The Project Gutenberg eBook of Kleurig en donker This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Kleurig en donker Author: Willem van Amsterdam Release date: May 19, 2012 [eBook #39736] Language: Dutch Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER *** Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net +----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+ KLEURIG EN DONKER. KLEURIG EN DONKER DOOR W. VAN AMSTERDAM, _Schrijver van "Marionetten."_ HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK & ZOON INHOUD. Blz. AAN DE VOORDEUR 1 HET STRAATORGEL 12 EDDY 25 HAAR BROOD 48 KINDERLEED 61 KAREL JAN VONK 73 DE OUDSTE 84 HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94 HAAR KEUZE 103 BLOK'S VROUW 113 GEEN "VERRAJER" 127 DE AANSPREKER 141 DERDE KLASSE 155 Aan de voordeur. "Zoo, dikke zus!" zegt Evert--een jonge slagersknecht, een pracht van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft--"zoo, dikke zus! hoe gaat 't met mijn?" En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan de Heerengracht. "Hoe 't met je gaat," antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht, "hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te zien, dan gaat 't nogal met je." "Ja, 'k zie bleek, hè?" zegt Evert, "dat komt omdat me maag niet in orde is, weet je!" "Niet?" vraagt Grietje, "lust je geen ete meer?" "Jawel," antwoordt Evert, "maar 'k lust te veel." "En krijg je niet genoeg?" vraagt Grietje. "Of 'k 't krijg," zegt Evert, "dat zou me niet kanne schele, as 'k maar zooveel kon neme as 'k lust.--En daar hei je haar ook," roept hij uit, als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht mede aan de voordeur verschijnt. "Zoo, malle! bè je weer an de gang?" vraagt zij. "Mal-le?" vraagt Evert, "as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te hale, hoor!--Wat zie je 'r weer goed uit!" roept hij uit, een poging doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: "laat je staan!" en een tik op zijn arm, verhindert. "Ga je van aved 's met me uit?" vraagt Evert haar. "Ikke niet," antwoordt Keetje, "want me parresol is in de maak, hoor!" "Ja," zegt Evert, "nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook nog niet t'huis is.--Maar 'n Zondag dan?" "Jonge nee," antwoordt Keetje,--"'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis." "'t Bessieshuis!--daar heb ik ook nog 'n oome," beweert Evert.--"Zà je 'm van me groete?" "Dat zal 'k," belooft Keetje. "As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals valle." "Zeg eris!" roept de keukenmeid uit,--"da 's waar ook!--'k docht dat jij 'n eerlijke jonge was, hè?" "Ikke niet eerlijk," zegt Evert, "nou nog mooier! Geef me maar 's 'n zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom." "Nee," zegt Grietje, "dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan mag je 'm wel houwe ook.--Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag luste, en dat hei je niet gedaan." "Mijn schuld is 't niet," verzekert Evert. "De baas zei, da' 'k 't maar vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene--rits...! door me hoofd gegaan." "Zei-ie-dat?" vraagt Grietje. "Zei ie, dat je 't maar vergete most?--Hoor je dat, Kee?" "Zoo'n akelige, schriele kerel," roept Keetje uit. "Hoort eris," zegt Grietje, "zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k zoo'n ideetje van," verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten mond, verscheidene malen met het hoofd. "En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen," verklaart Evert.--"Alla, zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n zweezerikkie of kalfsoesters,--wat mot 'k brenge?" "'k Mot niks van je hebbe," antwoordt Grietje. "We ete vandaag 'n stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong." "Verdikke, mens, houw op!" roept Evert uit, "daar zou je 't water van over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is, hè?" "Of ie lekker is!" zegt Grietje, "nee"--en met de vingertoppen tegen de wang wiegt zij het hoofd--"dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege Kee--is 't niet waar meid--"Kee," zeg 'k, "'k heb me eigen verhuurd voor de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt." Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie, maar de saus,--die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_ kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge, je boezelaar of--en 't hem om ze dikke lijf zou doen.--En as 't niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!--'t Is dat 'k hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders...." "Dan ha' je 'm al gesmeerd?" vraagt Evert. "Al lang," verklaart Grietje, "want an al dat putlut daar he' 'k 'n hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's 'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van je werk ook. "Griet," zei meneer dikkels, "je mot niet zoo lekker koke, mens; 'k kan 's middags niet uitscheije." En as mevrouw, die er zoo'n hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie--omdat ze nooit niks kon bedenke, zei ze--'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: "Kijk, dat hei je goed geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben." Och ja," zegt Grietje met een zucht, "'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze best nog 's doet ook. Nee"--en ze schudt het hoofd tegen een koopman in bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst--"niet noodig." "Mot je geen bwommetje?" vraagt hij. "Nee," antwoordt Grietje, "ik mot geen blommetje hebbe." "Koop 's 'n mooi ghoozie van me?" vraagt de koopman, "of 'n potje met ghesida." "Ga nou maar gerust deur," zegt Grietje, "want 'k koop toch niks van je." "'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie," zegt de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende. "Och, ga nou weg, hè!" roept Evert uit. "Nà," zegt de koopman, "la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot." "Ja," zegt Evert, "'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de klandisie, hoor." "Wat zou 't," roept de koopman uit, "as datte gebeugd, dan rentenieg 'k à tien jaag! En jij, juff," vraagt hij aan Keetje, "mo' je niet 's 'n potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?" "Nee," antwoordt Keetje, "ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever," en zij ginnegapt achter haar hand, "ik ruik liever gebraje spek." "Ja," zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, "nou je 't zeit, ruik ik ook liever 'n bankethammetje." "Of 'n varkensrib," zegt Evert, "dat mot je ook niet uitvlakke, dat ruikt heerlijk, hoor!" En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk uitroept: "toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse ze stout binne.--Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje mot hebbe, hè?" "Nee," zegt Grietje, "dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik ben alleenig voor de pot." "Nà," zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, "da's ommes ook 'n pot.--Doe je 't niet? Jij dan?" vraagt hij aan Keetje,--"'k het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om." "Dat zou 'k nou wel voor je wille doen," zegt Keetje, "maar daar hoef 'k niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?" "Alla!" zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende, "'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar," en zij reikt den koopman twee dubbeltjes over--want een keukenmeid heeft altijd en een werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee stuivers voor, "daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,--'n Zaterdag of zoo." "Nee," zegt Keetje, "want dan houwe we groote verschoondag, hoor!" "Schoon za' je bwijve kind," zegt de koopman, de stoep af gaande, "'t zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg." "Ze-eg!" roept Evert uit, "jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te bange, hoor je!" "Laat 'm maar gaan," zegt Keetje, "want gelijk het ie.--Wil jij nou ook liever dat roosie hebbe?" vraagt zij aan haar kameraad, "dan geef mijn dat andere dingie maar." "Wel nee meid," antwoordt Grietje, "dit ruikt immers ook goed!" "Dat doet 't," bevestigt Evert. "Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?" "Weet je dat niet?" vraagt Grietje, "en 'k dacht nog al, dat jij uit Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met "ghesida"" zegt zij, den koopman nadoende. "Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r nog geen?" "Ikke geen meissie!" roept Evert uit; "alle Zondagge 'n ander, hoor!" "Dat binne d'r een en vijftig te veel," beweert Grietje.--"Maar jij bent er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?" "Nou," zegt Evert, "'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?" vraagt hij aan Keetje. "Ikke zeg niks," antwoordt zij. ""As jij je mond houwt," zeit me moeder, "dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen." En daar gedraag 'k me eige na; is 't niet waar, Griet?" "Ja," antwoordt Grietje, "van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?" "Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!" verzekert Evert.--""Nee," zeit me moeder, "zoo as jij toch ook slape kan--da's gerust 'n mirakel; daar slijt om zoo te zegge 't beddegoed van."" "Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?" vraagt Keetje. "As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor 'k nooit meer wakker," beweert Evert. "Zeg eris," roept hij uit, in de gang kijkende, "juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of zoo?--daar legge wel 'n pak of tien op de bank." "Da's voor 'n Zaterdag," zegt Grietje, "dan hebbe we hier diné." "Diné?" vraagt Evert. "Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?" "Alle dage lekker," zegt Grietje, "maar as we diné hebbe, dan ete we fijn." "Hoort eris," zegt Evert, "as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt hier de restoratie van Van Laar wel." "Van Laar," zegt Grietje, "die mag de oestertjes levere, want daar beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. "Dat zet de maag in ze fatsoen, daar wort ie graag van," zeit meneer." "Nou," zegt Evert, "dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg, want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de leest geslagen is." "Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle," verzekert Grietje, "want er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan krijgen we twee soepies." "Och ga weg!" roept Evert uit. "Twee keer soep!..." "Daar mag je uit kieze," zegt Keetje. "Ik kom achter je, en vraag wat uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe." "En onderwijl," zegt Grietje, "schenkt de knecht je 'n glaasie serry in." "Die kon wel achter me blijve staan," meent Evert. "Wel nee," zegt Keetje, "da' 's nerges voor noodig, want iedere keer krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord nog 'n kraf vol." "Dat zou niet lang dure," verzekert Evert. "Dat denk ik ook niet," zegt Grietje, "en daar mag je dan 'n glaasie uit neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in." "En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld," zegt Keetje, "dan begin je om zoo te zegge pas." "Ja!" roept Evert uit, "'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!" "Jawel," zegt Keetje, "maar dan komt eigelijk pas wat ze "sta-in-de-maag" noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch met sper..." "Nee hoor, nou is 't genoeg!" roept Evert uit, naar zijn mand grijpende, "da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van te motte hoore, da's al te arremoeïig." "En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?" vraagt Grietje. "Niet?" vraagt Evert. "Hei jij dan zoo'n beroerde maag?" "Gelukkig niet," antwoordt Grietje, "maar 'k ben er vies van." "Kom", zegt Evert,--"vies...!" "Dat ben 'k," bevestigt Grietje, "en Kee ook. Is 't niet waar, meid?" "Ba," roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd afkeerende, "dat vieze gedoe!" "Daar wor je ziek van," beweert Grietje. "We zegge zoo dikkels tege mekaar,--is 't niet Kee--as de kok in de keuke bezig is: "dat moste ze binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen mond an."--Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles; en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan kan ie 't met ze vinger ook wel." "En as je dan binne bent om te diene," zegt Keetje, "dan hoor je meneer tegen mevrouw van hier naast zegge: "wel mevrouw, is dat nou geen lekker sausie?" En dan zeit zij,--met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r magere, bloote hals: "ja""--en Keetje trekt een allerliefst mondje--""dat mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!"" "Nee hoor," zegt Evert, "as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me moeders pot." "En daar doe je wijs an," verzekert Grietje. "Lekker ete is goed, maar zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na buite gaan." "Mooi zoo!" roept Evert uit, "dan zà je me baas weer effe hoore moppere.--Gaan jelui al gauw?" "Dat zal geen zes weke meer dure," antwoordt Grietje. "Maar ik ga al gauwer," zegt Keetje. "Zoo! wanneer ga jij dan?" vraagt Evert. "Van aved, hoor!--as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga jij?" "Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet," antwoordt Evert; "me moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam"--en hij knipoogt tegen Keetje--"blommetjes genog." "As dat dan waar is," zegt Keetje, "dan ga ik met me blommetje maar gauw weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is." "En ik dan!" roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. "Ik mot al de klanten nog of.--Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!" "Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind," zegt Grietje. "En daarom zegge ze dan ook: As Adam in 'n appel bijt, Ofschoon door Eva _niet_ verleid, Dan weet ie 't toch zóó an te legge, Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge. En nou atjuus hoor," zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. "En droom van nacht 's van me. Zal je?" "'k Hoop er om te denke," antwoordt Evert. "Maar 'k zal in alle geval an me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.--Adie...!" Het straatorgel. "'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie--zoo kom 'k an de kost, sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf been het," zegt Bet Bos, bij de buren bekend als "orgel-Bet". "En à je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me man trouwde--dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de Keizersgracht over de Westermart--'n goed mens daarvan niet, maar zij en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en de kindere, zei ze--toe _ik_ me man trouwde," herhaalt Bet, diep adem halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit haar longen gedreven, "toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie twaalf tot veertien gulde in de week.--Ja mens, zoo benne we begonne, knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en _ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of 't zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze 'm t'huis! Heere! heere!"--en Bet slaat haar handen in elkander--"zoo goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!--'k Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet van hoore. "Nee," zeg 'k, "daarvoor is niet getrouwd!" En zoo hieuw 'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer in staat. Och ja,"--en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar voorhoofd glad--"zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens al blij weze, zeg 'k." En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert, laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen, stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij haar tijd derhalve verpraat heeft. En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een aantal van haar vaste klantjes wonen. Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men, oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien van het orgel te kunnen aanwenden, want "draaie en cente ophale, dat doen 'k zellevers," zegt ze, "draaie om de haverderij, weet je, en cente ophale,--nou, dat begrijp je wel," heeft zij een zeventien- of achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd, zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten gehoore brengen der verschillende nummers van het _répertoire_ Bet nog heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien of twaalf "moppies," als er een ziek kind opgevroolijkt--of de pret in een bruiloft gehouden moet worden, "'n heele karrewei." Want zoodra zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken, waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, "zoo asse de gowwevies," zou Mozes zeggen, "zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip." Eerst draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van haar bovenlijf,--door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen en weer slingeren van haar rechterarm,--niet weinig verhoogt. Door haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _à jour_ zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt, als de laatste tonen van het lieflijke: "Daisy, Daisy!" zijn weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken, voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht, verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan afwisseling is, het tweede nummer: _la dernière pensée_ van Weber, doet hooren. Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit "'r doppe," en een haar toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek, waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk gehuil--veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van het wiel,--wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken, "ofdraait". Haar orgel, waarop in goud het woord: "orchestrion" prijkt, is zeker een van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen elkander aanzien, en het "gut!" waarmede de vrouwen haar bewondering te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en _gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat. Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd, als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken, met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie, ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk, dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande, uitriep: "je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!" De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen tegenover haar collega's laat verleiden. "A's 'k weet," zegt ze, "dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da' 'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om 'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was--zoo'n stiekemert! dat doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan, maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai 'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is." Door haar kolossaal instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat, dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren. Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden. "As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te sjanke, 'n doodschop," verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren, zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken, die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen muziek kon hooren zonder "akelig" te worden, dan zou hij natuurlijk onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in staat is. Maar dit doet hij nooit.--Integendeel! zoodra hij op zijn levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is onwaarschijnlijk. "As ie sjankt, dan mot ie weg," zegt ze, en nooit verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht, door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen. Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent, met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet kan vereenigen. "Smerisse," zegt ze, "daar mot 'k niks van hebbe, en met 'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had--en dat zou zoo'n wonder niet weze--zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme je mee!" roept ze uit. "As je, zonder erg, de een of andere straat van de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_ bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om. Sekuur!" roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt, "want toe Da Punt...." en dan volgt het waarachtige verhaal van een van haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was gebracht. "Nee, nee," zegt Bet, "met de pelisie affetuur 'k niks, want _dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst." En zoo komt zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd. Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden gewaardeerd. Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele _entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een _marche-funèbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin _nez à nez_ staan--liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat het ook wel--maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij, plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet gegleden is, weer aan te trekken. Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden, door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide bevalligheid. Voor Bet is zulk een straatbal--want de bewoners van achterbuurten zijn goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul--een aardig buitenkansje, maar natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er maar één, maar "wat 'n hartepitje is ie, hè?" En als zij hem van den vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden. Eddy. Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte, voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar een veld-mutsje of zoo iets--donkerblauw, afgezet met wit--want hij is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen, een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar wel een beetje een uitdrukking van "ik-mag-er-ook-wel-wezen" aan zijn gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk. Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige, mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal zien en zijn hand nog eens drukken zal. Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden hebben. Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe woonplaats zou betrekken--want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik het kamerleven op den duur te "onhuiselijk"--moest zooveel hersteld en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn; en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken, kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast was. De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik, dat Cor--zoo heette de zuster van Eddy--als zij binnen kwam, om het een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek, alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op een morgen--waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken--of ik tevreden was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben. Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd, al dravende, zijn overjas aantrekkende. Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans; maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem. Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb. "Welzeker niet," antwoord ik. "'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even "stormachtig" was als hij. Gaat hij nog op school, of...?" "Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad." "En leert hij goed?" "Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht." "En wat moet hij worden?" "Ik hoop," antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid getuigt, "dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine." En aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: "Eenige jaren geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig, 't ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij, en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan misschien niet een zou gebeuren. En zoo," zegt Cor, met een glimlachje, "ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken." Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets over het hoofd had gezien. "En dat is?" vroeg zij, een beetje ongerust. "Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht," antwoordde ik. "Niet om mezelf?" vroeg zij verbaasd. "Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen." "O," zei zij met een glimlach, "dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn leven niet geven." Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde, en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden, maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen. "En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog geen berouw?" vroeg ik. "Neen," antwoordde zij beslist. "Tot nog toe is hij ieder jaar overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't Gymnasium, of "'t hok," zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan ook niet heel lang geduurd," voegde zij er met een glimlach bij. Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem aan te moedigen zijn best te doen. Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit. Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak hem aan. 't Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek, dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus, Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes jaren lang op een Gymnasium te gaan "heel taai," en derhalve lang genoeg is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde, ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden kerel--"ajasses nee!" Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte. "Ik geloof," zei ik tegen Eddy, "dat je 'n beste zus hebt, hè?" "Ja, hoor!" antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er zoo onmiddellijk bij: "wat 'n mooi tuigie het ie op!" dat hij het blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water koud en vuur heet is. Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen, of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap, en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was. "Ik vind, Eddy," zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, "ik vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde met boeken en schriften te doen. Deze twee--en ik wijs naar een paar op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers--heb ik hier een poosje geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en...." "Vieze dingen!" roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding aannemende. "Nu goed dan, _niet_ vies, maar--ja kijk nu maar niet zoo woedend--in ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets." "Nou ja," zegt Eddy, "dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was; toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel op te redderen." "Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?" vraag ik. "Of ie!" beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen. "Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan werken," zegt Cor, "en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op zijn kamertje bleef zitten." "En daarin hebt ge volkomen gelijk," stem ik toe. "Hoe zoudt ge 't vinden, majoor"--want sedert ik weet, dat hij lid is van de weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een militairen rang toe te kennen--"hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen, daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en Zaterdag-middag hier kwam werken?" Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar denkende dat dit plan van haar afkomstig is. Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid, en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft gewerkt. Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het "dan maar doen zal." En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander, hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde te "suffen", omdat het er toch niets toe deed of "die stomme boer" het kreeg of niet. Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen, en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt. Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer, die het "ongeluk" heeft geen "klare" te lusten--hetgeen trouwens niet verhindert, dat de ware "kiezerspit" in zijn _body_ zit--dan weet ik wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid, door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het "moppie", waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel, sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden zal zingen: "Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht, 't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht." En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden. Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen "licht" krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij naar mij, als ik hem even aankijk--iets waarvan ik natuurlijk niet de minste notitie neem--of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene--dan het andere been, ook wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt, om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt, uitroepende: "wacht 's effe, da' 's _ablativus absolutus_!" of: "daar hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel, zoo gaat 't!" Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met "bevallige nonchalance," zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen, maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels herinner: "Maar 't was zoo heerlijk, buiten! 't Was alles: zonnestraal! En boven in de takken, daar zong een nachtegaal; En alle bloemen bloeiden, en schitterden in 't rond; en als een bloem was 't kereltje, zoo frisch, en zoo gezond. Zoo liep de jongen lustig, en zong zijn vroolijk lied. Maar waarom hij een liedje zong, dat wist het ventje niet." En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt hij wel twintigmaal: "Maar dat viel lang niet mee. Ze zei: "wel jonge, nee, ik houw niet van tariteraraboumdié."" En niet minder dikwijls: "Een jeugdig huw'lijkspaartje, Pas in den echt getreen, Gevoelde zich gelukkig, Nu 't eind'lijk was alleen. Maar daar komt plots'ling binnen De schoonmama--o, hé!..." En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten over, om te eindigen met de verrassende woorden: "Vroolijk sprong hij de lijkkoets na, Van die lieve schoonmama." Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner schoonmoeder. Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de Paaschvacantie--waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden, waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;--of hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje--een cadeau van Cor--uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk, het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk, staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: "maar jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!" dan antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft geleerd. Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier drinkende--want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is--rustig blijft zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na dien tijd nog iets uit te voeren. Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat _ik_ toch in allen gevalle mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield, liep hij de kamer op en neer, zingende: "Eens liep een aardig meisje, al in den maneschijn. Zij had twee blauwe oogen, en voetjes--o zoo klein...!" En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het "aardige jonge meisje," niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet, met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in; want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten--door met aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te schuiven, is hij in een ommezien weer binnen. Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij zegt, dat hij het "onfatsoenlijk" vindt, en biedt mij een dubbeltje aan, als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. "Dat zou zoo lekker gaan," zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij: "pats...!" En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij het aannemelijk te maken, door te zeggen: "nou, _vijf_ keer dan maar!" En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite een verbaasd gezicht zettende: "waarom niet?" Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd, waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een handschoen of een zakdoek, "tegen de mot", zooals hij zegt, en als ik hem laat begaan dan maakt hij "een Chineesie" van mij, zooals hij dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij aanhitst, door naar mij te wijzen en "kiesch! kiesch!" te roepen, net zoolang totdat het beest begint te blaffen. En met dien hond, die den buitengewonen naam "Pak 'm" draagt, kan hij sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het dier leeren "zingen," hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met het hoofd; en als hij zegt: "Pak 'm-snoet-vuil!" dan strijkt het beest herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden. En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of anderen leeraar na. En als hij uitroept: "ik zek oe, dat zal _niet_ kebeuren!" slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: "hij is braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja, hoor! hij is een goeie hond!" zijn wangedrag tracht goed te maken. En niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen. Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu _asjeblieft_ los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid haar toe te voegen: "geef me dan een kwartje, dan laat ik je los." Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en "handelsgeest" met elkander verwar. Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is. Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als er niet zooveel "verrekte" uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te doen door den inhoud der _grammaire_ als den tekst van een fransche opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei vreemdsoortige gebaren te zingen: "_emploie--toujours--l'indicatif!_" op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: "_pour toi--pour toi--mon âme aimé!_" Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, "misselijk." Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij geruimen tijd heeft geweifeld tusschen "de mode," "men moet het ijzer smeden als het heet is," en "spaarzaamheid is nog geen gierigheid," waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: "nou, de mode dan maar!" waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend uit: "wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?" En als ik dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te dicteeren, en zeg: "kom, schrijf dan maar op, sukkel!" dan zit hij onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: "asjeblieft, collega!" en voegt er onmiddellijk bij: "maar nou niet zoo eeuwig lang!" En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen. Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij een uur lang samen geweest waren--want Eddy was buitensporig lastig, en zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd--maakte hij een stapeltje van zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van hem, ging; er in een adem bijvoegende--wel begrijpende, dat ik met dit voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn--dat hij toch bijna niets te doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken. "Ja," zeg ik, "in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan--nu, dat moet je bed maar liever niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben je voor goed van "'t hok" af, als je nu nog maar een poosje je best doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander. Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je moeder, maar je zuster. En Cor _hoeft_ dat toch niet te doen, niet waar?" "Cor doet dat graag voor me," zegt Eddy, "en later zal ik haar alles teruggeven." "In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen. En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken. "Ik ben nog ieder jaar overgegaan," zegt Eddy. "Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor te slagen?" "Ik zal _toch_ wel door dat examen komen," beweert hij. "Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't _niet_ lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel, dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu," zei ik opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid weer aan het werk te gaan, "ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte handen terugkomen." Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden, waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die, door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig op, ging zitten en begon weer aan zijn werk------ "En nu moet u eens zien," zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij, met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport. 't Was goed; _veel_ beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder geschreven, dat hij tevreden was. "En wat zegt Eddy er wel van?" vroeg ik. "Dat het hem niet verwondert," antwoordde Cor lachende, "omdat hij, zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan vroeger." "Jawel," zei ik, "logisch redeneeren--dat kan hij best." "Ik ben _heel_ blij," zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede kind mij aan. "'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben," verzekerde ik, "en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de duinen en naar de zee." En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé had moeten worden. Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was. Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan tafel. Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw, niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden, en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap weldra volkomen tusschen ons hersteld. "En wat zijn nu je plannen?" vraag ik hem, als wij na het eten in den tuin een sigaar rooken; "denk je lid van het corps te worden, of niet?" Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig, dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft ingezien, dat hij het niet doen moest. Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier te drinken en een sigaar te rooken. En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust en ontwakende mannelijke kracht. En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt. Haar brood. Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen, schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette zij, had aangescheld. Als ik vroeg: "Frits, jongen, moet je nog niet naar school?" of: "Karel, ventje, is het je tijd nog niet?" dan was het antwoord: "nee, pa, want Ant is er nog niet;" maar zoodra een van de kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: "daar is Ant; Ant is er, hoor!" en dan grepen allen naar boeken en tasschen en stormden de deur uit. Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten, kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op schillen wachtte, en de kinderen haar met een: "goeje morge, Ant; dag Ant!" voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden verbitterd. Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit, voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was, maar ook om hemzelf, "want," zei zij, "'t was 'n best ezeltje, nooit eigenzinnig en altijd gezond." Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn "smaak" te vallen. Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg, dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de schillen waren opgeladen, en Antje "vort Hans!" riep, waarop hij terstond aantrok en het karretje wegrolde. Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en, naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het bijzonder wilde vestigen. Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg. Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man, een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar jongen--frisch en gezond. "Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie, dat harteboertje!" had Antje haar ezeltje toegeduwd. "Maar z'n vader, hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank, die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe. En zij ook; "want als werkman is er geen beter," zeit z'n baas. En nou zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat, Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht doet, nooit..." Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel vasthoudende, tot Antje zei: "da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na 't berô." Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet, zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken. "Ho, Hans, ho!" riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en zich tot den agent keerende, vroeg zij: "wat zeg je, mot 'k mee na 't berô?" "Wel wis," antwoordde de agent met een straffen blik, "ik zeg je ommers, dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!" "De derde keer, wat derde keer?" vroeg Antje, den man met groote oogen aanziende. "Maar mens!