauze van twee maanden Raffles aan den arbeid! Hij opent de brandkast van den bankier Felix Meijer-Wolf en steelt meer dan een half millioen pond sterling. Waar is John C. Raffles??? Een uur nadat de couranten waren uitgekomen, las de groote onbekende reeds het sensatiebericht. Hij floot spottend, toen hij las van het gestolen halve millioen. „Zeg eens, Charly”, riep hij zijn vriend toe, „heb jij misschien, zonder dat ik het zag, een half millioen pond sterling in den zak gestoken?” Zijn vriend keek hem met verbaasde blikken aan. „Ik geloof niet, dat ik zooveel in mijn zak zou kunnen bergen.” „Ik ook niet”, lachte Raffles, „maar lees dit artikel eens, dat is een ongekende onbeschaamdheid!” Charly Brand nam de courant. „Hoe is het mogelijk!” riep hij uit, Raffles het blad teruggevende. „Heel eenvoudig! Deze man wil zaken doen met onze inbraak. De gelden, die wij van hem gestolen moeten hebben, zijn de depots van zijn cliënten. Die depots zijn nu gestolen en niet door mijnheer Felix Meijer-Wolf—neen, door ons. „Geen enkele rechter in Engeland zal den heer Meijer-Wolf, wegens het ontbreken dezer gelden in zijn brandkast, nu ter verantwoording kunnen roepen. „Je ziet dus, dat wij den man een grooten dienst hebben bewezen, doordat wij bij hem hebben ingebroken.” „Maar dat is ongehoord!” „Wel neen”, lachte Raffles, „die man bevalt mij. Maar hij moest zijn verstand voor andere dingen gebruiken dan voor deze schurkenstreken. „Laat mij nu eens nadenken, hoe ik dezen heer kan dwarsboomen in zijn plannen en de arme deposanten weer in het bezit van hun geld kan stellen.” Bijna een uur lang zat hij ernstig na te denken. Toen sprong hij op en riep: „Ik heb het gevonden, Charly! Ik las op zijn schrijftafel een brief, waarin een graaf in Italië hem verzoekt, om bij hem te komen, ten einde hypotheek te nemen op de bezittingen en wijnbergen van den graaf. Ik geloof wel te mogen aannemen, dat de schurk daarheen zal reizen en op die reis zal ik nader kennis met hem maken. „Bovendien wil ik een artikeltje tegen hem schrijven. „Neem het volgende stenogram eens op, vermenigvuldig het op de schrijfmachine en zend het aan alle Londensche couranten.” Charly Brand ging aan de schrijftafel zitten en Raffles dicteerde: „Hooggeachte Redactie! Nadat ik zooeven uw artikel over mijn inbraak bij den bankier Felix Meijer-Wolf heb gelezen, ben ik zoo vrij, om, zooals dat altijd mijn gewoonte is, wanneer een bericht niet correct is, u mede te deelen, dat het artikel veel onwaars bevat. Ik moet zelf toch wel het beste weten, hoe zich de zaak heeft toegedragen. Ik verklaar op mijn eerewoord als Engelsche Lord, dat in de brandkast van den heer Felix Meijer-Wolf zich niets anders bevond dan een groot failliet. Ondanks mijn bekend goede oogen, vond ik alleen de kasboeken, verder geen penning. Om mij schadeloos te stellen voor mijn werk, dat bovendien nachtarbeid was, welken ik dubbel bereken, nam ik uit de schrijftafel eenige diamanten mee. Dat is alles, wat ik heb gevonden. Ik verzoek u, dit bericht op te nemen en blijf gaarne met de meeste hoogachting, uw JOHN C. RAFFLES.” Terwijl Charly Brand dit dictaat vermenigvuldigde, nam de groote onbekende de telefoon op en vroeg aansluiting met den heer Felix Meijer-Wolf. Na eenige seconden was deze aan de telefoon. „Hier agent John Smith”, sprak Raffles door de telefoon, „ik ontving hedenmorgen een brief van graaf Travesti uit Florence.” „Wat wil de graaf?” „Ik ken hem reeds verscheiden jaren en heb eenige zaken voor hem afgedaan in Londen. Hij schreef mij, dat hij zich met u in verbinding heeft gesteld wegens beleening van zijn wijnbergen. Hij laat u weten, dat ik hem een andere firma moet aanbevelen, als gij geen haast met de zaak maakt.” „Ik heb hem immers geschreven, dat ik de zaak in orde zal maken. „Misschien hebt gij gelezen, dat bij mij is ingebroken. Ik zou anders morgen reeds naar Florence vertrokken zijn. Schrijf den graaf, dat ik stellig Zaterdagavond op reis ga en Maandag te Florence zal zijn.” „Is dat zeker?” „Bepaald!” „Allright!” John Raffles hing de telefoon op en een tevreden glimlachje vloog over zijn gelaat. Twee uur later bezorgde hij persoonlijk met Charly Brand op een postkantoor in een der voorsteden de brieven voor de redacties der couranten. Toen hij terugkeerde, sprak zijn vriend tot hem: „Ik zal nog heden naar Florence reizen. Je kunt mij naar het station brengen.” Niemand had bij het vertrek den grooten onbekende in diens vermomming herkend. Hij had geheel het uiterlijk en den langen baard van een pas uit Rusland aangekomen Jood. Zelfs de vuile kaftan ontbrak niet en als Charly Brand niet had geweten, dat het zijn vriend was, dien hij vergezelde, dan zou hij zich gegeneerd hebben om ook maar een paar passen met hem af te leggen, daar de voorbijgangers hem met spottende blikken nakeken. Vier beambten van Scotland Yard stonden op het perron, toen Lord Lister in een coupé derde klasse, die hem naar de haven zou brengen, stapte. Ook zij spotten met den Russischen Jood in zijn lange kaftan. Raffles zei Charly Brand vaarwel en toen hij de opmerkingen der detectives hoorde, sprak hij: „Die menschen hebben zeker niets beters te doen dan gekheid maken. „Daar staan zij om John Raffles te vangen en zien het bosch niet door de boomen. „En die noemen zich detective! Het is meer dan prachtig! „Wel, Charly, binnen een paar dagen krijg je bericht van mij. „Denk eraan, morgen als agent John Smith den heer Felix Meijer-Wolf op te bellen en ernaar te informeeren, of hij reeds is afgereisd. „Dat moet je ook den volgenden dag doen en zoodra je bericht hebt, dat hij is vertrokken, moet je mij telegrafeeren onder het adres Harry Weber, hoofdtelegraafkantoor Florence: afgereisd.” De beide vrienden wisselden nog een laatsten handdruk, daarop zette de trein zich in beweging, waarin Raffles zat, die met een bruinen, glimmenden, verbogen en ouderwetschen hoogen hoed uit het venster tot afscheid zwaaide. Toen Charly Brand het perron verliet, schreeuwde een courantenjongen hem in de ooren: „Nieuwste sensatiebericht! Een brief van den grooten onbekende!” Charly Brand kocht een courant en las daarin het hem gedicteerde artikel. Te zelfder tijd las ook inspecteur Baxter het courantenartikel en vroeg aan Marholm: „Wat denkt gij hiervan?” Deze las het artikel en antwoordde: „Het zal de waarheid zijn. Ik heb tot dusverre nog nooit een leugen van Raffles gehoord.” „Maak u gereed”, sprak de inspecteur op ontevreden toon, „en breng den bankier bij mij.” Toen detective Marholm op het kantoor van den bankier kwam, had zich daar een aantal opgewonden deposanten verzameld, welke dringend hun geld verlangden. De bankier stond zelf aan de kas, zwaaide met zijn armen door de lucht en schreeuwde: „Het is een leugen, wat Raffles schrijft. Hij wil zichzelf dekken en mij totaal ruïneeren.” Politieagenten moesten op bevel van detective Marholm de menschen naar buiten jagen en de deur werd gesloten. In weinig woorden deelde de detective mee, dat Meijer-Wolf hem naar Scotland Yard moest volgen. Om geen opzien te verwekken, verlieten zij het gebouw door een achterdeur en bevonden zich een half uur later bij inspecteur Baxter. „Wat hebt gij op dit artikel te antwoorden?” vroeg hij. Bankier Meijer-Wolf hief bezwerend zijn handen op en riep uit: „Mijn arm moge verlammen in mijn graf, als ik u onwaarheid vertel. Alles, wat in dat artikel staat, is gelogen, er is geen woord waarheid bij. Aan de galg moest hij, die hond, die schurk, die dief van een Raffles!” De beambte kwam, na nog eenige verdere vragen gedaan te hebben, tot de overtuiging, dat hij feitelijk, hoewel Raffles waarschijnlijk waarheid schreef, geen enkel bewijs had tegen den bankier en hij liet hem dus gaan. „Jammer”, mompelde hij, „die man moest eigenlijk noodig een paar jaar achter de tralies!” „Ook mijn arm moge in het graf verlammen, als hij niet een doortrapte schurk is”, voegde de vloo eraan toe. „Volgens de wet kunnen wij hem niets bewijzen”, antwoordde de inspecteur van politie schouderophalend, „maar laat ons het verdere verloop der zaak afwachten. Raffles zal het hier zeker niet bij laten. Wij kennen hem immers.” Detective Marholm lachte en antwoordde: „Dat geloof ik ook.” VIJFDE HOOFDSTUK. EEN VALSCHE GEVANGENNAME. Bankier Meijer-Wolf was zeer tevreden over zichzelf en over zijn zaken, toen hij twee dagen na de inbraak de Engelsche Bank verliet met een credietbrief van een half millioen pond sterling, betaalbaar aan hem op de Italiaansche Bank te Triënt. De zaak, welke hij van plan was met den graaf, een der grootste wijnbergbezitters, af te sluiten, maakte het noodig, dat hij over zulk een groot bedrag kon beschikken. Met een voldaan lachje nam de bankier plaats in den trein, die hem naar de boot zou brengen. Hij had niet gelet op Charly Brand, die hem sinds het vertrek van Raffles in het oog hield en die had gehoord, wat hij op de Bank had verhandeld en naast hem aan het loket had gestaan, toen hij een kaartje nam, om naar Triënt te reizen. Nauwelijks was de bankier vertrokken, of Charly Brand verzond het volgende telegram: „Harry Weber, hoofdtelegraafkantoor, Florence. Afgereisd. Credietbrief op Italiaansche Bank Triënt over een half millioen pond sterling. Groeten. CHARLY.” Het eerste, wat de heer Felix Meijer-Wolf te Triënt deed, was, naar de Bank te gaan om zijn geld op te nemen. Hij vertrouwde geen enkele financieele instelling. Hij koesterde wantrouwen tegen iedereen, behalve tegen zichzelf. Het was tegen tien uur in den morgen, en het was in het gebouw van de Bank bij de kas tamelijk vol publiek. Meijer-Wolf had geen haast. Hij ging zitten en begon een courant te lezen. Op eenigen afstand van hem deed een heer hetzelfde. De bankier merkte op, dat de vreemdeling hem af en toe aankeek. „Het zal waarschijnlijk een detective van de Bank zijn”, dacht Meijer-Wolf. Eindelijk stond hij op, en daar alle klanten geholpen waren, begaf hij zich als allerlaatste naar den kassier. Hij overhandigde den credietbrief van de Engelsche Bank. De courantenlezer hoorde, dat de kassier zei: „Wenscht gij het geheele bedrag op te nemen?” „Ja”, antwoordde de heer Felix Meijer-Wolf. „Dat is lichtzinnig van u. Gij kunt uw betalingen ook doen in chèques op onze Bank.” „Ik ben gewend, groote sommen bij mij te dragen. Betaal mij het bedrag uit in banknoten van duizend lire.” Het waren twee lijvige pakken banknoten, die de bankier in zijn leeren handtasch, die hij had meegebracht, wegsloot, nadat hij ze eerst nauwkeurig had nageteld. Toen hij de Bank verliet, voelde hij weer de oogen van den naar zijn meening vermoedelijken detective op zich rusten. De bankier begaf zich nu naar het station om te informeeren, wanneer de eerstvolgende trein naar Ala vertrok. Daar zou hij den eigenaar der wijnbergen, den Italiaanschen graaf, ontmoeten. Hij vernam, dat hij nog vier uur moest wachten en overlegde bij zichzelf, wat hij in dien tijd zou doen. De woorden van den kassier hadden hem een beetje zenuwachtig gemaakt. Hij zag opeens in elken Italiaan, die dichtbij hem stond, een dief, die op zijn geld loerde. Misschien was het toch beter, een schikking te treffen met de Bank en het geld in te wisselen voor chèques. Maar zijn gierigheid stond hem in den weg. Hij wilde de paar procent niet betalen, welke de Bank berekende voor het bewaren van het geld. Daarenboven vertrouwde hij de Bank niet. Vooral Italiaansche Banken waren hem niet veilig genoeg. Het zou dus toch het beste zijn, om het geld in de tasch bij zich te houden. Niemand wist immers, dat hij zulk een groot bedrag bij zich had. Hij verliet het station en wandelde langzaam naar de stad. Het was zeer warm en daar Mr. Meijer-Wolf een barbierswinkel voorbijkwam, besloot hij, omdat zijn haar en baard een schaar dringend noodig hadden, ze te laten knippen. De Italiaansche barbiers waren goedkooper dan de Londensche. Dat was dus weer een klein voordeeltje voor hem. Hij kende weliswaar niet genoeg Italiaansch om zich vloeiend te kunnen uitdrukken, maar hij veronderstelde, dat men hem toch zou begrijpen. De barbier, die korten tijd geleden uit Napels naar Triënt was gekomen, begreep dat, wat de heer Felix Meijer-Wolf wenschte, echter in ’t geheel niet. De bankier moest het hem door allerlei gebaren duidelijk maken en, terwijl hij met twee vingers een knipbeweging maakte, wees hij naar zijn lange haren. Een lachje gleed nu over het gelaat van den barbier, ten teeken, dat hij den vreemdeling had begrepen. De heer Felix Meijer-Wolf nam dus plaats; de collega van den beroemden meester uit Sevilla nam kam en schaar, kamde met groote handigheid den baard uit en met nog grootere snelheid knipte hij in het lang neergolvende haar, zoodat tot grooten schrik van Felix Meijer-Wolf bijna de helft van den baard op den grond viel. Met een kreet van verontwaardiging duwde hij den barbier achteruit. Een stroom van scheldwoorden eenerzijds en een vloed van Italiaansche verontschuldigingen anderzijds volgde. Mr. Meijer-Wolf zag er afschuwelijk uit. De haarkunstenaar maakte hem duidelijk, dat hij met zulk een baard zich niet op straat kon vertoonen en Mr. Meijer-Wolf zag in, dat de barbier volkomen gelijk had. Er bleef hem niets anders over dan zich verder toe te vertrouwen aan den haarartist. Met een klein puntbaardje verliet de bankier eindelijk den barbier en hij was volkomen onkenbaar geworden. Op straat liep hij bijna tegen een heer aan, in wien hij dadelijk den vermeenden detective herkende. Deze zette een verbaasd gezicht en toen hij verder ging, vloog een eigenaardig glimlachje over zijn gelaat. Toen de bankier over het groote stationsplein naar een hotel liep om daar te gaan dineeren, woei er een koude wind, die van de bergen kwam en plotseling voelde hij hevige kiespijn. Daarom besloot hij naar de naastbijzijnde apotheek te gaan om chloroform te halen. De apotheker vertelde hem, dat hij dit middel niet zonder een doktersrecept mocht verkoopen, en hij gaf hem het adres van een dokter, die dichtbij woonde. Nadat de bankier den dokter had uitgelegd, wat hij wenschte, schreef deze hem het geneesmiddel voor. Meijer-Wolf ergerde zich over den onbeschaamden prijs, dien de dokter vroeg, maar de kies hinderde hem toch nog meer dan het geld, dat hij uit moest geven om van de pijn af te komen. In de apotheek kreeg hij het geneesmiddel en hij stak het fleschje met een pakje watten in zijn zak. Nu begaf hij zich naar de restauratie van het hotel om te dineeren. Toen hij daar bij een kellner die Duitsch en Engelsch sprak, een maaltijd had besteld, overeenkomende met zijn gierigheid, nam hij een courant op en wel een Fransche, welke in Italië voor de vreemdelingen verschijnt. Het eerste wat hem opviel, was een vet gedrukt artikel. NIEUWE SPOORWEGDIEFSTALLEN! 1000 KRONEN BELOONING. Eindelijk iets gevonden. De politie is den misdadiger op het spoor. Tusschen de stations Bozen en Triënt hadden, zooals onze lezers zich zullen herinneren, in de laatste nachten beroovingen plaats van reizigers der eerste klasse. Het is den onbekenden misdadiger gelukt, zich, door verdooving zijner medereizigers, hun bezittingen toe te eigenen. Gisterennacht werd wederom een Duitscher geplunderd. Het gelukte hem zich te verdedigen en door zijn hulpkreten de aandacht te trekken. Hoewel de trein in volle vaart was, waagde de misdadiger het, vlak bij Triënt uit de coupé te springen, nadat de berooving plaats vond. Daarna is hij verdwenen. De misdadiger wordt beschreven als een man van in de veertig met bruinen puntbaard, grijze oogen en met pokdalig gelaat. Naar zijn spraak te oordeelen, moet hij een Rus zijn. Men mag veronderstellen, dat de dief zich te Triënt bevindt. Alle reizigers worden er op attent gemaakt, zich in acht te nemen voor een persoon als boven omschreven. De Oostenrijksche Regeering looft een belooning van duizend kronen uit voor de gevangenneming van den misdadiger.— Mr. Meijer-Wolf las het artikel en hij kreeg kippevel. Hij dacht aan zijn handtaschje met het halve millioen, dat naast hem op een stoel stond. Daarop kwam hem de vreemdeling voor den geest, dien hij op de Bank had gezien en die hem op zoo opvallende wijze achtervolgde. Misschien was het de misdadiger, die hem reeds in het oog hield. Maar hij bedacht, dat deze man immers geen bruinen baard had, doch glad geschoren was. Hij maakte volkomen den indruk van een Engelschman of Amerikaan, niet dien van een Rus. De kellner, die hem op dit oogenblik de soep bracht, wierp een doordringenden blik op hem en sprak: „Gij ziet zeer bleek, mijnheer, zijt gij niet wel?” „Ik ben geschrokken van een courantenbericht.” „Zoo,” antwoordde de kellner, „zeker dat wat handelt over spoorwegdieven?” „Ja! Meent gij, dat men hem, met behulp van dit signalement, eindelijk zal vangen?” De kellner lachte spottend. „Dat signalement zou op meerdere personen toepasselijk kunnen zijn. Bijvoorbeeld—mijnheer moet er niet boos om worden—maar mijnheer is pokdalig, uw gelaat is omgeven door een bruinen puntbaard, gij hebt grijze oogen en spreekt Fransch en Duitsch met een Russischen tongval. En mijnheer is toch zeker de spoorwegdief niet?” De kellner glimlachte. „Groote goedheid!” riep Meijer-Wolf uit, „waaraan denkt gij, man, zie ik er uit als een spoorwegdief?” „Ik bedoelde ook alleen wegens de beschrijving van het uiterlijk.” „Wat beteekent dat! Er zullen wel veel eerlijke menschen zijn, die daarop gelijken.” „Ongetwijfeld,” antwoordde de kellner, „en daartoe behoort mijnheer ook!” Terwijl Meijer-Wolf het diner gebruikte, merkte hij niet op, dat de kellner en diens collega’s hem vol wantrouwen stonden op te nemen. Zij waren het er blijkbaar niet over eens, of de gast toch niet werkelijk de spoorwegdief was. Iedereen zou graag duizend kronen verdienen. De bankier betaalde na eenigen tijd het diner en begaf zich naar het station. De trein zou eerst over een half uur vertrekken en daarom wandelde hij, een sigaret rookend, op het perron heen en weer. Hij had een kaartje eerste klasse genomen om met zoo weinig mogelijk reizigers samen te zijn. Hij wilde ook probeeren met behulp van een fooi een coupé alleen te krijgen van den conducteur. Eindelijk stoomde de trein het station binnen, een