--dat je schille ophaalt!" antwoordde de agent, met een hoofdbeweging naar het karretje. "Nou ja," zei Antje, "dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?" "Maar dat mag je niet doen!" riep de agent uit. "Wist je dat dan niet?" "Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of hoe hè' 'k 't nou met je?" vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende. "Droome," antwoordde de agent, "dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar doen vóór 's morgens acht uur." "Kom", zei Antje, "nou nog mooier! wie zou dat verbieje?" "Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het," antwoordde de agent, "maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't berô, dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore." Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een zucht: "Vort, Hans, vort jonge!" 't Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief, tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in verband met de komst van den agent. "Wel Kloek," vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem stonden, "wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?" "Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge," antwoordde de agent, de hand aan het hoofd brengende, "al drie dage achter mekaar." "Maar dat mag je niet doen vrouwtje!" zei de commissaris. "Na 's morgens acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de straat bent." "Maar me lieve meneer," zei Antje, "as 'k 's morges vóór acht uur me schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge." "Ja," antwoordde de Commissaris schouderophalend, "daarmee heb 'k niet te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd; en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal 't nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen haar opmaken." "'t Zal gebeure, U-gestrenge," antwoordde de agent, andermaal de hand aan het hoofd brengende. "Maar meneer," zei Antje, "'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k geen schilletjes meer mag ophale?" "Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb," antwoordde de Commissaris. "Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!" En terwijl hij zich weer verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje heen, mompelend: "zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe 'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar"--en langzaam de trap af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd--"ik laat 't er niet bij, dat doen 'k niet!" Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende, Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: "ik heb 't Hans, ik heb 't!" Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.------ Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als zij wou wachten.... "Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd," antwoordde Antje. En zoo stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek, ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën. "Wel, vrouwtje," zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf gevouwen en het eene been over het andere geslagen, "wat kan ik voor u doen?" En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en vroeg wat er aan te doen zou zijn. "'t Is juist wat ik heb voorspeld," zei Mr. Verdoorn, met een zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, "juist wat ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit bezwaar, dit zeer groote bezwaar," herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig gezicht, "het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen." "Ik kan dus een vergunning krijgen?" vroeg Antje, die, van al hetgeen zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen. "Onmogelijk is 't niet," antwoordde Mr. Verdoorn, "maar"--en hij zette een bedenkelijk gezicht--"zeker is 't evenmin." "Och meneer, doe uw best voor me," vroeg Antje, "doe uw best, want 't is me brood!" en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te voorschijn. "Ik beloof u te zullen doen wat ik kan," antwoordde Mr. Verdoorn, "en zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten." "Dank u, dank u!" zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende, nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen. Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende, dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor geen geld wilde ontvangen. Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr. Verdoorn. Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om niet door anderen "onderkropen" te worden, of zij, gedurende den tijd, waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen, de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen, wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden, ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje zich bijzonder goed schikte. Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen, vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel uitriep: "Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken en buiginkjes te maken." En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat zij haar broodwinning had mogen behouden. En dankbaar was zij! "Lieve harte," zei ze, "wat in de wereld ha'k toch motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was 'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil." En zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: "Vort, Hans, vort jonge!" En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan uitzag, trok aan en weg rolde het karretje. Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem toeliet: "schille, schille, wie het schille!" Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei knorrig: "ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet late." "Dat kan 'k niet, me goeje man," zei Antje hoofdschuddend; "'t is me brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen--vandaag, morge en altijd." "'t Is goed," antwoordde Kloek, "maar je weet wat de Commissaris het gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor je, 't zal spanne, dat zeg ik je!" "'t Zal zoo'n vaart niet loope," meende Antje, 't zal nog wel schikke." "Wor nou maar niet bertaal," waarschuwde Kloek, "want dan maak je 't nog erger!" "Menslief," zei Antje, "daar denk 'k niet an." En Hans tegen den hals duwende, riep zij uit: "Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de Commesaris." Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_ een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen, en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris. En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en woonplaats had opgegeven, vroeg zij: "Meneer, toe u me laast het gezeid, da' 'k geen schilletjes mocht ophale--dat was toch niet de volle waarheid, was 't wel?" "Mensch," stoof de Commissaris op, "wou je me in m'n gezicht zeggen, dat 'k lieg!" "Maar me lieve meneer," zei Antje, "dat wil 'k in 't geheel niet zegge; ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?" "Die vergunning," zei de Commissaris boos, "wordt nooit verleend, en 't was dus geheel onnoodig daarover te spreken." "Ja," zei Antje, "zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k het er toch eentje." En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld, haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in _optima forma_ was. Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een toon alsof hij verongelijkt was: "'t is in orde, en we zullen er aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt," vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing aanziende, "dat mag de hemel weten!" "Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?" vroeg Antje, die het onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de vergunning gekregen had. "Ja, mensch, ja!" antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem verloren ging. Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den rug kloppende, zei zij: "hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en voor goed ook; vort, jonge, vort." Kinderleed. Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen, eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig op zijde had geschoven, zei mijn vader: "Meneer Nelissen is zoo even bij mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere school moet, ventje." "Och heden, dat is jammer!" zei mijn moeder; "dat zal je spijten, hè, Willem?" "Hè ja!" riep ik uit, "zoo'n prettige school." "Ja," zei mijn vader, "het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed."--En hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest, en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen "een ietsje flauwer"--de Metallieken "een tikje beter" waren, en verder verslag gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws, dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan, dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen: "Heere--zegen--deze--spijs--en--drank--amen," waarna het mijn beurt was, en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het ernstige gelaat van mijn vader. Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers, van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen kwam spoken. Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij. Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem, als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren, dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane wijze handhaafde hij orde en tucht. Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken. Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing, voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen, stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt. "Je mag zoo maar niet opstaan!" zei Henri, die naast mij zat. "Dat zal hij langzamerhand wel leeren," zei meneer Nelissen, mij op den schouder kloppende. "Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest, en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En wat hij deed," vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende, "is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te onthoofden, niet waar Henri?" "Maar dan doen ze zoo eeuwig mal," mompelde Henri. En toen meneer vroeg wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen. Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.------ "En waar gaat hij nu heen?" vroeg meneer Nelissen, toen hij een afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem vaarwel te zeggen. Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school kende? "Zeker mevrouw," antwoordde hij. "Kreggers is een knap man, geloof ik, een _heel_ knap man.--Hm.!" En dit zeggende stond hij op, nam afscheid van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok. Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.--Arme meneer Nelissen! gij waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand kunnen brengen------ Meneer Kreggers--groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke handen ter hoogte van het gezicht houdt--meneer Kreggers zegt: dat ik brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij voor de klas staat en les geeft. Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. "Je verstand is goed," zegt hij, "maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;" en mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept: "_Messieurs, la prière!_" totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen gaan. Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn eigenzinnigheid versterk. Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb, zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze, waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent, zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen. En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het niet en geloof ook niet, dat ik "zoo'n akelige jonge" ben. Ik weet, dat men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo "slecht" was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was, terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk, lammert, en zoo vele andere toe, en--ben ik rampzalig. Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin zooveel vooruit zijn--Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet, dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra hij dan ook zegt: "_et maintenant, Messieurs, la lecture française_," word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste. Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is, en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept: "_Assez, maintenant l'arithmétique_," een werkzaamheid waaraan ik evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei schrijven: _je suis un enfant revêche, hautain et indocile_. Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. "Lees dat nu eens hardop voor," zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij er bij: "en nu niet geagiteerd, asjeblieft!" Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den uitgang "ion" moet verbinden met de "g", of de "s" of een andere medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_. Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revêche et un imbécile_. Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en zegt, schijnbaar kalm: "we zullen het nu nog eens probeeren, maar nu"--en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon--"nu pas je op, versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_." In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den gek te houden? Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk. "Krijg ik ook antwoord?" vraagt hij. "Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!" roep ik uit. Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover verder niet wil spreken en herhaalt: "_des ... i ... eux_." Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: "_des sjeux_." Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend: "nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_." Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend, terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd. Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op, en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: "marsch, in den hoek..!" Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij. Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek, maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de zakken en kijk rechts en links naar het plafond. Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis brengen--en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende, naar huis. Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord: dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij, reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien, dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren _instituteur_ is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille van zijn prestige stellen moet. Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: "en wat zegt m'n jongen nu?" O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen. "Maar 't kind is zenuwachtig," zei meneer Kreggers glimlachend. "Ik geloof het ook," antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er bij: "misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen"--en nu klonk zijn stem weer krachtig--"zal mijn zoon uw school niet langer bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_ zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad," vervolgde mijn vader, meneer Kreggers vast aanziende, "betuig ik u mijn dank." Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last, waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was------ Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden, die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet. Karel Jan Vonk. "K..arel, J..an Vonk," zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met den rug naar het venster mijner griffie staat "zoo spreekt hij precies, en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. "Neem het copyboek," zeg ik tegen hem, "zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je natuurlijk het woord "heer" in "mevrouw" veranderen." En Vonk deed precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond er boven: "WelEerwaarde Mevrouw." WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd." "Mijn waarde," zeg ik, "daarover behoef je je niet ongerust te maken. Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou worden opgeleid?" "Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen, dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool te Diepenburg geweest." "Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?" vraag ik. "Als een rots," bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik, "en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een gemakkelijk heer--en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele onheil had overzien, den jongen onder handen genomen--en zulke venijnige dingen gezegd heeft--want Venninga is nog al scherp, zooals je weet--dat Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen." "Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?" vraag ik. "Dat weet ik niet," antwoordt de burgemeester. "Venninga is natuurlijk dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij, om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte. "Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer. Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem standjes gegeven, standjes..." "Ja," zeg ik, "dat zal wel." "Hè!" roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende, "waarom denk je dat?" "Omdat ik geloof," antwoord ik, "dat je wel een beetje heftig bent, weet je." "Ik geloof 't ook," erkent de burgemeester, "maar 't schijnt geen slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: "dat mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;" 't geen hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat." "Is hij gewillig?" vraag ik. "Zeer gewillig." "En ijverig?" "Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben als--als een heimachine," zegt de burgemeester, die met deze even krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen. "Nu," zeg ik, "dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?" "Graag," antwoordt de burgemeester. "Ik ben blij om hem en om zijn ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_." En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen, gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals, waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren. Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprimé_ in blanco van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het _imprimé_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft. En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in te vullen--wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_ is--heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik mij volstrekt niet vereenigen kan. Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen, terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt, en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren. En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon. En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat alle vonnissen de woorden: "in naam der Koningin," aan het hoofd moeten voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: "in naam des Konings." En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of hij het begrepen heeft. En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem handelen moet. Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is. Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje, die allen nog klein zijn en op school gaan. Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben, wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden, waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter, twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden, maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags, omdat vader dat verboden had. Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging. "Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld." Hoe bracht hij den Zondag verder door? "Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek." Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd? "Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond." Las hij veel? "Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was hier geen bibliotheek." Had hij geen konijnen, geen duiven? "Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht." Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen? Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen, maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij, dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg. En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een schamel kleed.------ Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon komen, omdat hij ziek was. Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei. "Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. "Vonk," zei ie van morge, toe 'k 'm uitliet, "dat lampie"--en de stem van den ouden man beeft--"dat lampie brandt nog maar heel eve."" "Arme jongen...!" "En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet, da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg 'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en 'm alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En daarom--beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar Hij doodt." Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij; hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt. Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat. Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan. Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde. En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas, even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt: Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek: "Schijn, zonnetje, ook op mij!" Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet, Haar stralen gingen voorbij. Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag, En tuurde naar 't morgenrood, Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat, Toen treurde 't, kwijnde en ging dood. En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!---- Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer op de trap en zijn vader kwam binnen. "Hoe is 't?" vraag ik. Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd. "Geen hoop meer?" "Nee;... hij is dood." * * * * * Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag: kleurloos, mistig en koud. O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel. De oudste. Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Haëzer_ schreven, een teeken, dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen van onzen levensweg, den blik terug wenden. Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben, prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten, herdenk ik wat achter mij ligt. Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde zij er bij, God te danken dat het zoo was. Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren, genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee. Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart, bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen, toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood. Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden, dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine, onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang, altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn ziel zich meer en meer naar de uwe stemt. En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen. "Ons kind, onze zoon!" Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende, herhaalde: "onze zoon." "Dien wij willen liefhebben," zei ik, "_ook_ met geheel ons verstand, tot zijn eigen geluk en tot het onze."---- Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren, donkere oogen, blozende wangen en het--aan de mondhoeken naar beneden getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem "de jonker" noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen legt. Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten wil. Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te midden der stilte klinkt: "hoe kom dat?" en als de opkomende maan zijn aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt: "het de maan ook beene?" Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat "goote mense doen." Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit, het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet. Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij: "Daar kom 'n man an, hè?" "Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt." "Goeje man, hè?" "Zeker wel, vent." "Niks bang, hoor?" "Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?" "Pa zou mijn wel hejjepe, hè?" "Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein meisje heeft." Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij zich tegen mij aan. Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging, Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij, met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: "goeje man, hoor!" Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren, een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet, dat de zee "o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes." En sedert ik hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver, van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere, dan roept hij uit: "o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes goed zien, hè? die goe...je visserjes!" En die gedachte laat hij niet weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi "jiggie" hebben, dat zij nu zeker wel "bjij" zijn, en als wij t'huis zijn gekomen en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens, terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes houdt: "nou kanne de visserjes mooi zien, hè?" "Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen zien." Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: "o jou goeje, ouwe bj...inde Pjins!" dan spreekt het grootste medelijden uit zijn stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw werpt, "voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben," en die dan ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig verzadigen, dan zegt hij: "dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!" en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat 'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen. Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen, waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund. Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen zijn, dan antwoordt ons ventje: "Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!" En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den laatsten regel zegt: "O, 't sjaapie is vedjonke, Och, 't ajme dier is dood!" dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt o, zoo bedroefd! Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld. Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk, tot die avond kwam--en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel--toen Agnes, met een benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was! Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij, klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets, dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende overtuiging, dat onze teedere bloem--ach, met hoeveel zorg gekweekt!--onder de zeis des grooten maaiers vallen zal. Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek, vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die vermagerde handjes en die langzame bewegingen--o, wat zou ik dan niet willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen als het beekje, dat zich rept naar de rivier. Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer. "Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!" Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het leven bindt. Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles voorbij... "Voorbij...!" Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen, dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten. Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden, maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten, sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat hielden. En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is, als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt. Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!------------ Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg. Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind, dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend! Het klooster der Witte Vrouwe. (Een indruk.) Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen, voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan, bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in zonneschijn en rust. Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen, die het als wachters omringen. En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen--en velen zijn het--die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij, die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe--wier in steen gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een nis boven den ingang staat--haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger, in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen. Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet, noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin. Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles wat de ziel niet behoeft. Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk gebed in de kapel. Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen, en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan, als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek ruischt. Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het hoofd--bedekt met een wijd-uitstaande witte kap--eerbiedig gebogen, de handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil, als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het gemeenschappelijk gebed rijst omhoog. Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen, zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden. Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt. Immers het leven daarbuiten heet "zorg." Daar is de zorg voor het heden en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien, houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt. Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven, losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart, waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur, die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden naar deze toevlucht gekomen zijn. Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die, uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen, in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden, die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst. Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd. Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat? Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer ziel bezoedelen. Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond, een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten, wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel, den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat, waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd. Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering. Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig. En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen, een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm, die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven. En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt, vluchtende ver buiten zijn bereik. En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld, haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar liefde--waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen? Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar met nadruk had gesproken: "kom tot mij," en telkens als haar hopeloos "waarom" onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer gehoord: "kom tot mij," met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend, zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was neergeknield, zeggende: "hier ben ik, Heer!" En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem, die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.------ Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal, die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die, afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is. Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt, bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem. Haar keuze. .... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt pruilend: "hij het ook zoo'n haast!" Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest, toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden. En "kermis houwe, met Allerheilige trouwe," zegge ze in 't dorp. Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden om ontevreden te zijn over een ander. "'t Was," denkt ze--en starende op de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan--"'t was, toe ie me aankeek en z'n hand toestak, of iemes me zei: "toe dan, meisie, toe dan!" en 't is of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur 't kermis is. En dan..." En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van "de Wykamp", de grootste hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even heeft gedaan. En "boerin van de Wykamp te worde," denkt Geerte, "da' 's veul!" Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles wat ze zag. "'t Was haast te veul veur een alleenig mens," had haar moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het goud van zijn moeder bewaarde. "Doe ze 's in, Geerte," had hij gezegd, toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt. "Zou 't waar weze, moeder," had zij peinzend gevraagd, toen zij naar huis liepen, "zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?" En haar moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel, dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_ gezicht niets verborg. Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de blankgeschuurde emmers te halen,--want het is tijd om te melken,--en zij weet niet wat zij doen zal. "'t Is moeilijk," meent zij, "moeielijk!"-- Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van "de Zonnebloem" gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de kastelein van "de Roode Leeuw," er geweest is en gevraagd heeft waarom hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen was, en hij zijn stal vol paarden kreeg. Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den laatsten tijd verzuimd heeft te doen. "Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere," denkt hij, kwaad op zich zichzelf. "Zet de wage voor de schuur, Dirk," roept hij zijn knecht toe, "en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't aved weerum." Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet gebruiken--Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis. 't Is ruim een half uur stappen naar "de Roode Leeuw," en reeds laat in den namiddag, als hij er aan komt. "Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?" vraagt Harmsen, die, met zijn knecht, in 't zolderluik van den stal staat. "Dat he' 'k," antwoordt Aart opkijkende; "'t was me deur 't heufd gegaan, heur!" "Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?" "Of wil ze niet meer van je wete?" vraagt de knecht van Harmsen, met een knipoogje naar zijn baas. "Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!" roept Harmsen uit. "En nou, as de weerga de zolder vol." En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie- viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt, als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: "hard werke, da's 't beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks." En met een vluggen zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen geholpen, spant hij zijn paard weer in. "'n Mooie zwart," zegt de kastelein, naar borst en "beenen" van het fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den hals kloppende, herhaalt hij: "'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!" "'n Beste," verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen. "Stil, zwart! ho jong!" "Hij 's dartel," zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te laten. "Hij 's jong, en 't is veurjaar," antwoordt Aart. "Da-ag!" En de teugels vierend, rijdt hij het erf af. "'k Zal 'm toch 's minder straf voere," denkt hij, als hij uit het mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, "hij wordt te veel mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!" En met sterke vuist beheerscht hij het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt. En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei: "veur haar 'n aar." "'k Mocht lijje," denkt hij, "dat 't zoo gemakkelijk ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet, maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,--of dat scheelt! En as 'k sikuur wist," denkt hij, op het schoft van het tuig starende, "heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,--alla! 't zou dragelijk weze, maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r...." Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels, want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert, slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol.... Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen, spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet, peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar zij, de handen boven de oogen, hem nastaren. "Wie is 't?" "Aart." "Aart? Aart van de Zonnebloem?" "Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!" En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg, zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht treffen, of op den wagen kletteren--voort, naar den tol. De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan open is...! Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft, schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is. En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken, door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten, uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien. "Staat de brug op?" "Net gestreken." "Goddank...!" Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend, neersmakt....... Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel, en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: "O, Aart! arme, lieve Aart!" Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te zeggen; want als hij haar nog kan hooren--en ja, dat zal immers!--dan zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer beter wordt! Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug af, starende in de verte. De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij aan eenige boeren hoe het gegaan is. "Net was de "Culemborg" de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het! Watte! Effies later viel ie op de ploeg... "Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde...." "Dood?" "Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was... slim." En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen, dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest. Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg, waaraan "de Wykamp" is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande, schreit zij. Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af. Nog enkele minuten en zij heeft "de Zonnebloem" bereikt, en over het erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning binnen. 't Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de borst gebogen, zijn hand in de hare. Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op, en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der eeuwigheid op.... Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de wasbleeke wangen. Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad--o, altijd...! Blok's Vrouw. "Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?" vraagt Gijsen, een kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt. "Ja," antwoordt Blok, "'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. "Blok," zei ie, "verleje Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou."" "Da's nog gauw gegaan," zegt Gijsen, "gauwer as 'k docht." "Dat komt," antwoordt Blok, "doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an gelege het late legge. "As ze d'r tege in had gelege," zeit me avekaat, "dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen asem het gegeve, nou gong 't hard." En 't is maar goed ook!" roept hij uit, "want zóó.... zoo kon 't niet langer." "Dat hoor 'k," zegt Gijsen. "Ze mot, zooas deze en gene me wist te vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn." "O man, slim hoor!" erkent Blok, met een zucht. "In de eerste jare van ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar toe ze daarmee begon"--en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan den mond en licht den pink op--"toe was 't mis." "J--a!" roept Gijsen uit, "as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze 'm luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an verslaafd weze as 'n man." "Te minste niet minder," bevestigt Blok. "En hoe dat 'n vrouw verlaagt!" roept hij uit, "dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou _mijn_ vrouw was, want zoo ies.... nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht." "Dat geloof 'k graag," zegt Gijsen, "want as 'k me eige goed herinner, dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde." "Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon," stemt Blok toe. "En netjes en vroolijk...! "'k Krijg 'n best wijf," docht 'k, toe 'k met 'r na 't stadhuis reej!--Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze: dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht, dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze _dit_ nou juistement ook niet voorzien." "En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?" vraagt Gijsen. "Nee, heel niet," antwoordt Blok. "'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid zooveel, hè? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank 'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis kwam, gedocht: "maar mens, wat doe je toch raar!" maar dat dat van de drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da' 'k weer docht: "wat hei je toch?" en dat ze opsting om 't eene of 't andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam, rook 'k, dat ze gedronke had. Nou hè,--ik 'r effe onder hande genome, dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij--dronke! zei ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente bedaarwater bij de aptheker gehaald.--Afijn...! Ik had 't gezien, hè? En dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte, da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. "Nou," denk 'k, "nou wordt 't mooi. Ik--altijd van huis, en me vrouw met de fles in d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes jare was... nou, gaat 't goed!" En die eigenste nacht, dat me vrouw sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe de dag kwalijk an de hemel sting, ik--na me moeder. "Toe moeder," zeg 'k, "doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op." Niet op me vrouw, meende 'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar--op de kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog. Zie je," roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven dan omdat de haren hem hinderen, "toe 'k weer op straat sting, en na 't ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord..." "Dan voel je," zegt Gijsen, "dat je 'r ten minste niet heel alleenig voor staat." "Zoo is 't," bevestigt Blok. "En van die tijd af was me moeder, as ze effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet weze, hè? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte, en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in--afijn--beroerd! Me weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook. Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de straat op! 'k Heb 't toch wel gehad," roept Blok uit, met diepe rimpels tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, "'k heb 't toch wel gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had 'm de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik--'m opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, hè? En dat ie ze hoofie op me schouwer leit, valt ie in slaap ook. "'k Breng 'm niet na huis," denk 'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en "as me vrouw me nou onder de ooge komt," denk 'k, "dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in staat ben." En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook, want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat Antoon is. "Wel nou," zeg 'k, "jij het 'm de straat opgestuurd, hè? maak jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt." En toe ze d'r achter was gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't gaande! "Ja nou," denk 'k, "speel maar op, maar hier komt ie niet meer weerom."" "Opspele?" zegt Gijsen,--"ze had d'r eige motte schame, dat was beter geweest." "D'r schame!" roept Blok uit, "nee hoor, dat kunsie had ze al lang verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst maakte ze, dat we moste verhuize.--Dat de bure 't in de gate hadde, dat spreekt, hè? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie, net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't perceel,--dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik--in me vrije tijd 'n andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla hè! eindelijk vond 'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge. Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd en 't geld na de kroeg. "Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: "'k mot toch 's met 'r prate," en 'k zeg: "Bet, Bet," zeg 'k, "waar gane we toch na toe!" 'k Had 't kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge, en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit. "Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's gauw wat, hè? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: "Zie je," zeg 'k, "as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe gehad. Want zoo as 't nou is," zeg 'k, "is 't niks; da' 's arremoed voor ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad," zeg 'k, "en ik heb ze nog, en nou motte wij ook make, dat _wij_ fesoenlijk door de tijd komme. En as je wil," zeg 'k, "dat de kindere later zalle oppasse, dan motte ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt." 'k Had gelijk, zei ze, ze had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat beloofde ze me. "'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel om. "Waar ga je nou na toe?" zeg ik. "Na de kerk," zei ze. 'k Had 'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de Noorderkerk, waar de dominé preekte, daar ze bij angenome was. "'t Was me wel wat heel mooi, maar "je kan 't niet wete," denk 'k. "'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de eerste niet weze, die er van teruggekomme is." En zoo lie' 'k 'r gaan. 'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't armezakkie, en zij--de deur uit. "'k Had die dag--'t was Zondag--maar één rondte, en toe 'k t'huis kwam om te ete, zeg 'k tege Jan--da' 's me ouwste--"Jan," zeg 'k, "waar is je moeder?" "Moeder," zeit ie, "moeder is nog niet weerom." "Niet?" zeg 'k, en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na kerktijd bij die dominé an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze 't _goed_ meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld. Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf; 'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge..." "N--ou," roept Gijsen uit, "'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!" "J--a," zegt Blok met een zucht, "'t was erg...! Wat er die dag bij 'r is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da' 's nou effetief waar, maar zóó,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen eens." "N--ou," zegt Gijsen, "maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!" "As je mijn vóór me trouwe had gezeid," antwoordt Blok, "dat _ik_ die dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel, da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete, dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt. 't Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, hè: eerst het ie an vijftig pond ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo weg." "Dat laat 'm wel hoore," erkent Gijsen, "maar je mot 't maar drage; en as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar." "Of 't zwaar wordt!" roept Blok uit. "Geloof mijn maar, dat er heel wat wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, hè: 'n goed klantje van de tapper heet "verdriet." Maar 'k zag an me vrouw wat er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as 'k 'r in die toestand zag: "zóó ziene de kindere me noot!"--En onderwijl gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis, en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest. 'k Moest van d'r of; zóó kon 't niet langer, en 'k was er mee doende toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien. 'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die omstandighede noodig het,--die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges met looje schoene na 't ketoor. Want kindere," roept Blok uit,--"as ze motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil je ze niet weer kwijt." "Zoo is 't," stemt Gijsen toe. "Toe wij in 't begin van ons trouwe geen kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: "mens," zeg 'k, "wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het." Maar toe we 'r eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan, 't in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor 'm te zorrege, toe zeg 'k: "'t is heel vrindelijk angepreseteerd, daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in."--En me vrouw had me wel om me hals wille valle, geloof 'k." "Ja," zegt Blok, "'t is 'n mens ze vlees en bloed, hè! En zoo wou _ik_ me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter, dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in _die_ hoek bleef, dan sting ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat _ik_ kon doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove. 't Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan om ze werk, hè? "'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag, da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,--ik effe me woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had, en ik--na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet bij mijn over de vloer kon weze, zou _zij_ zorrege, dat zij er dan was. "Of 'k dat goedvond," vroeg ze. "Of 'k dat goedvin?" zeg 'k, "ja hoor, ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan." "Ja, ja," zei ze, "dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter gaan." "Dat denk 'k ook," zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al was dat niet door haar gekomme, _zij_ had er voor gezorgd, dat ie zou doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. "En de goeje mense," zei ze--"je hoort ze niet." Zie je," roept Blok uit, "'k kreeg toe 'n gevoel asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of de kleine draait, maar de groote staat stil..." "Nee," zegt Gijsen, "daar het 'n mens niet an. Ze motte allebei d'r plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat grootere kring bewege as de andere, maar as ze de juiste tijd zal anwijze...." "Dan mot 't van binne bij allebei in orde weze," verklaart Blok. "'t Zal dan bij mijn an huis ook weer gaan," docht 'k;--"wel niet zoo heel precies, maar toch 'n boel beter;" en, zoo voelde 'k me wel honderd pond lichter toe 'k weer na 't kamertje gong, om me jas an te trekke. 'k Doe de deur ope, en daar staat, bij de stoel daar 'k me spulle op gelege had, me vrouw, en dat ze me ziet, schrikt ze en doet 'n paar stappe achteruit. Jij hier, denk 'k, en da' 'k 'r ankijk, loopt ze aldoor achteruit, net zoo lang tot ze met d'r rug tege de muur sting. "Ben je nou bang voor me?" denk 'k, "waar is dat voor? want me hande na je uitgestoke he' 'k nog noot." Maar 'k zag, dat ze gedronke had, en zoo gaf 'k er niet om, hè? Maar net, da' 'k me tas en me geldzak zal opneme, gaat 't me door me hoofd, dat ze zoo vlak bij die stoel had gestaan, en misschien al 'n heele tijd alleenig in dat kamertje was geweest. "Verd...!" denk 'k, "ze is zoo van me geschrokke, ze zal toch niet..." En voor 'k recht wist wa' 'k deej, draaide 'k de deur of, dat ze niet kon wegloope, en ik--me cente nageteld. En onderwijl, da' 'k er mee bezig was, sting ze met 'r rug tege de muur na me te kijke, d'r hoofd voorover, d'r waterige ooge en d'r mond wijd ope.--De specie was er: zooveel an rijksdaalders, zooveel an guldes, zooveel an klein geld... dat kwam uit. Maar an 't pampiere geld ontbrak 'n briefie van honderd gulde; en da' 'k 't gehad had, wist 'k zeker. 'k Had er drie ontvange, hier een en daar een, maar da' 'k er drie most verantwoorde,--daar ging niks van of. 'k Telde nog 's, want alla, me hande hadde gebeefd, hè? maar 't was weg en 't bleef weg, en me vrouw most 't hebbe. "Bet," zeg 'k, en 'k gong na 'r toe, maar 'k sprak zaggies, want in de kamer d'r achter sliep me jonge, en as ie nou wakker wier... "Bet," zeg 'k. "geef me dat briefie weerom." Maar me vrouw keek me an, aldoor strak an, maar ze gaf geen asem. "As 'k an 't ketoor kom," zeg 'k, "en 'k heb geld tekort, dan jage ze me weg; en waar motte we dan na toe?" Maar wat scheelde 't haar! Ze schudde effe d'r hoofd, maar ze hieuw d'r mond. "Maar mens," zeg 'k, "hei je me dan nog niet ongelukkig genoeg gemaakt?" En toe 'k dat zei, zag 'k an d'r gezicht, dat ze wou gaan opspele. "Stil," zeg 'k, "in Gods naam, wees stil! Je weet ommers, dat Jan ziek is? Welnou, nou slaapt ie. Ze zegge, dat ie beter kan worde as ie nou doorslaapt. Laat 'm dan ook slape. 't Is toch ommers ook jouw jonge. Jij het 'm onder 't hart gedrage, en je weet ommers nog wel hoe blij dat je was, toe ie komme most?" En me vrouw sloeg d'r ooge neer, d'r mondhoeke trokke, en uit 'r zak haalde ze 't briefie van honderd gulde, dat ze me over gaf.------------ "Dat dat gebeurde," zegt Blok, zijn pet naar achteren duwende en met de vlakke hand een paar malen over het voorhoofd strijkende, "dat dat gebeurde, is nou alweer 'n knap poosie geleje, en na die tijd he' 'k 'r nog niet weerom gezien. Wat ze uitvoert, of waar dat ze zit,--ik weet 't niet. De een zeit, dat ze t'huis leit in 'n slaapstee in de St. Jacobsdwarsstraat, en de ander wil 'r gezien hebbe, met 'n mand met negosie, in de buurt van d'Uithoorn. Maar hoe dat ze rondscharrelt, of wat er verders met 'r gebeure zal,--van mijn is 't of. _Ik_ heb geduld genoeg met 'r gehad, en 'n best leve had ze kanne hebben, maar ze het niet gewild." "En dan zit er ook al niet veel anders op," zegt Gijsen, "as dat ze daarvan dan ook de gevolge mot ondervinde." "Ja," stemt Blok toe, "dat kan al niet anders. Maar as je me nou vraagt of 'k daar heel geen weet van heb,--dat niet.--D'r is 'n tijd geweest, da' 'k veel van 'r gehouwe heb, hè? En de moeder van me kindere,--dat blijft ze altoos. 't Is 'n geluk, da' 'k van 'r of ben, en dat zou 'k niet anders wille, maar as 'k 't goed bekijk, dan he' 'k toch meer mejelijje met 'r as wat anders. Want dat ze 'r zelfs geen vrede mee had, dat ze zoo was, da' 's vast; en toe 'k 'r daar alleenig in dat kamertje had, het ze beweze, dat ze ook nog wel wat voelde, hè?--En daar benne we alweer an 't ketoor. Jij gaat zeker voor in?" "Ja," antwoordt Gijsen, "ik mot brieve anteekene." "En ik," zegt Blok, "ga hier bezijje of. Dag, hoor." Geen "Verrajer". In den vroegen morgen van een lentedag, omstreeks den tijd waarop de werklieden naar karwei gaan en de melkboeren met hun wagens de stad inrijden, komen twee jongens, de eene even zestien- en de andere dertien of veertien jaren oud, beiden met ziekelijke oude-mannetjes-gezichten en meer vodden dan kleeren aan het lijf, de Korte Amstelstraat uit en loopen, linksom gaande, langs den Amstel in de richting naar de Hoogesluis. De oudste draagt een zak, die gevuld maar niet zwaar is en kijkt, het hoofd zoo weinig mogelijk bewegende, met een loerenden blik om zich heen. De jongste loopt een weinig vooruit, en zwijgend vervolgen beiden hun weg, totdat, een vijftiental huizen van de Hoogesluis verwijderd, de jongste plotseling blijft staan en uitroept: "Verdikke Koo, twee leenmichels!"[1] [Footnote 1: Rechercheurs.] "Dat lieg ie. Waar?" vraagt de oudste. "Op de Hoogesluis," antwoordt de jongste, en kijkt met groote oogen naar twee personen, loopende in de richting naar het Weesperplein. "Niet bunsig[2] worre, Pietje," waarschuwt Koo. "Ga wat meer voor me loope, dat ze 't zakkie niet zien. Kijke ze?" [Footnote 2: Bang.] "Nee." "Hoe weet je, dat 't leenmichels benne?" "Omdat ze laast bij ons ware," antwoordt Pietje, "en de langste, die kan 'k toch al,--da' 's van Dam." "'t _Benne_ leenmichels," bevestigt Kootje, als hij, even om den jongste heen ziende, de beide personen in het oog heeft gekregen, wier verschijning het ventje, dat heden voor het eerst met hem "gewerkt" heeft, zoo grooten schrik op het lijf jaagt. "Domme, nou kijke ze!" roept Pietje uit. En in een ommezien trekt hij zijn klompen uit, neemt die in de linkerhand, en rent weg, al loopende zijn broek, die veel te lang en veel te wijd is, met zijn rechterhand ophoudende. "Bunsigert!" roept Koo hem achterna, den zak op een stoep smijtende, "beroerde spatzetter! As ze me snappe, dan verraaj 'k je, hoor je!" Niet zonder reden vermoedende, dat het plotseling wegloopen van Pietje den argwaan der rechercheurs zal hebben opgewekt, staat hij in beraad den zak in den steek te laten en zelf weg te loopen, als hij tot zijn verwondering ziet, dat de beide rechercheurs, in plaats van den Amstel op te gaan, zooals hij verwachtte, schijnbaar zonder kwaad vermoeden doorloopen, de Sarphatistraat in. Gerustgesteld, neemt hij den zak weer op en loopt voort, mompelend dat hij "vertikt" zal zijn, als hij ooit weer iets doet met "zukke snotneuze van jonges, die geen lef[3] hebbe, en door d'r bunsigheid 'n ander 'n loer zouwe draaije." Bij de Hoogesluis gekomen, gluurt hij voorzichtig om het hoekhuis heen, maar niets van de rechercheurs bespeurende, vermoedt hij, dat zij een zijstraat of een woning zijn ingegaan, en vervolgt hij zijn weg, zoo dicht mogelijk langs de huizen loopende, om niet in het oog te vallen. Zoo komt hij aan het West-Einde, loopt die straat door, en juist als hij rechtsom wil gaan, voelt hij een hand op zijn schouder en, verschrikt opziende, herkent hij een der beide rechercheurs, die hij zoo even gezien heeft. [Footnote 3: Moed.] "Dat dacht je niet, hè Kootje, da' 'k zoo in eene uit de lucht zou komme valle?" vraagt de rechercheur van Dam, glimlachende om de verbazing waarmede de jongen hem aanziet. "Maar zie je, maatje, dat komt omdat je niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om 't hoekhuis keek, want daar zatte ik en me kameraad nou juistement op de loer. "Nou jij dat aardige, kleine jongetje achterna," zeg 'k tege me kameraad, "en ik Kootje opgepikt." En toe he' 'k 'n endje meegereje met die melkboer, die daar met ze wage wegrijdt, en zoo ben ik dan nou bij je. Gogem, hè? En mal van me da' 'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie je, Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes te vangen; dan doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar altijd weer heel anders; en al zou 'k je nou morge, om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al hà' je mijn dan _ook_ weer in de gate, dan was je 'r toch weer bij, want dan prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.--Maar hoor 's, Kootje, ik wou 's met je prate; ja, dat wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig, hè? Alla, neem 't zakkie dan maar op." "Draag 't zellevers," antwoordt Kootje, nijdig. "Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog al op de vroege morge, tege 'n goed vrind van je." "Stik!" roept Kootje uit. "'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En jij, zus," vraagt van Dam aan een aardig dienstmeisje, dat voorbijloopt. "Och malle!" roept het meisje uit, "laat mijn maar loope. 'k Zal 't an je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies niet met rust laat." "Jij doe maar," antwoordt de rechercheur, "dan zal 'k 'r zegge, da' 'k je voor me schoonmoeder hieuw.--Nou Kootje, wil je 't zakkie niet drage? Ook al goed; dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want 'k zou me eige wel kanne begrijpe, dat je "adie" zegge en 'm smere zou, as 'k er niet voor zorgde, dat je nog 'n poosie bij me bleef.--Koman dan maar!" En den zak op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien hij bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen in de van Woustraat, bij een woning met een ingebouwde stoep, die beide opgaan. "Nou," zegt van Dam, zorg dragende zóó te gaan staan, dat Kootje niet kan wegloope, "late we nou 's kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies? Jawel! Een, twee, drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente. Jonges Kootje"--en de rechercheur bergt de vier stukken zink, afkomstig van aan gevels bevestigde afvoerbuizen, weer in den zak--"je bent van morge vroeg uit de veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed besteed ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r een op de uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger doorwerke, doordat ie niet tellekes hoeft te kijke of 'r ook 'n smeris ankomt. Daar hei je gelijk an. Maar 'k vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij je had, wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?" "Wie?" herhaalt Kootje, met een blik vol minachting naar den rechercheur, die durft te denken, dat hij zal "klappe"--"wie? Kees Gappe, hè!" "Ja!" roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten hoogste verwonderd is, "was die 't? Da' 's nog famielje van je, hè? Maar dat nou 's daar gelate. Je mot wete, Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat hè' 'k; 'n heel lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete jonge. Wil je wete wat 't is?" vraagt de rechercheur, zijn hand op den schouder van den jongen leggende. Maar Kootje, nijdig omdat hij "zuur" is, trekt wrevelig zijn schouder terug en zwijgt. "Hoor 's jongetje," zegt van Dam, nu in vollen ernst, "nou he' 'k je maar één ding te zegge: òf je mot hoore na 't geen ik je te zegge heb en asem geve as 'k je wat vraag, òf, as je dat niet van zins bent, dan blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse, zooas jij zeit, en die neme je mee, dà' je voor schandaal over de opebare weg loopt. Je bent dus gewaarschouwd, Kootje!" roept de rechercheur uit, den jongen met zijn signaalfluit dreigende. "Nou nog 's"--en al sprekende, brengt hij bedoeld instrument langzaam naar den mond--"wil je nou hoore, of mot 'k muziek make?" "Wat mot 'k dan," vraagt Kootje nurks. "Zie je wel, daar draai je al bij!" zegt van Dam, "en da' 's dan ook verstandig van je.