haastig uitstappen en dringen van reizigers volgde en de bankier snelde naar een coupé eerste klasse, opende de deur en zag, dat er niemand in was. Het deed hem genoegen, dat hij zijn fooi kon sparen, want hij was blijkbaar de eenige eerste klasse-reiziger. Dicht bij zijn coupé stond de conducteur en op het oogenblik waarin de beambte het sein tot vertrek gaf, snelde nog een man het perron over en naar de coupé toe, waarin Mr. Meijer-Wolf zat. Gedienstig opende de conducteur de deur van den reeds in beweging zijnden trein en liet den vreemdeling instappen. Een vreeselijke angst maakte zich meester van den heer Meijer-Wolf. Opnieuw voelde hij, dat hij kippevel kreeg, want de vreemde reiziger, die juist was ingestapt, was de vermeende detective, dien hij in het gebouw van de Bank had ontmoet. Zonder zich om hem te bekommeren, zette de vreemdeling zijn reistasch in het bagagenet, ging op zijn gemak tegenover den heer Felix Meijer-Wolf zitten, stak een sigaret aan en haalde zijn courant te voorschijn. De bankier was niet zeer dapper, integendeel. Hij was een ware lafaard. Overal zag hij vijanden, roovers en dieven, en het geld, dat hij bij zich droeg, zag hij steeds door misdadigers bedreigd. Wantrouwend keek hij naar den vreemdeling en in zijn fantasie werd deze de algemeen gezochte spoorwegdief. Wel had de man geen pokdalig gelaat, maar de reiziger, die den roover had beschreven, kon zich wel vergist hebben. Daarenboven had de vreemdeling ook geen bruin puntbaardje, maar dat kon hij—en de heer Felix Meijer-Wolf dacht aan zijn eigen baard—wel hebben laten afscheren. Steeds zekerder was de bankier er van overtuigd, dat de vreemdeling en de zoozeer gevreesde spoorwegdief een en dezelfde persoon waren. Langzaam zochten zijn oogen naar de noodlijn. Die bevond zich aan den buitenkant van het venster en dat moest eerst worden geopend om er bij te kunnen. Het begon reeds donker te worden en de lichten werden opgestoken in den waggon. De vreemdeling stond op en met een blik op den bankier sprak hij: „Gij vindt het zeker wel goed, dat ik aan mijn kant het schermpje voor de lamp neerlaat. Het licht hindert mij aan mijn oogen.” Felix Meijer-Wolf dwong zichzelf om vriendelijk te glimlachen en dacht: „Hij wil het donker maken om mij daarna te vermoorden.” De vreemdeling trok het schermpje half neer en nam daarna weer zijn plaats tusschen de kussens in. „Het is vandaag kouder dan anders,” zoo begon hij een gesprek. Felix Meijer-Wolf knikte zonder te antwoorden. Hij herinnerde zich, in de couranten gelezen te hebben, dat de spoorwegdieven altijd een gesprek aanknoopten met hun slachtoffers, om hun een gevoel van veiligheid te geven. De bankier mompelde daarom iets, wat de vreemdeling niet kon verstaan. „Zijt gij een Rus?” vroeg de vreemdeling. Nu moest de bankier antwoorden. „Ik ben een Londenaar,” bromde hij. En de gedachte kwam bij hem op, dat het hem misschien zou kunnen gelukken om door sluwheid den vreemdeling, wanneer deze werkelijk de spoorwegdief was, op een dwaalspoor te brengen. Hij wilde hem tot de overtuiging brengen, dat hij een arme man was, die niets bezat. Hij vervolgde daarom: „Ik ben reiziger van een lakenfabriek in Londen en bereis Italië om orders op te nemen voor mijn firma. Ik ben nu weer op weg naar huis. „Ik heb slechte zaken gedaan. Ik geloof niet, dat ik zooveel heb verdiend, als mijn reis kost. „Uit mijn zak heb ik er mijn spaarduitjes nog bij moeten leggen en keer nu platzak naar huis terug.” De vreemdeling lachte. Het was een lach, die den bankier niet beviel. Hij wist niet of de bedoeling ironisch was of niet. Waarom lacht deze man? zoo dacht de bankier en geërgerd sprak hij: „Reist gij misschien ook in laken, dat gij u zoo amuseert over het feit, dat ik niets heb verdiend?” „Juist,” antwoordde de vreemdeling, „ik reis in stropdassen en af en toe handel ik in wissels. Dat is een uitstekende combinatie. Er is eigenlijk geen onderscheid in die twee artikelen, zij gelijken precies op elkaar.” „Hoe bedoelt gij dat? Wat hebben stropdassen met wissels te maken?” Opnieuw lachte de vreemdeling. „Wissels hangt men den menschen aan den hals en aan een strop hangt men de schurken op. Wissels worden over dwars geschreven en een stropdas draagt men over dwars.” „Een zeer gezochte vergelijking, mijnheer! Wat gij vertelt, is lang niet juist.” „Niet zoo onjuist als dat, wat gij vertelt,” antwoordde de vreemdeling, „want als gij zegt, dat gij platzak naar Londen reist, dan zou ik wel eens willen weten, van wien al het geld is, dat gij op de Bank uitbetaald kreeg.” Mr. Meijer-Wolf hief zijn handen in de hoogte. „Wie was op de Bank? Wien hebt gij op de Bank gezien? Hebt gij mij op de Bank gezien?” „Maar natuurlijk!” lachte de vreemdeling, „mijn geheugen is uitstekend. Ik heb gezien, dat gij heden een credietbrief van de Engelsche Bank ter betaling hebt aangeboden.” Felix Meijer-Wolf werd steeds zenuwachtiger. Nu viel er niet meer aan te twijfelen, de vreemdeling had hem herkend en doorzag zijn bedoelingen. Wie kon zich anders voor zijn geld interesseeren dan de spoorwegdief? Goede Hemel! Hoe zou deze geschiedenis afloopen! De vreemdeling stak een nieuwe sigaret aan en sprak: „Ik weet absoluut niet, waarom gij mij een dergelijk leugenachtig verhaal opdischt. Hebt gij daarmee een bedoeling?” De bankier sidderde. „Ik heb zelf,” vervolgde de vreemdeling, „een groote som bij mij en reis daarom met u samen in dezelfde coupé.” „Met mij? Waarom?” „Heel eenvoudig,” antwoordde de vreemdeling, „gij hebt waarschijnlijk in de couranten gelezen, dat in de laatste weken hier spoorwegdiefstallen zijn gepleegd. Daarom heb ik tot mij zelf gezegd, dat men veiliger reist in gezelschap van een man, die ook een groote som gelds bij zich heeft.” Mr. Meijer-Wolf zat op heete kolen. Als gehypnotiseerd keek hij den vreemdeling in de oogen. „Ik herhaal u, mijnheer, dat gij u vergist. Het is waar, ik heb voor betalingen van mijn chef een som gelds van de Bank opgenomen. Maar slechts met die bedoeling om het geld uit naam van mijn chef aan Italiaansche leveranciers te betalen. „Voor het overige heb ik geen penny bij mij.” Nu lachte de vreemdeling luidkeels. „Gij zijt een grappig mensch. Ik geloof, dat gij mij dat alles slechts vertelt, omdat gij meent, dat ik de in de couranten beschreven spoorwegdief ben. Heb ik goed geraden?” „Mijn handen mogen in het graf verlammen, als ik ooit aan zoo iets heb gedacht.” „Waarom vertelt gij mij dan zulke dwaze verhalen? Ik ken u nauwkeurig en weet wie gij zijt.” De bankier haalde zenuwachtig zijn wenkbrauwen op. „Weet gij, wie ik ben?” „Ja,” antwoordde de onbekende, „als gij uw eigen naam soms vergeten mocht zijn, dan wil ik u dien gaarne mededeelen.” De bankier durfde nauwelijks ademhalen. „Gij zijt een Londensch bankier,” vervolgde de vreemdeling, „en uw naam is Felix Meijer-Wolf.” „Barmhartige gerechtigheid!” stamelde de bankier, vol schrik den onbekenden medereiziger aanstarend. „Ik weet nog meer,” vervolgde de vreemdeling. „Gij zijt eenige dagen geleden, zooals de couranten hebben vermeld, bestolen en wel door een zekeren Raffles, die meer dan een half millioen van u meenam, de gedeponeerde gelden, die het eigendom zijn van uw cliënten. „Ik weet niet, of gij hebt gelezen, dat in de couranten een antwoord van Raffles stond, waarin hij verklaarde, in uw brandkast niets te hebben gevonden, geen enkelen penny.” De haren van den bankier rezen te berge. De vreeselijke onbekende kwam hem voor als een monsterachtig wezen. „Hebt gij de couranten gelezen?” herhaalde de vreemdeling. „Neen,” antwoordde Mr. Meijer-Wolf, „ik weet in het geheel niet, wat gij bedoelt. Bij mij is niet ingebroken en ook van dat geld weet ik niets. Gij moet u in den persoon vergissen. Ik ben geen Londensch bankier.” Opnieuw gleed een vroolijk spotlachje over het gelaat van den vreemdeling en hoonend blies hij den bankier den rook zijner sigaret in het gelaat. „Ik stel buitengewoon veel belang,” zoo vervolgde de onbekende, „in alle soorten van misdaden.” „Zoo, zoo,” mompelde de ander. „Wat denkt gij van den spoorwegdief, die gedurende de laatste weken de treinen onveilig maakte? Misschien hebt gij in de couranten van hem gelezen?” „Neen,” loog de bankier steeds zenuwachtiger, „ik stel geen belang in dergelijke dingen.” „Dat verbaast mij. Als men veel reist, moet men toch belang stellen in zulke geschiedenissen.” „Ja, ja, gij hebt groot gelijk— —” „Voelt gij u niet wel?” „Jawel, dank u,” antwoordde hij, „maar het is hier zoo vreeselijk warm in de coupé. Misschien kunnen wij het raampje een eindje open zetten.” „Ik zal dat aan den anderen kant openen,” sprak de onbekende, terwijl hij opstond. Het was het raampje, waarbij zich de noodrem niet bevond. Meijer-Wolf zei tot zichzelf, dat de vreemdeling dat met opzet had gedaan. „Misschien wilt gij een beetje cognac van mij gebruiken?” vroeg hij op vriendschappelijken toon. „Hij wil mij vergiftigen,” dacht de bankier, „de hemel sta mij bij.” „Dank u,” sprak hij luide, „ik heb last van kiespijn.” „Dan begrijp ik niet,” antwoordde de vreemde reiziger, „waarom gij het venster laat openen. De koude luchtstroom zal uw pijn erger maken. „Maar ik heb wel wat chloroform bij mij, misschien kan ik u daarmede van dienst zijn?” Opnieuw kreeg de bankier kippevel. Nu was het hem duidelijk, dat de vreemdeling hem eerst wilde verdooven en dan plunderen. „Dank u,” stamelde hij, „ik heb zelf chloroform bij mij. Kijk eens hier.” Hij haalde een klein pakje uit zijn vestzak en maakte het open. Een zoetachtige lucht vervulde de coupé. Hij deed een paar druppels op een stukje watten en stak dit in zijn holle kies. De vreemdeling stond dicht bij hem. „Zal ik u helpen?” Het koude angstzweet stond op het voorhoofd van den heer Felix Meijer-Wolf. Hij was stellig van meening, dat de volgende minuten over zijn leven zouden beslissen. Met zijn laatste restje wilskracht trachtte hij op te staan en aan de noodrem te trekken. Hij maakte een beweging naar het venster, zoodat de vreemdeling verbaasd vroeg: „Wat wilt gij eigenlijk? Wat mankeert u?” De bankier raapte al zijn moed bijeen en antwoordde: „Ik ken u, ik weet, dat gij de spoorwegdief zijt!” „Daarvoor behoeft gij u niet zoo op te winden,” lachte de vreemdeling, „gij zijt werkelijk ziek.” „Neen!” schreeuwde de heer Felix Meijer-Wolf, „ik ben niet ziek, ik ben volmaakt gezond en ben sterk als twee beren. „Bovendien heb ik in elken zak een Browningpistool. Ha! Ik verzeker u, dat ik hetzelfde handwerk uitoefen als gij! „En als gij meent, dat gij iets met mij zult kunnen uitrichten, vergist gij u zeer. De eene dief is niet bang voor den anderen.” „Zijt gij gek?” riep de vreemdeling. „Als ik had geweten, dat ik met een krankzinnige samenreisde, had ik een andere coupé gezocht.” „Ik wil aan de noodrem trekken,” schreeuwde de bankier, „terug, of ik schiet!” „Dat zal ik liever zelf doen,” antwoordde de vreemdeling lachend, „want een mensch, die in iederen zak een Browning draagt, sterk is als twee beren, krankzinnig en die bovendien een schurk is, moet iemand werkelijk vrees inboezemen.” „Ga weg!” riep Meijer-Wolf uit, „ga weg, of ik schiet. Gij zijt de spoorwegdief. Terug!” „Ik zal even aan de noodrem trekken,” antwoordde de vreemdeling, „men zal u gevangen nemen. Gij hebt chloroform bij u en wie weet, wat daar nog in dat valiesje is. Nu zal ik den trein laten stilstaan. Begrijpt gij?” De bankier begreep. In het volgende oogenblik had de vreemdeling het raampje geopend en aan de noodrem getrokken. Een schrille fluit van de locomotief weerklonk door den stillen nacht, alle remmen werkten en, den vreemdeling op zij duwend, schreeuwde Meijer-Wolf aan het venster: „Hulp!—Hulp!—Moord!” Met een korten ruk bleef de trein staan. De bankier werd door den schok van het venster weggeslingerd, daarop voelde hij een slag en bewusteloos viel hij neer. De deur werd opengetrokken, de conducteurs kwamen aangesneld en vroegen: „Wat is er gebeurd?” Op den vloer der coupé lag de bewustelooze Felix Meijer-Wolf, de vreemdeling stond er naast en sprak: „Die man wilde mij overvallen. Hij heeft Browningpistolen en chloroform bij zich en is naar mijn meening de spoorwegdief, die door de politie wordt gezocht.” Als een bende jachthonden sleurden de beambten den bankier uit de coupé. Zij hielden een lamp bij het gelaat van den bewustelooze en zagen, dat hij pokdalig was en een bruinen puntbaard droeg. „Het is de spoorwegdief!” riepen zij en toen Meijer-Wolf vijf minuten later tot bewustzijn kwam, was hij in een goed gesloten coupé opgesloten en flink geboeid met stevige touwen, terwijl de trein zich weer in beweging had gezet. Tegenover hem zat een Italiaansche spoorwegbeambte met een revolver in de hand; deze man spuwde op den grond en riep uit: „Roover, misdadiger, dief! Je zegt geen woord, of ik leg je voor goed het zwijgen op.” Tevergeefs rukte de bankier aan zijn boeien, maar zij waren solide en de beambte lachte hoonend. Reeds aan het volgende station moest Meijer-Wolf uitstappen en, onder geleide van Oostenrijksche ambtenaren, werd hij naar de gevangenis gebracht. Ondanks zijn tegenstribbelen ontnam men hem zijn horloge, zijn ring, zijn beurs en andere kleinigheden, deed hem handboeien aan en sloot hem in een donkere cel. Den volgenden morgen werd hij bij den rechter van instructie gebracht, die hem nieuwsgierig en vol belangstelling opnam. De rechter was een jonge man, van hoogstens dertig jaren. Vlak bij de deur stonden twee Oostenrijksche gendarmen en keken met grimmige blikken naar den vermeenden spoorwegdief. De bankier was door alles, wat er met hem gebeurde, zóódanig van streek, dat hij nauwelijks wist hoe zich te gedragen. De rechter van instructie las hem een lang strafregister voor van alle misdaden, die hij bedreven zou hebben, en drong er in aansluiting hierop bij hem aan, de waarheid te spreken, en zijn waren naam te noemen. „Ik heet Felix Meijer-Wolf,” schreeuwde hij opgewonden tegen den rechter van instructie, „ik heb in mijn heele leven nog geen spoorwegdiefstal gepleegd.” „Schreeuw niet zoo,” sprak de rechter van instructie, „anders laat ik u wegbrengen, en zoo lang in uw cel opsluiten, totdat ge wat gekalmeerd zijt. „Hoe kunt ge bewijzen, dat gij Felix Meijer-Wolf heet?” „Op welke wijze?” vroeg de bankier, „door mijn portefeuille, waarin zich mijn papieren bevinden.” De rechter van instructie opende het pakje, waarin de voorwerpen zaten, die den bankier waren afgenomen. Hij haalde er een groene portefeuille uit, waaruit hij eenige papieren nam. Met buitengewone belangstelling begon hij den inhoud door te lezen. Hij bemerkte niet, dat het gelaat van den bankier vaalbleek was geworden. Dat was niet zijn portefeuille, zooals hij tot zijn schrik bemerkte. De zijne was van rood leer, deze echter was groen. Tevergeefs brak hij zich het hoofd, hoe hij aan deze was gekomen. „Zeer interessante dingen, die ik hier ontdek,” mompelde de rechter van instructie, „gij hebt inderdaad alle reden mij uwen waren naam te verzwijgen.” „Die portefeuille behoort mij niet! Dat is mijn eigendom niet!” De rechter van instructie lachte ironisch. „Die bewering heb ik van u verwacht. Doch het baat u niet, mijn vriend. De beambten hebben u dat ding persoonlijk afgenomen en zullen onder eede verklaren, dat de portefeuille u toebehoort.” „Zij behoort mij niet!” riep de bankier uit. „Men heeft ze mij in den zak gestopt, nadat men mij de mijne heeft ontrold.” „Zwijg,” sprak de rechter van instructie streng, „en beleedig geen beambten. „Wilt ge wellicht beweren, dat deze u uit de grap uw portefeuille hebben ontrold en een andere er voor in de plaats hebben gestoken? Een gemeene uitvlucht. Zal ik u eens zeggen, wie gij zijt?” „Ik wensch den Engelschen consul te spreken!” viel de bankier hem in de rede. „Daar spreken we later over. Naar uw spraak te oordeelen, zijt gij geen Engelschman, doch een Rus.” „Ik ben Engelschman, twee jaar geleden uit Rusland naar Londen gekomen.” „En sedert maakt ge de wereld als een tweede Raffles onveilig, niet waar?” Meneer Felix Meijer-Wolf sprong twee schreden achteruit. Buiten zichzelve riep hij: „Wat? God moge mij straffen en ik zal gevloekt worden; wat heb ik met dien grooten gauwdief, dien Raffles te maken? Bestolen heeft hij me drie weken geleden, bestolen, meneer de rechter van instructie! Een half millioen heeft hij me ontnomen en toen was hij verdwenen.” Het gelaat van den rechter werd nu rood van toorn. „Houd nu op met comedie spelen! Mij maakt ge niets wijs. Ik ben geen Engelsche rechter, ik bezit niet de vertrouwelijkheid van mijne collega’s aan de overzijde van het Kanaal, aan wie gij uwe onschuldige verhalen kunt opdisschen.” „Gij vergist u, meneer de rechter,” brulde de bankier vol wanhoop. „God moge mij straffen, wanneer gij u niet vergist. Ik ben een eerlijk, Engelsch bankier.” „Zwijg thans! Ik zal u confronteeren!” De rechter schelde, en uit de voorkamer trad de vreemdeling binnen. Met open mond staarde de bankier den onbekende aan. De rechter boog en verzocht hem op een stoel plaats te nemen. „Hoe is uw naam?” De vreemdeling haalde eenige papieren uit den zak en legde ze op de schrijftafel van den rechter. „Mijn naam is Felix Meijer-Wolf. Hier zijn mijn identiteitspapieren, meneer de rechter.” De bankier dacht door den grond te zinken. Zoo’n brutaliteit was hem nog niet overkomen. „Dat zijn mijn papieren, meneer de rechter,” schreeuwde hij luid, „God moge mij straffen, hij heeft ze mij ontstolen.” „Stil!” riep de rechter met donderende stem en keek den delinquent woedend aan. Hij gaf den onbekende de papieren terug en zei: „Vertel ons alstublieft nog eens het gebeurde.” De onbekende, of zooals hij zich had voorgesteld, meneer Felix Meijer-Wolf, kuchte en begon: „Ik was in Triënt in een coupé eerste klasse gestapt, daar ik een groote som gelds bij mij droeg. Het is anders niet mijn gewoonte eerste klasse te reizen. „In de coupé zat deze heer. Daar ik een lange reis achter den rug had, en mij hier tijdelijk voor zaken met den graaf Travesti in Ala ophield, was ik zeer vermoeid en viel in slaap. „Doch ik sliep niet vast genoeg om niet te bemerken, dat er plotseling een zoete bedwelmende geur in mijn neus