--Nou, Kootje, doe je oore nou goed ope, want nou komt 't.--Die pijpies"--en van Dam kijkt den jongen scherp aan--"wou je zeker bij Krido brenge, hè? Want je ging die kant uit!" voegt hij er, met eenige verheffing van stem en uitgestoken wijsvinger, bij.--Kootje denkt even na en bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden van den rechercheur. "Zie je wel, dat dacht 'k wel!" verzekert van Dam. "Nou zeg 'k altijd, Kootje," vervolgt hij, zijn bakkebaard streelend, "dat 't de ergste niet altoos benne, die op 't rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of daar 'n stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben je 'r gemeenlijk bij, dat spreekt, hè!--maar opkoopers, as Krido, as Mosselman, Luchthof en andere, die veel gemeender benne, omdat ze, door al dat gestole goed te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r niet alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene ze zooveel cente, dat ze huisies koope en as groote meneere voor de dag komme, as 'r dat in d'r hoofd komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet zoo as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam--dat zou heelemaal niet mal weze.--Nou mot je wete, jongie"--en de rechercheur gaat met één been op de stoepleuning zitten--"dat me kameraas, 'n maand of zes geleje, Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad is, voor de tijd van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd, en nou wou ik 's kijke, of _ik_ er Krido niet bij kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.--Wat zou je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte, dat "oome maffie," zooas juilie 'm noeme, door dit zaakie van jou"--en de rechercheur wijst met een hoofdbeweging naar den zak--"voor 'n jaar of wat zakkies most plakke.--Moppig, hè?" 't Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan, want een flauw glimlachje vertoont zich om zijn bleeken neus en bloedelooze lippen, maar het plan van den rechercheur acht hij geen duit waard, want hij antwoordt: "ja, dat zal je ook glad zitte...!" "Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement 's met je beprate," zegt van Dam, van de stoepleuning af komende. "Kijk nou 's! As jij nou 's"--en onder het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger der rechterhand op en neer--"die pijpies, hier in dit zakkie, na Krido bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht zei, dat ze gegapt benne,--dan zou ie 't toch koope, denk 'k?" "Ja, daar zal ie ook wat om male!" roept Kootje uit. "Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze kan, dat ie gewete het, dat 't gegapt was, dan is ie er bij; want da' 's effetief hele, hoor je! En as ie daarmee voor de heere mot komme, die toch al zoo fel op die opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van me arremoed verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt, die ze Ponto gegeve hebbe. Dus," zegt van Dam, met den wijsvinger langs den neus strijkende, "alles wat 'k nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n handlangertje van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt, nadat je--versta me nou goed--nadat je 'm eerst het gezeit, dat ze gegapt benne. Je mot dan naderhand, as Krido terechtstaat, voor de rechtbank getuige, dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje van me dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan beloof 'k je, da' 'k je voor dit zaakie zal late loope; en dan krijg je nog 'n koekie van me,--je weet wel, zoo'n mooi zillever portretje van de Koningin." "En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?" vraagt Kootje, den rechercheur met een argwanenden blik aankijkende, "want die pijpies heb _ik_ niet gegapt, hoor!" "Och kom!" roept van Dam uit, den jongen met een vriendelijken glimlach aanziende. "Wel neen 'k!" zegt Kootje, verontwaardigd. "Je het ommers die andere jonge bij me gezien? Wel nou, van zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't voor twee vierduisstukke bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam, de cente of te drage." "Och kom," herhaalt de rechercheur. "Wel ja," grauwt Kootje, "da' 's de waarheid. Wist ik nou wat 'r in dat zakkie zat! Daar heb ik geen kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga zegge, da' 'k die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand wel 's late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was 'k zuur hè?" "Ei..!" en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend, "da's heelemaal niet mal van je geprakkiseerd, hoor! Je bent gogemer as 'k docht, Kootje; maar"--en de rechercheur denkt een oogenblik na--"'k beloof je, da' 'k je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel wat," beweert hij, een bedenkelijk gezicht zettende en zich met de vlakke hand langs den hals strijkende, "as me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben 'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens mot wat wage!" roept hij uit. "Wil je dan nou 't booschappie doen, Kootje?" Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een hoofdknik toe, en daarop gaat hij met den rechercheur naar het bureau, waar hij de komst van het handlangertje afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden. Dit heerschap evenwel ziek zijnde en in het gasthuis verpleegd wordende, laat de rechercheur een ander jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als "de mottige" bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam wel niet in dit individu, dat een half uurtje later aan het bureau verschijnt, maar voor dit zaakje, waarin hij niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal worden, meent van Dam hem wel te kunnen gebruiken, en als de mottige voldoende is ingelicht, begeven zij zich met hun driëen op weg, om den niets vermoedenden opkooper in de val te lokken. De jongens loopen vooruit, en op eenigen afstand volgt van Dam, die Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de zaak haar beslag heeft gekregen. "'k Heb 'n lief kansie," denkt de rechercheur, "'n heel lief kansie, en as 't me gelukt, dan zal 't me geen windeiere legge; da' 's 't minste daar 'k over prakkiseer. As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't Is zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete wat ie vóór het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel moppig om Krido zuur te make. Afijn! we zalle zien wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb gezet, nou is 't je geraje, maatje,"--en de rechercheur kijkt met een dreigenden blik naar Kootje, die druk pratende en ginnegappende met den mottige, van tijd tot tijd naar van Dam omkijkt--"nou is 't je geraje, dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie, jongie...! dan zou je in 't vervolg zoo'n kwaje an me hebbe, hoor...!" Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn van Krido gekomen, en terwijl van Dam op eenigen afstand daarvan blijft wachten, gaan de beide jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel, en 't is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in het achterhuis, een paar gaspitten branden. Ontzaglijke hoeveelheden gesorteerde en ongesorteerde lompen zijn tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper, lood en zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte voorwerpen, van allerlei aard: gedeukt, beschadigd, gehavend of verroest, bedekken de lange toonbank, links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen, ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar die, verstandig van de hand gedaan, een verbazende winst zullen opleveren, en te midden van dat alles staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende tot Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt: "daar, weeg maar op." De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit den zak, en terwijl Krido aan den eenen- en de jongens aan den anderen kant der bascule staan, zegt de opkooper, een zuur gezicht zettende: "is dat awwes? 'n enke' stukhie zinkhe pijp!" "Alles!" roept Kootje uit, "ja, d'r zal daar zoo meteen nog 'n verhuiswage met goed achteran komme, hè...!" "'k Zà 'm zien komhe," antwoordt Krido en, met een blik naar den mottige, dien hij nog niet kent, voegt hij er, tot diens onderricht, bij: "'k koop awwes, en 'k geef meegh as wie ook." Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens tegen elkander en zegt Kootje, Krido brutaal aanziende: "as je maar niet in de gate het, dat 't gegapt is, hè?" "Gaphe!" herhaalt Krido, verontwaardigd. "Wat wou jij zeghe! Ikhe, ikhe zou gestowe goed koophe...!" Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt tegen den mottige. "As 'k ooit ies heef gekoch," vervolgt de opkooper, "dat achte-af gezien geen zuive-è koffie was, heef 'k dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in de hande' niet voo-komhe, dà' je ies koop, nie' te wete dat 't gestowe is? Mà as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me anpgesentee-è, heef 'k dan niet a-tijd gezeid: "gaat na Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij Kgido, da' mo' je niet weze?"" "Dan koop dit ook niet," raadt Kootje hem aan, "want die pijpies binne gegapt, hoor!" "As dat waagh is," zegt Krido rustig, "ove' wat zou jij dat dan zeghe?" "Dat vraag die leenmichel, die buite staat," antwoordt Kootje. Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend aan, maar denkende, dat Kootje hem voor den gek houdt, haalt hij even de schouders op. "Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!" roept Kootje uit, "en as je me niet gelooft--'t zal mijn 'n zorreg weze, hoor!" De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik, waarmede hij naar hem opkijkt, maken den opkooper nu toch ongerust, en Kootje scherp in de oogen ziende, vraagt hij: "voo' wat zou die buite sthaan?" "Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as je de pijpies koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne," antwoordt Kootje. Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig naar de voordeur, draait den sleutel om, en terwijl de knecht, uit eigen beweging, de stukken zink weer in den zak doet en den zak tegen de toonbank zet, vraagt Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: "wie sthaat è buite; hoe hiet ie?" "Wie!" herhaalt Kootje, "van Dam, hè! die van morrege, toe 'k die pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over de straat gong, me het angehouwe. En met ze lamme moppe me sarre, die verrekte stiekemert...! Ik zuur, hè! Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt ware, om jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse uit. "Da' 's moppig," zei ie.--Moppig," roept Kootje uit,--"_hem_ 'n loer te draaije, da' 's veel moppiger, hè!" "Zoo'n vervloekte judas," zegt de knecht van Krido binnensmonds. "'n Hond!" roept de opkooper uit. "Heef 'k niet à-tijd de resersie in de hand geweght? Heef 'k niet a-tijd gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage, of 'k ditte of datte had gekoch: "kijk mà' na, en zoek mà' uit!" En asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet à-tijd gezeid van wie 'k had gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme ook? En ha' 'k dat hoeve doen? Ha' 'k niet kanne zeghe: "ikhe weet van niks, en me goed--dà kom je niet an?" En nou zou-e ze me, op me ouwe dagh, geschogte make voo' 'n stukhie zinkhe pijp! Mà' 'k zà ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe, en ze zà-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van Dam"--en Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes in de hand duwende, die de jongen terstond met den mottige deelt--voegt hij er bij: "en zeg 'm ook dat 't 'm zà heuge, dat ie Kgido heef gezoch." En dan, naar de voordeur gaande en de jongens uitlatende, zegt hij nog eens tusschen de tanden: "zoo'n hond!"------ "Wel donders!" denkt van Dam, groote oogen opzettende, als hij Kootje met den gevulden zak ziet terug komen, "'t is mis! Hoe duivel is dat mogelijk?" "Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?--Loop maar 'n endje mee; hier, de dwarsstraat in.--Nou, wat zei ie?" "Da' 'k 't maar weer mee most neme," antwoordt Kootje, "toe 'k zei, dat 't gegapt was." "Wel verbazend!" roept van Dam uit. "Kan ik 't hellepe?" vraagt Kootje. "Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!--Wel, wel! Wou ie er niks mee te make hebbe, mottige.--Zei ie dat?" "Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na Nibbig," antwoordt de mottige, "maar bij hem--daar ware we niet te recht." "'t Is sikuur 'n mirakel!" roept van Dam uit, die, nadenkende hoe de zaak zich kan hebben toegedragen, en van den eenen jongen naar den andere kijkende, bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite, hun lachen verbergen. "'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't gekocht zou hebbe," verzekert van Dam en, met een blik naar Kootje, vraagt hij: "waarom zou ie 't niet gedaan hebbe, denk je?" "Weet ik 't?" antwoordt de jongen. "Hoort eris, maatje," zegt de rechercheur, "je bent machtig kort van asem nou, en daarom zou 'k haast wel denke, dat je, toe je bij Krido was, veel meer woorde het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve doen. Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat zal 'k dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier." "En krijg 'k nou geen koekie?" vraagt Kootje, den zak latende vallen en den rechercheur brutaal aanziende. "Nee," antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even bedenkt, "'n koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n zaakie in orde komt; maar 'n goeje raad, Kootje, die kan je van me krijge: as je wijs doet, jongie"--en al sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den wijsvinger op den schouder--"as je wijs doet, dan maak je, dat je vooreerst niet meer in me vaarwater komt. Dag, hoor!" En den zak opnemende, keert hij zich om en verwijdert hij zich. "'t Is zoo klaar as de dag," denkt hij, "Kootje het me verraje en begrepe, dat ie 't koekie, dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon krijge. En dat het ie _nog_ moppiger gevonde--zoo'n gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe te smoese en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.--Maar 'n mens mot leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike, om opkoopers in de val te lokke--nee hoor, da' 's eens, maar dat nooit weer!" De aanspreker. "Nog 'n hallefie, Pieterse," zegt van Soelen--een dikke aanspreker, die de vijftig even voorbij is, een man met grijzend haar, een rood, gezwollen gezicht en uitpuilende, vochtige oogen--"nog 'n hallefie," en dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die met een: "meneer asjeblieft," welke uitdrukking hij zich heeft aangewend in plaats van: "asjeblieft meneer" te zeggen, het glas opneemt en het, enkele oogenblikken later, bijna geheel gevuld--want om de concurrentie met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan volle maat--voor zijn gast op tafel zet. "As 't zuk nat weer is as nou," zegt van Soelen, het glas tegen het licht houdende en den inhoud even schuddende, voordat hij dien aan den mond brengt, "as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor, da' 'k me eige van binne warm houw. Wij mense motte, weer of geen weer, in ons bloote hoofd op 't kerkhof staan, en: "as 'n boom, in de herfst, ze blare, verliest 'n mens met de jare ze hare;" las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor, en wist 'k buitedien ook al," verzekert hij, met de vlakke hand over de kruin van zijn hoofd strijkende, die inderdaad zoo glad is als de bodem van een kommetje. "Ze magge zegge wat ze wille!" roept hij uit, een zakje met vijf sigaren uit zijn borstzak halende en een daarvan opstekende--"de jenever is dit en de jenever is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't zooveel as de volkskanker was--ook al, en dat je mirakel wijs deej as je, in plaas van 'n proppie te koope, 'n glas warreme melk.... N-ou...! _Ik_ zeg maar: "'n iegelijk mot wete, wat 'm past." Ik drink ze al lang, dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar--van de gezondheid gesproke--hoe maakt 't je dochter?" "Och!" antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn hoofd schijnt te kennen te geven, dat dit onderwerp hem minder aangenaam is, "dat blijft aldoor maar 't zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere, maar aldoor maar voor d'r eige heen te zitte suffe--daar krijg je op 't laast de duvel over in! Maar hardhans anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze heelemaal van de kook.--En 't beroerste is, dat niemand weet wat ze nou eigelijk het. 't Is zóó met 'r, dat as d'r moeder grient, dan grient zij ook, en om de kleinste kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make, dat ze in geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou effetief in zit--ja nou, dat raaj maar! De juffrouw van hierbove zeit, dat 't wurreme binne, en die wil, dat ze wurremekoekies zal slikke. "'t Is niettes," zeit de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal 's over de vloer komt, "ze is slap. Geloof me nou toch 's," zeit ze, "'t is niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke, staalwijn." Maar de zuster van me vrouws tante, die 'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't kliere binne. En _dat_ vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze zoo bleek ziet en zoo papperig is." "Je mot 'r 's late onderzoeke," geeft van Soelen in bedenking. "Ook al gebeurd," antwoordt Pietersen; "de dokter is 'r bij geweest, en 'n poos later de perfester. Maar dat ha' 'k wel kanne late, want die konne niks anders bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou, daar ha' 'k nou ook wat an! "Spatare," zeg 'k, "die zalle d'r niet na d'r hoofd vliege." En toe 'k dat zei, keke ze me over d'r bril heen an en zeije ze, met 'n strak gezicht, dat ze dat ook niet dochte. Maar verder kwam 'k niet. 'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en dat ze zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp, dan mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind behandeld worre en altijd iemand om 'r hene hebbe die ze eige met d'r bemoeit.--Ja, toe maar! 't Is gauw gezeid, hè? maar begin 'r maar 's an. _Ik_ heb met de tapperij de heele dag me hande vol, en me vrouw--met 'r huishouwe en d'r zes andere kindere--kan 'r tijd ook wel an." "Ja," zegt van Soelen, "verordineere dat kenne ze, en rekene, dat kenne ze nog beter, maar 'n kwaal kereere--da's nog wel effe wat anders.--En daar hei je de cyperse ook," roept hij uit, als de deur opengaat en een van zijn confraters binnen komt, "ik docht al: waar blijft ie. Gaat zitte, man en koopt er eentje, as je niet op 'n droogie wil zitte." De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die Hinsen heet, maar onder de aansprekers als "de cyperse" bekend staat, zet zijn parapluie in een hoek en zijn hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende, gaat hij tegenover van Soelen zitten, de opmerking makende, dat 't nat weertje is, en dat het weerglas, zoo als de barbier hem verteld heeft, altijd nog terugloopt. "'t Zal mijn 'n zorg weze," verklaart van Soelen. "As we dit karreweitje van ellefe achter de rug hebbe, dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't niet opklaart, dan blijf ik d'r in." "'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik," zegt Hinsen, met een zucht, "kan de heele middag deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans dood is." "Die van de Keizersgracht?" vraagt van Soelen, "da' 's 'n toggie na Muijerberg, hè?" "Na Muijerberg!" roept Hinsen uit--"en ze hebbe me gezeid, dat ie op Zorgvliet...." "Gelijk hei je," stemt van Soelen toe, "'t is Zorgvliet, maar 't is ook al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we ze vrouw, die in de kraam van 'r jongste kind stierf, d'r na toe gebrocht hebbe." "Ja," zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide aansprekers zettende en zitten gaande, "dat is verleje Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare geleje geweest want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op de eigeste dag, dat _wij_ trouwde, wier _zij_ begrave. 't Is dikkels meer as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer op zit, maar 't is zoo, hoor! En waar is, dat er sedert me trouwe hier in Amsterdam al heel wat veranderd is, dat mot 'k ook 's zegge.