drong. „Ik sprong overeind, gaf den man die voor mij stond een duw, trok aan de noodrem en wierp hem op den grond.” „Bravo!” riep de rechter van instructie uit. Tegelijkertijd haalde hij uit het pakje een fleschje met chloroform en hield het den bankier voor den neus. „Is dit het fleschje chloroform, dat gij in uw bezit hadt?” De bankier was zoodanig van streek, dat hij niet meer helder kon denken. Hij meende zijn positie door een leugen te kunnen verbeteren en antwoordde: „Ik ken het fleschje niet!” Dat was zijn ondergang. Opnieuw schelde de rechter en liet een kleinen, dikken Italiaan binnenkomen, in wien de bankier direct den apotheker herkende. „Signor Spraghetti”, sprak de rechter van instructie tot hem, „kent gij dien man daar?” De apotheker wierp een scherpen blik op den bankier en gaf ten antwoord: „Jawel, Edelachtbare, die man kocht gisteren bij mij een fleschje chloroform, natuurlijk op voorschrift van den dokter.” „Wilt gij nu nog ontkennen?” wierp de rechter van instructie den bankier naar het hoofd. Zoo wit als een doek zat de bankier op zijn stoel en antwoordde slechts met een zucht: „Neen!” „Gij geeft dus toe, dat dit fleschje met chloroform u toebehoort?” „Jawel”, antwoordde de gevangene. „Ik had kiespijn en daarom kocht ik dat.” De rechter van instructie moest nu luid lachen, en alle aanwezigen deden mee. „Dus gij hadt kiespijn?” hoonde hij. „Nu, uw kiespijn heeft een voor ons gelukkig gevolg gehad. „Ik geloof, dat gij uw positie alleen kunt verbeteren door een volledige bekentenis af te leggen.” Nog eenmaal verzamelde de bankier al zijn wilskracht en riep: „Ik heb niets te bekennen. Ik ben geen Raffles! Gij zoudt evengoed Raffles kunnen zijn! Ik heb niemand beroofd. Ik ben een eerlijk man. „Zend den Engelschen consul bij mij en ik zal alles ophelderen. Die man daar heeft mij beroofd. Neem hem gevangen en stop hem in plaats van mij in de cel.” „Onbeschaamde brutaliteit”, donderde de rechter van instructie. Daarop wenkte hij den beambte en riep: „Leid den gevangene weg en bewaak hem goed.” In weer wil van zijn luid protest werd de bankier naar de gevangenis teruggebracht. In den loop van den dag werden er opnieuw bezwarende beschuldigingen tegen hem ingebracht. De kellner uit het restaurant vertelde den rechter van instructie het gesprek, dat de bankier tijdens het diner met hem had gehouden, en met zijn zuidelijke levendigheid kleurde hij de dingen sterker dan noodig was en met de waarheid overeenkwam. Hij zei, dat de gevangene, toen hij het artikel over zijne rooverijen in de couranten las, vreeselijk geschrokken was. Daarop kwam de barbier en vertelde, dat de gevangene zich bij hem den baard had laten wegnemen. Eveneens traden twee spoorwegbeambten op, die den trein hadden gehad. Zij meenden stellig in den gevangene den gezochte te herkennen. Steeds meer werd het net om Meijer-Wolf dichtgehaald. De bankier raasde en vloekte als een krankzinnige in zijn cel. Zoodra hij voor den rechter van instructie werd gebracht, overlaadde hij dien met allerlei verwenschingen, of wel hij smeekte kermend en medelijdend. Slechts één ding was er, dat hem nu en dan kalmeerde. Hij had weliswaar zijn geld verloren, doch de treindief had hem tenminste niet van het leven kunnen berooven. Tegelijkertijd verscheen in de courant het eene artikel na het andere, volgens hetwelk Raffles, de langgezochte Raffles, in handen der politie was gevallen. Bijna een week had het verhoor geduurd, alvorens de Engelsche consul den gevangene opzocht en met hem spreken kon. „Ik bezweer u!” riep de bankier uit, „red mij en telegrafeer aan den inspecteur van politie Baxter te Londen, dat hij hierheen komt om mij te identificeeren. „Ik ben Raffles niet, ik ben Felix Meijer-Wolf!” Te zelfder tijd, dat dit gesprek plaats vond, werd in Londen de inspecteur van politie Baxter per telefoon opgeroepen. „Wie daar?” vroeg hij. „Hier bankier Felix Meijer-Wolf”, antwoordde eene stem met Russisch accent. „Ik wilde u alleen maar vragen, meneer de inspecteur van politie, of er al iets gebeurd is. Ik meen in de couranten te hebben gelezen, dat Raffles in Italië gevangen genomen is. Ik las zelfs, dat hij zich mijn naam had toegeëigend.” „Onzin!” antwoordde de inspecteur van politie Baxter, „dat is een misverstand van de overheid daar. Ik heb het berichtje ook al gelezen. Raffles zal het in geen geval zijn, doch de een of andere misdadiger, die van de berichten over de door hem gepleegde inbraken partij heeft getrokken.” „Jammer”, antwoordde de vermeende heer Felix Meijer-Wolf, „ik heb de hoop, mijn geld terug te krijgen, nog steeds niet opgegeven. Mocht er hier of daar wat gebeuren, deel het mij dan alstublieft mee.” Een uur later ontving politie-inspecteur Baxter het volgende telegram: Inspecteur van politie Baxter, Londen. Hier is iemand gevangen genomen, die verdacht wordt Raffles te zijn. Signalement: Oogen: grijs. Haar: bruin, kort geknipt. Baard: bruin, puntig geknipt, kort. De persoon geeft voor, de in Londen woonachtige bankier Felix Meijer-Wolf te zijn. Verzoeke uw oordeel. Consul Power, Triënt. „Walgelijke grappenmakerijen”, vloekte de inspecteur van politie. Daarop snelde hij naar het telegraafkantoor in Scotland Yard, en twee uur later ontving consul Power het volgende telegram: „Gevangene liegt. Heb zelf een uur geleden met bankier Felix Meijer-Wolf gesproken. Volgens beschrijving is het echter ook Raffles niet. Waarschijnlijk een misdadiger, die zich achter Raffles verbergen wil. Inspecteur van politie Baxter, Scotland Yard.” De consul snelde direct met het telegram naar den rechter van instructie, en beiden lieten ze den gevangene voorbrengen. „Houd nu eindelijk eens op met liegen”, zei de rechter van instructie, „het helpt u toch niets, zooals ge ziet. „Degene, voor wien gij u uitgeeft, bevindt zich alweer in Londen en heeft, zooals ge uit het telegram ziet, persoonlijk met den inspecteur van politie Baxter gesproken.” Dat was als een donderslag voor den gevangene. Hij voelde zich meer dood dan levend. „Dan heb ik een dubbelganger”, riep de bankier uit, „of wel het telegram is vervalscht.” Nu verloor ook de Engelsche consul zijn geduld. „Gij schijnt een zeer gevaarlijk sujet te zijn”, sprak hij Mr. Meijer-Wolf aan. „Ik had me ook bijna door u laten bedriegen. Gij hebt niet verdiend, dat ik mij voor u heb geïnteresseerd. De ondervinding, door u opgedaan, zal mij in het vervolg een waarschuwing zijn.” „Ik zweer u nogmaals, meneer de consul!” riep de bankier uit, „dat ik Felix Meijer-Wolf uit Londen ben.” „Ik heb gedurende mijn heele loopbaan nog niet zoo’n dikhuidig mensch leeren kennen als dezen”, bromde de rechter van instructie. „Een heel gevaarlijk sujet”, stemde de consul toe. Daarop werd de bankier weer in verzekerde bewaring gesteld. Tevergeefs pijnigde hij zijn hoofd, hoe hij zich zou verdedigen. Hij vond werkelijk geen uitkomst. Terneer geslagen zat hij in zijn cel, terwijl het gerecht het proces tegen hem voorbereidde. Op zijn verzoek kreeg hij verlof een verdediger te nemen. Hij had in zijn portemonnaie een som van tweehonderd Lire gehad, en dat bedrag was voldoende om een Italiaansch advocaat te vinden, die zijn verdediging op zich wou nemen. Signor Carosi stond in Triënt bekend als zeer bekwaam advocaat, die reeds dikwijls in de meest wanhopige processen zijn cliënt van het schavot had gered. Hij stond onder zijn collega’s als een vos bekend. Toen hij den bankier in zijn cel opzocht, hoorde hij eenige minuten de onschuld-beweringen van den gevangene aan, klopte hem daarna geruststellend op den schouder en zei: „Hoor mij nu eens aan: „Wat gij daar gezegd hebt is onzin. Dat redt u niet van de 12–15 jaar gevangenisstraf, die u wacht. „Bedenk vóór alles, dat ik niet uw rechter, doch uw verdediger ben. „Mij hebt gij de waarheid te zeggen, anders kan ik niet tegenover den rechter voor u optreden.” „Ik ben onschuldig, meneer de advocaat”, bezwoer de bankier, „ik ben zoo onschuldig als een pasgeboren lam.” De advocaat lachte. „Waarvoor hebt u dan een verdediger noodig? Ik kan u alleen verdedigen en uw vrijspraak trachten te verkrijgen, wanneer ik inderdaad weet, dat gij de misdadiger zijt, voor wien men u houdt. „Hoor nog eens goed toe: „Al uw liegen helpt u niets. Gij krijgt zoo zeker, als ik hier voor u sta, uw 20 jaren, als het ons niet gelukt, de een of andere interessante geschiedenis te vinden, die de rechters mild stemt. „Hebt gij niet de een of andere liefdesgeschiedenis, die u tot de spoorwegdiefstallen heeft gedreven? Wanneer gij er geen hebt, zal ik er een voor u opbouwen. Laat u vóór alles gezegd zijn: „Geef gerust toe, zooals ook werkelijk het geval is, dat gij een gemeene gauwdief zijt, doch probeer het met verzachtende omstandigheden. „Dan komt ge er veel goedkooper af, misschien met vijf à zes jaar.” Hetgeen de verdediger voorstelde was niet bemoedigend. Doch de bankier beloofde alles te doen, wat de advocaat wenschte. Om zich uit zijn benarde positie te redden, zou hij in een moord hebben toegestemd. Eén hoop had hij nog, dat was de kassier van de bank, die zijn credietbrief had ingelost, doch deze herkende hem door de veranderde baarddracht niet. Hierdoor ontzonk den gevangene de laatste hoop. ZESDE HOOFDSTUK. RAFFLES KOMT TE HULP. Drie dagen vóór het einde van den termijn ontving meneer Felix Meijer-Wolf in zijn cel bezoek van een Engelsch advocaat. Het was dezen toegestaan, den gevangene te bezoeken, daar hij beweerde, iets bij te kunnen dragen tot opheldering van den toestand. Verbaasd keek Felix Meijer-Wolf den hem geheel onbekende aan. Een zwarte baard omsloot het gelaat, en door den bril, dien de vreemde droeg, schitterden een paar scherpe oogen. „Met wien heb ik de eer?” vroeg de bankier. „Gij zult mij niet kennen”, gaf de vreemdeling ten antwoord. „Ik kom uit Londen en kan u misschien in uw situatie helpen”. De stem van den advocaat kwam den bankier bekend voor. Doch tevergeefs beproefde hij hem onder zijn kennissen thuis te brengen. „Gij bevindt u in een zeer moeilijke situatie, en een samenloop van allerlei omstandigheden wilde, dat ik mij voor u interesseer. „Alles hangt hiervan af, of gij datgene doen wilt, wat ik van u verlang; zoo ja, dan zult gij door mij uit uw wanhopige positie worden bevrijd.” „Zeg, wat gij van mij wenscht.” Zenuwachtig keek de bankier naar den hem onbekenden persoon. De vreemdeling ging op zijn gemak op den in de cel aanwezigen stoel zitten, haalde een notitieboekje te voorschijn en begon: „Kent gij een zekere Miss Hetty Brown?” Alleen de naam van de dame was voldoende om den bankier een gezicht zoo wit als krijt te doen krijgen. „Ik—ik—kan mij niet herinneren.” „Scherp uw geheugen dan eens, ik laat u er tijd voor.” Verscheiden seconden verliepen, waarna de bankier op gedempten toon antwoordde: „Jawel. Ik ken die dame wel niet persoonlijk, doch ik ben met haar ouders in contact geweest.” „Zakelijk?” „Zakelijk.” „Vertel mij daar eens van.” De bankier schoof op zijn stoel heen en weer, alsof hij zich onbehaaglijk begon te gevoelen. „Ik leende den heer Brown twee jaar geleden de som van 5000 pond sterling. Als zekerheid daarvoor verpandde hij mij zijne bezitting. „De weduwe betaalde de rente totdat zij verscheiden weken geleden overleed.” „En toen?” Meneer Felix Meijer-Wolf had klaarblijkelijk geen lust om verder te spreken. Vergeefs zocht hij naar woorden. Scherper klonk opnieuw de vraag: „En toen?” „Wel!—Ik—ik—liet nu mijn rechten gelden, die uit de overeenkomst, respectievelijk uit den schuldbrief voortvloeiden, en nam de bezitting, daar geen rente meer betaald werd, tot delging van de schuld, tot mij.” „Herinnert gij u misschien, dat de overledene voor haar dochter een brief naliet?” Opnieuw kleurde het gelaat van den bankier zich vaalbleek. Daarop hief hij bezwerend zijn handen omhoog. „De hemel moge mij straffen als ik een brief gevonden heb.” De vreemdeling stond op, keek den bankier verachtelijk aan en zei: „Dan zult gij u over uw huidigen toestand wel niet behoeven te beklagen. De hemel strafte u reeds. Ik zou u geholpen hebben, wanneer ge mij de waarheid hadt verteld. Namelijk: Ik kreeg van Raffles, die bij u ingebroken heeft, een brief, dien hij in uw schrijftafel vond.” „Dat is niet waar!” schreeuwde de bankier. „Toch wel, Mr. Meijer-Wolf. Want, weet”—op dit moment nam de vreemdeling zijn bril en baard af—„ik ben Raffles zelf, die den brief gevonden heeft.” De bankier week van schrik tot aan de kerkermuren achteruit. Als een spook keek hij den grooten onbekende aan. Toen wilde hij om hulp roepen. Doch Raffles, die dit voorzien had, zei met een waarschuwende stem: „Zoodra ge er iemand, wie ook, bij roept, deel ik de misdaden, die gij begaan hebt, aan de overheid mee, en gij zult gedurende langen tijd den kerker niet verlaten. Denk daar wel om!” Rustig bond Raffles den baard weer voor, zette den bril weer op en ging op de houten kruk zitten. „Ik geef u nog eenige seconden tijd.” Even daarna kwam de bankier met knikkende knieën naar Raffles toe en fluisterde: „Ik zal het u bekennen, ik—ik—heb den brief gestolen.” „Alleen den brief?” Opnieuw volgde eene pauze van een paar seconden. Daarop zei de bankier met van opwinding trillende stem: „Neen, niet alleen den brief, maar ook het andere, de diamanten, die gij gevonden hebt.” „Allright”, antwoordde de groote onbekende, „nu bevalt ge mij. Ik denk, dat we nog tot een goed resultaat zullen komen. „Wanneer ge dit stuk onderteekent, zal ik u uit dezen kerker bevrijden. Doch let wel op, dat ge nauwkeurig zult moeten doen, wat ik van u verlang.” „Dat wil ik gaarne, zeg slechts, wat het is!” Raffles nam het document uit zijn acten-portefeuille en gaf het aan den gevangene. De bankier las: „Hierdoor beken ik schuldig te zijn aan diefstal van diamanten, die aan Miss Hetty Brown toebehooren. Tegelijkertijd verklaar ik, een half millioen pond sterling van mijn deposanten te hebben verduisterd. Ik verplicht mij, de deposito’s van mijn klanten door middel van Mr. John Raffles terug te geven, en eveneens de door woeker in mijn macht gekregen landeigenaren van hun verplichtingen te ontslaan, waar tegenover Raffles zich verplicht, mij niet aan te geven en mij uit mijn gevangenschap te bevrijden.” Het koude zweet kwam den bankier op het voorhoofd, toen hij het stuk had gelezen. „Ik kan het niet onderteekenen, Mr. Raffles”, zuchtte hij, „ik heb het halve millioen niet meer, een treindief heeft het me ontstolen.” Op het gelaat van den grooten onbekende kwam een glimlachje van inwendige pret. „Ik zal u niet iets laten onderteekenen, waaraan ge niet kunt voldoen. Het halve millioen bezit ik.” De bankier zette een ongelooflijk gezicht. „Gij hebt het geld? Maar hoe komt gij daar dan aan?” stamelde hij. „Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Gij beweerdet in Londen tegen den inspecteur van politie Baxter, dat ik een half millioen pond sterling bij u had gestolen. „Gij wist echter, dat het niet waar was. „Opdat ge den inspecteur van politie werkelijk de waarheid zoudt hebben verteld, was ik zoo vrij het halve millioen naderhand te stelen.” Met open mond keek de bankier Raffles aan. Wat hij daar juist vernam, was meer dan hij verwacht had. „Gij waart dus de treindief?” „Juist, Mr. Meijer-Wolf”, lachte zijn overbuur. „En gij hebt mij hier in deze gevangenis gebracht?” „Dat heb ik mij veroorloofd.” „Meneerrr!” riep de bankier luid. „Sst”, waarschuwde Raffles, „bedenk, dat gij nog altijd de treindief zijt, en met recht, want voordat ik u het geld ontnam, hadt gij toch inderdaad gestolen goed in den zak. „Gij moest mij liever bedanken, dat ik weer een eerlijk, fatsoenlijk mensch van u maak. „Wilt ge nu de schriftuur onderteekenen?” „Maar het halve millioen?” „Stel ik in Londen te uwer beschikking, wanneer het aan de deposanten wordt uitbetaald.” „Zweert gij mij dat?” „Mijn naam is John Raffles!” zei de groote onbekende trotsch. Felix Meijer-Wolf beantwoordde den blik, die deze woorden vergezelde, met eene buiging. Hij nam zijn vulpen en schreef met trillende hand zijn naam onder het document. Voorzichtig borg Raffles het stuk weg, stond op, schelde den gevangenbewaarder en verliet den bankier. ZEVENDE HOOFDSTUK. DE RECHTSZITTING. Een week na het bezoek van den grooten onbekende zat de bankier sidderend en volslagen gebroken in de beklaagdenbank. Hij had vreeselijke dagen achter den rug en geloofde niet meer, dat Raffles zijn gelofte gestand zou doen. Hij was van meening, dat de geniale werelddief hem nog door een truc de bekentenis van de door hem begane misdaden wilde ontlokken. Nu had hij in ’t geheel geen verdedigingsmiddel meer. De president opende de zitting met een vernietigende kritiek op den persoon van den beklaagde, en het publiek riep luide woorden van afkeuring tot den vermeenden treindief. Op de vraag, of hij zich schuldig voelde, antwoordde de beklaagde niets. Wat moest hij ook zeggen. Een uitweg was er niet meer. „Gij bestrijdt”, vroeg de president nog eens, „dat gij de gezochte treindief zijt?” „Jawel”, antwoordde de beklaagde met zachte stem. „Gij houdt uwe bewering staande, dat gij de in Londen woonachtige bankier Felix Meijer-Wolf zijt?” Een nieuw „Ja!” werd gehoord. „Het zou beter voor u zijn, wanneer gij een openlijke bekentenis aflegdet. Anders zouden wij geen verzachtende omstandigheden in acht kunnen nemen.” De bankier kromp ineen als een worm, waarop getrapt wordt. „Is de getuige aanwezig, de werkelijke Felix Meijer-Wolf uit Londen, dien deze man bestolen heeft?” De gerechtsdienaren riepen den naam af, en telkens, wanneer de naam weerklonk, wilde Felix Meijer-Wolf met een luid „Ja!” antwoorden. Na lang zoeken op de gangen, keerden de gerechtsdienaren in de zaal terug en meldden: „De getuige is nog niet aangekomen.” „Is de oproeping aan het juiste adres bezorgd geworden?” wendde de president zich tot den griffier. „Jawel”, antwoordde de toegesprokene, „we hebben van de post in Londen een bericht van ontvang gekregen.” Hij overhandigde den president het desbetreffend bewijs van de post. De president las de bevestiging van de goede ontvangst op het formulier, dat duidelijk geschreven luidde: Felix Meijer-Wolf, Londen, Oxfordstreet. en zelfs het