--Neem jij je eige nou maar 's, van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k dit zaakie had overgenome, toe zag je 'r heel anders uit as dat je nou doet, man, en as 'k zal zegge zooas 'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n boel beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor." "Of dat beter stong!" roept van Soelen, in zijn zwak getast, uit; "wel man, dat scheelt ommers dag en nacht! Wat zeit me vrouw laast, toe ze met de schoonmaak me ouwe spulle voor de dag haalde, en me korte broek voor d'r lijf hieuw, om te kijke of er ook altemet de mot in zat: "dikke," zeit ze, "'t is toch zonde van je kuite, hè? Vroeger ha' je 'r nog wat an, as je voor de stasie uit gong, maar wat doet 't er nou toe of je 'n paar goeje beene het? Nee," zeit ze, "as je mijn nou vraagt, dan mocht 'k je toch heel wat liever zien in je ouwe goed." En gelijk het ze. As je ouwers er voor gezorgd hadde, dat je welgeschape in de wereld was gekomme, dan sting zoo'n pakkie goed, zie je, 't sting degelijk, effetief degelijk, dat sting 't. As je maakte, dat je kouse en je korte broek glad over je beene zatte; as je schoene met de zillevere gespies--daar 'k nou brossies voor me vrouw en me dochter van heb late make, omdat ze mijn toch niet meer te pas komme--glomme as 'n spiegel; as je jas, van vore ope, van achtere wat krappies zat, dat ie goed in de holte van de rug viel; as je 'r dan nog voor zorregde, dat je boord, je hallefehempie en je beffie helder wit gestreke ware, en je zette je driekante steek met de lange lamfer 'n ziertje schuins op je hoofd, dan mochte ze na je kijke, hoor! as je, met 'n militaire stap en je elleboge buitewaars, voor de stasie uit gong. En dan voelde je zellevers ook wel, da' je 'r weze mocht.--Nou drage we 'n hooge hoed, 'n sluitjas en 'n lange broek. En as dat nou mooijer mot weze as 't genige wat we vroeger droege, dan is 't mijn goed, maar _ik_ kan er 't moois niet in zien." "En ik niet," zegt Pietersen. "'t Mocht ouwerwes weze: 'n steek en 'n korte broek, maar 't sting goed, hoor! en 't hoorde er hij." "Dat deej 't," stemt van Soelen toe. "'k Zei laast nog tege me vrouw," zegt Pietersen, "toe hier 'n begraffenis voorbij gong en we nog weer 's ophaalde hoe die er vroeger uitzag: "nee," zeg ik, "ze magge prate wat ze wille, maar as _dat_ nou 'n lijkstasie mot heete, dan kan ik niet zegge, dat er heel veel stasie meer an is."" "Wat zou 't!" roept van Soelen uit. "As 'n vroegere begraffenis 'm over de strate bewoog, dan zag je ies daar je eerbied voor kreeg as 't voorbijgong, hè? en 't zat 'm daarin dat alles zooveel meer solied was as 't nou is. Neem de lijkkoes nou maar 's, zooas wij die hebbe gekonne, 'n goeije twintig jaar terug: alles fluweel, van bove tot beneje, met dikke kwaste en franje, hier en daar effetjes met koorde opgenome,--sting dat niet goed? en sting dat niet beter as 't ope kassie, dat ze 'r nou voor gebruike? En dan de dekkleeje, die de pêrde over d'r hals en over d'r heele lijf tot op d'r hakke honge, sting dat ook niet beter as 't smalle lappie lake, dat nou, an weerskante van 't schoffie, na beneje hangt? Maar 't ergste is, dat ze de dragers, die vroeger in d'r lange mantels, achter mekaar, rechs en links van de wage liepe, nou twee an twee, in d'r sluike jasse, d'r achter late loope, want nou leutere ze en lache ze, dat 't 'n schandaal is voor de mense, die er voorbij loope. 'k Bin zóó niet," roept van Soelen uit--van wege zijn corpulentie niet zonder moeite het eene been over het andere slaande--"'k bin zóó niet, da' 'k ieuwers 'n hekel an heb alleenig maar omdat 't nieuw is, en 'k zal niet zegge, dat 't nou niet beter is as vroeger, dat de wage niet meer door de stad holt as ie terug komt, en dat de dragers er niet meer in zitte te rooke en met d'r beene te slingere; maar dat, alles bij mekaar genome, 'n tegeswoordige begraffenis er bij gewonne het bij 't genige dat ie vroeger is geweest--nee, hoor! dat maakt niemand me wijs.--En 't beroerste is--alla Pieterse, geef mijn nog 's 'n hallefie..." "Koman," zegt Hinsen, door het goede voorbeeld aangemoedigd, "geef mijn dat ook maar 's." "'t Beroerste is," herhaalt van Soelen, "dat je er vroeger 'n goed stuk brood mee verdiende en dat je 't nou voor 'n schijntje mot doen. _Ik_ heb begraffenisse gekonne, daar je 18 tot 20 gulde mee verdiende, behalve je lamfer en je hanschoene, en vraag daar nou 's om! As je vroeger 'n goeje dertig jaar had meegeloope, dan was je binne, hoor! en kon je d'r van renteniere, net zoo goed as 'n makelaar van de spekelasie, maar lap 'm dat nou 's! Maar in die jare was er ook niemand, die an begraffenismaatschappije docht, en je deej met je tiene, zal 'k maar zegge, daar je nou met je honderde voor staat. Want nou draagt alles. Of je bakker, of krante-ombrenger, of kruijeniersknecht bent--zoodra 'r wat te drage valt--pak an maar--'t is alweer mee genome, en 'n uurtje uitbreke, dat kan 'n ieder. Maar in vroeger jare zat 't in vaste hande; je was er koster, of barbier, of tafelknecht bij, en je bediende in Artis, Felix of 't Park. En dat je zoo doende an de kost kwam--dat vraag 's an van Meerse, die de laaste jare dat ie tafeldiende, geen kouwe soupee's meer annam. "'k Wil nog wel 's diene," zei ie, "maar dan luuks; as 't de moeite niet waard is, dan stuur 'k 'n ander om 't hallefie."--Nou het ie zes huize in de stad; 'n zoon, die voor dominé leert en, met ze vrouw en ze kindere, leeft ie royaal van de huur." "En zoo kan 'k er wel meer," verklaart Pietersen, de weer gevulde glaasjes op tafel zettende. "Daar hei je Tielemans van hierover, Grondert uit de Westerstraat, bove de fruitwinkel, en Beverse, die dan nou weer in Weesp woont, waar ie vandaan komt--allemaal ouwe ansprekers, die van d'r cente leve, en goed ook." "Maar nou nog 's wat," zegt Hinsen, "hoe komt 't toch, dat van Vliet, van de Lijnbaangracht, d'r zoo goed schijnt bij te kanne? 'n Poosie geleje sta 'k met Smulders te prate, en die wist me te vertelle, dat ie passies 'n huis in de Gousblomstraat gekocht mot hebbe. Is dat doojefons zoo goed, daar ie bode bij is?" "Wat 'n wonder!" roept van Soelen uit. "'t Is dat je 'r nog maar zoo kort bij bent, maar anders zou je wete, dat "Zorg voor de Toekomst", daar hij dan bode bij is, almee tot de grooste hier in de stad hoort. En as je _dat_ het, as je bij 'n doojefons bent daar honderde en honderde bij verassereerd binne--ja nou, dan is er nog wel wat te verdiene, want alle weke komt ie de dubbeltjes ophale, en zoo komt ie bij de mense an huis, hè?" "Waardoor ie," zegt Hinsen, "nog 's eer as 'n ander weet wanneer er iemand begrave mot worre.--Verdikke, ja!" roept hij uit, "dat mot je niet uitvlakke." "Om de weerga niet!" bevestigt van Soelen. "As ie merkt, dat er een ziek is, dan vigeleert ie natuurlijk op de begraffenis, en zoodra dat ie hoort, dat ie dood is, dan gaat ie d'r na toe met de cente van 't fons. "Asjeblieft juffrouw," zeit ie dan met 'n mooi praatje, "daar was 'k al met de duite. U most vijf en negetig gulde uit 't doojefons trekke, as uws man kwam te valle, daar bin je eerlijk voor verassereerd, en daar legge ze dan nou ook: 'n briefie van zestig, één van vijf en twintig en twee rijksdaalders,--hier is uws geld. En as je nou wil, dat je je eige met niks het te bemoeie, en dat uws man 'n fesoenlijke begraffenis zal hebbe, zooas ie het geleefd, dan hei je 't maar voor 't kommandeere en dan zorreg ik voor alles. Negetig gulde hoeft 't niet eens te koste, want, as ik 't zal doen, dan houw je nog over, let maar op.--Hoeveel jonges het u? Drie, zeit u, drie en een schoonzoon? Goed; da' 's één koes. En hoeveel mans-leje van uws famielje binne d'r, die gevraagd motte worre? Door mekaar vier van uws kant en vier van uws mans kant, zeit u? Heel goed--da' 's acht, da' 's dus nog twee--da' 's drie koesse. Drie volgkoesse, met koesier en pallefrenier in groote rouwleverei en de stasiewage voor uws man, met zwarte pluime,--da' 's zóóveel. En hoeveel dragers motte d'r weze? Zalle we 's twaalf zegge? Twaalf dragers, da' 's heel netjes en heel fesoennelijk. Vin u dat goed, zeit u? mooi zoo. Twaalf dragers dus. Dan krijge we 'n zwarte kist natuurlijk, van echt greine hout, met uws mans naam, en de dag en 't jaar van ze geboorte en sterreve d'r op in vertinde spijkertjes. Dat staat nog 's fijnder, zal 'k 's zegge, as die witgeschilderde letters. Vin u dat ook niet? Bestig. 'n Zwarte kist dus met vertinde spijkerkoppies, dat komt, met de dragers mee, op zooveel. Dan hebbe we nog de koste op 't kerkhof voor 'n mooi graffie onder de treurboome, as 'k dat krijge kan, maar dat zal wel, en de kleinere onkosten voor fooije en zoo, dat maakt, alles met mekaar, as ik d'r ook nog 'n paar cente an verdiene zal, en dat mag wel, tachetig gulde.--Kijk u nou 's hier. As u dat nou goedvindt, dan wil 'k voor dat geld 't heele zaakie anneme, maar dan is ook alles en alles d'r onder begrepe, behalleve natuurlijk de koffie en de broodjes op de dag van de begraffenis, die voor uws koste blijve. Zalle we dat dan maar zoo afgesproke houwe? Heel goed; dan houwt u vijftien gulde,--daar legge ze,--ziet u wel? en dan neem ik de rest maar weer mee en zorreg voor alles. En tevreje zal je weze, daar hei je geen nood voor." "An die tachetig gulde," zegt van Soelen--zijn sigaar, die onder het verhaal uit is gegaan, weer aanstekende--"verdient ie er dertig; en dat ie drie van die begraffenisse achter de rug het, as je 'm om de klok van ellefe tegekomt, da' 's voor hem doen niks ongewoons." "Drie?" vraagt de cyperse. "Hoe kan ie voor ellefe drie keer begrave?" "Maar waar kom je vandaan man, dat je dat niet weet!" roept van Soelen uit. "Hei je dan nog nooit 's gezien, dat ie 'm poest, as ze 'n poosie an de gang binne?" "Wat zeg je nou?" vraagt Hinsen, groote oogen opzettende,--"poest ie 'm?" "Wel ja, mens, hij poest 'm.--Dat je dat nou toch nooit 's gezien het, en je het toch ook al 's met 'm begrave! Afijn, maar ie doet 't; en zoo haalt ie de drie begraffenisse voor ellefe. Kijk maar.--Late we nou maar 's zegge, dat ie mot begrave om nege uur, om half tien en om tien uur; dan maakt ie, dat de eerste percies op tijd begint. Klokslag negene rijje ze weg, en dan zorregt ie d'r voor, dat ie pal achter de wage loopt. Eigelijk mot ie wel voor de stasie uit loope, omdat ie 'm het angenome, maar dat doet ie niet, omdat 't niet in ze kraam te pas komt, want as ze nou 'n endje gereje hebbe, en ze slaan 'n hoek om, van de gracht de straat in of omgekeerd, dan trekt ie d'r tusse uit, gaat 'n sigarewinkeltje of ieuwers anders in--wat ze uit de volgkoesse niet zien kanne, omdat eerst al de dragers komme, voordat de eerste koes de hoek om slaat--en dan loopt ie op 'n draffie of, as ie kan, pakt ie de tram, na ze tweede begraffenis. Daar doet ie natuurlijk net eender; en zoo kan ie om tien uur voor de derde keer antreje, en het ie d'r al twee achter de rug." "Verdikke," roept Hinsen uit, "die is gogem!" "Glad genoeg," verklaart van Soelen. "En as 't ongeluk wil, dat deze of gene van de famielje, door de eene of andere omstandigheid, d'r achter is gekomme, dat ie d'r van door is gegaan, dan het ie ze praatje natuurlijk klaar. "Ziet u juffrouw," zeit ie, "as ik 'n begraffenis heb angenome, dan mot 'k zooveel as overal te gelijk weze. Eerst zorreg ik d'r voor, dat de stasie an de gang is, en as ze onder weg binne, dan' kan 'k wel 'n oogeblikkie gemist worre, en loop 'k langes de korste weg na 't kerkhof, om te kijke of daar alles klaar is as uws man komt. Het uws neef me daar niet gezien, toe ze daar kwamme, zeit u? Nou, dan mot 'k toe zeker bij 't graf geweest zijn, om te kijke of de touwe en de dwarsleggers klaar lagge. En daar ook niet, zeit u, toe ze effetief an 't begrave gonge? Ja, dan ben 'k toe zeker alweer an de wachtkamer geweest, om te kijke of de pallefreniers bij de koesse stinge, as uws famielje terugkwam. En as dat in orde is, dan gaan ik me gang, ziet u, want ik heb meer te doen." "Zoo doet ie net wat ie wil!" roept van Soelen uit, "en verdient ie dik cente. "Maar--van geld gesproke--nou mo' 'k je toch 's wat vrage. We hebbe 'n afspraakie, hè, dat as ik 'n begraffenis heb, dan draag jij mee, en hei jij er een, dan ik. Nou hei je dit jaar vast al zes keer met mijn gedrage, maar ik nog maar eene keer met jou. Je het toch niks meer gehad, hoop 'k?" "Zou je nou toch waarachtig denke, da' 'k je op de hak wou neme?" vraagt Hinsen verontwaardigd. "Nou," antwoordt van Soelen, "dat zou de eerste keer niet weze, dat me dat overkwam. Maar alla, je bint er nog maar kort bij, en we zalle dan maar hope, dat 't jou ook nog 's voor de wind zal gaan." "'k Help 't je wensche," zegt Hinsen, door een zucht te kennen gevende, dat de wind in dat geval uit een tegenovergestelden hoek zal moeten waaien. "'k Heb dit jaar nog niks anders gehad as juffrouw Trapman, da' 's de heilige waarheid," verzekert hij, "en daar ben je bij geweest. Maar as je nou nog 's 'n poosie wacht, dan hè' 'k er weer een; en da' 's 'n goeje." "En wie is dat?" vraagt van Soelen. "Da' 's juffrouw Willemse, uit de Westerstraat," antwoordt Hinsen; "'t mens is zes en tachetig, en..." "Nou, da' 's nou ook wat!" roept van Soelen uit, Hinsen met een leuk gezicht aanziende. "Nou ook wat?" herhaalt Hinsen verbaasd, "wat meen je daarmee?" "Och man," zegt van Soelen met een korten lach, "zoo kan je me de begraffenis van me eige vader wel belove, hè! Wel ja," roept hij uit, in antwoord op een vragenden blik van zijn confrater, "Juffrouw Willemse da' 's net zoo goed as me bloed-eige grootmoeder, zal 'k maar zegge! 't Mens woont zeker al vijftig jaar bove me ouwers, en aldoor omgang met d'r gehouwe, hoor. 'k Kan me eige nog best herinnere, da' 'k, als zoo'n aap van 'n jonge, alle dage bij d'r bove most komme, omdat ze van d'r eige geen kindere had, en dan was 't aldoor: "och, wat 'n aardig joggie!" en: "och, wat 'n lief bellefleurtje!" en al die viere en vijfe meer. Van me trouwe af komt ze bij mijn over de vloer en wij over de hare, en nog geen zes weke geleje, toen ze begon te krukke, het ze me gezeid, dat, as 't ongeluk wou, dat ze kwam te valle, ikke voor d'r begraffenis most zorrege en niemand anders." "Maar van mijn is 't famielje!" roept Hinsen uit, die door de mededeeling van de intieme vriendschapsbetrekkingen tusschen de van Soelens en de Willemsens bijzonder onaangenaam is verrast. "Mijns vrouws moeders moeder is d'r bloed-eige zuster, en nou ik ook bij 't vak gekomme bin, zal ze d'r eige famielje toch niet voorbijgaan voor 'n vreemd." "Ja, daar zal ze wat om male!" zegt van Soelen. "'k Zal niet zegge, as je d'r zoon of d'r broer nog was, maar as je verder in de parmetasie komt, en dan nog wel van je vrouws kant--dat het niks meer te beduije, hoor. Mijn het ze gezeid, dat ze 't beschreve had; en as zoo'n oud mens dat het gedaan, dan verandert ze 't ook niet meer. 'n Draagplaas man, da' 's alles wat ervoor je op zal zitte, en daar zal je tevreje mee motte weze." "Maar daar bin 'k _niet_ tevrede mee," verklaart Hinsen; "as d'r famielje sta 'k er 't naaste toe; en da' 'k met al me kindere 'n voordeeltje best gebruike kan--dat zou toch wel wat heel erg weze, as ze dat over 't hoofd zou zien." "Afijn, we zalle zien!" roept van Soelen uit, "'t mens is nog niet dood en we kanne d'r nog wel eerder onder legge as zij. 't Zou de eerste keer niet weze, dat iemand gezond na bed ging...." "En dood opsting," zegt Pietersen met een lakoniek gezicht. "Nou," roept van Soelen uit, "nou mot hij ook nog 's wat zegge, hè!--Spot niet, Pieterse, 'n mens kan nooit 's wete wat 'm nog bove ze hoofd hangt.--Maar 't wordt onze tijd, cyperse. De dooje hebbe niks te doen en kanne wel wachte, maar de levendige hebbe d'r zake en wille op z'n tijd gehollepe weze.--Zalle we dan gaan? Koman dan maar.--Hei, daar hei je mijn hoed! Wat van jou is, is van mijn, zie je, maar wat van mijn is, daar blijf je of." En dit zeggende, neemt hij zijn hoed uit de hand van Hinsen, die, nog geheel onder den indruk der pasgehoorde Jobstijding, het hoofddeksel van zijn confrater gegrepen heeft. "Dag Pieterse," zegt van Soelen, zijn jas dichtknoopende en zijn parapluie opnemende, "tap ze nog lang, man, en tap ze an mijn; dan benne we allebei gehollepe." "'k Mag 't lijje," antwoordt de kastelein, de beide ledige glaasjes van de tafel nemende. "Dat je hier komt om 'n borrel te hale, da' 's me lief; maar dat je hier zou komme om mijn te hale, daar he' 'k nog 'n hekel an." Derde Klasse. "Nà, geef je vade' 'n zoen," zegt Mozes, met één voet op de treeplank van den waggon staande, tot zijn zoontje, dat, op den arm der moeder zittende, "vade'" naar den trein heeft gebracht. "Pas op toch, pas op ze mussie!" roept de vrouw van Mozes uit, nog juist bijtijds het hoofddeksel grijpende, dat, onder de vaderlijke omhelzing, het kind van het hoofd glijdt. "O--ch," zegt Mozes--en in de wijze waarop hij dit woord uitspreekt, doorloopt hij een aantal noten van de toonladder,--"wat zou 't! wat zou ze mussie, is 't bweekba-è waag?" Dan geeft hij zijn zoon een "zabbe-zoen" en stapt in, het portier achter zich sluitende. "Zeg an Fwank," roept hij, met het bovenlijf uit den waggon hangende, zijn vrouw toe, "da' 'k de puwwe zà khoope, asse ze gaaf binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het, zooasse de dokte' mot hebbe." Daarna gaat hij zitten, kijkt even rond, en zegt op gedempten toon: "g'dag zame!" Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen, de hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand en met het fluitje in den mond, langs den trein dravende het sein tot vertrek, en terwijl Mozes, met een breeden glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn zoontje een aantal zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het kind laat teruggroeten, door het armpje van den jongen heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt, rijden wij weg, in het stille licht van den heerlijken zomeravond, wazende over bosch en bouw. In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het gelukkig--want het is nog heel warm--niet vol. Met mij zitten op dezelfde bank twee boeren, met gezichten als frambozen, elk met een kort buis aan en een lakensche pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep, waarop een paar eikeltjes van zwarte zijde heen en weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het rechteroor overschaduwt. Beide trekken, de een aan een lekke sigaar en de ander aan een snorkende pijp, met zooveel kracht, dat zich telkens diepe kuilen in hun wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam langs mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje, waar zij even talmen en dan op eens, met vaart het luchtruim invliegende, spoorloos verdwijnen. Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een eind van hem af, een stukadoor, met een grootendeels "gewit" gezicht, de handen vol kalk en ontelbare spatten op zijn jas, schoenen en pet, welke spatten waarschijnlijk ook op zijn broek en zijn vest aanwezig zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een witte stof zijn vervaardigd, niet noemenswaard in het oog loopen. Tusschen zijn beenen staat een niet gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich heen verspreidt hij een lucht, die mij levendig aan "de groote schoonmaak" doet denken. Een weinig van hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den schoot en een meisje van omstreeks twaalf jaren naast haar. Die vrouw, een frissche, gezellige dikzak, met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht, en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken haren, gekleed in jak en rok, met lange gouden bellen in de ooren, een helder witte muts op het hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de vrouw van een polderwerker, en het kind naast haar is stellig pas "aangenomen", want de blauwe jurk, die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het zelfde metaal om den hals bevestigd, geven dienaangaande stellige aanwijzingen. In haar handen houdt het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek, en juist verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande de drukkende hitte, nog niet heeft gebruikt, als zij haar moeder iets toefluistert en, op een toestemmenden hoofdknik, haar hand diep in den zak van moeders rok stekende, daaruit een kolossalen lap linnen of katoen te voorschijn haalt. Met dit familiestuk wischt zij haar gezicht af en stopt het daarna weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar in de hand gehouden voorwerp slechts als sieraad bij haar toilet behoort, zooals een bouquet bij een baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot tijd stijf tegen haar gezicht drukt, zóó, dat het puntje van haar neus er spierwit bovenuit komt, is het niet minder duidelijk, dat bedoeld doekje uitsluitend moet voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop dus, nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes grog van eau-de-Cologne gegoten moeten zijn. "We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?" vraagt de vrouw van den polderwerker, wel wat laat, want de trein snelt met volle vaart voort, maar gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie de eene zegt: "dat doe je," en de andere: "dat zitje," deelt zij ons mede wel gevraagd--maar het antwoord van den conducteur, die het te druk had, om haar behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben, en geeft zij voorts te kennen, dat zij niet graag in een verkeerden trein zou zitten, omdat zij nog verder moet, "weet u!" waarop de boeren eenstemmig verklaren: "dat kan je," en de stukadoor vraagt: "waar na toe?" "Na tante Kees," zegt het kind in het blauw, een mededeeling, die de boeren ontsteld opkijken--en Mozes mompelen doet: "da' 's raag," zoodat het kind verlegen wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm door dien der moeder steekt, en het hoofd tegen haar schouder drukt, waarop de vrouw van den polderwerker haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt, dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar man, voor de grap, nooit anders dan Kees wordt genoemd, een opheldering, die de boeren, kennelijk gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding geeft te verklaren, dat de man van tante Kees _ook_ wel zal weten waarom hij haar zoo noemt. Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en begint zoo vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor, als dit een poosje, zonder naspeurlijke reden, heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang is om naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het kind zijn spoorwegkaartje ook verloren kan hebben, welke aardigheden de moeder doen glimlachen, maar op de boeren niet de minste uitwerking hebben. Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker het kind te sussen, maar wat zij ook doet: of zij het tusschen de handen op en neer wipt of op haar armen dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen. "Wel wel, wat skreeuwt 't jong!" zegt de oudere boer, het kind met verbazing aanziende. "'k Weet niet wat ze het!" verklaart de moeder, "ze het aldoor zoo lief geslape. Wat is er dan toch, loeressie?" "Is 't 'n zij-tje?" vraagt de stukadoor. "Wel, dat raaj je goed," antwoordt de vrouw, "'t kind heet Zijdje." "As 'k toch wis," zegt Mozes, "dat 't 'n meisie was." "Sakkerloot," roept de stukadoor uit, "dan mot jij toch goeje ooge hebbe, hoor!" "Na, wat zou 't!" antwoordt Mozes grinnekend, "as 'k toch heef gezien, dat ze tege me heef gewagge." "Het ze?" vraagt de stukadoor. "Alla, dan het ze'r nou berouw genoeg van; 't kind schreeuwt as 'n ongesmeerde kruiwage." "Kan ze ook honger hebbe?" vraagt de jongere boer, die, als iemand niet tevreden is, in de eerste plaats aan een leege maag denkt. "Nee," antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd schuddend, "ze komt er pas of." "En dan za' ze d'g possie ook _wè'_ gehad hebbe," verklaart Mozes, een vermoeden waarmede de boeren, door herhaaldelijk te knikken, hun volle instemming betuigen. "Je eerste en je laaste?" vraagt de stukadoor, met een blik naar de beide kinderen. "Wel nee," antwoordt de vrouw--druk bezig tusschen de kleertjes van het kind te zoeken, om de reden te vinden waarom het zoo schreeuwt--"wel nee! bove haar"--en met het hoofd wijst zij naar het kind in het blauw--"he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier. Maar dat dit kleintje me laaste zal weze--dat zou 'k wel denken." "Na," zegt Mozes, "pas mà' op, dat 't de ojevaag niet hoo-t." "Dat mag ie wel hoore," beweert de vrouw. "We hebben 'r tien, en da' 's net wat 'n burgermens toekomt hè, want 't versie zeit: Een edelman die krijgt er twee, Een rijke man krijgt vier; --Zoo'n twee- of viertal is niet erg, Die hei je voor plezier. Maar bè je 'n kale ambtenaar, Of ben je dominé, Dan vare d'r wel zes of acht, In 't huwlijksbootje mee. Een tiental krijgt,--'t is haast te gek, Een burger zonder goed; En 't vol dozijn,--da' 's gekker nog, Is voor de arremoed. "Wel kijk," roept zij uit, als zij, het linkerarmpje van het kind ontblootende, daarop een rood vlekje ontdekt, "da' 's vast 'n beest, dat 'r gestoken het, want ze het noot nergens niks op d'r lijfie." "'n Hoog-springertje," oppert de oudere boer. "Wel nee," zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende, "die het ze noot." "Ja nou," roept de oudere boer uit, "'n mens mag zoo zindelijk weze as ie wil, maar _daar_ kan je niks an doen!" "'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn," beweert de stukadoor. "Wel ja," zegt de vrouw van den polderwerker, "dat zal 't zeker wel weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe vast." En terwijl zij het kind op den schoot van haar oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast haar staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een apothekersfleschje met water gevuld te voorschijn haalt, beweert Mozes, dat 't "misegabè' is, zoo'n mach mugge as 'r dit jaag binne," en deelt de oudere boer ons mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met den wind in verband staat, omdat, als de wind oostelijk is, er veel meer van "dat goed" in den polder komt, dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker aanmerkt, dat men er meer last van heeft, als men bij het water woont dan in droge streken, en de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het een last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan, waartegen de vrouw van den polderwerker een paar droppels nagel-olie als "erg goed" aanbeveelt, wat de stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog beter achtende 's avonds de vensters gesloten te houden, omdat de dieren op het licht af komen, welk laatste middel allen gereedelijk toestemmen verreweg het beste te zijn. "Zie zoo," zegt de vrouw van den polderwerker, het in water gedrenkt lapje om het armpje van het kind bevestigend, "nou zal ze wel gauw weer bedare; 'k heb er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge, want toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder te wete hoe ie er an kwam, 'n dikke voet. En 't was maar goed, zei de dokter, dat we 'm daalijk hadde late hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had 't gevaarlijk kanne worde." "Ja," zegt de oudere boer, "met zukke dinge mot je niet zuime, da' 's menigeen z'n dood geweest." "En mijn vade za-egè," zegt Mozes, "heef 't è ook mee bekoch." "Het ie?" vraagt de oudere boer. "Dat heef ie," antwoordt Mozes.--"Zes, zeve dage voo' ghoote vehzoendag, dat ie in ze winke' met 'n buugman sthaat te pgate, sthaat ie met ze hande te zwaaie, en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.--"Na, wat zou 't!" zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit, "maak toch geen matschudding ove' niks."--Mà 's awes, dat ie na ze bed zà gaan, zeit ie, dat 't 'm pijn doet, zeit ie.--"Gaat na de dokte'," zeit me moede, "gaat na de dokte'." "Och," zeit me vade',--"de dokte', de dokte', wat zou de dokte'!" en ie gong niet. Mà 's ande-è daags had me vade' 'n agm as è kagepijp, en toe 't ghoote vehzoendag was, was mijn vade' bij zijn vade-è vehzamed.--Mà' as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte' was gegaan, dan had die 'm gehouwe, zeit ie,--"met ze agm of zonde' ze agm, mà' gehouwe had 'k 'm," zeit ie. "Ma' nou," zeit ie, "nou 't vehgif in ze hagt is gegaan, nou mos ie dood."" "En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde," zegt de oudere boer, "as de smid van de Bullewijksbrug d'r bij was geweest, voordat ie de laatste azem had uitgeblaze, want zooveel as die d'r het geneze, die door de dokters opgegeve waren--dat geloof je niet." "Is 't toch waar?" vraagt de stukadoor. "Honderde en honderde," verzekert ons boertje. "En alles met 'n zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. _Hoe_ ie dat doet, da' 's zijn geheim, zeit ie, maar zooveel is zeker, dat 't al 'n macht van jare van vader op zoon moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe noodig benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest! Jong en oud, man en vrouw vindt er baat bij. En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n zieke arm of 'n zeer been--hij leit hier 'n pleister en daar een, en as ze d'r af valle--want je mot ze late zitte tot ze uitgewerkt hebbe--dan ben je geneze, hoor je!" "Wat zeit u?" roept de vrouw van den polderwerker uit. "Glad geneze," verzekert het boertje. "En da' 's geen praatje, maar de zuivere waarheid, want toe me zeun hier"--en met het hoofd wijst hij naar den jongeren boer--"'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de linkervoet: zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou zien, dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde of mierde: pappe of snijje, niks hielp. En onderwijl wier 't zoo erg, dat de perfester d'r an te pas most komme, en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r af kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite en me vrouw nog minder." "Dat kan 'k me begrijpe," zegt de vrouw van den polderwerker, "want wat wij mense hebbe gekrege, dat motte we houwe, ziek of gezond." "Dat zeg je goed," bevestigt de oudere boer, "want dat we 'r over prakkiseerde, wat ons te doen stind, heur 'k van de smid an de Bullewijksbrug, en ik--met me vrouw en me zeun' d'r na toe. "Ofzette," zeit ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, "ofzette,--'t mocht wat; _ik_ zal 'm geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele met de jonges langs de weg." En ze woord het ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de klompe weer aan, en na die tijd--zeg 't nou zelfs, Kees!" "Nooit nerges meer niks van gewete," verklaart zijn zoon. "Daar beur je 't," zegt zijn vader, "nooit iewers meer ies van gewete. En à je nou ze voet ziet,--net zoo blank en zoo zuiver, _net_ zoo blank en zoo zuiver," herhaalt hij, beide handen over elkander schuivende, "de eene as de andere." "M--enslief," roept de vrouw van den polderwerker uit, langzaam haar hoofd wiegend, "wat 'n zege, wat 'n zege!" "Ja," zegt de stukadoor, "want as je nou was heengegaan en je hadt na die perfester geluisterd...." "Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel," verklaart de oudere boer met een krachtigen hoofdknik. "En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve," zegt de vrouw van den polderwerker. "Is 't niet waar meisie?" vraagt zij met den voorsten vinger het zuigelengetje, dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes tikkende. "Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape? Toe dan maar." En het kind in een omslag gewikkeld hebbende, wiegt zij het heen en weer en neuriet: "Doe die blauwe oogies toe, Zoete, lieve poes! Vaders vreugd en moeders lust, Slaap, me kleine snoes!" En dan begint zij weer van voren af aan: "doe die blauwe oogies toe," net zoolang totdat het kind aan de herhaalde uitnoodiging heeft voldaan. Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal militairen op het perron staan, gepakt en gezakt, hun lange jassen van voren opgeslagen, een groen takje op de schako of een heideplantje in den loop van het geweer. "Inkwartiering," zegt de oudere boer, die geen soldaat kan zien zonder aan gedwongen logeergasten te denken, waaraan hij een hekel heeft als aan een zieke koe. "Schijfschiete," beweert de stukadoor, die van militaire dingen geen flauw begrip heeft, maar Mozes, den spijker op den kop slaande, zegt: "maneuvels. Ze wasse in 't kamp en ze gane tegug." "Zou 't?" vraagt de oudere boer, die "afmarcheeren" het ideaal van alle militaire verrichtingen vindt. "As 'k 't toch weet," roept Mozes uit, "as 'k eiges toch ook heef gediend!" "Bij de marine?" vraagt de stukadoor, met een knipoogje tegen ons. "Nà," zegt Mozes, "wate' is nat, hè? Ovè' wat zà je zwabbe-è op de pwanke, as je kan sthaan op de ghond?" "Ze motte naar Amersfoort," zegt de jongere boer, ziende dat de militairen plaats nemen in den naar die stad bestemden trein. "Dat motte ze," bevestigt Mozes, "weegom, na d'g gagnizoen." "Ja, ja," zegt de oudere boer, met een zucht--terwijl de trein, waarin wij zijn gezeten, zich weer in beweging stelt--"al dat soldaatje-spele is mooi en goed, maar 't kost 'n bult geld--'n bult; en ik en 'n ander kanne 't an belasting maar opbrenge." "O," roept de stukadoor uit, "da' 's 'n ongeluk, zoo as ze je tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal te pakke hebbe, dan late ze je niet los, net zoo min as 'n spin 'n vlieg.--Vijf, zes maande terug, net da' 'k t'huis ben om te ete, komme er twee van die risserseurs van de belasting binne.--'n Mooi stelletje! Half-sleet heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en moderspatte tot op de kraag van d'r jasse, van 't vigeleere, dat ze, dag in dag uit, weer of geen weer, door de stad doen.--En mager, dat ze ware! dat ze wel met de konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.-- ""Offe ze terecht ware bij Bruins," vroege ze. "Nou," zeg 'k, "dat is er na, hè! Me vader hiet Bruins, drie broers van me hiete ook Bruins, en dan he' 'k nog 'n macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette--zoek jij nou maar uit waar je weze mot." ""Bij Jan Bruins," zei diegenige, die 'n paar jaar ouwer was as de andere--'n dwarskijker van belang, want hij had 'n paar ooge, dat ie met 't eene na de neus van je gezicht en met 't andere na de neus van je schoene keek--"bij Jan Bruins, de stikkadoor."--"O," zeg 'k, "tel dan je geld maar uit, want van dat soort is er maar een in heel Amsterdam." "Nee," zei ie, "brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't er bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de belasting." "Belasting," zeg 'k, "asjeblieft, daar zitte ze, allemaal om de tafel: een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k denke." ""'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt," zeit me vrouw. Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze, maar dat je er de mindere man mee an kwam, dat had ze nog noot op de viool hoore spele. "Dat kon wel, zei toe die andere kerel--die zoo zuur keek, asof ie 'n karnemelksche moeder had gehad--dat kon wel, maar as ze 't alleenig van de rijkdom moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet. ""Ja nou," zeg 'k, "waar jelui weze motte, dat weet 'k niet en dat kan me niet schele ook, maar hier ben je niet terecht." "Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje. ""'n Knap boeltje," zeg 'k, "mag dat dan niet voor de belasting, dat je 'n knap boeltje het?" "Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap daar rekening mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting. ""Inkomste-belasting," zeg 'k, "maar man 't is ommers al mooi, da' 'k met me inkomme uitkom." "'k Begreep er niks van, zei ie. ""Nou," zeg 'k, "'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't niet om me cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei 'n borrel van me hebbe, voordat je weggaat."--Afijn... wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste ze dit en van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze, dan zou 'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar dan niet mee tevreje was, dan kon 'k altoos nog rikkelameere. "Maar dat doen 'k al," zeg 'k, "daar he' 'k geen pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k kan." Ja nou, maar dat gong niet, _eerst_ most 'k dat pampier hebbe. "'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van me, die nog wel 's 'n goeje raad voor 'n arm mens over het, en die dan ook 'n stuk voor me het opgesteld, da' 'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo beroerd an toe was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele omhaal van woorde--dit gezien en dat gezien--dit zus en dat zoo,--w..eet ik 't! maar de rijksdaalder, daar die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k betale. "Nou," zeg 'k tege me vrouw, "as dat nou niet is iemand 'n stuk van ze hemd knippe, zeg jij dan 's hoe 'k dat noeme mot."" "Ja," zegt de oudere boer, "'t is erg. En ze store d'r eige nerges an. Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart hoog is of laag, of je gelukkig bent met je vee of er 'n tegeslag mee het--je kan maar make, dat je de cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig alle belasting d'rekt is, want je het je anslag kwalijk in huis, of je kan 't al betale ook.--Maar daar benne we al te Amsterdam.--Koman jong, nou as de weerga na de avekaat." "En ikhe na de vekoopening," zegt Mozes,--"g'dag zame." "En ik na huis," zegt de stukadoor,--"ook g'dag." "En wij na Sloterdijk," zegt de vrouw van den polderwerker,--"gedag allemaal, en wel t'huis, mense." +--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) - Correctie (C:) | | | | B: antwoordt Keetje--'n Zondag | | C: antwoordt Keetje,--"'n Zondag | | B: potje met "ghesida" zegt zij, | | C: potje met "ghesida"" zegt zij, | | B: zegt Evert, 't zou ook al heel | | C: zegt Evert, "'t zou ook al heel | | B: zij. "As jij je mond houwt, zeit | | C: zij. ""As jij je mond houwt," zeit | | B: dan kan 'n ander de zijne | | C: "dan kan 'n ander de zijne | | B: hoor!" verzekert Evert.--"Nee, | | C: hoor!" verzekert Evert.--""Nee," | | B: me moeder, zoo as jij | | C: me moeder, "zoo as jij | | B: zoo te zegge 't beddegoed van." | | C: zoo te zegge 't beddegoed van."" | | B: kieze," zegt Keetje. Ik kom achter | | C: kieze," zegt Keetje. "Ik kom achter | | B: nog 'n kraf vol. | | C: nog 'n kraf vol." | | B: niet," zegt Grietje, en daar mag | | C: niet," zegt Grietje, "en daar mag | | B: nou is 't genoeg! roept Evert uit, | | C: nou is 't genoeg!" roept Evert uit, | | B: bloote hals: "ja"--en Keetje | | C: bloote hals: "ja""--en Keetje | | B: een allerliefst mondje--"dat | | C: een allerliefst mondje--""dat | | B: verzekert Grietje. Lekker ete is | | C: verzekert Grietje. "Lekker ete is | | B: op zijn schouder zettende. Ik mot | | C: op zijn schouder zettende. "Ik mot | | B: uitdrukking van "ik-mag-er ook-wel-wezen" | | C: uitdrukking van "ik-mag-er-ook-wel-wezen" | | B: Eddy uit, onmiddelijk een krijgshaftige | | C: Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige | | B: iederen avond, iederen Woensdag- en en | | C: iederen avond, iederen Woensdag- en | | B: kom ik onmiddelijk tusschen beide | | C: kom ik onmiddellijk tusschen beide | | B: antwoordde de agent, dat doe 'k in | | C: antwoordde de agent, "dat doe 'k in | | B: nadat zij eenigen tijd, misschen iets | | C: nadat zij eenigen tijd, misschien iets | | B: nu ook voor het laatst: "_des...i...eux_." | | C: nu ook voor het laatst: _des...i...eux_." | | B: zei meneer Kreggens glimlachend. | | C: zei meneer Kreggers glimlachend. | | B: "Meneer Kreggers stond op, | | C: Meneer Kreggers stond op, | | B: Dan denk maar jong, veur | | C: "Dan denk maar jong, veur | | B: waaraan "de Wijkamp" is gelegen, | | C: waaraan "de Wykamp" is gelegen, | | B: kinderen.... die blijve bij jou." | | C: kinderen.... die blijve bij jou."" | | B: vroolijk...! 'k Krijg 'n best wijf," | | C: vroolijk...! "'k Krijg 'n best wijf," | | B: wegloope, bij de kindere, Maar alla, | | C: wegloope, bij de kindere. Maar alla, | | B: huur wier opgezeid, 'k Woonde toe | | C: huur wier opgezeid. 'k Woonde toe | | B: hebbe, dat spreekt. 'k Had gelijk, | | C: hebbe, dat spreekt." 'k Had gelijk, | | B: eens. | | C: eens." | | B: daar kom 'k niet in.--En me vrouw | | C: daar kom 'k niet in."--En me vrouw | | B: hals wille valle, geloof 'k. | | C: hals wille valle, geloof 'k." | | B: "Of 'k dat goedvond, vroeg ze. "Of | | C: "Of 'k dat goedvond," vroeg ze. "Of | | B: hoort ze niet." "Zie je," | | C: hoort ze niet." Zie je," | | B: ie.--Moppig roept Kootje uit,--"_hem_ | | C: ie.--Moppig," roept Kootje uit,--"_hem_ | | B: bleek ziet en zoo papperig is. | | C: bleek ziet en zoo papperig is." | | B: nou an je lijf het, hoor. | | C: nou an je lijf het, hoor." | | B: meer an is." | | C: meer an is."" | | B: cente leve, en goed ook. | | C: cente leve, en goed ook." | | B: van Soelen uit. 't Is dat je 'r nog | | C: van Soelen uit. "'t Is dat je 'r nog | | B: bevestigt van Soelen. As ie merkt, | | C: bevestigt van Soelen. "As ie merkt, | | B: de cyperse. Hoe kan ie | | C: de cyperse. "Hoe kan ie | | B: roept van Soelen uit "en verdient | | C: roept van Soelen uit, "en verdient | | B: matschudding ove' niks."--"Mà 's awes, | | C: matschudding ove' niks."--Mà 's awes, | | B: gegaan, nou mos ie dood." | | C: gegaan, nou mos ie dood."" | | B: tikkende. Is 't nou weer | | C: tikkende. "Is 't nou weer | | B: zegt Mozes," "wate' is nat, | | C: zegt Mozes, "wate' is nat, | | B: voordat je weggaat.--Afijn... | | C: voordat je weggaat."--Afijn... | | B: hoe 'k dat noeme mot." | | C: hoe 'k dat noeme mot."" | | | +--------------------------------------------------------+ End of Project Gutenberg's Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg™ License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg™ License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg™. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg™ License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg™ website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg™ and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg™, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.