stempelafdruk van de firma droeg. Met gefronste wenkbrauwen keek de president den beklaagde aan en zei: „Hier is een nieuw bewijs tegen u. De door u beroofde persoon, die helaas nog niet is aangekomen, heeft het formulier zelf onderteekend en zijne handteekening door het firmastempel bekrachtigd.” „Dat is onmogelijk!” schreeuwde de bankier. „Overtuig u.” De president overhandigde het formulier aan den verdediger, Signor Carosi, en deze liet het aan zijn cliënt zien. „Dat is mijn onderteekening niet”, riep de bankier uit, „ik schrijf mijn naam anders. Geef mij een blad papier, pen en inkt, dan zal ik het hooge Gerechtshof laten zien, hoe ik mijn naam schrijf.” Een luid gelach steeg op uit het publiek. Ook de rechters lachten. „Dat geloof ik graag”, zei de president, „dat gij uw handteekening anders zet dan de vertegenwoordiger van deze firma. Laat eindelijk de waarheid recht wedervaren. Ik maan u hiertoe voor het laatst aan.” De verdediger fluisterde zijn cliënt eenige woorden toe. Het zweet liep den bankier in dikke droppels over het verhitte gelaat; sidderend van angst dwaalden zijn oogen door de rechtszaal, alsof hij nog op redding hoopte. Al zijn ledematen begonnen te rillen. Met zijn handen greep hij het ijzeren hek vast en begon met aarzelende stem: „Ik zie geen redding meer, hooggerechtshof. Ge zult een gerechtelijken moord aan mij begaan. Een gerechtelijken moord! Doch om verzachtende omstandigheden te verkrijgen, geef ik alles toe, wat gij mij ten laste legt. „Ik ben de gezochte treindief, ik ben niet Felix Meijer-Wolf—ik ben alles, wat ge wilt. Sluit mij alleen niet te lang op!” Het ernstige gelaat van den president plooide zich tot een welwillend glimlachje. Alleen de verdediger trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de voor hem staande schrijftafel. Toen de beklaagde had uitgesproken, begon hij: „Hoog Gerechtshof! „Onder den indruk der overtuigende bewijzen, heeft mijn cliënt de waarheid recht laten wedervaren. Ik ried hem trouwens aan, toen ik de verdediging op mij nam, om zijn positie niet door leugens nog te verergeren. In weerwil hiervan waag ik het, gesteund door de kennis van het intieme leven van mijn cliënt, de clementie der rechters voor hem in te roepen. „De vader van mijn cliënt stierf aan delirium, zijn moeder overleed in een Russisch krankzinnigengesticht. „Hij zelf heeft jarenlang wegens een politieke misdaad achter de Siberische kerkermuren moeten zuchten. Ook heeft hij, zooals ik door ijverige nasporingen te weten kwam, steeds met voorliefde de rubriek „Rechtszitting” in de couranten gevolgd. „Mijne heeren! Heb medelijden met dezen ongelukkige! „Zooals ge uit den inhoud zijner zakken hebt gezien, vond men bij hem sensatielectuur van het laagste allooi, hetgeen ongetwijfeld, in verband met het feit, dat hij ijverig courantenlezer is, wijst op geestelijke minderwaardigheid. „Als een in elkaar gezakt geraamte zit hij daar; als iemand, die met het leven heeft afgedaan, vraagt de betreurenswaardige om menschelijke erbarming. Laat hem niet boeten voor de zonden van zijn ouders, voor den sensatielust der letterkundigen. „Weest milde en rechtvaardige rechters! „Dat is alles, wat ik ter verdediging van mijn cliënt heb te zeggen!” Nu ging de rechter staan, plooide zijn lippen tot een ironisch lachje en begon: „Hoog Gerechtshof! De beklaagde, een der gemeenste en meest verachtelijke sujetten, die ik ooit in mijn practijk heb ontmoet, een geesel der menschheid, een zwarte stip op den aardbol, een giftplant in den bloementuin des levens, een misdadiger, voor wien niets heilig is.”— — — — Op dit oogenblik werd hij door tumult onderbroken. De Engelsche consul stormde met een Engelschen beambte naar binnen en riep: „In naam van het Engelsche volk verzoek ik u, uw proces af te breken— —de beklaagde is niet schuldig. Ik roep voor hem de bescherming der wet in. „Hij is, zooals ik door een telegram van den inspecteur van politie Baxter in Londen en door een later telegram van den Engelschen gezant in Rome vernam, inderdaad de heer Felix Meijer-Wolf uit Londen.” Een geweldig lawaai klonk na deze woorden van de publieke tribune. Alles raasde en schreeuwde door elkaar. Het was de sensatie, waarop het publiek bij elk groot proces wacht. Felix Meijer-Wolf echter had een gevoel, alsof hij in een luchtballon zat, en door de lucht heen uit de gerechtszaal werd gebracht. Eindelijk gelukte het den president met de gerechtsdienaren de orde te herstellen. De president nam de telegrammen in de hand, las ze door, reikte ze over aan den rechter en officier, en nadat deze van den inhoud hadden kennis genomen, stond de president op en zei: „Er is geen twijfel aan, dat we ons bevinden in eene rechterlijke dwaling. „Voordat ik den beklaagde zijn vrijheid teruggeef, wensch ik de volgende vraag tot hem te richten: „Hoe komt gij er toe, Signor Meijer-Wolf, toe te geven, dat gij de vermeende treindief zijt?” „Mijnheer de president”, antwoordde de bankier, „wat moest ik doen? Gij zeidet, dat ik het was!—Meneer de officier zei, dat ik het was!—Mijn verdediger zei tot mij: Zeg, dat ge het zijt, dan zal ik een mildere straf trachten te verkrijgen. „Wat bleef mij nu anders over dan te zeggen: „Ik ben niet Felix Meijer-Wolf uit Londen, maar datgene, wat gij wenscht.” De president hief de zitting op en verklaarde het proces voor geëindigd. Voor Felix Meijer-Wolf opende zich de deur der beklaagdenbank, en hij was weer een vrij man. Nu kwam de Engelsche consul naar hem toe, reikte hem de hand en sprak: „Excuseer, heer bankier, maar de bewijzen waren zoo doorslaand, dat iedereen aan uw onschuld moest twijfelen. „Ik heb een bedrag ontvangen dat u in staat zal stellen, de terugreis te aanvaarden. Men wacht u te Londen reeds in uw zaak.” „Een bedrag aan geld? Van wien?” „Van uw procuratiehouder, die immers eenige weken op reis is geweest.” De bankier had geen procuratiehouder. Hij haalde de schouders op en antwoordde: „Ik houd er geen procuratiehouder op na.” De consul, die nieuwe verwikkelingen vreesde en blij was, dat deze zaak tot een goed einde was gekomen, sprak: „Dat hindert niet! Keer terug naar Londen, de rest zal daar wel opgehelderd worden. Maar in elk geval hebt gij dien man uw vrijheid te danken. „Hij heeft politie-inspecteur Baxter medegedeeld, dat gedurende uw afwezigheid Raffles op uw kantoor is geweest. „De onderteekening op het stuk, waarin men u als getuige opriep, was vervalscht. Waarschijnlijk was het ook deze vervalscher, die u in den trein heeft bestolen. De Engelsche gezant bevestigt den inhoud van het telegram.” Op dit oogenblik trad een telegrambesteller de gerechtszaal binnen en overhandigde den president, die nog met de rechters, den advocaat en den verdediger stond te praten, een telegram. Dit luidde: „Aan den president van het gerechtshof te Triënt, inzake het geval van den bankier Felix Meijer-Wolf. Opdat gij weet, wie, in plaats van den heer Felix Meijer-Wolf, de spoorwegdief is geweest, zend ik u hierbij mijn adres, John C. Raffles, Londen.” „Wat een ongehoorde brutaliteit”, riepen de president en diens collega’s, terwijl de verdediger lachte.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — Een paar uur later zat Felix Meijer-Wolf in den spoortrein. Hij had van de eerste gelegenheid gebruik gemaakt, om van Triënt naar Parijs te gaan en vandaar naar Londen te vertrekken. Op de stoomboot, waarop hij te Calais plaats nam, ontmoette hij detective Marholm, die voor zaken op reis was geweest. Met een vertrouwelijk glimlachje begroette de vloo den bankier en sprak: „Nu, gij zijt er niet zonder kleerscheuren afgekomen!” Felix Meijer-Wolf begon onmiddellijk met de grofste scheldwoorden te schimpen op Raffles en het noodlot. „Het heeft u goed gedaan,” spotte Marholm, „gij zijt minstens 20 pond afgevallen en spaart dit jaar de onkosten van een kuur te Karlsbad.” „Wat zegt men in Londen van de geschiedenis?” vroeg de bankier, zonder op de opmerking van den detective te antwoorden. Marholm haalde de schouders op en sprak: „Dat zult gij wel in de couranten lezen.” Hij klopte Meijer-Wolf vertrouwelijk op den schouder en vroeg: „Maar er blijft toch een duister punt bestaan in deze zaak, niet waar?” „Wat voor een duister punt?” „Nu—ik bedoel met dat halve millioen pond sterling, die Raffles van u gestolen zou hebben.” „Die heeft hij van mij gestolen.” „Dat betwijfel ik niet. Maar hij heeft ze niet uit uw brandkast gestolen, doch eerst in de coupé van den spoortrein. Of bezit gij soms een millioen pond sterling?” „Waarom kan ik niet een millioen pond sterling bezitten? Zijt gij soms mijn procuratiehouder?” „Dank u! Dan blijf ik liever die ik ben.” „Houd uw hatelijkheden liever voor u!” Bij die woorden stak bankier Meijer-Wolf een sigaar aan en keerde den detective den rug toe. De vloo nam plaats in een vouwstoeltje, kruiste de armen achter het hoofd en keek peinzend in zee. „Deze geschiedenis had ongetwijfeld een zwak punt”, mompelde hij bij zichzelf. „In de eerste plaats houdt Raffles zich bij voorkeur bezig met schurken, tegenover wie wij machteloos staan. Hij zal er dus zijn redenen wel voor hebben, waarom hij juist den bankier heeft uitgekozen.” Marholm was ervan overtuigd, dat deze man een veel grooter gauwdief was dan Raffles en hij verheugde zich reeds op de ontmaskering van dezen bedrieger. Aan het ontbijt ontmoetten Marholm en Meijer-Wolf elkaar weer en de bankier, die niet vermoedde, dat de detective hem een poets wilde bakken, vertelde nogmaals uitvoerig zijn wederwaardigheden te Triënt en door handige vragen te stellen, vernam de vloo alles, wat meldenswaard was. Het allerliefst zou hij Meijer-Wolf onmiddellijk in hechtenis hebben genomen, daar het hem steeds duidelijker werd, dat de bankier het geld zijner cliënten had verduisterd. Maar hij wilde eerst met zijn chef, inspecteur van politie Baxter, spreken. In Londen namen de detective en de woekeraar met een vriendschappelijken handdruk afscheid van elkaar. Mr. Meijer-Wolf begreep het ironische „tot weerziens” niet, dat Marholm hem toevoegde.— Inspecteur Baxter verwachtte zijn detective reeds met ongeduld. Nadat deze rapport had uitgebracht, deelde hij hem tegelijkertijd de aangelegenheid Meijer-Wolf mede. „Gij vermoedt dus inderdaad, detective Marholm, dat die man een schurk is?” „Ongetwijfeld”, antwoordde de vloo, „het bewijs kan ik leveren door den spoorwegdiefstal.” „Gij hebt gelijk”, antwoordde de inspecteur van politie, „gij begint een waardig opvolger van mij te worden. Ik heb het altijd gezegd, dat gij nog eens een flink bekwaam detective zult worden. „Neem de vervolging der zaak verder alleen op u en houd mij voortdurend op de hoogte.”— — — Bankier Felix Meijer-Wolf was in zijn zaak teruggekeerd. In zijn privaat kantoor vond hij een hem onbekend persoon over zijn boeken gebogen aan het werk. Op het eerste oogenblik week hij verschrikt achteruit en wilde reeds om hulp roepen, toen de onbekende hem een wenk gaf om te zwijgen en sprak: „Mij dunkt, dat wij elkaar kennen. Ik ben Raffles! Zooals wij overeen zijn gekomen, zult gij nu door mijn toedoen een eerlijk Londensch handelsman worden. „Ik hoop, dat de les, die ik u heb gegeven, vruchten moge afwerpen. „Ik heb een nieuw grootboek voor u aangelegd en er iets ingeschreven. Lees!” De bankier boog zich over de hem voorgelegde bladzijde en las: „Eerlijk duurt het langst!” En daaronder stond: „John C. Raffles.” De eerstvolgende dagen heerschte er in de bankierszaak van Felix Meijer-Wolf een groote drukte. De bankier had door een kort schrijven aan zijn klanten bekend gemaakt, dat zij hun deposito’s konden terughalen, daar hij een firmant had gekregen, die met hem de zaak weer in haar vollen omvang zou voortzetten. Deze bekendmaking lokte een stormloop der deposanten uit. Ieder streek het reeds verloren gewaande geld op en Raffles zelf, die nog steeds in de zaak was, hield toezicht op de uitbetaling. De inspecteur van politie Baxter had een van zijn detectives van Scotland Yard, namelijk Hamilton, opgedragen, deze zaak te onderzoeken en tot hem gezegd: „Gij moet u naar het bankierskantoor van Felix Meijer-Wolf in de Oxfordstreet begeven en u overtuigen, van hetgeen daar thans geschiedt. „Verricht uw nasporingen zoodanig, dat het zoo weinig mogelijk opvalt.” De detective begaf zich naar de Oxfordstreet en liep verscheiden keeren voorbij het gebouw, zonder opvallend te doen. Daarna trad hij het gebouw binnen om naar eenige koersen te informeeren. Hij merkte op, dat de bankier zich een vertegenwoordiger moest hebben aangeschaft. Verscheiden klanten boden chèques, wissels of andere papieren aan, waarvoor de man, dien de detective niet kende, betaling gaf. Opeens echter kreeg de beambte een hevigen schrik. De stem van den vreemdeling kwam hem bekend voor. Waar kon hij dien man eerder hebben ontmoet? Terwijl hij daarover nadacht, reed hij per eerstvolgende tram naar Scotland Yard terug. Inspecteur van politie Baxter dacht om te zullen vallen toen hij het bericht van den detective vernam. „Is die man gek geworden?” vroeg hij. „Eerst wordt hem het ontstolen, zooals hij beweert en dan betaalt hij het uit. Waar komt dat geld vandaan?” Hij besloot, zichzelf op de hoogte te gaan stellen. Met Marholm te zamen begaf hij zich naar de Oxfordstreet. Alvorens het gebouw binnen te treden, namen zij door een der ruiten den onbekende op, die aan den kassierslessenaar zat. Bijna tegelijkertijd riepen detective Marholm en inspecteur Baxter uit: „Raffles!” „Snel naar het naastbijzijnd politiebureau!” beval Baxter, „en maak alarm. Er moeten zooveel mogelijk manschappen direct hierheen komen. „Raffles drijft de bankierszaak van den heer Felix Meijer-Wolf. Ik zal mij hier met twee politieagenten posteeren, opdat hij ons niet kan ontsnappen.” Toen detective Marholm wegging om het bevel van zijn chef uit te voeren, zei hij tot zichzelf: „Het zou mij werkelijk leed doen, wanneer Raffles, die hier blijkbaar weer een goed werk heeft gedaan, in handen van Baxter zou vallen. „Ik geloof, dat ik mij niets te verwijten heb, als ik Lord Lister een kleine waarschuwing doe toekomen.” Hij trad een sigarenwinkel binnen, kocht eenige sigaretten en vroeg telefonische aansluiting met de bankierszaak van Felix Meijer-Wolf. De bankier stond hem persoonlijk te woord. „Pardon mijnheer”, antwoordde Marholm, „ik zou graag uw vertegenwoordiger even willen spreken.” Na verloop van een paar seconden hoorde hij de hem welbekende stem. „Hallo! Wie daar?” „Hier detective Marholm!” „Het doet mij veel genoegen. Hoe gaat het u?” „Dank u, heel goed, Lord. Ik ben juist op weg om een politiepost tegen u mobiel te maken. Voor uw huis staat uw oude vriend, inspecteur Baxter; gij hebt maar een paar minuten tijd! Houd daar rekening mee!” „Ik dank u wel! Ik hoop, mij te kunnen revancheeren!” riep John Raffles uit. Daarop hing hij de telefoon aan den haak en de verbinding was afgebroken. Na kort beraad trok de groote onbekende zijn jas aan en zei tot den bankier: „Ik ga thans eten. Alle zaken zijn afgehandeld. Mocht, zooals gij mij gisteren verteldet, iemand van de politie bij u komen, gooi hem dan de deur uit, want uw zaken zijn zoo eerlijk en stipt mogelijk geregeld. „Gij kunt uw in mijn plaats een anderen vertegenwoordiger nemen. „Vergeet echter niet, dat ik uw boeken van tijd tot tijd zal inzien. „Mocht ik ooit weer een oneerlijkheid ontdekken, dan verzeker ik u, dat gij er voor zult boeten.” Hij nam zijn hoed en overjas en verliet het bankierskantoor door de deur, die naar de gang leidde. Het huis had namelijk, wat de inspecteur van politie niet wist, een uitgang door den tuin en een direct naar de straatzijde. Alleen de bewoners bezaten den sleutel van de achterdeur. Een uur later rukten veertig politieagenten in gesloten gelederen uit. Het leek wel, of er een slag geleverd moest worden. Aan het hoofd van deze strijdmacht, die de geheele straat versperde, liep de inspecteur in eigen persoon, gevolgd door detective Marholm, die een spottend lachje op zijn gelaat had. Aldus stormden zij het bankierskantoor binnen. „Wat wenscht gij?” riep de bankier. „Waar is Raffles? Waar is uw vertegenwoordiger?” „Wie?” schreeuwde bankier Meijer-Wolf, blijkbaar zeer verbaasd. „De hemel moge mij behoeden. Raffles in mijn huis?” „Zwijg!” beval de inspecteur van politie. „Hij moet hier zijn!” Op dit oogenblik schelde de telefoon. De bankier, die wilde toesnellen, werd door inspecteur Baxter teruggeduwd. „Gij hebt hier voorloopig niets te zeggen, voordat ik uw kantoor heb verlaten.” Daarop nam hij den hoorn in zijn hand en vroeg: „Wie is daar?” „Ah!” klonk het terug, „ik ken u, inspecteur van politie van Scotland Yard, nietwaar?” „Juist!” riep de aangesprokene, wien de stem in de telefoon zeer bekend voorkwam. „Ik ben het persoonlijk.” „Ik wou alleen maar even weten, of gij er waart, ik ben namelijk ergens anders.” „Wie zijt gij?” schreeuwde Baxter en keek naar de telefoon, alsof een booze vijand voor hem stond. „John Raffles!” klonk het met luid gelach terug. Vol woede nam Baxter den telefoonhoorn en slingerde dien tegen den muur. „Gij zult hem moeten betalen!” raasde Felix Meijer-Wolf. „Het is tevergeefs, lieden!” sprak de chef van Scotland Yard tot zijn beambten! „Hij is alweer verdwenen.” „Dat hadt gij toch wel direct kunnen denken,” lachte Marholm en klopte zijn chef vertrouwelijk op den schouder, terwijl zij het bankierskantoor verlieten. Zoo had John Raffles weer eens geheel onzelfzuchtig een ongelukkige in haar rechten hersteld, de zuur verdiende spaarduiten van kleine zakenmenschen gered en een oneerlijk bankier gedwongen tot regelmatig zaken doen. *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0040: DE VALSCHE SPOORWEGDIEF *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg™ License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg™ License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg™. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg™ License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg™ website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg™ and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg™, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.